(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde"

Google 



This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves before it was carefully scanned by Google as part of a project 

to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing tliis resource, we liave taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrain fivm automated querying Do nol send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionThe Google "watermark" you see on each file is essential for in forming people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 

at |http: //books .google .com/I 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckplankcn heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



VEBSLA6ËN M MËÛËDËËLIN6ËN 



DBR 



koninklijke: Akademie 



TAK 



WETENSCHAPPEN. 



VERSLAGEN EN MEDEDE KLINGEN 



DER 



KONINKLIJKE AKADEMIE 



VAX 



WETENSCHAPPEN. 



Afdeellng LETTEBKÜNDE. 



•■^i^y\'W->'^*/%'W^"V-^ • «N^S.^ 



TWEEDE REEKS. 

Zevende Deel 



^<-«^ 



AMSTERDAM, 
G. 6. TAN D£R POST. 

1878. 




LSocBÛtI.iO 



h\ 



-^\?ü co77> 



1 \)^x. 11 1P.11 



T -'t 

i. . / ' • v. /. • . 




JnûJty\<\.û-'C 'j^^^oi ' 



OEnRUKT hU DK KOKVKB-KKSBEK- BAKELS. 



INHOUD 



▼AK HET 



ZEVENDE DEEL 



DBB 



TWEEDS BESKS. 



PROCESSEN-YERBAAL 

I 

DBB 

GEWONE VERGADEEINGEN. 



Ver^dering gehouden 


12 Maart 


187 


a 


9 


9 AprU 


H 





9 


14 Mei 


9 


M 


9 


11 Juni 


9 


ET 


9 


10 September 


9 


H 


9 


8 October 


n 


// 


9 


12 November 


9 


9 


II 


10 December 


II 


9 


9 


14 Januari 


i87i 


M 

1 


9 


11 Februari 


y 



biz. 1. 

9 100. 

9 133. 

9 187. 

// 166. 

9 183. 

9 an. 

// 249. 

9 270. 

9 815. 



VI INHOUD. 



VERSLAGEN. 

Rapport oyer de wetenschappel^ke waarde der handschrif- 
ten van 0. I. Hellingwerff over de Binnen-Egmonden. biz. 8. 

Verslag over <le Qaaestiones Homericae van den heer 
S. A. Naber // 144. 

Verslag over eene verhandeling van den heer H. Kern, 

Over de Oud-javaansche vertaling van 't Mahftbhârata. // 168. 

Verslag over een voorstel tot onderneming eener interna- 
tionale Pool-expeditie „ 243. 

Rapport over het voorstel van den heer C. Leemans^ be- 
treffende de belangen van 'sRgks musenm van oudheden 
te Leiden t 318. 

Bericht over den wedstrijd in lat\jnsche poésie ....// 324. 

Programma certaminis poetici (1877) u 109. 

Programma certaminis poetici (1878) u 36). 



MEDEDEËLINGEJN. 

J. G. G. Boot, Johannes Heck biz. 14. 

R. Frnin, De slag van St. Dénis, in verband met den 

vredehandel van Ngmegen // 26« 

W. J. Knoop, AMllem III en de slag van St. Dénis . . t/ 111. 

J. P. N. Land, Schotsche VTgsgeeren aan Nederlandsche 

hoogescholen . . // 16^. 

W. C. Mees, Poging tot verduidelgking van eenige be- 
grippen in de staathuishondkunde // 187. 



INHOUD. VU 

i. C. 6. Boot, over Hugo Favolius en zgne latgnsche 

gedichten blz. 215. 

R. Fruin, Nadere mededeeling betreffende Willem lU en 

den slag van St. Dénis n 284. 

6. Mees, As., De verzoening van Samnel Maresius met 

Jacob Alting „ 252* 

W. J. Knoop, Over de impopulariteit van ons leger t^'dens 

de republiek ^ 276. 

W. MoU, Bedrage tot de geschiedenin der middel-neder- 

landsche bgbelvertaling // 294. 

C. Leemans, Over een stcenen wigge of b|jl van zeld- 

zamen vorm. (Met eene plaat) ... ....// 345. 

P. J. Gosgn, De runen in scriptie van den buoharester ring. u 354. 



gewojNE vergadering 



DER AFDESUNG 



TAAL-, LETOËB , GESCHIEDKUNDIGE EN WUSGEEBIGE 

WETENSCHAPPEN, 

GBBODDBN DEN 1!^» HAART 1877. 



Tq^nwoordig de beeren: c. w. opzoomer, voorzitter, w. holl, 

C. LEEICANS, H. DE VRIES, W. O. BRILL, L. PH. C. VAN DEN BEROH, 
J. DS WAL, L. Â. J. W. 8L0ET, W. J, KNOOP, W. C. HEES, N. BEETS, 
B. FEÜIN, A. KUENEN, S. VISSERING, J. E. GOUDSMIT, J. P. SIX, 
S. A. NABER, TH; BORRET, S HOEKSTRA BZ., H. KlERN, J. A. FRUIN, 
R. T. H. P. L. A. VAN BONEVAL FAVRE, H. VAN HERWERDEN, 
J. P. N. LAND, J. O. DB HOOP SCHEFFER, H. F. A. O. CAMPBELL, 

p« OS JONO en j. c. g. boot, secretaris. 



Het proces-verbaal der vorige zitting wordt gelezen en 
goedgekeurd. 



De beer R. Frnin vraagt vergunning om in de volgende 
vergadering bet door den beer Knoop bebandelde onderwerp 
andermaal ter sprake te brengen. Hg beeft bet punt van 
verschil tusscben dien spreker en zicb nader onderzocbt, 
maar wenscbt te weten, of bet der afdeeling aangenaam zal 
wezen nog eens over dezelfde zaken te booren spreken. 

De voorzitter z^, dat geen onderzoek voor afgedaan ge- 
bonden wordt, en dat elk spreker vrg is in de keus van 
zgn onderwerp ; dat bg daarom die vraag niet aan stemming 
kan onderwerpen. 

Daar de leden ongevraagd toonen prgs te stellen op eene 

TIBSU KN aiOlD. AVD. LKTTIBK. 2de EBKI18. AKKL VII. 1 



(2) 

nadere bespreking van dit onderwerp, kondigt de heer Fniin 
aan, dat hij de slag van St. Denis en Willem III in de 
volgende vergadering wenscht te behandelen. 



De heer Borret leest het bericht over den uitslag der wed- 
str^d in latgnsche poëzie. Er waren dit jaar een bgzonder 
groot aantal gedichten door tien dichters ingezonden. De 
commissie geeft de redenen op, waarom £9 oordeelt dat de 
gedichten Per dies autumnales a studUs feriandum atque rus- 
ticationi indulgendum^ 2 een anoniem gedicht met de zinspreuk : 
Carminiê ignaro edendum ne crede poêtam^ 3 Proteus alter^ 
4 Monita ad Poplicolam^ 5 twee lierdichten, het eerste over 
de slagen bg Custozza en bg Lissa, het andere over den 
moordaanslag op koning Amedeus, 6 eene satire op het 
spiritisme, eindelgk twee dichtstakken uit een bundel van 
zeven gedichten, groot genoeg van omvang om mede te 
dingen, namelgk, 7 Ad Domenicum Caruttium V. CL en 8 
Ad Hemictim, De amoribus phüosophorum niet in aanmer- 
king kunnen komen 

Gunstiger is haar oordeel over de Fcuti Insubrici^ Thomas 
Aquinas j Omithogonia en Pastor bonus. Zg wgst den 
hoogsten rang toe aan het laatstgenoemde gedicht, en wenscht 
eene eervolle melding en uitgave hunner gedichten aan te 
bieden aan de dichters der drie eerstgenoemden, echter aan 
den maker der Ornithogonia onder voorwaarde, dat haar 
gebleken zal zgn, dat dat dichtstuk voldoet aan de bg den 
wedstrgd gestelde en in het programma bekend gemaakte 
voorwaarden. 

Hierop wordt het naambrie^e behoorend bg Pastor bonus 
geopend, en de heer P. Esseiva van Fribourg als maker be- 
kend. De medaille zal hem toegezonden worden. 

Staande de vergadering worden de naambrie^es behoorende 
bg de niet goedgekeurde gedichten verbrand. 



De heer Goudsmit vraagt het woord om te betoogen, dat 



(3) 

de commissie voor den wedstrgd zgns inziens onrecht pleegt 
tegen de bekroonden. De voorzitter verzoekt hem zgne be- 
zwaren in de buitengewone vergadering mede te deelen. De 
heer Goudsmit verklaart zich daartoe bereid. 



# 

De heer Moll leest het rapport der in de vorige vergade- 
ring benoemde commissie, aan wie de wetenschappel^ke 
waardeering der handschriften van C. J. Hellingwerfif over 
de Binnen -Egmonden is opgedragen. Het zal in de Versla- 
gen worden opgenomen. Met het voorstel, om van Biglage 
L een afschrift te laten maken en de daarbg gevoegde teeke- 
ning te doen nateekenen, vereenigt zich de vergadering. 



De heer van Boneval Faure deelt opmerkingen mede over 
het summier proces in verband met de voorgestelde w^zigin- 
gen in het Wetboek van burgerlgke rechtsvordering. Spreker 
heeft daarbg het oog op het bg Eoninkl^ke boodschap van 
5 Febraari 11. aan de Tweede Kamer der Staten Generaal 
ter overweging aangeboden wetsontwerp, houdende wgzigin- 
gen in het Wetboek van burg. regtsv., en bepaaldel^k op 
het daarin voorkomende voorstel, om de onderscheiding tus- 
schen de gewone en summiere behandeling der processen te 
doen w^vallen en de tegenwoordige summiere behandeling 
tot regel te nemen. 

Spreker is van oordeel, dat de minister bg z^ne voordracht 
zeer terecht steun heeft gezocht bg de mannen der praktijk 
en dat het z^n voorstel zeer tot aanbeveling strekt, dat 
mannen van de praktgk aan de door hem beoogde hervor- 
ming hunne goedkeuring hechtten. Want van de praktik 
is hier de meeste tegenstand te verwachten, omdat die geneigd 
is te behouden wat bestaat, en de theorie kan wel eens tot 
schoonsch^nende, in de praktik niet proefhoudende hervor- 
mingen verleiden. Voor dergelgke niet uitvoerbare voor- 
schriften moet de wetgever zich hier vooral wachten, omdat 
h^ dan de praktgk aanleiding zou geven om aan hare nei- 
ging tot behoud van het bestaande te voldoen zelfs buiten 



(4) 

en tegen de wet. Intusschen is het gezag van bg uitne- 
mendheid deskandige mannen niet voldoende ; de hervonning 
moet zich zelve rechtvaardigen, zg moet haar kracht onÜee- 
nen aan de dengdelgkheid van het beginsel, waarop zg rust. 

Bg hervormingen in de rechtspleging wordt alt^d gestreefd 
naar spoedig , goedkoop en goed recht Maar de groote moeie- 
Igkheid ligt in de vereeniging van die eischen. Wat sommi- 
gen te lang vinden, keuren anderen goed, omdat dan alleen 
zekerheid verkregen wordt; de kortheid, die genen willen, 
belet in de oogen van dezen de zekerheid. De oplossing is 
alleen te vinden in den eisch van noodzakelgkheid te stellen 
aan iedere formaliteit of vorm. Zg kunnen alleen gerecht- 
vaardigd heeten, als zg voor de behoorlgke voordracht van 
aanval en verwering en voor de mogelgkheid van eene be« 
hoorlgke beoordeeling door den rechter vereischt worden. 
Aan dat beginsel der noodzakelgkheid moet iedere bepaling 
van rechtspleging getoetst worden, omdat de procedure is een 
noodzakelgk, een niet te vermgden kwaad. Want, hoezeer 
zg de handhaving der rechten mogelgk maakt, belemmert zg 
die tevens. 

Spreker toetst aan dit beginsel de door den Minister voor- 
gestelde wgze van behandeling en is van oordeel, dat het 
daarbg over het algemeen wel is in 'toog gehouden. De 
noodzakelgkheid van schrifturen, dagvaarding en conclusies, 
waarin de partgen hare wederzgdsche beweringen gemotiveerd 
voordragen, schgnt niet te ontkennen. Maar is de noodzake- 
lgkheid bewezen om in den regel conclusies van repliek en 
dupliek toe te laten, of om het getal der conclusies tot die 
van repliek en dupliek te beperken? Spreker oppert eenige 
bedenkingen op dit punt. 

De opmerkingen betreffen verder de wgze, waarop in het 
ontwerp de nieuwe regeling wordt toegepast in die gevallen, 
waarin de wetgever tot dusver de summiere behandeling 
uitdrukkelgk voorschreef. Dit geschiedt meerendeels door 
eenvoudig dat voorschrift in te trekken. Spreker heeft daar^ 
tegen bedenking, omdat in vele van die bepalingen de oor- 
spronkelgke gedachte des wetgevers op eene veel beknoptere 
rechtspleging gevestigd is geweest, dan die welkenu daarop 



(5) 

zal worden toegepast« Daarom zou spreker wenschen, dat 
in ieder gevaji ware nagegaan of er noodzakel^kheid voor 
die meer omslachtige procedure bestond. Hg zelf gaat dit 
na 7oor de art. 140 n. 2 en 161 Wetboek v. burg rechts v. 
en meent daarbg tot een ander besluit te moeten komen, 
dan dat waartoe de ontwerper gekomen schont. 

De tgd liet niet toe alles mee te deelen, wat h^ ter toe- 
passing yan zgn beginsel op vele andere artikelen had aan- 
geteekend. De spreker besloot met de volgende algemeene 
opmerking : » Ik geloof bg de door mg gemaakte en nog te 
maken bedenkingen tegen de bepalingen yan het ontwerp, 
welke op de summiere behandeling betrekking hebben, ge- 
trouw te zgn gebleven aan het beginsel dat ik yooropzette. 
Heb ik juist gezien, dat dat het leidend beginsel bg deze 
hervorming behoort te wezen, dan zullen er nog al verande* 
ringen in het Ontwerp te maken zgn. Men zal moeten zeg- 
gen: als de ontwerper dat beginsel heeft willen toepassen 
dan is het beginsel goed, maar de toepassing laat te wen- 
schen over. De verklaring van de aanleiding daartoe heb 
ik voor een deel hierboven trachten te geveu. Ik veroor- 
loof mg, ten besluite, daar nog deze opmerking aan toe 
te vo^en. 

Een voorzichtig hervormer van de wetgeving gaat niet te 
onrechte bg zgn hervormingswcKk uit van de stelling dat 
de bestaande wet het vermoeden van deugdelgkheid voor zich 
heeft, en dat de noo'dzakelgkheid van verandering tegenover 
dat vermoeden moet aangetoond worden. Een civilist neemt 
te eerder die stelling aan, omdat hg gewoon is in het pro« 
ces den bewgslast opgelegd te zien aan hem, die doorzgne 
bewering eene verandering beoogt in den bestaanden toestand. 
Misschien ligt ook hierin eene verklaring van de behoud- 
zucht van hen die met de bedeeling des rechts belast zgn, 
waarvan ik in den aanvang melding maakte. De huldiging 
van dit beginsel heeft hare waarde; zg zal voor radicale 
hervormingen en voor een gdel streven naar verwezenlgking 
van Utopien behoeden. Bg de hervorming der rechtspleging 
leidt de huldiging van dat b^insel evenwel licht tot niet 
gewenschte resultaten. Daar is het zeer gevaarlgk om het 



(6) 

* 

vermoeden van de deugdelgkheid van het bestaande voorop 
te stellen, omdat meer dan op eenig ander rechtsgebied de 
bestaande inrichting gesteund wordt door de routine, door 
den sch^n van orde en regelmaat, waarmede men zich voor* 
stelt dat het gebouw is opgetrokken, en door het bgzonder 
belang dat aan het behoud van het bestaande verbonden is 
en dat in elke vereenvoudiging eene verkorting van dat be- 
lang ziet. Het vermoeden van deugdelgkheid van het be- 
staande is hier bovendien niet gegrond; het mag hier niet 
toegelaten worden, omdat iedere formaliteit en iedere vorm 
die ons in de handhaving of verdediging onzer rechten be- 
lemmeren, hunne deugdel^kheid moeten aantoonen door hunne 
noodzakel^kheid. De noodzakel^kheid is wellicht eens in 
vroeger tgd aangenomen, misschien heeft zg bestaan door 
de vaste overtuiging die men toen had, dat men deze of 
gene formaliteit niet kon missen, of doordien men zich te- 
genover de geopperde bezwaren niet sterk genoeg achtte om 
de afschaffing aan te durven. Hoe dit ook z^, de vraag blgft 
altgd: bestaat de noodzakelgkheid en, heeft zg al bestaan, 
bestaat z^ nu nog? Alleen langs dien weg kan men tot 
voortgaande vereenvoudiging komen. Nu vraag ik: zou 't 
ook kunnen wezen, dat de ontwerper van het besproken 
wetsvoorstel aan dat b^zonder standpunt, hetwelk de hervor- 
mer der rechtspleging heeft in te nemen, juist omdat het 
een bgzonder is aan deze materie eigen, niet heeft gedacht, 
of dat hg, vereenvoudiging beoogende, en meenende deze 
overal te hebben bevorderd, daarmede zgn voorstel op af- 
doende wgze gerechtvaardigd achtte? Dan hoop ik aanleiding 
gegeven te hebben tot een nader onderzoek en den niet 
moeil^k te volgen weg te hebbeu aangewezen, langs welken 
het beoogde doel op meer volkomene w^ze kan bereikt worden. 

Wegens het vergevorderde uur kan over deze mededeeliag 
geen discussie geopend worden, doch de gelegenheid zal 
daartoe in de volgende vergadering verstrekt worden. 

De mededeeling wordt niet aangeboden voor de Verslagen 
der afdeeling. daar eene onverwijlde afzonderlgke uitgave 
voor het doel van den spreker nodig is. 



(7 ) 

De heer Boot biedt namens den secretaris der Akadem'e 
Tan de Lincei, den heer Domenico Carutti, voor de boekerij 
aan eene verhandeling Di Giovanni Eckio e della instituzione 
deir Accademia dei Lincei, con alcane note inédite intorno a 
OalileOf Roma 1877. Hg was voornemens b^ die aanbieding 
een levensschets van dien Joh Heek van Deventer voor te 
dragen, maar daar hiervoor geen tijd beschikbaar is, biedt 
hg zgne bgdn^e aan voor de Verslagen en Mededeelingeu. 
Zg zal aan de commissie van redactie gezonden worden. 



De voorzitter sluit daarop de gewone vergadering, om haar 
onmiddellgk door eene buitengewone te laten volgen. 



RAPPORT DER œM MISSIE, 

BEVOEHD TER WETEV8CHÂPPSLUKE WAàKDESRINO DER UAJfO* 
8CHKIFTEN VAN DEN HEER C. J. HeLLIKOWEEFF 



OTKtt 



DE BINNEN-EGMONDEN. 



Ondergeteekenden, gevolg gevende aaa het in onze vorige 
vergadering nii^edrukte verlangen naar eene wetenschappe- 
Igke waardeering van de H8S. des beeren C. J. Helling- 
werff over de Binnen-Egmonden, thans eigendom derMaat- 
scbapp^ van Letterkunde te Leiden, ten einde te kunnen be- 
slissen over bet al of niet wenschel^ke om van die HSS., 
geheel of gedeeltelgk, ten behoeve onzer bibliotheek afschriften 
te doen nemen, hebben de eer u met het resultaat van het 
door hen ingesteld onderzoek bekend te maken. 

Vermelde HSS. vormen twee bg elkander behoorende doe- 
len in 4", beide in groenen band, het eerste 72 bladen 
en 4 kaarten bevattende, het andere 23 bladen, waaronder 
twee gekleurde teekeningen. De titel van het eerste deel 
is: Oudheid en geschiecUnmdige berigten van de Binnen-Eg- 
monden door C. J, Heüingwerffy 1841 ; de titel van het 
tweede: Vervolg. Oudheid enz., 1845. 

Op de 40 eerste bladen van het eerste deel leest men 
»Eenige oudheid- en geschiedkundige berigten van de Bin- 
nen-Egmonden", die men naar des schrgvers bedoeling wel 
als hoofdinhoud van het gansche werk heeft te beschouwen. 
In de breede inleiding verklaart hg de redenen, waardoor 
hg bewogen werd de pen op te nemen : liefde voor zgn ge- 



(9) 

boort^prond en voor de geschiedenis der vaderen. Daarop vol- 
gen de »Berigten", die zonder eenige methode bgeengevo^d 
en afgebroken door gemoedelgke ontboezemingen over de ver- 
gankelgkheid van al het aardsche enz., in bonte mengeling 
de aandacht bepalen bg Egmonds patroon, den H. Adelbert, 
bg de naamsafleiding der plaats, de kloosterstichting van 
graaf Dirk, de advokaten der abd^, bet slot te Egmond, de 
stichting der baurtkerk aldaar, de opkomst van Egmond 
aan Zee, de lotgevallen van sommige beeren van Egmond 
enz., waarna het opstel voortgaat met eenig bescheid aan- 
gaande de verwoesting der abd^ en het vernietigeD harer 
overblgfiselen, fundamenten en graven, in 1596, 1798, 1800 
en 1820, en eindelgk beslnit met korte meedeelingen be- 
treffende de grondvlakte van de abdgkerk, de graven op 
het kerkhof, de aldaar en elders gevonden mnnten, het kerk- 
hof van St. Adelbert en Radboud, de verwoesting van het 
slot, de kerk van Egmond op den Hoef en den toren van 
het slot. 

Van blad 41—72 vindt men -0 Bglagen: over de graven 
van Holland, die in de abdgkerk hunne rustplaats vonden, 
volgens aanteekeningen van Van Alkemade op M. Stoke, 
over de laatste leden van het geslacht van Egmond, over 
den verkoop van de heerlgkheid Egmond door de Staten 
van Holland in 1722, over de abd^ en buurtkerk volgens 
van Heossen en van B^n, over de verwoesting van deabdg 
en het slot, over de buitenplaatsen die Egmond voormaals 
versierden, over het grafmonument van Jan van Egmond, 
in de kerk van Egmond op den Hoef in 1799 verstoord, 
en het nog bestaande monument van den in 1717 overleden 
Nik. Witsen. 

Achter in het boekdeel komen vier kaarten voor: een 
platte grond van Egmond-binnen, getrokken uit de kadas- 
trale kaart van 1841, een dergelgke van het abdg-kerkhof, 
zooals het bestond, voordat de fundamenten in 1816 uit- 
gegraven werden, een tweede van hetzelfde kerkhof, zooals 
het zich in 1841 aan den schrgver vertoonde, en eindelgk 
een platte grond van Egmond aan den Hoef volgens kadas- 
trale kaart van 1841. Op laatstvermelden platten grond is 



( 10) 

de plaats aaugewessen, waar eenmaal het buis verrees, waarin 
Cartesiüs zal gewoond hebben. 

Het tweede HS., de appendix op het eerste, bevat van 
blad 1 — 7 hoofdzakelgk eene beschrgving van ettelgke mun- 
ten, die »eenige jaren'' vóór 1841 op St. Adelbertskerkhof 
werden opgedolven, en van blad 8 — 28 v^f Belagen. De 
eerste dier Belagen is een uitvoerig bericht over een in 
Jan. 1844 in den bodem der abdgkerk ontdekt graf met 
geraamte enz., waarbg eene gekleurde teekening van de hand 
des schrgvers. De tweede is een Igst van de oudheden, te 
Egmond-Binnen bg verschillende gelegenheden in den grond 
gevonden en thans onder de letters A — N geplaatst in het 
door den auteur geschonken mahoniehouten kistje, nu eigen* 
dom der Akademie. De derde is een soortgelgke Igst van de 
oudheden, van tgd tot tgd in de ruïnen van het slot ont- 
dekt, en thans onder N. 1 — 8 in vermeld kistje aanwezig. 
De vierde spreekt van eene teekening van de abdg, in 1794 
gemaakt, waarvan eene kopie van de hand des auteurs aan 
het voormalig Instituut werd geschonken, welke kopie echter 
niet onder de oogen uwer commissie is gekomen. De vgfde 
eindelgk bericht in enkele regelen, dat het op blad 8 met 
kleuren geteekende wapen der abdg genomen is naar het 
werk van M. Smalleganger {De wapenen der steden enz. van 
HoUanden W^««t-Fm5/.,Haarl.bgB. Cleynkens). Betrekkelgk 
dit met kleuren geteekende wapen merkte een uwer gecom- 
mitteerden op^ dat de abtsstaf, hier afgebeeld, het velum 
mist, welk velum niet ontbreken mocht, naardien het ge- 
bruik wilde, dat de abten dit voorwerp op hun wapenschild 
aan hun staf steeds verbonden, om dien van het »baculum 
episcopale'' te onderscheiden. 

Heeft het tot dus ver meegedeelde de vergadering, naar 
wg vertrouwen, in staat gesteld, zich van den inhoud en 
den aard der beschreven HSS. eene algemeene voorstelling 
te vormen, tot nadere karakterizeering van den arbeid des 
beeren Hellingwerff meenen wg nog het volgende te moeten 
opmerken. Dé schrgver, die zich, blgkens een brief, aan 



( 11 ) 

hei hoofd van het eerste deel geplafstst, geenszins als een 
oudheid- of geschiedkundige wilde beschouwd hebben, maar 
veeleer als een eenvoudig dilettant, heeft zich door het gan- 
sche werk ook als zoodanig doen kennen. Alleen de meest 
bekende bronnen en hulpmiddelen heeft hg gebezigd, en het 
daarin gevondene met ongeoefende hand en doorgaans zeer 
onachtsaam vergaderd. Kg gebruikte de kroniek van Jan van 
Leiden volgens de vertaling van Van Herk en Eempher, 
Hoogstraten^s Woordenboek, de werken van Van Meeteren, 
Bockenbergh, Van Heussen en Van Bjjn, Boomkamp, Van 
Alkemade en Van Wign. Van het bestaan van een groot 
aantal documenten betrekkel^k de abd^ in vele onzer ar- 
chieven schgnt hg nooit vernomen te hebben Alleen zgne 
berichten aangaande de lotgevallen van de laatste overblgf- 
seien van het klooster en het slot van Egmond mogen oor- 
spronkel^k en eenigermate belangr^k heeten. 

Bedriegen wg ons niet, dan zal de vergadering met ons 
van oordeel wezen, dat de beschreven HSS., die door de 
Maatschappg van Letterk., blgkens onze en anderer ervaring, 
voor den onderzoeker met vrijgevigheid toegankelgk worden 
gesteld, niet belangrgk genoeg zgn, om er de kosten eener 
volledige kopie aan te besteden In dit gevoelen zal men 
bevestigd worden, wanneer men nog het volgende in aan- 
merking neemt: 1^. dat hetgeen door den heer Hellingwerff 
in zgne »Berigten" aangeteekend werd aangaande de laatste 
overblgâelen der abdg, zooals zg door hem en anderen in 
onze eeuw bevonden zgn, reeds ter algemeene kennis is ge- 
bracht door Dr. Bomer in zgne prgsverhandeling over De 
kloosters en abdijen in de voormalige graafschappen van Hol" 
land en Zeeland^ II, bl. 2 30 v., waar tevens de belangrgkste 
der door den heer Hellingwerff geleverde kaarten, de platte 
grond van het abdgkerkhof, zooals die in 1816 opgemeten 
en gecarteerd werd, op bruikbare wgze geieproduceerd is ; 
en 2\ dat die gedeelten der HSS., die op de bg ons be- 
rustende £gmondsche oudheden betrekking hebben, door de 
welwillendheid der Maatschappg van Letterk. reeds in goede 
a&chriften aan ons verstrekt zgn geworden, namelgk Bglage 
U Lgst van de oudheden liggende in ons kistje sub A — N, 



(12) 

Bglage N Lgst der oudheden, gevonden in de ruïnen yan 
het slot van Egmond en liggende in het kistje sub N*. 1, 
2 en 8, en Bglage Q Lgst der almede in het kistje ge- 
stelde munten, te Egmond opgedolven. 

Slechts één gedeelte van beide HSS. wenschen wg nog 
ten behoeve van onze bibliotheek a%eschreven en gerepro- 
duceerd te zien, namelgk Bglage L in het tweede deel met 
de daartoe behoorende afbeelding. Die Bglage bevat ver- 
melde beschrgving van het in 1844 ontdekte graf in den 
bodem der abdgkerk ; de teekening geeft ons eene duidelgke 
voorstelling van dat graf met zgn inhoud. Tot dien inhoud 
behoorde één der voorwerpen, thans in ons kistje bewaard. 
De teekening mag daarenboven merkwaardig genoemd wor- 
den, omdat wg van onze grafkelders der veertiende en vgf- 
tiende eeuw, met hunne kruisen van menie, tot heden weinige 
of geene afbeeldingen bezitten. 

De geschiedenis der abdg van Egmond heeft sedert den 
aanvang dor 16® eeuw veler aandacht getrokken en niet 
gering is het getal dergenen, die vroeger en later tot de ken- 
nis van het gesticht en zgne bewoners hebben bggedragen. 
Met dankbaarheid herinneren wg aan den arbeid van Jan 
van liciden, den annalist van het klooster, en diens uitge- 
ver Ant. Matthaeus, en gaarne noemen wg hier de namen 
van Van Heussen en Van Rgn, Kluit, Van Wgn, Swalue, 
Eist, Bomer en Bakhuizen van den Brink. Maar hoezeer 
wg de verdiensten dezer mannen jegens de historie-beschrg- 
ving van de beroemde abdg waardeeren, met leedgevoel 
missen wg tot heden eene aan de eischen der wetenschap 
voldoende monografie over deze stof, terwgl het echter van 
algemeene bekendheid is, dat in onze bibliotheken en archie- 
ven te 'sHage, Utrecht, Warmond, Leiden enz., nog tal 
van stukken worden aangetroffen, die uitnemende diensten 
kunnen bewgzen. Wg mogen den wensch niet onderdruk- 
ken, dat den vrienden der wetenschap weldra een werk 
moge aangeboden worden, dat de bestaande behoefte in alle 
opzichten zal vervullen. Zal het dan wellicht blgken, dat 
men zich aan overdrgvlng schuldig maakt, als men met voor- 
bgzage van andere Nederlaudsche kloosters, bgv. de abdg 



(13) 

fan Wittewieram bg GroniDgen en die van St. Paul te 
Utrecht, het convent van Egmond »de bakermat der voor- 
vaderlgke beschaving^' noemt, zeker zal eene grondig bewerkte 
historie yan het gesticht en z^ne bewoners eene hoogst- 
behmgrgke aanwinst wezen voor de kennis van het leven 
en bedrgf onzer voorgeslachten, hunne litterarische oefenin- 
gen, hun kunstzin, hunne kerkel^ke en maatschappelgke 
rechten enz. 

W. MOLL. 

TH. BOBRET. 

M. F. A. O. CAMPBELL. 



JOHANNES HECK. 



MKDEDBELINa VAN 

J. C. 0. BOOT. 



Bg de aanbie^lmg van een exemplaar eener yerhandeling, 
die door den geleerden en gyerigen secretaris yan de Aka- 
demie der Lincei te Rome, Domenico Garutti, in de zitting 
yan den 21"^° Jannari 11. yoorgelezen en yoor de wer- 
ken gedrukt is, onder den titel : di Giovanni Eckio e della 
instüuzione deU Accademia dei Lincei, was het mgn yoorne- 
men de aandacht der afdeeling te yestigen op een bgna ge- 
heel onbekenden landgenoot. Wat gebrek aan beschikbaren 
tgd mg toen yerbood yoor te dragen, bied ik na met eenige 
aanteekeningen yoorzien ter lezing aan. 

Als zooyele andere Nederlanders yerliet Heek in zgne 
jeugd zgn geboortegrond, zwierf rond in den yreemde, en 
heeft laber slechts eenmaal een kort bezoek aan zgne familie 
gebracht. Geen wonder dus dat hg hier yergeten werd. 
Te Rome, waar hg geruimen tgd leefde en werkte, wordt 
zgn naam in eere gehouden. Don Bald. Odescalchi heeft 
in zgne yoortreffélgke geschiedenis der Lincei yan 1603 tot 
1680 *) een aantal belangrgke bgzonderheden oyer hem me- 
d^edeeld, die sedert door de uitgaye yan een latgnschen 
brief yan Gaetano Marini in 1780 geschreyen f), door het 



*) Memorie iatorico critich« deir Accademia de* Lincei e del Principe Federigo 
Cesi etc. raccolte e scritte da D. Baldassare Odescalchi, Onca di Ceri. Roma 
MDCGCyi. 817 blads. in 4fi. 

I) De brief ten geleide van een afichrift der Oêsia LyKccorum, waaroTcr ik 
later ieU sal leggen, aau Natale Saliceti, ly&rts yan Pans Pins yi gericht, ie 
m^ aUeen bekend nit het Bericht der aittiug van de eerste klasse der Reale Ace. 
dei Lincei, yan 7 Mei 1876. H(i is daarna afgedmkt in het derde deel der Atti, 
Serie seconde. 



(15) 

raadplegen van Cancellierî's verzameling*) en door de ^ve- 
nge nasporingen yan den heer Garutti zgn vermeerderd. 

Op den l?«'^'^ Augustus 1603 waren vier jongelieden in 
eoie woning van het aanzienlek gedacht Cesi bgeen, om 
zieh na herhaalde voorafgaande besprekingen te verbinden 
tot oprichting van een Lyceum ter beoefening der weten- 
schap. Zë deden dit door hunne handteekening te stellen op 
een los blad, dat met vele andere documenten is bewaard 
gebleven. De eerste onderteekenaar was de achttienjarige 
Frederik Oesi, Markies van Monticelli, die later de titels 
van Prins van St. Angelo en van Hertog van Acquasparta 
gevoerd heeft^ de derde en vierde Frans Stelluti en 4^ graaf 
Anastasio de Filiis van Terni. Na Cesi, die zich ConuMus 
Princeps et Instüutor noemt en zich dien titel overwaardig 
gemaakt heeft, vatte Heek de pen op en schreef: Ego Joan-' 
nes Heekius Lyncaeus^ Wilhelmi ßl%u8, Daventriensis^ aetatis 
meae anno 26, Salutü 1603, die Aug. 17 manu propria 
ecripsi. 

Uit deze opgave blgkt dat J. Heek omstreeks 1577 te 
Deventer geboren is, waar wy hem in 1605 na den dood 
zgns vaders bg zgn broeder Willem zullen terug zien. Waar* 
aclqnl^k heeft hg zgne eerste opleiding in zgne geboorte- 
plaats gekregen, die hg op jeugdigen leeftgd verliet, omdat 
hg zich niet van de Boomsche kerk wilde scheiden en van 
de hervorming afkeerig was. i^ Haereticorum iniurüs in Ita- 
Uam coactuSj studiis rerum naturaliam ah ineunte assuetus 
aetate^ me contuUj schreef hg later. Nog voor zgn vertrek 
uit zgn vaderland stelde hg een hygienisch geschrift op, 
dat in een handschrift vroeger der bibliotheca Albani, m. 
348, nu in de boekerg Boncompagni n'. 206 bewaard is 
gebleven. Het draagt den titel van Liber de regimine sani« 
tatis eorum, qui studio literarum incumbunt autore Jo» 
Heckio Belga daventriensi anno 1596 en loopt van bl. 27 
tot 191. 

In 1598 was hg al in Italie, zooals blgkt uit de onder- 



*) Zie de amnteekeniDg op bL SO 



( 16 ) 

schriften van drie wis- en natuurkundige vertogen, die door 
hem geschreven z^n in palatio Bajano IW*** D, Benedicti 
Geltung en in 1600 en 1601 hield hg zich te Spoleto op, 
denkel^k in de woning yan een voornaam ii^ezetene, in wiens 
Miisaeo deaurato hy een paar w^sgeerige tractaten opstelde. 
In dienzelfden tjjd bezocht h^ de universiteit van Perugia, 
waar hg Maandag 6 Aug. 1601 na het verklaren van op- 
gegeven punten uit Logica, Philosophia naturalis, Ars medica 
en de Aphorismen met den meesten lof het doctoraat in 
artUms et medicina waardig gekeurd werd, waarvan hem de 
onderscheidingsteekenen door Prof. Petrus Paulus Galera, 
een zgner beide promotoren, werden overhandigd. Ons mede- 
lid G. C. ConestabUe heeft al wat tot Heckes promotie be- 
hoort uit het promotie raster te Perugia medegedeeld aan 
den heer Garutti. Zie diens verhandeling di G. Eckio^ p. 5. 
Het komt ons merkwaardig genoeg voor om het, trots de 
erbarmelgke Latiniteit, hier achter te laten afdrukken. 

Na korten tgd de geneeskunst elders uitgeoefend te heb- 
ben, nam hg in 1602 de uitnoodiging van een hertog Or- 
sini aan om met eene toelaag van honderd kroonen en vgf- 
tien maten {rubhia) koom zich te Scandriglia bg Bieti neer 
te zetten. Daar leefde hg in onmin met den apotheker, die 
in het bereiden zgner medicgnen knoeide, en den arts^ die 
hem daarover onderhield en die daarenboven aan de min- 
vermogenden zelf geneesmiddelen gaf, en daardoor hem af- 
breuk deed, haatte. Dit ging zoo ver dat deze, Renier 
Gasolini, eens met een helper doctor Heek buiten de plaats 
op een eenzamen weg volgde en met steenworpen verwondde, 
die genoodzaakt tot zelfverdediging van zgn paard sprong en 
den aanvaller met een ponjaard een hoofdwond toebracht, 
die veertien dagen later den dood van Gasolini ten gevolge 

had. 

Heek gaf zich aan en werd eerst op de plaats gevangen 
gezet en ondervraagd, vervolgens naar Rome gezonden. H^ 
bleef niet lang gevangen. De verwonding was op 1 Juni 
1603 voorgevallen, en reeds den 26"^° van die maand werd 
zgne zaak behandeld. De verdediger bewees met verklaringen 
van getuigen dat de beklaagde bg het voeren van eene nood- 



( 17 ) 

zakel^ke zelfverdediging zi)n aanvaller verwond had, en Heek 
werd zonder vrgspraak ontslagen. 

Misschien heeft de belangstelling van den jongen Markies 
Ceei in den beklaagden tot de spoedige afdoening der zaak 
medegewerkt. Deze had z^n vriend Stelluti meermalen over 
de groote bekwaamheden van Heek hooren spreken, hetz^ dat 
Stelluti met hem persoonlek in kennis was gekomen, hetzg 
dat geschriften door Heek vóór 1603 vervaardigd in zgne 
handen gekomen waren. Want Heek was een onvermoeide 
scribent, en de bibliotheek Albani bevatte veel meerdere 
geschriften van zgne hand, dan die door Odescalchi ver- 
meld worden. 

Toen hy te Rome gevangen zat, had Stelluti hem de 
diensten van den Markies komen aanbieden, met wien hg 
dadel^k na zgn ontslag in kennis kwam, en in wiens woning 
hfl zgn intrek nam. 

Hg kon zich nu geheel aan zijne geliefkoosde studie wg« 
den, verklaarde aan zgne vrienden de Platonische wgs- 
b^eerte, die hg als eene wegbereidster voor het Christendom 
voorstelde, en hield zich gaarne met sterrekunde en astro- 
logie bezig, waarvan een geschrift de neglecta siderali acientia 
de vrucht was. De mechanische vaardigheid van Anastasio 
de Filiis, die in dien tgd ook bg Cesi zgn intrek genomen 
had, kwam hem daarbg zeer te stade. 

Zoo vormde zich bg die jonge lieden het plan tot het 
stichten eener wetenscliappelgke vereeniging, die zooals ik 
reeds zeide op den 17^^° Aug. 1603 met plechtigheid werd 
ingewgd. Zg noemden die vereeniging eene Akademie en 
zich Lyncaei, naar de lynx of los, die reeds in de oudheid 
om zgn scherp gezicht bekend was en toen nog in Italie 
gevonden werd *). Evenals in andere Academiën nam ieder 
Lyncaeus een bgzonderen naam en een emblema aan. 
Heek kreeg den naam vau Illuminatie en tot emblema 



*) 'Oaritiivie cuaärtepeäum omnium cern^nC schrijft Plinius, il. N XXVIII, 
122. In diexiä t\jd werden ze in Italie niet geronden. Wel in 't begin der 
XVlIde eeuw. De kardinaal Fr. fiarberiûi, een der Lyncaei, had er twee, die 
in de bergen der AbrnzzI gcvar.gcn '.raren. 

VSaSL. %V MKDKD. AVD. I.ETTKRK. 2^6 SEKK8. DIEL Y II. 'À 



( 18 ) 

de maan die door een driehoek haar lieht vau de zon krggt, 
met het byschrift A patre luminumj om daarmede aan te 
duiden, dat zooals de maan licht ontvangt van de zon, zoo 
de menschelgke geest licht verwacht van God. 

Bg de regeling der werkzaamheden werd naar den aan- 
genomen regel, dat ieder eenig gedeelte der wetenschap 
moest onderwazen, aan Heek de metaphysica, de sterrekunde 
en het leveren van proeven in 't vak van natuur- en genees« 
kunde opgedragen, en in de vergadering van den 15 Octo- 
ber bracht hg drie onderwerpen daartoe betrekkelgk ter 
sprake. 

Ook de drie andere Lyncaei waren geene enkele hoorders, 
maar y verige werkers, en de kleine kring mag ten voorbeeld 
strekken aan vele latere Academiën, die bg een veel grooter 
ledental, veel minder arbeid verrichten. Waren zg zoo voort- 
gegaan en hadden zg blakende van gver voor kennis en 
wetenschap vele degelgke geleerden aan hun kring kunnen 
toevoegen, dan ware misschien het grootsche plan van den 
stichter, ons bekend uit Odescalchi's overzicht van den 
LyncaeographuB (Memorie p. 204—241), verwezenlgkt ge- 
worden. 

Maar de ngd knaagde reeds aan de jeugdige instelling. 
Die dagelgksche omgang van den markies Cesi met zgne 
vrienden, die afzondering van de wereld en toewgding aan 
de studie mishac^de aan het personeel, dat tot de hofhou- 
ding van zgn vader den hertog van Acquasparta, een man 
van een alles behalve beminnelgk karakter, behoorde. Hun 
haat keerde zich vooral tegen Heek, den boezemvriend van 
Cesi. Het geheim, waarin de Lyncaei hunne studiën hulden, 
en het cijferschrift waarvan zg zich in hunne onderlinge 
briefwisseling bedienden, werden door die ellendelingen aan- 
gegrepen als de middelen om hen van losbandigheid, ket- 
terg en allerlei gruwelen verdacht te maken. Odescalchi 
geeft een uitvoerig verhaal van de vervolgingen, waaraan 
zg jaren lang hebben blootgestaan, en hoe het leven en de 
vrgheid van Heek voortdurend bedreigd werd, onder het 
voorwendsel dat hg met kettersche gevoelens besmet en met 
den Markies voornemens was naar Vlaanderen te vluchten. 



( 19 ) 

Eindelgk in 't begin van Mei 1604 zag Heck zich genood- 
zaakt Rome te verlaten, en vergezeld van een lastig gevolg, 
dat hem door den hertog gegeven werd, reisde hg over 
Siena, Florence, Pisa, Genua en Milaan naar Turgn, onder 
weg niet verzuimend zeldzame planten te verzamelen, te 
beachrgven en af te beelden, en met geleerden kennis aan 
te knoopen. Incepit in via (schreef h^ in de Gesta Lynceorum) 
naturalitim rerum speculationi operam dare^ et quas inveniebat 
stirpesj quae ei occurrebant animalia et insectüia notare et 
earum differentiae ^ ei quid notandum esset, chartis committere. 
Van Turgn, waar zgn reisgezelschap hem verliet zonder hem van 
reisgeld te voorzien, trok hg door Savoye over Lyon en Pargs 
naar Dieppe, waar hg eene scheepsgelegenheid naar Holland 
afwachtende met eenige protestanten in twist geraakte, die 
bloedige gevolgen zou gehad hebben, als hg niet met de 
degen in de hand zich ruim baan gemaakt en op een schip 
de wgk genomen had, dat hem in Engeland bracht, waar 
hg de komst van zgn broeder moest afwachten om de reis 
te kunnen vervolgen. Na met dezen een deel van Ei^eland, 
Schotland en Ierland doorkruist te hebben, stak hg over 
naar Nieuwpoort en trok door Zeeland over Utrecht naar 
Deventer, waar hg door vele stadgenooten met vreugde ont- 
vangen werd. 

Hg hield er zich evenwel slechts kort op. Hoewel dead- 
vokaat, die hem in zake van manslag verdedigd heeft, hem 
had voorgesteld als non iraeundum, neque rivosum^sedplaci' 
dum atque henignum, blgkt het toch dat hg zeer prikkelbaar 
was en dat de onverdiende vervolgingen hem voor den om- 
gang met andersdenkenden ongeschikt hadden gemaakt. Om 
erger te voorkomen, verbande de Deventersche overheid 
hem uit de stad. Hg deed daarop een reis door Noorwegen, 
Zweden en Denemarken, keerde met vergunning terug in 
Deventer, om spoedig weer met de heerschende partg in 
twist te komen en andermaal, nu met verbeurdverklaring 
?an zgn erfdeel^ verbannen te worden. 

Daarop verliet hg zgn vaderland en bezocht de Zuidelgke 

Nederlanden, Duitschland, Boheme, Polen en Oostenrgk. In 

December 1604 was hij in Praag, van waar hij een brief 

2* 



(20 ) 

schreef aan den voorzitter der Lyncaei, die in de verzameling 
van Cancellieri met verscheidene andere brieven van en aan 
hem is bewaard gebleven *). Uit die correspondentie blgkt, 
dat hg zich te Praag langer dan elders heeft opgehouden, 
met Tycho Brahe en Keppler omging, en over verschillende 
onderwerpen verhandelingen schreef. Tycho als ketter viel 
niet b^zonder in z^n smaak; nu eens noemt hg hem mcy^ 
num curiosumque mathematicum, aed plane inaipidum philo^ 
sophum^ dan weder over eene astronomische ontdekking 
schrgvendf maakt hg gewag Calviniatœ euiuadam mathematici 
lïchonis BrahaSy haud indocti aut incuriosi eorum^ quae ad 
hanc spectant scientiam^ qiiamvia in phyëicie satiarudis. Ver- 
der blgkt uit die briefwisseling, dat de Markies zich veel 
goeds van zgne reizen voorspelde voor de belangen der Aka- 
demie, maar toch ook zeer zgne terugkeer verlangde, en 
met zgne twee andere vrienden rgpelgk overwoog, watllla- 
minatus, die verschillende plannen voor de toekomst aan den 
president had medegedeeld, te doen had. 

Op verzoek der Lyncaei en op last van Cesi keerde hg 
eindelgk naar Italie terug en hield zich eenigen tgd te 
Parma op bg Stelluti, die daar woonde. Van Praag uit had 
hg in *t begin van 1605 een verhaal van wat hg op zgne 
reizen door het Westen en Noorden van Europa merk- 
waardigs gezien en gehoord had, naar Rome gezonden; 
1 October van 't zelfde jaar zond hg van Parma de Fructtis 
itineria per Pomeraniam, Poloniam^ BoJiemiam^ Franconiam, 
Austriam^ Bavariam, Saxaniam et GaUiam Cispadanam. 
Beide stukken zgn door Odescalchi in de bibliotheek Albani 
gezien; nu zgn ze te Rome niet meer te vinden. Misschien 
zgn ze bg de bezetting der stad door de Franschen in 1 808 
en volgende jaren met vele andere handschriften en boeken 



*) Vtn den bekeoden romeinschen letterkandige abt Francesco Cancellieri wordt 
in de Vatieaanache bibliotheek eene Sioria delF üceademia de* limeei bewaard, 
die merkwaardig ia om de talr^ke echte docomenten daaraan toegevoegd. Eene 
nÜYoerige opga?« ia uit het Qiomale areadieo van 1828 overgenomen in eene 
aanteekening op Volpicelli*a verhandeling StUP aee. d^ Hncei, dal terto tuo 
riiorffimenio del 1795 »ino a\ 1847 in liet eerate deel der Afii deiV aeead, pon^ 
iifieia de* nuovi Uneei, Soma 1851, bl. 15—19. 



( 21 ) 

dier bibliotheek gestolen en schuilen nog in de bibliotheek 
der medische faculteit te Montpellier, die met dien buit 
Terrgkt is *). 

Heek had van den princeps last gekregen te Terni te 
yertoeyen, maar gehoorzaamde niet daaraan en kwan^ na eene 
tweejarige afwezendheid tegen April 1606 terug in Rome, 
zooals bl^kt uit zgn brief, gedateerd 1 April, aan Eeppler, 
waarin de woorden voorkomen : litteris his te aalutatum venia 
ex alma nostra Urbe Roma f). Zgn verblgf was evenwel 
niet van langen duur. Uit een brief van Cesi aan Stelluti 
van 17 Januari 1607 blgkt dat de ergste vgand der Lyn- 
caei gestorven was en dat Heek toen al langer dan drie 
maanden bg hem gewoond had, maar steeds in angst. Of 
daarvoor reden was, zooals beweerd is, valt moeiel^k te 
beslissen. Zeker is het dat h^ Bome andermaal verliet, en 
dat hg in 1608 te Madrid de geneeskunst heeft uitgeoefend 
om te kunnen leveü. Fïvo, schreef hg den 2^^ Juni van 
daar aan Stelluti, mvo medicus pulsitangulus^ urinicemulus^ 
ex labore inquam manuum mearum. Qui antea asperndbar 
aegrotum visitationesj foetida illa fabricensium cubicula^ qui 
nummos etiam renuebam^ nunc studiose quaere^ foetorem avec 
et TUMimos praecipue spero; ad mercinwnium mea me redegit 
sors et scientiam foenori subiugavi. Dit laatste moet evenwel 
niet letterlek opgevat worden; want uit het vervolg vau 
dien brief vernemen wg, dat hg al honderd onbeschreven 
planten in Spanje verzameld had en zich bezig hield met 
het vormen eener verzameling van natuurlgke historie. 

Van 1608 tot 1614 is zgn levensloop bgna geheel on- 
bekend, 't Eenige dat wg weten is, dat hg na veel om- 
zwerven in Spanje, Frankrgk, Engeland en de Nederlanden, 
eindelgk zich weder in Rome vertoonde en onverwachts door 
Stelluti in de vergadering der Lyncaei op den 26<^° Juli 1614 
werd binnengeleid. Volgens het proces- verbaal dier zitting 
q^rak hg daar een uur lang zoo welsprekend over zgne 
reizen en wederwaardigheden, dat allen hem bewonderden. 



•) Tg. Blame's Iter iulieam, IV, bl. 175. 

t) Die brief en een van deuselfdcn datam aan Hicrunymus Mercnrialis ia uit- 
gtgtTen dcwr Odeicalebi, Memorie, bl« 88 vg. 



( 22) 

De Filiis was al lang dood, maar de Academie had sedert 
1610 nieuwe leden aangewonnen, en daaronder mannen yan 
grooten naam, zooals Giovanni Battista Porta, Gulileo Ga- 
lilei, Fabio Colonna en Marcus Velser van Augsburg. Galilei 
woonde de vergaderingen dikw^ls bg en deelde daar zgne 
belangrgke ontdekkingen in natuur- en sterrekunde mede. 
Met hem en de anderen kan Heek niet onbekend zgn ge- 
bleven; maar zgn werkkracht was gebroken, en op den 24 
Maart 1616 werd h^ om krankzinnigheid tgdelgk van het 
bgwonen der vergaderingen uitgesloten, 't Is de laatste ver- 
melding, die van hem gemaakt wordt. Zgn verder lot en 
de tgd van z^n dood z^n onbekend. 

Niettegenstaande zgn onrustig leven heeft Heek veel ge- 
arbeid en veel geschreven. Garutti deelt bl. 33 en 34 de 
titels van dertien zguer werken mede, en Odescalchi maakt 
nog van meerderen melding (Memorie p. 270). Zoover be- 
kend is, zgn er van de gedrukte slechts twee bewaard ge- 
bleven. Het oudste is de Disputatio unica de peste et quare 
praecipue graasetur tot abhinc annis in Belgioy die hg bg zgn 
kort verblgf te Deventer in L 604 heeft geschreven, en die hoewel 
blykbaar niet door hem voltooid door zgn broeder naar de 
pers gezonden eu bg Joh. Gloppenburch in 1605 gedrukt 
is. Het eenig bekende exemplaar van dit boekske van 31 
bl. in klein 4^ wordt hier ter stede in de boekerg van het 
genootschap tot bevordering der geneeskunst bewaard. Voor 
de geschiedenis der pest heeft het, zooals mg door een 
deskundigen verzekerd werd, weinig waarde. Het tweede 
geschrift kwam in hetzelfde jaar te Rome bg Alois, Zannetti 
in het licht, maar niet zooals hg het geschreven had. Im- 
mers hg beklaagde zich later over veel wat daarin veran- 
derd was door het bedrgf van zgne bengders {lividulorum 
quorumdam iniuria). Het is -getiteld De nova Stella dis^ 
putatio Jo. Heckii Lyncei Daventriensis philosophiae et me" 
dicinae Doctoris, en behandelt in 28 blz. in 16''. de onbekende 
âter, die in October 1604 door hem te Praag in het beeld 
van den Slaugendrager was waargenomen, eu waarover toen 
veel geschreven is. Het eenig bekend exemplaar van dit 
weinig beduidend geschrift wordt te Rome bewaard. 



(23 ) 

Nog onuitgegeyen is de bron van de oudste geschiedeuis 
der Academie Tan de Lyncaei, waaruit Odescalchi en Ca- 
rutti Teel geput hebben. Het HS. is getiteld Gesta Lyn-- 
c£orttm^ en werd door Heek in 1606 te Elome geschreTen. 

Jo. Maria Lancisi spreekt over een werk de fungU met 
Tele teekeningen, dat hg in de bibliotheek Tan Pans Cle- 
mens XI gezien had en zegt, dat het bewerkt was summo 
studio a duobua magniê viris, nimirum ab exc^, magnate 
Fred* Caesio^ celebri olim Lynceorum Academiae principe, 
uee non a Joanne Heekio, qui magnue eux aevi medicus et 
botanicus fait *), Dit handschrift, dat stellig uit de Terza- 
meling Dal Pozzo afkomstig was, is misschien nog te Mont- 
pellier of te Turgn in de boekerg Tan Prins Amadeus Tan 
SaToge te Tinden. 

Yele andere stukken, die men Terloren achtte, beTinden 
zidi in de rgke Terzameling Tan den Prins Bald. Boncom- 
pagni te Rome, en de titels zgn tot aauTuUing en Terbete- 
ring der Torige opgaaf in de Tergadering der Lincei Tan 
18 Maart 11. door den Heer Carutti medegedeeld. Die 
mededeeling is reeds afgedrukt Toor het Tolgende deel der 
Handelingen, onder den titel: Giunta all' elenco dette opère 
di Giovanni Eckio. Dertien banden beTattende een aantal 
geschriften door Heek Tan 1596 tot 1 605 sAnengesteld, allen 
afkomstig uit de boekerg Albani, worden daarin nauwkeu- 
rig beschreTen. 

Mogen ook de sterke uitdrukkingen, die in brieTeu Tan 
Prins Cesi Toorkomen, niet Trg Tan OTerdrgTing zgn, ik 
geloof toch dat de Tcrdienstelgke onderzoekingen Tan Itali- 
aansche geleerden bewezen hebben, dat Johannes Heck onder 
de geleerde telgen Tan DcTenter moet opgenomen worden, 
en dat men aan zgne nagedachtenis onrecht pleegt, door te 
berusten in de uitermate schrale berichten aangaande hem, 
die in de bibliographische werken Tan Sweertius, Foppens en 
anderen gOTonden worden. 



*} Zie LaneUi'i Dist, epiiiohris de orlu, negetaiiome gt iesiura fitngomm 
Jiommê 1714, aMgehuld door S. Proja in de Atti dell* Acctd. de' nuovi Lincei 
T. XÎII. p. 476, waar de aangehaalde woorden staan opgegeven. 






B IJ L A G E. 

UIT HBT ueaiSTER DER PROMOTIEN TE PERUGIA VAN 159S TOT 1602. 
bl. 124. 

»1601. Die domiaica quinta Augusti de sero. 

»Magnifici yiri Ds. Petrus Paulus Galera et Ds. Mar* 
»cellus Bonamicus, promotores dni Joaunis Echii Belgii^ 
»praesentaverunt euudem coram Ilimo et Reverenmo Neapo- 
»lione Episcopo existente in eius camera, et petierunt ei 
»assignari puncta in artibus et medicina in forma. Qui 
»Ulms ac Rems dm' Episcopus existens .ubi supra mandavit 
»ei puncta petita assignari crastina die et per eum loco et hora 
»solitis coram se, vel Vicario ab eo deputato, receuseri; et 
»tune fuerunt ei per M"^. D"*. Thomam Rigutium et Dm. 
»Franciscum Platonium assignata inirascripta puncta, vi- 
delicet : 

»In Log. cap. 3™. p°*^ libri poster = NonnuUis quidem, 

»In PhilosopHia naturali contex. 56 p°>^ libri == Tria igitur. 

»In Arte Med cap. 3'". «^-^ Sed quoniam. 

»In Aphor. aphorisma 2"». libri pmi. aphor™. «s= In plu- 

ribus nostris. 

bl. 125. 

»1601. Die Lunae sexta Augusti de sero, supra scrip- 
»tus D\ Joannes Ecchius existens inter suos promotores 
»coram 111° et Rnd"". D*". Salvatio utriusque iuris Doctore 
»Perusino, Vicario deputato ad hunc actum ab Ilmo et 
»Revmo D*^. Episcopo Perusino, stante absentia Vicarii ge- 
»neralis, et coUegiatis doctoribus in totnm, computatis pro- 
» motoribus et supranumerariis, decem, coepit recitare puncta 
»sibi (h)esterna die (assiguata), in quorum recitatione itase 
»gessit, ut ab omnibus fuerit Laurea doctoratus in artibus 
»et medicina dignissimus iudicatus per omnes literas in A, 



(25 ) 

»redditas, nulla vero litera R. in contrarinm reporta« Quo- 
»circa 111*, et R«. Vicarius sedens, facto processu, quantum 
>ei safficere visum fuit, super eins Christiana rita, moribus 
»et natalibus, factaque per eum fidei professione, et delato 
»inramento in forma, pronuutiavit eum doctorem in artibus 
»et medicina concedens ei solitas facultates ac committens 
»promotoribus suis ut doctoratus insignia de more tradant, 
»quae illico élargi ta fuere per D"*. Petrum Paulum Galeram 
»nomine suo et CoU^ae. Et insuper iuravit Dominus Jo- 
»annes tactis ec. non visitare infirmos ultra tres vices, nîsi 
»fîierint peccata confessi/^ 

»U"" Dominus Salvatius habuit Se. I. Ex ordine mibi 
»Notario dato per Ulm. ac ii'\ J)^. Episcopum perusinnm 
»sunt Lanreato restituta scuta tria ei débita amore Dei ac 
»intuitu D'»i. Philippi Palatii " 

Aan den kant staat geschreven: »Gratis quoad R^^. D. 
»Episcopum pro Doctoratu,*' en wat lager: » Die 29 Augusti 
»habuit Privilegium; pro siguo solvit paulos sex" 



DE SLAG VAN St. DENIS, 



IN VERBAND MET DEN VREDEHANDEL VAN NIJMEOEN, 



DfJURAGK VAN 



R. F R U I N. 



Het onderwerp, waaroyer ik wensch te sprekeu, is u reeds 
bekend, mgue beeren. Voor twee maanden beeft ons geacbt 
medelid, generaal Knoop, uw aandacht geboeid, toen hg het 
met zgn gewone helderheid van voorstelling behandelde. 6g 
kent dus de stof; gij weet ook de reden waarom ik ze nog eens 
in deze vergadering ter sprake wilde brengen Met de uitkomst 
der onderzoekingen van ons geacht medelid kon ik my slechts 
gedeeltelyk vereenigen. Op één punt, het gewichtigste mis- 
schien in zyn betoog, verschilde zyn gevoelen inzonderheid 
van het myne. Ik kon hem niet toegeven, dat Prins Wil- 
lem III den slag bg St. Denis zou geleverd hebben zoo al 
niet met kennis vau den reeds gesloten vrede, dan toch in 
de verwachting dat hy gesloten stond te worden, en in de 
hoop, zoo al niet met het stellige opzet, om zoo doende den 
vrede te keeren, of, als hy reeds geteekend mocht zgn, weer 
te verbreken. 

Het deed mg leed, ik wil het niet ontveinzen, uit zgn 
mond zulk een oordeel over het gedrag van onzen Willem 
m te hooren. Dubbel leed deed het mg, dat hg vervolgens 
zgn ongunstig vermoeden in verband bracht met de waar- 
deering van *s Prinsen karakter in het algemeen. Hg her- 
innerde aan de houding van den Prins voor en na den 
moord der De Witten en bg den gruwel van Glencoe. Op 
grond van een en ander laakte hg Macaulay's al te groote 



( 27 ) 

iogeuomenheid met den held van zgu geschiedyerhaal, en 
wilde die uit de bekende politieke beginsels en neigingen 
van den beroemden auteur verklaard hebben. Kortom, in 
zgn narede liet h^ het gedrag y an den Prins in 1678 een 
schaduw werpen over zgn gansche bedrgf en karakter. Ik 
voldeed aan den aandrang van m^n gemoed, toen ik terstond 
tegen die voorstelling opkwam, en er een paar bezwaren 
tegen inbracht, die zeker geen weerlegging mochten heeten, 
maar toch, naar ik m^ vlei, voldoende waren om diegenen 
onder u, wier gewone studiën vreemd zgn aan het gebied 
onzer geschiedenis, tegen al te gave instenmiing met het 
oordeel van den geachten spreker te waarschuwen« 

Meer kon ik voor het oogenblik ook niet doen. Ik was 
niet genoegzaam voorbereid. Wel had ik jaren geleden de 
zaak onderzocht, maar niet zoo grondig als vereischt wordt 
om de slotsom, waartoe men gekomen is, met vertrouwen 
te verdedigen tegen een man als generaal Knoop. Bovendien 
ik stond alleen: ons geleerd medelid Brill stemde met den 
spreker in, en bevestigde het gesprokene met zgn gezag. 
Door een en ander gevoelde ik m^ tot een nieuw en nader 
onderzoek gedrongen. Met lust begaf ik er m^ in, zoodra 
andere bezigheden het niet langer verhinderden. Hoe dieper 
ik doordrong, hoe meer ik bemerkte dat de voorstelling, die 
ik mg van de toedracht der zaak gevormd had en die mg 
voor den geest stond, onvolledig en in sommige bgzakea onjuist 
was. Maar tevens bevond ik gedurig stelliger, dat ik mg in de 
hoofdzaak niet had bedrogen, en dat Willem III in dezen niet 
slechts vrg van schuld was, maar bewondering verdiende 
om zgn even wgze als kloeke plichtsbetrachting. Daarvan 
overtuigd mocht ik niet zwggen. Het vaderland heeft onster- 
felgke verplichting aan den grooten vorst, die, zgn geheele 
leven door, Frankrgks overheorsching van onzen bodem en 
van Europa heeft afgeweerd. Wg zgn van onzen kant uit 
dankbaarheid verschaluigd, zgn nagedachtenis t^en de ach- 
terdocht en den smaad te verdedigen, waarmee haar de 
Fransehe geschiedschrgvers nog heden ten dage bejegenen. 
Behoef ik te zeggen, dat ik alleen van valsche beschuldi- 
gingen spreek, en alleen verdediging uit voUe overtui^ng, 



(28 ) 

na een nauwgezet en onpartydig oiiderzoek verlang? Het 
kan bg mg niet opkomen een verwgt te richten tegen hen, 
die, als onze geachte medeleden Knoop en Brill, openlgk 
uitspreken wat zg, na deugdelgk onderzoek, met rgpenrade 
oordeelen dat tegen hem getuigt. Voor hun waarheidsliefde 
en openhartige eerlgkheid geyoel ik achting, en ik zou niet 
anders willen handelen indien ik in hun gevoelen deelde. 
Maar nu ik hun gevoelen voor onjuist houd, zou het onedel 
zgn het zwggen te bewaren. Ik gevoel mg verplicht hier, 
in deze zelfde vergadering, waarin het ongunstige oordeel is 
uitgesproken, de redenen uit een te zetten, waarom ik in 
tegenovergestelden zin durf beslissen. Want, wg kunnen 
het ons niet ontveinzen^ de vreemdelingen en inzonderheid 
de Frauschen, die, na een eenzgdig onderzoek van enkel 
Fransche bronnen. Prins Willem van een gruweldaad, een 
bloedig misdrgf verdenken, zullen door het betoog van een 
man als generaal Knoop, in een vergadering als deze zonder 
noemenswaardige t^enspraak aangehoord, niet weinig in hun 
meening bevestigd worden. Zg zullen, en niet zonder reden, 
vertrouwen, dat zg hiermede het pleit in hoogste ressort 
hebben gewonnen. Van nu voortaan zal Willem III in 
de geschiedenis bezoedeld staan met het baldadig vergoten 
bloed der gesneuvelden bg St Denis. Dit wensch ik naar 
mgn vermogen te voorkomen. Ik kom dus tegen het ge- 
velde vonnis in verzet. Ik vraag revisie. Ik zal eerst 
trachten aan te toonen, dat de gronden, waarop de aan- 
klacht berust, niet stevig genoeg zgn om haar te dragen, 
en daarna de feiten in hun wezenlgke toedracht voor u 
brengen, om getuigenis der waarheid af te leggen. 6g 
moogt dan zelf beslissen. 

Zoo als in alle wetenschappelgke onderzoekingen zoo is 
het ook hier raadzaam, ons onderzoek naar de waarheid der 
voorstelling aan te vangen bg den eersten en oorspronkelg- 
ken vorm, waarin zg zich voordoet. Haar latere gedaante- 
wisselingen nemen wg dan achtervolgens in oogenschouw. 

Tusschen den te Ngmegen gesloten vrede en den slag bg 
St. Denis liggen drie volle dagen en vier nachten in. Den 



(29 ) 

10^ AugQstas t^en middernacht werd het verdrag getee- 
kend ea verbreidde zich het bigde bericht eryan door de 
stad. Het gevolg der HoUandsche geyolmachtigden, uitge- 
laten van vreugd, doorkruiste de straten, klopte de reeds 
slapende burgers op, en riep hun toe: dat de vrede gesloten 
was *y Inderdaad er was reden om te juichen : het volk 
▼an Nederland had, zes jaren lang, zooveel van den oorlog 
en de oorlogslasten geleden, dat elke vrede, hoe dreigend 
ook voor de toekomst, hoe gevaarlek in zign gevolgen, voor 
het oogenblik een uitkomst en een uitredding scheen. Maar 
het was bekend, dat er waren in den lande, die aan het 
oude devies getrouw: »voor een beveynsden pays een rechte 
krgg te kiezen is'^ een vrede op zulke voorwaarden verfoei- 
den, en het zwaard met tegenzin in de scheede staken. Een 
ieder wist, dat vooral de Prins van Oranje zoo dacht en zoo 
gezind was. Hg was thans in het leger bg Mons. En wat 
gebeurt? Op den vierden dag na het sluiten van den vrede, 
als de Franschen in hun leger er reeds kennis van dragen, 
levert de Prins een groeten en bloedigen veldslag, waarin 
hg zich, ten koste van honderden menschenlevens, roem ver- 
werft, maar voor het vaderland en de gemeene zaak van 
Europa 'oogenschgnlgk niets uitricht. Kon het anders of 
men moest, zgn gezindheid kennende, zonder verder onder- 
zoek, gelooven, dat hg, zoowel als de Franschen, verwittigd 
was van hetgeen voor vier dagen te Ngmegen was geschied, 
en niettemin uit afkeer van den vrede en uit onedele roem* 
zucht den noodeloozen en nutteloozen slag had gewaagd? 
Het verwondert ons dan ook niet, die verdenking terstond 
door- de Fransche generaals te hooren uitspreken. Toen Dgck- 
velt uit naam van den Prins zich den lô^^i', na het algemeen 
bekend worden van den vrede, bg den hertog van Luxem- 
burg aanmeldde, om over het staken der vgandelgkheden te 
spreken, voegde deze hem toe, (ik haal de eigen woorden 
aan uit een brief van Luxemburg aan Louvois): »quej'avois 
de la peine à comprendre qu'ils eussent eu si tard la nou- 
velle de la paix, puisque leur armée étoit plus près de Ni- 



*) St. Disdier, Hitt des NégoriatioDs de Nimèf(De, p. 178. 



( 30) 

mègue que celle de sa Majesté, et que le jour de Taffaire, 
qui arriva entre les deux armées, j'avois appris ayant le 
combat, que la paix étoit faite, et que cela m'avoit paru une 
chose fort extraordinaire de voir en même temps la paix, 
et qu'ils commençassent leurs attaques*' *). Ten stel- 
ligste verzekerde daarop Dgckvelt, dat Z^n Hoogheid, 
hoe vreemd het schenen mocht, de tgding van den 
vrede het eerst uit den Haag, en niet vroeger dan den dag 
na den slag had ontvangen. Hetzelfde verklaarde weinige 
uren later de Prins zelf aan den intendant Robert, die wel 
niet anders kon antwoorden, dan dat hg te veel vertrouwen 
stelde in het woord van Z. H. om niet te gelooven wat hg 
verzekerde. Maar met dat al bleven de Fransche legerhoof- 
den en diplomaten ongeloovig en argdenkend. IKAvaux, een 
der drie Fransche gevolmachtigden te Ngmegen en sedert ge- 
zant in den Haag, schrgft in de inleiding zgner Négociatir 
ons: »que Ie Prince avoit attaqué les troupes du Roi auprès 
de Mons, sachant que la paix entre le Roi et les Etats- 
Generaux étoit signée*' f). D'Avaux gaf zgn boek althans 
niet uit; eerst jaren na zgn dood, in 1752, is het in druk 
verschenen. Maar een uit zgn gevolg, zgn écuyer, Ie Sieur 
de St. Disdier, liet al in 1680 zgn Histoire des Négociations 
de Nimègue drukken, en durft daarin zeggen : »Beaucoup de 
personnes ont voulu croire que le Prince avoit appris par 
un courier exprès de Nimègue, que la paix y avoit été 
conclue; mais, quoy qu'il en soit, n'en ayant pas seen la 
nouvelle par le canal des £tat8-6énéraux, il estoit en droit 
de l'ignorer" §\ Wg zien hier de oorspronkelgke voor- 
stelling al eenigermate gewgzigd : de Prins wist officieel van 
den vrede nog niet, officieus wel ; in dien zin zullen wg zgn 
ontkentenis hebben op te vatten. Zgn woord is dan even 
dubbelzinnig als i^gn handelwgs dubbelhartig. Daarmee was 
de Prins dan ook volstrekt niet gediend: waar het te pas 
kwam sprak hg geheel anders, en hield vol van den vrede 



•) Ronttet, Histoire de LoiiTois, If, p. 580. 
t) I, P- »0. 

i) r. 184. 



( 31 ) 

niet, dat wil zeggen op geenerlei wgs hoegenaamd, geweten 
te hebben. Nog in 1698 liet hg zich in dien geest tegen 
den Franschen maarschalk Tallart nit *). Slechts één is er, 
die beweert uit zgn mond het tegendeel gehoord te hebben. 
Als wg Gonrville wilden gelooven, zon Z. H. hem in 1681 
Tertronwelgk hebben meegedeeld, dat hg bg het aangaan 
Tan den slag wel wist dat de vrede gesloten was, maar 
het belicht ervan eerat den volgenden dag had gekre- 
gen. Als wg Gonrville wilden gelooven, — maar dat willen 
wg niet, daaromtrent bestaat tusschen ons geen verschil, en 
ik zal niet veel woorden verkwisten om zgn ongeloofwaar* 
digheid te betoogen. 

Dat de bedachtzame Willem III een geheim, dat hg voor 
zgn vrienden zorgvuldig verborgen hield, aan een Franschen 
diplomaat van den derden of vierden rang zon hebben toe- 
vertrouwd, wie kan dit gelooven? En een geheim, een zorg- 
vuldig bewaürd geheim, was het zeker wat Gt)ttrville, indien 
hg waarheid sprak, vernomen zoa hebben. Niet slechts aan 
de Fransche legerhoofden, aan de Staten -Generaal, aan de 
Steden van Holland verzekerde de Prins, dat hg voor het 
aangaan van den slag van den vrede niet wist, hg heeft 
het ook aan Fagel, die over den afisonderlgken vrede niet 
gunstiger dan Z. H. dacht, aanstonds in een particulieren 
brief getuigd: »ick kan UEd. voor Godt verklaren, dat ick 
niet geweten heb als dezen middag, door UEd's missive van 
den 13*^>>, dat de vrede gesloten was/* Stelliger kan men 
zich wel niet uitdrukken. En zoo spreekt de Prins in een 
brief aan zgn vertrouwden vriend, voor dezen alleen bestemd, 
en door een toeval tot ons gekomen. Die laatste omstan- 
digheid is niet de minst opmerkelgke. De brief, die thatis, 
sedert de baron de Grovestins er de aandacht van Mignet 
op vestigde t), het gewichtigste bewgsstuk in het geding is 
geworden, is voorheen nooit, voor zoo ver wg weten, aan 



^} Zoo berieht ons Basnage, Annales des Proviooas Unies» II, p. 942, op 
inrlken grond is mQ onbekend. 

t) Histoire des lottes et rivalités jioHtiques entre les puiasanees niaritimes et 
la Franoe, lil, p. 2:^3. 



( 32 ) 

iemand ter verdediging van den Prins getoond. Hg heeft 
jaren lang eerst onder den Raadpensionaris, aan wien hg 
gericht was, en vervolgens onder diens erfgenamen berust, 
totdat een van dezen, Henri de Yilattes, *) kapitein onder 
de HoUandsche garden, hem aan Basnage meedeelde, in wiens 
Annales des Provinces Unies hg gedrukt staat. Hg is dus 
een onverdachte en onwraakbare getuige; hg stelt buiten 
allen twgfel, dat de Prins, zelfs bg zgn beste vrienden, niet 
onder de verdenking wilde li^en van den krgg te hebben 
voortgezet, nadat hg wist dat de vrede tot stand was ge- 
komen. Dat hg nochtans aan een Franschman, dien hg 
nauwelgks kende, van wien hg niet veel anders wist, dan 
dat hg door de regeering van Lodewgk XIV gezonden was 
om hem bg zgn aanstaande samenkomst met de Duitsche 
vorsten te Hnmeling te bespieden, dat hg aan zoo iemand 
zou hebben bekend wat hg voor Fagel verborgen had ge- 
houden, zou ons door andere borgen gewaard moeten worden 
dan door den zwetser zelf f). 

Het staat dus vast, dat Willem III steeds aan iedereen 
verzekerde, dat hg onschuldig was aan het misdrgf, waarvan 
hg beticht werd. Voor sommigen, die hem goed meenen te 
kennen en hem vertrouwen, is die verzekering voldoende. 
Op zgn woord gelooft hem Ranke §). Ik zou, bg gemis aan 
andere bewgzen, met dit eene ook voldaan zgn. Maar 
tegenover hen die zoo veel vertrouwen in den Prins niet 
stellen, is het geen genoegzaam bewgs : ik erken het. Geluk- 
kig dat wg meer andere hebben. De verklaring van Z. H. 
wordt in de eerste plaats bevestigd door de getuigenis van 
Van Beverningh. Deze is hoogst gewichtig, vooral in ver- 



*) Cette lettre m^a été commuDiquée (zegt Basnage, II, p, 942) par M. des 
Vilattes, eapitaine des gardes Hollandoises et héritier da Cooseiller Fensionain 
Fagel, à qai elle est écrite. — Ueori de Yilattes was gehnwd met Elisabeth 
baronesse Eck van Panthaleon, wier moeder, Catharina, een dochter was van 
Nieolaas Fagel, een halfbroeder van den Raadpensionaris. Zie de NawrseAer^ 
XVI, bli. 284. XVII, bis. 81. 

f) Bat evenwel GoarviUe in den Haag aan het Hof welwillend ontvangen en 
behandeld werd, bl^'kt ait Henry Sidney's Diary, edited by l^lencowe, IT, 
p. 172 sq. 

S) Englitehê QncHehte, V, 69. 



( 33 ) 

baad met de omstandigheden^ waaronder zg werd afgelegd. 
Van Bevemingb gaf ze niet, zoo als men allicht zou ver- 
moeden, om den Prins tegen yerdenking te vrijwaren, maar 
ter zelfverdediging, juist tegen een yerw:gt van den Prins« 
Den 19®^ Aogostus ontyingen de Staten-Generaal een brief 
Tan Z. H. van den 17*^°, waarin h^ schreef, de tyding van 
den Trede het eerst uit den Haag van den Raadpensionaris 
ontvangen te hebben, »hebbende wg in eenighe daghen te 
voren tot onse groote verwonderinghe gansch geene narich- 
tinghe gehadt aengaende den toestandt van de handelinghe 
tot Nimegen'^ *). Op deze klacht kon Van Bevemingh, toen 
hg den volgenden dag, den 20^°, verslag van den vredehandel 
aan de Staten gaf, het antwoord niet schuldig blgven; aan 
het eind van zgn rapport verklaarde hg dus: >dat sg Hee- 
ren Ambassadeurs ende Plenipotentiarissen oock aenstonds 
aen Sgne Hoogheyt, den Heere Prince van Oranje, b^ mis- 
sive kennisse hadden gegeven, dat het voorschr. tractaet tus- 
schen s^ne Con. Maj. van Vranckrgck ende desen Staet was 
ghesloten, ende die voorschr. missive hadden laeten afgaen met 
het pacquet van den heer Marquis de los Balbasses, dewgle 
sg geen ander courier hadden können bekomen, maer nader- 
handt hadden verstaen dat de voorschr. courier afgheworpen 
was**. Van Beverningh erkende dus de juistheid van het- 
geen waarover de Prins klaagde: Z. H. had geen bericht 
gehad ; maar dat was niet aan hem en zgn medegevolmach- 
tigden te wgten; zy hadden bericht gezonden en konden 
niet helpen dat dit onderschept was, eer het Z. H. bereikte. 
Ia de Staten van Holland waren echter de Heeren van 
Amsterdam met deze verontschuldiging niet tevreden, gelgk 
xg in het algemeen op het gedrag der Gevolmachtigden te 
Ngmegen veel badden aan te merken. Zg namen dus de 
Tigbeid op drie, huns inziens groote, leemten te wijzen, die 
in het vredesverdrag hersteld dienden te worden eer het gera« 
tificeerd werd; en zg voegden daar ten vierde deze vraag 



*) De brief is indertyd aitgegeven, zie Caia/oçui der pamßeiiem eni, van l, 
MeuiÊuiM, IL DO. 5678, en later opgenomen in de IIofL Mereuriut yan het jaar 
1878, en elders. 

TSML. KN MKDKD. AVD. UETTKBK. 2de MSKKS. DKKI. VII. S 



( 34 ) 

aan toe: »Of de Heeren Ambassadeurs ende Plenipotentia- 
rissen van den Staet tot Nimmegen aan Signe Hoogheyt door 
expresse hebben gegeven kennisse van de geslotene yrede; 
.wat tigdt dien expresse hebben verzonden, ende of sgn £d. 
(van Beverningh) niet en weet, door wat occasie die expresse 
op den 14®° dezer b^ Sgn Hoocheyt noch niet aengekomeii 
is geweest» Zoo neen, dat sgn Ed. mçge werden yenocht 
sich op het curieuste, sonder eenich t^dtversuim, daerover te 
informeren, ende haer Ed Gr. Mo. van sgn bekomen ken- 
nisse scbriftel^ck te dienen/' Het is mogel^k dat de gede- 
puteerden ?an Amsterdam met deze vraag, die tegen Yan 
Beverningh gericht scheen, eigenlgk van ter zgde Zgn Hoog- 
heid wilden aantasten Maar hoe dat z^. Van Beverningh, 
die zeer verbolgen was over de w^s waarop men z^n han- 
delingen te Ngmegen kritiseerde, nam de vraag op als een 
beleediging voor zich zelf, en gaf ten antwoord: »dat het 
voorsz. versochte esclaircissement moest werden gevordert 
ter vergaderiuge van haer Ho. Mo , de Staten Generael, van 
alle de ghesamentlycke Ambassadeurs; ende dat voor zoo 
veel hem, Heer van Beverningh, aengingh, tselve esclaircis- 
sement te vinden was in s^n gedaen rapport'' *). Het schont 
dat hiermee, met dit hooghartig en trotseerend antwoord, 
de woordenwisseling a^eloopen was. Van een vraag om 
meer licht in de vergadering der Staten-Generaal, werwaarts 
Van Beverningh de beeren verwezen had, vernemen wg niets, 
zoo min als van eenig nader onderzoek of verdere ophelde- 
ring. Toch had de zaak nog wel eenige toelichting vereischt. 
Zg is en blgft zeer vreemd. Het vreemdste van het geval 
is zeker wel, dat de Heeren te N:gmegen, naar de getuige- 
nis van Van Beverningh zelf, niet eens eeu eigen expres 
met de gewichtige tiding naar den Prins hebben gezonden, 
maar eenvoudig een brief voor Zgn Hoogheid hebben mee- 
gegeven aan den koerier, dien de Spaansche gevolmachtigden 
naar Brussel a&onden. Zg wisten toch, dat de regeering 
te Brussel den afzonderleken vrede tusschen de Republiek 



^) Besolntiën der Staten van Holland, 20 Ang. 1678. 



( 35 ) 

en Frankryk met leede oogen moest aanzien, en wel geen 
haast zou maken om, terwyl voor Spanje de krgg yoort- 
dnurde, het bericht dat het voor de Republiek yrede was 
geworden aan den Hollandschen Generaal-en-Chef van het 
leger der geallieerden te doen toekomen. Dat een bericht, 
met die gelegenheid verzonden, onder wegbleef steken, is niet 
te Terwonderen en was veeleer te dachten en te voorzien 
geweest. Toch kunnen wg de getuigenis van Van Bever- 
ningh niet in twgfel trekken. Zg wordt ten overvloede 
bevestigd door het officieele Verbael van den Vredehandel^ 
waarin op den 11®^ Augustus geboekt staat: »Wg gaven 
oock communicatie aan Sgn Hoocheyt den Prince van Orange 
ran den geteekenden vrede ende van 't geene omtrent Des- 
sein particuliere saecken gedaen was, bg missive onder N°. 
968/' De verwgzing naar dit nommer maakte het gemak- 
kelgk de missive zelf op te sporen. Ik was verlangend ze 
te zien, die beruchte missive, wier uitblgven zulke gewich- 
tige gevolgen had gehad. Ik verlangde vooral ze te zien 
om te kunnen oordeelen, of de toon, waarin zg gesteld was, 
al dan niet overeen kwam met de zorgelooze wgs, waarop 
zg gezegd werd verzonden te zgn. Ik wil u in staat stellen 
zelf te oordeelen, en daartoe u den brief mededeelen. Hg 
Inidt als volgt: 

Doorluchtige Hooch Geboren Fürst en Heere. 

Wg ontfingen eergisteren avont een resolutie van 
Hare Hoog Mog. van den S^^ dezer, bij dewelke zg 
ons belasten de tractaten van vreede met Vranck- 
rgck te sluyten; ende wg hebben daarop gisteren den 
geheelen dach gearbeyt om het geene noch oneffen 
was in te schicken, ende hebben in den voornacht 
van desen laetsten gepasseerden dach, de tractaten 
zoo van vreede als van commercie geteekent ; ende wg 
zenden de origineele daer van aff desen morgen aen 
Hare Hoog Mog., oock aen de beeren Staten van 
HoUant, ende ick hebbe van mgn schuldich devoir ge- 
acht oock deze kennisse ten eersten aen U S. Hoocht. 



(36) 

te geven. Omtrent het interest van U. S. Hooch^. 
saecken, hebben wg alleen een esclaircissement be- 
dongen van een woort, daerb^ de acten zoowel als 
het recht werden gereserveert, ende wg willen hopen 
dat daerontrent geene difficolteyten en sullen vallen, 
lek bidde den Almachtigen Godt, dat hg desen vreede 
late gedgen tot Sgns heyligen naems eere ende tot 
welstant van het Ueve vaderlant, ende dat Hg U. S. 
Hooch**. diere ende ilustre persoon beware voor alle 
onheyl, ende zflne desseynen zegene. 

Ick blgve 

Doorluchtigste Hoochgebooren 
Fürst en Heere, etc. 

Nijmegen. 11 Aug. 1678 

Bedrieg ik mg of beantwoordt werkelgk de toon van dit 
schrgven aan de onachtzaamheid der bestelling? Het heeft 
er alles van, als of het alleen uit hoffelgkheid is dat Van 
Beverningh Zgn Hoogheid zoo spoedig kennis geeft van de 
gewichtige gebeurtenis : » Ick hebbe van mgn schuldich devoir 
geacht oock deze kennisse ten eersten aan Uw Hoocheyt te 
geven^\ Van de voorwaarden geen enkel woord, evenmin 
of er iets omtrent het staken der vgandelgkheden overeen- 
gekomen is. Het was toch bekend, dat de legers van Frank- 
rgk en van de geallieerden tegenover elkander stonden, het 
eene gereed om een poging tot ontzet van Mons te wagen, 
het andere in postuur om een aanval af te slaan. Bg het 
sluiten van den vrede had Temple aan d'Estrades toegevend : 
» licht mogelgk dat, terwgl hier de vrede wordt geteekend, b^ 
Mons een veldslag geleverd wordt" *). Wat Temple zoo 
deed spreken, wist Van Beverningh even goed. Hg schgnt 
er zelfs aan het eind van zgn missive op te doelen, als h^ 
spreekt van 's Prinsen desseinen. Van waar dan die achte- 
loosheid in het verzwggen van hetgeen voor Z. H. zoo noo- 



*; Temple Works, I, p. 875. 



(37 ) 

dig was te weten? Zg wordt niet verklaard, maar houdt op 
ons te verwonderen, wanneer wij bedenken dat Van Bever- 
ningh bg deze gelegenheid nog veel sterker bewezen van on- 
bedachtheid gegeven heeft. H^ heeft zelfs verzuimd, de noodige 
a&praak te maken omtrent een wapenschorsing in Vlaande- 
ren en den staat van zaken rondom Mons tot op het uit- 
wisselen der ratificatiën De Staten-Generaal hebben later wel 
beweerd, dat van onze zgde te vergeefe op een regeling van 
die aangelegenheden bg de Fransche Ambassadeurs is aan- 
gedrongen, en zg spreken in zoo ver waarheid, dat in de 
Uatste weken voor den 10^" Augustus daarover vaak gehan- 
deld is. Maar bg het teekenen van het verdrag hebben onze 
gevolmachtigden er niet van gewaagd. Dit blgkt uit den 
brief, dien de Fransche gezanten den 1 i ^° Augustus aan 
hun Koning schreven, waarin zg zeggen : » Les Ambassadeurs 
de Hollande ne nous ont point encore parlé ni de suspen* 
sion d'armes en Flandre et subsistence de Mons, ni de trêve 
en faveur de leurs alliés; lors qu'ils nous en feront quelque 
instance, nous suivrons ponctuellement Tordre que vostre 
Majesté nous donne** *). Het schgnt onbegrijpelgk dat een 
diplomaat, die zoo hoog staat aangeschreven als Vau Bever- 
ningh, zulke verzuimen kon begaan. Maar vergeten wg 
niet, dat de Franschen het arresteeren der artikelen van het 
ferdrag voorbedachtelgk tot het laatste oogeublik hadden 
reischoven, en, nadat zg zich zelf op alles hadden voorbereid, 
tbaus met sluwe berekening partg trokken van de verras- 
sing, waarin zg de onzen hadden gebracht 6g hebt het uit 
han eigen brief gehoord. Zg wachten dat Van Beverningh 
over de wapenschorsing en den toevoer van levensmiddelen 
luuur Mous zal beginnen; zg weten wat zg hem dan zullen 
antwoorden; maar nu hg er niet van spreekt, zwggen zg, 
omdat zg het meer in het voordeel van hun koning achten, 
de zaak in het midden en onbeslist te laten. Bg Van Be- 
Temingh en de zgnen is in dezen aan geen opzet, aan geen 
booze bedoeling, om den vrede in gevaar te brengen, te den- 



*t Mïgaet IV. 6S2. 



( 38) 

keu; want die vrede, door den Prins afgekeurd, was inzon- 
derheid en allermeest hun werk. Van Beyemingh had meer 
dan iemand anders tot afzonderlek teekenen, zonder Spanje 
en buiten de bemiddeling der Engelsche gezanten, gedreven. 
Temple besluit zgn verhaal van heldeen daarover was voor- 
gevallen met deze woorden: »Alles was te vergeefs. Van 
Beverningh bleef onverzettelyk en de daad werd volvoerd" *), 
Dat nu dezelfde Van Beverningh ter zelfder tgd opzettelgk 
een verzuim zou hebben gepleegd, waardoor de ratificatie van 
den vrede in de waagschaal werd gesteld, is kortaf onge- 
rgmd. Indien h^ iets verzuimd heeft, en ik geloof dat hg 
daarvan moeilgk kan worden vrggepleit, moet het een on- 
willekeurig verzuim geweest zign. 

In geen geval kan men z^n fouten en de gevolgen, die 
er uit zgn voortgevloeid op rekening van Willem UI brengen. 
Het zal wel in niemands brein opkomen, te vermoeden dat 
op verzoek van Z. H. en om hem te believen Van Bever- 
ningh en zgn medegevolmachtigden het bericht van den 
gesloten vrede aan een weinig vertrouwbaren bode hebben 
meegegeven. Indien werkel]gk de Prins geen tgding uit 
N^megen heeft ontvangen, uit welke oorzaak dan ook, moet 
hg van alle schuld vrg gesproken en van alle verdenking 
ontslagen worden. 

Maar hoe zullen wg bewgzen, dat hg geen tgding heeft 
ontvangen? Bechtstreeksch bewgs is uit den aard der zaak 
hiervan niet te leveren. Wg kunnen alleen de waarschgn- 
Igkheid van zgn betuiging met nieuwe redenen bevestigen. 
Met die bedoeling geef ik u de vraag in overweging, of 
het denkbaar is, dat, indien de Prins zulke gewichtige tg- 
ding per expres uit Ngmegen had ontvangen, niemand bui- 
ten hem daarvan iets gehoord of iets bespeurd zou hebben. 
Waarschgnlgk zou de koerier, indien hem niet uitdrukkelgk 
geheimhouding was aanbevolen, — en waartoe zou hem die in 
dit geval bevolen zgn? — bg zgn aankomst in het leger niet 
verzwegen hebben welke boodschap hg bracht. En al was 



•) WqrkB, 1, p. 370. 



( 39 ) 

hij zoo bescheiden geweest, zou daa de Prins voor de gene- 
raals der geallieerden, voor den krijgsraad, bovenal voor de 
gedeputeerden der Staten te velde, de gewichtige tydiug 
hebben kunnen, hebben durven verbergen? Mg komt dit 
onmogelgk en ondenkbaar voor. En, zoo zg in het geheim 
waren ingewgd, is bet dan te gelooven, dat zij, die zeker 
niet allen tegen den vrede ingenomen waren, met Z. H. 
hebben meegedaan om dien vrede aanstonds in gevaar te 
brengen! Zij hebben dan voortreffelgk weten te huichelen. 
Wg hebben brieven van Dgckvelt en van Pesters, den dag 
ua den veldslag geschreven, waarin de scherpste achterdocht 
niets kan ontdekken, dat kennis van den vrede verraadt. Ik 
geef toe, Dgckvelt en Pesters waren creaturen van Z. H.,en 
dit verzwakt het bewgs dat wg aan hun brieven mogen 
ontleenen. Maar wg hebben ook een brief van Revixitvan 
Naarssen, den gedeputeerde van Holland nevens Zijn Hoog- 
heid *)^ denzelfden dag aan de Staten van zgn provincie 
geschreven. Van hem althans is geen samenspanning met 
den Prins, geen misleiding van zijn committenten te wach- 
ten. En zgn brief is toch in denzelfden toon als die der 
twee andere beeren gesteld. Hg weet niets van den vrede, 
hg denkt aan geen vrede. »Morgen, zoo eindigt hij, mor- 
gen staet het leger verder op naer Mons te passeeren; in- 
dien de Franssen ons wederom den wegh willen bedisputee- 
ren, zoo sal men weder aeu malcander raecken*' f). Zou 
hg zoo aan de Staten van Holland hebben durven schrgveu, 
indien hij met meer anderen nevens Zijn Hoogheid kennis 
had gedragen, dat den dag te voren een koerier uit Ngme- 
gea de tgding had gebracht, dat de vrede geteekend was? 

Op andere wgs dan per courier, bg gewone gelegenheid, 
koQ de tgding van hetgeen te Nijmegen in den nacht tus- 
schen 10 en 11 Augustus was geschied, niet voorden 14^" 
ill het legér aaukomen. Ook hierop wensch ik uw aandacht 



*) Zie de Resul, der St.-Oen. van 2S Juli 1678. 

f) l)e brief is terstond gedrukt eo verspreid, en later in de Holi. Mereuriuê 
opf^eoomen. 



( 40 ) 

uog ie vestigen. Het reizen ging in die dagen niet snel. 
De jonge d^Estrades kwam op den ochtend van den slag 
tusschen 8 en 9 uren bg Luxembourg aan, en bg was den 
11«" tgdig uit Nijmegen vertrokken*). Wel is waar, dat 
bg zijn weg over Maastriebt en Luik bad genomen en dus 
langs een omweg; de weg, dien de Spaanscbe koerier kon 
bouden, over 's Hertogenboscb en Brussel, was iets nader. 
Maar daar staat tegenover, dat d* Estrades zeker zoo snel 
reisde als mogelijk was; want bg bracbt de vredestractaten 
aan Lodewgk XIV, dien zgn bovelingen niet gewoon waren 
te laten wacbten. Sneller dan d'Estrades zou dus een gewoon 
koerier wel niet voortgekomen zgn. Ik kan dit ten overvloede 
nog in een tweede voorbeeld aanwgzen. Een paar weken 
vroeger badden de Staten-Generaal bun envoyé te Brussel, 
Jacob Boreel, gelast naar Ngmegen te reizen, om daar onze 
gevolmachtigden bg te staan. In een brief van 30 Juli 
geeft bg verslag van zgn reis, en scbrgfb: »Woensdagb 
morgen [den 27*°] ben ick van Brussel vertrocken, ende 
bebbe over dagb ende nacbt de reyse in dier voege voort- 
geset, dat gisteren [den 29*"] tegen den avont in dese stede 
[Ngmegen] ben aengecomea^' f). Dus besteedde iemand, die 
nacbt en dag doorreisde, drie dagen en twee nacbten om 
van Brussel te Ngmegen te komen. Met gelgke snelheid 
reizende, zou een koerier, die den 11«" ^s ochtends uit Ng- 
megen vertrok, den 13^" tegen den avond Brussel bereiken, 
en, naar evenredigheid van den afstand, eerst op den 1 4*° in 
het leger bg Mons aankomen. Nu twgfel ik wel niet, of 
een expres legde te paard in gelgken tgd meer wegs af dan 
een deftig beer in zgn rgtuig, maar dat verschil zal toch 
zoo aanzienlgk niet geweest zijn. In alle geval kunnen wg 
veilig aannemen, dat een gewone bode langer onder weg was, 
en dat bg gevolg, indien de koerier, die met bet Spaanscbe 
pakket ook Van Beverniugb^s brief overbracht, onder weg 
aangehouden en beroofd, of te Brussel gebleven was, geen 
tgding, met de gewone gelegenheid den 11*° uit Ngmegen 



*) Roasset, II, p. 611, 515. 
t) Rijksarchief, 



( 41 ) 

veizonden, het leger bg iijds heeft kunnen bereiken, om den 
slag op den 14^° te voorkomen ^). 

Op al deze gronden ben ik met ons geacht medelid Knoop 
van gevoelen, dat de Prins den 14«" Aug., bfl het leveren 
van den veldslag, noch officieel noch officieus kennis had 
gekregen van den gesloten vrede, en dat zgn verzekering 
dienaangaande ons volle vertrouwen verdient. 

Maar ik moet van ons geacht medelid verschillen, als h^ 
den Franschen geschiedschr^vers toegeeft, dat de Prins, al 
had hg den 14*^° nog geen bericht ontvangen, het op handen 
zjga van den vrede toch wel voorzien moest. Bousset had 
dit beweerd: »Qu'importe que Ie Prince d^Orange n'ait pas 
eu la nouvelle officielle de la paix! Il la sentait venir, et 
il n'a pas voulu Tattendre". Het is moeil^k over de geheime 
overleggingen van den Prins te oordeelen, en uit te maken 
wat hg wel en wat hg niet verwachtte. Maar zoo veel is 
zeker, dat men te Ngmegen in den kring der Ambassadeurs 
en Plenipotentiarissen tot op het laatste oogenblik, tot op 
het teekenen van het verdrag toe, tusschen hoop en vrees 
geslingerd werd. 

Hoe stonden de zaken? De Staten-Greneraal hadden kort 
te voren een verbond met den Koning van Engeland aan- 
gegaan, dat hen verplichtte^ indien de Franschen voor den 
1 1 ^^ Augustus den vrede op de gestelde voorwaarden niet 
sloten, den krgg gezamenlgk met Engeland voort te zetten, 
tot voordeeliger voorwaarden van Fraukrgk afgedwongen zou- 
den zgn. Maar de Fransche gevolmachtigden verklaarden dag 
aan dag, dat zg geen last om te teekenen hadden. Den 9®° 
^8 avonds brachten hun de HoUaudsche beeren nog eens voor 
het laatst onder het oog, dat zg niet langer dan den vol- 
genden dag vrg waren om zonder Engeland vrede te sluiten; 
maar de Franschen antwoordden kort en goed: »quails a- 



•) De bewering van Majoor BernarJi (zie hierachter, b^lage B.) dat den dag 
▼oor den slag, dus den 13en Angnstns, reeds verschtiden brieyen met het bericht 
▼an den gesloten vrede in het leger waren ontvangen, beeft geen kracht van 
bewgs. Cu is vele jaren daarna, onder den invloed der toea omloopende verhalen, 
tebotk gtiüteld. 



(42 ) 

voient les mains liëes et que sans de nouveaux ordres ils ne 
pouYoient passer outre'\ 

Zoo brak de ochtend van den 1 0®° aan. Hoe lieten zich 
de kansen toen aanzien? Ik wil den geschiedschrijver van 
het congres, St. Disdier, het u laten zeggen : > Enfin on estoit 
arrive au dixième, qui estoit la grande journée, qui devoit 
donner un heureux commencement au repos de toute l'Eu- 
rope, ou qui devoit en faire perdre l'espérance pour un 
long temps. On ne voyoit cependant aucune apparence que 
la paix pust estre signée ce jour là ... M. d'Odyck 
estoit mesme retourné à la Haye dès le septième, parcequ'il 
avoit perdu toute espérance de la paix; mais tant à cause 
qu'il crut que le dixième pourroit apporter quelque change- 
ment aux affaires, que parcequ'il avoit ordre du Prince 
d'Orange de faire le onzième une protestation de la part 
des Etats contre tout ce qui se pourroit conclure, si cette 
journée s'estoit passée sans signer la paix, il se rendit en 
diligence ce même jour là à Nimègue." *) Ik zou niet voor 
de juistheid van dit laatste, dat blgkbaar niet meer dan 
een vermoeden is, durven instaan. Maar dat is ook niet 
noodig. Genoeg dat volgens tit Disdier, die oog- en oor- 
getuige is, de diplomaten te Ngmegen nog steeds in onze- 
kerheid verkeerden en meer aan het voortduren van den 
oorlog dan aan het sluiten van den vrede geloofden. Van 
hun kant waren de Franschen, die last hadden en voorne- 
mens waren om nog op het laatste oogenblik toe te geven, 
volstrekt niet gerust, dat zij de Hollanders welgezind zouden 
vinden. Nog den 9^ schreven zg aan den Koning: >Nous 
avons aftaire à des gens qui paraissent à présent plus portés 
à la guerre qu'à la paix, se croyant assurés du Roi d'An- 
gleterre" t). G^ ziet, de Prins van Oranje behoefde niet 
blind te z^n, om in de eerste helfb van Augustus den vrede 
niet te zien naderen. Of zal men misschien zeggen: van 
nab^ lette men te veel op de kleine wisselingen in de on- 
derhandeling, en had men geen oog voor de hoofdzaak, die 



•) p. 169. 

t) Mignet, IV, p. 611. 



( 43 ) 

daanran onafhankelgk was; maar uit de verte, uit het leger 
in Brabantf moet de Prins de bgzaken over het hoofd, en 
alleen het groote feit gezien hebben, dat de Franschen, nu 
zg eens zoo ver waren gekomen, voor de laatste concessie, 
die van hen gevorderd werd, niet licht zouden terugdeinzen. 
WeUan dan, laat ons zien, of zg, die uit de verte, maar 
wel ingelicht, den vredehandel gade sloegen, geruster waren. 
Ik zou uit de brieven, die Van Beuningen uit Engeland, 
schreef, kunnen aantoonen, dat ook daar aan het Hof hoop 
en vrees elkander afwisselden. Maar, om niet te uitvoerig 
te worden, wil ik volstaan met het aanhalen van een enkelen 
brief, door den Hertog van York aan z^n schoonzoon den 
Prins van Oranje geschreven, nadat h^ de tgding van den 
rrede bekomen, en eer hg nog het bericht van den slag bg 
St. Denis ontvangen had: »We were very much surprized 
this day to hear by an express from Mimègue, that the peace 
was signed only by the Dutch and French, without the 
Spaniards .... I believe it was what you did not expect^ no 
more than we . . . .'' '*'). Vordert men niet al te veel van 
's Prinsen verren en vasten blik^ als men verlangt, dat hg 
te midden van zoo dikke duisternis, die de oogen van alle 
anderen benevelde, alleen de zaken, die komen zouden, voor- 
zien, en zgn gedrag daarnaar ingericht had? 

Er is een andere vraag te stellen, die mg voorkomt ge- 
paster te zgn en niet zoo gemakkelgk op te lossen : waarom 
heeft de Prins, wetende dat de dag van den lO^'^ Augustus 
een zoo beslissende was, niet gewacht met slag te leveren, 
tot hg vernomen had, hoe die dag was voorbggegaan, in 
welken zin hg beslist had? Ik zal ook deze vraag niet on- 
beantwoord laten^ maar haar eerst later, in een ander ver- 
band, bespreken. 

Eerst vraag ik hun, die den Prins een kennis of een 
voorgevoel opdringen, dat hg niet bezat: wat zou hg dan, 
volgeus U, wel bedoeld mogen hebben met een slag te wagen, 
die, zoo hg al gewonnen werd, tot niets kon leiden, omdat 



•) Brief tui 4/14 Aag., bg Dalrymple, Memoirs of Oreat-Britaio (aitg. Londeo 
U90) I, p. S48. 



(44 ) 

de vrede aanstonds hefc voortzetten van de behaalde over- 
winning zou komen verbieden? Van alle antwoorden, die 
op deze vraag gegeven zgn of nog bedacht kunnen worden, 
schont m^ het plompste en brutaalste nog het meest waar- 
schgnlyke. Het is dat, hetwelk Gourville beweert uit den 
mond van den Prins zelven te hebben vernomen. Z. H. zou 
hem hebben verteld: »qu'à la vérité Elle sçavoit que la 
paix estoit faite, mais qu'EUe avoit cru que ce pouvoit être 
une raison pour que M. de Luxembourg ne fût plus sur 
ses gardes; mais qu'au moins il prendroit une leçon, qui 
ponrroit lui servir une autre fois, et qu'il avoit considéré 
que s'il perdoit quelque monde, cela ne seroit d'aucune 
consequence, puisqu'aussi bien il failloit en réformer" *). 
W^ behoeven niet weer te onderzoeken, of de Prins dit kan 
gezegd hebben: die vraag is, dunkt m^, reeds voldoende 
beantwoord. Wg beschouwen de verklaring, die hier van 
^s Prinsen gedrag gegeven wordt, eenvoudig als een vermoe- 
den van Gourville, of liever nog als de gewone voorstelling 
der zaak, die in Frankrgk in de kringen, waarin hg ver- 
keerde, in omloop was. 

Op zich zelf heeft zg niets onwaarschgnlgks, en zg geeft 
een voldoende reden voor de daad. Gesteld, de Prins was 
een man, zoo als de Franschen zich hem dachten, hardnek- 
kig en hardvochtig, zonder anderen hartstocht dan haat tegen 
Frankrgk en zgn groeten koning, was dan de reden, die 
Gourville opgeeft, niet in de hoogste mateaannemelgk? Zg 
is daarom alleen volstrekt te verwerpen, omdat zg van een 
valsche onderstelling uitgaat, en in den Prins een aard en 
karakter vermoedt, zoo als hg geenszins bezat. Niets was 
hem vreemder dan het doelloos wagen, het vechten om te 
vechten, om zich te oefenen in de kunst. Geen staatsman 
die zgn geheele leven één groot doel zoo gestadig heeft na- 
gejaagd als hg. Geen staatsman, wiens drgfveer totschgn- 
baar tegenstrgdige handelingen, met zoo veel zekerheid uit 
één beginsel kan worden verklaard. Maar bovenal, om te 



*) Mêm. de M. de GourtfUte, (Paris 1734) II, p. i,%%. 



( 45 ) 

handelen, zooals Goarville wil dat hg gehandeld zal hebben, 
zon hg een zoo verharde en gewetenlooze egoist hebben moe- 
ten wezen, als er gelukkig slechts enkelen op aarde zgn. 
Honderden menschenlevens op te offeren en duizenden, waar- 
onder tronwe en geliefde vrienden, te wagen, alleen om een 
les in het slagleveren te nemen! Ik twgfel of zelfs Luxem- 
bourg, als het er op aankwam, niet voor zulk een duizend- 
voudigen moord zou zgn teruggedeinsd. In zgn geheele, 
aan misdaad zoo rgke, leven weet ik althans niets, wat hierr 
mee gelgk te stellen is. Wat hg bg deze gelegenheid ge- 
daan heeft, komt daarmee niet in vergelgking. ELg heeft, 
wetende dat de vrede gesloten was, niettemin den slag aan- 
genomen, dien Willem III, wien hg verdacht hield van het 
even goed te weten als hg, hem aanbood. De heer Knoop 
heeft, als ik wel verstaan heb, gezegd, dat de Franschman 
derhalve ontegenzeggelgk gedaan heeft, hetgeen zgn land- 
genooten onzen Willem van Oranje aanwrgven en als een 
misdaad toerekenen. Maar mg dunkt^ de twee gevallen staan 
volstrekt niet gelgk. Het is iets anders een duel aan te 
nemen, waartoe men zonder reden wordt uitgedaagd; iets 
anders uit louteren vechtlust iemand zonder reden uit te 
dagen. Ik kan begrgpen en tot zekere hoogte toegeven, wat 
Luxembourg tot rechtvaardiging van zgn gedrag aan Dgck- 
velt toevoegde: »que ce n'etoit pas la coutume des Fran- 
çois, lors quHls voyoient une occasion de combattre, de rien 
dire qui en empêche, et que nous avions un malfcre trop 
jaloux de la gloire de ses armes pour avoir trouvé bon 
qu^on eut différé un combat" *) Aan een sabreur als den 
Hertog van Luxemburg staat zulk een hanen-vechtlust niet 
kwaad, en het ware wel te wenschen dat hg niet erger tot 
zgn last had. Maar wat aan iemand van zgn gehalte ver- 
geven kan worden, zou in een Willem III onvergeeflgk zgn. 
En van dezen zouden wg dan gelooven wat buiten alle ver- 
gelgking snooder en gruwelgker is ? Wilt gg weten, hoe zich 
de Fransche geschiedschrgvers, die deze verklaring van 



•) RouBset, II, p. 530. 



( 46 ) 

's Prinsen gedrag voor waar houden, hem zich verbeelden ? 
Hoor dan wat Bousset van hem zegt. Als hg Ghamlay heeft 
naverteld, hoe na het sluiten van den wapenstilstand de ge- 
neraals van de beide legers elkander hoffel^k begroetten, en 
beklaagden dat hun de vrede de geliefkoosde bezigheid kwam 
ontrooven, roept hig vol edele verontwaardiging uit: » Nobles 
regrets, magnanime douleur! Admirons ces grands coeurs, 
si touchés de leur oisiveté prochaine! Plaignons-les, ces 
vivants inutiles, et non pas ces morts inutiles de la dernière 
bataille. Plaignons-le surtout, ce généreux Prince d^Orange, 
qui avait si bien su, jusqu'au dernier moment, même au 
delà donner pâture à son activité dévorante. La moralité 
manquait au drame de St. Denis; la voilà'\ 

Goen wonder waarligk, dat generaal Enoop, die den Prins 
door langdurige studie van zgn leven en bedrgf van nabg 
kent, aan dien laster geen geloof schenkt, en voor zgn ge- 
drag, dat hg niet kan goedkeuren, een minder schandelgke 
drgf^eer tracht te ontdekken. Volgens hem bedoelde de 
Prins, met het leveren van een overigens nutteloozen slag, 
den vrede, die of reeds gesloten moest zgn of eerlang ge- 
sloten stond te worden, en dien hg voor het vaderland en 
voor Europa verderfelgk achtte, te keeren of te breken. 
Een bedoeling, die zeker het middel niet heiligen zou, 
maar toch wel eenigermate vergoelgken, en die dan ook, 
hoewel naar mgn gevoelen onzen Willem III onwaardig, 
toch niék zoo Ignrecht in strgd is met zgn wezenlgk karak- 
ter. Het vermoeden is ook niet ver gezocht, en tot beves- 
tiging ervan kan hg zich beroepen op hetgeen, onmiddellgk 
na de gebeurtenis, aan d'Estrades door een zgner correspon- 
denten of spionnen »un ami qui voyage avec le Prince 
d'Orange^\ geschreven werd. »M. de Grana [de keizerlgke 
gezant te Brussel] et M Tempel, par ses lettres, sont cause 
que Son Altesse s'est précipité de donner le combat. M. 
Tempel a écrit à Son Altesse, que le seul moyen de rompre 
la paix étoit celui d'attaquer l'armée du Roi; que Sa Majesté 
ne voudroit plus de paix et désavoueroit ses ambassadeurs; 
et qu'aussitôt que ce point seroit fait, il (Tempel) échange- 



( 47 ) 

roit la ratification da traité de ligue avec l' Angleterre'* *), 
Het is altgd zaak, niet aanstonds en onvoorwaardel^k aan 
hetgeen zulke correspondenten berichten geloof te hechten. 
In dit geval kunnen wg al dadelgk de tweede helfbvanhet 
verhaal logenstraffen. Temple kon zoo niet schrgyen, en niet 
belooyen dat h^ de ratificatie van het verdrag van 2G Juli 
zoa uitwisselen, zoodra maar eerst het Fransche leger aan- 
gegrepen was, om de afdoende reden, dat h^ tot het uitwis- 
selen eerst den IS^'^ Augustus te Nymegen de noodige 
machtiging ontving, en van 2 Augustus af in onzekerheid 
verkeerde, of zyn koning het verdrag, zoo als het geteekend 
was, wel zou willen ratificeereu f). Beden genoeg, voor m^ 
althans, om voorloopig ook de eerste helft van de tgding voor 
niets meer dan een bloot vermoeden van den correspondent 
aan te zien, en buiten rekening te laten. 

De verklaring, op zich zelf genomen, Ijjdt aan een doodelgke 
kwaal ; zg is onbestaanbaar met het gedrag van den Prins van het 
oogenblik af dat hg den veldslag had gewonnen. Hg heeft 
oomiddellgk, zonder aarzelen, aan den slag het karakter ont- 
nomen, dat deze noodzakelgk dragen moest om het doel te 
bereiken, dat hg gezegd wordt er mee beoogd te hebben. 
Hy heeft verklaard, plechtig verzekerd zelfe, dat hg niet 
wetende dat het reeds vrede was den slag had geleverd; hg 
heeft dus zelf den Koning van Frankrgk de gelegenheid 
aangeboden om de daad, uit onkunde voortgekomen en op 
dien grond verontschuldigd, niet euvel te duiden. Het was 
wel niet twgfelachtig, dat Z. M., die, blgkens het vele dat 
hg in de laatste dagen had toegegeven, hoogen prgs op den 
vrede met de Republiek stelde, dien niet zou opzeggen, indien 
zgn eergevoel er hem niet toe noodzaakte. Had Willem III 
van den slag een casus belli willen maken, hg had op hoo- 
gen, tartenden toon alle opheldering moeten weigeren; hg 
had Luxembourg moeten toevoegen, dat hg niet hem of zijn 
Koning, maar alleen den beeren Staten rekenschap verschul- 



^ Rousiet. II, p. 588. 

t) Tempk Work», IV, p. 418. 



( 48 ) 

dlgd was, en dat Z. M. er van denken mocht wat hg good 
vond. Dan zou misschien de eer van Lodew^k XIV niet 
geduld hebben, zich dien hoon te laten welgevallen ; misschien 
was uit den slag bg St. Denis een nieuwe oorlog voortge- 
sproten. Maar — zal men mg tegenwerpen — het was 
Willem III niet mogelgk zoo vermetel te spreken ; hg moest 
met de Staten-Generaal en met de Staten van Holland reke- 
ning houden, die hem zeker op die wgs niet zouden hebben 
laten begaan en zgn hooge woorden openlgk afgekeurd zouden 
hebben. Volkomen waar; en Willem III wist dit beter nog dan 
wg ; maar hg wist het even goed voor den slag als daarna, 
en hg was er de man niet naar om het uit het oog te 
verliezen. Om die reden zou hg nooit beproefd hebben, den 
vredehandel te storen of den gesloten vrede te breken door 
een middel, dat hg zelf onbruikbaar moest maken^ zoodra 
hg het ging aanwenden. De vergoelgkende verklaring van 
ons geacht medelid is dus nog minder aannemelgk dan de 
onteerende, die Gourville aan de hand doet. Wg kunnen 
haar niet aannemen zonder aan het doorzicht van den Prins 
te kort te doen; en zgn beleid wordt algemeener erkend 
dan zgn rechtschapenheid. Wat hg dus met zgn misprezen 
daad mag hebben voorgehad, blgft voorals nog een raadsel. 

Het zal een raadsel voor ons blgven, zoolang wg ons 
niet weten los te maken van het nu eens gevestigde voor- 
oordeel, dat een slag bg Mons op dit oogenblik door geen 
gewichtig belang werd gevorderd, en minstens even goed 
nagelaten of uitgesteld als geleverd had kunnen worden, en 
dat bg gevolg de aanval van Willem III op het Franscbe 
leger een daad van moedwil, een baldadigheid was. Zoolang 
wg in dien waan verkeeren, moeten wg wel de reden, waarom 
de slag geleverd werd, in de bgzondere neigingen en bedoe- 
lingen van den Prins zoeken. De Fransche geschiedkundigen, 
voor wie onze HoUandsche bronnen zoo goed als niet be- 
staan, en die ni^enoeg uitsluitend de bescheiden hunner 
staatsarchieven raadplegen, kunnen zich uit dien hoofde den 
gang onzer zaken niet juist voorstellen, en nog minder de 
drgfveeren die haar bestuurden. Dat zij niet vermoeden wat 



( 49) 

de Prins van Orauje voor had, is bgna noodzakelgk. Maar 
wj, die ons bedienen kunnen van hetgeen buiten hun bereik 
l^S^f ^9 moeten niet hun Toorstelling der gebeurtenissen, 
maar hun voorbeeld volgen, en in onze archieven den sleu- 
tel zoeken, die ons den toegang tot de Statenvergaderingen 
en de kabinetten opent, waarin de plannen beraamd en de 
bedoelingen bloot gelegd worden. Zulke nasporingen z^n 
niet omslachtig en vorderen niet veel tgd. Ons Rgksarchief 
is reeds voor een groot gedeelte zoo uitnemend geordend, 
en de beambten zgn zoo hulpvaardig en voorkomend, dat 
het raadplegen der geschreven bescheiden er even gemakke- 
Igk valt als het doorsnuffelen der gedrukte boeken in de 
best geordende openbare bibliotheek. Zonder moeite heb ik 
in korten t^d de bouwstof verzameld, die ik noodig had, 
om de gebrekkige en eenzgdige voorstelling der gebeurte- 
nissen, aan de Fransche bronnen ontleend, aan te vullen en 
te verbeteren. Eerst thans meen ik te weten, hoe zich 
werkeljk in den zomer van 1678 de gebeurtenissen hebben 
toegedragen en welke plaats daarin de slag bg St. Denis 
inneemt. Om a dit met de gewenschte duidelgkheid voor 
te stellen moet ik iets verder teruggaan, en beginnen met 
te herinneren aan bekende zaken, maar die u allen, myne 
heeren, misschien niet zoo levendig voor den geest staan. 

De oorlog, dien Frankr^k in verbond en samenwerking 
met Engeland, Munster en Keulen tegen ons begonnen had, 
en die tegen onze onafhankel^kheid, zoo al niet tegen ons 
volksbestaan, gericht was, had na twee jaren van beproe- 
ving en ellende een gansch ander karakter aangenomen. 
Met drie onzer vier v^anden hadden w^ den vrede hersteld ; 
de vierde, Frankrgk, zag zich genoodzaakt ons grondgebied 
te ruimen en hield alleen Maastricht in zyn macht. Reeds 
vroeger in verbond met Spanje en den Keizer, gingen w^ 
met hen te samen nu nieuwe verbintenissen van weerzyd- 
Bche hulp aan met Denemarken en Brandenburg en meerdere 
Duitsche vorsten van den tweeden rang. Wij hadden voort- 
aan niet meer voor het behoud van ons volksbestaan te 
worstelen, w^ streden met onze talrijke bondgenooten voor 
hei evenwicht van Europa. Zou Frankrgk met geen anderen 

^UIL. BN IISDIB. AVD. LSTTBU, 2de KSX18. DSKL VII. 4 



'( 50 ) 

bondgenoot dan Zweden tegen een zoo machtige alliantie 
zgn opgewassen? De uitkomst bewees, dat zgn macht alleen 
die van al zgn vijanden overtrof, Terwgl Zweden voor 
Brandenburg en Denemarken moest onderdoen, hielden in 
Vlaanderen^ in Lotharingen, in Franche Comté, in Catalonie 
en op Sicilië, overal de Franschen de bovenhand. Wg had- 
den vooral met den oorlog in Vlaanderen te doen. De 
Spaansche Nederlanden dienden ons tot voormuur t^en 
Frankr^k, en hadden uit dien hoofde voor ons nog hooger 
waarde dan voor Spanje zelf. Dat wisten de Spanjaarden, 
en zij lieten daarom de verdediging van Nederland zoo goed 
als uitsluitend aan ons over, en besteedden hun geringe 
krachten liever aan den oorlog in het Zuiden. W^ 
waren echter niet in staat alleen den machtigen Franschen 
l^ers het veroveren der Nederlanden te beletten. Te vergeefe 
putten wij ons geld, ons crediet, onze laatste krachten uit; 
w^ werden gestadig teruggedrongen en zagen met lederen 
veldtocht nieuwe vestingen verloren gaan. Intusschen was 
er te Ngmegen onder bemiddeling van Engeland een con- 
gres beschreven, om een algemeenen vrede tot stand te 
brengen, dat vooreerst niets uitwerkte en voor de toekomst 
weinig beloofde. Het samenbrengen der gevolmachtigden 
had reeds veel moeite in ; van samenspreken en overleggen 
kwam zoo goed als niets. De belangen der geallieerden lie- 
pen ook te ver uiteen. Die gewonnen hadden, Brandenburg 
en Denemarken, wilden geen vrede dan met behoud hunner 
veroveringen ; die verloren hadden, Spanje in de eerste plaats, 
wilden geen vrede, die hun het verlorene voor alt^d onthou- 
den zou. Frankr^k, in de diplomatie even bekwaam en 
gelukkig als in den oorlog, trok van deze tweedracht uit* 
nemend partij om den lossen band der alliantie gedurig los- 
ser te maken, en ging ondertusschen voort met steeds nieuwe 
veroveringen op het oorlogstooneel te behalen. Langzaam 
maar gestadig naderden zijn legers onze grenzen : het scheen 
dat de kryg wel zou kunnen eindigen, gel^k h^ begonnen 
was, met een inval in ons eigen grondgebied. En zulk een 
gevaar gingen wg te gemoet alleen ten gevalle onzer bond- 
genooten. Omdat zg niet besluiten konden zich te schikken 



(51 ) 

in hetgeen noodzakelyk, onvermijdelijk was, lieten wij toe 
dat onze zaken, zoowel als de hunne, van kwaad tot erger 
vervielen. Voor ons afzonderlek konden wij van Frankrgk 
een yrede bekomen op zeer aannemelijke voorwaarden. Maas- 
tricht benevens het land van Overmase zou ons terug worden 
g^ven, op het minst met gesloopte vestingwerken, en boven- 
dien het handelsverdrag van 1662, waarom wg voorheen 
jaren lang te vergeefs hadden aangehouden. Was het niet 
on?erantwoordelyk jegens onze nijvere burgers zulke voor- 
waarden van de hand te w^zen? En was het zelfs wel in 
het welbegrepen belang onzer bondgenooten ? Het eenige 
middel om uit den wanhopigen oorlog te geraken was dat 
wg het voorbeeld gaven. De anderen zouden dan door den 
nood gedrongen volgen, terwijl Frankrijk nog redelijke eischen 
stelde; en bg den vredehandel zouden wij als onzijdige mo- 
gendheid hun beter dienst kunnen doen dan op het slagveld. 
Zoo oordeelde Van Beverningh, de bekwaamste onzer diplo- 
maten en de hoofdpersoon op het congres te N^megen; en 
hfl vond onder de regenten, vooral van de provincie Holland, 
hijna geen tegenspraak. 6g den aanvang van het jaar 1677 
verklaarde de Raadpensionaris Fagel aan den Engelschen 
gezant Sir William Temple, dat hg zgns ondanks met Van 
Beverningh moest instemmen en dat hg geen staatsman 
kende die van een ander gevoelen was. »Dan ken ik er 
althans een", antwoordde Willem III, toen Temple hem dit 
gesprek meedeelde, »mg zelven. Ik zal nooit tot zulk een 
vrede meewerken. Ik weet dat als mg iets overkwam, de 
afzonderlgke vrede binnen twee dagen gesloten zou wezen, 
maar zoo lang ik leef zal het niet gebeuren: ik geloof dat 
ik in staat zal zgn het te beletten" *). De Prins zag een 
anderen, een veiliger en eerlijker uitweg. Engeland moest 
zich doen gelden. Het Engelsche volk en de Engelsche 
regeering beide erkenden het gevaar, dat ook zij in de Ne- 
derlanden van Frankrgks overmacht hadden te duchten 
alleen treurig wederzgdsch wantrouwen verhinderde hen 
Yoor als nog een kloek besluit te nemen. Met Engeland 



•) Temple, Workt, I, p. 297. 



X 



i 



{ 52 ) 

versterkt zou de alliantie meer dan opgewassen zgn t^en 
Frankrgk. Niets moest derhalve van onze zgde worden ver- 
zuimd om de medewerking van Engeland te winnen; en tot 
zoo lang moest de oorlog moedig worden voortgezet. Maar 
de zomer van 1677 ging voorbg zonder eenig uitzicht op 
verbetering der Engelsche toestanden te openen, en de veld- 
tocht was voor de geallieerden, inzonderheid in Nederland, 
meer ontmoedigend dan eenige vorige. Valenciennes, Käme- 
rflk, St. Omer gingen verloren ; te vei^eefs leverde de Prins, 
om de laatste vesting te redden, den wanhopigen slag van 
Mont Cassel ; te vergeefs zocht h^ tot vergoeding van zoo 
groote verliezen Charleroi te bemachtigen ; hg werd genood- 
zaakt het beleg op te breken. Op Bergen en Namen en de 
zeesteden van Vlaanderen na, waren thans alle Nederland- 
sehe vestingen van gewicht in de handen van den vgand. 
Van zooveel tegenspoed gaven de bondgenooten elkander de 
schuld. Hoon en laster ontzagen zelfs Z. H. niet. Maar 
daarom gaf deze nog de hoop niet verloren. Zgn volhar- 
ding, zgn onbezweken moed, ziijn veerkracht, die hem nooit 
deed vertwgfelen, hoe wanhopig de toekomst zich ook voor- 
deed, zgn de schoonste eigenschappen van zgn groeten geest. 
Meer dan ooit was hg thans overtuigd, dat de redding alleen 
van Engeland kon komen ; en de veldtocht was in Nederland 
nog niet geëindigd, of hg stond al gereed om gedurende den 
winter, als de wapenen rusten moesten, een diplomatieken 
veldtocht aan het Engelsche Hof te gaan voeren. Hg had 
door zgn vriend Bentinck de vergunning om over te komen 
van zgn oom laten vragen en bekomen, en hg spoedde zich 
nu derwaarts. Hg verraste er den Koning en zgn broeder, 
den Hertog van York, met een aanzoek om de hand der 
dochter van dezen, die hem twee jaren te voren zoo goed 
als aangeboden, maar toen om gewichtige redenen nog niet 
aangenomen was. Zg werd hem thans na eenige aarzeling, 
en niet van harte, toegestaan. Het was van weerszgden 
een politiek huwelgk, en, voor het oogenblik althans, niet 
meer« Zoodra het gesloten was, ging dan ook de Prins 
beproeven, om op dien grondslag een overeenstemming in de 
buitenlandsche staatkunde van beide mogendheden te vesti- 



( 53 ) 

gen. Hg stelde voor^ dat de Koning in overleg met de Sta- 
ten-Generaal, de voorwaarden van een algemeenen vrede 
ontwerpen, en die dan met den klem van Engelands macht 
aan de partgen opleggen zou. Frankrgk, hoe onwillig ook, 
zou zich daarin liever voegen dan Engeland tot de alliantie 
ie zien toetreden; en van de geallieerden was wel tegen- 
spraak maar geen blgvende tegenstand te vreezen. De vrede 
zon tot stand komen ; en daarvan zouden Engeland en En- 
gelands koning de eer hebben. Een overtuiging en een vaste 
wil als die van Willem III vermogen veel op een zwak en 
wnft gemoed als dat van Earel II. De Koning liet zich 
overhalen, en het verdrag van 16/26 Januari 1678 was de 
eerste vrucht van het Engelsche huwelgk van den Prins. 
Het gaf de hoofdvoorwaarden aan, waarop de beide contrac- 
teerende mogendheden den algemeenen vrede billgk achtten, 
en die zg des noods met vereenigd geweld van wapenen aan 
de oorlogvoerende partgen wilden opleggen. De voorwaar* 
den waren natuurlgk voor Frankrgk zeer voordeelig, maar 
toch niet zoo als Lodewgk XI Y ze zelf wenschte ; en boven- 
dien, dat zg hem werden voorgeschreven was voor zgn 
hoogmoed ondragelgk: langs dien weg wilde hg den vrede 
niet gesloten zien. Hg was echter te verstandig, om de 
Engelsche voorwaarden ronduit af te wgzen en zoo doende 
Karel in het harnas te jagen; hg nam ze in overweging; 
lig besprak ze; hg maakte zwarigheid — en zoo bereikte 
hg zgn doel, hg won tgd ; en hg besteedde dien voortreffe- 
Igk om het Engelsch-Nederlandsche verbond te verlammen. 
De partg was ook al te ongelgk. De politiek van Frankrgk, 
in een kabinet van hoogstbekwame staatslieden overlegd, 
werd door geen mederegeering van volksvertegenwoordigers 
in de uitvoering belemmerd ; alles ging door één geest ge- 
dreven gestadig op het doel af. Daarentegen had de regeeiing 
van Engeland, uit eigen aard wispelturig en wuft, gedurig 
om te zien naar een parlement, dat de buitenlandsche poli- 
tiek als bgzaak beschouwde, en de regeering bemoeilgkte, 
ook waar zg in den geest van het volk zich tegen de heersch- 
znchtige plannen van Frankrgk verzette, uit vrees dat zg 
anders te machtig worden en haar macht tegen de vrgheden 



(54) 

van het Tolk misbruikeu zou. Om die reden was Karel 
bedacht, dat, als hij zich eens verleiden liet om met Frank- 
ryk te breken en een kostbaren oorlog tegen dat machtige 
rgk te beginnen, z^n parlement hem de noodige geldmidde- 
len niet zou toestaan zoQder daarvoor concessies yan zgn 
zgde te vorderen, die h^ zich niet wilde laten afdwingen. 
Van die tweedracht bediende zich de Fransche diplomatie 
behendig; met beide partyen, regeering en parlement, heulde 
z^ te gel^ker t^d. Als de regeering een houding van ver- 
zet tegen haar veroveringsplannen aannam, ruidde z^ het 
parlement op, en jaagde den Koning vrees aan voor de 
praerogativen der kroon. En had zy hem in die stemming 
gebracht, dan bood zij hem het geld, dat h^ van het parle- 
ment ten behoeve van zijn hofhouding niet om niet had 
kunnen bekomen, voorkomend aan, mits hg het Lagerhuis 
ontbond of schorste en zich zoodoende den weerzin van zgn 
volk op den hals haalde. Dat spel gelukte ook nu weer 
volkomen. De Koning durfde niet vastberaden met Willem 
m en zijn plannen van bevrediging meegaan. En ter zelfder 
tgd werd soortgelijk spel in onze staatkundige kringen op- 
gezet. Bij ons was de macht van den Prins van Oranje 
nog veel enger beperkt dan die van den Koning in Enge- 
land. Hg was de dienaar der Staten; niet hg maar zg wa- 
ren de souverein, en zg, niet hg, beslisten over de richting 
der buitenlandsche politiek. Aan die onderhoorigheid had 
Willem III zich onlangs, op wederrechtelgke en voor de 
vrgheid verderfelgke wgze, gedeeltelgk onttrokken. Door 
regeeringsreglementen, die hg aan de drie tgdelgk door den 
vgand overheerde gewesten, Utrecht, Gelderland en Overgssel 
bg hun bevrijding had opgelegd, zonder daartoe bevoegd te 
zgn, was hg zoo goed als meester van zgn meesters, de 
Staten dier provinciën, geworden; en, waar hg kon, bracht 
hg ook in Holland en Zeeland zgn creaturen in het bewind, 
daaronder verachtelgke handlangers, die zgn partg tot 
schande Verstrekten« Hg roeide met de riemen die hg vond; 
ook hier moest het doel de middelen verschoonen. Niet om 
de vrgheid der burgers aan banden te leggen, maar om de 
oppositie tegen zgn buitenlandsche staatkunde tot volgzaam- 



(55 ) 

heid te dwingen, vergreep h^ zich das aan den geest van 
onzen, r^eeringsyorm en bevorderde hij z^n ontaarding. 
Maar hg kon dit vergr^p niet plegen zonder b^ de nog on- 
afhankelgke regenten, vooral in de HoUandsche steden, 
weerzin te wekken en verzet uit te lokken. Z^ waren hui- 
?erig hem te wille te zijn en de overhand te laten nemen, 
uit vrees van geheel en al ondergeschikt te worden. Z^ 
waren niet vergeten, dat h^ de hem opgedragen waardigheid 
van hertog van Gelder en graaf van Zutfen zou hebben 
aangenomen, indien zg er zich niet zoo duidel^k tegen ver- 
klaard hadden. Zg werden er op nieuw aan herinnerd door 
het hawel^k, dat h]g zoo even met de Engelsche Prinses 
had gesloten. Zulk een Eugelsch huwelyk had eens zgn 
Tader overmoedig gemaakt, en tot den aanslag van 1650 
verleid; zouden thans de gevolgen weer niet soortgelgk we- 
ien? Vooral te Amsterdam was men verontrust. Daar 
hadden tot nog toe in de vroedschap twee côterien bestaan, 
partgen verdienen zij niet te heeten, de aanhang van Gillis 
Yalckenier^ die in de laatste jaren van het stadhouderloos 
bewind den Raadpensionaris De Witt had tegengewerkt en 
in 1672 ten val had helpen brengen, en de aanhang van 
Hendrik Hooft. Deze twee vereenigden zich thans onder 
den drang der omstandigheden, en kantten zich gezamenlgk 
tegen de toenemende macht van Willem III. De pensiona- 
ris der stad, Jacob van den Bosch, voorheen secretaris en 
vertrouwde van De Witt en steeds vurig bewonderaar van 
de stadhouderlooze regeering, was de derde persoon in deze 
ligue. Uit vrees voor den Prins, en misschien ook uit haat 
t^en zgn persoon, liet hij zich tot een geheime correspon- 
dentie met d* Estrades verleiden, die hier tgdens De Witt 
jaren lang gezant geweest en thans een der drie Fransche 
gevolmachtigden te Ngmegen was. Uit de briefwisseling 
tasschen hen, die tot schande van Van den Bosch in het 
Fransche Staatsarchief berust, en waaruit Mignet ons eenige 
gewichtige uittreksels meedeelt, zien wg, hoe ver de partg- 
schap iemand vervoeren kan. Uit blind vooroordeel tegen 
den Prins van Oranje geeft de pensionaris van Holland's 
aanzienlgkste stad aan den vgand van zgn land de midde- 



( 56 ) 

len in handen, om de politiek van den stadhonder, die t^^n 
dien y^and gekeerd is, te veredelen. H^ verklapt de be- 
raadslagingen, h^ verraadt de bedoelingen van zgn meesters. 
D'Estrades verzuimde niet hem, en, door zgn tnsschenkomst, 
de regeering van Amsterdam te stgven in hun argwaan te- 
gen den Prins van Oranje, en hun de bescherming van zgn 
machtigen Koning aan te bieden. Zoo als de Prins z^n 
steun gezocht had by Engeland, zoo moesten nu de repu- 
blikeinen hun toevlucht nemen bg Frankrgk. Een veilige 
toevlucht voorwaar! Maar wat laat blinde hartstocht zich 
niet wijs maken ? De Amsterdamsche regenten spanden met 
Frankrijk tegen Willem III samen. Zg beletten dat de 
verstandhouding met Engeland uitgebreid en versterkt werd, 
gelg]^ de Prins bedoelde en Koning Karel thans werkel^k 
wenschte. Zg zorgden dat Engeland niet in het drievoudig 
verbond tusschen de Republiek, den Keizer en Spanje als 
vierde deelgenoot werd toegelaten ; hoe Van Beuningen, onze 
gezant te Westminster, er op aandrong, de machtiging, die 
hg behoefde om daartoe mee te werken, werd hem onder 
het doorzichtigste voorwendsel geweigerd. Zoo stak de 
Fransche politiek aan die van Willem lU zelfs in Holland 
de loef af. Wat de Prins gemeend had tegen haar te rich- 
ten, zgn alliantie met het Engelsche koningshuis, wist zg 
als een wapen tegen hem en zgn invloed aan te wenden. 
Intusschen was de winter verloopen en het saisoen voor den 
veldtocht aangevangen. Wat de diplomatie had voorbereid, 
zou door de kracht der wapenen worden aangedrongen. 
Vroeger dan gewoonlgk verschenen de Fransche legers in 
het veld; zg trokken naar het oosten, in de richting van 
Lotharingen op; het scheen dat zg het op Mons of Namen 
hadden gemunt. Maar toen de geallieerden zich haastten 
om tegen zulk een gevaar hun maatregelen te nemen, 
zwenkten de Fransche troepen plotseling en rukten in de te- 
genovergestelde richting af en Vlaanderen binnen, en namen 
eerst Gent en toen het sterke Yperen weg ; voor 1 April rast- 
ten zg reeds in de ververschingskwartieren van den vermoeien, 
den tocht uit. In Engeland was de indruk van deze verove- 
ringen zoo dicht bij de kust van Vlaanderen geweldig, Lodew^k 



( 57 ) 

XIV had dit wel Yoorzien, maar tevens berekend, dat ook nu 
weer de opschudding tot niets wezenl^ks leiden en van zelf 
bedaren zon. In Holland daarentegen zou de vrees voor z^n 
onverwinlgke wapenen de neiging tot vrede zeer zeker nog 
versterken. Want van Gent uit^ waar thans de voorhoede 
Tan het machtige leger stond, werd niet slechts Antwerpen, 
maar Staatsvlaanderen bedreigd; met eiken dag werd de 
oorlog voor de Republiek gevaarl^ker. Wat h^ voorzien 
had, gebeurde. In het eerst werd het Engelsche volk door 
den voorspoed der Fransche wapenen opgeschrikt en vorderde 
oorlogsverklaring aan Lodew^k XIV. Het parlement stond 
geld toe om nieuwe troepen te werven, en de regeering 
toonde zich vol gver en lust om zich ten kr^g toe te rus- 
ten. In Oostende en in Brugge rukte Engelsche bezetting 
binnen. Wie de verhouding tusschen Koning en parlement 
niet zoo goed kende als de Fransche diplomaten, zou al 
licht geloofd hebben, dat het thans werkelgk tot oorlog ko- 
men zou. Maar het duurde niet lang of het oude mistrou- 
wen brak weer uit; aan het toestaan van geld verbond het 
Lagerhuis ook nu voorwaarden, die de Koning in strgd 
achtte met z^n praerogativen. Het bleek op nieuw, dat 
voor de alliantie op Engeland niet te rekenen viel. De 
vredelievende partg in Holland dacht er dan ook niet aan 
om, op hoop van zulk een bondgenoot te winnen, zichlan« 
ger in gevaar te stellen. De vermeestering van Gent be- 
zorgde aan de Franscbgezinde part^ de overhand. Weinige 
dagen nadat de tgding te Amsterdam ontvangen was, ver- 
gaderden daar heimel^k de invloedrgkste regenten; en met 
hun voorweten schreef Van den Bosch aan d'Estrades, om 
te vragen of de Koning genegen zou z^n afzonderlijk met 
de Republiek vrede te sluiten. D'Estrades wist dat zgn 
meester niets liever wilde, maar hig toonde zich niet toe- 
schietel^k, hg stelde als voorwaarde, dat Holland zich vooraf 
onwillig zou verklaren om langer aan zgn burgers dedruk* 
kende oorlogsbelastingen op te leggen. Aan die voorwaarde 
werd terstond voldaan. Een commissie uit de Staten der 
provincie begaf zich met deze boodschap naar Antwerpen tot 
den Prins, en kreeg ten antwoord, dat, hoewel Z. H. een 



( 58 ) 

vrede, als die thans te treffen was, oordeelde »ten hoogste 
schadel^k voor den staat, ja buiten tw^fel ruineus te zul- 
len z^n", hg zich echter niet zou Terzetten tegen de senti- 
menten, die h^ zag dat algemeen waren ; hg was in overleg 
met Engeland getreden om de vroeger ontworpen voorwaar- 
den te wgzigen, overeenkomstig de eischen die Frankryk 
thans op grond der onlangs behaalde voordeelen stellen kon ; 
hy verlangde veertien dagen tgd om die onderhandelingen 
ten einde te brengen, en verzocht dat men zoolang de be- 
raadslaging over het verminderen van de krggsmacht zou 
verschuiven *). 

Maar de Fransche diplomatie gunde geen tgd van beraad ; 
zg was even voortvarend als de Fransche krggsmacht. Eens 
zeker van de Staten van Holland, schoof zg de bemiddeling 
van Koning Earel beleefdelgk ter zgde, en wendde zich on- 
middellijk en openlgk tot de Staten- Generaal en hun bond* 
genooten. Den 15^" April maakten de gevolmachtigden van 
Koning Lodewgk te Ngmegen de voorwaarden bekend, waarop 
Zgn Majesteit bereid was vrede te sluiten, en waaraan hg 
tot den 10®" Mei gebonden wilde zgn. Zg waren binnen 
dien tgd te aanvaarden of te weigeren f). Zg waren niet 
onredelgk hoog, en op zichzelf beschouwd voor de Republiek 
zel& gunstig te noemen. De groote Koning wilde haar 
Maastricht teruggeven en een handelsverdrag^ gel^k zg het 
begeerde, toestaan; bovendien beloofde hg, haar ten gevalle en 
ten gevalle van den Koning van Groot-Britannie, in de Ne- 
derlanden een rg van vestingen aan Spanje te laten, die 
tot voormuur tegen zgn macht verstrekken zou. Overigens 
behield hg Franche Comté en zgne veroveringen in de Neder- 
landen, en liet aan Lotharingen slechts een schgn van 
onafhankelgk bestaan; van het Duitsche rgk eischte hg zoo 
goed als niets voor zich zelf, maar voor zgn bondgenoot 
Zweden volkomen voldoening, dat was te zeggen teruggaaf 
van al wat het aan Denemaken en Brandenburg verloren 
had. In den stand van zaken, bg de gebleken overmacht 



*) Secr. ReBol. Holl. 1678, 6 April. 

't) Al de staatsstakkeo, die tot den vredehandel behooren, vindt men in de 
Actes et Memoires des Négociations de la paix de Nimègne, Amst. 1689. 



( 59 ) 

van Frankrgk, waren zulke eischen volstrekt niet buiten- 
sporig. Zg weken ook niet ver af van die, waaraan Engeland 
en de Republiek by hun verdrag van Januari 11. hun zegel 
hadden gehecht: het grootste verschil bestond daarin, dat 
Frankr^k zich de vestingen van Doornik, Condé, Valencien- 
nes en Yperen toeeigende : vestingen van groot belang inder- 
daad, — de oorlogen van later tgd hebben het bewezen — 
maar zou men, liever dan ze aan Frankrgk te laten, den 
noodlottigen oorlog voortzetten en de waarschjgnlijke kans 
op het verlies van al de Nederlanden loopen? Amsterdam 
was van een ander gevoelen. Met een overhaasting, die 
b^na onvoegelijk scheen, verklaarde het zich, tien dagen nadat 
de voorwaarden waren aangeboden, voor haar gave en on- 
Yoorwaarlijke aanneming, en gelastte zgn gedeputeerden ter 
Staten-vergadering » sonder een moment t^ds te versuymen^^ 
de overige leden >met de meest pathétique expressiën en 
redenen de indispensabele necessiteyt'' van den vrede te be« 
toogen *). De meeste leden van Holland, en van de overige 
gewesen insgel^ks, waren van het zelfde gevoelen, maar 
konden toch zoo snel niet besluiten. Het ging niet aan, alle 
bezwaren eenvoudig ter z^de te stellen, de klachten onzer 
bondgenooten, de verplichtingen der tractaten^ de raadgevin- 
gen van Z. H. Het bleek al ras, dat men binnen den gestel- 
den termgn onmogelgk gereed kon komen. Onze gevolmach- 
tigden te Nymegen verzochten uitstel, doch verkregen het 
slechte met moeite en voor onvoldoenden t^d. De Staten 
moesten hg Zgn Majesteit om nieuwe verlenging aanhouden, 
niet voor zich zelf, want z^ waren bereid, maar ter wille 
van hun bondgenooten, van wie zg zich niet konden schei- 
den zoolang de onmogel^kheid om hen tot deelneming over 
te halen niet ten stelligste gebleken was. 

Die herhaalde verzoeken om uitstel, in den eerbiedigsten 
vonn gesteld, konden den Koning niet dan welgevallig zijn. 
H^ werd er door erkend voor hetgeen hiy zgn en schgnen wilde, 



*) Extract uit de Resol. van de Vroedscb. van Amst. van 35 April (io de 
Seer. Beaol. Hoü. van 3 Mei). 



( 60 ) 

de beschikker yan het lot der natiën. Het Engelsch-Neder- 
landsche verbond, door Willem III tegen hem gesloten, zou 
hem zoo goed als zgn vijanden de voorwaarden van vrede 
hebben voorgeschreven en opgedrongen ; dat verbond was 
echter door zyn behendige politiek verijdeld, en hg was het 
thans, die de wet stelde en den vrede op zgn voorwaarden 
aan Europa aanbood, om binnen den door hem bepaalden 
termen aangenomen of geweigerd te worden. Met de meeste 
waardigheid en met vertoon van den hoogsten luister ver- 
vulde h^ de grootsche rol, die hg op zich had genomen. Hg 
begaf zich naar Vlaanderen, te midden van zgn zegevierend 
leger, en richtte van daar den IS^^^ Mei een openbaren brief 
van nederbuigende goedheid aan de Staten-Generaal, die 
toonen zou, — zoo luidde ongeveer de aanhef — dat Z. M. 
te midden der reeds door zgn wapenen behaalde voordeelen, 
en in het vooruitzicht op de nog veel grootere, die het 
voortzetten van den oorlog beloofde, toch zgn roem vooral 
in het bevorderen van den vrede stelde. Z. M. had met ge- 
noegen gezien, dat de Staten de door hem aangeboden voor- 
waarden billgk achtten, maar nog twee wenschen koesterden ; 
zg verlangden een wgziging in het handelsverdrag en ver- 
zekering, dat, zoo zg vrede met Z. M. sloten, terwgl Spanje 
in den oorlog volhardde, de voormuur van vestingen, dien zg 
voor zich in de Nederlanden noodig achtten, hun gerund 
zou big ven. In beide opzichten wilde Z. M. hun te wille 
zgn: de verandering in het handelsverdrag stond hg toe, en 
hg beloofde, als de Staten zonder Spanje den vrede aanna- 
men en voortaan in den oorlog onzgdig bleven, de barrière 
in de Nederlanden, ten gelieve der Republiek, aan de Span- 
jaarden te zullen laten, en zelfs geen plaats in Nederland 
te zullen aantasten. Eindelgk, indien zg het ter bespoedi- 
ging van de onderhandeling geraden achtten, eenige gede- 
puteerden tot hem te zenden, verwittigde hg hen, dat zg 
hem tot den 27®" der maand in de buurt van Gent zouden 
aantreffen. — De Staten ontvingen die letteren met den 
eerbied aan zoo groeten Monarch verschuldigd, en besloten 
gebruik te maken van de vergunning om Z. M. in persoon 
door een afgevaardigde te begroeten. Van Beverningh werd 



(61 ) 

met die zending belast. Hy ontmoette den Koning in het 
leger te Wetteren, overhandigde hem een dankbaar en eer- 
biedig schrgven der Staten^ en verzocht uit hun naam een 
wapenâtilstand van zes weken, om in dien tusschent^d den 
algemeenen vrede tot stand te brengen. Hij werd goedgun- 
stig ontvangen, en keerde binnen weinige dagen terug met 
een kort antwoord op den brief der Staten en met een uit- 
voeriger memorie, van 1 Juni gedagteekend, waarin Z. M. 
hetgeen h^ beschikt had verkondigde. H^ stond een wapen- 
stilstand van zes weken toe, die eerst met 1 Juli zou aan- 
TaBgen, op voorwaarde dat de Staten zich verbonden, in 
geval de geallieerden verzuimden zich dien tijd tot het sluiten 
ran vrede te nutte te maken, verder gedurende den oorlog 
onzgdig te bleven. Tot den 1^° Juli hadden zg tijd om 
zieh daarover te beraden : de hertog van Luxemburg zou zoo 
lang aan het hoofd van het leger bij Brussel op hun ant- 
woord wachten, en had in last onderw^l geen stad in de 
Nederlanden aan te tasten *), 

Wat hadden de Staten meer kunnen- verlangen ? zg waren 
volkomen bereid op deze voorwaarden vrede te sluiten, en 
z^ begverden zich hun geallieerden tot instemming over te 
halen. Bg Spanje, dat zonder de Republiek zoo goed als 
weerloos was, gelukte hun dit. Maar de Keizer, Denemarken, 
Brandenburg en de kleinere Duitsche staten wilden er niet 
van hooren en overstelpten onze onderhandelaars met bittere 
klachten en verwgten. Den 17<^° Juni werd er in den Haag 
een laatste conferentie met de afgevaardigden dier bondge- 
nooten gehouden, die vruchteloos afliep jals de vorige; en 
weim'ge dagen later, den 22^°, namen de Staten het eindbe- 
slnii Zg kondigden den Koning aan, dat zg hun gevol- 
machtigden te Ngmegen gelast hadden, nog voor den l^^^ Juli 
den vrede, op de vastgestelde voorwaarden, te teekenen, met 
diegene der geallieerden die toetreden zouden, en althans 
met Spanje, dat zich daartoe bereid had verklaard. 

De zaak scheen dus onherroepelijk beslist. Prins Willem 
had er in berust. Tot het laatst toe had hg een vrede op 
zalke voorwaarden verderfelgk genoemd en ontraden, maar 



*) » . . avec ordre durant ce temps de n'attaquer aucane Place''. 



(62 ) 

hy boog voor de beslissing der Staten. Den dag, na dien 
waarop het beslnit gevallen was, diende h^ reeds een voor- 
stel tot vermindering der krygsmacht in, »nademaal de vrede 
(zoo drukte hg zich uit) nu alle dagen of immers binnen 
en voor de expiratie van dese loopendo maandt gesloten 
stond te worden" *) Hg schreef ook ten zelven dage een 
beleefden brief aan den Koning van Frankrgk, wiens leenman 
hg was, om Z. M., nog eer de vrede hersteld werd, van zgn 
diepen eerbied te verzekeren en zgn belangen bg hem aan 
te bevelen f). Alles scheen geschikt en beklonken. De 
Fransche Koning nam, bg een missive van 30 Juni, acte 
van het besluit der Staten-Generaal, en willigde op hun ver- 
zoek in, dat, hoewel eigenlgk de zaken in den staat, waarin 
zg waren, blgven moesten tot op de uitwisseling der ratifi- 
catiên, niettemin de Hertog van Luxemburg nu reeds de 
buurt van Brussel en het aan Spanje terugkeerend grond- 
gebied met zgn leger zou ruimen. Maar onder één voorbe- 
houd, waarop ik uwe aandacht bijzonder wensch te vestigen 
en dat ik u daarom met zgn eigen woorden zal meedeelen: 
»Nous Ie chargeons [den hertog van Luxemburg] pour ce 
sujet de conférer avec le Duc de Villa Hermosa [den gou- 
verneur-generaal der Spaansche Nederlanden], mesme avec 
vostre Envoyé auprès de luj, de la conduite que devront 
tenir les officiers, qui commanderont les troupes, que nous 
sommes obligés de laisser aux environs de la ville de Mona". 
Het is hier voor de eerste maal, dat wij in de gewisselde 
stukken melding vinden van Fransche troepen rondom Mons — 
de aanleiding tot den slag van St. Denis, dien wg schgnbaar 
uit het oog hadden verloren, maar waarheen mgn uiteenzet- 
ting der voorafgaande feiten steeds heeft gestrekt. Reeds 
sedert geruimen tijd §) hielden Fransche legerbenden de stad 
Mons geblokkeerd, en beletteû den toevoer van levensmidde- 
len derwaarts. Een feit van groote beteekenis. Want Mons 
was met Namen de eenige vesting van belangd die de Span- 
jaarden :iog niet verloren hadden; en, wat ons inzonderheid 



«) Resol. Holl. 28 Juni. 
t) Bij Mignet. IV. p. 687. 

§) liord Castlehayen zegt, sedert de verrassiag van St. Guilain. (11 Dec, 1677) 
Zie Belage A. 



(«8 ) 

aanging, wij hadden er dertien regimenten, minstens 8000 
man, in bezetting *). Het zou iets te zeggen zgn, als die 
plaats door hongersnood tot overgaaf gedwongen werd en 
onze soldaten zich kr^gsgevangen moesten geven. Op dat 
geraar was bij het handelen over oorlog of vrede wel degelgk 
gelet, en in de conferentie met de bondgenooten van 17 Juni 
hadden onze gedeputeerden als een der drangredenen tot 
Tiede er nadrukkelijk op gewezen, dat de regimenten bin- 
nen Mons zich reeds met oneetbaren kost moesten voeden en 
2dch eerlang, indien de oorlog voortdaurde, zouden moeten 
oyergeven, waarvan het gevolg zou wezen, dat ook Brus- 
sei niet meer te houden zou zijn, en geheel Nederland gevaar 
zon loopen f). Men had zich gevleid, dat, als eens de vrede 
gesloten was, de blokkade terstond zou worden opgeheven. 
Het bleek thans dat dit verre van zeker was. Dit was de 
eerste zwarte stip aan den horizon, wel geschikt om bezorgd- 
beid te wekken. Maar eer 's Konings missive nog in handen 
der Staten kwam, waren er te Nijmegen reeds plannen van 
de Fransche regeeiïng uitgelekt, die het uitzicht op vrede weer 
geheel in het onzekere stelden. 

Zoo vaak er sprake was geweest van het teruggeven van 
Maastricht aan de Staten en van de Nederlandsche vestingen 
aan Spanje, was er van het l^dstip der ontruiming niet ge- 
sproken ; onze staatslieden hadden zelfs niet aan de mogel^kheid 
gedacht, dat dit niet terstond b^ het uitwisselen der ratifica- 
tiën zou plaats hebben. Maar nu het teekenen van het 
Terdrag zoo op handen scheen, lieten de Fransche gezanten 
zich opzettelgk een enkel woord ontvallen, waaruit de Spaan- 
schen aanleiding namen om dienaangaande een verklaring te 
Tragen; en nu vernam men, dat de ontruiming niet zou 
geschieden dan nadat eerst aan Zweden volkomen voldoening 
zon gegeven zgn. Het was 'immers alleen om aan Zweden 
zgn verloren grondgebied terug te bezorgen, dat Frankrgk 



*} «Mons, où il y a IB regiments de I'Estat, avec un Espagnol et quelque 
ciTilerie; mais la place si mal fortifiée et pourvue, que sans un secours elle ne 
pent pis estre maintenae". Memorial van den vorst van Waldeck, b\j Von Bauch- 
bar, Georg Friedrich von Waldeck, I, 593. 

t) Urkunden und Actenstücke zur Gesch. des Kurf. Fr. W. von Brandenbarg, 
III, 518. 



(64) 

ZOO veel van zfln veroveringen teruggaf: voor dat Zweden 
voldaan was, kon die teruggaaf dus geen plaatshebben. Dat 
maakte nataurl^k voor de Republiek en voor Spanje den 
afzonderlijken vrede volstrekt onaannemelgk ; want bg de 
onzekerheid van de krggskans in het Noorden, kon de vol- 
doening van Zweden, en bg gevolg het ontruimen der Neder- 
landsche vestingen, nog jaren uitblgven ; alles werd op deze 
wgs af hankelgk van gebeurtenissen, die niet te voorzien waren, 
en van de uitlegging, die de Fransche diplomatie bg tgd en 
wglen aan het rekbare woord van volkomen voldoening zou 
gelieven te geven. Niet slechts de Prins van Oranje en de 
weinige staatslieden die, even als hg, de gestelde voorwaarden 
steeds verderfelijk hadden geacht, maar ook de voorstanders 
van den vrede, en zelfs de regenten van Amsterdam, begre- 
pen dat, indien de ontruiming niet terstond geschiedde, de 
vrede niet geteekend worden mocht. Zoo stond men dus 
weer voor een onoverkomelijk bezwaar. De laatste Juni 
verstreek en de vrede was niet geteekend. 

Wat Frankrgk zoo overmoedig gemaakt en tot het stellen 
van zulk een onredelgken eisch verleid had, was vooral de 
toestand van regeering en parlement in Engeland. De 
tweedracht was daar op nieuw en heftiger dan ooit uitge- 
broken, en Lodewijk XIV had er gebruik van gemaakt, om 
Koning Karel tot het teekenen van een verdrag te brengen, 
waarbg deze tegen een Fransche subsidie van zes milioen 
het schorsen van het parlement en het afdanken van het 
onlangs aangeworven krggsvolk beloofde *). Yan die zgde 
derhalve achtte Frankrgk zich veiiig, en op de vredelievend- 
heid van Amsterdam en Holland durfde het ook staat maken. 
Er bestond dus alle reden om te gelooven, dat de quaestie 
der ontruiming den vrede niet zou verhinderen, en dat de 
groote Koning ook in dezen zgn wil zou doen eerbiedigen. 
De stellige weigering der onzen om het verdrag te teekenen 
was dan ook voor de Franschen een wezenlijke teleurstelling. 

Onderwijl had Luxemburg gevolg gegeven aan den beko- 
men last en den Hertog van Villa Hermosa, benevens onze 
Envoyés te Brussel, Dgckvelt en Boreel, uitgenoodigd om 



») Verdrag van 27 Mei, bij Mignet, IV, p. 578. 



( 65 ) 

over het ontruimen van het Spaansch gebied en het geblok- 
keerd houden yan Mons met hem te komen beraadslagen. 
Hg wist toen nog niets yan het te N^megen opgerezen 
Terschil. Den I ^n Juli had de conferentie plaats. H^ stelde 
Yoor, wat Mons betrof, dat de blokkade zon voortduren tot 
op de uitwisseling der ratificatiën, maar dat intusschen van 
week tot week een zekere hoeveelheid graan, naar het aan- 
tal der belegerden berekend, zou worden binnengelaten. De 
Spaansche gemachtigden durfden dit zoo gaaf niet toestem- 
men, zg namen tgd van beraad en gingen om nadere be- 
Telen naar Brussel. Maar toen zg den S^^ terugkeerden, 
vonden z^ Luxembourg, die intusschen ook nieuwe bevelen, 
ten gevolge der opgerezen moeilgkheden in den vredehan- 
del, ontvangen had, veel minder inschikkel^k dan de eerste 
maaL Hg wilde nu niet meer dan een bepaalde hoeveel- 
heid graan, 20.000 pond per dag, naar de stad doorlaten, 
een hoeveelheid, die naar het oordeel der Spaanschen en der 
onzen te gering was voor de behoefbe. Op die w^s zouden 
de belegerden langzaam mdar zeker uitgehongerd, en, indien 
de vrede zoo lang uitbleef als thans weer te vreezen was, 
ten laatste tot overgaaf gedwongen worden, zonder dat onze 
I^rs, door het aan te gaan verdrag gebonden, zelfs een 
poging tot ontzet zouden mogen wagen. Om die reden 
meende de regeering van Brussel, in overleg met onze En- 
voya, het verdrag niet te moeten aannemen *) ; en de Sta- 
ten-6eneraal keurden dat besluit volkomen goed, bg hun 
Secreete Resolutie van den 5^^ Juli. De overwegingen, die 
hen daartoe leidden en die in hun Resolutie uiteengezet 
worden, geven een duidel^k inzicht in hetgeen z^ van deze 
handelwgs van Frankrijk dachten en vreesden, en verdienen, 
ook om den toon waarin z^ gesteld zgn, dat ik ze u meedeel. 

»Outfangen twee Missiven van de beeren Boreel 
ende van Dgckvelt .... nopende de blocquade van 



*) De stakken, die tot deze onderhandeling beiiooren, staan gedrukt in de Hol- 
itndiebe Mercnrins van 1678 biz. 132 en vlg. 

TkUl.. KM MKDKO. AVO LKTTKBK. 2«le RKKKS. DEEL VII. 5 



(66 ) 

Mons .... Waarop gedelibereert sjnde, is goetge- 
vonden ende verstaen, dat de gemelte Heeren Boreel 
ende van D^ckvelt sal worden gerescribeert, dat haere 
Ho. Mo. haer wel laeten gevallen de conduite, die 
s^ dienaengaende hebben gebrayckt: dat haere 
Ho. Mo. niet connen begrijpen, dat Sgne Con. Maj. 
van Vranckrgk intentie sonde connen hebben om de 
Stadt van Mons bg forme van blocquade ofte hon- 
gersnoot te willen vermeesteren, daer deselve duyde- 
Igck heeft verklaert geen plaetsen in de Spaensche 
Nederlanden te willen aentasten^ ende daer die voorsz« 
Stadt een gedeelte maeckt van de barrière, die Hoochst- 
gem. Sijne Maj. verclaert heeft in de voorsz. Spaen- 
sche Nederlanden te willen laeten: dat haere Ho. 
Mo. niet connen sien, dat daerin veel onderscheyt 
is, off een plaetse met gewelt aengetast, off door 
crigchsmacht soodaenich beslooten gehouden wert, dat 
degenen die daerin sgn door hongersnoot geobligeert 
souden werden de plaetse te moeten abandoneeren 
ende overgeven: ende dat haere Ho. Mo. derhalve 
dat vast vertrouwen hebben op de generositeyt van 
hoochstgemelte S:gne Maj., dat deselve sal toelaeten 
dat de voorsz. stadt van genoechsame levensmiddelen 
voor haer nootdruft tot den tyt van de ratificatie ^ 
van het voorsz. tractaet worde voorsien ; dats^sulcx 
sullen opnemen voor een singuliere preuve vanS^ne 
Maj. goede affectie tot desen Staet, ende als een evi- 
dent teecken van de conditiên, b^ hoochsi^em. Sgne 
Maj. voorgestelt, completelgck ende glorieusel^ck te 
willen voldoen. Ende dat s^, Heeren Gedeputeer- 
den, derhalve alle goede ende crachtige officien bg 
den gemelten Heere Hertogh van Luxemburgh, ende 
des noot oock omtrent hoochstgem. S^ne Maj. b^ 
brieven, sullen aenwenden, ten eynde deselve geper- 
moveert mach worden, de voorsz. stadt met genoech- 
same levensmiddelen voor haere nootdruft te laten 
voorsien, bgaldien deselve Sgne Maj# niet soude con- 
nen resolveeren de voorn, blocquade in het geheel op 



( 67 ) 

te hefifeu: doch dat gemelte Heeren Gedeputeerden 
haer niet snllen iulaeten om door eenich tractaet 
de Yoorsz. stadt te stellen off brengen in staet van 
door hongersnoot te moeten vallen in handen van 
hoochfltgem. Sgne Maj. Dat van 't gunt voorschr. 
ifl kennisse sal worden gegeven aen de Heeren Am- 
bassadeurs ende Plenipotentiarissen van desen Staet 
op de vredehandelinge tot Ngmegen, omgel^ckeoffi- 
cien ende devoiren te doen omtrent de Heeren Am- 
bassadeurs ende Plenipotentiarissen van hoochstgem. 
Sgne Maj. van Vranckrgck aldaer" *). 

6g ziet, Mgne Heeren, hoe hoog belang de Staien-6ene- 
raal op het behoud van Mons stelden, en hoe zorgvuldig 
zg zich wachtten voor het aangaan van een verdrag, dat hun 
verbieden zou het revictuailleeren des noods met geweld van 
wapenen te ondernemen. 

Volgens huu resolutie brachten hun Ambassadeurs de 
zaak terstond bij de Fransche heeren te N^megen ter sprake, 
maar zonder veel vrucht, gel^k zg in hun brief van 10 Juli 
aan de Staten meldden. Aan het eind van een conferentie 
over deze en andere aangelegenheden hadden de Franschen 
bg het opstaan kortaf gezegd: »indien de stadt Mons in 
haere handen viel, naedat de tractaten met haer Ho. Mo. 
senden geteeckent ende geratificeert sgn, dat zg die dan 
Boaden restitueeren*'; waaruit de onzen niet zonder reden 
afleidden, »dat s^ bg andere toevallen, het niet en souden 
doen'\ Er viel aan den toeleg om de vesting te vermees- 
teren, zonder eigenlek gezegde vgandelgkheden te plegen, 
wel niet te twgfelen. En dat de stad het zonder toevoer 
van levensmiddelen niet lang meer zou kunnen houden, be- 
richtten terzelfder tgd de Envoyés uit Brussel: »dat men 
binnen Mons met de granen daer binnen s^nde niet langer 
als acht dagen soude connen bestaen; ende dat men aen 
't Hoff te Brussel sprack, dat, indien Mous wierdt verloren, 
den Coninck van Yranckrgck alsdan niet offte seer beswaer- 
lyck naer den vrede sonde luysteren, ende dat alsdan Brus- 

*) Secr. Bcsol. St. Gen. vaa 5 Jali lß78. 

6* 



(68) 

sel ende de verdere piaeisen aldaer, door mancquement van 
terrein ende van subsistentie voor de noodige troappes, niet 
lang soude connen bewaert off gedefendeert werden/' 

Dit een en ander maakte in Holland een diepen indruk. 
Zg die aan de grootmoedigheid van den Franschen Koning 
hadden geloofd, erkenden dat z^ teleur waren gesteld, en de 
talr^ke middenpartg die hun in den laatsten t^d had aan- 
gehangen, gaf thans aan Willem UI gel^k, en betreurde het 
dat z^n politiek niet gevolgd was. De Staten zagen dan 
ook thans naar hulp uit van de zgde van waar de Prins 
die steeds had gehoopt, van Engeland. Van Bouningen en 
Van Leyden van Leeuwen, onze gezanten bg Koning Earel, 
kregen in last Zgne Majesteit de onbillgkheid van den eisch 
der Fransche regeering, en het gevaar dat er aan verbon- 
den was, op het levendigst voor te stellen, en de hoop uit 
te spreken, »dat Sgne Maj. hierin met desen Staet niet alleen 
sal concurreeren^ maar oock de voors. evacuatie met de 
meest krachtige middelen helpen bevorderen" *), Zg behoef- 
den daartoe niet veel aandrang te bezigen. Engeland en 
zgn Koning waren er uit eigen beweging ten volle toe be- 
reid. Al had de treurige tweedracht tusschen de kroon en 
het parlement hen tot nog toe van krachtige maatregelen 
teruggehouden, argwaan tegen Frankrgk was bg beide diep 
geworteld, en die werd thans door het ontduiken der reeds 
vastgestelde voorwaarden van vrede op nieuw gaande gemaakt. 
De Koning en zijn broeder, de Hertog van York, waren 
daarover, zoowel als het parlement en de natie, verontwaar- 
digd en verontrust. Allen waren het eens, dat men den 
toeleg van Frankrgk, om zich voor onbepaalden tgd in de 
Nederlandsche vestingen te nestelen^ des noods met de wa- 
penen moest tegengaan. Het eerste gevolg van deze wen- 
ding in de politiek was, dat Karel het tractaat met zgn 
broeder van Frankrgk, waarbg hg zich verplicht had zgn 
nieuw geworven krggsvolk af te danken, weigerde te rati- 
ficeeren f)) ^n dat het parlement het noodige geld toestond 



*) Secr. Resul. Huil. 2 Jnli. 
f) Mignet, IV, ].. 600. 



(69 ) 

om het Yoorloopig nog in dienst te houden. Het tweede, 
dat Sir William Temple, die reeds tot plaatsvervanger van 
den onlangs uit Holland teruggekeerden gezant, Laurens 
Hyde, benoemd was, onverwgld derwaarts werd gezonden 
met een geheel andere instructie dan de vredelievende die voor 
hem gereed was gemaakt *). H^ kreeg in last, aan hun Ho. 
Mo. het aangaan van een verbond voor te slaan, ten einde 
gezamenl^k een korten termgn aan Frankrgk te stellen, bin- 
nen welken het den vrede, zonder het voorbehoud der eva- 
coatie, sluiten moest, met bedreiging van anders door de 
contracteereude mogendheden daartoe met de wapenen ge- 
dwongen te worden. Met open armen werd Temple in den 
Haag ontvangen, ook door de Staten van Holland. Want 
ook zg waren er van overtuigd: beter voortdurende oorlog 
dan een vrede^ die Frankr^k voor onbepaalden tijd in het 
bezit der Nederlandsche vestingen zou laten. Reeds werd 
er met de Duitsche bondgenooten overlegd over het aantal 
troepen dat zg, zoo noodig, bg het leger van Z. H. zouden 
kannen voegen. De Prins stond op het punt van naar 
Brassel te vertrekken, en stelde zgn reis slechts uit wegens 
de komst van Temple. Op geen gelegener oogeublik had 
deze met zgn boodschap kunnen aankomen. De onderhan- 
delingen vorderden snel. Den 15®" Juli opende hgzgnlast 
aan de Staten ; den 26<^" was het verdrag reeds geteekend f). 
Indien Frankrgk voor den 11«" Augustus niet verklaarde 
af te zien van zgn eisch, om met de ontruiming der terug te 
geven Nederlandsche steden en kwartieren te wachten tot 
na de volkomen voldoening van Zweden, en met dien ver- 
stande den vrede op de bedongen voorwaarden toekende, 
zouden de Koning van Groot-Britannie en de Staten der 
Vereenigde Nederlanden te zamen de wapenen opvatten, om 
het tot vrede te dwingen, en dat niet op de reeds aange- 
nomen voorwaarden, maar op die welke Z. M. en hun Ho. 
Mo. in hun verdrag van Januari 11. aannemel^k hadden 
verklaard. 



*i Zie de tnstrnctie by Coartenay, Memoirs of Sir W. Temple, II, p 412,422. 
t) Seer. Reiol. HoU. 27 Juli. 



(70) 

Niets kon den hooghartigen Lodewgk XIV hatel^kers 
overkomen dan dit verbond. Niet slechts omdat hg in dier- 
gel^ke verstandhouding en samenwerking der zeemogend- 
heden steeds den grootsten hinderpaal van z^n politiek 
had gezien, maar vooral omdat het hem een eisch stelde, 
dien h^ niet kon afwgzen zonder gevaar en niet aan- 
nemen zonder vernedering. Tot nu toe was hg het ge- 
weest, die de voorwaarden van vrede had gesteld: de Re- 
publiek had ze eerbiedig en bgna dankbaar van hem aan- 
genomen, en aan haar bondgenootèn opgedrongen. Nu waren 
het de Republiek en Engeland, die hem, onder bedreiging 
met oorlog, den termgn voorschreven, binnen welken hg 
een overmoedigen eisch moest laten vallen en den vrede tee- 
kenen. Hg was besloten, indien hg een van beide kiezen 
moest, liever de vernedering te Igden, dan een oorlog te 
wagen, waarin de alliantie met de nog ongerepte macht van 
Engeland zou worden versterkt. ld aar, eer hg boog, zou 
zgn diplomatie niets onbeproefd laten, om zonder krenking 
van zgn eer uit zgn scheve houding te geraken. Reeds was 
hg bg het naderen van het gevaar, dat zgn overmoed had 
verwekt, een schrede achteruit geweken ; hg had laten weten, 
dat hg de vestingen wel vroeger ontruimen wilde, indien de 
Staten hem maar een ander middel, om de voldoening van 
Zweden te verzekeren, aan de hand konden doen. Maar op 
deze proeve van inschikkelgkheid was nauwelijks acht ge« 
slagen, en het gehate verbond was niettemin gesloten. Indien 
het hem niet gelukte het weer te verbreken, eer het nog 
geratificeerd werd, zou zgn hoogmoed zich dieper vernedering 
en grootere ofifers moeten getroosten. 

Van deze neiging tot toegeven bij Frankrijk wist men in 
Engeland en in Holland niets. Men vermoedde integendeel 
dat de groote Koning voor geen bedreiging zou willen wg- 
ken. Ds Prins vau Oranje, zoo verzekert ons Temple *), 
gevoelde zich voor het eerst in langen tgd weer gelukkig. 
Zgn vurigste wensch stond eindelgk vervuld te worden : En- 



•) Work8, IV. p. 8S5, 8»7, 890 



( 71 ) 

gelaYid zou z^n gewicht in de schaal werpen, en haar ten 
Yoordeele der alliantie doen doorslaan. Zoodra het yerbond 
gesloten was, vertrok hg naar het leger, in het vaste voor- 
nemen, om met het ontzet van Mons geen dag langer te 
dralen dan noodig was om de Duitsche troepen^ die in aan- 
tocht waren, met de zgne te vereeuigen. Nog voor den 11«" 
(het is alweer Temple die het ons zegt) '^), das eer nog de 
fatale termgn verstreken was, hoopte hij in staat te zgn de 
blokkade van Mons te verbreken. Bg het afscheid nemen 
van de Staten-Generral en van de Staten van Holland sprak 
hg niet zoo stellige maar toch in denzelfden geest. » Yerstaen 
hebbende dat de Koning van Vranckrgck ordre had gege- 
ven tot nienwe monvementen van sgne legers in de Spaen- 
sehe Nederlanden, ende om die door nienwe detachementen 
nyt Daytslandt ende van elders te verstercken, ende dat 
dessela troepen haer soo langer soo meer beneerstichden 
om de Stadt Bergen in Henegonwen te benanweu ende in 
Sgne Maj. handen te doen vallen, had hg gemeend dat den 
dienst van den lande vereyschte, dat hg voor sgn persoon 
sich wederom begaf naer het leger van den Staet^ om de 
macht van den vgandt te observeeren^ ende tegens deselve 
ter handt te nemen wat tot bevordering van het gemeene- 
best meest sonde können strecken'' f)- 

Er was ook geen tgd te verliezen als men Mons behou- 
den wilde. De berichten uit de stad, niet mj van over- 
drgving naar het schgnt, schilderden den toestand als hoogst 
zorgelgk. Mignet zegt, op grond van Fransche berichten, 
dat de vesting, toen eindelgk de blokkade werd opgeheven, 
op het punt was van te capituleeren *); en volgens Temple t) 
Treesde men hier te lande dat zg zich nog voor den 11^ 
Augustus zou moeten overgeven. Na het vertrek van Wil- 
lem III uit den Haag wachtte men dan ook eerstdaags een 



*) Ue hoped to engage the French army before the term for signing the 
peaee should expire. I, p. 864. 
t) BesoL St. Geo. en Hesol. Uoll. van 20 Jali. 
}) IV, p. 607. 
••) 1, p 863, 864. 



( 72) 

poging tot ontzet. Voor de Fransche politiek was het te 
wenschen, dat zulk een poging niet gewaagd werd. Nu 
zg eens besloten was den oorlog niet voort te zetten, kwam 
haar alles ongelegen, wat bg de geallieerden den geest van 
oorlog kon aanwakkeren. Waarsch^nl^k was het op haar 
inblazing, dat Silverkroon, die als commissaris van den Ko- 
ning van Zweden tydel:gk de plaats van Zweedsch gezant 
in den Haag vervulde, zich bemoeide om een botsing der 
legers bg Mons te voorkomen. Ia de vergadering der Sta- 
ten-Greneraal van den 3^° Augustus berichtte dienaangaande 
de Raadpensionaris van Holland : » dat den Heer Silverkroon 
desen morgen b)j hem was gecomen, ende gesproocken heb- 
bende over verscheyden saecken, concemerende het werck 
van den vrede, onder andere mede hadde geseyt, dat de 
beeren Ambassadeurs van Sweden [te Ngmegen], apprehen- 
derende dat beyde de legers over het secours van de stadt 
Bergen in Henegouwen tegen den anderen in actie souden 
mogen geraecken, ende dat daerdoor lichtelgcken groote ver- 
anderingen in de saecken van de werelt souden connen 
voorvallen, haer wel souden willen laeten employeeren om 
die sinistre accidenten voor te comen, ende te procureeren 
het revictuaillement van de voorsz. stadt b^ minnelyke we- 
gen, ende dat s^ in hoope waren van dat sulcx bg de Heeren 
Ambassadeurs van Sgue Con. Maj. van Vranckrgck soude con- 
nen worden uytgewerckt". De Staten-Generaal verlangden na- 
tuurlgk niets liever dan zulk een bevrijding van Mons langs 
minnelgke wegen, en zg lieten onver wgld aan hun gevolmach- 
tigden te Nijmegen schrgven: »dat sg senden trachten te 
vernemen, off eenige apparentie soude mogen sgn om 't 
voors. revictuaillement bg minnelgcke wegen uyt te wercken, 
ende dat sg alle meest crachtige officien ende devoiren sou 
den aenwenden, 'i sg bg middel van de gemelte Heeren Am- 
bassadeurs van haere Con Maj^^° van Yranckrgck ende van 
Sweden off andersints, soo sg best ende bequaemst sullen 
achten, om te sien off sulcx soude counen werden geeffec- 
tueert*' *). Maar toen Boreel in gevolge dezen last bg de 



*) Secr. Re^l, St. Oen. 8 Aug. 



(73) 

Zweedsche gezanten navraag deed, bleek het dat er voor 
het z^gen van Silverkroon niet de minste grond had be- 
staan. Blgkbaar had h^ er niets anders mee bedoeld, dan 
de Staten af te leiden van het voornemen om tot ontzet 
ran de bedreigde stad hun leger te laten oprukken. De 
Flansche ambassadeurs daarentegen spraken op geheel an- 
deren toon, en bedienden zich van het gevaar, waarin Mons 
verkeerde, om tot het sluiten van den vrede, zonder dade- 
Igke ontruiming der vestingen, de gevolmachtigden der Sta- 
ten te drgven. In een secreeten brief van den 6^^ aan de 
Staten Generaal schreef Boreel daarvan het volgende, dat 
hem in een conferentie met d*Estrades wedervaren was: 
»lek vorders willende spreecken over het revictnailleeren van 
Mons door minnelgcke wegen, om daerdoor alle verw^de- 
ringe voor te comen, soo seyde de Heere Maréschal met 
wat gver : ick twijffele niet off jegenwoordigh als wg spreec- 
ken soo is Mons niet alleen geblocqueert, maar wert de 
riye force aengetast door een leger van drie en vgfftich 
dnjsent man; wg sullen eens sien off men daernae, als wg 
Mons genomen sullen hebben, liever vrede sal willen maec- 
ken". Inderdaad, met Mons in handen en onze regimen- 
ten, die er lagen, krggsgevangen, zou Frankr^k b^ den 
vredehandel een nog hooger toon kunnen aanslaan. Aan 
het lot van die vesting was beide partijen voor het oogen- 
blik b^zonder veel gelegen. Maar om die reden lieten de 
Staten zich dan ook evenmin door de bedreiging van d'Es- 
trades als door de verlokking van Silverkroon van hun stuk 
brengen. Uit elke missive van Z. H. vernamen zg, dat hg 
gedurig meerdere troepen bg zgn leger trok en in de rich- 
ting van Mons vooruitschoof. Zij wisten wat hg voor had, 
en lieten hem vrg begaan, zonder eenige bedenking daarte- 
gen te maken. 

Intusschen verliep de tgd: de fatale termgn van 11 Au- 
gustus naderde met rassche schreden. Wilde Frankrgk den 
oorlog met Engeland vermgden, dan diende het niet langer 
te talmen: het moest, zoo eervol mogelgk, maar in alle ge- 
val hoe dan ook, den terugtocht aannemen en den eisch, 
die zoo veel aanstoot gaf, laten varen. De weg, waarop 



( 74 ) 

dit yeilig geschiedeu kon, lag voor de hand : de Zweden 
moesten zelf verzoeken, dat hun ten gevalle de vrede niet 
langer verschoven werd; dan kon Frankrgk zonder oneer 
aan dat verzoek voldoen. En wellicht was het zoo in te 
richten, dat daarmee tevens nog een ander doel bereikt, en 
de verstandhouding tusschen Engeland en de Republiek 
verstoord werd f)- Om dit uit te werken liet men de eerste 
opening van de zgde der Zweden doen door zekeren DucroH, 
een Franschman van geboorte en die, als zoo velen, in soldg 
van Frankr^k stond *); hg was thans envoyé van den Her- 
tog van Holstein aan het Hof van Westminster, en nam 
meteen de belangen van Zweden, bg ontstentenis van den 
Zweedschen gezant, waar. Hg sprak met Koning Karel, als 
uit zich zelf over de mogelgkheid dat Zweden, om den vrede 
te bevorderen, de Franschen tot het a&taan van hun eisch 
bewoog, indien namelgk Z. M. van zgne zgde beloven, en 
er borg voor blgven wilde, dat Spanje dan in den verderen 
oorlog de vganden van Frankrgk en van Zweden niet zou 
ondersteunen. Koning Karel liet zich vangen. Met zgn 
gewone wuftheid zag hg reeds tegen de gevolgen van z^n 
verbond met de Republiek op, tegen de afhankelgkheid vooral, 
waarin hg gedurende den oorlog j^ens zgn parlement zou 
geraken, en hg greep met beide handen het middel aan, dat 
Ducros hem voorhield, om aan alle moeilgkhedeii te ontko- 
men. Hg liet zich zelfs overhalen, om door Ducros aan 
Temple te gelasten, met dezen uit den Haag naar Ngme- 
gen te reizen en daar de pogingen van de Zweden te on- 
dersteunen. 

Zoo was de Fransche kunstgreep volkomen gelukt; zg 
werkte alles uit wat de diplomatie er van gewacht had. 
Ducros gebruikte de weinige uren, die hg op weg naar Ng- 
m^eu in den Haag vertoefde, om onze staatslieden te over- 
tuigen, dat de Koning van Engeland, wat hg uit ontzag 
voor .zgn parlement en volk ook mocht voorgeven, inderdaad 



*) Teiople, I, p. 866. Vgl. Conrtenaj, II, p. 7, 196 sq. 

f) Zie de Igst der gepeusioneerdeD ran Barülon, bg Dalrymple, I, p. 888. 



(75 ) 

steeds de trouwe vriend van Frankrgk was, en dat z^n ver- 
bond met de Bepubliek, waarvan de ratificatie ook nog uit- 
bleef, niets was dan misleiding. Temple zag met evenveel 
ergernis als spgt het wantrouwen jegens zgn r^eering bg 
onze Staten weer plotseling in volle kracht herleven; maar 
wat kon hg ter geruststelling daartegen doen? Hg mocht 
zelfi niet eens in den Haag, waar zgn tegenwoordigheid nu 
joist zoo noodig was, blgven; hg moest het ontvangen be- 
Tel gehoorzamen en Ducros naar Nijmegen volgen. 

Daar hadden de Fransche Ambassadeurs den weg voor 
den terugtocht reeds gebaand. In een memorie, den 29^^^ 
Juli aan de onzen overhandigd, hadden zg doen uitkomen, 
dat hun koning alleen ter verzekering der aan Zweden toe- 
gezegde voldoening, de Nederlandsche vestingen niet terstond 
b^eerde te ontruimen ; maar dat overigens Z. M. den vrede 
ernstig verlangde^ en daarom gaarne hooren zou wat de 
Heeren Staten hem tot opheffing van alle moeilgkheden zouden 
willen voorstellen ; indien zg daartoe eenige hunner tot hem 
wilden afvaardigen, zou Z. M. ze tot St. Quentyn tegemoet 
gaan ; daar zou men dan ook maatregelen kunnen beramen om 
alle vijandelgkheden voor te komen, dewgl zgn vromere be- 
lofte, van geen plaats aan te tasten, thans was komen te 
Tervallen. Op dat voorstel hadden zg echter eene beleefde 
maar stellige weigering van de Staten ontvangen. Thans den 
geD Augustus, na de aankomst van Ducros, gingen zg een 
stap verder, eu verklaarden, dat Z. M., gehoor gevende aan 
den wensch van zgn bondgenoot, zgn voornemen om de ont- 
ruiming der Nederlandsche plaatsen tot na de voldoening 
Tan Zweden uit te stellen, gaarne uit liefde tot den vrede 
opgaf; maar er op bleef aandringen, dat hun Ho. Mo. 
eenige gedeputeerden naar St. Quentyn of Gent zouden afvaar- 
digen, werwaarts zich dan ook Z. M. zou begeven, ten einde 
gezamenlgk maatregelen te beramen om de voldoening van 
Zwedeu op andere wgs te verzekeren. De eerste vrucht van 
zulk een samenkomst zou het voorkomen van vgandelgkhe- 
den in de Nederlanden wezen en het orde stellen op het 
revictnaUlement van Mons. — De lokstem was vleiend en 
liefelgk, maar bedriegelgk tevens. Hadden de Staten er naar 



( 76) 

geluisterd en aan de noodiging voldaan, dan hadden zij 
meteen hun verbond met Engeland verbroken. De zending 
naar St. Quentyn had onmogel^k binnen den gestelden ter- 
mgn doel kunnen treffen; de 11^ Augustus zou voorbg zgn 
gegaan, zonder dat de vrede geteekend was en zonder dat 
de oorlog, waarmee Engeland en de Republiek gedreigd 
hadden, een aanvang nam. De groote Koning zou zgn ze- 
gevierende houding, waaruit een enkele misstap hem had doen 
vallen, hernomen hebben. H^ zou weer als vromer bg 
Wetteren, uit vr^e grootmoedigheid zonder dwang, zonder 
tusschenkomst van iemand, de weldaden, die hg wel verlee- 
nen wilde, aan de Republiek hebben toegereikt. Het zou 
op nieuw aan heel de wereld, en inzonderheid aan de Hol- 
landsche regenten, zgn gebleken, dat zoo min bg den Koning 
van Groot-Britannie als bg iemand anders hulp en steun 
tegen de macht van Frankrgk te vinden was ; dat daartegen 
geen andere toevlucht bestond dan bg de grootmoedigheid 
van den machtigen Koning zelf. Maar de Staten bleven 
eerbiedig doch stellig weigeren ; zg waren bereid hun gezan- 
ten zelfs naar Versailles te zenden, doch eerst na het tee- 
kenen van den vrede; wat te St. Qaentyn of te Gent ge- 
schieden kon, kon ook geschieden te Ngmegen, en er behoefde 
ook niets nieuws overlegd te worden, het verdrag van vrede 
was vastgesteld, het was maar te teekenen. Overigens toonden 
zg maar al te zeer, hoe ook zg naar het eind van den oor- 
log haakten. Den 6^^ Augustus gaven zg daarvan een 
treurig blgk ; zg lieten den eisch van neutraliteit der Cleef- 
sche landen gedurende den verderen loop des oorlogs met 
Brandenburg vallen, en stelden zich daardoor bloot aan de 
gevaarlgke nabgheid van een Fransch leger aan hun zwakste 
grenzen. Indien zg daarvoor niet terugdeinsden, scheen het 
niet ondenkbaar dat zg, als het er op aankwam, den vrede 
liever te St. Quentyn zouden gaan halen dan hem voor goed 
te zien verdwgnen. 

Terwgl dit op het gebied der diplomatie voorviel, was 
Willem III op het krggstooneel steeds bezig met de toebe- 
reidsels tot het ontzet van Mons. Het ging hem daarmee 
naar wensch: zgn leger was strgdlustig en krggshafdg, de 



( 77 ) 

Daitsche hulptroepen k warne ii wel wat langzaam maar ge- 
stadig aan, uit Engeland werden tot op de laatste dagen 
aanhoudend troepen naar de Vlaamsche havens overge- 
scheept *). De hertoi; van York dacht zich zelf later aan 
hun hoofd te stellen. Daar kwam plotseling de verontrus- 
tende tgding uit den Haag van de zending van Ducros, 
en van den argwaan, dien deze bg de Staten had ge« 
weki Nooit, getuigde Fagel aan Temple, was Z. H. zoo 
ontroerd als door die Jobstgding f). Al wat met zoo veel 
moeite en zorg tot stand was gebracht scheen nu plotse- 
ling weer in >duigen te vallen. Alles stond weer op losse 
schroeven. Wat er uit die verwikkelingen ten slotte zou 
Toortkomen was onmogelgk te voorzien Het kon zïga dat 
de Fransche hoogmoed niet zou ' willen buigen en dat 
de Staten van hun kant evenmin zouden toegeven: dan 
danrde de oorlog voort. Het kon ook z^n dat de Staten 
zich lieten gezeggen om gedeputeerden te zenden en den 
vredehandel te St. Quentin voort te zetten: dan bleef de 
onzekerheid voorloopig bestaan. Het kon ook zgn dat, als 
de Staten volhielden, Frankrgk op het laatst toegaf: dan 
werd het aanstonds vrede. Maar zelfs in dat geval was 
Mons nog niet behouden; want de Franschen beweerden 
immers, recht te hebben om tot aan de uitwisseling der ra- 
tificatie de blokkade voort te zetten, en tot zoo lang kon 
de stad het onmogel^k uithouden. Zg zou dus den Fran- 
schen in handen vallen, en, indien dan de ratificatie eens 
niet volgde, of indien er over de uitlegging van eenig arti- 
kel van het verdrag verschil ontstond, wat dan ? Te midden 
T&n zoo veel onzekers stond slechts één punt vast : het was 
Toor de geallieerden en inzonderheid voor de Republiek van 
het hoogst belang onverw^ld, hoe eer hoe liever, den knoop 
door te hakken en de blokkade met geweld te verbreken. 
Het Bclignt dan ook niet dat de Prins een oogenblik geaar- 



*) Zie de brieven ?an den Hertog van York aan den Prins van Oranje, by 
Dilijmple. 

t) 'The Prince had never been so Iroabled at any thing in his life.*' — Brief 
un Ormond, Temple, IV p. 440. 



( 78 ) 

zeld, een oogenblik er aan gedacht heeft z^n voornemen op 
te geven, en evenmin hebben de Staten hem ooit daartoe 
aangemaand. Z. H. misleidde hen niet. In brief op brief 
schreef h^ hun, hoe hij er bg stond en wat hy voor had. 
Den 6«^ Augustus berichtte hj hun uit St. Quentyns Lin- 
nike : » W^ s^n op huyden met het leger van den Staet tot 
op dese plaetse geavanceert, met intentie vaii op morgen 
onse marche te vorderen naer de z^de van Berghen, weicke 
Stadt w^ vernemen dat meerder ende meerder benaeuwt 
werdt. Wg maecken staet dat den L^.-generael Spaen [met 
de Brandenburgers] in een oftie twee marchen met ons sal 
connen conjungeren .... Wg s^n voornemens met het leger 
te avanceren naer den vigandt, soo verre als sal connen ge- 
schieden, omme alsdan te overlegghen wat op hem sal con- 
nen werden ondernomen". En vier dagen later, den lO^'^: 
>Wg hebben geacht onse schuldigheyt te wesen, U Ho. Mo. 
te berichten, dat de hr L^-Gen^ Spaen s^ne bghebbende 
trouppes op gisteren met ons hebbende geconjimgeert, w^ 
voornemens s^n op morgen te marcheren naer den v^andt 
ende ons te setten soo naer aen deselve als sal connen ge- 
schieden, omme vervolgens te resolveren offce men hem sal 
connen aangrepen ende op wat maniere'\ Duidelgker dan 
in deze brieven had Z. H. wel niet kunnen verklaren, dat 
hg slag zou leveren, indien hg daartoe de kans schoon zag. 
Hadden de Staten dit niet gewild, het stond aan hen tegen- 
bevel te geven, en zg hadden hun gedeputeerden te velde 
nevens Zgn Hoogheid, om voor het naleven van hun bevelen 
te waken. Maar zg hebben steeds stilzwggend hun goed- 
keuring gehecht aan hetgeen de Prins berichtte en als zgn 
voornemen aankondigde. Dit bewgst dat zg, even als h^, 
het ontzetten van Mons beschouwden als een zaak op zich 
zelf; dat, naar hun oordeel, de Koning van Frankrgk geen 
recht had, noch voor noch na het teekenen van den vrede, 
de vesting door uithongering tot overgaaf te dwingen, en 
dat zg van hun kant met volkomen recht geweld mochten 
gebruiken om dit te beletten. 

Te gelgk met den laatst vermelden brief van Zgn Hoog- 
heid ontvingen de Staten de gewichtige tgding uit Ngme« 



( 79 ) 

gen, dat de vrede toch nog dou 10^" geteekend was. Op 
het laatste oogenblik hadden de Frauschen toegegeven. Al 
toegevende hadden zg evenwel nog weer een groot diplo- 
matiek voordeel behaald. Z^ hadden het zoo aangelegd, 
dat de t^d, voor het verstrgken van den fatalen termgn, te 
kort was om de verdragen met de Republiek en de ver- 
dragen met Spanje beide te arresteeren; alleen die met de 
Republiek kwamen gereed; en zg hadden nu onze gevol- 
machtigden bewogen om die al vast te teekenen *); die met 
Spanje zonden dan onmiddell^k, den volgenden dag reeds, 
onder handen worden genomen. Het gevolg was^ dat de 
Staten-Generaal, door de overgling van hun gezanten, zon- 
der het te willen of te bedoelen, zich van Spanje hadden 
gescheiden, en reeds in vrede met Frankrgk verkeerden, 
terwgl nog de oorlog tusschen Spanje en Frankr^k voort- 
duurde. Zoo als te voorzien was, trokken de Fransche 
gezanten te Ngmegen van dien misslag der onzen behendig 
partg. Z^ wierpen b^ het formuleeren der artikels van het 
verdrag met Spanje allerlei zwarigheden op; zg kwamen 
met opvattingen en uitleggingen der vroeger vastgestelde 
voorwaarden te berde, waaraan de Spanjaarden nooit gedacht 
hadden, en die alle ten nadeele van Spanje waren. Dag aan 
dag ging voorbg zonder dat men met het verdrag veel vor- 
derde. Ware Mons onderw^l tot overgaaf genoodzaakt ge- 
worden, hoe uitnemend zou dan dit voordeel den Franschen 
bg den vredehandel te pas zgn gekomen! Zg mochten de 
vesting niet behouden, zg hadden haar in het verdrag met 
de Republiek onder de barrière-plaatsen begrepen, die aan 
Spanje bigven zouden. Maar mochten zg daarom niet iets 
anders in ruil vorderen? Zg zouden niet verzuimd hebben, 
er voor te bedingen zoo veel eenigszins doenlgk was. 

Doch Mons is niet gevallen. Daarvoor heeft Willem III 
gezorgd. Den 14^i' 's ochtends verkeerde hg in het leger bg 
iSoignies aangaande vrede of oorlog nog steeds in dezelfde 



*) Pigei en anderen keurden hel seer af, dat ome gevolmachtigâen dit hadden 
gedaan. Temple, I, p. 870. 



{ 80 ) 

onzekerheid. Maar tot den str^d was h^ volkomen toege- 
rust« De gelegenheid stond gunstig. Waarom zou hig ze 
niet hebben aangegrepen? Er was slechts ééne reden, die 
hem had kunnen weerhouden Een niet onaanzienlyke En- 
gelsche kr^gsmacht, acht of tien duizend man, stond gereed 
zich b^ hem te voegen^ zoodra de fatale termen ver- 
streken en het verbond van 26 Juli in werking getreden 
zou zgn. De Hertog van Tork had Z. H. nog onlangs yer- 
maand daarop te wachten; want tot zoo lang zou Bergen 
het wel kunnen uithouden ''')• Maar ook zonder de Engel- 
sehen achtte de Prins z^n leger talr^k genoeg f). H^ waagde 
den slag en hg won hem. 



*) In z^n brief Tan 26 Jnli/5 Ang., by Dalrymple, I, p. 240. 

t) Ik weet dat ik de meeste geachiedschrgyen tegen m\j heb, als ik beweer 
dat de Ëngelscke troepen geen deel aan het gevecht b\j 8t. Denis genomen hebben« 
Mignet, anders zoo nanwkenrig, zegt, IV, p. 626: »L'armée da Prince d*Orange 
avait été renforcée par le Doc de Monmouth k la tête d*nn corps Anglais**; 
en Bosscka (le. nitg. II, 204) arUet leger van den Prins van Oraige« na ook 
versterkt met een Ëngelsche holpbeude^' enz lo een aanteekening op dese plaats, 
blz. 108, verdedigt Bosscha dit gezegde tegen het gezag van Temple. 
•Temple zegt, dat 7* of SOOO Engelschen op het punt stonden van zich bij het 
leger van den Prins te voegen; doch vermoedelijk vergist hij zich hier, daar de 
Ëngelsche hnlpbenden onder Monmonth reeds voor den slag waren aangekomen 
en wcrkel^k mt:de gevochten hebben.*' Mij dunkt, de verzekering van Temple, 
van wien het niet te deuken is, dat hij zich op een zoo gewichtig punt zon ver- 
gissen, had Bosscha voorzichtiger moeten maken. Als hy de echte stukken, b.v. 
de brieven van Dijckvelt en van Naerssen had ingezien, zou hy bemerkt hebben, 
dat Monmonth met eenig gevolg, doch zonder halpbenden, by den slag tegenwoor- 
dig is geweest. »Den Heer Hertog van Monmonth, een quartier voor het gevecht 
in het leger gearriveert, heeft Z. H. alomme gedurende hetzelve gevolgt, en weet 
niet genoegh te roemen over de kloekmoedigheyt ende stantvastigheyt van de 
troepen van n Ho. Mo.**; zoo schrQft D^ckvelt. Het zon ook eeu zaak van zoo groote 
beteekenis z^n geweest, indien de Ëngelsche troepen de Franschen hadden helpen 
bevechten, in vredest^d, en eer het verbond van 26 Jali in werking trad, dat 
daarover in de diplomatie heel wat te doen zou z\jn geweest. — Het misverstand 
komt hiernit voort, dat er in de beschrQ vingen van het gevecht telkens gesproken 
wordt van de Engelschen, dat is van de Ëngelsche regimenten in Hollandschen 
dienst. Sedert den herfst van 1677 waren alle Engelschen en Schotten, die onder 
de Slaten dienden, in zes regimenten verdeeld, en onder het commando van den 
graaf van Ossory, zoon van den Hertog van Ormond geplaatst (zie Carte's Life 
of Ormond, Oxford 1851, IV, p. 603 en Dalrymple I, p. 244). Dit heeft loo 
geduurd tot in 1688, toen die geheele brigade Zfjn Hoogheid naar Engeland ver- 
gezeld heeft en daar in soldQ van Oroot Britannia is overgegaan ; de drie Engekehe 
regimenten z^n nooit termggekeerd ; wel, in 1701, de drie Scholsche, die lattt-, 
t ot zes vermeerderd, de zoo genoemde Schotsche brigade hebben gevormd, en die 



( 81 ) 

Oyer de bijzonderheden van het gevecht zal ik niet uit- 
weiden. Na de fraaie en duidel^ke beschrgving van ons 
geacht medelid .zou dit een overbodig werk wezen. Niette- 
min acht ik mij gelukkig in staat te z^n *) twee verschil- 
lende verhalen van Engelsche officieren, die den slag hebben 
bggewoond, Lord Castlehaven en Major Bernardi, achter 
deze verhandeling te laten afdrukken. Zg waren niet slechts 
aan ons geacht medelid maar" aan alle Nederlandsche en 
Fransche geschiedschrijvers onbekend gebleven, gel^k dan 
ook de boeken, waarin z^ voorkomen, hoogst zeldzaam zgn. 
Aan onzen generaal laat ik het gaarne over hun waarde te 
beoordeelen, mg zelven acht ik daartoe minder bevoegd; 
ook liggen de b^zonderheden van het gevecht buiten mgn 
bestek. Alleen wil ik herinneren aan hetgeen ons geacht 
medelid heeft verhaald van den bgna roekeloozen moed, 
waarmee de Prins in persoon zgn troepen tegen den v^and 
aanvoerde, en die, zonder de tgdige tusschenkomst van 
Onwerkerk, noodlottig had kunnen afloopen. Bedenken wg, 
tot verklaring van die schgnbare roekeloosheid, dat het den 
Prins niet te doen was om te vechten maar om te overwin- 
nen; dat groote belangen op het spel stonden, belangen die 
hem dierbaarder waren dan het leven. Een neerlaag zou 
Toor de geallieerden even verderfel^k zjjn geweest, als een 
OTerwinning, die tot ontzet van Mons kon leiden, heilr^k 
was. Hy die daarvoor zoo veel menschenlevens waagde, 
mocht het zjjne niet voorzichtig ontzien f). 

De overwinning was niet beslissend : Generaal Enoop heeft 
het erkend, en vooral op zgn gezag neem ik het aan. Maar 



écrit bij besluit der Staten vau 1782 gedenatiooaliseerd ea met de overige regi- 
menteii in Staten-dienst gel()k (gesteld z^n. — De namen der colonels van de zes 
regimenten, die onder Ossory aan den slag van St. Denis hebben deelgenomen, 
Tordea opgegeven in de HoU. Mercnrius van 1678, blz. 184. 

*) Ik heb dit te danken aan de halpvaardigheid van ons geacht medelid Dr. J. 
P.N. Land, die, toen ik dit onderwerp bestudeerde, te Londen vertoefde, en mg 
op in^n verzoek nanwkenrige afschriften bezorgde nit boeken, die hier te land 
Birt te vinden waren, maar in het Britsch Musenm voor de hand lagen. 

t) fHe went into the field ••• resolved to relieve ^ons or die in the attempt''. 
Temple, Works, I, p. 864. 

UJai, KM UEDBD. AlTD. LETTBEK. 2de RBKK8. DML VII. 6 



( 82 ) 

voor Luxembourg was iocli de ueerlaag even stellig als ver- 
nederead. Zulk een uitslag had hg onmogelgk geacht en 
als onmogelgk aan anderen voorgesteld. Weinige dagen te 
voren had d'Estrades nog aan Temple gezegd, dat de stel- 
ling, waarin Luxembourg zich geplaatst had, zoo sterk was, 
dat h^ ze met tien duizend man tegen veertig duizend onder 
den Prins van Oranje gemakkel^k verdedigen kon. En aan 
Louvois had Luxembourg in denzelfden geest geschreven: 
»C'est un poste, où le Prince d'Orange seroit fou de nous 
venir attaquer*' '*'). De moreele neerlaag, die z^n overmoed 
dus geleden had, was niet gering, en zig verklaart de bit- 
terheid, waarmee h^ na den afloop den Prins beschuldigde 
van hem overvallen te hebbeu, wetende dat het vrede was. 
Wat zouden de gevolgen van dit eerste gevecht geweest 
zgn, indien de oorlog had voortgeduurd? Zou Mons in een 
tweeden slag ontzet zgn? Wie durft het zeggen? Den 
volgenden dag, terw^l de Prins met zyn hoofdofficieren over- 
legde wat verder te ondernemen, kwam de koerier met Fa- 
gel's brief. De vrede was gesloten; dat wist men thans. 
Maar op welke voorwaarden? Hoe moest het gaan tot op de 
ratificatie? Wat zou er worden van Mons en zgn blok- 
kade? Daarvan sprak de brief geen woord. Het is hier 
de plaats om het antwoord, dat Z. H. aan Fagel zond, en 
waaruit w^ reeds den gewichtigsten zin bespraken, in zgn 
geheel te beschouwen. W^ zuilen hem thans eerst volkomen 
verstaan, nu wg de omstandigheden, waaronder hg geschre- 
ven is, nauwkeurig hebben leeren kennen. 

Mgn Heer. üEd. sal uyt mgn publicque missive 
aen den Staet vernemen 'tgeen in 't furieus gevecht 
van gisteren is voorgevallen. Hoe het sal worden 
opgeuomen bg ons volck en weet ickniet; maarick 
kan UEd. voor Godt verklaren dat ick niet geweten 
en heb als dese middagh, door UEd's missive van 
den 13^", dat de vrede gesloten was. Ende hebbende 



*} Rousaet, II, p. 518. 



(83) 

geen brieyen van den Staet, soo sal ick de groote 
wegh gaen ende mijn best doen om Mons t' eenemael 
t' ontsetten. lek blyve onveranderlijck, Mgn Heer, 
DEd. dienstwillighe vriend 

G. PBiNCË d' orange. 

IV^elk een bedwongen kracht in die weinige woorden! 
Hei slot, dat de echtheid van den brief, indien er ooit aan 
getwgfeld werd, voldingend zou aantoonen, is vooral op- 
merkel^k. Het ontzet van Mons wordt niet opgegeven, al 
is de vrede geteekend ; zoolang geen tegenbevel van de Sta- 
ten komt, kan niettegenstaande den vrede nog een tweede poging 
worden gewaagd. Maar dat was toch te stoot gesproken. 
Eerst diende althans gebleken te zgn, dat de Franschen de 
uithongering van Mons dachten voort te zetten tot aan de 
ratificatie, eer men hen op nieuw kon aangrgpen. Den 
volgenden dag werd Dyckvelt naar Luxembourg gezonden om 
over een wapenstilstand te handelen; en het gevolg was 
(het is u bekend, M^ne Heeren) dat voorloopig een wapen- 
achorsing van tweemaal vier en twintig uren werd aange- 
gaan, om de nadere bevelen van Lodewigk XIY in te wach- 
ten Die bevelen luidden boven verwachting gunstig: de 
blokkade werd opgebroken en Mons langs minnelgke wegen 
revictuailleerd. 

Ik zeg, die gunstige uitkomst was buiten verwachting. 
Als w^ onze en de Fransche geschiedschrgvers raadplegen 
zonden wg dat niet vermoeden. Zg spreken van het op- 
houden der vgandelgkheden en het vrggeven van Mons als 
Tan iets dat van zelf sprak en niet kon uitblgven Uit 
hetgeen vroeger gebeurd was, moeten w^ echter tot het 
tegenovergestelde besluiten. Er was geen reden te beden- 
ken, waarom thans de Fransche regeeriug haar recht 
anders zou opvatten en handhaven dan weinige weken 
geleden, te minder omdat nog voor weinige dagen haar 
Ambassadeurs te N^megen dat recht hadden volgehou- 
den. Wat mag haar dan thans tot ander inzicht, tot 

ander gedrag ten minste, geleid hebben? Zeker bovenal 

2* 



( 84 ) 

de wensch om alles te vermgdeiiy wat den vrede met 
de Republiek in gevaar brengen kon. Maar zou niet 
ook de uitslag van het jongste gevecht, en de vastberaden 
houding van den Prins na het gevecht, daartoe bggedragen 
hebben? Want dat Z. H. het voortdurend uithongeren van 
Mons niet werkeloos dacht aan te zien, kan aan de Fran- 
sche generaals niet ontgaan z^n. Ware na het eindigen van 
de wapenschorsing geen uitzicht geopend op het revictuaU- 
leeren langs nünnelgke wegen, buiten twjjfel zou de Prins 
het dan op nieuw beproefd hebben langs den weg van ge- 
weld, en dat moesten de Franschen in het belang van den 
vrede voorkomen. Men kan mg tegenwerpen, dat dit slechts 
een gissing is. Ik erken het, maar een gissing die 
gegrond is op hetgeen wg met zekerheid weten, en, laat mg 
er dit bgvoegen, een gissing die niet bg mg het eerst is 
opgekomen. Toen de Hertog van Tork de tgding van den 
gesloten vrede en kort daarop de tgding van den geleverden 
veldslag had ontvangen, was hg van gevoelen dat het, niet- 
tegenstaande den vrede, bg dien éénen sli^ niet blgven zon. 
In zgn brief van gelukwensch aan Willem III *) schreef 
hg: »We are very impatient for the to morrow's letters, 
and hope to hear you have gained your point and relieved 
Mons'\ Het toegeven van den Franschen Koning heeft 
verder geweld overbodig gemaakt. Maar had hg volgehouden, 
ik voor mg ben overtuigd, dat de Prins in dat geval niet 
zou hebben gerust, voor hg öf Mons ontzetöf een beelissen- 
de neerlaag geleden had. Maar, zal men mg misschien 
vragen, deukt gg dan, dat de Staten-Generaal, die zoo naar 
den vrede hadden verlangd, dit gedoogd zouden hebben ? Op 
die vraag behoef ik geen waarschgnlgk antwoord te gissen, 
ik kan een zeker antwoord geven. Niet slechts gedoogd zouden 
zg het hebben, zg zouden het gaarne hebben gezien. Zg 
hebben dit met zoo veel woorden verklaard. Den 19«" 
Augustus namen zg kennis van een brief, twee dagen te 
voren door Z. H. geschreven, waarin hg zich beklaagde niets 



*) Van 12/22 Ângastos, b(i Dalrymple, I, p. 246. 



( 85 ) 

Temomeû te hebbeu 7au de voorwaarden, waarop de vrede 
gesloten was, niets aangaande bet al of niet voortduren der 
vgandelgkheden en het lot van Mous tot op de uitwisseliug 
der ratificatiën, zoodat h^ zich genoodzaakt had gezien een 
wapenschorsing van twee dagen met Luxembourg aan te 
gaan, in afwachting van nadere bevelen van LodewgkXIV. 
Die brief gaf aauleiding tot gewichtige deliberatiên. Hadden 
de Staten geoordeeld, dat uit het sluiten van den vrede het 
ophouden der vgaudelgkheden van zelf volgde, het is duide- 
Igk wat zg in dezen hadden moeten besluiten en aan Z. H. 
ten antwoord geven. Maar zy kwamen tot een tegenover- 
geteld besluit. Het is zoo belangrijk, dat ik het u met de 
eigen woorden wil inededeelen. 

Ontfangen een missive van S. H. ... Waarop ge- 
delibereert sgnde, is goedgevonden ende verstaen, dat 
aen hoochgemelte Sgne Hoocheyt sal worden gere- 
scribeert, dat, geleek hare Ho. Mo groote redenen hebben 
gehadt om haer te vernoegen over de ongemeene conduite 
ende dapperheyt, hy deselve in het jongste gevecht 
betoont, haer oock seer wel laten gevallen, dat Sgne 
Hoocheyt kennisse becomen hebbende van de geslooten 
vrede, den Hertogh van Luxemburg daervan heeft 
doen adverteeren, ende een stilstant van wapenen 
met hem aengegaen. Dat hare Ho. Mo. in het sluy- 
ten ende teekenen van de voorschr. vrede wel gaerne 
hadden gesien, dat de hostiliteyten oock hadden 
mogen cesseeren, immers de termgnen wat te eerder 
ingaen, ende particulierlgck oock dat de stadt Mons 
bg minnelgcke wegen hadde mogen werden gerevic- 
tualieert, als doch sullende helpen maeckeu een ge- 
deelte van die barrière, die in de Spaensche Neder- 
landen soude werden gelaeten { maer dat bg de Heeren 
Ambassadeurs van Sgne Con. Maj^ van Vranckrgck 
niets heeft connen werden geobtineert, noch nopende 
het eerder ingaen van de voorschr. terminen, noch 
nopende het voorschr. revictuaillement, hoewel dein- 
convenienten, die daeruyt souden connen spruyten, 



(86 ) 

aen haer wel voorgehouden syn geweest; dat mits- 
dien daervan in het voorscbr tractaet van vrede niets 
heeft counen influeren, ende vervolgens daervan oock 
geene advertentie heeft connen werden g^even aen 
hoochgemelte S^ne Hoocheyt. Dat hare Ho. Mo. 
daerom oock wel gepersuadeert s^n, dat niets anders 
heeft connen werden gedaen dan het ontzet van Mons 
voors. te ondernemen; ende dat aen diegenen, die 
het voors. ontset feytelycker wiyse hebben willen be- 
letten, ende de voors. stadt door hongersnoot tot 
overgave obligeereii, alleen geimputeert ende toege- 
schreven moet worden het gevecht, dat daeromtrent 
voorgevallen is. Dat aen haer Ho. Mo. niets soo 
welgevallig sal wesen dan dat de voorschreven stadt 
mach werden gesecoureert door minnelgcke wegen, 
ende niet door de wapenen, ende dat hoochgemelte 
S^ne Hoochheyt salcx mach obtineeren; maer wetende 
aen de eene zgde, dat de voors. stadt is een van 
de plaetsen^ die de voors. barrière souden helpen 
constitueeren, als hiervoren is geseyt, ende dat mits- 
dien aen de zgde van Sgne Con. Maj^. van Yranck* 
rgck met geen recht ter werelt kan worden gepre- 
tendeert, dat S^ne Maj^ die voors. stadt soude mogen 
bleven benauwen ende dwingen om door gebreck in 
sgne handen te moeten vallen; ende dat aen de 
andere zgde de conservatie van deselve stadt aen de 
Spaeusche Nederlanden ten uytersten importeert: dat 
hoochgemelte Sgne Hoocheyt het voors. revictnail- 
lement door minnel^cke wegen niet connende obti- 
neeren, haere Ho. Mo. aen desselfs weysheyt ende 
voorsichtigheyt bevoelen laeten het secours van dien 
te ondernemen, soo veel Sgne Hoocheyt sulcx moge- 
Igck, ende door soodauige middelen als deselve daertoe 
dienstichst sal oordeelen. 

Het overige van de resolutie staat met ons onderwerp in 
geen nauw verband. Maar hetgeen ik ervan heb meegedeeld 
isj dunkt mg, zeer gewichtig. De Staten keuren goed en 



(87) 

nemen, als het ware voor hun verantwoording, wat de Prins 
tot nog toe heeft gedaan, en zij machtigen hem, voor het 
geval dat de toevoer van levensmiddelen naar Mons belet 
mocht bleven, het ontzet te ondernemen met de middelen 
die hem dienstig zullen schijnen, hetgeen hier niet anders 
beteekenen kan dan met geweld van wapenen. En wat dit 
besluit der Staten-Generaal dubbel opmerkel^k maakt, het 
is een bloote lierhaling van het advies van de Staten van 
Holland, van dat gewest, dat meer dan eenig ander voor den 
Trede gegverd had. Hoe afdoend weerlegt die omstandigheid 
de geruchten, die de correspondenten van d'Estrades hem 
hadden overgebriefd, volgens welke Amsterdam en de meeste 
steden overtuigd zouden geweest z^n, dat Z. H., wetende 
dat het vrede was^ met bijbedoelingen den slag had gele- 
verd, en hem dat zeer kwalgk zouden hebben genomen *). 
Ik breng u dit onder het oog, om in een nieuw voorbeeld 
te toonen, hoe bedri^elijk de vertellingen van zulke om loon 
dienende correspondenten f) plegen te z^n. 

De ware gezindheid der Staten, zoo als zich die in hun 
lesolutiën uitspreekt, geeft nu ook het antwoord op de vraag, 
die hier als van zelf bij ons opr^st: hoedanig zou de gang 
van zaken z^n geweest, indien de tgding van het sluiten 
van deu vrede den Prins van Oranje twee dagen vroeger, 
eer h^ den slag aanving, bereikt had? Er bestaat geen 
reden om te vermoeden, dat Z. H. dan den 1 4«^ anders zou 
hebben gehandeld, dan h^ nu den i6<^° heeft gedaan, H^ 
zou hoogstwaarschijnl^k begonnen z^n met het revic- 
iuailleeren van Mons langs minnelgke wegen te beproeven. 
Was dat gelukt, zoo als het, na den afloop van het gevecht, 
onder andere omstandigheden gelukt is, er zou geen veldslag 
hebben plaats gehad. Was het daarentegen mislukt, hadden 
de Franschen, even als een maand te voren, zich voor ge- 
rechtigd gehouden om de blokkade tot op de ratificatie van 
den vrede voort te zetten, dan zou de Prins zich door den 



♦) Mignet, IV, p. 628 

t) Dat de correspondenten van d^Ëstrades in zijn soldij stonden, bericht Tem- 
ple ia een «yner brieven, Works, IV, p. 888. 



( 88 ) 

vrede niet yerplicbt hebben geacht toe te zien, hoe de v^and 
voortging met de vesting uit te hongeren en tot overgaaf 
te noodzaken; hg zou gehandeld hebben in den geest der 
resolntiën van de Staten, en de slag van St. Denis zon 
slechte van eenige dagen later dagteekenen dan thans het 
geval is. Daarom behoefde Z. H., indien hg op den 14*° 
v^erkelgk de tgding uit Ngmegen had ontvangen, deze geens- 
zins verborgen te honden. Zg veranderde den stand yan 
zaken ten opzichte van de blokkade van Mons niet wezen- 
Igk. Of het oorlog dan of het vrede viras, dit stond vast, 
buiten bedenking, de vesting moest langs miunelgke wegen 
of door geweld worden ontzet, hoe eer hoe liever. Zoo wordt 
dus de stellige verklaring van Willem UI, dat hg van den 
vrede nog niet wist toen hg den vgand aantastte, van alle 
zgden, langs alle wegen van mijn betoog, bevestigd. 

Zoodra de wapenstilstand geteekend en het behoud van 
Mons verzekerd was, verliet de Prins het leger en keerde 
naar Honslaarsdgk, waar zgn gemalin zich ophield, en naar 
den Haag terug« Als wg de spionnen van d'Estrades zullen 
gelooven, kwam hg er met de bedoeling om den vrede, voor 
het uitwisselen der ratificatiën, nog weer te verbreken, zoo 
hg kon. De waarheid is, dat hg daaraan zelfs niet dacht. 
Wg kunnen omtrent zgn gezindheid en oogmerken op dat 
tgdstip bg beter ingelichte en geloofwaardiger getuigen na- 
richt inwinnen. Sir William Temple kwam Z. H. terstond 
na zgn terugkomst in den Haag begroeten en over de gproote 
gebeurtenissen der laatste dagen onderhouden; en van dat 
onderhoud gaf hg weinige dagen later een uitvoerig verslag 
in een brief aan zgn vriend, den Hertog van Ormond '^). 
Wg vernemen daar, dat Willem III, zoo als doorgaans, ook 
thans zich een vast plan had afgebakend, welks verwezen- 
Igking de maat zgner krachten niet te boven ging. Hg 
betreurde den vrede op de bedongen voorwaarden, maar hij 
berustte er iu, als in een afgedane en onveranderlgke zaak. 
Slechts een enkelen misslag, door de onzen begaan, zou hg 



♦j Brief vau 30 Augustas j Works IV, p. 441. 



( 89) 

nog trachten te verhelpeu. Onze gevolmachtigden hadden 
zich laten verleiden hun verdrag te teekenen, eer dat met 
Spanje nog gereed was, en daaraan was het te wgten dat 
de Franschen te Ngmegen zich thans onhandelbaar betoon- 
den en van de Spanjaarden nieuwe voordeelen zochten af 
te winnen. Die font was gelukkig niet onherstelbaar. Wg 
moesten onverzettel^k volhouden, dat wij ons verdrag niet 
zonden ratificeeren voor en aleer ook de vrede van Frank- 
TTJjk met Spanje gesloten en geteekend was. Zoo zou de 
Fninsche Koning een van belde moeten kiezen, of zgn chi- 
canes op te geven, of den oorlog met de gansche alliantie, 
thans door Engeland versterkt, te hervatten. Een even wel 
berekend als wel uitvoerbaar plan. Verder strekten zich ook 
de wenschen van Z. H. niet uit. Had h^ meer gewild, had hg, 
zoo als zgn v^anden meenden, onzen vrede ongedaan willen 
maken: ook daartoe zou het hem niet aan een gereede aan- 
leiding hebben ontbroken. Engeland zelf bood hem zulk 
een gelegenheid aan. Aan het wufte Hof van Earel II had, 
sedert de zending van Ducros naar Ngmegen, op nieuw een 
ommekeer^ in de politiek plaats gegrepen, en thans voerde 
er de zucht naar oorlog weer den boventoon. De overwin- 
ning van St. Denis zal op die verandering wel van invloed 
zgn geweest; andere reden althans is er niet voor aan te 
wgzen. Maar, hoe dit zij, geheel in strgd met de eerste 
brieven van Van Beuningen, waarin gemeld werd dat de 
Koning het gedrag der Staten en het sluiten van den vrede 
goedkeurde *)j verscheen onverwachts, als buitengewoon ge- 
zant van Engeland, Laurens Hyde in den Haag, met last 
om namens zgn meester aan de Staten voor te houden, dat 
de vrede door hun gevolmachtigden, zonder deelneming van 
Spanje, gesloten, in str^d was met het verbond van 26 Juli 
tnsschen Groot-Britannie en de Republiek, en uit dien hoofde 
door hun Ho. Mo. niet mocht worden geratificeerd; dat 
daarentegen, nu de 10® Augustus voorbg was gegaan zonder 
dat Frankrgk aan den eisch, bg dat verbond gesteld, vol- 



*) Temple, Works I, p. 3S1, eo Be«oU Uoll* van 25 Augustus. 



( 90 ) 

daan had, de cadus belli, daarin voorzien, geacht moest 
worden ontstaan te z^n; en dat dan ook Z. M. bereid was, 
indien de Staten met hem instemden en openlgk aankon- 
digden hun vredesverdrag niet te willen ratificeeren, terstond 
daarop den oorlog aan Frankr^k te verklaren en zgn leger 
hg dat der Republiek te voegen. Temple stond verbaasd, toen 
Hyde hem dien last kwam openen. Aanstonds begeleidde 
hg hem naar den Prins van Oranje, om dézen, eer hg zich 
tot de Staten wendde, kennis te geven van hetgeen hg kwam 
doen. De beschrgving, die Temple van deze ontmoeting 
geefk *), kenteekent Willem III, zoo als hg toenmaals gezind 
was, voortreflfelgk. De Prins hoorde wat Hyde te zeggen 
had aandachtig aan, zonder verbazing aan den dag te 
leggen of iets sfcelligs te antwoorden. Maar toen Hyde zgn 
afscheid had genomen, en Z. H. met Temple alleen was ge- 
bleven, hief hg zgn handen twee-, driemaal omhoog en zeide: 
»Is iets ter wereld om beurten zoo warm en zoo koud als 
dat Hof van u? Toen ik laatst in een vliegenden storm uit 
Engeland overkwam, trof het mg, den ganschen nacht door, 
onder het loeien van den wind, den schipper aan den man 
die het roer hield telkens te hooren toeroepen: steddy, 
steddy f). Die vermaning komt in de politiek evenzeer als 
in de stuurmanskunst te pas. Wat kan, in Gods naam, thans 
het voorstel van Hyde voor goed doen, na het kwaad dat 
de zending van Ducros zoo kort geleden gebrouwen heeft? 
Hjbâ ik den Koning mogen raden, ik zou gezegd hebben: 
zorg dat de Republiek haar vrede niet ratificeert, als die 
van Spanje niet vooraf ge teekend wordt, en bemoei u ver- 
volgens om den algemeenen vrede voor Duitschland op rede- 
Igke voorwaarden te bemiddelen. Zoo veel is thans nog uit 



*) WorkB 1, p. 382, IV, p. 48a, 448, 447. 

f) Deze anecdote van den Prins schont Temple zeer gutroffcn te hebben. Ulj 
komt er meermalen op temg, en zinspeelt er nog op in ten brief aan Z. II. van 
2 Janaari 1679—80, uitgegeven in de Archives van Groen van Prinsterer, V, p. 
376 : vThe Bosors [lees : TAe boson's, d. i. tke boatswain's, naar de matrozen-nitapraak 
van het woordj steddy, steddy will come, when Mademoiselle Brederode's prophecy 
is folfilled, bnt till then I do not expect it". Ik vermoed, dat Mlle de Brederode 
voorspeld had, dat Willem III nog eent koning van Groot-Britannte zon worden. 



(91 ) 

te werken, meer niet. Daartoe kan ons de boodschap van 
Hyde misschien nog van dienst zgn; maar aan den anderen 
kant, wie weet hoe zg op de achterdocht van Amsterdam en 
Holland ten kwade werken zal?" 

De uitkomst toonde weldra, dat de vrees van den Prins 
maar al te gegrond was geweest. Zoodra had Hyde z^n last 
aan de Staten-Generaal niet geopend, of de regenten der 
Hollandsche steden meenden lont te ruiken: het werd erop 
to^^legd, dachten zij, den pas gesloten vrede weer te bre- 
ken; het was een afgesproken stuk tusschen den Prins en 
zgn Engelsche verwanten. Om dien toeleg te veredelen 
stelde Holland nog den zelfden dag aan de Staten-Generaal 
Toor, terstond, zonder op de ratificatie van hun verdrag te 
wachten, een of twee buitengewone gezanten naarLodew^k 
XIV af te vaardigen *). Een onbezonnen besluit, dat hoogst 
nadeelig op de onderhandelingen te Ngmegen tusschen 
Frankrgk en Spanje zou hebben gewerkt, maar dat gelukkig 
bg de Staten-Generaal gekeerd werd, en telkens afgewezen 
zoo Taak Holland het op nieuw voorstelde f)* Nog veel 
▼gandiger betoonde zich Amsterdam. Het verlangde, dat de 
Staten hun. verdrag met Frankrgk onverw^ld zouden ratifi- 
ceeren, zonder te wachten tot dat de vrede met Spanje ge- 
sloten was. Tot driemaal kwam de stad bg de Staten van 
Holland met haar voorstel te berde, dat namens de provincie 
bg de Staten-Generaal in dien geest zou worden geadviseerd. 
Maar de meerderheid wilde zich daartoe niet leenen, en bg 
de laatste beraadslaging bleef Amsterdam in dezen geheel 
alleen §). De wgze en gematigde staatkunde van Willem 
ITT zegevierde. Op het voorstel van Hyde antwoordden de 
Staten; dat hun Ho. Mo. met vertrouwen de uitkomst der 
onderhandelingen te Ngmegen te gemoet zagen^ eu zich 
vleiden dat de vrede tusschen Frankrgk en Spanje getroffen 
en geteekend zou worden, eer nog de termgn, die voor het 



•) Bcsol. HoU. van 25 Augastus. 

t; Resol. Hoil. yan 26 en 27 Aogustoa. 

i» geer. lUsol. HoU. van 30 Augobtn»; Resol, iloll. vau 5, Sen 14 September. 



j. 



( 92) 

uitwisselen der ratificatiën van hun verdrag bepaald was, 
verstreek; maar dat, zoo Frankr^k onverhoopt geen vrede 
met Spanje sloot of den gesloten vrede niet ratificeerde, in 
dat geval, naar het oordeel van hun Ho. Mo., het verbond 
van 26 Juli van kracht zou wezen en nageleefd zou moeten 
worden *). Onder bedreiging derhalve met oorlog werd 
Frankrgk genoopt van al z^n onredel^ke eischen ten na- 
deele van Spanje, den een voor en den ander na, af te zien, 
en eindelgk den 17®i> September een verdrag op de vromer 
vastgestelde voorwaarden te teekenen. Nu gaven twee da- 
gen later de Staten ook verlof om de ratificatiën van hun 
verdrag uit te wisselen, maar alt^d onder voorbehoud, 
dat, indien Frankrgk den vrede, dien het met Spanje 
had gesloten, niet binnen den gestelden tgd ratificeerde, ook 
hun ratificatie nietig en van geen waarde zou wezen f). Al 
deze voor zgn hoogmoed zoo krenkende verklaringen en 
bepalingen liet Lodewgk XIY zich welgevallen; en hg be- 
toonde zich zoo doende wgs en boven de bedenkingen eener 
kleingeestige gdelheid verheven. De voordeelen toch, die 
hg door den gesloten vrede in veiligheid bracht, waren 
groot, zoo groot als hg ze bg zgn propositie van 15 April 
zelf had bedongen. Alleen de wgs, waarop de vrede tot stand 
kwam, was niet zoo streelend voor zgn hoogmoed als hg 
zich vroeger had voorgesteld. Zgn weigering om de terug 
te geven vestingen aanstonds bg de ratificatie van den af- 
zonderlgken vrede met Spanje en de Republiek te ontruimen, 
was een misstap geweest, die hem uit den hoogen stand, 
waarin hg zich geplaatst had, had doen afdalen ; en iedere 
poging, later gewaagd, om de verloren houding te herne- 
men was mislukt. In plaats van aan zgn tegenpartg de wet 
te stellen, had hg ten slotte zich naar haar eisch moeten 
voegen. 

Aan wien de eer van deze voor de geallieerden nogdra- 
gelgke en voor de Republiek in het bgzonder niet ongun- 



*) Resol. Holl. vaa 6, 14, 19 September. 

t) Resol. Holl. en Resol. St. Oen. f«n 19 September. 



/ 



( 93 ) 

stige aîtkomst? Temple, die alles had bggewoond, zegt in 
een brief aan den lord treasurer Danby van 20 September *), 
nadat de vrede met Spanje geteekend was: »De vastbera- 
denheid van onzen Koning en het redden van Mons door 
den Prins van Oranje hebben de zaken gebracht waar zg 
thans zgn**. Het behoud van Mons was ontegenzeggelgk in de 
eerste plaats aan Willem UI te danken ; doch de vastbera^ 
denheid, die Temple wat al te hoffel^k in zgn Koning roemt, 
wat was zg anders dan de geest van den Prins, dien deze 
den wuilen vorst voor een korte poos had weten in te 
boezemen? 



►) Works, IV, p. 455. 



B IJ L A G E N. 

(Zie hierdoor biz. 81.) 

A. 

LOED CASTLBHAYKN^S BESCHRIJVING YAN DEN 8LAQ BIJ ST. DENIS. 

De schrgYer, James Lord Audley, Earl of CastlehaYen, 
was katholiek^ grondbezitter in Ierland en pair ook Yan 
Engeland. Het grootste gedeelte Yan zgn leYen bracht 
hg onder de wapenen door, tegen de rebellen in Ier- 
land en later tegen de Hollanders op de Engelsche 
vloot. Na den vrede Yan Breda in 1667 diende hg 
de Spanjaarden in de Nederlanden; in 1676 com- 
mandeerde hg het Spaansche voetvolk; in 1678 streed 
hg mee bg St. Denis onder Villa-Hermosa. — Zgn 
Memoira zgn herhaaldelgk uitgegeven. Het eerst te 
Londen in 1680. Deze uitgaaf bevat alleen »his 
engagement and carriage in the wars of Ireland, from 
the year 1642 to the year 1651'\ Maar in hetYoI- 
gend jaar verscheen een nieuwe titel-uitgaaf, Yermeer- 
derd met eenige addenda en corrigenda en met een 
Appendix van 79 blz., »relating wars abroad, that 
he hath either seen or known''. Een derde uitgaaf 
verscheen, door de zorg van Chas. O'Connor of Be- 
lanagare Esq^, in 1753 onder dezen titel: The Earl 
of CoBÜehaverCs Memoire^ or hü Review of the late 
wars of Ireland^ with hie own Engagement and Con^ 
duct therein. To which is added an Appendix and 
Postscript, The whole enlarged and corrected by him- 
self. Waterford^ 1753. Aan deze uitgaaf is de tekst 
die volgt ontleend; de varianten aan den voet der 
blz. zgn die van de uitgaaf van 1681, waarin ook 
ontbreekt wat hier tusschen [ ] gezet is. 

Since the taking of St. Guillian by the French, Monfas 
had been very closely blocked, and so much streightenM, that 



( 95) 

if not speedily relieved^ it mast yield, haying many wants 
within. On this the prince of Orange, and duke de Villa- 
Hermosa, resolved to attempt its succour : And having gotten 
a good army together, marched, and arriving near Soignies, 
the dnke of Luxembui^h with his army retired before them 
towards Monts; but coming within a league *) or therea« 
boats encamped himself on a large heath, with the valley 
of Castio before him, his back towards the town. 

The confederates coming near this valley, and in foil 
view of the enemy's camp, the valley only between the two 
armies, the prince of Orange put his army in battle on two 
lines; the Spanish forces had the right wing, the duke de 
Villa-Hermosa coumianding it ; the army of the States-Gene- 
ral the left, which the prince of Orange commanded. 

Now before I speak of the fight, which was altogether in 
the valley or on its edges, I must describe the valley. Of 
its length I saw no end, but its breadth from one side to the 
other could not be less than a mile over t)^ and of great 
depth; in the bottom runs a little river, and the sides of 
the valley very steep, rocky, and full of wood; no way 
thio* it where more than horses may pass one after another, 
and that by turnings and windings; the abbey of St. Denis 
is seated in it, but so low, that it is not to be seen 'till 
70a come over it. On the other side the river, almost 
opposite to St. Denis §), comes in a neck of land, all plain, 
where the enemy had a little camp; the old burnt castle 
of Castio is about two mues **) from St. Denis, seated in 
the valley, and on the same side, but on a height, as high 
as the main land and very near the edge of the valley; 
both these places on our side, but possessed by the enemy. 

The fight began about one of the clock after dinner, with 
the prince's planting cannon against those encamped on the 
adTanced neck of land, and soon after fell on St. Denis, 



*) a litgae aud a hnlf. 

i) a quarter of a league oyer. 

S) to SU Deuia omitted. 

**y about a little half league. 



( 96 ) 

which was well manned, and had many battalions sent 
from the camp on the height, and the French army to 
assist it, bnt St. Denis being of no strength, was quitted, 
and after much fighting, the French battalions retired to 
the height, the prince's people pursuing, yet the fight con- 
tinued, and bloody doings there was. About the same time 
the duke de Yilla-Hermosa fell on Castio, and after much 
resistance, both from those within and the several battaUons 
sent from the French army to its assistance, took it; yet 
the fight continued very warm in the valley, supplies of 
battalions coming from both armies to help theirs. 

Thus it held 'till towards the evening: then the French 
r^ained Castio, and their battalions, under its covert, did 
not only advance to the edge of the valley on our side, but 
formed two or three battalions on the plain. The earl of 
Ossory, who commanded the foot opposite to them, did what 
was possible to be done, with great killing on both sides, 
losing most of his officers, either killed or wounded, and 
himself preserved by his arms. 

While this was acting, and the day almost ended, two 
or three squadrons of French horse, sent from the army, 
crossed the valley, and coming up one after another, between 
the castle and their battalions, on a sudden, and not ex- 
pected, fell on the duke de Yilla-Hermosa's guards, killing 
one of their captains, with several other ofidcers and soldiers 
putting the rest in great disorder. 

The French horse having done their work, and seeing more 
squadrons advancing towards them, they retired by the way 
they came; yet the fight continued 'till it was dark and 
more than an hour after, by the light of some houses 
near Castio, set on fire b^ the French. But there being no 
more houses to burui all was quiet, the French possessed of 
Castio, and the battalions keeping their ground on thç plain 
of our side, where most of the fighting had been. But *) 
about two or three hours after, intelligence was brought that 



*) aU was quiet and the troops on both side« returned to their several Linea. 
About etc. 



(97 ) 

the French had not only quitted Castio« and drawn off their 
battalions, but had left their camp, and were marched towards 
Monts, and was in great haste, for they left some tents and 
other things behind. 

The earl of Ossory in this afternoon^s work, purchased to 
himself and noble family, immortal honour, commanding the 
Ei^lish, as general in the States Service, [and was, as I 
believe, the last man of all his troops that came off the 
field, for he was found by some of my servants and brought 
to me two hours after all was ended]. ^ 

The duke of Monmouth was all along in this fight, and 
gainetl as much honour as was possible for a single man, 
he being but a voluntier. [And I am apt to believe, that 
if some squadrons had charged as he desired them, that 
the French horse that routed the duke de Villa- Hermosa's 
goards, would have passed their time but scurvily in their 
retreats.] His friend and companion. Sir Thomas Armstrong, 
was shot in two or three places. ^ It is hard to say what 
uomber of men were slain, or who lost most. I judge them 
on both sides to be about 4 or 5000 killed and wounded; 
among whom were a number of brave officers. 

The next day, being August the 15th, there was a sus- 
pension of arms, and ratified the 20th of the same month. 
Thus, with suspension of arms we continued, 'till the gene- 
ral peace, signed at Nimmeguen, September 17, with the 
ratification of it the 21st of September 1678, [put an end 
to the wars, tho' it was said, and generally bçlieved, that 
the generals of both sides had the peace in their pockets 
when they fought; at least they had sufficient ground to 
believe it concluded]. 



B. 

ILUOE JOHN BERNABni*8 VERUÂAL VAN DBN SLAG BIJ 8T. DENIS. 

John Bernardi was van Genueesche afkomst, maar 
uit Ëngelsche ouders geboren. Na een ongelukkige 
jeugd trad h^ vroeg in kr^gsdienst en nam na den 

VS HL. IH MMÙMD. AID, LBTTEBX. 2<le EESK8. DSEL VIL 7 



(98 ) 

vrede tusschen Engeland en Holland in 1674, met 
meer andere afgedankte officieren en soldaten, dienst 
in het leger der Staten. Hg bezat den rang yam lui- 
tenant bg kap^. Ph. Savage toen hg den sl^ van 
St. Denis bewoonde. Hg bleef in Hollandschen dienst 
tot in 1687, toen hg, gevolg gevende aan de oproeping 
van Jacobus II, naar Engeland wederkeerde. Sedert 
diende hg dezen tegen Willem UI. In 1696 nam 
hg deel aan het zoo genaamde Assassination-plot van 
Sir George Barclay, werd gearresteerd en jarenlang 
gevangen gehouden. Zie* Macaulay^s History, Chap. 
XXI. In Newgate schreef hg zgn levensgeschiede- 
nis, die in 1729 uitkwam, onder dezen titel : A short 
History of the Life of Major John Bemardij written 
by himself in Newgate^ where he has been for near 
33 years a Prisoner of State, without any Allowance 
from the Government, and coitld never be admitted to 
his Tryal. London 1729. Macaulay zegt er van: 
»this autobiography is not at all to be trnsted'\ Zoo 
schgnt ook het verhaal van den veldtocht van 1678 
nit het geheugen opgesteld, en niet te vertrouwen. 
Maar ik wilde het toch niet terughouden, zoowel omdat 
het met mgn voorstelling der gebeurtenissen in strgd 
is, als ook omdat elk verhaal van een ooggetuige 
gehoor verdient. 



Now the season drawing on for the next Campaign in 
the year 1678, the Pr. of Or. ordered his army to march out 
of their Garrisons, and cantoon'd them to live well for some 
weeks in the villages in Brabant and Flanders .... The Pr. 
of Or. being informed that the Duke of Luxemburg with 
the French Army were encamped at St. Dennis, about a League 
from Mons, assembled his Army and made four Days long 
Marches to them, arriving in sight of their Camp on a 
Sunday near twelve a Clock, but a Battle was not in the 
least thought of or expected by the Generality, many Letters 
coming to the Army but the Day before, notifying a Peace 



( 99 ) 

conclnded at Nemigen, where a Congress was then sitting. 
This was not very pleasing News for Men in the Army, who 
are not deemed Lovers or great Admirers of Peace; but to 
the great surprize of many, and seeming Joy of all, Orders 
came from the Pr. of Or. to distribute Ammunition to the 
whole Army with all the speed possible, which was done in 
half an Honr, every Regiment having always their Ammu- 
nition Waggon in their Rear. About two a Clock the Prince 
ordered the Attack, and the Battle began with very furious 
firing on both sides, continuing until near Nine a Clock, 
when the Night parted them, and it being an inclosed Country, 
it was for the most part Hedge-fighting, yet many Thour 
sands were killed on both sides. His Highness ordered the 
best Refreshments for his Army in the Night, that could 
be got for them,* intending to fall foul on the Enemy again 
the next Morning, but they retired by Favour of the Night, 
leaving the Prince of Orange in Possession of the Field of 
Battle, and most of their Dead unstrippM; and that very 
Day the Peace was proclaimed in both Armies, contrary 
to the Views of the Pr. of Or., who proposed great Ad- 
vantage by the Continuance of the War, the King of Eng- 
land having at that time entered into the Alliance against 
Fiance, and had sent over 7000 Men to assist the King 
of Spain and the Datch; which Forces landed at Ostend 
under the Command of the Duke of Monmouth, who came 
Post to the Pr. of Or., but a few hours before his Highness 
attackM the French so unexpectedly, as before related. The 
Duke of Monmouth's Forces arrived also in a Week's Time, and 
encamped with the Dutch Army until the End of that 
Campaign, near one Half of them dying before his Grace 
returned to England with those that survived to the Winter 
following. The King of France, to avoid a War with Eng- 
land at that Time stifled his Resentment for surprizing his 
Army into a Battle after the Peace was known by many 
to be concluded some Days after. 



GEWONE VERGADERING 



DEB AFDEELINO 



TAAL-, LETTEE-, GESCHIEDKUNDIGE EN WIJSGEERIGE 

. WETENSCHAPPEN, 

GEHODDBN DEN 9^«" APRIL 1877. 



T^enwoordig de beeren: w. moll, voorzitter, c. leemaiis, 

M. DE VEIES, W. G. BUILL, J. DB WAL, W. J. KNOOP, G. DB VBIBS AZ., 
W. C. KBBS, N. BEISTS, * K. FKUIN, A. KUBNEN, S. YISSBKIKG, 
J. E. GOÜDSMITf J. P. SIX, S. A. NABBB, TH. BOB&BT, H. KBKN, 
J. A. FKUIN, B. J. LINTELO DB GEBK^ K. VAN BONEYAL FAU&E, 
H. VAN HBAWERDEN, J. O. DE HOOP SGHEPFEB, C. YOSMAEE, 

M. P. A. G. CAJiPBELL en J. c. G. BOOT, secretaris. 



Het proces-yerbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en met een paar kleine w^zigingen vastgesteld. 



De secretaris bericht dat aan het besluit der afdeeling 
betreffende de handschriften van C. J. Hellingwerff is ge- 
volg gegeven, en dat de commissie van redactie geen be- 
zwaren heeft tegen de plaatsing zyner mededeeling over 
Johannes Heck in de Verslagen en Mededeelingen. 



De heer J. A. Fruin kriggt het woord over de jongste 
bgdrage van den heer van Boneval Faure en zegt dat hg 
die met groote belangstelling heeft aangehoord, en zich met 
de opmerkingen van den spreker in menig opzicht kan ver- 
eenigen. De kritiek, waaraan deze, uitgaande van het be- 



( 101 ) 

gmsel, dat de wetgever, b^ het regelen vau de procesorde, 
geene fonnaUteiten moet voorschrgven^ dan die tot eene 
goede behandeling en juiste beoordeeling der zaak noodza- 
kelgk zgn, het onlangs door de regeering ingediende wets- 
ontwerp onderworpen heefb^ sch]gnt hem, in de hoofdzaak, 
Tolkomen juist. Ook hierin, dat eene summiere^ d. i. eene 
eenvoudige, weinig omslachtige, procesorde de beste is, stemt 
h^ natuurlgk met den spreker overeen. 

Maar tegen de summiere procesorde, in technischen zin, 
die het aanhangige wetsontwerp wil invoeren^ en die de 
heer Faure goedkeurt, heeft h:g niettemin verschillende be- 
denkingen, die h^, zoo kort mogelgk, zal mededeelen. 

De wetgever van 1838 beging ongetwgfeld eene fout, toen 
h^ — behalve de procedure op korten termgn, voor excep- 
tioneele gevallen — tweeërlei wgze van behandeling van 
gewone zaken: de gewone xar* ۤo^y en de summiere^ 
invoerde. Zelfs indien de theorie niet had aangetoond dat 
hier slechts één stebel mogelgk is: ééne wgze van behan- 
deling van gewone zaken, en daarnaast ééne andere van 
exceptioneele, zou de praktgk dit hebben geleerd. Van 
stonde aan toch heeft deze' eene der beide wgzen van be- 
handeling van gewone zaken, en wel de gewone bg uitne- 
mendheid, ter zgde gesteld, en, door eene vrge interpretatie 
Tan art 140 n*. 5 Burg. Bechtsv., volgens hetwelk voor 
summiere behandeling vatbaar zgn »zulke zaken, welke om 
derzelver gering belang en eenvoudigheid door beide partgen, 
of, bg verschil, door den rechter, voor summiere behandeling 
worden vatbaar geacht*', alle zaken zonder onderscheid, 
waarin niet op eene exceptioneele wgze geprocedeerd moet 
worden, summier gemaakt. Wg hebben dus op dezen oogen- 
blik feitelgk tweeerlei wgze van behandeling van zaken, de 
mmtniere^ en de exceptioneele. 

Dezen usus forensis wil het wetsontwerp thans legitimee- 
ren. Het neemt, behalve de exceptioneele, slechts ééne wgze 
Tan behandeling van zaken aan, de summiere, 

Maa^ die summiere behandeling is geenszins die van het 
geldende Wetboek; zg is ten deele althans, de gewgzigde, 
welke de praktgk voor die van het Wetboek in de plaata 



( 102 ) 

heeft gesteld. Het verschil tusschen deze beide is niet ge- 
ring, zooals spreker kortelyk herinneren wil. 

De wetgever van 1838 heeft op soortgel^ke gronden als 
die de heer Faure zoo overtuigend bepleit heeft, ingezien 
dat de rechter, op de mondelinge voordracht der partgen 
alleen, de zaak in geschil niet met juistheid kan beoordeelen« 
Hij heeft daarom het stelsel van art. 405 C. de Pr. Oiv. 
niet overgenomen, maar ook in summiere zaken eene schrif- 
telgke instructie, of zoogenaamde œnclusienj noodzakel^k 
geoordeeld. Aan den anderen kant heeft h^ echter begre- 
pen, die schriftelgke instructie te moeten beperken, en 
daarom slechts twee conclusiën, die van eisch en van ant- 
woord, toegelaten, en tevens, ofschoon uitstel niet bepaalde- 
l^k verbiedende, toch ondersteld, dat die beide conclusiën 
op één en denzelfden dag, b^ voorkeur zelfs ten dienenden 
rechtsdage, ter rolle zullen genomen worden. 

Wat hiervan in de praktgk geworden is, is bekend. De 
usus forensis heeft niet alleen, behalve de twee toegelatene 
nog twee andere conchisiën, die van Repliek en dupliek^ tot 
regel gemaakt, maar in vele gevallen, nog meerdere, zooge- 
naamde nadere conclusiën, ingevoerd. En de uitsteUen zgn, 
wel verre van zeldzaam, zoo gewoon geworden, dat een der 
advokaten van de hoofdstad, die de praktgk door ryke erva- 
ring uitmuntend kent, nog dezer dagen verklaard heeft, dat 
van de 30 conclusiën, die, b^ de Amsterdamsche rechtbank, 
op ééne terechtzitting, in summiere zaken, genomen moeten 
worden, er gewoonligk 5 werkel^k worden genomen en 25 
uitgesteld. » 

Waaraan is dit. toe te schryven? Hebben wij hier inder- 
daad, zooals wel eens beweerd wordt, alleen met een mis- 
bruik te doen? Worden al die conclusiën alleen daarom 
genomen, omdat de praktiz^ns er op uit zgn, kosten te 
maken en zich ten nadeele hunner cliënten te verryken? 
Z^n die herhaalde uitstellen alleen het gevolg van de traag- 
heid der procureurs of advokaten, van hun gebrek aan lust 
of gelegenheid om de zaken af te doen? 

De heer Faure heeft op deze vraag reeds geantwoord. Na 
de afdoende w^ze, waarop hij de praktizyns tegen deze en 



( 103 ) 

dergel^ke ongergmde beschaldigingen verdedigd heefk, behoe- 
Ten zg hier niet op nieaw daartegen verdedigd te worden 
en kan spreker volstaan met de opmerking, dat, zoo wg hier 
alleen met een misbrnik te doen hadden, dat misbruik, joist 
omdat er zoo algemeen over geklaagd wordt, reeds lang zou 
zgn a^eschaft. 

Wat men zoo onnadenkend een misbruik ^noemt, is, naar 
sprekers overtuiging, eene onvermijdelijke noodzakelgkheid. 
De schuld 1^ niet aan de praktgk, maar aan den wetgever, 
die heeft voorbggezien, dat twee conclusièn in tal van zaken 
niet toereikend zgn om liet geschil behoorlgk te instrueeren. 
De eischer moet, wanneer de conclusie van antwoord zgn 
eisch verkeerd voorgesteld en verwrongen heeft, wel repli- 
ceeren; de verweerder wel dupliceeren, wanneer zgn antwoord, 
in de conclusie van repliek^ door eene behendige interpre- 
tatie uit het verband is gerukt. Ja, zelfs die conclusie van 
dujdiekj die niet zelden eerst het eigenlgke middel van yer- 
dedigrng aan het licht brengt, kan niet altgd het laatste 
woord zgn; in vele gevallen is de eischer aan zich zelfver- 
plicht daarop, in eene nadere conclusie, weder te antwoor- 
den. Niet anders is het met de uitstellen. Nu eens kan 
de conclusie op den bepaalden tgd niet genomen worden, 
omdat daartoe stukken noodig zgn, die uit het buitenland 
moeten ontboden worden, dan weder, omdat de partgen in 
tennen van transactie zgn, dan weder om andere wettige 
redenen. Met welk recht brandmerkt men dan deze afwg- 
idngen van de wet als misbruiken der praktgk? 

Het is sprekers grootste grief tegen het aanhangige wets- 
ontwerp, dat ook dit in sommige dier wijzigingen, die de 
praktgk in de summiere procesorde vau het Wetboek heeft 
gebracht niet meer dan misbruiken ziet, en ze daarom door 
vettelgke voorschriften wil tegengaan. Het doet dit op 
tweeërlei wgze: 1". door te bepalen dat er in summiere 
zftken, behalve de conclusie van antwoord — die van eiêch 
wordt zeer terecht afgeschaft — slechts twee conclusiën, 
van repliek en van dupliek^ en in geen geval meerdere, zgn 
toegelaten; en 2^. door voor te schrijven, dat de termgn, 
waarop die conclusiën zullen genomen worden, en die 



( 104 ) 

minstens yan 8 dagen zgn moet, door' den rechter wordt 
bepaald. 

Deze voorscliriften kunnen, naar sprekers overtoiging, niet 
baten, en zallen ook niet worden nageleefd. Stel dat zg wer- 
kelgk tegen misbruiken gericht zgn, met welk recht kan men 
dan verwachten, dat de nieuwe wet daartegen meer vermogen 
zal dan de bestaande? Ook deze wil slechts een beperkt getal 
conclusiën en zoo min mógelgk uitstel, en er worden toch 
tal van conclusiën genomen en vele uitstellen gegeven. En 
als spreker recht heeft, dat die vele conclusiën en die vele 
uitstellen noodzakelgk zgn, zal dan die noodzakelgkheid zich 
nu eensklaps niet meer doen gevoelen? ^Wat kan het baten 
dat de rechter voortaan de termgnen bepalen zal? Hg zal 
zelf gevoelen, dat hg de gegevens niet heeft, om dit met 
juistheid te doen, en daarom, even als .thans, zich in den 
regel aan het oordeel der partgen refereeren, en, waar beide 
de praktizgns een langen termijn vragen, dien geven. Al- 
leen bg uitzondering zal hg gebruik maken van de macht, 
die de wet hem verleend heeft, en dan, wellicht juist daar, 
waar hg het niet moest doen, den gevraagden termgn wille- 
keurig verkorten. 

De bestaande toestand zal dus, ook onder de nieuwe wet, 
voortduren. CJonclusiën en termgnen, zooveel en zoolang als 
de praktizgns verlangen, zal de regel, willekeurige tusschen- 
komst van den rechter de uitzondering zgn. 

En die toestand zal onder de nieuwe wet oneindig nadee- 
liger zgn dan hg thans is. Immers al die conclusiën, die 
in het summiere proces, ten volle moeten genomen worden, 
zullen, bg het vervallen van het procuraat, genomen worden 
door advokaten. De minister moge recht hebben, dat het 
werk van den procureur grootendeels even goed door een 
geroutineerden klerk kan verricht worden, ter rolle zal 
althans de advokaat in persoon moeten compareeren. Zgne 
taak zat het voortaan zgn, »de rol na te loopen en veel 
tgd voor weinig werk te verliezen", en, zoolang het tarief 
onveranderd blgft, zal de cliënt dat weinige werk van den 
advokaat nog duurder betalen dan vroeger het weinige werk 
van den procureur. De heer Faure is voor dat bezwaar niet 



( 105 ) 

blinda maar wil het zich getroosten >om de onmiskenbare 
Toordeelen van het rolsysteem^', doch spreker, die die onmis- 
kenbare Toordeelen niet inziet, mist dezen troost. 

Maar zal men vragen, indien g^ erkent, dat het tegen- 
woordige summiere proces, met z^ne vele conclusiën en her- 
haalde uitstellen ter rolle^ groote bezwaren heeffc, en dat die 
bezwaren, bij de afschaffing van het procaraat, nog zullen 
toenemen, en als gg tevens meent, dat de voorschriften, thans 
door de regeering ter hervorming daarvan voorgesteld, geen 
doel kunnen treffen, wat wilt gg dan, dat er gedaan worde, 
om de procesorde te vereenvoudigen? 

Spreker aarzelt op deze vraag te antwoorden. De minister 
van justitie heeft, met instemming van den heer Faure en 
ook met zgne instemming, gezegd, dat op het gebied der 
rechtspleging de theorie zilver en de praktik goud is, en 
op dat gebied heeft spreker over nagenoeg geen goud te 
beschikken. Maar de praktgk is, gelukkig, nog zeer ver- 
deeld, en daarom mag de theorie althans nog wel ^ne raad- 
gevende stem uitbrengen. Daartoe opgeroepen, aarzelt spreker 
niet zgn gevoelen te zeggen. Doe, roept hg uit volle over- 
toigii^;, der regeering toe, juist het omgekeerde van wat gg 
yoor hebt. Schaf af niet de gewone behandeling, maar de 
tummiere behandeling; verlos ons niet van de conclnsiën en 
wiUteUen, maar van het roUyateem, Niet daarin toch, dat 
er zoo veel geconcludeerd en zoolang wordt uii^esteld, zit 
het kwaad van den bestaanden toestand, maar daarin dat 
al die conclusiën en uitstellen ter roüe moeten genomen 
worden. Neem dat kwaad weg. Laat, even als dit thans 
in art. 142 volgg. van het Wetboek is voorgeschreven, de 
zaak, nadat zg ten dienenden dage is aangebracht, voor on- 
bepaalden tgd de terechtzitting verlaten, en laat partgen dien 
tgd gebruiken, om, zooveel en zoolang als zg zelven noodig 
oordeelen en goedvinden, met elkander conclusiën te wisse- 
len. Eerst als zij met de schriftelgke instructie verklaren 
gereed te zgn, begint de taak van den rechter. Vermoei 
dezen niet met het voorlezen van conclusiën, die hg niet 
Teistaat, en waarnaar hg niet luistert, maar breng de zaak 
eerst dan voor hem, wanneer zg zoo in de schriftuur is 



( loö ) 

toegelicht, dat hg haar beslissen kan : met andere woorden 
(behoudens het geval dat een geschil oyer de proces-orde 
zgne tasschenkomst eischt) eerst dan, wanneer partyen dag 
yan pleidooi of wel recht op de stakken verlangen. Bepaal, 
om alt^d mogel^ke misbmiken te keeren, even als nu, de ter- 
mgnen, waarop de conclnsiën beteekend moeten worden, maar 
geef aan de partyen de meest volstrekte vr^heid om die 
termgnen, zonder eenige rechterlgke tusschenkomst, te ver- 
lengen zooveel zg willen. Het geldt hier uitsluitend hun 
eigen belang, niet dat van den staat of van de openbare 
orde. Tegen elkanders traagheid of die hunner eigene prak- 
tizgns zullen zg, zoo gg, door hen alle mogelgke vrgheid te 
laten, hen maar uit eigen oogen leert zien, zich zelven beter 
beschermen dan gg het kunt. Die mondig is heeft geene, 
ook geene rechtcrlgke voogdg noodig, maar kan en moet 
zgne eigene belangen behartigen. Dit stelsel ligt in de 
richting van onzen tgd: op het gebied van het materieele 
recht maakt het dagelgks vorderingen; zou het geen tgd 
worden eene bescheiden poging te wagen om, ook op het 
gebied van het formeele recht, met zgne toepassing een be- 
gin te maken? 

Spreker onderwerpt deze vluchtige opmerkingen, die de 
tgd hem niet vergunt uit te werken, aan het betere oordeel 
zgner medeleden, inzonderheid aan dat van den heer Faure. 
Hoe dat oordeel zg, in geen geval maakt het door spreker 
gezegde inbreuk op het beginsel, waarvan hg met ons ge- 
acht medelid uitgaat. Immers indien de wetgever, op het 
gebied van procesrecht, geene formaliteiten moet voorschrg- 
ven dan die noodig zgn, moet^ hg daar, waar geene enkele 
formaliteit noodig is, er ook geene enkele voorschrgven. En 
voor de schriftelgke instructie der rechtszaken, die spreker 
geheel aan de partgen zelve wil overlaten, ontkent hg, juist 
daarom, de noodzakelgkheid van eenige formaliteit. 

De heer Faure acht daarentegen het verlaten der gewoonte 
bedenkelgk. De gewone proces-orde is door de praktgk in 
onbruik geraakt. Hg wenscht partgen niet afhankelgk te 
•maken van de mindere of meerdere voortvarendheid der 
procureurs. 



( 107 ) 

De heer G. de Vries Az. verklaart grootendeels zich te 
scharen aan de z^de van den vorigen spreker. Maar h^ is 
tegen ééne conclusie, en verlangt vr^heid voor repliek en 
duplieL In civiele zaken hecht hg weinig aan de monde- 
linge toelichting. 



De heer R. Fruin spreekt over den slag van St. Denis in 
Terband met den vredehandel van N^megen. H^ kon zich 
aanstonds niét vereenigen met het ongunstig oordeel door 
den heer Knoop naar aanleiding van dien slag over het ge- 
drag en karakter van Willem lU geveld. Na een herhaald 
nader onderzoek is h^ tot het tegenovergestelde resultaat 
gekomen en hoopt aan te toonen, dat de gronden, waarop 
de aanklacht berust, niet hecht zign, en wil daarna de feiten 
in hun waar verband voorgesteld getuigenis der waarheid 
doen afleggen. 

Daar evenwel de beschikbare t^d niet toelaat z^n geheel 
opstel voor te lezen, geeft de spreker van het eerste gedeelte 
alleen de hoofdpunten op. H^ toont daarin den oorsprong 
en de voortgang der aantgging, en stelt daar tegenover de 
stellige verklaringen van den Prins, en het getuigenis van 
Bevemingh, gestaafd door de op 11 Augustus van Ngmegen 
afgezonden missive, die niet in ^s Prinsen handen gekomen is. 
Is Van Bevemingh niet vrg te spreken van groote achte- 
loosheid, op den Prins kleeft zelfs geen verdenking van 
aehuld, zooals uit de aangevoerde bewgzen bigkt. 

Het sluiten van den vrede, dat zelfs voor de diplomaten 
tot het laatst toe een raadsel is gebleven, kon door den 
Prina met geene mogelijkheid voorzien worden. En, als de 
Prins een voorgevoel van den vrede had gehad, waarom zou 
h^ dan slag geleverd hebben? Om een les te nemen in 
bflgskunde, dan ware hg een monster geweest, gruwelgker 
dan de maarschalk van Luxemburg, en dit was h^ zekqrl^k 
niei Of deed h^ het om den vrede te keeren of te breken? 
Maar dan had hg van den slag een casus belli moeten ma- 
ken; en hg deed juist het tegendeel. 

Waarom de slag geleverd is, blgft een raadsel voor wie 



( 108 ) 

met den loop der zaken onbekend is. De spreker geeft ter 
oplossing een breed overzicht van de onderhandelingen met 
Engeland en met Lodewgk XIV tot aan het sluiten van 
den wapenstilstand van zes weken, aangevangen op 1 Juli. 
Mons werd door de Franschen geblokkeerd en 't behoud 
der vesting met zgne groote bezetting was voor de repu- 
bliek van 't grootste belang. De weigering van Frankrgk 
om toe te geven, voordat Zweden zgn verloren terrein zou 
hebben terug bekomen, bevorderde het sluiten van een trac- 
taat tusschen Engeland en de republiek op 26 Juli. Daarop 
vertrok de Prins naar het leger om Mons te ontzetten. De 
knoop, door . Zweedsche en Fransche diplomaten behendig 
gelegd, moest doorgehakt worden. Daartoe werd de sl^ 
van St. Denis geleverd. Dat de vrede op voor de republiek 
niet ongunstige voorwaarden geratificeerd werd, is bovenal 
aan het ontzet van Mons door den Prins te danken. De 
Staten hebben zgn gedrag volkomen goedgekeurd. 

De heer Fruin biedt zgne bijdrage voor de Versli^en en 
Mededeelingen aan. Daar het houden eener buitengewone 
vergadering noodzakelgk en de daartoe bepaalde tfld reeds 
overschreden is, kan er geene discussie over het medege- 
deelde plaats vinden. Later zal daartoe gelegenheid worden 
aangeboden. 



Nadat de heer van BonevaLFaure zgne verhandeling over 
het sumniier-proces, Haarlemrl877 en zgne Historische toe- 
lichting van het Nederlan^sch bezitrecht. Leiden 1877, de 
heer Van Herwerden zigne Oratio de moribus Graeconun 
aetate Homerica, Trai. ad Rh. 1877 en de heerM. de Vries 
namens den heer J. te Winkel diens Akademisch proef- 
schrift : Maerlant's werken als spiegel van de dertiende eeuw, 
Leiden 1877 voor de boekerg hebben aangeboden, wordt de 
vergadering gesloten. 



PBOGBAHMA 



cBBTAKuin ponici 



AB ACADEAHA REGIA DISCIPLINARUM NEBR. 
LANDICA EX LEGATO HOEÜFFTIANO 



INDICTI IN ANNUM KOCCCLZXYII. 



Saperiori anno duodecim. carmina certamiui oblata sunt, 
qaae 1^ de yersnum nnmero latae satisfaciuni Summa 
iadicii de his facti haec est. 

Carmina, inscripta I Per dies mttumnales a atitdiis feri- 
andum atque rusticationi indulgendum, 11 Carminie ignaro 
edmdum ne erede poetam nimis levia sunt, quam ut ulla 
eonmi ratio haberi possit. Ill Proteus alter invectiva est in 
Napoleontem III, plena conviciorum sine mica salis. IV Mo^ 
nitü ad Poplicolam eiusdem poetae multo sunt meliora, sed 
pluribus sermonis vitiis durisque versibus laborant. 

Daarum odarum, quae pro lemmate babent Horatii sen- 
tentiam Membranis intus positis delere licebit Quod non edi-- 
derM, prior V quae sola in censum venire poterat, versatur in 
describendis certaminibus ad Custotiam et Lissam commissis, 
onde Italiae integritas et pax derivatur. Sed poeta se os- 
tmdit imparem tanto argumento et historicae veritatis plane 
ÎBcuriosum. 

Carmen VI Neptuni et Herculis capitibus cerae impressis 
»natum est satira bonis versibus puroque sermone scripta 
in eos, qui simulant se manes defunctorum ab inferis excitare 
posse, sed nimis tenuis parumque elaborata visa est. 

In fasciculo, cui pro symbolo addita sunt verba Facilius 
tit ridere quam imitari^ duo insunt carmina VII et VIII, 
^uae propter ambitum admitti possunt, alterum missum ad 



( 110) 

Dominicum Caruttiutn, V. CL, altemm Ad Hemüum. De 
amoribus philosophorum, utrumque vero tam obscurum, ut 
quid poeta voluerit prorsus lateat. 

Mêlions notae sunt IX Fasti Insubrictj X Thomas Aqui- 
nas, XI Ornithogonia, suis singula laudibus insignia, digna- 
que quae edantur. Sed quum iudicum sententiae de üb 
yariarent, in eo omnes consenserunt in singulis esse, quae 
culpari debeant. Quare decreverunt horum trium carminum 
poetas pari laude esse ornandos et rogandos, ut carminum 
suonim sumptu legati Hoeufftiani edendorum veniam dare 
velint. 

Quum autem nihil non laudandum invenirent in carmine 
XII, quod inscribitur Pastor bonus, boe eunctis sufi&agiis 
praestare ceteris et aureo praemio dignum iudicarunt. 

Aperta schedula prodiit nomen petri esseiva Friburgenm 
Helvetii, 

Fastos Insubricos se composuisse professus est fbanciscus 
PAVBSi Mediolanensis ; Thomam Aquinatem misit vitus vaccaro 
Panormitanus, Ornithogoniam petrus rosati Bononiensis. 

Novum certamen indicitur notis legibus. Carmiaa latina 
certamini desiinata, non ex alia lingua translata nee iam 
édita nee argumenti priyati, L yersibus non minora, nitide 
et ignota iudicibus manu scripta sumptibus* poetarum ante 
Ealendas Januarias anni sequentis reddi debent viro CI. 
j. c. 6. BOOT, Ordini literario ab actis, munita sjmbolo, 
pariter inscribendo schedulae obsignatae, quae poetae nomea 
et patriam indicabit. 

Indices de carminibus sententîam pronuntiabunt in conyentn 
legitime Ordinis mense Martio, in eodemque conyentn sche- 
dulae non probatis carminibus additae comburentur. 

Praemium yictoris erit numus CC florenorum. Carmen 
praemio ornatum edetur sumptibus ex legato erogandis, eique 
adiungentur cum bona yenia auctorum si forte alia laude et 
editione digna yidebuntur. 

Amstelodami c. o. opzoomer, 

Id. Maus Ordinis Praeses. 

Anni hdccclxxvu. 



WILLEM III, EN DE SLAG VAN SAINT- DÉNIS 

(1678). 

(.Verg. VnUagen e» Meded. N. B. i). YI. bl. 299-833). 

BI/DKAGS YAN 

w. j. K ir o o p. 



Ik verzoek verguuuing om nog eenige oogenblikken de 
aandacht van de Akademie te mogen, vestigen op het ge- 
schiedkundig vraagstuk, door den heer B. Fruin op zoo 
grondige en meesterl^ke w^ze behandeld. Ik heb volstrekt 
niet het voornemen om m^ te wagen aan eene bestriding 
van mgn hooggeachten ambtgenoot ; bg zulk een kamp zou- 
den de kansen te ongelijk z^n; want niemand zal mg ver- 
denken yan gemaakte nederigheid wanneer ik verklaar, bg 
de behandeling van dit onderwerp niet opgewassen te z^n 
tegen den man, die eene zoo uitstekende plaats inneemt on- 
der de thans levende geschiedkundigen. 

Maar, door geheel te zwijgen, zou ik de meening opwek- 
ken van geheele instemming met het oordeel door den heer 
Fniin uitgesproken ; en, die gelieele instemming bestaat niet. 
Het is daarom mgn voornemen, aan het vroeger gesprokene 
enkele beschouwingen toe te voegen en die ke onderwerpen 
aan het oordeel van deze Vergadering. 



Het is eeu feit, dat de slag van Saint-Dénis geen veran- 
dering heeft gebragt in de voorwaarden van den Nijmeeg- 
schen vrede en in de toestand of onderlinge verhouding der 
Ëuiopeesche mogendheden ; het is een feit^ dat, was die slag 



( 112 ) 

* niet geleverd, alles toch hetzelfde zou zgn gebleven; het is 
dus een, feit, dat de duizende menschenlevens, die daar zgn 
verloren gegaan, nutteloos z^n opgeofferd. 

Daar waar zoo iets plaats heeft, is denkel^k een vergrgp 
tegen de menschelgkheid gepleegd; en big zulk een hande- 
ling is het dus plicht van hen, welke die handeling hebben 
geleid of bevolen, om op de meest overtuigende w^ze aan 
te toonen, dat zg geen schuld hebben gehad aan het ge- 
beurde. 

Op welke wgze is nu, ten aanzien van de slag van Saint- 
Dénis, die plicht vervuld door de beide partyen die daar ge- 
streden hebben? . 

Aan de Fransche zgde is men daarbg te werk gegaan met 
listige onbeschaamdheid: men heefb zich volstrekt niet op- 
gehouden om eigen onschuld te bewijzen, maar men heeft de 
schuld van de tegenpart^ luidkeels verkondigd; men heeft 
met zeldzame eenstemmigheid geschreeuwd tegen de onmen* 
schelijke wreedheid van Willem III, die, wetende dat het 
vrede was, toch duizenden heeft opgeofferd, alleen om z^'n 
zucht naar krggsroem te bevredigen, of om zign moed te 
koelen aan een gehaten v^and. 

Die taktiek, hier aan de Fransche zyde gevolgd, is on- 
eerlgk; — maar onbehendig is zg niet; want die, onophoa- 
del^k en met onstuimigheid herhaalde, beschuldiging tegen 
Willem III heeft algemeen ingang gevonden; zelfs z^n on- 
bepaalde bewonderaar, Macaulay, werpt haar niet geheel 
weg. 

En toch is het thans bewezen, onwederlegbaar bewezen, 
dat het feit van slag te hebben geleverd, wetende dat het 
vrede was, — dat feit, dat Willem III wordt ten laste ge- 
legd, — werkelgk door Luxembourg is gepleegd: zgne 
eigene, ondubbelzinnige bekentenis is daar. Luxembourg 
wist dat het vrede was, toen de slag van Saint-Dénis zon 
aanvangen; h^ had die slag kunnen voorkomen, door ook 
de tegenpart^ in kennis te stellen met het sluiten van den 
vr^de; maar h^ heeft dit niet gedaan, enkel en alleen om- 
dat hy beducht was van daardoor te kort te zullen doen aan 
de eer der Fransche wapenen. Trouwens, in den man die 



{ 113 ) 

Bodegra^e eu Zwainmerdam heeft laten uitmoorden, moet 
men niet zien op eene onmenschel^kheid meer of minder. 

Ziedaar wat de eene partg aangaat. Nu de andere. 

Wg blgven ten vollen aannemen, dat Willem III, toen 
hg te Saint- Pénis streed, noch officieel, noch officieus berigt 
had dat te Nflmegen de vrede was geteekend. Voor die on- 
kunde van den Stadhouder is, wel is waar, geen ander be- 
wgs aanwezig, dan zijn eigene verklaring in den brief van 
den 15^®" Augustus aan Fagel; maar die verklaring, op zoo 
plechtigeu, in druk wekkenden toon afgelegd, is ons bewgs 
genoeg; het is ons zedelgk onmogelgk, om niet te gelooven 
aan de waarheid van die verklaring. 

Daar, waar het aan stdlige bewezen ontbreekt, mag in 
geschiedkundige vraagstukken, de zedelijke overtuiging gel- 
den ; — en daar die zedelgke overtuiging niet bg alle men- 
schen dezelfde is, is het dan ook zeer natuurlijk dat, met 
alle mogel^ke goede trouw, het oordeel over een geschied- 
kundig feit zeer niteenloopend kan zgn. 

De stadhouder had dus, naar onze overtuiging, den 14^ien 
Augustus 1678 geen berigt van het sluiten van den vrede. — 
Maar is hiermede alles gezegd? Is hij hierdoor van alle 
schuld vr^ te pleiten ? — Wg gelooven het niet. Had Wil- 
lem III niet kunnen voorzien, dat het zeer waarscb^nl^'k, 
dat het bgna zeker was, dat de vrede zou zgn geteekend? 
Was het dus niet zgn plicht geweest om de poging tot ont- 
zet van Mous nog enkele dagen uit te stellen, totdat h^ met 
zekerheid wist wat er te Ngmegen was gebeurd? En waar- 
door ontstond die onkunde omtrent het sluiten van den 
vrede? Was het ook een opzettelijke onkunde, het gevolg 
vaa de maatregelen genomen, hetzij door den stadhouder 
zei Yen, hetzij door zgne medestanders? 

Ziedaar vragen, die onvoldoende zgn opgelost ; en die toch 
helder als de dag moeten opgelost z^n, wil men de aant^- 
gingeu tegen den stadhouder volkomen afwgzen. Zooalsnu 
de zaken staan^ is de onschuld van Willem III ten aanzien 
van dit feit, niet bewezen; ook niet zyne schuld; ook daar 
Toor ontbreekt het stellig bewijs; maar er bestaan zware 
Tennoedeus tegen hem. 

▼K18L. KW UEDED. AJfD, LETTXBK. 2de KKEK8. DKKt VII. 8 



C 114 ) 

Bg een zaak van zoo hoog belaug is het plicht, om zoo- 
veel mogel^k inlichtingen in te winnen; zoo veel mogel^k 
getuigenissen te raadplegen en te beoordeelen. Wy hebben 
dit, naar ons beste weten, gedaan; ook naar de aanwyzin* 
gen dienaangaande voorkomende in de verhandeling van den 
heer Fruin; — wij brengen daarvoor dank aan ons hoog- 
geacht medelid. Zie hier wat er naar ons inzien over die 
inlichtingen en getuigenissen kan worden gezegd: 

Er wordt ten voordeele vao Willem III op verwezen, dat 
zijne handelingen, èn voor èn na den slag van Saint-Dénis, 
door de Staten-Generaal zyn goedgekeurd ; de stadhouder — 
besluit men daaruit — heeft niet anders gedaan, dan ge- 
handeld in den geest van de Sonvereinen der Republiek. 

Hierop kan dit worden aangemerkt: dat de Prins, vóór 
den veldslag, geen last heeft ontvangen om de v^andelgkheden 
te staken, is zeer natuurlek. Eerst den 10^®° Augastus, 
's avonds laat, is de vrede te Ngmegen geteekend ; tot den 
12dcn of 13^^° Augustus^ toen het berigt van het sluiten 
van den vrede in den Haag kwam, was er voor de Staten- 
Generaal geen reden om een bevel af te zenden dat het 
slag leveren verbood; en toen de Staten het berigt kregen, 
dat er slag waa geleverd, — ja, toen was het een gedane 
zaak, waaraan niets meer viel te veranderen, waar in meu 
moest berusten. Afkeuring over het slag leveren uit te spre- 
ken, terw^l aan Willem III dat slag leveren niet verboden 
was, terwijl die veldslag zoo roemr^k was geweest, terw^l 
hg daar zoo groote bekwaamheid had getoond en op zoo 
heldhaftige wgze z^n leven had gewaagd, — zulk een afkeu- 
ring zou van de /^ijde der Siaten-Generael nog meer dwaas 
dan onrechtvaardig zgn geweest; zulk een handeling was 
volstrekt niet te verwachten van een Staatsligchaam, dat 
zich toen kenmerkte door w^ze bedachtzaamheid, evenzeer 
als door eerbiedig ontzag voor den magtigen invloed, dien 
Willem III in de Republiek uitoefende. 

Één punt is hier duister. In den bekenden brief, door 
Willem III den 15<^«° Augustus 's middags aan Fagel ge- 
schreven, komt aan het slot voor: »hebbende geen brieven 
van den Staet, zoo sal ick de groote wegh gaen en myn 



( 115 ) 

best doen om Mons t'eenemael te outsetten." Das, dat is 
met duidelgke woorden aan den Raadpensionaris gezegd: 
»uire brief is m^ niet voldoende; ik moet officieel berigt 
oDtrangen van het sluiten van den vrede, zonder dat zet ik 
de v^andelgkheden voort." En toch, den J6^«° 's ochtends 
KTordt Dgckvelt naar het Fransche leger afgezonden, om te 
onderhandelen; vanwaar dien ommekeer tusschen den 15^^" 
's middags en den 16^«° 's ochtends? Was in dien tgd het 
oSdëel berigt van den vrede gekomen? — Dat bl^kt ner- 
gens nit. Wel gewaagt Temple er van» dat dit officiëele 
berigt reeds den 13^®° in het leger zou z^n ontvangen; en 
Iiad men dus op grond daarvan reeds vóór den veldslag de 
onderhandelingen met Luxemburg kunnen openen, die nu 
M den veldslag z^n begonnen. Denkelyk zouden die ouder- 
iuLodelingen dan tot dezelfde uitkomst hebben geleid; — 
mogelgk alleen met dit verschil, dat Mons dan een paar 
<kgeu vroeger van levensmiddelen voorzien zou z^n ge- 
worden. 

Die hongersnood die te Mons toen heerschte^ moet men 
zich ook niet al te erg voorstellen: het was geen toestand 
zooals die waarin Ley den verkeerde, toen het in 1574 door 
het Spaansche leger was ingesloten. £r is blikbaar overdry- 
riog in de voorstelling, die de toenmalige Spaansche gezag- 
hebbers van den toestand van Mons gaven ; die gezaghebbers 
wilden — en dat was zeer natuurlgk — Mons gaarne ont- 
zet zien ; en daarom schilderden zg den toestand binnen de 
stad met de ergste kleuren af; ieder oogenblik heette het: 
Mons is op het uiterste ; langer daiji tot den 11'^" Augus> 
tos kan de stad het onmogelijk houden ; — en toch is het 
19 Augustus geworden eer het Fransche leger de insluiting 
ru Mons heeft opgeheven; en toch vindt men nergens ge- 
boekt, dat er toen in Mons iemand van honger is gestorven. 

Maar als Mons viel, dan zou de talr^ke bezetting krggs- 
geraugen worden. 

Ook die bedenking is van geen overwegend gewigt. Was 
de yrede intusschen geteekend, dan zou de kriggsgevangen- 
sciiap weinig beduiden en spoedig ophouden. Maar zelfs als 
de vrede niet geteekend werd^ dan zou bg de overgave van 

8* 



( 116 ) 

Mona de bezetting denkelgk toch een vrge aftocht verkre- 
gen hebben. Hei lag in de krflgsgebruiken van dien t^d 
dat, als een vesting zich niet tot het uiterste verdedigde — 
bg voorbeeld, tot aan het afwachten van de bestorming der 
l^res — , de bezetting bij de overgave een vrge aftocht ver- 
kreeg; dit was, door de gewoonte, bgna een soort van wet 

geworden. 

Een opmerkeligk bewgs daarvan treft men onder anderen 
noo" in de veldtocht aan, die het jaar te voren in de Neder- 
landen had plaats gehad. In April 1677 belegert Lode- 
w^k XIV eerst de stad Eamergk, en daarna het sterke 
Kasteel. Het beleg van het Kasteel spoed ten einde ; er zijn 
bressen; en nu wordt in het hoofdkwartier des Pranschen 
Konings beraadslaagd over de voorwaarden der overgave. 
Er zijn er die vorderen, dat de bezetting der v^andel^ke 
vesting krggsgevangeû zal blgven; Vauban — de groote 
vestingbouwkundige, een van de eerl^kste en onafhanke- 
Igkste mannen, die Lodewgk XIV hebben omgeven -— is 
ten sterkste tegen die vordering; wil men, zegt hg, de be- 
zetting krggsgevangen maken, dan zal zg zich langer ver- 
dedigen; dan zullen onze verliezen grooter worden; en dan 
zal — zegt hg ten besluit — als eens een onzer vestingen 
wordt belegerd, de vgand ook onze bezetting krggsgevangen 
maken, Ȉ tout ce que je viens de dire, j'ajouterai, avec la 
franchise naturelle que Dieu m'a donnée, que je ne pren- 
drais pas grand plaisir à me trouver assiège dans une place, 
où, par droit de représailles, on me fit prisonnier de guerre." 
(Rousset, Histoire de Louvoie, Tome II, page 304). — Van- 
ban's gevoelen behield de bovenhand; omdat men meende, 
dat het eigenlgk niet behoorlgk was, om eene bezetting 
krggsgevangen te maken, die tgdig hare vesting had over- 
gegeven. 

Wg komen nii aan de getuigenis van Temple, de ver- 
maarde Eugelsche staatsman, die een hoofdrol heelt vervuld 
bg de handelingen van den Ngmeegschen vrede. «Wg vinden 
in Temple's Memoirs bl. 478 — 479, het volgende oordeel 
over den slag van Saint Dénis: 

» . . . . toch werden daarop" (namelgk op den veldsl^), 



( 117 ) 

>rele aanmerkingen gemaakt^ zoowel door ^s Prinsen Trien- 
den als door z^n Taanden. Sommigen zeiden, dab h^ wist, 
dat de vrede was geteekend, vóórdat het gevecht begon ; en 
dat h^ daarmede te veel waagde, èn voor zich zelf, èn voor 
de Staten ; en te groot een offer bragt aan z^n eigen roem, 
daar die handeling toch geen ander voordeel kon aanbren« 
gen. Anderen wierpen de schuld op den Markies De Urana, 
die, zoo zg zeiden — het paket van de Staten aan den Prins 
had onderschept en achtergehouden, zoodat het in het leger- 
kamp kwam den dag vóór den veldslag (toen daartoe reeds 
was besloten); en dat hg hoopte dat zulk een inbreuk op 
dea Trede, zelfs nadat die was geteekend, de werking van dien 
rrede zou veredelen. Of dit nu waar was, of niet, heb ik 
üooit met zekerheid kunnen te weten komen; maar zeker 
is het, dat de Prins den oorlog nooit had kunnen eindigen 
iset meer roem, noch met meer spgt van zich zulk een uitne- 
mende gelegenheid te zien ontwringen door die plotselinge 
eu onverwachte onderteekening van den vrede, terwgl hg er 
op bouwde, dat de Staten dit niet zouden doen zonder de 
:>panjaarden. Maar, op de zekere tgding, deed hg zgn leger 
terugtrekken/' enz. 

(>.... Yet many reflections were made upon it'' (the 
battle) >by the Prince's friends as well as his enemies. 
Some said, that he knew the peace was signed before the 
%ht b^an; and that it was too great a venture both to 
Lim self and the States, and too great a sacrifice to his 
own honoor, since it could be to no other advantage. 
Others laid it \o the Marquess of Grana, who they said had 
intercepted and concealed the States pacquet to the Prince, 
v&icb came into the camp the day before the battle (but 
ifter it was resolved on) and that he had hopes by such a 
breach to the peace, even after it was signed, that the 
progress of it would have been defeated. Whether this were 
true or no I could never certainly be informed ; but so much 
is, that the Prince could not have ended the war with 
greater glory, nor with greater spight to see such a mighty 
occasiqn wrested out of his hand by the sudden and un- 
expected signing of the peace, which he had assured him- 



( 118 ) 

self the States wonld not have consented to without the 
Spaniards. Tet upon the certain news, he drew back his 
army . . . /' etc. 

Men ziet uit die woorden, dat Temple het onbeslist laat, 
in hoever Willem III, vóór den slag van Saint-Dénis wist 
dat de vrede geteekend was; Temple deelt dienaangaande 
verklaringen mede, die hij niet waarborgt, maar die hg ook 
niet bestrgdt. Het meest verdient daarbg de aandacht, de 
bewering, dat De Grana het paket, waarin de tiding van 
den vrede was, had opgehouden, zoodat dit eerst in het le- 
gerkamp kwam — in het legerkamp, dus, 'bij den Prins — 
»den dag vóór den veldslag (toeu daartoe reeds was besloten)*'. 
Die bewering is ontegenzeggelgk bezwarend voor Willem lU; 
en Temple, die hoog ingenomen is met den stadhouder, 
spreekt haar niet tegen. 

Wg hechten evenwel minder aan die getuigenis van Temple, 
omdat wg zgn »gedenkschriften'' niet beschouwen, als ten 
volle betrouwbaar ; wg zgn van meening, dat zij slechts met 
omzichtigheid moeten worden geraadpleegd. Niet daar?au 
gesproken dat er bg wglen een sprookje in voorkomt — 
aardig om te lezen, moeyelgk om te gelooven — , heeft 
'men maar na te gaan, wat hg zegt over de gebeurtenissen 
van 1672, om de overtuiging te erlangen van de weinige 
naauwkeurigheid zgner opgaven. Onder anderen stelt ii^' 
het beleg en de inneming van Maastricht van 1673, in het 
jaar 1672. Het is evenzoo, alsof een geschiedschrgver van 
onze dagen, de insluiting en overgave van Metz van J870, 
op 1871 overbragt. En dat men hier bg Temple niet den- 
ken moet aan een vergissing uit slordigheid van stgl voort- 
spruitende bewgst de omstandigheid, dat hg die inneming 
van Maastricht in éénen adem vermeldt met de inneming 
van Schenkenschans, en met de lage waterstand van onze 
rivieren in den zomer van 1672. 

Er is nog een andere reden, die ons de getuigenis van 
Temple doet wantrouwen. 

Er zgn soms staatslieden, die zich de nietswaardigheid 
hunner vorsten ontveinzen, alleen om hun eigen geweten 
gerust te stellen, dat zg die vorsten blgven dienen en gunsten 



( 119) 

ran hen aannemen. Tot zulke staatslieden schont Temple 
behoord te hebben: h^ was eerlgk en yaderlandlievend; hg 
is de vertrouwde medewerker geweest van Jan de Witt; en 
toch is hg de minister geweest van een Karel II, en om 
die zwakheid te vergoêlgken, stelt hg dien Engelschen Koning 
op veel te gunstige wgze voor. De waarheid is, dat Ka- 
rel II, met meer geest en natuurlgke goedhartigheid dan 
zgn broeder Jakobus II, toch een even gewetenloos Koning 
ie geweest ; beide stonden in soldg van Lodewgk XIV ; beide 
waren der vrijheid vgandig en streefden naar absolute heer- 
schappg; en als zg soms den schgn aannamen van zich met 
de Republiek te willen verbinden tot bestrgding van Frank- 
rgk's veroveringszucht, dan was dit niets anders dan eene 
vertooning, een, voor het oogeublik, toegeven aan den drang 
van het Engelsche volk, een middel om van het Parlement' 
geld te verkrggen. 

Zóó hebben zich de twee laatste gekroonde Stuarts in de 
geschiedenis doen kennen; lees, onder anderen, daarover het 
onvoltooide werk van Fox — Charles James Fox, de groote 
Engelsche staatsman, de tegenstander van Pitt — . De brief- 
wisseling van Barillon, de Fransche gezant te Londen, met 
Lodewgk XIY, doet overtuigend zien dat aan het Engelsche 
h(jf Frankrgk's wil toen alvermogend was. Fox was een 
partgman, zal men misschien tegenwerpen ; — hg was het ; 
maar, een eerlgk loyaal partgman, een man, begaafd met 
uitstekende geestvermogens, met zeer ruime denkbeelden^ 
met een zeer helderen blik; er was in hem, niets bekrom- 
pens, niets kleingeestigs, niets laags. Een oordeel van zulk 
een man heefb hooge waarde ; en dat oordeel is een geheele 
veroordeeling van die twee laatste Koningen uit het huis 
der Stuarts. 

Vervolgens hebben wg over deze aangelegenheid nog ge- 
raadpleegd, met wat daarover wordt gezegd door twee En- 
gelsche officieren, die beide aan den slag van Saint-Dénis 
hebben deel genomen. 

De een is de kapitein George Carle ton, die zifn memoirs 
heeft geschreven, — of heeft laten schrijven; want daar is 
wel eenige reden om te vermoeden, dat de een of andere 



( 120 ) 

letterkundige van die dagen — Swift, of De Foe, of een 
ander — de hand heeft gehad in die gedenkschriften Tan 
Carleton, die een zeer letterkundige tint hebben. Maar, dit 
daargelaten, groote geschiedkundige waarde hebben die ge- 
denkschriften van Carleton niet; zy zgn aangenaam om te 
lezen, vooral over Spanje en over den bekenden lord Peter- 
borough; maar zg z^n weinig naauwkeurig; onder andereu 
wordt daarin de slag van Saint-Dénis, niet op den 14^^" 
Augustus gesteld, maar op den 17<^en, y^n dien slag wordt 
het volgende gezegd (bl. 44 — 45) : 

»Nu nam het jaar 1678 een aanvang, vermaard door den 
vrede, en even merkwaardig door een gevecht dat haar voor- 
afging en dat het oordeel der menschen heeft uitgelokt^ op 
zeer uiteenloopende w^ze, naarmate van hunne gezindheid. 
Ons leger, onder den Prins van Oranje, lag in een kamp te 
Soignies; en daar werd verteld, dat de vrede was gesloten. 
Desniettegenstaande, twee dagen later, zgnde Zondag den 
lyden Augustus, ruktc het leger uit, zoo als de meesten en 
ook ik geloofden, met het doel om victorie te schieten ; maar 
in plaats daarvan kregen wg bevel om op te rukken naar 
Saint-Dénis, waar de hertog De Luxembourg, zoo h^ meende, 

veilig lag in ongenaakbare verschansingen." enz. 

(»Now began the year 1678, famous for the peace, and 

no less remarkable for an action previous to it, which had 
not failed to employ the talents of men variously, as they 
stood affected. Our army, under the Prince of Orauge, lay 
encamped at Soignies, where it was whispered that the 
peace was concluded. Notwithstanding which, two days 
after, being Sunday the 17*^» day of angust, the army was 
drawn out, as most others as well as myself apprehended, 
in order to a feux de joye ; but in lieu of that me found our 
march ordered to wards St. Dennis, where the Duke of Luxem- 
burg lay, as he imagined, safe in inaccessible intrench- 
ments". enz.). 

Wg hebben getracht, zoo naauwkeurig mogelijk te ver- 
talen, en voegen er ten overvloede de Engeische tekst b^. 
Een paar technische uitdrukkingen vorderen misschien eenige 
opheldering. »Het leger rukte uit" {the army was drawn (mt)^ 



( 121 ) 

wil zeggen: het leger kwam onder de wapenen, het kwam 
'm slagorde. Voor de uitdrukking :^ victorie schieten'^ ge- 
bruikt Carleton de Fran sehe woorden »/ewo; de joye" ; — 
het was het gebruik van dien tgd, om eene gebeurtenis die 
reden tot groote blgdschap gaf — b^ voorbeeld, een behaalde 
OTerwinning, of een gesloten vrede — te vieren met salvoos 
van geschut- en van klein geweer-vuur. 

De andere Engelsche officier, die van Saint Dénis gewaagt, 
is de majoor Bernardi ; z^n levensschets, » a short history of 
the life of major John Bernardi, written by himself' enz., 
heeft meer het kenmerk van echtheid dan de gedenkschrif- 
ten van Carleton. Bernardi was eigenlek een Duitschèrvan 
geboorte, en van voorname afkomst; hg trad in Engelsche 
krggsdienst, en was geruimen t^d in de Nederlanden b^ een 
der Engelsche regimenten, die toen in dienst waren van de 
Republiek. Later, toen h^ zich in Engeland b^ de partig 
ran Koning Jakobus had aangesloten, werd h^, in een 
der laatste jaren van de 17^^ eeuw, ten onrechte beschuldigd 
ran deel te hebben genomen aan een aanslag op het leven 
van Willem III; Bernardi werd toen in Newgate gevangen 
gezet, en het duurde meer dan dertig jaren voor h^ in vrij- 
heid werd gesteld. Waarlgk geen summier proces; — of, 
juister gezegd, volstrekt geen proces; want op Bernardins 
herhaald verzoek om gevonnisd te worden^ of onder borg- 
tocht te worden vrijgesteld, werd telkens afwgzend ge- 
antwoord. Het geeft een jammerl^k denkbeeld van de 
toenmalige rechtspleging in Engeland. Bernardi klaagt dan 
ook bitter; het is by ons veel erger — zegt hy — , dan in 
Frankrgk; Newgate overtreft verreweg de Bastille: in de 
Bastille wordt men ten minste goed en fatsoenlek behandeld, 
en op Staatskosten; hier, in Newgate, wordt men geboeid, 
opgesloten in donkere holen en dan moet men nog voor 
zgn levensonderhoud betalen. Niettegenstaande de ellende, 
die hg geleden heefb, is er in Bemardi's boek niet de minste 
niting van vgandschap of verbittering tegen Willem III ; het 
tegendeel is waar. 
Wat hg over Saint-Dénis zegt komt hierop neer (bl. 4 1 — 43) : 
» . . * . De Prins van Oranje, onderrigt zijnde dat de Her- 



( 122 ) 

tog De Luxembourg met het Fransche leger gekampeerd 
lag te Saint-Dénis op ongeveer een uur afstand van Mons, 
vereenigde z^n leger, trok hem in vier dagmarschen tege- 
moet, en kwam in het gezicht van ^s vijands kamp, op een 
Zondag, omstreeks twaalf uur; — maar algemeen had men 
niet de minste gedachte aan of verwachting van een veldslag, 
daar, pas den vorigen dag, in het leger een aantal brieven 
waren ontvangen, inhoudende dat te N^megen, waar toen 
een congres b^een was^ de vrede was gesloten. Dit was geen 
heel aangenaam nieuws voor oorlogslieden, die geen minnaars 
of groote bewonderaars zgn van vrede; maar tot veler groote 
verbazing en blikbare bl^dschap van allen, kwam het bevel 
van den Prins van Oranje om, met alle mogelyke spoed, 
ammunitie uit te deelen aan het geheele leger; in een halfuur 
tyds was dit gedaan ; daar ieder regiment alt^d z^n ammuni- 
tiewagen bij zich had. Omstreeks twee uur gelastte de Prins 
den aanval, en de veldslag begon met een vreesselgk vuur 
van weerszoden, dat aanhield tot negen uur, toen de nacht 
de str^denden scheidde ; en daar het een bedekt terrein was, 
waren het grootendeels heggevechten, toch werden er aan 
weêrszgden vele duizenden gedood. Z^ne Hoogheid deed ge- 
durende den nacht zooveel leeftocht als doenlgk was aan het 
leger uitdeeleu, voornemens om den volgenden ochtend den 
v^and nogmaals aan te vallen; maar, onder begunstiging 
van den nacht trok deze af, het slagveld met de meeste ge* 
sneuvelden in hunne volle wapenrusting pr^s gevend aan 
den Prins van Oranje; en dienzelfden dag werd in beide 
legers de vrede afgekondigd, in str^d niet de inzichten van 
den Prins van Oranje, die zich groot voordeel voorstelde van 
het voortzetten van den oorlog, daar de Koning van Engeland 
toen toegetreden was tot het verbond tegen Frankrijk, en 
7000 man had afgezonden tot ondersteuning van den Koning 
van Spanje en van de Hollanders; die krggsmacht kwam te 
Oostende aan land, aangevoerd door den Hertog van Mon- 
mouth, die in persoon met ^lenden spoed bg den Prins van 
Oranje kwam, slechts weinige uren voordat Zijne Hoogheid 
de Pranschen zoo onverwacht aanviel, — zoo als hierboven 
is gezegd. De troepenmagt van den Hertog van Monmouth 



( 123 ) 

kwam ook aan, een week daarna, en kampeerde met het 
Hollandsche leger tot het einde van dien veldtocht. B^na 
de helft van die troepenmacht werd door ziekte weggerukt, 
en met de overblijvenden keerde Zflne Genade > (Monmouth)" 
den volgenden winter naar Engeland terug. Om een oorlog 
met Engeland te vermeden, verkropte de Koning van Frank- 
rgk zgn misnoegen over het overvallen en slag leveren van 
zgn leger, op een oogenblik dat reeds velen wisten, dat de 
Yrede gesloten was eenige dagen te voren . . . ." 

(».... the Prince of Oranje being informed that the Duke 
of Luxemburg with the French army were encamped at 
St. Dennis, about a league from Mons, assembled his army 
and made four days long marches to them, arriving in sight 
of their Camp on a Sunday near twelve a clock ; but a bat- 
tle was not in the least thought of or expected by the ge- 
nerality, many letters coming to the army but the day 
before notifying a peace concluded at Nemigen, where a 
congress was then sitting. This was not very pleasing news 
lor men in the army, who are not deemed lovers or great 
admirers of peace; but to the great surprize of many, and 
seeming joy of all, orders came from the Prince of Orange 
to distribute ammunition to the whole army with all the 
speed possible; which was done in half an hour, every re- 
giment having always their ammunition waggon in their 
rear. About two a clock the Prince ordered the attack, and 
the battle began with furious firing on both sides, continu- 
ing until near nine a clock, when the night parted them; 
and it being an inclosed country, it was for the most part 
hedge-fighting, yet many thousands were killed on both 
sides. His Highness ordered the best refreshments for his 
army in the nighty that could be got for them, intending 
to fall foul on the enemy again the next, morning, but they 
retired by favour of the night, leaving the Prince of Orange 
in possession of the field of battle and most of their dead 
unstripped ; and that very day the peace was proclaimed in 
both armies, contrary to the views of the Prince of Orange, 
who proposed great advantage by the continuance of the 
war, the King of England having at that time entered 



( 124 ) 

into the alliance against France, and had sent oyer 7000 
men to assist the King of Spain and the Dutch, which 
forces landed at Ostend under the command of the Duke of 
Monmouth, who came post to the Prince of Orange, but a 
few hours before His Highness attacked the French so unex- 
pectedly, as before related. The Duke of Monmouth's forces 
arrived also in a week's time and encamped with the Dutch 
army until the end of that Campaign ; near one half of them 
dying before His Grace returned to England with those that 
survived to the winter following. The King of France, to 
avoid a war with England, at that time stifled his resent- 
ment for surprizing his army into a battle after the peace 
was known by many to be concluded some days before. • . . ") 

Uit alle die opgaven ziet men dat, vóór de slag yan 
Saint-Dénis, in het leger der bondgenooten algemeen het 
gevoelen bestond, dat de vrede was geteekend. Nu is het 
onbetwistbaar dat de Stadhouder dit algemeene gevoelen niet 
behoefde aan té nemen als rigtsnoer voor zy ne handelingen; 
h^ moest een officieel berigt afwachten ; maar dan doet zich, 
natuurlgker wyze, weer de vraag voor: hoe komt het dat 
den 14^'^ Augustus, de Stadhouder nog geen officiëele tgding 
had van den vrede, den 10«" Augustus gesloten? 

Als antwoord op die vraag wordt verwezen naar het ver- 
slag van Beverningh aan de Staten van Holland; — maar 
met de beste wil van de wereld, is het ons onmogelgk als 
waar en juist aan te nemen, de uitlegging in dat verslag 
gegeven van het niet ontvangen van het berigt van den 
vrede door Willem Hl. 

De Hoüandache Mercurius — dié, voor het overige, deze 
zaak slechts in het voorb^gaan vermeldt — heeft daar 
over eene zeer naïeve uitdrukking: »de tgdinge van den 
vrede wiert in \ kort nae alle kanten verspreyt, dan nae 
't leger van desen Staet met de geallieerde juyst directe 
geene expresse gezonden, of die niet spoedigh genoegh over- 
gekomen zflnde'' enz. (29^ deel bl. 166). Dus, overal ver- 
nam men dat het vrede was; behalven daar, waar men het 
eerste noodig had dit te weten. Want de vrede waa wel 
een zeer aangename tiding voor. het geheele land ; maar of 



( 125 ) 

men nu te Rotterdam of te Leeuwarden, die tijding een dag 
TToeger kreeg of een dag later, dat deed er zeer weinig toe ; 
maar dat het leger van Willem III die tgding dadelijk ver- 
nam, dat was een zaak van' het hoogste gewigt. Dus 
allereerst moest men een koerier naar Willem III hebben 
afzonden. 

Maar, zegt het verslag van Beverningh, de Hollandsche 
onderhandelaars te Ngmegen hadden toen geen koerier be- 
schikbaar. Ernstig te antwoorden op zoo iets, is haast, niet 
noodig. Geen koerier beschikbaar! Geen koerier beschikbaar 
YOör eene aangelegenheid van zoo overwegend belang ! Geen 
koerier beschikbaar, terwijl het denkelgk niet ontbroken heeft 
aan ruimte van geld en middelen! Waarom niet, van de 
bezetting van Ngmegen, een oJB&cier te paard gezet ; — één 
officier? twee officieren, tien officieren des noods; — om in 
ijlenden spoed een zoo gewichtig nieuws naar het leger over 
te brengen? 

Willem III wist, dat den 10^° Augustus de uiterste ter- 
men was voor het sluiten van den vrede ; dus, toen h^ den 
14«" Augustus nog geen berigt daarvan gekregen had, had 
h^ het recht om te denken, dat men dien term^gn onge- 
bruikt had laten voorbggaan en dus de vredes-onderhan- 
delingen zoo goed als afgebroken waren. — Die redenee- 
ring is zeer juist; — maar die zelfde redeneering hadden 
de Hollandsche gemagtigden te Nigmegen ook moeten maken ; 
en die zelfde redeneering had hen moeten aansporen, om, 
zonder een oogenblik tgds te verliezen, den Stadhouder be- 
kend te maken met het sluiten van den vrede. 

Men heeft toen het berigt van den gesloten vrede maar 
meegegeven aan den koerier van de Spaansche Ambassade; 
eu die koerier heeft onderweg een ongeluk gekregen, zoodat 
daardoor het berigt niet tijdig is gekomen bij den Stad- 
houder. Die koerier wordt ergens genoemd; maar veel 
wordt van hem niet gezegd ; en men mag dus vragen : Wan- 
neer is hem dat ongeluk overkomen? en waar? is hij met 
het paard gestort, is hij opgelicht geworden, of door andere 
oorzaken opgehouden? Wanneer is het berigt b^ den Stad- 
houder gekomen? — Op alle die vragen ontbreekt het ant- 



( 126 ) 

woord; en toch^ in een strafrechterlek geding zou op die 
vragen een duidelgk en yoldoend antwoord moeten g^eyen 
worden, alvorens een vr^spraak zou kunnen volgen. Moet 
de geschiedenis anders te werk gaan dan de rechter? 

Een groot krggskaadig schrijver, Glausewitz, heeft, in 
zgn bekend werk » Over den Oorlog", gezegd : » dat de 
oorlog ook is een voortzetting van de diplomatieke hande- 
lingen door middel van de kracht der wapenen'\ Men kan 
misschien opkomen tegen de juistheid van die woorden van 
Clausewitz, in haar geheelen omvang; maar zooveel is toch 
onbetwistbaar, dat er een naauw verband moet bestaan tos- 
schen de kr^gsverrichtingen en de staatkundige inzichten en 
diplomatieke handelingen. Hier, in 1678, moesten de krijgs- 
verrigtingen in de Spaansche Nederlanden invloed hebben 
op clc raadslagen van het N^meogache Congres; en omge- 
keerd, moesten die raadslagen Willem III ten rigtsnoer zign 
bg de leiding van de handelingen van het leger. Er moest 
dus eene voortdurende en onafgebrokene gemeenschap z^n 
tusschen N^megen en het leger; en dit kon zeer goed; 
want de afstand was niet groot, en de wegen goed en veilig ; 
namelijk: goed en veilig voor dien tgd. 

De eisch van Frankryk, om den vrede af hankelgk te maken 
van de voldoening die gegeven moest worden aan zyn bond- 
genoot Zweden, had de kans van het voortdureu van den 
oorlog weer vergroot; maar toen, den 6^^ Augustus, de 
Fransche onderhandelaars te Nijmegen dien eisch hadden 
ingetrokken, tioeu was het sluiten van den vrede zoo goed 
als zeker; ten minsten» meer dan waarschynl]gk. Van 6 
Augustus tot 14 Augustus — de dag van Saint-Dénis — 
is een t^dsverloop van acht dagen ; was dat tydsverloop niet 
lang genoeg, om Willem III iu kennis te stellen met wat 
er den 6 Augustus te Nymegen was gebeurd? Moest hy dus 
niet weten, dat de vrede ieder oogenblik was te wachten, 
eu dat het dus ongeraden en oaverantwoordelyk was om nog 
over te gaan tot het leveren van een niets af doenden veld- 
slag Î 

Uit de handel lugen van den Stadhouder zou men zeggen, 
dat hy van dien gewigtigen stap, den 6®° Augustus door de 



( 127 ) 

Fransche gemagügden te Ngmegen gedaan, niets heeft ge- 
weten; hij slaat er ten minsten volstrekt geen acht op; hg 
gaat zgn gang, zonder er zich om bekommeren wat er op 
bet Ngmeegsche Congres gebeurt. De handelingen van het 
leger van Willem III en van het N^meegsche Congres staan 
hier zoo weinig met elkander in verband, dat het haast den 
sch^n heeft, als of Congres en leger in verschillende wereld- 
deelen werkzaam zgn. 



Bewgzen zgn er niet om Willem Ill^van kwade trouw , 
te beschuldigen b^ het leveren van dien sliag van Saint- 
Déuis; maar zware vermoedens, wél. Het is reeds gezegd: 
de meeningen kunnen dienaangaande uiteenloopen ; — het 
zg ous geoorloofd, nogmaals de onze uit te spreken. 

Wi) achten het waarsch^ulgk, dat wanneer de Stadhouder 
op den 14^^^ Augustus nog onkundig is geweest van het 
sluiten van den vrede, dit te weeg is gebragt door zgne 
eigene handelingen, of door de handelingen van zgne mede- 
standers. Het belang van den Stadhouder bragt mede^ om 
zoo lang mogelijk onbekend te blgven, met het sluiten van 
den vrede; zoo lang hg niet wist dat het vrede was, had 
hij volle vrgheid om de krijgsverrigtingen voort te zetten; 
ea ^ne groote overwinning was dan misschien voldoende 
om het kunstige gebouw van de Ngmeegsche vredesonder- 
handelingen weer geheel omver te werpen. 

Willem III wilde den oorlog, terwigl de Republiek den 
Trede verlangde. De Stadhouder werd in dat inzicht on- 
dersteund, èn door Spanje, èn door de Duitsche vorsten: 
beide zouden by den vrede verliezen ondergaan; en beide 
zagen minder op tegen het voortzetten van den oorlog, die 
toch hoofdzakelyk gevoerd werd met het geld en met de 
oorlogsmiddelen van de Republiek. Ook Temple deelde die 
zucht van den Stadhouder om de wapens te blgven voeren 
tegen de heerschzucht van Lodewgk XIV; de vermaarde 
Sngelsche staatsman behoorde toen meer aan den Stadhouder 
dan aan zgn eigen Koning. Reeds toen begon Willem III zgn 
euterdreggen op Engeland uit te werpen; reeds toen oefende 



( 128 ) 

hij daar een magtigen invloed uit; en de vrgheidsgezinde 
part^ daar, hield hoopvol op hem het oog gevestigd, als op 
den man der toekomst. De staatkundige handelingen van 
den grooten Stadhouder z^n niet het gevolg geweest van 
ingevingen van het oogenblik; zg waren de vrucht van be- 
ramingen en overpeinzingen, die lange jaren hebben gevor- 
derd, die hem het grootste deel zigns levens hebben bezig 
gehouden. 

Eene hoofdzaak bij de geschiedenis is karakter- studie: door 
de kennis van het karakter der mannen die eene geschied- 
kundige rol hebben gespeeld, kan men de geschiedkundige 
handelingen met meer waarheid leeren kennen, met meer 
juistheid leeren beoordeelen. Op het karakter van Willem III 
beroept men zich dan ook, om daaruit z^ne goede trouw 
af te leiden bij het gebeurde te Saint-Dénis; — de studie 
van dat karakter brengt ons juist tot een tegenovergesteld 
besli^it. 

Laat ons al dadelgk hierbg voegen dat, wanneer wg van 
het karakter van Willem ELI gewagen, wij daarbg hét- oor- 
deel van Gourville geheel en al op zij stellen: aan dat oor- 
deel hechten wij niet de minste waarde. Gourville was geen 
degel^k, geen eerlgk man ; het was een van die wezens wier 
zedeleer het ipeébrengt, dat de diefstal geen schande is, mits 
zij maar op groote schaal wordt gepleegd ; een van die finan- 
ciers, toen zoo veelvuldig in Frankrgk, door wie het volk 
werd uitgeput en de regering verarmd. Hij werd medege- 
sleept in den val van den bekenden minister Fouquet en by 
verstek ter dood veroordeeld ; hij vluchtte met zgn geld naar 
Holland en bragt lange jaren in het buitenland door, maar 
werd eindelgk weer in genade in Frankrijk opgenomen, vooral 
door voorspraak van Condé; Lodewijk XIV was zelfs op 
het punt om, na Colbert's dood, Gourville tot opvolger te 
benoemen van dien staatsman; en het scheelde weinig of 
Frankr^k had het schandaal beleefd om tot minister van 
finantiën te hebbeu den man, die wegens oneerl^kheid iu 
het beheer van 's lands gelden tot de galg was veroordeeld 
geworden. Gourville schgnt voor het overige een man te 
z^n geweest^ die zich zeer aangenaam wist te maken en 



( 129 ) 

zich zeer gunstig wist voor te doen ; geestig, opgewekt, ge- 
vat, indringend, in een hooge mate bezittende wat Mira* 
bean's vader heeft genoemd : Ie terrible don de la /amiliarité ; 
in één woord, een yan die wezens die aan de hoven der 
vorsten soms een groote rol spelen, maar wier onwaarde 
niet twijfelachtig is, daar waftr men nog hecht aan verstand 
en aan degelgkheid. 

Maar verwerpen w^ Gourville's oordeel geheel en al, er 
is een ander Franschman van die dagen, aan wiens oordeel w^ 
veel meer waarde toekennen ; het is de maarschalk d'Estrades, 
een eervol krggsman, een uitstekend diplomaat, en die lange 
jaren als gezant in den Haag had doorgebragt en daar Wil- 
lem III had leeren kennen. In een brief van den 20«» No- 
vember 1674, aan Letellier — de Fransche minister, de 
vader van Louvois — schrift d'Estrades onder anderen het 
volgende over den Stadhouder: >Je crois connaitre son esprit, 
conune ayant eu la dernière confiance en moi jusqu'à Tage 
de dixsept ans que je sortis de mon ambassade. Je dois 
vous dire, Monsieur, que ce Prince a du coeur, de la fermeté, 
de l'ambition et du jugement; mais qu'il est fort dissimulé 
et intéressé à un point jusqu'à passer pour avare". (Rousset. 
Histoire de Louvois; 2® deel, bl. 130). 

Maar, wordt aangevoerd, Willem III was niet wreed. — 
Laat ons elkander daaromtrent verstaan. 

Willem III was niet wreed; — Napoleon was ook niet 
wreed ; de kardinaal de Richelieu, ook niet ; dat wil zeggen, 
dat geen hunner behebt was met die Nero's-lusten om men- 
schen te zien dooden of martelen; daar van spreekt de ge- 
àchiedenis hen geheel en al vrg. Maar èn Willem III, èn 
Napoleon, èn de kardinaal de Richelieu, zagen er hoege« 
naamd niet tegen op, om menschenlevens op te offeren als 
zg dit noodig oordeelden tot het bereiken van een groot doel 
dat z^ beoogden. 

Nu is het onbetwistbaar, dat het doel door Willem III 
t^^oogd, bg alle zgne staatkundige en krggskundige hande- 
lingen, is geweest de handhaving van Europa's vrgheid tegen 
de Fransche dwingelandij; — een groot, een edel doel, 
waaraan hg gedurende geheel zgn openbaar leven, allezgne 

^nSL. UI MKOED. AFO. L£TTCBK. S^e RESKB. DEEL VII. 9 



( 130 ) 

krachten en yermogens heeft gewgd. De Stadhouder was 
Yolkomen oyertuigd dat in 1678 een yrede met Lodewgk XIV 
nadeelig was; dat die yrede niet meer zou zgn dan een 
wapenstilstand; dat intusschen, door den yrede, het bond- 
genootschap tegen Frankrgk uiteen zou yallen eu later 
moe^elgk weer zou zgn te yormen ; en dat dus by een yol- 
genden oorlog, Europa yeel meer geyaar zou loopen yan 
ouder het juk te komen' yan den Franschen despoot. Men 
kan, op goede gronden, de juistheid betwisten yan die iu- 
zichten yan Willem III; — maar, dut is de yraag niet: 
hij zelf was yan die juistheid yolkomen oyertuigd; hy zelf 
achtte den yrede een yerderfelijke ramp; en daarom« mei 
zgn heyigheid yan karakter — zoo goed yerborgen onder 
sch^nbare koelheid — is het yolstrekt niet te yerwondereu 
dat hg alle middelen heeft aangegrepen om dien ramp af 
te wenden, en tot het laatste oogeiiblik den yrede te belet- 
ten; het is daarom zeer goed te begrepen — te begrijpen. 
daarom nog niet te rechtvaardigen — dat Willem III toen 
z:gne toeylucht genomen heeft tot het leyeren yan eenen 
yeldslag en tot het opofferen yan tal yan menschenleyens ; 
zelfs op het gevaar af, dat ook het brengen yan dat offer 
niet meer zou baten. 

Willem III was niet wreed; — is het wel yoorzichtig, 
hier op te yeel te drukken ? — Men moet dan het gebeurde 
to Glencoe yoorbg zien; dien Sint Bartelsnacht in het klein; 
dien gruwel, die thans, nu b^na twee eeuwei^ daar oyer zga 
heen gegaan, nog met afgr^zen wordt herdacht in het Schot- 
sehe bergland, 't Is waar, het Parlement yan Schotland 
heeft toen oyer een der ministers yan den Koning een straf- 
fend oordeel uitgesproken en hem den schuldigen aan dien 
gruwel genoemd; maar, wat zegt dit; niets anders dan 
dat onder een constitutioneele regeering, de minister alt^d 
de yerantwoordelgke man is; en nooit de Koning. Maar 
dat neemt de zedel^ke yerantwoording niet w^. En nóg 
kan de geschiedenis eenigzins toegeyend z^n in haar oordeel, 
als het geldt een Koning als dien rampzaligen Karel IX yan 
Frankrgk, een half krankzinnig wezen, dat haast eyenyeel 
medelijden als afschuw opwekt ; — maar, natuurlek, dat hier- 



( 131 ) 

yan geen sprake kan z^a bg een gebieder als Willem 111, 
begaafd met zoo uitstekende geestvermogens enmetzalkeen 
onbttigbare kracht van wil. 



Het is met volle overtuiging, en alleen uit eerbied voor 
de geschiedkundige waarheid, dat wig verwezen op die duistere 
gedeelten, die ook in de levensloop van Willem III voor- 
komen;' die schaduwz^den in zijn karakter versterken ons 
in de meening, dat idealen van volmaaktheid, groote man- 
nen zonder smet of vlek, uitermate schaarsch z^n in de 
geschiedenis; meestal is het goed vermengd met kwaad; 
en men moet dat kwade vergeven, ter wille van het grootsche, 
het geniale van hun denken en handelen. 

»Qui sait, si le génie 
n'est pas une de tes vertus?" 

heeft Lamartine bg het graf van Napoleon uitgeroepen; en 
die woorden van den dichter mogen ook den geschiedkundigen 
tot leiddraad dienen bg het uitspreken van zgn oordeel. Volgt 
men dieu leiddraad, dan zal men het niet vreemd vinden, 
dat, in weerwil van de duistere gedeelten die in zgn levens- 
loop gevonden worden, wg toch Willem III een van de 
grootste mannen noemen, die de geschiedenis oplevert. 

Nog kortelings bg het lezen van Ae:^ Histoire de Louvoie" 
door Bousset geschreven, viel ons een bgzonderheid op, die, 
alleen reeds voldoende is om aan te toonen, hoe hoog Wil- 
lem III stond aangeschreven bg zgne tgdgenooten ; het is de 
TTengde van de Pargzenaars^ in Julg 1690 toen het valsche 
berigt verspreid werd, dat de Oranjevorst in Ierland was ge- 
sneuveld : 

»Qu^'on se figure le Paris de 1690, à minuit, silencieux 
et sombre, en un rien de temps éclatant de lumière et de 
brait. On court les rues, on frappe aux portes: »Reveil- 
lez-vous! Il est mort! Le Prince d'Orange est mort!" Par- 
tout des falots aux fenêtres et des feux de joie sur les pla- 
ces; partout des tables hors des maisons, des tonneaux qu'on 

défonce, le tumulte et Torgie. Cependant les gens de police, 

9» 



( 132 ) 

étonnés, confondus, n'ayant point d'ordres, essayent envain 
de calmer cette effervescence; on les entoure, on les em* 
brasse, on les fait boire; ils se laissent gagner à la foule. 
Et voilà comment les gazettes étrangères ont pu, selon les 
apparences, accuser Louis XIV et ses ministres d*avoir pro- 
voqué ce désordre. Ils en furent très-fachés, au contraire, 
par ce qu'ils en sentaient bien Tinconvenance/' (Rousset, 
4« deel, bl. 424—425). 

Treffend is het, als in het laatste boek van de Uias de 
rouw bezongen wordt, die de Trojanen plegen over het ver- 
lies van hun grooton held, over het verlies van 

»dien Hektor, met wiens dood ook Ilium moest vallen.'' 

Als geheel een volk de dood van een z^ner helden be- 
treurt, dan is dat wel een bewgs voor diens grootheid. 
Maar even krachtig bew^s is het, als de vganden b^ den 
dood van dien held juichen; dat is een schitterende hulde 
aan zgn naam en nagedachtenis gebragt ; en zulk een hulde 
is Willem III ten deel gevallen, toen in die zomernacht 
van 1690 Par^s jubelde over den dood van Frankrflk's 
grooten. vgand. 

'8 Gravenhage 2 Mei 1877. 



GEWOi^E YERGADEUJAG 



DSB AFDEEMKO 



TAAL-, LETOKB , GESCHIEDKUNDIGE EN WIJSGEERIGE 

WETENSCHAPPEN, 

CEHODDBN DkX U««» MEI 1877. 



Tegenwoordig de heerea: w. holl, voorzitter, c. leemans, 

W. 6. BULL, L. PH. C. YLS DEN BEUOH, J. DB WAL, J. H. SCHOLTEN, 
W. J. KNOOP, 6. DE y&IES AZ., N. BEETS, R. PRUIN, A. KUENEN, 
B. J. LINTELO DB OEEK^ H. KEBN, J. A. FBUIN, S. A. NABEK, 
J. P. SIX, B. D. H. TBLLEGEN, M J. DE OOEJE, H. YAN U£BW£BD£N, 
i. P. N. LAND, J. O. DE HOOP SCHBFPEB, M. P. A. 6. CAMPBELL, 

p. BE JONG en j. c. o. BOOT, secretaris. 



Het proces-verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en goedgekeurd. 



Tan de heei^n Opzoomer en W. C. Mees is bericht ont- 
vangen, dat zg verhinderd worden de vergadering b^ te 
wonen. 



Op verzoek van den voorzitter leest de secretaris eene 
missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, van 
23 April 1.1., inhoudende kennisgeving, dat Z. M. de Koning 
bg kabinetschreven van 19 April heeft bekrachtigd de be- 
noemingen van de beeren C. W. Opzoomer en W. Moll tot 
Toorzitter en onder- voorzitter, van de beeren Dr. J. G. R. 
Aequo; te Zalt-Bommel, Dr. P. J. Cosgn te Leiden, Mr. H. 
P. 6. Quack te Utrecht en Mr. Â. A. de Pinto te 's Gra- 

TBttk UI lUDKD. AID. LSTTIUL 24» SBSKS. DBXL VII. 10 



( 134 ) 

venhage tot gewone leden en van J. B. de Rossi te Bome 
tot boitenlandsch lid. 

De secretaris verklaart dat h^ van die benoemingen aan 
de betrokken personen kennis heeft gegeven, en dat de ge- 
wone leden allen hebben aangenomen en z^n opgekomen. 
Zg worden daarop binnengeleid, nemen zitting en worden 
door den voorzitter verwelkomd. 

Vervolgens wordt gelezen een brief van den heer Giam 
Batista de Rossi, gedateerd Rome 8 Mei jl., waarbg deze 
zich zeer gevoelig betuigt voor de hem bewezen eer en de 
benoeming aanneemt. 

De secretaris bericht dat als de dichters der loffelgk ver- 
melde latgnsche gedichten Fasti Insubrici, Thomas Aquinas 
en Omithogonia zich hebben aangemeld de beeren Francesco 
Pavesi te Milaan, Vito Vaccaro te Palermo, en Pietro Ro- 
sati te Bologna, de laatste daarbij ten stelligste verklarend 
dat z^n gedicht origineel is en dat geen dichtstuk van ge- 
leken naam of soortgelgken inhoud hem bekend is. 



De heer Knoop komt terug op Willem III en den slag 
van St. Dénis, omdat hg niet geheel instemt met hetgeen 
door den heer R. Fruin in tegenspraak met zgne vroegere 
mededeeling daarover in de vergadering van April is te berde 
gebracht. De spreker geefb wel toe dat de Prins vóór het 
gevecht geen bericht van het sluiten van den vrede heefi 
gehad, maar noemt het eene opzettelgke onkunde, omdat de 
Prins geen vrede wilde. H:g zoekt door de getuigenissen vau 
W. Temple, 6. Carleton en majoor Bemardi te bewezen 
dat reeds voor den slag het algemeen gevoelen in 't leger 
was, dat de vrede was geteekend, en keurt het zeer af dat 
de Prins zich daaraan niet heeft gestoord. De spreker heeft 
z^n ongunstig oordeel over 's prinsen karakter niet gewij- 
zigd. Hg biedt het gesprokene aan voor de Verslagen en 
Mededeelingen 

De heer R. Fruin betreurt het dat de spreker niet met 
repliek heeft gewacht, totdat zijn stuk afgedrukt zal zijn. 
Mogelgk zouden zij dan op enkele punten het eens zgu ge- 



( 135 ) 

worden. Hg maakt eenige opmerkingen over de door den 
spreker gehoorde getuigen, over het gedrag van van Bever- 
oingh, en over de noodzakelgkheid om Mons te ontzetten. 
Zgns in2den8 heeft het gevecht wel degelijk verandering in 
den stand vaa zaken gebracht; want het bewerkte de op- 
heffing der blokkade van Mons. Overigens wenscht de heer 
Froin de discussie hierbg te staken, en aan het oordeel 
Tan andereu over te laten, of de slag van St. Dénis een 
lichtpunt of een zwarte stip in 't leven van Willem III is. 
Nadat tusschen de beeren Knoop en Fruin nog eene gedach- 
tenwisseling beeft plaats gehad over het zonderlinge, dat het 
leekenen van den vrede te Ngmegen op 10 Augustus, den 
Tierden dag daarna nog niet bij Mons zou bekend zgn ge- 
weest, wordt deze discussie niet verder voortgezet. 



De heer Kern handelt over een Oudjavaansche vertaling 
van het Mahâbhârata, die in de elfde eeuw onzer jaartel- 
ling gemaakt is. Een zeer bedorven afschrift uit de vorige 
eeuw is hem uit Bali toegezonden. Niettegenstaande vele 
fouten is het dienstig ter bevordering der kennis van de 
Kawi-taal Hg wenscht daarom een gedeelte met Nederl. 
vertaling aan zijne bgdrage toe te voegen^ en biedt die aan 
voor de Verhandelingen der afdeeling. Zg wordt in handen 
gesteld ebener commissie, , bestaande uit de beeren Veth . en 
de Goeje. 



Dezelfde doet nog de volgende mededeeling over den oud« 
aten vorm der Indische 4. 

>la *t opstel van Pandit Bhagvânlâl Indraji On the ancient 
Ségari numerals^ in den Indian Antiquary van Febr. 1877, 
is geen melding gemaakt van ^t oudste ons bekende cgfer, 
gelgk het voorkomt in 't opschrift van Khalsi, zgnde eene 
audere redactie van Inscr. XIII van Girnar. De passage, waar 
'i cgfer 4 te lezen staat, vindt men in Gen Cunningham, 
Archaeological survey of India, Vol I, pi. XLI: 

10» 



( 136 ) 

A(m)ti70ge nàma Tona(lâjâ pa) lam cä tena 
Amtijona (L Amtiyogena) catâli -t- lajane, 
Tulamaye nama, Amtikina (1. Amtikoiie) n&ma, 
Màkâ nâma, Alikyasadale nàma. 

Achier catâli^ vier, staat het cgfer voor dat getal, een een- 
Yondig kroifl. Waarom dit juist vier aanduidt, behoeft geene 
toelichting; het teeken spreekt voor zich zelf. 

Het volgend getal, y^f, is tot nog toe niet in een Açoka- 
inscriptie ontdekt, doch uit de latere vormen, inzonderheid 
in 't Oudjavaansch schrift, bl^kt dat het c^fer voor 5 niets 
anders is dan het teeken voor 4 met toevoeging van een 
streep of krul boven 't kruisje/' 



Nadat door den secretaris, namens den heer Veth, van 
diens werk over Java^ Afl 16 — 23 en door den heer Quack 
De Socialisten, D. I en II, 1 voor de boekery zgn aange- 
boden, en niemand verder het woord verlangt, wordt de ver- 
gadering gesloten. 



GEWONE YERGADERIJNG 

OEK AFDBBLIN6 

TAAL-, LETTEB-, OESCHTEDEÜNDIGE EN WIJSOEEBIOE 

WETENSCHAPPEN, 

6KH0DDKN DEN Uden JDNi 1877. 



Tegenwoordig de hoeren c. w. opzogheb, voorzitter , c. lsekavs, 

ILDBVKISS, J. DE WAL, W. J. KNOOP, G. DE VRIES AZ., N. BEETS, 

A. KUINEK, B. FBT7IN, W. O. KEES, 8. A. NABEB, TH. BOBBET, 
J. P. SU, P. J. VETS, H. J. DE GOBJE, J P. N. LAND, C. VOSMAEB, 

B. D. H. TBLLEOEN, M. F. A. G. CAMPBELL, J. G. B. ACqUOY, 

P. J. OQSUN, H. P. G. quACK en J. C. G. BOOT, secretaris. 



De heer Moll heeft zich wegens het niet bgwonen der 
TeigaJering yerontschaldigd. 



Het proces-verbaal der vorige zitting wordt gelezen en 
goedgekeurd. 



De commissie, aan welke de verhandeling yan den heer 
Kern over eene Ondjavaansche vertaling van 't Mahâbhârata 
ter beoordeeling is gegeven, brengt bg monde van den heer 
de Goeje verslag nit. Met de slotsom, strekkend tot opne- 
ming in de werken der afdeeling, vereenigt de vergade- 
ring zich. 



De heer de Goeje doet eene mededeeling over den stand 
der bewerking en over de voorbereiding der uitgave van 



( 138 ) 

Tabari's geschiedenis. Bij nader onderzoek is gebleken, dat 
er noch te Mecca, noch te Medinah eenig handschrift te 
vinden is. Er z^n echter elders niet onbelangr^ke fragmen- 
ten gevonden. De commissie voor de bewerking is met drie 
leden vermeerderd, en telt dus nu tien leden. 

Uit verschillende landen is geld voor de uitgave gezon- 
den of toegez^d. In Januari 1878 hoopt men met drukken 
aan te vangen. 



Vervolgens levert de heer Tellegen eene Bijdrage tot de 
Geschiedenis der Grondwet van 29 Maart I8i4. Na'er op 
gewezen te hebben, hoe b^ deu dageraad onzer onafhanke- 
Igkheid twee dingen vast stonden: de souvereiniteit van den 
Prins en de invoering eener Grondwet, schetst hy de samen- 
stelling der commissie bg besluit van 21 December 1813 
door den Souvereinen vorst benoemd, en wgst er op hoe de 
1 5 leden dezer commissie byna allen tot de oude regeerings- 
familiën behoorden, en slechts twee hunner (van Maanen 
en Heerkens) eerst door de revolutie van 1795 op den voor- 
grond waren getreden. Van deze commissie werd verlangd 
de samenstelling van een Ontwerp-Grondwet, dat daarna door 
notabelen uit de geheele natie zoude worden bekrachtigd. 

De commissie koos in hare eerste vergadering, gehouden 
den 278ten 'December 1813, G. K. van Hogendorp tot presi- 
dent, en vergaderde sedert ten zgnen huize: den 1 Maart 
had zij haar werk voleindigd. 

De vergaderingen hadden byna dagelgks plaats, alleen vao 
22 tot 28 Januari en van il tot 28 Februari, werden zy 
geschorst, de eerste keer naar het schynt om de denkbeelden 
van de leden der commissie over de verhouding van Staat 
en Kerk tot meerdere rypheid te doen komen; de tweede 
keer, om de commissie van redactie uit haar midden be- 
noemd, tgd te geven voor de formulerinjg der grondwet. 

In die vergaderingen werd tevens gehandeld over hetgeen 
er moest geschieden, om het ontwerp als grondwet te doen 
aannemen en over de invoering der grondwet. 

Hoe zoudeu de notabelen, geroepen om het ontwerp te be- 



( 139 ) 

bachtigen, worden benoemd ? Niemand dacht aan eene kenze 
door het volk. Ook scheen het niet raadzaam, hen rechtstreeks 
door den Sonvereinen vorst te laten benoemen. De commis- 
sarissen generaal en de departementen zonden Igsten in, die 
door de individneele leden der commissie werden aangevuld. 
Het zoo verkr^en getal moest tot 600 worden teruggebracht, 
roor elk departement een bepaald aantal naar de volkrgkheid. 

Het gevoelen der commissie om daarvoor de toevlucht te 
nemen tot het lot, werd door den Sonvereinen vorst niet ge- 
deeld, die b^ besluit van 14 Februari 1814 een commissie 
ran negen leden benoemde, waaraan die zuivering werd opge- 
dragen. Doch zouden nu die notabelen kunnen geacht wor- 
den de tolk der natie te zijn, of was daartoe nog iets anders 
noodig? Men begreep dat de Igsten der notabelen voor elk 
departement ter visie moesten worden gelegd, om een ieder 
in de gelegenheid te stellen, de personen aan te wgzen, die 
men onder de notabelen niet wenschte opgenomen te zien. 
Eene aanwgzing van individneele personen, en niet zooals 
oorspronkelgk was voorgesteld, eene afkeuring der geheele 
l^si Dienovereenkomstig werd bg proclamatie van den Sou- 
Teieinen vorst van 2 Maart 1814 de zaak geregeld. Wan- 
neer het nu aldus zoude blgken, dat de notabelen het al- 
gemeen vertrouwen genoten^ zouden zg door den Sonvereinen 
Torst worden beschouwd als representerende het geheele Neder- 
landsche volk. 

Hg zoude ze dan begroeten als uitmakende de groots ver- 
gadering, representerende de Vereenigde Nederlanden, 

Men schgnt het minder voorzichtig te hebben gevonden 
te doen, wat eerst was voorgesteld^ dat namenlgk de Sou ve- 
reine vorst de notabelen zouden verklaren tot vertegenwoor- 
digers der natie. Hg zoude eenvoudig het feit constateren, 
dat zg de vertegenwoordigers waren ; zgnerzgds echter daarbg 
als 't ware Igdelgk blgven. 

Een ander hoofdpunt, dat tevens een onderwerp van be- 
raadslaging in de commissie uitmaakte, betrof de invoering 
der grondwet en meer bepaald de benoeming voor de eerste 
reis der collégien^ als Staten- Generaal, Staten Provinciaal 
enz. Men was het er over eens^ dat dit door den Sonvereinen 



( 140 ) 

vorst moest geschieden. Men was eerst yan meening, dat de 
notabelen namens de natie den Souyereinen yorst daartoe uit- 
. drukkelyk moesten machtigen. Er werd zel& een besluit ont- 
worpen, door de notabelen te nemen, waarin dit was geregeld. 
Het oyerleg met den Souyereinen yorst leidde echter ten 
slotte hiertoe, dafc hoewel men de inyoering der grondwet 
door den Souyereinen yorst als iets, dat vast stond, beschoaw- 
neude, de nadere regeling van dit punt door de commissie 
aau den Souyereinen vorst geheel en al werd overgelaten. 

Spreker schetste daarna in hoofdtrekken het voorgevallene 
in de vergadering der notabelen den 29*^«" en SO^'^ Maart 
1811 te Amsterdam gehouden. Van de 600 kwamen 474 
op. Die vergadering bepaalde zich, wat ook in de bedoe- 
ling der commissie lag, tot veel solennia en weinig zaken, 
Eene aanspraak van den Souyereinen vorst, eene rede van 
het lid der commissie van Maauen op den 29^^^ Maart, ge- 
volgd door de aanneming der grondwet met 448 vau de 
474 stemmen. Den volgenden dag een aanspraak van den 
voorzitter der notabelen aan den Souyereinen vorst, door 
dezen beantwoord ; 's vorsten eed en inhuldiging ; uitroeping 
door den wapenheraut; alles bekroond door eene godsdien- 
stige rede van den predikant Haack. De president der nota- 
belen was niet door hen gekozen, maar door den Souye- 
reinen vorst aangewezen ; in de afdeelingen of in de vergadering 
werd geen debat toegelaten; alles loste zich op in het uit- 
brengen der stemmen; ja zelfs over de wgze van inyoering 
der grondwet werd niets bepaald. De Souvereine vorst be- 
greep de grondwet te kunnen invoeren, zonder dat hem daar- 
voor een opdracht was verstrekt. 

Uit al het voorgevallene blgkt, dat men van deeeuez^de 
terugdeinsde voor eene vaststelling der grondwet zonder dat 
de stem der natie daarop was gehoord, van de andere zgde 
echter vreesde voor eene flinke toepassing van dit beginsel. 
Spreker meent dat deze vrees ongegrond was. Zelfs wanneer 
men de grondwet aan de bekrachtiging van het algemeen 
stemregt had onderworpen, zoude de uitslag niet anders ge- 
weest z^Q. Alle zucht naar zelfregeering en politieke vrgheid 
ontbrak. De blydschap over het aftrekken van den vreemde- 



(141 ) 

ling en over de herstelling van het Hois van Oranje stelde 
al het andere in de schaduw. Wat nog daarnaast in het 
gemoed des volks snaren konde doen trillen, was het stuk van 
den godsdienst. De 26 stemmen, die zich tegen de grondwet 
verklaarden, moeten dan ook hoofdzakelgk geweten worden 
aan de afkeuring van de verhouding van den staat tot de 
kerkgenootschappen, zooals die bg de grondwet was gere- 
geld. Slechts eene enkele der tegenstenmiers werd door zui- 
ver politieke beginselen geleid. Met deze opmerkingen ein- 
digde spreker zjne schets der geschiedenis van de grondwet 
?an 1814. 

2gne mededeeling lokt geene discussie uit en is alleen in 
uittreksel bestemd voor de Verslagen en Mededeelingen. 



Bjj de aanbieding eener brochure getiteld: Brief des Frei- 
hem Karl von Estorff an Prof. E. Desor. Zweite Aufl., Bern 
1876, door den schr^ver met een begeleidend schrgven voor 
de Akademie bestemd, wgst de heer Leemans op de ver- 
diensten van den schrgver als archaeoloog, en hoopt dat 
diens stelling, dat de verhuizing der Germanen uit hun Asia- 
tuch geboorteland naar . Europa, niet over den Caucasus, 
maar door Noord- A^ï^^ ^^ overoude tgden zou hebbeu plaats 
gehad, ook met het oog op overeenkomst tusschen het oud- 
Germaansch en de taal der Tuareks, tot onderzoek en be- 
spreking zal leiden. 

Aan dien wensch wordt dadeligk voldaan door de beeren 
de Goeje en Eern. De eerste ontkent elke verwantschap tus- 
schen het Germaansch en de taal der Tuareks, Berbers, £[a- 
bylen enz., die allen van Semitischen oorsprong zgn. De ander 
ontkent de hoogo oudheid der Germanen, en het groot ver- 
schil dat men tusschen hen en andere volken aanneemt. 



De secretaris heefb aan elk der leden een exemplaar van 
een franschen brief en van een daarbg gevoegd stuk van 
deu üostenrgkschen zeeofGicier Weyprecht doen ronddeelen 



( 142 ) 

en Traagt af daarop ook een besluit moet genomen worden. 
T)e voorzitter zegt daarop dat de brief aan de geheele Aka- 
demie gericht is, en dat h^ daarover in overleg is getreden 
met den voorzitter der zaster-afdeeling. Er is besloten twee 
leden van elke afdeeling uit te noodigen om de vraag te 
beantwoorden, of het wenschel^k is het gouvernement aan 
te sporen, om de vestiging van observatie-posten in de N. 
en Z.-poolstrekeii te bevorderen. Voor deze afdeeling wordt 
die commissie opgedragen aan de beeren P. J. Veth en J. 
E. J. de Jonge. 



De secretaris vertoont een bundel lat^nsche poëzie vau 
den Âbt Gaetano Buganza in 1830 te Prato met een itali- 
aanschen titel uitgegeven, waarin op blz. 9 — 23 een gedicht 
voorkomt^ waarin niet over de canarieteelt gehandeld wordt, 
maar over de inrichting eener vogelvlucht en wat de auteur 
zelf aldus opgeeft: 

Captivae quae tecta domus condenda volucri, 
Qui cultus, positis qui dignior incola tectis, 
Indictum ore alio carmen, nunc dicere primus 
Aggredior. 

Tusschen dit gedicht en de voor den laatsten wedstrgd 
aangeboden Ornithogonia is geen de minste overeenkomst. 
En al heeft Buganza later een meer gel^ksoortig onderwerp 
behandeld, zooals uit eene aanteekening op blz. 10 kan vermoed, 
worden, dan heeft toch dat waarsch^nl^k niet uitgegeven 
gedicht met de Ornithogonia van Pietro Rosati buiten den 
titel zekerl^k niets gemeen gehad. 

Hg meende als lid der commissie van beoordeeliti^ vau 
de latgnsche pr^sversen dit te moeten mededeelen, om een 
vroeger uitgesproken verdenking tegen de originaliteit der 
Ornithogonia op te heffen, voorzoover dit na de stellige ver- 
klaring van den heer Rosati nog noodig geacht mocht 
worden. 

De voorzitter spreekt den wensch uit, dat de commissie 



( 143 ) 

niet dan op steyige gronden tw:yfel aan de echtheid van een 
ingezonden gedicht zal uiten. 



Door den heer Veth wordt de 24»*« en 25®>* afl. van Java, 
door den heer Boot de vierde uitgave zgner bewerking van 
J. N. Madvig's Latynsche Spraakleer voor de boeker^ aan- 
geboden. 



Daar er niets meer te behandelen is, sluit de voorzitter 
de vergadering met den wensch, dat de leden na de vacantie 
in gezondheid tot hunne bezigheden zullen terugkeeren en 
dat ook de Akademie daarvan de vruchten moge zien. 



VERSLAG 



07BB SEME 



YERHAKDELINa VAN DBN HEER 8. A. NABER, 



GKTITBLD i 



QÜAESTIONES HOMERICAK 



M. H! 

Reeds tachtig jaar zgn verloopen, sints F. A. Wolf zgne 
theorie over het ontstaan van de Homerische gedichten in de 
Prolegomena openbaar maakte, en nog altgd blgft de Homerische 
quaestie aan de orde van den dag. Zgne meening dat de Hias 
üit eenige oorspronkelgke, niet samenhangende liederen is 
samengesteld, vond b^ hevige bestriding aan de eene zgde, 
van den anderen kant warme verdedigers. G. Hermann, 
Lachmann, Eöchly, om van anderen te zwegen, traden min 
of meer in de voetstappen van Wolf; zg trachtten zgne 
hypothese aannemel^k te maken uit de gedichten zelve, 
waarin eene menigte tegenstrydigheden, onvolledigheid, noo- 
delooze uitweidingen, ook het verschil van toon en stgl te 
duidelgk aantoonden, dat hier meer dan één dichter was 
werkzaam geweest. Anderen traden op als verdedigers der 
oorspronkelgke eenheid; hoezeer erkennende, dat er in de 
Ilias vele en groote toevoegsels van later hand zgn, zagen 
ze toch over het geheel plan en regelmatigheid. Slechts wei- 
nigen wierpen zich op als verdedigers van de echtheid der 



( U5 ) 

Ilias in al hare deelen, maar zelfs onder deze weinigen is 
er wel wellicht geen, die niet aanneemt, dat ten minste öf 
enkele stukken door den dichter zelven uit oudere liederen 
zgn overgenomen, öf hier en daar interpolatie heeft plaats 
gevonden, op ruimer schaal dan zg genegen waren in an- 
dere oude schr^vers aan te nemen. Weinigen zgn er thans 
zel& onder de meest behoudende philologen, die nog geheel 
op het oude standpunt staan, dat door Wolf verlaten werd : 
op allen heeft het scherpzinnig betoog in de Prol^omena 
meer of min invloed uii^eoefend. 

Toch is het getal zgner eerste volgelingen, naar w^ mee- 
nen, aan het afnemen. Alleen het schitterend talent en het 
groote gezag van een Lachmann konden de oogen vr^ langen 
tgd verblinden voor de zwakke z^de van Wol& s^lsel, die 
juist door de uitwerking dier theorie had kunnen blgken. 
Daaruit alleen schont te verklaren het feit. dat het onvolle- 
d^e en onbevredigende van de liederen-theorie volgens 
Lachmann niet dadelgk algemeen werd epkend. Van 
daar dat eerst verscheidene jaren na het verschenen der 
Betrachtungen de meening ingang vond, dat er oorspronke- 
Igk eene Ilias heeft bestaan, die langzamerhand is uitgebreid. 
De studie van de Ilias w^'zigt zich meer en meer in dien 
zin, dat de sporen van oorspronkelgke eenheid en samenhang 
worden opgemerkt en de latere uitbreidingen en toevoegsels 
van de oudere bestanddeelen worden afgezonderd. 

Op dit terrein treffen w^ ook den heer Naber aan, 
wiens Quaestiones Homerteae bgna geheel op onderzoekingen 
Yan dien aard betrekking hebben. Bg den aanvang der 
Olympiaden moeten, zoo wordt betoogd, de gedichten van 
Homerus in dien toestand zgn geweest, waarin ze waren 
gedurende den bloeitgd van Griekenland; eene vergel^king 
met de cyclici en de oudste elegische, iambische en melische 
dichters bewgst, dat de Grieken na dien tgd niet in staat 
waren om Homerus te evenaren, en na te bootsen, ook om- 
dat zgn taal hun vreemd geworden was; het bgeenzoeken 
van de verspreide stukken van Homerus op last van Pisi- 
stratus, kan geen anderen zin hebben, dan dat men onder 
den collectief-naam Homerus ook de voortbrengselen der 



( 146 ) 

cyclici heeft yerstaan; ook is het thans uitgemaakt, dat het 
schrift b^ de Grieken veel vroeger bekend is geweest dan 
Wolf in de prolegomena aannam. Wanneer men verder de 
taal in de verschillende deelen van de Hias raadpleegt, dan 
openbaart zich daarin eene zoo opmerkel^ke overeenkomst, 
dat het een gdel streven is om' uit het vermeende veelvuldiger 
voorkomen van enkele eigenaardigheden, b. v. het verzuim 
van de digamma, voor den vroegeren of lateren oorsprong 
gevolgen te willen afleiden; ook de maatschappelijke toe- 
stand, de zeden en gewoonten van de Homerische helden, de 
inrichting van de Grieksche leerplaats en de oorlogsge- 
bruiken blgven zich in de Ilias zoozeer gelgk, dat men be- 
zwaarlgk een zeer groot verschil van t^d tusschen het ver- 
vaardigen harer oudere en jongere deelen aannemen kan 

Het zal wel niet noodig zgn uitvoerig aan Ie wigzen in 
hoeverre en op welke gronden wg hier en daar van de boven 
medegedeelde gevoelens van den auteur zouden meenen te 
moeten verschillen; het onderwerp is trouwens van dien aard, 
dat overeenstemming in alle onderdeelen der quaestie tot de 
vrome wenschen behoort. Wg veroorlooven ons dus alleen 
eenige korte opmerkingen. 

Naar ons oordeel had van de avontuurl^ke opeenhooping 
van feiten in de cyclische gedichten, gepaard met den ach- 
teruitgang van dichterlgke bezieling in de weinige nog be- 
staande fragmenten meer partig kunnen getrokken zgn, om 
het verval der epische poëzie in de 8« eeuw, in tegenstelling 
met den eenvoud, de waarheid en diepte van gevoel bij Ho- 
merus te karakteriseeren. Daarby had tot bewgs, dat de 
cyclici de Homerische gedichten reeds ongeveer in dien om- 
vang moeten gekend hebben, waarin wg ze bezitten, gewe- 
zen kunnen worden op het feit^ dat geen dier dichters het 
terrein der door Homerus behandelde sage heeft betreden, 
maar hunne werken zich van voren en van achteren nauw 
aansluiten aan de in Ilias en Odyssea bezongen onderwer- 
pen. Van den anderen kant zouden wg op de verkeerde 
opvatting van een enkele Homerische uitdrukking in dien 
tgd niet zoo veel nadruk wenschen te leggen als de heer 
Naber; daaruit af te leiden^ dat de taal van Homerus toen 



( 147 ) 

niet meer bekend was, komt ons eenigszins gewaagd voor. 
Verder vragen w^ of het, aangenomen dat het schrift in de 
9^« en 10*^^ eeuw v. C. gebruikelgk geweest is, dan toch 
niet onwaarschijnlijk mag heet^n, dat gedichten, die respec- 
tievelgk bgna 16 en ruim 14 duizend verzen bevatteden, in 
voUedige exemplaren zullen zgn verspreid geweest, terwgl 
die gedichten volgens een matige berekening niet minder dan 
doizend kolommen schrift moesten vullen. Mocht men aan 
de Homeriden, tot de Qajir&v ènéœv àoiSoi behoorende, 
de taak willen toegekend zien, om voor de schriftelijke over- 
levering te zorgen, dan zou dit, bg gebrek aan positieve 
berichten daaromtrent, niet meer dan eene gissing mogen 
heeten, die toch niet voldoende zgn zou om de onvervalschte 
overlevering te verklaren. Immers niets zou de meening 
wettigen, die dan tevens zou moeten aangenomen worden, 
dat of deze óf eene andere broederschap in het uitsluitend 
bezit zou geweest zgn van de rollen, die de poëzie van den 
goddelijken zanger voor liet nageslacht bewaarden. Allen — 
ook Bergk in zijn Grieksche Litteratur-geschichte — stem- 
men hierin overeen, dat, moge ook het schrift de herinne- 
ring soms z^n te hulp gekomen, de gewone overlevering tot 
in het historische tgdvak mondeling geschiedde. Hoezeer 
de ouden stilz wagend het schrift voor den oudsten tijd er- 
kennen, toch getuigen zij aangaande de overlevering niet 
anders, en niet zonder reden neemt Mvijfiri onder de drie 
ondsbe zanggodinnen eene plaats in. Het kon dus wel niet 
anders of er moet, toen de geschrevene exemplaren ontston- 
den of zich vermenigvuldigden, een groot onderscheid tus- 
schen deze onderling hebben plaats gevonden. Toen de tot 
dien tyd hoofdzakelijk door de voordracht en in de herinne- 
ring bewaarde poëzie door het schrift algemeen een vasteren 
Torin verkreeg, is er waarschgnl:yk hier en daar iets opge- 
teekend, dat onecht was en zijn er afschriften in omloop 
gekomen, die voor volledig doorgingen zonder het te zgn. 
In een tgd, waarin geen belangstelling was voor literarische 
curiositeiten^ is het streven om een volledige Homerus te 
bezitten natuurlek niet zoo algemeen geweest; de meer en 
de minder gebrekkige afschriften konden daardoor langer 



( H8 ) 

onveranderd gepropageerd worden. Van dit standpunt be- 
schouwd is de betrekkelgk goed betuigde verzameling onder 
Pisistratus, ook van de echte Homerica opgevat, geenszins 
zoo ongeremd, als de auteur het wil doen voorkomen. Pi- 
sistratus heefk de hier en daar verspreide afschriften doen 
verzamelen en daaruit een min of meer ofiScieel-voUedigen 
tekst doen vervaardigen. Tusschen deze opvatting en de 
ongeremde meening, dat Pisistratus de Uias werkelgk het 
eerst opgebouwd heeft uit het materiaal, dat het toeval hem 
in handen gaf, is een hemelsbreed onderscheid. Het oordeel 
van Lehrs, door den heer Naber verdedigd, dat de werk- 
zaamheid van Onomacritus en de z^nen de cjclici zonde 
hebben betroffen, strookt weinig met de verwaarloozing 
waaraan die dichters te Athene waren blootgesteld. Nergens 
bgna worden zg in de werken van Plato en Aristoteles 
aangehaald. De tragische dichters vonden er de stof in 
voor hunne scheppingen, maar, naar het schgnt, heefb hefc 
groote, ja zelfs het beschaafde publiek zich weinig om de 
geestelooze produkten der cyclici bekommerd. 

Na het aanstippen dezer punteu, waarin wg, schoon er 
kennende, dat z^ in zgn betoog een ondergeschikte plaats 
innemen, van den auteur meenen te moeten verschillen, kee- 
ren we tot de hoofdzaak zgner belangryke verhandeling temg. 

Daar de oorspronkelgke Ilias, die (zoo als de heer N. 
door te w^zen op het verschil van en de tegenstrgdigheid 
tusschen enkele deelen nader tracht aan te toonen) door toe« 
voegsels telkens tot aan de 8"^ eeuw is uitgebreid, in onze 
Ilias waarsch^nl^k gelieel opgenomen is, doet zich de vraag 
op: welke deelen men als de oudste heeft iie beschouwen; 
pericidosae plenum opus aleae. Niet slechts ééne interpolatie 
heeft men aan te nemen, maar de nieuwe toevoegsels zgn 
op hunne beurt uitgebreid, en om de voegen, waar ond 
en nieuw werk zich aaneensloot, onkenbaar te maken, heb- 
ben de rhapsoden zich ook zeker kleine veranderingen ver- 
oorloofd ; het is met de Uias in zekere mate hetzelfde ge^al 
als met een kunstwerk, hetwelk met verschillende lagen van 
pleister bedekt is. De heer Naber onderscheidt vier tgdperken, 
waarin de tegenwoordige Ilias is tot stand gekomen, zóó dat 



(149) 

hg zich niet tevreden stelt met alleen de oorspronkelgke 
Dias un te w^zen, maar ook de interpolaties van de drie 
volgende tgdvakken van elkander afisondert. 

De methode, die hg hierbg gebruikt, is hoofdzakelgk die 
TKQ Lachmann, d. i. met ter zgde stelling van 't verschil 
in taal en orthographie wordt de gang van het verhaal aan 
naawkeurig on4erzoek onderworpen, tegenstrgdigheden, her- 
halingen worden verklaard uit de geschiedenis van het ge- 
dicht en dienen om zgn oorspronkelgken vorm na te vorsehen ; 
de plaatsen, waar de soms slecht verheelde overgangen te 
finden zgn, waar het gedicht niet is caatigatum adunguem^ 
waar de nagel over de slecht geëffende voegen niet heen- 
glgdt, komen aldus aan het licht. Natuurlgk zgn de ge- 
volgtrekkingen verschillend : Lachmann vindt slechts kwalgk 
samenhangende liederen van verschillende zangers; Naberde 
diqecd niembra poetae^ en toevoegsels, die met den naam 
van interpolationea gekenmerkt worden. Wg erkennen vol- 
komen dit verschil in standpunt, maar mogen tevens niet 
ontveinzen, dat het ons eenigzins bevreemd heeft hier en 
^r tegenover den genialen Lachmann, aan wiens voorarbeid 
en methode de auteur blgkbaar zeer veel te danken heeft en 
viens helder eenvoudige en toch elegante betoogtrant niet 
minder dan de opwekkende en onderhoudende Latgnsche stgl 
van zgn groeten voorganger Wolf ons allen tot voorbeeld 
dienen kan, een minder aangenamen toon te zien aangesla- 
gen« Meer bizonder hebben we hier het oog op hetgeen 
over de uitdrukking bestimmte Anschauung wordt in 't midden 
gebracht. Al moge het waar zijn, dat 'de oudste Grieken 
zich in hunne denkbeelden over de Goden niet gelgk bleven 
en daarin geen heldere voorstelling hadden of verlangden ^ 
zoo wordt daarmee niet de meening van Lachman ontzenuwd, 
dat de toehoorders van den zanger, die het verhaal eener 
gebeurtenis uit zguen mond vernamen, wel degelgk eine he^ 
stimmte Anschauung verlangden, d. i. dat het verhaal zoo 
klaar en helder was, dat zg zich de medegedeelde zaken 
konden veraanschouwelgken. Doch dit in transcursu. 

Gaarne verklaren wg, dat we aan de kleine Ilias van 
Naber de voorkeur zouden geven boven de 18 liederen van 

▼IUI. IV lUAlD. AID. LSmU. 2<ie KBSK8. OUL VU« II 



( 150) 

Lachmann. Wel is waar is die oorspronkeligke Ilias, zooals 
de sclirgver zich die voorstelt, nauwlijks een 4<^« gedeelte 
van het tegenwoerdige gedicht, maar er is emficid in. Van 
het eerste boek, waarin Zeus de belofte aflegt om Achilles 
te wreken doof aan de Trojanen de zegepraal te verleenen,. 
wordt terstond naar het elfde boek overgesprongen, het eer- 
ste, waarin werkelijk eene gevoelige nederlac^g aan de Grie- 
ken wordt toegebracht. Deze strijd wordt voortgezet op 't 
eind van boek XV, waar verhaald wordt, hoe Hector de 
Grieksche vloot in brand tracht te steken; de tusschenlig- 
gende boeken^ die een reeks van gevechten bevatten, vallen 
weg. In het XVI'^® boek, hetwelk door de verwijdering van 
't laatste deel van het XI^^ boek zich thans aan de vroegere 
handeling goed aansluit, en in de drie volgende boeken 
(XVII — XIX) wordt het verhaal verder voortgezet in de 
bekende volgorde tot op het oogenblik, waarop Achilles 
z^'ne nieuwe wapenen aangordt om Patroclus te wreken. 
Daarop volgt in het laatste deel van 21 en het eerste van 
22 de strijd die met den dood van Hector eindigt en met 
den zegekreet van Achilles: 

De l^kspelen ter eere.. van Patroclus en de uitlevering van 
het l^k van Hector aan Priamns (boek 23 en 24) blgveo 
achterwege. 

Voorzeker is de kunstzin van den modernen lezer voldaan 
met Hectors dood en Achilles zege, maar eene andere vraag 
is het of de epische zanger door op die w^ze te eindigen 
de gemoedelijke nieuwsgierigheid zgner hoorders zou hebben 
bevredigd. Men denke aan het groote gewicht, dat de Griek 
hechtte aan een eervolle begrafenis, en vergeté niet, dat in 
een tijd van veel grooter ontwikkeling Athènes grootste tra- 
gicus door aan die behoefte van het publiek toe te geven 
de eenheid van eene zijner schoonste scheppingen, de Aiax, 
verbroken heeft. We willen niet al te veel nadruk leggen 
op het feit, dat kunstrechters der oudheid, zooals een- Aristo- 
teles, juist in Homerus de eenheid zgner compositie roemen 
en evenmin op de groote schoonheid van de beide laatste 



( 151 ) 

boeken der Dias, vooral van het yoorlaatste, maar toch mag, 
onzes bedunkens, met eenig recht betw^feld worden, of de 
Grieken de l^kspelen bij het graf van Patroclus en de los« 
kooping van Hectors ligk door zijn grijzen vader gaarne zon« 
den gemist hebben. In elk geval verlangen we hier, zoo 
ergens, zeer krachtige bewijsgronden, en hopen daarom dat 
de door den antenr aangevoerde voor anderen even groote 
nHdavàyxri mogen hebben als voor hem zelven. Wordt hg 
door z^ne kritiek genoodzaakt om nit den dialoog tnsschen 
Hector en Achilles alle plaatsen te schrappen, waar van de 
teruggave van het Ijk des overwonnenen sprake is, dan 
hebben we daar op zich zelf vrede meê, maar vragen met 
bescheidenheid of het wel geraden is een soort van intimi- 
datie te gebruiken tegen den lezer, die 't hart heeft woorden 
schoon te vinden als die door Achilles gesproken, Ilias X, 
261 sqq, thans wellicht een gemeenplaats, maar toen' ze 't 
eerst gezongen werden voorzeker van groote werking: 

*'ExTOQ firi fioij aXage^ övvrifioavvag dyócsve. 
*£ig ovx egi Xfovai xal dv8{)àaiv oçxia nigà^ 
avdè Xvxoi re xal aQves bfiócpQOva Ovfibv êj^ovaiv^ ' 
éXXà xaTcà q)Qoyéovai diajuneçèg àXX'^Xoiffiy xtL 

Zonder eenige nadere motiveering wordt die plaats' eenvou- 
dig op z^ geschoven met een non fero oratoria üla! en een 
min of meer dreigend: paucos /ore confidoy qui his versibus 
ddteUnturl Maar geen wonder dat het den schrijver bg een 
onderwerp als dit niet altoos gelukt zich van alle subiectie- 
riteit vrg te honden. Nog een enkel bewigs daarvoor moge 
liier plaats vinden. 

Het heeft hem altgd gehinderd, dat Patroclus ongewapend 
door Hector wordt afgemaakt. Hij gelooft daarom dat de 
Terzen, waarin de ontwapening van Patroclus door Apollo 
wordt meegedeeld, onecht t%n. Door een vuistslag van den 
God, die den held in den nek wordt toegebracht, valt dan 
aUeen zgn helm op de aarde, en zoo staat hg niet weerloos 
tegenover zgnen vijand, maar valt in een eerlijken str^d. 
Men kan hiertegen mot evenveel grond* beweren, dat het 
kwetsende in dit verhaal niet is weggenomen, omdat de ver- 

II* 



( 162) 

raderligke handelwgs vaa Apollo onveranderd blgft; en in 
de tweede plaats dat het onedele in de gewone yoorstelling 
geheel ten nadeele van de vijanden Tan Patroclus komt, die 
de dichter toch niet behoefde te verheerlijken. Anderen zul- 
len verzekeren, dat juist de weerlooze dood van Patroclus 
hunne sympathie en hun medelgden voor den vriend vaa 
Achilles opwekte. Overigens zij volkomen aan ons geacht 
medelid toegegeven, dat er in de geschiedenis der wapenen 
van Achilles bepaalde tegenstr^digheid heerscht. Volgens *t 
gewone verhaal verliest Patroclus voor het tweegevecht den 
hem door Achilles afgestanen wapendos, maar straks weder, 
wanneer hg verslagen is, maakt Hector dien buit, P 122: 

yvfivóv* drccQ raye rev^ê* ê^Bi y.o()vOaïoXog "Eht&q. 

Het ligt daarom voor de hand om met den schrijver aan te 
nemen dat de verzen II 800 — 804, waarin het verlies van 
lanS| schild en pantser worden meegedeeld, onecht zign. Maar 
dan moet het kort daarop volgende vers 814: 

ov8* vnéfi6iv€v 
nótTQOxkw yvuvóv neç èóvr* êv dfiïor^rêj 

waar van den ontwapenden P. sprake is, insgelgks vervallen. 
Het is ons niet duidel^k hoe de auteur van dit vers in te- 
gengestelden zin kan gebruik maken. 

Een ander voorbeeld. Terw:yi in 't eerste boek de door 
Lachmann opgemerkte inderdaad nog al sterke t^ensirgdig- 
heid, dat terwgl alle goden naar de Aethiopiers héeteu ver- 
trokken te zgn, toch Here en Athene blijken te zgn terug- 
gebleven, vergoelgkt wordt met het bekende woord van 
Horatius longo operi /as est obrepere sofnnum, wordt aan de 
veel geringere zwarigheid, dat het einde van A met 't begin 
van B slecht schgnt te stroken, door den heer Naher, wgl 
ze zgne hypothese sieunt, groot gewicht gehecht. »Extreme 
»versu primi libri," zoo heet het, »Jupiter obdormivisse di- 
»citur, qui solus insomnis est libro II. Novi equidem artes 
»quibus haec in speciem quandam concordiae possint redigi; 
»novi ntrumque locum qui ex 'Odyssea laudari solet: novi 
»ista omnia, inqoam, sed adeo abhorreo ab omni contorta 



e 153 ) 

»expUcatione, at nunc plane cam Lachmanno faciendom vi- 
»deaiur/* We geraken hier in verzoeking den auteur de 
door hem tegen een vroeger door ons genoemde plaats van 
Homerus ingebrachte beschuldiging toe te voegen: Non f e- 
rimus oratoria illa! en zouden liever hebben zien aangetoond) 
welk verschil er dan is tusschen deze plaats der Ilias en de 
door hem bedoelde plaatsen van de Odyssea, waar volkomen 
zooals hier van eenevSeov gezegd wordt ov;( vnvog ê x^> 
en waarom dezelfde verklaring {evdeiv =z dvaj^amöOai) die 
daar geldt, hier niet gelden mag en eontorta verdient ge- 
noemd te worden, 

In 't IX boek worden 2 of 3 vrg groote passages 135 — 
156 ==277— 298 en 388—416 als interpolaties veroordeeld 
op grond dat later in 638 sq., waar op nieuw sprake is 
van de beloften van Agamemnon aan Achilles, wanneer deze 
ign wrok wil laten varen, geen melding wordt gemaakt van 
de ?ro€ger vermelde verloving met ééne zgner drie dochters, 
noch van de steden uit z^n gebied, die hg hem wil afstaan« 
Wg vragen den heer N. waarom die herhaling hier noodig 
W88, terwgl op vs. 638: 

VVV dé TOI iura na^taxof^ev é'èoj^* ci{)igas^ 
de alles samenvattende woorden volgen: 

Welke is verder de kracht van eene tegenwerping als deze: 
y Quid attinebat Ägamemnonem ßliam Achilli despondere veUe 
iqui dicat admodum amanter de Briseïde, vs. 342 sqq.^^ Er 
is immers, meenen w^, nog al eenig onderscheid tusschen 
de dochter van een machtig monarch als vrouw en die eens 
eenvoudigen priesters als bijzit. De aanmerking op het ver- 
woesten van eenige steden in de Peloponnesus ten behoeve 
Tan Achilles, zoo die Agamemnons aanbod om zgne dochter 
te huwen wil aannemen, wordt, meenen wg, genoegzaam 
ontzenuwd door een dergelijke plaats in de Odyssea S 174, 
waar Menelaus tot Telemachus zegt, dat hg gaarne om Ulys- 
ses in zgne nabgheid te hebben — eene stad van zga ge- 
bied zon verwoesten en hem ter woon afstaan : /uiuv nókiv 



( 154 ) 

séccXccnâSccg — àvàGCOvrai ô* éfioi athû). Van zulke 
koningen hebben we gelukkig thans geen begrip meer; maar 
de Hom. oudheid kende ze maar al te goed. Wat beteekent 
verder in hetzelfde boek de opmerking, dat Achilles 357, 
429 en 682 zegt morgen te willen scheep gaan naar z^n 
vaderland, en toch inderdaad blijft;? Alsof dit dreigement . 
den held ernst was en iets anders dan een in drift gespro- 
ken woord! 

Ook komt het ons eenigszins problematisch voor, of de 
meer of mindere eerbied, waarmee de godenfignren behandeld 
worden, wel eenig criterium aan de hand geven, om over de 
betrekkel^ke ouderdom der plaatsen te oordeelen. Wie im- 
mers zal bewezen, dat de oudste dichter meer verhevene voor- 
stellingen van de godheid had dan een van de volgende? Is 
dat gebrek aan respekt voor de goden niet aan alle Grieken 
in meerdere of mindere mate gemeen, en het noodzakel^k 
gevolg van het anthropomorphisme hunner religie? Zou men 
niet eerder geneigd zgn om de meest menschelgke voorstel- 
lingen voor de oudere te houden? Doch noch het één, noch 
het andere laat zich bewezen; en het verstandigst is van 
dergelgke argumenten die, we geven dit gaarne toe, door 
den heer N. zelden gebraikt worden, zich geheel te ontbonden. 

Uit het tot dusver gezegde, waarbg we meer van dien 
aard zouden kunnen voegen, trekke niemand uwer het be- 
sluit, dat we in de hoofdzaak met het betoog van den heer 
N. niet zgn' ingenomen. Over het geheel erkennen wy dat 
h^ aan z^n pogingen, om zijne inderdaad verlokkende hypo* 
these aannemeli)k te maken veel ^ver en veel talent besteed 
heeft; maar bg beschouwingen van deze soort is het uiterst 
moeilgk, om van alle subiectieve redeneeringen vr^ te blgven 
en zich niet hier en daar te laten verleiden ook daar be- 
wgzen te zoeken, waar ze niet te vinden z^n, eindel^k om 
altoos zich klaar bewust te blaren van de waarheid, dat een 
heel argument veel meer kracht heeft dan een dozign halve. 
Zoo kan dan ook niemand, die met deze soort van kritiek 
bekend is, verwachten, dat we ons in alle b^onderheden met 
ons geacht medelid kunnen vereenigen. 

De methode eindel^k, volgens welke de interpolaties naar 



( 1^5 ) 

hare betrekkelgke oudheid tot drie klassen gebracht worden, 
is wellioht de eenig mogel^ke, maar alles behalve zeker. Ver- 
onderstelt drie stukken A, B en C. In B wotdt gevonden 
eene interpolatie, die blikbaar aan A ontleend is: derhalve 
is B recenter; maar in A komt weder eene vervalsching 
Toor, waartoe C gebruikt is; dan is C ouder dan A, en is 
de chronolc^ische volgorde CAB. Zoo lang nu de eerste 
onderstelde interpolatie vast is als een muur, is de gevolg- 
trekking juist, maar wanneer die in B betwijfeld wordt is 
de ouderdom van dit stuk noch met betrekking tot A, noch 
met betrekking tot C zeker. We kunnen dan ook niet ver- 
klaren, dat de resultaten van den schrgver ons eene uitge- 
maakte zaak schenen,, nmar beschouwen niettemin zgn werk 
als een belangrgke bgdrage tot de litteratuur over deze vraag, 
wier finale oplossing misschien altgd tot de pia vota zal be- 
hoozen« 



Op meer positieven grond steunen de als voorarbeid die- 
nende onderzoekingen van den schrgver op het gebied der 
Homerische oudheid, waarvan een gedeelte vroeger door deze 
lergadering met verdiende belangstelling is aangehoord. Tot 
de meest oorspronkel^ke en verdienstelijke paragraphen be- 
hooren o. a. die welke gewgd zgn aan een onderzoek naar 
de inrichting en de volgorde van de schepen en tenten der 
yerschillende Gr. volken, die aan den Trojaanschen oorlog 
bebben deelgenomen. 

Toch wenschen we ook met betrekking tot dit gedeelte 
Tan zgnen arbeid eenige bedenkingen in 't midden te 
brengen. 

Pag, 27 vinden we de volgende bewering: »Nagenoeg 
»die heroen waren /uéXaveg^ donker van haar, zeer weinigen 
ilav6oi\ blond t. w. 4 : Achilles, Meleager, Menelaus, Rhada- 
»manthus en Agamede. Derhalve waren te Mycene onder allen 
»alleen de Atriden blond: Agamemnon, Orestes; omdat Mene- 
»lans ]^avaóg was, waren waarschijnlijk zijn broeder en diens 
»Idnderen ook blond, en daaraan is het toe te schrijven, dat 



(156 ) 

»Aescliylas in de Choephori Electra de haarlok van baren 
»broeder terstond herkennen laat. Euripides b^reep dit niet, 
»en bewees slechts zgne onkunde, door in z^ne Electra deee 
»w^ze van herkenning belachel^k te maken. '^ Is het niet 
wat heel gewaagd, om uit de omstandigheid, dat Menelaus 
iavOóg was te besluiten, dat ook Agamemnon en diens kin- 
deren blond waren ; afgezien zel£3 van het feit dat Homerus 
geen blonde Agamemnon kent? Verder kan uit het noemen 
van 4 blonde mannen en ééne blonde vrouw in de Ilias wel 
besloten worden, dat evenals tegenwoordig nog, in het zui- 
den blond haar betrekkelgk zeldzaam was en daarom voor 
eene schoouheid doorging, maar geenszins dat die kleur zicfa 
volgens de Homerische voorstelling tot die weinigen bepaalde. 
Evenmin wordt eenig bewgs bggebracht voor de dan vol- 
gende bewering, dat te Athene in de klassieke periode het 
Sccrâby êivai meer algemeen is geworden. Immers de door 
Naber geciteerde plaats van Menander 

Tfjv yvyaixa yàç 
Tfiv oœq>QOV* ov Sei rdg rgij^ccg ^avOdg noiêiv 

bewast eer het tegendeel. Juist de zeldzaamheid was de re- 
den, dat lichtzinnige vrouwen heur haar die kleur gaven, 
even als later de Bomeinsche d^mes pruiken van Germaansch 
en Gallisch haar plachten te dragen, en op de schilderles 
der Italiaansche, vooral die der Yenetiaansche school, bg 
voorkeur blonde vrouwen voorkomen. Dit zal ook wel de 
reden z^n, dat in de Grieksche tragedie blond haar een 
grooten rol speelt. Ook betwgfelen wg, dat voor Euripides 
een geheim zou zijn gebleven, hetgeen z^n oudere t^dge- 
noot Aeschylus, volgens den heer Naber, zoo precies wist. 
Vergissen we ons niet, dan volgde Aeschylus met de hem 
eigen dichterlgke naïviteit eenvoudig de oude sage, die zich 
om waarschgnlykheid niet bekommert, terw^l in Euripides, 
die overigens in zgne kritiek volmaakt gel^k had, hier zooals 
maar al te dikw^ls de criticus den dichter gedood heeft. Bo- 
vendien bepaalt zich die kritiek geenszins tot de blondheid. 
Wat eindeiyk de blondheid van de oude loniers aangaat, 



( Ï57 ) 

Terwachten w^ betere getuigenissen dan dat yan Adaman- 
tins, een schrgver uit de 5^^ eeuw na Christas. 

Het bew^s, dat Homerus waarschignlgk geen leeuwen ge- 
kend heeft, omdat hg nergens leeutoinnen noemt, komt ons 
eTen zwak voor, als dat rozen hem onbekend zign geweest, 
wgl het substantiyum qó8óv in zgne gedichten niet yoor- 
komt, o&choon hg toch tallooze malen Aurora met den 
Dsam Tan de rozenvingerige {QoSodaxrvXoç) bestempelt. 

Dat de tamme duiven eerst tegen 'i begin der 5f^ eeuw 
T. G. in Qriekenland ingevoerd zgn, blgkt niet volkomen uit 
de door den heer Naber aangevoerde plaats van Gharon Lamp- 
sacenns bg Athenaeus IX, p. 894. Die luidt: Kai Xevxai 
niifiçeçal rórs nifioTOV €Ïg*'EXXrp^ag ècpàvtiaav^ nçoreçoy 
ov yvfvófAtvai. . Hg kón zich zoo bezwaarlgk uitdrukken, 
als er niet reeds vroeger bonte tamme duiven in Grieken- 
land geweest waren. 

De heer Naber gelooft met Nitzsch, dat de honden in de 
Homerische periode veel woester waren dan thans. We 
willen dit niet t^enspreken, maar geen van de door hem 
aangehaalde plaatsen' bewgst het. Al wat daar gezegd wordt 
hn nog heden van onze honden gelden. Immers dat ze op de 
jacht zelfs wilde ZMrgnen en leeuwen (de laatste kende Home- 
ras immers niet volgens Naber) aanvallen, dat ze onbegraven 
Igken 'op de slagvelden verscheuren, is niet in strgd met 
den aard van het dier. Evenmin zouden we groot gewicht 
heehten aan hetgeen Priamus X 69 zegt, dat zgn Igkdoor 
de aan zgnen disch gevoede honden zal verslonden worden. 
Het is toch niet zoo vreemd, dat in een veroverde en uit- 
gemoorde stad de hongerige honden zelfs het Igk van hun 
eigen meester niet sparen. Meer beteekenen o. i. wellicht 
eenige door den schrgver niet geciteerde plaatsen uit de 
Odyssea t. w. £ 21 (vgl. 32 en 37), waar Odysseus ter 
oanweruood aan de woede van de honden van Eumaeus 
ODtkomt. Doch men houde ook daar in het oog, dat do 
held daar verschgnt als een bedelaar in lompen gehuld en 
het is een bekend feit, dat hof-honden op slecht gekleede 
menschen bizonder gebeten zgn, en nog tegenwoordig komt 
het wel voor dat bedelaars door groote doggen deerlgk ge- 



( 1S8 ) 

havend worden. Daarom belooft ook Penelope aan OdjB- 
seus (p 340 

Doch inderdaad moeten de honden al zeer woest sgu 
geweest, wanneer we zien dat Eamaens op *t eind van £ 
insgelijks voorzien met een speer tcvv&v dXxTf^ça xai 
àvd(}G)V zich naar de avXr^ begeeft, om te gaan liggen 
.in de nab^heid zgner zwgnen. Deze plaats heeft trouwens 
eigenaardige zwarigheden, die verdwenen zouden als men 
daar hux&v Yoor xvycoy mocht lezen. Dat het laatste 
vers yan dit boek onecht is heeft een onzer elders aan^^e» 
toond. 

De plaats Od. ;^ 302 bewgst geenszins hei^een Naber, en 
reeds voor hem Ameis, daaruit heeft willen afleiden, t. w. 
dat Homerus reeds iets van den aard der latere valkenjacht 
gekend heeft. De godin Athene houdt boven van de zol- 
dering der mannenzaal hare aegis tegen de vrgers uitge- 
strekt. Schrik en ontsteltenis slaat hun om *t hart en' ze 
vluchten door de zaal. Dan volgt deze vei^el:gking : Gel^k 
lammergieren met kromme klauwen en gebeden snavels 
uit de bergen komende op de vogels neerschieten, en hen 
terw^l ze angstig zich onder de wolken in de vlakte trachten 
te verschuilen, en zich noch kunnen verweren noch ont^ 
vluchten, achterhalen en moorden — terwijl de menschea 
zich verheugen over* de jacht — eveneens joegen Odysseus 
en zijne helper» den vrgers achterna door de zaal en sloegen 
hen links en rechts. 

üit de toevoeging der woorden éS óqf.ov èXOóvreg blgkt 
zonneklaar dat hier geen sprake is van afgerichte roofvo- 
gels, die uit de hand worden opgelaten en de woorden 
XcciQOvat §6 Tàvf(j€g ôcY()f}^ waarop men zich beroept, be- 
teekenen eenvoudig dat de menschen behagen scheppen in 
het inderdaad belangwekkend schouwspel van de jacht dier 
roofvogels, die in breede kringen door de lucht zwieren tot 
ze op een gegeven oogenblik p^lsnel neerschieten op hunne 
weerlooze buit. Van daar ook dat Homerus ^ 247 zekeie 
arendsoort âri(ffjTij(f noemi We hebben hier te doen met 



(169) 

eeae chMisule, die zooals bg Homerus meer het geval is, en- 
kel dient tot opsmukking der vergelgking. Van dien aard is 
b.v, ^ 106 yfyrfi^ 8b ts (f{)éva AriTÓ. Even onbeteeke- 
aend is .een tweede door Ame is aangevoerde plaats tt 218 

(privai rj aiyvjiioi ya/uipórvj^sg^ olal re réxra 
dycfórai eSêikorro nà^jog nerstjyà yeyeaâai, 

waarvan hg zegt, dat men die vogels uithaalde, um sie zu/r 
oogeljagd abzurichten. Even natuurlgk is het aan te ne- 
men, . dat men de jonge roofvogels, even als tegenwoordig, 
oit de nesten haalde om ze te dooden of ten minste voor 
't vee onschadelgk te maken. Ook is H hoogst onwaarschgn- 
Igk, dat die w^ze van jagen onder de Grieken spoorloos 
lerdwenen zou zgn. De Thraciers immers, die volgens de 
door Naber geciteerde plaats van Aristoteles die jacht ken- 
den, waren barbaren« 



Een derde belangr^ke zaak, waaraan de heer Naber met 
goed gevolg zgne krachten gew^d heeft, is de Homerische 
gnmmatica en tekst-kritiek : ook de laatste heeft sints Wolf 
eene schrede voorwaarts gedaan. Men stelde zich vroeger, 
loet uitzondering van Bentley en enkele anderen, tevreden, 
als aan Homerus de tekst vau de Alexandr^nen werd 
teruggegeven ; hooger op te klimmen scheen gewaagd, zooal 
niet onmogel^k; het was, meende men, verstandiger om te 
berusten in hetgeen Aristarchas en Zenodotus na vergel^- 
Idng van vele oude afschriften hadden opgenomen of aan- 
berolen. Intusschen ligt het voor de hand, dat die oudere 
exemplaren aan eene soort van corruptie, kunnen blootge- 
steld geweest zgn, die wg thans even goed kunnen nagaan, 
als de Alexandr^nsche geleerden vroeger, die de studie 
daarvan niet volkomen tot haar recht, hebben doen ko- 
men. Want zoo is het iuderdaad geschied. De invloed 
dien de invoering van het volledige Jonische alfabet op de 
gedichten van Homerus heeft gehad is door hen niet ge- 
noeg ia 't oog gehouden. En gelgk het bg voortgezette 
oaawkeorige vergelgking van de HSS. der oude schrgvers, 



( 160 ) 

die niet zooverre achter ons liggen als Homerus, zeer dik- 
wijls blgkt dat allen uit dezelfde bron zgo voortgekomen, en 
vele HSS. gezamenlgk slechts één getuige van de oude 
lezing vertegenwoordigen, evenzoo kan het met de verschil- 
lende recensien van den oudsten epischen dichter geweest 
zgfi ; het is zeer mogelgk dat de verschillende officiëele teks- 
ten (ai Tijûv TióXstay) uit ééne b.v. de Atheensche zgn 
afgeleid, in dier voege, dat de veranderingen daarin te vin- 
den niet op oudere autoriteit maar op gissing of vergissing 
steunen. Dat nu werkelijk in al de door de Alexandr^nen 
gebruikte bronnen op sommige plaatsen dezelfde fouten 
voorkwamen, kan niet bevreemden en de nieuwere tekstkri* 
tiek ' heefb inderdaad reeds menige zekere emendatie in het 
leven geroepen, die den hardnekkigsten twgfelaar overtuigen 
moet van het recht der kritiek, om zich in deze richting 
te bewegen, en in de eerste plaats te onderzoeken of in 
Homerus oude fouten schuilen, die door de studie van de 
alleroudste schrgfwgze en spelling kunnen worden w^ge- 
nomen. Zoo heeft ook de heer Naber — om iets te noe- 
men — overtuigend aangetoond, dat de sterke Aoristusvan 
A stammen door verlenging niet den tweeklank Ely maar 
alleen H hebben kon. De vormen ßeio), /^eiojusy zgn on- 
houdbaar: bg oplossing van ßS), fiüjuev moest de wortel- 
vocaal a verlengd tot tj weer in haar recht treden en ßr^ 
ßf^ouBV geschreven worden. Dat dit niet is geschied is het 
gevolg van 't oude alfabet, waarin E tegel^k voor ly en si 
figureerde, zoodat bg omschrgving in het nieuwe uit BESl 
ßei(o ontstaan kon. 

De gissingen van den heer Naber zijn deels van gram- 
maticalen (hetzg • etymologischen hetzij sjntactischen) aard, 
deels zgn het woordveranderingen, die de zin der plaatsen 
hem toeschgnt te gebieden. Het ligt in den aard der zaak, 
dat we niet bg alle voorslagen van ^en auteur in 't bizon- 
der kunnen stilstaan, en we bepalen ons dus ook hier tot 
eenige opmerkingen en bedenkingen. Moeielgk kunnen we 
ons met den voorslag vereenigen om op twee plaatsen, wier 
zwarigheid ons niet ontgaan is, een Genetivus revfj voor 
f^ ess rivóg in de plaats van 't overgeleverde t€v ^ te 



stellen. Er wordt gewezen op xi^ri en op inëii^^ maar niet 
bedacht, dat dit beide adverbia zign. Inuners Tir^ kanalleen 
gebruikt worden, wanneer tl de zin van 8 ta ri; of ncjg; 
heeft. Niemand kon riij noi€ig; Yoor ic nouïg\ zeggen. 
Overigens bestaat er bij de uitgevers verschil van gevoelen 
of men inti rj, ri t] dan wel éneirj^ rir^ schrgven moet. 
Juist de twee plaatsen door den heer Naber bedoeld, pleiten 
misschien voor het eerste gevoelen, dat o. a. door I. Bekker 
in zgne Homerische Blätter wordt voorgestaan. 

O 18 sqq. iVordt voor éxçftjuœ tweemaal €X()é/uaa' ge- 
substitueerd, eerst = exQef^aaa en dan = éxi^éuaöo (wat 
op zich zelf reeds bedenkelijk mag heeten), o. a. op grond 
dat b.v. dvvaöai sine a non scribitur. We hebben altoos 
gemeend, dat dvvcc voor dvvaaai goed Grieksch was en 
eTenzeer eSvyto voor ddvyccao. Eerst zou de onjuistheid 
Tan die vormen (wat wel niet gemakkelijk z^n zal) moeten 
bewezen worden, voor men die dubbelde verandering zou 
kannen goedkeuren. 

Od. Ç 87 wordt voor noXv d' vdiOQ xaXör vnsxnçoQtei 
bet Imperfectum vn€X7t{)ó(j()e€ voorgeslagen. We houden 
iei één voor even goed als het ander. De Grieken ge- 
hroiken naast het zoogenaamde geographische imperfectum 
leer dikwgls het praesens: dit hangt volkomen af van de 
Toorstelling des sprekers, of h^ de zaak van de historische 
kant met betrekking tot den waarnemenden persoon wil be- 
schouwen, dan wel ze als iets actueels wil voorstellen. Om- 
gekeerd is onzes bedunkens € 58 en x 135 het imperfectum 
Ivaisv even goed als het praesens yahi tj 246 en & 449. 

Wanneer de heer Naber deze, volgens onze meening, on^ 
houdbare gissingen en wellicht enkele andere ^) schrapt, 
blgft er ook op dit gebied in zgn werk nog geno^ over, 
waarvoor de philologen «hem dankbaar zgn zullen. Daaron- 
der rekenen wg, om een enkel voorbeeld te noemen, de 
eren ingénieuse als ware verbetering van ui 15, waar, na- 



*] In het door ons gestelde rapport werden nog eenige ooniectaren bestreden, 
die door den auteur b^ den druk z^ner Quaestiones z(jn weggelaten. We achten 
durom de Termelding dier bedenkingen thans overbodig en ongepast. 



(162) 

dat de geweldige stem van de door Zeus gezonden "Eçiç 
door de Grieksche legerplaats geklonken heeft, van Agamem- 
non, alsof die met de godin in 't sclireenwen wilde wedgve- 
ren, hoogst absurd gezegd wordt: 

Natunrlgk evórjffe, hg bemerkte het. 

De commissie staat aan 't eind van hare taak en behoeft 
er nauwlgks bij te voegen, dat ze der vergadering voorstelt 
de Quaestiones Homericae van ons geacht medelid onder dank- 
zegging aan te nemen en op te nemen onder de werken der 
Akademie. 

Door er een index locorum emendatorum en een index re* 
rum aan toe te voegen, zon de heer Naber, meenen wg, 
den lezer aan zich verplichten. In hoeverre eene indeeling 
in capitüj onderverdeeld in paragraphen^ de overzichtelgkheid 
van het geheel zon kunnen bevorderen, laten we aan hem 
zelven over te beslissen. 

April, 1876. I^ Commissie vtm rappcrimarty 

C. M. FRÂNCEEN. 
H. VAN HESWEEDEN. 



VEBSLAG OVER EBNE VERHANDELING 



VAN DEN UKEA 



K £ £ ï. 



GKTITELD : OVEB DE 



OUDJAVAANSCHE VERTALING 



VAN *T 



MAHABHASATA. 



De ondergeteekenden hebben de eer over de in hünne banden 
gestelde yerbandeling het volgende verslag uit te brengen: 

Het onderwerp dezer verhandeling is eene vertaling van 
let eerste boek der Mahâbhârata in het Kawi, zeer waar- 
ach^nlgk in de eerste helft der ll^^ eeuwn. Ch. vervaardigd, 
waarvan onlangs door den heer van Eek, zendeling op Bali, 
een HS. naar Nederland is medegebracht. Als kunstvoort- 
brengsel staat deze vertaling niet hoog. H Is geenszins om 
den vorm te doen geweest, maar om den inhoud, en men 
loo eigenlgk eerder van uittreksel met eenige toevoegselen 
dan van vertaling moeten spreken. Daarbg blykt het, dat 
de vervaardiger slechts eene oppervlakkige kennis -had van 
let Sanskrit, de taal van het oorspronkel^ke werk; alsmede 
dat de door hem gebruikte tekst in zuiverheid veel te wen- 
sehen overliet. De vrge Javaansche bewerking van denzelfden 
tekst, de welbekende Bharata-guddha, neemt een zeer veel 
hoogeren rang in; en dat deze in eere is gebleven, de an- 
dere in vergetelheid geraakt, pleit, zooals de heer Eem doet 
opmerken, voor den kunstzin der Javanen. Doch voor de 



( 164 ) 

kennis van het Eawi is deze vertaling 200 belangrgk, dat 
eene volledige uitgave hoogst wenschelgk is. Deze is even- 
wel niet mogelgk, voordat er betere HSS. opdagen, daar dat 
van den beer v. Eek, dat op palmbladen geschreven is in 
't jaar 1771 n. Gh., zeer slordig is, zoodat op vele plaatsen 
de tekst niet kan verstaan worden. Dat de heer Kern de 
aandacht vestigt op het belang van dit werk, zal misschien 
tot opsporing van betere HSS. leiden, wat w$ zeer hopen. 
W:y mogen onze taak als verslaggevers tot dit weinige be- 
palen, vooral daar een deel van de Verhandeling in de vorige 
Academie-zitting is voorgelezen. Het niet voorgelezen ge- 
deelt« bevat een stuk van deze vertaling in tekst en Hol- 
landsche overzetting. Dat het een en ander door den heer 
Kern met z^ne gewone zorg en scheq)ziunigheid is bewerkt, 
behoeft niet te worden aangetoond. Het stuk is naar onze 
meening alleszins waardig in de Werken der Academie te 
worden opgenomen. 

Leiden, 4 Juni' 1877. P. J. VETH. 

M. J. DE GOEJE. 



6£W0J\£ YERGADERIIVG 

DER AFDEELING 

TAAL-, LETTER-, GESCHIBDEÜNDlaE EN WUSGEEBiaE 

WETENSCHAPPEN, 

GEHOUDEN DEN iOden SEPTEMBER 1877. 



Tegenwoordig de beeren c. w. opzoomeb, yoorzitter, h. de vries, 

f. G. BEILL, L. PH. C. VAN DEN BEEGH, J. DE WAL, W. J. KNOOP, 
f. C. KEES, E. PEUIN, A. KUENEN, D. HAUTING, S. A. NABEB, 
1. P. SIX, TH. BOEB.ET, C. M. FRANCKBN, H. KEEN, J. A. PEUIN, 
X. J. DB GOEJE , B. H. C. K. VAN DEE WIJCK, J. P. N. LAND, 
J. G. DE HOOP SCHEPPEE, H. P. A. G. CAMPBELL, P. DB JONG, 

p. J. oosiJN, A. A. DE PINTO en J. c. G. BOOT, socretaris. 



Het proces-verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
eo vastgesteld. 



Worden gelezen een brief van den minister van Binnen- 
landsche Zaken, van 14 Jali 1.1., ten geleide van een besluit 
der Gedeputeerde Staten van Zeeland, betreffende de scbr^f- 
f^ van den naam der gemeeute Neuzen, en wel aldus: 
Ter Neuzen, — aangenomen voor kennisgeving — ; de ken- 
üisgeying van het overladen van Graaf Giancarlo Gonestabile 
ilella Staffa, buitenlandsch lid dezer Akademie, overleden te 
Perugia, 21 Juli 1.1., waarbg is gevoegd eene hulde aan z^ne 
nagedachtenis van Graaf G. B. Bossi Scotti — welke kennis-. 
geving met een brief van rouwbeklag zal beantwoord wor- 
den ^ ; een schrgven van den minister van Koloniën, van 
17 Augustus 1.1., inhoudende het antwoord van den Gouver- 

^MSL U MXDED. ATD. LBTTEBK. 2àt EISK8. DSBL VII. 12 



( 166 ) 

neur-Generaal van Nederlandsch Indie op het dezerzgds ge- 
daan verzoek tot het verzamelen van Indische handschriften, 
meer bepaaldel^k van wayangteksten. 

De heer Eem w^'st het onjniste in het advies van de 
directie van het Bataviaasch genootschap aan, die tusschen 
Lakons en Wayangs niet onderscheidt. Hare 57 zoogenaamde 
Wayangteksten zgn slechts Lakons, van welke soort van 
uittreksels hier te lande wel twee honderd gevonden wordezL 

Op voorstel van den heer De Groeje wordt de brief in 
handen gesteld van de heeren Yeth en De Goeje, om aan de 
afdeeling een antwoord voor te stellen. 



De secretaris vestigt de aandacht der leden op de aan- 
winsten der bibliotheek en van het muntkabinet, namelgk 
de Pubblicazioni del Beale Istituto di Studi snperiori in 
Firenze, de photographische afdruk eener inscriptie in Latgn, 
Grieksch en Phenicisch, afkomstig uit Sardinië, nu eigendom 
der Kon. Akademie van Wetenschappen te Turgn, en een 
bronzen exemplaar van den penning, door de stad Mechelen 
onlangs aan haren burger P. J. van Beneden vereerd. 

Dezelfde bericht dat voor den wedstrgd in Lat^nsche poésie 
bereids is ingekomen een gedicht, getiteld: Liberias, Ad 
Italos. met de zinspreuk: Nascetur patriâ sospite nostra sa- 

llM, D. J. VAN LENNEP. 



De heer Van den Bergh klaagt over het gemis van Ne- 
derlandsche Jaarboeken. In de vorige eeuw zgn die tot 98 
uitgegeven, en bewaren de herinnering aan een groot aantal 
wetenswaardige zaken. Later zgn minder belangrgke ver* 
volgen geleverd; sedert 1822 ontbreken zg geheel. Het kost nu 
moeite om min of meer belangrgke gebeurtenissen na eenige 
jaren op te sporen. De spreker vraagt of iemand een middel 
weet om weder Jaarboeken te doen verzamelen en uitgeven. 
Zou misschien de Maatschappg van Nederlandache Letter- 
kunde die taak willen aanvaarden? 



( 167 ) 

De yraag blgfk onbeantwoord, maar de heer R. Fruin zal 
den wensch van den spreker overbrengen b^ het bestnur van 
genoemde Maatschappg. 



De heer Land deelt eenige bgzonderheden mede over 
Schotten, die in vroeger eeuwen op Nederlandsche Hooge- 
scholen de Aristotelische wgsbegeerte onderwezen hebben, 
Toomamelgk over Gjlbertus Jacehaeus. H^ biedt zgne me- 
dedeelingen aan voor de Verslagen en Mededeelingen. 



Daar niemand verder het woord verlangt, sluit de voor- 
ziiter de vergadering. 



12* 



SCHOTSCHE WIJSGEEREN 
AAN NEDERLANDSCHE HOOGESCHOLEN. 



MBDEDESLINO DOOK 



J. P. N. LAV D. 



Prof. John Veitch te Glasgow heeft onlangs*) bg gele- 
genheid herinnerd aan de vele Schotsche geleerden, die se- 
dert de 1 5^® eeuw naar het vaste land zgn overgestoken om 
onderwas te geven in de peripatetische wgsb^eerte. Vóor 
de Reformatie vinden wfl ze in Frankrgk, en vertegenwoor- 
digen zg de scholastiek van dien tijd. Later zgn zg ver- 
trouwd met den Griekschen Aristoteles, en bekleeden leer- 
stoelen aan Gereformeerde hoogescholen^ ook in ons vader- 
land. De schrgver noemt er twee als hoogleeraren te Ley- 
den; doch een van die twee heb ik tot hiertoe nergens ten 
onzent teruggevonden, en behalve die twee zgn er nog an- 
deren geweest. 

Het blgkt niet, dat de Schotten ooit een eigenaardige leer 
.of methode bezaten; maar zg maakten bgzonder veel werk 
van de dialektische kunst, waarop men alom zoo hoogen 
prijs stelde, en de armoede van hun land dreef hen over de 
zeeën, om vooral in hunne bedrevenheid in die kunst een 
middel van bestaan te zoeken. De Schotsche docent en dis- 
putator had een even goeden naam bg de geleerden als de 
Schotsche soldaat bg de krggslieden van Frankrgk, Dnitsch- 
land en Nederland. 



*) In het t^dflchrift Mind, nt. V (Jan. 1877) p. 76. 



( 169) 

Men kent in hoofdzaak de inrigting van onze onde ar- 
tiistisché of philosophische faculteiten^ waaraan tevens de 
hoogleeraren in de geleerde talen waren toegevoegd. Op de 
foorbereidende, Latgnsche of » triviale" school werd inderdaad 
nog het »trivium'^ onderwezen: grammatica, dialectica, rhe- 
torica. Van daar, dat op last der Staten van Holland niet 
alleen de Grammatica en Rhetorica van Ger. Vossius, maar 
ook de Institutiones Logicae van Bnrgersdicins * opzettelgk 
Toor die scholen z^n opgesteld. Pe bedoeling was, dat men 
aan de Hoogeschool, bg de philosophische faculteit, de daar 
begonnene propaedeutische stndiën zon voltoogen, om dan des 
verkiezende tot de theologie, de regten of de medicgnen over te 
gaan. De meesten verkozen dat, omdat de enkele titel van 
magister artium minder aanzien en minder vooruitzigten gaf; 
misschien heeft men in het eerste gedeeltelijk willen voor« 
zien door dien titel tot artium liberalium magister^ phüosO" 
pkiae doctor uit te breiden, in welken vorm hg te Leydeu 
het eerst verleend is aan Ger Vossius, in 1598 f)- Bij de 
eerste oprigting bestond de faculteit aldaar uit zes hoog- 
leeraren, in de logica, mathesis, physica, het Latgn^ Grieksch 
en Hebreeuwsch. Dit waren de vakken van den gewonen 
ieercorsns, waarmede men zgn akademischen graad behaalde. 
De gewone hoogleeraren onderwezen ze in het openbaar, dat 
wil zeggen in het akademiegebouw en kosteloos^ viermalen 
in de week. De buitengewone hoogleeraren waren eigenlgk 
benoemd voor buitengewone vakken ; men behoefde hun geene 
jaarwedde te verleenen, omdat zg niet verpligt waren hunne 
lessen kosteloos te geven. lutusschen zgn er op deze regels 
al vroeg allerlei .uitzonderingen gemaakt. De openbare lessen 
geraakten langzamerhand in onbruik; gewone vakken wer- 
den aan buitengewone hoogleeraren opgedragen ; aan dezen 
legde men jaargelden toe ; de Igst van gewone vakken werd 
uitgebreid ; en er bleef van de oude onderscheiding4ien laatste 
weinig meer over dan een verschil iu rang en bezoldiging. 



*) Logd. Bat. 1626. 

t) Ucnnii, Athen. Bat., p. 271. 



( 170 ) 

Een derde klasse van leeraren vormden de lectoren, die hunne 
lessen mogten aankondigen ad valvcts accuietniaèj en althans 
op de vr:ye dagen, Woensdag en Zatnrdag, gebruik maken 
van de publieke gehoorzalen. Ook dezen heeft men wel be- 
zoldigd^ en ze b^ vacaturen zelfs gewone lessen doen waar- 
nemen, Eindelgk was er een menigte van onderwazen op 
eigen hand, die strikt genomen verpligt waren de toestemming 
van Rector en assessoren te vragen, daar de oude verpbgting 
van den middeneenwschen bacalariua en magüter^ om de^e- 
vorderd eenigen tgd onderwas te geven '*'), niet meer werd 
gehandhaafd. Behalve de lessen, waarbg van ouds een aan- 
gewezen handboek tot leiddraad werd gebruikt, hield men 
vl^tig disputation tot oefening, in den regel almede op de 
twee vrge dagen in de week. 

Het verdient opmerking, dat de ethica en de metaphysica, 
bg al den eerbied dieu men voor Aristoteles koesterde, aaa- 
vankelgk niet in den gewonen cursus waren opgenomen. 
Voor de ethica was men eenigszins huiverig, omdat men 
vreesde voor heidensche werkheiligheid f). Intusschen was 
Hadr. Damman van 1586 tot '88 te Leyden e^ifroonananiw 
in de moraal; in 1602 trad Hmr. de Veno te Franeker 
op als prof, ethicea et physicea, en de Veluwsche kwartier- 
school had in dien t:yd haren prof, juris et ethices in Jac 
Varnerius. Petrus Bertius te Leyden werd in 1615 ordvM- 
riu8 in dat vak, en een jaar te voren Huninga te Gronin- 
gen bg de oprigting der hoogeschool. Ook te Deventer werd 
in 1630 dadel^k een dergel^ke leerstoel ingesteld. Alleen 
Utrecht, misschien onder den invloed van Yoetius, kwam 
iets later: Arnold van Goor, die van 1635 af byzondere 
lessen in de phüosophia practica had gegeven, werd drie 
jaren later extraordinarius in dat vak, doch koos spoedig een 
anderen werkkring, en werd door Dan. Berckringer als ar- 



♦) Balaei Hist. Uuiv. Paris IV. p. 274. MulÜDger, the üüiv. of Cambridge, 
Cambridge 1873, p. 358. Over Oxford Prof. UoUand in Macinillan's Magazine, 
Jaly 1877, p. 206. 

t) Toch droeg Walaaus reeds in 1604 te Middelburg een Compinäium Elkieae 
Ariitolelieae ad normam veritatù Chrùtianae reoocatum voor. Meun. Ath. 
BaUv. p. S29. 



( 171 ) 

dinarius opgevolgd. Nog erger was het gesteld . met de 
metaphysica, die aan 's lands oudste hoogeschool niet voor 
1644'*' aan een prof. ordinarius is opgedragen en toen op 
aandrang der theologen, als een bolwerk der ware leer tegen 
de Gartesiaansche nieuwigheden. Nog in 1662 schreef de 
oude Arnold Verhel te Franeker, een getronw Aristotelicus, 
orer de prima philosophia f) : > Dissuadent earn doctores no- 
vatores in academiaj pastores ignorantes in suggestUj judices 
négligentes in tribunali^ alü proUxitatem^ <dii obscurit(xtemj 
nonnuUi subtüitcUem^ non pauci distinctionum multipUdtatem 
arguentes.** 

De eerste Schotten die in het Leydsche Album Studiosorwm 
yerseh^nen, zgn Joannes Eyangelista, -een literator, en David 
Barclay, een phüosooph, op 5 Jnn^ en 7 Jol^ 1582. Van 
hun persoon en verbluf is m^ verder niets bekend. Eerst zes 
jaien later, den 6 April 1588, werd Jac. Bahsaexjs (Bamsay) 
weder ingeschreven als Scotus^ en wel als jurist, zonder 
opgave van leeftgd. In hetzelfde jaar trad h^ op als extras 
ordinarius logices: doch waarschgnlgk was hg toen reeds 
mgister artium^ zoodat h^ den 7 Aug. 1593 §) zyn graad 
ontving niet in deze faculteit maar in de regten.* Boven- 
dien was h^ na de oprigting van het Staten-Collegie een 
fcgd lang waarnemend regent **), en niet onderr^ent, zooals 
Siegenbeek meende. Doch korten tgd na z^ne promotie, en 
?oordat Bastingius en Bertias hem in het GoUegie vervangen 
hadden, in den nazomer van 1593, is h^ reeds overleden. Van 
waar hg kwam, en wie hem het ambt bezorgde, is mg niet 
gebleken. Misschien was het Gomelis de Groot, de oom van 
Huig de Groot, die in 1575 aanvankelgk voor de wgsbegeerte 
W88 aangesteld, maar toen spoedig tot de regten was over- 
gegaan tt), en die bg juridieke disputen den geoefenden dia- 
lecticus heeft kunnen waarderen. 



*) Siegenbeek, Gesch. der Leidsehe Hoogesch. I, blz. 156. 

t) Dedie, SpeeuU primae pkUos. Eniis &c. ap.*Vrienioet, Âth. Fris. p. 201, 

i) (kUL Quuiidaiontm bQ Schotel, Een Stadentenoproer in 1594, blz. 05. 

«•) Aldaar bis. 66. 

tt) Kitt^ B^dr. tot de vroegste Gesch. enz« der Hoogesch. te JU. bU. 10. 



(172) 

Zign opvolger was een Fransch theologant, Petros Heü- 
naeas (du Moulin), tot 1598, die het evenmin tot ordinàriuê 
bragt, doch naar Par^s vertrok om er den kansel te betre- 
den. Intusschen werd op 20 Nov. 1597 als lector over het 
Organon op buitengewone di^en aangesteld Johaknxs Ma- 
KOLO. Ook dezen moet ik voor een Schot houden. Immers 
op 11 Jan. 1602 werd als student ingeschreven «/o^o&u« if a- 
culo Scotus, wiens familienaam wel dezelfde zal wezen ; oor- 
spronkel^k zeker MacCulloch^ waarvan de ch ter wille van 
het Latgn, en misschien ten gevolge van een verbiß in 
Frankrgk, zal zgn opgegeven. Overigens wordt er, zooveel 
ik weet, van den man niets vermeld. 

Vgf jaren lang bleef de logische leerstoel onbezet, en drie 
lectoren voorzagen in het onderw:gs: eerst de genoemde Ma- 
kolo, dan Otto Heumius, de latere opvolger van zgn vader 
in de medische faculteit, op een toelage van ƒ 170, en ein. 
delgk de bekende Adriaan^ Smout, die in 1630 als predikant 
uit Amsterdam zou worden gebannen. Eindel^k in 1603 
werd de vacature vervuld met Johannes Mu&disonius. Van 
zgne antecedenteu valt weinig te melden. In 1589 ont- 
ving Walaeus van hem te Middelburg z^ue eerste lessen 
in de logica '*'j. Hg was toen nog zeer jong, want tien 
jaren later, den 24 Nov. 1599, werd hg te Leyden inge- 
schreven als ScotuB en 31 jarig student in de regten. In het 
volgende jaar werd hen^ een jaarwedde toegekend om de 
physica te onderwazen; en van 1603 tot aan zgn vroegen 
dood in 1605 was hg hoogleeraar, waarschgnlgk ondinariw, 
in de logica. Indien ik mg niet geheel bedrieg, had h^ 
deze benoeming te danken aan de aanbeveling van Huig de 
Groot. In een kort brieve van dezen f) aan Dan. Heinsius 
lezen wg: vide quam me velu erubescere, qui impudentiam 
et importunitatem voccu, quod me Murdisonii caiua jussisti 
Afylium accedere^ quod certe vel ipsiy sine tua commendatione 
posttdantiy ede me non negaturum fuisse. Mylius is Comelis 



*) Meunii Ath. Batav. p. 325. 

t) Burmaniii Sylloge Spistt. IL p. 898. 



(178) 

« 

ran der Myle, die wel eerst na Mnrdison's dood Curator 
der ho(^;68cbool werd *), doch reeds drie jaren vroeger als lid 
der Staten grooten invloed op de benoeming kon hebben. 
Het brieve ia niet gedateerd, doch wordt door Bnrman tus« 
schen de correspondentie van 1603 medegedeeld. 

De plaats die Murdison ledig liet, werd vervuld door een 
anderen Schot, van wien w^ meer weten, Gilbbbtüs Jacchaexjs 
zooals hg hier genoemd werd. Paquot noemt hem f) Jacchey, 
zeker hg gissing, want van Prof. Veitch §) vernemen w^ 
dat h^ Jack heette. In 1578 of daaromtrent moet h^ te • 
Aberdeen geboren z^n; de gewone opgave is 1585, doch het 
Leydsche Album geeft hem in Mei 1603 reeds 25 jaren. 
Vroeg vaderloos geworden, werd hg door zgne moeder toe- 
vertrouwd aan de zorg van Thomas Cargill, waarna hg in 
zgne vaderstad de akademische lessen volgde. Er waren daar, 
zooals men weet, twee zelfstandige hoogescholen : door Veitch 
weten wg, dat hg niet King's, maar het toen pas opgerigte **) 
Marischal College bezocht. Vervolgens vertrok hg naar de 
Luthersche hoogescbool te Helmstadt, -^ waar toen in de 
philosophische faculteit de beginselen van Melanchthon de over- 
hand hadden ff), — waarschgnlgk aangelokt door een lid dier 
bcolteit, zgn landsman Duncan Liddel. Te Herborn, waar 
hj zich later ophield, zocht hg stellig het theologische on- 
(lenigt van den beroemden Johannes Piscator §§) ( x 584 — 1 625), 
want als wgsgeer kon deze volgeling van Bamus hem aller- 
minst voldoen. Te Leyden werd hg ingeschreven als stu- 
dent in de theologie. Beeds vier maanden later, in September 
1603, ontving hg verlof om op de twee vrge dagen onder- 
in te geven over de Isagoge van Porphyrins, en ontving 
daarvoor tweemaal een vereering van Curatoren, waarna hg 
in 1605 buitengewoon hoogleeraar in de logica werd, en in 



*) 1600 Yolgens het voorwerk van het uitgegeven A/èum Htuä. 

t) IX, p. 166. 

!) T. 1. p. 

**) U93. Ook te Padna beatonden twee universiteiten. 

tt)Tholack, das akad. Leben des XVII Jahrh. II. S. 49. 

i§) Tholnck, S. 804. fg. 



(174) 

1607 tevens met de moraal werd belast. Inmiddels legde 
hg zich toe op de studie der medicgnen, en promoTeerde 
daarin in 1611. Een jaar later verkreeg hg den rang van 
gewoon hoogleeraar en aanvaardde het onderwgs in dephy- 
sica. Dit werd vervolgens zgn hoofdvak. Voor de logica 
en ethica schgnt vooral (1613 — 15) de lector Nie. Hasias 
aangesteld geweest te zgn, terwgf aan Gaspar van Baerle in 
1617 het eene, en aan Petras Bertius reeds in 1615 het an- 
deró vak met den titel van gewoon hoogleeraar werd of^e* 
dragen. Toen beiden als Remonstranten den 31 Aug. 16 19 
werden afgezet, werd onze physicns in zgn ambt geschorst 
Toch was de omkeer van zaken niet zoo radicaal, of zgn 
eigen leerling Frank Burgersdgk kwam dadelgk in de plaats 
van zgne beide coll^as, en na vier jaren werd hgself in 
zgne regten hersteld. Den 12 April 1628 schrgfk van Baerle^, 
dat Jacchaeos wanhopig is over een verlamming aan den 
regterkant, die ook zgn verstand niet ongedeerd heeft ge- 
laten; en in een brief van denzelfden van 1 Jnlg lezen wg -f): 
Hic deaiit esse D. Jaccheusj cui a mtUtis successor destinor, 
sed obstat causa quae Iphigeniam mactavit. 

Van zgn onderwgs kunnen wg ons een denkbeeld vormen 
uit zgne geschriften, drie boekjes in duodecimo en sedecimOt 
leerboeken der metaphysica, der physica en der inedicgnen. 

De Primae Philosophia^ Instüutiones §) heeft hg geschre- 
ven autkoritate Hugonis Grotii viri incomparabüts indMC- 
tus, . . Quod tanto Ubentius feci, zegt hïg, quanto magis haec 
neecssaria, minusque cognita Os qui maxime earn intdligere 
debehant. De cujus dignitate inde constare potest, quod haec 
sola veram Dei cognitionem tradat, ejusque naturam {quantum 
quidem hominibus licet) incertum subtiUter magis an accurate^ 
expUcet, Reeds uit deze woorden viel er vengn genoeg te 
z^uigen om zgne schorsing drie jaren later te verklaren, al 
had hg niét als vriend der afgezette collegae bekend gestaan. 



*) Aangehaald by Paqaot torn. XI ait Barlaei £pp. ed. Amst. 1702, p. 09. 
t) Barï. Epp. ed. Amst. 1667, p. 284. 

§) Lagd. Bat., £z Typogr. Jacobi Patii, anno 1616. Herdruk Tolgena Paqnot 
in 1028. 



< 175 ) 

Hg ia zich bewust het meest gewigtige van alle onderwer- 
pen te hebben gekozen, Deum ipsum^ verum fontem et ori' 
ginem. De quo . vel paucula scivisae^ ree quidem multo et pras" 
staniior et nobiltor est, quam alia quantumvis infinita exacte 
intellexisae. Onbegrensd is z^n eerbied voor Aristoteles, dien 
hg meestal kortweg Phüoaophue noemt; zonder daarom aan 
de kerkleer, de doctrina coelitus delapaa^ te kort te doen. De 
goddeljke en de menschelgke wisheid moeten b^ den op- 
bouw Tan z^n leerstelsel zamen werken, ita tarnen ut UU in 
ham' Bit imperium. Zoo behandelt hg dan in zes boeken ach- 
tereenvolgens het ena (het zijnde) in het algemeen ; de alge- 
meene eigenschappen yan het zgnde, t. w. eenheid, waarheid en 
goedheid ; veroorzaking en bestemming ; het oneind^e z^nde 
of de godheid ; het eindige zgnde, het bestaan, het bezitten 
van eigenschappen enz., in het b^zonder de onstoffelgke sub- 
stantie, o. a. het verstand en den wil der engelen ; en .daarna 
de 8to£Fel^ke substantie, waarbij de begrippen van hoeveel- 
heid, hoedanigheid, ruimte, tijd, beweging, kracht, invloed, 
en andere meer ter sprake komen. De twee laatste hoofd- 
stukken betreffen de zoogen. entia rationis, zooals het niet- 
qn, het gemis, of de verhouding tot iets smders. Voor een 
scholastische handleiding, waarin zelfs Thomas Aquinas, Duns 
Scotus en Averroes wel eens aangehaald worden, is het boekje 
aiet moe^elgk te verstaan; de schrgver heeft zgn best ge- 
daan om noodelooze barbarismen en spitsvondigheden te ver- 
mgden. Het zal echter te bezien staan, in hoeverre hg met 
het kalf geploegd heeft van den Jesuiet Fr. Suarez, wiens 
Dkpp. Metaphysicae van 1605 ik nog niet heb kunnen ver- 
gelgken, doch van wiens schema Gass, Gesch. der Protest. 
Dogmatik I, S. 186 een zeer kort overzigt geeft. 

Nog vroeger moeten de histitutionee Physical geschreven 
ign. Paquot kent het jaar der eerste uitgave niet; evenmin 
gewaagt hg van de editio nova auctior et emendatiof^ die in 
1624 verscheen*). Doch het lofdicht van Caspar vanBaerle 



*j Lngd« Bat Excudeb. Vidua Joannii Patii, samptibas Isaaci et Jacobi Com- 
neliai. Laatate herdruk, volgena Paquot, te AniBt. by Lud. £lsevier, 164^ 



(176) 

ad Clariasimvm Virum Gilb. Jacch.^ cum Metaphysical com- 
pendium publicarety in 1616 *), begint aldus: 

Qui modo Naturae spatlum dimiasus in * amplum 
Hanc dederas spatio sed breviore capi^ 

Nunc super ingentis flammantia moenia muïidiy 
Va^taque Naturae corpora raptus ab!s. 

Het physische compendium is dus voor 1616 uitgege?en; 
wanneer, heb ik niet kunnen ontdekken. B^ die eerste uit^ave 
behoort hoogstwaarschgnl^k reeds een deel van het ongeda- 
teerde voorwerk, dat. wg in den herdruk van 1624 vinden- 
Vooreerst een opdragt Viro Clariss. D, Matthiae Overbequio» 
Daarin spreekt Jacchaeus van veterem et constantem tuum 
erga me affectum^ quem novis officiis quotidie auges; en h^ 
voegt er bg: quis magis idoneus, aut censor^ aut patronus 
disquisitionum phihsophicarum te reperiri potest f Qakquïd 
enim otii^ a curis, et negotiis tibi superesty totum iüud hisce 
meditationibus iwpendere soles. Toch is het stuk voor de 
nieuwe editie althans omgewerkt; want hy spreekt van li- 
bellum istum jam renovatum. Wie deze Overbequius geweest 
is, zullen anderen moeten uitmaken; ik vond hem enkel als 
correspondent van van Baerle f) en dan^ naar ik meen, in 
het Leydsche Album Studiosorum op 10 Februar^ 1617 als 
Matthias van Overbeeke^ Coloniensisy 32 jaren oud en philo- 
sooph §). Jacchaeus was dan zeven jaren ouder dan hy. 
Waarsch^nl^k was het z:gn zoontje, dat op 'Z April 1629 
als Matthias Overbeeckius op negenjarigen leeft^d werd in- 
geschreven **), zoodat de vader ook toen nog te Leyden zal 
hebben gewoond, wat uit die dagelgksche nova oßcfa aan 
Jacchaeus reeds voor 1624 waarsch^nlgk werd. Vervolgens 
hebben wg acht disticha in het Dorische dialekt van Dauiel 
Heinsius, tig rijv èinjo/jàiv ri^g tov 'Aciarorekovc 



*) Voor de Fritnae Fhiloi. InatUutiones. 

t) £pp. Barlaei, Amst. 1667, p. 198. 

§) Nog eens 28 Jal^ 1621 als MaUhias van Overbeeckê Coi<miéMêit, wonder mter. 
Ook Deacartes staat in het Franeker album (16 April 1629) als Oallms, FkUofopha 

**) Boyendien 16 Sept 1627 Matthiae van Overbeeek, 16 jaar, artium stad.. 
en 28 Mei 1660 MaUkias ab Overbed. 12« 



( 177 ) 

(fVffix^g T^g (piXraTric Haq>ak^g TikßiQTOv ^lax^cc^ov. 
Of de secretaris der Dordtsche synode na 1619 nog zoo in- 
tiem met den vriend der Remonstrantsche hoofden was, zou 
ik niet durven beslissen; dit gedicht althans zal wel voor 
de eerste uitgave gemaakt zgn. Ook van Baerle gaf een 
epigramma in compendium Gilberti Jacchaei tov (pikoaoq^O' 
TOTOV, ad imitationern istius Claudiani: Jupiter in parvo 
cum cemeret aethera vitro. En Theod. Schrevelius, gymn<zsiarcha 
ffarlemensis literatissimus^ deed van z^n belangstelling in 
GiB>. Jacc/iaeum^ amicum veter em, blgken door een carmen 
dfioißalov lamMcum, cui respondet ELexametrum^ continens 
universae Physiologiae aXQU XBfpàXaia, met het viermaal 
voorkomende referein: 

Autkori laudesque Deo grotesque canebam. 
De inhoud van dit werkje evenals die van het vorige, zal 
goede diensten kunnen bewezen aan dengene die zich een 
denkbeeld wil vormen van de beteekenis der Gartesiaansche 
beweging aan onze hoogescholen. Gisbertus Voetius, de steun- 
pilaar der oude philosophische rigting te Utrecht, was een 
leerling van Jacchaeus. Daarentegen de goede Abr. Heida- 
nos, die in z^n hoogen ouderdom nog als Cartesiaan en 
Coccejaan om zgn verzet tegen den curatorialen syllabus van 
1676 uit zijn ambt zou worden verwgderd, raakte met de 
formae substantiates van zgn leermeester zoo verlegen, ut... 
it iota hac philosophandi ratione, quam intelligendo assequi 
ie non posse videbat. plane desperaret *). Trouwens dezelfde 
Terhaler verzekert ons tevens dat de quaestio de formis sub- 
ftantialibus^ earumque ex potentia materiae productione . . mir 
rifice non tantum auditores, sed et ipsum defensorem earum 
Jacchaeum vexabat et torquebat. Wat onze Schot zou gezegd 
hebben van de leer van Descartes, die nog geen jaar na 
zp overlgden naar Franeker kwam, valt niet te bepalen; 
zeker is het, dat zgne moegel:ykheden met Aristoteles hem niet 
verhinderd hebben om een handig compendium te geven, 
en in zeer dragelijk latgn, beter, zooals Paquot zegt, dan 
dat der meeste professoren van dien tgd. 



*) Wittichiiu in Panegyrico, ap.. Bay Ie, i. y. Heidanas. 



( 178 ) 

Nog is er van Jacchaens een leerboekje, getiteld TnêHtu- 
tiones Medicae^ volgens Paqnot van 1624, waarna het her- 
drokt zou zgn in 1631 en 1654. De uitgave in de Leydsche 
bibliotheek is de derde, prout autor earn ante jnortem re- 
cognovit^ emendata, en van 1653 *). De opdragt, zonder 
dagteekening, is aan den curator Frans van Aerssen, beer 
van Sommelsd^k, die van 1'624 tot '33 dat ambt bekleedde. 
Het boekje werd met ingenomenheid begroet. Zekere A. P. 
schrgfb in zgn Encomium f): 

Postqiuzm beatus Coditum petiit domo8 
Ingens Lycd lumen Heurnius pater ; / 
Coeloque postquam clarus üle Pavius^ 
Suçidae medulla, Hdus additum novum: 
NU e cathedriê prodiit Galenicis.^ 
ApoUinare obmutuit collegium. . . . 

Doch thans, daar de boot van Charon zich bg dat gebrek 
aan medische leerboeken meer dan ooit met overledenen 
b^int te vullen, — 

Tandem (heu) misertus^ etrage motus et gravis 
GVhertus^ ecce^ occurrit^ ei pugnat siylo^ 
Usum medendi sex libeUis edocens. 

« 

Gerardus Vossius §) is vol van zgn lof: 

Curru quadrijugo Jacchaeue Honoris ad aedem 
Maximuè ingenio fertur, et arte potene. 

Si Sophiam pandata cuncti pendemus ah ore. 
Ehquium forsan tale PlcUonia erat. . . . 

En Petrus Scriverius **) houdt zich overtuigd, dat Hip- 



*> TiUgd. Bat.» ex offieÏDa Joannis Maire. Aldaar, Tolgens Paqaot, ook de 
eerste nitg. van 1624. 

t) Inst. Med. p. 11. 

§) l^*f P« ^' 
•^ Ib., p. 10. 



( ITO) 

pokrates, als hg Jacchaeas leert kennen, zgne spreuk ars longa 
vita bretfi^ wel zal omkeeren: 

Güberto prcteeunte, Brevem mow adseret Ariern^ 
Et Vitae Longos adseret ille Cohs. 

Bigkens den derden druk na bgna dertig jaren, moeten 
de geneeskundigen van die dagen het werkje in eere hebben 
gehouden. Ook nu nog zal een- onzer het ligt kunnen ge- 
bruiken ter verklaring van medische toespelingen in de let- 
terkunde der 17^^ eeuw. 

Overigens zal men moeten toegeven, dat deze vei^eten 
auteur, die de vriendschap van Grotius^ Vossius, Barlaeus, 
Heinsius genoot, in hunne oogen een man van beteekenis 
moet geweest zgn. 

Er is wel beweerd ^), dat de Dordtsche orthodoxie met 
de Aristotelische, en de Remonstrantsche leerwgze met de 
Ramistische zamengingen. Het is waar, dat Jacobus Ar- 
miuius te Genève en Basel de dialectiek van Kamus onder- 
vezen heeft; doch sedert hg te Leyden als theoloog, optrad, 
neet ik niet, dat hg in dien zin werkzaam is geweest of 
is?loed heeft geoefend. Al de toongevers der Remonstrant- 
tthe partg zgn in het wgsgeerige geestverwanten van Jac- 
chaens. Beirtius gaf zelfs een peripatetische logica uit f), 
Tolgens Burgersdgk §) een eenvoudige verkorting van het 
Oq^on. Alleen Ger. Vossius schgnt meer eklektisch ge- 
philosopheerd te hebben **) doch hij was, naar men weet, 
geea bepaald Remonstrant tt), maar gematigd Gereformeerd, 
eyeoals Jacchaeus zal het geweest zgn. 

Van geheel anderen aard was Adah Stuart, die in 1644 
ie Leyden optrad, en het jaar daarop zelfs den zeldzamen 
tüel van professor primarius philosophiae ontving. Van zgne 



*) B. T. Tholock, d. aksd. Leben, II. S. 6. 
t; Log. perip. Ub. II I. Lugä. Bai, 1604. 12<^. 
§) InttL Log, Lib II. Lugd, BaU 1626, praef, 

**) Ot Pkiiosophia et PhUosophorum teciity Hagae Com. 1658, aitgegeven door 
ifjn loon Iiaak. 
ft) Spit. n«. 583. 



( 180 ) 

autecedenten weet ik enkel, hetgeen Si^enbeek mededeelt^ 
dat h^ hetzelfde ambt te Sedan had bekleed, uit Londen 
werd geroepen, en dat waarschijnl^k .op aanbeyeling yan 
Salmasius. De aanleiding tot zgne benoensing gaven de 
leden der theologische faculteit, toen Polyander, Trigland 
en Spanheim, die zich beklaagden, dat er geene metaphysi- 
sche lessen gegeven werden, en onderscheidene stndenten 
daarom naar Utrecht gingen oin Arn. Senkwaard (Sen- 
guerdins) te hooren. Natuurlgk had men een regtzinnigen 
Anticartesiaan noodig, en zoo werd de genoemde Schot, als 
vir in philosophia Roscius, beroepen. Zgne yinnige twisten 
met Heereboord, den zwakken vertegenwoordiger der nieuwe 
leer, zgn door Dr. J. van Vloten *) uit de stukken beschre- 
ven. Nada^ zg in 1648 door Curatoren tot zwggen^aren 
gebragt, hooren w^ nog enkel f) dat Stuart zich in 1653 
bg dat Cîollegie beklaagde over beleedigingen, hem door 
eenige studenten bg disputatiën^ en door prof. Vorstius den 
botanicus in den senaat aangedaan. In het volgende jaar 
overleed deze ijveraar, zonder, zoover ik weet, iets te heb- 
ben uitgegeven. 

Zgn zoon Davtd Stüaet werd in 1662 de opvolger van 
zgn ouden tegenstander Heereboord, na de lessen als lector 
te hebben waargenomen §). Hg komt in het Album den 
15den Maart van dat jaar voor als V. D. M. en buitenge- 
woon hoogleeraar in de wijsbegeerte, zonder opgave van ge- 
boorteplaats of ouderdom. In 1664 werd hg ordinarius, eii 
in 1669 stierf hg te Pargs, waarheen hg zich ter zake van 
geneeskundige behandeling begeven had. Hg moet tot zgns 
vaders partg behoord hebben, doch heeft weinig van zich • 
laten hooren, misschien wegens zgn ligchamelgk Igden, of 
omdat de Cartesianen onder de Raey en Geulincx hem te 
magtig waren. Hg was de laatste buitenlander die te Leyden 
als hoogleeraar de wgsbegeerte onderwees. 



*} IJselkoat, MengeÜDgen en Bijdragen, Dev. 1853, blz. 72 tv. 
t) Siegenbeek, I, blz. 171. 

§) Lector 10 Jiu^j 1661; Heereboord stierf 17 Jua^; D. St. extr. pbilos. 8 
Mei 1662 (Siegenbeek II). 



( 181 ) 

Te Oroniii^n ontmoeten w^ dadel^k bg de oprigtingder 
hoogeschool in 1614 den 24jarigen William Makdowel 
(Mac Dowell), die te St. Andrews aan het college van St. 
Leonard een leerstoel had bekleed, en door Joan Casimir 
Junius, die daar gestudeerd had, aanbevolen was. Uit een 
deftig geslacht in het graafschap Roxburgh geboren, is h^ 
in zgn nieuw vaderland tweemaal in voorname familiën ge- 
trouwd, en al spoedig jurist geworden, waarna h^ in 1627 
tot een r^ted^ke betrekking overging. Ik zou niets van 
hem weten te melden, dan hetgeen in de bekende Effigies et 
Vüoê der Groningsche professoren van 1654 te lezen staat 
en door Mr. Boeles in de Levensschetsen '*') geêxcerpeerd is. 
Alleen vo^ ik erbg dat zgne geboorteplaats Makarston te- 
genwoordig Maxton heet, en Calson, waar h^ ter schole 
ging, de stad Eelso is. Aan hem heeft men misschien de 
40*^ lex der oude Groninger statuten te danken : Philoaophi 
oh Ariêtotelis Phüosophia non recedunto, proprignatorea ahsur^ 
dorum paradoxorum et inventores dogntatum novorum ah Aris" 
iotelü doctrina discrepantium non feruntor; welk artikel in 
de Utrechtsche statuten, art. 28, is overgenomen. 

Een halve Schot was eindel^k Will. Laur. Brown, ge- 
boren te Utrecht in 1755 en predikant der Engelsche ge- 
meente aldaar, die van 1788 tot 1796 den leerstoel van 
kerkgeschiedenis, phüosophia moralis en (sedert 1790) na- 
taorregt bekleedde. Zgne > Proeve over de natuurl^ke Gelyk- 
heid der Menschen'' staat in het derde deel der verhande- 
lingen van Teyler's Genootschap (1793). Van Utrecht vertrok 
lig naar Aberdeen, waar hg den 11 Mei 1830 is overle- 
den als hoofd (principal) van Marischal College en eerste 
hoogleeraar in de theologie. Door Clarisse f) vernemen wy, 
dat hg te Utrecht Hutcheson als handboek voor de moraal 
gebruikte. 

Het is mg niet gelukt hier te lande een spoor te ont- 
dekken van George Eglisemmus (Eglesham), van St. An- 
drews, die volgens Prof. Veitch hoogleeraar te Leyden zou 



') Ackt«r Jonckbloet, Oedenkboek der Hsch. te GroDingeo, Oron. 1864. 
f) In het tödschrift de Fakkel, XII. blz' 197. 

VBUL. IH IttDKD. AID. LBTTEBK. 2de AKSK8. DEEL VIL 18 



T 182 ) 

zgn geweest, en Animadversiones in Arütotdis Logicam moet 
hebben gesclireven. Zoover mgne kennis reikt, kan hg aan 
eene Nederlandsche hoogeschool of doorluchtige school hoog- 
stens privaat onderwgs hebben gegeven. 



NASCHRIFT. 

Een van onze geachte medeleden heeft mg sedert gewe- 
zen op een artikel van Prof. J. Tideman in de Studiën en 
Bedragen ran de beeren Moll en de Hoop Scheffer (d. UI, 
biz. 389 — 429). Er vrordt daarin betoogd, dat >de vrgere 
» geestesrigting, die met de renaissance was aangevangen .... 
»meer bgzonder door het Bamisme haren invloed op Arminias 
> en daardoor op het oude Bemonstrantisme heeft geoefend.*' 

Zeer zeker bestond er verwantschap tusschen het een en 
het ander. Ik zou ze echter hieruit willen verklaren, dat 
het twee vormen zgn van hetzelfde verzet tegen de abstracte 
logica uit naam van het natuurlgk gevoel en het gezond ver- 
stand. In de middeneeuwsche scholen verwachtte men alle 
heil van strenge deductie uit onwrikbare grondstellingen. 
Men kwam soms tot minder gewenschte gevolgtrekkingeo, 
waarin men echter berusi^te omdat men op de praemissenea 
de methode het volste vertrouwen had. De renaissance 
protesteert tegen een deel dier gevolgtrekkingen, omdat 
het haar öf stuitend .óf nietsbeteekenend yoorkomt, en wan- 
trouwt nu omgekeerd óf de praemissen, öf de methode, of 
alle beide. 

Dezelfde «persoon die aanleg had om een Bandst te worden 
en te breken met het gezag van Aristoteles, stond ook ge- 
reed om een Bemonstraut te worden, wanneer het decretum 
horrUnle hem al te hinderl^k werd. Intusschen hing het 
Tan omstandigheden af, of z^ne ergernis, hetzig aan de scho- 
lastiek of aan Galvgn, ooit groot genoeg werd, om een 
Bamist of een Bemonstrant van hem te maken. Men kon 
het een zonder het ander zgn, en het tweede zonder het 



( 183) 

eerste. Het is mogelgk, dat in den theologischen arbeid 
Tan Arminins en üjtenbogaert nog sporen yan hunne studie 
ran Ramns over zgn, doch het is niet aan die studie, dat 
z^ hunne theologische rigting te danken hebben. 

De heer Tideman-zelf herinnert aan het oude berigt 
(Voorrede voor Joh. Uytenbogaerts Leven enz. 1645 blz. 
sign, c recto)^ dat Arminius, de logica van Ramus verla- 
tende, zich later »meest hield aan de Aris^telische." Hg 
tischt dat te verzwakken door de bgvoeging: »al blgkt 
>van dit laatste niet genoeg om veel aan het hier uitge- 
»sproken oordeel te hechten/' Dan 1°. is het geen oor- 
deel maar een berigt, en 2^« zie ik niet in, waaruit de 
Aristotelische denkw^ze nader zou moeten blgken van een 
auteur die over het onderwerp niet opzettel^k geschreven 
of in lateren tgd lessen gegeven heeft. De zaak is overigens 
rrg natuurlek. Toen Arminius te Leyden beroepen werd, 
stond h^ vooral bekend als een probua logicus. Hg mögt 
na met Bamus hebben gedweept, omdat deze iets beters be- 
loofde dan de versleten middeneeuwsche methoden, doch op 
den duur kon het hem niet ontgaan, dat de logische her- 
vormer niet gaf wat hg beloofde. Daarentegen maakte men 
meer en meer werk van den oorspronkelgken Aristoteles, 
wiens beteekenis als methodi et ordinü magister den Pargschen 
dialecticus eerlang in vergetelheid heeft gebragt, eerst aan 
de hoedescholen, daarna ook aan de triviale scholen, die na- 
tuurlgk eenigen tgd achteraan kwamen. Juist onze Schot- 
ten, en zgne vrienden die met die Schotten omgingen, kun- 
nen een man als Arminius alligt van het Bamisme zgner 
jeagd hebben teruggebragt. 

Naar aanleiding van het gemelde artikel heb ik nog twee op- 
meridngen. De geëerde schrgver noemt (blz. 407) Eeckermann 
een vertegenwoordiger van het oude stelsel. Uit de voor- 
rede, van Burgersdgk 's InstUutianes Logicae (1626) blgkt, 
dat hg behoorde tot degenen qui doctrinam Aristotelis cum 
dodrina Rami commiscuerunt^ et ex ulriusque disciplina Lo^ 
gicam^eoncinnarunt; Aristotele materiam^ Ramo ncthodum 
mppeditante, et, quod in uno desiderabant^ ex altero supple» 
hani. — Elders wordt opgemerkt (blz. 417), dat Bamus 

18* 



( 184 ) 

de metaphysica niet met Aristoteles tot de sdêntia prima 
rum causarum maakte, maar daartegenover stelde, dat zg 
het ens quatenus ens tot haar object heeft, dezelfde bepa- 
ling die w^ bg Arminius terugvinden« Intusschen zoowel 
deze als de andere is aan Aristoteles eigen. In het b^in 
van het derde boek der Metaphysica vindt men ze bg 
elkander: "Eariv eTiiöTf^/urj rig tj &ho{)€l tó óv ji ov 
xrA...... 8i6. xal ti/iiv rov by to g ji öv rag ncHÓrag 

aixiag Xtinréoy, 



y 



GEWONE YERGADËRING 



DER AFDEEUMO 



TAAL-, LETTER-, GESCHIEDKÜNDIGE EN WUSGEEßIGE 

WETENSCHAPPEN, 

6EH00DBIÜ DRN 8«^» OCTOBER 1877. 



Tegenwoordig de beeren: c. leemans, m. de veies, w. o. bbill, 

/. H. SCHOLTEN, W. J. KNOOP, G. DE VBIES AZ., N. BEETS, 
B. J. LINTELO DE OEEK, G. MEES AZ., J. P. SIX, S. A. NABER, 
M. J. JDB OOB^, C. VOSMAEE, J. P. N. LAND, M. P. A. G. CAMPBELL, 
J. a. D£ HOOP SCHEPPE&, J. G. B. ACQÜOY, H. P. G. qUACK en 

J. c. 6. BOOT, secretaris. 



Het proces-verbaal der vorige yergadering wordt gelezen 
en goedgekeurd. 



Van den voorzitter en van den beer De Wal is bericht 
ingekomen, dat zg verbiaderd worden de vergadering bg 
te wonen. 

Bg absentie van den onder-voorzitter neemt de beer 
Leemans de leiding der vergadering op zicb. 



De secretaris bericbt, dat de beer A. Rutgers, op zgn 
verzoek, door bet bestuur der atdeeling van zgne betrekking 
tot de Akademie als rustend lid is ontslagen. Hij brengt 
ter tafel twee bronzen penningen, waarmede de Nederlandscbe 
Maatschappy van u:gverbeid en de Hoogesciiool te üpsala bet 
munt- en penumgkabinet der Akademie verrijkt hebben. 



( 186 ) 

De heer De Ooeje leest een concept-antwoord op den brief 
van Z.Exc. den Minister van Kolonien in dato 17 Angos- 
tus 11. De vergadering vereenigt zich daarmede, en drai^ 
aan den secretaris op den inhoud aan Z.Ezc. mede te deelen. 



De heer Leemans geeft een overzicht van het verhandelde 
op het tweede congres der Americanisten, dat van 10 tot 13 
September IL te Luxemburg gehouden en door den spreker 
bggewoond is. H^ w^st er op dat de oudere geschiedenis 
van America, en de studie van de talen, zeden [en gewoon- 
ten der inwoners vóór Columbus, vele en ernstige beoefe- 
naars vinden. Nederland, dat in zoo vele betrekkingen tot 
America heeft gestaan, en nog in 't bezit van Nederlandsch 
Guiana en eenige eilanden is, was schraal vertegenwoordigd, 
en de spreker wekt op tot ruimere deelneming van landge- 
nooten aan het derde congres, dat in 1879 te Brussel zal 
gehouden worden. Hg heeft op het congres de aandacht 
gevestigd op oudheden uit Nederlandsch Guiana, Venezuela 
en Yucatan afkomstig, die in het Bgks Museum te Leiden 
gevonden worden, en vertoont afbeeldingen van steenen bei- 
tels van een vreemden vorm, waarover hg iets voor de Ver- 
slagen en Mededeelingen wenscht aan te bieden. 



Nadat de heer Land een toevoegsel op zgne bgdrageoyei 
Schotsche Wgsgeeren aan Nederlandsche hoogescholen heeft 
aangeboden, wordt, daar niemand verder het woord verlangt, 
de vergadering gesloten. 



POGING TOT VERDÜIDELIJKmG YAN 

EENIGE BEGRIPPEN IN DE STAAT- 

HUISHOUDKUNnE. 



BUDRAOB YAM 



W. C. MEES. 



Het gebraik van hetzelfde woord in onderscheidene be- 
teekenis is in de staathuishoudkunde, gel^k in andere we- 
ienschappen, de bron van velerlei verwarring. 

Het is vaak oorzaak van igdeleu strgd, doordien men, 
meenende over dezelfde zaak te handelen, terwgl men inder- 
daad verschillende zaken bedoelt, elkander niet begrgpt. 
En het leidt ook niet zelden tot werkel:gk onjuiste beschou- 
wingen, doordien wanneer men zelf, onbewust, hetzelfde 
woord nn eens in den eenen, dan in een anderen zin ge- 
bruikt, men het hieruit ontstane gebrek aan logisch verband 
in eigen beschouwingen lichtelgk voorbg ziet. 

Dit bezwaar weg te nemen door voor elk woord een en- 
kele beteekenis vast te stellen en zich streng daaraan te 
iionden, is niet wel mogelgk. Men zou daartoe het taalge- 
bruik, zoo als het zich door den tgd gevormd beeft, te zeer 
geweld moeten aandoen. En wie zou de machthebbende 
wetgever zçn? 

Maar wat men wel kan doen en wat reeds veel kan hel- 
pen, is, dat men op de onderscheidene beteekenissen op- 
merkzaam make. 

Ik wil dit ten opzichte van sommige woorden beproeven 
en vestig in de eerste plaats uw aandacht op het woord 
zelf yan staathuishoudkunde. 



( 188 ) 

Wg zullen zien dat de behandeling van dit onderwerp 
yan zelf de behoefte zal doen gevoelen om ook ten opzichte 
van andere woorden die in de staathnishondkunde een be. 
langrgke rol vervullen, bigzonder die van waarde en nuttig- 
heid, naar een juiste bepaling te trachten van den dikwgls 
verschillenden zin waarin ook die woorden gebezigd worden. 

Wat verstaat men onder staathuiehoiAdkundef 

Taalkundig zou men kunnen zeggen, dat dit woord moest 
uitdrukken: de leer van het innerl^k samenstel of organisme 
van den staat. Maar, gèlgk ook blgkt uit de veelvuldige 
verwisseling der woorden staathuiahovdhmde en volkshuin' 
houdkunde, het is niet bepaaldel^k de staatsvereeniffing, maar 
meer algemeen de maatschappij, waaraan men denkt. 

Zal men dan zeggen: de leer van het organisme der 
maatschapp^? 

£en ieder gevoelt, dat zoodanige bepaling veel te algemeen 
zou z^n. Wel heeft, naar de gewone opvatting, de staat- 
huishoudkunde het organisme der maatschapp^ tot voorwerp 
van beschouwing, maar uit een bepaald oogpunt, in verband 
namelyk met de stoffelijke welvaart. 

En dit laatste is zelfs zoo zeer hoofdzaak geworden, dat 
men de staathuishoudkunde in hare tegenwoordige gestalte, 
naar m^ voorkomt, het meest juist kan bepalen door haar 
de leer der stoffelijke volkswelvaart te noemen. 

Ter toelichting hiervan zal het echter noodig zgn, datwg 
eerst trachten na. te gaan, wat, ook weder naar de gewone 
opvatting^ onder stoffelijke welvaart te verstaan zg. 

Een eerste opmerking te dien opzichte is, dat, even als 
bg volkshuishoudkunde, zoo ook bg volkswelvaart, met volk 
bedoeld wordt maatschappij. Volkswelvaart is de welvaart 
eener maatschappg, hetzg men zich deze groot of klein 
denke, het geheele menschdom omvattend of slechts een zeer 
klein deel daarvan; en niet alleen de welvaart van zulk 
eene maatschapp^ als een geheel, als een eenheid^ beschouwd, 
maar niet minder de verdeeling dier welvaart tusschen de 
onderscheidene leden dier maatschapp:g. 



( 189) 

Ten anderen ia welvaart meer dan welzijn. Het is voort- 
gezet welzgn. Het drukt iets uit dat niet stilstaat, maar 
in gang, in werking is. De mensch vaart lichamelgk wel, 
als zgne lichaamsorganen goed werken. Daaruit kan wel 
lichamel^ke welstand geboren worden; maar die toestand 
Tan den oogenblik is op zich zelf nog geen welvaren. Zoo 
ook met de volkswelvaart. Men verstaat er onder dat de 
maatschappel^ke organen goed werken, dat de gang van 
zaken, ten aanzien van het welzgn van de maatschappg 
als een geheel en van hare leden, meer of minder gunstig 
iä. Bedoelt men alleen den toestand van het oogenblik, dan 
spreekt men ook hier meer van welstand^ dan van welvaart^ 
zonder dat echter deze onderscheiding steeds in acht geno<: 
mea pleegt te worden. 

Welvaart drukt verder een gunstige gesteldheid uit, maar 
is toch wel te onderscheiden van geluk. 

Geluk wordt slechts verkregen door bevordering van goede 
begeerten; terw^l bg volkswelvaart het loffelgke of atkeu- 
riagswaardige der begeerten niet, of althans niet rechtstreeks 
in aanmerking komt. Geluk onderstelt overeenstemming 
tnsschen begeerten en de middelen tot haren bevrediging, 
das voldaanheid; terw^l bg volkswelvaart meer gelet wordt 
op de veelheid en belangr^kheid der middelen ter bevredi- 
ging ^an behoeften of begeerten, waarover men beschikt, al 
wordt daardoor nog geene voldaanheid verkregen. 

Niet echter uitsluitend het bedrag der middelen, waarover 
men beschikt, komt in aanmerking, maar ook de moeite 
of opoSering, welke men zich te dier zake getroost. 

Wanneer het eene volk doorgaans en b:g toeneming zich 
de beschikking over veel meer middelen ter bevrediging van 
behoeften of begeerten weet te verschaffen, dan het andere, 
dau zal men het zeker welvarender noemen, al is het dat 
het wellicht in nog sterker verhouding meer daartoe arbeidt. 
Maar wanneer twee volken zich de beschikking over een 
nagenoeg gelgk bedrag van middelen weten te verschaffen 
ea het eene moet daartoe veel meer arbeiden dan het andere, 
dan zal men toch geneigd z^n den welvaartstoestand van het 
eerste beueden dien van het tweede te stellen. 



( 190 ) 

Bg stoffelgke volkstoelvaart eindelgk deukt men niet alleen 
aan bevrediging yan lichamelgke of zinnelgke behoeften of 
begeerten. Het stoffelgke ziet niet zoo zeer op den aard 
der beoogde doeleinden, dan wel op den aard der middelen 
ter bereiking yan beoogde doeleinden. 

Ik wil ook daarmede niet beweren, dat het sto£felgke of 
zinnelgke yan de behoeften of begeerten geheel buiten reke- 
ning bl^fb; dat men, als voorwerpen van stoffelgke wel- 
vaart, niet meer gewicht zal hechten aan stoffelgke zaken, 
die de middelen zign tot onderhoud of zinnelgke veraange- 
naming van het leven, dan aan de zoodanige, die de mid- 
delen zgn ter bevrediging van andere behoeften of begeerten, 
meer b. v. aan voedzame en aangename spgzen, dan aan 
boeken of sterreknndige werktuigen; en dat men aan den 
anderen kant niet geneigd zal zgn, soms ook onstoSelgke 
zaken als voorwerpen van stofiPelgke welvaart te erkennen 
indien zg, zoo als b. v. met vele diensten onzer medemen- 
schen het geval kan zgn, de rechtstreeksche middelen zp 
ter bevrediging van stoffelgke behoeften of begeerten. Maar 
toch 'geloof ik dat, wanneer men bg zich zelf en bg an- 
deren nagaat, w^t men onder stoffelijke volkswelvaart, in 
onderscheiding van volkswelvaart in het algemeen, verstaat, 
men vinden zal, dat het onderscheid veel meer gelegen is 
in het karakter van de middelen, dan in dat der doeleinden. 

Vatten wg de gemaakte opmerkingen samen, dan is de 
stoffelgke volkswelvaart, naar de gewone opvatting, de meer 
of minder gunstige stand en gang van zaken in eene maat- 
schappg, ten aanzien van het bedrag en de verdeeling van 
het beschikkingsvermogen over de stoffelgke middelen ter 
bevrediging van behoeften en begeerten, en dan is de leer 
der stoffelgke volkswelvaart: de wetenschap, die de wetten 
verklaart, waardoor de verschgnselen betreffende dat beschik- 
kingsvermogen beheerscht worden. 

Wanneer wg nu, na deze uitweiding over het begrip van 
stoffelijke volkswelvaarty tot dat van staathuishoudkunde terug- 
keeren, en op de onderwerpen letten, welke gewoonlijk on- 
der den titel dezer wetenschap behandeld worden, eu welke 
ook ieder verwacht onder dien titel behandeld te zullen 



( loi) 

Tinden, geloof ik dat men zal moeten erkennen, dat, zoo als 
ik boTen opmerkte, zg in den regel de grenzen niet over- 
sclurgdt van de leer der stoffelijke volkswelvaart. 

En ook ten aanzien van het alzoo begrensde onderwerp, 
streeft de stcuithuishqudkunde niet naar een volledige weten- 
schappelgke behandeling. 

Hiertoe zou vereischt worden, dat zg de yolkomene ver- 
klaring trachtte te geven van alle wetten, die de yerschgu- 
selen van stoffelgke volkswelvaart beheerschon. Maar die 
rerschgnselen zgn bg uitstek ingewikkeld. Zg zgn veelal de 
gevolgen van allerlei verschillende oorzaken. Ja, er is bgna 
geen eigenschap van den individaeelen mensch, van de 
maatschappg of van de natuur buiten den mensch, die zon- 
der invloed op die verschgnselen blgfb. Een volledige leer 
der stoffelgke volkswelvaart zou derhalve bgna alle analere 
wetenschappen, althans voor een deel, moeten omvatten. Dit 
na beoogt de staathuishoudkunde niet. Zg doet in de ver- 
klaring der wetten die de stoffelgke volkswelvaart beheer- 
schen, eene keus van oorzaken die zg wetenschappelgk in 
bare noodzakelgke gevolgen tracht te doorgronden, terwgl 
xg ten opzichte van andere de resultaten van andere weten- 
«happen eenvoudig overneemt. Op de natuur buiten den 
siensch let zg uit een in dien zin wetenschappelgk oogpunt 
het minst ; zg behoort niet tot de natuurwetenschappen. Het 
maatschappelgk organisme daarentegen wordt door haar met 
blondere zorg behandeld. En wat den aard van den indivi- 
daeelen mensch betreft, is het vooral het algemeen streven 
om, met zoo weinig mogelgk opoffering, zoo veel mogelgk 
middelen tot bereiking van begeerde doeleinden te verkrggen 
of door anderen in wier lot men belang stelt te doen ver- 
ki^en, welks invloed zg wetenschappelgk nagaat. Dit 
streven toch van een ieder is een boogstbelangrgke factor 
ook in de verschgnselen van de algemeene, maatschappelgke 
welvaart; en de staathuishoudkunde, hoezeer de vele andere 
eigenschappen van den mensch, welke mede hare werking 
<loen gevoelen, niet uit het oog verliezende, beschouwt die 
Terschgnselen toch meer bgzonder in verband met dit alge- 
meen streven om met weinig veel te doen. 



( 192 ) 

Met deze beperkingen yan richting van beschouwing kan 
men echter, wanneer men een korte bepaling wenscht, de 
staathuishoudkunde, naar de gewone opvatting, bepalen als 
de leer der stoffelyke volkswelvaart. 

Het is in het oog vallend, dat deze wetenschap in staat- 
huishoudkunde een naam draagt, die met haren inhoud slechts 
in een verwgdêrd verband staat; en dit is gansch niet vry 
van bezwaren. Het maakt dat het telkens voorkomt, dat 
schrgvers over * staathuishoudkunde eigendunkel^k gekozen 
bepalingen van die wetenschap geven, zeer afwykend van 
de zoo even aangeduide meest gewone opvatting. Op zich 
zelf zou dit vr^ onverschillig zign, mits men zich dan ook 
trouw aan de eenmaal gekozen bepaling hield. Maar dit 
geschiedt veelal niet. De gewone opvatting bl^ft onwillekeu- 
rig voor den geest en blgft haren invloed op de behande- 
ling der stof oefenen., En vandaar dan velerlei ongerief. 

Zoo is het niet zeldzaam ook onstoffelijke goederen y en wel 
in zeer verschillenden zin, onder de rechtstreeksche voor- 
werpen van beschouwing aangekondigd te vinden ; waardoor 
men het verwgt wil ontgaan van te uitsluitend in het stof- 
felyke belang te stellen. 

In het woord staathuishoudkunde is niets wat zich tegen 
deze ruimere opvatting verzet, welke ook overigens geen ander 
bezwaar heeft, dan dat de duidelijkheid der behandeling 
lichtel^k schade l^dt als het veld van beschouwing te ruim 
genomen wordt. Maar het is merkwaardig dat men juist 
door de opneming van onstoffelgke goederen gevaar loopt iu 
het euvel te vervallen, welks vermyding men bedoelt. Want 
de kracht der gewoonte is veelal sterker dan die van de 
willekeurig gekozen bepaling der wetenschap. Al heeft men 
dus ten stelligste aangekondigd, dat men aan onstoffelijke 
goederen, op gelgke Ign met stoffelyke, zyii aandacht zal 
schenken, komt men er toch allicht toe om zich hoofdzake- 
lyk met de stoffelyke zaken bezig te houden, wier beschik- 
baarheid het gewone voorwerp van beschouwing der staat- 
huishoudkunde is. En daardoor geschiedt dan werkelyk oü- 
recht aan de onstoffelyke goederen, hetgeen niet üet geval 
zou geweest zyn, indien men te kennen gegeven iiaU oser 



( 193 ) 

die goederen alleen te zullen handelen, in 'zoo ver zg met 
de stoffelgke volkswelvaart in verband staan. 

En zoo vindt men ook zeer dikw^ls de staathuishoudkunde 
bepaald, als de ieer der rijkdommen of ruilwaarde hebbende 
bezittingen^ ja zelfs het voorstel gedaan om haar katallaktiek 
te noemen. 

Nu is er weder op zich zelf weinig tegen, dat men onder 
den naam van staathuishoudkunde een leer der rflkdommen 
of een ruilingsleer, als een bgzondere wetenschap behandele, 
mits men maar niet, uit kracht der gewoonte, in den waan 
verkeere, dat die leer tevens de leer der stoffelgke volkswel- 
vaart is, en dus de stoffelgke welvaart eener maatschappü 
alleen afinete naar het bedrag harer ruilwaarde hebbende 
bezittingen; want dit doende vervalt men in de grootste 
begripsverwarring. 

Een zeer eenvoudig voorbeeld kan dit in het' licht stellen. 
Goed drinkwater is buiten twflfel een zaak wier ruime be- 
schikbaarheid voor de stoffelijke volkswelvaart van het 
grootste belang is. Stellen wg ons nu twee plaatsen voor 
in alle opzichten volkomen aan elkander gelijk behalve 
daarin dat op de eene drinkwater in overvloed door de na- 
tuur wordt aangeboden, terwijl op de andere dat artikel 
Tan elders moet worden aangevoerd. Op de eerste zal drink- 
water geheel geene handelswaarde hebben; op de tweede 
daarentegen zal op elk tgdstip een zekere hoeveelheid van 
aange?oerd drinkwater voorhanden zgn, dat een voorwerp 
Tan handel zal zijn en als zoodanig op den inventaris van 
waarde hebbende bezittingen een post zal uitmaken, die op 
den inventaris van eerstgenoemde plaats ontbreekt. Het 
bedrag van ruilwaarde hebbende bezittingen zal dus op de 
tweede plaats grooter zgn dan op de eerste; en toch zal 
niemand er aan twgfelen de stoffelgke welvaart van de 
eerste hooger te stellen, dan die van de tweede; want het 
volle beschikkiugsvermogen over zoo veel drinkwater als men 
nu of later begeeren kan, is blikbaar een grooter goed dan 
gelgk volledig beschikkingsvermogen over een slechts beperkte 
hoeveelheid met een aan moeite verbonden gelegenheid om 
te yerkrggen wat men meer moge begeeren. En daalde 



( 194 ) 

op de tweede plaats de moeite van aanvoer van water, dan 
zon ook de waarde van de op dat t^'dstip aldaar aanwezige 
hoeveelheid van dat artikel dalen; de inventaris van rail- 
waarde hebbende bezittingen zon dns verminderen; en toch 
zon een ieder toestemmen, dat de stoffel^ke welvaart der 
plaats toegenomen zon zgn. Immers de som van goed zou 
vermeerderd zgn, daar gelgke hoeveelheid water als vroeger 
ten volle beschikbaar zou blgven en hetgeen men meer be* 
geert met minder moeite yerkrggbaar zon wezen. 

Dat het laats tel^k aangeduide gevaar van. begripsverwar- 
ring geen sch^nbezwaar is, kan blgken uit een merkwaar- 
dige plaats van den verdienstel^ken J. B. Say in zgn Epitofne 
des principes fondamentaux de Véconomie politique^ waar hj 
zegt: »Comment se peut-il que la valeur des choses soit la 
»mesure de la quantité de richesse qui est en elles, et en 
»même temps que la richesse d'une nation soit d'autant 
»plus grande que les produits y ont moins de valeur?" Say 
noemt de oplossing van dit vraagstuk : » une des plus grandes 
» difficultés que présente l'étude de l'économie politique." En 
toch bestaat hier blgkbaar een bloot op spraakverwarring 
gegrond misverstand. 

Say bepaalt de staathuishoudkunde als de leer der rijh» 
dommeny en onder rijkdommen verstaat h^ in den regel 
ruilwaarde hebbende bezittingen. In dezen zin gebruikt h^ 
dan ook het woord richesse in het eerste gedeelte der aan- 
gehaalde plaats, waar h^' zegt: »que la valeur des choses 
»est la mesure de la quantité de richesse qui est en elles." 
Een zaak is des te meer rijkdom naarmate zij in het verkeer 
meer waarde heeft. Maar hg is tevens zoozeer onder den 
onwillekeurigen indruk, dat dat geen, waarmede h^ zich 
bezig houdt, een welvaartsleer is, dat h^ niet zelden van 
rijkdom spreekt, waar h^ welvaart bedoelt. Dit doet h^ ook 
hier in het tweede gedeelte der aangehaalde plaats, als hg 
zegt: »que la richesse d'une nation est d'autant plus grande 
»que les produits y ont moins de valeur." De welvaart is 
des te grooter naarmate de begeerde artikelen gemakkelgker 
voort te brengen zjjn en dus het bezit van zekere hoeveel- 
heid dier artikelen minder waarde heeft. Had Say zich zoo 
uitgedrukt, had hg in het tweede gedeelte joroap^Wt^ of ataance 



. (195 ) 

in plaats yan richesse genoemd, het antwoord op de gestelde 
vraag zon voor de hand gelegen hebben; er zou geheel geen 
schgnstrgdigheid tusschen de twee stellingen bestaan hebben. 
En opmerkelgk is het dat Say zelf op het eind van het 
breede maar niet zeer heldere opstel, waaruit ik de bovenge- 
melde woorden ontleende, een eenvoudige en niet onjuiste 
omschrgving geeft van loelvaart^ wanneer hg, thans geheel 
niet van richesse sprekende, zegt: »que la nation chez qui 
>l68 produits à consommer sont en général le plus abondans 
»par rapport à la population, et où les produits se distri- 
»buent le mieux en proportion de la part que chacun à prise 
>à la production, est celle où l'on est le mieux accommodé, 
»ou Ton jouit de plus d^aisance'\ Naarmate men meer be- 
schikkingsvermogen over begeerde stoffelgke zaken heeft en 
dat beschikkingsvermogen beter verdeeld is, naar die mate 
is de stofiFelgke welvaart (aisance) grooter. 

Mg komt het voor, ciat de wetten te verklaren, welke 
deze stoffelgke welvaart (aisance) beheerschen, naar de gewone 
opvatting, als de eigenaardige taak beschouwd wordt der 
staathuishoudkunde, en dat het daarom beter is, indien men 
niet opzettelgk van de gewone opvatting wil afwgken en 
dan ook nauwgezet zich aan die afwijking houden, die weten- 
schap te bepalen, niet als de leer der rijkdommen^ maar 
als de leer der stoffelijke volkswelvaart. 

Maar is er toch niet tgen nauw verband tusschen het be- 
drag van iemands ruilwaarde hebbende bezittingen en zgn 
stoffelgken welstand? 

Niemand zal het ontkennen. Maar daaruit dat er een 
Terband tusschen twee zaken bestaat, volgt nog niet dat zg 
een en hetzelfde zgn, noch ook dat de eene de juiste maat- 
staf van de andere is. Om echter den aard van dat verband 
te doorzien en duidelgker te begrgpen wat ten dien opzichte 
tot dwaling kan leiden, is het noodig dat wg het begrip 
ran waarde trachten te doorgronden ' en op de onderscheidene 
beteekenissen letten waarin ook dat woord gebruikt wordt. 
Het is hiertoe dat wg thans willen overgaan. 

De meest gewone verklaring van het woord waarde^ welke 
men in de staathuishoudkundige werken aantreft, is deze dat 



( 196 ) 

waarde de hoedanigheid eener zaak uitdrakt van tegen andere 
zaken ruUbaar^ verhandelbaar te zgn, of ook de hoegrootheid 
dier hoedanigheid, uitgedrukt door de hoeveelheidsverhou- 
ding, waarin de zaak tegen andere zaken ruübaar^ verhan- 
delbaar is. En ontegenzeglyk wordt het woord zeer yeel- 
Yuldig alzoo gebezigd. 

. B^ eenige opmerkzaamheid wordt men echter spoedig ge- 
waar, dat ook onderscheidene andere beteekenissen niet zeld- 
zaam zgn, die met het begrip van railing of verkeer niets 
gemeen hebben. 

Zoo V^^^^i^^ waarde ook de betrekkelijke hoegrootheid van 
iets, van een hoedanigheid, kracht of wat Ket zgn moge. 
Men denke aan het gebruik van het woord in de wis- en 
natuurkundige wetenschappen, als men van de waarde van 
onderscheidene factoren spreekt. En nog onlangs ontmoette 
ik, op een geheel ander gebied, b^ Bentham, de woorden: 
the value of a pleasure or a pain" in den zin van de be^ 
trekkelijke hçegrootheid van een genot of een leed. 

Ten anderen wordt waarde ook gebruikt van bepaalde 
hoedanigheden, zonder daarb^ noodwendig aan hoegrootheid 
of vergel^king te denken, maar die evenzeer geheel vreemd 
zgn aan ruilbaarheid. Zoo beteekent het de hoedanigheid 
van in zgne soort deugdelijk^ goed te z^n; b. v. als men 
aan een handeling zedelijke waarde toekent, aan een betoog 
waarde in den zin van bewijskracht of aan een kunstwerk 
a^athetiache waarde. 

Daarmede samenhangend, maar toch daarvan onderschei- 
den is nog een andere beteekenis. Wanneer iemand iets 
als een goed erkent, dan stelt hg er belang in, dan is h^ 
er aan gehecht, is het hem geliefd. En waarde wordt dan 
ook veelvuldig gebruikt in 'den zin van geliefdheid. Als 
iemand zegt, dat het bezit van een voorwerp dat aan zp 
overleden vriend heeft toebehoord^ of dat de herinnering 
aan een laatst gesprek met dien vriend, waarde voor hem 
heeft, dan bedoelt h^ daarmede niets anders dan dat het 
bezit van dat voorwerp, of dat die herinnering door hem 
als een goed erkend wordt en dus b^ hem geliefd is. Waarde 
vriend, z^t men, voor geliefde vriend. En hoe ook bg 



( Ï97) 

andere woorden in onze taal en evenzeer in andere talen 
hetzelfde woord, waardoor de ruüverhotuUng wordt nitge- 
drukt, voor geliefdheid gebmikt wordt, bl^kt nit ons dierbaar 
in verband met duur^ uit het Latgnsche carus^ hetFraiische 
cheTy het Hoogdaitsche theuer en werth, het Engelsche 
dear, enz. 

In de staathuishondkuude wordt het woord waarde in al 
de genoemde beteekenissen gebruikt; en dat dus juiste on- 
derscheiding noodig is, behoeft geen betoog. 

Maar naar mijne overtuiging neemt in die wetenschop 
het begrip van waarde in den zin van geliefdheid of hoe- 
danigheid van een erkend goed te zijn een veel grootere plaats 
in dan veelal vermoed wordt; ja, blgft ook dan, wanneer 
het woord in de behandeling dier wetenschap voor ruil' 
terhouding gebruikt wordt, daarb^ schier altgd het denk- 
beeld van geliefdheid tevens meer of min bewust voor den 
geest. Is deze opmerking juist, dan kan zy veel begrips- 
verwarring doen vermeden. Ik wil daarom trachten haar 
uader toe te lichten. 

Hiertoe wil ik aanvangen met op het een en ander op- 
merkzaam te maken omtrent het gebruik van het woord 
waardey als geliefd/ieid opgevat, in het algemeen, ook buiten 
ik staathuishoudkunde. 

Waarde^ in dien zin, is een b^rip van betrekking tus- 
ächen eene zaak en den mensch, die haar als een goed be- 
ächouwt; maar het is op zich zelf nog geen begrip van 
veigel^king tusschen onderscheidene zaken. Het ligt intus- 
schen voor de hand, dat, even als zulks met andere woor- 
den die hoedanigheden uitdrukken, het geval is, zoo ook hier 
'ûetzelfde woord dat gebruikt wordt voor de hoedanigheid van 
'jdiefd te zgn ook gebruikt wordt voor de door vergel^king 
uitgedrukte lioegrootheid dier hoedanigheid; dat dus waarde 
oiet slechts geliefdheidj maar ook geliefdheidsverhouding te 
kennen geeft. Waarde wordt hierdoor een begrip van ver- 
gelyking ; maar toch blglt ook dan het wezen van het begrip 
gelegen in de gehechtheidsbetrekking tusschen den. persoon 
en de zaak; want het is deze gehechtheidsbetrekking, welke 
men in onderscheidene zaken vergelgkt. 

▼UIL, SM X1.DEO. AÏD, LKTT£RK. 2de RXULS. DESL VIL 14 



( 198 ) 

Maar hoe meet men den graad dier geliefdheid? 

Ter vergelgking eener hoedanigheid gebruikt men gewoon- 
l^k een of andere zaak, die dezelfde hoedanigheid heeft; 
b. y. voor stoffelgke uitgebreidheid, een deel van den aard- 
bol, die even als andere ligchamen in de ruimte bestaat. 
Ook b^ waarde, als geliefdheid, kan dit alzoo geschieden; 
veelt^ds geschiedt het echter anders. Tegenover de hoedanig- 
heid van een erkend goed te zgn, gehechtheid aan, geUefd" 
hetdy staat de hoedanigheid van een erkend kwaad te z^n, 
afkeer van, gehaatheid, en wel als iets gelgksoortigs maar 
tegengestelds of opwegends. Men kan zeggen^ als iets ne* 
gatiefs t^enover iets posîtieâ, mits men aan het negatieve 
niet een bloot ontkennend karakter toekenne. En gel^l 
men nu elke positieve grootheid even goed met een negatieTe 
als met een andere positieve kan vergelgken, zoo kan men ook 
als maat van waarde, in den zin van geliefdheid^ even goed 
een als kwaad beschouwde, als een insgelgks geliefde zaak 
aanwenden. Men kan niet alleen door nevensstelling, maar 
eveneens door tegenstelling vergelgken. Beide geschiedt; 
het eerste wanneer men b. v. zegt: »de eer is bem meer 
waard dan het leven"; het tweede wanneer men iets >de 
moeite waard", »of een jaar arbeids waard^' noemt. Enge- 
woonlgk geschiedt het op de tweede wijze. 

Men kan echter niet altgd juist bepalen of men door 
nevensstelling of door tegenstelling meet. Want het gemis 
vau eenig goed is een tegen dat goed opwegend kwaad, en 
de vr:gdom van eenig kwaad een tegen dat kwaad opw^end 
goed. Wanneer men dus, ter aanduiding van den graad van 
geliefdheid^ hetzg iets goeds, of iets kwaads vermeldt, is 
het onzeker, en ook tamelgk onverschillig, of men in het 
eerste geval het goed zelf of het gemis er van, in het tweede 
het kwaad zelf of de besparing er van bedoelt. 

Letten wg nu op het gebruik van het woord waarde in 
de staathuishoudkunde, dan worden wg gemakkelgk gewaar, 
dat het woord ook in die wetenschap niet alleen dikw^ls 
in den zin van geliefdheid gebezigd wordt, maar zel& zóó, 
dat daarbg aan geene ruilbaarheid kan gedacht worden. 

Zoo is het niet ongewoon dat men, ten einde de voordoe- 



( 199) 

len van het maatschappelgk verkeer door tegenstelling op te 
helderen, zich iemand bniten alle verkeer, een Bobinson 
Crosoe, voorstelle En niemand zal bg die voorstelling hui- 
reren te erkennen, dat zoodanige persoon vele zaken zou 
hebben, aan welke hg waarde zou hechten, en dat de mate, 
waarin die zaken waarde voor hem zouden hebben, verschU- 
lead zou zgn, dat de eene hem twee-, driemaal zoo veel waard 
zou zgn, als de andere; zonder dat daarbg van ruiling sprake 
kan zgn. 

Zoo zal men dikw^ls een gematigd en gezond luchtgestel, 
de gunstige ligging van een land voor binnen- en buiten- 
laodsch verkeer, volkomen overvloed van drinkwater enz., als 
aken vermelden, die uit het oogpunt voor stoffel^ke wel- 
vaart voor een volk van groote waarde zgn; hoezeer die 
zaken geen ruilvoorwerpen z^n. 

En in dien zin is ook ten allen tgde in de staathuishoud- 
kimde naar een zaak van vaste waarde gezocht. Neemt 
men waarde in den zin van ruilverhouding, dan is dit zoe- 
ken de ongeremdheid zelve. Hoe toch kan men meenen, 
dat er een zaak zou kunnen zgn, die in een vaste ruilver- 
honding zoude staan tot andere zaken, die van haren kant, 
èo onderling, èn tot de bedoelde zaak in een telkens verande- 
rende ruilverhouding zieh bevinden ! Maar die bedoelt men 
ook niet. Hetgeen waarnaar men zoekt is een zaak, die ten 
allen tgde en ter aller plaatse een, zg het voor onderschei- 
dene klassen van personen verschillenden, maar voor dezelfde 
klasae gelgken graad van geliefdheid heeft^ die door dezelfde 
klasse van personen overal en altgd als een gelgk goed wprdt 
laugemerkt. En nu moge het waar zgn, dat geen zaak te 
Tiüden is, die anders dan bg grove benadering aan dien 
èch voldoet, het zoeken er naar is verre van ongergmd en 
ë zelfs onvermgdelgk, wil men trachten den betrekkelgken 
graad van volkswelvaart op onderscheidene plaatsen of tgden 
te Teigelgken. 

Maar wanneer het voorwerpen van verkeer geldt, betee- 
kent dan toch waarde niet in den regel alleen nMver^ 
koudingf 

Mg dunkt, neen. Maar om dit in te zien, moet men 

14* 



( 200 ) 

niet uit het oog yerliezen, dat de begrippen van ruär 
baarheid en van geliefdheid of hoedanigheid van als een goed 
aangemerkt te worden, al zgn zij zeer te 'onderscheiden, vele 
punten van aanraking hebben; zoodat het zeer eigenaardig 
is, dat men aan voorwerpen van verkeer den naam vBngoe* 
deren geeft, en het zeer verklaarbaar is, dat hetzelfde woord, 
waarde, dat geliefdheid of gelie f dheidever houding uitdrukt, ook 
gebezigd wordt voor ruilbaarheid of ruilverhouding^ 

Ruilbaarheid berust namel^k op geliefdheid, althans bg 
sommige leden der maatschappij. Hoe toch zoude meu za- 
ken tegen andere ruilen, in welke niemand eenig belang 
stelde? 

Âan den anderen kant heeft, al wat eenmaal in een maat- 
schappg erkend ruilvoorwerp is, immers voor zoover het vat- 
baar is om meermalen van den een aan den ander over- 
gedragen te worden, geliefdheid voor elk lid dier maat- 
schappg. Want al zyn er voor een ieder onder de erkende 
voorwerpen van verkeer vele, die op zich zelf hem zeer onver- 
schillig zouden laten, ook deze zign hem geliefd, als midde- 
len ter verkrigging van andere geliefde zaken. 

En niet alleen dat de bedoelde ruilvoorwerpen voor een 
ieder geliefd zyn, maar — en dit vooral verdient opmer- 
king — indien die voorwerpen volkomen, dat is, zonder 
eenige moeite of kosten tegen elkander ruilbaar zijn, is de 
hoeveelheidsverhouding, waarin zij tegen elkander verhandel- 
baar zgn, voor een ieder de maatstaf hunner onderlinge 
geliefdheidsverhouding. Immers, wanneer voor het voorwerp a 
het* voorwerp 6, en omgekeerd voor het laatste het eerste, 
moeite- en kosteloos verkrijgbaar is, is er geen reden denk- 
baar, waarom iemand meer aan het bezit van liet eene dan 
aan dat van het andere, zou gehecht zijn, daar elk hunner 
tevens de vrije beschikking geeft over het andere. Hierbij 
is wel in acht te nemen, dat deze met de ruilverhouding sa- 
menvallende geliefdheidsverhouding tusschen onderscheidene 
voorwerpen voor denzelfden 'persoon niets gemeen heeft met 
den graad van geliefdheid van hetzelfde voorwerp voor on- 
derscheidene personen. De omstandigheid dat de voorwer- 
pen a en & tegen elkander ruilbaar z^n, sluit niet uit, dat 



( 201 ) 

de graad van geliefdheid van elk dier voorwerpen, voor de 
armen reel hooger zal zgn dan voor de rgken; maar voor 
de rgksten zoowel als voor de armsten zal de geliefdheids- 
rerhoudiug iasschen a en 6 dezelfde zgn, namel^k die van 
gelykheid. 

Het gezegde zal het, geloof ik, dnidelgk maken, dat, al 
is het dat in toepassing op ruilvoorwerpen van waarde ge* 
sproken wordt in een zin, waarin dat woord ook door tuü- 
baarheid of ruilverhovding zou kunnen vervangen worden 
daaruit nog niet volgt, dat niets anders dan de ruilbaarheid 
of ruilverhouding op zich zelve, als objectieve betrekking 
tassehen de zaak en andere zaken, bedoeld wordt. Het kan 
wel z^n dat dit het geval is, en het zal dikwyls, vooral in 
de taal van het praktisch handelsverkeer, het geval z^n. 
Maar het kan ook z^n, dat mede of zelfs hoofdzakel:gk aan 
de subjectieve gehechtheidsbetrekking tusschen de zaak en 
den mensch, aan geliefdheidj gedacht wordt. 

En dit laatste heeft, naar m^ voorkomt, in de staathuis- 
hondkunde schier alt^d, in meerdere of mindere mate, plaats. 
Het kan zelfs plaats hebben, al spreekt men uitdrukkelgk 
Tan ruilwaarde^ handelswaarde^ geldswaarde^ koop^ of verkoop- 
marde enz. Men bedoelt dan wel is waar dikwgls ruil- 
laarheid of ruilverhouding geheel op zich zelf. Maar men 
kan ook bedoelen en bedoelt werkelijk niet zelden geliefd- 
heid, voor zoo ver deze gegrond is op, of afgemeten wordt 
naar ruilverhouding, in tegenstelling met geliefdheidj die een 
anderen grond heeft of op. andere wgze wordt afgemeten, 
b. y. als men van nuttigheidswaarde ot gebruikswaarde spreekt. 
Als men opmerkt: dat edele gesteenten, hoezeer voor velen 
schier geheel geene nuttigheide- of gebruikswaarde hebbende, 
toch voor ieder groote ruilwaarde hebben, terwgl water 
Teelal geheel geene ruilwaarde heeft, hoezeer de beschikbaar- 
heid van dat artikel voor ieder groote nuttigheide- of ge- 
Iruxkswaarde heeft, dan beweegt men zich geheel, ook daar 
waar men van ruilwaarde spreekt, op het gebied van waarde 
in den zin van geliefdheidj van de hoedanigheid van een er- 
kend goed te zgn. 

Dat het gebruik van het woord waarde in verschillende 



( 202 ) 

beteekenis tot verwarring kan leiden, is niet te ontkennen. 
Op een Engelsch staathuishoadkandige van onzen tgd, 
W. Stanley Jevons, heeft dit bezwaar zoodanigen indrok ge- 
maaktt dat hg in zgn in 1873 versehenen TTieory of poUtUd 
economy voorstelt, het woord waarde (value) geheel nit de 
wetenschap te verbannen. Met dit voorstel kan ik m^ echter 
geheel niet vereenigen. Reeds boven heb ik opgemerkt, dat 
men niet zoo willekeurig met de taal kan omgaan; en hoe 
gdel ook in dit geval de poging zon z^n, kan blgken nit 
het geschrift zelf van Jevons, waarin hg zgn verbannings- 
vonnis velt en waarin hg toch vele malen en in velerlei 
zin het woord waarde blgft gebruiken. 

Maar ik heb ook nog eene andere bedenking. Jevons 
wil, zoo diiwTjh waarde door ruilverhouding (ratio o f exchange) 
vervangen kan worden, laatstgemeld woord gebruiken ; en daar 
is op zich zelf niets tegen Hg zegt echter niet hoe hg 
het woord in andere beteekenis wil vervangen. Maar wan- 
neer men zgn geschrift leest, vindt men dat hg waarde in 
den zin van geliefdheid of van graad van geliefdheid tracht 
te vervangen door nuttigheid en graad van nuttigheid {utiUty^ 
degree of utility). En dit acht ik geheel verkeerd, daar het 
in plaats van begripsverwarring te voorkomen, juist tot dat 
euvel leidt ; gelgk het dan ook de helderheid van het geschrift 
van Jevons zeker niet bevorderd heeft. 

Wat toch is nuttigheid? 

Naar de gewone staathuishoudkundige opvatting, ook van 
Jevons zelf {Theory of political economy p. 45): de hoeda- 
nigheid eener zaak van middel te zgn ter bereiking van een 
geliefd doel, of, korter gezegd: bruikbaarheid tot een geliefd 
doel. 

Ook beperkter opvatting van het nuttigheidsb^rip komt 
voor. In de taal van het dagelgksch leven eischt men veebl 
voor nuttigheid, dat het doel ter bereiking waaarvan een zaak 
het middel is te recht geliefd zg. Maar in de staathuishoud- 
kunde wordt hierop in den regel niet gelet. 

Een andere bei>erking van het begrip, welke ook in de 
staathuishoudkunde bg sonunige schrgvers voorkomt, is, dat 
men alleen dan aan eeue zaak nuttigheid toekent, wanneer 



( 203 ) 

q het middel is ter bereiking van een geliefd doel, van het" 
welk mertj hg gemü van die zaak^ zou verstoken zijn. Ook 
zoodanig gebrnik van het woord is echter uitzondering. In 
den r^el kan men zeggen, dat in de staathuishoudkunde 
onder nuttigheid eenvoudig verstaan wordt : de bruikbaarheid 
eener zaak tot een geliefd doel, onverschillig of dat doel te 
recht of ten onrechte geliefd is en onverschillig ook of men 
bg gemis van die zaak ook van het door haar bereikbare 
doel zon verstoken zgn. 

Wanneer iemand bg een boom staat, vol beladen met 
Trachten, wier genot hem zeer geliefd is, maar die niet gezond 
zgn, zal aan de geplukte vrucht, die h^ in de hand heeft, 
m de taal van het dagelgksch leven, waarsch^nl^k alle nut- 
tigheid ontzegd worden, omdat het doel, waartoe z^ bruik- 
baar is, verkeerdel^k geliefd is. Men zal, bg een andere 
opvatting van nuttigheid, aan die geplukte vrucht, ook al 
ware zg gezond, de hoedanigheid van nuttigheid kunnen 
ontzeggen, omdat het gemis van die vrucht, welke moeite- 
loos door een andere te vervangen zou zgn, van geenerlei 
geliefd doel zou versteken. Maar in den gewonen staathuis- 
kudkundigen zin zal men haar nuttigheid toekennen, omdat 
q, niet minder dan eenig ander exemplaar van die vrucht- 
soort, bruikbaar is tot een begeerd, geliefd doel. 

Het is, wanneer men op deze beteekenis van nuttigheid 
let, in het oog vallend^ dat er wel nauw verband bestaat 
toBSchen de begrippen van nuttigheid en waarde in den zin 
yan geliefdheid^ maar tevens dat het in wezen verschillende 
begrippen z^n. Geliefdheid drukt een rechtstreeksche be- 
trekking uit tusschen de geliefde zaak en den lievenden 
mensch ; nuttigheid een betrekking tusschen de nuttige zaak, 
als middel, en een andere zaak als doel, en eerst door tus- 
sehenkomt dezer laatste een betrekking van de eerste tot den 
mensch» 

En ook in kring van zaken die zg omvatten, vallen de 
twee begrippen niet samen. 

Men kan van geliefde zaken twee soorten onderscheiden; 
de zolke die om zich zelfs wil, als doeleinden, geliefd zgn, 
en andere die deze hoedanigheid slechts hebben als middelen 



( 204 ) 

ter bereiking van eerstgemelde ; b. v. gezondheid en spgs. 
Daar nu alleen middelen nuttig genoemd worden, valt de 
eerste soort, die der doeleinden, buiten het begrip yan nut- 
tigheid: en er zgn dus vele geliefde^ en in dien zin waarde 
hebbende zaken^ die niet nuttig kunnen genoemd worden. 

Maar z^n alle nuttige zaken tevens geliefd^ en in dieu 
zin waarde hebbend? Dit zal afhangen van den zin, waario 
men nuttigheid opvat. Zaken die niet om zich zel& wil, 
als doeleinden, maar alleen als middelen, geliefd zgn, hebbeu 
die hoedanigheid slechts dan, wanneer b^ haar gemis een 
geliefd doel zou gemist worden. In dat geval, maar ook 
alleen in dat geval, deelt zich de geliefdheid van het doel 
aan het middel mede. Beperkt men nu het b^pdp van 
nuttigheid zoodanig, dat het geene andere dan zaken, waar- 
mede dit het geval is, omvat — en wg zagen straks dat dit 
soms geschiedt — ja, dan zijn alle nuttige zaken, tevens 
geliefd en in dien zin waarde hebbend. Maar bezigt men 
het woord in den gewonen, ruimeren zin, waarin het een- 
voudig bruikbaarheid tot een geliefd doel beteekent, dan 
zgn er, opdat een zaak, die niet als doel geliefd is, 
als middel die hoedanigheid bezitte, twee vereischten: ten 
eersten, dat de zaak nuttig, dat is tot een geliefd doel 
bruikbaar, zg, en ten anderen dat dat doel niet buiten die 
zaak door andere middelen moeiteloos bereikbaar z^. Alleen 
wanneer ook dat tweede vereischte aanwezig is, zal men aan 
het bezit der nuttige zaak gehecht zign, zal dat bezit waarde 
in den zin van geliefdheid hebben. £n komt er b^, dat het 
bezit voor overdracht vatbaar is, zoo zal bet allicht een voor- 
werp van verkeer z^n en dus ook waarde^ in den zin van 
ruübaarheid hebben. 

Hieruit volgt dat er vele zaken zgn, die nuttig en ook 
voor overdracht vatbaar zgn, en die toch geen waarde heb- 
ben, zelfs niet in den zin van geliefdheid. De geplukte vrucht, 
waarvan wg straks spraken, heeft nuttigheid^ omdat zg ver- 
frissching kan geven; zg is vatbaar om verhandeld te worden; 
maar toch heeft z^ geenerlei waarde^ zelfs niet in den zin van 
geliefdheid^ omdat bg haar gemis andere, even krachtige mid- 
delen tot verfrisschiug moeiteloos beschikbaar zouden blgven. 



( 205 ) 

Gelgk dus het b^rip van geliefdheid zaken OKivai, die bui- 
ten het begrip van nuttigheid vallen, zoo omvat wederkeerig het 
begrip van ntUtiglieid* althans in den schier algemeen gebrui- 
kel^ken zin, zaken, die buiten het begrip van geliefdheid vallen. 

Maar al had ook, wat omvang betreft, samenvalling der 
twee begrippen plaats, toch zou onderscheiding noodig zgn, 
omdat bet in wezen verschillende begrippen zgn. 

Ik geloof daarom dat, indien Jevons het woord waarde 
geheel had willen vermgden, hg het op vele plaatsen, waar 
van geene vervanging door ruilverhouding sprake kan zgn, 
niet door nuttigheid had moeten vervangen, maar door 
gdiefdheid of hoedanigheid om alê een goed hesclvouwd te worden. 
Gelgk ik echter reeds boven opmerkte, hecht ik weinig aan 
dit vermeden van dubbelzinnige woorden, en acht het beter 
het gewone spraakgebruik te blgven volgen, maar daarbg 
de onderscheidene beteekenissen waarin hetzelfde woord pleegt 
gebruikt te worden, helder voor den geest te houden. 

Nauw verwant met het begrip van waarde is dat van 
fißkdommen. Immers de meest gewone zin van rijkdommen 
ia, gelgk wg reeds boven opmerkten, die van: ruilwaarde 
\dbende bezittingen. Neemt men nu ruilwaarde in de 
objectieve beteekenis van de hoedanigheid van voorwerp van 
Terkeer te zgn, dan zgn rijkdommen niets anders dan 
bezittingen die voorwerpen van verkeer zijn* En werkelgk is dit 
Teelal de zin van het woord. 

Maar waarom die bezittingen juist rijkdommen genoemd? 
Om dezelfde reden waarom men haar troarda toekent; omdat 
ùj als een goed beschouwd worden. Rijk is hg die veel heeft 
wat ah een goed wordt aangemerkt. 

Vandaar dan ook dat het woord rykdommen zoo dikwgls 
in mimeren zin gebruikt wordt. Men zal in het dage- 
IgkBch leven het bezit van een helder hoofd, ruim hart, op- 
geruimde gemoedstemming, gezond lichaam, bloeiend gezin, 
zoovele rijkdommen noemen, veel hooger te schatten dan de 
grootste geldelgke bezittingen; daarmede bedoelende, dat zg 
een veel grooter goed zgn. En ook in de staathuishoudkunde 
zal men de beschikbaarheid voor een volk van vele vrge 
natnurvoortbrengselen en natuurkrachten, als ook de bg een 



( 206 ) 

volk bestaande bgzoudere arbeidskrachten en talenten niet 
zelden in mimeren zin .onder de rijkdommen van een volk 
tellen, omdat zg, hoezeer geen voorwerpen van verkeer, 
inderdaad in verband met de stoffelgke volkswelvaart als een 
groot goed te beschonwen zgn. 

Hetzelfde denkbeeld nn blgft, min of meer bewust, teo 
grondslag liggen van het begrip van r^kdommen, ook waaneer 
het in den gewonen, engeren zin genomen wordt, waarin 
het alleen voorwerpen van verkeer omvat. Ook dan iSga het 
zaken, die als een goed beschouwd worden ; maar zg onder- 
scheiden zich van rgkdommen in mimeren zin daarin, dat 
de betrekkelgke mate waarin zg voor allen als een groai be- 
schouwd worden, in verhouding tot elkander, naar hare on- 
derlinge ruilverhouding kan afgemeten worden. 

Nog ééne aanmerking wil ik hieraan toevoegen ter op- 
heldering Van het begrip van waarde^ en dus ook van 
r^kdommen^ bepaaldelgk in toepassing op stoffelgke zaken. 

Wanneer men aan een stofiPelgke zaak waarde toekent, 
hetzg als hoedanigheid van als een goed aangemerkt te wor- 
den, hetzg als de hoedanigheid van tegen andere zaken rtctl- 
bcuir te zgn, en evenzeer wanneer men een sto£Pelgke zaak 
onder de r^kdommen rangschikt, spreekt men inderdaad el- 
liptisch. Men bedoelt als waarde hebbend^ als rijkdom^ niet 
de stoffelgke zaak zelve, maar het bezit er van en dus het 
beschikkingsvermogen er over, gelgk men dan ook rgkdom- 
men waarde hebbende bezittingen en de som van iemands 
rgkdonmien zgn vermogen noemt. 

Deze opmerking is niet van belang ontbloot in verband 
met het begrip van stoffel^ke welvaart. 

De stoffelgke welvaart, zagen wg, bestaat in het beschik- 
kingsvermogen over stoffelgke middelen ter bevrediging van 
behoeften en begeerten, of, zoo als men ook kan z^gen, in 
het beschikkingsvermogen over nuttige stoffelgke zaken. 
Naarmate de bereikbare doeleinden een grooter goed zgn en 
dus in dien zin hooger vniarde hebben, zal ook het beschik- 
kingsvermogen over de daartoe vereischte middelen een grooter 
'goed zgh, in dieli zin hooger waarde hebbeü. Maar, en dit 
wordt te weinig in het oog gehouden, dat waarde hebbend 



( 207 ) 

beêehiUdngsvermogen over nnttige stoffelgke zaken bestaat niet 
oitslnitend in den yorm van bezit ^ in welken vorm alleen 
men in het spraakgebruik gewoon is de waarde van hei 
beschikkingsTermogen over de zaken op de zaken zelven 
oyer te brengen^ maar nog meer in den vorm van verkry' 
gingêgelegenheid. 

h een 8to£felgke zaak« wier beschikbaarheid waarde heeft, 
omdat men, bg gemis dier beschikbaarheid, Tan een .waarde 
hebbend doel zon verstoken zgn, van dien aard, dat z^ niet 
Toor nieuwe yerkrgging vatbaar is, zoodat de beschikbare 
hoeveelheid tot de reeds in bezit z^nde beperkt is, ja, dan 
bestaat het waarde hebbend beschikkingsvermogen alleen in 
het bezit. Zoo is het voor elk onzer met voorwerpen van 
affectie; en zoo is het in zekere mate voor degeheele maat- 
schapp^ met de kunstwerken van overleden kunstenaars. 

Geheel anders is het echter, wanneer zoodanige stoffelgke 
zaak in meer dan voldoende hoeveelheid en geheel moeite- 
loos verkrggbaar is. In dat geval valt' het beschikkings- 
vermogen over zoo veel van het artikel als begeerd wordt 
met de verkrggingsgelegenheid samen en is het die verkrijg 
fngtgelégenheid aan welke zich de volle waarde van het be- 
aehikkingsvermogen hecht, terwigl het hezit^ van welke 
hoeyeelheid ook, zonder waarde is. Zoo is het met damp- 
kringslucht en op vele plaatsen ook met drinkwater, beide 
mn uitstekend gewicht voor de stoffelgke welvaart. 

En wederom anders is het, wanneer zoodanige stoflfelgke 
zaak wel verkrggbaar is, maar niet moeiteloos; en met de 
meeste voor den mensch nuttige artikelen is dit het geval. 

Is de verkrggingsopoffering zoo groot, dat hare negatieve 
waarde voor zekere hoeveelheid grootêr is dan de positieve 
waarde van het volle beschikkingsvermogén over die hoe- 
reelheid, dan heelt de verkrggingsgelegenheid natuurlek geene 
waarde. Het is dan als bestond er geen verkrggingsgelegenheid. 

Maar is de verkrygingsopoffering beneden dat peil, dan 
hebben zoowel verkrggingsgelegenheid^ als bezit waarde. In 
de verkrijgingsgelegenheid is dan reeds een beschikkings- 
vermogén over zooveel van het artikel als men verlangt, 
bevat, maar onvolkomen, bezwaard met opoffering. Z§ heeft 



( 208 ) 

daarom de waarde van een volledig bescliikkiiigBYermogeD 
over zooveel van het artikel als men verlangt, onder af- 
trek van de waarde der daaraan verbonden opofiEering. En 
het bezit van zekere hoeveelheid heeft dan ook waarde^ om- 
dat het, wat die hoeveelheid betreft, het onvolledig beschik- 
kingsvermogen volledig maakt, een aanvullingswaarde dus, 
welke echter nooit hooger kan z^n dan de negatieve waarde 
der door het bezit bespaarde verkr^gingsopoffering van ge- 
l^ke hoeveelheid. Want b^ gemis .van dat bezit is men niet 
van het genot van het artikel verstoken, maar is men alleen 
tot eenige verkrggingsopoffering verplicht. ^ 

Omdat alzoo bet waarde hebbend beschikkingsvermogen | 
over stoffelijke zaken dien tweeërlei vorm heeft van bezit 
en verkrijgingsgelegenheid^ is het zeer , tot verwarring lei- j 
dend, wanneer men de staathuishoudkunde^ hoezeer haar 
als leer der stoffelijke welvaart opvattende, nogtans bepaalt 
als de leer der rijkdommen of waarde hebbende bezittingen. 
Men loopt zoodoende groot gevaar in onvolledige of scheve 
beschouwingen te vervallen, niet alleen door te uitsluitend 
op ruüverhovdingen te letten, maar ook, al neemt men waarde 
in ruimeren zin, door de welvaart te zeer afhankelgk te 
stellen van het bezit^ met veronachtzaming van de dikwgls 
nog belangr^ke verkrijgingsgelegenheden. 

Wil men b^ de schatting der stoffel^ke welvaart de ver- 
schillende betrekkingen waarin de stoffelgke zaken tot den 
mensch staan, onderscheiden en dus zoo wel op verkrijgings- 
gelegenheid als op bezit letten, zoo kan men zeggen, dat 
z^n welvaartstoestand des te gunstiger is, naan^ate: 

10. meer voor heiiï nuttige stoffelgke zaken door de natuur 
in voldoende hoeveelheid en moeiteloos voor hem verkrijgbaar 
gesteld worden; 

2». de voor hem nuttige stoffel^ke zaken, welke niet on- 
der n°. 1 vallen, met minder moeite voor hem verkrijg- 
baar zgn; 

3^. een grooter hoeveelheid van de onder n^. 2 bedoelde 
zaken, of van zoodanige, die geheel niet voor nieuwe ver- 
krgging vatbaar z^n, als een gevolg van vroegere n^verheid 
of van andere omstandigheden, reeds in zgn bezit zgn. 



( 209 ) 

Dit, zoo algemeen uitgedrukt, is van toepassing, hetzg men 
zieh een buiten alle verkeer levend persoon voorstelle, of 
iemand, die als lid eener maatschappig in gestaag verkeer 
met anderen is, ot eindeligk de gezamenl^ke leden eener 
maatschappg, als een geheel bescliouwd. 

Wil men echter het gezegde meer in bgzonderheden uit- 
werken, dan ontstaat er natuurlijk aanmerkel^'k verschil in 
de factoren der stofiFelgke welvaart, naar gelang der omstan- 
digheden, ouder welke men zich den mensch voorstelt. 

Niet ten aanzien van den eerstgenoemden factor, deover- 
Tloedige en moeitelooze verkrggbaarheid van door de natuur 
aangeboden zaken, welke onder alle omstandigheden dezelfde 
blgft; maar ten aanzien der twee volgende, de verkrggbaar- 
heid en het bezit van niet moeiteloos verkrggbare zaken. 
Voor den alleen levenden mensch zou zgn welvaart ten 
dien opzichte afhankelijk zgu van de vruchtbaarheid zgner 
eigen ngverheid in de voortbrenging van voor hem zelf nut- 
tige zaken en van de hoeveelheid van zoodanige voor hem 
zelf nuttige zaken, die hg reeds in zijn bezit had. 

Goheel anders is liet voor hem die, als lid eener maat- 
idiappg, in dagelgksch verkeer met anderen leeft. Hg brengt 
in den regel niet zelf de voor hem rechtstreeks nuttige za- 
ken voort; maar legt zich toe op de voortbrenging van voor 
andere nuttige zaken of wel op het bewijzen van diensten 
aan anderen, voor welke voortbrengselen of diensten hij de 
voor hem nuttige zaken in ruil kan bekomen. En zijne reeds 
ran vroeger afkomstige bezittingen bestaan gewoonlgk ook 
Toor het grootste deel, niet in voor hem rechtstreeks nuttige 
zaken, maar in zaken, voor welke deze ruilbaar zijn. Zgn 
toestand is dus in groote mate afhankelgk van de ruilver- 
buding van zijne verrichtingen en bezittingen tot die van 
inderen. En het is zeer gebeurlgk dat, terwgl de voort- 
brenging van een voor hem nuttig artikel voor dengene die 
dat artikel voortbrengt gemakkelijker of moeilgker geworden 
is, zgn beschikkingsvermogen daarover, in het eerste geval 
in plaats van toe te nemen, afneemt, in het tweede in plaats 
Tan af te nemen, toeneemt, omdat intusschen de ruilverhou- 
ding van zgne verrichtingen of bezittiugen tot die van ande- 



( ^10 ) 

• 

ren in nog sterker, mate in tegenovei^estelde richting ver- 
anderd is. 

Beschouwt men echter de maätschappg als een geheel, dan 
verliezen weder de ruilverhoudingen veel van hare balang- 
rgkheid; want naarmate zg voor sommige leden gunstiger 
worden, worden zg voor andere oi^nstiger. En al is het 
dat ook voor den welstand der gezamenl^ke leden de meer- 
dere of mindere gel^kheid te dien opzichte gansch niet on- 
verschillig is, kan men, dit punt ter zgdc latende^ zeggen, 
dat de geheele maatschappg in des te gunstiger toestand 
verkeert, naarmate de niet moeiteloos door de natuur aan- 
geboden zaken met minder moeite door hen die zich daarop 
toeleggen, voortgebracht worden en naarmate een grootere 

« 

hoeveelheid dezer zaken, als vrucht van vroegere ngvérheid, 
reeds verkregen en nog voorhanden is. 

Z^n daarom in de staathuühoitdkunde^ als leer der stoffelijke 
volkswelvaart^ ie ruilverhoudingen minder belangr^k? Geens- 
zins; want, gelgk wg boven opmerkten, die leer heeft twee 
hoofdonderwerpen, ten eersten de welvaart van de maat^ 
schapp^ als een geheel, en ten anderen de verdeeling dier 
welvaart tusschen de onderscheidene leden. En in dit 
laatste deel nemen de ruilverhoudingen een zoo groote plaats 
in, dat de naam van ruilingsleer voor dat deel niet onge- 
past zou zgn. Maar desniettemin blgft het wezen van de 
stoffel^ke welvaart ook voor elk bgzonder lid der maatschappg 
gelegen in het bedrag der door hem als goed beschouwde 
en dus voor hem waarde hebbende doeleinden, welke voor 
hem door stoffel^ke zaken bereikbaar z^n, en alzoo, met an- 
dere woorden uitgedrukt, in de ruimte van zgn beschik- 
kii^svermogen over voor hem nuttige stoffel^ke zaken. De 
ruilverhoudingen hebben slechts daarom voor hem zoo groot 
gewicht, omdat z^ zoo groeten invloed hebben op dit zgn 
beschikkingsvermogen over voor hem nuttige zaken. 



GEWONE YERGAOERIPfG 



DEB A7DEEUNG 



TAAL-, LETTEBr. GESCHIEDKUNDIGE EN WIJSGEERIGB 

WETENSCHAPPEN, 

tiKHOUDKN DIN »den NOY|(MBER 1877. 



Tegenwoordig de beeren w. holl, voorzitter, c. lskmans, 

M. DE VRIES, W. O. BBILL, J. DE WAL, W. J. KNOOP, G. BB V&ISS AZ., 
f. a HEES, K. BEETS, B. FEUIN, O. MEES AZ., A. KUENEN^ 
D. HABTINO, J. P. SIX, P. J. VETH, S. A. NABEB, TH. BOBBET, 
5. HOEKSTRA BZ., J. A. FBUIK, C VOSMAEB, J. P. N. LAND, 
J. G. DE HOOP SCHEPPEB, H. F. A. 0. CAMPBELL, P. DE J0N6, 
f J. 6. B.. ACqUOT, H. P. G. QUACK, A. A. DE PINTO en J. C. G. BOOT, 

secretaris. 



De heer Opzoomer heeft bericht, dat hg verhinderd wordt 
de vergadering b^ te wonen. 



Is ingekomen een brief van den Minister van Koloniën, 
Tan 17 October 11. Lett. A^ No. 6, die gelezen en voor 
kennisgeving aangenomen wordt. 



De heer Veth brengt verslag uit over een Maleisch boek, 
dat door den heer W. van Hasselt, luitenant ter zee 2^ kl., 
voor de boekerg is aangeboden. Het is een exemplaar eener 
in versen beschreven Ihkajat, die door Roorda van Egsinga 
uitgegeven en vertaald is. Maar 't boek is merkwaardig, 
omdat het een houtsnee is. De heer Veth acht het wel 



( 212 ) 

waardig om, met toestemming van den gever, in de biblio- 
theek der Leidsche hoogeschool bewaard te worden. Met dit 
voorstel vereenigt zich de vergadering. 



Daarop wordt het woord verleend aan den heer W. C. Mees, 
die de aandacht vestigt op de verwarring, die in de staat- 
huishoudkunde ontstaat door het gebruik van woorden in 
onderscheidene beteekenissen en eene poging aanwendt om 
dat ongerief door opheldering van enkele namen weg te 
nemen. Hg handelt over de woorden staathuishoudkunde, 
waarde^ nuttigheid en rijkdom, en zoekt de ware beteekenis 
van die namen in verband met de daarmede bestempelde 
zaken vast te stellen. 

De spreker biedt zgne bijdrage voor de Verslagen en Me- 
dedeelingen aan, en beantwoordt de opmerkingen van de 
beeren Quack, Beets en G. de Vries. De eerstgenoemde stelt 
voor om, daar de staathuishoudkunde de leer is van de stof- 
fel^ke welvaart der maatschappij, gel^k door den spreker 
betoogd is, dien minder juisten uaatn te vervangen door de 
benaming maatschappelijke huishoudkunde ; zoowel h:^, als de 
beide andere sprekers hebben bezwaar tegen de verklaring 
van waarde door geliefdheid. Volgens den heer Beets is 
waarde een vocabulum medium, welks beteekenis door een 
biggevoegd woord of uit den samenhang moet blgken. De 
heer de Vries vindt in waarde, evenals in valere en valeur, 
het denkbeeld van vermogen, namel^k om te voldoen aan 
behoefte. 

De heer Mees vindt het onuoodig om staathuishoudkunde 
door maatschappel^ke huidhoudkunde te vervangen, en wat 
waarde betreft, merkt hg op dat iu de oeconomie iets waarde 
heeft, als men er aan gehecht is, als het geliefd is. Hg heeft 
daarom het onbepaalde woord waarde, dat volkomen juist als 
een vocabulum medium is aangeduid, in zekeren zin door 
geUefdheid teruggegeven, zonder dat hij dat woord voor 
waarde wil invoeren. 



(218 ) 

De heer Boot spreekt over een weinig bekend latgnsch 
gedicht van Hugo Favolius, dat onder den naam Hodoepo- 
ricam Byzantinum in 1563 te Leaven is uitgekomen. Na 
bet weinige dat van den schrgver bekend is te hebben ver- 
meld, geeft hg den inhoud op van het gedicht, en spreekt 
de meening uit, dat het om inhoud en vorm verdient ge- 
kend te worden. Daar hij ook gesproken 'heeft van eene 
beschrgving der Sophiakerk in het tweede boek, vragen de 
beeren Moll en Borret of Favolius die zelf van binnen ge- 
zien heeft en of hg ook gewag maakt vau mozaiek in den 
koepel De spreker gelooft niet dat die beschrgving zich 
met bgzonderheden inlaat, die recht geven om te besluiten 
dat zg op eigene beschouwing berust. Eene opmerking van 
den heer Leemans over gedichten van Sambucus geeft den 
spreker aanleiding om op de gedichten van de Langhe en 
van der Beke (Carolus Langius en Laevinus Torrentius) ter 
eere van Don Jan van Oostenrijk na den slag vanLepanto 
te wgzen. De bgdrage wordt voor de Verslagen en Mede- 
deelingen bestemd. 



De heer B. Fruin komt nogmaals terug op Willem IQ 
e& den slag bg St. Dénis, naar aanleiding van hetgeen hg 
daarover gevonden heeft in het Reisjournaal van Constantgn 
Haygens den jongeren, bg de handschriften dezer Akademie 
onder No. LIII e vermeld. Deze secretaris van den Prins 
was geen man van veel doorzicht, noch van een edel karak- 
ter, maar wat hg boekt als door hem zelf gezien en gehoord 
Terdient gekend en voor waar gehouden te worden. En nu 
bl^ uit zgn verhaal dat de Prins vóór den slag bericht 
beeft gehad van den Raadpensionaris, dat de vrede te Ng- 
iQ^en gesloten was, maar geen officieus bericht, dat dus 
iga gedrag afkeurig verdient, en dû de plechtige verklaring 
Tan onbekendheid met hetgeen te Ngmegen geschied was in 
den brief aan Fagel alleeu naar de letter waarheid bevat. 
De spreker betmgt, dat hg ter wille van de waarheid, maar 
met leedwezen, deze voor den Prins ongunstige getuigenis 
Iieeft med^edeeld. 

TEISL IK MXDSD. AID. LBTTXKK. f^t BSEK8. DVKL VII. IS 



ff* 



( 214 ) 

De heer Knoop wil noch kan haar tegenspreken, maar 
neemt toch deze gelegenheid waar om z^nen afkeer van den 
jongeren Huygens te betuigen, wiens jonrnaal naar zgn 
oordeel ongedrukt had moeten bligven. 

Verdere discussie wordt niet gevoerd en, nadat de secre- 
taris voor de boekerg heeft aangeboden eeu geschrift van deu 
heer G. Martinetti Cardoni »Dante Alighieri in RavenDa," 
en de aandacht der leden gevestigd op het Elogio funebrt 
del Conte G. Conestabile della Staffa van Prof. L. Rotelli, 
dat de zoonen van den overledenen aan de afdeeling hebben 
vereerd, wordt de vergadering gesloten. 



I 



OVER 

HUGO FAVOÏ.IÜS EN ZIJNE LATIJNSCHE 

GEDICHTEN. 

BIJDKA6Ë VAN 

J. C. G. BOO T. 



In het jaar 1545 heeft Keizer Earel Y een gezantschap 
naar Soliman den Grooten gezonden, waarb^ zich te Venetië 
een jong Nederlander voegde, die toen te Padua in de ge- 
neeskunde studeerde. Hg heeft dus ruim acht jaren vroeger 
een deel van Turkijen doorreisd en Constantinopel gezien 
daa Auger Ghislain de Busbeck, die met z^n gevolg 20 Ja- 
nuari 1554 voor het eerst in die stad aankwam, en op den 
eersten September van dat jaar uit Weenen aan zgn vriend 
Nie. Micault den brief schreef, die in 1581 onder den titel 
Itinera Constantinopolitanutn et Amasianum te Antwerpen 
bij Christ. Plantyn gedrukt is. De jongeling, dien ik bedoel, 
heette Hugo Favoli, en droeg dus een naam, die zgne ita- 
liaansche afkomst bewijst. Maar zgne moeder was eene 
Zeeuwsche en hg was te Middelburg geboren. 

Pisano genitore satus^ génitrice Zelanda, 

volgens zgn grafschrift, dat voor het eerst in de verzame- 
ling van Franc. Sweertius is bekend gemaakt *). 



*) Zie op pag. 9S van de MoDtimenta 8C])nlcraIia et losoriptiones publicae 
privaUeqQc Dacatus Urabantiae. Frauc. bwccrtiiis F, posiuritati coUegit. Ant- 
verpiie Apad Gasp. Belleruio, sub aqaüa aarea. Anno M. DC. Xlil. De biblio* 
tbeek der K. Akademie btzit een exemplaar van dit boek. 



(216) 

Dat grafischrift leert ons verder dat hg 12 Aogiutiu 1523 
geboren, en 10 Aug. 1585 te Antwerpen overleden is. De naam 
zgner moeder is onbekend, en daar De la Bne, die meer 
dan eenig ander in de gelegenheid was om dien op te spo- 
ren, hem niet sckgnt ontdekt te hebben, zal hg wel een 
geheim blgyen. 

Van zgn vader deelt hg zelf in het Hodoeporicon p. 6 ?. 
ons mede, dat hg een edelman uit Pisa was en met schit- 
terend gevolg voor de vrgheid van zgn land had gestre- 
den. Waarschgnlgk zal hg als officier in 't l^er van Ka- 
rel Y in de Nederlanden gekomen en met een Zeeuwsche 
juffer getrouwd zgn. Als ik hierbg voeg, dat Hugo zich 
te Antwerpen als arts gevestigd heeft, dat hg daar stads 
geneesheer is geweest en zeer bevriend was met den eersten 
bisschop van Antwerpen Frans Sonnius, dan heb ik de voor- 
naamste zgner levensbgzonderheden vermeld, die door Va- 
lerius Andreas (BibL Belg. p. 410 sq. ed. a. 1623, p. 396 
ed. a. 1643) en door Fr. Sweertius (Athen. Belg. a. 1628 
p. 351) worden opgegeven, waaraan De la Bue, Foppens, 
Jocher, Paquot, Marron in de Biographie universelle, T. XIY 
p. 219 s., en Hoeufft in den Pamasus Latino-Belgicus p. 40 
weinig nieuws hebben toegevoegd. 

Favolius heeft zgn reis naar Turkgen en Griekenland in 
latgnsche versen beschreven en dat reisverhaal onder den 
titel: Hodoeporici Byzantini Itbri III. Ad iUustrissimum 
D, D, Antonium Perrenotum Cardinaiem CrranveUanum, 
Autore Hugone Favolio. in 1563 te Leuven bg Servaas Sassen 
laten drukken *), Dat net gedrukte boekske in klein octavo is 
zeldzaam geworden, en ofschoon het gedicht herdrukt is te 
Basel in 1592 in Nie. Beusneri Oollectio itinerum versibus 



*) XJit het EngelBche t^dschrift (Ae Academy van 1 December 1877, bl. 514. 
leerde ik een boekske keoneu van eoortgelijkeo titel en inbond, waarop ik de aandtcht 
der liefhebbers van cnriosa vestig. Het heet: Uodoeporicon Itiiieris Constantino, 
politani. Anctore P. Rnbigallo Pannonio. M'^ittembergae 1544. Het is een elegisch 
gedicht, en wordt door eeue elegie van Ph. Melanchton b\j den lezer ingeleid. 
Bc door den heer Douglas W. Freshfïeld t. a. p. medegedeelde stukken over de 
Bulgaren geven ons een goeden dunk van het gedicht. Zij z^n ontleend aan het 
eiemplaar in het B ritsch Museum bewaard. 



(217 ) 

descriptonim, bleef het aan onzen Peerlkamp onbekend, toen 
hg zgne verhandeling over de Latgnsche dichters nit de Ne- 
derlanden schreef. Hg kende alleen de zestien regels, waarin 
het feest der Ramazan beschreven wordt, die door Paquot 
T. n p. 98 der folio-nitg. zgn aangehaald, en nam daaruit 
aanleiding om (p. 137) een gunstiger oordeel over het gedicht 
te Tellen, dan Paqnot gedaan heeft. 

Door de lezing van F. D. Huet^s Iter Suedcum (in de 
Poetamm ex Academia Gallica, qui Latine aut Graece scrip- 
seront, Carmina, Hag. Com. 1740 p. 72 — 81) en van het 
Iter Toxandricum in Casparis Kinschotii Poematum 1. Ill 
p. 110 — 117, werd onlangs de lust bg mg opgewekt om 
ook met het reisverhaal van Favolius kennis te maken. 
Zonder veel moeite lag het binnen mgn bereik. Want ik 
wist uit den Catalogus van de Bibliotheek der Doopsgezinde 
gemeente alhier, dat daar een exemplaar te vinden was, en 
bg ondervinding was mg bekend hoe bereid men daar is om 
boeken uit te leenen. 

In de laatste dagen heb ik het gelezen en^ daar niemand 
zich aanbood om heden eene meer wetenschappelgke mede- 
J0eling te doen, is het mg niet onwaardig voorgekomen om 
er ook uwe aandacht op te vestigen. Dat het aan niemand 
uwer bekend is, is geene gewaagde veronderstelling; of het 
om inhoud en vorm verdient gekend te worden, moogt gg 
na mg gehoord te hebben beslissen. 

Op den titel en het octrooi voor den uitgever volgt eene 
opdracht aan François Valois de Bourgogne^ waaruit blgkt, 
dat deze door zgne ondersteuning de uitgaaf van het gedicht 
heeft bevorderd. In de Praefätio, waarin Favolius dezen eer- 
steling zgner Muze aan Granvelle aanbiedt, verhaalt hg, dat 
Earel V Grerard Veltwyck ^) een bekwaam diplomaat. 



*) Oenurdttf Veltwyck teekende l^j zich onder i^ne brieven aan den Keixer, die 
ioor Karl Lans in de Correspondenz des Kaisers Karl V, B. II, S. 4l9 en volgende, 
sqi iiitgege?en« De ondste is van II Dec. 1644 uit Weenen; de jongste 10 Not. 
1S45 oit Ândrinopel gezonden beyat de depêche over de handelingen tot het sloiten 
na het verdrag, aldaar bl. 467—478. Men viodt daar ook de instmotie en de 
gtheime instmetïe door den Keizer voor deze zending 22 Mei 1545 te Worms 
li^^Sem «« wfui noire ame H féal teeretaire ordinaire maistre Qerard TeHwyeV, 
kl 



( 21? ) 

• 

Cuius erat dudum cunctis in rebus agendis 
Explorata fides perspectaque gratia fandi, 

à 

(pag. 9 versa), naar Byzantium heefb gezonden om het ver- 
der voortdringen der Turken in Europa door onderhandelin- 
gen en door het sluiten van een verdrag te keeren ; dat hg 
dien afgezant vergezeld heeft en na zyn terugkomst het ver- 
haal van wat h^ zag en bgwoonde, in versen gekleed, aan 
Yeltwjck wilde aanbieden, maar door diens dood dat plan moest 
opgeven. Hij hoopt dat z^n dichtstuk nu onder bescherming 
van Granvelle eene gunstige opneming bg het publiek zal vinden. 

Hg heeft z^n gedicht in drie boeken afgedeeld. In hei 
eerste wordt de reis naar Coustantinopel, in het tweede het 
verblijf- aldaar, in het derde de terugreis beschreven. 

De reis werd ondernomen in den zomer van 1545 

Ter tribus adiectis ter quina ad saecula lustris 
Sacra salutiferi post incunabula Christi. 

De dichter woonde toen in Italie, waarheen zgn vader 
hem gezonden had om zich aan de hoogeschool te Pa- 
dua op de studie der geneeskunst toe te leggen. Tot ver- 
poozing maakte hy met eenige Akademie-kennissen eene reis 
door Italie, en begaf zich met hen het eerst naar Venetië, 
waar zg de merkwaardigheden der Lagunenstad, die toen iu 
vollen bloei was en waar eene ongeloofelijke drukte heerschte, 
bezagen. Op eeu hunner wandelingen ontmoetten zg het 
gezantschap vau den Duitscheu Keizer, dat door den Dage 
en zguen Raad ontvangen, in statigen optocht zich begaf 
naar het paleis van den afgezant des Keizers bg de republiek, 
Don Diego Hurtado de Mendoza^ aan wiens groote bekwaam- 
heden, ook op letterkundig gebied, eene welverdiende hulde 
door den dichter wordt toegebracht. 

In het gevolg van Veltwyck was Matthias de Lauwereyns 
van Brugge, hier met den latgnschen naam LaurinM 
genoemd, waarschgnlgk een broeder of neef van Guido 
en Marcus Laùrinns, die zich door numismatisdie en ar- 
chäologische werken hebben bekend gemaakt. Gene, een 
intieme vriend van Favolius, sloeg hem voor de reis mede 
te doen, en toen hg zich daartoe bereid verklaarde, werd 



( 219 ) 

door Veltwyck de gevraagde vergauniug verleend. FavoliuB 
nam daarop afscheid van zgne reisgenooten en zgn intrek 
in 't paleis van Mendoza in afwachting van het sein tot 
vertrek. Een paar dagen later was de wind gunstig en 
scheepte het gezantschap zich in aan boord eener galei^ die door 
(laartoe aangewezen stevige galeiboeven werd voortgestuwd* 

At collecta prius vitiosae robora pubis, 
CJompedibasque ligata arcte, transtrisqne locata 
Alternis quatiunt longos certo ordine remos. 
fpag. 12 recta). 

Men vaart door de golf van Triest langs de kust van 
Illjrië en Dalmatië, waar een kort bezoek wordt gebracht 
aan de stad 

gravi quam PoUio Marte subegit 
Altaque iam rorsum reparata tecta Salones. 

Het land wordt bewoond door een str^dlustig, onbeschaafd 
volk, dat toen ook door honger en gebrek gedwongen werd 
om van roof te leven. De reis wordt dan voortgezet langs 
Corcyra Melaena^ tegenwoordig Curzola, tot Raguse, dat' uit 
de bouwvallen van het naburige Epidaurus is opgetrokken. 
loaa de galei in 't gezicht kwam, gaf een kanonschot van 
het kasteel order om te stoppen en de zeilen te reven. 
Daarop komt de Hospodar, of zooals hier volgens de uitspraak 
geschreven wordt Gospodar, een achtbaar grgsaard met langen 
baard naar buiten, omstuwd door aanzienl^ke burgers, en 
stort op het gezicht van 's Keizers wapen eene bede uit 
voor den vorst, wien oude voorspellingen als den bescher- 
mer der Eristenen tegen het Turksch geweld aanwezen. Hg 
noodigt den afgezant met zgn gevolg uit om met hem naar 
(Ie stad te gaan. Het volk stroomt hen tegemoet en heft 
een luid en herhaald geroep van Karels naam aan: 

Carole te montes, te concava litora ponti 

Carole te refernnt, teque undique laeta susurrant 

Compita, te reboat coelum, et vox una per omnes 

Laeta vias, repetita frequens vox una résultat 

Carole io, io Carole io, io vive triumphe. (pag. 25 v.). 



( 220 ) 

In H paleis van den Hospodar wordt voor de gasten een 
schitterende maalfcgd aangericht, die naar 's lands wgzemet 
een drinkgelag wordt besloten. 

Na zich van de zeereis hersteld en de oudheden der stad 
yan Epidaorus herkomstig bezien te hebben, neemt het ge- 
zelschap, behoorlgk van transportmiddelen en gidsen voor- 
zien^ de reis over land aan« De Hospodar doet uitgeleide 
en wenscht aan Veltwyck veel succes toe, met deze woor- 
den besluitend: 

O illum mihi si optatum superesse faventes 
Ânnuerint Dii forte diem, quo Marte sepulto 
Gompositisque orbis regum discordibus armis, 
Tranquilla nos pace frui liceatque perennis 
Foedera amicitiae et commercia mutua inire. 
Tum demum terris Satumia saecla redirent, 
Et passim pleno fiueret nova copia cornu. 

De weg wordt ons beschreven als moeiel^k en hier en 
daar gevaarlgk; maar moeite en gevaar worden vergoed 
door de prachtige vergezichten en door de weelderige plan- 
tengroei, die in schoone versen beschreven wordt {pBg. 32 r.). 
Op den derden dag ontmoeten zij Montluc, den Franschen 
gezant met zgn gevolg, insgelgks op reis naar Gonstanti- 
nopel om het geheim verdrag tusschen Frans I en Soliman 
te bevestigen. De reis wordt door hen te samen voortgezet 
De gidsen rgden vooruit 

Qui patrio ritu suras et tempora compti 
Thessalicis vectantur equis, toto ordine primi. 

Dan volgt 

Lecta cohors iuvenum, in medio Veldvicius heros 
Quadrupedante invectus equo phalerisque superbe, 
Eminet ultra alios; laevum illi Gallus honeste 
Ipse latus per iter susceptum claudit, et addunt 
Se comités reliqui. 

Den volgenden nacht worden zg in den slaap gestoeid 
door een vreemd geluid, en vinden voor de Moskee eene 



(221 ) 

menigte Turken op den grond liggen, die onder hevige 
bewegingen van hoofden en ledematen hun profeet aanroe- 
pen« Nadat z^ hnn eeredienst in de moskee verricht en 
den grond gekust hebben, gaan z^ ieder naar zgn huis, 

Et quodcunque super reliqui post temporis uUi est, 
Traducunt veluti coenosa animantia, turpi 
Tantum desidiae, somno ventrique vacantes. 

De dichter door nieuwsgierigheid gedreven trad den vol- 
genden morgen de moskee binnen en zag daar, wat alleen 
Toor de ingewgden in Mohamed's leer te zien is; wat hem 
slecht zou bekomen zgn, als hg niet z^'ne biezen had ge- 
pakt en zoo hard hg kon naar zgne makkers was geloopen. 
Na kwam hg met een stortvloed van verwenschingen vrg. 

De w^ voert hen verder door heerlgke bosschen, vrucht- 
bare akkers en vette weiden, door den Drinus, tegenwoordig 
Drino bianco, doorsneden. 

Na verscheiden nachten onder den blooten hemel te hebben 
doorgebracht, worden zg in het klooster van St. Saba gastvrg 
opgenomen, waar de dienst naar den Griekschen ritus ver- 
licht wordt en een strenge tucht heerscht. 

sese pressis moderantur habenis 
Arctius atque, pudet heu verum dicerej nostri 
Hoc uno, et vero venerandi nomine Patres, 
Imo graves dapibus pinguique abdomine ventres. 

(p. 38 v.) Die Grieksche monniken leven van brood en 
water, ze kennen noch bier noch wgn. Het klooster staat 
xelfe bg de Turken in goeden reuk. Zg zagen er Turken 
bidden: 

Tantus honor, tanta est reverentia Numinis illic. 

Voorttrekkende vinden zg kluizenaars, die in 't midden van 
Tniken aan het geloof in Christus getrouw zgn gebleven^ en 
komen over Novibasar in Bulgargen, waar zg den Orbëlus 
(nu Aigentaro) overtrekken, waaruit de Strymon (nu Isker) 
ontspringt. Hoe verder zg komen, des te sprekender worden 
de bewgzen, hoe het weleer rgke land door Turksche horden 



( 222 ) 

vernield is, en hoe de inwoners mishandeld werden. Fsvolios 
levert daarvan dit staaltje, pag. 41 v. 

Vidimus exserto praedones ense minaces 
Prorsus inauditum genus exercere rapinae. 
Vidimus, heu, matrum raptos complexibiis arci^is, 
Mox arctis manicis aut dira compede vinctos 
Iiisontes pueros venum vectarier, atque, 
Hea sortem indignam miserorum et semper acerbani, 
Mancupio mox deinde dari mangonibus; inde 
Rasilibus clausos calathis vinctosque catenis 
Ad fora cuncta trahi pretio certoque lieere. 

Eeue vroeger bloeiende stad is nu niet meer dan eeu 
ellendig nest, Sophïa geheten, waar alleen twee pyramideu 
met de halve maan op de toppea getuigeuis geven van 
vorige grootheid. 

De reis wordt voortgezet ten zuiden van den Haemus of ! 
Balkan door het gebergte oudtgds Bhodope genaamd en 
gaat over het eens ryke en prachtige Philippopolis, dat toen 
slechts ruïneu en hotten bevatte, waarheen de roevers hun 
buit sleepten. Na de streek, vroeger Dorisens geheten, 
waar Xerxes z^n leger heeft gemonsterd (pag 42 v.), door 
te zgn getrokken, komen zg aan de stad, weleer Uscudama 
en Oresta genoemd, later, toen keizer Hadriauus haar her- 
steld en ommuurd had, in Hadrianopolis herschapen. De 
stad had gebloeid, totdat Amurat gebruik makend van de 
twisten tnsschen de Grieksche vorsten en legerhoofdeu haar 
veroverd en grootendeels verwoest had. Alleen de tempels 
waren gespaard en in moskeen veranderd. Z^ bezochten 
daar de moskee, die de wreede Selim had laten bouwen, en 
lieten zich door een tolk de opschriften verklaren, waaronder 
een in schitterend goud gegrift, geen God dan God en Mo- 
hamed Gods grootste profeet noemde. De reis spoedde nu 
ten einde en weinige dagen later hield het gezantschap zgn 
intocht binnen Coustantinopel* 



Het tweede boek vangt aan met eene uitvoerige gescbie- 



( â2d ) 

ijbnis ?an de stichting en lotgevallen yan Byzantium en 
Coiiâtaiitiuopel , toeu reeds met verdorven en besnoeiden 
aaain Stambol genoemd, met welk verhaal eene beschrgving 
vâi de door Constantins gestichte, door Jnstiniauus herstelde 
Sopliiakerk wordt verbonden, (p. 46 v. — 53 v.) *) Daarop 
Tolgt het verhaal van de voorstelling van den gezant aan 
(ieii Sultan. Terwgl Jonas Bei, Solimans geliefde tolk, die 
boewei h^ een renegaat was, toch in z^n hart zijn oud ge- 
loof bewaarde en dit in vertrouwen aan Favoli mededeelde, 
Veltw^gck naar zgn meester geleidde, had het gevolg tgd 
om rond te zien. Voor bet serail is een dubbel open plein, 
kt eeu voor voetgangers, het ander voor raiters bestemd, 
beiden met oude standbeelden versierd. In de ruimte tus- 
ächen beiden 

Servantur septem domiti docta arte leones, 
Atque duo horrendis implebant atria pardi 
Regia mugitibus, positoque furore magistri 
Circumlambebant lingaa pétulante sinistram. 
ipag. 55 V.) 

Het gezantschap wordt op een maaltgd onthaald, waarbg 
k bedekking der vloer met Smirnasche tapgten, en de ge-* 
rooate om niet aan te zitten, maar met de beenen kmise- 
iiags zich op den grond te plaatsen, bgzonder de aandacht 
trok De gezant met zeven uit zgn gevolg, waaronder ook 
de dichter, wordt vervolgens naar den Sultan geleid, wien 
z^ Tiuden 

Ipsum sede humili sartornm more sedentem. 

Zg worden tot de handkus toegelaten. De gezant brengt 
qne boodschap over 

Demulcens Scythicas doctis sermonibus aures, 

vaarran Soliman evenwel niets zou begrepen hebben, waren 



*) Uit die besehrgving blijkt niet, of de dichter in de Hagia Sophia geweest is, 
»f slechts wat hij hoorde zeggea Termeldt. De algemeenheid der uitdrukkingen 
Btekt iict baute 't uiee^t waarschijalük. 



( 224 ) 

er geene tolken bg geweest. Van zgn antwoord vemamen i 
wg niets. J 

Vervolgens wordt de weg beschreven, langs welke men | 
zich verwgderde, en een blik geslagen op S. Sophia, de ' 
werf, de harem, de kasemen der Janitsaren, het graf van 
Bajazet en eenige merkwaardige gebouwen. Hieraan knoopt 
zich eene beschrgving van den stoet, waarmede Soliman 
zich b^na iederen vrgdag naar de moskee begeeft. De ge- 
loovigen worden vroeg in den morgen van een minaret door 
een priester met luiden stem tot het gebed geroepen, en 
eene bede voor 't heil des Sultans uitgegalmd. Dan stroo- 
men de rgken — want de vrgdagswet is alleen voor hen 
verbindend — naar het paleis en gaan met den Sultan en 
z^n talrgk gevolg naar de moskee. De dichter zag en 
schetst dien optocht en gelooft niet dat een Bomeinsch Kei- 
zer bg een zegepraal grooter luister ten toon spreidde. Waar 
de Sultan op zgn wit ros gezeten nadert, werpt ieder zich 
op den grond en staken de werklieden hun arbeid: 

Tantus ubiqae metus, reverentia tanta Tyranniest. 

Buiten de moskee doen allen hun schoeisel uit, en reinigen 
handen en voeten. Inwendig schittert de moskee van edel 
metaal en gesteente en wordt schitterend verlicht door lam- 
pen, maar te vergeefsch zoekt het oog daar schilderden en 
beelden, die door de godsdienstwet worden buiten gesloten. 

De eeredienst is zeer eentoonig. De Mufti op den grond 
liggend, roept Allah en Mohamet aan, de gemeente herhaalt 
dit zoo dikw^ls en zoo luid, als de adem duurt, daarbg de 
hoofden heen en weer schuddend. 

Ten slotte wordt de vastemaand beschreven, de esurialee 
feriae^ zooals Georgius Dousa die noemt in zgne Epistola de 
itinere suo Constantinopolitano (L. B. 1599. p. 26), en de 
plechtigheid der besn^denis, die alleen recht geeft om de 
moskee te betreden en den naam Muselman te dragen, 

Et Muslumannos patrii sermonis honora 
Appellat solos passim gens barbara voce. 



( 225 ) 

yfjj zgn tot het derde boek genaderd. 

Na een gunstig antwoord yan Soliman gekregen te heb- 
ben, reist de gezant door Thracien en Walachien naar Weenen, 
maar geeft aan eenigen met zgn gevolg vergunning om enkele 
jtieken van Asie en den Griekschen Archipel te bezoeken. 

Dezen in 't laatst yan December vertrokken worden door 
stoim beloopen, die door Favolius in krachtige vereen, die 
na en dan aan Yergilius herinneren, wordt geteekend (pag. 
68 T. en 69 r.). Troas en de buurt van Ilium, de graven 
Tan Memnon en van Protesilaus worden bezocht, Tenedos en 
Samothrace in *t voorbg varen begroet. Op Lemnos gaan zg 
aan wal. Hier verleidde de student in de medicignen den 
dichter om zijne krachten te beproeven aan eene weinig 
poetische stof, te weten de terra Lemnia, die toen nog ge- 
loofd werd een heilzaam middel tegen verscheidene kwalen, 
zel& tegen de pest, te zgn: 

Gui mira virtute malis medicarier, atque 
Pestibus omne genus variisque obsistere morbis, 
Aut natura dedit, dedit aut qui tempérât ipsam. 

hl 't voorb^gaan zg gezegd, dat de geneeskracht van die 
aarde ook aan Dioscorides bekend is geweest, en door Plinius 
(S.H. XXVni § 88 en XXIX, 104) wordt vermeld, die haar 
echter met de rvbric<i Lemnia, eene yer&tof, verwisseld heeft. 
Veig. Salmasius ad Solinum p. 813. Nog lang heeft men 
aan die kracht geloof geslagen. Immers in Choiseul Gouf- 
fier's Voyage pittoresque de la Grèce Paris 1782. T. I. p. 81, 
lezen wg: »Cette terre de Lemnos qui guérit Philoctète^ et 
^ue G alien alla examiner, conserve encore les mêmes pro- 
priétés, aux yeux des Grecs également crédules. On ne la 
reeneille qu'un seul jour dans Tannée, et avec les plus gran- 
des cérémonies ; cette terre réduite en petits pains, marqués 
(la cachet du Grand Seigneur, est ensuite répandu dans toute 
r£niope; on lui attribue de grandes vertus: il se trouve 
niéme encore des Médecins qui en font usage; et cependant 
le Chimiste éclairé n'y voit qu'une simple terre argilleuse, 
iucapahle de produire aucun des effets qu'on lui suppose." 
Uitvoerig wordt dit onderwerp behandeld pag. 77*r.— 84 v., 



< 226 ) 

en de wgze beschreyen, waarop zg ouder opzicht tau den 
Sombac, d. i. den gouverneur van Lemnos opg^rayen, bewerkt 
en van een merk voorzien wordt, dat vroeger het beeld eener 
geit, later »tria virginis ora Diauae'' waren, toen eenige 
Arabische karakters, die terra sigillata beteekenden. Het 
grootste gedeelte werd jaarlgks als schatting naar Con- 
stantinopel gezonden, en door den Sultan aan verdienstel^ke 
onderdanen of aan vreemde gezanten geschonken. De rest 
werd verkocht en vond z^n weg in alle landen van Europa 
en Asie. 

Nog verscheidene eilanden worden genoemd, die door hen 
bezocht z^n, zoo als Lesbos, toen en nu naar de vromere 
hoofdstad Metelin genaamd, zuchtend onder het drukkend juk 
der Turken, en het heerligke Chios, waar de wgnstok, die een 
reeds in de oudheid geprezen w^n geeft en ^e lentiscus we- 
lig groeit, wiens geurige bast, mastix^ met zooveel grai^t 
door Grieken en Turken gekauwd wordt, waar de vrouwen 
den ouden roem van schoonheid nog staande hielden: 

Quin etiam indigenas tota hac tellure puellas, 
Et muliebre genus praestantia tanta decoris 
Atque adeo exactae commendat gratia formae. 
Ui candore nivem superent, 

en waar de mannen door hun kloek gedrag aan de Turksclie 
horden schrik hadden aangejaagd eu slechts eene jaarl^ksck 
schatting voor 't behoud van hun afhankel^kheid betaal- 
den. In 't voorbfl varen werpen zg een blik op vele der 
Sporadische en Cycladische eilanden. Eindelijk naderde La 
vaartuig Attica. Hier besloot men aan wal te gaan, om 
te zien, waar eens de roem van Griekenland Athene ge- 
staan had. Een gids voerde hen langs ongebaande wegen 
naar de treurige resten der stad^ die door 't verraad van hem 

Quem dudum agnovit proprium Florentia civem, 

d. i. van een Acciaiuoli, in 1458 aan de Turken in handen 
was gevallen. Hoe die barbaren daar hadden huis gehoa- 
den, leert ons dit tafereel (pag, 91 v.— 92 n): 



( 227 ) 

Quo simul ac tandem laeti pervenimns, urbem 
Nallam et magnificas nuUas offeudimns aedes. 
Nulla Dacmu Regamve palatia, moeniaque urbis 
Nulla locum, nullae cingebant moenia fossae. 
Sed raras inculta casas per rura stupemus, 
Yiliaque exiguo constructa mapalia snmptu 
Raderibus veterumque iugentibus hisce ruinis 
Templorom ac domuum, qaas desolaverat, ehen, 
Urbis Atheuarum profugus, quondam incola dives, 
.\.tqae haec barbarico penitus coucessa furori 
Hostis in oppiduli formam vicive redegit. 

Undiqne sic miserae nobis spectantur Atheûae, 
Daedala quas Pallas sese coluisse negaret, 
Quas, Neptune pater, nunquam tna moenia dicas. 
Indigenae Sethina vocant, duraque coacti 
Paoperie assnerunt vitam tolerare rapina. 
Ant passim infestant furto raptoque propinqua 
Aeqnora piratae. Sed quae pars aequior, hamis 
Fallit inescatos tereti sub amndine pisces, 
Aut desolatas exercet vomere terras, 
Semper inops, misera, infelijç, rerum omnium egena. 

Maar ik mag niet meer afschrijven, hoewel de hierop vol- 
gende schets van vroegere grootheid en bloei zekerl^k niet 
minder goed geslaagd is. 

üit den Piraeeus vertrokken varen zg langs de kusten 
van Morea, tussohen Kaap Malea en 't eiland Gerigo, dat 
uog in 't bezit van Venetië was, door om Eaap Matapan en 
laten Corone en Methone, met verbasterden naam Modöua 
gtiheten, rechts liggen. De heldhaftige verdediging van die 
stad in 1498 geeft aanleiding tot eene uitweiding, waarin 
verhaald wordt hoe de burgers de stad, wier muren door 
vgfhonderd kanonnen waren plat geschoten, niet langer 
kannende verdedigen, haar in brand staken en zich deels in 
de vlammen stortten, deels in een wanhopigen strgd tegen 
den overmachtigen vgand sneuvelden, pag, 95 v. — 97 v. 
Zoo ging Modona, de aanlegplaats voor kruisvaarders eq 
voor pelgrims naar het heilige land, te gronde. 



( 228 ) 

Van boord worden Pylos Nestors zetel, de Strophadische 
eilanden en de mond van den Alpheus beschouwd en daarna 
aangelegd op het boschrgke Zante, nemorosa Zacynthos, dat 
toen nog Yenetiaansch gebied was en de gewone plaats« 
waar de zeevarenden zich van drinkwater en proviant voor- 
zagen. In de kerk en op de markt van het stedeke zienzg 
vele bronzen standbeelden uit vorige dagen en in eenouden 
tempel van Neptunus vertoont de koster hen eene kleine 
urn, die volgens het opschrift de asch van Rome's grootsten 
redenaar zou bevatten. 

Divini parvam Ciceronis protulit urnam, 
Monstravitque locum nobis faciemque sepulcri, 
Seite elementorum sculptis in marmore formis, 
Omnia quae cemis binis expressa tabellis. 

lezen wij bl. 99 r. en op de volgende bladzigde zien wg de 
afbeelding van eene groote vaas, op een achtkant voetstuk 
staande, op welker hodem AVE. M AR. TFL. te lezen stond, 
en van een kleinere urn of zoogenaamd traanfleschje ; waar- 
tegen over de voorz^de van het graf wordt a%ebeeld, in het- 
welk die urnen gezegd werden gevonden te zgn, met het 
opschrift : 

M. TVLLI CICERO 
HAVE . 
ET TV 

TéPTIA 
ANTHœNIA. 

Datzelfde graf is in 1557 bekend gemaakt door Fra De- 
siderio Lignamini van Padua in eene dunne brochure in folio, 
te Venetië bg lo. Gryphius gedrukt. Volgens zgne opgaaf 
zou het op 1 December 1544 door den Minoriet Angelo 
Apulo bg de kerk van Santa Maria delle Grazie, niet ver 
van het strand, ontdekt zign en in de sacristie van die kerk 
bewaard worden. (Zie de Historia Ciceronis van Franc. 
Fabricius in het Onomasticon Tullianum van Orell P. 1. 
p. 109). 



( 229 ) 

Het behoeft geen betoog, dat men hier aan een bedrog, 
en nog wel aan een onhandig bedrog moet denken. Wat 
er yan grafsteen en nrn geworden is, weet ik niet. Jac« 
Spon, die in de volgende eeuw op Zaute was, heeft ze daar 
tevergeefe gezocht en er niets van vernomen. 

Langs Cephalenia en Ithaca wordt Gorcyra bereikt, dat 
toen al den naam Corphu droeg. De stad had al vroeger 
eene bestorming der Turken doorgestaan en afgeslagen, zoo- 
dat men veilig aan land kon gaan en de bouwvallen door- 
kruisen. De verdere vaart loopt de bouwvallen van Buthro- 
tom en de kust van Epirus voorbg, en eindelijk wordt 

amoeno 
Nobilis ut porta, sic Baccho fertilis Aulon, 
Cui Velona novum Turca indidit omine nomen, 
bereikt, pag. 102 v. 

Vandaar wordt de steven naar Italië gewend en langs 
Hydruntum (Otranto), Brundisium (Brindisi) en Barium 
(Bari) de reis voortgezet tot Sipontum, waar in den nacht 
het anker wordt uitgeworpen. Den volgenden dag beklim- 
men zg den Gargänus of St. Angelo, op wiens top een kasteel 
stond, vanwaar men een ruim gezicht over het land genoot 
en de ruïnen zag van Luceria (nu Lucera), dat door de 
Sarracenen verwoest was. 

Aan de helling van den berg stond een rgk klooster, door 
vrome monniken bewoond, met een kerk 

Quo, non yana loquar, nos non praestantius uUum, 
Orbe pererrato vel par vidisse fatemur. 

(pag. 104 V.) De verdere vaart langs de oostkust van Italië 
leverde niets bgzonders op en weldra bereiken zg het doel 
der reis. 

Delati in portum Venetas allabimur oras. 

Met dit vers sluit het gedicht. 

Uit mgn overzicht zal u, vergis ik mg niet, gebleken 
zgUy dat de inhoud niet onbelangrgk is, en uit de aange« 
haalde versen kunt ge zelve oordeelen over de zuiverheid 

TEtSL. XN UhDKD. AFD. LETTEBK. 2de ftEKKS DBKL VIT. J6 



( 230 ) 

der taal en het vloeiende der versen. De dichter bewgst, 
ook door zgne verwijzingen op den kant, dat hij met vele 
onde Orieksche en Latijnsche dichters en schrigvers goed be- 
kend was, en ontleende vooral aan Vergilius den schoonen 
stgl, die zgn werk versiert. Naar mgn oordeel zou Pearl- 
kamp ua lezing van het geheel zgn gunstig oordeel over een 
klein gedeelte niet hebben ingetrokken 

Na het Hodoeporicon heeft Favolius nog enkele gedichten 
uitgegeven, die wg bij een of meer der bovengenoemde bio- 
grapheu vermeld vinden. Ons geacht medelid Campbell heeft 
exemplaren van twee stukken in de koninklijke bibliotheek 
te Gravenhage gevonden, en m^ in de gelegenheid gesteld 
die ook te doen kennen. Het derde, alleen door De la Bue, 
Geletterd Zeeland, bl. 342, aan Favolius toegekend, draagt 
tot opschrift : Disticha in imagines iconicas de Diis gentium 
aeri incisas per Philippum Gallaeunij Antverpiae 1582. 4®. 
welke titel aanwijst, dat die bundel niets meer dan twee- 
regelige bigschrifben op gravures van den bekenden Haarlem- 
schen kunstenaar zal bevatten. 

In tijdsorde volgt op het Hodoeporicon een gedicht, dat 
gedrukt is achter de Arcus aliquot triumphales et monimenta 
victoriae classicae in honorem Invictissimi ac lUustrissimi 
Jani Austriae, Victoria non quieturi, die door Joannes Sam- 
bucus dadel^k na den zeeslag b^ Lepauto (7 Ocb. 1571) 
geteekend eu van bäschrifteu voorzien, en in 1572!* door 
Philippus Gallaeus te Antwerpen in plaat gebracht en uit- 
gegeven zyn. Het opschrift luidt: De clasnica ad Nanpactum 
contra Tarcas Victoria per D, Janum Austriae^ Class, et orae 
viarit, Praefect. Invictiss, D, Caroli V, Cass F, parta^ Carmen 
heroicum per H. Favolium. Zoowel dit opschrift, als het ge- 
dicht zelf, dat in denzelfden beschrijvenden trant als het 
Hodoeporicon is gesteld en vele trekken van gel^ke afkomst 
vertoont, bewijst dat Paquot zich vergist heeft, toen hij 
(Memoires T. II. p. 98) het opgaf als het werk van Sam- 
bucus, uitgegeven door Favolius. Het bestaat uit 310 ver- 
seu, en bevat een vrij uitvoerig verhaal van het voortdrin- 
gen der Turken en van het verbond tusschen Venetië, den 



(281 ) 

Pans en Spanje gesloten om te trachten daaraan paal en 
perk te stellen. Vervolgens wordt het yertrek der vereenigde 
vloten nit de wateren van Sicilië, haar komst b^ Lepanto 
en het daar geleverde gevecht, eindigend met de vernieling 
van bgna de geheele Turksche vloot, beschreven, waarbg het 
bekende verhaal dat het afgehouwen hoofd van den Eapudan- 
pacha op een piek gestoken grooten schrik onder de Turken 
▼erwekt zou hebben, niet ontbreekt. 

Van veel grooteren omvang is het andere dichtwerk, dat 
met de daartusschen ingevoegde landkaarten 170 bladzgden 
klein 4^. beslaat. Het is in 1585 te Antwerpen door Christ. 
Plantinus gedrukt, onder dezen titel: Theatri orbis terrarum 
Enchiridion^ minorihua tabulia per Philippum Gallaeum exara^ 
turn: et Carmine heroico^ ex variis Geographie et Poëtis 
eollecto, per Hugonem Favolium illitetratum en in versen op- 
gedrs^en aan de Burgemeesters en Raden der stad Antwer- 
pen. De kaartjes ten getale vau 84, zgn bewerkt naar het 
Theatrum orbis terrarum van den Antwerpenaar Abr. Orte- 
lius, waarvan één jaar vroeger de derde uitgaaf b^ Chr. 
Plantyn was uitgekomen. Aan ieder kaartje heeft Favolius 
kortere of langere beschrgvingen in versen toegevoegd, waar- 
toe de natuurlgke gesteldheid van het land, de levenswijze 
en zeden der inwoners, de oudere geschiedenis, opgaaf der 
aanzienl^kste steden, enkele merkwaardige feiten en beroemde 
mannen de stof opleveren. B:g het kaartje 78, waarop het 
Tarksch grondgebied in Asie, Africa en Europa is voorge- 
steld, wordt eene geschiedenis van de Turksche heerschers 
ran 't begin der kruistochten tot Soliman den. Grooten gé- 
geven, die door hare uitvoerigheid — zg loopt van bl. 139 
tot bl. 162 — wel het minst de lezers zal hebben aange- 
trokken, maar niet zonder verdienste is. Op het slot wordt 
het bezoek door hem vroeger aan dien Sultan gebracht, 
koriel^k aldus vermeld: 

Hunc contra affari et crudeles cernere vultus 
Praesenti quondam mihi contigit, atque minantem 
Immitem in nostros rabiem exercere rapinae; 
Dum petiit saevi Byzantia moenia Turcae 

10* 



( 232 ) 

Insigai virtute potens Veltwichius heros, 
Caesaris Augasti commissa negoiia portans. 

De aanhef van deze afdeeling is letterlgk overgenomen uit 
het gedicht op den zeeslag bg Lopanto, en meermalen wor- 
den daaruit plaatsen, somt^ds met eenige verandering en 
uitbreiding, herhaald. 

De Nederlanden, Germania inferior seu Gallia Belgica ge* 
noemd, worden eerst in 't algemeen geteekend op kaart 3 1 , 
en dan de provinciën in deze volgorde : Luxembui^, Gelder- 
land, Luik (Eburones), Namen, Brabant^ Vlaanderen, Artois, 
Henegouwen, Zeeland, Holland en Friesland. 

In mjne verwachting, dat de dichter zgne geboorteplaats 
of latere woonplaats boven anderen zou ophemelen, vond ik 
mg teleurgesteld, maar toch bewgst de uitvoerige beschrij- 
ving van een prachtig buitengoed met schoone vgvers en 
fonteinen, en van het nabiggelegen duin, waar Diana met 
hare Nymphen van het jagtvermaak uitrust en waar Apollo 
met de Musen de lier bespeelt 

Maeonio aut iterans cantata poemata plectro, 
Aut rursum Andino, mutata voce, poeta 
Quale olim cecinit herbosi ad flumina Minci 

op het eiland Walcheren, »occiduo qua littora sole tepescunf', 
dat Favolius z^n geboortegrond en de dagen zijner kinds- 
heid niet had vergeten. 

Als proef der poëzie mogen hier eenige versen uit de 
beschrgving van Vlaanderen (kaart 37) volgen : 

BiOgna per Europae non ulla beatior ora est, 
Aut foecunda magis spatiosi dotibus arvi, 
Quam quae caeruleis Lysae Leidaeque fluentis 
Et Tenerae herbosae est circumdata Flaudria, cuius 
Nemo unquam potuit dotes numerare beatas, 
Aut satis innumeros post condecorare per annos. 
Nam foecunda viris, bonitate insignis, et armis 
Atque valens opibus censuque et divite gaza, 
Templa Deo, pacem populo, sua rura colonis 
Attribuit, laetis munitas çivibus urbes. 



( 233 ) 

Nadat de grenzen, de verdeeling eu Let aantal steden 
vermeld zyn, wordt Gend als eene groote en schoone stad 
en als geboorteplaats van Karel Y geprezen, en het door 
koophandel bloeiende Bmgge. Dan volgt een woord van 
beklag over het verval van Sluis: 

Sed firmnm natura nihil produxit, ut esset 
Semper idem; fortuna vices et tempora mutât; 
En quae caeruleas frenarunt pontibus undas, 
Innumerasque rates oneratas mercibus amplis 
Admisere olim Slusae ad Cataracta tumentes, 
Nil nisi surgentes operosis molibus aedes 
Et veteris monstrant insignia prisca decoris. 

Deze bundel lat^nsche poëzie was 's dichters laatste ar- 
beid. H^ is in hetzelfde jaar overleden en op het kerkhof 
?an de Lieve-Vronwe-Eerk begraven. Toen hg zgn einde 
voelde naderen maakte hg voor zich het reeds door mg 
vermelde grafschrift : 

Artis ApoUineae cultura insignis et usu, 
Phoebei culior carminis atque lyrae, 

Pisano genitore satus, génitrice Zelanda, 
Hugo Favoliacae sollicitudo domus, 

Aetatis bis sex anno post lustra secundo 
Conditur hoc tumulo. Spiritus astra tenet. 



NADEBB MEDEDËELIKG 



BETKEVfE^DE 



WILLEM III EN DEN SLAG VAN SAINT DENIS. 



DOOR 



E. F R U I N. 



Ik moet uwe aandacht nog eens vragen, M. H., voor een 
korte mededeeling over het onderwerp, door Generaal Enoop 
en mg reeds herhaaldel^k besproken : den sl^ van St. Denis. 
Sedert ik er u over onderhield, heb ik het geluk gehad nieuwe 
berichten dienaangaande uit een nog niet gebruikte, hoewel 
sedert lang toegankel^ke, bron te putten ; en wat ik daaruit 
tot aanvulling en verbetering van m:gn voorstelling der toe- 
dracht van zaken heb gewonnen, mag ik u niet onthouden. 

De bescheiden, waarvan ik spreek, berusten in onze eigene 
boekerg, *) onder de papieren der familie Hujgens, en wel 
bepaaldel^k die van den jongeren Constanten, den secretaris 
van Willem UI, ons allen wel bekend uit zyn Journaal van 
.1688 — *96, dat door de zorg van het Historisch Genootschap 
te Utrecht het licht ziet. Soortgelijke dagverhalen van 
vroegere jaren z^n nevens dat Journaal tot ons gekomen en 
worden iu onze boekerg bewaard ; z^ zgn echter minder 
uitvoerig en zeer onvolledig. Ik kende ze tot nog toe slechts 
uit de beschrgving, die ons geacht medelid Jorissen er eenige 
jaren geleden van gegeven heeft f) ; het lezen en bestudeeren 
ervan had ik wegens andere bezigheden nog uitgesteld. £erst 
dezer dagen had ik aanleiding en vr^en tyd om ze ter hand 
te nemen, en nu vond ik er in, wat ik verzuimd had er vroeger 



*) Catalogos, nieuwe uitg.. Ui. I. St. f. biz. XI. vit;, 
}■} Verslagen tn Mededeelingen. Dl. III. i-e R. h\x. 2!1 vl^;. 



( 235 ) 

in te zoeken, merkwaardige bericliten betreffende de krijgs- 
bedrijven van 1678 en inzonderheid den slag bij St. Denis. 
De schrijver van het dagboek, de jongere Constantijn, 
mant noch door zijn doorzicht noch door z^n karakter uit ; 
hg is een zeer alledaagsch man : als zoodanig doet hem zijn 
niigegeven journaal kennen, en de nog onuitgegeven dag- 
boeken geven van hem -geen hooger dunk. Zelf klein en 
bekrompen, heefb hy geen oog voor hetgeen groot is, geen 
begrip van de grootheid der mannen met wie h^ verkeert. 
Willem III en z^n vertrouwden maken in zijn verhaal vol- 
strekt geen schitterend figuur. Wie den Prins met den 
maatstaf, dien Huygens aanbiedt, zou meten, zou zich ver- 
bazen over het groote dat Z. H ontegenzeggelijk heeft tot 
stand gebracht, en zou dit meer aan de omstandigheden dan 
aan de verdiensten van den vorst willen toeschrijveu. Welk 
een verschil als wij ons van den Willem III van Huygens* 
Journaal tot den Willems III van Temple's Gedenkschriften 
wenden ! Zooveel hangt er af van wie het portret schildert, 
wanneer wg ons een voorstelling van iemand vormeu zul- 
len. Maar ter verschooning, ter gedeeltelgke verschooning 
althans, van Huygens wijs ik er op, dat de Prins zich 
aan zgn secretaris ook niet op zgn gunstigst vertoonde. 
Z. H. (kon het anders?) zag op den kleingeestigen man, 
die in karakter en verstand zoo ver beneden hem stond, uit 
de hoogte neer, en bediende zich slechts van hem voor het 
dagelgksche werk. Vertrouwen sciionk hij hem niet. Een 
sprekend voorbeeld hiervan kan u uit het gedrukte Journaal 
bekend zgn. Het manifest, dat de Prins bg zijn overtocht 
naar Engeland uitvaardigde, draagt, gelgk het behoort, de 
onderteekening van den secretaris. Maar hoort wat deze 
ons nu zelf verhaalt. »Des avonds brachten mg Preswitz 
en Hompesch het manifest van Z. H., daar mijn naam onder 
stond, als het gecontrasigneerd hebbende^ hoewel ik het te 
voren nooit gezien had." Dit ééne voorbeeld toekent ons 
voor goed de verhouding tusschen den vorst en zgn geheim- 
schrgver, die van de geheimen niets verneemt. En dit was niet 
iets nieuws in 1688. Jaren te voren hield de Prins zgn secre- 
taris reeds op een eerbiedigen afstand. In het dagregister 



( 286 ) 

van 1675 vinden w^ nitboezemingen als deze: »S. Â. me 
parla arec quelque sorte de civilité et de familiarité, plus 
qu^à l'ordinaire, pendant que je faisois signer mes depe- 
sches/' Met dat al bleef hg jaar aan jaar in deze dienst- 
baarheid, die voor iemand van eenig zelfgevoel geen maand 
te verdragen zou geweest zgn. 

Ik heb u op deze verhouding van onzen dagboekschr^ver 
tot z^n grooten meester vooraf opmerkzaam willen maken, 
om u te waarschuwen, dat wg b^ hem geen onthullingen 
van geheimen, geen menschkundige beoordeeling van drgf- 
veeren en bedoelingen te wachten hebben. Maar aan den 
anderen kant verliezen w^ niet uit het oog, dat hg wegens 
zgn ambt tot de omgeving van den Prins behoorde, en al 
was hg niet bgzonder scherpzinnig, toch van nabg veel 
moest zien wat de scherpstzienden uit de verte niet konden 
waarnemen. Mei de meeste aandacht derhalve luisteren wig 
gaarne naar al wat hg ons weet te vertellen, al behouden 
wg ons ook ons eigen oordeel voor aangaande hetgeen h^ 
niet gezien heeft, maar waarschgnlgk acht en vermoedt. 

Eer ik hem thans het woord geef en aan U laat mede- 
deelen wat hg heeft bggewoond, zg het mg vergund nog 
kortelgk te herinneren aan hetgeen ons uit de echte stukken, 
die ik in mgu vorige verhandeling ontleed en verklaard heb, 
omtrent den gang van zaken gebleken was. Er wasgeble^ 
ken, dat in de eerste dagen van Augustus een veldslag tot 
ontzet van Mons noodzakelgk was. De vredehandel te Ng- 
megen bleef slepen ; nu eens scheen de vrede nabg, dan ver- 
dween weer dat uitzicht, en dreigde de oorlog op nieuw. 
Tntusschen heette het dat de wapenen stilstonden, maar 
niettemin werd Mons door de Franschen ingesloten en uit- 
gehongerd, en beweerden dezen recht te hebben daarmee 
voort te gaan, niet slechts tot op het teekenen, maar tot op 
het ratificeeren van den vrede. Het verlies van zulk een 
vesting, met een aauzienlgk Nederlandsch garnizoen, zou op 
den verderen vredehandel een allerongunstigsten invloed uit- 
oefenen. Daarom was het ontzetten van Mons een drin-^ 
gende noodzakelgkheid, hetzg de uitzichten op vrede zich 
bevestigden of weer verdwenen» Wilden de Franschen het 



( 237 ) 

inbrengen van Toorraad in de stad niet goedschiks gedoo- 
gen, dan moesten zg met geweld vau voor de stad worden 
verjaagd, om het even voor of na het teekenen van den 
yrede. Zoo oordeelde de Prins, en zoo oordeelden ook de 
Staten. Zel& nadat de afzonderlgke vrede tusschen de 
Repabliek en Frankr^k geteekend was, besloten de Staten 
Generaal, op advies van de Staten van Holland, dat Frank- 
rgk geen recht ter wereld had om Mons door nithonge- 
ring tot overgaaf te dwingen, en dat dus Z. H., indien h^ 
het approviandeeren niet langs minnel^ke wegen bewerken 
kon, het ontzet behoorde te ondernemen met zoodanige mid- 
delen, als hg daartoe dienstig zon oordeelen. Eu dienover- 
eenkomstig zou dan ook de Prins^ naar het zich laat aanzien, 
niettegenstaande den vrede, een tweede poging tot ontzet 
gewaagd hebben, indien niet de Frauschen de insluiting 
goedschiks hadden opgeheven. Uit deze toedracht der ge- 
beurtenissen volgt van zelf, dat het bloote bericht van het 
sluiten van vrede niet voldoende zou geweest z^n om een 
slag, als die bg St. Denis den 14®" Augustus geleverd is, te 
voorkomen. Het opgeven der blokkade door de Franschen 
was daartoe noodig. Had dus de Prins voor den 14^" de 
tiding van den vrede ontvangen, dan zou h^ op dien dag 
hebben moeten handelen, gel^k h^ den 16®" gehandeld heeft: 
hg zou de Franschen hebben moeten sommeeren om het 
beleg te staken, en bg weigering, een poging wagen om 
de insluiting te verbreken. Maar hg had de tgding eerst 
na den 14®" ontvangen, hg verzekerde dit plechtig ; en, zoo 
zgn woord niet genoeg was, er waren bgkomende bewgzen 
in overvloed die het staafden. 

Dit alles staat vast en kan door geen tegenstrgdige be- 
richten van oningewgden in de zaken aan het wankelen 
worden gebracht. Het eenige waarover onzekerheid bestaat 
en verschillende meeningen mogelgk zgn, is de vraag, in 
hoever de Prins reden had om te gelooven dat de vrede op 
handen was, en in hoe ver hg uit dien hoofde zedelijk ver- 
plicht was den slag nog vooreerst uit te stellen, in afwach- 
ting van nadere tgdingen. Juist aangaande die vraag bevat 
nn het dagboek v«n Huygens mededeelingen, die vangroot 



( 288 ) 

gewicht zgn. Over den gang der staatszaken leert het niets 
nieuws; het bevestigt slechts van ter zijde wat wg reeds 
van elders wisten. Uit zijn korte aanteekeningen straalt 
door, wat wij buitendien vermoedden, dat de Prins met zijn 
gewone vastberadenheid, zonder zich aan geruchten en waar- 
sch^nlykheden te storen, op ziyn doel, het ontzet van Mons, 
gestadig aangaat. Den 7^° Augustus deelt Z. H. aan van 
Naerssen, den gedeputeerde te velde, mee: »qu'à Nimègue 
les Suédois se mettoient à la raison,^' hg wist dit uit een 
brief van Fagel; maar daarom vertraagt hg toch niet in 
zgn optocht tegen de vgand. Den 10^° wordt in het leger 
en ook aan het Hof verteld : » que la paix estoit autant que 
faite ;" niettemin wordt tegen den volgenden dag bevel ge- 
geven om voort te trekken. Den 1K° en den 12®" schijnen 
de berichten van vrede niet bevestigd te zijn. Het leger 
naderde, hoewel langzaam, den vijand meer en meer. Maar 
den 13®" ^s morgens vertoonde iemand aan Hnygens een 
exemplaar van den op last der Staten gedrukten brief van 
Van Bevemingh van den 10®" *) »par la quelle il mandoit 
à Messieurs les Etats, que ce jour là ils avoient adjuHte 
tous les articles avec les Ambassadeurs de France, et qu'on 
avoit donné ordre pour les faire transcrire et mettre au net, 
en intention de signer ce traitte encore ce mesme soir." 
Natuurlek kende de Prins dien brief ook: toch wordt dien 
dag weer opgemarscheerd. Den 14®" gaat de slag aan. Be- 
langrgk is het verhaal dat het ds^boek er van geeft, al 
bevestigt het slechts wat wg hoofdzakelijk reeds weten. Ik 
zou het dan ook zeker hier inlasschen, indien ik mg niet 
vleide met de hoop, dat het Historisch Genootschap, hetwelk 
het Journaal van 1688 en volgende jaren heeft uitgegeven, 
ook de vroegere soortgelgke dagregisters, en daaronder dat 
van 1678, in druk zal willen bezorgen. Voor dat geval gun 
ik het gaarne het voorrecht en de eer om het eerst deze 
beschrigving van den immer gedenkwaardigen veldslag in 
het licht te zenden. Ik wil alleen mededeelen, dat ook 
Huygens den slag verloren achtte, en den volgenden ochtend 



*-) PuiuÜciten van Meulmra N^. 5714« 



( 289 ) 

aangenaam verrast werd door de tiding, dat de v^and 
's nachts was afgetrokken en zich zoo doende overwonnen 
verklaard had. Van meer gewicht voor de vraag, waarmee 
w^ ons bezighouden, is hetgeen h^ laat volgen: Comme 
S. A. alloit se mettre à table le maix[uis de Grana nous 
dit, qu'il avoit lettres du marquis de los Balbassos, que la 
paix avoit été signée le 11^ après minuit." Blikbaar zgn 
dit de brieven, die de Spaansche koerier uit N^megen had 
overgebracht, te gelgk met den brief van Van Beverningh 
aan Z. H. En toch meende Van Beverningh, of beweerde 
hg althans te meenen, dat die koerier onder weg was aan- 
gehouden, zoodat de brief niet aan Z. H. iu handen was 
gekomen. Natuurlgk heeft Huygens ons niets ter ophelde- 
ring dier duistere zaak te verhalen. Hg vervolgt: »S. A. 
dit à table, qu'Elle avoit eu une lettre de la conclusion de 
la paix du Rpensionaire, mais point de TEstat; et que ce- 
pendant Elle avoit dessein de servir TEtat aux occasions qui 
se presenteroyent. Cela sembloit bien extraordinaire cepen- 
dant, que le Rpensionaire luy mandant cela et quantité de 
particuliers en ayant des nouvelles, S. A. n'en avoit pas de 
rfitat; et il y avoit lieu de juger qu'il y avoit de mystère, 
surtout S. A. ne se plaignant pas de cela, ni aussi tous les 
jours passés, quand après les lettres de 1' 11^, par les 
quelles Elle sceut que la paix devoit se signer au plus tard 
ce jour là, Elle ne témoigna pas estre faschée de ce qu' 
Elle n' en recevoit pas davis." Omtrent het gebeurde op 
de volgende dagen, de conferenties van D^ckvelt met Luxem- 
bourg en van den Intendant ßobert met Z. H., waaruit voor 
eerst een wapenstilstand en ten slotte het debloqueeren van 
Mons voortvloeide, bericht het dagboek niet dan bekende 
zaken. Belangrgk is alleen nog het verslag van hetgeen 
den secretaris den 17^", terwijl het lot van Mons nog han- 
gende was, bg Z. H. wedervoer. »Le soir, comme je fis 
signer à S. A. des choses. Elle dit : Ick en kan niet bedenc - 
ken, wat duyvel, waerom dat se me niet eu schreven; 
ick geloof dat ze in den Haeg allemael geck geworden s^n. 
lek weet niet hoe het er staet; ick heb het tractaet niet 
noch niet met all. Daer is nu weder andere brouillerie in 



( 240 ) 

den wegh gekomen. De Baadpensionaris schrgft me een 
brieve van Tier regels.'* Het dagverhaal eindigt met deu 
20^1^, toen de Prins, nu eindelijk zeker dat zgn doel bereikt 
en Mons gered was, zich gereed maakte om het leger te ver- 
laten en naar den Haag terug te keeren. 

Zietdaar, M. H, wat de secretaris van Willem III ons 
omtrent het gedrag van z^n meester voor en ua den slag 
van St. Denis verhaalt. Het geeft stof tot meer dan ééne 
opmerking. W^ zien duidel^k, dat Huygens de houding van 
den Prins vreemd en raadselachtig vindt. Hg verklaart niet 
te begrepen, hoe het mogelgk is dat Z. H. den 15«° het 
officieele bericht van den vrede nog niet heeft ontvangen, 
terw^l toch Z. H. uit den brief van deu Raadpensionaris 
en een aantal particulieren uit de brieven van hun vrienden 
er kennis van dragen. Hg had reden zich hierover te ver- 
wonderen; maar niettemin was het zoo. Wg weten dat de Prins 
zoowel bg de Staten als bg den Raadpensionaris zich over dit 
verzuim beklaagde : en aan dezen, die met de waarheid bekend 
waren, zou hg geen onwaarheid, waarin voor hen een verwgt 
lag opgesloten^ hebben durven voorwenden, gesteld dat hg 
het gewild had. De betuiging van den Prins is boven al- 
len twgfel verheven. Maar er is een ander feit, waarvan 
niemand buiten Huygens gewaagt^ hetgeen niet zoo ten 
voordeele van Z. H. kan worden uitgelegd. Den IS**^" , 
den dag voor den veldslag, kende men in het leger den brief, 
door Van Bevemingh op den 10<^^ uit Ngmegen aan de 
Staten Generaal gezonden, en op hun last terstond gedrukt 
en uitgegeven. Aan zulk een bgna officieel stuk kon geeu 
verstandig man, hoe voorzichtig en achterdochtig hg zgn 
mocht, geloof weigeren. En uit dien brief volgde, dat het 
sluiten van den vrede, althans van een afeonderlgken vrede 
tusschen de Republiek en Frankrgk, zoo goed als verzekerd 
was '*')• Ware mg dit feit vroeger bekend geweest, ik zou ze- 
ker tegenover ons geacht medelid Knoop niet hebben vol- 
gehouden, wat ik op grond van hetgeen bekend was met 



*) Om z\JD bijzonder gewicht laat ik ^en brief hierachter, h\t. 242, letterlek 
oTerdrukkeni 



( 241 ) 

recht Yolhoaden mocht, dat de Prins bij het aangaan van 
lien slag geen reden had om aan het spoedig sluiten van den 
vrede te gelooven. Het bl^kt thans, dat h^ alle reden had 
om er zich van verzekerd te honden. De gedrukte brief 
van Van Bevemingh liet daaromtrent nauwelgks eenigen tw^- 
fel over; en dat de Prins desniettegenstaande den v^and 
heeft aangegrepen, zonder nadere tyding af te wachten, en 
zonder vooraf te onderzoeken of Luxembourg thans ook ge- 
negen zou zijn in het appro viandeeren van Mons te bewilli- 
gen, is iets dat ik niet verdedigen kan. Wij moeten thans wel 
aannemen, dat Z. H. vast besloten was den stryd te voeren 
zoolang totdat bet oj£cieele bericht van den vrede het hem 
stellig kwam verbieden: juist zooals hy in zyn antwoord 
aan Fagel schreef, en aan z^n officieren, volgens Huygeus' 
aanteekening, aankondigde. Z^ns ondanks zal h^ dan door 
den drang der omstandigheden verhinderd zgn geworden dat 
opzet ten volle uit te voeren. Dat hg het zich had voor- 
genomen strekt hem, mijns inziens, niet tot eer. Wel was 
het doel dat h^ voœrhad goed en groot, maar in onze oogen 
kon dit de middelen niet goed maken De slag is geleverd 
en het leven van honderden opgeofferd zonder dat de nood- 
zakelgkheid er van gebleken, zonder dat z^ onderzocht was. 
Een andere opmerking zou ik gaarne verzwggen als de 
oprechtheid het toeliet. Wat zullen wg thans, na hetgeen 
virg vernomen hebben, van den brief aan Fagel denken 
waarop wg zoo vast vertrouwden? >Ik kan voor God ver- 
klaren, dat ik niet geweten heb als dezen middag, uit uw 
missive van den IS»^", dat de vrede gesloten was." Die 
plechtige betuiging is letterlgk waar, maar ook slechts naar 
de letter. Dat de vrede gesloten was, wist de Prins eerst 
sedert dien middag, maar moet hg al sedert den 13®°, toen 
hg den brief van Van Beverningh had gelezen, voor meer 
dan waarschgnlijk gehouden hebben. Tusschen zoo groote 
waarschgnlijkheid en stellige zekerheid bestaat het verschil 
meer in naam dan in der daad; en het doet ons leed dat 
de groote Willem van Oranje zich met zulk een sophistische 
onderscheiding verdedigt, en dat hg het doet onder aanroe- 
ping van Gods heiligen naam. 



^ 242 ) 

B IJ L A G E. 

Heer Ambassadeur van 
Bevemingk. 

WelEdele Gestrenge Heer. 

Wy hebben desen gheheelen morgen tot drie uyren naer 
den middach met de Heeren Fransche Ambassadeurs ge- 
besoigneert op de ingrediënten van de Tractaten van Vrede 
en van Commercie, ende wy hebben alle de Articulen inge- 
schickt ende gheadjusteert, soo wel ende soo nae als ons 
eenighsints doenlgk geweest is. Ende of wy niet kennen 
vertrouwen dat haer Ho Mo absolutelyck in alles sullen vol- 
daen zgn, zoo sullen wy evenwel hoopen, dat sy gunstelyck 
sullen considereeren, dat wy hebben gedaen alles wat doen- 
lyck is geweest, om met goet fatçoen van ^t werck af te ge- 
raecken Wy scheyden nu soo, om alles te laeten stellen in 
't net, om noch dezen a vont te teeckenen, daer toe den 
goeden Godt voorts synen zegen wil geven. lek hebbe met 
haest dit willen laeten voor af gaen, met hoope dat wy morgen 
vroegh sullen bequaem zijn haer Ho Mo van de extension te 
dienen Waer mede 

Nimmegen den 10 Augusti 

WelEdele Gestrenge Heer etc. 

1678. Güteeckent 

i 

H. V. Bevemingk, 

*;. . 



In 's Gravenhage 
By Jacobus Scheltus, 's Landts Drucker, Anno 1678. 



V E ß s L A G 



OVER EKN 



VOORSTEL TOT ONDERNEMING 



EENER INTERNATIONALE POOL-EXPEDITIE. 



^•- . «v* 



In handen Uwer Commissie zgn gesteld, om daarover ad- 
yies uit te brengen, de navolgende stukken: 

1". Eene gedrukte missive van de Heeren Weyprechten 
Wilczek, dd. Weenen, 31 Maart 1877. 

2°. Eene rede gehouden door den Lt t./z. Ch. Weyprecht, 
gehouden in de 48® , vergadering van Natuurkundigen en 
Duitsche Geneeskunstoefenaren te Grätz op 18 Sept. 1875, 
waarbij ons naderhand nog in handen is gekomen, een pro- 
gramma van werkzaamheden te verrigten op eene Interna- 
tionale Pool-expeditie. 

In korte woorden zamengevat en van de b^zonderheden 
ontdaan, hebben deze stukken de strekking, om voor te stel- 
len eene Internationale onderneming met het doel synchro- 
nische wetenschappel^ke waarnemingen en onderzoekingen 
te doen in de Poolstreken, door middel van op te rigten 
Internationale stations rondom het Poolbekken, zoodat in 
tegenstelling met het doel der meeste vroegere ondernemin- 
gen iu de Poolgewesten, het doen van aardrijkskundige ont- 
dekkingen meer op den achtergrond zou treden. 

Hoewel de Heeren Wilczek en Weyprecht daarbg aan- 
vankelgk de hulp welke daarb^ misschien ook door Nederland 



( 2^^ ) 

bewezen zou knimen worden yoorb^zagen, hebben sg zich 
bg hun boven vermeld schrijven van 31 Maart jl. thans ook 
tot ons gewend, met het doel, de goedkeuring dezer akade- 
mie op hunne plannen en een gunstig advies in beginsel 
althans over hunne voorstellen te verkrggen. 

Tevens verzoeken zg, dat de Eoninkl. Akademie het denk- 
beeld b^ de Nederlandsche regering gelieve te ondersteunen, 
opdat ook van wege Nederland, een station op een der aan- 
gewezen punten in de arctische of zoo mogelgk antarctische 
gewesteu worde opgerigt. 

Het voorstel van de Heeren Weyprecht en Wilczck kan, 
in beginsel althans, niet anders dan bg Uwe Commissie on- 
dersteuning vinden, te meer omdat het eerste denkbeeld 
daarvan, van een der leden Uwer Commissie oorspronkelgk 
is uitgegaan. 

De Heer Buys Ballot toch heeft reeds in 1872 voor het 
eerst dit denkbeeld uitgesproken in zgn geschrift, getiteld: 
Suggestions on a uniform, system of meteorological observations 
(Utrecht, Maussen, bladz. 8), en hg heeft dit denkbeeld eerst 
in 1872 te Leipzig, daarna in 1873 te Weenen, in het 
Meteorologisch congres nader ontwikkeld. Het mögt aldaar 
zooveel instemming en bgval verwerven, dat het toen reeds 
dadelijk in beginsel is aangenomen. 

Dit denkbeeld van onzen landgenoot wenschen de Heeren 
Wilczek en Weyprecht, thans rondom het Poolbekken tot 
uitvoering te brengen. 

In het verslag van het permanent Comité, opgerigt na het 
eerste meteorologisch congres te Weenen, welk Comité in 
1876 te Londen bijeenkwam, leest men daaromtrent in het 
proces-verbaal der zitting van 10 April 1876 het navolgen- 
de: »Quelques membres du Comité ayant appris que M. 
»Weyprecht avait l'intention d'établir un certain nombre d'ob- 
»servatoires dans les regions arctiques, afin d'obtenir pen- 
»dant une année au moins, des observations horaires simul- 
» tanées autour du pôle sur les phénomènes de la météorologie 
»et du magnétisme terrestre, le Comité est d'avis que ces 
» observations seraient de la plus grande importance pour les 
»progrès de ces deux sciences. Le Comité permanent recom- 



( 245 ) 

»mande de la manière la plus chaleurense à tous les pays, 
»de prendre part à cette entreprise et de lui donner tons 
»les secours possibles, dans l'intérêt de la science. En ad- 
»dition aux observatoires qui pourraient avoir été établis 
»on qui sont en voie de preparation, le Comité désirerait 
»spécialement 'attirer Tattention sur le Spitzberg, Alten en 
»Finmark, la Nouvelle Zemble, l'embouchure de la Léna^ 
»la Nouvelle Sibérie, la pointe Barrow, le voisinage du 
»pôle magnétique dans Tîle de Boothia Félix, Upernawik 
»et rile du Pendule, etc. 

(signé) Buys Ballot. 



Het hoofddoel, dat alzoo bij uene oprigting van Interna- 
tionale stations rondom een der of beide de poolbekkens 
wordt beoogd, is het doen van synchronische waarnemingen 
op het gebied der meteorologie, van het aardmagnetisme en 
van de theoriën betreffende het Noorderlicht. 

Bg de ontwikkeling van hun plan* treden de Heeren Wey- 
precht en Wilczek in een aantal by zonderheden, en sommen 
twee en twintig hoofdpunten op, waarop naar hunne mee- 
ning, meer bgzonder bg deze waarnemingen, de aandacht 
gevestdgd zou moeten worden. 

Wij achten het voorals nog niet noodig deze verschil- 
lende punten in alle bgzonderheden na te gaan, noch over 
allen onze onvoorwaardelgke goedkeuring uit te spreken. 
In beginsel kunnen wg echter niet dan zeer gunstig over 
het hoofddoel in het algemeen oordeelen. 

Wanneer eenmaal de medewerking van Nederland tot 
het oprigten van Internationale waarnemingsstations rondom 
het Poolbekken mögt worden ingeroepen, zal het zich, naar 
ons oordeel, daaraan niet mogen onttrekken. Minder dan 
eenige andere natie, mag de Nederlandsche daarbg worden 
gemist; haar aandeel aan de ontdekkingen in die gewesten, 
haar belang en hare roeping als zeevarende mogendheid, 
het feit dat het eerste denkbeeld» dier wgze van waarneming 
in Nederland is ontstaan, dit alles geeft haar niet aUeen 
het r^, maar legt haar bgna de verpUgting op, om aan 

YEUL. K!C MBDKO. AFD LETTERS. 2de REEKS. DEEL VII. 17 



( 246 ) 

deze Internationale arctische onderneming een werkzaam 
deel te nemen. 

Minder gunstig zou echter ons oordeel luiden, indien aau 
Nederland een station in de antarctische gewesten wierd 
aangewezen. De bezwaren daaraan verbonden zgn te groot, 
de kosten en moe^elijkheden voor een uitrusting op zoo 
groeten afstand te zwaar en te gewigtig; maar bovendien 
zyn voor Nederland, ook met het oog op z^ne tradition, 
juist het Noorden van Spitsbergen of het eiland Nowaja- 
Semlya, naar het ons toeschgnt, de aangewezen plaatsen. 

Intusschen is echter van de Heeren Weyprecht en Wilczek 
het berigt tot ons gekomen, dat tengevolge van den oorlog, 
waarin Rusland^ de mogendheid wier krachtige medewerking 
in de eerste plaats onmisbaar is, thans is gewikkeld, de uit- 
voering van het plan vooreerst voor onbepaalden tgd is uit- 
gesteld. 

Deze, overigens ongelukkige omstandigheid, mag naar ons 
oordeel, voor Nederland niet ongunstig genoemd worden ; 
want tot dusverre, wg mogen het niet ontv^einzen, bevond 
Nederland zich nog tamel^k onvoorbereid, om aan den voor- 
gestelden Internationale arbeid (]eel te nemen. Te lang toch 
welligt onttrok zich Nederland aan de elders herleefde be- 
weging op arctisch gebied, ondanks het groot belang, dat 
daarin gelegen is voor een zeevarend en handeldrijvend volk, 
als oefenschool zgner zeelieden. Nu wordt ons de tijd ge- 
laten tot voorbereiding, de gelegenheid ons opengesteld, om 
zeelieden te vormen, wien men later, zoo noodig, het uit- 
brengen van een wetenschappelijk station zou kunnen toe- 
vertrouwen, en de noodige kennis van plaatselgke toestanden 
te verkregen, wanneer later eene keuze moet worden gedaan 
van eene geschikte plaats voor een Nederlandsch station. 

Indien wjj dus niet anders dan in b^insel over de plan- 
nen van de Heeren Weyprecht en Wilczek een gunstig ad- 
vies kunnen uitbrengen, zoo mogen w^' b^ deze gelegenheid, 
tevens den wensch niet onderdrukken, dat de pogingen, 
welke hier te lande door. een daartoe opgerigt Hoofd*Co- 
mité en verscheidene plaatselgke Comités worden aangewend, 
om eene eerste voorbereidende expeditie naar het Noorden 



( 247 ) 

uit Nederland uit te zenden, zoowel bg de Akademie^ als 
?ooral bg de Nederlandsche regering, krachtige ondersteu- 
ning mogeu vinden. 

'sGravenhage, 23 November 1877. 

BUYS BALLOT. 

H. G. V. D. S. BAKHÜUZEN. 

P. J. VETH. 

J. K. J. DB JONGE. 



GEWONE YERGADËRIJNG 



DEE AFDEELTNO 



TAAL-, LETTER , GESCHIEDKUNDIGE EN WIJ8GEERIGE 

WETENSCHAPPEN, 

GERODDEN REK 14H«" DECEMBER 1877. 



Tegenwoordig de beeren: c. w. opzooicek, voorzitter, w. holl, 

C. LEEMANS, IC. DE VRIES, W. O. B&ILL, L. FH. C. VAN DEN BERGH, 
J. DE WAL, W. J. KNOOP, O. DE V&IES AZ., W. C. MEES, N. BELTS, 

B. J, LINTELO DE OEEB^ O. MEES AZ., J. E. OOUDSMIT, J. P. SIX, 
P. J. VETH, S. A. NABEB, TH. BOBBET, J. O. DE HOOP SCHEFFEB, 

C. M. FBANCKEN, J. T. BUYS, M. J. DE GOEJE, H. VAN HEBWEBDEN, 
J. P. N. LAND, M. F. A. G. CAMPBELL, J. O. R. ACqUOY en 

J. C. O. BOOT, secretaris. 



Het proces-verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en zonder eene door de beeren Brill en Beets verlangde, 
door den beer Knoop niet begeerde, w^ziging vastgesteld. 



Door den beer Vetb wordt bet verslag gelezen, dat 
de vereenigde commissie der beide afdeelingen, be- 
staande uit de beeren Buys Ballot, van de Sande Bak- 
huyzen, Vetb en de Jonge, beeft ontworpen over bet voor- 
stel van de beeren Weyprecbt en Wilczek, gedateerd Wee- 
nen 31 Maart 1877, betgeen in de maand Juni in bunne 
banden is gesteld. Dat verslag zal in de Verslagen 
en Mededeelingen dezer afdeeling worden opgenomen, en in 
de eerstvolgende vergadering der zuster-afdeeling worden 
medegedeeld. De rapporteur voegt er eenige woorden bij 

^EBSU BN MEOKD. 4FD LETTERK. 2(lc KKEKS. DEEL VU 18 



( 250 ) 

om de leden op te wekken tot ondersteuning van de Ne- 
dcrlandsche expeditie naar Nova-Sembla, wiauirvoor een schip 
wordt gereed gemaakt^ dat in Mei van 't volgende jaar zal 
uitzeilen. 



De verzoening van Samuel Maresius met Jacob Alting in 
1673 geeft den heer G. Mees Âz. stof tot eene bgdrage. 
De zaak is bekend uit den latgnschen brief van Alting aan 
Balthazar Bekker, door dezen in het vgfde deel der werken 
van Alting bl. 424 en volgende geplaatst. Maar de spre- 
ker deelt door Alting niet vermelde b^zonderheden mede 
uit eene hoogst zeldzame brochure van Gregorius Mees, 
predikant te Groningen. De strgdlustige professor Maresius 
wordt daardoor in een eenigszins gunstiger licht gesteld^ dan 
in de levensschetsen der Groninger hoogleeraren achter 
Jonckbloet's Gedenkboek is geschied. 

Deze bijdrage wordt aangeboden voor de Verslagen en 
Mededeelingen. Z^ geeft geene aanleiding tot discussie. Op 
eene vraag van den heer de Wal geeft de spreker een be- 
knopt overzicht van den na den dood van Maresius tusschen 
Alting en Mees gevoerden twist. 



Naar aanleiding van hetgeen de heer Knoop in de vorige 
vergadering heeft opgemerkt over de uitgave van het Jour- 
naal van Gonst. Huygens Jr., vraagt de heer Brill het 
woord om het Historisch Genootschap^ waarvan h^ voor- 
zitter is, te verdedigen. Dat genootschap schrgft geene ge- 
schiedenis, maar verzamelt en levert bouwstoffen voor de 
geschiedenis. Veel onbeduidends en walgelgks in het Jour- 
naal kan daarvoor dienst bewgzen. 

De heer Knoop erkent de groote verdiensten van het Ge- 
nootschap, maar bligft bg zgne overtuiging, dat dergel^ke 
troebele bronnen niet geheel moesten worden opengesteld, 
maar na afzondering van de vuile en nietswaardige be- 
standdeelen. Voor de histoire-bataille behoeft geene histoire- 
alcove in de plaats te komen . 



( 251 ) 

Be voorzitter verklaart hiermede deze gedachtenwisseling 
geëindigd. 



De secretaris verzoekt en verkrggt vergunning om een 
toevoegsel te leveren op zgne bedrage over Hngo Favolins. 
Hg geeft daaria verslag van twee lat^nsche dichtwerken, 
die de Eoninkl^ke Bibliotheek te 's Gravenhage bezit, en die 
door hem ter inzage aan de leden verstrekt worden. Deze 
mededeeling zal het slot zgner vorige bgdrage bg de uit- 
gave vervangen. 



Nadat de heer Vebh de 26« en 27« aflevering van Java 
voor de boekerg heeft aangeboden wordt de vergadering 
door den voorzitter gesloten. 



18* 



DE VEEZOENING 



VàN 



SAMUEL MARESIUS MET JACOB ALTING. 



BIJDBAGE TAM 



G. HEES Az.. 



Toen op 23 Augustus 1614 de Groninger Hoogeschool 
plechtig werd ingewijd, was de verwachting hoog gespannen ; 
maar z^ werd door den ras toenemenden bloei oyertroffen. 
In 't midden der zeyentiende eeuw werden jaarl^ks gemiddeld 
honderd studenten ingeschreven en een drie- tot vier honderdtal 
was tegelgk aanwezig. 

Kosten noch moeiten werden gespaard om de leerstoelen 
met bekwame mannen te doen bezetten. 

In het vak der godgeleerdheid schitterde Franciscus Go- 
marus, die er in hoogen ouderdom in 1641 overleed. In 
zgn plaats werden de reeds vermaarde Samuel des Marets 
of Maresius en Jacob Alting aangesteld. 

Beidea hielden op denzelfden dag, 13 Januari 1643, hunne 
inw^dings-redevoeringen en een nauwe vrieudschapsband 
hechtte hen weldra te zamen. Voor 't leven scheen die ge- 
legd. Eerst na zeventien jaren ontstond er eenige wrgving. 
Althans uit een brief van 30 Juli 1660*) is dit op tema- 
ken. Alting had over den sabbath geschreven^ en het in 
handschrift aan Maresius toegezonden; een bewijs dus van 
vertrouwelijken omgang; en nu zond deze aan zgn ambt- 

^} Vita Alliugii p. 3. iu Alt opera. Tom. Î. 






99 



( 253 ) 

genoot een brief van dankzegging, hartel^k en goed; maar 
niet zonder eenige berisping: »Reverende et clarissime vir, 
Domine et Collega plurimam observande! Beddo tibi eru- 
ditas Chartas quae non sine aliqua voluptate perlegi/^ Na 
meerder lof openbaart zich toch verschil van meening: 
Sant tamen haud panca quae postulatis potias annnme- 
rem quam demonstratis, licet ingeniöse nixa conjectaris. 
...^^Metuo tamen ne multos tibi adversaries et contradicto- 
res concilies. '^ Hg toekent echter ,^Sam et maneo addictissi* 
mns." Weldra echter, zegt Altings levensbeschrgver ^,in di- 
versa ferebantur. Non convenit singula indicare ; palmarium 
^,est, quod Maresius jam veteranus Theologus, noster novitins ; 
,,ille totus scholasticus, hic scripturarius esset/' 

In den doolhof der veelvuldige oneenigheden tusschen de 
twee hooggeleerden, zal ik u niet rondleiden. Z^ zgn bekend, 
en tevens, dat z^ verzoend zgn, daar Alting zelf in een 
brief van 14 folio bladzijden in twee kolommen aan Balta- 
zar Bekker verhaalt, hoe het met die verzoening was toege- 
gaan *). De hoofdzaak heeft hg naar waarheid medegedeeld ; 
maar niet die kleine bgzonderheden, waardoor de indruk 
gewgzigd kan worden. 

Men heeft zich door het luisteren naar een der partgen 
te hard betoond j^ens Maresius, hoe weinig ik anders ge- 
zind ben dat animal disputax in bescherming te nemen. 

In de levensschetsen der Groninger Hoogleeraren, door 
Mr. W. B. S. Boeles lezen wg b.v. ^^ Alting gedroeg zich 
^^waardiglgk in dien twist, toonde steeds den vrede lief te 
^,te hebben en overschaduwde Maresius daarin verre,^^ en 
omtrent Maresius : ^^de in 't oog van velen regtzinnige man 
„daalde ten grave, na even te voren, in het aanzien des 
„doods, niet dan aarzelend, zich met Alting te hebben ver- 

„zoend f)-'' 

Ik kan echter een getuige bgbrengen, die alles van nabg 
}ieeft gezien, maar wiens klein geschrift daarover gansch 



*) Altingii, opera V, p. 4. '4 sqq. 

f) Leven BschetBen der Groninger Hoorlee.aren door mr. W. B. S. Boeles, achter 
het Gedenkboek der Hoogeschool te Groningen door Dr. W. J. A. Jonckbloet. 
Gron. i860, bl. 27 vlg. 



9> 



(254) 

onbekend is door de uiterste zeldzaamheid daarvan. Ik zon 
meenen, dat er slechts één enkele afdruk van bestaat, die in de 
boekerg der Gendsche Hoogesehool is en m^ welwillend door 
den bibliothecaris van der Haeghen ter inzage is toegezon- 
den. Het betreft m^ van nabg, als van de hand van m^n 
betoudovergrootvader Greg. Mees, toen predikant te Gro 
ningen. 

*tls een boekske in 4^., 40 bladz^den groot en getiteld naar 
de woordenrgke w^ze dier dagen: De laetste Weecke Des Aerdt- 
^^schen Leevens van de W^tberoemde Leeraer en onverwinne- 
l^cke Voorvechter der onvervalschte Godtsgeleertheydt de 
Heer Samuel Maresius in sgn leven Professor der H. Theo- 
^^logie en Eerckelycke Historien in de Hooge Schoole, en Pastor 
,,der Fransche Gemeynte in Groningen; seer Godtzaligh en 
^^Bechtzalig ontslapen den 18 May 1673. Beschreven door 
^^Gregorius Mees, dienaer Jesu Christi in sgn Gemeinte tot 
^^Groningen. Nevens de Originele Copien van H geene de 
,,E. Deputaten der Synode Ambtshalven na Maresii doodt 
^^gedaen hebben, aengaende de verzoeninge met de Heer AI- 
#tingh Gedruckt in 't Jaer 1674. 

't Is naar aanleiding van dit boekje, dat ik tot u over 
de verzoening tusschen Maresius en Alting wilde spreken. 
Volgens Alting zelven toch was ^,T)s. Meesius hujus recon- 
^^ciliationis Architectus/' Eerst wensch ik echter de drie 
handelende personen kortelijk aan u voor te stellen. Aan 
berichten ontbreekt het niet, en, wat de twee Hoogleeraren 
betreft, zal 't voor velen uwer alleen een herinnering z^. 
Over Samuel des Marets is een uitgebreid stuk in de 
Vitae et EfiGlgies Professorum Academiae Groninganae et 
Omlandiae in 1654 uitgegeven. Dr. Jonckbloet meent, dat 
het van Maresius zelven is en wel om de zeer kleine levens- 
bgzonderheden daarin opgenomen*). Hg werd in 1599 te 
Oisemonfc in Picardye, thans Departement de la Somme, ge 
boren uit David des Marets en diens echtgenoot Magdalena 
Vaucquet. In 't ouderligk huis was geen aanleiding om hem 



*} Faqvot en Bayle in hanne Dictionnaires en Glasius en z^n Godgeleerd Ne- 
derland hebben artikels over hem. 



( 255 ) 

zoo strgdlustig te maken, want het #as een „conjuginm con- 
„eon et dintnmiim fere ad miraculiim, sic etiam foeeun- 
^^dnm et fei^tile/' 't Was een zonderling kind die Samuel. 
Hg was zoo zwak en teer, dat hg bgna geheel met melk 
en boter werd opgekweekt. Later had hg een Treemd dieet. 
Grezoden vleesch at hg niet, ook geen soep of groenten, 
eyenmin peren, appelen, kersen of aardbeziên, en dat bleef 
zoo zgn leyen door. Zgn geest voedde hg beter dan zgn 
lichaam. Op zgn zevende jaar kon hg lezen en schrgven 
niet slechts, maar ook de b^inselen van het latgn en den 
ganschen bgbel (a capite ad calcem) had hg al tweemaal 
doorgelezen. 

Dat hg prikkelbaar en zenuwachtig was, wordt afgeleid 
uit een voorval, dat geheel in den tgd past en ons na vreemd 
voorkomt Zgn vader was rechterlgk ambtenaar en had een 
persoon ter dood veroordeeld. Hg ging de executie bgwo- 
wonen en wel (ut moris erat) met zgn huisgezin, dus ook 
met den jongen Samuel. Deze was, toen hg den patiënt 
van de ladder zag slingeren, zoo aangedaan, dat hg zgn 
bewustzgn verloor en dat schouwspel gedurig voor oc^en had. 

De studiën waren toen vrg wat omslachtiger dan thans. 
Op ontelbare plaatsen ging Maresius wgsheid zoeken. Hg was 
slechts dertien jaar oud toen zgn vader hem naar Pargs bracht 
bg de verschillende collégien du Plessis, de Cambrai enz. om be 
roemde mannen te hooren. Na drie jaren ginghet naar San- 
mur, waar Oromarus leeraarde, toen naar Oenève, dan weder 
naar Pargs om Samuel Durand te genieten, die zgne bgzondere 
belangstelling wekte, een man ^^tantae eloquentiae ut cum 
i^Pericle non tam loqui quam fulgurare et fulminare vide- 
,^retur." Hg werd nu te Gharenton geëxamineerd, en, boo- 
wel *t voorkomen van een knaap hebbende, toegelaten en met 
hon de gewezen monnik Babunet, „qui postea ad vomi- 

yytom redüt.'' 

Predikant te Laon geworden op zgn 24*^ jaar had hg daar 

een hoogstonaangenaam avontuur. Hij had een Dame, die 

katiioliek geworden was, tot de protestantsche kerk terug 

wille» brengen. Hg wekte hierdoor, zoo hg meende, den 

haat der priesters. Âan hun wraak schreef hg het toe, dat 



( 256 ) 

h^ op een avond een dolksteek in de borst kreeg, die ge- 
lukkig niet doodelgk was ^^quamvis pericolosum valde, et ex • 
^,qao caudelam ei objectam potuit Maresius* extinguere. 
y^Brevi tarnen tempore ex eo con valait." Van welke zgde 
de moordaanslag kwam, bleef onzeker. „On en croira,"' zegt 
Paquot, „ce qu'on voudra.'* 

Toen keerde hg 'weer naar Par^s, tot h^ te Falaise in 
Champi^ne werd beroepen. Van daar naar Sedan, vervol- 
gens naar Maastricht en 's Hertogenbosch, nadat hg te 
Leiden het doctoraat in de godgeleerdheid had verkr^en. 

In 1643, als gezegd, b^eerde men hem te Groningen, 
waar hg in 1673 overleed. In dat tengere lichaam woonde een 
geest, die verbazend werkzaam was. Door de leden dezer 
Academie is en wordt veel gewerkt; maar ik geloof niet, 
dat iemand onzer het tot 103 uitgegevene werken heeft ge- 
bracht. Velen daarvan zgn strgdschriften. Te Water 
heeft in zgn Tweede Eeuwgetgde der belgdenis zich het ge- 
noegen verschaft al de personen op te noemen, met wie Ma- 
resius gekampt heeft, waaronder G. Voet, Momma, Goc- 
eejns en zgn ambtgenoot Alting. 

De zelf betuiging van Maresius is daarom wat gewaagd, 
als hg verklaart: „Pacis cum omnibus clarissimis collegis 
„maxime cum reverendis Theologis fovendae et colendae 
„primaeva semper ei cura." Een zeer geleerd man was hg 
buiten twgfel en als zoodanig algemeen erkend. J. Le Long, 
predikant te Middelburg, schreef onder zgn afbeelding: 

Gallia quem novit, novit quem Belgia tota, 
Et quo nunc foelix sole Groninga micat, 

Maresius parva depingitur hacce tabella. 
Ars etenim in parvis pandere magna solet. 

Het leven van Jacob Alting was minder onrustig, even- 
wel ook een kleine Odyssee, als men aan de menigte plaat- 
sen denkt waar hg geademd heeft. 

Zgn vader was de beminnelgke Hendrik Altiag „primus 
„Heidelbergensis, tum Groninganae Academiae fiilgentissimum 
„sidus, zegt Bekker in zgn leven. Jacob werd te Heidelberg 
in 1618 geboren in „collegio sapientiae," terwgl zgn vader 



( 257 ) 

op de Dordsche synode was. Weldra vluchtte h^ met zgn 
moeder naar. Bretten in de Palts, omdat Spinola Heidelberg 
bedreigde, toen naar Heilbron, naar Schorndorf, naar Em- 
den. Na nog als kind te Leiden vertoefd te hebben, trekt 
h^ met de z^nen naar Honslaarsd^k om de heerschende pest 
te ontgaan Eindelijk landde h^ te Groningen aan, (sedem . 
sibi divinitus fixam). Aldaar werd h^, als ingenium praecox, 
op z^n dertiende jaar als student ingeschreven, waar 60- 
manus hem 't Hebreeuwsch onderwees. Daarna vinden we 
hem te Emden om onder Rabbi ben Abraham den Talmud 
te bestudeereu. Men gaf zich toen veel en loffelgke moeite 
ter bekwaming. ^^Impetravit à patre veniam etiam esteras 
regiones et Academias visendi.'^ *t Eerst trok hg in 1689 
naar de provincie Holland; na te Utrecht Voetius te heb- 
ben bezocht en Anna Maria Schutmau, •^clarissimam rara 
^^eruditione virginem.^' In Leiden bleef h^ acht maanden 
en genoot er den omgang (suavissime convixit) van Polyan- 
der, Trigland en anderen. 

Nu met een paar vrienden naar Engeland^ waar h^ her- 
en derwaarts trok. Eerst bleef h^ drie maanden te New- 
burg b:g den predikant Twiss ; daarna is h^ te Oxfort, toen 
te Londen; toen, een jaar lang, b^ Edmond Beinold te 
Brandstone om er goed Engelsch te leeren. 

Nadat hg proeven zgner vorderingen had gegeven aan John 
Prideaux, bisschop van Worcester, werd hg tot diaken, 
toen tot predikant bg de Anglicaansche kerk bevorderd. Hg 
was in Engeland zoo thuis geworden, dat hg er zich wilde 
vestigen. God en zgne ouders beschikten dat anders (verum 
aliter Deo O. M. et parentibus visum est). Nauwelgks te Gro- 
ningen weergekeerd werd hg, te gelgk met Maresius, als 
Hoogleeraar geroepen. 

Jacob Greutz schreef onder zgn portret: 

Stat placido graphice depicta modestia vultu, 
Sed quae miramur pingere dextra nequit. 

Doctrina et pietas dubiam tibi reddere palmam 
Dum certant, laudem fers utriusque parem. 

Of hg zoovele bladzgdeu beschreef als Maresius weet ik 



( 258 ) 

niet, maar wel dat zgne werken in v^f foliodeelen, seer 
dicht gedrukt z^n en teyens dat hg y^fdnizend brieven verzond. 

Over den derden persoon der trilogie slechts een kort 
woord; 't kon pro domo schenen. H^ was in 1631 te Gro- 
ningen geboren en dus ruim dertig jaar jonger dan Maresins, 
dertien jonger dan Alting. 

Veel minder beroemd dan deze beiden, was hg echter in 
Groningen als Predikant zeer geacht en nadat hg in 1676 
te Rotterdam was beroepen, heeft hg daar buitengewonen 
opgang gemaakt en lofyerzen te over zgn op hem gedicht. 
Volgens die was hg : ^^een deftig leeraar, een gverig boet- 
^^prediker, een aangenaam heilverkondiger, een deftig held, 
;^ veler zielen stut, een Apollos machtig in de schriften, 
,^een krachtig bestraffer, een heiltrompetter, een hoogvlie- 
^^gende adelaar, een opperstierman, een kruisheld, een don- 
^^derzone, een godstolk, geen stomme hond, wel een zoi^- 
„vuldig waker.'* 

Naar de woorden van zgn Igkredenaar Ds. Lndolphus de 
With werd in 1694 Gods brandende toorn over Nederland 
verkondigd door den dood van Gregorius Mees. 

Onder Maresius vooral had hg zgn opleiding genoten en 
was zeer aan hem gehecht. ,,Hg is mg*^ zegt hg ^^bezon- 
derlgck in groote liefde, gemeenzame omgangh, en veele 
raedt en daet als een vader geweest. Van hem ben ick 
^^gelieft, bezocht, beschermt, opgeweckt en als gekoestert, 
^^gelgck een vader sgn soone doet.'* 

Dus geheel Maresiaan, dat is orthodox tot den bloede. 
Uw getuige is partgdig, hoor ik zeggen, 't Is niet te ont- 
kennen. Maar de wgze waarop hg de verzoening beschrgit 
of liever vertelt, zonder betoog, draagt dunkt me het interne 
bewgs voor de waarheid. 

Ik kom nu tot de zaak zelve, waarvan Groningen vol 
was en waarvan de tgding door geheel ons vaderland vloog; 
zóó belangrgk achtte men die verzoening. 

Het bleek reeds dat de verstandhouding tusschen de twee 
collega's jareu lang goed bleef Volgens Mees was de 
vriendschap intiem geweest, die eerst verflauwde en daarna 
tot vgandscfaap oversloeg. Hg zegt er van: ,,Het joodscbe 



9> 



( 25d ) 

„spiBekwoort paste niet qnalgck op haer. Het oogh van 
^^een Naelde en was niet te enge voor deze twee vrienden 
„en de ruymte van de geheele werelt en was niet genoegh 
jyYOor dese twee vganden. Doen sy vrienden waren, sche- 
nnen sy met hare familien in een hays te woonen, maar 
,^na waer Eerck en Academie haer nauwlycks ruym genoegh" 
en dat laatste bleek wel toen !&laresius tegen zgn collega 
3] stellingen nitgaf, waarin hem even zoovele dwalingen 
werden ten laste gelegd. Alting antwoordde. Beschuldiging 
en verdediging werden door Curatoren naar de theologische 
faculteit te Leiden gezonden. 

Deze sprak Alting vrig van ketterig (ab omni haereseos 
nota), maar waarschuwde hem tegen het verkondigen van 
nieuwigheden. Zg wenschte tevens van Maresius meer liefde 
en bezadigdheid« 

't Was hiermede niet gedaan, want Maresius schreef een 
boekje : ^^Audi et alteram partem/' dat de driften op nieuw 
dreigde te ontvlammen« De Staten der Provincie namen nu 
een heroïsch middel te baat. 

Op hun gezag werden de exemplaren van Audi et alte- 
ram partem bg de boekverkoopers opgehaald en aan ieder 
verboden door openbare geschriften het oordeel derLeidsche 
faculteit in tw^fel te trekken. 

't Hielp natuurlek niets ; want in Synode, Classen en Aca- 
demische leerstoelen te Groningen en te Leiden werden de 
vraagpunten op .nieuw behandeld. 

Maar een hooger macht dan die der Staten kwam tus- 
sehen beiden. Maresius, nu 73 jaar oud, werd op het ziek- 
bed geworpen, dat zgne doodsponde z^n zou. 

Thans vangt de rol van Ds. Mees aan. H^ bezoekt zgn 
leermeester vl^tig, en daar deze uit eigen beweging erkende 
wel eens wat hard te hebben geschreven, maar tot die he- 
vigheid te zjjn opgewekt door een vurigen gver voor de 
zuivere waarheid, zoo viel 't aan Mees in om aan Maresius 
te vragen ^^hoe sgn Hooghwaerde met sgn naeste gebuyr 
,,ende collega de heer professor Altingh stond, of sgnHoogh- 
„WBetde hem in s^n kranckheydt niet eens besocht hadde, 
,,en of haer onderlinge verschillen niet waren bggeleght, 



99 



( 260 ) 

^^ende alsoo de zalige Heer het hooft schudde eu met een 
^^suchteude stemme Neeu! seyde, vraeghde ick oft er geen 
^jVersoeuiuge te hoopeu was; doeu seyde hy: Ach m^n 
^^lieve Heer Broeder, de Heer Altiug en heeft m^ uiet alleen 
,^iu mgue laughduyrige krauckheydt uiet eens besocht, maar 
^^hy heeft uiet eeus uaer m^u gelegeutheydt, noch door 
„kiudt, uoch door meydt laten vragen, hoewel hy mgu 
^^uaeste gebuyr is. * £n wat de versoeuinge aengaet, Ick 
bidde van harten m^u Godt eude Vader iu Christo, dat 
h^ genadeleek eude my ende D. Altiug alle ouse struycke- 
^^linge Yergee?e ... en was het mogelyck D. Altiug tot een 
^^yersoeniuge over ouse persooul^cke yerougelgkiugeu te be- 
,^ wegen, het soude my hartel^ck verbieden in dese mgue 
^^laatste uyreu op aerdeu; maar U £erw. weet wel, dut de 
^^vorige Deputaten Syuodi, zelfs ook s^n groote vriend de 
^^rector Upmeger dit werck der versoeuinge (waertoe ik 
^^telckeus de iuuerlycke en oprechte genegenheydt m^us her- 
^^ten geopeubaert hebbe) vruchteloos hebben ouderleght, 
,,daerom vreese ick, het sal wederom een vergeefsche moeyte 
^^zgn; niettemin indien het U Eerw. noch eenmaal . . . ge- 
^^liefde te ondernemen, 't sal uiy Sonderlinge aengeuaem sgn ; 
^^dus bidde ick U Eerw. gelieve sgu beste sorge daertoe aen 
„te wenden.'' 

Men ziet hier een oprecht verlangen tot verzoening van 
de zyde van Maresius en tevens dat z^ al vromer te ver- 
geefs door kerkel^ke beeren eu door een vriend van Alting 
zelveu beproefd was. 

Mees beloofde z^n uiterste best te zullen doeu en h^ ging 
tot Alting. 

In die eerste ontmoeting is er verschil tusschen de opgave 
van Mees en die van Altiug. 

Altiug zegt iu z^n latëuscheu brief aan Bekker : Ds. Mee- 
sius kwam tot mg en openbaarde zgn last. Ik beu zeer 
bereid, sprak ik, om vrede te sluiten en was het steeds. 
Het bew^s daarvan ligt iu 't stilzwegen, dat ik tot hier- 
toe heb iu acht genomen, niettegenstaande Maresius zich 
schriftel^k en mondeling deed hooren. Wel had ik gegronde 
reden van tegenspraak, maar zweeg om de openbare rost 



( 261 ) 

niet te stooren. Ik zei verder, dat ik even zoo gezind bleef 
en ik 't vredeaanbod niet wilde weigeren, mits op bill^ke 
voorwaarden ; maar dat ik er de mogel^kheid niet van inzag 
en ik satisfactie moest hebben wegens de erge beleedigin- 
gen, m^n goeden naam aangedaan. Ik voegde er b^, dat 
als ik ware, zooals hg mg afgeschilderd heeft geen cbris- 
tenmensch met mg zou willen omgaan. 

Ds. Mees scheen dat toe te stemmen (satis innuebat) en 
zei, dat hg, na dat van mg te hebben vernomen, geen kans 
zag om den twist te doen eindigen. Hg groette mg beleefd 
en vertrok. 

Dr. Mees verhaalt dit in hoofdzaak even zoo, maar met 
bgvoegingen die Alting onvermeld liet en waaruit diens 
driftige opgewondenheid blgkt. 

Een kleine opheldering vooraf. Mees had in ^t zelfde 
jaar 1673 een boek in de wereld gezonden getiteld: Ha- 
gars dienst onder de vrge Sara, waarin hg, naar aanleiding 
van een tekst uit de Prediker : ,^weest niet alte godloos, 
„noch en weest niet alte dwaas'' zich woordspelingen ver- 
oorloofd had met dat alte. Pf. Âlting had dit als tegen 
hem geduid opgevat en op een Synode den schrgver daar- 
over openlgk aangevallen, maar die aanklacht ingetrokken. 
Mees scheen te voorzien, dat Alting daarover weer begin- 
nen zou. Althans, toen hij in 's hoogleeraars huis trad, 
had hg Hagar en Sara bg zich. Hg zegt omtrent het be- 
zoek het volgende: 

De heer Alting gaf hem, in 't voorkamertje leidende, zeer 
vriendelgk gehoor. Zonder omwegen maakte Mees hem 
met den veegen toestand van Maresius bekend, en hoe deze 
een vurige genegenheid had betoond om vóór zgn overlgden 
met zijn medebroeder, zooveel de persoonlgke zwakheden 
aanging, in een christelijke verzoening te treden en hem 
gezonden had om dit ernstig van Ds. Alting te verzoeken. 
„Dhr. Altingh," zoo luiden de eigen woorden van Mees, ,^ant- 
„woordende, taste mg vooreerst aen met beschuldigingen 
;,over het veelvoudigh Alte in mgn boekje, genaemt de 
„Dienende Hagar onder de vrge Sarah ; lek seyde daer op : 
„Mgn Heer, als uw Hooghw. my in de laetst gehoudene 



( 262 ) 

„Synode dese selve saecke voorhield, en betuygdet dit mis- 
„noegen tot de groote Eerckvergaderinge te hebben willen 
,^sparen; so antwoorde ick daer op; dat is niet christelgck, 
„onse Zaligmaecker gebiedt eerst sign Broeder tnsschen sich 
„en hem alleen te bestraffen; doch dewfll het Mgn Heer 
„soo belieft (nemende têt Boeck uyt mgn sack, en leggende 
„het zelve op de Tafel in aller tagenwoordigheydt, seide 
„ick) sie daer mgn Heer Altingh, is het Boeck» en hier 
„staet de Authenr, wgst mg maer het minste poinct aen, 
„waer in ick of de waerheydt, of de liefde tot ü ben te na 
„gekomen, ick ben veerdigh om van het selve volle reecken- 
„schap te geven; maer ü Hoogw. trock selfs sgn aanklachte 
„in, onder voorgeven van vreedelieventheydt, ick seyde, is 
„dat liefde tot vreede, so o een bitter gemoet een lange tgdt 
„op te kroppen, .ende dan een eerlgck Predikant ende Prae- 
„ses der Synode soo openbaer aan te klagen, en bg allen 

verdacht te maecken, zonder yets te voorschgn te brengen ! 

Doch vrat mgn Boeckjen aangaet, het is niet alleen van 
„de Eerw. Classis Groningana gevisiteert en geapprobeert, 
„maer oock de Gemeynte Jesu Christi in dese tgden seer 
„dienstigh geoordeelt, en wat belanght de meermalen ge- 
„stelde Alte, doen ick dat stelde ghedacht ick soo weynigh 
„aen Mgn Heer Altingh dan aen eenigh Mensche aen 
„de eynden des Aerden, daer ick niemand kenne, ick 
„hadde alleen mgn gedachten op de woorden des Eoningh- 
„Igcken Predigers Eccl. 7: 16, 17 en daer op spelende, 
„socht ick mgn beklagh te doen tegen de Al te droevige 
„verschillen in de Leere ; en Al te beklaeghlgcke ongeschikt- 
„heydt in 't leven ; konnende ook U Hooghwaerde sonneklaer 
„uyt de Stoffe sien, dat deselve gheensins op Uw en passen." 
Alting nam met dien uitslag genoegen en verzekerde Mees 
daarenboven, dat hg hem in zekere andere zaak niet had 
tegengewerkt. Nu hoopte Mees op een goeden uitslag, daar 
Alting begon met de verklaring, dat hg vredelievend wa9, 
en hg ook nu tot vrede genegen was, en dit getoond had 
door niet te antwoorden als hg gesmaad werd. Mees drong 
toen aan op eene christelgke verzoening „tot Godes eere, sg- 
„ner Kercke stichtinge, en aller vromen vreugde." Daarop ant- 



99 



( 268 ) 

woordde Alting echter: ^^Hoe kan ick met den Heer Ma- 
.^resins een yersoeninge in gaen die ick honde voor een 
„godtslatsteraer, een Rebel tegen sgne Overheden, Yerderver 
„Tan de snyvere Leere, Moeytemaecker in de Kerckc, en 
„Lasteraer van sgn Evennaesten. Dese woorden verschrik- 
„iea my als een donderslagh op mgn herte, en ick seyde: 
„Mjpi Heer gelieve doch soo hardt niet te spreecken; s^n 
„Hoogw. seyde, ja dat moest ick Mgn Heer Maresius eerst 
„voorhouden, indien ick met hem in versoeninge sou treden. 

Mees wees nu op de groote zwakheid van Maresius, en 
dat hj} zulke taal niet zou kunnen verdri^en, en hg be- 
sloot aldus : 

^^Is dat Manheer s^n meeninge, soo heb ick er niet met 
„te doen, de Heere voorsie het; en mg omkeerende naar 
„de deur om wech te gaen seyde Mgn Heer Altingh: daer- 
.,en-boven houdt hy my voor een ketter, hoe kan hy met 
„my gemeynschap hebben, soo ick een ketter ben! Ick be- 
„kende, dat de versoeninge niet konde aen gaen, indien de 
„Heeren soo absolayt malkanderen veroordeelden ; Doch daer 
„by doende, de Heer Maresius en seyde niet, dat Mgn Heer 
„een ketter is, maer dat U gevoelens niet rechtzinnig, 
„maer kettersch zgn, waar in U Hoogw. soude geraeckt 
„zgn, zonder de saecke genoegsaem na te dencken. De Heer 
„Altingh bleef bg zgn oordeel, en wg scheyden seervrient- 
„Igck van malkander. 

y^Ick kan niet ontkennen dat mgn gemoet seer beroert 
„was, over die onverhoopte antwoort.'' 

Ds. Mees ging nu naar een der burgemeesteren, aan wien 
hg een last, wegens familiezaken, van Maresius had en ver- 
haalde het gebeurde „verswggende (zegt hg) uochthans vele 
„scherpe woorden.'' De Burgemeester betuigde zgn leed- 
wezen, dat Alting de verzoening met een stervenden collega 
weigerde. Ook deelde Mees zgn bevinding aan enkele an- 
deren mede. 

Hierop slaat *t geen Alting in zgn brief verder zegt: 

„Den volgenden dag. Woensdag 14 Mei, kwam ik toe- 
„vallig in een boekwinkel en vernam daar, hoe de heele stad 
„wist, dat ik het aanbod, dat de Heer Maresius mg door 



9> 



99 



( 264 ) 

^^Ds. Mees had laten doen, afgeslagen had. Ik reed geweldig 
over de tong (Inde yapolem omniom lingoarum flageU 
,,Iis). Ik was (zei men) wraakzuchtig, ik had aan een sier- 
^^yenden zgn verlangen bepaald geweigerd. Ik zei, dat het niet 
y,waar was (negavi factum) en vertelde wat er gebeurd was/' 
Nu volgt het tweede bezoek van Ds. Mees. 
Maar zie (vervolgt Alting) dienzelfden middag komt Ds. 
Mees weer om nog een proef te nemen. Hg bracht nu 
y^Ds. Keuchenius mede, die m^ toevoegde, dat hg, hoezeer 
„hïj 't heel druk had, op verzoek van Ds. Mees meêgeko- . 
^^men was, daar hg, hoewel hg 't niet geloofde, gehoord had, 
^^dat ik hardnekkig (praefracte) alle toenadering had gewei- 
^^gerd. Ik herhaalde toen wat ik gisteren gezegd had en 
^^over en weer werd er zooveel gesproken, dat het te lang 
„is om te vertellen. 

,jlk verzocht daarna, dat een van hen beiden een voor- 
tstel zou doen. Maar zg wilden, dat ik iets in christelg- 
„ken geest zou voortbrengen, 'k Zei, dat ik tot hiertoe 
,/t voorbeeld van Christus gevolgd was, dat ik niet weder- 
„gescholden had, toen Maresius mg schold, maar 't oordeel 
„aan God had gelaten; dat Maresius, tegen 't bevel der 
„Overheid, al had gedaan, wat hg kon om mgn bediening 
„in Kerk en Academie gdel te maken; dat ik daar satis- 
„factie van moest hebben. Op hun aanhouden stelde ik 
„iets op in zoo milde bewoordingen, dat er niets tegen te 
„zeggen viel. De inhoud was deze: 

„Daar sedert eenige jaren een zware strgd (syrraxis) 
„is ontstaan tusschen de hooggeleerde professoren in 
„de theologie aan deze Academie Ds. S. Maresius en 
„J. Alting, waarin gene dezen van dwalingen in de 
„leer. beschuldigd heefb en ook, na de beslissing der 
edelmogende beeren Staten, weder verschillen zgn ont- 
staan, heeft Ds Maresius doodkrank liggende be- 
„geerd, dat alle persoonlgke twist op chnstelgke wgze 
zou worden gestild. De hooggeleerde heer Alting, 
„even vergevingsgezind verlangt die verzoening op deze 
„voorwaarde, dat, met behoud zgner denkwgze (waar- 



99 

99 



99 



99 

»y 

99 
99 



( 265 ) 

yan echter de gevolgtrekkingen door Maresius ge- 
maakt, niet erkend worden door Alting) Maresius als 
niet gezegd wil houden 't geen strgdig is tegen Al- 
tings eer. Het overige tot de faculteit of het dage- 
I^ksch leven in betrekking staande en daaromtrent 
geschied is of geacht wordt geschied te zgn, vergeven 
,,zg elkander, God biddende, dat hij dat alles uitwissche 
„en hen beiden in liefde vereenige tot Z^ne eer, tot 
„heil der Kerke en beider zielen zaligheid.'* 

,,Toen z^ dit ontwerp hoorden vonden beiden het goed 
„en schreven het over. Ds. Mees bracht het b^ Maresius. 
„Maar hem beviel het niet en hg dicteerde een ander for- 
„ muiier als volgt: 

„Op verzoek en aanbod van den hooggeleerden Heer 
Maresius besluit men tot een christel:gke amnestie, die 
zich uitstrekt tot alle persoonlgkheden. Wat echter 
„het oordeel over de leer aangaat, zulks laat men aan 
„Gods kerk over (Ecclesiae Dei committitnr). 



99 
99 



„Dat was een nuchter (jejunum) ontwerp, waaraan, be- 
„halve den naam niets christel^ks was, onrechtvaardig tevens, 
„daar 't een soort van gelgkstelling inhield bg zooveel ver- 
„schil. Ik kon dat project met evenveel recht verwerpen, 
„als Maresius het mgne gedaan had. Om echter mgn ver- 
„langen naar vrede te toonen en om de zaak niet te doen 
„mislukken voegde ik er dit bg: 

„Zoodat de Ho(^geleerde heer Maresius als niet ge- 
„zegd wil houden, 't geen in zgn geschriften mocht ge- 
„vonden worden (videantur) wat des hooggeleerden Heer 
„Altings goeden naam zou schgnen te bevlekken." 

Maar D. Maresius wilde er bggevoegd hebben, opdat al- 
les van weêrszgde gelgk zou zgn: 



1»' 



»Gelijk ook de hoosr^eleerde Heer Alting voor onge- 

▼SK8L. K.V iahbhi). ni). LErifcRK. ;: '^' reeks dull Vil. 19 



( 266 ) 

„S6gd houdt, zoo in zgne gezegden of schriften iets 
„t^en Pfr. Maresius eer mocht zgn."' 

t,Ik Tond dat heel onbillgk^ daar ik niets te herroepen 
„had, Maresios echter ontelbare uitingen had in te trekken. 
„Na eenige opmerkingen omtrent het oordeel der kerke 
„Grodsi stemde ik toe. En nn werd deze formulier in 
„dubbel geschreven: 

„Op verzoek en aanbod van den hooggeleerden Heer 
„Maresius besluit men tot een christelgke amnestie, die 
„zich uitstrekt tot alle persoonlgkheden, zoodat de hoog- 
„geleerde Heer als ongezegd beschouwt, zoo in zgn ge- 
„schriften iets mocht worden gevonden ^t geen des 
„hooggeleerden Heer Altings goeden naam zou schenen 
„te bevlekken. Gelgk ook de hooggeleerde Heer Alüng 
„voor ongezegd houdt, zoo in z^n gezegden of schrif- 
„ten iets tegen Maresius eer mocht z^n. Maar, wat 
„de leer betreft, bevelen partgen die aan de kerke 
„Gods. Groningen 14 Mei 1673/' 

„Beide afschriften werden door Ds. Maresius en m^ on- 
„derteekend en ook door Ds. Mees en Ds. Eeuchenius als 
„getuigen. Zg vroegen voor zich nog een derde afschrift 
„door partgen geteekend en zg kregen het. Dit geschiedde 
„'s avonds ten negen uren. 

„Toen die getuigen heengingen, zei ik nog tot Ds. Mees : 
„gig hebt dit hoe dan ook (qualecunque est) tot stand ge- 
„bracht; maar hoeveel verdienstelijke godgeleerden zgn er, 
„behalve mg, in Nederland, die Maresius, zooveel in hem 
„was, heeft beleedigd. Ds. Mees zei, dat in het stuk nog 
„een woord kon worden bggevoegd. Maar ik zei, dat ik 
„geen lasthebber was van een dier mannen. Na mgngroete 
„verzocht te hebben, gaf ik Ds. Mees en zgn collega him 

„aÜBcheid." 

Op kleine bgzonderheden na, komt het verhaal van Ds. Mees 
met dat van Alting overeen. Hoe mgn voorvader geheel 
met de zaak vervuld was, blgkt uit zgne woorden. 



( 2H7 ) 

Naar den st^l dier dagen, die veel met vergelgkingen 
ophad, zegt h^: „Het vredekindt was in de geboorte; maar 
,,alleen de strengen van 't groote misnoegen b^ Dhr. Altingh 
„scheenen het baeren te verhinderen. lek suchtede tot 
jGrodt en overpeinsde al uytgaende wat ick doen soude.*' 

Daar ontmoet hij op straat Nicolaus Arnoldus theolo- 
giae professor te Praneker. Deze prees zgn christelgken 
ijver en gaf hem den raad een of twee collega's mee te 
nemen. Hij wandelde met Arnoldus naar Ds. Matthaeus. 
Aldaar werd beraadslaagd en er over gedacht om het gan- 
sehe ministerium te doen vergaderen. Dan het eerste ad- 
vys scheen 't beste. De meid werd naar Ds. Keuchenius 
gezonden ,,om te vernemen of synE. te huys was, want de 
„toestemminge viel daerop, dat dese de soetste en beste 
„wegh was, aangesien Ds. Keuchenius zeer goede vriendt 
„van de Heer Altingh is ; verstaende nu dat sgnE. te huys 
„waer en viude niet alleen mijn seer waerde collega, maer 
„vinde oock terstont sijn volvaerdigheydt, om mede tot 
„mgnheer Altingh te gaen. 't Was nu over drie uyren als 
„wg aldaer quamen. Wij wierden geleyt in het groote Zael." 

Den eersten aanval moest Ds. Mees weer verduren. Al- 
ting verwijt hem, dat hg door de stad verbreid had, dat hg 
fAlting) zich met een doodkranke niet wilde verzoenen. Daarop 
verontschuldiging van Mees, dat hg het aan twee voorname 
medeleden van den kerkeraad had meegedeeld, omdat er 
der kerk merkelijk aan gelegen was, en dat hg de hardste 
woorden van zgn Hoogwaarde had ingehouden. 

't Slot was, dat die zwarigheid ter zgde werd gesteld. 

Herhaling der beschuldigingen tegen Maresius volgden nu 

van Altings zijde. Hg had niet weder gelasterd enz. „Wg 

„seyden daer twee kgven hebben se beyde schuldt, en hadde 

„de 'Heer Altingh soo veel niet geschreven, als de heer 

„Maresius, het quaed spreecken was voor al niet minder 

„geweest en, wat de Resolutie van de Heeren Staten be- 

„langhde, de heer Maresius klaeght, dat se van de heer 

„Altingh eerst was tegen gheghaen^ als die sgn schrift eerst 

„had doen drucken." 

Het eer'^tr r::tTvcrp Tnr :.\ cclljk gezegd is, door Altiug 

19' 



( 268 ) 

gesteld. Mees stapte naar Maresins en las het hem voor. 
Deze had er geen smaak in om verschillende redenen. 

1^. Was het te lang. B^ z^n zwakheid kon hg dat 
alles zoo niet nagaan. 

2^. Zgn collega had de nitspraak der Staten 'teerst te- 
gengegaan, door z^ne sententiën Heerst te laten drukken. 

3^. H^ stemde volstrekt met de leerpunten van Alting 
niet in. 

4^. De gevolgen door hem (Maresius) uit Altings leer- 
poincten getrokken, waren zoo klaar, dat die poincten moes- 
ten vervallen en niet tegengesproken konden worden. 

Mees verzocht toen, dat Maresius zelf een ontwerp zou 
aangeven, 't geen door Mees voor *t ledikant zittende werd 
opgeschreven. 

Dit beviel, als we zagen, nu weder aan Alting niet. Door 
wikken en wegen, door schrappen en invoegen kwam einde- 
ligk het bl^vend formulier tot stand. 

Bayle heeft te recht van de w^ze waarop de verzoe- 
ning plaats had gezegd: „Il fallait emploier plus d^allées 
„et de venues, que pour la capitulation d'une forteresse." 
Uit de conferentie, die nu zes uren had geduurd komende 
bedacht Mees zich, dat h^ iets vergeten had. „Een wey- 
„nigh voortgaende," zegt hy, „viel mg in en seyde tot mgn 
„Heer Collega: O wij hebben den Heer Altingh niet eens 
„versocht, dat sgn Hoogw. den Heer Maresius gelieve te 
„besoecken in s^n kranckheydt, dienen wg niet weder te 
„keeren? Neen, antwoorde Ds. Eeuchenius, dat is onnoo- 
„digh, en ick moet morgen predicken, pngetwyfelt sal de 
„Heer Altingh sulcks van zelfs wel doen, uit kracht van 
„de versoeninge; daer in stelde ick mg gerust, gedenkende, 
„sgnE. is soo langh bg de Heer Altingh alleen geweest, 
„de saecke staet wel." 

Het heugelgk nieuws werd alom medegedeeld en de raads- 
heer Liidolphi verzocht een afschrift van de amnestie, om- 
dat hg uit de stad ging en het dan aan de predikanten te 
lande kon verkondigen en copie van zgn copie kon laten 

nemen. 
Daarmede was dan door de tusschenkomst van Ds. Mees 



( 269 ) 

de Tiede gesloten. Sudavit en alsit ; zgn best had hg waar- 
Igk wel gedaan. Van de twee hoofdlieden schgnt mg Ma- 
resios de oprechtste in de rerzoening te zgn geweest. Al 
meer verzwakkende en zgn uiteinde voelende naderen „be- 
f^astte hg wel expresselgk zgn oudste dochter dat soo haest 
j^ den Heer Altingh in de kamer sonde sien treden, sy 
,^em daer van verwittigen soude, opdat hy te veerdigerals 
„dan sgn hand uytsteeckende, een teecken van waerachtige 
„en christelgcke versoeninge mochte geven.^' 

En toen hem de krachten geheel ontzonken verlangde hg 
nog» dat „soo de Hooghw Heer noch onder de gebuyren 
f^mocht binnen komen, en hy als dan onmachtigh was om 
„de handt te geven, dat sy (sgn dochter) dan sgn handt 
f^soade oplichten om deselve dien Heer aanstonds toe te 
„reycken." 

Maar de heer Alting kwam niet. 

Maresius stierf kort na de verzoening en werd 's avonds 
bg fakkellicht begraven. 

Na was de questie uit ; want een der kampioenen lag be- 
w^ngloos. Niet alzoo; want nu begon de strgd tusschen 
Alting en Mees, die van Altings zgde met groote bitterheid 
tegen Mees en wglen Maresius beiden werd gevoerd. 

Ik wil u daarmede niet bezighouden, omdat slechts een 
dier mannen in de kerkelgke geschiedenis naam heeft ge- 
maakt. 



GEWONE YEßGADERIJNG 

DEB AFDERLING 

TAAL-, LETTER-, GESCHIEDKUNDIGE EN WIJSGEERIGE 

WETENSCHAPPEN, 

(BEHOUDEN DEN Uden JANUARI 1878. 



Tegenwoordig de beeren c. w. opzoomer, voorzitter, 

a LJSBMANS, H. DE VETES, W. G. BEILL, W. MOLL, J. DE WAL, 
W. J. KNOOP, A. KUENEN, J. P. SIX, TH. BOEEET, S. A. NABER, 
J. A. FEUIN, H. KEEN, J. K. J. DB JONGE, N. BEETS, J. P. N. LAND, 
C. VOSHAEE, J. G. DE HOOP SCHEPFEE, M. F. A. G. CAMPBELL 

en J. c. G. BOOT, secretaris. 



Het proces-verbaal der vorige zitting wordt gelezen en 
goedgekeurd. 



Bg den secretaris zgn vóór 1 Januari ingekomen acht 
latignscbe ^edicbten tér mededinging naar den uitgeloofden 
pr^s. Z^ dragen de volgende opschriften en zinspreuken: 
I. Fucinus lacus, — Avdax omnia perpeti gens humaiia, 
Horatius. II. Pater primo vere ßlium animi causa in subtir^ 
banum duciU — Et nunc omnis ager^ nunc omnia par- 
turit arhos. Virgilius. III. Ecclesia Ephesi Divo Joanni 
Evangelistae in Patmon relegato S D. met Joannis respon^ 
sum. — Ab Jove prindpium, IV. PvMces. — In tenuilabor^ 
at tenuis non gloria^ si quern Numina laeva sinunt auditque 
vocatus Apollo. V. De InsuArum agricolarum in transatlantic 
cas regiones emigratione, — Nostra nee erubuit silvas hahitare 
Thalia. Virgilius. VI. In ripa .... Procul negotiis. VII. Ad 
veterum fautorem. — Omnia fert aetas. VIII. De pendula, 



(271 ) 

tkertnometro et telescopio a Oalüaeo inventis carmen, — Üt 
natura poësis, — De secretaris bericht, dat bg die stukkeu 
met het yroeger vermelde gedicht Libertas. Ad Italos. aan 
de commissie van beoordeeling heeft toegezonden. 



De heer Leemans verzoekt vergunning om een voorstel te 
doen, dat de afdeeling hare stem verheffe t^en een voor- 
nemen om het B^ks Museum te Leiden ten bate van het 
Museum Willem I te berooven. De voorzitter zal daartoe 
in eene buitengewone vergadering gelegenheid geven. 



De heer Knoop ontwikkelt de redenen, die de impopula- 
riteit van ons leger tgdens de republiek veroorzaakt hebben. 
Hg vindt die vooral in de vgandige gezindheid van de 
statenparty tegen de landmacht, en in de aristokratische 
bevelhebbers. Toen na de revolutie van 1795 die redenen 
ophielden, bleven toch onder de Bataafsche republiek en 
later de gevolgen dier vroegere tegenzin voortduren. Eerst 
de gebeurtenissen van 1815 en meer nog die van 1830 en 
1831 hebben daarin eene gunstige verandering gebracht. 

De spreker slaat daarna een blik op het leger der toe- 
komst, en verklaart zich ten stelligsten tegen de plaatsver- 
vanging. Wil Nederland onafhankelgk blgven, dan moet 
de militaire geest alle standen des volks doordringen. 

De spreker verklaart zich bereid om deze bgdrage af te 
staan voor de Verslagen en Mededeelingen. 

Het gesprokene geeft aan de hoeren Opzoomer, Boot, 
Kern en Beets aanleiding tot eenige vragen en opmerkingen, 
vooral betreffende de plaatsvervanging en de schutter^, 
welke door den spreker beantwoord worden. 



Vervolgens wordt het woord verleend aan den heer Brill. 
Hj spreekt over de oorzaak van den aanslag der Edelen 
tegen Floris V. Die is volgens hem niet te zoeken in de 



( 272 ) 

later als een feit aangenomen verkrachting yan Van Velsen's 
yrouw. De tgdgenooten weten er niets van. Alleen van 
Yelthem, bgna een tgdgenoot, gewaagt van eene meening, 
door sommigen gekoesterd, dat de £delen tegen Floris sa- 
mengespannen zouden hebben om de vronw van een van 
Floris baronnen, met welke de Graaf ^ sonde hebben te doene^\ 
hetgeen geheel iets anders z^, dan dat h^ werkel^k met 
haar zou te doen gehad hebben. Eerst later werd om den 
moord te vergoelgken, Van Yelsen's vrouw tot eene Lucre- 
tia, h^ zelf tot een Tarqninius CoUatinus, Van Woerden tot 
een Yii^nius gemaakt, in zooverre als ook deze den smaad 
zgner dochter zou hebben gewroken. 

Daarentegen geven Melis Stoke en Wilhelmus Procurator 
en van Yelthem zelf de ware oorzaak op, te weten dezoi 
dat Floris het bondgenootschap met Engeland verzaakt en 
zich aan Frankrgk aangesloten had« 

Was deze aansluiting geene trouwelooze en roekelooze 
daad? 

Om deze vraag te beantwoorden moeten w^ onderzoeken, 
welke de reden is geweest, dat Floris zich eerst zoo innig 
en onder verpanding van bloed, goed en zaligheid met ko- 
ning Eduard heeft verbonden. 

Des Graven streven was de souvereiniteit der Edelen te 
fnuiken en hen tot hovelingen en ambtenaren, onder den 
naam van grafel^ke raden en kasteleins, te maken. Ook 
andere vorsten hebben hunne macht ten koste van die hun- 
ner groote vasaleu uitgebreid, zonder zooveel wraakzucht op 
te wekken ; maar die vorsten hadden hen zeker aandeel aan 
de door hen te maken veroveringen aan te bieden of althans 
voor te spiegelen. Floris daarentegen herstelde de uit Ken- 
nemerland verdreven Edelen niet en gaf geene heerlgkheden 
uit in het onderworpen West- Friesland. En hadden een 
Wolfert van Borselen en Jan van Renesse den Graaf met 
hunne krggsknechten gediend in de hoop dat er in Gelder- 
land veroveringen te maken zonden z:gn, in die hoop wer- 
den zg bedrogen. Dus kon Floris tegen de onbevredigde 
Edelen alleen steun vinden bg de burgerg — en hoe deze 
op z^ne hand te krggen? Door haar handelsvoorrechten en 



( 278 ) 

eene veilige seheepvaart en Tisscherg te beKorgeB. Beter 
kon dit niet gescliieden dan door een verbond met Enge- 
land. Zoo de koning van dat r^k aan Dordrecht vergunde 
wat anders de handelsteden van Vlaanderen van hem hopen 
mochten, het stapelrecht van den Engelschen wol te beko- 
men, en zoo de zeehandelaars en visschers geen overlast van 
de Engelschen ondervonden, en z^ deze voorrechten aan de 
vriendschap van hun Graaf met Engeland te danken hadden, 
was hunne liefde en trouw den Graaf verzekerd. Dit er- 
langde de Graaf inderdaad door zgn verbond met Engeland. 

Doch toen nu Eduard met Philips den Schoone in oorlog 
geraakte, wilde hg de Vlaamsche steden van de zgde des 
Konings van Frankrgk aftrekken, ten einde Frankrgk in 
het Noorden een vgand op den hals te halen. Dus ontnam 
hg aan Dordrecht haar voorrecht om het aan Brugge en 
Mechelen te schenken. Hg scheen te begrgpen dat hg Hol- 
land en zgn Graaf niet behoefde te ontzien. Alzoo vond 
de burgerg geen heul meer bg hun Graaf, dien zg door zgn 
ouden bondgenoot geminacht zagen, en de Graaf verloor 
den grondslag zgner macht onder de voeten, en zag zich 
beschaamd en ongedekt tegenover den wrok zgner Edelen. 
Zou hg nu het hoofd in den schoot leggen? Neen, dat 
niet^ oordeelde hg, en het niet tellende dat zgn zoon in de 
handen des Eonings van Engeland was, begaf hg zich naar 
Pargs en sloot een verbond met Philips den Schoone. Won 
Philips en bereikte deze vorst het doel zgner eerzucht, 
waarbg hg de gansche Christenheid, ja het Oosten, in het 
oog had, zoo hadden zgne bondgenooten er baat bg, en 
Floris kon Ei^eland^s vriendschap missen en Engeland^s 
vgandschap trotseeren. 

Zoo werd de Graaf ^oor Koning Eduard een hoogst ge- 
vaarlgk tegenstander. Hg kon Vlaanderen in bedwang hou- 
den en Frankrgks vloot in de Engelsche zeeën versterken. 
Het beste middel, dat Eduard hiertegen kon aanwenden, was 
de vgandigheid der HoUandsche en Zeeuwsche Edelen als 
middel te gebruiken, en door dezen den Graaf geyangen te 
doen uitleveren. De rerraderlgke poging daartoe leidde tot 
den moord. 



(2t4) 

De spreker wénscht het door hem gesfurokene niet ais 
bgdrage voor de Yersli^en en Mededeelingen aan te bieden, 
maar wil voor het proces-verbaal een overzicht leveren. 



De heer Naber biedt voor de boeker^ aan een door hem 
gemaakt afischrifb van het leven van Thorbecke, door zgn 
vriend Eiehl ondernomen, maarniet voltooid. Hg toont aan, 
dat deze collectanea vele wetenswaardige bgzonderheden over 
de jeugd van Thorbecke, zgne betrekking tot Groen van 
Prinsterer, de vorming van het ministerie in 48, en andere 
punten bevatten, en dat zg aan een lateren levensbeschrg- 
ver van Thorbecke groeten dienst kunnen bewgzen. 

Het geschenk wordt in dank aanvaard, en zal bg de hand- 
schriften der Akademie eene phiats vinden. 



De heer de Wal biedt vervolgens voor de bibliotheek aan 
eene Italiaansche vertaling met toelichting van het jongste 
ontwerp van een strafwetboek voor Nederland, en voegt bg 
die aanbieding deze woorden: 

>Ik heb de eer namens den schrgver aan de Akademie 
een exemplaar aan te bieden van een werk, dat in meer dan 
één opzicht verdient hier te lande de aandacht te trekken ; 
een werk, dat niet enkel voor een paar harer leden belang- 
rgk mag heeten, wier gebied het betreft; maar tevens een 
vreemdeling bg zgne aanstaande land- en stadgenooten in- 
leidt; een werk, dat ik niet mag beoordeelen of prgzen, 
omdat oordeel en lof den schgn zouden hebben van partg- 
digheid. Het is het in dit jaar te Bologna in het licht 
verschenen boek, VulUfno progetto di Codice penale Olandese^ 
traduzione tUustrata e studi di Emilio Brusa. Preeeo Nicola 

ZaTiicheUi'' * 

> Het zg mg vergund hierbg op te merken« dat de schrg- 
ver secretaris is van de Staatscommissie belast met de her- 
ziening der Italiaansche ontwerpen eener algemeene natio- 
nale strafwetgeving, waarvan Mancini als voorzitter de 
beraadslagingen leidt. In het Italiaansche ontwerp van 1877 



(275 ) 

vindt men niet alleen schier op elke bladzgde het Neder* 
landBche van 1875 aangehaald, maar menig hier aangenomen 
beginsel, is daar oyergenomen. De aftreding van het Ita- 
liaansche Ministerie bedreigde onlangs de ontwikkeling der 
wetgeving met onyermi}del:yke vertraging; de herbenoeming 
van Mancini in het thans opgetreden bestuoi^ opent het 
vooruitzicht, dat Italië eerlang het doel zal bereiken, dat 
door onze vaderen in 1809 met uitnemend gevolg bereikt 
is, de unificatie der strafwetgeving voor het geheele land'\ 

Daar niemand verder het woord verlangt, en eene buiten- 
gewone vergadering noodig is, sluit de voorzitter deze 
vergadering. 



o V E B DE 

IMPOPULARITEIT VAN ONS LEGER TIJDENS 

DE REPUBLIEK. 

BIJDBAOE TAN 

W. J. K V o o F. 



Het is een feit, zelden betwist of betwgfeld, dat de leger- 
magt van Nederland, in vroegere tgden, weinig heeft gedeeld 
in de welwillendheid en de hoogschatting der natie. Aan 
welke oorzaken was dat feit toe te schreven? ' — Zie daar 
de vraag, die w^ voornemens zgn hier kortel^k te behandelen. 

Wat zgn de oorzaken geweest van de weinige populari- 
teit, die, tgdens de republiek, het leger in Holland onder- 
vond? Waarom heeft daar het volk — en onder het woord 
volk bedoelen w^ hier, alle standen — een zoo blgkbare 
weerzin tegen de landmagt betoond? Waarom was de zee- 
magt daar veel meer gezien? 

Is dit laatste misschien daaraan toe te schrgven, dat de 
oorlogsvloot veel meer nut en voordeel heeft aangebragt aan 
het algemeen, dan het leger; of dat de vloot zich op ved 
grootscher en veel roemrigker wapenfeiten kan verhoovaar- 
digen? Wg willen aantoonen, dat dit geen afdoende re- 
denen kunnen geweest zgn van dit versch^nsel. 

Zeker, niemand zal het betwisten, dat voor de stoffelgke 
belangen van de republiek de oorlogsvloot zeer voordeelig 
is geweestf zeer nuttig, haast noodzakel^k; wat zou er zgn 
geworden van n^verheid« van handel, van zeevaart, van vis-^ 



( 277 ) 

Schergen, waren die niet beschermd geweest door het kanon 
yan onze oorlogschepen? wat zou er geworden zgn van 's lands 
welvaart, hadden onze dappere zeelieden niet een voortdu- 
renden strgd gevoerd tegen hare belagers, tegen Doinker- 
kers en Algergnen, tegen Fransche en Engelsche zeeroovers, 
tegen Spanje, dat ons uit Indië wilde gebannen honden, of 
tegen de Zweedsche koningen, die de Sond voor ons wilden 
sluiten? Het Igdt geen tw^fel, dat onze zeemi^ door die 
vganden van onze welvaart te bekampen en te betengelen, 
aan de natie groote diensten heeft bewezen, die aan den 
volksrgkdom ten goede z^n gekomen ; het Igdt geen twgfel, 
dat het behouden van onze rgke Oost-Indië-vaarders, of het 
binnenbrengen van een veroverde zilvervloot, het algemeen 
gunstig moesten stemmen voor de mannen, waaraan men zoo 
heilrgke uitkomsten had te danken. 

Maar die gunstige stemming maakte zich dan toch hoofd-* 
zakelgk alleen kenbaar in onze koopsteden, in onze zeehavens, 
in Holland en in Zeeland ; en de republiek bestond ook uit tal 
van landpromnciën^ die geen groot gevaar te duchten hadden 
van een vgand ter zee, en die er dus geen regtstreeksch belang 
bg hadden of Duinkerken's haven was ingesloten, en of de 
Smima-vloot ontkomen was aan de roo£sucht der Engelschen. 

Die landprovinciën ondervonden den druk, het Igden, de 
gruwelen van den oorlog weer onder een andere gedaante: 
zg werden telkens geteisterd door de vreemde legermagten, 
die op het grondgebied der republiek doordrongen; en her- 
haaldelgk had men teugellooze krggsbenden gezien — Span- 
jaarden, Duitschers, Franschen — die met vuur en zwaard 
verwoesting kwamen aanbrengen, en eene rgke, welvarende 
landstreek in eene wildernis veranderden ; — want die bar- 
baarschheden, die wg thans nog opmerken bg de oorlogen 
in het verre Oosten, kleefden toen ook de oorlogen aan in 
het beschaafde Europa. Om die landprovinciën te bescher- 
men was het leger daar ; het leger was daar, om den vreed- 
zamen landzaat te behoeden voor het oorlogszwaard; om te 
verhinderen dat zgn huis werd a%ebrand, zgn oogst ver- 
woest, zgn vee geroofd, en hg zelf en de zgnen prgs gege- 
ven aan de ergste mishandelingen, aan geweld en moord. 



( 278 ) 

Het leger van de republiek, dat die taak yervtdde ten 
koste van str^d en inspanningen^ had dus ook regtmatige 
aanspraak om geacht en geliefd te worden door hen, die het 
behoud van have en leven aan dat leger hadden te danken. 
Dus, de grootte en omvang van de bewezene diensten 
gaven aan de landmagt der republiek even veel aanspraak 
op populariteit, als aan hare zeemagt. 

Zgn dan de wapenfeiten van de oorlogsvloten der repu- 
bliek misschien zoo veel schitterender geweest, dan de wapen- 
feiten van hare legers; en is daaraan toe te schreven de 
meerdere populariteit van de zeemagt boven de landmagt? 
Ook dit niet. 

Zeker, het zal niemand in de gedachte komen om den roem 
van onze groote vlootvoogden te ontkennen of te verkleinen, 
het grootsche van hunne daden te betwgfelen: Tromp en 
De Ruijter zgn namen die met een onvergankelgke glorie 
zgn omgeven ; en Duins, de vierdaagsche zeeslag en Chattam 
zgn zegepralen, die door geen andere zegepralen ter zee 
worden overtroflFen. Onze krggsroem ter zee is groot. 

Maar is er te lande dan niets verrigt? Hebben de legers 
van de republiek dah niets gedaan? Kunnen onze groote 
stadhouders zich niet op wapenfeiten verhoo vaardigen, waarop 
nu nog de krggskundige met eerbied en bewondering bet oog 
gevestigd houdt? Sla de bladzijden van onze krijgsgeschie- 
di»nis te lande op, en gg zult het antwoord op die vragen 
vinden; dan overstelpt u de menigte der schitterende oor- 
logsdaden van de legers der republiek, en gg weet haast 
niet wat gg het eerste noemen zult om aan te toonen, dat 
die legers niet ten onrechte op oorlogsroem aanspraak ma- 
ken: het beleg van Geertruidenberg door Maurits; de slag 
van Nieuwpoort ; de verdediging van Ostende ; de belegerin- 
gen van Den Bosch en van Maastricht door Frederik Hen- 
drik; Séneffe, Saint- Denis eu zoo menig ander slagveld, waar 
Willem III Frankrgk's lelievanen heeft bekampt, — dit alles 
doet niet onder voor onze zegepralen ter zee. 

Wg gaan verder; en wij herinneren daaraan, dat in de 
achttiende eeuw, toen onze kr^gsroem ter zee aan het tanen 
was en Tromp en De Bugter geen opvolgers meer hadden, 



( 279 ) 

die glorievolle velddagen van den Spaanschen Successi^oorlog 
gestreden werden, waar het leger van de republiek den roem 
verwierf van tot de beste legers van Europa te behooren. 
Onjuist is het dns, om de mindere populariteit van het leger 
tgdens de republiek, daaraan toe te schrgven, dat dit leger 
toen in wapenroem heeft achtergestaan b^ onze oorlogsvloot. 

Vaak hoort men aanvoeren, dat, t^dens de republiek, de 
vloot veel meer in aanzien was dan het leger, omdat de vloot 
geheel nationaal was en het l^er was zamengesteld uit 
vreemde bestanddeelen. B^ eenig onderzoek valt echter de 
onjuistheid van die verklaring in het oog. 

Het is een dwaling om te gelooven, dat de bemanning 
van de oorlogsvloten der republiek geheel bestond uit in* 
boorlingen, uit landskinderen : talrgk waren onder onze ma- 
trozen, de vreemdelingen uit allerlei landen en gewesten; 
vooral Nooren had men zeer veel daar bg, zoo als nu nóg 
op onze zeeschepen. Een geheel nationale scheepsmagt had- 
den wg toen evenmin als een geheel nationale landmagt; 
trouwens, in geen land van Europa had men toen eigenlek 
gezegde volkslegers: overal werden die legers zamengesteld 
en voltallig gehouden door werving van wat zich maar voor 
de krggsdienst aanbood, zoowel vreemdelingen als inboor- 
linjgen; en met de oorlogsvloten was het evenzoo gesteld. 
Om oorlog te voeren bezigden de volkeren toen legers of 
vloten, zamengesteld uit mannen, die men voor geld daar 
voor aanwierf, of die men door list of bedrog in de krggs- 
dienst lokte, en soms door geweld daartoe dwong; dat was 
toen de algemeene regel, waarop men maar schaarsch uit- 
zonderingen zal vinden, -— zoo die er zgn. 

Men moet de zaak ook niet zoo voorstellen, alsof bg de 
legers van de republiek hoofdzakelgk niets anders dan vreemde 
bestanddeelen aanwezig waren; alsof wg, evenals Florence in 
vroegere tgdeu, onze oorlogeu alleen lieten uitvechten door 
vreemden ; of, evenals Venetië, altgd een vreemdeling als leger- 
hoofd kozen; men moet zich niet voorstellen als of onze 
overwinningen op Spanje, tgdens den tachtigjarigen oorlog, 
alleen behaald zgu door Franschen, en Britten, en Schotten, 
en Duitschers, en Zwitsers ; en als of wg Hollanders, daarbg 



( 280 ) 

niet anders hebben gedaan dan onze rgksdaalders ten offer te 
brengen. Znik een Yoorstelling zon geheel in strgd zgnmet 
de waarheid ; het is veel meer met hun bloed dan met hun 
geld, dat onze vooronders hun onafhankelgk volksbestaan 
hebben veroyerd; en bg de legers van Maurits en Frederik 
Hendrik had men veel meer landskinderen dan, naar even- 
redigheid, bg de legers van andere Europesche Staten van 
dien tgd. 

Een enkel voorbeeld moge tot bewgs hiervan dienen. Bg 
den veldtocht van 1592 hondt Prins Maurits, den 18 Jolg, 
voor Coeverden eene wapenschouwing over zgn leger, en toen 
bleek het, dat het voetvolk in alles 5875 man uitmaakte, za- 
mengesteld als volgt : drie bataillons Friezen, te zamen 2605 
man; een bataillon Engelschen, 1030 man; een bataillon 
Noord-Hollanders. 1040; een bataillon uit Utrecht^ 700; en 
eindelgk het bataillon van Brederode -^- waarschgnlgk Zuid* 
Hollanders — 500 man. Men ziet dus daaruit, dat dit l^er 
van de republiek bgna geheel uit nationale bestanddeelen 
was zamengesteld : op eene infanterie van kleine zesduizend 
man, geen andere vreemdelingen dan ruim duizend Engelschen ; 
al het andere, inboorlingen. Bg de studie van de veldtoch- 
ten van Maurits kan men herhaaldelgk dezelfde opmerking 
maken: onder anderen, bg de vermaarde veldtocht van 1600 
in Vlaanderen had Maurits wel verschillende vreemde regi- 
menten bg zgn leger, maar ook een aantal inlandsche; en 
het is bekend, dat het behalen van de overwinning bg Nieuw- 
poort, de beslissing van dien hagchelgken strgd, hoofdzake- 
Igk aan Friezen is te danken geweest. Onze legers van den 
tachtigjarigen oorlog mogen nooit als vreemde legers worden 
beschouwd. 

Misschien zal men hier tegen aanmerken, dat de legers 
van Maurits en Frederik Hendrik wel veel Nederlanders 
hebben bevat, maar dat die Nederlanders hebben behoord 
tot de mindere standen, zoo niet tot de heffe des volks. De 
gegrondheid van die aanmerking kan niet geheel worden 
geloochend, maar wél kan er dit t^en worden aange- 
voerd: dat alle legers van dien tgd toen zoo waren zamen- 
gesteld; en dat de vlotelingen van Tromp en De Rugter 



(281 ) 

dan ook jnîst niet waren getrokken uit de jeunesse dorée 
van ons land. 

't Is waar, op onze oorlogsyloten wordt wel eens gewag 
gemaakt van zonen van goeden huize, die als vrjwilligers 
aan een zeesirgd deel nemen. Zoó wordt de slag van So- 
lebay (7 Jung 1672) bggewoond door drie Amsterdammers, 
Gerard Hasselaar, Koenraad van Heemskerk en Joan Bergh, 
die met hunne matrozen op De Rugter's vloot zgn geko« 
men; Hasselaar vindt in dien strijd een roemvollen dood. 
Het is niet alleen op de vloot dat zulke vrgwilligers op- 
treden, ook bg de landmagt van de republiek heeft dit soms 
plaats. Bg den veldtocht aan Rhgn en Moezel in het laatst 
van 1673, waardoor de Prausche legermagt gedwongen wordt 
Holland te ontruimen, worden drie Amsterdammers van goe- 
den huize genoemd: — De Graaf, ßeynst en Hermans , 

die met vier en twintig paarden zich als vrgwilligers bg het 
leger van Willem m hebben gevoegd; en, onder anderen, 
zich door hun moed hebben onderscheiden bg het bestormen 
van Eheinbach, een kleine versterkte stad, een uur of drie 
westelgk van Bonn. 

Strikt genomen kan men dus zeggen, dat ook de hoogere 
standen uit Holland niet geheel ontbreken bg de land- en 
zeemagt der republiek; maar men moet er bgvoegen dat dit 
optreden van vrgwilligers van goeden ' huize toch tot de zeer 
zeldzame uitzonderingen heeft behoord, die, juist omdat zg 
zoo zeldzaam waren, door onze geschiedschrgvers zgn geboekt. 
Waren het alledaagsche feiten geweest, men zou er geen 
melding van hebben gemaakt. 

Tot nu toe hebben wg getracht aan te toonen, waaraan 
de impopulariteit van het leger der republiek ntó is te wgten 
geweest; chans kome de beantwoording der vraag: waaraan 
was die wel te wgten? — Onderzoek en overweging hebben 
er ons toe gebragt om die impopulariteit hoofdzakelgk toe 
te schrgven aan eene tweeledige reden. 

Wg noemen als een eerste reden: de verhouding van 
de staatspartgen in de republiek der Vereenigde Neder- 
landen. 

De staatsgezinde partg, tgdens de republiek, was vgandig 

VmL. B» HIDBO. AffO. LBRUK. 8^ UIU. OÏÏMh VIL 20 



( 282 ) 

gezind tegen het leger, omdat zg daarin zag een werktuig 
in de hand der Stadhouders om hun gezag uit te breiden 
en de vrgheid te onderdrukken. 

Het antagonismus tusschen de Stadhouders en de Staten 
komt in de geschiedenis van onze republiek schier ona%e- 
broken Toor; het moge gedurende enkele korte tgdvakken 
zich niet openlgk vertoonen, uitgedelgd is het daarom niet, 
en bg de eerste gunstige gelegenheid barst het weer uit in 
volle kracht. Het was een voortdurende kamp — openl^k 
of bedekt — om de heerschappg over de republiek. Bg dien 
kamp steunden de Stadhouders op het leger, dat, door ver-* 
schillende omstandigheden^ op hunne hand was; en zeerna- 
tuurlgk was het dus, dat de staatsgezinde partg met wan- 
trouwen en met vgandschap op het leger nederzag. 

De vrge burger in de HoUandsche steden zag in de offi- 
cieren van het leger de mannen die, blindelings gehoorzaam aan 
de Stadhouders, werktuigen waren tot het plegen van willekeur 
en geweld; hg herdacht dat het die mannen waren die met 
Leicester Leiden hadden willen verrassen, die Oldenbame- 
veld naar den kerker hadden geleid, die met Maurits te 
Utrecht de Waardgelders hadden ontwapend, die de benden 
aanvoerden door Willem II afgezonden om Amsterdam tot 
onderwerping te brengen, of die te Goes de uitvoerders wa- 
ren geweest der geweldige bevelen van Willem HE. Het 
leger moest men hebben, om 's lands onafhankelgkheid en 
het aanzien naar buiten te handhaven; het leger was dus 
noodzakelgk, — dat kon men zich niet ontveinzen; — maar 
het was dan toch altgd een noodzakelgk kwaad^ dat men dus 
tot de kleinste afmetingen moest trachten terug te bren- 
gen, — vooral iu tgden van vrede, als men geen gevaar liep 
voor eeae aanranding van buiten. Het leger, dat diende om 
den vreemden vgaud af te weeren, was zelf een vgand, of 
ten minste een bedreiging voor het binnenland, voor de 
vrgheid ; men moest het dus niet sterker maken dan volstrekt 
noodig was, want elke vermindering van het leger was eene 
vermindering van de steeds dreigende magt der Stadhouders ; 
men moest het leger immer met wantrouwend oog gadeslaan, 
het beletten zich in het allerminste te mengen met 's lands 



( 288 ) 

belangen, het vreemd honden van de natio^ het niet be- 
schonwen als een deel des volks. 

Zulke meeningen waren toen de heerschende in Holland; 
zg zaten in het bloed van ieder waar Hollander; zg maak- 
ten een deel nit van z^n staatkundigen katechismus. Van 
daar dan ook, dat een Hollandsch burger er zoo zeldzaam 
toe overging, om in de rgen van het leger te treden; van 
daar dat de meeste HoUandsche steden er zoo afkecrig van 
waren, om binnen hare muren troepen van het leger op te 
nemen: bg een oproer werd soms de hulp ingeroepen van 
eeuige kompagniën soldaten; maar te naauwemood was de 
rust hersteld of men haastte zich die krggsmagt weer uit 
de stad te verwgderen« De Hollanders van dien vroegeren 
tgd hadden eene soort van watervrees voor alles wat het 
krggsgewaad droeg; — en in dien tgd was zulk een vrees 
niet te veroordeelen ; want zg ontsproot uit de lofv^aardige 
zucht, om de aloude vrigheid ongekrenkt en onverminderd 
te behouden. 

Ziedaar dus, naar onze meening, waarom bg het staats* 
gezinde gedeelte van ons volk, tgdens de republiek, het leger 
zoo weinig in aanzien was, — om het zachtste woord te 
gebruiken. Maar nu kan men met grond aanmerken, dat (ie 
staatsgezinden in geenen deele de meerderheid van bet Ne- 
derlandsche volk uitmaakten: bg de statenpartij moge men 
de verlichiste, beste, edelste burgers gevonden hebben, wat 
het getal aangaat, was de partg zeer zeker de zwakste; — 
zoo als in het algemeen, ten allen tgde en bg alle volke- 
ren, verstand en vrijheidsliefde in de minderheid zgn. De 
massa's stonden aan de zgde der Stadhouders ; wat men heden 
ten dage heeft genoemd, »het volk achter de kiezers,'' dat 
was Prinsgezind ; en meer dan eens hüeft het huis van Oranje 
zijne toevlucht genomen tot woelzieke demagogen, om de 
volksmassa's op te rugeu tegen zijne vganden. Indien dus — 
zal men zeggen — de staatsgezinde partg het leger vgan- 
dig was, de veel talrgker stadhouderlgke partg moest, juist 
daarom, het leger zgn toegedaan, moest met warmte zich 
bg het leger aansluiten. Waarom blgkt van die gevoelens 
niets? waarom kan men veeleer de tegenovergestelde ge- 

so* 



( 284 ) 

voelens, ook bg het Prinsgezinde deel des volks, op- 
merken? 

Als antwoord op die vraag kan gelden: »dat er nog een 
tweede reden bestond voor de impopulariteit van het leger 
der republiek; en die tweede reden moet men zoeken in de 
zamenstelling van de reeks der hoogere bevelhebbers van 
dat leger. 

Vooreerst had men onder die hoogere bevelhebbers vele 
vreemdelingen, die begonnen als vr^willigers de veld«- 
tochten van onze Stadhouders bg te wonen en later eene 
vaste plaatsing in het leger verkregen. 

Op onze oorlogsvloten, daarentegen, behooren vreemde 
vrgwilligers tot de zeldzaamheden; men kan Guiche noemen, 
Buat, misschien nog enkele anderen; maar veel toch zeker 
niet; Buat behoorde, bovendien, tot de landmt^; Guiche 
woonde een enkele zeetocht bg, maar verbond zich volstrekt 
niet aan *s lands zeedienst; en onder alle de hoogere bevel- 
hebbers van de oorlogsvloten der Eepubliek, valt het moege- 
l^k om één vreemdeling te noemen. 

Met de landmagt was het geheel anders: vreemdelingen 
onder de hoogere bevelhebbers waren daar geen zeldzame 
uitzonderingen. Die voorkeur door den vreemdeling g^e- 
ven aan den dienst bg de legers der Republiek boven den 
dienst op hare vloten, laat zich gemakkelgk verklaren: die 
vreemde vrgwilligers behoorden veelal tot den adellgken 
stand, en waren dus veel meer genegen om bg het leger te 
dienen, onder de bevelen van de Prinsen van Oranje, die, 
in hun oog, vorsten waren, dan op de oorlogsvloten der 
Republiek te moeten gehoorzamen aan Plebejers, aan mannen 
uit den burgerstand, zelfs uit de lagere volksklasse afkomstig. 

Dat die vreemde bevelhebbers bg de landmagt van de 
Republiek, weinig sympathie vonden bg het volk, dat was 
natuurlgk ; maar bg die landmagt had men, onder de hoogere 
bevelhebbers toch ook een aantal Nederlanders; hunne na- 
men schitteren in onze krggsgeschiedenis. Maar die Neder- 
landsche bevelhebbers behoorden, in den r^el, tot de hoo- 
gere standen, vaak tot de hoogste; het zal voldoende zgn, 
om dit aan te toonen, hier eenige bevelhebbers op te noemen 



( 285 ) 

uit de school van Willem HI, die zich een uitstekenden 
naam hebben verworven bg de oorlogen van de 1 7® en van 
het begin der IS« eeuw: Coehoorn, Fagel, Slangenburg, 
Athlone, Ouwerkerk. Dat waren dappere, talentvolle kr^gs- 
kuadigen en legeraanvoerders; dat waren tevens Nederlan- 
ders, dat is waar; maar dat waren volstrekt geen mannen 
uit het volk; integendeel, door afkomst, door opvoeding, 
door manieren en leefwgze, bleven zg vreemd aan degroote 
massa van het volk, van de burgerg ; zij rekenden zich verre 
daarboven verheven, zg zagen uit de hoogte daar op neer; 
en, wederkeerig en als zeer natuurlgk gevolg, vonden zg 
dan ook geen weerklank bg de menigte, die hunne uitste* 
kende daden bewonderde, maar niet in geestdrift voor hen 
ontvlamde. Die krggsbevelhebbers zgn beroemd geweest, 
maar niet populair. 

Hoe geheel anders was dit met de aanvoerders van onze 
oorlogsvloot: daarmee dweepte het volk; de namen van 
Tromp en De Buyter — om maar de twee grootsten te noe- 
men — vonden overal weerklank, wekten overal geestdrift 
op in Holland; hun roem was de roem van allen; want 
die helden waren uit het volk afkomstig ; zij hadden met het 
volk geleefd, gedacht, gewerkt, geleden ; zij waren niet groot 
gebragt in gemak en weelde ; zg waren niet van hen die 
reeds jong gemeenzaam worden gemaakt met de vruchten 
van wetenschap en kunst, en die weten dat, met het berei- 
ken van den mannelgken leeftgd, hooge staatsambten hen 
onfeilbaar wachten; maar zg waren zonen van die minbe- 
deelde standen, waar men werken en zwoegen moet om het 
onderhoud te verdienen; waar men onvermoeid, onverpoosd 
en krachtig moet worstelen tegen de wederwaardigheden des 
levens; waar de kracht van geest en ligchaam ontwikkeld 
wordt door het verduren van ontbeeringen en het trotseeren 
van gevaren; waar men begint met als eenvoudig matroos 
de zee te bouwen, om daardoor te leeren — trapsgewgze 
en na jaren inspanning — hoe men D'Oquendo's vloot 
vernielt, of hoe men als overwinnaar de Theems opzeilt. 

Wg hebben aUeen Tromp en De Ruyter genoemd; maar 
wie met de geschiedenis van ons zeewezen bekend iS| weet 



{ 286 ) 

welk een overgroot aantal bevelhebbers bg de vloten der 
republiek toen, eveu als Tromp en De Enyter, uit de laag* 
ste standen zgn opgeklommen tot de hoogste betrekkingen; 
niet door toeval of gunst, — zoo als in Turkije soms een 
sloeproe^'er in een oogenblik in een Groot Vizier veran- 
derde; maar door het bewgzen van groots en langdurige 
diensten, en door het ten toon spreiden van bekwaamheid^ 
van heldengeest, van een vaderlandsliefde die voor geen op- 
offeringen terugdeinst. Voor zulke mannen heeft het volk 
hart en liefde; »zg ziju van de onzen", zegt het, >wat wg 
zgn, waren zg; wat zg zijn, kunnen wg worden; de weg 
tot eer en roem staat even goed voor ons open, als voor 
hen". 

De bevelhebbers bg onze oorlogsvloten waren zeer geliefd 
bg het volk ; de bevelhebbers bij onze legers waren dit niet, 
of waren dit alleen in veel mindere mate. Ook van daar 
de groote populariteit van de zeemagt tgdens de republiek; 
de weinige populariteit vau het leger. 



Hoofdzakelijk aan die twee oorzaken schrgven wg het 
toe, dat ons leger, tgdens de republiek, zoo weinig deelde 
in de genegenheid en achting van het algemeen: de vgan- 
dige gezindheid van de Stateupartij tegen het leger; en de 
te uitsluitend aristokratische zamenstelling van de reeks 
der bevelhebbers van dat leger; vgandschap bg een deel des 
volks, vervreemding bg het geheel. 

Laat ons nu kortelgk onderzoeken, hoe of het ten dien 
aanzien in latere tgden bg ons is toegegaan. 

Geen van die beide oorzaken bestaat thans nog: van het 
leger is niets meer te vreezen voor onze staatkundige vrg- 
heid; en er is niets aristokratisch meer in de aanvulling 
van de bevelhebbers van het leger. Dus, daar de oorzaken 
hebben opgehouden, moet ook het gevolg, de impopula* 
riteit van het leger, opgehouden hebben; — zoo zou men 
zeggen; maar zoo is het niet altgd; ten minsten, niet da- 
delgk, niet spoedig; de oorzaken kunnen soms al lang heb- 
ben opgehouden, eu de gevolgen toch nog blgveu bestaan; 



f -287 j 

Toond bg een volk als het onze, dat zeer traag is om de 
eoninaal ontyangene jmdmkken vaarwel te zeggen. Multa- 
toli gewaagt ergens van menscheu die de parapluie nog op- 
hoaden, lang nadat de regen gedaan is; — dit is wel eenig- 
zins een Hollandsche eigenschap. \ 

Na waren er ook verschillende omstandigheden die er toe 
medewerkten, om het volk van het leger verwgderd te big- 
ven honden. 

Na 1795, tgdens de Bataafsche republiek, werd er een 
nieuw leger opgerigt, dat veel goeds had en onder anderen 
in 1799, op de slagvelden in Noord-Holland, een welver- 
dienden roem beeft verworven. Maar dit leger mengde zich 
ook al weer in de staatst wisten, of — om juister te spre- 
ken — het werd er in gemengd. Daendels bezigde de 
bajonetten zgner soldaten om een bestuur om ver te wer- 
pen, en zgne tegenstanders van het kassen te verdreven; 
de Patriotten deden hetzelfde, wat zg vroeger, en te recht, 
in de Oranjepartg hadden veroordeeld. 

Geen wonder dus dat velen, ook toen, het leger beschouw- 
den als een werktuig van de dwingeland^, en er op neer 
zagen met wantrouwen en met vgandschap. Daar kwam 
bg, dat dit leger van de Bataafsche republiek wel geheel 
vrg was van alle aristokratische zamenstelling ; maar dat 
daarentegen vele zgner bevelhebbers met onwil en met haat 
werden bejegend, omdat zg behoord hadden tot de uitge- 
wekenen van 1787 en daardoor natuurlgk in vgandschap 
waren met de talrgke aanhangers van den verdreven Stad- 
houder; in de voorname kringen zag men met minachting 
neer op »dat volkje van 1795". Sommige bevelhebbers van 
dat Bataafsche leger overdreven dan ook wel eens de repu- 
blikeinsche eenvoudigheid en deden die tot ruwheid over- 
slaan; daarbg waren zg, in den regel, zonder geldelgk ver- 
mogen; en bij een aantal Hollanders is dit, wel geen mis- 
daad, maar toch een hoedanigheid die iemand verkleint. De 
aanbidding van het gouden kalf is onze volksondeugd. 

Het Bataafsche leger was dus even weinig populair, als 
het l^er der vroegere republiek; en het bestanr van den 
raadpensionaris Schimmelpenninck en van koning Lodewgk 



f288 ) 

Napoleon bragt hierin weinig verandering teweeg. Het 
leger was toen in vele opzichten goed; namelgk, voor een 
leger door vrijwillige werving zamengesteld ; en bg meer 
dan ééne gelegenheid — onder anderen bg den oorlog in 
Spanje — heeft het zich, te midden van Napoleon's legers 
een eervoUen naam gemaakt. Maar nationaal was dit leger 
niet; men had veel Treemden daar bg, vooral onder de sol- 
daten; en het volk bleef, ook toen, het leger beschouwen 
als een ligchaam dat het vreemd was; de Nederlandsche 
jongeling uit de fatsoenlijke burgerg trad, slechts bg uit- 
zondering, in de rgen van het leger; en menig deftig Ne- 
derlandsch huisvader bleef met een heiligen afschuw vervuld 
voor alles, wat tot het leger behoorde. 

Toen in 1810 Nederland, tot dien tgd de schgn van on 
afhankelgkheid behoudende, ook dien schgn verloor en in 
het Fransche keizerrgk werd verzwolgen^ ging ook het Ne- 
derlandsche leger te niet, en verloren zich de korpsen van 
dat leger onder Napoleon's reusachtige heirscharen. 

Maar op het einde van 1818 herleefde Neêrland's onaf- 
hankelgkheid ; Willem I werd Soevereine vorst; en nu zou 
het blgken, dat het HoUandsche volk, evenals Pruissen, 
krachtig gewapend zou optreden om de herwonnen vrgheid 
te verdedigen. Willem I hoopte het; en op die hoop was, 
aanvankelijk, de zamenstelling van het Nederlandsche leger 
gerond. Geen gedwongene militiedienst zou dat leger vol- 
tallig houden; neen, die dwang was goed tgdens de Fran- 
sche heerschappg, maar nu zou de Nederlandsche jongeling- 
schap zich haasten om vrgwillig de wapens op te vatten 
tot verdediging van den vaderlandschen bodem; en alleen 
in het schier ondenkbare geval dat het getal dier vrüwilli- 
gers te kort mögt schieten, zou men het aanvullen door 
loting uit de weerbare mannen tusschen den leeftgd van 
17 en van 45 jaren, Bg dit militie leger zou zich aanslui- 
ten een leger zamengesteld uit soldaten van beroep; en zoo 
zou Nederland spoedig een krggsmagt op de been brengen, 
die het in staat zou stellen zich met nadruk te doen gelden 
onder de mogendheden van Europa. 



( 289 ) 

I 

Ziedaar wat men verwachtte ; — de uitkomst heeft die 
verwachting jammerlgk teleurgesteld. 

Den 20 December 1813 was het besluit uitgevaardigd 
voor de volks wapening, die, voor een deel, het Nederlandsche 
leger moest uitmaken; den ] April 1814 — dus, drie 
maanden na dat besluit tot de volkswapening, vier maanden 
na de wedergeboorte van onze onafhankel^kheid — was het 
l^er, in alles, nog geen 30,000 man sterk; en hiervan 
bestond nog verre weg meer dan de helft uit soldaten van 
beroep. Voor de militie had men de eischen niet hoog ge- 
steld; men had maar 20,000 man verlangd; — 20,000 
vrijwilligers waren er niet gekomen; en bg de loting schgnt 
het zoo ongeregeld^ zoo flaauw en zoo verkeerd te z^n toe- 
gegaan, dat de geheele sterkte van de militie toen maar 
ruim de helft bereikte van dat bescheiden cgfer van 20,000 
man. En dat, in een t^d waarin het er op aankwam om 
ons onafhankel^k volksbestaan te verdedigen, waarin het ons 
z^n of niet-zgn betrof; en dat, terw^l men de wapens moest 
voeren, niet in verre gewesten voor een vreemd geweldenaar, 
maar voor het eigen land, en op of nab^ den vaderlandschen 
bodem! Waarlgk, wat toen gebeurd is, is beschamend voor 
ons ; onze geschiedenis heeft luisterrgke tgden aan te w^zen, 
grootsche handelingen die aan het heldendicht doen denken ; 
maar onze vaderlandsliefde gelgkt op den ouden Homerus: 
zg slaapt wel eens. 

W^ willen ons niet langer ophouden b^ dien tgd van 
zwakheid, maar vestigen met welgevallen den blik op betere 
di^en die daarop z^n gevolgd: op Quatre-Bras en Waterloo 
waar dad pas gevormde Nederlandsche leger met roem heeft 
gestreden; op de algemeene wapening van het laatst van 
1880, die ons een volksleger heeft gegeven in den besten 
en edelsten zin van het woord. Vooral die volkswapening 
van 1830 verdient hoogen lof; de latere staatkundige ge^ 
beurtenissen mogen al tot teleurstelling en mismoedigheid 
hebben geleid, dat vermindert daarom de waarde van die 
volkswapening niet: zg is en bl^ft een grootsche uiting van 
den vaderlandschen geest. Dat leger van WiUem II is, in 
den volsten zin van het woord, een Nederlandsch l^er ge-. 



( 290 ) 

weest; geheel Nederland was daar vertegenwoordigd, alle 
standen, geene uitgezonderd ; dat leger was toen, wat het 
Pruissische leger ten allen tijde is Bij ons beefb zulk een 
zamenstelling van de legermagt slechts kort geduurd; het 
is een schitterend versch^nsel geweest, schitterend als de 
kleuren van den regenboog, maar even snel voorbggaande. 



Het m^ zg vergund deze beschouwingen te besluiten 
met een enkel woord, over de toekomstige zamenstelling 
van ons leger. Dat onderwerp is niet vreemd aan de ge- 
schiedenis, misschien zel& niet aan de w^sbegeerte; het 
behoort dus ook tot het gebied van deze geleerde vergade- 
ring ; en ik hoop niet onbescheiden te z^n wanneer ik voor 
een zeer vluchtige behandeling van dat onderwerp nog voor 
een oogenblik een beroep doe op de welwillende aandacht 
van mgne hooggeachte ambtgenooten. 

L^ers, geheel door vrgwiUige werving zamengesteld, zgn 
niet meer van onzen tgd; de vrijwilligers bieden zich niet 
meer aan ; vreemde huurlingen zijn niet meer te verkrggen; 
en men is dus wel gedwongen zgne toevlucht te nemen tot 
volkslegers, tot nationale legers, zoo als men die thans bgna 
overal in Europa heeft. 

B^ de zamenstelling van die volkslegers is heden ten dage 
ééne vraag de alles overwegende; z^ is: zal ieder burger de 
militaire dienst, die de wet hem oplegt, in persoon vervul- 
len ; of zal die dienst door een plaatsvervanger worden ver- 
rigt? — In gemoede en overtuiging z^n wg voor de per- 
soonl^ke dienstplicht. 

Wg weten zeer goed, dat er veel te zeggen is ten voor- 
deele van de plaatsvervanging; en wg herinneren ons, dat 
zg, in 1848, een krachtig en welsprekend voorstander heeft 
gevondeii in den groeten staatsman, dien Frankrgk korte- 
lings heefb verloren. Maar, zelfs de taal van Thiers heefb ons 
niet kunnen overtuigen; en het is ons altijd voorgekomen, 
dat, moge het al waar zgn dat de plaatsvervanging stoffe- 
lijke voordeelen oplevert, aan de afschaffing dier instelling 
groote zedelijke voordeelen zgn verbonden; — en daarop 



( 291 ) 

komt het voornamelijk aan: cle zeclelgke krachtis van veel 
grooter waarde dan de stoffel^ke: >V esprit gouverne et. la 
matière est gouvernée^ \ heeft diezelfde Thiers met volle waar- 
heid gezegd. 

Is het wel noodig om wgd en breed aan te toonen, hoe 
de plaatsvervanging bg de krggsdienst nadeelige zedel^ke 
gevolgen heeft, voor leger, voor volk, voor alles ? Is het goed, 
dat de wet zegt, tegen den onbemiddelden : voor de verde* 
diging van het vaderland vorder ik uw bloed, uw leven; 
en tegen den r^ken: van u vorder ik alleen het geld? Moet 
men een menschenleven opwegen tegen een zak guldens? Is 
dat christelijk, is dat menschelijk? Is dat eervol, om de vol- 
brenging van een gevaarvollen plicht, die ons is opgelegd, 
op anderen te doen nederkomen? Vermindert men niet het 
aanzien, en daardoor de kracht van een leger, als alleen de 
arme, onbemiddelde standen verplicht worden deel te maken 
van dat leger, en wat rgk en aanzienlgk is, zich aan de 
krygsdienst onttrekt? Zal niet het leger sterker en beter 
zgn wanneer alle standen van de maatschapp^ daarbg zgn 
vertegenwoordigd, wanneer dit leger eene afspiegeling is van 
het geheele volk en daarmede ten naauwsten is verbon- 
den? — Het is voldoende die vragen te stellen: het ant* 
woord kan niet twgfelachtig zgn. 

Ten allen tyde is het plicht om voor 's lands weerbaar- 
beid te zorgen ; maar meer dan ooit is dit plicht in de dagen 
die wg beleven. Ons land is in vele opzichten een geluk- 
kig en bevoorrecht land; onder de heerschappg van het huis 
van Oranje smaakt Nederland de zegeningen van wel?aart, 
van vrede, van orde en vrgheid ; en weinig zou ons te wen- 
schen overbleven, hadden yrg maar den waarborg, dat wg die 
zegeningen voortdurend zullen blgven genieten. 

Maar dien waarborg hebben wij niet. Het is zelfiuislei- 
ding om ons de gevaren te ontveinzen, die ons onafhanke- 
Igk volksbestaan bedreigen; het is verblinding om niet te 
zien, hoe de heerschzucht van groote staten vooral voor 
Nederland is te duchten; en de voortduring van Neerland's 
volksbestaan afhankelgk te willen stellen van de goedgunstig- 
heid dier magtige staten, vau hunue genade, — dat zou een 



( 202 ) 

onverstandige handeling z^n, een flaaawheid den Neder- 
landschen naam onwaardig. 

W^ moeten in ons zelyen de kracht hebben, om tegen 
eiken vgand de yr^heid en de rechten van het vaderland te 
verdedigen. De weerbaarheid van Nederland wordt niet alleen 
uitgemaakt door forten en liniën, door pantserschepen en 
torpedo's; die materieele middelen, soms van een tw^felach- 
tige of voorbggaande waarde, zgn niet de hoofdzaak; het 
zgn de zedelgke krachten, die in den oorlog beslissen. W^ 
moeten vooral ons vertrouwen plaatsen in een goed zamen- 
gestelde zee- en landmagt, en in een volk, waarbg de krggs* 
geest is ontwikkeld. 

Het is een dwaasheid om bg ons te gveren tegen de uit- 
breiding van militaire geest; het Nederlandsche volk heeft 
juist behoefte aan die uitbreiding; de militaire geest, — de 
geest van orde, plichtbesef en vaderlandsliefde — kan niet 
te veel worden aangekweekt bg alle standen van ons volk. 
Hoofdzakelgk daarom, hoofdzakelgk om den volksgeest te 
veredelen en krachtiger te maken, is de a&chaffing noodig 
van elke dienstvervanging bg zee- en landmagt. 

Soms hoort men beweren, dat die afschaffing strgdt met 
de b^pippen van het Nederlandsche volk ; — in onze volks- 
vert^enwoordiging wordt dit wel eens gezegd. Is die bewee- 
ring gegrond? — wg gelooven het niet; maar was zg het, 
wat dan nog? Is de volksvertegenwoordiging daar, om den 
volksgeest, ook in zgne vooroordeelen en afdwalingen, af te 
spiegelen? Neen, zg moet dien volksgeest leiden^ besturen, 
verbeteren, verheffen; de eischen van het algemeen belang 
moet zg altgd hooger stellen, dan de bekrompene gehegt- 
heid aan wat verouderd is; en zg mag nooit toegeven aan 
de onbeschaamde vorderingen van hen die alleen luisteren 
naar de stem van zel&ucht en van eigenbelang. 



Wg eindigen hier; ook uit schroom van de grenzen eener 
Wetenschappelgke verhandeling te overschrgden en op het 
gebied der staatkundige vertoogen te geraken. Wg gelooven 
ons niet schuldig te hebben gemaakt aan die overschrgding ; 



( 293 ) 

mögt dit wel het geval z^n geweest, dan voeren w^ ter 
onzer verdediging aan^ dat het ondoenl^k is hier de grenzen 
zoo daideligk en scherp af te bakenen; dat er een grond 
is, die als onzedig kan worden beschonwd ; en dat ook de 
wetenschap niet vreemd ma^ bleven aan de hoogste belan- 
gen van het vaderland. Het was een van Duitschland's 
grootste wjjsgeeren, die het Dnitsche volk tot vaderlandschen 
geest heeft opgewekt; en reikhalzend zien wig uit naar den 
Fichte die tot óns volk zal spreken« Een geest van kracht 
en heldenzin is noodig, nn Nederland in gevaren verkeert, 
die zoo wel den troon onzer koningen als de onafhanklgk- 
heid van het vaderland bedreigen; en onverwgld moet men 
zich wapenen t^en die gevaren; het is geen tgd meer van 
uitstellen of van onderzoeken ; het is t^d van handelen. 



B U D ß A G E 



TOT DE 



GESCHIEDENIS DER MIDDEL-NEDERLANDSCHE 

BIJBELVERTALING, 



DOOR 



W. MOLL. 



Op den 10"^ Januari 1477 werd »te Delf in Holland* 
het fraaie boekwerk »voleynd^', dat men doorgaans »den 
Delftschen bijber* noemt, »den eersten Nederlandschen bij- 
bel, die gedrukt werd''. Dat dit merkwaardig voortbreng- 
sel der pers van Jacob Jacobsz. van der Meer en Maurits 
Imantsz. van Middelborch somt^ds belangstelling verwekte, 
vooral bfl onze vroegere en latere bibliophilen en biblio- 
graphen^ laat zich begrijpen. Boekverzamelaars en bestuur- 
ders van openbare bibliotheken achtten zich gelukkig, er 
eeuig zuiver exemplaar van te mogen toonen, en die in 
onze dagen wiegedrukken catalogizeerdeu, onze Hol trop, 
Campbell *) en anderen, zorgden gaarne voor eene nauw- 
keurige beschr^ving, waardoor de uitwendige gedaante der 
beide klein-folio-deelen f) genoegzaam gekenmerkt wordt. 
Vraagt men echter, of ook de inhoud, de hier gegeven 
b^bel vertaling, reeds op voldoende wgze in het licht gesteld 



♦) Holtrop, CataL libror, tieeuto XV impreuor, p. 160; CampbeU, Annal, fie 
la tfffoçr. NéerL p. 70, 

ti Le Long {Boekzaal der Nederd» bijhels, bl. 873) kende exemplaren, 
die een klein-folio-deel Tormden, maar dan ook Tan het tweede deel slechts bet 
boek Daniël inhielden. 



( 295 ) 

werd, dan zal men, naar ik meen, een volstrekt ontkennend 
antwoord moeten geven. De geleerde, maar uiterst onbe« 
dachtzame Isaac Le Long was, voor zoover ik weet, de 
eenige die er tot heden eene poging toe aanwendde, eene 
poging die eeu bevoegd rechter in onzen tgd wel niet ge- 
lukkig geslaagd zal achten. Le Long bepaalde zich toch 
tot een dorre opgave van de bijbelboeken, door de Delftsche 
drukkers opgenomen, tot de meedeeling van den proloog, 
die aan den tekst >des eersten boocx des bijbels, gheheten 
Genesis", voorafgaat, en tot de herhaalde bewering, dat de 
in dit drukwerk geleverde vertolking »geen nieuwe overzet- 
ting was, maar genoegsaam woordelyk de geene^ die omtrent 
den jaare 1300 na de Lat^nsche vulgata gemaakt is*' *). 
Tot bevestiging dezer bewering verwees hg naar zgne be- 
schr^ving van een HS. van het jaar 1400 in zgn bezit, f) 
waarin h^ eene Nederlandsche overzetting van de meeste 
boeken des O. Testaments vond, welke naar z^ne mee- 
ning moest toegeschreven worden aan een ongenoemden leek 
in Vlaanderen, die in eerstvermeld tijdsgewricht zal geleefd 
hebben. 

Voor hoeverre wg Le Long-s berichten, vooral dat aan- 
gaande de identiteit van den tekst des Delftschen bybels 
met dien van zgn vermeenden Vlaamschen leek, vertrouwen 
pogen, durf ik niet beslissen, daar ik zijn HS. niet 
gezien heb ; maar in alle geval meen ik bedachtzaamheid te 
moeten aanraden, waar men zouder nader onderzoek gereed 
mocht wezen zgne stelling te beamen, dat de vertolking, 
door hem >de eerste vertaalinge der bgber' genoemd, om- 
streeks het jaar 1300 zal bewerkt zgn, daar hij voor die 
stelling geenerlei bewijzen bijbracht, dan uit de lucht ge- 
grepene, wier krachteloosheid bij de lectuur terstond in het 
oog valt §). Intusscheu, dit is zeker, dat Lo Long's HS. 



*) A. w. bl. 36« V. 

t) A. w. bl. 229 V. 

^) Le Long ( bl. 831) redeneert aldns : de vertaler heeft de Historia Seolastiea 
gebmikt, en derhalve na Petms Comeator (die N.B. in 117Ö stierf) i^'n Dietschen 
b^bel geschreTen. NikoUâB de Lyn echter heeft hij niet gebruikt «n derhalve 
niet gekund, waarom wö hebben aan te nemen, dat hg x^a werk v6or 18^0 



( 296 ) 

van het jaar 1400, volgens zgne eigen getaigenis, niet alle 
boekon des O. Testaments bevatte, die in den Delftschen 
bgbel opgenomen zgn, en dat bg name de boeken van Je- 
saia en Jeremia, zooals z^ door Jacob Jacobsz. en zgn 
medenitgever gedrukt werden, niet omstreeks den aanvang 
der veertiende eeuw, maar vele jaren later uit het Latgnin 
het Dietsch zgn overgebracht, gel^k zulks uit mgne vol- 
gende meedeelingen blgken zal. 



In de boekerg der Kon. Akademie van Wetenschappen te 
Amsterdam wordt onder N. XXXII een HS. bewaard, dat 
143 bladen (286 bladzgden) zwaar papier in 4^ bevat, die 
door eene duidelgke en gelgkmatige hand, vermoedelgk om- 
streeks het midden der vgftiende eeuw, beschreven zgn. Op 
het derde perkamenten schutblad voorin schreef eene andere 
hand deze aanteekening : »Dit boec hoert toe des cloesters 
der nonnen r^pilierissen van sunte Augnstgns oerde, wo- 
nende ter Groude in sunte Margrieten huns, *) welc hem 
ghegheven heeft voer een testament Yolqwgn vander We- 
derhorst voer hem ende voer sgn wgf\ De oorspronkelgke 
band van eikenhout, nog voor een deel met zwart leder 
bedekt, is met looden noppen en koperen sloten voorzien, 
en heeft op de voorzgde een met reepjes koper bevestigd 
stukje doorschgnend hoorn, waarachter men leest: »Ysayas 
ende Iheremyas prophe ...,'' eene aanduiding van den inhoud, 
gelgk in de latere middeleeuwen op vele banden werd ge- 
plaatst. Het schrift is in twee kolommen gesplitst. De 
corrector bracht hier en daar verbeteringen aan. De rubri- 
cator toekende bij het begin der hoofdstukken grootere en 
kleinere initialen met rood en blauw, en op een drietal 
bladzgden zeer eenvoudige, niet onbehagelgke randversierin- 



Tolbncht. Wat hij Terder b^'brengt, dat men namelQk rHSS. van deae bqbel 
vindt, welke niet lang na den jarc 1800 gesebreven v^n" zon teker bewijskraeht 
hebben, soo men niet wist, dat h^ b|j de bepaling van den onderdom der codices 
te allen tQde op de lichtvaardigste wqze te werk ging. 

*) Zie over dit klooster Bomer, Klooêi» m abdijen van Holl. en ZetL I, 
bl. 400. 



( 297 ) 

gen. De eerste woorden van het HS. luiden aldus : »Hier 
b^hint die prologo [sic] op Ysyam [sic] den propheet'"; 
de laatste: »Hier yolget leronimus prologe ofte voerreden 
op Ihezechiel den prophete/' De proloog yan Hieronymus 
op Es^echiël is echter achterwege gebleven. De ten halve 
lediggelaten bladz^de, waarop het opschrift gelezen wordt, 
heeft de bekende teekenen der liniëermachine en bewijst, 
dat de afschrgver hier tegen zgn voornemen den arbeid ge- 
staakt heeft. 

De proloog op Jesaia is een kort opstel, waarvan de stof 
is ontleend aan de » Praefatio in translationem Esaiae ex he- 
braica veritate" van Hierouyraus, *) en aan de rabbgnsch- 
patristische legende aangaande den marteldood van den 
profeet in de dagen van Manasse f)- ^^ compilatie is ver- 
moedelgk van de hand des vertalers van Jesaia en Jeremia, 
maar vermeldt ons niets van zijn persoon of van hetgeen 
hem tot het ondernemen van z^n moeiel^k werk bewogen 
heeft. Van. anderen aard is gelukkig de voorrede, die hg 
aan z^ne overzetting van Jeremia deed voorafgaan. Ik acht 
het nuttig haar uit het HIS. over te nemen, daar zg den 
lezer eenigermate bekend maakt met den naief-vromen ver- 
tolker zelven, en den tgd aanwast, waarop h^ arbeidde. 



Die voorsprake desgheens die te duutsche 
toech uut den lat^n Iheremiam ende Ëze- 
chiel die propheten. 

Int iaer ons heren doemen screef Miii ende Ixxxiüi, welo iaer 
men terechte hete mach dat iare van tribuladen ende vemoey§), 
die gemeenhke waren in allen den landen omtrent Vlaenderen 
geselen, om een oorloge dat die van Ghent hadden yegen here 
Lodewich haren grève, om die overdaet, die hi hem dede, welc 



*) Zie Hieronymi Opera, ed. Erasmi (Basil. 1536), T. Ill, p. 26. 

f) Zie Keil, HUtoritch^Krüitche £inl, in die Sehr, des Alten Teitamentes, 
Fraakf. 18&3, b. 236; Kaenen, Eiiiorisch Krit. onderzoek naar het ontst, van 
de boeken dee O. Verbonde^ II, bL 50, 51. 

W Vernoey = verdriet. 

▼U8L. £N MICDXD AVD. LETTJSBK. 2de REKKS. DKEL VII. 21 



( 298 ) 

oerloge iiii iuer eade meer geduert hadde te deser t^t, soe dat 
die van Gent al Vlaenderen wel na gedestmweert hadden; mer 
in desen iaer gingen op die van Ghent in allen landen ende van 
daer omtrent roevers, die die Inde vingen, scatten ende doot 
sloeghen, beide manne ende wive ende deine kgnder, papen, 
clerken ende religioese, sonder yemant te sparen, al sonder *) 
ander grote sacrilegien, die si binnen den voerseiden tiden gedaen 
hadden. In desen iaer van tribulacien ende vernoey wert ic 
gebeden van een minen vrient van Brnesele, dien ic voertijts 
Tsayam den prophete in dnntsche maeete, dat ic hem oec te 
duntsche maecken soude Iheremiam ende Ezechiel die propheten, 
daer ic eenrehande cronen had yegen -}-) om die tribnlade, daer 
die lande in waren, ende wi mit hem, ende oec om die hoge ver- 
stAndenisse, die inden propheten verborgen is simpelen menschen, 
die als si die propheten horen lesen, seggen ende wanen, dat 
hoer woerde sagen sgn. Alle der propheten woerde ende redenen, 
die si ten lodenwaert spraken, die waren dat sise Sonderlinge 
van iüi pnnten oastiden, dat was van afgoden, die si aenbeden, 
van ghiricheiden, golscheiden §) ende van fomicacien. Ende alsoet 
nn in der werelt staet, soe sgn alle corstenmenschen in enen 
groten dele mit dien vier voerseiden sonden besmet. Want soe 
wie aen ene getidelike dinc sine herte meer leit mit minnen dan 
aen gode, die dinc is sgn a%od, ende die aen vele dingen sijn 
hert meer leit dan aen gode, alsoe menigen a%od aanbeedt hi. 
Voert oec die meeste menidite vanden volke leit sgn eersti- 
cheit**) aen ghiericheit om eertsche goet te hebben ende tever- 
crigen, ende daer nnt sprnut hoveerde, ydel bliscap, verweentheit, 
hatie, gnlsicheit, ende nnt der gnlsicheit traecheit ende fomica- 
cien, ende nnt desen sprnut een vergeten ende een veronweerden 
van gode. Ende luttel menschen sehnen vjjnden, alsoe ic wane, 
op dat hem elc wil binnen wel marken, hi en sel hem vanden in 
enigen vanden voerseiden sunden swaerlike besmet. Ende hier 



•} Al sonder = behalve. 

f) Daer ic eenrebande cronen had yegen ss waartegen ik leker bezwaar had. 
§) GaUcheiden = gnUicheiden. 
**) Eeraticheit voor eematieheït s naarstigheid. 



( 299 ) 

om ist te ontsiene ende overwaer te gelovene, dat om der men- 
schen qnaetheiden dese grote plagen van dootslachte, van sterven 
ende van hongere god inden menschen laet gescien, alsoe hi ons 
biden propheten dreicht. Want hi seit tot Ihemsalem ende in 
Ihemsalems name tot allen kerstene volken biden propheten: lo 
sei in di verslaen den gerechtigen ende den quaden. Den gerech« 
ten mensche laet hi verslaen, om dat hi die sunden, die hi siet 
doen, niet en berispet alsoe hi sonde, ofte dat hi die snnderen 
meer ontschnldicht dan hi doen sonde. Ende den qnaden laet hi 
verderven in sine qnaetheit, om dat hi niet en volget s^nre rede- 
nen, die hem ondersceiden sonde quaet ende goet. Men sel we- 
ten, dat Iheremias die propheet claerlic spreect vander destruc- 
tion van Ihernsalem ende van den loden, die god liet gescien 
om hare snnden. Ezechiel) om dat hi alle sine visioene inden 
gheest sach, soe is alle smeredene *) gheestelike te verstaen, ende 
niet nader letteren. Want hi spreect al in figueren ende ghees* 
teliker beteikenissen, ende sgn beginsel ende sgn einde vansinen 
boeke en soudeme nummermeer mogen nader letteren verstaen. 
Mer daer op maect sinte Gregorius xxii omelien, die xü op syn 
beginsel ende x op s^n einde -{-), die ie mené, spaert mi ende 
helpt mi god, in duutsche te leggen alsoe ie eerst mach. Nu 
bidde ie eiken, die hier in lesen sel, dat hi over mi bidde, die 
desen arbeit dede, dat mi god te lone verlene sine ewelike r^'cke. 
Amen. 



Ofechoóu de meegedeelde »voersprake" tamelgk breed is 
uitgeloopen en zelfs meer bevat dan men van eene inlei- 
ding tot de lectuur van Jeremia's prophetiën verwachten 
zou, stelt zg ons echter in sommige opzichten te leur. De 
vertaler heeft de Igfspreuk zgner tallooze geestverwanten 
van de veertiende en vgftiende eeuw, het >ama nesciri" der 
devoten, in praktgk gebracht, en daarom niet alleen zgu 



•) Smeredene = smaadrede, hier wel in den zin van bedreigende Termaning. 

t) Gregorii Homiliae in Ezeekieïem werden omstr. 1476 reeda by de Broeders 
dea gern, levena te Brosael gedmkt. Zie Campbell, Annal, p, 235. ZÇ zgn in 
twee boeken verdeeld. Het eerate bevat 12, het tweede 10 homiliën. 



( 300 ) 

naam, maar ook zgn stand in kerk of maatsehappg verbor- 
gen gehouden, zoodat wg op de vraag, hoe hfl heette en ot 
hij een leek dan wel een geeatelgke was, het stilzwggen 
moeten bewaren. Zelfe aangaande zgn woonplaats laat hg 
ons in het onzekere. Dit alleen blgkt genoegzaam, dat hg 
in Vlaanderen leefde in de laatste jaren der regeering van 
graaf Lodewgk van Male, en dat hg tot zgn schade getuige 
was van de vreeselijke verwoesting en verwüdenng, die het 
gevolg waren van de destijds in die landstreek woelende 
burgertwisten. *) Verder leert ons de >voersprake," dat de 
vertolking der boeken van Jeremia en Ezechiël door hem 
in 1384 ondernomen werd, en wel op aanzoek van een 
vriend, te Brussel woonachtig, op wiens verlangen hg reeds 
vroeger eene vertaling van Jesaia had gemaakt. Eindelgk 
zien wg hier, dat de moeite, die hg aan zgn werk be- 
steedde, hem den lust tot nieuwen arbeid van dien aard 
geenszins verminderd had, daar hg het voornemen koesterde 
om zoodra hij 't vermocht, zgne kracht te beproeven aan 
de 'vertolking der Homeliën van Gregoor den grooten over 
Ezechiël, die, gelijk men van elders weet, destgds in het 
oorspronkelgk Latijn in vele Nederlandsche klooster- en an- 
dere boekergen voorhanden waren tj- 

Van de hulpmiddelen, die onzen anonymus bg zgn werk 
ten dienste stonden, kan ik niets zekers berichten; 
maar de gissing ligt voor de hand, dat de man, die de 
prologen en praefatiën van Hieronymus kende, ook de com- 
mentaren van dezen en andere kerkvaders en latere schrg- 
vers zal gebruikt hebben, voor zoover zg hem als vertaler 
nuttig konden wezen. Waar hg zelf als commentator of 
liever als glossator optrad, — dat hg dit deed, zal de lezer 
straks zien - maakte hg, naar ik meen, gebruik van het 
destgds algemeen bekende »Catholicon" van Johannes Genu- 
ensis of Januensis, waarop ik straks terugkom. Of hg bij zgne 
vertolking van Jesaia en Jeremia reeds Nederlandsche voor- 

„ 7=^ o-er den ramiwaligen toestond van Vlaanderen in de laatoto jaren »an 
JeS V- Male. oLez. But. fénér. ie U Belg. III. p. 238 ». en ü«<. 

«oTiUul. dtt erov. Belg. 11, p. 218 «• 
+) Zie Sandern», BMiotheea Belg. maauicnpta, passim. 



( 301 ) 

gangers heeft gehad, is m^ onbekend. Alleen vanEzechiël 
vond ik eene Ylaamsche vertaling vermeld, die, volgens den 
weinig betrouwbaren Catalogus der HSS. van de Bourgon- 
dische bibliotheek te Brussel, moet voorkomen in HS. 9021 
dier boekerij, dat in 1360 zal geschreven z^n. Toch waren 
reeds vóór 1384 eenige pericopen van Jesaia en Jeremia in 
de landtaal overgebracht, als bestanddeelen van de Evangelie- 
en Epistel-lessen voor het kerkjaar ^). B^ inzage van som- 
mige HSS. en incunabels, die lessen bevattende, is mg ech- 
ter gebleken, dat onze overzetter zich van die stukken on- 
afhankelgk gehouden, of althans er zich geenszins aan 
gebonden heeft. 

Was de overzetting, door onzen Vlaming vóór en in 
1384 bewerkt, in de eerste plaats ten behoeve van zgn 
vriend te Brussel ondernomen, het laat zich denken, dat 
zgn arbeid ook bg anderen belangstelling vond. Of deko- 
piën zgner vertaling echter in verloop van tgd zeer ver- 
menigvuldigd zijn, en of zijn tekst opgenomen werd onder 
de Dietsche boeken des O. Testaments, die sedert het einde 
der veertiende eeuw verzameld en in kloosters en devote 
vergaderingen afgeschreven en gelezen werden, zal eerst 
blgken, wanneer men de oude HSS., die in de bibliotheken 
van ons vaderland en elders tot heden bewaard z^n, aan- 
dachtiger dan tot nog toe geschiedde, onderzocht zal hebben. 
Dit is evenwel zeker, dat de in het beschreven HS. der 
Akademie voorkomende vertolking te Delft omstreeks 1477 
bekend was en gewaardeerd werd, en dat >de notabele 
meester,"" wien de boekdrukkers Jacob Jacobsz. en Maurits 
Imantsz. de bezorging van hun bgbel opdroegen f), haar 
met in het oog vallende nauwgezetheid heeft overgenomen, 
zooals den lezer uit eenige proeven, die ik hier laat volgen, 
blgken zal. By het afschryven dier proeven hield ik mg 



f) £eu merkwaardig HS. Tan het jaar 1348, «die epistelen entie evangelieii 
▼an alden iare"^ beyattende, is in mi|jn bezit. 

f) Op de laatste blz. der beide deelen van den Deutschen b^bel leest men het 
volgende: «rdeese ieghenwoerdighe bible mit horen boecken, ende elc boeck mit 
alle s^ne capitelen bi enen notabelen meester wel overgheset nnt den latine in 
dnytsche ende wel naerstelic gecorrigeert ende wel ghespelt, was gemaeet te 



( 302 ) 



trouw aan het in het HS. en drukwerk g^eyene, zoodat 
ik ook de daar aangebrachte punctuatie overnam, naardien 
deze in beide wel oiet geheel, maar toch ongeveer dezelfde 
is. In de eerste kolom stelde ik den tekst van het HS., in 
de tweede dien van den Delftschen b^bel, en onder beide 
de respectieve plaatsen van de Vulgaat. De varianten tot 
die plaatsen behoorende zgn ontleend aan een buitengewoon 
fraai HS. der Leidsche universiteits- bibliotheek {MS. Lat. 
N. 14 D.), dat vermoedelgk in de laatste helft van de 14^« 
eeuw, den leeftgd van onzen Vlaming, geschreven en op 
merkwaardige wyze »verlucht" is. De Cflfers, aan het begin 
der verzen in de twee kolommen gesteld, zgn van myne hand. 



Jesaia H: 1 — 5. 



1. Dat weert dat ysayas amos 
sone sach op iuda ende iherusalem. 

2. Ende inden achtersten dagen 
sal sijn die bereet berch van des 
heren huus. in den toppe der berge, 
ende hi sel werden verheven boven 
die hovele. ende alle heydene seilen 
te hem vloeyen. 

3. Ende vele volkes seilen gaen 
ende seggen. coemt ende gae wi 
op tot des heren berge, ende te 
iacobs gods huse. ende hi sel ons 
leren sijn wege. ende wi sullen 
wandelen in sinen manpaden, want 
van syon sel uut comen die wet. 
ende gods woert van iherusalem. 

4. Ende hi sel oerdelen die 
heyden ende berispen vele volkes. 
ende si sullen smeden hoer 
sweerde in ploechyseren. ende 
haer speren in sekelen. Die lüde 
en seilen yegen die lüde dat 
sweert niet op heffen, noch voert 
meer en sullen si hem niet meer 
oefenen tot stride. 

5. Jacobs huus ooemt ende 
wandelen wi in ons gods licht. 



1. Dat woort dat ysayas amos 
sone sach op iuda ende iherusalem. 

2. Ende inden achtersten dagen 
sal sijn bereet die berch van des 
heren huus inden toppe der bei*- 
ghen: ende hij sal worden ver- 
heven boven die hevelen. Ende 
alle heyden sullen te hem vloeyen : 

3. Ende vele volkes sullen gaen 
ende seghen. Coemt ende gae wi 
op tot des heren berge, ende te 
iacobs gods huyse ende hi sal ons 
leren sijn weghe. ende wi sullen 
wandelen in sijne paden, want 
van syon sal uutcomen die wet: 
ende gods woert van iherusalem. 

4. Ende hi sal oerdelen die 
heyden: ende sal berispen vele 
volkes. Ende si sullen smeden 
haer zwaerde inden ploech yseren: 
ende haer speren inden zekelen. 
Die lüde en sullen ieghen die 
lüde dat zwaert niet opheffen 
noch voertmeer en sullen si hem 
niet meer oeffenen tot stride. 

5. Jacobs huys: coemt ende 
wandelen wi in ons gods licbL 



( SOS ) 



1. Verbam^ quod viditlsaias fihua Amos, saper lada ^) et lerasaJem. 

2. £t erit in novissimis diebus praeparatas mons domos Domini 
in vertice -{-) montium, et eievabitur super colles, et fluébt 
ad eum omnes gentes« 

3. £t ibnnt popoli mnlti, et dioent: Venite et §) ascendamns ad 
montem Domini, et ad domnm Dei laoob, et docebit nos nas 
suas, *et ambnlabimus in semitis ejns : quia de Sion exibit **) 
lex, et verbum Domini de lerusalem. 

4. Et judicabit gentes, et arguet populos multos : et oonflabunt 
gladios sues in vomeres, et lanceas suas in faloes : non levabit 
gens contra gentem gladium, neo exercebuntur ultra ad praelium. 

5. Domus lacob ff) venite, et ambulemus in lamine Domini §§). 

Jesaia XI: 1 — 10. 



1. Ende een roede sel comen 
uut der wortele van jesse. ende 
aut sgnre wortele sel uut comen 
een bloeme. 

2. ende op die bloeme sel rusten 
des heren gheest. die gheestder 
wijsheit ende der verstandenissen. 
die gbeest des raets ende der sterc- 
heit. die gheest der wetentheit 
ende der goedertierenheit. 

3. ende die gheest van des 
heren vresen sei die bloeme ver- 
vullen. Hi en sel niet oerdelen 
na den siene vanden ogen. noch 
hi en sel niet berespen naden 
horen der oren. 

4. mer hi sel oerdelen die ar- 
me in gerechticheiden. ende hi 
sel berispen in effenheiden over 
die saohtmoedige van den lande. 
Ende hi sel dat laut slaen mitter 
roeden s^ns monts, ende mitten 
gheeste s^nre lippen sel hi den 
ongenadigen slaen. 

5. ende die gerechticheit sei 
wesen dat gordel synre leyndene. 



1. Ende een ruede sal coemen 
uter wortele van iesse. ende uut 
sijnre wortelen sal uutComen een 
blome. 

2. ende op die blome sal rusten 
des heren geest, die geest des wfjs- 
heits ende des verstandenissen, 
die gheest des raets ende des 
starcheits: die gheest derweten- 
heit ende der guedertierenheit : 

3. ende die gheest van des heb- 
ren vrese sal die blome vervol« 
len. H^ en sal niet oerdelen van- 
den siene vanden oghen: noch 
hg en sal oeck niet berispen na- 
den horen der oren. 

4. Mer hi sal oerdelen die arme 
in gherechtioheiden : ende hi sal 
berispen in effenheden over die 
sachtmoedighe vanden lande. 
Ende hi sal dat laut slaen mitter 
rueden bijns mohts: ende mitten 
gheeste sijnre lippen sal hi den 
onghenadighen dootslaen. 

5. Ende die gerechticheit sal 
wesen dat gordel sjjnre lendenen 



*) ^per luäam. f) Fertieem. 



%) ßl ontbreekt. 



••; Exhibit, 



( 304 ) 



ende dat ghelove die ryemsijnre 
nyeren. 

6. Die wolf sal wandelen mit- 
ten lamme: ende die Inpaert aal 
rusten mitten gheyte. Ende dat 
calf ende die leeu ende dat scaep 
sullen te gader wonen :* ende een 
oleine kint salse drieghen. 

7. Dat calf ende die beer snl- 
len te gader weyden: ende te 
gader sullen haer welpen rusten. 
Ende die liebaert sal stroe eten 
als een osse: 

8. ende een kindekgn sal ge- 
noechte hebben vander borst op 
die gate vander aspiden: ende 
in des cokentr^s hol sal hi sgn 
haut steken die gheapeent sal 
sijn vander melc. 

9. Si en sullen niet deren ende 
niet doden in al mgnen heyli- 
ghen berge: want dat lant is 
vervult van des heren conste: 
als die wateren des zees die 
overvloeyen. 

10. In dien daghe die wortel 
van yesse hi die staet in een tey- 
ken des voies, hem sullen die 
heydenen aanbeden: ende sijn 
graft sal wesen gloriose. 

l.Et egredietur virga de radice lesse, et flos de radice ejus 
ascendet. 

2. Et requiesoet snper eum spiritus Domini : spiritus sapientiae, 
et intellectus, spiritus con^ilü» et fortitndinis, spiritus scientiae, 
et pietatis, 

3. et replebit enm spiritus timoris Domini : non secundum visio- 
nem ooulorum iudicabit, neque §) secundum auditum aurium 
arguet : 



ende dat gelove die ryemes^nre 
nyeren. 

6. Die wolf sel wandelen mit- 
ten lamme, ende die lupaert 
mitten boekenen. *) ende dat oalf 
selre mede leggen, ende die lie- 
baert ende dat scaep seilen te 
gader woenen. ende een deine 
kijnt selse driven. 

7. Dat calf ende die beere sei- 
len te gader weiden, ende te ga- 
der sullen hoer welpen rusten. 
Ende die lyebaert sel stroe eten 
als een osse. 

8. ende een kijndek^n sei ghe- 
noechte hebben vander borst op 
die gate van den aspiden. ende 
in des cokentrijs f) hol sei hi 
sjjn haut steken die gespaentsel 
sgn vander melc 

9. Si en seilen niet deren ende 
niet doden, in al minen heiligen 
berge, want dat lant is vervult 
van des heren conste als die wa- 
tere der see die overvloeyen. 

10. In dien daghe die wortel 
van yesse hi die staet in een 
teyken des voies, hem seilen die 
ooninge aenbeden. ende syn graf 
sel wesen gloriose. 



•) Hoekencn = bokken, bokjes. 

I) Koketrys, kocketrijs := basïliscas (zie Kiliaan in v.); bg Shakespeare: coc« 
katrice {Romeo a, Jul, A. Ill, Sc, 2 en elders). 
J) Nee. 



( 305 ) 



4. sed judîcabit in jnstitia pauperes, et arguet in aeqnitate pro 
mansuetis terrae : et perentiet terram virga oris sni, et spiritn 
labiomm snornm interficiet impinm. 

5. £t erit jnstitia cingnlnm Ininbomm eins : et fides cinctorinm 
rennm eins. 

6. Habitabit Inpns cnm agno: et pardns enm hoedo accnbabit: 
vitnlns et leo, et ovis simnl morabnntnr, et pner parrnlns 
minabit eos. 

7. Vitnlns et nrsns pascentnr: simnl reqniescent catnli eomm: 
et leo qnasi bos comedet paleas. 

8. Et delectabitnr infans ab nbere snper foramine aspidis: et in 
cayema regnli, qni ablactatns fnerit, mannm snam mittet. 

9. Non nooebnnt, et non occident in nniverso monte sancto meo : 
qnia rèpleta est terra scientia Domini, sicnt aqnae maris ope- 
rientes •). 

10. In die illa radix lesse, qni stat in sîgnnm popnlomm, ipsnm 
gentes deprecabuntnr, et erit sepnlchmm eins gloriosnm. 

Jeremia III : 1 — 5. 



1. Men seit gemeenlic. 1st dat 
een man s|jn wgf laet. ende als 
si van hem gaet neemt si enen 
anderen man. als si voert meer 
te hem wederkere. en sel dat 
wyf niet onsnver ende besmet 
sgn. Mer dn heefste oncnnsheit 
gedaen mit vele minnaren, noch- 
tan keer weder te mi seit die 
here, ende ie sel di ontÜEien. 

2. Hef op dgn ogen int rechte, 
ende besieh waer dn niet neder 
geleit en sijs. Dn saetste inden 
wegen ende ontbeides d^n min- 
naren, als een roever in die wil- 
dernisse. ende dn besmettes dat 
lant in dinen oncnnsheiden ende 
in dinen qnaden werken. 

3. Ende om dese dinc soe s|jn 
verboden die dropele vanden re- 
genen, ende negheen spadich re- 



1. Men seit ghemeenlgc. 1st 
dat een man sijn wgf laet. ende 
als si van hem gaet neemt si 
enen anderen man: ende sal si 
voertmeer te hem niet wederke- 
ren : en sal dat wjjf niet meer 
onsnver ende besmet syn? Mer 
du heefste onknysheit ghedaen 
mit vele minnaren ; nochtan keer 
weder te m^' seit die here : ende 
ie sal di ontfaen. 

2. *Hef op dijn ogen int rechte : 
ende besieh waer du niet neder 
gheleit en sijts. Dn saetste inden 
weghen ende ontbeides dgn min- 
naren als een rover in die wil- 
demisse, ende du besmettes dat 
lant in dijnen onknjsheden ende 
in dijnen qnaden werken. 

3. Ende om dese dinghen soe 
sijn verboden die dropele vanden 
reghenen: ende negheen spadich 



*) Operieniiu 



( 306 ) 



gen. was. Di is gemaeot dat 
voerhoeft eens gemeens wives, 
du en woutste di niet seamen. 

4. Hier om doch soe hete mi 
voertane mijn voder bistu. da 
biste die beledere mgns magedoms. 

5. Ende selstu ewelio niet ver- 
grämt wesen. ofte selsta gedue- 
ren tot in dat einde. Ende da 
hebste gesproken ende gedaen 
qoade dingen ende du vermochtes. 



reghen en was. Di is gdmaect dat 
voerhoeft eens ghemeens wgves : 
du en woutste d)j niet seamen. 

4. Hier om doch, so hete mg 
voertane mijn vader bista.du biste 
die beledere mgns magedoms. 

5. En sultstu eweiyc niet ver- 
grämt wesen: of sultstu gedaren 
tot in dat eynde? Ende sieh du 
hebtste ghesproken. ende ghedaen 
quade dingen: ende du ver- 
moohstes. 



1. Vulgo dicitur: si dimiserit vir uzorem suam, et recédons ab 
eo, daxerit virum alterum : numquid revertetur ad eum •) 
ultra? numquid non polluta, et contaminata erit mulier illa? 
tu autem fornicata es cum amatoribus multis : tamen revertere 
ad me, dicit Dominus, et ego suscipiam te. 

2. Leva oculos tuos in directum, et vide ubi non f) prostrata 
sis: in vus sedebas, expectans eos quasi latro in solitudine: 
et polluisti terram in fomicationibus tuis, et in malitüs tuis. 

3. Quam ob rem prohibitae sunt stillae pluviarum, et serotinus 
imber non fuit: frons maliens meretricis facta est tibi, no- 
luisti erubescere. 

4. Ergo saltem amodo voca me: pater meus, duz virginitatis 
meae tu es : 

5. numquid irasceris in pei-petuum, §) aut perseverabis in finem? 
Ecce locuta es, et fecisti mala, et potuisti. 



IQaagl. van Jeremia lY : 1—8. 



1. Aleph. Hoe is dat gout ver- 
donkert ende die aire beste verwe 
verwandelt. Der sanctuarien ste- 
nen sgn gestroejt int hoeft van 
allen straten. 

2. Beth, Die voerbarige sonen 
van syon ende die gecleet sgn 
mitten eersten goude. hoe syn 
si geacht in eerdenen vate in dat 
were van eens eerden pottema- 
kers handen. 



1. Aleph, Hoe is gout verdono- 
kert: ende die aire beste verwe 
is verwandelt. Der sanctuarien 
stionen sgn gestrojt int hoeft 
van allen straten. 

2. Beth. Die voerbarige sonen 
van sjon ende die ghecleet sgn 
mitten eersten goude hoe sgn si 
gheacht in aerden vaten: in dat 
werck van eens aerden pottema- 
kers hande. 



•) £am, t> Nunc. §) luperpetuHU. 



( 307 ) 



3. GimeL Mer die lamien ont- 
decken haer mamme ende si so- 
geden haer welpen. Die dochter 
miJDS voles is fel als die Straus 
inder wildernissen. 

4. Ddeih, Eens wijfs tonge 
die sogede hinc boven vast in 
haren mont in dorste, die dene 
kgnder ejscheden broet ende 
nyement en was diet hem brae. 

5. ife. Die weeldelic aten si 
verdorven inden weghen, die men 
voede inden sofferaen omgrepen 
die stronte. 

6. Vau. Ende der dochter mijns 
voles quaetheit is meere worden, 
dan die van sodoma sonde, die 
omme geworpen was in een wijl- 
ken. ende si en vingen in hare 
die haade niet. 

7. Zai. Hare geheilichde manne 
sgn witter dan snee. blickender 
dan melc. roeder dan out ivoer. 
scoenre dan saphier. 

8. Heth. Haer aensicht is swer- 
tere dan colen. ende menbeken- 
nedse inden straten niet. haer 
vel clevede aen haer beenre. het 
verdrogede ende wert als hout. 



3. Gymel. Mer die lamien on- 
decken haer mamme: ende die 
sogheden haer welpen. Die doch- 
ter mijns voies is fel: als die 
struus inder wildernissen. 

4. Deleifu Eens w^fs tonghe 
die soghede hinc boven vast in 
haren mont in dorste : die cleynne 
kinder ejsscheden broet: ende 
nyemant en was diet hem brac 

5. He, Die weeldel^jc aten si 
verdorven inden weghen : diemen 
voede inden wieghen omgrepen 
die stronte. 

6. Vau. Ende der dochter mgns 
volos quaetheit is meerre gewor- 
den dan die van sodoma sonde: 
die omme geworpen was in een 
wijlkijn: ende si en vinghen in 
hare bande niet. 

7. Zay. Hare geheylichde man- 
nen sijn witter dan sne. blic- 
kender dan melc : roder dan oudt 
yvorien: sohoenre dan saphir. 

8. Heth. Haer aensicht is zwar- 
tere dan colen: ende du en be- 
kennet se inden straten niet: 
haer vel clevede aen haer beenre: 
het verdroghede ende wort als 
hout. 



1. Aleph, Quomodo obscaratom est aurum, mutatus est color 
optimus, dispersi sunt lapides sanctuarii in capite omnium 
platearum ? 

2. Beth Filii Syon inclyti, et amicti auro primo : quomodo re- 
putati sunt in vasa testea, .opus manuum figuli? 

3. Ghimel. Sod et lamiae nudaverunt mammam/) lactaverunt 
catulos'l') suos: filia populi mei crndelis, quasi struthio in 
deserto. 

4. Daleth. Adhaesit lingua lactentis §) ad palatum eius in siti: 
parvuli petierunt panem, et non erat qui Prangeret eis« 



*) Mammas atas. f) Chatulot. S) LaeUifUûé 



( 308 ) 

5. He. Qfd Yesoebantar yolaptaose, interienint in viis: qui na- 
triebantur in croceis, amplexati sunt stercora. 

6. Vau. £t major effecta est iniquitas filiae populi mei peccato 
Sodomomm, quae sabversa est in momentOi et non cepernnt 
in ea manns. 

7. Zatn. Gandidiores Nazaraei eins nive, nitidiores lacte, rabicun- 
diores ebure *) antiqno, sapphiro pnlchriores. 

8. Heth. Denigrata est snper carbones facies eornm, et non sunt 
cogniti in plateis : adhaesit cutis eornm ossibos : -j-) arnit, et 
facta est qnasi lignnm. 



Wanneer de lezer een aandachtig oog heeft geslagen op 
de meegedeelde proeven, die niet planmatig gekozen, maar 
voetstoots nit het HS. en het drukwerk opgenomen z^n, 
zal hg aan de identiteit van beider teksten niet twgfelen. 
De »notabele meester,'' die door de Delflsche uitgevers ge- 
zegd wordt, huu »bible mit horen boecken uut den latine 
in duytsche wel overgheset" te hebben, heeft zich z:gne taak, 
met betrekking tot Jesaia en Jeremia althans, zeer gemak- 
kel^k gemaakt. H^ heeft de vertaling van onzen Vlaming 
eerbiedig nageschreven, zich daarb^ eenvoudig tot den ar- 
beid eens correctors bepalende. In de spelling volgde hg 
zgn eigen schrijfwgze, en voor een deel ook in het aanbren- 
gen der leesteekenen, daar hg benevens de punt, die door 
zgn voorganger gebezigd werd, ook de dubbele punt en het 
vraagteeken gebruikte. Enkele malen waagde hg het, eene 
al t« stroeve woordvoeging vloeiender te maken (zie boven, 
Jes. n : 2), of in nauwer overeenstemming met het Latgn 
te brengen (Jez. XI : 6). Somtgds verving hg een ouder of 
minder gebruikelgk woord door een jonger en meer gewoon 
(b. V. gheyte voor koekenen^ Jes. XI : 6, paden voor manpa- 
den^ Jes. II : 3, doetslaen^ interficere^ voor eUien^ leeu voor 
liebaert^ Jes. XI : 4 en 6), of besloot hg, in de meening 
van eene noodige verbetering aan te brengen, zijn voorbeeld 
voor een enkel oogenblik te verlaten (zoo schrgft hg Elaagl. 



*) More. f) OêsiàuB eoruu. 



( 809 ) 

IV : 5: die men voede inden wieg/ien voor dienten voede inden 
êofferaeny daar hg den abl. pL croceii voor den abl. pi. van 
crocea = een wieg^ aanzag, gel^k h^ ook Jes. XI : 6 drieghen 
voor driven schreef, omdat hg minare met minari verwarde). 
Voor het overige echter bleef hij zoo getrouw aan den tekst 
van ons HS., dat Hij zelfs de Latgiische woorden, die de 
Vlaming uit de Vulgaat onvertolkt overgenomen had, ten 
nadeele van zgue lezers onvertaald liet (b. v. aspiden, Jes« 
XI : 8, lamien^ Klaagl. IV : 3). Slechts in een opzicht verschilt 
de tekst van den »notabelen meester" van dien zgns voor- 
gangers aanmerkelgk: waar namelijk de laatstgenoemde ten 
behoeve van onkundigen, die zijn overzetting zouden ge- 
bruiken, hier en daar korte glossen had geschreven, — hg 
deed het vele malen bg de bewerking van Jesaia, slechts 
enkele malen bij die van Jeremia — werden deze door eerst- 
yermelde geheel uitgestooten. Dat dit in overleg met de 
Delftsche drukkers is geschied, laat zich nauwelgks betwg- 
felen. In het belang van het debiet moest hun bgbel, die 
toch reeds zeer Igvig en daarom kostbaar zou zijn, — men 
zegt, dat dergelgke bgbels destgds voor vier of vgf kro- 
nen, d. i. voor ongeveer ƒ 200 naar tegenwoordige gelds- 
waarde, verkocht werden *) — ten behoeve van het debiet 
moest hun druk althans niet meer bladen beslaan, dan strikt 
noodzakelgk was. Ook kan het wezen, dat men van mee- 
ning was, dat deze glossen zonder groote schade voor den 
lezer achterwege gelaten konden worden. Inderdaad zgn zg 
dan ook niet van zeer groot gewicht. Toch wil ik tot na- 
dere kenmerking van den arbeid des vertalers en zgner in- 
tellectuëele eu zedelgke ontwikkeling, die voor haeretieke 
lieden geen genade kende, hier eenige uit ous HS. overne- 
men, na den lezer andermaal herinnerd te hebben, dat de 
glossatoren van dien tgd, zoo zg den inhoud hunner aan- 
teekeningen niet aan de schriften der kerkvaders en latere 
auteuren, Walafridus Strabo, Nicolaus de Lyra enz. ontlee- 
nen wilden, in het vroeger vermelde » Caiholicon" genoeg- 



*) Zie De Hoop Schefier, Oe^cA, der Eervorm^ in Nederl., Âmst, 1878, bl. 65. 



(810 ) 

zame stoffen voor hunne verklaringen konden vinden. Dit 
boekwerk immers, door den dominikaner Joannes Genuensis 
de Balbis omstreeks 1285 geschreven, was in de veertiende 
en v^ftiende eeuw in vele klooster- en andere bibliotheken, 
ook in ons vaderland, voorhanden, en werd later, sinds 1483, 
vele malen gedrukt *). Het bevat, behalve leeringen over 
grammatische en verwante stofFen, voomamel:gk een uitvoe- 
rig Latgnsch woordenboek, dat bg de lectuur der Vnlgata 
of van de schriften der kerkvaders en klassieken gebruikt 
kon worden, waar men tot recht verstand van woorden, na- 
men en zaken van allerlei aard hulp verlangde. Waar 
onze Vlaming het »Catholicon," bg het neerschreven zgner 
glossen, naar ik meen, raadpleegde^ zal ik het in m^ne aan- 
teekeningen aan den voet der bladzgden aanduiden, t) In 
de eerste kolom plaats ik den tekst van ons HS., in de 
tweede dien van de Vulgaat en onder beide de glossen, 
tusschen soortgelgke haakjes gesteld als ook in het HS. 
voorkomen. 

Jes. H: 6. 



Froiedsti enim populum tuum, 
domum Jacob : quia repleti sunt 
ut olim, et augures habuerunt 
ut Philisthüm. 



Want du hebste verworpen 
dgn voie iacobs huus. want si 
syn vervult alsoe si wilen wa- 
ren, ende si hadden geraders 
als philistgm. 

[Augures settic geraders dat s^'n voersegghers die we- 
ten willen aender vogelen quedelen wat gescien sel.] §) 

Jes. VI: 1. 

Int iaer dat die coninc oziasi In anno, quo mor tun s est rex 
doot was. see sach ic den here Ozias, vidi Dominum sedentem 
Sitten op enen hogen troenende super solium excelsum et éleva- 
opverheven. tum. 



•) Fabricina, Siel, med, Lot. I, 487. Vgl. mijne Kerkgeseh, tan Neder l. 11, 2, 
bl. 263. De Windesheimer monnik Bartholomaeas Herholt copiëerde het Calhol, 
driemalen. Zie Joh. Bosch, Ckron^ Windet, p. 118. 

t) Ik maak hierby gebruik van de aitgave van JodocuB Badins Âscensius, zoo- 
als zg in 1514 te Lyon gedrukt werd 'per Johannen de platea." Het exemplaar, 
dat mtj dient, behoort aan de nniversÎLeitsboekerij der stad Amsterdam. 

{) Angnr . . . dicitnr qni vel que in garritu a?inm divinat. Caiholieon in v. 



( 311 ) 



[Niet en saoh die propheet dus den here mit sine 
vleischelîker ogen. mer mitten ogen sijnre veratandenisse 
op getogen in den gheest. want die here seide tot moy- 
ses. die mensche en sel mi niet sien ende leven.] 



En sel noch niet [in] een lut- 
tel ende in corten tide die liba- 
nus werden verwandelt in cher- 
mel. ende chermel niet werden 
geacht in enen wonde. 



Jes. XXIX: 17. 

Nonne adhnc in modico et in 
brevi convertetur Libanus in 
charmel, et charmel in saltum 
reputabitnr? 



[Ljbanus is een berch in phenicen daer cederen op 
wassen ende vueren boem. ende chermel is een berch oec 
int eynde vander palistinen ende dier van penicen lande 
oec bossche.] *) 

Jes. XXXIV: 43, 14. 



Ende in des lants husen seilen 
wassen doerne ende netelen ende 
paljnrus. in haren vasten steden, 
ende het sel wesen der draken 
nest ende der stmsen wejde. 
ende daer seilen te gemoete lo- 
pen die dnvele. onocentanrns 
ende die wilde man si sullen 
daer roepen deen anden anderen. 
Daer sel leggen lamya ende si 
vant ruste daer te hoerre behoef. 



Et orientur in domibus eins 
Spinae, et urticae, et paliurus in 
munitionibus eins : et erit cubile 
draconum, et pascua struthionum. 
Et occurrent daemonia onocen« 
taurisi et pilosus damabit alter 
ad alterum : ibi cubavit lamia, et 
invenit sibi requiem. 



[Paljurus is eenrehande maniere van heute dat soe 
dicke gedornet is dat ment niet gehandelen en mach. 
Die struus is eenrehande vogel die van swaerheiden 
qualiken gevliegen mach. hi sochte eerst Salomon den 
worme thamur. mit wies bloede hi dat hout ende steene 
dede sniden tot den tempel. Onocentaurus is half esel 
ênde half stier, lamia is voer een w{jf ende achter heefb 
si peerdevoete.] -J-) 



*) Libanus est phenicnm mons in qno cedri snnt altissimL — Carmelns mons 
est in confinio palestine atqne pbenicia [sic]. Catholieon in tv. 

t) Palinrns herba asperrima et apinosa. — Strntio qnoddam atttmal in simili- 
tadinem avis pennas habere videtnr, tameq de terra altius non elevatnr. — La« 
mia pedes habet equinos, cetera membra ut femina, CaihoL in vv. — De wonn 



( 312 ) 



Jes. XXXVni: 1. 



In dien dage soe was ezechias 
siec totter doot. Ende ysajas 
amos des propheten sone ginc 
tot hem in ende seide hem. or- 
dinere dijn huus want du selste 
sterven, ende niet leven. 



In diebus iUis aegrotavit Eze- 
chias usque ad mortem: et in- 
troivit ad eum Isaias filius Arnos 
propheta, et dixit ei: Haec dicit 
Dominus: dispone domui tuae, 
quia morieris tu, et non vives. 



[Om dat ezechias gode niet dancber en was alsoe hi 
geweest soude hebben vander victorien iegen sennacherib 
soe sloechen god. want hi werter of verhoveerdicht. 
Hier schont dat die propheet loech om dat hi den coninc 
seide. ordinier dijn huus. want du selste sterven, ende dies 
gelike oec yonas die prophete die predecte dat ninive in 
zl dagen gedestrueert soude werden. Hiertoe mach men 
Seggen, dat dese propheten lasen inden boeck vanden 
godliken voerweten dat dit gescien soude na haerre ver- 
dienten van haren sunden. mer god verberch hem dat 
in sinen boeke te lesene dat si bi penitenden souden 
mogen gode dese sentencie doen wandelen, ende hier om 
soe en logen si niet. want die waerseggen waent. hi 
en lieget niet al waert logen dat hi seide. Ende oec seit 
Bemaerdus. soe wie waerseit. ende niet en weet ofte 
hi waerseit. dat hi lieget op dat *) hgt voer seker waer- 
heit segghen willen.] f) 

Jes. XLIV: 13. 



Die wercman van tymmerwerc 
leide langes die régule, hi for^ 
meerden mit betelen, hi makede 



Artifex lignarius extenditnor- 
mam, formavit illud in runcina: 
fecit illud in angularibus, et in 



thamor. Mer vermeld, behoort wel tot de avontaarl^ke legenden der Arabieren, 
waarin Salomo de wondermkste rol vervult. Toen hem het geraas z^ner dienit- 
bare geesten, hnn hakken en hameren b^ z\ju tempel bonw verdroot, deed een 
raaf hem een middel aan de hand, om de hardste boawmaterialen zonder gedmisch 
door te snijden en pasklaar te maken. Bg eene andere gelegenheid genoot de 
koning een belangr^ken dienst van een worm. Zie Weil, Legenden der muiel' 
manne», vert, door Keyzer, Schiedam lb5ä, bl. 159, 17S. 

*} Opdat =3 indien. 

t) De glossator heeft het oog op de volgende plaats van Bemardus in zijn Sermo 
XVII in Cantica (in Mabillon's ed. van 1719, I, p. 1324): Ëst qui dubie profert 
mendacium, nee mentitnr, et est qui veritatem, quam nescit, affirmât, et mentitur. 
Nam et ille non quidem quod non est, esse, sed se quod credit, credere dicit, et 
verum dicit, etiamsi hoc verum non sit quod credit : et is, cum se certum, unde 
non est certus, dicit, verum non dicit, etiamsi verum sit de quo asseriu 



(813) 



inden winkelbaec ende inden pas« 
ser soe draeyde hine. ende hi 
maecte eens mans beeide, als enen 
sconen man die woent in een huns. 



circino tornavit illad: et fecit 
imaginem viri quasi speciosum 
hominem habitantem in domo. 



[Soe wat men hier leset vanden meesters die afgode 
maecten. mach men verstaen vanden meisters. die on- 
gelovicheit vgnden in kersten gelove. want gelike dat si 
die die afgode maecten daar toe menigerhande instru- 
menten besichden alsoe besigen die meisters van herezien 
menigerhande valsche argumente ende prueven die si 
valschelike nut der schriftueren trecken om dat volk mede 
te bedriegen«] 

Jerem. Il: 22. 



AI dwaestn di mit nytre ende 
al menichfoudichste di dat cruut 
borioh. du biste besmet in dijn 
qnaet voer mi seit die here* 



Si laveris te nitro^ et multipli- 
caveris tibi herbam borith, macu- 
lata es in iniquitate tua coram 
me, dicit Dominus Deus. 



[Nytrum is een maniere van eerden als sant die alle 
smetten af dwaet ende seer witte maeoL borich is eenre- 
bande cruut als vuleerde dat smetten ofdwaet.]. *) 



Aan het einde mijner Bydrage gekomen, onthoud ik mg 
van alle beschouwingen, waartoe de vraag naar de verdiensten 
van onzen Vlaamschen vertolker in betrekking tot z^n La- 
tgnschen grondtekst of tot vroegere en latere overzettingen, 
aanleiding zou kunnen geven. Ter beantwoording van. die 
vraag en andere, met haar samenhangende, zal men zich dan 
eerst met eenige vrgmoedigheid mogen begeven, wanneer men 
zich vertrouwelgk bekend zal gemaakt hebben met de Dietsche 
bgbelboeken, die tot heden in HSS. en oude drukwerken be- 
waard bleven, en met de vertolkingen der H. Schrift, die 
gedurende de middeleeuwen, tot in de zestiende toe, ook in 
andere landen, vooral Duitschland en Frankrgk, werden be* 
werkt. Mg is het voor het tegenwoordige genoeg, althans 



*} Nitram qaedani species terre, similÎB minnto sabnlo, . . • ez quo tordes 
▼estiam et eorpomm la?antar. ^ Borith ... est qaeaam herba quam Izz inter- 
prètes dicont herbam fullonum, que in Palestina in homidis loeis invenitnr 
et eamdem vim habet qaam ei nitmm ad lavaudas vtstcs. CaiAoiieo» ia w. 



▼KUI«« BK MUDKD. AtD. LKTTEBK. 2<^^ RKEKS. V%EL VIL 



a2 



I 314 ) 

een enkele lichtstraal, zg 't ook een flauwe, te hebben doen 
opgaan over een voorwerp van onderzoek, dat tot heden maar 
al te zeer in het duister ligt, niettegenstaande sinds vele 
jaren stemmen z^n vernomen, die de groote belangrgkheid 
eener zooveel mogel^k volledige geschiedenis van de Neder- 
landsche bijbelvertaling luide verkondigden, hare belangrgk- 
heid voor de kennis onzer oude taal niet alleen, maar in- 
zonderheid ook voor de kennis van den wasdom der weten- 
schappelijke en zedel^k-godsdienstige ontwikkeling onzer 
voorgeslachten. 



GEWONE VERGADERING 



DER AFDRELINO 



TAAL-, LETTER , GESCHIEDKUNDIGE EN WIJSGEERIGE 

WETENSCHAPPEN, 

GKBOUDE!« btS n<i«n FEBRUARI (878. 



T^enwoordig de beeren: c. w. ofzooher, voorzitter, w. moll, 

C. LEEMANS, H. DE Y&IES, W. 6. BUILL, J. BE WAL, J. OIAKS, 
W. J. KNOOP, 6. DE VBIES AZ., N. BEETS, B. J. LINTELO DE GEEK 
A. KÜENEN, D. HAKTING, J. E. GOUDSMIT, J. P. SIX, S. A. NABEB, 
TH. BO&BET, C. M. FÄANCKEN, J. A. FEUIN, E. VAN BONEVAL FAUEE, 
M J. DE GOEJE, J. G. DE HOOP SCHEFFEE, M. F. A. G. CAMPBELL, 

J. o. E. AcquoY en J. c. g. boot, secretaris. 



Het proces verbaal der vorige vergadering gelezen en goed- 
gekeurd zgnde wordt gelezen een brief van Dr. C. A. X. G. 
F. Sicherer te Leiden, inhoudende de kennisgeving van het 
overlgden op 19 Januari 11. van den heer J. J. Hoffmann, 
rustend lid der afdeeling. De voorzitter brengt hulde aan 
de nagedachtenis van den overledenen en spreekt den wensch 
uit, dat het jaarboek met zgn levensbericht ?an een be- 
voegde hand zal voorzien worden. 



De heer Moll leest het verslag der commissie, die in de 
jongste buitengewone vergadering benoemd is om een voor- 
stel van den heer Leemans te onderzoeken. De commissie, 
bestaande uit de beeren W. Moll, G. de Vries Az., J. C. 
G. Boot en B. J. Lintelo de Geer, na kennisgeving van de 
door den voorsteller overgelegde stukken en na het houden 

22* 



( 316 ) 

eeuer b^eenkomst met den voorsteller stelt voor dat deze 
afdeeling der Akademie zich zal wenden tot den Minister 
yan Binnenlandsche Zaken, en aan de Begeering den raad 
geven om in het belang der wetenschap geen gevolg te ge- 
ven aan het bij haar aanbevolen voornemen, om het R^ks 
Museum van oudheden te Leiden van een aanzienlijk deel 
zgner schatten te berooven en die naar het Museum voor 
vaderlandsche geschiedenis en kunst in de hoofdstad des 
rgks over te brengen. 

De Voorzitter maakt bezwaar om daartoe over te gaan, 
zoolang de afdeeling niet weet of zoodanig voornemen wer- 
kel^k by de Regeering bestaat. 

De heer Moll antwoordt, dat uit de overgelegde stukken 
het bestaan van dat plan voldoende blijkt, en de heer Lee- 
mans geeft daaromtrent nog eenige inlichting. 

De beeren Beets en Goudsmit verlangen, dat de afdeeling 
haar wensch in een persoonlgk onderhoud aan den Minister 
zal openbaren, welk denkbeeld door den heer de Wal be- 
streden wordt. 

De heer Naber geefb in bedenking of het niet beter is 
den officieelen weg niet in te slaan, maar den Minister als 
lid der Aka<lemie met de quaestie bekend te maken. 

Bg stemming wordt met bijna algemeene stemmen be- 
sloten om het verslag ter kennis van den Minister te bren- 
gen, en met eene aauzienlgke meerderheid dat dit geschieden 
zal door toezending van een afschrift van het verslag met 
een begeleidende missieve. 



Vervolgfens leest de Secretaris een levensbericht van wglen 
den heer 6. Acker Stratingh, bestemd voor het Jaarboek 
der Akademie. 



De heer MoU levert eene bedrage tot de geschiedenis der 
middelnederlandsche bijbelvertaling. Hij bewflst uit HS. 
XXXn van de Boekerg der Kon. Akademie van Wetenschap- 
pen, dat de vertaling van Jesaia en Jeremia in den zooge- 



(317 ) 

naamden Delftschen Bgbel van 1477 niet, zooals Isaac Le 
Long beweerde, is overgenomen uit eene vertaling naar de 
y ulgata van omstreeks het jaar 1 300, maar byna woordelyk 
is ontleend aan de vertaling door een Ylaminger vóór en in 
1384 bewerkt en in dat handschrift bewaard. 

De Spreker biedt z^ne bedrage aan voor de Verslagen en 
Mededeelingen. 

De Heer Borret vestigt de aandacht op vertaling vanb^- 
belplaatsen in oude "Passionalen, en de Spreker betuigt die 
niet uit liet oog te verliezen, en deelt mede dat z^n vroe- 
ger geuit vermoeden over het bestaan van vertalingen door 
Geert Groete bevestigd wordt door een HS. te Munster, dat 
eene vertaling der psalmen van diens hand bevat. 



Big de aanbieding z^ner Observations sur les monnaies 
phéniciennes, afgedrukt in de Numismatic Chronicle N. S. 
Vol. XVII, merkt de heer Six op, dat die bgdrage kan 
dienen tot aanvulling en verbetering van hetgeen hg ten 
vorigen jare over Phenicische munten in deze Akademie 
heeft medegedeeld (Zie Versl. en Meded. Tweede reeks. 
D. Vi, bl. 288—292). Daarin heeft hij ook eene' beschrg- 
ving gegeven van 44 munten van • de hoofdstad der Phili- 
stynen, Gaza. Hij laat eenige van die munten uit z^ne 
verzameling zien. 



Nadat de heer Leemans namens den schrgver de verhau- 
deling van Mr. W. Vissering, On chinese currency. Coius 
and paper money. Leiden 1877 voor de Boekerij heeft aan 
geboden, wordt, daar niemand verder het woord verlangt, 
de vergadering door den Voorzitter gesloten. 



RAPPORT 



OVEtt HRT 



VOORSTEL VAN DEN HEER C. LEEMANS, 



BETBKPFENDE 



DB BELANGEN VAN 'S RIJKS MUSEUM VAN OUDHEDEN 

TE LEIDEN. 



M^ne Heeren! 

In onze jongste buitengewone vergadering werd door den 
heer Leemans de aandacht der afdeeling gevestigd op de 
belangen van ^s B^ks Museum van oudheden te Leiden, die 
naar z:gne meening in hooge mate benadeeld zullen worden, 
zoo een bg de Begeering geopperd en aanbevolen denkbeeld 
verwezenlgkt wordt, dat ten bate van het te Amsterdam in 
aanbouw z^nde Museum voor Nederl. geschiedenis en kunst, 
het Leidsche van een aanzienlek deel z^ns inhouds dreigt 
te berooven, namel^k de Prsehistorische, de Bomeinsche, de 
Germaansche en Frankische oudheden, voor zooverre z^ op 
vaderlandschen bodem gevonden werden. Ons geacht mede- 
lid voelde zich verplicht der Akademie hiervan kennis te 
geven, opdat wg gelegenheid zouden hebben, volgens de ons 
als Akademie-leden opgelegde roeping, b^ tigds voor de be* 
langen der wetenschap bg de Begeering in de bres te sprin- 
gen, zoo wg met hem de overtuiging koesterden, dat ge- 
dachte berooving van het Leidsch Museum voor de beoefening 
der archœologie nadeelig zal wezen en daarom zoo mogelgk 
moet voorkomen worden. Daar de vergadering deze kennis- 



( 319 ) 

geving met het daaruit voortyloeieude voorstel, een adres 
van onze zgde aan de Regeering bedoelende, met ernstige 
belangstelling vernomen had, besloot zy de zaak ter nadere 
overweging en advies in handen eener commissie te stellen, 
welke thans de eer heeft, het resultaat harer werkzaamheid 
mee te deelen. 

De leden uwer commissie, daartoe uitgenoodigd en in 
staat gesteld door den heer Leemans, hebben al aanstonds 
inzage genomen van eenige in copie verstrekte officiëele 
stukken^ waardoor z^ zekerheid verkregen, dat het denk- 
beeld, om een aanzienlek deel van den inhoud des Leidschen 
Museums naar Amsterdam over te brengen, inderdaad b^ de 
Begeering geopperd en door mannen van bekenden invloed 
aanbevolen is, niettegenstaande het door vele leden der com- 
missie van Bgksadviseuren reeds veroordeeld was. Daar on- 
dergeteekenden nu de mogel:gkheid veronderstelden, dat dit 
denkbeeld eene daad zou kunnen worden, hebben zg zich 
de vraag voorgehouden, of dit met het oog op de belangen 
der wetenschap en der beide Musea, het Amsterdamsche 
zoowel als het Leidsche, wenschelyk mag geacht worden, 
op welke vraag zg eenparig een volstrekt ontkennend ant- 
woord moesten geven, en wèl om de volgende redenen. 

Het Leidsch Museum heefb ten tgde zgner stichting de 
bestemming verkregen, om ten behoeve van de historische 
en philologische wetenschappen te zgn, wat de Minister Falck 
het op 8 Mei 1821 genoemd heefb, namelgk eene verzame- 
ling van voorwerpen, »herkomstig van volken, welke niet 
meer bestaan," Het zou dus in den wetenschappelgken zin 
van het woord een archseologisch Museum wezen, welks 
inhoud bepaaldelgk het leven en de levensvormen moest 
vertegenwoordigen van natiën, die van het tooneel der we 
reldgeschiedenis zign afgetreden en nog slechts uit hare monu- 
menten gekend worden. Die oorspronkelgke bestemming der 
verzameling is tot heden onafgebroken iu het oog gehouden, 
en wel in overeenstemming met de uitbreiding, die het begrip 
van het wezen der archœologie onderging, naarmate de 
ontwikkeling der wetenschappen, vooral die der historische, 



( 320 ) 

Yorderingen maakte. Dacht men aanvankel^k bg de woor- 
den »volken welke niet meer bestaan/^ wel voomamel^k 
aan Grieken en Romeinen, later dacht men daarb^ ook aan 
vele andere natiën, maar dan steeds aan niet meer aanwe- 
zige, of de zulke die, zoo z^ door late nageslachten nog 
eenigszins vertegenwoordigd werden, althans hare oude be- 
schaving reeds lang overleefd en met eené nieuwe verwis- 
seld hadden. Naar mate de inhoud der archœologie r^ker 
werd en het vak meer het karakter eener vergelgkende 
oudheidkunde aannam, werd het Leidsch Museum ook 
meer naar de eischen der wetenschap ingericht. Dienten- 
gevolge werden by de Grieksche en Romeinsche monu- 
menten ook andere opgezameld: Egyptische, Aziatische en 
Indische, Punische, Etrurische, Gallische, Gallisch-romein- 
. sehe, Germaansche, Scandinavische enz.; zelfs gedenkstukken 
der uitgestorven volken van Noord- en Zuid- Amerika wer- 
den opgenomen. Zoo is het Leidsch Museum onder gesta- 
dige medewerking van 's lands Regeering en die van vele 
belangstellenden geworden, wat het heden is: eene syste- 
matisch aangelegde verzameling van oudheden, die, hoewel 
voortdurend in staat van wording verkeerend, reeds nn zulk 
eene mate van volledigheid bezit, dat men haar met ver- 
trouwen een voortrefifelgk Museum voor vergelijkende archéo- 
logie mag noemen, dat, na reeds vele diensten aan de be- 
oefening der wetenschap in en buiten ons vaderland bewezen 
te hebben, in de toekomst zeer zeker vermeerderde vruchten 
zal kunnen dragen. Immers, het laat zich voorzien, dat de 
zoogenaamde cultuur-geschiedenis, de geschiedenis van de 
beschaving der menschheid, die in archseologische verzame- 
lingen als de Leidsche een harer voornaamste hulpmiddelen 
heeft, weldra ook in Nederland dezelfde belangstelling zal 
vinden, die haar in onze eeuw meer en meer in de meeste 
landen van Europa te beurt valt 

Nadat de leden uwer commissie zich aangaande de be- 
stemming en den aard van het Leidsch Museum de voor- 
stelling hebben verworven, die in bovenstaande regelen is 
aangeduid, kunnen zg niet anders dan een afkeurend oordeel 
uitspreken over elke mogelyke onderneming, die in plaats 



(321 ) 

yan voortdurende verrgking van den inhoud der verzameling, 
hare vermindering, hare verminking ten gevolge zon heb- 
ben. Wel weten zg, dat de roof, aan het Museum toege- 
dacht, slechts die Prœhistorische, Romeinsche, Germaansche 
en Frankische monumenten betreft, die op Nederlandschen 
bodem zijn gevonden, en derhalve maar een deel uitmaken van 
andere gedenkstukken ran dezelfde afkomst, thans te Leiden 
bewaard. Maar zg weten tevens, wat trouwens ieder be- 
grgpen kan, die met de ontdekkingen en opgravingen der 
laatste vgftig jaren, op ons grondgebied geschied, bekend 
is, dat dit deel hoogst aanzienlgk is en uit de verzameling 
niet kan verwgderd worden, zonder leemten in hare samen- 
stelling te veroorzaken, waardoor de groote waarde van dit 
kostbare hulpmiddel der wetenschap op deemiswaardige wgze 
zou Terminderd worden. Die het leven en de levensvormen 
der genoemde weggestorven volken grondig wenschen te 
leeren kennen, vragen toch niet alleen, hoe die volken in 
hun vaderland of elders bestonden, maar ook hoe zg hier 
te lande, van vroegere woonsteden verwgderd en in nieuwe 
toestanden geplaatst, ^ch eigenaardig ontwikkeld hebben. 

Acht uwe commissie de verwgdering van vermelde voor- 
werpen uit het Leidsch Museum, om aangeduide redenen, 
gevaarlek voor den welstand en de vruchtbaarheid dier in- 
stelling, ook met het oog op het in aanbouw zgnde Rgks- 
muBëum yoor Nederl. geschiedenis en kunst, moet zg hunne 
verplaatsing derwaarts ontraden, als zg in aanmerking 
neemt, hoedanig de inhoud van dit Museum zal wezen, voor 
zoover deze niet uit voortbrengselen der schilderkunst zal 
bestaan. Die inhoud immers zal, zoo de dienaangaande uit- 
gesproken gedachten gevolg hebben, aanvankelgk worden 
verkr^en uit twee, thans reeds aanwezige verzamelingen: 
het Nederl. Museum, sedert eenige jaren te 's Gravenhage 
gevestigd, en het Museum, toebehoorende aan het Eon. 
oudheidkundig Genootschap der hoofdstad. Beide Musea 
bevatten hoofdzakelgk voorwerpen, die de geschiedenis ver- 
tegenwoordigen yan ons volk en volksleven gedurende het 
grafelgk en stadhouderlgk tgdvak onzer historie. Wanneer 
die voorwerpen in het ontworpen gebouw bgeengebracht 



( 322 ) 

worden, zullen zg ongetw^feld, ook al worden zg niet aan- 
stonds met bgdragen van elders vermeerderd^ een zeer be- 
langrgk nationaal Museum vormen, dat ons vaderland 
tot sieraad en den beoefenaars onzer nationale cultuur-ge- 
schiedenis nuttig zal wezen. Maar zal het in waarheid een 
nationaal Museum zgn, dat de geschiedenis van het neder- 
landsche volk en volksleven vertegenwoordigt, — - waartoe 
dan in dit Museum voorwerpen gebracht, die niet nationaal 
en aan ons volk inderdaad vreemd zign : Prehistorische mo- 
numenten, afkomstig van een deel der verzwonden mensch- 
heid, welks naam men zelfs niet kent; Romeinsche monu- 
menten, afkomstig van de aartsvijanden der vroegere bewo- 
ners van ons land; Germaansche en Frankische monumen- 
ten, die ons herinneren aan volksstammen, die of reeds in 
het oorlogsvuur der Romeinen vergaan waren, óf door sa- 
mensmelting met andere volken meerendeels alle zelfstan- 
digheid verloren hadden, lang voordat by de invoering des 
Christendoms en de opkomst der grafel^ke regeering hier te 
lande de eerste grondslagen voor ons volksbestaan werden 
gelegd. In waarheid, ook om den wille van het toekomstig 
Rgksmusëum moet uwe commissie de overbrenging der be- 
geerde voorwerpen van het Leidsche naar Amsterdam on- 
raadzaam noemen, daar het nationaal karakter der nieuwe 
stichting er onder Igden zou, en de verzameling, door ver- 
menging van het ongelgksoortige, een uitermate bont, dat 
is een zeer onwetenschappelgk aanzien zou verkregen. 

Terwgl wg het aangevoerde aan het oordeel uwer verga- 
dering onderwerpen, onthouden wg ons van het bgbrengen 
van andere gronden tegen het door ons bestreden denkbeeld, 
naardien zg bg eenig nadenken vanzelf in het oog vallen. 
Daarom zwggen wg van den aard der voorwerpen, die men 
aan het Leidsch Museum wenscht te ontnemen, voorwerpen 
die in natura, minder in afgietsels, voor de wetenschap der 
archeologie meerendeels gewichtig zgn, maar wegens hunne 
bestenmiing, hunne vormen en den vaak zeer geschonden 
staat, waarin zg verkeeren, voor een Museum, waarin ons 
volk nuttige kennis en goeden smaak moet leeren, inderdaad 
weinig geschikt zgn. Daarom ook laten wg de vraag rusten : 



( 323 ) 

of het waarschijnlgk is, dat de Leidsche monumenten, als 
zg naar Amsterdam z^n verplaatst, dàar onder even betrouw- 
baar wetenscbappeligk toezicht zullen staan als te voren, en 
begeven wg ons evenmin tot eenig onderzoek, in hoeverre 
de gedachte berooving van eene reeds lang en roemrijk be- 
staande inrichting ten behoeve van eene nog te vormen, een 
antecedent zou kunnen leveren, waardoor voor andere rgks- 
verzamelingen, b. v. onze openbare boeker^en, het kabinet 
van antieke gesneden steenen enz., schromel^ke gevaren 
zouden kunnen ontstaan« Dit alles, en meer van dien aard, 
aan uw eigen overweging overlatende, eindigt uwe commissie 
haar Rapport met den wensch, dat onze Akademie-afdeeling 
aan het voorstel van den heer Leemans gevolg zal geven, 
door zich in het belang der wetenschap en der beide Musea 
tot ^s lands Begeering te wenden met den ernstig uitgespro- 
ken raad, om het b^ haar geopp^de en aanbevolen denk- 
beeld niet te verwezenlgken. 

ÄTMterdamj W« MOLL. 

11 Februari 1878. G. DE YRIES AZ. 

J. C. G. BOOT. 
B. J. L. DE GEEB. 



BERICHT 



▲A.KOAAHDE DSM 



WEDSTRIJD IN lATIJNSCHE POËZIE. 






Sedert de laatste jaren wordt de taak der commissie, welke 
belast is met de keuring der Latgnsche prgsverzen, omvang- 
rjjker en moeilgker; want het aantal dichters, die met meer 
of minder goed gevolg aan den wedstrijd deel nemen, groeit 
gaandeweg aan. Gelukkig dat die taak in één belangrijk 
opzicht ook aangenamer wordt, dewgl de volstrekt onbe- 
voegde pruldichters van een vroeger t^dvak ons niet meer 
met hunne elucabratien lastig vallen en zelfs de minste der 
negen inzenders, over wie wg heden de vierschaar moeten 
spannen, niet ver beneden het middelmatige daalt. Wel is 
waar bl^ft uw verslaggever thans buiten de gelegenheid om 
door het vermelden van vermakelgke dwaasheden u eenige 
oogenblikken van onti«panning te bezorgen ; maar dit onbe- 
duidend nadeel wordt geheel opgewogen door de onloochen- 
bare omstandigheid, dat Hoeufft^s legaat meer en meer be- 
gint te beantwoorden aan de bedoelingen van den milden 
schenker. Alleen zouden wg nog wenscheu, dat in ons va- 
derland zelf meer deelnemers aan den weustrgd werden ge- 
vonden. 

Naar onze gewoonte gaan wg over, om u iels mede te 
deelen omtrent den arbeid der negen mededingers, die aan 
ons oordeel onderworpen is. 

Het eerste gedicht, blikbaar het werk van een Hollander, 
draagt tot opschrift: Liberias, Ad Italos, met het aan 



e 325 ) 

I 

D. J. van Lennep ontleende motto: Naêcetuvy patria êospite^ 
nostra solus. Ia drie-en-twintig Sapphische strophen her- 
innert de dichter hoe het korte tigdsverloop van twintig jaar 
mundi f adem vetusti novaverit. Napoleon UI is gevallen. Het 
Daitsche keizerrgk is opgericht. Aan Oostenrgk is de ne- 
derlaag zelve ten zegen geweest: Austriae fréctae meliore 
cives lege reguntur. Het koningr^k Italië met Rome als hoofd- 
stad is geboren. In Rusland en America is de Igfeigenschap 
en de slaverng afgeschaft: 

Liberum iam sol oriens cadensque 
Gonspicit orbem. 

Dat alles is te danken aan de Sancta Libertas. Testis 
est tellus mea — hieruit blijkt, dat een Hollander spreekt — 

Testis est tellus mea, quae, tyrannos 
Opprimens olim, tria saecla sedes 
Incolis mansit placida advenisque 
Meta malorum. 

Dezelfde Libertas heeft de wedergeboorte van Italië be- 
werkt. Wat Tacitumus geweest is voor de landgenooten des 
dichters consilio princeps sapientiaque conspicuus vir^ dat is 
Cavour voor Italie geworden: 

Inclitus vobis ita liberator 
Orsus est tandem — popularis heros! — 
Vel sua gentis recreare vitam 
Morte paratus. 

Deze vir acutus — een vreemd epitheton — spreekt het 
woord : Libera et una^ en koning en volk volgen. Dat ge- 
luk van Italië zal bestaan, mits het in voorspoed de een- 
dracht beware, die het in tegenspoed betoond heeft: 

In malis Concors, cole, gens, eodem 
In bonis rectumque fidemque amore: 
Pulchra tum tellus tua erit beata 
Rege sub aequo. 



( 826 ) 

Wg hebben dit gedicht niet eershalve de eerste plaats ge- 
geven. Het schgnt ons yrg onbeduidend« De verzen z^n 
middelmatig, hier en daar stroef en onwelluidend Het komt 
ons voor, dat de dichter verre beneden zgn onderwerp is 
gebleven. Zonder verder onderzoek naar de fouten in de 
Latiniteit leggen w^ dit opusculum ter zgde. De schr^ver 
zal zich nog wat moeten oefenen, voordat hg met Esseiva 
en Pavesi in het strgdperk treedt. 

Niet veel gunstiger is ons oordeel over het gedicht N^. 3, 
eene Elegie met het motto : Et nunc omnia ager^ nunc omni» 
parturit arbos. Het onderwerp wordt aldus aangegeven: 
Pater primo vere ßlium animi causa in auburbanum ducit. 
Het is jammer, dat deze inzender zgne belezenheid betoont 
door zgne voorbeelden op den voet te volgen. Zoo al da- 
delgk in den aanvang: 

Tristis hiems abiit; summis e montibus aUa^ 

Diffugere nives^ vestit et herba solum. 
Flumina plena fluunt alveo, patulis nova campis 

Gramina jam redeunt arboribtMque comae. 

En zoo gaat het voort twee-en-tachtig verzen door, zonder 
dat men ooit uit dien kabbelenden stroom van gemeenplaat- 
sen wordt wakker geschud, tenzg door metrische onbehoor- 
Igkheden, als daar is vers 13: 

Jamque PAstor colles superat, petit arva colonus. 

en t^en het einde: 

Otia tolle, puer, vigili, inquit Assuesce labori. 

Het zgn vooral de bloemen, die de aandacht des vaders 
trekken, bgv« 

Est rosa veris honos, florum regina vocatur, 
Ipsa tamen forma est ambitiosa nimis. 

Anceps forma bonum, velutique rosa ipsa caducum ; 
Orto sole viget, sole cadente perit. 

Dezelfde zeurige toon blgfk den vader bg en wij betwgfelen. 



( 327 ) 

of de zoon zich op de morgenwandeling erg zal hebben 
vermaakt, te meer daar hg de volgende nutte leering ten 
slotte mede naar huis krggt, welke den stggenden leeuwerik 
in den mond wordt gelegd: 

Exsultare licet pueris, animumque levare, 

Gaudia ne foedet sordida culpa modo. 
Aetas dum floret studiis operique vacandum: 

Gignit in autumno vere subactus ager. 
Vere colonus arat, sulcis et semina credit; 

Complet apis dulci sedula melle favos. 
Otia tolle, puer, labor improbus omnia vincit^ 

Percipies fructus tempus in omne tuum. 

Zulke zoetsappige en onbeduidende taal kunnen wg geene 
eervolle melding waardig achten. De dichter heeft zich kunst- 
matig opgewonden, want werkelgk heeft de natuur niet 
op de daad bespied en nagegaan. Vandaar dat hg de rozen 
en de primulae veris bg hem te gelgkertgd bloeien en reeds 
in de lente, gelgk wg hoorden, de ngvere bg de raten met 
honig vult. Ook dit gedicht leggen wg ter zgde. De dich- 
ter heeft stellig meerder oefening dan N^ 1, maar het ont- 
breekt hem aan poetischen aanleg. Figaro beweerde : ce qui 
ne vaut pas la peine d'être dit, on le chante. Wg meenen te 
moeten zorgen, dat de Latgnsche Zangster eene uitzondering 
make op dezen kunstregel. 

Wg komen aan N^ 4, met het motto Ab Jove principium. 
Het onderwerp is althans niet afgezaagd. Ecclesia Ephesi 
Divo Joanni Evangelistae in Patmon reUgato S. P. D. ; met 
het antwoord van den Apostel aan de Gemeente van Ephese. 
Onze verwachting was bg het lezen van dit gedicht eenigs- 
zins gespannen, maar is zeer teleurgesteld. De dichter, die 
een gverig beoefenaar schijnt van de Heroides van Ovidius, 
blgft verre beneden de waardigheid der personen, die hg 
sprekend invoert. Hij heeft weinig te zeggen, vervalt onop- 
houdelgk in herhalingen en blgft altgd even doucereus. Met 
uitzondering van een aantal zwakke regels, is de versificatie 
over het geheel gemakkelgk, maar kracht van dictie zal men 



( 328 ) 

in dit geteem te vergeefs zocken. De Gemeente van Ephese 
begint aldus: 

Quae tibi praedulcem dicit, Pater alme, salutem 
Haec Ephesi ab noto litore charta venit. 

Accipe, nee pigeat; caro pia nata parenti 
Scribit, et a viduo moeret abesse sinn. 

En dat blgft aldus in denzelfden toon gedurende 64 re- 
gels zonder eenige de minste verheffing van st^l. De Ge- 
meente ziet angstig uit, dat Johannes kome om haar geloof 
te bevestigen en de kettergen te bedwingen: 

Ast ego quae dicor generosi nata parentis, 
Destituor rabidis praeda cibusque feris. 

Heu misera Aegei specto de gurgite, si qua 
Attingat portum per vada salsa ratis. 

At spe deludor, Zephyrusque per aera pennis 
Exsurgens, subito votaque spemque rapit. 

Maar kan Johannes zelf niet komen, dat hg dan ten minste 
dezen brief beantwoorde : 



Interea natae ni te memiuisse pigebit, 
Leniat invisas litera missa moras. 

Johannes voldoet aan dit verlangen, maar eigeulgk heeft 
hg niets te zeggen: 

Missa Patri nuper ventosa per aequora charta 
Allata est manibus, filia cara, meis 

Perlegi agnovique notas sensumque fidelem, 
Lenimen saevis illa fuere malis. 

Zelf weet Johannes zich te troosten door het onwankel- 
baar vertrouwen op Gods Voorzienigheid, en wat de Ge- 
meente van Ephese betreft, voor deze geeft hg den volgeu- 
den raad ten beste: 



( 329 ) 

Parce tamea, mea aata, metn: me vindice tutae 

Extabont pulchrae Belligionis opes. 
Haud poterit temerare tuos vis improba mores, 

Si serves sanctae foedera amicitiae. 
Scilicet hac toto nil est praestantius orbe: 

Quam bene terrigenos colligat ista Deo! 
Hac dnce, quae nuper sparsi pia semina cultor 

Sedolos, haud umquam saeva nocebit hyems. 
Si qua furant Boreae vesanaque flamina Cauri, 

Hac duce, nil certe gramina laeta premet. 
Sic reor, insidias Orci secura repelles 

Et fugient patriis hostica signa plagis. 
Spero equidem Aegeas venturum protinus oras; 

Nec dubito: reditus parva futura mora est. 

Wg hebben natuurlek niet de zwakste regels van deze 
beide brieven uitgekozen, veeleer het tegendeel, maar toch 
springt de armoede aan denkbeelden in het oog, nog afge- 
zien van de menigvuldige gevallen, waarin men mag zeggen: 
good sentiments and bad grammar. 

Wg slaan nu eerst enkele gedichten over, om ons oordeel 
uit te spreken over N^. 8, hetwelk ingezonden is met het 
motto: Omnia fert aetas en waarvan de titel luidt: Ad 
veterum fautorem. De Italiaansche dichter wil zgn vriend 
Mal vins bekeeren, die een laudator temporis acti se puero is. 
Er zal aangetoond worden, welk geluk Italië onder Victor 
Emanuel is deelachtig geworden. Malvius maakt zelf gebruik 
van spoorweg en telegraaf. Thans hebben de provinciesteden 
niets meer te weuschen, wanneer zg haren toestand verge- 
lijken met dien der metropolen. Straten en heerbanen zgn 
goed geplaveid ; fonteinen vindt men overal ; desgelgks open- 
bare tuinen. Zelfs de gasverlichting ontbreekt niet. Dat 
alles komt allen ten goede : het kost veel geld, het is waar : 
maar door de vermeerderde welvaart zal het nageslacht zon- 
der bezwaar de rente betalen en het kapitaal aflossen, want 
ook het volksonderwgs is veel verbeterd. De kinderen des volks 
leeren de mysteria veri, d w. z géographie, vaderlandsche ge- 
schiedeuis, ja zelfs de vier hoofdbewerkingen der cgferkunst : 

VJUtSL. EN HKOKD ATD LKTTEBK. Sde iUilKKS. ÜËbL VII 28 



f 330 ) 

Vidi ego te toties (ne te irusteris) hiantem 

Sistere, quum docti vel prima elementa periclum 

Te coram facerent puerL Mysteria veri 

Jam yalgo patefacta: plagas et flumina terrae, 

Et montes ventosque probe plebecula novit, 

Atque vices patriaeque decus. Bene docta, qnid ultra? 

Multiplicat numerosque secat, deducit et addit. 

Eenmaal had Italie vele vorsten, thans slechts één. Maar 
ook hier is vooruitgang. Men gelooft niet meer aan het 
goddelyk recht der koningen, maar weet dat zg menschen 
zgn van gel^ke beweging als w^. Italië had behoefte aan 
een rè galantuomo en het heeft dien verkregen. Deze koning 
is niet rgk, maar 

Succurrit miseris privatae prodigus arcae. 

Hg is erg liberaal, want hy heeft er niets tegen, als men 
zgn baard laat groeien en geeft zelf het voorbeeld : 

Quae saeva pilos pascentibus olim 
Damna minaeve ! Metu jam nos solvamus ; habemus 
Qui praeit exemplum; et tuio simuiare figuram 
Vervecis poteris. 

De doodstraf is afgeschaft en de beul kan naar huis gaan, 

quum tarpis ab oris 
Et nostris scelerum facies excesserit omnis. 

Overdriving is niet te vreezen, want die de macht heb- 
ben door den wil van het souvereine volk, moeten dat volk 
ontzien, hetwelk contraria sedans inohilior vento nu deze, 
dan gene partij ter vertegenwoordiging afvaardigt. Zoo ver- 
toont de koning zich alleen en in het openbaar. Die niet 
wil behoeft hem niet eens te groeten. Hoe gaat het toe by 
het voorlezen der Troonrede? 

Instaurant procerum coetum suffragia plebis 
Conveniuntque simul: propere praeeunte senatu 



(831 ) 

Ingreditor sedes: récitât quae sponte legenda 
Accepit, grates referens dociliqae tributa 
Indieens plebi nova libertate faventi. 
Excipiunt plansu, at mos est, haec verba coroDae: 
At toto sibi gratatur rex pectore partes 
Ezplevisse suas recte mandata loquentem. 
Extemplo abscedit laetus. 

De koning doet wat hg wil. Wien kan het schelen, of 
hg te Bome of elders is? Het regent ridderorden en van 
iederen luisterrgken maaltgd mag het publiek het menu in 
de dagbladen lezen: 

Testantur quandoque dapes, quarum omnia passim 
Nomina yulgantur subito per compita: quaenam 
Et quoties animos recrearint vina? dapumne 
Ostrea principium? fueritne acipenser aperne? 
Quale genus iuris, quaenam nova crustula, poma? 

Maar het grootste bewgs der onbeperkte yrgheid, welke 
Italië geniet, is dit gedicht zelf: 

Quae t>empora speres, 
lam nobis rediisse puta : nee carmina certe • 
Haec mea tu legeres, nee scriberet ipse poeta. 

Ook nu weder hebben wg u de beste regels med^edeeld en 
zwggen wg oyer menig bezwaar t^en latiniteit of versifi* 
catie. Immers ons ongunstig oordeel over deze satire is 
niet gegrond op meer of minder talrgke tekortkomingen, die 
wellicht met geringe moeite zouden kunnen verholpen wor- 
den Onze bedenkingen gelden het plan van het stuk zelf« 
De leden uwer commissie hadden natuurlgk de prgsverzen 
alle reeds gelezen, toen zg in de vorige maand te zamen 
kwamen, om van gedachten te wisselen. Een onzer had 
onder meer aangeteekend : »Een duister gedicht; 't schgnt 
eene satyre." Een tweede: »Lofdicht of satyre?'' De derde: 
»Ernst of kortswgl?" Zoo is het. Is de dichter in ernst, 
dan is zgn horizon al zeer beperkt. Liever gelooven wg, 
dat hg een satyre heeft willen schrgven; maar dan moeten 
wg erkennen, dat hg dikwgls duister is en nergens geestig. 



f 33Ä ; 

Hpenfft heeft iets beters verlangd, toen hg. zgn medaille 
uitloofde. 

Wfl komen tot het gedicht N^. 7 met het motto: Pro- 
cul negotiis en het opschrift In Ripa^ hetwelk blgkbaarhet 
werk van een Hollander is. De dichter, een bejaard man, 
zit bg firaai lenteweder aan den oever eener rivier en voelt 
zich verjongd bg den aanblik van den kabbelenden stroom. 
Een visscher zet zgne fuiken uit. Een zwaluw scheert het 
water. In de verte zgn eenige jongelieden in een bootje 
aan het spelevaren; hun gezang weerklinkt over het water. 
En inmiddels denkt de dichter met berusting aan zgne ver- 
vlogen jeugd. Maar hoe verandert op eens dat tooneel in 
den wintertgd. Ook dan nadert de dichter de hem lief 
geworden plek, maar de storm is gezwollen en bedreigt 
allen met vernieling^ die zich veilig wanen achter hunne 
dgken. Altgd rgst het water: 

Custodes vigilant: omnis nota, nuncius omnis 

(Sive Colonia seu Gelria deproperat) 
Ârripitur : quaerunt quis lunae aestusque sit ortus: 

Quae venti regio visque sit usque notant. 

Maar gelukkig, daar verschgnt weder de zon, die alleen 
in staat is de kracht des waters te bedwingen. Weldra is 
de rivier weder tot hare bedding teruggekeerd: 

Perge, salutifer amnis ! agros peragrare patemos. 

Nobis, ut proavis, gratus et auctor opum! 
Te proavi vigiles vitae lucrique datorem 

Et carae patriae te coluere decus. 
Mole tarnen, ne te tempestas imbribus auctum 

Latius efferret, constituere modum. 
Alma ita Pax tutis viguit quaestumque ad honestum 

Usque tui latices mille dedere vias. 
Seraque nos soboles^ humiles veneramur et ampli. 

Lactique in ripa dicimus »Amnis ave!" 
Utque alios alio felices munere donas, 

Ut pauper praedam, ut tibi magnus opes. 



( 383 ) 

Utque orbes et agri tibi se debere fktentur 

Principium vitae conspicaamve decus: — 
Segnior haud illis te grata meute saluto, 

Adspicieus laetas, laetior et meditans. 
Scilicet ingeuuus, benefactaque plurima spai^eus, 

Indefessus aquas volvis iu Oceauum. 
lude » bouum^'que » patrem'^que homiues te rite salutaut. 

Streuua uec dispar sit mea vita tuae! 

De vlekjes iu deze regels outgaau ous uiet, maar toch 
meeueu wg, dat het geheel uiet zouder verdieuste is. Het 
gedichtje is bevallig, maar dat is ook volstrekt het eeuige, 
dat wg kauueu prgzeii. De iuhoud, is wat mager. Wgmee- 
neu deu dichter gestadige oefeuiug te mogeu aauradeu. 
Mogelgk kau hg dau eeu andermaal gelukkiger zgu. Wg 
wgzeu hem alleeu uog op deu laatsteu regel: Strenua nee 
digpar sit mea vita tuae, Dewgl de beschrgviug is voorafge- 
gaan, hoe iu deu winter het water wordt opgezweept, totdat 
de dgkeu dreigen te bezwgkeu^ is het duister iu weikeu zin 
de zanger zich eeu gelijk levenslot wenscht als zgu geliefden 
vader Bhgu is ten deel gevallen. Eene vieillesse orageuse te 
wenschen is ougergmd eu de herinnering aan eene jeunesse 
orageuse ongepast. Maar wat is het tertium comparationis, 
zoolang men de tweede helft der voorafgaande beschrgviug 
nog uiet heeft vergeten? 

N*^. 9 koos tot motto: üt natura poësis en schreef eeu 
Carmen de P endulo. Thermometro et' Telescopio a Galileo in^ 
ventis. De eerste ontdekking wordt aldus beschreven: 

Demissa aerio Pisani e fornice templi 
Peusilis en lampas librata mole quiescit. 
Corporis extemi sed forlle ex impete pulsa 
Et puncto ex imo propriae turbata quietis, 
Protiuus adsceudit velox — delabitur inde 
PoAdere pressa suo — hinc resilit — reciditque reditque 
Et lapsu asceusuque suo tot perficit arcus; 
Gyroram at radios spatiis aequalibus horae 
Complet iuaequales et semper legibus isdem. 



(884) 

Uit deze eenvoudige opmerking is de uitvinding derslin- 
geruurwerken voortgevloeid. ' Aan hetzelfde genie hebben wg 
den thermometer te danken: 

En tabulum tenui similem quem forte capillo 
Esse putes, comperto et nomine maximus auctor 
Thermometron dixit. Lenta hue immittitur unda 
Liquida materies, quam vis ubi permeat aestus, 
Gliscere distentam sursumque ascendere cogit; 
Si vero asperius concrevit in aethere frigus, 
Densior usque latex lento descendere motu 
Gemitur et sensim tubulo subsidere in imo. 
Sic tibi nosse datum, fuerit quae forte sub axe 
Coeli temperies viresque gradusque caloris 

Op deze glansr^ke ontdekking komt die van den tele- 
scoop. Daarmede worden door Galilei duizende en duizende 
sterren onderscheiden, welke samenvloeien tot den zooge- 
naamden melkweg. Hg is de ontdekker van de manen van 
Jupiter. Hg heeft het bestaan van bergen op de maan aan- 
gewezen. Hy heeft eindelgk het bewgs geleverd van de 
juistheid der theorie van Copernicus. 

Wg zgn steeds van oordeel geweest, dat bg onze kritiek 
de particuliere overtuiging des dichters moet onaangeroerd 
blgven en, daar deze quaestie zich vooral voordoet bg de 
politieke poëzg der Italianen, die onze voornaamste inzen- 
ders zgn, zg het eens voor al gezegd, dat wg van ons stand- 
punt alleen naar onberispelgke Latgnsche verzen vragen en 
ons in geen geval aansprakelgk stellen voor de juistheid der 
bezongen meeningen. Zoo ook nu vragen wg niet, of de 
drie gezegde uitvindingen met recht aan Galilei worden toe- 
geschreven. Wg twgfelen daaraan zeer en als Nederlanders 
hebben wg niet juist te dezen dezelfde Sympathien als de 
Italiaansche dichter. Toch kunnen wg niet besluiten dit 
carmen eervol te vermelden. Wij erkennen natuurlgk de groote 
bedrevenheid van den vervaardiger, maar de poëtische waarde 
rgst, dunkt ons, niet hoog. Wat is het onderwerp van dit 
gedicht? Denkt men alleen aan drie ontdekkingen, die toe- 
vallig door denselfden persoon zgn gedaan, dan missen wg 



( 335 ) 

de eenheid waardoor een afgerond dichtwerk zich moet ken- 
merken. Wil men daarentegen, dat Galilei zelf bet onder- 
werp zg, dan schont ons de behandeling onvolledig en had- 
den wg behoefte aan veel meer, om zulk eene persoonigkheid 
te kenmerken. Ook dit pr^'svers moeten w^, zg het dan ook 
met leedwezen, ter z^de l^gen. 



£r blgyen ons nog drie gedichten te beschouwen over, 
N*. 2, 5 en 6. Zg zgn van eenigszins ander gehalte. N'*. 2 
dra^^ tot motto: Audax omnia perpeti gens humana ruit em 
heefb tot onderwerp de droogmaking van het Locus Fucnusj 
welke Italie aan prins Torlonia te danken heeft. Eene op- 
pervlakte van 14000 hectaren is daardoor aan den landbouw 
teruggegeven en het reuzenwerk is wel waard door de Muze 
te worden vereeuwigd. Ruim drie honderd hexameters; 
w^ staan hier voor een gedicht van niet onbeduidenden 
omvang. Zie hier het beloop van het stuk. Midden in de 
Âpenngnen ligt een meer, 

protentus in orbem 
Millia dena quater, triplicem quo lapsa per amnem 
Oiunis clivosis immittitur unda scatebris. 
Aggeribus sed perpetuis natura paludem 
Carceris instar obit, quo plnrimus undique septus 
Considit, nullamque viam sibi repperit humor. 

Dat meer is aan eene periodieke stgging onderworpen, 
waarvan de omliggende akkers niet weinig hebben te lijden. 
Van daar het bekende plan van keizer Claudius om op 
dezelfde w^ze^ waarop uit het lacus Albanus het overtollige 
water werd en wordt afgevoerd, ook hier door een emissarius 
aan de bedreigde landstreek te hulp te komen. De uitvoe- 
rige beschr^ving loopt in dit gedicht tot vers 154. Als eene 
proeve geven w:g u de schildering van den welbekenden 
scheepsstrgd, welke, vóór het openen van den tunnel, in te- 
genwoordigheid van keizer Claudius werd gehouden: 



( 336 ) 

Jaia jam lapsuris solemnia Claudius uudis 
Ipse inter biuas pouit certamina classes. 
Prodiit ut tyrio Caesar conspectus in ostro 
Fervere cuncta videSj fremitu plausuque resultant 
Finitimi colles: vox haec tarnen eminet uoa: 
Te salvere iubent leti quihua imminet hora. 
Caesar^ ave! Salvete^ viri: vox reddita contra. 
Turn vero impatiens regis praecepta inventus 
Detrectat renuitque mori, et commitlere pugnam, 
Ezemptos se morte rati: quo percitus ira 
Hac iliac sine more furit, residesque recursans 
Hortatur capere arma, crucem minitatus et ignes. 
His conversi animi dictis, ac jussa facessunt. 

Beeds dadel^k was gebleken bg de opening, dat de emis- 
sarius verkeerd was aangelegd : h:g lag veel te hoog en door 
verloop van t^d was ook de later aangebrachte verbeterde 
loop van den tunnel verstopt geraakt. Het was voorbehou- 
den aan Alexander Torlonia, den procerum ditüsimus^ het 
ten einde té brengen en door een nieuwen waterweg het 
geheele meer droog te leggen. Dat grootsche werk van den 
Franschen ingenieur Montricher, wiens arbeid na zgn dood 
voltooid is door Bermont en Brisse, wordt bezongen in de 
tweede helft van het gedicht. Met genoegen lezen w^ ter 
eere van Montricher, die voormaals den loop van de Durance 
geregeld had: 

O tibi, Montrichere, utinam nunc vita maueret, 
Farthenope tenet immiti quem innere raptum! 
Heu miserum! memorabile opus vix ipse repertor 
Arte nova extuderas. te fata tulere, uec illud 
Cernere posse datum, primam cui Fucinns haustus 
Dat, non Massiliam deducta Druentia palmam. 

Nu volgt de aanschouwelgke beschrigving van het uitgra- 
ven van den tannel, welke driemaal langer moei uitvallen 
dan die van keizer Claudius: natuurlek, want hg is zooveel 
lager gelegen. Daarop de feestel^ke opening. Het water 



( 337 ) 

Qua via facta, rait, penitusque illapsa sub umbras 
Aestuat unda furens, antra intonuere profunda 
Ingentemque vapor iaculatus ad aethera nubem 
Involvit trepidos densa caligiue, coelumque 
Eripuit subito ex oculis; ast orta repente 
Temperies, faciemque poli lux alma serenat. 
Ingeminant plausus, reboat plangoribus aether, 
Laetitiaque fremunt, ter io clamore canentes 
Et quater. artifices, vos et te laudibus, auctor, 
ExtoUunt, patriaeque patres uno ore salutaiit. 

Thans is het tooneel geheel veranderd. Waar vroeger de 
visschen en de watervogels onbetwist heerschapp^ voerden, 
daar vindt men thans deels weiland, deels is de vruchtbare 
akker met gierst, koolzaad, katoen of graan beplant: 

Talia dives arat flavi prope littora Rheni, 
Harlemi oceano iacuit qua mersa refuso 
Tellus, arva, parens generosae Hollandia prolis. 
Illuc, ut perhibent, atra bacchante procella, 
Ipse superiectis violentior incidit undis 
Oceanus, penitusque cava tellure resedit 
Plurimus, unde diu tenuit batavica late 
Aequora salsa palus, faciemque simillima ponto. 

Die vermelding van het Haarlemmermeer is zeer aardig 
en wg vergeven het den Italiaanschen dichter gaarne, dat 
hg onmiddell^k derwaarts de bloembollencultuur overbrengt 
en zel& aan rosaria deukt. De mensch, vervolgt hg over- 
wint alles: denk bgv. aan de landengte van Suez, aan het 
doorgraven van den Mont Cénis, aan de onderzeesche mgnen : 

Quid mirum? cum sit menti coelestis origo, 
Olli et inest patrius vigor, ac Deus ipse fatigat 
Mortales : agitante Deo sibi conscia virtus 
Invia naturae, terras, mare, sidéra et omnia 
Imperio premet et victo dominabitur orbL 



( 338 ) 

Over het geheel z^n de verzen vloeiend en welluidend. 
Deze arbeid verdient onderscheiding. Zeker hebben w^ een 
tamelgk lang Igstje aanmerkingen op enkele uitdrukkin- 
gen: dat is bg zulk een uitvoerig gedicht niet vreemd. 
Maar dat wg de hoogste onderscheiding aan den vervaardiger 
niet kunnen toekennen, daarvan ligt de oorzaak dieper. Ook 
hier ontbreekt de eenheid vau gedachte. Eigenlgk krggen 
wg twee onderwerpen ter lezing, die door geen band ver- 
bonden zgn. Eerst geldt het den emissarius van Keizer 
Claudius, daarna zonder geleidelgke overgang den tunnel 
Tan Alexander Torlonia. Maar er is meer: gelgk in den 
aanvang uitdrukkelgk staat te lezen, het is den dichter te 
doen om de verheerlgking van dezen laatsten; dat is, althans 
naar het inzien van uwen rapporteur, verkeerd« Montricher 
had de held moeten zgn: de verdiensie van prins Torlonia 
bestaat daarin, dat hg van zgne millioenen een schitterend 
gebruik maakte, nuttig voor anderen, voordeelig voor zich 
zelven. Maar die procerum ditissimuê mag, dunkt hem« de 
hoofdpersoon niet zgn. De dichter zelf zit met zgn held wat 
verlegen: dat is duidelgk te zien. In weerwil van dit alles 
zal FudnuB lacua^ na verbetering van enkele zwakke plaat- 
sen, met genoegen gelezen worden. 

Dei^elgke verbeteringen zullen niet noodig zgn bg N^. 5, 
waarin wg geen enkele fout tegen latiniteit of versificatie 
ontdekt hebben. Alle verzen zgn bevallig, vloegend, door- 
schgnend als glas. Het opschrift is Pulkes en het motto: 

In tenui labor, at tenuis non gloria, si quem 
Numina laeva sinunt auditque vocatus Apollo. 

Onder aanroeping van Calliope zal de dichter een Mars 
feminetts bezingen. Nadat Cynthia zich ter ruste heeft be- 
geven, Morpheus 

Assistit spondae, manibusque papavera quassans, 
Haustos Lethaeo spargit de flumine rores; 
Ventilat et pennis, et conciliantia somnos 
Carmina vix intellecto demurmurat ore. 



< 339 ) 

Te vergeefs. Cynthia kan den slaap niet vatten en, zoo zg 
al inslnimert, dan schrikt zg terstond weder wakker, 

sibi quippe videtnr 
Nunc spinis pangi, tacitns nunc ignibus uri. 
Quodque magis miserum^ qui turbavere quietem, 
In vigili perstant sensus, velamina tanquam 
Pestifero Nessi sumpsisset lurida tabo. 

Met het aanbreken van den d^ springt zg van hare 
legerstede : 

Mené, ait, indignam 'tantos perferre dolores, 
Et solam placidae non noscere munera noctis? 
Nempe ferox nostro gens insidiata sopori, 
Dente venenato devotos occupât artus. 
Proh Superi, quid tantum in vos admittere quivi, 
Ut per mille animam hanc compellar ponere mortes? 
Nam mihi non sunt immiiis violata Dianae 
Numina, nee tristes merui persolvere poenas, 
Quas luit Actaeon rabidis data praeda molossis. 

Na dezen monoloog, waarvan wg u het eerste gedeelte 
mededeelden, begeeft Cynthia zich ten strgde en richt een 
Treeslgk bloedbad aan onder de schuldigen. De beschrgving 
is komisch deftig, bgv. : 

Nee prius absistit vasta quam caede peracta 
Cognatoque suoque natantia sanguine linquit. 
Unus avos atavosque dies tenerosque nepotes 
Dat leto: cessant volventes stamina Parcae. 
Non simili extincta est Priami domus inclita clade, 
Nee tot vidistis Fabiorum funera Yeii. 
Miratur parvos sua régna irrumpere Manes 
Pluto, sibique timens iactat Proserpina vestes. 

Waarlgk, geen gebrek aan geestigheid. Sibiquê timens iactat 
Proserpina vestes is keurig. Ook de epiloog, welke de dich- 
ter tot de Igkjes richt, is lofwaardig: 



(340) 

Magna tarnen diri yobis solatia casus 
Sors miserata dedit, roseo periisse sub ungne, 
Inyideant quali Charités vel mater Amorum. 
Hoc primum; turn si modo non fiducia yati 
Excedit yires, non yos hominum eximet ore 
Longa dies, sua dum constabit gratia Musis, 
Yestraque ad extremos penetrabit fama Batayos. 

Wg willen dit gedieht met den hoogsten lof yermelden; 
bekroonen kunnen wig het niet. Hoe jammer, dat zulk een 
yolleerd meester in de kunst zulk een onderwerp heeft geko- 
zen ! Mogelgk is yoor zuidel^ke yolken de geschilderde ramp 
minder aanstootel^k : w^ oordeelen onder den indruk der 
wgdbefaamde Hollandsche zindelijkheid. Waarom heeft de 
maker, die zulke yoortreffelgke yerzen weet te bouwen, zich 
op zulk een glibberig en bloedig terrein begeyen? 

Er bl^ft nog één gedicht oyer, namel^k N^. 6 met het 
motto: Nostra nee erubuit silvas hahitare Thalia. De titel 
luidt: De Insubrum agricolarum in transatlanticas regioneê 
emigratione. Idyüia cum epietola dedicatoria, In dien brief 
spreekt de dichter, die zelf niet jong meer is, zijn bejaarden 
leermeester aan, die hem het pad naar den Parnassus .heeft 
geleerd. W^ moeten dat stuk buiten beschouwing laten: 
het is privati argumenti. Boyendien leest men daarin eene 
al te duidel^ke aanw^zing yan den auteur. Deze heeft 
trouwens zelf geyoeld, dat deze begeleidende missiye eigen- 
lek een hors d'oeuvre is, want hg heeft haar afzonderlek ge- 
pagineerd en zgn motto boyen de eerste idylle aangebracht. 
In deze yerplaatst de dichter ons naar de oeyers yan de 
Olona in den yroegen oogsttgd en brengt ons in kennis met 
twee jonge landbouwers, Tolmon en Lygdamus, die yermoeid 
yan den gestadigen arbeid tegen den tgd, dat de zon het 
heetst is, te zamen komen onder een ouden eik, die zich op 
de gemeenschappelgke grens yan beider akkers beyindt. In 
afwachting dat hunne zusters het middagmaal bren- 
gen, beginnen zg te spreken. Tolmon klaagt oyer het lot 
des gewonen landbouwers. Hg moet het geheele jaar hard 
werken, om den rgken grondeigenaar nog rgker te maken, 



( 341 ) 

en zich dan nog tevreden stellen met een stnk haverbrood. 
Den wgnboeren gaat het niet beter ; zg mogen water drinken. 
Lygdamus antwoordt, dat men Gods bestel moet eerbiedigen : 
dat heeft de pastoor hen alt^d geleerd en het lot hunner 
vaders was eertgds gel^k aan het hunne. Dat spreekt Tol- 
mon tegen. Toen woonden de grondeigenaars op het land 
en wisten, wat den landman toekwam. Alsof het niet genoeg 
was anderen te moeten helpen aan een weelderig leven, komt 
daarb^ de belasting op het gemaal. Dan mislukt het graan, 
dan de zgdeteelt, dan komt weder de drnivenziekte. Het 
landvolk verarmt van jaar tot jaar. Het zal best z^n het 
vaderland te verlaten en te emigreeren. Tolmon heeft het 
voorbeeld van Alcon voor oogen, dien zg als doodarm had- 
den gekend, maar die in America schatr^k is geworden en 
nu in een eigen huis woont en eigenaar is van denzelfden 
grond, dien hg vroeger beploegde: 

Aliis nam quod bene cessit 
Üur mihi desperem? Ingenii et mihi nonnihil atque. 
Ut satis, est artis, neque vis infirma lacerti. 
Nee défit, quae cuncta potest, animosa voluntas; 
Deinde boni quod consulitur Deus adiuvat aequus, 
Ac praesens hominum proba non avertitnr ansa. 

Lygdamus ziet tegen het plan op ; niet het minst de zeereis 
schrikt hem af. Tolmon is vastbesloten te gaan, de prgs is 
het gevaar wel waard. Het komt eindelgk aan den dag, dat 
Lygdamus wordt tegengehouden door zgne liefde voor Elpidie. 
Hare ouders wachten slechts op wat ruimer oogst, om den 
bruidschat voor hunne dochter bg een te brengen en dan 
hoopt Lygdamus de gelukkige te zgn, op wie de aandacht 
van Elpidie en hare ouders zal vallen. Tolmon is dat niet 
met hem eens; de zaak wordt op de lange baan geschoven; 
en wat is het dan nog in het beste geval? Armoede en 
gebrek Igden zonder hoop op beterschap: 

At votis potiare quidem Quae dulcia fingis, 
Permansura diu thalami num gaudia reris, 
Quem super impendet graviterque incumbit egestas? 
Languet inops cito amor, sitienti qualis in arvo 



( 342 ) 

Ignota irriguo crescit qnae viignla fontL 
Tam corae snbeont tristes, tam pignora amoris 
Ipsa qaoqoe aogori tibi sant animamqae dédisse 
Poenitet hea ! dederis qoibus infelicibus esse 

Dat heeft invloed op Lygdamos. Tolmon zal ook z^e 
geliefde Charité achterlaten, maar hg zal dat doen in de 
hoop op blgder toekomst. 

Lygdamos geeft zich gewonnen, maar op ééne voorwaarde; 
hg moet het oordeel van den pastoor over dit waagstuk eerst 
vernemen. Dat keurt Tolmon goed en het gesprek wordt 
a%ebroken door de aankomst van beider zusters met de eet- 
waren. Hiermede eindigt de eerste idylle. 

De tweede idylle begint met de beschrgving van een zon- 
dagavond. De vrouwen en de meisjes zoowel als de oude 
mannen trekken naar het kerkhof om de graven hunner ge- 
liefde dooden te bezoeken en te weenen. Ter andere zgde 
is een plein met kraampjes, die op de marktdagen door 
vreemde kooplieden worden in gebruik genomen. Daar oefent 
zich de jeugdige manschap onder den bgval der rondom 
vergaderde menigte in het balspel. Tolmon en Lygdamos 
ontbreken; zg zgn op weg naar den pastoor. 

Lento incedebant Pastoris ad atria gressu. 
Stabat ibi adspirans montanam vesperis auram 
Ille senez, cui cruda tamen viridisque senecta. 
Planus erat vultus, patuia et quae reddere tuium 
Possit et ignotum frons, obtutusque serenus 
Mitisque et labia adrisu non tarda benigno, 
Eloquiumque fluens prono ceu tramite rivus. 

Lygdamus draagt de zaak voor. De pastoor is innig be- 
droefd over dit reeds half besloten plan. »Een wolf,'' zoo 
meent hg, » is mgne schaapskooi binnengedrongen Men heeft 
o hoopen goods voorgespiegeld; past op, dat gg u niet laat 
verleiden. Stelt eens, dat gg aan de gevaren van de lange 
zeereis ontkomt: wat zult gg in dat verre land bannen? 

Non me animi fallit persuasum id -pluribiis esse, 
Lnmensos illic spatio vacuosque iacere 
Terrarum tractus, qoos qui indefessus ab ortu 



( 348 ) 

Solls ad occasum ferro commitiget acri, 
Sylyestreinqae habitum yehemens extrudore cogat, 
In laatas brevi opes renturas dicitur. 

Dat is onwaar: getuigen zgn al die landgenooten, die arm 
en ' uitgeteerd uit dat zelfde land z^n temggekomen. Men 
ziet ze overal en de dagbladen zgn er vol van. Verder ver» 
trouwt gg op uwe gezondheid: dat hebt gg te danken aan 
ons gezegend klimaat, maar in America is de luchtgesteld- 
heid verraderl^k. Zelfs de inboorlingen vreezen voor de geele 
koorts : hoe zal het dan emigranteu gaan ? Als gg ziek wordt 
of sterft, zult gg daar geestelgken bgstand moeten derven: 

Eloquar an sileam? Et dulcem spirantibns anram, 
Afflictamque animam extreme exhalantibus absunt 
Omnia quae nobis coeli delapsus ab aula 
Attulit humani Deus ipse iuvamina cursus, 
Certaque perpetuae dedit instrumenta salutis. 

Wat zou ik ongelukkig zgu, als ik zoo iets van u moest 
hooren ! Wilt gg de armoede ontvluchten, goed ; maar daarom 
behoeft gg uw vaderland den rug niet te keeren. Ziet hier 
waarom. Het land^ waar gg thans het graan ziet geel wor- 
den en de moerbezieboomen zich verheffen, is niet altgd in 
dien toestand geweest. Zoo is het geworden onder de ngvere 
hand uwer voorvaderen en daarom kan dezelfde akker thans 
veel meer menschen voeden dan te voren: 

lam vero si multa, patrum non omnia fecit 
Virtus, atque artes per quas fecundius arva 
Spem quamvis avidi agricolae complere docentur. 
Una profecto hominum non omnes extudit aetas. 
Namque modum Deus humanis .naturaque rebus 
Hunc posuere, aliis ut quae invenere priores 
Crescant inveutis, veniens quae proférât aevum, 
Ët meliora bonis, quae tradita cumque fuere, 
Addendo, humanum genus in maiora feratur. 

Dat voorbeeld moet gg navolgen. Vlgt en toewgding zgn 
er noodig. Wat de arme op een feestdag verkwist, daaraan 
heeft hg gebrek op een werkdag. Maar met spaarzaamheid 



( 344) 

komt men ver. Daarvoor behoeft gg niet naar America te 
gaan : volgt dien levensregel slechts in uw geboorteland. Dan 
zal u de onmisbare zegen des Hemels ook niet ontbreken/' 
De grgsaard heeft gesproken en de jongelingen staan be- 
schaamd. Tolmon is de eerste om te verzekeren, dat hg het 
plan had geopperd,^ maar door de redenen van zgnen raads- 
man geheel overtaigd is. Deze is opgetogen: 

Quas, inquit, Tibi, summe Parens, dator aime bonorum, 

Quas reddam dignas tanto pro munere grates, 

Eripuisse duas uno qui tempore leti 

Fauce animas mihi et incölumes praestare dedisti? 

Postque Deum vobis, juvenes, est gratia, quorum 

Per dociles recti mentes verique capaces 

Fortunata dies adeo mihi clauditur isthaec. 

Sic vestros, pueri, gressus cornes usque sequatur 

Aima Dei virtus, ut quos complexus amore 

Ante fui, tota iam mente animoque fovebo, 

In quotquot Deus aetatem mihi proroget annos. 

Beeds was de avond gevallen en weltevreden gaan de beide 
vrienden naar. huis, zonder ooit meer aan landverhuizing te 
denken. Daarmede sluit het uitvoerig gedicht. 

Wg kunnen in dit stuk fouten aanwgzen en toch heb- 
ben wg in ons besluit geen oogenblik gewankeld. Gg ver- 
moedt het reeds. Na verwgdering van de epütola dedicatoria^ 
wenschen wg deze beide ic?yHia te bekronen, in de overtui- 
ging dat de dichter enkele kleine verbeteringen zal willen 
aanbrengen. Wg zullen diensvolgens den Secretaris verzoeken 
het naambrie^e te willen openen. Tevens wenschen wg 
N**. 5 Polices en N^ 2 Fucinm locus eervol te vermelden 
en zgn bereid ook deze beide stukken op kosten van het 
legaat uit te geven, wanneer de schrgvers zich willen bekend 
maken en de laatstgenoemde voor enkele kleine correcties 
onzen raad wil opvolgen. 

Amsterdam, S. A. NAB£B. 

Maart 1878. J. C G. BOOT. 

TH. BORRET. 



OVBR EBNE 
STEENEN WIG OP BUL VAN ZELDZAMEN VORM, 

IN HET RIJKS MUSEUM VAN OUDHEDEN 

TE LEIDEN. 

MBDBOBOK£LD DOOB 

C. L £ E M A H S. 



Toea in dea zomer van het vorige jaar de historische 
tentoonstolliag van Amsterdam een tal van bezoekers, zoo 
buitenlanders als landgenooten, naar de hoofdstad lokte, om 
daar de zoo boven alle verwachting rgke en volledige ver- 
zameling te bewonderen, en in de verbeelding mede te leven 
gedurende den loop der vgf eeuwen, waarvan de oorkonden 
en overblgfsels van kunst, beschaving, zeden en gebruiken 
in de zalen van het Oude-mannenhuis, met zooveel smaak en 
kennis aanschouwelgk waren gemaakt, toen liet menig een ook 
de gelegenheid niet voorbggaan, om in het bureel van den 
vrieudel:gken en beleefden vertegenwoordiger van de leden der 
commissie in het tentoonstellingsgebouw, den heer Dobbenga, 
nog eene keurige reeks van voorwerpen uit vroegeren tijd 
in oogenschouw te nemen. Zg waren door de eigenaars aan 
de bewaring van dien heer toevertrouwd, in de verwachting 
dat, ofschoon zij niet behoorden binnen de gi'enzen van het 
gebied dat voor de tentoonstelling was afgebakend, zg de 
belangstelling van vele bezoekers konden trekken, en met 
billgk voordeel, zoowel voor hunne eigenaars, als ten nutte 
van liefhebbers, verzamelaars en verzamelingen hunne koopers 

T&BSL. Kir MXOBO. kWD, LETTEK». 2de BXKK8, DBBL VU. 24 



( 346 ) 

zouden vindeii. Ook ik liet die gelegenheid niet ongebruikt 
Yoorbggaan, en zg verschafte mg de kennismaking met een 
wapen, werktuig of stuk huisraad uit een ver, welligt 
een zeer ver verleden, eene steenen wig of bgl, die ik 
voor het Rijks Museum van Oudheden heb aangekocht, en 
die ik thans het onderwerp maak eener korte mede- 
deeling. 

Volgens de opgaaf, die de eigenaar van het voorwerp aan 
den heer Dobbenga verstrekt had en door dezen mg medegedeeld 
werd, zou het, toen een paar jaren geleden, dus in 1874, 
door eenen zandschipper in de zandergen boven Naarden, 
waarschgnlijk bij de uitgravingen voor de spoorwegwerken 
van den Oosterspoorweg, gevonden en door dien vinder aan 
den nieuwen eigenaar te Amsterdam verkocht zgn gewor- 
den. Het gelukte mg niet met dezen laatsten in aanraking 
te komen, en zoo bleef mg de gelegenheid ontbreken tot 
nader onderzoek naar de juistheid van het berigt omtrent 
de afkomst van de bgl, de plaats der vinding en verdere 
bgzonderheden daarop betrekkelgk. Ik meen, zooals straks 
blgken zal, redenen te hebben, om aan de opgaaf bg het 
voorwerp gevoegd te moeten twgfelen. 

De bgl, — want dien naam kan ik hier bezigen, in de niet 
onwaarschgnlgke onderstelling, dat het werktuig niet alleen 
uit de hand bg wgze van beitel, maar ook aan eenen hou- 
ten steel verbonden, als werkelgke bijl dienst moest doen — 
is uit eene bruinachtige olgfkleurige Thonschiefersoort, zeer 
fraai, zuiver bearbeid en bgna geheel ongeschonden bewaard 
gebleveu. Zie de afbeelding op de plaat onder N^ 1 , 
a en b. Hare afmetingen zgn : lengte tot aan het middelste 
gedeelte der snede 19,3; breedte aan het boveneinde 6, 
aan het benedengedeelte, waar de boogvormige snede be- 
gint' 11 ; dikte in het midden van het bovengedeelte 0,5, 
grootste dikte in het midden 1.5 centimeter. Op eenen af- 
stand van 2,5 centimeters van het boveneinde zgn aan beide 
zgden insngdingen aangebragt, die, naar binnen eenigszius 
versmallende zich tot op eene diepte van 0,7 centimeters 
voortzetten en dienden tot bevestiging van de bgl aan den 
steel. Bovenop is de vlakte slechts zeer weinig bol, bgna 



c/.f;f:AfA\'s.sut»fn n,i 



I Hm MKnkI» AI'P I.KTTEBK ;;ÏBEEKS B.VIP 



(347 ) 

plat a%ewerkt. Van het midden naar de beide zgden loopen 
de breede voor- en achter vlakken van lieverlede tot elkander: 
hetzelfde is het geval aan het benedeneinde, waar zg in de 
snede overgaan, zoodat de omtrek van deze laatste zamen- 
loopt met de Ign, waarin de breede vlakken zich vereenigen. 
Het geheel kan den indruk geven, dat het naar een metalen, 
en dan wel waarsch^nl^k een bronzen model gevormd is, 
althans tot een tydperk behoort, waarin metaal tot het ver- 
vaardigen van diergelgke werktuigen gebezigd werd. Wg 
zouden in dat geval voor de afkomst eene verwgzing erlangen 
naar het volk, waar bglen van deze gedaante en afmetingen 
in metaal vervaardigd werden en in gebruik waren. Met 
betrekking tot den ouderdom zouden wg dan ook niet tot 
een hooger t^dperk behoeven op te klimmen, dan dat waarin 
de bewerking en het gebruik van metaal algemeen geworden 
was Intusschen dient in het oog te worden gehouden 
dat de overeenkomst van vorm, en zelfs van versierin- 
gen, de aanwezigheid vau bijzonderheden die, ofschoon 
passende bg het werktuig in metaal vervaardigd, ondoelmatig 
en onnut te achten zgn, wanneer het in steen bewerkt 
is, althans bg de Skandinavische oudheidkundigen nog 
volstrekt niet als bewgzen aangenomen worden, dat het 
metalen voorwerp als model den vervaardiger van het steenen 
voor den geest zweefde, en dus als het oudere kan worden 
beschouwd. 

Onze bgl onderscheidt zich door eene bgzonderheid, die 
mij, onder alle de zoogenaamde vóórgeschiedkundige en an- 
dere steenen werktuigen of wapenen van de vroegere volken 
der oude werelddeelen, tot nog toe niet bekend is geworden, 
eu die even min, zoover ik weet, bg de wapenen of werktuigen 
van de wilde volken van den tegenwoordigen tgd in gebruik 
is of voorkomt. Het zgu de twee insngdingen in de zgden, 
die ons uitsluitend op eene afkomst uit Amerika scliijuen 
te wgzen, en wel meer bepaald op de vroegere bevolkingen 
van het middengedeelte van dat werelddeel. Al de bglen of 
wiggen uit Nederlandsch Guyana, die het vaderlandsche 
museum bezit, of die ik elders aantrof, ook eene diergelijke 
door mguen vriend, den heer Lucien Adam. vroeger in Fransch 



( 848) 

Guyana in regterlgke betrekking, thans als lid van het hof 
te Nancy gevestigd, uit eerstgemeld gewest med^ebragt 
toonen die twee insn^dingen in de zgden. Zig vor- 
men daardoor eene afzonderl^ke afdeeling onder de soortge- 
Igke steenen werktuigen of wapenen, die, wat den algemee* 
nen vorm betreft, met grootere of mindere w^zigingen, over 
de geheele wereld gevonden worden, maar die met de bgzonder- 
heid die de Guyanasche en de door m^ hier beschrevene ken- 
schetst^ tot nog toe slechts in de landen aan de oostelgke 
helft van Midden Amerika schenen tehuis te behooren. Mis- 
schien echter ook nog meer zuidelgk. In een tydschrift dat, 
onder den titel van Archivos do Museu nacional do Rio de 
Janeiro^ in de hoofdstad van Brazilië sedert 1876 uitgegeven 
wordt, vinden wg in het 1^ deel, eene belangrgke verhan- 
deling van Carlos Wiener: Estudos sobre os sambaquis do 
sul do Brazil; daarbg wordt iu Plaat I onder N". 2 eene 
steeuen bgl afgebeeld, op blz. 13 beschreven, die zich door 
dezelfde eigenaardigheid onderscheidt. Wiggen of bglen van 
dezen vorm zgn van elders, ook in Amerika nog niet be- 
kend geworden. Een Amerikaansch oudheidkundige, wglen 
Franklin Peale, had een groot gedeelte van zgn leven ge- 
wgd aan het vormen van een museum, waarin de vooi:wer- 
pen in steen, gebakken aarde, been en hoorn van de vroegste 
bewoners van Amerika verzameld, en, ter vergelgking ook 
de zoogenaamde voorhistorische soortgelgke overblgüselen van 
Europa opgenomen, of door naauwkeurige nabootsingen, 
lichtbeelden en afbeeldingen vertegenwoordigd werden. Geen 
enkele van de talrgke wiggen, bglen of beitels toonen de 
hier bedoelde eigenaardige bgzonderheid. Zg schgnt hem 
zelfs geheel onbekend gebleven te zgn ; althans wordt zij 
niet vermeld iu het prachtige werk, waarin zgne zoo uitne- 
mend rgke verzameling in prachtige lichtbeelden, met naauw- 
keurige beschrijvingen en toelichtende opmerkingen, na zgn 
overlgden in het licht gegeven is, onder den titel van: 
Specimens of the stone age of the human race^ ds collec" 
ted and arranged bij Franklin Peale, copied in photography^ 
with a catalogue and introdiu^tion^ also variotts communi- 
cations on thai subject^ made by him to the American phi- 



( 349 ) 

losophical Society. Philadelphia, privately printed. .1873 
gr. 40. *). 

Wei bevat die yerzameling eene menigte bglen of wiggen 
die van znlk eene ingroeying, maar dan eene rondom door- 
loopende voorzien z^n, en soortgelgke steenen werktuigen 
zgn ook bg de thans nog in eenen staat van barbaarschheid 
verkeerende volken in gebruik. De ingroevingen dienden om 
het voorwerp aan eenen steel van bamboeriet of eenen ge- 
kloofden boomtak te bevestigen; een doel waartoe ook de, 
alleen in de zgden aangebragte inkeepen zich eigenden, maar 
dan op eene verschillende wgze van verbinding met- en be- 
vestiging aan-^ steel of handvat. 

De eigenaardigheid, waardoor zich de wiggen van Guyana 
kenmerken, en die, zooals ik zeide, ook meer zuidelgk, in 
Brazilië voorkomt, wordt, zoover mg bekend is, buiten Ame- 
rika, nergens gevonden. Slechts ééne enkele steenen bgl, 
uit den Nederlandsch-Indischen Archipel biedt eenige over- 
eenkomst. Zg bevindt zich insgelijks in het Bgks Museum 
van Oudheden en werd in 1875, met een aantal soortgelgke 
voorwerpen uit Ambon, Timor en Menado afkomstig, door 
den heer F. S. A. de Clercq aan het Kon. Instituut voor 
de taal-, land- en volkenkunde van Nederl. Indië ten ge- 
schenke overgezonden, en door die wetenschappelgke Instel- 
ling welwillend aan het Museum afgestaan. Het is eene 
zeer ruw bewerkte bgl vau steatiet of toetssteen, van zeer 
donkere zwart-olgfachtige kleur, zeer glad gepolgst, maar 
van zeer onregelmatigen vorm. Zie de afbeelding in oor- 
spronkelgke grootte bg 2. Maar de inkepen in de zgden 
bg a en fr, die buitendien niet tegenover elkander zich be- 
vinden, houd ik voor geheel toevallig, en niet opzettelgk 
aangebragt; zg bevonden zich reeds aan den steen, toen deze 
door eenen inboorling in Menado gevonden werd; door bg- 
slgping vooral aan de snede bg c, werd het werktuig tot 
het begeerde doel bggewerkt en bruikbaar gemaakt. Eene 



*) Het R^kt Mnaenm vid Ondheden besit een exemplaar Tan dit, niet in den 
Handel gege?en, prachtwerk, all een geachenk van Mevr. Caroline E. G. Peale, do 
weduwe Tan den lehr^ver 



( 350 ) 

ook slechts oppervlakkige beschouwing laat {hier niet toe 
eenige overeenkomst met de wiggen of b^len nit Amerika 
aan te nemen, al is het dat de inkepen aan de z^den ook 
hier voor de bevestiging aan eenen steel uitmuntend dienst 
konden doen. 

Bovenstaande bgzonderheden brengen ons van zelf tot 
twgfel aan de naauwkeurigheid van de opgaaf, dat de firaage 
steenen wig of bgl, die m^ aanleiding gaf tot deze me- 
dedeeling, werkel^k in de zauderten boven Naarden zou ge- 
vonden z^n. In ons vaderland, in ons werelddeel behoort 
zg niet tehuis, z^ moet dan op de eene of andere wgze uit 
Amerika o vergebragt en, b^ eenig toeval naar den omtrek 
van Naarden verdwaald, aldaar verloren zgn geraakt. On- 
mogel^k is zoo iets niet, maar toch zeer onwaarsch^nl^k, 
en de onderstelling ligt voor de hand, dat in dwaling en ter 
goeder trouw de afkomst van een diergelgk steenen werk- 
tuig, dat werkelgk in de bedoelde zauderten gevonden werd, 
op het, van elders naar Amsterdam overgebragt voorwerp is 
toegepast geworden; maar even mogelgk is ook te achten, 
dat de persoon, die voorgaf het van eenen zandschipper uit 
die streek gekocht te hebben, zich voorstelde, dat h^debe- 
langrgkheid en de waarde in het oog van liefhebbers ver- 
hoogde^ door opgaaf van eene b^zonderheid, die zulk een 
doel kon bevorderen. Vergissingen omtrent de afkomst van 
voorwerpen uit vroegere tijden z^n natuurlek lang niet zeld- 
zaam. Ik kan op een voorbeeld wgzen van twee bronzen 
voorwerpen, die, uit Java afkomstig, geheel ter goeder trouw 
als in Duitschland opgedolven, afgebeeld en beschreven wer- 
den. Dr. L. Lindenschmit, de geleerde directeur van het 
Museum te Mainz, gaf voor eenige jaren in zgn belangr^k werk. 
Die Alterthümer unserer heidnischen Vorzeit, op de 3^ plaat 
van de V® aflevering van het 1« deel, onder de nummers 1 
en 2 6 de afbeeldingen van twee bronzen werktuigen, die, 
zoo het heette, met andere voorwerpen van brons bij Gaual- 
gesheim uit den bodem zouden opgegraven zgn, en in het 
Mainzer Museum werden opgenomen. Hunne bestemming 
was hem onbekend, maar hg vermoedde, dat zij voor leder- 
bereiding hadden kuuuen dienen. Zoodra de plaat mg onder 



( 851 ) 

de oogen kwam, herkende ik terstond in die onbekende 
werktuigen een b^na geheel overeenkomend, dat, hoogst- 
waarschgnlgk bg de vroegere bewoners van Java nit de 
SUndoetgden bg den veldarbeid gebezigd, in het Rgks Mu- 
senm van Oudheden te Leiden aanwezig was, en tot eene 
aanzienlgke verzameling van oud-Javaansche bronzen be- 
hoorde, in 1866 door den heer A. W. Einder de Camareck, 
inspecteur der cultures op Java, aan het Museum geschonken. 
Ik deelde mgne opmerking aan Dr. Lindenschmit mede. Een 
scheikundig onderzoek leverde bg de drie werktuigen, zoowel 
bg het eene in het Museum te Leiden, als bg de beide an- 
dere in Mainz, gelgke uitkomsten, zoodat de gelgkheid van 
afkomst meer waarschgnlgk werd, en de opzettelgke naauw- 
keurige nasporingen door den heer Lindenschmit ingesteld, 
voerden tot de zekerheid, dat de, naar men gemeend had, 
b^ Graualgesheim opgegraven werktuigen uit de nalatenschap 
afkomstig waren van een gepensioneerd hoofdofficier, die in 
Nederlandschen dienst eenige jaren in de Nederlandsche 
Oost-Indien had doorgebragt, en zich na zgnen terugkeer in 
Duitschland gevestigd had. Na zgnen dood, misschien reeds 
vroeger, waren de uit Java medegebragte bronzen toevallig 
bg de Gaualgesheimsche weggelegd, zonder aanwgzing 
yan het verschil van afkomst, en zoo ontstond de meeniug, 
dat al de voorwerpen tot dezelfde vondst behoorden, en van 
de oude Germaansche bevolking afkomstig waren. Wat in 
het Museum te Mainz het geval was, kan, met betrekking 
tot onze bgl en de bewering, dat zg in den omtrek van 
Naarden gevonden werd, ons tot behoedzaamheid nopen. 
Maar ook wekt het verwondering dat, voorzoover bekend is, uit 
de bedoelde zandergen geene andere soortgelgke of andere 
voorwerpen in steen van vroegere tgden te voorschgn geko- 
men zgn. Wèl was dit het geval in het niet zoo ver ver- 
wgderde Hilversum, waar zeer vele voorwerpen in steen, 
bglen, beitels, pglspitsen enz., en vooral de talrijke oude 
haardsteden, door wglen ons medelid Dr. Janssen ontgraven, 
onderzocht en beschreven ^), van eenen in vroegere tgden al- 

^) Biiveriumtehe Oudheden, eene bijdrage tot de ontwikkehngtgetehiedenia der 
vroegste Europeaehe volken, Arnh. 1856. 



( 352 ) 

daar gevestigden, inlaudschen yolksstfim getuigen. IntusBchen 
komt onder die talrgke voorwerpen geen enkel voor, dat in 
de verte met onze bgl of wig kan vergeleken worden. 

Er blgft, zooals ik reeds te kennen gaf, voorloopig, zg 
het dan met noodig voorbehoud van meer zekere gegevens, 
aanwüzingen en ontdekkingen, ons niets anders over, dan 
dat wn aan onze bgl eene afkomst uit midden-Amerika toe- 
kennen, hetzg dan dat het voorwerp werkelgk van daar over- 
gebragt in de Naardensche streken is verloren gegaan, hetzg 
dat het op de eene of andere wgze in Amsterdam, uit het 
bezit van eenen uit Amerika terugkeerenden reiziger of 
zeevaarder, van de eene hand in de andere geraakt, einde- 
Igk op een stalletje in eene der achterbuurten of bg eenen 
handelaar in zoogenaamde oudheden te regt is gekomen. In 
Guyana, of zuidelgker in Brazilië,[echter kan ik het vaderland 
van het zoo fraai en zuiver bewerkte stuk niet zoeken; 
veel eer in Chiapas of liever nog in Yucatan, ofschoon stee- 
nen bglen of wiggen uit dat gewest mg nog niet zgn 
voorgekomen, en mg dus de gegevens ontbreken om mg 
omtrent de eigenaardige vormen dier voorwerpen te verge- 
wissen. Maar wat de keurige en kunstige bewerking aan- 
gaat, daarvoor vind ik punten van vergelgking met twee uit- 
nemend fraage voorwerpen, in het bezit van Jhr. Mr. J. 
H. Baud te Arnhem, die, met eenige andere, eenige jaren 
geleden op eene aanzienlgke diepte, bg het graven van een 
kanaal naar de Grazioza-rivier bg San-Filippo, op de gren- 
zen van Britsch Hondura en Guatemala, gevonden werden. 
Zg werden door den Nederlandschen ingenieur, den heer 
M. S. A. van Braam, die in dienst van de Guatemala-Com- 
pany met de leiding der werken belast was, aan den heer 
Baud geschonken. Beide bedoelde voorwerpen, naar ik meen, 
in nephriet bearbeid, zouden, wat bewerking aangaat, menigen 
ook eenen meest geoefenden werkman van onzen tgd tot eere 
kunnen strekken. Het een is eene zeer dunne, langwerpige, 
aan de hoeken afgeronde plaat, lang 21,6, breed aan het 
boveneinde 7, aan «het benedeneinde 3,5 ; dik op de zgden 
0,5, in het midden 0,2 centimeters. Op de voorzgde is met 
een scherp werktuig, doch niet zeer diep in de oppervlakte 



( S53 ) 

ingesneden, de voorstelling van eenen god, eenen vorst of 
eenen krgger, met eenige door hem overwonnen vganden 
of minderen ; op de keerzgde een opschrift in oud-Tucatansche 
lineair-hiëroglyphen. Het andere voorwerp, dat in waar- 
sch^nlgke bestemming met onze bgl meerder overeenkomst 
biedt dan de zooeven beschreven plaat, is eene soort van 
wapen, van dezelfde steensoort, doch een weinig donkerder, 
in de gedaante van een langwerpig boomblad, lang 22 een* 
timeters, daar, waar het aan het rond uitloopende beneden- 
einde z^ne meeste breedte heeft, meet het 6,8 centim., in 
het midden is de grootste dikte 1 centim., deeenigszins bolle 
oppervlakten loopen overal van het midden naar de bniten* 
omtrekken danner nit en vormen dan overal zeer scherpe 
kanten. Eene opening aan het pnntige boveneinde diende 
om het wapen aan eene koord te verbinden. In eene be- 
kwame hand kon het wapen eene schrikbarende uitwerking 
hebben. 

Yergelgk ik nu, zooals ik zeide, de in alle opzigten uit- 
muntend fraage en zuivere bewerking, de fijne polgsting van 
deze twee voorwerpen uit Tucatan met die van onze byl, 
dan wordt ik in mjjn vermoeden versterkt, dat deze laatste 
Tan de eerste bewoners van hetzelfde land afkomstig moet 
z^n en met die van ons vaderland niets te maken heeft. 
Tot veel vroegere tgden opklimmende dan het t^dperk, waarin 
Yucatan tot zgneu meesten bloei, tot zgnen hoogsten top 
van beschaving was opgeklommen, dan zouden wg, zoo zg 
nog overgebleven zgn, bglen, wiggen en soortgelgke steenen 
wapens en werktuigen kunnen aantreffen, als die wg, met 
dezelfde eigenaardige bgzonderheid, maar in veel ruwere be- 
werking, en vormen, en van de onbeschaafde en half wilde 
volksstammen in Guyana en Brazilië afkomstig, hebben leeren 
kennen. 



DE RUNENINSCBIPTIE 



VAM DRN 



BUCHARESTER RING, 



BUD HAGE VAN 



P. J. COSIJN. 



In het tweede deel yan. Stephens' Old-Northern runic 
monuments of Scandinavia and England komt eene inscrijH 
tie Yoor, waarvan, voor zoover ik weet, tot nog toe 
geen juiste verklaring gegeven is. Ik wil thans een po- 
ging doen om het opschrift verstaanbaar te maken, maar 
dnrf niet beweren, dat t^en mgne interpretatie geene ge- 
gronde bedenkingen zullen zgn in te brengen. De groote 
moeielgkheid der verklaring van oudgermaansche runen- 
inscripties is voomamelgk hierin gelegen, dat we van de 
taal, waarin ze z^n opgesteld, eeu hoogst onvolledige ken- 
nis hebben. Wat in runen op steen gebeiteld of in me- 
taal gegrift is, is . in den regel eeuwen ouder dan de letter- 
kundige gedenkteekenen, waaruit we onze kennis van het 
Oudgermaansch moeten putten. Zonder taalvergelgking eu 
reconstrueering van oudere vormen uit die, welke we in de 
geschreven stukken van later tgd vinden, is de ontcgfering 
dier opschriften vaak onmogelgk. Daarbg komt, dat de schrift- 
teekens niet alt^d even duidelijk zgn, hetz^ doordat ze af- 
w^kingen vertoonen van den gewonen vorm, hetz^ doordat 
hetzelfde letterteeken meer dan één klank kan voorstellen. 
Dit laatste geldt inzonderheid van de Scandinavische inscrip- 
ties, die in het zoogenaamde kortere, uit 16 teekens bestaande 



( 355 ) 

alphabet geschreven z^n. Gelukkig dat het Noorden betrek- 
kei^ rgk is aan mnensteenen, zoodat de ontraadseling van 
het eene opschrift vaak den sleutel aangeeft tot verklaring 
van het andere. Door een zorgvuldige studie der taalvormen 
is men dan ook reeds zóó ver gevorderd, dat een wel is waar 
niterst onvolledig, maar niettemin allerbelangrgkst overzicht 
kan worden gegeven van de klank- en buigingsleer der 
eerste periode van het Oudnoordsch. Minder gelukkig is men 
geweest in de verklaring der runeninscripties van die voor- 
werpen, welke gevonden z^n op het vaste land van ons we- 
relddeel. Behalve vgf bracteaten en de harlinger munt^ ver- 
meldt Wimmer in zgn bekend werk Runeskriftens oprindeUe 
og udvikling i Norden^ pg. 57 en 263, zeven van zulke » min- 
desmaerker'% die met runen van de oudere soort beschreven 
zgn. Terecht merkt MüUenhoff fZdA. 18, 252 vlgg.)op:>er 
übergeht das goldene kreuz von Nurdendorf, die tohnscheibe 
von Nasseubeuem und den serpentinbecher von Monsheim;^^ 
trouwens geen fout van aanbelang; immers »das zefht auf 
dem kreuze is völlig sinnlos und nicht einmal ganz sicher 
zu lesen, bei den zeichen der tohnscheibe kann man sogar 
zweifeln ob man runen vor sich hat, und die beiden runen 
des bechers mpchte man erst mit ihrer Umgebung genauer 
abgebildet sehen/' Yoegt men hierbij den bracteaat van 
Wapno (in Posen: met het opschrift Sabau, waarover Mül- 
lenhoff, t. a. p., handelt, dan komt men tot een getal van 
zeventien, of, zoo men de bracteaten en de onzekere 
tJumscheibe niet mederekent, van negen met runen beschre- 
ven overblgfselen van den oudgermaanschen tjjd. Onder de 
belangr^kste, die meer dan één woord bevatten, reken ik in 
de eerste plaats de met het volkomen duidel^ke Boso wraet 
runa voorziene zilveren spang uit Freilaubersheim (Bgnhes- 
sen) ; voorts de spang van Nordendorf , welke van een merk- 
waardige, maar helaas niet geheel duidelgke inscriptie voor- 
zien is; die van Charnay met den gewonen fiithark en drie 
woorden, welke alleen verstaanbaar zyn, als men, gel^k ik 
ia de Taalkundige Bedragen voorgeslagen heb, de vocalen 
verplaatst; eindelgk den welbekenden ring van Bucharest, 
met een opschrift, waarover nog een en ander valt op te 



( 356 ) 

merken. De verklaring, die Dieirich in de Germania geg^ 
Ten heeft, berust op een onjuiste lezing en is niet yrg van 
willekeur; ik ga ze hier stilzwggend voorb^. Evenmin be- 
vredigend is hetgeen Stephens, t. a. p., dienaangaande heeft 
in het midden gebracht. Over 't geheel z^n de interpreta- 
ties van dezen gverigen verzamelaar bigzonder geschikt om 
den argeloozen lezer van den weg af te brengen^ vooral wat 
de niet-noordsche runeninscripties betreft. Immers Stephens 
gaat hier uit van de onderstelling^ dal alle met runen be« 
schreven voorwerpen oorspronkel^k in Scandinavië thuis be- 
hoorden en van daar over het vaste land van Europa ver- 
spreid zgn. Hg brengt ze tot > the class of objects which I have 
called wanderers^ because in my opinion they have evidently 
and simply wandered from the Old-Northern lands or along- 
with Old-Northern clans to the non-runic outland where 
they found a home.^' Wimmer heeft de onhoudbaarheid de- 
zer zonderlinge stelling aangetoond en ten klaarste bewezen, 
dat niet alleen Noren, maar ook de overige Germanen in 
runen geschreven hebben. Men kan gerust verder gaan en 
aannemen, dat de Noren van hunne zuidelgke naburen het 
runenschrift hebben overgenomen. Wat de schrgfkunst in 't 
algemeen betreft, hiertegen strgdt volstrekt niet de bekende 
plaats uit de Germania, waarin gezegd wordt : literarum secreta 
viri pariter ac feminae ignorant Uit den samenhang blgkt 
duidel^k genoeg, dat Tacitus minnebrief es van zeker soort, 
niet het letterschrift in 't algemeen bedoelt. Maar al ware 
dit laatste het geval, dan zou hieruit alleen volgen, dat 
Tacitus niet nauwkeurig was ingelicht Vooreerst kunnen de 
door hem genoemde notae^ die bg het loten gebruikt wer- 
den, niets dan runen geweest z^n. Ten tweede bewgst de 
bekende plaats van Venantius Fortunatus 

barbara fraxineis pingattir runa tabellis, 
quodque papyrus agit, virgula plana valet, 

niet slechts dat de Duitschers runen hadden, maar ook dat 
het schrgven hunner taal hun niet vreemd was. Elndelgk 
kennen we een paar gotische runenalphabet's uit een hand- 
schrift der 9<^^ of iO^« eeuw, waaruit we veilig kunnen af- 



( 857 ) 

leiden, dat vóór Ulfila de mnen de gewone letterteekens der 
Goten nitmaakten. Het zal wel overbodig zign meergronden 
aan te voeren tot bestrgding van Stephena' zonderlinge stel- 
ling. En met deze vallen ook de verklaringen, die hg heeft 
trachten te geven van de inscripties der wanderere^ waarvan 
evenwel die, welke op den Bncharester ring betrekking heeft, 
niet de slechtste is. 

Deze ring werd vóór 40 jaar gevonden in Walach^e (dis- 
trict Baseo). Volgens de eerste lezing was het opschrift zuiver 
grieksch en luidde XAIPE KAI IlINE. De letters waren 
echter wel wat zonderling en de omstandigheid, dat die gulden 
spreuk op een vrg groeten ring g^raveerd was, was niet zeer 
geschikt om de juistheid van het bericht boven allen tw^fel te 
verheffen. Weldra bleek dan ook, dat de characters meer op 
rnnen, dan op grieksche letters geleken. Een nieuw onder- 
zoek werd ingesteld en (wonderlgk genoeg) van dien eenen ring 
werden er twee gemaakt. De eene bleef met het zeer problema- 
tische grieksche XAIPE KAI III NE versierd, de andere be- 
vatte .een germaansche iascriptie, waarvan alleen het laatste 
woord haüag verstaan werd. Eindelgk en ten laatste bleken de 
beide ringen weder één enkele te zya, waarop te lezen stond 
ouTANiowi hailâg, duidelgk in twee lettergroepen gescheiden. 
Hoe daarvan een XAIPE KAI JUNE kon gemaakt wor- 
den, is me nog niet recht duidelgk. 

De laatste groep haüag^ ons heilig^ herkent men natuurlgk 
terstond; maar de juiste beteekenis er van kan alleen worden 
vastgesteld, als de eerste groep verklaard is. En deze ziet er 
vrg zonderling uit. Dat in de drie eerste letters ^ut de naam 
der Goten schuilt, is hoogsiwaarsch^nlgk. En zulks om twee 
redenen. Vooreerst hebben zich de Goten in de streek, waar de 
ring gevonden is, d. i. het oude Dacië, geruimen tgd opgehou- 
den Het is dus te begrgpen dat in de inscriptie hun naam 
voorkomt. Ten andere wordt die volksnaam inderdaad op ge- 
l^ke w^ze, d. i. met de t gespeld, in den kalender vanden 
Codex Ambrosianus A, waarin melding gemaakt wordt van de 
vele martelaars, die in het Gotenvolk, ana gutthiudai^ op den 
23«*«° en 29'^" October gedood zju. Castiglione merkt op, dat 
deze martelaars misschien zelf Goten waren, en waarschynl^k in 



( 358 ) 

de sirekôn van den Beneden-Donau om het leven zgn ge- 
bracht. Is deze bewering juist, dan kan de kalender in de- 
zelfde landstreek vervaardigd z^n, waarin de ring gevonden 
is, en is de overeenstemming in spelling even verrassend als 
begrgpelgk. Men zal me misschien tegenwerpen, dat aan de 
romeinsche en byzant^nsche schrgfw^ze met th en rd- meer 
gezag toekomt, dan aan de beide plaatsen, waarin de Goten 
zichzelf noemen. De kalender, kan men verder beweren, is 
in elk geval een a&chrift uit een later tgd, waaraan niet 
veel gewicht moet gehecht worden. Daartegenover staat de 
overeenstemming in schrgfwgze tusschen de Noren en Angel- 
saksen, die gotar^ gotnar^ gotan met de tenuis spellen ; alleen 
in de Edda vindt men een godhdhjódh vermeld, waarvan eeni- 
gen het godenvolk^ anderen het (ro^^nvoZA; maken ; is het laat- 
ste juist, dan kan toch de dubbele spirant zeer goed aan 
assimilatie te w^ten zgn. Waarom de Romeinen meermalen, 
de Grieken altgd den naam der Goten met th, rd- spellen, 
weten we niet. Elonk soms de gemiaansche tenuis in hun oor 
als de zuivere physiologische aspiraat? De schr^fwijze rickuê 
in namen als *A/uaXà()i;^0Sj 'Pi'JC^f^^if^S en andere zouden 
tot die onderstelling recht geven. Misschien ook — maar ik 
opper dit als een bloote gissing — misschien ook was de 
algemeene naam der Goten Gutthiuda^ even als die der Zwe- 
den gewoonlgk Swühjódh^ en is hieraan het gebruik van de 
ra- der Grieken en th der Romeinen toe te schrgven. In de 
Spaansche inscripties bg Hübner komt eens een Getarum rex 
(Ervigius Getarum rea)^ elders traens lineam Getarum voor, 
maar de verdooping der Goten tot Getae ontneemt daaraan 
elk gezag; ook blgkt uit andere namen, dat men vaak th 
en t verwarde, verg. Chindasvintusy Beccievintus, leodemirus^ 
Teudefridue enz. 

Nemen we nu aan, dat in de 3 eerste letters werkelijk de 
naam der Goten schuilt, dan ligt de gevolgtrekking voorde 
hand, dat de inscriptie in 't Gotisch is opgesteld. We 
hebben dus hier te doen met een taal, wier grammatica ons 
zeer goed bekend is. Wel is waar is de woordenschat hoogst 
onvolledig tot ons gekomen, maar het weinige» dat we er 
van weten, kennen we vry nauwkeurig. Dat de ver- 



( 859 ) 

schillen tasschen de gotische dialecten vrg onbeduidend 
waren, is hoogst waarsch^nlgk, om niet te zeggen, zoo goed 
als zeker, waarover straks meer. Het zou dus wel wonder- 
l^k z^n als we geen middel hadden om een afschrift te ver- 
klaren, welks characters zeer duidel^k zgn, blgkens Stephens* 
verklaring : » aU the staves are- plainly and boldly and deeply 
carved or rather stampt in with a hammer and a sharp tn- 
strtAfnent.'''' We dienen ons dus af te vragen, welken zin 
we aan die woorden zouden hechten, als we ze bg Ulfila 
lazen. Alles hangt hier af van ^t afbreken, het scheiden der 
woorden, omdat de eerste lettergreep zóó gelezen geen zin 
heeft. De groote fout die men begaan heeffc^ is juist hierin 
gelegen, dat men of gut als eerste lid van een compositum 
beschouwde of gùtani als den gen. plur. van een vermoe« 
delgken nom. guta^ eeo Goot, opvatte. Daar men op deze 
w^ze geen zin kr^gt, ligt de scheiding van Gutanio en wi 
voor de hand. Maar met gxdanio wisten de uitleggers klaar- 
blijkelijk geen weg. En toch is de vorm zeer goed verklaar- 
baar. Deze kan niets anders z^n dan de gen. plur. van 
een femininum, welks nom. gutani moet geweest zyn. Dit 
Gutani zou niet zoo licht te begrepen zgn, als we niet een 
anderen vrouwelgken volksnaam kenden die eveneens gevormd 
is, t. w. Saurini^ een syrische vrouw, voorkomende Mc. 7, 
26: ^y Sk rj yv'^V ^Ekktivlg, JSv(ja 4>ot.vixiaöa rq) 
Y^veij vasuththan so qino haithno, Saurini Fynikiska gabaurthaL 
Saurini heeft naast zich het masc. Saur^ Syriër, een t-stam, 
en is dus een gemoveerd femininum met het suffix -njd. 
Vormen we op volkomen dezelfde wgze van een masc. Guta^ 
een vrouwelgk substantief, dan kragen we juist het woord, 
dat in onze inscriptie voorkomt, Gutani, een gotische vrouw. 
Dit suffix -^niâ vinden we in 't Gotisch in een even zuiveren 
vorm terug als in het Grieksch: verg. dJaiva^ Xvxaiva^ 
aeanoiya enz. Het latere Germaansch ontwikkelde daaruit 
het algemeen suffix tnna, in onze taal in {ne) luidende in woor- 
den als koningin^ apiny wolvin,,eïïz. of in volksnamen, als Frie^ 
Wn, Russin^ Jodin enz. Naar het voorbeeld van Gutani 
zouden ti^' 'dus de gotische vrouwen Gotinnen kunnen hee* 
ten. Al neemt men aan, dat de stam van het masc. Gutan-^ 



( 360 ) 

niet GtUa^, û, toch blgft de uitkomst dezelfde ; mits men het 
suffix dan in den onversterkten vorm, d. i. als -ia (eigenlgk 
-id), daaraan toevoege; verg. gr. keaiva^ &êQànaiva^ enz. 
Sclignbaar gemakkelgk, maar inderdaad zeer moeiel^ is 
de interpretatie van wi en haüag. Uit het fecsimile bg 
Stephens blgkt duidelgk, dat Gutaniowi aaneengeschreven is, 
en tusschen wi en hailag een open plaats wordt gevonden. 
Bg den gaven staat van den ring is wel niet te denken 
aan afslgting, waardoor tusschen de laatste woorden een 
letter zou zgn verdwenen. De scheiding dezer woorden 
kan natuurlgk te wgten zgn aan een onhandigheid van 
den graveur. Noodzakelgk is die onderstelling echter niet. 
Het is zeer wel mogelgk, dat de gen. plur. Gutanio met 
het tweede element als eene oneigenlgke samenstelling 
werd opgevat, als b. v. baurgsvaddjtis in Neh. 7, 1. Maar 
dan is wi een substantief en kan 't volgende hailag moeielyk 
iets anders zgn dan het bepalende adjectief, dat in *t Gotisch 
gewoonligk achter het znw. wordt gevoegd. Merkwaardig is 
het feit, dat het woord hailags in alle oudgerm. talen voor- 
komt, maar door Ulfila niet wordt gebezigd. Terwgl b. v. 
in 't Ohd. heüac den zin heefb van heilig en synomiem is 
met wih^ gebruikt Ulfila uitsluitend weihe. Toch blgkt uit 
onze inscriptie dat ook in 't Gotisch 't woord bestond Der- 
halve heeft Ulfila het opzettelgk vermeden. Mgne gissing 
is zeker wel niet te gewaagd, dat aan hailags eeu of ander 
heidensche voorstelling verbonden was, die den vertaler van 
den bgbel het woord als ongeschikt deed verwerpen. Wel 
vinden we echt heidensche woorden en zegswgzen bg Ulfila, 
maar geene andere dan die, welke hg duidelgkshalve moest 
bezigen^ omdat daarnaast geen andere bestonden, of zulke, 
waarvan het gebruik hem juist te stade kwam. Tot de eerste 
soort reken ik alhe^ blotan^ hunsl, eauths enz., waaraan voor- 
stellingen ten grond liggen, die aan eiken godsdienst gemeen 
zgn ; tot de tweede woorden als unhullha^ unhultho , de booze 
geest, welks verpersoonlgking we in de aan 't Grieksch 
ontleende diabaulue en Satanas aantreffen Dat waggs zonder 
nadere toevoeging de vertaling is vau na^fàâeiGog^ doet me 
vermoeden, dat een of ander determinatief daarvan is w^- 



(861) 

gevallen, als b. v. voorkomt in het welbekende Neorxena 
wang^ dat in de ags. poëzie, die geen heidensche woorden 
vernigdt om ehristelgke begrippen uit te drukken, de vaste 
term is voor het paradgs. In den Hêliand is godes tvang^ 
hebhanes wang^ hehhanwang de zeer gewone benaming voor 
het hemelsche paradgs, den hemel; hier wgst uitdrukkel^k 
een bepalend woord op het begrip, dat de dichter bedoelde. 
Zou nu voor 't gotisch waggsj dat op zich zelf niets dan 
een vlakte^ een veld uitdrukt, niet met opzet een of ander 
determinatief verzwegen zgn? Evenzoo kan de vergeligking 
van ogerm. woorden-, die met gotisch hailags verwant zgn, 
ons misschien op het spoor brengen van de heidensche be- 
teekenis of bgbeteekenis van het gotische woord. Ik w^ 
slechts op onrd. heill, ohd. heil^ heilisod, omen; ags. Jiael^ 
giarij augurari, haelsere, haruspex, en ohd. heiliaôn^ heilisâriy 
in denzelfden zin, en besluit daaruit, dat haUaga nevens 
saeer. beteekende ominostés. en dat dus aan het ondubbelzin- 
nige toeiks door Ulfila de voorkeur werd gegeven. 

Dit weiks steekt kennel^k in betten onzer inscriptie; liever 
aan aphaeresis dan aan een minder nauwkeurige schrgf- 
w^ze w^t ik het ontbreken der h ; voorbeelden daarvan vinden 
we ook in den Codex Arg. en de Brieven; als Mc. 15, 6 
hwarjo voor hwarjoh, Gal. 5, 3 hwamme (Cod. B.). De zachte 
uitspraak van die letter gaf daartoe aanleiding: men ver- 
gelgke de syncope der h in Atuma, liuteith^ thairvakands, als- 
mede de zeer gewone assimilatie van -uh en nih voor eene 
consonant. Ook het schreven der A in 't midden van woor- 
den, waarin ze niet thuis boort {vaurhtai^ gavaurhtai), wgst 
op dezelfde phonetische eigenaardigheid. Nemen we nu aan, 
dat wi voor wih staat, dan is dit het neutrum van weihs^ 
heilig, en beteekent, substantive opgevat, iets dat heilig t9, 
een heilig voorwerp^ of wel, daar de begrippen wijden en 
heiligen één zgn, een gewijd voorwerp^ een wijgeschenk, In 
dien zin komt het, voor zoover ik weet, in ^t Oudgermaansch 
niet voor, maar de toepassing van die beteekenis ligt voor 

de hand. 

Het geheele opschrift beteekent derhalve: :^ heilig wijgs'- 
schenk van gotische vrouwen". Ik vat dus haüags op niet 

▼SB8U XN MBOXD. AFD. LETTSKK. 2de BBXK8. DXKL VU. 25 



( 862 ) 

als ominomis^ maar als sacer, in de algemeen germaanfiche 
beteekenis des woords. De vermelding van de personen, die 
het àvà&7\fia schonken, is hier iseker niet overbodig. Dat 
meer dan één persoon, de of zekere gotische vrouwen, als 
geefsters 'vermeld worden, komt overeen met de inscripties 
op steenen, door de gezamenl^ke soldaten van het zooveelste 
legioen ter eere van deze of gene godheid opgericht, en 
heeft stellig gelegen in de kostbaarheid van het gouden ge- 
schenk. De juiste grootte kan ik niet opgeven, maar Ste- 
phens doet duidelgk uitkomen, dat het een armring of een 
torques is (the Gothic arm- or neckring). 

De verklaring, die ik van de inscriptie geef, berust dus 
op de onderstelling, dat deze. in het Gotisch is opgesteld. 
Ik heb daarom aan de woorden dien zin gehecht, 'welken 
zg naar mgne meening moesten hebben, zoo we ze in de 
bg bel vertaling aantroffen. Dit is zeker de eenvoudigste weg. 
Maar is h^ de ware? Twee bedenkingen kunnen daart^en 
worden ingebracht. Vooreerst deze : de ring is met runen be- 
schreven en werd dus hoogstwaarsch^nlgk vervaardigd vóór- 
dat de Goten tot het christendom waren overgegaan. Heb- 
ben we nu het recht om aan te nemen, dat het Gotisch 
van het midden der derde eeuw (immers toen verschenen de 
Gk>ten in Dacië) zoo goed als niets van de taal van Ulfila 
verschilde? en, zelfs iodien de ring tot de 4^® eeuw kan ge- 
bracht worden, wie verzekert ons, dat het Gotisch van den 
Oodex Argenteus en de Paulinische brieven niet de taal der 
Oost*Goten van de v^fde eeuw is geweest en aanmerkel^k 
afweek van het Westgotisch? Deze bedenking zou van meer 
gewicht zign, indien we onze kennis van het Gotisch niet uit 
de bgbel vertaling, maar uit een ander werk moesten putten. 
Immers de overzetting van het O. en N. T. die door Ulfila en 
zgn leerlingen is ondernomen, was voor de Goten, wat de 
vertaling des behels door Luther voor de Duitschers is geweest. 
Daarin maakt men niet zoo licht veranderingen, maar behoudt 
men veel liever woorden en vormen, die verouderd zgn. De 
Codex Argenteus is met groote zorgvuldigheid geschreven, 
gelgk men weet, met zilveren letters op purperkleurig per- 
kament. Wie kan aannemen dat de omwerking van Ulfila's 



( 368 ) 

tekst door Oost-Goten zóó consequent zou hebben plaats gehad, 
dat niet eens hier en daar een vollere, oudere vorm zou hebben 
bleven staan? En juist de grammatica zoowel in dien Codex 
als in aUe fragmenten, die later voor den dag zgn gekomen, 
vertoont over het geheel dezelfde type. Afvf^kingen worden 
aangetroffen, die op dialectische verschillen wgzen, maar ze 
zgn onbeduidend, en betreffen uitsluitend de klankleer, ner- 
gens de flectie. Daarb^ komt dat van het Oostgotisch nog 
andere stokken bekend z^n, met name de Bavennatische oor- 
konde van 551, waarin de eigennamen op een veel modemer 
taalperiode wgzen, dan de tekst. Ik leid hieruit af, dat het 
geschreven Oostgotisch een oudere type vertoont dan de ge- 
sproken taal, die in eigennamen als Cruderit^ üuüiarit^ Sun- 
jaifrithas enz. bewaard is ; en dat die oudere type zoo goed 
ab niets verschilde van de taal van ülfila. 

De tweede bedenking, die ik voorzie, is deze, dat we van 
den woordenschat te weinig weten om met geno^zame ze- 
kerheid een inscriptie te verklaren van het voorchristelgk 
t^dperk. Ik geef dit tot op zekere hoogte toe. Zekerheid is 
in dezen niet te bereiken. Maar wanneer men een gezonden 
zin kr^gt door zich te bepalen tot de woorden die men kent, 
waartoe behoeft men dan om te zien naar andere woorden, 
die ons alleen de vergel^king b.v. van het Ags. of het Onrd. 
zoude kunnen aan de hand doen? Dit is een van de rede- 
nen^ waarom ik wi niet gelgkstel met osaks. loih^ ohd. wih^ 
ags. weohj onrd. wêj gelgk Stephens doet. 

Is mgne interpretatie juist, dan heeft de gouden ring tot 
den tempelschat van een of anderen gotischen stam behoord, 
waarsch^nlgk met de bestemming om het beeld van een god 
of godin te versieren. In de nab^heid der plaats, waar hg 
gevonden is, worden volgens Stephens aangetroffen :k eigne 
of regular buildingen belonging to eome temple or treasure- 
houee". Dit kunnen de resten zgn van een romeinschen 
tempel, door de germaansche veroveraars van Dacië voor hun 
eeredienst ingericht. Of de ring grieksch, romeinsch of 
ander fabricaat is, doet hier niets ter zake: hg kan buit- 
gemaakt en daarna met gotische runen beschreven zgn. 
Evenmin hebben we hier te onderzoeken, of Tacitus nauw- 



(364 ) 

k/Barig was ingelicht, toen hg schreef: ^kceterum nee cohihere 
parietïbus deos neqvs in uUam humani oris speci&n assimulart 
ex magnihidine caelestium arbitrantur*^ ; waaruit dan volgt, dat 
het celeberrimum Ulis gentibua templum^ quod lanfanae vocabanfy 
geen aedes, maar een -khhsze einhegung^^ geweest is. Dit 
staat vast, dat èn tempels èn idola in lateren tgd herhaalde- 
Igk voorkomen. Tal van bewgsplaatsen vindt men bg Grimm, 
D. Myth., waaronder die uit Sozomenus vooral van belang 
is, omdat zg van een ^óavov onder de heidensche Goten der 
vierde eeuw gewaagt. De inscriptie van den bucharester 
ring kan bezwaarlgk ouder zijn dan de derde eeuw en is 
zeker niet na 375 opgesteld. De taalvormen zgn volkomen 1 
dezelfde als die van Ulfila. Mag men hieraan eenige be- | 
wgskracht toekennen, dan kan men haar tot de yierde I 
eeuw n. C. brengen. ' 



PROGRAMMA 

CEßTAMmiS POETICI 

AB ACADEMIA REGIA DISCIPLINAEUM NEERLANDICA 

EX LEGATO HOEÜPFTIANO 

INDICTI IN ANNUM MDCCCLXXVni. 



Legitimo tempore novem carmina certamini oblata sunt, 
de quibus in conventu Ordinis litterarii a. d. Y. ld. Martias 
sic iadicatum est. 

I. Liberias, Ad Italos inscribitur ode, qua argumentum 
gravissimum tam leviter tractatur, ut nulla eius ratio haberi 
posait. Neque is qui elegiam misit, quae inscribitur: Pater 
primo Vere filium animi causa in svburbanum diicit^ quam 
II fecimus, divitem venam poeticam ostendit. Adspersit suum 
laborem flosculis veterum poetarum. Ubi suus est non raro 
labitur. 

UI. Epistola ecclesiae JEphesi ad Divum loannem Evange^ 
listam in Patmon relegatum cum eius responso est languida 
imitatio Ovidii, sed poeta longe ab ingenio et elocutione S. 
Joannis distat. 

IV. Carmen inscriptum Ad veterum fautorem videtur esse 
satira in rerum Italiae conditionem, quae erat régnante Vic- 
torio Emanuele II. Sed non commendatur abundantia salis, 
passim laborat obscuritate^ scripta est sermone parum terso. 

V. Ëlegia, quae inscribitur In ripa^ omisso nimia religione 



( 366 ) 

nomine flaminis, saavior est lectu, sed parum commendatnr 
puritate sermonis et inventionis lande. 

In carmine VI hand sine arte describuntur tria inventa 
pendulum, thermometrum, telescopium, ut ipsius poetae vo- 
cabulis utamur, quae Galileo, — recte an secus non qiiae- 
rimus — tribuuntur. Sed poeta debuerat Galileum celebrare 
ob illas res inventas, non facere res nuUo vinculo inter se 
aptas argumentum carminis, si quid condere vellet quod li- 
benter legeretur. 

Vn. Fudntts lacus melioris notae est. In eo describîtur 
vanus Imp. Claudii conatus eins domandi, et solers ope» 
Gallorum qui Principe Torlonia auctore eum exsiccaront. 
Multa in longiori carmine nitent, sed non est simplex et 
unum, nec ita limatum ut sine exceptione laudari possit. 

VlII. Pulices qui oecinit, sunmia arte versatus est in re 
tenuiy et sine uUa dubitatione praemio donaretur, nisi gra- 
ving argumentum féliciter tractatum esset ab aemulo, qui 
misit duo Idyllia de Insubrum agricolarum in transatlanticas 
regiones demigratione, Haec adeo placueriint iudicibus, ut 
minime dubitarent praemium aureum huic poetae adsignare. 
Poema suum muniverat hoc lemmate: Nostra nec embitit 
eilvas habitare Thalia, Aperta schedula iisdem verbis signata 
prodiit nomen Feancisci Pavesi Mediolaneneis, Proximns 
a victore locus tribuitur poetae carminis YIU, tertius ei, 
qui carmen YII fecit. Rogati ut veniam darent carminum 
suorum sumtu legati Hoeufftianii typis describendorum, auc- 
tores se professi sunt Pittbus Esseiva Friburgensie Helveüus 
et P£T£US BosATi Interamnos. 

Novum certamen usitatis legibus indicitur. Carmina latina 
certamini destinata ne ex alia lingua translata neve iam 
édita privative argumenti sunto, L versibus ne minora, eaque 
nitide et ignota iudicibus manu scripta sumptibus poetarum 
ante Kalendas lanuarias anni sequentis mittuntor Joanki 
CoBN. Geb. Boot, Ordini litterario ab actis, munita symbole, 
pariter inscribendo scbedulae obsignatae, quae poetae nomen 
et domum indicabit. 

De carminibus sententia feretur in conventu légitime 
Ordinis mense Martio. 



( 367 ) 

Schedulae reiectis carminibus additae comburentnr. 

Praemium victoris erit numus aureus CC florenorum. Car- 
men praemio donatum edetur sumptibus ex legato erogan- 
dis, eique adiungentar alia quae editione digna iudicabuntur, 
si poetae edendi veniam rogati dederint. 

Amstelodami, pridie Kal. April. Corn. Guil. OPZOOMËB, 

doiDCccLXXYin. Ordinis Praeses. 



VERSLAGEN M MEDËDËELIK6ËN 



DKR 



KOJVIl^KLUKË AKADEMIE 



TA» 



WETENSCHAPPEN. 



VERSLAGEN EN MEDEDEELINGEN 



DBB 



KONINKLIJKE AKADEMIE 



VAK 



WETENSCHAPPEN. 



Afdeeling LBTTEBKVNDE. 



TWEEDE REEKS. 

Achtste Deel. 



AMSTERDAM, 

C. 6. TAN D£R POST. 

1878. 



GEDRUKT BIJ DK SOEVKR«KRÔB£H-BAKKLS. 



INHOUD 



YAM HET 



ACHTSTE DEEL 



DBR 



TWEEDE BEEK8. 



PROCESSEN-VERBAAL 

DBB 

&EWONE VEEGADEEINGEN. 



Vergadering gehouden 11 Maart 1878 blz. 1. 

8 April n // 4. 



ff n 



If n 13 Mei n n %%. 

9t /r 17 Juni It n 81. 

// NT 9 September „ // 84. 

// jT 14 October w ^ Sil. 

If H 11 November n ^ 269. 

11 December if // 281. 



H II 



18 Januari 1879 „ 294. 



v # xo «lanuari j.ofv . . • . . // 



M M 

Il II 



10 Februari // m 297. 

10 Maart n // 367. 



VI INHOUD. 



TERSLAGËN. 

Verslag over de stukken betreffende de abdjj te Bedbur, 

aangeboden door den heer L. A. J. W. Sloet . . . biz. 25. 

Verslag over eene verhandeling van Dr. S. Warren . . » 314, 

Bericht over den wedstrijd in lat^'nsche poëzie . . . . if 335, 

Programma certaminis poetici (1879) ff 376. 



MEDËDEELIN6EN. 

E, Verwqs, Heer Nie. van Cats blz. 6. 

J. C. G. Boot, Nog iets over Johan van Vliet . , • , y 28. 
N. Beets, Over onuitgegeven gedichten van Anna Roemer 

ViflBchers h 85. 

Naschrift h 264. 

J. C. G. Boot, Henr. Gonst. Gras epistola ad Dan. Wyt- 

tenbachium // 90. 

Th. Borret, De Ghristen slavin in dienst bg heidensche 

meesters // 97. 

P. de Jong, £eu Arabisch handschrift behelzende eene 

bestr^'ding van 't Ghristendom // 217. 

W. J. Knoop, Over den aanslag van Prins Maurits op 

Maastricht in 1594 „ 287. 

G* Leemans, Bedenkingen tegen eenlge punten in een 

verslag van Byks-adviseurs • . . ^ 278. 



INHOUD. vn 

G. Mees Az., Een Hollandache luitenant onder Koning 

Lodew^'k blz. 284. 

A. A. de Pinto, Algemeene maatregelen yan inwendig 
bestuur en delegatie van wetgevende magt . • • . ^^ 306. 

B. J. Lintelo de Geer, Hadrianus tegenover de rechts- 
wetenschap van syn tgd ir 844» 

J. de Wal, Opmerkingen en gissingen op een der brie- 
ven van Georg Tanner // 360. 



. J 



GEWONE VERGADERING 

DER AFDEELING 

TAAL-, LETTER., GESCHIEDKUNDIGE EN WÜ8GEERIGE 

WETENSCHAPPEN, 

GEHOUDEN DEN Udsn HAART 1878. 



T^enwoordïg de beeren c. w. opzoomer, voorzitter, 

C. LEEMAKS, M. D£ VBIES, W. O. BRILL, W. HOLL, J. DE WAL, 
L. PH. C. VAN DEN BEROH, L. A. J. W. SLOET, W. J. KNOOP, 
G. DB VRIES AZ., W. C. MEES, A. KUENBN, D. HARTING, 
B. J. LINTELO DE GEER^ J. E. GOÜDSMIT, J. P. SIX, S. A. NAHER, 
TH. BORRET, C. H. FRANCKEN^ S. HOEKSTRA BZ., H. KERN, 
B. T. H. P. L. A. BONEVAL PAURE, M. J. DE GOEJE, C. VOSMAER, 
J. P. N. LAND, J. G. DE HOOP SCHEFFBR, M. F. A. G. CAMPBELL, 
P. DE JONG, J. G. R. ACqUOY, P. J. COSIJN, A. A. DE PINTO en 

J. C. G. BOOT, secretaris. 



Van den Heer E. Verwgs is bericht ontvangen, dat bg, 
na verbinderd de vergadering b^ te wonen^ de toegezegde 
bgdrage later boopt te leveren. 



Het Proces- Verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en goedgekeurd. 



De beer Naber leest bet bericbt over den wedstrgd in 
latgnscbe poëzie, ingesteld door Mr. HoeufFfc. De commissie 
geeft met opgaaf van den inhoud eene beoordeeling der 
negen ingezonden stukken. Zes van dezen werden als van 
minder waarde ter zgde gelegd; van twee, bet een getiteld 

TSBSL. XN MXDXD. Af D. LKTTEKK. 2^0 SKKKS. DRIL VIII. 1 



(2) 

Pulices^ het andere Fucimcs lacus^ wordt eervolle melding 
gemaakt en aan de schrgvers aangeboden hunne gedichten 
op kosten van het legaat te laten drukken; twee Idjllia 
de Insuhrum agricolarum in transatlanticas regiones deniir 
gratione^ met het vers van Vergilius Nostra nee erubuit 
silvas habitare Thalia tot kenmerk^ worden den gouden 
eerepenning waardig gekeurd. 

In het daarbg behoorend naambriefje maakt de heer 
Francesco Pavesi te Milaan zich als de maker bekend. 

De naambriefjes, behoorende b^ de niet eervol vermelde 
gedichten, worden verbrand. 



De heer Cosgn geeft eene verklaring van het nog niet 
ontc^ferde runen-opschrift van den Bucharester ring of arm- 
band, luidend gutaniowi hailag* Naar sprekers meening 
schuilt in de drie eerste letters de naam van Goten. Op 
dien grond moet men aan een gotisch opschrift denken. 
Tusschen gutanioj de vorm van een genitivus pluralis, en 
toi moet gescheiden worden, en hailag is het bijvoegelgk 
naamwoord, dat het zelfstandige toi bepaalt. De zin is 
dan: heilig wijgeschenk van gotische vrouwen. De spreker 
verdedigt deze verklaring tegen twee bedenkingen, die daar- 
tegen kunnen aangevoerd worden. 

Zg wordt door geen der leden bestreden; maar enkele 
punten van het betoog leveren aan de beeren de Goeje, 
Six, Kern, Borret^ van den Bergh en Leemans aanleiding 
tot eenige opmerkingen en tot vragen, die door den spreker 
beantwoord worden. 

De bgdrage wordt afgestaan voor de Verslagen en Mede- 
deelingen. 



De heer Sloet deelt iets mede over een klooster, later in 
een adellijk stift, eindel^k in eene abdj herschapen te 
Bedbur bg Kleef. De inventaris van vele merkwaardige 
stukken^ die daar in de zeventiende eeuw nog gevonden 
werden, is opgemaakt door den oversten Alexander van 
Spaen, en later herzien en verbeterd door diens kleinzoon, 



( 3 ) 

den bekeuden Gelderscheu geschiedschrijver. Die inventaris 
eu andere stukken, tot dat klooster betrekkelijk, worden be- 
waard in het Rijksarchief en bij den Hoogen Raad van 
adel te 's Gravenhage en in het Staatsarchief te Dusseldorp. 
De heer Sloet biedt eene kopie van die in meer dan één 
opzicht merkwaardige stukken ter nitgave in de Verhan- 
delingen aan. 

De voorzitter verzoekt de beeren de Wal, R. Fruin en 
Lintelo de Geer daarover in de volgende vergadering ver- 
slag uit te brengen. 



Daar niemand verder het woord vraagt, en de tijd voor 
de gewone vergadering verstreken is, wordt deze gesloten. 



!• 



GEWONE YERGADËRIJNG 



DER AFDEELIMG 



TAAL-, LETTER., ÖESCHIEDKÜNDiaE EN WUSÖEEBIGE 

WETENSCHAPPEN, 

GEHOUDEN DEiN 8«ten APRIL 1878. 



-I»S^4«- 



Tegenwoordig de hoeren: w. moll, waarnemend voorzitter, 

C. LEEMANS, W. O. BRILL, W. J. KNOOP, G. DE YEIES AZ., N. BEETS, 
G. MEES AZ., B. J. LINTELO DE GEEE, A. KUENEN, D. HAETINO, 
J. P. SIX, S. A. NABER, TH. BOBEET, C. M. PEANCKEN, H. KEEN, 
J. A. PEUIN, E. VEEWIJS, M. J. DE GOEJE, J. P. N. LAND, 
J. G. DE HOOP SCHEPPER, M. P. A. G. CAMPBELL, J. G. E. ACQUOY, 

P. JT. cosiJN en J. C. g. boot, secretaris. 



Van den heer Opzoomer is bericht ontvangen, dat hg 
verhinderd wordt de vergadering bg te wonen. 



Het Proces- Verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en goedgekeurd. 



De Secretaris bericht dat de beeren P. Esseiva te Fribnrg, 
en P. Rosati te Bologne zich als de auteurs der eervol 
vermelde gedichten Pulices en Fucinus lacua bekend gemaakt 
en vergunning tot de uitgaven van die gedichten verleend 
hebben. 

De heer Verwgs levert eene bgdrage over enkele punten uit 
het leven van Heer Nicolaas van Cats, den gunsteling van 
graaf Floris V. Hg toont aan dat die in 1272 ridder is 



(5 ) 

geworden, dat hg te onrechte op het gezag van ondnidel^ke 
uitdrukkingen van Beka en van Wilhelmus Procurator als 
Yoogd van den Graaf wordt voorgesteld, dat de blaam van 
verraad na het gevecht tegen de West-Friezen zonder grond 
op hem is geworpen, en dat h^ in *t begin van 1283 op 
jeugdigen leeftgd schont gestorven te z^n. De spreker 
vestigt ook de aandacht op eene oorkonde van 5 Mei 1280, 
die te onrechte door van Mieris v^f jaren jonger gemaakt 
is, en wendt eene poging aan om het bezwaar, dat die dag- 
teekening in verband met andere gebeurtenissen oplevert, 
weg te cgferen. 

De spreker biedt zyne bgdrage aan voor de Verslagen 
en Mededeelingen. Zg levert aan de beeren Brill, Boot, 
Moll, Leemans en de Geer stof op tot; enkele opmerkingen. 



. Daar niemand verder het woord verlangt, wordt de ver- 
gadering na omvraag gesloten. 



HEER NICOLAAS VAN CATS, 



BIJ OR AGB TAN 



EELCO VEBWUS. 



Maerlant droeg zgne Naturen Bloeme aan »mgnhereNy- 
claes van Cats" op. Dr. Jonckbloet in zgne Gesch. d. Ned, 
Letterk. I, 177, deelt omtrent dezen edelman mede: »Hg 
komt nog in diploma's van 1270, 72 en 74 voor. In 1289 
was hg waarschgnlijk reeds overleden; zgn naamgenoot, die 
in dat jaar tegen Floris V opstond, was nog geen ridder, 
zooals de beschermer van Maerlant. Zie Kluit, Hist Crit. 
II, p. 922, 931, caet." 

Inzonderheid door de berichten in de oorkonden zgn wg 
thans in staat het omtrent dezen gunsteling van Graaf Flo- 
ris V medegedeelde nader aan te vullen, en tot meer zeker- 
heid te brengen, daar, gelijk Mr. Van den Bergh in eene 
aant. op eene oorkonde van 1283 aanmerkt *), >Heer Nico- 
laas van Cats ... tot nog toe altijd met zgnen zoon verward 
is." Toch big ven er in het Oor kb. nog enkele zwarigheden 
over, die wg niet zoo gemakkelgk kunnen oplossen. 

Deze Nicolaas van Cats was de zoon van Gerolf van Cats, 
met zijn broeder Hendrik tot de raadslieden der Gouvernante 
van Holland behoorende. In eeue oorkonde van 30 April 
1258 verklaren »Gerolphus et Henricus milites de Kats," 
dat zg den Hertog van Brabant, door de voogdes Aleid, 
> consanguinea nostra,'' tot mederegent gekozen, getrouw 
zullen helpen en raden f)- In eene oorkonde van 4 Juli 1259, 



♦) Oorkó. ir, Nt'. 483. 
t) T. a. pi. II, NO. 42. 



(7) 

berustende op het Archief te Bussel, schenkt Gravin Mar- 
garetha van Vlaanderen aan Blanchard de Gach eu aan zgne 
erven vier livrées de terre op den tol te Damme, te leen te 
houden van Vlaanderen behoudens de rechten van Gerulf en 
Hendrik van Cach (Cats) ridders *), 

Nicolaas van Cats komt het eerst voor in eene oorkonde 
van 17 November 1270, waarin Graaf Floris verklaart dat 
de bloedverwanten van Johan en Dirk van Heusden geene 
wraak zullen nemen, omdat bg het beoorlogen van Keulen 
de eerste dier edelen gedood, de tweede gevangen genomen 
is t)- Onder die magen komen verschillende »milites" voor, 
en onder de laatst genoemden ook Nicholaus de Cats, zonder 
bgvoeging van »miles/' Den 1^^^^ Mei 1271 beleende Graaf 
Floris »Clais van Eats'' na eigen opdracht met de hofstede 
van Cats en eenige daarbg gelegen lander^en§). Den 17^^^ 
Februari 1272 worden onder de getuigen van de beleening 
van de huishoenders te Ouddorp en eenige bezittingen te 
Alkmaar aan Walterus Friso genoemd: »dominus Theode- 
ricus de Theyliughe, dominus G. de Aemstelle, Nicholaus de 
Putten, Wilhelmus de Egmonde, Wilhelmus de Teylinghe et 
Clays de Cats/' Op dat t^dstip was dus Claes 7an Cats nog 
geen ridder**). Maar in een brief, vóór 16 November van 
dat zelfde jaar door Graaf Floris aan den Baljuw van Lon- 
den geschreven, waarin h^ dezen verzoekt het bestand tus- 
sehen Engeland en Holland bekend te maken, opdat de koop- 
lieden vr^ kunnen handelen, komt onze Zeeuwsche edelman 
als ridder voor. H^ schont in den loop van dat jaar door 
Floris met eene zending naar Engeland belast te z^n ge« 
weest om het bestand tusschen beide landen te sluiten f f) • 
De Hollandsche Graaf noemt de » treugas, quas dominus Ni- 
cholaus de Cats miles noster iniit cum illustri domino rege 
Anglie, inter terram suam et nostram.'' 



*) T. a. pi. II, N*. 64, waar echter alleen de inhoudsopgave» niet het stuk 
zelf Yoorkomt. 

t) T. a. pi. II. NO. 206. 

i) T. a. pi. n, N, N». 52. 

♦♦) T. a. pi. II, N». 826. 

tt)T. Ä.pl. II, N, N«. 58. 



( 8 ) 

Het is niet onmogel^k dat Graaf Floris de hem doorzp 
gunsteling bewezen diensten heeft willen beloonen, en van- 
daar dat in een oorkonde van 19 Juli 1272 de Graaf ver- 
klaart gegeven te hebben »een edelen man heere Nicolaes 
van Catse, ridder, om Sonderling getrouwen dienst, dien hy 
ons gedaen heeft ende noch doen mach, dese vryheyt tot 
Ter Goude van vierdehalf hondert gaerden", benevens het 
recht dat »alle die geene, die binnen deser vryheyt woon- 
achtich zgn ende poorters zijn, tollenvry varen sullen voor 
alle onse tollen, door alle ons lant, mit hoeren eygen sche- 
pen ende mit hoere eygene goeden'^ *). 

Van dezen brief bestaan twee teksten, een kortere Latgn- 
sche, een langere Nederlandsche. Mr. V. d. Bergh heeft eenige 
bezwaren tegen dit stuk: 

»Het blgkt niet of het Latgn dan wel het HoUandsche 
stuk den oorspronkelgken tekst bevat, waarom wg ze beiden 
mededeelen. Doch bovendien komt ons de brief verdacht voor. 
De titel graaf van Zeeland f) wordt in de overige brieven 
van <lat jaar niet aangetroffen en dat de gunst aan Nie. 
van Cats verleend wordt, die hoogstens voogd der erfdochter 
maar geen heer van Gouda was, is reeds bevreemdend. De 
inhoud zal dus misschien waar, maar de vorm later veran- 
derd zgn." 

Ik durf hier niet te beslissen en ga de andere stukken na, 
uit welke ons Heer Nicolaas bekend is. Een brief van 24 
Juni 1273 is bezegeld »met Claises seghele van Kads §)'', 
terwgl eene oorkonde van 1 Augustus 1274, waarin Graaf 
Floris belooft geen verdrag met andere landsheeren te sluiten 
zonder die van Utrecht **), met de zegels voorzien is van eenige 
edelen, als » domini Theoderici de Thelinghe, domini Willelmi 
de Brederode, dominr Theoderici de Wassennare, domini 
Nicholai de Cats militum, et Willelmi de Egmunde/' Her- 
haaldelgk treffen ¥rg hem in oorkonden, welke hg mede van 



•) T. a. pi. n, NO. 237. 

t) In den ^aanhef : »Florentins comes HoUandie et Zelaudie»" 

i) T. a. pi. II, N». 258. 

••) T. a. pi. II. N». 275. 



(9) 

zijn zegel voorziet, als in 1276, 1277, 1279, 1280 en 12S1 *). 
Vooral uit de stukken na 1275 blgkt ons ten duidelgkste, 
dat de invloed en het aanzien van Heer Nicolaas steeds 
grooter werd« Zoo is hij in 1275 met Nicolaas van Sub- 
burch. Baljuw van Zuid-Holland, scheidsman in de geschillen 
tusschen de mannen van den Hertog van Brabant en die 
van den Graaf vau Holland f). 

Volgens Beka §) kwam Zweder van Bosichem in Sep- 
tember 1276 voor Utrecht en bemachtigde het voor den 
beruchten Bisschop Jan van Nassau. De oude Schepenen 
en Burgemeesters werden weder in hunne waardigheid her- 
steld, terwijl de onlangs aangestelden de stad werden uitgezet. 
Allengs kwamen deze weder binnen Utrecht, en brachten de 
stad in hevige beroering. » Ende die wile dat sy onderlinghe 
dus twydrachtich waren binnen der stat, so quam Heer Claes 
van der Caetse Ridder, doe hy noch Joncheer Florens te ver- 
waren hadde^ mit vyf hondert gewapent binnen Utrecht, 
ende houwen die doren op van der poorten mit bilen, ende 
sat te recht midden in der stadt, ende verdreef daer uter 
Stadt CIO menschen, ende al der stadt rechte sette hy mit 
machte na synen wille ende goetduncken.'^ 

De woorden: >doe hy noch Joncheer Florens te verwaren 
kodde''* hebben aanleiding gegeven tot de overlevering, dat 
Heer Nicolaas voogd van den jongen Floris V geweest is. 
Van Leeuwen noemt hem > Goeverneur en favorgt van Graaf 
Floris''^), terw^l Wagenaar zich voorzichtiger uitlaat, en 
zegt: »dien sommigen ook voor eenen voogd van Graave 
Floris den V gehouden hebben'' ft)- Van Wgn twgfelt aan 



♦) T. a. pi. II, NO. 812. 344, 878, 393, 407, 416. In het stuk van 19 April 
1276 (N*'. 312) regelt Graaf Floris de voogdij over de kinderen en het land yan 
Patten. Dit stuk is bezegeld »met ons joncheren seghele des graves Florena van 
Hollant, met mire vrouwen scghele van Henengowe, met Florens Haruones 
mijns hare Niclans van Kats/' enz. Wie is die Florens Harttonet? Niemand 
anders dan Florens de zoon der Vronwe van Henegouwen. Men leze dus: «met 
Florens aart tonet, m^ns haren N. y. K." 

f) Codex Dipl, achter Beelu 400 (5 Dee. 1275). 

f) Matthaei Anal. Ill, 176. 

*•) Bai. m. 899. 

tt) y^^ BiU, m, 14. 



( 10 ) 

deze oyerleyering, en merkt in de Byv, en Aanm. Il, op 
Wagenaars woorden aan: >In gelyktydige stukken, is ky 
my, als zodanig, nimmer voorgekomen/^ 

Cxroebe*) wil, »dat de Graaf van z^n twaalfde jajeir tot aan 
het achttiende onder eene gewigzigde yoogd^ bleef, en dat dezehe, 
na het vertrekken van Graaf Otto van Gelder, met bewilliging 
van Floris, aan Nicolaas van Cats werd opgedragen, waaris 
men dan de oplossing zou vinden, waarom deze mede als een 
voogd van Graaf Floris V vermeld wordt.*" Later spreekt 
hg nogmaals van die t> gewijzigde voogdg, en acht dezelve 
ingesteld ten gevolge van den opstand der Eennemers, die 
juist den tyd, toen de voogd^ van Otto van Gelder had 
opgehouden, en terwigl Floris als op zich zelven stond, uit- 
nemend geschikt oordeelden tot uitvoering hunner ontwer- 
pen t).*' Heer Nicolaas zou alzoo voogd van den jongen 
Graaf geweest zgn van het jaar 1266 — '72, toen de Graaf 
zijn achttiende jaar bereikte. Doch, als w^ vroeger zagen, 
werd Nicolaas van Cats, die het eerst in 1270 in oorkonden 
voorkomt, in den loop van 1272 Ridder. En laat het zicb 
denken dat een zoo gewichtige betrekking, als voogd van 
den jongen Graaf, aan een »knaap" zou zgn opgedragen, die 
in de eerste stukken, waarin hg voorkomt, gewoonlgk de 
TQ der edelen sluit als de minste der broederen? Gelgk be- 
kend is, werd een jong edelman gewoonlgk eerst ridder ge- 
slagen als h^ den leeftijd van 21 jaren bereikt had§): 
Floris V zelf werd in 1277 door Hertog Jan I van Brabant 
te 's Hertogenbosch tot ridder geslagen, toen hg dus tusschen 
22 en 23 jaren oud was ^^). Neemt men nu aan, dat Heer 
Nicolaas omstreeks denzelfden leeftijd ridder is geworden, dan 
zou hg in 1249 of 1250 geboren zijn, en dus slechts een 
jaar of vgf ouder zijn geweest dan de jonge Graaf, en meer 
geschikt voor vompagnon d'armes van zijnen Heer, dan voor 
voogd of gouverneur. De geheele overlevering schgnt te 



•) Verk, van de Tweede K/. Ifut VI, 46. 

t) T. a. pi. 53, Aant. 1. 

J) La Curne de Saiüte-Palaye, Mém, tur Vanc. Ckev. I, 87, 51. 

**} Qroebe, t. a. pi. 66. 



( 11 ) 

berusien op de verkeerd begrepen woorden van Beka, die in 
1276, dos toen Floris 22 jaren was, zegt, dat Heer Nico- 
laas »noch Joncheer Florens te verwaren hadde *)" Ver^ 
waren beteekent bewaken, behoeden, custodire, en ik kan geen 
andere verklaring dier woorden geven dan deze: »toen h^ 
uog Jonkheer Florens bewaken of beschermen moest/" Wg 
komen later nog op deze woorden terug, en vestigen eerst 
de aandacht er op, dat die overlevering met andere berichten 
in stryd is. B^ den Clerc uten L Landen 121, lezen wij: 
»In corten iaren na desen is ioncher Floras selfinondich 
geworden ende tot sinen jaeren gecomen, so dat hi doe bi 
rade des heren van Voirne, die burchgrave van Zeelant was, 
ende sommige ander heren van den lande, grave Otie van 
Gelre wederseide die voechdie ende tregement van den lande, 
ende berechtede siin heerlichede selve mitten heren, die hi 
bi him nam."" 

Zoo Heer Nicolaas werkel^k zij het dan ook eene gewg- 
zigde voogd^ over den jongen Graaf had verkregen, zou zign 
naam hier wel vermeld zgn. Maar gelijk wg boven zagen, 
was Heer Nicolaas waarschiJLLlijk niet veel ouder dan Floris, 
nog geen ridder, en alzoo voor zulk eene gewichtige betrek- 
king ongeschikt. Doch er is meer dat onzen twgfel opwekt 
omtrent de woorden van Beka. Door Wilhelmus Procurator 
wordt Nicolaus vau Oats op het jaar 1282 genoemd als een 
der aanvoerders in den tocht tegen de Westfriezen. Van 
dezen wordt gezegd: »qui Comiti ut nunc praeerat, et cuius 
ordinatione singula procedebant f)**' ^^' Jonckbloet over 
Beka's woorden sprekeude §), waarin hg de bevestiging van 



*f Daar voor de beoefenaars der Mnl. taal de vertaalde Bekn meer waarde heeft 
dan de Latijnsche. wordt deze gemeenlek door ons getaadple('4(d. Zoo verzuimde 
ik den Latijnschcn teksï na te slaan, die mij aanstonds zou hebben dueu zii-n, dat 
de woorden »adhuc domini Florentii (utffam hibens," zoo duidelijk zyn, dat zij 
niet verkeerd kunnen begrepen worden. Volgens Beka was de Heer van Cats 
bepaaldel^k de voogd van den jonden Graaf, doch is en blijft dit aan twijfel 
onderhevig. Ware ook Heer Nicolaas van Cats een lOtal juren onder en eerst 
laat ridder geworden, dan zonde het nog vreemd z^n, dat zijn naam als voogd 
nergens in oorkonden voorkomt. 

f) Matthaei ÄnaL II, 626. 

S) OeseA. d. Mnl, Dickik. III, 41. 



( 12 ) 

het voogdgschap meent te zien, haalt ook Wilh. Procnrator 
aan, die »zegt dat hg nog in 1282 »comiti praeeraV, het- 
geen wel niet waarsch^nl^k is: wellicht moet men roor co- 
miti lezen: exerdtui*" *). Wagenaar heeft het werkelgk zoo 
opgevat, en vertaalt: »die H Leger geboodt/' Maar er staat: 
>qui Co miti ut tune praeerat/* en geleken die woorden 
niet veel op eeue gegkte uitdrukking als men ze vergelekt 
met Beka^s woorden: >c?ae hy noch joncheer Florens te ver- 
waren hadde*'*'i Beteekenen beide uitdrukkingen misschien vol- 
komen hetzelfde^ en zou niet Beka, zoo hg de Latgnsche 
uitdrukking vertaald had, gezegd hebben: »die als dan den 
Grave verwaerde" f) ? 

Praeease beteekent niet alleen over iemand of iets gesteld 
zijn^ maar ook iemand of iets bewaren of beschermen. Heer 
Nicolaas, die in den krgg van 1282 gezegd wordt den Graaf 
te beschermen, was dan misschien de aanvoerder van de Igf- 
wacht van Floris. Die verklaring der plaats van Procurator 
is slechts eene gissing, die ik gaarne voor eene betere wil 
ruilen §). 

Na deze uitweiding keeren wg tot den Heer van Cats 
terug, dien w^ in eene oorkonde van 5 September 1278 aan- 
treffen als een der zegsmannen van Floris bg het verdrag 
van vriendschap met de stad Utrecht aangegaan **). Den 25«*«» 
Maart 1280 draagt Heer Herbaren van der Lede ridder de 
heerlgkheid van Cabau over aan Heer Nicolaas tt)^ en den 3^^» 
Mei van hetzelfde jaar koopt hg de Igftocht af, die vrouwe 
Affcgn, weduwe van Heer Hugo Botter, op Schoonhoven be- 



*) Qeteh. d. Mnl, DieUk. III, 19. 

f) Nn uit den Latijnschen tekst is geblcken, dat mie verwaren hebben*' de 
vertaling is Tan "iuUlam kaher^\ vervalt deze geheele redeoeering, en bl^ft 
alleen de plaats van Wilh. Frocarator ter beschoawing over. 

\) Zoodanige verbetering stelde Mr. Boot voor, die de woorden van Procnrator 
aldus wil lezen: «qui comitatni tune praeerat.** De verandering van 
eomiti ut in eomitaiui heeft graphisch weinig bezwaar, en levert een uitstekenden 
ziup daar comüatus in middeleenwsch Latyn ook in den zin van leger voorkomt« 
Zie dn Gange II, 466, i. v. Comitatus N''. 6. 

♦*) Oorhh. n, NO. 370. 

tt) T. a. pL n, N«. 889; verg. N«. 417 (^4 Maart 1281). 



( 13 ) 

zat, en krggt Schoonhoven van Graaf Fions in leen*), ter- 
w^l de Bisschop van Utrecht hem den 2$^^^ Januari 1281 
tolvr^heid voor die van Schoonhoven vergunde f) j wegens 
»plurima servitia, que nobis et ecclesie nostre sepius impen- 
dit, et multimoda pericula et labores corporis et rerum, qui- 
bas pro nobis et ecclesia nostra Trajectina se submisit/' 

Den 3^^^ Februari 1281 verklaart hg van het kapittel 
van S. Marie te Utrecht in erfpacht gekregen te hebben de 
ambachten van Lopik en Boenrepas met tienden en cgns §), 
en den 22^^° Augustus schenkt hem Johannes elect van 
Utrecht al zgn goed binnen Schoonhoven met de wereldlgke 
rechtspraak **), den 29»^^ October gevolgd door eene schen- 
king van vgf morgen lands gelegen bg de gracht te Schoon- 
hoven, met de rechtspraak ft)- ^^ 1281 wordt hg genoemd 
onder de zegslieden, door Graaf Floris V en Floris van He- 
negouwen benoemd om over hunne geschillen uitspraak te 
doen§§). Den l^^^^^ November 1282 ontvangt hij van Graaf 
Floris de inkomsten van Nardingerland, Muiden, Diemen, 
Bendelmerbroek, Weesp en van den lande van Woerden, 
terwgl hg bovendien verklaart hem schuldig te zgn 5000 
pond HoUandsch ■'^**). Nog weten wg uit een brief van vóór 
Juni 1283, door Graaf Floris aan den Koning van Engeland 
geschreven, »quod nos anno proximo preterito ad vos domi- 
num Nicholaum de Oats, militem nostrum, misimus ad cap- 
tandum nostro nomine vestre benivolentie amicitiam ftt)-^' 
En, gelgk wg reeds vroeger opmerkten, was hg in 1282 
aanvoerder tegen de Westfriezen, die bg Schelliakhout na 
een hevig gevecht op de vlucht werden geslagen. Na de 
vluchtelingen twee mglen ver achtervolgd te hebben, trok 



•) T. a. pi. II, NO. 392. 

t) T. a. pi. II, NO. 415. 

$) T. a. pi. II, N, NO. 64. 

•♦) T. a. pi. II, NO. 430. 

tt) T. a. pi. II, NO. 486. 

5§) T. a. pi. II, NO. 487. 

♦♦♦) T. a, pi. II, NO. 467, waar alleen de korte inhond van het stuk wordt 
gegeven. 

ttt) T. a. pi. II, N«. 481 ; verg. NO. 482. 



( 14 ) 

het grafelgk leger terug. Deze terugtocht werd toegeschrcTen 
aan Heer Nicolaas van Cats, dien men van verraad verdacht 
hield: »nam de quodam milite, Nicolaus de Cats nomine, 
reliqui nobiles minus bene präesumebant" *). De Clerc uten 
lagen Landen noemt Cats' naam niet, en zegt alleen t)' 
»Die Zeelanders deden daer veel manliker daden^% en Stoke 
spreekt geheel in denzelfden geest §) : 

dat de heren van Zeelant 
Selve vochten luetter hant, 
Dat mens hem groot ere sprac. 

Ware de blaam van verraad Heer Nicolaas te recht aan- 
gewreven, hij zoude zeker niet van Graaf Floris de schen- 
king der boven vermelde rgke inkomsten verkregen hebben **;. 

Heer Nicolaas van Cats overleed waarsch^nlgk in de eer- 
ste maanden vau 1283; althans in eene oorkonde van 23 
Juni regelde Graaf Floris de rekening van het door Heer 
Nicolaas ontvangene en uitgegevene met de erfgenamen »do- 
mini Nycolai de Cats bone memorie'' ft)« 

Ziet hier wat ons bekend is van den man, die volgens 
Mr. Vau den Bergh » in blakende guust by den Graaf stond,'' 
en »tot nog toe altijd met z^nen zoon verward is §§)/' Is 
onze gissing juist, dan stierf hij in de kracht zgns levens, 
op ongeveer 34jarigen leeftijd. De zoon van Heer Nicolaas, 
die den naam zijns vaders droeg, komt ook herhaaldelgk in 
oorkonden tusschen de jaren 1289 en 1297 voor ***). Deze 



*) Matthaei Anal. II., 52t5. 

f) AU. 126. 

§) B. IV, 403 vlg. 

♦♦) Het is waar dat de beschuldigiDg uitging van de edelen, die misschicD 
hunnen standgeuoot daarom geen goed hart toedroegen, omdat hij tot de warmste 
voorstanders behoorde van de staatknnde van den Graaf, die de Kennemers vuor 
zich wilde winnen, door ze met zachtheid te behandelen. ])il kon niet in deu 
geest der edelen zijn, die gehoopt hadden door aanzienlijke scheukingen in West- 
friesland hnu macht en aanzien te vergrooten. 

t+. Oorkb. II, NO. 4S8. 

§§) In eene aant. op N«. 4S]. 

•*•) T. a. pi. II, N». 666, 667, 706, 718, 722, 723, 782, 845, '^02, 989, 1008, 
1021, N. 78. 



( 15) 

Nicolaas behoorde tot de Zeeuw8che edelen, die in 1289 
hulde en manschap beloofden aan Graaf Guy van Vlaande« 
ren, toen Graaf Floris ondanks hunne aanmaning weigerde 
de inbreuken op ^s lands oude costumen te herstellen. Toen 
Graaf Floris in 1290 met deze edelen de uitspraak hunner 
geschillen aan Graaf Guy, Hertog Jan ran Brabant en Ro- 
bert van Nevers opdroeg, vinden wy onder hunne namen: 
»Jehan de Renesse, Walfart de Barsele, Thiery de Brederode, 
Hue de Cruninghe, Jehan de Ie Malstiede et Wautier de 
Cruninghe chevaliers, Florent de Barsele, Clai de Catz et 
Doedin d'Evringhe escuiers *)" ; en nog in een stuk van 7 Mei 
1293 komt hfl onder de »knapen" voor f)- Eerst den 5 
April 1295 vinden wij van liem als »miles'' melding ge- 
maakt §), terwijl hfl in Mei 1297 onder 's Graven »cousi- 
liarii" voorkomt"*). Nog in 1297 overleed hfl, als blflkt 
uit een stuk van 8 Augustus van dat jaar, waarin Heer 
Ggsbrecht van Abcoude, ridder, verklaart door de zeven 
schepenen van Schoonhoven voldaan te zfln van de erfenis 
van zgnen zwager, Heer Nicolaas van Cats ft)« Daar mfln 
doel voornamelflk is om aaugaande den ouden Heer Nicolaas 
van Cats nauwkeuriger inlichtingen te krflgen, zal ik mfl 
niet verdiepen in de tegenstrfldigheid, dat nogmaals in een 
stuk van 16 Februarfl 1299 een »Clays van Catse, ridder'% 
voorkomt §§) ; maar liever de aandacht vestigen op een Heer 
Nicolaas van Cats, ridder, die bfl Van Mieris en Mr. Van den 
Bergh in een stuk van 6 Mei 1285 voorkomt***). In deze 
oorkonde ontslaat Reyuerus de Orio, de pauselflke nuntius, 
den Elect van Utrecht van den ban lu; a opgelegd wegens 
het inhouden der pauselflke tienden, mits betalende zekere 
som, die Graaf Floris hem zou voorschieten. Dit geschiedde 
»in presentia... domini de Arckel, domini de Keppel, do- 



*) T. a. pi. II, N». 722; verg. 728. 

t) T. a. pi. II, NO. 845. 

i) T. a. pi. Il, NO. 902. 

*•) T. a. pi. II, NO. 999 j verg. 1021. 

ft) T. a. pi. II, NO. 1008 ; verg. N. No. 78. 

(^) T. a. pU II, NO. 1055. 

♦♦♦) Mieris I, 449, Oorkà. U, No. 546, 



( 16) 

mini Nicolay de Cats, domini Nicolay de Zouburch, militum/* 
en anderen, »in domo fratrum Minomm, anno Domini 
M.CC.LXXX." Mr. Van den Bergh teekent hierbg aan : » Vol- 
gens V. Mieris te lezen 1285." Begeerig de reden te ver- 
nemen, waarom dit stuk 5 jaren later is gesteld, slaan wg 
Mieris op, en yinden daar de weinig bevredigende aantee- 
kening: >Ik meene dees tot het jaar 1285 behoord, gelyk 
wy hem gesteld hebben.'^ 

Het stuk is opgemaakt te Dordrecht, »feria prima post 
inventionem sancte cmcis'\ Nu valt de Kruisvinding op den 
3den '^q{^ qq ïn het jaar 1285 viel ook juist op dien dag 
de Hemelvaart in, door welken grooteren feestdag de kleinere 
verdrongen werd"^). Een stuk van 4 Mei 1285 is dan ook 
gedagteekend »in crastino ascensionis Domini f)"- Wegens 
de dagteekening is er dus zwarigheid om het stuk in 1285 
te plaatsen, in strgd met de opgave van het stuk zelf. 

W^ moeten thans eenige oogenblikken terugkeeren tot het 
gruwel^k wanbeheer van den Elect van Utrecht, Jan van Nas- 
sau, een bloedverwant van Graaf Floris, Keinoud van Gelre 
en Dirk van Kleef, aan wier invloed hij denkelgk zgne ver- 
heffing in 1267 te danken had, een kerkvoogd omtrent wien 
de Hoogleeraar MoU het volgende getuigenis geeft: »Onder 
alle bisschoppen van Utrecht is er naauwelijks één geweest, 
die meer dan hg in onze kerkgeschiedenis eene droevige 
figuur maakt §).'' 

Op het concilie te Lyon werd, vooral op aansporing van 
Paus Gregorius X, besloten ten behoeve van de verdrukte 
geloofsgenooten in het H. Land tienden van alle kerkel^ke 
inkomsten te heffen, en de opbrengst er van voor zes jaren 
toegestaan, te rekenen van St. Jan 1274. In het najaar 
van 1275 kwam Beinerus de Orio, praepoaitiM clavarii col- 
Uctorum decimarum^ hier in het land, ten einde zich met 
de invordering dezer schatting te belasten. 

Maar welken gver de busbewaarder ook aan den dag legde, 



•) Kulik, Die dahr es formen^ 35 Jahresform, 
f) Oorkh, II, NO. 547. 
S\ Kerkgeseh. IIi, 120. 



( 17) 

de zaak der kruistochten werd er niet door bevorderd. Vol- 
gens kerkorde werden de ingekomen gelden in handen ge- 
steld Yan Jan van Nassau, den Elect van utrecht, die wei- 
nig ingenomenheid met de kruistochten betoonde, en wiens 
geldmiddelen hoe langer zoo meer in verwarring kwamen. 
Steeds werd hg afhankelgker van Graaf Floris, tegenover 
wien hg telkens drukkender verplichtingen moest aangaan. 
Jaar op jaar werd meer kerkeigendom vervreemd, en in 1281 
moest de verarmde kerkvoogd de tienden van alle landen, 
die onder het bisdom stonden, in leen afstaan aan Floris, 
die daarover nu de vrge beschikking kreeg. De ontevreden- 
heid werd eindelgk zoo groot, dat men besloot zich tot den 
metropolitaan van het Sticht, den Aartsbisschop van Keulen, 
te wenden. Deze, vernomen hebbende dat de Kerkvoogd 
voornemens was de stad Utrecht en alle castra, villae eu 
sloten van het bisdom aan Graaf Floris over te dragen, tracht 
den Bisschop en den Graaf van dit voornemen af te brengen, 
en toen dit niet mocht baten, en zelfs de gezant vnn den 
Aartsbisschop, Willem van Amstel. Proost van St. Jan, werd 
gevangen genomen, belegde de Aartsbisschop het land van 
Graaf Floris^ de stad Utrecht en al de wederrechtelgk inge- 
nomen sterkten of kerkeigendommen met interdict. 

De Keulsche Kerkvoogd ging hier stellig zgne macht te 
buiten, zoowel ten opzichte van den Utrechtschen Bisschop, 
daar iig de vereischte formaliteiten niet in acht had geno- 
men, als vooral ten opzichte van Graaf Floris, die buiten zgn 
rechtsgebied stond en geheel onafhankelgk van den Metro* 
politaan was. 

Uit deze wederrechtelgke handeling van den Metropolitaan 
ontspon zich een langdurig geding, waarop het eerst de aan- 
dacht werd gevestigd door Delprat in eene verhandeling: 
Het Bisdom Utrecht en het Graafschap Holland onder ker^ 
keiijken ban^ ten jare 1280— 1283 '^), naar onuitgegeven be^ 
scheiden bewerkt f). Dit geding zelf ligt buiten ons bestek. 



*) Kist en Moli, Kerkhitl. Areh, III, 321—97. 

t) De tut dat geding betrekkelijke stukken syn ook later opgenomen in het 
Oorkh. II, N«. 420. 

VEBSli. sir MBDlfiD. Af O. LSTTE&K. 2de BBUB. OXKL VIII. 2 



( 18 ) 

ea kunnen wij dus onaangeroerd laten: alleen halen wg hier 
de woorden van den schrijver aan, waar hg over het dooi 
ons besproken stuk van 1280 handelt*): 

»In geen van al die regtshandelingen wordt een woord 
gerept van den verkozen Utrechtschen bisschop zei ven. Te- 
geu hem toch, als tegen een ongehoorzamen, onwettig han- 
delenden suffragaan, had de Eeulsche aartsbisschop het in 
den aanvang voomamelgk geladen, en nu laten de Terou- 
aansche regters hem rusten. Zelfs verdw^nt hg geheel van 
bet tooneel. Ik schrgf dit voor een deel toe aan den staat 
van volslagen onmagt, waarin Johan van Nassau was ver- 
vallen, als geheel afhankelijk geworden van den Graaf van 
Holland en als bijoa van alle bezittingen beroofd. Van hem 
kon de kerkelijke vierschaar wel veel eischen, maar niets 
verkrijgen. De Terouaansche regters waren daarenboven wel 
verpligt, hem ongemoeid te laten, wgl eene andere m^t, 
dan de Keulsche kerkvoogd, hem van ban en exconuuuni- 
catie-straf had vrygesproken. De kerktienden toch, welke b^ 
zich eerst wederregtelijk had toegeëigend, waren, dank zij 
de tusscheukomst van Floris V, weder aan de kerk to^e- 
vloeid, waarop dadelgk vrgspraak van den ban was gevolgd 
onder dagteekening van 5 Mei 1280, door Beinier de Orio, 
als pauselijk gemagtigde, te Dordrecht uitgesproken f)-'* 

In eene aanteekening merkt Delprat op, dat bg Van Mie- 
ris deze brief, »in weerwil van de daarop gestelde jaartee- 
kening l!80, vgf jaren later gedagteekend (6 Mei 1285)'' 
is. » Voor die verandering is geene reden. Naar den inhoud 
vau het register, hier boven aangehaald, was R. de Orio in 
1 280 hier te lande aanwezig." 

Wij zagen boven, dat er zwarigheid met de dagteekening 
otitstaat, zoo de brief in ] 285 wordt gesteld ; w^ wet^n te- 
vens dat Hücr Nicolaas van Cats, ridder, reeds in 1283 over- 
leden was, en zijn zoon Nicolaas toen nog geen ridder was. 
Van Reinier de Orio is het zeker, dat hij in 1280 hier te 
lande was, en het is zelfs niet waarsch^nl^k, dat hg zicb 



♦) BI. 354. 

f) Verg ook Vau Wijn, Nal. op Wagen» III, 23. 



( 19 ) 

hier nog in 1285 bevond '*'). Immers de tienden waren toe- 
gestaan voor den tgd yan 6 jaren, in te gaan met St. Jan 
1274, en in het stuk van 5 Mei ]280 zegt de Nnncius, 
dat de Elect vrgspraak verzocht heeft van den ban, hem 
opgelegd »snper retentione décime sne, pet annos sex inUgros 
et continuos et abiatione denariorum, a coUectoribus aptid 
fratres predicatores depositotum." Wel blgft het een bezwaar 
dat de Nuncins den 5<^^° Mei 1280 nog niet volkomen jnist 
kon spreken van »anni sex int^ri et continni'^ daar dit 
eerst na St Jan 1280 kon geschieden. Maar er is nog iets, 
dat eenige zwarigheid oplevert. De brief is den 5^^*^ Mei te 
Dordrecht in tegenwoordigheid van Nicolaas van Cat« op- 
gemaakt, terwijl de Graaf den muddepenning aan die van 
Delft schonk, in tegenwoordigheid van >har Clais van Cats^", 
en dit geschiedde: >do wi laghen vor Yredelant, in den 
jare onses Heren dusent twehondert ende thachtich, des 
sonendaghes na sente Wouburghf)." De St. Walburgsdag 
is den I^^b Mei, die in 1 280 op een Woensdag viel, en dus 
de Zondag na dien dag was op 5 Mei, toen, mede in tegen- 
woordigheid van Heer Nicolaas van Cats te Dordrecht, de 
Elect van Utrecht van den ban werd vr^gesproken, » illustri 
viro domino Florentio comité HoUandie, ipsins consanguineo, 
et multis aliis probis viris . . . presentibus.'^ Dat de Graaf 
met zgne mannen zich op denzelfden dag èn te Vredeland 
èn te Dordrecht zal hebben bevonden, en b. v. des mor-» 
gans vroegt^dig na het teekenen van den brief VreeUnd 
heeft verlaten om naar Dordrecht te reizen, waar h^ nog 
dien zelfden avond eene andere zaak afdeed, is zoo niet 
waarschijnlijk, althans niet onmogel^k. Wel liggen beide 
plaatsen tamel^k ver van elkander verw^derd, maar wg 
weten ook dat, ondanks den slechten toestand der wegen, 
aanzienl^ke afstanden werden afgelegd. De Rekeningen der 
Grafelijkheid van Holland z^n daar om het te bewezen. 
Graaf Willem op z^ne terugreis uit Pruissen in 1343 reist 



*) In eene oorkonde van 20 Mei 1285 komt »Jacobns deeanus ecclesie S. 
Jobannis Trajectensia" voor als «collector decitnarnm in snbsidinm curie aancte," 
Oorkó. U, NO. 550. 

f) Oorib. II, N«. 893. 

2^ 



(20 ) 

in eenen dag van Oldenzaal naar Deventer, een afstand Tan 
56,5 kilometers, mim 10 nnr, en den volgenden d^ tu 
Deventer naar Amersfoort, 58,8 kilom. of 10^ nur*). In 
1344 vertrekt »migns heren herberghe*' des morgens uit 
Geertmidenberg, eet te Dordrecht en komt des avonds te 
Rotterdam f), een afistand van 55,1 kUom of ] O nor. De 
Graaf vertrekt den 7^^^ Augustas uit Den Haag »ten pai- 
lamentwart, dat ghewest soude hebben tot Harke;'' hg komt 
»des selves zaterdaechs ten eten tordrechV', en » des selves za- 
terdaechs quam mgn here tot sente Gherdenberghe tsayond8§)'\ 
en legde hg dus een afstand van 78,8 kilom. af, ofyanraim 
14 uur. Nu is de afstand van Vreeland over Utrecht naar 
Dordrecht 74,9 kilom., of 13| uur, en die reis even goed 
mogelgk als de laatsivermelde van Graaf Willem van 'sGra- 
venhage naar Geertruidenberg ^^). 

Ziet hier enkele zwarigheden, waarop ik bg mgn onder- 
zoek naar den persoon van Heer Nicolaas van Cats, Maer- 
lant's beschermer, ben gestuit. Zgn we al tot de slotsom 
gekomen, dat deze edelman, die in stukken van 1270 — 1283 
voorkomt, eerst in 1272 ridder werd, en dus op jeugdigen 
leeftgd stierf; dat hg eenige jaren ouder was dan Graaf 
Floris, en alzoo onmogelgk diens voogd kan geweest zp« 
en dat zgn zoon Nicolaas, met wien hg dikwgls verward 
werd, omstreeks 1290 en later nog als knape voorkomt, 
vooral het laatst besproken stuk van 5 Mei 1280 baart eenige 
moeilgkheden, die ik niet bg machte ben geheel op te los- 
sen, en welke ik onder de aandacht van de beoefenaars onzer 
middeleeuwsche geschiedenis breng. 

Waar de berichten zoo schaarsch zgn omtrent een per- 
soon als den Heer van Cats, die ongetwgield als raadsman 
en vertrouweling van Graaf Floris eene niet onbelangr^ke 



•) D. III. 238-69. 

t) T. a. pi. 298. 

$) T. E. pi. 296. 

**) Ik ben hier moeten afgaan op de tegenwoordige afstanden, naar de tegeo- 
woordige wegen, en had als leiddraad de AfHandatafelen vattgeitêld door de% 
Miniiier van Oorhg, kraekUnt art, 2 van hei boêluit du Kioniugt van de» 
446 Maart 1862 (Staatablad N<». 27). 's Gravenhage 1870. 



(21 ) 

rol op het staatkundig tooneel heeft gespeeld, waar w^ ods 
^ooteudeels moeten tevreden stellen met den schralen oogst 
uit de oorkonden dier dagen, is niet veel meer dan een dorre 
opsomming van veelal onbeduidende b^zonderheden mogel^k, 
die niet in staat z^n ons een helder beeld van den persoon 
voor oogen te stellen, maar niet veel meer geven dan een 
dor geraamte. Die dorre opsomming van al de verspreide 
berichten heeft alleen wat meer helderheid gegeven, en te- 
vens het voordeel opgeleverd ons te w^zen op enkele zwa- 
righeden, die nog overbleven, zwarigheden, misschien zonder 
meer g^evens moeil^k op te lossen. 



GEWONE VERGADERING 

DER AFDBÊUNG 

TAAL-, LETTER-, GESCHIEDKUNDIGE EN WIJSGEEBIGE 

WETENSCHAPPEN, 

GBHOUDEN DEN 43den HEI 1878. 



Tegenwoordig de beeren c. w. opzoomeb, voorzitter. 

M. DE VRIES, W. G. BRILL, L. PH. C. VAN DEN BBROH, W. MOLL, 
L. A. J. W. SLOET, J. DE WAL, W. J. KNOOP, G. DE VMES AZ., 
N. BEETS, B. J. LINTELO DE GEER^ D. UARTING, G. MEES AZ. 
J. P. SIX, S. VISSERING, S. A. NABBR, H. KERN, J. E. GOUD8MXT, 
M. J. DE GOEJE, B. D. H. TELLEGEN, H. VAN HERWERDEN, J. P. N. LAKD, 

M. F. A. G. CAMPBELL, P. J. GOSiJN en J. C. G. BOOT, secretaiis. 



De heer Leemans heeft zich verontschuldigd wegens bet 
niet bgwonen der vergadering. 



Het Proces- Verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en goedgekeurd. 

Wordt gelezen een brief in dato 1 1 Mei 11. van den Mi* 
nister van Binnenlandsche Zaken« met kennisgeving, dat 
Z. M. de Koning de benoemingen van de beeren C. W. Op- 
zoomer tot voorzitter, W. MoU tot onder- voorzitter, Th. Nol- 
deke te Straatsburg en Dom. Carutti te Rome tot buiten- 
landsche leden der afdeeling heeft bekrachtigd. 



De secretaris bericht, dat een latynsch gedicht ds humam 
naUtra met de woorden vau Lucanus: Longae vitae mors 



(23) 

tnedia est tot zinspreuk voor den wedstrijd van 't volgend 
jaar is ingezonden» 



De heer Kern leest een levensbericht van het rastend lid 
der afdeeling J. J. Hoffmann, die op 19 Januari van dit 
jaar overleden is, waarin eene welverdiende hulde wordt 
gebracht aan de werkzaamheid van Hoffmann, op ^t gebied 
der Oost- Asiatische taalstudie. Het levensbericht zal in het 
volgend Jaarboek worden opgenomen. 



De commissie, in wier handen de stukken over de abdy 
van Bedbur, aangeboden door den heer Sloet, gesteld zyn, 
brengt bj monde van den heer De Geer verslag uit. Daarbij 
wordt gewezen op het belangr^ke der geleverde bouwstoffen, 
maar aan de vergadering overgelaten om te beslissen, of 
die niet verwerkt tot eene verhandeling, waarb^ zy als be- 
lagen konden gevoegd worden, in de werken der afdeeling 
kunnen opgenomen worden. 

Hierover ontstaat eene discussie tusschen de beeren De 
Wall, Opzoomer, MoU, De Geer, Boot en Sloet, die zich 
bereid verklaart aan de stukken eene historische inleiding 
toe te voegen en te zorgen voor eene zorgvuldige correctie 
der kopie naar de origineelen. Bfl meerderheid van stemmen 
besluit de vergadering op die voorwaarden de aangeboden 
verhandeling in de werken op te nemen. 



De heer Sloet biedt een afdruk aan zijner verbeteringen 
in het Oorkondenboek van Gelre en Zutfen, en vestigt de 
aandacht op twee Oorkonden, onlangs uitgegeven in de 
Additamenta zum Westfälische Urkundenbuch van Dr. Wil- 
man s te Munster. De eerste bevat de hofrechten door den 
abt van het klooster Abdinkhof te Munster in 1152 aan 
de hoorigen te Renkum en te Putten gegeven, die de oudste 
rechten van dien aard in ons land schenen te zyn. De an- 
dere is eene verklaring van Dortmund uit de dertiende 



( 24) 

eeuw, inhoudende opgaaf der parochiën, welke behooren tot 
het hansegraafschap van Borken in dergelgk graafschap van 
Dortmund, waaronder een handelsgerecht te Borken met 
hooger beroep op Dortmund yerstaan moet worden. Onder 
die parochiën worden Aalten, Groenlo, Neede, Eibergen en 
Winterswijk genoemd. Ook deze oorkonden is de heer Sleet 
voornemens in de B^drc^en voor vaderlandsche geschiedems 
tot aanvulling van zgn Oorkondenboek mede te deelen. 

Op eene vraag yan den heer van den Bergh, of het hof- 
recht van Putten niet hetzelfde is, wat door Bondam is 
uitgegeven, antwoordt de heer Sloet ontkennend. 



Daar niemand verder het woord verlangt, wordt de Ter- 
gadering gesloten en zal door eene buitengewone gevolgd 
worden. 



y E B 8 L A G 



OVn DB 



STUKKEN BETREFFENDE DE ABDY TE BEDBÜR, 



AAKOBBODSM DOOR DIN HEKR 



L. A. W. J. 8 L O B T. 



De commissie, in wier handen uwe vergadering den bundel 
stnkken, betreffende de abdy te Bedbnr nabg E[leef, gesteld 
heeft, door ons geacht medelid Sloet ter opneming in de 
werken der Academie aangeboden^ heeft haar onderzoek vol- 
eindigd en is bereid haar bevindingen aan u mede te deelen. 

Het is geen verhandeling die de heer Sloet heeft aange- 
boden, maar bonwstof voor een verhandeling, bescheiden, 
waamit een geschiedenis van het adellgke vrouwenklooster, 
even buiten onze grenzen gelegen, kan worden opgesteld. 
De bouwstof is grootendeels verzameld en bruikbaar gemaakt 
door de beeren Van Spaen, den geschiedschrgver van Gelderland 
en zgn grootvader, den bekenden generaal in Brandenburg- 
sehen dienst, en is door den heer Sloet gedeelteijk te 
's Gravenhage in het Rgksarchief en in het Archief van den 
hoogen Baad van adel, gedeeltelgk in het Pruisische Staats* 
archief te Dusseldorp gevonden. Zg bestaat: 1^. uit Igsten 
van Proosten, Priorinnen, Decanessen en (uit den lateren 
tgd na 1678) Abdissen, met enkele bewjsstukken uit den 
inventaris van A. van Spaen« 2^^. opgezworen kwartiersta«* 
tea der nonnen, alphabetisch gerangschikt. 3^. het cartula- 
hum. Dit laatste is het Igvigste en tevens het belangrgkste deel 



(26) 

der yerzameling. Van niet veel geestelgke stichten, althans 
niet in en bg ons vaderland, zou men een zoo volledige 
reeks van bescheiden bgeen kunnen brengen. En sommige 
gedeelten zgn b^zonder merkwaardig. De heer Sloet heeft 
in zijn korte inleiding zelf de aandacht gevestigd op de 
documenten, be treffende de behande goederen, waarvan het 
goed Buurloo onder Apeldoorn het eenige voorbeeld in 
ons land is, en op de documenten betreffende de reforma- 
torische beweging in de 15^ eeuw, die zich aansluiten aan 
hetgeen soortgel^ks in de kloosters van ons land voorviel. 
Maar buitendien leeren de bescheiden, in het Cartularium ver- 
meld, velerlei wetenswaardigheden aangaande het leven in 
het klooster en het bedrgf der kloosterlingen, en over de 
verhouding van het sticht tot de wereldlgke macht. De kwar- 
tierstaten hebben natuurlek slechts voor de genealogiën belang, 
en uwe commissie is met de geslachten van Cleef en de 
aangrenzende vorstendommen te weinig bekend, dan dat z^ 
de waarde van deze staten uit dit oogpunt zou durven schat- 
ten. Evenzoo moet zg zich onbevoegd verklaren om te oor- 
deelen, of de bescheiden overal goed gelezen en de hoofd- 
zakelgke inhoud overal juist weergegeven is; maar de namen 
der beide beeren Van Spaen en Sloet stellen haar op dit punt 
gerust. Ophelderende aanteekeningen zgn aan de bescheiden 
slechts spaarzaam toegevoegd. De heer Sloet meent dat z% 
ook wel gemist kunnen worden, maar is niettemin van voor- 
nemen, indien het cartularium eens gedrukt is, nog hier en 
daar aan te teekenen wat hem dan tot verklaring van den 
tekst dienstig zal voorkomen. Op die wgs voltooid zal zgn 
arbeid een kostbaren codex diplomaticus leveren voor een 
geschiedenis eener merkwaardige kerkelgke stichting. Dath^ 
ten volle verdient door den druk gemeen gemaakt te worden, 
kan wel niet in twgfel worden getrokken; en zoo oordeelt 
ook een allezins bevoegd geleerde, op wien zich de heer 
Sloet te recht beroept, de archivaris van Dusseldorp, Pr. 
Harless. Uwe conunissie vereenigt zich geheel met diens 
gunstige uitspraak. 

Een andere vraag is het evenwel, of het op den weg der 
Academie ligt voor de uitgaaf te zorgen en aan de bon w^ tof voor 



(27) 

zulk eene geschiedenis een plaats in te ruimen in hare werken. 
De commissie acht zich niet geroepen die vraag te beant- 
woorden. Zg meent door haar advies over den aard en de 
belangr^kheid der aangeboden stukken, Uwe vergadering in 
staat te hebben gesteld om in dezen met kennis van zaken 
te beslissen. Zig wil er alleen nog b^ voegen, dat het haar 
b^zonder leed zou doen, indien ten gevolge uwer beslissing 
de arbeid van ons geacht medelid, die blgkbaar met voorliefde 
is verricht, vruchteloos bleef en voor de wetenschap verlo- 
ren ging. 

J. DE WAL. 

B. J. L. DE GEER. 

R. FRUIN. 



NOG IETS 



OVER JOHAN VAN VLIET. 



MSDBOSDEBLD DOOB 



J. C. O. B O O T. 



Vier jaren geleden is door wjj over het leven en de ge- 
schriften Tan dezen geleerde eene bgdri^e geleverd, die in 
de Verslagen en Mededeelingen der letterkundige afdeeling, 
Deel IV der Tweede reeks, blz. 278—323 te vinden is. 
Sedert dien t^d z^n herhaaldel^k brieven en zeldzame exem- 
plaren van eenige z^ner gedichten in migne handen geweest, 
en ik acht het niet ongepast daarop de aandacht te vestigen, 
en daaruit het vroeger medegedeelde te verbeteren en aan 
te vullen. 

Bg de opgaaf z^ner geboorteplaats heb ik m^ (blz. 281 vgg.) 
geschaard aan de z^de van Van Qoor, en de baronnie van 
Breda als zoodanig opgegeven. Ik ben nu geneigd noch een 
stap verder te gaan, en Prinsenh^e bg Breda daarvoor te 
houden. Ik dwaalde toen ik vroeger schreef, dat men bg 
ßaganus in het Album der Leidsche hoogeschool tweemaal 
achter zgn naam geplaatst, aan woonplaats, niet aan ge- 
boorteplaats moest denken. Mogelgk is het dat hg als in» 
woner van 's Gravenhage aldus is genoemd, maar niet minder 
is het mogelgk en zelfs waarschgnlgk dat die naam zgn 
ware geboorteplaats aangeeft. Het tegenwoordige Prinsen- 
hage heeft vroeger en tot in de veertiende eeuw Mertersen 
geheten, zooals uit oorkonden van 1299 en van 1316 blgkt*), 



*) By Van Goor, H. IV. u«. SJÖ cd n». ïJl. 



(29) 

en later den naam van Hage, de heerlgkheid van den Hage 
gevoerd'*'), terwgl de naam Princenhage eerst in de tweede 
helft der achttiende eenw in zwang is gekomen. Die das 
daar geboren is, is Haganus^ Hagenaar^ met hetzelfde of 
liever met meer recht dan die te 's Gravenhi^ het daglicht 
heeft aanschouwd. 

In 1652 is J. F. Gronovii Observationnm liber novns te 
Deventer uitgekomen, zooals ik blz. 290 t. a. p. reeds ver- 
meld heb. Hier wensch ik de aandacht te vestigen op 
hoofdstuk XXI van dien bundel, waarin eene menigte plaatsen 
uit de Argonautica van Valerius Flaccus besproken worden, 
omdat Janus Ylitius daartoe de aanleiding had gegeven. 
Gronovius wenschte dat zgn vriend het vroegere plan om 
dat gedicht uit te geven en op te helderen, waartoe hj hem 
bgzonder in staat achtte, nog zou uitvoeren ; mocht hg door 
andere bezigheden worden verhinderd, dan hoopte de schrjjver 
dat de bgdragen zgn vriend welgevallig zouden z^n. 

Door de welwillendheid van Dr. W. N. du Rieu ben ik 
bekend geworden met drie latgnsche brieven van Ylitius 
aan David de Wilhem^ den zwager van Constanten Huigens, 
die onder de papieren van Â. Rivet in de boekerg der leid- 
sehe hoogeschool gevonden zgn. De oudste, geschreven te 
Breda, 4 October 1651, handelt over den jammerlgken 
toestand van de baronnie, die van Vliet in den Raad van 
Brabant te 's Gravenhage, waarin de Wilhem zitting had, 
weldra mondeling dacht te doen kennen. Hg was opgeroepen 
om daar binnen tien dagen te verschgnen, maar verzoekt 
eenig uitstel om de aanstaande komst der prinses (Amalia 
van Solms) van Turnhout te Breda, daar hg het noodig 
achtte Hare Hoogheid bekend te maken, wie het zgn >qui 
rempublicam hanc — malis consiliis suis tam prave gesse- 
rint, aerarium exhauserint, magistratuum ordinisque nostri 
auctoritatem dignitatemque detriverint, iudiciorum et tribu- 
nalium severitatem atque ordinem turbaverint'\ De klachten 
over de lasten van zgn ambt, reeds vroeger door mg ver- 
meld blz. 294, worden ook hier aangeheven, en daarop vol- 



•) B^ Van Goor, aldaar, vfi. 50. 



(M) 

gen deee woorden: »Nam, ut saepins iam apud rov Sêivn 
Affinem taum, ita et apud te nunc profiteor, me nihil ma< 
gis in votis habere, qnam ut yestro beneficie in Mnsaram 
castra, unde non sponte mea profagi, postliminio reducar. 
Qnod te per Omnium taum, iam pridem lilustris Aransiacae 
tutelarem, obsecro et obtestor, vitae me redde priori". 

De tweede, geschréren te Breda 3 April 1656, geeft ant- 
woord op twee vragen hem onlangs in den Haag door de 
Wilhem gedaan over de ware beteekenis van carea^ en 
viverra. Hg bewgst uit de Georgica ran Vergilius (UI, 231, 
waar een stier geteekend wordt > frondibus hirsutis, et carice 
pastus acuta'') en uit eene aanteekening yan Seryius op de 
Ecl. III y. 20 fcarex herba est acuta et durissima sparte 
similis) in verband met de door Lobelius en Clusius aan de 
helm gegeven naam, dat carex onze hellem of helmis. Voor 
viverra, fret, verwgst hg op Plinius H N. VIH, 55 (218) 
en op Strabo, die hen (UI, 2, 6, p. 144 D. Casaub.* yakâç 
ày(jiag noemt. 

De derde brief van 1 Januari 1657 bewgst, dat van Vliet 
zich toen reeds druk bezig hield met onderzoekingen over 
het graafschap Strjen en over de daaruit volgende rechten 
van den Prins, en dat hg al vroeger een vertoog daarover 
naar den Haag gezonden had, vooral gericht tegen de be- 
weeringen van Noirot. Hg dacht er over om zgne Apologie, 
waarvan hg terugzending vraagt, met een stuk hem door 
C. Gevart van Antwerpen verstrekt, en de Costnmen van 
Breda in het latgn vertaald en vergeleken met de costumen 
van andere Brabantsche steden uit te geven, en wenscht 
daarom toegang tot het naar ^s Gravenhage overgebrachte eti 
daar verwaarloosde Archief van Breda. Voor het maken 
van kopien wil hg goed betalen, en verklaart dat hg in 't 
vorige jaar minstens vijfhonderd gulden had uitgegeven voor 
het afteekenen van merkwaardigheden in de Baronnie, die 
hg met een bekwaam teekeuaar en graveur doorgereisd had. 

't Verdient opmerking, dat de twee laatste brieven met 
een adellgk wapen zgn bezegeld, waaronder staat *S(igillum^ 
J(ani) van Woerden van Vliet, Misschien heeft hg op grond 
van zgn titel van Joncker of Schildknaap (Armiger, zie 



f SI ) 

biz. 805) dat wapen aangenomen. De dubbele naam is 
nooit door hem gevoerd. 

Het Tolgende betreft de gedichten van Ylitins en strekt 
tot aanvulling en verbetering van de Lgst der latgnsche 
gedichten in Bglage III (bl. 320 vgg). 

Vooreerst noem ik een bgschrifb onder het portret van 
P. Az. van der Werf, dat omstreeks 1660 door P. Philippe 
gegraveerd is. Hoewel het ook te vinden is in de Levens- 
bgzonderheden van P. A. v. d. Werff, door I. W. te Water 
in 1814 te Leiden uitgegeven, verdient het hier herhaald 
te worden: 

Infracta cuius virtute propinqua ruinae 

Patria, saeve, tuis restitit, Alba, minis; 
Qui patriam consul toties servaverat urbem, 

Justins ut nuUi civica danda foret; 
Dum discerpendum se dedere civibus ultro. 

Quam cives hosti, maluit ipse suis; 
Leida, brevi rediviva lubens agnosce tabella, 

Quae pia devovit Werfius ora tibi. 
Pro meritis a te dudum quod posceret ille, 

Hoc gratae munus posteritatis habe. 
Neu tibi vel Decios iactet vel Roma Camillos, 

Unum quem opponas omnibus, ecce virum. 

Een exemplaar van het poema septilingue, dat ik vroeger 
alleen uit een brief aan N. Heinsius heb vermeld (bl 300), 
is in den catalogus der boekery van Dr. 6. D. J. Schotel, 
onder N^ 3674 aangewezen en verdient om z^ne zeldzaam- 
heid hier beschreven te worden. Het is een dunne bundel 
in folio, met dezen titel: Parnassus Bredanus, sive Pane- 
gyris in solenni Celsiss. Principum in urbem ditionemque 
Bredanam A. D. IUI. Idus Junias CIO. IOC. LIH In- 
troitu Per ApoUinem Novemque Musas variis argumentis. 
Unguis, ac metris repraesentata. Bredae, aere publico, Im- 
pressum Typis Subbingianis. 

Op den titel heeft A. Santvoort een prent gegraveerd. 

Na de opdracht aan Princes Maria en Willem Hendrik 
treden achtereenvolgens op: 



(82) 

Apollo Prologum agens p. 1 — 4. 
Clio, Biddeing welcome to her Highnesse the Boyal 
Princes Mary. p. 5. 
Euterpe gratulabunda. Ad ipsam item Serenissimam 

Principem. p. 6. 
Thalia, Haer' Hoogheyt iusgelyck verwelcomende met 
een Gralm-dicht. p. 7. 
Melpomeke Eidem Serenissimae Principi gratulatur et pro 

restanratione Athenaei Bredani cum caeteris 
supplicat. p. 8, 
Te&psicuobe, BagguHgliando il canto d'un BossignuolOf 

commenda anch' ella alia Sereniss^. Sua Altez- 
za la Schola illustre, p. 9. 
Erato Buris Bredani numina ad solemnem Princi- 
pum ingressum adornandum convocat, iisqae 
in votivas praeit acclamationes. p. 10. 
Polymvia en ecstase, n'osant entreprendre de chanter 
les louanges de Son Altesse Royale, se résout 
à Tadorer en se taisant, et la donnant seule- 
ment le bienvenu à Breda, p. 11. 
Urania Tovc; KvqIovç aeßaofiia^ovaa j(^iqbti%h* 

p. 12. Yg. 
Calliope Gontejando Su Altezza à una Estrella, que 
con sus ray os aluzia à Breda, p 14. 
Apollo Epilogum agens. p. 15. 

Over de Silyae Bredanae, door Hoeufft in den Parnassus 
latino-belg p. 173 vermeld, maar niet door hem gezien, 
kan ik nu volledig bericht geven, nadat ik een bundel met 
Latynsche poëzie, die door den boekverkooper P. L. Folmer 
te Groningen op den 5^^° April van dit jaar geveild is, iu 
handen heb gehad, waarin onder meer de Quinquatrus, de 
Xenia en de Ode gratulatoria ad Christinam gevonden wor- 
den. Daaruit bl^kt dat de Silvae, gedrukt in 1648, vyi 
jaren later onder den titel van Xenia op nieuw zgn uitge- 
geven, zonder eenig ander verschil dan in den titel. Het 
boekske in klein 4\ bevat buiten den titel, op welks keer- 
zgde eene opdracht in prosa staat aan W. Crommou, 



( 33 ) 

Baad van den Prins (Willem II) en aan Nie. Oudart, Se- 
cretaris van de Princes (Maria Stuari}) dertien gedrukte blad- 
z^deu. Daarop staan Silvarum Bredanarum prima sive ode 
ßoravixfi^ ad Nobiliss. et Ampliss. virum Nie. Oadartium 
noXvq>iXoßOTavov p. 1 — 8. Silvarum Bredanarum al- 
tera, sive epistola êfifiBTQa^ partim etiam ßoravixri^ ad 
Ampliss. et Doctiss« virum Guilhelmum Crommonium IC 
Hagam olim missa p. 9 ^11. Het onderschrift luidt :> Bredae 
dabantur e diaetula mea, 1 Sexto Ealendas Junias. | A^. 



^ CIOIOCIIL. Op bl. 12 volgt »Ad nob. et cl. v. Nico- 

laum Oudartum^ cum LL. Mechlinienses Ghristinaei ei 
mitterem, epigramma'* en de laatste bladzgde bevat een 
italiaansch klinkdicht, met het opschrift: Al gentilissimo 
Signore, mio Padrone Osservandiss®. Nicolo Oudart, nella 
istessa cagione, sonetto. 

Van de Ode ucone/unriTcf^ ad Cl. V. Henricum Bornium, 
L. A. M. et Philosophiae Professorem, cnm relicto Athenaeo 
Bredano Philosophicam Professionem in Lugdunensi Acad. 
solenniter auspicaretur wordt in denzelfden bundel eene 
afzonderlgke uitgave in vier bladzgden klein 4°. gevonden, 
gelgk mede een gedicht vervaardigd voor twee broeders 
Watervliet, om met hun proefschrift te worden gedrukt. 
Ziehier het opschrift: Doctrinae morumque cultu omatis- 
simo Fratrum geminorum pari Frederico et Emerico Wa- 
tervlitiis, Clariss. viro Henrico Bornio Praeside, de Jus- 
titia disputaturis Andere et bene rem gerere. Dit gedicht 
moet vóór 1653 gemaakt zign. 

Ten laatste moet ik m^ne bewering, dat de Ode aan 
Koningin Christina in 1054 gemaakt niet zou zgn uitge- 
geven, intrekken. Zg is onder den titel: Ode gratulatoria 
Christinae Augustae, cum, Suecomm, Gothorum ac Vanda- 
lorum regno abdicate, in Brabantiam advenisset, a J. Ylitio 
J. C. dicta et oblata. Aerae Christianae anno CIO. IOC. 
LIV, te Antwerpen bg Plautyn gedrukt. Haar afstand van 
den troon wordt in negentien Sapphische strophen hemelhoog 
verheven. Daarna volgen : 1 ". dit epigram : 

YSBSL. KK MXDKD. Af D. LJETTBEK. ^« BBEK8. DVSL VIII. 3 



( 34) 

Yîcerat, ac totam Virgo pacaverat Arcton, 
Nec quidquam ulterius, quod superaret, erat. 

Non stetit hic Virtus Christinae. Scilicet Una, 
Quam superet, visa est dignior Ipsa sibi. 

2^. een achtregelig epigram op Alexander den Groeten, 
die beneden Christina gesteld wordt. 

3^. eene yergel^king tusschen die beide vorsten, eene na- 
volging van het beroemde epigram van Sannazarius op Ve- 
netië. Zg komt m^ voor goed geslaagd te z^n, en wel te 
verdienen nog eens in herinnering gebracht te worden. 
Daarom vinde het gedichtje hier een plaats: 

Viderat Arctois ühristinam Pallas in oris 

Et terra et toto ponere iura mari. 
Nunc mihi Pellaeos quantumvis Jupiter ausus 

Obiice, et illa tuae prolis opima, refert. 
Si Gothis Asiam praefers, nunc confer utrumque. 

lUum homines dicas, Hanc superasse Deos. 

En hiermede neem ik afscheid vau den eUgantissimi ingenii 
virunij zooals Broukhusius in een aanteekening op Propertios 
IV, 8, 24 onzen Vlitius noemt; maar neem deze gelegen- 
heid te baat om eene kleine bijzonderheid mede te deelen 
betreffende z^n vriend, den beroemden Christiaan Huygeiis. 
Evenals van Vliet, bevond deze zich in 1661 tgdens de 
kroning van Earel II te Londen. Hg stelde echter meer belang 
in de overgang van Mercurius over de zon, die juist op dien 
tgd plaats greep, dan in de praal van den optocht. >Le 
jour mesme du couronnement,"' schreef h^ aan zgn vader, 
»je fus chez le faiseur de Telescopes observer Mercure dans 
le soleil, et le vis très bien à une heure et demie, et à deax 
3 qu. c'est une observation très remarquable et rare/' Dit 
is door den vader iu een schrgven van 12 Mei 1661 mede- 
gedeeld aan Gonrard ^). 



*) In het Handschrift XLIX der Kon. Akad. v. Wetensch. Lettres Françaises 
T. Il» bl. 897. 



MËDE0EELIN6 



BBTSCmNDK HN AAMTAL TOT HIEBTOB ONUITOESBVEM OKUICUTBK VAM 



ANNA ROEMER VISSCHERS. 



DOOB 



NIC0LÂÂ8 BEETS. 



Van den dichtarbeid van Boemer Visschers begaafde oudste 
dochter, »de wgze Anna"", waren tot nog toe bekend de 
tweeregelige versjes, door haar aan den tweeden druk van 
baars vaders Zinnepoppen toegevoegd *); hèt nogal, mis- 
schien al te, uitvoerig gedicht de Roemster van den Aenistel, 
zonder jaartal, maar, naar het oordeel van Jacobus Schel- 
tema, waarschgnl^k tusschen 1614 en 1638, te Amsterdam 
in 't licht gegeven, en op gronden, waarin men sedert be- 
rust heeft, door denzelfden geleerde aan haar toegekend f), 



*) Zie de vencbillende drakken van R. Vs. Zinne- en Minnepoppen opgenoemd 
by SeAeliema in s^n jùtna en Maria TbsstlseAaaât de dochien van koemer Fietcher. 
A mat« 1808, bl. 81 en v. De eerste was van 1614. De tweede verscheen sonder 
jaartal. 

t) »Dit zeldzaam boekje is getittld : De Roemsier van den Aemstel, of Poëti- 
iehê bettkrymnghê pan de Riviere Jemstel, mH verklaeringhe van eeniye duyeiere 
woorden T Aemeteldam voor Comeiit Wil/ems», Blaulaien, Boeh-terkooper s>/ 
de Si» Janêeiraet in het guide A. B. C, Ik vond wel den naam van Anna fioemers 
alleen op den mg van het bannie gespeld ; dan, behalve dat ik veel vertrouwen voed 
op de knnde van den vorigen zoo wel als den tegen woordigen bezitter, is bv) mf) weinig 
iwQfel voor de verzekering, dat dit het werk van onze Dichterea aonde z^n, over- 
gebleven. Het is ontegensprekeiyk, hoe zeer zonder jaartal, in de eerste helft der 
zeventiende eenw nitgegeven, en waarschynlQk tusschen de jaren 1614 en 1638, 
vermits de Zniderkerks toren op het fraaie titelprintje is afgebeeld, en die van 
de Weaterkerk niet. — 't Is het werk van een maagd, die Anna heette, blgkens 
een versje : Tot Momum, — De blaken van belangstelling in Hooft en Spiegel, 
door de HoCitede Meerkuyeen van den laatsten te gedenken, doen m^ te eerder 
dit werk aan Anna toeschreven." SeheHema, 't aangeh. W. bl. 102, 8, 4. 

8* 



(36 ) 

en voorts een paar dozgn losse dichtstukjes in den Zem- 
sehen Nacktegael, Klioos Kraem^ enkele Liedeboekjes van 
haar tgd en dichtbundels van anderen verspreid. Deze 
laatsten werden, overeenkomstig Scheltema's aanw^zing in 
het voor nu v^ftig jaren door hem uitgegeven boekdeel, door 
eene ongenoemde, maar mg bekende hand bgeenverzameld 
en, met de Roemster van den Aemstel en de weinige dicht- 
stukjes, die van >de schoone Tesselschade^^ aan de vergetel- 
heid ontrukt zgn^ in den jare 1851 te Utrecht gedrokt 
en uitgegeven in een net bundeltje, onder den titel van Ge- 
dichten van Anna Visscher en Maria Tesselschade Visscher. 
Een weigeschreven voorrede is er aan toegevoegd en de 
beeltenis van Tesselschade versiert het. In het jaar 1854 
verrgkte de heer A. D. Schinkel den altgd nog kleinen 
schat, door voor de vrienden der Nederlandsche letterkunde in 
honderd exemplaren het keurig handschrift te laten af- 
drukken, dat hij bezat van Anna's dichterlgke overbren- 
ging der Cent Emhünies Chrestiens de Mademoiselle Georgette 
Montenay, handschrift hetwelk, na intusschen in andere 
handen te zgn overgegaan, voor nu weinige weken, in 
openbare veiling voor een som van tusschen de vier 
en vgfhonderd gulden voor het vaderland is bewaard 
gebleven *). De Heer van Vloten voorzag het be- 
langwekkend boekdeeltje van eene belangrgke voorrede, 
nadat hg ook zelf in een Toegift tot zgne in 1852 Ter- 
schenen Tesselschade Roemer en hare vrienden in 163£ — 
1649, benevens een tweetal »briefjes'' ook nog een » dichtje'' 
van Anna had aan 'tlicbt gebracht, door zgn loffélgken 
gver op het Rgks-archief te Brussel opgespoord en, even 

*) Het zeldzaam boekje, hetwelk dit H.S. bevat en achtereenvolgens tot de verza- 
melingea van de Heeren Ploos van Amstel; Schonten, Schinkel en van Gogh heeft 
behQord, kwam op den Catalogue des Livres et Manutcrits composant he eofleetione^ 
des M. C'M, van Qogk d^ Amsterdam et M, iV.-/. Kamperdijkd* Vtreeht voor, onder 
N^. 147. aOeorgiae Montaneae nobilis Oallae, Hmàlematum ehristanorum centmria 
eum eorundem Latina interpretatione. Cent emblèmes chrestiens de damoiselle Oeitr- 
cette deMontenay, Heidelb. 1612, 4<^.vienx mar, rong. dent, inter, doré. a. tr. — 
Ce qui distingue tout spécialement cet. exemplaire, c'est qu'une antre main 

feminine, celle de Anna, fille de Roemer yisscher, a pris soin de l'illnstrer. 

Les demi-pages laissées en blanc h l'impression, portent la traduction en hollan- 
dais d« l'original placé en dessous." etc. 



(87) 

als het tweede dezer »brie^es'^ door haar aan den Presi- 
dent Boose gericht. Nog kwam er in 1868 voor de be- 
gunstigden een brailofbsdichtje bg, door den heer Ridder 
van Rappard te Harderw^k ontdekt, en door hem opgeno- 
men in een opstel, door zgn zoon ter perse gelegd, maar 
buiten den handel gehouden ^). 

Intusschen berustte te Alkmaar, waar Roemer Visscher 
een drietal jaren gewoond had en in 1620 gestorven was f), 
Tesselschade haar huwel^ksdagen had gesleten en haar 
woning steeds aangewezen wordt, nog een schat in hand- 
schrift;, die den tot hiertoe ter kennis gebrachten, wat het 
aantal van dichtstukjes betreft (de beschriften op de Zinne- 
poppen en de Honderd Christelijke Zinnebeelden niet mede* 
gerekend), meer dan verdubbelen zou, en was ook onze Aca- 
demie van Wetenschappen, nog altgd zorgvuldige bewaar- 
ster van de dichterl^ke handschriften van Constanten Huy- 
gens, in dit opzicht r^ker dan zg wist. Want, om 
daarmede te beginnen, in den eersten van de talrgke om- 
slagen, waarin z^, naar tgdorde, die kostbare Handschriften 
in een zestal portefeuilles bewaart, omslag die enkel verzen 
van het jaar 1619 bevat, bevonden zich ook een tweetal 
dichtjes van Anna's hand, die daar z^ bg Huygens een 
weerklank hadden uitgelokt, met dezen weerklank, door 
hem op een zelfde blad papiers waren nedergeschreven. 

Wat het Alkmaarsche handschrift betreft: het werd op 
den catalogus der »Uitgebreide en merkwaardige verzame- 
ling van handschriften en boekwerken'" van den te Alkmaar 
overleden » WelEdgeb. Heer L. J. A. Scheltus van Eamfer- 



*) Emit Brinct, eetit Secretaris van bet Neder]. Gefantsch. te Konstant!- 
nopel, later Borgenieester te Harderwigk, meerendeels naar onnitgegeven brieven 
geschetst door Jhr. F. Â. Ridder van Rappard, in leven ent. Utrecht 1868. Niet 
in den handel, 

f) 'Omstreeks 1617 verhuisde Koemer Visscher mei z^ne dochters van Am- 
sterdam naar Alkmaar, De reden dezer verandering van woonplaats is mij niet 
bekend. Welligt deed hij het ter wille van zgnen vriend Hendrik Laurensz 
Spiegel, die zicb vroeger te Alkmaar gevestigd had.*" Oed, van Anna V, en 
M, 21 F. Utr. 1851, bl. 10. Het schoone vers van Hnygens aan de beide docb- 
ters by bet overladen baars vaders is bekend. Korenbloemen 167S, bl. 449—61 



(38) 

beke'^ waarran de yerkooping in de Meimaand van *t yerledeii 
jaar te Rotterdam heeft plaats gehad, onder N°. 1028 aldtu 
aangekondigd : 

»Letter-juweel van Anna Roemer Visser. Verzameling 
yan ST" [moest zgn 32] »geheel eigenhandig door haar 
geschreven geestige en onuitgegeven gedichten van 1620 — 
1643 [moest z^n 1645]. Keurig handschrift van 56 bl. in 
12 in perg. omslag. Zeer pretieas. Tot heden geheel onbe^ 
hendy 

»Hierin komen o. a." enz. De opschriften van bgnaalle 
de stukjes werden opgegeven. 

Wat aangaat den naam Letter- Juweel : het op het niier- 
Igk zeer onaanzienlgk boekje droeg noch dezen, noch eenigen 
anderen naam aan het voorhoofd, maar hg was ontleend aan 
een los daarbg gevoegd blaadje, waarop de hand van een 
der latere, misschien van den laatsten bezitter ^) (de spelling 
was die van onze eeuw) geschreven had: 

Letter-jutoeel eener beroemde Nederlandsche Vrouw, of eigen* 
handig van 1620 — 1645 geschreven gedichten van Anna Boe- 
mers y bekend als geboren 1584 en overleden 1651, in haar 
tijd dochter va7i den vemuftigen dichter Roemer Visscher^ de 
boezemvriend van Hendrik Laurensz Spiegel^ de Ridder Hooft^ 
Joost van Vondel en andere groote geesten zijner tij(L 
Zuster der vermaarde Maria Tesselschade Visschers^ gewoon^ 
lijk genoemd Maria Tesschelschade : [echtgeno]o^ van Domi- 
nicas van Wesel van wie letter''^ — het overige onleesbaar 
of afgescheurd. 

Yan dit Letter^juweel nu, waarvan de kostbare inhoud zeer 
goed aan deze benaming beantwoordt, en aan welks echtheid 
het welbekend voortreffelgk schrift der dichteres en hare 
evenzeer bekende, hier herhaaldelgk voorkomende naamtee- 
kening, zoomin als die inhoud zelf eenige tvrgfeling toe* 



*) De Heer Scheltni van Kamferbeke is in seer hoogen lecft^d geatorren es 

had een halve eeuw in Alkmaar gewoond. Indien ik boven op bei wonea vaa 

de ViiBchen daar ter stede gedrukt heb, ia bet geweeat omdat ik mg de ange» 

Igkheid voorstelde dat bet H. S. in qnaeatie wellicht voor een der dnar ter atede 

docr i^nra aangckoocple betnkkingm genaakt, en sedert daar gebleven ion ign. 



(99 ) 

laten, is mgn geachte stadgenoot^ de Heer Mr. W. J. Royaards 
Tan den Ham (thans ook bezitter van bet H.S. der Honderd 
Christelijke Zinnebeelden) door aankoop eigenaar geworden. 
E^ had de vriendel^kbeid het m^ onder de oogen te brengen 
en aarzelde geen oogenblik m^, op m^u verzoek, te vergunnen 
in deze vergadering eenig verslag te geven van zgn inhoud, 
en daardoor een denkbeeld van zyne waarde en beteekenis. 
Vooraf echter wensch ik u bekend te maken met de twee 
gedichten, onder de handschriften van Huygens gevonden en, 
met deze, het eigendom der Academie. 

Het is bekend dat Roemer Yisscher zgne laat verkregene, 
om alle in- en uitwendige volmaaktheden hoog door hem 
geprezene huisvrouw*) vroeg verloor (J694 , en z^n oudste 
dochter, Anna, toen tien jaren oud, daardoor al vroegt^dig 
geroepen werd de bezorgster van zgn huishouden, de ver- 
zorgster van zgn ouderdom, de opvoedster van haar tien 
jaar jonger zusje Tesselschade te worden, eene taak waar 



*) Roemer Yisscher had gezongen: 

Van de zes Hollantsche steden f had zij) *t nytghelezen, 

Dat 's: een Amsterdamsch aensicht, een Delftsche ganck, 

Dordtsche middel, en Leldtsche tong by desen, 

£en Goudsche stem, een H aerlems wesen ; — 

lek heb H geraden al zegt gy neen thans. 

Dat en is niemant anders dan Magdaleen Jan*. 

Hondertmael denck ick wel op een dagh, 
Hoe dat schoonheyt, adelheyt, en jonge jenght, 
Soo perfect in één lichaam plaets hebben magh, 
En 800 volmaeckt 't samen sjju gevenght; 
Daerof ghy Godt wel dancken menght 
En den dagh, dat ghy oyt waert geboren. 
En ick den avont «engesien nw deught, 
Doe ick n voor n^n lief heb uytverkoren. 

Scheltema schreef in 1808, van Anna's moeder sprekende: «wie deze Moeder was, 
bleef mg ecnigzins onzeker, üit een briefje van Tesselschade aan Hooft bltek 
het my, dat de Moeder Magdalena heette. Zij maakte het OTer]\jdco van haar 
Doehiertje in April 1630 bekend, en schreef toen : »lei had kei soo gaerne be- 
houden^ ook om door haer naem aen mijne moeder ie denken^ die ick niet ge^ 
kend heb, In Roemers Qniehen z^n eenige versjes aan en over eene Magdalena 
Jans, en dus gis ik, dat dit haar naam zal zijn geweest/* a. w. hl. 90. De gis- 
sing is sedert voor zekerheid aangenomen. 



(4Ô) 

zg zich op de voorbeeldigste ¥r^ze van gekweten en om welker 
behartiging z^ tot haar vaders dood (1620) menig goed 
huwelgksaitzicht verloochend heeft. Dat echter daarom 
de fraaie kunsten niet verwaarloosd werden, is almede zoo 
wereldkundig als tot nog toe de klacht onbekend was, die 
zij ten jare 1619, toen Tesselschade, ofschoon mede nog 
ongehuwd, toch ook reeds v^fentwintig jaren telde *) aan 
haar geestigen vriend Huygens toezond, die, om dit in 't 
voorbiggaan op te merken, twaalf jaar jonger was dan zij. 
Deze klacht is het, die w^ in den vorm van een Sonna 
aan de Sang-Goddinnen^ en onder dit opschrift, onder de hand- 
schriften van Huygens gevonden hebben. 6g hebt er te 
groote betrekking op om ze u niet in haar geheel met den 
Weerslf^ van Huygens zelven mede te deelen: 

SONNET AAN DE SANO-OODDINNEN. 

Helaes! vooghdinnen van mgn eerbaer zoete lusten 
lek moet, Ayme! ick moet gedwongen vandeu noot 
U selscap laten, ach ! door dien de leyde doot 

M:gu schielyck heeft ontruckt daer hert en sin op rusten. 

U aengenaem gecqueel, dat my zoo lieflyck susten, 
In goet-vernoegens slaep daervoor wert in myn schoot 
De Imys-sorch nu gestort, die swaerer weecht als loot, 

Wie had doch dat gedacht doe ick u laestmael custen? 

Maer zoo u goedicheyt meiyen heeft met mgn, 
Beveelt dan ernstelyck u brave Gonstantyn, 

U liefste voetster-kindt, dat hy myn tyng laet weten 
Ten minsten eens ter maent, wat deuntjens dat ghy nenrt, 
En wat op Helicon al soets en nieuws gebeurt 

Soo sal ick dencken dat ick noch niet ben vergeten. 

Huygens, die hier voluit den naam Anna Roemers onder 
plaatst, laat er, met dezelfde eindrgmen, op volgen: 



*) Geb. 1694. 



(41 ) 
SONNET. 

DE SANG-aODDiNNEN AEN ANNA BOEME&S, 

Neen, Anna, dat's gheen deegh; het mocht u beter lasten; 
Wy smaecken u verdriet, wy kennen uwen noot, 
Maer daer en is^t niet al: een moeders rgpe doot 

Laet stracx gheen dochter toe in leecheyt luy te rusten. 

Noyt waster druck die tydt en reden niet en susten, 
Soudt ghy u soo terstondt uyt onsen voester-schoot 
Verboeren onder schgn van huyssorghs wichtig loot? 

Dat was de meeningh niet doen wy u laestmael custen. 
Wy gheven u een maent maar langhor gheen termen, 
Dan roepen wy u thuys: Wat aengaet Constantyn, 

Die was hier noyt bekent; veel min dat hy zou weten 
Wat men op Helicon speelt, veelt, springt, singt of neurt: 
Comt en besiet het self wat datter nieuws gebeurt, 

Die seiden wordt gesien wordt lichtel^ck vergeten. 

Huygens onderteekende dit Sonnet met z^n Constanter en 
dagteekende het van den 7^^° Maart 1619; h^ voegde er een 
geleibrief in proza aan toe, waar hg op hetzelfde stuk papier, 
waar w^ deze gedichten op vinden, de »copie'' van be- 
waarde *). 

Wg weten dat de destgds drieentwintigjarige Hagenaar 
in de daarop volgende maand met den Heer van Sommelsdgk 
naar Venetië is op reis gegaan. Als hg in Augustus van 
datzelfde jaar van daar terugkwam, was Huig de Groot tot 
levenslange gevangenschap veroordeeld en zat sedert twee 
maanden op Loevesteyn. 

Een klaagdicht, door Anna Roemers aan den roemruch- 
tigen gevangene gericht, kwam hem ter hand, en daar dit 
ook zijnen dichtgeest opwekte, heefb hg ook dit voor de 



*) Zie Bijlage I. » Op de ommezyde schreef h\j het Virgiliaantche (Ecl. IX) : 

— et me fecere Poetam 
Piérides: sont et mihi carmîna: me qnoqne dicunt 
Vatem pastores; sed non ego credolns Ulis, 



(42 ) 

yergetelheid bewaard, door het, met de versregelen, die het 
hem in de pen gaf, in z^n geheel nit te schrg?en. 

Zie hier, voor het eerst, het gedicht ran Anna Roemen: 

AEN MTK HESB DE GROOT. 

Bedeckt n golden hooft, o Sonne, want dees lien 
Beminnen dnysterheyt en willen 't licht niet zien, 
Maer dnnckt het n niet goet daer andre me t* ontrgyen 
Soo bidd' ik n dat ghy wat in de hoocht wilt blgyen, 
lek vrees' indiense n slech costen comen by, 
6hy zout gevangen z^n en dapper inde ly. 
lek waerschouw u, en wilt ghy my noch niet gelooven, 
Zoo siet eens hoe dat hier soo deerlyck is verschoven 
Zoo naeuw bewaert en in peryckel van de doot 
Het licht van onse eew, die brave Huych de Groot. 
Wiens loflFelgck gerucht de wereld over dondert, 
Wiens treffel^'ck verstandt van yeder werdt verwondert. 
Wie zal beletten nn dat haet en onverstandt 
Niet en verdelgen dit cieraet van Nederlandt? 
Âch^ ach, was ^t in mgn macht, ick waechde graech mgn leven 
Om aen mgn Vaderlandt een sulcken man te geven, 

Eén sulcken man segg' ick die niet heeft sgns gelyck, 
Dien smyt het wreet geval zoo clackloos in het slyck. 
Een sulcken man helaas werdt nu geworpen neder 
Daer men om wenschen maar niet licht zal crygen weder. 
En belcht u niet myn heer, indien een slechte maecht 
Die U verheven geest op 't alderhoochst behaecht, 
Haer pen set op 't pampier, wiens hart u meer is gunstich, 
Als wel haer scryven is geleert, geeiert, oft kunstich. 
En dat ick van u loff het grootste deel swygh still, 
Gelooft het is van vrees, en geensins door onwill. 

Anna Roemer Visachers. 

Hoort nu ook het gedicht van Huygens, naar aanleiding 
van deze verzen nedergeschreven, maar evenmin als de weder- 
klank op het Sonnet aan de Zanggodinnen, ofschoon waar- 
schgnlgk om andere, voor hem gewichtige, redenen, ooit 
in druk verschenen. 



(48) 

OPT OLASOHDIOHT VAN ANNA BOIMSE VI880HEB8 AlN 

OBN HSIB OBOTIU8. 

Swyclit rym-beroemde tongh, still over-yrouw verstandt, 
Wacht letter-rycke pen, rust mste-loose handt. 
En ghy medooghend oogh, spaert u geleerde tranen 
De rechte schreyens-tgdt zal selver syns vermanen; 
Wanneer haer (och! off noyt) een alt^dt wrede doodt 
Zal roemen t^ onser spgt den oyergrooten Groot 
Te hebben doen betreén de veer-schuyt aller zielen. 
Wat segh ick, schreiens tydt? Noch zal men dan de wielen 
Noch de Yictorie-Coets van 's werelts wonder-faem 
Zien voeren d'eere-vraeht van synen trotsen naem. 
Hoe zouden van nn aff dry wallen en dry grachten 
Dien meer als Dedal-geest besluyten en versmachten, 
Daer van bekennen zal d'oyt onverwonnen doodt 
Op sulcken harden stael is myne zeyssen loodt. 

Daaronder staat Conètanter^ 17^ iN/bvetn&er 1619, en voorts 
deze verzen van Ovidins (Met. VIII: 2, 3.): 

Terras licet, inquit, et nndas 
Obstruât, ut certe coelum patet, ibimus illac*). 

Anna Roemers' diepe belangstelling in den persoon en het 
lot van Grotius was ons trouwens bekend door haar schoon 
dichtstnk op zigne ontkoming in 1621, hetwelk Scheltema 
in den 5^®" druk van zgn Bewijs voor de waarheid van den 
Ckristelijken godsdienst ontdekt, en daaruit in zgn geheel 
in de Bgvoegsels tot zgn werk over Anna en Tesselschade 
medegedeeld had, daarbg voegende de Latgnsche vertaling, 
waardoor de bezongene zelf van zgne groote ingenomenheid 
met dit gedicht had doen blgken en tot welker openbaar- 
making de heer Mr. T. van Limburg, bezitter van het 
H.S.y Scheltema in staat had gesteld. Dit gedicht is in het 
Utrechtsche bundeltje van 1851 opgenomen en vindt in het 
Letter^toeeli edoch met hier en daar verschil van lezing, 
zgn plaats; want de catalogus zeide wat veel, die den ge- 
heelen inhoud van dit H.S. als tot nog toe onbekend aan- 

*) AlduB^ en niet zoo als ik in mgne aitga?e vnn Ovidins lees: ai coelnm 
certe patet. 



(44) 

kondigde en, behalye dit, zgn er nog drie van de 32 daarin 

voorkomende stukken, van wie dit naar strenge waarheid 

niet kan worden getuigd. 

Eon alzoo het vrg uitgebreide gedicht Aen den JSoogh^ 

Geleerden Heere Hugo de Grroot, nae ayn welgeluckte UtU- 

coomst Ao. 1621 (aldus luidt het opschrift in het Letter^ 

juweel)^ sedert 1625, van algemeene bekendheid z^n, niet 

alzoo het tienregelig dichtje, dat wg daarin als het zesde 

aantreffen en dat ten opschrift heeft: Aen de Cappiteyn op 

het Huys te Loeveateyn sende Een bouckjen aen de Huysvrouw 

van Grotiua, waarin de dichteres den » onvermurwden kas- 

teleyn"" van Vondel als een »vrindt haer onbekent"" aanspreekt, 

en hem 

soo oyt [hem] heeft behaecht. 

De Eerbaer Beyne Jonst van dochter, vrouw of maecht 

Heeft oyt [z^n] hert een vonck van Courtosig gekreegen, 

bezweert »dit bouckjen" — wg zouden wel gaarne willen 
weten, welk? — > ongeschent'^ ter hand te stellen aan 

die vrouw 
Die door haar groote lieft, en vast geknochte trou 

Haer Man geselschap hout, die in voorspoedicheeden 

En in de droeve staet van bittre tegenheeden 
Gaet toonen dat sy is een trouwe megenoot 
Haer vaders dochter^ en de Huysvrou van de Groot. 

Het behoeft in dezen kring wel geene aanw^zing, welke 
beteekenis die qualificatie als »haar vaders dochter"', nevens 
die van de »Huysvrou van de Groot", in dezen krachtig 
klinkenden slotregel heeft *). 



Ik kom nog eens op de betrekkingen tusschen Anna 



*) Jan van Reigertberght artillerist en ammunitiemeester van Zeeland, Schepen, 
Raad en Burgemeester van Veere, een man, die in den kamp tegen Spanje, bet 
vaderland gewigiige diensten bewees en bet eer^t de banier der vrgbcid in syne 
vaderstad ontrold had. ZQne gehechtheid aan het hais van Oranje was oorsaak 
dat h^ onder het bewind van Leicester uit stad en land werd gebannen. H^ 
begaf zich naar Boulogne, waar a^n tweede vrouw, Maria Nicolai, hem later met 
zijne pasgeborene dochter Maria volgde. 



(45) 

Roemers en Gonstantgn Huygens terug. Zg dagteekenen 
van niet veel vroeger dan dat zelfde jaar 1619, waar de 
beide gedichten uit z^n, die w^ uit den academischen hand- 
schriften-schat mededeelden. Dit blgkt uit een ander gedichtje, 
vroeger dan die beide, namel^k in Februari, aan haar gericht, 
waar Huygens zich haar >nieuwenvriendt'* in noemt, en dat 
met deze woorden aanvangt: 

Myn ongeluck doet my myn ongelyck verstaen; 

hetwelk wij wel niet in alle deelen verstaan, omdat wg de 
bgzonderheden, waar het op slaat, niet kennen, maar dat 
veel licht ontvangt van een veel uitgebreider dichtstuk, waar 
het op hetzelfde blad van vergezeld gaat. In dat gedicht toch 
richt zich de dichi.er tot den Aemstelstroom, dien biddende 
om b^ haar z^n voorspraak te wezen, om hem een gedicht, 
waarvan h^ haar de voorlezing min of meer schgnt te heb- 
ben afgedwongen^ nu ook, wat zg hem geweigerd heeft, 
over te zenden naar den Haag. 
Het slot dezer bede luidt aldus: 

Stelt u ontsach te werck: geeft u beroemde maecht 
Daer Hollandt moet op schept, daar Nederlandt van waecht 

Den voorgewenden last: gebruyckt de schoone handen 

(Hebt ghy den mondt gebruyckt) die haars gelyck noyt vanden, 
't Verschil is cleyn oft gheen, haer pen is waert haer tael, 
Haer tongh is waert haer handt: wat maeck ick lang verhael? 

Hebt ghy haer voor u tolck uyt duysenden gelesen, 

Waerom en sou sy niet u Secretaris wesen? 

Hebben wg hier niet een nieuwen en degelgken grond 
om aan onze dichteres het auteurschap van de Roemster van 
den Aemstel toe te kennen, en dan ook tevens het bew^'s, 
dat dit stuk in 1619 nog niet gedrukt was? Het gedicht, 
om het afschrift waarvan Huygens vrgt, is blijkbaar geen an- 
der. — Maar waarom mocht, om dit in 't voorbggaan te vragen, 
onder de gronden om in Roemers oudste dochter de bezingster 
van den Aemstel, (zyn » tolck'", volgens de verzen van Hny- 



(46 ) 

gens) te erkenneiit tot hiertoe geen gewicht gehecht wor- 
den^ aan dezen anderszins nog al gezochten naam yan Soem- 
stevj die niets dan een yervronwel^king van den naam diens 
vaders was *) ? 

Ook onder Gonstant^ns handschriften van later dag- 
teekening (1626) vinden wg nog een onuitgegeven IFasr- 
klanck aan Joffr, Anna Roemer Viaechers^ nog altgd zoo 
genoemd, ofschoon zig nu reeds een paar jaar gehuwd is, en 
de aanvang ook van »haar man en voesterkyntje^^ gewaagt; 
doch het gedicht, waarop deze weerklank slaat, heeft de 
dichter wel voorgenomen, maar toch verzuimd daarbj af te 
schrgvenf)- TSin dit laatste is ook het geval geweest met de 
waarsdignl^k mede in dichtmaat uitgedrukte aanleiding tot 
een vr^ uitvoerig onuitgegeven gedicht, hetwelk wg met het 
bgschrift »dit niet te drucken" op hetzelfde blad opgetee- 
kend vonden, waarop de kopg van het in zgne Ledige uren 
en Korenbloemen voorkomend lofdicht Op het DiamantsHfi 
van Joffr. Anna Roemers (Mei 1619] voorafgaat §). 
Maar eeu der gedichten, in het Letter^juweel voorkomende, 
geeft m^ aanleiding om in herinnering te bicengen het stukje, 
dat in de Ledige uren onder het opschrift Yet boerighs^ ia 
de Korenbloemen^ onder dat van Boeren-tael voorkomt, en 
in beiden aan den Vryheer van Aeperen (Wessel van Boet- 
zelaer. Baron en Yrgheer van Â., vertaler van de Scheppings- 
dagen van de Bartas^ mede een vriend van Anna) **) wordt 
toegeëigend. Het behaagde den Haagschen jonker, in die 
dagen, meermalen in de rol van een boerenzoon of herders- 
knaap op te treden. In het handschrift, dat wg van dit 
stukje vinden, luidt de, voor den druk doorgehaalde, titel 
oorspronkel^k aldus: 



*) Zie Belage U. 
f) Zie Byiage IV. 
§) Zie Belage III. 

**) Zie haar KlimeJtaické, Op de verUtlinge van de eertdé toeeei« van Q, de 
Saluête, Heer van Bartat door fFeael van Boeteeier Vr^keer en Baron tot 
AMperen ens. mede opgenomen in de Oediehten rva A. V. en M. T. V. Utrecht 
1B6L, bl. 110. 



(47) 

GriU oft Haeg^che herder^hoeTeu'luyUliedt 
Op het Amsterdamache Viaacher^fluyt^^t 
van Joffr. Anna Roemer Visschera ende daervan het 
bealuyt aen den Heere mynheer van Aaperen etc., 
en is gedagteekend 3 Id. Nov. 1619. 

Haygens liet zich, als bekend is, tot in hooge jaren op 
zgn yroegtgdige geoefendheid in de muziek en vooral op 
z^n hanteeren van de luit, moeielgk speeltuig, »daar 't al- 
temael voor swicht^', voorstaan *)j en de strekking van de 
eerste afdeeling van dit z^n gedicht is om haar z^ne er- 
kentel^kheid te toonen voor hetgeen hg haar, na veertien ja- 
ren oefenings, op zgn drieentwintigste levensjaar al zoo 
te danken heeft f); niaar in de tweede afdeeling, detoeeige- 
ning aan den Yr^heer van Asperen» drukt h^ op de stellig- 
ste w^ze zgue overtuiging uit, dat het voor hem alleszins zaak 
is, met zgne kunst uit het krgt te wijken (»te verbeenen'\ 
zoo als h^ het uitdrukt), waar die van Anna Roemers, wel 
denkelgk op dac oogenblik ten huize van Boetzelaer gelo- 
geerd, zich laat hooren. Het schgnt, dat h^ zich echter 
heeft laten verbidden. In het Letter-juweel toch vind ik, onder 
het opschrift : Aen Conatantinua Huijgena^ hebbende hem daecha 
te vooren hooren apeelen en aingen op aijn Luijl^ een tien- 
r^elig gedicht^ dat ik waag tot dezen zelfden tgd te bren- 
gen, en waaruit bl^kt dat de bewondering althans weder- 
keerig was. Het begint aldus: 

Ten langen lesten ben ick noch aan 't luck geraekt 
Dat u vermaerde luyt mg eensjens heeft vermaeckt 
Die gg met vingers wis, soo net en sugver roerde 
Dat sg te spreeken- scheen, en mg de spraeck ontvoerde. 



Het stukje, waar het Letter-juweel mede opent, behoort tot 



*) Zie z^n auytwerck, bl. 17, 18. 

f) Korenbloemen, 1672, bl. 468. 'Boomach geiptn, Veneettche berden, Tweede 
vr^ster ran ons Herden," enx. 



( 48 ) 

de vroeger bekende. Bet is het heusch eu eerzaam antwoord, 
door onze dichteres gegeven aan »seker voortreffelick maii'\ 
die in vloeiende verzen eene, naar onzen tegenwoordigen 
maatstaf van betamel^kheid^ niet zeer kiesche gissing ge- 
opperd had ter oplossing van het probleem, dat, als men de 
aardigheid gehad had zich eens tegen elkander te laten 
wegen, een /irmaecht" als Anna Boemers, korter dan hg, 
smal van middel, 

van leden niet te dick, 
Van handen wonder teer, van aensicht heel besneden, 
Uie nau het gras en croockt daer op sy comt ghetreden, 
Die met haer net gewaet verciert is, niet belaen, 
De schael, daer in een man gheset (was) op (deed) gaen. 

Die »sekere voortreffelycke heer'' was de dichter Simon 
van Beaumont, van wiens gezamenlgken dichtarbeid w^ se* 
dert 1843 een uitgaaf bezitten door de zorg van den heer 
J. Tideman, en die destgds, het was ten jare 1622, sedert 
een jaar tweede Pensionaris der stad Middelburg was. Welk 
een ontvangst onze dichteres, toen zg te dien jare^ en dus 
twee jaren na haars vaders overlgden een bezoek aan Zee- 
land bracht, is te beurt gevallen, welk een geestdrift haar 
optreden en verblijf aldaar in den kring der geletterden 
verwekt heeft, is wereldkundig geworden door den Zeeusclun 
Nachtegael^ collectieven bundel gedichten, die juist in die 
dagen in den maak was en waarin ook het vermelde vers 
van Beaumont met Anna's antwoord en menig ander 
stukje zoo van dezen dichter ^) als van deze dichteres t) 
geplaatst zign. Men krggt, de gloeiende welkomst- en 
afscheidsverzen, haar te dezer gelegenheid toegezongen en 
hier opgenomen, lezende, den indruk dat niet alleen de 
gaven, waarmede de Muzen »de w^ze Anna*' hadden toege- 
rust, maar ook die, welke de Gratiën haar in het achtender* 



*) Ook onder de letters H. V. D. 

f) Scheltema meent daar ook toe te mogen brengen de twee erotische stukJH 
Cupido Brilitman en Cupido Honichdie/ (»hoezeer zouder naam, als staande in 
é^ne afdeeling"). Hierin is hem, zoover ik weet, niemand gevolgd, en ook ik kan 
ze geenszins aan onze dichteres toeschrijven» 



(49) 

tigste jaar haars leveos nog hadden gelaten, in dezegeesi- 
drift grootelgks haar aandeel hadden en dat wellicht deze 
niet onbevallige dochter ^) eener schoone moeder, hoewel bg 
lange niet zoo schoon als de overschoone Tesselschade, tot 
die vrouwen behoord moet hebben, die zeer lang hare frisch- 
heid en jeugdig voorkomen behouden en er wel eens op 
haar veertigste jaar nog beter uitzien dan op haar twintigste. 
Maar zeker is het dat Anna Roemers tot die bevoorrechten 
behoorde, wie het in hare reine, blghartige beminnelgkheid 
geen moeite kost zich door iedereen te doen liefhebben, en 
dat men in Zeeland niet vond dat haar iets ontbrak dan 
dit, dat zg tot hiertoe onkwetsbaar was gebleven voor de 
pglen van de min f). Aan vrool:yke plagergen op dit punt 
mangelde het niet, noch ook van hare z^de, aan geestig be- 
scheid; evenmin aan hartelijke aanmoediging en doorsche- 
merende voorteekenen, dat het niet altgd zoo bleven zou. 
Dit alles is uit den Zeeuachen Nachtegael op te maken. Maar 
het Letter-juweel brengt ons nog een achttal tot hiertoe niet 
bekende stukjes, die op het bezoek aan Zeeland betrekking 



*) Id 1608 (zQ was toen 24 jaar oad) zong Hooft haar z^n »Voochdesse der 
gpmoeden**, toe, waarin h|j hare bekoorlijkheden »van 't helder voorhooft tot het 
nette voetjen'*, verheft; haar schildert als van »een groten hoop minnaren" om- 
ringd, en verklaart dat «niemant soo stickziende" is 

Van ooghen niterlyek noch van verstande 
Of hij wort wel bespiende 
Van verre n schoonheit als een claren brande. 

Zie Hooft, TJitg. v. Lcendertz, 1.74. 

Tien jaren later sehnjft Cats, in de opdracht van zijn Maeghdênplieh'i 

Ohy wert ghenaemt, "'t is waer, de thiende van de Negen, 
Die prijs comt u wel toe, maar noch ist niet terdegen; 
Ghj wert ghenaemt» 't is waer, de vierde van de dry, 
't Waer elders veel geseyt, hier comt het noch niet by« 
Brenght al nw gaven *t saem, ghy driemael vier godinnen, enz. 

t) Aldns b. V. in het gedicht, waar Johanna Coomans haar mede verwelkomde : 

Sy heeft der Goden gnnst, en is bemint van allen, 

In al hetgeen sy doet heeft yder croet ghevallen; 

Maer noch ontbreeckt er wat aen dees begaefde Maecht, 
Dat is dat sy die noem van ^laecht te lange draecht. 

Zeeusehe NtteHegael 

TXBSL. BN VXDXD. ATD. LETTBBK. 8de BBBK8. DBBL YIII. 4 



(60) 

bebbeu of daar een nagalm yan z^n. Drie er van beixeffen 
den Pensionaris Beaumont; één van dezen (zes regels lang), 
grifbe baar door Hnygens zoo hooggeroemde diamantstift, te 
zgn hnize, op een hem behoorend Olas; een ander (van Tier 
regels), schreef zg in zijn boeck^kam^r; het derde is een Son- 
net tot antwoori op een dito van zgn maaksel, haar na haar 
▼ertrek toegezonden. Beaumont was een jaar of tien onder 
dan zg, en zg drukt in dit sonnet hare vreugde uit, in het 
zgne een lief blgk ontvangen te hebben. 

Dat (hg) noch niet missaeckt haer, by (hem) aangenomen 
Voor dochter, die nu suft in H gemelyck gegrol 
Van timmer-dwang daer sy doch niet me weet te leven, enz. 

In dit klinkdicht zgn (zg noemt het, op de manier van 
C» Huy.) de laesU woorden van dat van Beaumont ook 
door haar gehouden. Voorts vinden wg hier een imprompta 
door hfiar, doet ten eten eynde op een Roemer gesehreven ykü 
die Johanna Comane^ huisvrouw van den Rentmeester Van- 
dor Meerschen, die haar zulk een hartelgk welkom had 
to^ezongen, mede in den Zeeuschen Nachtegael geplaatst, 
en die, blgkens deze roeien, ook Anna's volkomen ach- 
ting verworven had. Dat haar vertrek uit Zeeland op 
den ll^D Juli 1622 onverwacht had moeten zgn, wisten wg, 
ofschoon wg de oorzaak niet weten ; hoe overhaast het geweest 
is en hoe zeer haar dit leed deed, blgkt in het Letterjuweel uit 
een vrg wat langer gedicht, dat zg insgelgks op een Roemer 
graveerde, door haar in (haar) plaets op een banquet geson- 
den daer (zg) door (haar) haestiéch vertreck niet gaen conde, 

»Send u'' — dus eindigt het gracieuse dichtje, met toe- 
speling op haar Anna-Boemer-naam : 

Send u hier de helft(e) dan 
Daer men my by noemen can. 
Jammert u myn droeve dachten? 
Coom ie noch in u gedachten? 
Kust hem aen syn gladde mout. 
Een Adieu ; en op den gront. 
Laat een druppel wgu niet drgven, 
Op dat ie gesont mach blgven. 



(51 ) 

Maar langer en belangwekkender dan alle deze stukjes is 
de Idylle, die z^, onder den naam van Sylvia en in het 
karakter eener herderinne, geraimen tijd na haar vertrek, 
toezond Aen (als het opschrift luidt) A en den vrindhouwende 
Coridony dien zjj b^ den aanvang noemt 

Waerden Herder, die voor deesen 
My hebt soo veel eer beweesen 

en eeuige regels verder, 

Coridon haar lieve leeven, 
Die(n) sy cuysch en heylich mint 
Niet als vr^er, maer als vrint. 

Wy twyfelen geen oogenblik of deze Coridon is niemand 
anders dan de jonge Middelbnigsche Med. Dr. Lenart Peute- 
maus, dien wij meenën te mogen aannemen, dat zich zelven 
heeft willen aanduiden, toen hg het bevallige lied, waarmede 
hg Anna's onverwacht vertrek bezong en betreurde, en dat 
almede in den Zeeuschen Nachteffoel (bl. 79} te lezen is, 
aldus besloot: 

Hier-en-tusschen is verdwenen 
En de Nimph niet meer verschenen, 
Daar nu Coridon om sneeft; 
Syneii roem is nu gheweken 
Naer den Amstel en de Beken, 
Daer sy hare weyden heeft *). 

Coridon Peutemans; de man had zgn geslachtsnaam niet 
mee; Coridon Peutemans had haar nu onlangs blgk gege- 
ven niet over haar tevreden te zgn en hare goede genegen- 



*) Scheiterns (bl. 27) heeft een andere min gelnkkige lezing: 

Hier-en tnssehen is verdwenen, 

£n de Nymph niet meer verschenen. 

Daar nn Coridon om beeft. 
Zijne luii ii nu gheweken 
Naar den Amstel en de beken 

Daer sy hare weyden heeft. 



(62) 

held te wantrouwen. Coridon Peutemans was jaloersch van 

het dertel vrgen 
En de la£Fe Cóortosgen, 

die h^ onderstelde het werk te zgn ran de Haagsche vrien- 
den, in wier midden Anna zich thans weer bl^kt bevonden 
te hebben, en h^ schgnt haar dit bg brief of dicht, waarbg 
hg een geschenk van zgne hand had gevoegd, te kennen te 
hebben gegeven. Zg stelt hem daaromtrent gemst: 

Hoofsche treeken 
(Heefb zg) door en door gekeeken, 
T' Haechs gesnor dat prachtig bralt 
(Haar) in *t minste niet gevalt; 

en daarna verhaalt zg hem, in hare rol van herderinne, wat zg — 

Als (zg) eens op groene wegden. 
Had (haar) beesjes gaen geleyden. 

En door hette mat en loom, 

In de schaduw van een boom. 
Ruste (haar) vermoeide leeden — 

op het glas gesneden had, dat zg hem als wedergifb toezond. 
De woorden, die zg er op grifte, komen wg niet te weten. 
Zg bestonden in 

T' geen (zg) van een hoveling. 
Op een brieve corts ontfing; 

maar tot de versiering gaven de vlinders; — men herinnert 
zich Hoofts: 

Soo 't n, met diamant, lust op een glas te stippen: 
't Is in de vlinderteelt — *J 

tot de versiering gaven de vlinders, die om haar zweefden, 

Dat gewieckte lichte goet 
Onbelaen van vlees of bloet 



*) Uitg«?e Yin Leendertz, I. 188. 



(58 ) 

en de bloempjes. 

Die daer keekeu uit hot gras, 
Daer (zg) bg geseeten was, 

haar de stof. Zg had ze gaarne in natura saamgevlochteu, 

Om (ze> op het jeuchdich haer 
Van haar Herder-maet te schicken 
Saem geknoopt met vrinschapstricken, 

Zoo hy hier aen (harenj cant, 

Was gekomen ugt sgn lant. 

Maar dit het geval niet zgade, zal zg ze echter 

placken 
En op (dezen) Roemer drucken 
Ora te senden — 

zingt zg — 

daer ie gis 

Dat hy tegenwoordich is. 
Wilt dees gift iu danck aenvaerden 
Groot van gunst, maer kleijn van waerden, 

Eedel Herder! opdat gy 

Alte met eens denckt aan my. 

Wg vreezen dat de gift daartoe voor CÏoridon Peutemans 
maar al te zeer overbodig geweest is, en hooren verder niet 
van hem. Met de onderteekening Silvia ^), draagt dit zan- 



*) Wat haar tot de keuxe van juist dezen naaui aauleiJiiig mag gegeven heb- 
ben, heb ik niet knnoen oagaan« Doch in flerderdichten is de aamenparing van 
4eo naam Sylvia met dien vau Coridoa niet ougewo m. Ik vind die b. v. ook in 
Pastorellen, voorkomende in een ze'dzaam boekje ( MinnepHcht enda Kmytk^i^Jtam/f 
aUnwde 9eriekfydeti Aardigke en Geetttgê Nieuwe Liedekenê emSonneiten, P Amtier 
dam, by Jacob AerUz Colom^ ifo. 1626), waarmede de heer Dr. W.Pleyte de goedheid 
gehad heeft mg, sedert deze mijne Mededeeling ia de Academie, bekend te maken, 
omdat daarin ook een, mij tot hiertoe geheel onbekend, dichtje van Anna Roemer 
voorkomt De eeoc dier Pastorellen vangt aldus aan." 

Seght my Sylvia, seght my 
Hoe komt, dat ick myn vee hier in de weyden, 
Van u kudde moet scheiden 



( S4 ) 

gerig stakje de dagteekening y an den 10 fêhruwary A^. 1623 
waarsch^nl^k ouden st^l, en dus, naar den nieuwen, reeds '24), 
eigenl^ het seizoen niet om, »door hette mat en loom^^, 
met de schaapjes, in de schaduw van een boom uit te rusten 
en de vlindertjes en bloempjes, die men rondom zich ziet, > op 
een Roemer te drucken!" Ernstige waarschuwing aan com- 
mentatoren om, bg gebrek yan dagteekening, niet met al te 
yeel zelfvertrouwen, uit de atmosfeer, waarin hen de inhoud 
verplaatst, tot den tgd der vervaardiging te besluiten. 



Dr. Peutemans is bekend als een groot bewonderaar van 
zgn landgenoot Cats, wien w:g weten, dat hg een lofgedicht 
op zgn »Eonstrycke Sinnebeelden^' heeft toegezongen. Anna 
Roemers eerde en achtte Cats boven alle hare andere vrien- 
den. Het dichtstukje is bekend, waarin zg zich gelukkig 
prgst over het haar door de Voorzienigheid toebeschoren lot, 
en eindigt met te zeggen : 

Dit, jae meer soo derf ik roemen 
Dat ie veel mag vrienden noemen 

Die door haer geswint verstaut 

D'eer zgn van ons Vaderlant. 



en de laatste strophe Inidt aldus i 

Sylvia laet b segghen: 
Laet Corydon met lust t' vee van ons beyden, 
DagUycks dry ven en weyden : || : 
Gaat ghy maer heen, tegens hy weer sal komen. 
Onder de wilge boomen, 

Bloemkcns vergaaren en daer so met malkandren 
Onse liefde : I| : onse liefde doen oflf*ronden. 

De tweede begint op deze w^ze: 

O Sylvia het eenigh wit 
Van Corydons gedachten, 
£y gunt my 't geen daer om ick bidt, 
Met tranen ende klachten, 
'T is meer dan t^dt, 
Laat Herderin, n koele sin, 
£n mindt om strijdt. 

Coridon Peutemans kon niet beter wenschen. 



Maer ghy! blondine van de Ïeettwen, 

Overttl soo gae ick schreeuwen 

'k Ben doe meest van 't luck ghedieut 
Doe 't my Cats gaf tot een vriebt *). 

Met de reis naar Zeeland was het 

Om Zeeland versch en groen 
(Haar) in 't minste niet te doen f) 

geweest, maar om den S^euwschen dichterïring eu borenal 
om nadere kennismaking met den negen jaar ouderen sedert 
vele jaren (1605) gehuwden eersten Pensionaris van Middel- 
barg, ilie haar niet minder achtte dan z^ hem, gel^k dit 
onder anderen uit de Opdracht van zgn gedicht over de 
Maeghdenjslficht (1618) en den welverdienden lof, haat daarin 
niet slechts op grond van hare gaven maar ook van hare deugden 
toegebracht, overvloedig gebleken was §). Welnu, van de 
hartel^kheid dezer op innige wederzijdsche vereering gegronde 
vriendschapsbetrekking getuigt ook het Letter-juweel door twee 
gedichten. Beiden z^n van 1623, het jaar, waarin Cats 
onverwacht tot Pensionaris van Dordrecht benoemd WHa. Hét 
eene is aan hem zelven gericht en getiteld Ontschulditu/e ; 
Aen den Heere Jacob Cats Pendonarus van Dordrecht^ cUu 
Ie hern in Zeelant doot geschreven hadde. Ja, dit had zfj, 
het bl^kt niet precies, in welke termen, gedaan; maar bet 
mocht haar worden vei^even; zg had een voorgevoel gehad 
van zgn ophanden verplaatsing; »een hooger geest" zegtzy 

een hoogef geelst dwong en beroerde my 
Te setten op pampier een Waere prophecy. 

Gewis; onsteirâ^'^ was Cats door z^a\9 wérken^ eeuwig 
leven zou hg door zgne deugden ; eu ook in de gedachtenis 
der Zeeuwen: 



*) Zêeuteke NaeiUgaei» 

t) Leiieryuwêêl, 

^) «Een üitmautend ven, hetwelk tot mijne verwondering alleen in den eer- 
sten afzoitteHjken àrtk — gevonden wordt." Scheltema, bl« 15. 



(56) 

Nochtanu sûo (zou hg) s^u van han als dooi beschregt 
Berooft van synen raet en tegenwoordichegt. 



hadden echter wat hen troosten kon. Onsterfelgke lof 
zou hun deel zgn, dewgl zg »gequeekt" hadden 

Een sulcken wgsen Man tot troost van (hun) gebuiren, 
Die met syn cloeck beleyt het schip (zou) helpen stuiren 
Dat voor een teycken voert verhoeven op syn Mast 
De vrye Leeuw die op geen bytend Swyn en past. 

Hoe dierbaar werd haar uu dat Dordrecht en hoe ver- 
langde zg het te bezoeken, waar zij vroeger, ondanks zgn 
heerlgke gebouwen, »in een dach reeds ugren te lang was"' 
geweest. Immers zal Cats voortaan deze koningin der 
Hollandsche steden een sieraad boven alle andere zgn: 

Cats, die in (Anna'sj sin oock aengenaem en freg 
Can maken door syn reen, een schrale dorre heg. 
Syt welcoom dan, 

dus besluit zg, 

Syt welcoom dan O puyck en hooftstuck van myn weelde 
Wiens tuchtich bysyn mij noyt lang viel noch verveelde 
Syt HoUant wellecoom. Ach! wanneer sal ie weer 
My setten aan u sg of voor u voeten neer? 
En hooren ugt u mont, en gaeren van u lippen 
De lessen van de deucht die haer al staech ontglippen. 
Syt hertelyck gegroet van HoUants Borgerg 
Maer alderhertelyckzst Myn Waerde Cats van mg. 

Als uu de Heeren van Dordrecht aan haer nieuwe Pen- 
donaria een Wellecom'Maeltyt bereidden, zond Anna Roe- 
mers daartoe eeu gesneden Roemer ^ daer dit op etondt: 

Sit Cum Felino félicitas Senatui, 
pax Populo Durdrechtano. 
Anno 1623. 

liet die feestgave van een gedicht van twintig regels 



{hl ) 

vei^ezeld gaan, met welks inhoud wg door het Letter^ 
juweel bekend worden"^). 

Een jaar of wat later zon haarzelve in de 

Heerelycke stadt, die om (haar) schoon gebouwen 
Van onse Steeden wert als Coningin gehouwen, 

maar naar welke z^ tot dusverre niet dan om den wil van 
haren nieuwen Pensionaris verlangd had, een hartel^k welkom 
worden toegeroepen, als zg die binnentrad aan de z^de van 
den man, aan wien z^ in het jaar 1624 haar hand en hart 
verpand had, maar met wien het m^' gebleken is, dat z^ 
in de eerste jaren van haar huwelgk elders gewoond of al- 
thans van t:gd tot tyd vertoefd heeft, daar^ volgens het Album 
der Leidsche Hoogeschool, waarop zg ingeschreven z^n, haar 
oudste zoon te Alkmaar, de tweede in 's Gravenhage gebo- 
ren is, gelgk m^ uit datzelfde Album almede is geblcken, 
dat ook haar echtgenoot zelf, althans van geboorte, 
Hagenaar was f). Hoe dit z^, eenmaal te Dordrecht ge- 
vestigd, was zij er met haren Cats het middenpunt van den 
Dortschen dichterkring, geligk hare jongere zuster tezelfder 
tgde de aangebedene van den Amsterdamschen §). 



»Om beide Roemers dochters'^ zegt van Vloten, »groepeert 
zich genoegzaam al wat, waar ter wereld in Nederland, in 
de eerste helft der 17^ eeuw in poêzy en fraaie letteren 
uitblonk; met haar stonden nagenoeg allen in meerder of 



*) Is deze Roemer te Dordrecht npg bewaard gebleven? 

f) Zie beneden. Scheltema noemt (bl. 29) Mr. Dominicos Booth Tan Wesel 
«een man van letteren en van aanzienleken huize*', maar zegt inde JatU.eü Bijv, 
(bl. 135) dat hij »aangaande (hem) nie s b^zonder^ vermeld heeft gevuuden.** 
•Ztjn vader" laat hij er op volgen, »was Baljuw van de Zijp, en het komt my 
derhalve waarsckijniëk voor, dat hij niet tot het Kerkgeuootschapder JRoomachen, 
maar tot dat der Hervormden, zal behoord hebben. -^" Uit Hoofts Qrafdieht 
van ÄMua Roemert van Weiel UvewC inde Zijp begraven, waarschijnlëk in het 
laatst van 1624 gedicht (zie uiig. v. Leendertz I, 235 met de aant. aid.), 
blijkt dat zij kort na haar tronwen, zich geruimentQd, in dat gedeelte van Noord- 
bolland, ten huize of iu de nab^heid haars schoonvaders, moet hebben upgebonden 
zonder haren ouden vrienden veel van zich te laten hooren« 

i) Tesselscbade woonde na 1648 weder te Amsterdam« 



minder yerband, die er beiden beoefenden" '*'). En zoo wis 
het; maar hg had er ook de beoefenaars van menige andere 
fraaie kunst bg kannen noemen. Ook hiervan brengt, wat 
Anna betreft, het Letter^juweel blgken bg. Vooreerst treffen 
wg daarin een vgfiregelig stukjen aan, getiteld: Aeu Mijn 
Heer ff. Gout my ver-eert hebbende met verscheiden aerdigt 
nachtjes^ door syn constryke hant gesneeden. Dit zal wel 
niemand anders dan die Hendrik Gout geweest zgn, wiens 
naam, naar de gewoonte des tgds, ook door hemzelven op 
onderscheidene .wgs gespeld wordt f), Ütrechtsch edelman, 
schilder en plaatsngder, leerling en weldoener van den 
Francforter schilder Adam Elshaimer, dien hg te Rome had 
leeren kennen, die, volgens Karel van Mander, »veel Nach- 
ten, Toorts- of Fakkellichten schilderde'^ en van wiens 
werken Gout er te Utrecht onderscheidene in plaat bracht. 
Indien het werkelgk deze Gout geweest is, dan moet Anna's 
dankdichtje noodwendig van voor 1624 dagteekenen; daar 
het te Utrecht in 't koperbrengen van de » opgegaarde konst" 
van Elshaimer, volgens Houbraken, »Gouts eerste en laatste 
werk is geweest." »Want", dus luidt zgn verhaal, »een juf- 
frouw, die graag met hem wilde trouwen, gaf hem iets in, 
dskt in stee van hem verlieft te maken, hem 't verstaut deed 
verliezen (dit was in ^t jaar 16^4) zoo dat hg geen weet 
van iets had, tenzg men hem over de kunst aansprak, daar- 
van hg tot zgn dood toe wist te oordeelen.'^ §} 

Een ander dichtstuk in het Letter-juweel brengt een ge- 
wisser dagteekening mede en voert aan het hoofd een in- 
drukmakender naam; immers geen minderen dan dien van 
den grooten Petrus Paulus Bubens, met wien wg hier ver- 
nemen dat Anna Roemers gemeenzaam bekend was en dat zg 
geenszins schroomde zgne meesterwerken te copiëeren. Het 
opschrift luidt: A en de vermaerde constrycke Petrus Paulus 
Rubbens doe ie nae syn werck schilderde. Anno 1621. 



*) Van Vloten, Beknopte Oeschiedenis der Ned. Letteren bl, 2o7. 
t) Goot, Oaad, Gond, Goadt. 

\) Uoubrakeo, Schoubnrgh, 2. dr. D, I, bl. 55, 65« Zie verder op den naim, 
de Trerken van van Mander, Immerzee], Kramm« 



(59 ) 

Lachens wftert, 
z€gt zg, 

is mijii vermeeten 
Dai; ic naeboots de Poeten, 

Spottens waert is dat ic tast 

Nae een P^n, een naelt die past 
Beter in myn plompe handen. 
Maar ic ding nae meerder schänden 

Nu k' mg om te bootsen ylg 

T* wonder van n schilderg, 
Die gy sonder stem doet spreeken 
Daerin — 

het schgnt eene Madonna met het kind Jezus geweest 
te zijn — 

Daerin dat men lieve treeken 

Van een sóóge moeder vint 

Tot haar ugtyercoren kint, 
Datse voor haer neer siet leggen. 
Daerme! Daerme! gaetse seggen 

Hertje ben je suflgens zat? 

Druckt haer borst noch eens en spat 
Witte melck op 't aengesichje 
Van het soet onnoosel wichje 

Mg dankt, deze verzen zgn der schilderg waardig, waar 
ik wel gaarne van zou weten of zg nog in Amsterdam, of 
zg misschien onder ditzelfde dak te vinden is! Het ging 
Anna, als zg er naar werkte, als een minnaar, die, ofschoon 
niet terstond verhoord, den moed nochtans niet kan opge- 
ven, maar er alles voor overheeft om zgn doel te bereiken. 
Dit is het wat zg behoefte heeft den grooten Meester te 
zeggen. 

Maar mgn vrint — 

dus besluit zg eensklaps haar gedicht met eene verrassende 
v^endïng — 



(60) 

Maar mgn rrint, die mg sgt ganstich 

En niet min beleeft als kunstich 
Soo u niet te seer mishaecht 
T' stout yersoecken van een maeght, 

Bid ie mg te willen schrgven 

Waer me gg n wit laet wrgven, 
Dat 800 geel niet en besterft 
Noch de tgt so niet bederft. 

Hierdoor snit gg mg verbinden 

Dat ie a en u beminde 

Huysyrouw die door deesen moet 
Oock sgn hertelyck gegroet 

Weesen sal met hert en sinne 



Anne Roemers 

U Vrindinne 



N^. 14, 15 en 16 van het Letter-jutoeel zgn aan vrien- 
den gericht, door de dichteres niet dan met de voorletters 
hunner namen aangeduid; N^ 17, aan een ongenoemden 
en, naar ^tschgnt, haar van aangezicht onbekenden jonge> 
ling, die (haar) een boeck vereerde dat hy gemaeckt had. De 
1. y. H van N^. 14, schgnt mg niemand anders dan Jacob 
van Heemskerk te wezen, van wiens in 1624 verschenen 
Minnekunst het vierregelig dichtje een aanbeveling aan een 
»verliefden vrger" is; de G. R. D. van N^. 15, Heemskerks 
vriend en medestudent aan de Leidsche Hoogeschool George 
Rathaller Doubleth ; van wien ik echter niet begrgpen kan, 
dat hg door onze dichteres boven anderen »voor haar poëet 
aangenomen" zou zgn, zoo als uit het vierregelig stukje zou 
kunnen worden opgemaakt. N^. 16 is Geschreven in hel 
Colege-boeck van de vier vrinden I. B. — I. V. H. — I. V.B. — 
G. R. D. — wier aldus aangegeven namen zg in het op- 
schrift met een looverslinger samenstrengelt, en die zg bg 
den aanhef als de »vier gestrengde Een'' en straks, op 
grond ' van hunne senilis in juvenibus prudentia als » Ge- 
grgsde Jongelingen'' aanspreekt. Jn I. V. H. en G. R. D. 



(61 ) 

zie ik ook hier de reeds geuoemdeu (Heemskerk en Doubleth), 

in I. V. B. Jacob van Brosterhuysen ; maar wie is LB.? 

Kan het Justus, of wel Jacob Baek zgn? *) 



> Romer, die Visscher, iste Belgiens Martialis, heeft drie 
dochters t)i die alle in seer fraye exercitiën syn opgetoogen, 
connen seer fray Miisyque, schilderen, in glas sneden ofte 
graveren, refereyn maken, emblemata te inventeren, alderley 
manufacturen van borduren, oock goet swemmen^' — dankte 
de w^ze Anna mede daaraan haar duurzame jeugd? — »en 
bet sich geleert hebben in haer yaders tuyn, alwaer een grachte 
met water was extra urbem"'. De negenentwintig of dertig- 
jarige Emestus Brinck, die, als h^ in 1612, op het punt van 
naar Constantinopel op reis te gaan, het zoo belangwekkend 
gezin in het huis aan den IJkant had leeren kennen, deze aan- 
teekening neder schreef, en wiens album door den toen vgfeuzes« 
tigjarigen huisvader met eenige regelen schrifts vereerd werd ; 
is ons thans in z^ne afkomst, verdiensten, betrekkingen en 
waardigheden, door den voor de vrienden gedrukten arbeid van 
Jhr. F. A. Ridder van Rappard, welbekend §). Dat de betrek- 
king met de Yisschers levendig is gebleven, blgkt ook uit het 
daarin (bl. 17), naar een te Harderw^k berustend afschrift, me- 
degedeelde Sonnet aen Apollo en de Mitsen tot ontachuldiging van 
mijn traegheyt^ hetwelk ter gelegenheid van het huwel^k, door 



*). Ons geacht Medelid de Hoop Schefïer, door het p//» in Jacob mr« Broster- 
hnysens naam zeer wel ontbeerlijk te achten, wees de gissing van een der Kae- 
ken af en stelde voor, Brosterhoysen door 1. B. aangeduid te zien, en dan de letters 
l. V. ß. op J Vander Bnrgh, toe te passen. Gaarne neem ik der^n voorslng aan. 

f) Tassehen Anna in 1584, en Maria Tetsehehade in 1594 geboren, nog eene 
genaamd Geertnt't, geb. 1590, vroegt^'dig gehuwd met den Amsterdamschen On- 
dcrschont Nicolaas van Bnyl. ten wiens hnize Tesaelschade in 1644 ziek lag. Zie 
de Brieven van Rarlaeas. 

S) 3 Dec. 1612 schreef Roemer Yisacher in zijn Albam: 

Ben bequaemen, edelen, bevaren 
(in 't worden) jongeling Ernst 
Bbimck, die nu al verder *t ooch 
heeft» als h^ sien kan; 

gelnek en behoaden reyse. (Zie aid, bl. 29, 80). 



(62) 

den aaazienligken Harderweker deu 21'^<> Oct. 1623 met 
Joffer Gellia yaa Keppel gesloten, gediend heeft. Wg vin- 
den het ook in het Letter-juweel^ waarin 't het derde is yaa 
het drietal der vroeger min of meer bekend geworden stuk- 
jes van onze dichteres, maar hier, onder het opschrift: Sonnet 
op de bruijloft van Erenst Brinckx borgemeester van Herder 
wyck^ en in eene hier en daar afwekende lezing. Wat b. v. 
volgens het Harderw:gkflche a&chrifb het gevolg is geweest 
van een jonstelijk, wordt hi0r, niet zonder woordspeling, 
als de vrucht van een seer ^ernetelyck" verzoek vermeld« 
In elk geval komt dit kunstmatig gedicht mi) eerder als 
een werk van »dwang", dan juist van »harteprang^' voor* J. 
Al de tot hiertoe uit het Letter-juweel door m^ te berde 
gebrachte gedichten waren aan personen gericht, en ook met 
verre de meesten, die w:g nog te vermelden hebben, is dit 
het geval. Metterdaad z^n er in het gansche bundeltje 
slechts drie, waar dit niet van geldt. Vooreerst het treffend 
Gebet op den beedach A^. 1622, waarsch^nl^k die van 22 
Juni t)i sedert de uitgave van den Zeeuschen Nachtegael bekend. 
Ten tweede, onder het opschrift: Gebetop de Geboort-dach 
om Heeren Jesvs Ohristvs, A^. 1620, een stukje, dat geheel 
den geest der reine, eerbiedige, en practische vroomheid ademt, 
dien wy dezer dichteres uit sedert lang bekende stukken van 
denzelfden aard kennen; en, als derde, een gedicht Op <i^ 
verovering van Grol^ en derhalve naar alle waarsch^nlykheid 
in het jaar van dat wapenfeit, 1627, geschreven. 



»Het is bekend;'" schrgft de heer van Vloten, ter inlei- 
ding zgner mededeeling van bovenvermelde brief en gedicht 
door Anna Boemer, Februari 1642 ^3?) aan den President 



*) De »suyvere Godinnen, Beminst-ers van den sang'* in het Hardenwijksche af- 
schrift, z^n hier «rsn^ vre Sang- Goddinnen, Bemtnstcrs van de Deucht.'* Hei ßu^ttnt 
in op een na den laataten regel, waar de Heer ▼. K. flikkert voor meent te moeten 
lezen, wordt door de lezing van het Letter-juweel gehandhaafd. 

t) Zie Kist, Nederl. Biddaghrieven II. 120. N^ 147. (Togt in Brahant oDder 
Manrits t^ Frederik Hendrik). 



(68 ) 

Boose te Brussel toegezonden *) : » het is bekend hoe > » Roe- 
mers ontste kint*' " de middelbare opleiding harer beide zo- 
nen aan de yaders Jezwyten te Brussel had opgedragen. 
Het was daarom niet slechts eene letterkundige belangstel- 
ling, die haar in het jaar 1642 naar de zuidelgke Neder- 
landen dreef; toch zou z^ de dringende roepstem harer 
letter- en kunstdriffc verzaakt hebben, had zg de reis, haar 
door hare moederlgke bezorgdheid bevolen, niet tevens aan 
baar ^ver, voor al wat gener ontwikkeling betrof dienstbaar 
gemaakt. Brieven van Barlaeus en Huygens aan den Leu- 
▼enschen hoogleeraar van der Putte (Erycius Puteanusj f) 
strekten haar tot geleide naar dezes woonplaats", enz. 
Scheltema had die reis op 1640 gesteld §)• 
Het Letterjuweel maakt ons met ettel^ke, op elkander 
volgende gedichten bekend, die op deze reis betrekking heb- 
ben, van welke sommige geen, andere het jaartal 1640, 
andere het jaartal 1643 voeren. Het eerste in deze reeks 
is geteekend: Antwerpen, doch zonder tijdsbepaling en gericht 
Aan den Heere Moretua die de Conings Druckerij heeft. Kan 
het Balthazar Moretus (Moerentorf, behuwdkleinzoon en tweede 
opvolger van Plantgn) geweest zgn ? Was hg het, dan moet 
het gedicht wel van 1640 zgn, want deze Balthazar, in 
Juli 1574 geboren, overleed in Juli 1641, zoo immers de 
opgave van het Biograph. Woordenboek juist is. Hoe het 
ZQ, de Heer Moretus, die de Conings druckerij (had), straks 
door haar niet ongepast als de »wgsheyts winckel van het 



*) Tesselschade £. en bare vrienden, bl. b8. 

t) Erycios Puteanns, Venlouensis geb. 1574, gest. 1646. Dat sijn Nederlandgebe 
geslachtsnaam eigenlijk niet van der Futie, maar de Pui was, beeft de Leavensche 
Letterkundige £. van Even in 1829, in het Gcntscb T^jdacbrift de Eendragty uit een 
brief van Pnteanns zelven, aangetoond. Zie bet opstel van ons geaebt Medelid Boot : 
De Lat, Brieven van C. Tluvgena, 4fi. Werken der Academie Dl. VIII. 20. Pnteanas 
was als Linguae Latinae Profestor aan de Leuvensche universiteit de opvolger van 
Lipsins. Zie over bem en zijne zeer talrijke geschriften Val, Andreas p. 205—211; 
Foppens II. p. 264—269. Psqoot (die nocbtans Benirik van der Tuiten als z^n 
vraren naam opgeeft) XIII. p. 373 — 428. 

§) »Zy bad zicb. op bet voorbeeld van baren vader, bij de leer der Reomscfae 
Kerk gebonden, en bestelde i^ 1640, bare beide zonen m de Leersebool der 
Jeeoiten, te BrvneXr bL 82. 



(64 ) 

gansche Nederland' geprezen, had onze dichteres gebeden it 
sonnetten van den E. Here Hooft en Huygene op den trant 
van de schoncken uyt te schrijven *;. Het schont haar niet 
genoeg geweest te zgn aan die bede gehoor te geven, maar, 

hoewel (zg lag^ versoncken 
In de vergeeten-beeck, en lang niet (had) gedroncken 
Der Musen soete dranck — 

voegde zg er nog een nieaw sonnet van hare hand, almede 
op den trant van de schoncken ^ hetwelk wfl hier lezen, bg. 
Nu volgt zonder dagteekening een stukje A en den Godt- 
vruchtigen Heere Hemelaer Canoniek van Onse Li^ve Vrouwen 
Kerck tot Antwerpen. Hemelaer (Johannes Hemelarius) was 
een Noord-Nederlander van afkomst, immers in den Ebiag 
geboren. H^ was een geletterd man, in de classici wel 
ervaren; latynsch dichter, die haar byzonder lief geweest 
moet zgn om zgne belangstelling in het lot van de Groot, 
gebleken in zgn Paraeneticon Angeli custodis ad H^igonem 
Grotiwni super nupero ejus carcere^ in 1621 te Antwerpen 
in H licht verschenen f); maar het is de verheven deugd, 
het is de god vrucht van dezen »rechten Hemelaer/' geweest, 
die haar by z^ne ontmoeting bovenal getroffen hebben, en 
het zestienregelig gedicht wil hem danken voor den geze- 
genden indruk van een onderhoud^ 

Waerdich (zijn) Ampt en zgn Eerwaarde grigze haaren §). 

Ook het derde dezer Zuid-Nederlandsche stukjes is aau 

een eerwaardigen Geestel^ke gericht. Het heeft tot opschrift 

aan den E, Pater Johanni Mantellio Licentiaet in Theolo* 

gie van de Ordre van S. Augustijn^ op sijn sprueck Pax tn 

Virtute^ en is gedagteekend Anttoerpen k^ \QiQ . Mantellius, 



*) Zio de vier bedoelde klinkdichten van Hooft en Hnygen^ met de vier andere 
▼an Brosterhnysen, Donbleth, Tessulschade, en Anna zelve, allen op dezelfde 
eindwoorden, waarvan schoncken het eerste is, in Hnygens Korttnbhemen (1673) 
bl. 471 en in LeenderU Uitg. v. Hoofts Gedichten I. 181, 2, 384—7. 

f) Zie Feêrlkampx De Vita &c Neerlandomm, qni carmina Latina scripse- 
mnt, p, 876. 

§) Hemelaer mag toen een goede zestiger geweest zjjn ; geb. omstreeks 1580, 
overl, 1655. 



(65 ) 

prior te Hasselt, was destgds visitator z^ner, behalve een deel 
▼au Duitschland, al de Nederlanden omvattende provincie en 
misschien in die hoedanigheid te Antwerpen tegenwoordig, waar 
ook in dat zelfde jaar z:gn Ars Artium het licht zag *). Ook 
het volgende stukje draagt dezelfde onderteekening. Het bestaat 
uit drie zangerige strophen Aen den E, Heere Duarte hebbende 
de eer gehot hem met sijne dochters te horen singen en speelen. 
Was een van die dochters diezelfde Francisca^ op het Mojder- 
slot zoo welkom en door Hooft als » de Fransche nachtegaal' 
geprezen, dan moet zy hare schoone stem lang geconserveerd 
hebben; of hebben wg hier te doen met andere leden eener 
blikbaar zeer muzikale familie (ik denk aan Caspar Duarte, 
> Brabantschen Amphion,*' door Huygens in 't Lat^n en iu 't 
HoUandsch bezongen;, omtrent welke het m^ niet gelukt is 
iets zekers te weten te komen? Nu volgteen, als de dichteres 
het noemt, Epigramma, hetwelk ons van den duur van haar 
verblgf in de Scheldestad een^ denkbeeld geeft. Het is 
geheel in den rgmtrant haars vaders en luidt aldus: 

Die van Antwerpen die beleefde nacg 

Vaerdichde m^ strack af met brieven van Becommandacg 

Aan die van Brussel, en seyden mits dien 

Dat sg de Hollanders niet wel en mochten sien. 

Vindt het recht anders want na vijftien weeken tgt 

Houden my noch gaende, om niet te worden quijt. 

Waren de bevallige coupletten, die nu, onder het op- 
schrift Aan den Edele Heere den President JRoose, in het 
Letter-juweel volgen en, volgens deze hunne plaatsing, al- 
mede te Antwerpen schenen geschreven te zgn, bestemd 
geweest om een dezer »brieven van Recommandacy, aen die 
van Brusser\ en wel aan den daar invloedrijksten man f) te 



•) Jan Mantels, geb. te Hasselt 1599, aid. overl. 1676, werd om zijne welspre- 
kendheid in de kerken zQner Orde te Antwerpen en Brussel, en ook in degroote 
kerk te Bmssel, met groote toejuiching gehoord. Hij heeft veel geschreven. 

t) Pieter Boose geb. 1586, overl« 1678; Hoofd en Voorzitter van den Geheimen 
Raad, en in die hoedanigheid de eerste man na den Gouvemenr-Greneraal. Zie 
over dezen voortreffeli^jken, later (1658) op hoogen leeftijd door de intrigues der 
Jezniten in ongenade gevallen, staatsdienaar: Bobgnkt, Vingl^qualre leiirea i«- 
éd9$0i de Stoehmatu, 1650 à 165S, in QmpU Bendu det Séaneeë de la Comm, Hof. 
d^SieUrire. 2 Ser. T. X. Brazelles, 1 858. 

VBBSL. EX MSOKO. AMD, LKITSRK« 2de RBBKS. DSIL Vul. 6 



(66 ) 

vecgezellen, geli^ heit yers van 28 Febr. 1642 (3?), dorn 
dea Heer van Vloten aan den dag gebracht, den brief van 
dankbetuiging yoor welwillend onthaal en uitnemende bewe- 
zen YTiendschap? Het komt mg hoogsiwaarsch^nlgk voor. 
Zie Mer, niet zonder woordspeling, het slotcouplet: 

O ghg Boosa! die daer staet 

Tot den grooten Hofs cieraet, 
Laet u doorens mi} niet raken, 
Ach! of ie het so cost maken 

Dat ie maer een Boose-bladt 

Van u goede gunst en hadt. 

In het nu volgend gedicht, wederom onderteekend Ani- 
werpm^ voert de dichteres Het PeerU'Snoer van de Eerhaer^ 
minnelycke Vrouwe Me Vrouwe Edelheer Pjencionaris van Ant- 
poerpen^ op gracieuse w^e, tot lof van die edele dame, 
sprekende in {*), en daarop wordt het achttal Antwerpsche 
gedichten waardigl^k besloten met het aangenaam bew^ 
dat de nu b^na zestigjarige Anna Boemers »het diamant- 
stift*' nog aandurft, om welks meesterl^ke hanteering haar 
de eerste dichters van het land voor twintig en meer jaren 
zoo hoog verheven hebben, gelgk daarvan tot op den hul- 
digen dag nog alt^d schoone bewezen, althans in afbeelding, 
aanwezig zyn f). Is wellicht in de lieerltjcke vrijdt-he- 
roemde stad Antwerpen de Roemer nog bewaard gebleven, 
waarop haar begaafde hand een plantje Camillen geschreven 
(had), en daer bij de statsspreuck Attrita Resurget? §) Wij 



•) Jacob Edelheer (ook geschreven Edeler), geb. 1599 overl. 1657; sedert 1C24 
Pensionaris v, Autw. Zie over hem F. Goethals, Hisi. des leifrgt, dés Seienc, et 
dei arts en Belg, t. III. p. 131, als ook Compte Rendu de U Commùi, Rojf. 
(fliist. 4c Ser. T. II. IVe. Bull. Hrux. 1874. 

t) In de Oudheidkundige Bijdragen: Beschrijving van merkwaardige ärinkgU' 
zen, onder welke uitmuntende^ door den Heer A. D. Schinkel ; in 100 Ex. gedrnkt 
en uitgedeeld. Een vollediger opgaaf van Anna's kiiustwerk in dezen meenen vij 
van de bevoegde hand van Dr. W. Pleite te gemoet te mogen zien. 

§) De z, g. irap-kamille, een gewas. 

Dat boe men *tmeer met voeten treet 
Dan wast het weelich w^d en 'breed, 



( «7 ) 

weten dat haar daar?oor de plechtige dankbetuiging der 
stad, evenmin als vromer die van de » Coninginne van Hol- 
lants steden'\ ontgaan is ; *) maar hier hebben wt^ de verzen, 
die aan het kostel^k geschenk ten geleide hebben gestrekt. 
Z^ z^n geteekend Anna Roemers 1643. 

Tot Leuven^ in de »hooge wooning" f) va^ ^^^ Geleer- 
den Ericiua Puteanue verplaatst ons het volgend gedicht. Als 
de met hart en ziel Noord-Nederlandsche, maar ook den Zni- 
deligken Nederlanden niet ongenegene dichteres aldaar gespro- 
ken had den seer beleefden Heere Cantelmo^ dien 

seer geduchte(n) Helt 
Vrint van Geleerthegt: en ontsichel^k in 't velt, 

fkier doe oock quam een Ambassadeur^ die na Munster ging^ 

Een out eerwaerdich man, die in s^n hant gevat 
Vbedietsel van de Peys een groen Ol^ftack hadg), 



• is onzer dichteres een gemeenzaam beeld. V{(. haar gedicht op de Groots Welge- 
lukte uitkomst: 

En de kamille geeft of weioigh gears, of geen. 
Totdat se met den voet van iemandt wordt vertreen. 

*) vGescheoken van glazen, met aardig schrift behaald, had zij zelfs van zulke 
aan^ieniyke steden als Dordrecht en Antwerpen met papieren en zilveren dank- 
zeggingen Tergolden gezien. (Zie VoUenhovens Brieven achter het Leven van 
G. Brandt door J. de Haes, bl. 194)/' Scheiterns, a. w. bl. 80, 

f) Het antwoord van Pnteanus op den brief van Barlaens, ter aanbeveling van 
Anna Bremer is gedateerd : Looanii in Arce III Kal. Sept. 1642. Ons geacht 
Medelid Acqnoy maakt mlJ opmerkzaam op Edward yam Even's Louvain Mo- 
numental (Lonv. 1860), waarin van ]i. 117—127 over deze Arx Lovaniennt ge- 
handeld en ook tegenover bl. 124, een kleine afbeelding van -Le chateau^ (zoo 
noemt hij de Arx) »en 1630" en dns zoo als bet waarschijnlijk nog dcor Anna 
zal betreden zqu, gevonden wordt. Pateanns» van 1614 tot 1646 kastelein der 
Arx, richtte er »nne société littéraire" op, »qui portait la dénomination de FaUstra 
bonae mentis, et qui se composait d'étndiants de rnniversité (p. 124) «Les mem- 
bres de cette assosiation se réunissaient le jeudi de cbaqae semaine poar lire les 
travaux de leur composition", p. 125. 

^) 0ns geacht Medelid Brill ziet in dezen eei-waardigen niemand anders dan 
den lateren Aartsbisschop van Kamerik, Bergagne. Wat den Heere Cantefmo 
betreft: Don Andrea Cantelmo was een der leden van het Algemeen Bcstaur in 
de Spaansche Nederlanden in 1641, na den dood van den Kardinaal-Infant. Zie 
L. van Aitzema, Saken van Staat en Oorfngh, J), V. ('s Graveah. 1660) 21ste 
B. fol. 275 en Gachard, Lettret écritei par les Sottverains des Pays-Bas etc. 
(1559—1794); Brnxelles et Leipzig 1851. p. 111. 



(68) 

drukte z^ in een twintigtal versregels, die zg aan Pu- 
teanus richtte, de in haar opgewekte hoop en het profetisch 
voorgevoel uit van dien Vrede, welken zg, welken ook hare 
zuster Tesselschade, ofschoon haar in den dood vooi^egaan 
(1649), nog heeft mogen beleven, en van welken men gemeend 
heeft te mogen aannemen, dat hg door deze laatste zel6 
nog bezongen is *). 

Over het waar van het nu nog in de laatste plaats in 
het Letter^juweel voorkomend gedicht durf ik niets verzeke- 
ren, maar omtrent het wanneer heb ik volkomen zeker- 
heid, want Anno 1645 staat er duidelgk onder met Anna 
Boemers eigene, in dat jaar eenenzestigjarige hand. Het 
brengt ons het bewgs dat deze zoo door en door naar 
lichaam en ziel gezonde natuur^ ook wel eens op het ziek- 
bed kon worden nedergeworpen, en dan de geneeskunst niet 
versmaadde. Immers is het een dankdicht aan den hoogh 
Geleerden wel Eervaren Docktor Nonniusj die het geluk heeft 
mogen hebben haar uit een ernstige krankte te kunnen 
oprichten. Was het die Ludovicus Nonnius, van wien 
ik in het Biographisch Woordenboek lees, dat hg zoon 
van een Antwerpschen geneesheer uit Portugal, in Ant- 
werpen geboren, in 't begin der 17^® eeuw bloeide en niet 
alleen als geneesheer, maar ook als geschied- en letterkun- 
dige en Latgnsch dichter uitmuntte, in welke laatste hoeda- 
nigheid ik hem bg Peerlkamp vermeld zie f), doch van wien 



*) vDftt ti} deo vrede van Mumier bezong, bl^kt onder meerdere, oit de Gt' 
dic/Uen van Jam Vos bl. \%\" die in z^nen Vredezang meldt: 

De schrandre Tesselscha, die Salems starke schansen 
Met GoDBFEOY, om de eer van beilge lauwerkransen , 
Langs Tassos spoor bestormt, verlaat Jernsalem, 
En zingt aan de Aemstelstroom, maar met een scheller stem.^ 

Scheltema, a. w. bl. 215, 6. 

t) Pkeblkamp (De Vita &e. Neerlandorom qai carmina Laüna scripseront) Kgt 
o. a. iHupaniam illius valde landabat Josephos Scaliger." Die Rupania uras echter 
geen dicht- maar een aardrijkskundig werk — [de oppidiê^ ßuminibusque Http. 
Antv. 1607), en z^ue gedichten weinige. »Lusit quoqne Epicedium J. Lipsio et 
alia qnaedam carmina, sparsim édita, ac parata habet editioni £logia Hispanorom 
armifl illnstriam*', achryft Val. Andreas. Zie Bibl. Belg. Lov. 164S. 2e Edit. 
p« 686. aq. 



(69) 

ik nergens heb kunnen lezen of h^ even als zijn vader te 
Antwerpen, of waar ter wereld elders de medische practgk 
uitgeoefend heeft? "^j 

De twee eenige gedichten, die van na 1622, dat is van 
na haar trouwen, van Anna Roemers bekend waren, voordat 
de heer van Rappard er het bruiloftsdicht voor Burgem. 
Brinck (1623) en de heer van Vloten er het vers van 
1642 (3 ?) aan den President Boose aan had toegevoegd, 
waren die, waaruit bleek dat z:g zich met hare twee zonen 
en om dier studiën wil, in het laatst van haar leven, dat 
op den 6^^"^ December 1651 met haar 67**« jaar een einde 
nam, te Leiden was gaan vestigen; het eene: Aan de ver- 
moerde stad Zeiden , gezonden aan Mijn Heer^ Myn Heer Baars- 
dorp^ ah oudete Burgemeester^ het ander: Aen den Hoog-ge- 
leerden Heere, Myn Heere Ewaldus SchreveliitSj in het academie- 
jaar 1646 — 47, voor de tweede maal. Rector der Hoogeschool f). 
Men heeft gezien hoe het Z«^^er-;Wee/, met verzen van 1623, 
'25, '27, '40, '43, '45 meê te deelen, de gaping aanvult. Het 
vroeger en later mannelgk optreden der moeder met be- 
trekking tot de wetenschappelyke opvoeding harer kinderen, 
ofschoon toch ook haar echtgenoot als man van letteren bekend 
stond, heeft tot de niet onnatuurl^ke onderstelling geleid, dat 
zy er alleen voor stond, en haren echtgenoot, wellicht reeds 
voor 1642, door den dood had verloren. Deze onderstelling 
is van lieverlede met historische zekerheid gel^k gesteld, en 
Mr. Dominicus Boot van Weesel metterdaad door de geleer- 
den »dood geschreven." Maar wie is de Dominicus Boot van 
Wesel dan, dien ik, met vermelding van zgn 60^« levens- 
jaar, in Augustus 1646 op het Album der Leidsche Hooge- 
school als student in de letteren ingeschreven vind, door 
dienzelfden Rector Ewaldus Schrevelius, die, in Mei van dat 
zelfde jaar, Romauus (Roemer) Boot van Weesel, voor de stu- 
die der rechten, Johannes Boot van Weesel, voor die der 



*) Wel wtarseli^alljk te Antwerpen, waar al de door hem nitgegeven werken 
gedrukt z^d. Zie de opgave er van b^ Val. Andreas. 

t) Zie OtdiekUn, van Anna V. en Maria Tesselachade Y. Utr. 1861. 



( 70) 

Philosophie ingeschreven had? Dat men zich destgds niet 
alt^d uit dorst naar de professorale onderw^zingen, maar 
ook somwglen oit huishoudel^ke overwegingen als student 
liet inschreven, is bekend *). 

Johannes Boot van Wesel is jong gestorven, Bomanus, 
(Roemer^ naar zgn moeders vader) reeds vroeg als dichter, 
naar de mate z^ner gaven, bekend geworden, gelgk dit ook 
eenigermate het geval geweest is met zgn zoon Dominicus. 

De kenners der vaderlandsche letterkunde weten dit f)- Doch 
dat ook zgn moeders oude, alle de anderen overleefd heb- 
bende, altigd nog dichtende, altijd nog geestige vriend, God- 
stantijn Huygens, een levendig en hartel^k verkeer met dezen 
Bomanus onderhouden heeft, en ook, voor de belangen van 
diens kroost, b^ zgnen vorstelgken meester het zgue ge- 
daan heeft, dat zal eerst dan op verbiedende wgze blgken, 
als de dichterl^ke handschriften van Huygens laatste levens- 
jaren uit het heilig donker onzer Academische Boekerg in 
het volle licht der openbaarheid zullen z^u overgebracht §). 



*) Zie hier wat het Album vermeldt: 

Rectore Ëwaldo Schrevelio. II. 164(i. 
Maii. Romanos Boot van Weesel Alcmarianas. 21, J. 



Johannes Boot van Weesel Haghiensis. 21» P. 



Aag. Dominicas Boot van Wesel Haghae-Comitanus. 60, L. 

Men ziet dat Johannes na Romanus ingeschreven is, schoon h^ als de oudste 
bekend staat (Zie Scheltema bl. I4i8). Beide Johannes en Èomanus worden vermeld 
als 21 jaar oud. B^ een van beiden moet het eeft drukfout, of ifeeds lehrjiMt 
van Rector Schrevelius z\jn. Tweelbgen vraren z^ niet, 

f) »Onder de sprekende lenzen Candide, Perambages, en Caiide schreveo Joèao 
de Wit, Govert van Slingelandt, en Johau van Someren met anderen, waaronder ook 
Anna Roemers zoon. Roemer van Wezel {Romane) in de Dordtsche Kraam (om- 
streeks 1646)/* Van Vloten, Bekn. Gesch. der N. L. L. bl. 264. Zie voorts over 
Romanus en diens zoon Dominicus als poëten, Scheltema. a, w. bl. 146. 

§) Zie Byiage V. 



B IJ L A G E I. 



Copie 

Me Joffre. Dat volckjen singt zoo 't gebeckt is. Het is goed 
zien dat zylayden in 't geberchte verre boven 't waterpas van 
de w^erelt woonen. T' is niet mogelyck dat zy den handel van 
hier beneden uyt zoo groeten hooghte anders dan in 't vercleynen 
connen aensien. Waer nyt ick dan mede ghisse, dat sprnyt dese 
importune deyn-achtinghe van U. E. droevich verlies, 't welck ick 
mijnen 'thalven altydt gestelt hebbe op den tweeden trap van de 
twe hooftswaricheyden die ons in dit leven mogen overcomen. 
Wist ick dat ghy in tminste aen mijn metlgden tw^jffelde» ick 
zonder U. E. alle mogelycke versekering soecken van te geven. 
Docht ick dat U. E. troosters ende moetgevers in dese gelegentheyt 
ontbraecken, ick sonde myn maghere wysheyt zoo verre trachten 
nyt te recken datter U. E. immers eenighe verlicbtinge door 
zonde genieten. Maer 't eene en can ick niet te weghe brengen 
sonder myn eygen vriendtschap ende goet herte, nochte het an- 
dere sonder U. E. eygen wyse Oordeel ofte te cort te doen, oft 
in twgfel te trecken. Dns swyghe ick voorsichtich stil blgvende 

niet te min 

Me Joffire 

UE. goede vrint ende Dienaer 

Hnygens. 



B IJ L A G E IL 



Aen Anna Visscher. 

Mgn ongelnek doet my mgn ongelyck verstaen 
Ick oome my van selfs voor n te rechte stellen. 
Hebb' idc eea onwaerdt rijm n waerde naem doeiir spellen 

De wei* veràîende straft behoor ick niet t^ontgaeil. 



( îfc) 

lok zie waar 't henen wil ; de wraecke staet n aen 
Om uwen nieuwen yriendt al lachende te quellen. 
6hg wejgert hem a mondt met n pen te yersellen. 
Ghg laet hem 't halver Treucht, ter halver weldaet ataen. 

Doch Anna, hoort mgn raedt, geeft mg n aoete saggen 
In schrifte, dat ick mach met sinnen over-leggen 
'T oneyndelgck verschil van u geest byde mgn, 

Ghj snit mj 't nwer eer tot mjner schaadt doen smaecken. 
Wat son myn wasche wieck getracht heeft te genaecken 
Verdubbelt zal u wraeck, mjn vreucht verdubbelt zyn. 

14 feb. CIOIOCXIX. 



Oudt^vader Âmstel^troom eerwaerde gryse hooft, 
Zoo Q een coude corst het oore niet en dooft, 
Zoo u de vriesche vorst in u huys laet met vreden 
Zoo uwen ouden mggh' besejlt wordt niet betreden, 
Gheeft mgn verloff en tgdt om dagen mjnen noot 
Die ick gedwonghen stort in uwen blauwen schoot 
^T beleefde welleoom dat my voor weynig weken 
Een wereits- wonder mout ujt uwen naem quam spreken, 
Dat suycker-soete rgm, dat honich-dauwich dicht 
Wordt my versaeckt, ontkent^ verloochent in 'tgesicht. 
Zoo haest en badd' ick niet u crystallyne stroomen 
Verloren uyt bet oogh, hadd' niet zoo haest vernomen 
De dorre schorre heg, het hooghe drooghe sandt 
Daer my den hemel geeft myn aerdtsche vaderlandt 
Onnoosel onbedacht beghon ick my te stellen 
ü minnelgck onthael een yeder te vertellen. 
De reden leerde my, cost ick niet metterdaet 
Ten minsten danckbaer zyn met woorden en gelaet, 
Wat comt my hier te voor? Een pronckaert hooch vermeten 
(Sg noemen 't courtizaen die beter niet en weten) 
Een van dat licht gespuys des wereits ydel caff 
Dat allesins van spreeckt en weet doch nerghens aff. 
Arm, slecht-goetdunckend knecht (dus gaet de vent beghinnen) 
Wat meynt ghy dat wy zgn, ojQT menschen sonder sinnen, 
Oft kieckens zonder hooft, dat wy van stonden aen 
Oelooven recht oft crom wat ghy ons voor comt slaen? 
Ey lieve wane-waeri men can wel haest bedencken 
Wat welleoomen u den Amstel lust te sohencken, 
Den Amstel hier en daer, die dit oost^ die dat mocht 
^Ick weet niet wat hy daer niet overhoop en brooht) 



Den Amstel in een woordt, die spyt syn stroom-gebnren 
Schoon fiollandts schoonste 8tadt zyn eyghen naem doet yneren. 
Men maeckt ons dat niet wys: te hooff en looft men niet 
(Dat weet ghy emmers wel) dan dat men tast en siet. 
Ten minsten hadt ghy ons tot sty von van n seggen, 
Wat schriffcel^k bescheets voor de neus connen leggen 
Dat waer wat meer geselt. Wy mochten ons beraen 
Hoe yerre men daerop sou mogen achte slaen. 
Dat trapten op myn seer: daer stondt ick zonder spreken 
Niet wetende myn leedt noch hoe noch waer te wreken. 
O vingerbreedt pampier (segde ick (in) mgn gemoet) 
1st dan om uwent wü dat ick dit lyden moet ? 
Zal ick om uwent wil des' spytighe gesellen 
Te scbimpe staen, en my ter weer niet derven stellen? 
'Ten baette gheen saer sien, daer was gheen helpen aeu, 
De lichi- hooft lachten eens, ginck deur en liet my staen. 
Ont-vader Amstelstroom hier doen ick n een bede. 
Gg cont hier in versien, doet zoo veel, wilt het mede 
'T en is niet onverwachts hetghene my geschiet, 
'T en is van gisteren noch daer te voren niet, 
Dat ick mgn beste doe om solcx te mogen wgcken, 
U Anna uwen roem zal lichtelgck doen blgcken 
Wat moeyte, wat versoeck ick niet en hebb' gedaen 
Om eenen reghel schrifts uyt nwen naem 'tont&en. 
'T was als verloren praet; de redelgczte rede 
Het minnelgxte woordt, d'ootmoedelgckxte bede 
En hadden gheen gewicht om haer hartneckicheyt 
(Sy gaft den naem van Trouw) te brenghen tot bescheyt. 
Wat ick songh wat ick peep, zg hadd' uyt last gesproken 
(Stracz hadd' sg mg het woordt met desen slach gebroken) 
Zoo wüde zg dan oock uyt laste schrgven noch 
Cost ick haer desen last vercrggen 'twas genoch. 
Dit's haer, ja mynen last die my belast en pranghet, 
Oudt-Yader Amstelstroom ghy siet na waer 't âen hanghet. 
Zoo zy u groote naem de werelt door bekent 
Zoo moet ghy altgdt vlien, en nimmer sien u endt, 
Zoo moet ghy dagelgcz menich beseylde waghen 
Naer uwen rycken Dam hoochnoedich helpen drsghen, 
Zoo moeten noyt by u te yergelgcken zgn 
Noch Ty', noch Leek, noch Scheld, noch Maes, noch Wael, noch Byn. 
Qhunt my een gunstich woordt, helpt' my myn schande myden 
Stopt de mondt aen die ghen' die my u gunst benyden 



i 74 ) 

Steljb u onteaoh te werck: geeft a beroemde maeoht 

Daer HoUondt moet op schept, daer Nederlandt van waeclit, 

Den voorgewenden kat: gebrnyckt de schoone handen 

(Hebt gbj den mondt gebruyckt) die haers gelgck noyt vanden. 
'T versohil is cleyn off gheen, haer pen ia waert haer tael, 
Haer tongh is waert haer handt: Watmaeckickhmgh verhaeL- 

Hebt ghj haer voor a tolck ujt dnysenden gelesen, 

Waerom en sou sj niet a secretaris wesen? 

Constantin Hnygens Constanter, 

wenscht den Amstelstroom 19 febr, CiJijCXlX 

gelnck, wélvaert en veel vaert. Hag. 

« 

NB. Bg het uitschrijven van het geheele gedicht voor deze 
Bglage en het herlezen in de proefdrukken, kom ik tot de over- 
tuiging dat mijn beweren in den tekst : »Het gedicht, om het a&ehrift 
waarvan H. vr^t, is blykbaar geen ander (dan de K. v. d. A.)", 
wel wat vermetel geweest is. 



B IJ L A G E III. 



Dit niet te drucken. 

Als ick emmers moet gelooven 
Dat de penne can verdooven, 

Diena gelgcke noyt en wierdt 

Door een vrouwen handt gestiert« 
Dat het roesten can versoffen 
Dat den schimmel can vermuffen 

Dat verstandt end dat pikier, 

Die onsterfelgeke lier, 
Anna^ (data genooh gepreeen) 
Noch can ick daerugt niet lesen, 

Wat de reden wesen mach 

Van u weelderigh bedach« 
Zoo de mugghen en de motten 
Comen u papier verrotten 

Is het anders als het was» 

Op een crystallynen glas 



( 75 ) 

Op de rynsche röemët yateH 
Weet ghj u verJies te baten: 
Daer laveert ghy over heen 
Met veel wonder lycker schreôA, 
Met veel wonderlycker slagen 
Dan oyt amstel heeft gedragen, 
Als hij van den wintervorst 
Was besloten' en ver cors t. 
Wil u pen niet langher schryveti, 
Wil sij schroocken off veratyven 
Dat verachtert n niet zeer, 
Alsser pen, noch schacht, noch veer 
In Europa waer te vinden, 
Noch zal dat u handt niet binden, 
Noch zal u een Indiaen 
Met syn steenen gade slaen. 
Zal n inde vinghers planten 
Louter Ooster diamanten; 
Is den ruyier niet beleeft, 
Die voor veeren steenen geeft? 
Maer 't en can doch al niet helpen 
Om u vreemde lust te stelpen ; 
't Schynt den onden swarten int 
Hebt ghy alderbest besint. 
Die is blyven staen versohroeyen, 
Wil niet loopen, wil niet vloeyen, 
'k Weet niet wat hem niet en schort 
Water comt hy veel te oort. 
Water, water loopt ghy roepen 
Over straten, over stoepen, 

't Schont daer groote drooehte zy, 
Jnyst gevalt n oogh op my 
Als off ghy my waerdich kenden 
Om ick weet niet waer te eenden 
Naer een hoogen heuvel top,' 
Daermen seyt dat boven op 
Neghen susters, naghen singsters, 
Neghen dansters, neghen springsters, 
Neghen meysjes sonder vaer, 
Neghen vrgsters sonder paer, 
Heele daghen sonder i^8t<^tt 
Met eeti aoet g^yt rerlnsten 



( t6) 

Haren ongetrondcn heer 
Haren meester hooft en eer, 
Haren leyder, baren herder 
Haren yrjer en niet verder, 

't Moet er fraej zijn, ick bekent. 
Dan ick diender niet omtrent. 
Wilt gbj mj om water sturen 
Daer men staech boort turelnren? 
'Kquam mijn leven niet beneen, 
Sulcken sang-sot ben ick een. 
'Kson daer even eens stoen kyckcn 
(Waer zal ick het by gelycken?) 
Als het nytgesonden kindt, 
Dat de moeder gapen vindt, 
Hier op 't hoff naer schilderyen, 
Daer op straet naer loteryen, 
Sorgeloos en onbedacht 
Wie het sendt en wie het wacht. 
Maer het gaeter noch al grover, 
Anna, helpt my hier eens over, 
Die mg dese bootschap verght 
Hoe geraeck ick op 't geberght? 
'Eheb my somtydts laten zeggen 
Datter diepe steylten leggen, 
Daerder dickmaels meer dan een 
Heeft gebroken hals en been. 
Dat syn schrickelycke dinghen, 
Daer ick lichtelyck het singen 
Van dat maechdelyck gedrocht 
Uyt den hoofd* om stellen mocht. 
Sou niet al de werelt seggen 
Die my in het sandt sach leggen, 
En gerolt van bov^n neer, 
Noch verdient syn sotheyt meer? 
Seker Anna, sonder mallen, 
Laet ons daer niet meer af kallen. 
Alles in de redlycheyt, 
Stopt u water giericheyt, 
Mooght ghy op papier niet schrgven, 
Laet a handt in glasen dry ven, 
Is 't niet swert zoo is het wit, 
Soeokt niet meer dan ghy besit. 



( 77) 

Waerom wilt ghy my beladen 

Met WS hertten overvloet? 
Gby cont missen sonder schaden 

Dat my schande costen moet. 

Constanter. 
50 Id. May: CIOIOCXIX. 
Hag. Com. 



B U L A G E IV. 



Uier het gedicht van Anna Roemers in te voegen. 

WEERKLAKCK 

AAN JOFF. ANNA KOBMEB VISSGHEaS. 

Veel gelucks van Constantjjntje 
Met uw' mann en voesterkijntje, 

Altyd lust, en altyd jenghd, 

Altyd vred', en altyd vreughd, 
Altyd min bekommeringen 
Dan mg van Parnasse dringen 

En doen suchten nae den tjjd 

Doen ick was geleek ghg sijt, 
Doen ick verre van verdrieten 
Als het carmosg van 't schieten 

Somtgds tegen onsen Zeew, 

Ick een schaep en hg de Leew, 
Met een dichtjen hebb gekrabbelt^ 
En na 't nieuwe Bgm gegrabbelt, 

Daer de Beden wat om leed. 

Dat mg nu al schoon vergeet, 
En blgft hangen in de kropp, en 
Aen uw deur verbiet te kloppen. 

Dan 800 nu als doen ter tgd 

Wie het lief is, wie het spgt, 
Ben en blgv ick u slavoen 
Hebb ick veel of niet te doen. 

Constanter. 
Hag. 18. Jan. 26. 



( f8 ) 



B IJ L A G E V. 



AEN DEN HEER ADYOCAET BOMANUS VAN WESEL 

is het opschrift van een uitvoerig dichtstnk, volgens de dagteeke- 
ning, in Maart 1682 en dus op 86jarigen leeftgd, door Hujrgens 
geschreven, waarvan de aanhef aldus luidt: 

Bomane, vriend van ouds; w^ hebben veel gedachten 

Gewisseld onder ons, daerom wij t'samen lachten, 

En schegender niet uijt, soo 't God gevalt, en u: 

Eens laet ons, niet suer sien, maar eens, niet lachen, na. 

Ik draeghe wat in 't hoofd; daer moet ick af geleggen: 

Schrickt voor het baeren niet, mgn baeren sal maer seggen, 

En zedigh seggen zgn, en vragen hier en daer 

Na wie, wat, en waerom, en sints waimeer, en waer. 

Getronw aan deze inleiding, en geheel in den hoogemstigen, 
maar milden en liefdergk welmeenenden geest van het 

Komt Tessel uit de Mis- of uit het misverstand, 

is het gedicht een poging om dezen verstandigen en geachten 
zoon van Anna (wellicht, dank zij het onderwijs op de Jezuïton- 
school te Brussel genoten, niet zoo Erasmiaansch als z^n moeder 
en peetvader) de, naar Hujgens overtuiging, zwakke zyden van 
het Boomsche kerkgeloof te doen inzien. 
Zie hier het plechtig en aandoenl^k slot: 

De ziel die 't scheiden uit haer vlees-hnis voelt genaken, 
(Lang heeft de mijn' geleert die rekening te maken) 
Scheidt no ode spraeckeloos, soo lang de tongfae leeft, 
En onbelemmerde geluiden van haer geeft, 
Om anderen met haer ten hemel te verwecken, 
Maar 't luckt niet ijeder een soo stevig te vertrecken. 
Of 't mg misluckte, vriend, hier hebt ghy, voor uw deel. 
Wat voorraeds uijt mgn penn, in plaets van uijt mgn keel 
En machteloose long. Als ik, eer lang niet wesen. 
Dat 's bij God wesen sal, zoo ghij den dooden lesen 
En hooren spreeken wilt van onder ujt sijn graf, 
Gedenokt 'er sgnor bij, die 't u van herten gaf. 



(«) 

Zie hier een drietal gedichtjes, waaruit biykt, hoe de hartelyke 
grysaard zich voor de kinderen van Van Weesel by zyn vorete^j- 
ken Meester in de bres stelde : 

VOOR VAN WESEL. 
AEN S. EX. 

Uit onverdiende gunst, als ick werd onderrecht, 

Hebt ghij my onverdiend een weldaed toegeseght: 

Doorluchtigh Heer en Vorst, Ô brave Willem Henrick, 

Maeckt van een woord een werck, ick sie mgn soon een Vendrigh. 

'k Ben wat te haestigen vervolger inder daed ; 

Want g^y hebt tydt gefioegh (Ood gun 't on«) te beleven; 

Om noch veel duisenden van Vendelen te geven; 

Maer bj u heb ick niet als een oud advocaet ; 

En sonder hulp te Hoof, men weet wel hoe dat gaet. 

168^2. 
Aen sijn Hooght. 

VOOR R. VAN WESEL. 

Voor sgn soon te water uyt. 

By de genade Gods, zyt Ghy genadigh Heer, 
Dat Ghy lang wezen moet : by die genade, en weer 
By d'uwe, zijn mijn soon en ick uw' gunstgenooten. 
Ick derve dat geluck met woorden niet begroeten, 
't Souw maar verkleinen zijn all wat ick seggen dorst. 
Dit derve ick nu alleen : Lof en danck, groote Vorst, 
Ick hoop, myn vendrigh sal, magh hij 't de zee ontleggen, 
Syn eeuwigh' eighen danck ootmoedigh komen seggen, 
En quyten sich te land, als 't aenden man sal gaen, 
Soo 'k wensche dat hij reeds te water hebb' gedaen. 

7 Jan. 1682. 

VOOR VAN WESEL. 

• 

Soo groeten schuldenaer staet mij niet toe te manen, 
Lydt maer, doorluchtigh Vorst, dat ick u mogh' vermanen, 
Dat eens Kenswoude*) leefd', en ick lev' en myn soon, 
Die op u gunste hoopt: meer heb ick hem verboon. 

11 Mart. 83. 



*) De bedoelde is sonder eenigen twijfel Heer Johati naron van Reede van 
Renswonde, krachtig Oranje-man, sedert 1674 weder Voorzitter van de Staten- 



(80) 

Gewis, tot zgn laatsten ademtocht is hg zichzelven gelgk ge- 
bleven die eenmaal aan »Boemers oudste kind" schreef: 

Sgn Yoornaem is een C. zgn toenaem is een H, 
n bgnaem Eenwich Vriend van Anne en Tesselscha, 



en tot het derde geslacht heeft reden gehad zich over de waar- 
achtigheid te verhengen van dat Constafiter, met hetwelk zoo 
veel dichts en ondichts gedurende drievierden eener eeuw voor 
het zijne gewaarmerkt is geweest. 



Genenal, en in Febr. 1682 in zeer hoogeo onderdom overleden (geb. 1598). Ook aan 
hem en op z|jn dood berinden zich gedichten van Haygens in de porteioUles der 
Academie» en geen ander dan hg is de »ond advocaet*' in het eerste der hier 
medegedeelde stnkje«. 



6EWOJVË YERGADËRIJNG 



DER APDEEUNG 



TAAL-, LETTER-, GESCHIEDKUNDIÖE EN WIJSGEEEIGE 

WETENSCHAITEN, 

GBHOUDBN DEN 17den JUNI 1878. 



Tegenwoordig de beeren c. w. opzoomer, voorzitter, 

C. LEEMANS, W. O. BRILL, W. HOLL, J. DI&KS, W. J. KNOOP, 
W. C. MEES, N. BEETS, B. J. LINTELO DE GEER, A. KUENEN, 
J. P. SIX, S. A. NABEB., TH BORRET, C. M. FBANCKEN, J. A. FBUIN, 
M. J. DE GOEJE, C. YOSMAER, J. P. N. LAND, J. G. R. ACquOY, 
J. G. DE HOOP SCHEFFER, M. F. A. G. CAMPBELL, P. DE JONG, 

P. J. oosiJN, A. A. DE PINTO en J. C. G. BOOT, secretaris. 



Do heer de Wal zendt bericht, dat h^ door ongesteldheid 
verhinderd wordt de vergadering bg te wonen. 



De voorzitter leest een Latgnschen brief voor van den heer 
D. Carutti te Rome, inhoudende dankbetuiging voor zijne 
benoeming tot buitenlandsch lid, en de secretaris een gelgk- 
soortigen brief van den heer Th. Nöldeke te Straatsburg. 



Door den heer J. A. C. van Heusde te 's Gravenhage is 
zgn geschrift L'améthyste signée Dalion, la Haye 1878 en 
door den heer D. Carutti zgn toespraak, getiteld Dies IX 
mensis Januarii met de Italiaansche vertaling van A. Fiorini, 
Livomo 1878 en eene ode Liberi voti, Roma 1878 voorde 
boekerg aangeboden. 



YBBSI.. BH MXDKD. ATD. LBTTEBK. 3de BE1K8. OBBL VIII. 6 



( 82) 

De voorzitter deelt mede, dat het bestuur der afdeeling 
besloten heeft aan de zusterafdeeling op het schreven van 
haren secretaris van 14 April 11. te antwoorden, dat deze 
afdeeling geene uitbreiding yan het aantal der buitenland- 
sche leden verlangt, en ongaarne zoude zien dat in dit op- 
zicht de gelgkheid tusschen de beide afdeelingen der Aka^ 
demie werd opgeheven. Zgn voorstel om in dien geest aan 
de zusterafdeeling te antwoorden wordt goedgekeurd. 



Hierop voert de heer Beets het woord over gedichten van 
Anna Boemer Yisschers. Het aantal van hare uitgegeven 
gedichten is niet groot, maar kan vermeerderd worden door 
twee gedichten, die met den weerklank van Constantin 
Huygens, onder diens gedichten van 1619 in handschrift XL 
dezer Akademie door den spreker gevonden z^n, en met 
een dertigtal in een handschrift van hare hand, dat uit Alk- 
maar afkomstig, thans het eigendom is van den heer Mr. 
W. J. Boyaards van den Ham, die het ten gebruike gaf aan 
den spreker. De heer Beets vestigt de aandacht op die 
onuitgegeven gedichten, deelt er eenige van mede, en geeft 
inlichtingen over vele anderen. 

Het medegedeelde geeft aan de beeren de Hoop Scheffer, 
Brill, Leemans en Dirks aanleiding tot enkele opmerkingen 
en zal in de Verslagen en Mededeelingen worden opgenomen« 



Vervolgens schetst de heer Borret den toestand den Chris- 
tenslavin in het heidensch huisgezin gedurende de eerste drie 
eeuwen. Hoewel zg somt^ds b. v. als nutrix veel invloed 
kon verkrijgen en zelfs haren jeugdigen meester of meesteres 
kon bekeeren, was haar toestand doorgaans beklagenswaardig. 
Z^ stond bloot aan mishandeling en werd 'menigmaal ont- 
eerd. In de kerk kon zg hooger staan dan hare meesteres, 
als die Christin was. De spreker deed opmerken, dat de 
namen servus, ancilla, libertus en liberta zelden op graven 
van Christenen voorkomen. 

Aan de daarop gevolgde discussie wordt door de beeren 



( 83 ) 

Moll, Francken, Land, Acquoy en den spreker deel genomen, 
en onder anderen de beweering van prof Laurent^ dat de 
yrgheid niet door het Christendom maar door het Germa- 
nisme bevorderd is, ter sprake gebracht en woderlegd. De 
spreker verklaart zich bereid deze bedrage, met eene teeke- 
ning voorzien, later voor de Verslagen en Mededeelingeu 
aan te bieden. 



De heer Boot biedt eene tweede bedrage over Johau van 
Vliet aan voor de Verslagen en Mededeelingen. Z^ zal aan 
de kommissie van redactie verzonden worden. 



Daar niemand verder het woord verlangt, sluit de voor- 
zitter de vergadering. 



6* 



GEWONE TER6ADERIN6 



DEB AFDEELINO 



TAAL-, LETTER., GESCHIEDKUNDIGE EN WIJSGEEEIGE 

WETENSCHAPPEN, 

GEHOUDEN DEN 9^«" SEPTEMBER 1878. 



♦fi«- 



Tegenwoordig de beeren: m. de yeiks, w. o. b&ill, j. de wal, 

W. J. KNOOP, W. C. HEE8, S. A. NABER, G. MEES AZ., H. KEEK, 
E. YE&WIJS, J. P. N. LAND, J. O. DE HOOP SCHEFFEK, J. O. K. ACqCOT, 

H. F. A. G. CAMPBELL, en j. c. G. BOOT, secretaris. 



Door de beeren Opzoomer, Leemans en Borret is bericht 
gezonden, dat z^' verhinderd worden de vergadering bg te 
wonen. 



Het oudste lid de beer M. de Vries belast zicb met de 
leiding der vergadering. 



Het Proces Verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en vastgesteld. 



De secretaris bericbt, dat voor de boekerg zgn ontvan- 
gen een exemplaar van het woordenboek op de dichtwerken 
van Bilderdgk door Mr. A. Bogaers, geschenk van diens 



( 85) 

dochter, en eenige brievea van geleerden nit de zeventiende 
eeuw, die vroeger aan het koninklgk Nederlandsch Instituut 
geschonken, tot heden aan de handschriften der Akademie 
ontbraken. Het z^n zes latgnsche en fransche brieven van 
André Bivet (1620—1638; aan Hendrik Reyneri, hoog- 
leeraar te Deventer en te Utrecht, één van J. G. Graevius 
aan Lamb. Velthusius (1663), één van Is. Gruterus aan 
denzelfden (1663), één van Gosewyn Hogers aan Graevius 
(1666), en twee getuigschriften van Graevius voor Frans 
Lentfring (1694 en 1695). Hierb^ is gevoegd eene nota 
van een lid van het Instituut. Naar het oordeel van den 
secretaris is de waarde der teruggevonden brieven zeer 
gering. 



De heer Kern biedt namens den heer Dr. S. Warren, 
conrector aan 't Gymnasium te Zwolle, een stuk aan voor 
de werken der afdeeling. Het is eene Upanga der Jainamet 
inleiding, aanteekeningen en glossarium. De verhandeling 
wordt; in handen gesteld van de beeren Kern en Naber, om 
de afdeeling voor te lichten over hare waarde. 



De secretaris deelt twee latgnsche brieven mede van 
H. C. Gras en van B. Voorda, die behooren tot eene ver- 
zameling van brieven van onderscheiden geleerde landge- 
noten aan Daniel Wgttenbach, welke vroeger eigendom 
waren van den hoogleeraar W. L. Mahne, daarna van 
Mr. L. C. Lusac, nu aan den spreker toebehooren. Bavius 
Voorda dankzeggend voor een present exemplaar der Selecta 
principum historicorum, deelt in een schrgven van 14 Nov. 
1795 zgne gedachten mede over de methode der studie van 
het Grieksch voor hen, die geene literatoren z^n. Cras 
schreef zgn brief 14 Mei 1798, nadat de regeering van 
Amsterdam hem als hoogleeraar in de rechten had 
ontslagen. 

Beide brieven worden met belangstelling aangehoord, 
vooral de laatste, en op voorstel van den voorzitter wordi 



(86) 

de heer Boot uifcgenoodigd dieu brief van Cras met een 
woord van iBleiding ie voorzien en in de Verslagen en 
Mededeelingen openbaar te maken. Hy belooft daaraan ie 
znllen voldoen. 



De heer Brill spreekt over een tweetal traktaten, die, in 
den leeftgd van Graaf Floris V gesloten, aan ernstige be- 
denkingen onderhevig zgn. Het eene is dat van 1256 tas- 
sehen Floris den Voogd, broeder van den Boomsch koning 
Willem II van Holland en oom van den nog niet twee- 
jarigen Floris, en Margaretha van Vlaanderen gesloten. 

Dit traktaat wordt als zeer ongunstig voor de belangen 
van het Grafel^k huis van Holland, en voor Holland met 
Zeeland zelf, door Kluit en te Water afgekeurd, en Bilder- 
dgk noemt het een gru weis tuk, waarmede weinig misdaden 
in atrociteit gelgkgesteld kunnen worden. Intusschen om 
het juist te beoordeelen, moeten wg ons den toestand van 
Holland in dit tgdsgewricht naar waarheid voorstellen. De 
dood van Willem II, geen rechtstreekschen er%enaam dan 
een jong kind nalatend, liet Holland aan de genade van 
Vlaanderen over, met de Gravin van welk gewest een on- 
verzoenlgke oorlog gevoerd was. De edelen konden zich 
niets meer beloven van de gehoopte landaanwinningen van 
den gesneuvelden Vorst, en de steden waren licht met te 
verleeuen handelsvoorrechten door Vlaanderen te winnen. 
Het eenige middel om Holland en Zeeland voor de aanma- 
tiging van Gravin Margaretha van Vlaanderen en haren 
thans alles vermogenden invloed en daarmede Hollands en 
Zeelands zelfstandigheid te bewaren, was bligkbaar dit, dat 
het Vlaamsche huis in het behoud van die zelfstandigheid 
zyn belang en voordeel zien kon. Dit doel nu werd inder- 
daad bereikt door dat traktaat, hetwelk huwelgken beraamde 
van Floris den Voogd en van het grafelijke kind, elk met 
eene Vlaamsche princes. Zoodoende zou Vlaanderen in de 
heerschers van Holland en Zeeland tierende loten zien van 
het grafel^k Huis en den bloei onzer Graafschappen niet 



( 87 ) 

willen benadeelen om geene schade te doeu aan den roem 
en de belangen van naverwante Vorstinnen en Vorsten. 
Ten einde deze Toor Holland en Zeeland wenschelgke uit- 
komst te verkregen, moest Vlaanderens voornaamste eisch, 
met name de erkenning van Vlaanderens opperleenheerschap 
over Zeeland, worden toegestaan. Dit geschiedde dan ook; 
zelfs over Zeeland Beoosterschelde werd Vlaanderens leen- 
heerschap erkend, en Floris de Voogd werd met Zeeland 
Bewesterschelde beleend. Bij die erkenning echter behield 
de Graaf van Zeeland natuurlgk in allen deele de vr^e 
hand, en leed de onafhankelgkheid van den landzaat geene 
schade. Alles wel overwogen, komt het traktaat zelfe zoo 
voordeelig voor, dat men een machtigen invloed vermoedt, 
die de zaak dus voor Holland deed uitvallen, en naar dien 
invloed behoeven w^ niet lang te zoeken. Het was die 
van den koning van Frankr^k^ Lodew^k IX. Deze was als 
bemiddelaar opgetreden, en daar de koning van Frankr^k 
belang had bg het bezit van een bondgenoot in den 
rug der Zuid-Nederlandsche Vorsten, die hem licht te 
machtig waren, zoo liet het zich verwachten, dat hg Hol- 
lands zelfstandigheid en onafhankelgkheid gehandhaafd 
wilde zien. 

Het andere traktaat is dat van 1281, door Floris V met 
Eduard I van Engeland gesloten. ^Bg dat traktaat wordt 
een huwelgk beraamd tusschen het jonge dochtertje van den 
Graaf van Holland en Zeeland en den Engelschen kroon- 
prins Alfonsus. Deze zou in het Graafschap opvolgen niet 
alleen, maar dadelgk na zijn huwelgk zou hg in de helft 
van Holland, ter keuze van den koning van Engeland, als 
Graaf gehuldigd worden, trouwens behoudens de wetten en 
gewoonteu des lands. Toen kort na het aangaan dezer 
overeenkomst den Graaf een zoon was geboren, werd het 
traktaat gewgzigd. Maar de verplichting, door welke Floris 
zich aan den koning van Engeland verbond, bleef even 
nauw: immers beloofde hy, met verpanding van al zgn 
goed en dat zgner onderdanen, ja, van zgn eigen deelge« 
nootschap aan de genademiddelen der kerk, dat hg zgnen 
zoon, zeven jaren oud geworden, naar Engeland aan Eduards 



( 88) 

hof zou zenden. Dus gaf h^' zgn eigen kind als ggzel; 
zgner trouw in de hand van een vreemd koning. — Wat 
mag hem daartoe bewogen hebben? Z^ne staatkunde, de 
resultaten van zgn regeeringsbeleid, zgn leven en het lot 
der zgnen werden onophoudel^k bedreigd door de edelen, 
met welke hy zgn leven lang in min of meer openl^ken 
staat van onmin en oorlog verkeerd heeft. Dus kwam het 
er op aan, zoodanige bepalingen te treffen, dat de edelen 
inzagen, dat er met 's Graven dood en met den ondergang 
van z^n huis niets gewonnen zou worden; want dat het 
lot der zgnen en de voortzetting zgner staatkunde naz.gnen 
dood onmiddellgk door een machtig koning zoude worden 
verzekerd en gehandhaafd. Voor een Vorst, die het werk 
van zgn leven lief had en het hoogst belang der xnaat- 
schappg zgner staten beoogde^ en die de vrucht van dat 
zgn werk tegen alle vgandelgke aanslagen en ongunstige 
kansen verzekerd wilde zien, was die enge aansluiting aan 
Engeland voor dien tgd de eenige weg, en gerust kon Floris 
zich tot alles verbinden en beloven zich zelfs het ergste te 
laten welgevallen, daar hg immers geen ander voornemen 
had dan beloften te houden, van wier vervulling alles wat 
hg bedoelde en wenschte, afhing. 

De beer de Vries voert ter verdediging van het traktaat 
van 1256 ook de werking van het leenrecht aan. Zee- 
land Beoosten-schelde won er bg een machtig leenheer 
te verkrggen. Het was een wettig en meermalen gebezigd 
middel. 

De heer Brill acht het door zgn geacht medelid gezegde 
volkomen juist. Hg zegt nader, dat zgn bedunkens de vasal 
in de belangen zgner onderdanen en in de vervulling der 
taak, die ieder Christen vorst zich opgedr^en zag, een hoo- 
geren plicht kende, dan dien het leen verbond hem voor- 
schreef In allen gevalle het Godsoordeel, dat is hier het 
oorlogsrecht, mocht hg tegen zgnen leenheer inroepen. Zulks 
mocht zelfs de gewone edelman tegen een machtig Vorst. 
Zoo zien wg den Heer van Euik, wiens voorzaten ander- 
halve eeuw vroeger vasallen van don graaf van Holland ge- 
worden waren, graaf Floris den oorlog verklaien, daar hj 



( Ö9 ) 

met open vizier tegen hem wilde optreden, en niet als de 
andere edelen verraderlgk tegen hem samenspannen. 



Door den heer E. Verwgs wordt een exemplaar z^ner 
uitgaaf van Jacob van Maerlant's Natnren bloeme, Gronin- 
gen 1878 en door den heer Acqaoy worden drie boekwerken 
voor de boeker^ aangeboden. Nadat hen daarvoor dank ge- 
zegd is, wordt, . daar niemand verder het woord verlangt, de 
vergadering gesloten. 



HENRICI CONSTANÏINI CRAS 



KPISTOLA AD 



DANIELEM WYÏTENBACHIÜM, 



CITII PBAfcFATIOMK 



lOANNIS CORNELII ÖERARDI BOOTU. 



Plures epistolae latinae doctoram BataToram ad Dan. 
Wyitenbachiam ab eius uxore superstite donatae sunt Gui- 
lielmo Leonardo Mahnio, defuncti discipulo amantissimo. 
Hoc yita fancto triginta sex pervenerant ad Lad. Casp. 
Lnsacium, ex cuius libris MSS. eas mihi comparavi. In 
iis sunt tres, quas Mahnius editione dignas iudicavit et 
edidit in Supplementis ad epistolas D. Ruhnkenii et D. 
Wyttenbachii, L. B. 1847, p. 58—63, p 72 sq,, p. 
111 — 114. Bene factum; hoc unum dolemus, quod édito- 
ns culpa epistolae Crassi et Boschii, maxime yero lougio- 
res et graviores litterae Meinardi Tydemanni mendose typis 
descriptae sunt. 

Beliquae sunt ineditae. Quas quum nuper relegerem, e 
duabus Crassi epistolis alteram in meo sôrinio non diutias 
continendam existimavi. Itaque inde deprompsi eamque in 
conventu Ordinis litterarii Academiae disciplinarum recitayi. 



(91 ) 

Socii attente et libenter audiverunt meqne rogarunt atîllam 
epistolam ad eins, qui scripsit, famam apud posteros augen* 
dam in Actis Academiae öderem addita narratione eius rei, 
quae caasa fait cur scriberetur. Utriquc petitioni non invitas 
satisfaciam. 

Henricum Constantinum Grassum, universae iurispradentiae 
in illastri Athenaeo Amstelodamensi magistrum praestantis- 
simam, quam XXVII annos cam summa omnium bonorum 
et prudentium approbatione docuisset, decreto Senatus muni- 
cipalis muneribus remotum brevique post inducto priore 
decreto in integrum restitutum fuisse omnes sciunt, qui eius 
Orationem funebrem a Eempero habitam, vel Memoriam 
Crassi ab eodem scriptam^ et iussu tertiae classis Institiiti 
Begii editam legerunt. Sed quae Eemperus pro institutisai 
ratione breyiter attigit, plenius cognosci possunt es: Actis 
diumis senatus urbani anni MDCCXOYIII, quae prodierunt 
hoc titulo : Dagblad der vergaderingen van de administratieve 
municipaliteit van Amsterdam. Eerste stuk. Van den Ih^^^ 
Maart tot den 6^^ Jung 1798, ubi videantur p. 92 sq., 131, 
135 seqq., 163, 229, 268, 271 sq. Ex hoc fonte mea 
manabit narratio. Nam quid in conventibus Ordinis Profes- 
sorum ill. Atfaenaèi .ea de re actum sit ignoramus, quum 
acta illius temporis intercidisse videantur. 

Ultimi anni superioris saeculi in nostra patria turbis civi- 
libus et perpetuis rerum conversionibus agitati sunt. Post 
discessum Gubernatoris Septem regionum nihil stabile, omnia 
fluxa. Pleraque nutu vel iussu Gallorum, qui libertatem et 
aequalitatem populis pollicebantur, agebantur. Reipublicae 
Batavae, ut tunc vocabatur, statum inconstantem imitabantur 
singularum urbium regimina. 

Post alias res novas die XXII m. lanuarii conventas nati- 
onalis, qui rei publicae praeerat, sublatus est. In eius locum 
nova rerum administratio venit, cui praeerant quinque viri. 
Horum iussu medio mense Martio Amstelodami rescurandas 
novi homines receperunt. Hi statim quatuor viris sui ordi- 
nis mandarunt ut, quam primum fieri posset, omnium qui 
aliquo publico munere vel officio fungerentur, censum agerent 



(92) 

et de indignîs loco movendis ad senatam referrent. Prima 
relatio facta est die III m. Aprilis. Nomina triginia et 
unius civium, qui partibus Arausiacis vel factioni aristocra- 
ticae addicti erant yel fayere putabantnr, in indicem erant 
relata. Primo loco scriptum erat nomen Henrici Constan- 
tini Gras, professoris iuris et bibJiothecae urbis praefecti. 
Sequantur nomina hominum inferioris couditionis, in qaibas 
aeditui, nautae, viatores, praecones, quos socios habere malo- 
rum exigunm Crasso solatium esse debuit. Indicta causa 
omnes sine mora muneribus moti sunt. 

Hoc decretum vix innotuerat, quum vir amplissimus, qui 
tunc institutioni in republica Batava praefectus erat, Theo- 
doras van Eooten, se ei opponeret negans Crassum ab alio 
quam a se munere moveri posse, itaque postulans ut quod 
illegitime decretum in eum esset rescinderetur. Cuius rei 
Crassus certior factus decretum senatui remisit eo se teneri 
n^ans. At senatus mansit in sua sententia, recteque, ut 
nobis yidetur, apud quinque viros et apud Eootenium nihil 
a se in hac re factum esse défendit, quo fines suae potestatis 
egrederetur. Intercessio Eootenii non impedivit Crassicon- 
demnationem. Atque die XIX eiusdem mensis lectae sunt 
in curia decem epistolae, quibus plus quam treceuti cives 
nomina sua subscripserant, ut id quod actum erat in cau8a 
Crassi laudarent. Postremo in senatu recitatum est decretum 
quinque virorum, Hagae comitum die XXIV m. Aprilis fac- 
tum, quo confirmabatur Crassi remotio, etsi negabant esse 
factam a quo fieri debuisset. 

Quum sic indicium senatus ratum esset habitum, Crasso 
qui succederet erat quaerendus. Sed ex iis, qui iuris docendi 
provinciam suscipere potuissent, nemo inventus est, qui earn 
petere seilet; Kemperus nobis auctor est unum petiisse, cuius 
nulla ratio haberi posset (vid. Lykrede op Cras p. 16). Quis 
fuerit non traditur, neque operae pretium est obscuri hominis 
nomen e tenebris eruere. 

Quanto animo Crassus suam calamitatem tulerit quam 
aliunde norimus, tum apparet ex epistola ad Wyttenbachium, 
quam edituinis sum. Erant per plures annos familiaritate 



(93) 

iuncti, collegae, amici. Docet epistola Wyttenbachii ad 
Hieron. Boschium penultimae Parti Bibliothecae Criticae 
praefixa, in qua Crassi mentio fit honorifica quantusque vir 
sit liicalenter declarator p. XXII. Qui liber quum iam a 
paucis in manibus sumatur, iuvat ilium locum hie apponere : 
»Heur. Const. Cras eodem, quo ego, tempore privatus item 
»Leida Amstelodamum ad ornandam cathedram vocatus — 
»quae fortunae communio primo notitia uos, turn consuetu- 
»dine et amicitia conciliavit — ad lurisprudentiam docen- 
»dam duo magna afiferebat^ quibus eam et firmaret et oma- 
»ret, adiumenta; alterum, usum Ciceronis indeque ductam 
» latin ae orationis bonitatem, alterum, Philosophiae cognitio- 
»nem, ut inter principes lurisprudentiae et ad eius laudis 
» similitudinem pervenerit, quam Servie Sulpicio tribuit Cicero, 
»et eloquentiae assumserit tantum ut lurisprudentiam facile 
»tueretur, et artem adhibuerit omnium artium maximam, 
»quae doceret rem universam tribuere in partes, latentem 
»explicare interpretando, ambigua primum videre, deinde 
> distinguere, postremo habere regulam, quo vera et falsa 
»diiudicarentur, 'et quae quibus positis essent, quaeque non 
»essent consequentia. Hue accedebat comitas blanda et ser- 
»mocinatrix, ut et vulgo libenter andiretur^ et perspicue in- 
» telligeuterque docendo in discentium animos facile influe- 
»ret; unde factum est ut cum sua ipse fama, tum discipn- 
» lorum habitis editisque disputationibus, Athenaeum nostrum 
» celebraret." 

lUuc, unde abii, redeo. Quamdiu iidem viri ad clavum 
rei publicae sedebant et non diversi generis homines res 
urbanas moderabantur, nulla spes erat fore ut decretum 
rescinderetur. Quum autem die XII m. Junii quinquevi- 
ratus esset sublatus et rei publicae admistratio aliis ho- 
minibus commissa, facile poterat praevideri non diu Cras- 
sum privatum hominem esse futurum. Die ultimo eius 
mensis decretum summotionis rescissum est, tanquam illegi- 
time et sine insta causa factum, et Crassus muneri suo 
redditus; idque in curia urbis die III m. Jnlii lectum et 
uullo refragaute comprobatum est. (cf. Dagblad der ver- 



( 94 ) 

gadermgen Tan de mqnicïpalHrit wma Amsterdam. Eenie 
Stuk. Van den 13^ Jnng tot den 28'««> September 1798, 
p. 102). 

Explicata epistolae scribendae occasionef ipea pioferator: 



* Henricos ConstantinnB Cras, 

in Âthenaeo illustri quondam Professor juris, 

8- P. D. 

Danieli Wgtienbachio, Viro Cl. 
in eodem Athenaeo litteiamm Graecanim Latinanunque 

cum maxime Professori. 

Eqnidem non dnbito, praeclare Wgttenbachi, qoin nnper- 
rimns mens casus tam tibi molestus, quam omnibus inopi- 
natus acciderit. Omnes enim ut iniuria munere meo me 
deiectum, ita continuo communibus discipulis noetris atqne 
Athenaeo restitntum putabant. Quod vero ad molestiam 
attinet, quam amanter ad me scriptis litteris déclaras meam 
tibi calamitatem afferre« profecto a multis inde annis tna 
erga me Toluntas atque amicitia satis mihi cognita perspec- 
taque est. Verum tu quoque Athenaei caussa te dolere 
scribis: quod quidem tuum tauti viri judicium sanequam 
mihi honorificum duco. Omuino in hoc tete incommodo me 
maxime scilieet consolatnr, quod perspicio apud eximios 
juTenes, communes discipulos nostros, apud collegas meos, 
apud urbis huius amplissimae ciyes honestissimos nonnol- 
lum mei me desiderium relicturum esse. Ac discipuli qui- 
dem nostri, quantam exspectare maxïmam potui, tantam 
niihi in me tueudo voluntetem, suumque in me amo- 
rem baud vulgarem probarunt: quorum carte, ingenue &- 
teor, gratiora muite mihi studia, quam inimicorum odia 
acerba accidisse. Quod yero Tu quoque. Vir eximie^ in hisce 
rebus aut peculiarem mihi operam tuam, aut oonjunctam colle- 
garum offers, ùyàa Tu quidem quam liberalissime, et ex abun- 
dantia quadam amoris ac benigno de mea diligentia, insti- 
tutione, omnique disciplina judicio; neque ^o novi quem- 



(95 ) 

qaanii coi me magis officiis in hac re devinctum yelim. Omnino 
nisi mihi, qui patriae amantissimus et esse et numerari 
Yolo, ereptum meum munus esset^ in communi cura erndien- 
dae juventutis tradendisque disciplinis, quod fecimns, porro 
floreremns. At, quantum video, haec tota spes debilitata 
nunc fractaque est. Nam primum, si quos iiiimicos legum, 
judiciorum, libertatis, patriae, bonorum omnium ob eam 
rem amplexari, fovere atque osculari debeam, tali pretio 
afflictam fortunam meam redimere ego nolim. Deinde, an 
respublica nunc maxime teneatur ab iis civibus, qui banc 
potentiam, et aucboritatem suis summis meritis praestantis- 
simisque rebus gestis sint consecuti, equidem non dijudico. 
Qui tamen rerum potiti sunt, hi si quidquam mea caussa 
voluissent aut munere omnino meo non essem dejectns, aut 
ei quantocius restitutus. Itaque, ut verum fatear, circum- 
spectis rebus omnibus rationibusque subductis vix video, 
quomodo huic incommodo meo possit subvenir!. Neque enim 
tantummodo ea videntur parari atque impendere, quae cum 
universe omnem bonarum artium disciplinarumque rationem 
turn Athenaei nostri conditionem val de dubiam incertamque 
reddant, sed quod contra me ausus est magistratus munici- 
palis, id non tam attulisse meum mihi casum, quam matu- 
rasse potius videtur. Gerte quidem et salutem mihi et dig- 
nitatem quam maxime utramque servatam cupiebam : at 
uon minus certum erat, si opus esset delectu, salutem officio 
ac dignitati postponere. Non quod libenter careo munere 
meo, praesertim jam provectior aetate, qua uti penitus 
otiari nondum licet^ ita cetera tamen vitae degendae susti- 
nendaeque praesidia defluxerunt; sed quod minor honeste 
amittendi dolor est, quam retinendi inhoneste. Itaque ^o, 
qui propemodum 27 annos Athenaei nostri famae et decori, 
ac juventutis commodis omni modo inservii quam potui 
diligenter, qui semel in Trajectina, bis in Leidensi schola, 
atque anno etiamnum 1796, docendi amplissima munera 
recusavi, nunc banc injuriam reique familiaris naufiragia 
patienter feram, meamque posthac felicitatem in recte fac- 
torum conscientia, in consiliorum meorum bonestate, in 



96 

recordatîone officii, in litterarum studiis, in virtute deniqiie 
omnem unice positam existimabo. Tu yero, Wgttenbachi 
excellentissime, quod facis, constanter me ama, tnaque opent, 
labore, doctrina, ingenio praestantium litterarum decus et 
splendorem amplificare resque taas féliciter omnes i^ere 
perge. Vale. Dabam die 14 Maji 1798. 



DE CHRISTEN SLAVIN 

IN DIENST BIJ HEIDENSCHE MEESTEBS 
GEDURENDE DE EEBSTE DRIE EEUWEN. 

BIJDBAQB VAN 

TH. B O R B E T. 



Het is nu juist ygftig jaar geleden, dat de Deensche Or- 
densbisschop Friedrich Munter, onder den titel van Die 
Christin im heidnischen HarAse vor den Zeiten Constantins des 
Grossen *), eene verhandeling in het licht gaf, welke hg 
vroeger aan de Akademie van Wetenschappen te Kopenha- 
gen in de landstaal had voorgedragen f). Munter telde des- 
tgds onder de gverigste en bekwaamste oudheidkenners in 
het noorden van Europa, en was daarbg een der weinigen, 
welke aan de beoefening der klassieke archaeologie ook die 
der christelgke paarden. Op dit laatste gebied van weten- 
schap bewoog hg zich zelfs met voorliefde, en had hg, be- 
halve door zgne kerkhistorische werken §), ook door eenige 
monographiën in de Miscellanea Hafniensia of in de Hande- 
lingen der Eopenhaagsche Akademie, en niet het minst door 
zgne Sinnbilder und KunstvorsteUungen der alten Christen **), 



*) Kopenhagen, 1888. 

t) Chrittindên i dei Hedenake kuut fhr Conttamtin den Stores tider, in het derde 
Deel Tan de Sel. hist, og pkU. Sir, p. 855—412. 

§) Primordia ecclesiae Africanae, Hath. 1829. 4. — Geseh, der Einfnhrnng des 
Christenthums in Dänemark u, Norwegen, Leipz. 1823. — Kirchengeseh. von Dan, 
u. Norw. 8 tbl. Kopenh. 1826. 

••) Altena, 1825. 4. 
VnSL. BN mCOKD. ATO. LETTSRK. 2de BKKK8. DBIL VIII. 7 



( 98) 

een welverdienden naam verworven. Ter uitbreiding en vol- 
making zyner oudheidkundige studiën onderhield Munter 
voortdurend wetenschappelgke betrekkingen met eenige ge- 
leerden in Italië, en vooral met Romeinsche archaeologen, 
waaronder ik hier slechts als de twee beroemdsten, Gaetano 
Marini, den bekenden uitgever der Papiri diploniatici^ en 
den Augustiner pater Agostino Antonio Georgi, wil noemen. 
Wat me;ïr bijzouder dezen laatsten betreft, aan wien de 
studie der kerkelijke Oudheid en de kennis der Coptische 
taal zoove3l verschuldigd zijn herinner ik mg, tgdens mijn 
vierjarig verblyf in Italië, menig spoor der wederzgdsche 
brief wisseliiig tus^chen den Romeinschen kloosterling en den 
öeelandsehen kerkvorst*), zoowel in de Vaticana als in de 
Angelica, Ie hebben aangetroffen. Wat mg in de Brieven 
dezer elkander waardige mannen, buiten hunne hooge we- 
tenschappelijke verdienste, vooral aantrok, was de toon van 
vertrouwelgke toen:idering, die er bestendig in heerschte, 
en niet minder de urbaniteit en kieschheid van vormen, waar- 
mede deze twee studievrienden, door godsdienstige overtuiging 
en maatschappelgken stand zoo ver van elkander verwgderd, 
zich op het vreedzaaiu gebied der letteren de hand toereik- 
ten. Hetgeen mg vroeger menigmaal door mijn onvergete- 
Igken Mentor op klas.^',ken bodem, Hofman Peerlkamp, als 
het ideaal van wetenschappelgk verkeer tusschen geleerden 
van verschillende gezindte was voorgespiegeld en aangepre- 
zen, zou ik hier in het voorbeeld dezer twee roemwaardige 
vertegenwoordigers der wetenschap veraanschouwelijkt vinden. 
Tot een opzettelijk onderzoek over het leven der Christen 
vrouw in de omgeving van een nog Heidensch gezin gedu- 
rende het tg<lperk vóór Coiistantgn den Groote, had Munter 
zich opgewekt gevoeld door de eigenaardige belangstelling 
in een onderwerp, dat vóór hem weinig of niet de aandacht 
der oudheidkundigen had gelrokken, en toch allezins verdiende 
beter te worden gekend, wgl het op eene zeer belangrgke 
zgde van het huiselijk leven der eerste Christenen een ge- 



♦) Munter was 1 isschop van Sctlarid, Danebrop^er RidJer-Grootkiuis en ürdci:s. 
bisschop, alsmede Kanselier der Universiteit van Kopiuhageu. 



i 



( 99 ) 

wenscht licht kon afwerpen. Wel is waar ontveinsde zich 
de geleerde kerkvoogd de bezwaren niet, waarmede eene 
grondige navorsching hier zou gepaard gaan. Immers het 
huiselgk leven der Ouden verschilde in menig opzigt van 
het onze; en ofschoon de vrouwen, zoowel b^ de Grieken 
als bg de Romeinen, niet zóo volstrekt afgezonderd van de 
mannen leefden als in het Oosten^ ja zelfs, in de groote 
steden vooral, bij plegtige gelegenheden in het openbaar 
mogten verschgnen: was toch haar omgang en verkeer in 
huis grootendeels tot het familieleven beperkt, met eenige 
uitzonderingen nu en dan in de gezinnen der aanzienlgksten 
of rigksten. Maar daarin ligt juist de reden, waarom de 
christelgke schrgvers uit het tgdperk, wanneer het heidendom 
uog staatsgodsdienst was, slechts zelden aanleiding vonden, 
om de bedoelde toestanden te bespreken; terwgl ook hier 
niet mag worden voorbggezien, dat het getal der geschriften 
van christelgke auteurs uit genoemd tgdvak betrekkelgk 
gering is, en deze daarenboven zich doorgaans meer met 
dogmatische of apologetische vraagstukken inlaten, dan wel 
met de toepassing van de christelgke zedeleer op het dage- 
Igksch leven. De schier eenig vertrouwbare berigten, merkt 
Munter op, welko op dit veld van onderzoek ter onzer 
beschikking staan, zgn behalve eenige plaatsen in het Nieuw 
Testament, de niet zeer talrgke wenken en berigten van 
kerkvaders, vooral van Clemens van Alexandrie, TertuUiaan, 
Origenes en Cyprianus, alsmede eenige der oudste martelaars- 
akten; terwgl daarenboven hetgeen ons in het algemeen 
over het leven en de zeden der heidensche maatschappg uit 
bedoeld tgdperk bekend is^ ook in menig opzigt op het 
huiselgk verkeer der christenen eenig licht kan verspreiden *). 
De bezwaren, waarover Munter zich in zgn t\jd beklaagde, 
zien wg gelukkig in onze dagen, althans ten deele, vermin- 
derd of opgeheven. Nieuwe hulpbronnen hebben zich ook 
hier voor het onderzoek geopend, en de reeds vroeger be- 
staande zgn vlgtiger opgespoord en doelmatiger aangewend 



*) Cf. Munter, Die Christin, etc. S. 2. 



(100 ) 

geworden. Vooral heeft onze kennis van een dier toestanden 
in de heidensche maatschappg, welke meer bepaalde!^ hei 
door m^ bedoelde onderzoek raakt, de Slavemg namel^k in 
hare betrekking tot het Christendom, zeer yeel gewonnen 
door de historische nasporingen y an Wallon, Mohler, De 
Brogue, Von Hefele, Ed. Biot, Paul Allard, en anderen. Niet 
minder komt ook hier de Epigraphiek, vooral de chnstel^ke — 
wier meer systematische studie in de laatste dertig jaren 
door de werken van De Bossi, Le Blaut, Benier, Graracci, 
Henzen, enz. zooveel is vooruitgegaan — de uitnemendste 
diensten bewigzen. Ik wil trachten m^ dezen wetenschappe- 
Igken vooruitgang der christel^ke archaeologie ten nutte te 
maken bg de behandeling van het door m^ gekozen onder- 
werp, dat in de hoofdzaak met Müuter's voor z^n tgd zóo 
uitmuntend bewerkte verhandeling overeenkomt, doch hier 
door mg tot een veel minder uitgebreid veld van onderzoek 
zal worden beperkt. Munter immers had zich voorgenomen 
om de Christen vrouw uit het t^dperk vóór Constanten den 
Groote, voor te stellen in al de verschillende toestanden, 
waarin zig in het heidensch gezin harer omgeving kon voor- 
komen: als Maagd, als Verloofde of Bruid, als Echtgenoote 
of Huismoeder, en eindelgk als Dienstbare of Slavin. Daaren- 
tegen is m^ne bedoeling in deze kleine studie slechts de laatste 
dier levensphasen van de Christen vrouw te bespreken: het 
ligden en strgden der Christen Slavin nog in dienst bg heidensche 
mt^esters, gedurende het t^dvak der vervolgingen. En hoewel 
ik m^ niet mag vlegen, hier een betrekkel^k volledig over- 
zigt van deze belangwekkende episode uit het leven der eerste 
christenen te zullen geven, wil ik toch de pc^ng wagen, 
om een weinig den sluger op* te ligten, waarachter de Chris- 
ten anciUa in haar nederig en vergeten, meestal bitter en 
beproefd, maar aan God en hare pligten toegewgd leven, 
voor het oog der onverschillige of v^andige menigte bleef 
verbolgen; indien althans, wat vaak gebeurde, z^ niet ge- 
roepen werd, om in het openbare strgdperk op te treden, 
en dan, als heldin des geloofs en vrggemaakte in Christus, 
de getrouwe belgdenis van het Christendom met haar bloed 
u^ bezegelen. 



( 101 ) 

De Slaverng, gel^k ons de geschiedenis van al de oude 
volken, met uitzondering der Joden, leert, had haren oor- 
sprong en voortbestaan te danken aan de overtuiging, zelfs 
door groote wgsgeeren gedeeld '^), dat de Slaaf, van natuurs- 
wege een wezen is van lager orde, en ten gevolge zgner 
onedele en meer stoffelgke afkomst, door den Schepper of 
het Fatum tot die vernedering en dienstbaarheid werd be- 
stemd t). Tegen zoodanig specifiek onderscheid in het mensch - 
dom verzette zich het Christendom reeds b^ z^nen oorsprong, 
en trad ook in dit opzigt met eene geheel nieuwe leer in 
de wereld. Het verwierp uitdrukkel^k, als dwaling, de be- 
wering, dat de slaverng van sommigen eene eeuwige natuur- 
wet zou z^n, en verkondigde onbewimpeld, dat God de vader 
van alle menschen, zonder onderscheid van nationaliteit, van 
rang of kaste, is. In Christus, leerde Paulus, bestaat er 
geen verschil meer tusschen Griek of Jood, tusschen Heiden 
of Barbaar, tusschen slaven en vr^en ; maar aUen zgn in 
het Christendom één geworden en hebben gel^ke regten ver- 
kregen, w^l b^ God geen aanzien des persoons gelden kan §). 
Daarom was dan ook elk geloovige verpligt den tot Christus 
bekeerden Slaaf als een broeder te erkennen en te behande- 
len**); — eene vroeger ongehoorde leer, door den Apostel 
herhaaldelgk in z^ne brieven verkondigd, en die ten gevolge 
hebben moest, dat al bleef, óok onder de christenen, de 
bnrgerlgke verhouding tusschen vr^en en slaven nog voort- 
bestaan, toch het karakter der wederz^dsche betrekkingen 
een geheel ander, een veel menschel^ker, was geworden. 
Daarom vermaanden dan ook de eerste christenleeraars, wgl 
een volkomen opheffing der slavernij nog niet mogelgk was, 
de reeds geloovige Heeren, om hunne slaven te behandelen, 
als waren z^ geen slaven: der rekenschap indachtig, welko 
zÏQ zouden moeten afleggen aan een Heer, b^ wien er geen 



*) Cf. Krug, De Arisiotele servUtUis defemore» Lips. 1818. 
f) Cf. Ritter, Qe»ch, d, Fkihs. II, 450. 
§) Coloi». 8, II. Galai. 8, 28. 
♦♦) P^ilem. 16. Cf. 1 Cor. 7, 21, 22. 



( 102 ) 

aaniiemiag des persoons bestaat"^). Eu niet minder dmkten 
zij den Christen slaven den pligt op het hart, om aan hnnne 
meesters te gehoorzamen : aan de hardvochtigen niet min- 
der dan aan de weiwillenden f). Ofschoon derhalve door 
het Christendom geen regtstreeksche afschaffing der ala- 
verng werd gepredikt, waren toch de hervormende begin- 
selen verkondigd geworden, waaruit de opheffing der slavemg 
noodzakelgk voortvloeien zou. De erkende gelgkheid van 
allen voor God moest zich immers vroeg of laat in de ge- 
lijkheid van allen voor het Regt afspiegelen §). 

Aldus had de Christel^ke Kerk aan de slavemg haren 
theoretischen grondslag ontnomen, en haar, althans in be- 
ginsel, opgeheven in de geestelgke maatschappg, die z^ 
kwam vormen. Ja wat meer is, in haar geheel organisme 
en inwendige tucht werd de Eerk zelve eene baanbrekende 
en ten voorbeeld strekkende inrigting voor de toekomstige 
vrijheid in het burgerlek leven. Tronwens op haar eigen 
gebied liet z^ voortdurend blaken, dat bet haar ernst was 
met de zedel^ke hervorming, die z:g predikte, door de vol- 
ledige en ware gel^kheid van regten voor allen te begun- 
stigen. Met de leer te verkondigen en te handhaven dat 
in alle vraagstukken des gewetens geen andere wil, dan de 
wil Gods, moet worden gevolgd, had z^ een geheel nieuw 
vr^heids-idee in het leven geroepen, en zich een uitgestrekt 
gebied voorbehouden, aan de magt des Staats zoowel als 
aan den volkswil ontoegankel^k, waarop de Proletarier, de 
weerlooze vrouw, de slaaf zelfs, zich vrg en onafhankel^k 
gevoelde: aldus was de vrgheid des gewetens, en het vroe- 
ger zoo miskende regt der individualiteit door haar leer en 
voorbeeld in de maatschappel^ke orde opgenomen geworden. 
Meer vermögt de Eerk b^ haar eerste optreden en ontwik- 
keling niet te doen, wilde zg niet in de sfeer der toenma- 
lige burgerl^ke maatschappg met geweld ingrepen. Wel 



t) E/;^es. 6, 5-, (h/o*s 3, 22—25; Pftr. 2, 18. 

§) Cf. Hefele, Beiträge zur Kirchengeêch,^ Archäologie u, làiurgik, 1, 212 fg. 



( 103) 

b^unstigdo z^, waar zij slechts kou^ vooral bg hare lede- 
maten, de vr^lating der slaven en prees die als een werk 
van godsdienstige piëteit aan *) ; maar verder meende zg 
in dat eerste tijdperk niet te mogen gaan, en vermaande 
daarom tot gednid en onderwerping, zoo lang liet haar niet 
mogelgk scheen, om, zonder aanranding of gewelddadige 
bestrgding der toenmalige maatschappelijke orde, een toe- 
stand te verbeteren^ dien zg onverholen beklaagde en af- 
keurde. Bg dat alles ging de Kerk met veel omziglige 
wgsheid en onuitputtelgke langmoedigheid te werk, zouder 
de bestaande orde in hare grondvesten te schokkon of ge- 
weld en openbaar verzet in de hand te werken, en y,^ vergat 
nooit, dat het doel^ wat zg beoogde, minder door een op- 
zettelgk streven der christenen en hunne bisschoppen, dan 
wel door de langzame natuurlgke werking der in de hei- 
densche maatschappg ingedrongen christelgke beginselen, 
moest worden bereikt. »Het Christendom — zegt te rogt 
een onzer uitmantendste beoefenaars van kerkgeschiedenis — 
leerde wel nadrukkelgk dat slaven geenzins verwerpelgk 
waren voor God of de broederen, daar zg evenzeer voor- 
werpen der goddelijke genade waren als de overigen, eu 



*) Onder de grafschriftendoor Baldetti in zijne bekende Ottervaziotii êOfPa % ei m 'teri 
bewaard, Tond ik er een van een kind, bij welks ter aardebestelling de ouders, uit 
liefde {ob carilatem) voor hun dochtertje, zeven slaven vrij maakten : NOS, VII. 
MNOMISIMUS (*;>), p. 356. Op een sarkofaag, vermoedelijk uit het tijilperk 
vó6r Constantyn, ecuigc jaren geleden te Saloue ontdekt, staat in hjog-reliif de 
Goede Herder afgebeeld, aan wiens zijde twee echtgenootpn zyn geplaatst, omringd 
door een aantal mannen en vrouwen, van kleiner afmeting, die smeekend naar hen 
opzien. Edmond Le Blaut, de geleerde uitgever van de hiscnption^ ehret, de la 
Gaule antér. au rill titVie, ziel in deze smeekenden »les esclave» que chacun 
des deux époux avait affranchis en mourant, et qui semblent assister leurs Ames 
comparaissant devant Dieu.". (Cf Recue luchéol, févr. 1874). Dezelfde uitstekende 
cpigrnphist heef* in zijne gcnocmJe Ivscrip'ions dti fa Giui^e eene luenigtc voor- 
beelden van 'grafschriften aangehaald, waarop de vrijlating van slaven voorkomt 
(Cf. Il, 284—299), en o. a. een gedateerd epitaphiuui {Avieno V<ro clarissimo 
conMole), waarop zekere Aremberga een t\wdS ^r\}\9^hi pro redemption *m [tic) animae 
suae (II, num. 374). Dezelfde beweegreden van christelyke piëttit, waarvnn deze 
opschriften getuigen, vindt men nog in onze dagen terug in het vcizouk datecnige 
Russische officieren te Sebastopol aan hunne ouders deden, om, iügeval z\j sneu* 
velden, eenige door hen aangeduide lijfeigenen te ontslaan. Cf. R^vue des D, U, 
\ Avril 1874, p. 6?8. 



(104) 

liemieawd naar zgn beeld, geen dienstknechten of yrgea 
waren maar christenen — doch hetzelfde Christendom mùgjt 
de maatschappel^ke orde niet verbreken; het moest haai 
schragen en heiligen, en dit zou de Kerk niet gedaan heb- 
ben, indien zij niet zorgvuldig ware geweest"' *). Immers, 
gel^k Channing scherpzinnig heeft opgemerkt, indien het 
Evangelie hier het kwaad had verboden in plaats van het 
beginsel er van weg te nemen, indien het de onwettigheid 
der slavemg had verkondigd en den slaven had geleerd, 
om zich tegen de verdrukking met geweld te verzetten, 
dan ware op hetzelfde oogenblik de beschaafde wereld in 
twee kampen van onverzoenbare v^anden verdeeld gewor- 
den, en de pre.Eking des Evangelies zou het signaal van 
den burgeroorlog geweest zgn f). Ongetwgfeld zou de 
Kerk dien weg hebben ingeslagen, als z^ een werktuig ge- 
weest ware niet van bekeering en hervorming, maar van 
revolutie. Doch zg begreep beter haren pligt en hare 
roeping; en terw^l zg nooit het lot der in Christus vrgge- 
maakten uit het oog verloor, verkoos zg toch liever om 
allengs en trapsgewgze door haren zedel^ken invloed de 
maatschappg te reinigen en te verbeteren, dan de grond- 
slagen der toenmalige wereldorde met geweld te vernie- 
tigen : disponens omnia suaviter^ et fortiter attingens a fine 
usque ad finem §). 

IntuBschen was voor de slaven op godsdienstig en zede- 
l^k gebied door het Christendom als eene nieuwe levens- 
bron geopend. Wat wonder, dat deze door de heidensche 
beschaving en wetten zoo diep verongelukte klasse van 
menschen, welke Plinius niet ten onregte die der despe^ 
rantes noemde **)j met hoop en geestdrift in de christelgke 
leerstellingen en beloften het afgebeden redmiddel zocht, 
om zich uit hare naamlooze ellende en zedelgk verval te 



*)Vf. MoU, Oeteh. pan hei kerkel^k /even der eerste Christenen gedurende dé 
»es eerste eeuwen, I, 305. 

f) Ciiauning, Tie VEsetavage^ etc. p. 109. 

S) Cf, Sap, 8, l. 

••; Plin. Bist. nat. XVIII. 7, 8C. 



( 105) 

verlossen en te verheffen? De geschiedenis van de vroegste 
verbreiding des Christendoms levert dan ook hiervan het 
onmiskenbaar bewys. Want hoewel de jongste ontdekkin- 
gen op het gebied der christelyke archaeologie, vooral te 
Rome, het getal der aanzienleken en vermogenden, die in 
het tgdvak vóór Constanten zich tot het Christendom be« 
keerden, als veel grooter hebben doen kennen, dan wel 
vroeger vrg algemeen, en zelfs nog in onze dagen door som- 
migen is beweerd *) ; toch kan het niet worden geloochend, 
dat de Kerk, bg hare eerste ontwikkeling en. verspreiding 
ook onder den nederigen slavenstand eene menigte van 
getrouwe aanhangers vond. Wat meer is: zóo ernstig was 
het der Kerk gemeend met de zedelgke rehabilitatie, die zg 
op haar gebied ook aan dezen onder hare leden waar- 
borgde, dat zg menigmaal niet schroomde, om uit die ver- 
worpelingen der toenmalige beschaving en wereldwgsheid, 
de bedienaren van haar heiligdom, ja zelfs de hoogste ge- 
zagvoerders in hare geestelgke hiërarchie — men denke slechts 
aan Paus Callistus (217—222) — te gaan kiezen. Elk tot 
ChristuEK bekeerde slaaf was dus zeker, dat hg, in de ge- 
meenschap der Kerk opgenomen, onmiddellgk in alle voor- 
r^ten en weldaden zou deelen van die zedelgke verheffing 
en broederlgke gelgkstelling, welke in de welsprekende ge- 



*) De jongste ontdekkingen in de Cfttacomben te Rome, door De Rossi iii z^ne 
Roma totterranea of in het BufleUino di archeologia criatiana beschreven, hebben 
met monumentale zekerheid de waarheid bevestigd van hetgeen Easebius verhaalt 
{B, E. r, 21), hoe ten tQde van Commodna (180—192) het Christendom te Rome 
dermate in bloei toenam, dat een aantal der edelste familiën met al hare leden 
tot de Kerk overgingen; aan welk berigt zich de verzekering van Terttilliaan 
aansluit, dat vooral sedert de regering van Septimins Sever us (198— 211) Christenen 
nit senatorische geslachten niet zeldzaam meer waren, zoodat de Heidenen begonnen 
te klagen : Omnem dignitatem tramgredi ad nomen christianum, en hijzelf aan den 
Afiricaanschen proconsul Scapula (omtrent 207) kon schreven, dat de (Christenen 
de pari pene maior eioilatie eniuique uitmaakten (Cf. Tert. Ad Seap. 2 et 4). Teregt 
zegt hierover De Bossi: Le iscrieioni dei nosiri cemeteri, neue quali sono venuto 
e vengo rieonoecendo nomi e genealogie delle piü illuitri famigiie della romana 
ariitoeraeia, segnalamenia tra ii teeoio t^eondo ed il terto, non ei revelano un 
faite inetpetiaio, ma pongono il suggello della ieetimonianta monumentale aUe 
noÜMte forniteei dagli terittori erietiani eoniemporanei e dagli ttoriei. Cf. Buil, 
IV, 24. Ik hoop later gelegenheid te vinden om deze voor de oude kerkgeschie- 
denis zoo belangi^ke rcraUaten der christelijke srchaeologie nader toe te lichten^ 



{ 106 ) 

tuigenis yan Lactautius hare uitdrakkiQg vond: Nemo Dro 
pauper est, nisi qui iustitia indiyet; nemo apud nos claris 
simtuf^ nisi qui opera misericordiae largiter fecerit; inier 
servos et dominos interest nihil: nee alia causa est cur nc^tit 
invicem fratrum nomen impertiamus^ nisi quia pares «*«' 
nos credimus *). 



Gelgk bekend is, was in de oude wereld, vooral te Rome^ 
het getal slaven in de huizen der aanzienleken of rgken, 
zoo groot, dat men zich in onze moderne toestanden naauv- 
l^ks daarvan een juist denkbeeld kan vormen. Het kon 
wel niet uitblgven of onder zulk een uitgebreid dienstper- 
soneel moesten zich meerdere tot het Christendom bekeerde 
slaven bevinden. En ofschoon te Rome het getal der man- 
nelgke dienstboden mefc een vijfde deel dat der vroawelgke 
overtrof, zullen toch ook Christen slavinnen in dienst bij 
heidensche meesters geene zeldzaamheid geweest z^n. Im- 
mers, dat onder deze nederige vrouwen een groot aantal 
het Evangelie omhelsden, blgkt niet alleen uit de getuige- 
nissen daaromtrent der kerkel:gke schr^vers, maar ook uit 
het telkens b^ de toenmalige bestrgders van het Christen- 
dom terugkeerend verwet : dat het eene leer verkondigde, 
die alleen geschikt was voor onbeschaafd gepeupel of voor de 
zwakke en ligtgeloovige sekse: mulieribus credvlis sexus sui 
facilitate labentibus^ g^l^k de beiden Caecilius bg Minutius 
Felix zich uitdnikt t) ; waarom de Epicurist Celsus het Christen- 
dom een godsdienst voor ayerveig, ardcanoSa, ywuixeg 
en naidàQia noemde §). Ook laat het zich denken^ dat 
b^ den voortdurenden aanvoer van slaven uit het Oosten, 
vooral uit Syrië en Klein-Azië, zich menigmaal daaronder 
slavinnen bevonden, die zich reeds in haar vaderland tot het 
Christendom hadden bekeerd, of daar uit Christen ouders 



•) Lact, Divin. TnsHL V, 14. 
t) Minut. Felix, in Oetav 9. 
\) Cf. Origen. e. Celt. Ill, 6. 



(107 ) 

waren geboren. Deze konden op hare beurt onder hare 
huisgenooten nieuwe ledematen voor de Eerk aanwinnen, 
of althans het verlangen in hen opwekken om het Christen- 
dom te leeren kennen, gel^k we straks zullen kunnen op 
merken. Doch ook buiten 's huis vond de nog heidensche 
ancilla menigmaal gelegenheid om zonder veel argwaan op 
te wekken — de t^den van groote vervolging uitgezonderd 
— aan haar verlangen te voldoen, om in persoon met de 
Christenen en hunnen godsdienst in aanraking te komen. 
Z^ kon b. V., geiyk de anciUae^ van welke Plinius in z^n 
beroemden brief aan Trajanus spreekt '^), reeds in de 
vroegste ochtenduren, ante lucem^ de bgeenkomsten der 
Christenen bezoeken, en daar met Christen vrouwen of leeraars 
godsdienstige betrekkingen aanknoopen. En was haar dit 
niet, door bijzondere hinderpalen, veroorloofd, dan stond 
baar nog de to^ang open tot de gynaeceën f)) waar zich 
niet alleen priesteressen van Isis (langen tgd de lievelings- 
godin der romeinsche dames), of joodsche vrouwen en egyp« 
tische modemaaksters lieten vinden, maar waar zg ook ge- 
doopte jodinnen, Christelgke diakonessen of andere Christen 
vrouwen kon aantreffen. Zelfs was het niet onmogelgk, 
gelgk Munter heeft opgemerkt §), dat eene aanvankelgk 
onvolmaakte en onreine voorstelling der Christelgke leer de 
nieuwsgierigheid der naar zielenvrede zoekende Slavin op- 



*) Epiti. PHn. .^ ei Tr<y. 96, ed. Keil. De echtheid van den Brief van Plinins 
is onlangs op nieuw betwyfeld door Auhé,in tiine Hiêi, des fiersécufiom de PFp/ise 
jusqu*à la fin det Jxionini, maar door den geleerden oudheidkundige Gaston 
Boissier in de Remte arehéol. (févr. 1876) en in de Revue des 2). M, (16 avril 
1676) met nadruk verdedigd geworden. In dit jaar heeft de Revue des Questions 
kisittr. ( 1 juillet) daarover een uitvoerig opstel van Joseph Variot geleverd, dat ook 
na Boissier verdient gelezen te worden. Alommsen heeft in z^ne bekende Studie 
over Plinius de vraag der authenticiteit van den Brief aan Trajanus onaangeroerd 
gelaten, wat mjgns bedunkens een bewijs is, dat ook h^ aan de echtheid niet tw^felde. 

t) Oynaeeeum beteekende niet, gel^k bekend is, b^ de Romeinen hetzelfde als 
yiivacxclov by de Grieken, die aldus het voor de vrouwen alleen bestemde ge- 
deelte des huizes noemden. Te Rome was het Oynaeeeum de zaal of het kwar* 
tier, waar de slavinnen of vrouwen sponnen of weefden, enz, 

§) Munter, /. e, S. 12, 



( 108) 

wekte, en haar bij voortgezet onderzoek en beter onderrig- 
ting tot de ware Kerk bragt. Zoo konden b. y. de Gnos- 
tische vrouwen, die zich veelal met astrologische en magi- 
sche prakt^ken afgaven, en te Bome bg alle standen wisten 
in te dringen, in hare aanraking met het dienstpersoneel 
der aanzienlgke huizen, die zg bg voorkeur bezochten, ook 
voor menige ancüla de onbewuste wegbereidsters tot de 
waarheid worden. 

Was nu eenmaal de leer des Christendoms in het hart 
der Slavin doorgedrongen, en had zg aan de stem der 
genade gehoor gegeven, dan werd het ook menigmaal hare 
roeping, om voor hare huiselgke omgeving een werktnig 
van bekeering te worden, gelgk maar al te vaak hare hei- 
densche dienstgezellinnen een werktuig van zedenbederf 
waren. In dit opzigt mag hare medewerking en invloed, 
als een in 't verborgen werkende agent ter uitbreiding des 
Christendoms onder hare heidensche omgeving, niet gering 
worden geschat. Immers ook zg, de nederige en verachte dienfit- 
maagd, was een dier dysy^ roi) xóa/aovj een dier ê^ov- 
devfj/uévaj van welke Paulus verzekert dat God ze verko- 
ren had, om de magt en wereldwgsheid des heidendoms te 
beschamen en te vernietigen *). Hoe vaak zal zg er in 
geslaagd zgn om aan het hart en de overtuiging van hare 
medeslavinnen, ja zelfs van hare meesteres of van de doch- 
ters des huizes, den weg tot het Christendom te banen! 
Hetgeen daaromtrent de oude martelaars-akten van Ravenna 
verhalen over eene nog jeugdige maagd van edelen ge- 
slachte, Fusca genaamd, die door hare slavin Maura tot 
Christus gebragt, later met hare leermeesteres in het geloof 
den marteldood stierf t)i zal zich uit den aard der zaak in 
de bekeeringsgeschiedenis dier tgden meermalen hebben 
herhaald. 

Over den aard en de wgze waarop dit huiselgk aposto- 
laat door de Christen slavin ter verspreiding van de kennis 



•) 1 Cor. 1, 26-28. 

t) Cf. Aeia SS., Febr. II, 654. 



( 109 ) 

der Christelgke geloofs- en zedenleer onder hare heidensche 
omgeving kon worden uitgeoefend, bezitten w^ een aller- 
merkwaardigst berigt, ons door Origenes bewaard in z^n 
derde Boek tegen den Epicuristischen w^sgeer Celsus, den 
yinnigsten bestrgder en bespotter des Christendoms, dien de 
Oudheid kan aanwezen. Daarin ligt deze Voltaire der tweede 
eeuw, — met eeu v^andig doel, en niet zonder overdrgving, 
maar toch zeker, w^I Origenes hem niet tegenspreekt, in de 
hoofdzaak overeenkomstig de waarheid, — een weinig den 
8lu:ger op, waarachter die nederige verkondigsters van het 
Evangelie en hare discipelen verborgen bleven. 

Men vindt, zeide Celsus, in een aantal huizen, wolkam- 
mers, schoenmakers, wevers of vollers, het grofste en domste 
slag van menschen ter wereld, die geen mond durven te 
openen, zoolang zg in de tegenwoordigheid zgn van ver- 
standige lieden of huisvaders; maar oogenblikkel^k welspre- 
kend worden en wonderbaarlgk kunnen zwetsen, wanneer 
zg alleen zgn met de kinderen des huizes, of niemand als 
vrouwtjes, niet wgzer dan zg zelven, rondom zich hebben. 
Dan heet het: »6g moet ons meer gelooven dan uwe 
ouders en leermeesters ; want deze hebben zich het hoofd 
met allerlei valscbe denkbeelden en grillen gevuld. Van 
ons zult ge vernemen hoe gg leven en u gedragen moet; 
en als gg Uiiar ons wilt luisteren, zult ge met al de uwen 
gelukkig worden.'' Gebeurt het nu, dat onder dit gesnap 
een of ander verstandig mensch, een paedagoog of de vader 
zelf zich laat zien^ dan krggen die heldhaftige praters kip- 
pevel en zwggen oogenblikkelgk. Eenigen echter onder 
hen, die wat meer mans zgn, hitsen de kinderen aan om 
het juk hunner ouders af te werpen en blazen hun in 't 
oor, dat zg hun niets goeds of nuttigs konden leeren zoo- 
lang de vader of de leermeesters er bg waren, wgl zg 
vreesden door die ondeugende en dwaze menschen gestraft 
te worden. Verlanget! zg dus wat uitmnntends te weten, 
dan moeten zg maar hunne ouders en paedagogen hun 
gang laten gaan, en met de andere kinderen, hunne speel- 
genooten en de vrouwen, in de meidenkamer of in de schoen- 
makers- of vollers- werkplaats bgeen komen: daar zullen ze 



( 110) 

dan de volmaakte wgsheid hooren *). Door zulke propoos- 
ten, zegt Oelsus, verleiden zg hei jonge volkje. 

Op eene andere plaats spreekt dezelfde bestrgder des 
Christendoms met evenveel bgtenden spot van jonge dienst- 
maagden, die zich rondom eene bejaarde slavin verdringen, 
om zich van haar de verborgen geneugten der maagdelgke 
reinheid te hooren openbaren. Tevens noodigt h^ z^ne 
lezers uit, om de r^k-gestoffeerde gord^nen, welke de ver- 
trekken der matrone van het slavinnen-kwartier afsluiten, 
een weinig op te ligten, en dan te begluren, welke rol 
daar achter gespeeld wordt door de Christen nutrix bg de 
nog jonge kinderen of de reeds aankomende dochter des 
huizes t). 

Wat Celsus hier in z^n haat tegen het Christendom te 
lezen geeft, is ons op een voor* H minst gelgktgdig over- 
blyfsel der oude Glyptiek, eene fraai gesneden Gemme, 
veraanschouwel^kt gebleven. O&choon reeds in 1646 deel 
uitmakend van de beroemde verzameling van Pietro Stefa- 
noni te Vicenza §), schont z^ weinig de aandacht der 
oudheidkundigen te hebben getrokken — hoewel Lucas Hol- 
stein er in een brief aan Peiresc van had gewaagd **) — en 
werd voor 't eerst, zoo veel ik weet, door Müd ter op hare be 
langrgkheid voor de christel^ke archaeologie gewezen ft)- 
Deze Gemme biedt, mgns inziens, in hare beeldspraak zulk 
eene treffende illustratie van Celsus' satire, dat ik haar 



♦) Cf. Origen. e. CeU,, III, 50. 66. 
f) Cf. Origen. /. c §. 68. 

\) Gemmae antiquUuê tcutptae^ a Fetro Stephanonio Viceniiuo eolUcUe ^ 
dcolaraiionibus iilttUraiae, Venet. 1646. Tab. 80. 

••) Cf. Zueag Hohlenii epUtolae ad diwrêoi. Ed. lo. Fr. Boissonade Paris 18)7. 
p. 178. Holstein schont dest^ds niet te hebben vermoed, dat Stelanoni's Gemme 
▼oor de christelijke archaeologie van veel nnt kon zijn. Zooveel te juister ag 
hg in, dat hier de asinw pal/iaius geen voorstelling van L. Apnleius is, gelijk 
de uitgever beweerde, maar wel eene bespofling. in bccld»iiraak. fan het Chris- 
tendom. Hy was de eerste, meen ik, die ter verklaring der Gemme naar Ttr- 
tnlliaan's Apologeticus verwees, waarin deze werkelijk te vinden is, gelijk hier- 
onder uit onze aanmerkingen zal blijken. 

tt) Munter, /. «?. 8. 16. 



( m ) 

waardig acht, ook w^l zy uiioder algemeen bekend 
»client, om hier in eeue getrouwe kopie onder het oog der 
lezers te worden gebragt. 



Gelyk men ziet, is de hoofdfiguur op dit tafereeltje een 
met het pallium omhangen Ezel, die den kop en r^terpoot 
vooruitstekend, door houding en gebaar iemand nabootst, 
welke preekt of les geeft. Vlak T6<5r dien zonderlingen 
leermeester zyn twee vrouwen geplaatst, in het gewone 
Romeiusche ochtendgewaad gekleed, van welke de zittende, 
met ietwat aria toer atiacher uiterl^k dan de andere, de 
dochter des huizes of misschien de nog jeugdige matrone 
zelve zal moeten voorstellen, t«rwyl de achter haar staande, 
de nutriv of eene der ancillae kan vert^enwoordigeo. Beide 
schynen met gespannen aandacht uaar den spreker te luisteren. 

Be sleutel voor de verklaring dezer blikbaar symbolische 
Toorstelliug moet ongetw^feld in den hoofdpersoon, den 
aainm palliatus, worden gezocht. Wat kan de kunstenaar, 
of zgn lastgever, met die zonderlinge caricatuur van dien 
Ezel-paedagoog toch hebben bedoeld? 

Om deze vraag naar eisch te beantwoorden, vinden w^ 
de gewenschte voorlichting in een merkwaardig berigt van 
Tertulliaau. Deze toch verbaalt in zgn Apologeticut, dat 
te zgner tgd en te Carthago zelf, een berucht deugniet, 
die het Christendom zeer v^andig was, de stad met een schil- 
derij rondliep, waarop met het b^cbrift: devs chbisiiamokvu 



( 112 ) 

ONOKoiTis ^), de God der Christenen was a^ebeeld met 
ezelsooren, een boek in een zgner hoeyen vasthoudend, en 
met eene toga gekleed, Tertulliaan vo^ er bg, dat h^ den 
draak stak met de spotprent en haar legende : Risimus et n(m€h 



*) fn de handschriften van TertuIliaon'B Äpologetieus wordt ONOKOITIS cp 
verschillende wyzen gelezen. Oehler heeft daarvan in s^ne groote uitgave vu 
dit Boek eene gansche varianten- literatuur gezameld. (Cf. I, 181). Onder de ui* 
rijke lezingen, zoo als b. v. onochoisitit, oHonychites, onoeortUet^ onockoeUt, 
onocAoi/eSt onokoete» of anokoiiiit heeft deze laatste de meeste verdedigen ge- 
vonden. Havercamp citeert ten haren gunste de HBS. van Leiden en Fulda, €i 
den uitmuntenden Codex Agobard, (Cf. Apolog, p. 169, not. 164). Volgeni Passow 

zou dit ôvoxo^TiQÇ den zin hebben van »in de ezeUkrib liggend"; waaruit sommigen 
aanleiding nemen, om den oorsprong der fabel van den Ezels-cultus der ChristRieii 
in verband te brengen met het verhaal der Eyangeliën over den Ezel bnj deo 
intogt in Jeruzalem, en vooral met den legendarischen Os en Eiel bij de knlik 
te Bethlehem, gelgk o. a. in navolging van Buonaroti [Ouêrvai. p. 73), dcor 
De Linas in de Rnfue dg Vart, ehréi, (XIV, 122) is beweerd. Doeh wijl hw 
de bedoeling op den voorgrond stond, om het Christendom op de smadelQksteinjzc 

te verguizen en te hoonen, schijnt m\j de verklaring van ovoxoctdc door Big«)tiG5 
en Haverkamp vroeger gegeven {quati ex atino ei homine eoneepiui) de voorkear 
te verdienen ; te meer wyl b\j de Ouden de eoitut cum ûtino als het uiterste der 
zedelyke verworpenheid werd gekenmerkt (Juvenal. Soi, 6,334). Cf. Kram, Dat 
SpoUcrudßx vom Palatin» S. 22, waar deze geleerde met verwijzing op TertollLun'î 

woorden : U trat auribta asininis^ altera pede ungulatms, aan de variant ovó}fQA»;, 
met eze^t^hoejy de voorkenr geeft Maar hoe aannemel^k hier ook de afleiding op 

zich zelf zg, schynt my toch ovô^^^oç, als %eh\mp»oord op de schilder^ vu 

Carthago, minder doeltreffend dan.ôvoxocTvjc. De lezing eindel^k Tan ONOROIHTHI 
of ONOCOIBTES door Oehler aangenomen, en met asinariMê saeerdùi venaaJd, 

(door afleiding van ovoc eu van xocàaOac?), zou zeker met het oog op de Stcf«- 
nonische Gemme 'een zeer gevoegeiyken zin geven, maar is taalkundig slecht *t 
verdedigen. Toen ik ter beter inlichting hieromtrent de altoos beradraardige 
hnlp van m\jn geacht Medelid en vriend. Prof. Naber, inriep, werd ik door heic 

gewezen op den Thesaurus ydijk Stephanus, waarin men o.a. leest: xocôrat liesycbio« 

aßert pro itpàrtu^ forsnn a xonjç. Idem xoteo^aro, à^upû^eiTO, xoOupwffsrs 

Eodem enim auetore nobiç s, méinç dictur itptitç iMßiip^y b itaBaipt»* yoiia« 

pro fuo etiam xocoXnç. Ab Hear, Cohen : Saeerdos, ut plurss jum notanni. Viàf 

Bochart , Canaan I, 1 2. Waaruit bl^kt, dat xoiMffOai nooit een Oriekieb woord 
geweest, maar (welligt door afleiding van het Hebr Kohen)^ door een of ssder 
Jood verzonnen is. Hetgeen ook Havercamp heeft ingezien, toen hg in zij» 

aanteektuingen op den Apolog. 1. c. schreef: Verbum ovoxocnqc» qjuod l^ttsu 
Uteris [ONOKOITIS], ut mos olim deseriptoribus^ repraesentabaturt nmâquamilh 
sensu apud Oraeeos scriptores invenias ut foetum ex asino et aüc aniaie!* 
eoneeptum notet, sed quidem eoneumbentem asino ; . . . . sed tnoenUur timen äpi 

LXX Interprètes, qui voce xoirnjç pro prole saepius usi suni; unde explieai OrdM 
locum Fault ad Romanos IX, 10 .... Euno Hague Deum fieium ex kakUu corfcru 



( 113 ) 

et formam\ doch merkt er tevens snedig bij aan, dat de 
heidenen, die toch reeds hunne godheden bezitten met 
honden- en leeuwenkoppen, met bokkenhoorns, met vleugels 
en staarten, nu zeker wel storm zullen loopen, om ook dit 
numen Informe te komen aanbidden *), 

In een ander z^ner werken, het boek Ad Nationes komt 
TertuUiaan andermaal op den Onokoitis terug, en noemt 
daar als den auteur der godslasterlijke spotprent een ter 
kwade faam staanden Jood f) van Carthago, die zgn eigen 



qttan ôvoxocti}v dénotant teurra Judaeut^ turpi quati moeeha propnatum, In de hier 
saDgegeven beteekenia had dus gvoxoctyic in den mond van den Carthaagscben 
Jood ren allezins verklaarbaren zin en toepassing, waarom, gelijk gezegd is, mij 
hier de lezing ovoxoiiTJC boven ovoj^'koç of ovóxta'knc (Cf. L. Urlichs, Philohguê 
XVII, p. 830) verkieslijk schont. In allen gevalle kan xocaTOac, dnnkt m^, zelfs 
volgens Hesychins, den eenigen zegsman, dien Stephanns aanhaalt, nooit pßrehren 
beteekenen, gelijk door Oebler is beweerd, tenzij dit woord in '*t algemeen van elke 
prUtterlyke functie worde verstaan. 

Onder het afdrukken van deze bladz. vond ik, dat ook Be Rossi aan de le- 
zing ONOKOITIS — hg schrgft echter met sommigen ONOKOETKS — de 
voorkcnr geeft om dezelfde reden, die mij haar at.« de waarschgnlijkste in loco 
deed voorkomen. NeW edizione delV Oehier^ zegt hij, «f /«^^^ ONOKOIHTHZ: 
ma i eodici tutti »erivono il saitrico vocabolo eon lettere latine; e la relazione 
swa con la pHtura deteritta da Tertulliano mi f anno preferire VOnokoetef (anni 
eoUu genitn»), Cf. noma Sott. Ill, 853. 

*) Nova iam Dei nostri in itta proxima eivitale editio publieaia eet, er quo 
quidam fruêtrandii bettiiê mereenariua noxiun picturam propoeuit cum eiumnodi 
iHMeriptione: DEVS CHRISTI ANORVM ONOKOITIS. Is erat auribus asininie, 
aftero pede librum ffe$tana et togatue. Üisimus et nomen et/ormam. Sed Uli 
debebant adorare itatim biforme numen, quia et eanino et leonino eapite eom- 
miêtoê et de capro et de ariete eomutoe, et a lumàie hireoi et a eruriàus terpen- 
iee et a planta vel terqo alites deoe receperunt„.„ Hoe foreitan improbamur, quod 
inter euUoree omnium peeudum bestiarumque aeinarii tantum eumusl Jpol, c. 16. 
— Oehler heeft in igne aanmerkingen op TertuUiaan de juistheid aangetoond 
van diens zinspeling op de verschillende diergestalten der heidensche godheden. 
Zoo had b. v. Annbia een honden-, en Mithras een leeuwenkop. Horens droegen 
Ammon» Pan en de Satyren, welke laatsten ook nog bokkeopooten hadden. 
Gevleugeld waren Mercurins en de Dea Victoria. Serapis' gestalte eindigde 
ala een slang. Ofschoon nu deze godheden niet alle oorspronkelijk Romeiosche 
waren, werden ze tooh in Tertulliaan's tgd in het gansche Romeinsche rijk en 
Zelfs bgzonder te Rome vereerd. Daaruit blgkt hoe treffend Tertalliaan's repliek 
waa. Cf. Becker, Das Spott-Crueifix, etc. S. 24, en Oehler, /. e, BJ. I. 181. 

f) Zoowel de H. Jnstinus Mart. (Dial, cum Tryph, passim), als Origenes 
'e. Celsum 1, 6) en Tertnllianns {Ad nation, 1. c.) .getuigen, dat de Joden de 
eerste verspreiders van lasterlgke aantijgingen en beschnidigingen tegen de 
Christenen waren. Met het doel om den nieuwen godsdienst hatelijk en bespot- 

▼S98L. W lUOISD. AJTD. tJCTTf Ri(. 2<ie B£1C&S. PZKL Y lil. A 



( 114) 

godsdienst ontrouw was geworden: solo detrimente cit^ 
Judaeus *). Dat wg echter hier met geen oorspronkelgke 
vinding van dien boosaardigen spotter te doen hebben, 
blgkt uit Tertulliaan's eigen woorden, waarin hg bg d^i 
aanvang van hetzelfde hoofdstuk zgns Apologeticus de fabel van 
den Ezelskop als een vrg algemeenen volks waan doet kennen, 
waaraan de Carthaagsche Jood slechts eene plastische uit- 
drukking had gegeven. Immers hg verwgt daar aan de 
heidenen: Somnicutis caput adninum esse Deum nostrum \ 
welke woorden hunne bevestiging vinden in hetgeen een 
tgdgenoot van Tertulliaan, Minutius Felix in zgn Dialoog 
Octavius aan den nog ongeloovigen Caecilius tegen de 
Christenen laat inbrengen: Audio eos turpissimae pecudis 
caput a^sini consecratum inepta nesdo qua persuasione venerari. 
Digna etnata religio talihus moriius f). Daarna geeft TertuUianus 
den oorsprong van het ouolatrische sprookje aan, en noemt 
den geschiedschrgver Tacitus als eersten uitvinder of ver- 
spreider van die dwaasheid. Deze namelgk, in het vgfde boek 
zgner Historiën over de Joden sprekend, verhaalt, dat zg 
uit Egypte verdreven, en de dorre steppen van Arabië 



telgk te maken hadden sg naar alle provinciën van het Romeinache rgk man* 
nen afgexonden, die geschikt waren om hnnne boosaardige inxigten te diesen 
en overal den christelükcn naam aan de openbare verachting prgs te goven. 
Voor Syrië vindt men daaromtrent menige bgionderheid b|j Jnstiuus {DiaL €um 
Dypk. n. 17), voor Klein-Azie in den brief der Smyrnensers over de martelÏLf 
van den B. Poly carpus (n. 9), voor Griekenland bg Âthenagoras {Lepat. n. !S) 
voor Italië bij Dio (/. 67), voor Egypte bg Clemens van Alexandrie {Strom, 
VII, 1), en voor eenige streken van Afrika bg Amobias (I. 16). Cf. Mamachi, 
Oriç. ei antic, ehrist, I. 2. sq., en voor een kort maar zakelgk overxigt: 
Martigny, Diet, des Antiq. eArét, 2 ed. art. Calomnies, 

") Nee adeo nuper quidam perditiuimut t« iata eioitate, etiam tuae reli^iomis 
deserior aolo detrimento cutis Judaeus,,,,, pieturam in nos proposuit sué ista pro- 
seriptione: ONOKO£T£S. Is erat auriöus eanteriorum et in toga eumlibro^altero 

pede ungulato. Et eredidit vulgus Judaeo itaque in tola àmtate Onocoetes 

praedicatur, Tertullianns stoorde zich echter weinig, gelgk reeds bleek, aan den 
oogenblikkelgken bgval, dien de spotprent bij bet Carthaagsch gepeupel vond, 
maar werpt ook hier de beschimping aan de Heidenen teiug: >'ied et hoc, quam- 
quam hesternum et auctorUate temporis destitutum qI qualitate auctoris im/Srwtum, 
iiàenler exeipiam studio retorquendi. Sunt penes vos et eanimo capite et leonimc et 

de bove et de artete et hireo comuli dû plures Onocoetae penes vos depre- 

henduntur, TertuU. Ad nat, I. 14. 

t) Minut. Felix, Octûv. c. 'J. 



( 115 ) 

doorreizend, vreeselijk door dorst werden gekweld. Door 
wilde ezels, die zg volgden, ontdekten zg gelukkig eene 
bron. üit dankbaarheid hadden toen de Joden het beeld 
van dit dier voor heilig verklaard *). En wgl de christelgke 
godsdienst, in het oog der Heidenen zoo naauw verwant is 
aan dien der Joden, lag het voor de hand, meent Tertul- 
liaan, dat ook aan de Christenen de vereering van zoodanig 
beeld werd toegeschreven f)« Vervolgens toont hij aan hoe 
Tacitns, dien hg mendaciorum loquadssimua noemt, zich 
tegenspreekt, wgl hg in hetzelfde boek zgner Historiën, van 
de inneming van Jerusalem door Gn. Pompejus gewagend, 
verhaalt hoe deze veldheer in het bezoek dat hg aan den 
Tempel bragt, geen enkel beeld daarin had aangetroffen. 
Ia zgn geschrift Ad nationes komt Tertulliaan andermaal 
hierop terug en vraagt : Ubi ergo is deus fuerit ? ütique 
nusquam magis quam in temploy etc. §). Hieromtrent is door 
Becker opgemerkt **)^ dat Tertulliaan nog sterker Tacitus 
met zich zelven in tegenspraak zou hebben gebragt, indien hg 
hem gewezen had op zijne eigen getuigenis Hist V, 5 : 
Aegyptii pleraque animalia effigiesque compositas venerantur^ 
Judaei mente sola unumque numen intelligunt ; welke woor- 
den onmiddellijk volgen op het berigt over de aanbidding 
van den Ezels-kop. — Maar, vragen wg, zou Tacitus welligt 
aldus hebben geschreven, om te toonen, dat hgzelf aan het 
onolatrische sprookje geen geloof sloeg? Wat hiervan zg, 
zeker is het, dat Tertulliaan zich vergist met Tacitus als 
den eersten auteur of verspreider van dien laster aan te geven. 
Immers reeds vóór Tacitus had Âpion van Alexandrie, onder 
de regering van Caligula, de Joden van óvokur^ua be- 



*} De H. Ëpiphanius verhaalt dat de Gnostieken aan den God der Joden, 
den Sabaoth, een ezelskop gaven : a^t^^wKW iarûra ovou fiopfhv f;(oyrfli. 
Haeret. 26. 

f) Banc Cornelius Tacitus suspieûmem eiusmoäi inseruU. Ia tnim, etc ... 
Atque Ua inde praesum/dum opinor, nos quoque ut Juduieae rsHpionis propinquos 
eidem simulaero inUiari. Apoloff, c. 16. 

f ) TertoU. Ad nat, c. 11. 

•*) Becker, /. c. S. 28. 

8* 



( 116 } 

schuldigd, gelgk hij bg Flavius Josephus*) kon hebben gelezen. 
Ik mag hier niet onopgemerkt laten voorbiggaan, hoe de 
straks besprokene berigten van eeuige oude schrgvers over tien 
rol, dien de Ezel in de spot-symboliek der Heidenen speelde, 
allertreffendst zgn bevestigd en toegelicht, zoowel door eene 
voor weinige jaren te Rome ontdekte voorstelling van der- 
geleken aard, als door eenige opschriften te Pompei geTon- 
den t)- Ik bedoel vooreerst het beroemd geworden Graffito uit 
een der benedenvertrekken van het paedagogium der keizerlgke 
pages in het paleis der Caesars op den Palatgn, later in het 
Museum Earcherianum overgebragt. Daarop staat met rawe 
hand het beeld geteekend van een man, wiens lichaam in een 
ezelskop eindigt en die aan een kruis is gehecht. Naast of 



*) Cf. Flav. Jot., Conira Apion. II, 7; en Saidas, Lexie. in r. AopóxArroc, 

waar hQ Tan dezen geschiedschryver een Boek venneldt: flrpi lw9aUnß' c> 

w ffïiv* ore ;^vo^v ovou xc^a^viv irpoo'fxuvouv. x. r. \, 

f) Onder deze oude sclirijvert mist men CeUas, die nergens Tan de zoojcenaamde 
Onolairie der Christenen gewaagt. Hg was er denkelgk te verstaodifr toe. 
Welligt bad ook in Celsus' dagen het boosaardige sprookje reeds nitgediené. 
Althans na Tertuliiaan's afstraffing van den Carthaagschen Jood, hoort mea 
nergens meer gewagen van den OnoioUis; terwgl ook voor *t laatat de aanbid- 
ding Tan bet caput atininum door de Christenen, in den Oetaviuê Tan Miootzna 
Felix voorkomt, die geschreven werd in het tgdperk der Oordiani, d. i. in de 
eerste helft der derde eeuw. Opvallend is bierbg, dat zoowel het Palatijoache 
graffito als de Carthaagsche caricataur, beide ons in de regering Terplaatsea van 
Septimias Severus; aan welk tgdperk derhalve deze bespotting-symboliek tcges 
het Christendom eigenaardig zon geweest zgn. Niet lang geleden is een derde 
overblgfsel van den onolatrischen laster door De Rossi in een der galergen vee 
het Coemeierium Calliati ontdekt, waardoor dit vermoeden bgna zekerheid wordt. 
Hij vond namelijk op een Orafschrift de volgende aedamatw, wier stijl en for- 
malcering ons terugbrengt tot het tgdvak v66r den vrede der Kerk: 

IANVARIABËNEREFRIGERÂETR06AP 

RONOS. 

lanuaria bene réfrigéra et roga pro nos (sic). 

Boven deze woorden stond op den grafsteen met rawe trekken tosachen twee 
vaa»jes — vermoedelgk hier. met het volgend symbool, eene toespeling op de oUe- 
vazen en lampen der wgze maagden van de evangelische parabel — eene brandende 
lucema afgebeeld, wier bovenstuk eindigt in een menscheohoofd met êteleoarem. 
De Rossi ziet in deze voorstelling, synchronistisch met het PaUf^tueke grafUo 
en den Onokoiiit van Tertnlliaan, eene nieuwe proe?e van de eigenaardige wgzc 
om het Christendom te parodieeren, waarvan tot hiertoe slechts in of omstreeks 
het lijdvak van keizer Septimius Severns sporen werdeq aangetrofifen. Cf. Rûma 
iiatUr. UI, 854, en tav. XXYUI, %%. 



( 117 ) 

YÓor hem ziet men een persoon van kleiner gestalte, me^ de 
gewone huiselyke tunica bekleed, in de houding der bg de 
Romeinen gebruikelgke adoratioy en daaronder het veelbe- 
teekenend bgschriffc: 

AA£ 

ZAMENOC 
CEBETE 
eEON 

{^Xe^àfisyog atßevau f) Osbv). 
Alle geleerden van eenigen naam §) op het gebied der 



^) Op den muorwand van eeoe gan^, waario het hier bedoelde vertrek ait* 
komt, werd later het opschrift gevonden : 

CORINTHTS JBXIT BE PAEBAOOGIO 

waarnit de Fransche oodheidkaudige Fr. Leoormant meende te mogen besluiten, 
dat het gebouw self het paedagogium. was der aldaar opgevoede keizerlyke page», 
en dat de graffiii hnn werk waren. Dit vermoeden wordt bgna in zekerheid 
veranderd door andere ontdekte opschriften, waarin ua eigeonameo, zoo als 
JEWyc.ie#, Marianus Afer, etc, telkens exii de paedagogio gelezen wordt. Wat nog 
opmerkelgker is: op deozelfden mnnr vond men onder den naam LIBANVS 
met eene andere hand gekrast: EPISCOPVS, en daaronder nog eens: LIBANVS 
EPI : waario De Rossi eene scherts of bespotting ziet op den Christen koaap 
Libanns, die in gemeld grsffito door zgne kameraden gekscheerend voor «}»m«(7/}m 
vrordt uitgemaakt; welke verklaring nog meer waarschgnlgkheid verkrggt, wgl 
deze spottende zinspeling op het chrislelgk priesterschap in de onmiddellijke 
nabgheid van het blasphemisch Ezels«graffito is gevonden. Cf. De Rossi, Bull, 
186^ p. 72, en 1864, p. 69, 92. 

f) lEBETE staat hier voor ffcßrrac. De verwisseling van AI in £ vindt men 
reeds vroeg op Megarensische inscriptiën. Cf. Franz, Etem, epigr, Oraeeaâ, p. 249. 
Voor Rome zgn in dit opzigt merkwaardig de Grieksche grafschriften door Garrocci 
in eene Joodsche eataeombe nabg de Via Appia ontdekt, waarvan eeo aantal 
te lezen geven: ENOAAE KEITË of KITE, eu slechts éen: KEITAI. Cf. Ci^ 
mUà Can. 1862, fase. 295; en Vertl. en Med. der K. Akad. v. IK, Dl« XII, bl. 89. 

D Ik noem hier sleehts De Kossi, Visconti, Garrocci, Le Blaut ,Vict. de Bock, 
Piper, Krans, Fr. Becker, etc. uitzondering maakt alleen zeker Weener schrg ver, 
Joseph Haupt, die in de Qpstenr^ksche MiUheilungen der JT. K, CeiUraleom» 
wttuiom eie. Bd. XIII, S. 160 fg., onder voorbehoud der redactie, een opstel ten 
beste gaf, waarin hij beweert, dat op het Palatgnscbe graffito niet eene bespot- 
ting des Christendoms, maar Anubis of de Egyptische Toth is voorgesteld. Prof. 
Krans heeft hem in zgne verhandeling eene welverdiende kastgding bezorgd. 
Meer bgval schgnt eehter Haupt's paradoxale archaeologie in Amerika te hebben 
gevonden. In een onlangs te New- York uitgekomen en sierlgk geïllustreerd 
werk, met den veelbelovenden titel : Monumental Ckristianilg, or ike Art and 
SgmèaUtm of ike Primitiee Churchy at witneuei and teacher» of the one Or- 
tholie faith and practice^ by John P, Lundp, presbyter, wordt onder meer zoo- 



( 118) 

christelijke archeologie verklaarden eenparig het Palatgnscfae 
graffito voor eene bespotting des Christendoms, in welke niet 
alleen de oude blasphemische voorstelling van den God der 
Christenen (met den ezelskop) werd hernieuwd, maar ook 
regtstreeks en specifiek het Christelgk geloof in een ge- 
kruisten Messias — die groote dwaasheid in het oog der Hei 
denen *) — op de smadel^kste wgze werd gehoond en ge- 
lasterd. Het spotbeeld, zoo geteekend, sprak duidelijk genoeg, 
om het b^schrift nsvs christianorvm, gel^k Tertalliaan 
er een op het Carthaagsche schildery las, hier overbodig te 
maken. 

Een nieuwe ontdekking in hetzelfde paleis, maar in een 
ander vertrek van het paedagogium gedaan, kwam over den 
persoon van den genoemden Alexamenos eene verrassende 
inlichting brengen. Cav. Carlo Visconti f) las daar in Fe- 
bruari 1870 onder aan een muur het opschrift: 

AAESAMENOS 
FIDELIS 

waardoor de Alexamenos, in het graffito bespot^ als een 
Christen bekend wordt ; wigl het epitheton fidelis^ gelijk Kraus 
teregt opmerkt, uitsluitend door de oude Christenen als de 
tenninits technicus ter aanduiding hunner godsdienstige belg- 
denis gebruikt werd §). Visconti meent echter dat ook hier 
ßdelü door een der kameraden van Alexamenos met eene 
spottende bedoeling op de Christenen zou zyn gebezigd. 



derlioghedes, op pag. 59 het FalatvJDScbe spotbeeid ook voor deo Ooostitefaen 
Anabis aitgegeveo. Ik Trees echter, dat zaakkandïgen, die van Lundj^a werk 
kenniB nemen, zich weldra znllen overtuigen, dat er de wetenaehappelgke waarde 
niet in geljjko verhouding staat met de breedsprakigheid en den apodiktischen 
toon van den schrgver. 

*) Cor, 1,23: Noê attiem praedieamu* ChrUtum erudßjum, Judaeii fuiä^m 
teandalum, Oeniièui autem tfuUitiam, 

t) Neef van den Baron P. £. Visconti, onder wiens leiding in de laatste jaren 
der psoselgke Regering de opgravingen aan de noordwestelijke zijde van den 
Palatgn zijn geschied. 

$) Cf Krans, Dat Spoiierucifir vom Pafaiin, S. 13. Men vindt daar onder* 
seheidene opschriften uit Fabretti, Boldetti, Marini, Le Blant, etc. aangehaald, 
waarin Fidelis by eigennamen voorkomt. 



(119) 

Maar hg zal moegel^, dunkt mg, knnnen bewgzen dat dit 
woord in den mond van een heiden deze beteekenis kon 
hebben. Liever zou ik daarom met De Rossi aannemen, dat 
de knaap Alexamenos hier in stilte lucht gaf aan zgn 
christelgk gemoed, en tevens tegen den het Christendom 
aangedanen hoon protesteerde; hetgeen nog veel waar- 
schgnlgker wordt, indien wg aannemen, wat P. Victor de 
Buck beweerde, dat hier ßdelis zoo veel als neophytua be* 
teekent *). Wat ook hiervan zg, zeker blijft het, dat het 
Palatgnsche graffito ons een merkwaardige proeve levert van 
den meer huiselgken en intiemen strgd des Heidendoms te- 
gen het Christendom in het tgdperk ongeveer van Septi- 
mins Severus of een weinig later, en wel op dezelfde plaats, 
waar de geschiedenis ons leert, dat eens keizer Caracalla 
lacte christiano educatus^ gelgk TertuUiaan van hem zegt, in 
zgne jeugd een zgner speelgenooten, die Christen was, we- 
gens diens godsdienst op bevel van zgn vader met weerzin 
had zien tuchtigen f). 

Maar eene welligt nog verrassender illustratie der Stefano- 
nische Qemme, dan ons door de Palatgnsche muurbekras- 
singen werden geleverd, zullen wg onder de talrgke graffiti 
ontmoeten, welke in de laatste dertig jaren overal op de uitge- 
graven bouwvallen van Pompei ontdekt zgn« De hier door 
mg bedoelde werden in 1862 gevonden in de gangen en 
vertrekken van een uitgestrekte huizing, die vromer tot her- 
berg of caupona had gediend. In het atrium van dit ge- 
bouw vond Fiorelli §) eenige met vlugtige hand op den 
muur met houtskool geschreven en gedeeltelgk uitgewischte 
woorden, die ook, zoo veel 't kon, door Eiessling werden afge- 
schreven^^), doch waarvan gelukkig, voor dat zg geheel ver- 
dwenen, door Minervini een getrouw facsimile was a%eno- 



*) Cf. V. da Back, PiréeU kittor. 1854, p. 478; en Aeta SS, Oetobr. IX, p. 1«9. 
f) Cf. Spirtiao., Carae, c. 1. 

4) De Senator Gias. Fiorelli, die sinds jaren de aitgra?iDgen van Pompei be- 
•taart» en daarvan verslag gaf in z^ne Deêerisiome di Pompei. Napoli 1875. 

•*) Cf. BfdL deW liiUuio di earritp. areheol, 1862, p. 92. 



( 120 ) 

men *). Onder meer waren nog de Yolgende woorden dui- 
delijk zigtbaar: 

AVDI CHJELISTIANOS 

siivos o oRns t). 

Welke ook de beteekenis moge zgn, die aan dezen Tolziu 
kan worden g^even, hetgeen waarop hier alles aankomt is 
het woord christianos, omtrent welks lezing het in de 
hoofdzaak allen eens zgn §). Wg hebben dns hier voor 
ons liggen de eerste en oudste vermelding van Christenen door 
de Heidenen: wgl Tacitus en Plinius, hoewel tgdgenooten 
van Pompei's verwoesting in 79, toch veel later hebben 
geschreven. En de waarschgnlgkheid, dat in bovengenoemde 
caupona^ Christenen soms b^eenkwamen, wordt nog ver- 
hoogd door de aanwezigheid van het volgend opschrift aan 
den buitenmuur: 

OTIOSIS LOCVS HIC • NON KST DISCEDE 

UORATOR **j 

hetgeen schont aan te duiden, dat hier bgeenkomsten van 
ernstigeu aard plaats vonden, en aan de Rossi doet vermoe- 



*) Men viodt dit faetimüe bq De Rosai, BulL 1864, p. 72. 

f) De Rossi en anderen lazen en sappleerden in den tweeden ref;el: SIIVOS 
{sevoê voor saeoos, II gelgk* zijnde aan .£} OLORES {^Amdi CkritUanoi saevos 
olores), met eene Toor ons weinig duidelijke zinspeling. Zou hier OSOK6S geea 
beteren zin geven, vooral ook wgl. met het oog op htifaetimiie van het graffito, 
de weggevallen letter beter door eene lange, schuine S, gelijk er nog twee der- 
gelgke voorkomen, dan door een L kan worden aangevuld? 

§) De geleerde uitgever der Itiscriptioneê parietariae Pompeiauae in het vierde 
'Deel vitn het Corpus Itueript. Zalin,, Dr. Car. Zangemeister, volgt daar op bl. 41, 
num. 679 (Cf. tab. XVI 2) eene gewgsigde lezing van dit grafito, de voorkear 
gevend aan een afschrift {apographum) van Kiessling boven het facsimile vaa 
Minervini. die vóór K. het graffito las en op den muur aftrok (Cf. De Bossi, 
/. e,), en wiens oorspronkelgke teekeuing terstond na de ontdekking vervaardigd, 
door De Rossi werd gezien en gecopiëcrd. Belangrgk echter ia het, dat Zaage. 
meister toch erkent: Roe mn«m non improbaÜle esse largiemur, fmisse im parieU 
. HRISTIAN ,,^ hoe vero, quod vix aliter restittti possU quam eflRISTlAN . ., 
non cognomen esse Christianus i.e. ChresOanus . sed adßdem CAristianam pertimere. 
Van dit laatste hangt de gansche beteekenis van het ^ro^/o voor one onderwerp 
af, en komt hier ook alles op aan. 

**) Fiorelli, /. c, p. 280. Zangemeister, ïnscr. Pariet, n. 818. 



( 121 ) 

den, dat de zaal, waarin zich het graffito aydi christianos 
bevond, werkel^k eene vergaderplaats der Christenen van 
Pompei geweest zon z^n, die toentertgd nog ongehinderd 
mogten bjjeenkomen, gel^k te Rome de hoorders van Pau- 
lus (Hand. XXVIII, 30, 31), terwgl zg later, onder de ver- 
volging vau Nero, het vertrek der caupona hebben moeten 
ontruimen: waardoor er voor heidensche bezoekers gelegen- 
heid kwam, om aan hunne spotzucht bot te vieren. Wat 
ook hiervan z^, opmerkenswaardig blgft het toch zeker, dat 
in het atrium van hetzelfde gebouw en in de nabgheid van 
het vertrek, waarin het avbi cheistianos werd geschreven, 
een ander graffito voorkomt, hetgeen ik hier vooral op het 
oog heb, waarin zich dezelfde spotlust der bezoekers lucht 
geeft op eene wgze, die allertreffendst herinnert aan het 
verwgt, zoo menigmaal door Celsus en zgns gelgken aan 
de Christenen gedaan, dat hunne leeraars en evangeliepre- 
dikers zich hÏQ voorkeur tot vrouwtjes en gepeupel wendden, 
om volgelingen voor hunne leer aan te winnen. Datzelfde 
verwgt klinkt ons hier uit den mond der Pompejaansche 
heidenen tegen. Zg schreven het bg den ingang der door 
de Christenen vroeger bezochte vergaderzaal met den vol- 
genden schimpscheut op den muur: 

MVLVS • HlC • MVSCIILLAS DüCviT *). 

Voor niemand, die bekend was met de spotsymboliek der 
heidenen en hare scheldnamen, kon de beteekenis en strek- 
king dezer beeldspraak een geheim zgn. Wie hier door den 



*) Fiorelli, /• e, p. S79. Ztngemeitter, /. e, n. 2016. Muse&lia ia, meao ik, 
niet bekend ia de Lttynsehe lexicographie, maar xaS waaracbynlijk moeten afge- 
leid worden vàn muêeula, het diminotief van ariue«. Of ion dit Pompejaansch 
idiotisme ook in verband ataan met muêc^ilarium, dat volgens het Glottarium, 
PkUojetU gelgk ataat met mmadpulat Zoo ja» dan zon hier, in den mond ran 
den spotter, Mmluê He wnticêüai doeuU sooveel beteekenen als: Hier krggt de 
Mtel (in den aangegeven o verdragtelg ken zin) de muitjet in de val. Het is 
niet onmogelgk, dat ook dit graßto eene dier obsooene zinspelingen bevat, gelgk 
er meer op de muren van Pompei zgn te vinden. Maar Be Bossi heeft teregt 
opgemerkt, dat in verband met het audi ckriiiianoi, hier eene toespeling op de 
Christenen vrij wat waar&ohijnlgker is. Ter meerdere bevestiging wgst hij nog 



( 122) 

Mulus werd bedoeld en wie de Muscfllae waren, zal ieder 
Proletarier yan Pompei wel hebben begrepen. Vooral bg het 
gepeupel vinden immers dergel^ke sobriquets gereeden bgval. 
Maar yoor de Ezels-caricatnar van het intaglio op bl. 111 a%e- 
beeld, wordt het Pompejaansch graffito een uit het leven g^re- 
pen commentaar. Zou men inderdaad niet wanen^ dat hier ons 
een randschrift wordt geleverd voor de Gemme van Stefanoni? 
Kon trouwens voor dien Ezel- prediker met zgne twee vrouwe- 
Igke discipelen, welke daar in de bedoeling des kunstenaars, 
met bgtende satire, een Christen-leeraar en zgne hoorders moest 
voorstellen, wel een passender legende worden uitgedacht, dan: 
Mulus hic muscellas docuit ? Doch laat ons niet vergeten, dat 
deze beide herinneringen uit het Heidendom, in beeldspraak 
en in schrift, ons ook getuigen van den aard en de wgze waarop 
menigmaal de kennis van het Evangelie door het huiselgk 
apostolaat der geloovige vrouw, met name der Christen ge- 
worden Slavin, in die vro^e tgden werd verspreid. Zelre 
welligt eerst door een harer gezellen tot een leeraar des 
Evangelies geleid, werd de ancilla tot Christus bekeerd, later 
het gezegende werktuig, om onder hare heidensche omgeving 
in menig heilbegeerig hart den weg tot het Christendom te 
banen. 

Na deze, misschien te lange uitweiding over oudchriste- 
Igke toestanden, zoo naauw aan ons onderwerp verwant, 
keer ik tot de hoofdpersoon dezer studie terug, en zal de 



op twee andere, in slordig carsieftehnft op deoselfden moar gekraste frajiti 
waarvan hg htt faesimile geeft, en waarop men leeat: 

IlIIIINDAX VIIBACi VBK^TII SALYTIt; 

IiiiimoAX yiiraCi salttii 

Mendax Veraci tthique ialmU («) 
Uendax Veraei iatmtem, 

waarin de tegenstelling 7nu mendax en verax zoo in 't oog springend is, dat er 
aan geen eigennamen kan worden gedacht. Daarom was hier ook vermoedelgk 
de bedoeling om het Christendom te beschimpen, dat aan sgne volgelingen de 
absolnte waarheid predikte tegen den Uugen des Heidendoms. In deseo rin was 
de toepassing der woorden niet yer te loeken. 



( 123 ) 

Christen Slavin trachten te volgen in de verschillende phasen 
van haar godsdienstig en maatschappel^k leven. 



Bg het aannemen van bekeerlingen uit den slavenstand 
wist de oude Kerk steeds wyze voorzigtigheid met liefde- 
volle toegevendheid te paren. Z^ wees niemand af, die 
zich aanbood : doch zich als » deurbewaarster" van het Gods- 
ryk beschouwend, zette z^j den vryen toegang voor ieder 
open *). Maar daarom zag z^ niet af van haren pligt en 
haar vegt om zich, voor de toediening van het Doopsel, 
van de reinheid der zich aanbiedenden te overtuigen, b^ de 
mogel^kheid dat ook minder zuivere bedoelingen den bekeer- 
ling tot het Christendom konden brengen f). Wat meer 
bigzonder de slaven betreft, geven de oude ^fiaràSsig neçi 
uv^Tixijg XaTQeiag^ die zeker voor den vrede der Eerk 
opgesteld werden, het voorschrift, dat voor hunne aanne- 
ming tot het Doopsel, van hunne beeren getuigenis over hen 
moest worden ingewonnen wegens hun gedrag, bg gebreke 
waarvan het Doopsel werd verdaagd, tot dat de slaaf zich 
des waardig betoonde. Opmerkel^k is het echter, dat dit 
voorschrift slechts gold voor slaven, die bg Christen bee- 
ren dienden. Met degenen, die heidensche meesters had- 
den, gebruikte de Eerk meer toegevendheid en eischte dan 
slechts dat zg ernstig zouden worden vermaand »om aan 
hunne meesters welgevallig te zgn, opdat het woord niet 
gelasterd worde^' §)• Van onze Slavin zal dus een dei^elgk 



*) 'Hfalc ptcv yc, oc ^laxovot Xj9C9T0v« MiyiiiâoL cxootov, xai Bvpoipây 
«u^irtp TaÇiv tir«;i^ovTCÇy àvirisy àfhxayitv tyiv ^pav. S. Cyrilli Hieroi. Piro» 
calèches, ( 4. 

t) Cf. Cyrill. Hieros. /. e, § 5, waarhg o.a. in dit opzigt van de ilaven zegt: 

^oO^oc itùïXdxtç it^nÔTYi àpéaai iBtXin<Ttî wat echter slecht« b\j Christen 
roeesters kon plaats hebbeo 

§) *Eâv trifftov ^oO>oç 5, ipùirAT^ù» o itùptùç awroO cc ftaprupiî «ùrfi. 
tâv Si /AVI, airoßaXUffO«, ciuç av cautov aÇcov i-KiâeiÇri rû ^tmrorn. Et 
êk tQvutoO ri ocxrrqc» 9i$aaxifsâ<ù cùapiarely tû ^cffiróni, eva f*«} ß^(rfyjfx^tai 
ó 5lóyoc. A p. Pitra, Iuris eecles, Qraecorum kiH, et monum, l, 64, 



( 124 ) 

getuigenis barer meesiers, voordat zg door de diakonessen 
aan den Bisschop of het presbyteriam als bekeerlinge werd 
voorgesteld''^), niet a^evraagd zgn geworden. 

Was eenmaal de Christen ancilla na de voorbereiding 
van het Catechnmenaat, door het Doopsel in de Kerk 
ingelgfd, dan werd het haar pligt en haar voorr^t, om ge- 
regeld zooveel zg vermc^, de vergaderingen der geloovigen 
bg te wonen. De gelegenheid en vrgheid daartoe zal inden 
regel veel hebben afgehangen van de meerder of minder 
toegevendheid of oc^lniking barer meesters. Doch in *t al- 
gemeen waren dezen — de tgden van openbare vervolging 
t^en de Christenen uitgenomen — vrg onverschillig omtrent 
het godsdienstig gedrag hunner ondergeschikten, indien zg 
al niet meenden, gelgk Cassius onder Nero in den Senaat 
beweerde, dat de slaven geen godsdienst hadden, of althans 
enkel vreemde godheden vereerden f). Dit laatste was wer- 
kelgk met velen het geval, en de zoogenaamde collegia 
tenuiorum §) gaven hun daartoe de gelegenheid ; terwgl wat 
de vrouwen meer bgzonder betreft, dé Egjrptisdie Isis-cultus 
met zgne afzonderlgke kapellen, zgue geheimenissen, wg- 
dingen en plegtige optc^ten niet alleen onder de hoogere 
standen maar ook onder de slavinnen veel bgval had gevonden. 
Maar diezelfde onverschilligheid der meesters en betrekkelgk 
onbeperkte vrgheid der ondergeschikten bg de Heidensche 
bevolking kwamen ook dikwgls den Christen slaven te stade, 
om voor de vervulling hunner godsdienstige pligten minder 
hindernissen te ontmoeten; te meer wgl zg zonder veel op- 
zien te wekken, althans in de Stad, de kerkelgke bgeenkom- 
sten konden bezoeken, wgl deze gewoonlgk op den zeer laten 
avond **) of in de vro^te morgennren werden gehouden. 



♦) Cf. Pitrt, /. e. 

t) Tacitus» Anuaf. XIV, 4é. 

§) Over deze eollepim ui later apraak zgn bg de Begrafem» der Chrlstea 
Sla?iD. Zg teldeo ook een groot getal Lièerti in han midden. 

**) Van daar bet verwijt der Heidenen, dat de Christenen eeae Uieèrosm H 
lueifugax naüo waren, gelgk hen Caeeilina in den Oetavims van Minntina Felix 
(cap. 8) noemt. 



( 125 ) 

lu de vergadering der geloovigea vond zich de Christen 
Slavin als in eene nieuwe zedelyke wereld en omgeving 
verplaatst. De bejegening, die zij er ondervond, leverde 
haar het bewijs, dat het der Kerk ernst was met de erken- 
ning en handhaving der gel^kstelling van allen voor God, 
die z^ met de woorden van Paulus predikte: »In éenen 
Geest zyn w^ allen tot een ligchaam gedoopt, hetzg Joden 
hetz^ Heidenen, hetzg dienstknechten hetzg vr^en*' '*'). Immers 
reeds b^ het intreden in het heiligdom werd haar eene der nog 
beschikbare plaatsen aangewezen door eene der diakonessen, 
welke zonder onderscheid te maken tusschen r^ken of armen, 
en zonder kwetsing of achterstelling van iemand, zich van 
haren pligt als van een godgevallig werk moest kweten f). 
Zoo kwam niet zelden de nederige ancilla aan de zgde eener 
clarissima of eener vr^geborene matrone, als naast hare 
gelgken, te zitten! Onder het aanhooren der prediking be- 
hoefde zg zich niet te bekommeren over hare mindere be- 
schaving en geleerdheid; want zg wi^t dat de voorganger 
der gemeente nooit zou vergeten om, gelgk Chrysostomus 
van zich getuigde, bg de verklaring der christelgke leer, 
zgne taal ook bevattel^k te maken voor den slaaf en de 
dienstmaagd §). En wanneer dan de Bisschop, van z^n in 
*t midden geplaatsten troonzetel ^^), omringd door de pries- 
ters en diakenen, de vergadering toesprak, dan werd het 
oor der Slavin menigmaal gestreeld en haar hart getroost 
door de bemoedigende woorden, waarvan ons de H. Cyrillus 
van Jerusalem in 2gne Katechesen den naklank heeft be- 



•) 1 Cbr. 12. 18. 

t) El ât nràè^ot i otyivhç ffirf>9oi, xac tonoç où^ ifnap^Mif xsc rovrotc 
TÓirov irocqm èÇ Shiç tüc xflip^îac auxov h ^caxovo«, cv« fAÎi irphç av$ùtà' 
1C0V aÙToO yhmtai n irpooftino^ij^cc» aÀ>à itpoç Ocôv vi ^loxovta cùa/Moroç« 
Tô f avTO irottirtt xal ii ^cscsovoc rcic tirtp;^ofi/vacc ywai^, icràèycûç 
iixoi n\o}J9latç, CofutU, apoêU II, 28. ap. Pitra, /. 6. I, 20& 

I) Chrytott. CotUrû Jmd. 1. 

*^) Tfoonteiêl: Kfco^u 9$ [thoç o roO tiri^xoirou O/bovoç« ConsiU, apost, 
II, 57. ap. Pitra, /. e. p. 204. Bosio zag in eeô euàiôulnm ?an het CœmeieriuM 
Cffriûcae het altaar en deo bissehoppelgken zetel în den tafsteen seilen uit, 
^hoaweo. Cf. Borna ^tt. m, p. 410. 



( 126 ) 

waard. »Heb yertrouweu in God, — zoo werd haar ge- 
zegd — bij Hem is geen aanzien des persoons. H^, die 
de gestalte van een dienstknecht aannam, zal ook de slaven 
niet verachten. Al waart ge als dienstmaagd, ook verpligt 
in den bakkerstrog te trappen of den handmolen rond te 
wentelen, Hg die eens Joseph *) uit de slaverng en den 
kerker op den troon bragt, zal a ook uit uwe ellende vrg- 
gekocht in zgn Rij*^ overbrengen*' f)« Werd daarna de 
heilige handeling voortgezet, dan was de Slavin getuige en 
ondervond hoe bg het zingen der psalmen en hymnen ook 
aan de stem der dienstbare het stilzwegen niet werd opge- 
legd ; maar hoe allen, in ^t genot derzelfde eer en gel^k in 
waardigheid, als met dezelfde stem uit verschillende monden 
den Schepper prezen in hetzelfde heiligdom,' waar aan éene 
tafel de slaaf met den vr^e aanzat, en éene gemeenzame 
gave aan allen werd uitgereikt §). Wat meer is: er kon 
zich het geval voordoen, dat aan de Slavin op kerkelgk 
gebied boven eeue Vrge de voorrang werd ingeruimd. Het 
zal trouwens niet tot de zeldzaamheden hebben behoord, 
dat de meesteres nog niet tot het Doopsel aangenomen, maar 
slechts eene catéchumène was, terwijl hare slavin reeds het 
doopsel had ontvangen. In deze verhouding moest volgens 
de toenmaals gebruikelijke tucht de Vrge de vergadering der 
geloovigen verlaten na de prediking en voor de offerande: 
de Slavin mögt bleven om deel te nemen aan de heilige 
geheimen. De kerkvader Chrysostomus heeft in een zyner 
Homiliën op deze nog in zijn tijd voorkomende toestanden 
gewezen. »Dikwgls — zegt hij — staan in dezelfde kerk 

R 

de rijke en de arme naast elkander. Het uur der ontzagge- 
Igke mysteriën nadert. Âan den rijke wordt het langer 



*) De getchiedeoia van Joseph wordt door de Kerk?ader8 der eerste eeuwen 
in hanoe toespraken tot het volk met zekere voorliefde behandeld. Dikwijls ne- 
men z\j er aanleiding cit, om aan te toonen, dat de Slaverug geen beletsel is 
voor de deugd, en dat ook een slaaf het regt en den pligt heeft om aan zon- 
dige bevelen zgns meesters weerstand te bieden. Cf. Ambros. De Jotepk ftr. 
V, 28. Chrysost. Hom, in 1 Cor. XIX, 4. Expl, in P*. 43, etc. 

t) Cyril. Uieros. Cateeh. XV, 23. 

\) Cf. Chrysost. Hom, in PaicAa, III, 4. 



( 127 ) 

vertoeven, als aan eeu nog oningewgdeD^ outz^d; terw^l 
de arme zyne plaats niet behoeft te verlaten Ziet maar : de 
geloovige dienstknecht treedt tot het .altaar, terw^l zijn heer 
de kerk moet ontruimen, de aanzienlijke matrone vertrekt, 
en hare slavin mag bleven! Wat wonder? Bg God is 
geen aanzien des persoons, eu in z^ne Kerk z^n er noch 
slaven noch vr^eu" *). 

Als een gevolg dezer gelgkstelling van allen op godsdien- 
stig gebied, kon ook aan de Christen slavin, naar de destgds 
gebruikelgke kerktucht, eene zekeren rang in de hiërarchie 
worden aangewezen. In den Brief van Plinius aan keizer Tra- 
janus, waaraan we hierboven herinnerden f), gewaagt de Ko- 
meinsche landvoogd van ancillae, die by de Christenen van 
Bjthinië als Diakonessen, mimstrae^ fungeerden §): waaruit 
blgkt, dat ook slavinnen tot die kerkelijke bediening werden 
toegelaten. In die hoedanigheid kon de Christen ancilla in 
de kerkelrke b^eenkomsten boven andere vrouwen, van meer 
aanzien en hooger afkomst dan zg, een zekeren voorrang 
genieten : ja zelfs, bg uitstekende verdiensten en deugd, den 
eerezetel innemen, dien de jongste ontdekkingen in de Cata- 
comben als de plaats der voorzittende diakones **) hebben 
doen kennen ff). £n wanneer haar jeugdige leeftijd haar 
verhinderde, of andere redenen het minder raadzaam maakten 
zich onder de diakonessen te laten opnemen, dan was toch 
hare lagere afkomst of dienstbare stand geen beletsel, om als 
virgo Deo sacrata eene verhevener roeping te volgen en hare 
kuischheid aan God toe te wijden. Dan behoorde z^, gelijk 
Cyprianus het noemt, Uyt de illustrior portie gregis Christi §^), 
en ontving uit de handen des bissebops het purperen ßam" 



*) Chrysost., Hom, de Returrecl, 3. 

f) Cf. bladz. 107. 

§) Quo mçffië neeessarium credidi ex duabut aneillü, quae ministrae dice* 
baninr, quid etttt veri et per iormenla quaertre, Sed nihil aliud invemi, quam 
super siüionem prëvam et immodieam, etc. 

**) Ia den elfdea Kaooo vua het Concil, Laodicenum wordeu diakone?sen 
7rpoxa5iQ/ACvac genoemd. J^p. Pi tra, /. c, I, 496. 

ft) De Rossi, Borna SotL III, 170. 

§§) Cyprian. De Maöitu vir^. cap. 1. 



( 128 ) 

m cum virginale of de mitella, het symbool Tan hare toe wa- 
ding : gelgk een voor weinige jaren ontdekt fresco in de 
Catacombe van Priscilla *), nit de eerste helft der tweede 
eeuw, voorstelt; waarop de oudheidkundigen het beeld van 
de H. Praxedes of Pudentiana hebben gemeend te herken- 
nen, die van Paus Pius I (143 — 157) den maagdelgken 
sluier ontvangt. Aldus aan God toegew^d droeg de Christen 
slavin den door het Christendom veredelden eerenaam vau 
ancilla Dei^ en werd misschien bg haar afsterven met een 
grafschrift vereerd, gelflk wg er een op dat voor de sacra 
Domino puella Eusebia lezen f): 

INSTAR SAPIENTIVM PVKLI.AUVM öPONSVM 
EMERVIT HABKRE XVM (Christum). 

Wanneer men hierbg bedenkt hoe algemeen de oudste ker- 
kelgke schr^vers, Clemens Bomanus, Ignatius, Tertulliaan, enz., 
van den lof der Christelgke maagden, en de verhevenheid 
harer roeping gewagen, en men zich tevens herinnert, wat de 
kerkvader Ambrosius over de Christen slavinnen z^, die 
uit Afrika naar Italië gevoerd, daar verlangden hare kuisch- 
heid aan God toe te wgden §) : dan is men tot het vermoe- 
den geregtigd, dat bg het groot getal slavinnen, hetgeen niet 
alleen uit Afrika maar ook uit Klein-Azië naar de groote 
slaven-markten van Europa werd gebragt, zich ook me- 
nige Christen ancüla zal hebben bevonden, die haar ver- 
langen om ancilla Christi te worden zal hebben kunnen 

bevredigen. 

Maar ook zelfs buiten het heiligdom ondervond de Christen 
slavin niet minder de gevolgen dezer broederlgke gelgk- 
stelling en onderlinge waardeering van de ledematen der Kerk, 



•) Cf. De Rossi, Soma Solt. III. 281. Oarracci. Sforia delta Arie Çrùl. net 
pnm oUo seeoU delta Chie$a. I. 83, Ut. LXXVIII. 

t) Cf. Muratori, Thet. inscript. I, 180. De Bossi, ß»//. 1864. p. 78. 

^) JEr ullimiê infra uitraque Mauritaniae parlibus deduetaa virgin» *ic 
êatran geUimnl : el quum tint omni» familiae, im vinculit pudidtia tarnen muât 
este captiva. Profitetur regnttm aetemilatit, quae mœret intunem tereiiatit, 
^ Ambros. J}e Virg. I, 8, 



( 129 ) 

ia hare deelneming aan de zoogenaamde agapen *) of 
liefdemalen, waarvan Terfculliaan in het 39^ Hoofdstak 
yan zgn Apologeticus met zooveel ingenomenheid het heer- 
Igke beeld heeft geschilderd. Op de gedenkdagen der mar- 
telaren, bg uitvaarten of andere keikel^ke plegtigheden 
gevierd, werden deze agapen, vooral in tgden van vervolging, 
in of nab^ de Catacomben gehouden, in daartoe bestemde 
vertrekken, waarvan het in onze dagen te Rome ontdekte 
triclinium van de crypte der H. Domitilla f) ^^ voorbeeld 
oplevert. Voor dat deze bgeenkomsten door ingeslopen 
misbruiken ontaardden, en reden gaven tot de klagten, die 
w^ bg Gregorius van Nazianze, Ambrosius, Augustinus en 
andere kerkvaders lezen, waren zg in de drie eersteeeuwen 
een middel, om door deelneming aan een broederlgken disch, 
de ledematen der Kerk, zonder onderscheid van rang of ge« 
boorte te verzamelen, en de reeds door de eenheid des ge- 
loofs verbondenen ook door de eenheid der liefde naauwer 
aan elkander te verpligten. Ook daar werd de Slavin niet 
a%ewezen ; ja mögt zelfs de door de kinderen der Bomeinsche 
wereld zoo diep versmade andUa zonder schroom hare plaats 
innemen naast eene kleindochter der CaecUii of Fabii^ en 
misschien eene verwante uit het Huis der Caesars, aan hare 
zjjde gezeten, als hare zuster begroeten! 

Welk zelfverheffendeu invloed, welk zoet en veredelend 
gevoel van eigenwaarde, zoo diepzinnig uitgedrukt in het 
beroemde woord van Ambrosius: Nos animae sumus §), 
moest niet zulke behandeling en waardeering van wege de 
Kerk in het gemoed dier in de burgerlgke maatschappg zoo diep 
verongelukten wekken P Zoo levendig schgnt soms die indruk 
geweest te zijn, dat hg voor eeaigen een zedelgk gevaar 
werd, en door den christelgken ootmoed moest worden ge- 
temperd ; gelgk dan ook reeds de H. Ignatius van Antiochië 
het raadzaam vond, om de slaven en dienstmaagden tegen 



*) Coena notira, fegt TertoUianas, de nomine raiionem *mam o f tendit; id vacatur y 
quod dilectio penes Graeeoi est, Apolog, c. 39. 

t) Door Dc Rossi beschreveo in z\jne Roma Sotterranea, III, 248. 

() Ambros., De Isaac et anima, Vllf, 70. 

TJ(««I*. SN IIKPÜP. AIO, LETT2EK. 2de IBEKS, OKKL VI II. 9 



( 180 ) 

hoogmoed en opgeblazenheid te waarschuwen *)j en lahr 
eene kerkvergadering van het begin der vierde eeuw den- 
gene met het anathema bedreigde, die onder voorwendsel 
van godsdienstigheid, nQOipàasi Oeoaeßeiag^ aan een 
slaaf zou leeren om zgne meesters te verachten t). ld 
avait été le progrès^ zegt Franz de Champagny in zgne ge- 
schiedenis der Antongnen, tel avoit été le progrès, que lu 
eèclavee avaient besoin de recevoir des leçons de modestie § . 



Doch, na zedel^ke kracht en opwekking voor hart eu 
geest in de bgeenkomsten der geloovigen tc hebben gepiil, 
moest de Christen slavin wederom naar hare heidensche oiu- 
goving, naar haar gewoon leven en haisel:gken arbeid terug- 
keeren Ook dàar willen w^ haar in haar l^den en be- 
proevingen volgen. 

Bg de schier ongeloofel^ke verbrokkeling van het dienst- 
betoon en den arbeid in de huizen der aanzienlijken, waair 
zg een natuurlgk gevolg was van het overgroot getal slaven, 
die weelde en praalzucht er op nahield, kon het lot dur 
Christen slavin — hier vooral van zgne meer stoffelgke zgde 
beschouwd — ook zeer verschillend wezen. Naar gelaug 
haar, hetzg door de luimen harer meesters, hetzg wegoiis 
eene haar eigen bekwaamheid of geschiktheid, hetzg om 
haar te straffen, in een der veelsoortige departementen der 
huishouding eene plaats werd aangewezen, zou ook de be- 
handeling, welke zg ondervond, of de arbeid, dien zg mo^ 



ir^cov (TouXfuéruaav, ha xpcirroyoç *c^eu6c/»ca; àiro 6(oû Tv;(ua-cv. £n h:; 
voe«:t er zv\U bij; Mil ipaxtMWß àiro Toû xocvov c^cvGcpovo^ac, ha p 
^oûXoc fvpfOoiîvty «ircOupaç. Ignat., £p, ad Polycarp,, 4. 

f ) E( Tcç Joû).ov feûofâfsit Otoaißgiac ^lâavxot xaxafpovsh Jeoirôrev, xci 

fieva/upilv xhç innipioiaÇf xaï fiii fiix tvvoixç xac nàcviç rtfiriç rû cavroû 

<y«crirót>ï *fÇvirD/Brcat<r.^ac, avàOsfta «(rro. Conei/. Gangrentù Can. (32ö— Siô^j 
ap. Fitr», /. <?. p. 489. 

S) Fr. de Ciumpa^oy, £«« Antoninê, II, 88. Cf, Paoi ÀUard, £e§ neiatti 
ekréiieM, oh. 9« 



( 131 ) 

verrigten, minder of meer dragelgk zgn: gelgk uit hetgeen 
hier volgt nader zal blijken. 

Doorgaans toch bezaten de aanzienl^ke of rigkgeworden 
familiên te Rome en in Italië, vooral in het tgdvak der 
Keizers, uitgestrekte landgoederen, latifundia^ waarop zg, 
onder het toezigt van een vilicus, een soms zeer groot getal 
slaven onderhielden, welke de familia rustica uitmaak- 
ten. Zoodanig eene familia telde meestal ook eonige vrouwen, 
waaronder de Romeinsehe schrgvèrs over landbouw de 
slavinnen noemen, die in de bakkerg behulpzaam waren: 
mulieres quae partem coquunt ; ook de focaria, die vooral in de 
keuken werkzaam was, en de vrouwen belast met het weven 
en vervaardigen van de kleeding der slaven: lanificae^ quae 
familiam ruaticam vestiunt *). Behalve dit voor het gewoon 
beheer gebruikte dienstpersoneel, welks lot ver van beng- 
denswaardig was, bevonden zich gewoonlgk op eene land- 
hoeve nog andere slaven, voor wie, in de bedoeling hun- 
ner beeren, het verbluf aldaar eene zware straf moest zgn. 
Deze ougelukkigen werden in de wandeling compediti en 
vificti genoemd t), omdat zij doorgaans met ketenen, gzers 
of blokken beladen, hun werk moesten verrigten. Hen 
schgat Plinius de Oude op het oog te hebben gehad, waar 
hg welsprekend schreef: dat »de aarde, die van vreugde 
opsprong toen zij door de hand van een Consul werd be- 
ploegd, nu van verontwaardiging zamenkromp onder de ge- 
ketende voeten die haar betraden, en de geboeide handen 
die haar beroerden'' §). Hoewel minder talrgk, waren er toch 
onder deze categorie van slaven ook eenige vroawen, die ge- 
woonlgk niet op den akker of in de bosschen en mgnen. 



*) Ul|iiftnu$ geeft eene lijst vao al de sUveo, die op eeoe laodhoeve werk- 
zaam wareD, met haone verschilleDde titulataor. Cf. Diff. XXXIII, vu, 12, 6. 

f) Vineii pedes, damnatae manue, inseriptique vultus, zegt Plinias. Dit laatste, 
wijl die slaven op hun voorhoofd of aangezigt werden gebrandmerkt, en daarvan 
ook fiterati werden genoemd. Plantas geeft Ann, III, 2, eene gsnsohe noroen- 
clatanr van strafwerktuigen voor de slaven: stimulot, laminai, eruceêque eompe* 
desque, mervas, ceUenas, numellat, pediceu, boUu. Later zullen wij zieu dat do 
hraodmerking ook voor oiUvlvffte alaveu werd aangewend. 

O Plia. But fMl. XVIII, 4. 



f 132 ) 

maar io de spinnergen en bg de wee%etonweii, of elders op de 
landhoeve, voor harden arbeid werden gebruikt, en daar, aan 
een zwaren blok gebonden, dien zg dag en nacht moesten yooit- 
slepen, blootgesteld aan de snoodste bej^eningen, hare taak 
moesten afwerken. Trof nu de Christen ancüla het ongeluk, 
dat zg naar een dezer landelgke tuchthuizen, misschien op 
aandrang yan hare meesteres *), werd verwezen, dan behoeft 
niets meer gezegd, om te begrepen, hoe deemiswaardig dan 
haar lot, onder zoo ontzettende beproeyingen en zulk naam- 
loos Igden zal geweest zgn. 

Maar in de meeste gevallen zal de Christen Slavin wd 
in de stad hare dagen hebben moeten slgten, en tot de 
familia urbana blgven behooren. Ook dan kon hare lots- 
bestemming zeer verschillend zgn. Immers wanneer hare 
tegenwoordigheid niet in de onmiddelgke omgeving van hare 
domina of dier dochters werd gevergd, of zg geen onder- 
deel uitmaakte van het honderdvoudig raderwerk der huis- 
houding ten dienste van weelde of gemakzucht uitgedacht, 
kon zg ook binnen 's huis tot zwaren arbeid worden geroepen. 
Was dit het geval, dan vinden wg haar werkzaam in den 
achtervleugel der woning harer meesters, waarin behalve de 
sla ven- vertrekken, cellae familiarieae^ ook de ruime keuken, 
ctdina^ en de bakkerg, piatritmm^ met de spin- en weefzalen, 
textrina^ en hare verwerg, baphium f), waren aangebragi 
In al deze localen werden vrouwelgke slaven, dikwgls tot 
straf, met het werk belast. Het meest waren zg wel te be- 
klagen, die den ganschen dag, tot uitputting toe, den deeg 
in de meeltrog der bakkerg moesten trappen of den hand- 
molen rondwentelen. En al was ook de arbeid in het 



*) üit een der satiren van JaveDalis weten w^ dat Tooral paa gehuwde matro- 
nen zich door deze onmenscheiyke kweUingen plagten te wreken op de jooge 
slatinnen, die zij Terdaebten van vroeger aan baren Heer te hebben behaagd, of 
op welke zQ jaloersch waren. Cf. Jnv., Sat, II, ô. 

f) Het ia bekend dat de aanzienl^ke of r^ke Bomeinen znlke wever^ eaz. 
niet alleen aanhielden voor eigen gebruik» maar (K>k als winstgevende industrie. 
Martialia zegt in een zgner Bpigrammen (II, 46) aan een rfjkaardy dat hf in zfac 
kleerkasten genoeg feestgewaden en witte toga's bezat, om eene gansche trikmt U 
kleedea (d.i. on^^eveer het 35e der Romeinsohe bnr;|;er8^. 



( 133 ) 

textrinum of baphium niet zoo afmattend, toch hadden de 
daar werkzame slavinnen veel te Igden en te yerduren, yooral 
indien zg onder de zoogenaamde quasïUariae werden gerang^- 
schikt, aan welke de stuitendste en laagste werkzaamheden 
waren opgedragen. Dikw^ls werden zig daar ook met eene 
dabbele of drievoudige taak, pensum^ belast *), en waren er 
voortdurend de speelbal van de booze luimen àet lanipendia^ 
die haar bg de min&te overtreding of nalatigheid door den 
tanarius liet geeselen. 

Ik heb straks verondersteld, dat de Christen Slavin ook tot 
meer persoonlgke betrekkingen jegens de Domina des hui- 
zes, in den zwerm van dienstbare geesten, die haar gewoon* 
ligk omringden f) f kon worden geroepen. Naar gelang van 
hare bekwaamheden of de grillen harer meesteres zal zg in 
dat leger van dienst?aardige geesten een of andere rol heb- 
ben te vervullen. In menig opzigt zal dan haar lotdragelg- 
ker kunnen heeten, hoewel toch grootendeels afliangend van 
het karakter der domina ; en maar al te dikwgls zal de 
stoffelgke verbetering die zg geniet, meer dan opgewogen 
worden door de smadel^ke bejegeningen, die z^ moet onder* 
gaan, en de vernederende diensten, die haar zullen worden 
a%evergd. Wat toch eene ongelukkige anciUa van de hoog-* 
hartige, wispelturige en soms wreedaardige vrouw, die zg 
moest dienen, al te l:gden had, heeft Böttiger in zgne be- 
kende Sabina §) met de eigen getuigenissen der klassieke 
schrgvers meesterlgk beschreven. Doch laten wg voor een 
oogenblik de Christen Slavin ook in deze omgeving gade- 



*) Op een der prafiii van Pompei viodt men eene l^Jst Ttn wericverdeeling in 
een iexirinmm voor elf aldaar arbeidende slavinnen, onder welke er twee zgn die 
een drie?ondig peiuum (hier gesehreven in de volkstaal /»«f«»), en drie, welke een 
dobbel pemum af te werken hebben: FLORIINTINA. PlISA III — LALÂOII. 
P. II, etc. Cf. Garmeci, GrttfiH de Pompei^ p. 82, pi. XX, 1. en Zangemeister, 
Irncr, pariet» n. 1507. 

f) Eene aanzienlijke vronw ie Bome had meermalen tot tweehonderd slaven 
voor hare dagelijksshe bedienÏDg. 

\) Cf. Böttiger, Saàina oder Mor^emeenen im Puiztimmer einer reichen Rome' 
rin, Ik heb b|j voorkenr de laatste, verkorte, oitgave van Karl Fischer (Glad- 
bach 1878) gebruikt, waarin de bewerker wgsel^k achterliet de »SeiienAieàe auf Kult 
und Einriehittngen der häikolieehen Kireh^\ die hem teregt bQ Böttiger 'nngehörig'* 
schenen, en zeker met de Toilet-kamer eener Romeinsche dame mets te maken hadden. 



(134) 

slaan ; en yolgen w^ daartoe den raad van den w^sgeer 
Celsus, door een weinig het purperen gorden weg te BchuiTeUf 
dat het slavenkwartier van de vertrekken der Domina afsluit. 
Tot de onmiddel^ke omgeving van de vrouw des huizes 
of van hare volwassen dochters, behoorden een aantal sla- 
vinnen, wier uitsluitende bezigheid was^ om voor het toilet 
harer meesteres of andere behoeften van weelde te zoigen. 
Ook hiervoor was het dienstpersoneel byna in het oneindige 
versnipperd. Elke specialiteit van het toilet had hare eigen 
beamten, wier titulatuur men b^ de oude schr^vers van dien 
tgd, zoowel kerkel^ke als klassieke, terugvindt, en ook op 
menig opschrift der profane Epigraphiek is bewaard geble- 
ven ^). Indien de Christen slavin onder die tientallen van 
kameniers en suivantes eene plaats erlangt, dan kunnen wj 
haar in de nab^heid der domina in verschillende betrekkin- 
gen aantreffen. Als verzorgster der garderobe van hare mees- 
teres draagt zy, naar gelang harer bezigheden, de ambtsti- 
tels van sardnatrix^ van vestiaria^ vestifica of vesiiplica<t a 
veste matutina of a veste m^gna^ van sericaria of a purpura f), 
welligt dien van vestiaria tenuiaria §), als zi] belast is met 
de bewaring dier fijne, doorzigtige stoffaadjen, welke men 
ventus textilis noemde, en waaraan Seneca, niet zonder reden, 
zich zoo ergerde *"'*'). Zg kan ook geroepen worden tot meer 
persoonlek dienstbetoon,^ om b. v. hare meesteres met ezelinue- 
melk het aangezigt te wasschen, of met allerlei kostbare smeg- 
mata, in ivooren of kristallen nartheJda bewaard^ de wangen 
te blanketten en met het kaUiblepharon ff; de wenkbraauwen 



*) In het bekende werk yan Orelli: Tnseriptionum Latinarum se/eeiamm «»- 

plUtima cofleefio komen een aantal grafschriften met soortgelijke benamingen toot. 

Cf. cap. IX, Serm, eie» Ik citeer hier dete verzameling,, waaryan .de twee eerste 

deelen door Orelli zelf, en bet derde, 28 jaar later, door Henzen>erden nitgpgeTCD 

onder de nibriek Orelli met de doorloopend Nummers van het werk. 

t) Orelli, 2974, SS15, 2487, 6207, 2897, 41, 2985, 2952, 2970. 4397. 

$) Orelli, 2970, 7285. 

♦♦) Infelieet aneillarum, greges laborant ^ ut adultéra in ienui veste pertfieiui 
sit, etc. Seneca, Controv, XI. Cf. Clero. Alex., Paedag, II, 10. 

ft) Bg de Romeinsche lionnes, vooral onder de Keizers, behoorde het tot dea 
goeden toon, om aan de voorwerpen van weelde of smaak Grieksche namen te ge- 
ven — men noemde dat /«ror Oraeeus — gelijk men ze in onze dagen meestal 
in het Franseh pleegt te noemen. 



( 135) 

1)^ te penseelen. Mnut onze Slavin uit iu eene specialiteit van 
het toilet, waaraan de Romeinsche vrouwen zooveel zorg 
I' Tagten te besteden, dan neemt z^ plaats onder de structures 
capiUaturae^ gelijk ze Tertullianus niet onaardig noemt *). 
]n die betrekking zal zij als unctriv of unguentaria f) de 
liaar vlechten barer meesteres met spuma Batava §) moeten 
blond verwen, of als kapster van beroep, hare kunstvaar- 
digheid als ornatrix, en vooral als a tutulo ornatrix **) kun- 
nen toonen. Wordt haar daarentegen de zorg opgedragen 
voor de sieraden der domina of andere kostbaarheden, dan 
lieet zij beurtelings: ah omamento^ ad margarita, a Coriti'- 
thiis (bronzen vazen), ab auro potorio, ab argento escario^ 
etc, tt). Zelfs kan het gebeuren, dat haar eenige roeping 
zal z^n, om hare meesteres als pedisequa §§) den waaier van 
pauweveêren en de umbella na te dragen, én met den ambts- 
titel van a cura catéUae ***), voor het geliefd schoothondje der 
matrone te zorgen, of hare favorietslangen ftt) te bewaren, en 
de ivooren vogelkooitjes van het aviarium schoon te houden. 
Alligt zou men vermoeden, dat de Christen slavin in deze 
kleine wereld van edelheid en weelde een ietwat drageLgker 
lot en heuscher behandeling zal vinden. Doch ook deze ver- 
ademing in haar beproefd leven zal haar slechts zelden wor- 
den gegund. Dikw^ls toch zal z@ eene meesteres moeten 
dienen van hetzelfde karakter als de matrone, welke de vorst 
der hekeldichters in zijne zesde Satire, waar h^ het toilet 
oener Bomeinsche dame beschrijft, zoo aanschouwelgk heeft 
geschilderd. Is zg aan zulk eene huisfurie overgeleverd, dan 



•) Tertull. Pe euUu foêmin. c 7. 

t) OreUi, 4801, 4991. 

§) Aldus letterlijk b^ Martialis, VIII, 33. 

■**) Orelli, 2974, 6288. De tutufuê wa« een soort van hoog ktipsel. 

tt) Orelli, 763, 2828, 2974, 6285, 6308, 6445, 2897. 

§§) Orelli. 6327. 

•••) OrelU, 2910. 

fff) Zeker soort van tamme en onschadelijke nlangen, in de wandeling Ep^daw 
yitehe draken genoemd, die eene aangename koelte van zich afgavps, wanneer t^ in 
de handen of aan de borst werden gelegd. Cf. Plin. Hitt, nat, XXIX, 22. Böttiger 
Sauna, S. 135. 



( 136 ) 

loopt z^ telkens gevaar otn, gelgk de beklagenswaardige 
Psecas van Juvenalis, bg de minste onhandigheid, wegens 
elk beuzelachtig verzaim, op de gruwzaamste w^ze te wor* 
den gekweld. Imoiers, drukt z^ b. v. als ornatrix harer mees- 
teres, bg ongeluk wat te hard met het calamistrum op een 
haarvlecht, en brengt z^ een cindnnus wat te hoog aan, of 
misplaatst z^ b^ vergissing eene vitta, en kreukt z^ onder 
't kappen een rozenblaadje der phüyra *) : dan zal haar de 
verbolgen matrone, in een aanval van ongetemde drift, den 
zilveren handspiegel naar ^t hoofd werpen t)i haar met 
de nagels het aangezigt openkrabben, of met de gouden 
haarnaald in den ontblooten arm of boezem steken §) ; indien 
zg al niet gebiedt de onbeholpen andlla met leederen rie- 
men te geeselen : 

Disponit crinem laceratis ipsa capillis 
Nuda humero Psecas^ nudisqtie mamiUis. 
Alitor hic qxtare cindnnus? Taurea punit 
Continuo flexi crimen facinusque capilli**}. 

Misschien is er toch éene plaats in de aanzienlijke woning 
harer meesters, die aan de Christen slavin eenige veiligheid 
aanbiedt tegen zoo grievende mishandeling en verguizing. 
Ver van het woelige gedeelte des gebouws zgn, in het sla- 



*) Cf. Seneva. De ira. II, 25. — Men noemde JPkilyra een krana van enkel rd-> 
/enblaadjes, schobbenvormig over elkander ^'elegd. 

f) Bij Martialis (UI, 58) werpt de Domina Lalage bare omatrix Plecnsa met 
den handspiegel naar het hoofd: 

ÜHUi de toto peceaverat orbe eomarum 

Annulus, ineerta nom bene ßxut aeu: 
Boe faeinus Lalage tpeeulo quo viderat tUta est. 

Et eeeidit sectie ieta Fleeuta eomie. 

$) Cf Ovid. Ars am. III. 239: 

3\tta sit Ornatrix: odi quae saueiat ora 
üncuibvs, et rapta brackia figii aeu, 

**) Juvenal. Sat. VI. Ook bijj Chrysoatomns vindt men eene proeve dezer wreed, 
aardigheden. — De Domina ontsteekt in woede. Be voorbijgangers hooren haar 
razen, en tevens de jammerkreten der jonge slavin, die geheel ontkleed en aaa 
een sofa vastgebonden, wordt gegeeseld. Hierna gaat de Domina naar het bad, 
begeleid door hare deerniswaardige ancilla^ die haar bebloeden rng iu 't openbaar 
ten schouw draagt. Cf. Chrysost. Hom, 15 in Ephes, § S. 



( 137 ) 

Yenkwartder, ook de vertrekken Toor de kinderen des huizes 
aangebragfc. Daar kan onze Slavin worden aangesteld als 
nutrix der kleinen^ of zelfs als leermeesteres van de jon- 
gere dochters der Domina *). In het gezelschap dier jeug- 
dige bevolking zal z^ zich betrekkelijk gelukkig gevoelen, 
al moet z^ ook als sphaerista f) met de follü of de pila 
picta spelen, en zich voortdurend klein maken met de klei- 
nen. Trouwens in deze omgeving heefb zy welligt de beste ge- 
legenheid, om ook voor hooger doeleinden werkzaam te z^n. 
Hoeveel leed en miskenning zal haar niet worden verzoet, 
indien z^ er in slagen mag, om in die nog onbedorven har- 
ten de liefde tot God en de christelijke waarheid te doen 
ontkiemen! Aan welke straffen zou zg zich niet bl^moedig 
willen blootstellen, welk offer zou z^ niet volgaarne brengen, 
al ware het ook haar leven, indien z^ tegen dien prgs het 
welslagen van haar huiselgk apostolaat mögt koopen! Dat 
hare pogingen dikwgls met een gunstig gevolg werden be- 
kroond, getuigt ons de geschiedenis der oude Kerk, waar zg 
eenige dier nederige verbreidsters van het Christendom en 
hare bekeerlingen met name vermeldt. Doch meestal zullen 
wel de vreedzame overwinningen, welke de Christen nutrix 
of andlla op het Heidendom behaalde, verborgen zgn geble- 
ven binnen de afsluitings-gord^nen van het slavenkwartier, 
waar achter de wgsgeer Celsus ze wilde gaan bespieden. 
Vaak toch zal de nood der t^den, vooral wanneer het meer 
aanzienlyken gold, de geheimhouding van hun overgang tot 
het Christendom hebben gevergd. Maar uiterst zelden, wel- 
ligt nooit, zal het der Christen slavin gegund z^n geworden 
den sluier der verborgenheid in de bekeeringsgeschiedenis 
harer meesters op te ligien : gel^k het, blgkens een nc^ be- 
staand opschrift van het jaar 217, door den vrggelaten slaaf 
Ampelius, ten opzïgte van zgn vorigen heer Prosenes, kon 
geschieden. Aan dezen Prosenes, die vroeger zelf een libertus 
der keizers Marcus Aurelius en Verus geweest was, en later 



*) Het is bekend dat, te Rome vooral, de opToeding der jongere kinderen bijna 
geheel aan de slaven werd oyergelaien. 

t) Orelli, 2974. 6445. 



(138 ) 

aan het hof yan keizer Commodus *) de hoogste ambten had 
bekleed, was bij z^d overladen door z^ne slaven uit dank- 
baarheid een grafbeeken opgerigt, bestaande in een fraai ge- 
beitelden Sarkofaag, met geniën en hippogryphen, die nog te 
Rome in de Villa Borghese bewaard blijft. Het volgend op- 
schrift; dat er aan de voorzijde op geplaatst is, bew^t dat 
de oprigters in den waan verkeerden, dat hun meester b^ 
z^n afsterven nog een Heiden was: 

11 • AVREMO • AVGG • TilB • PROSENKTI 

A CVBICVLO • AVQ • 
PROC • THESATKORVM 
PROC • PATRIMONI • PROC • 

MVNERYK • PROC • VINORVM 
ORDINATO AdIvO COMMODO 
IX KASTRENSE PATRONOPlIsSiMO 

LIBERTI . BENEMERENTI 

SARCOPHAGYM DE SVO 
ADORNAVERVNT • 

Maar één was er onder de slaven van Prosenes, Ampelius 
genaamd en zelf Christen^ die het vertrouwen had bezeten 
van zgnen meester, en in het geheim van diens overgang 
tot het Christendom was geweest. Afwezig bg zgns Heeren 
overlgden, voelde hfl zich, in de stad teruggekeerd^ gedrongen 
om aan zgn meester den eerenaam van Christen, althans 
voor de nakomelingschap, te verzekeren. Hg waagde het dos 
om op den achterkant van den sarkofaag, op den mg en 



*) In de omgeving van keizer Commodns en aan z^n hof schynen destijds neer 
Christenen geweest te z^jn. In de voor eenige jaren ontdekte, en reeds zoo beroemd 

geworden, ^c^ocro-oou^ava wordt het vroeger door sommigen, o. a. door Fahriciiu 
betw^feld berigt van den geschiedschrijver Dio omtrent Marcia (de concnbine ran 
Commodus) welke den Ch listenen zeer genegen, en welligt zelve eene Christin 
was, bevestigd. De schrijver der OtXoT. noemt haar fiX69eoç, en verhaalt hoe 
door hare bemiddeling Pans Victor van Keizer Commodns de bevr^ding verkre«^ 
van een aantal Christenen, die ad nrntalla in Sardinië veroordeeld waren, en o. a. 
van Callistna, die naderhand paus werd. — Paus Victor beschouwde hier bl\jkbaar 
de verhouding van Marcia tot Commodus als een huwelijk, een inaequafe comm' 
ffium, gel^k het Concubinaat ook nog later in het Romein sehe Regt genoemd werd. 
Commodus' vroegere gemalin Crispins was reeds in 188 wegens echtbreuk ver- 
stooten en ter dood gebragt. Cf. Oc^off. ed. Duncker, p. 466, en Döllingcr, BipfoL 
ff. KaUistms, S. 188, 



( 139 ) 

tasschen de vleugels van een der hippogryphen, met kleine 
letters, en als ter sluiks, dit b^schrift te beitelen, waarvan 
thans een gedeelte onleesbaar is geworden *>: 

FkOSXKBS XICRPTVS ADOEVX ■ V > MOV 118 2VXA • PUSBITTK • ST • BZTIICATO • Il • 

HEORXDRNS VEBE AB FXPSDITI OmBYS 8CBIPSITA1IFKLIV8 UB 

De aandrang van het geloovig en dankbaar gemoed, waar- 
aan hier de Christen slaaf Ampelius gehoorzaamde uit liefde 
voor zyn heer Prosenes, receptus ad Deunt ^ die hem had 
vr^gemaakt, laat zich allezins verklaren, — maar, wat den 
welligt onafhankelgk geworden liberttis doenl^k was, zal wel 
nooit aan eene arme andllay ten opzigte van hare tot Christus 
bekeerde domina^ mogel:9k geweest z^n. 



Er waren nog andere beproevingen dan de hierboven ge- 
schetste, welke de Christen Slavin in de woning harer hei- 
densche meesters voortdurend het leven kwamen verbitteren, 
en die nog smartelgker voor haar waren, dan alle stoffelgke 
mishandelingen en ontberingen. Ik bedoel de gevaren, die 
hare knischheid bedreigden, en de feitel^ke aanrandingen, 
waaraan zij blootstond. Niet alleen wanneer zg door hare 
meesters in de werkplaatsen van het gynaeceum, vooral in het 
pistrinum of de baphia, werd gezonden, waar ook mannel^ke 
slaven, meestal van de laagste klasse, arbeidden, was hare 
eer in gevaar; maar ook van den heer des huizes zelf, van 
z^ne zonen of vrienden stond haar in dit opzigt het ergste 
te wachten. Men behoeft zich slechts te herinneren welke 
denkbeelden de Ouden over de zedel:gkheid en kuischheid 
hadden; hoe weinig z:y die deugden, vooral in een slaaf, 
achtten en ontzagen, en hoe wreedel^k toegevend daarb^ de 
Romeinsche wetgeving op dat punt was: om te begrijpen, 
welke afmattende str^d van ieder oogenblik de weerlooze 
Christen Slavin te midden van hare heidensche omgeving 
had te voeren. Niets beschermde haar tegen verleiding of 
geweld. De eer der slavinnen was het eigendom des mees- 



*> Cf. De Kossip Itucript, christ, urbiê Romae teptimo saee. antiquiorea^ p. 9, 
nnm. 5. — Fea, BuUet, delV IstiL di Corritp, archeoL, an. 1830, p. 123. 



( 140 ) 

ters ; en de wet liet toe, gel^k Seneca getuigt, dat ook aan 
de reinste maagden geweld wierd aangedaan: invitas pati 
stuprum *) ; wfll een slaaf — voegt er de w^sgeer bg — het 
regt niet heeft van neen te zeggen f). Wat aan den Heer 
was geoorloofd, kon deze ook aan zijne vrienden toestaan ; en 
indien wij Plautns mogen gelooven, was het schandel^kst 
verkrachten der maagdelyke onschuld en eer een bew^s van 
elegante zeden, en een middel om jegens z^ne vrienden de 
gastvr^heid hilare atque ampliter te oefenen §). Walpschhd^d 
en geldzucht reikten zich hier de hand. Bg de steeds toe- 
nemende weelde zochten zelfs »zeer achtings waardige lieden/* 
honestissimi viri, gel^k zg bg Ulpianus heeten **), van het ver- 
huren hunner huizen tot bordeelen, roordeel te trekken. Door 
tusschenkomst van die afschuwelgke lenae^ welke Plantas 
zoo schilderachtig feles virginariae noemt ff), werd er jagt 
gemaakt op elke jeugdige schoonheid; wgl eene slavin, die 
voor de prostitutie kon worden gebruikt, ruim dertigmaal meer 
waarde had, dan eene gewone anciUa. Ja, zelfs Bomeinsche 
consuls, gelgk Cicero van Grabinius verhaalt §§), ontzagen zich 
niet, om door het prgsgeven van slavinnen in hnn eigen 
hnis, domestico lenocinio^ het evenwicht hunner geschokte 
financiën te herstellen. 

De Christen Slavin had geen andere beveiliging of be- 
scherming tegen de hinderlagen, welke aan hare dengd wer- 
den gelegd, dan de zedelgke kracht, die zg in den gods- 
dienst en haar geweten kon putten. En zóo algemeen be- 
kend bg de heidenen was de standvastigheid en ongekrenkte 
trouw, waarmede in het Christendom de knischheid plagt 
bewaard en verdedigd te worden, dat meermalen de Bo- 



*) Seneca, Conirov, V, 3d. 
f) Id., De BmuJ, III, 19. 
§) Plant, Mercator. 1, l, 100. 
♦•) Uipiau.. Dig. V, m, 87. 1. 

tt) Plaut. Per»a, IV, 9, 14. Wel verbood Keixer Hadriaoos (118— 13S) om »la- 
ven aan een leno of Una te verkoopen zonder iutla causa ; maar de meeater van 
deu slaaf waa geheel Trg gelaten in het aangeven dier imsia causa; hetgeen oa- 
tnnrlyk de wet geheel veredelde. Cf. Panl AUard, Les esd. chriU p. 174 auiv. 

\\) Cic, Bosi red, in Sen, orat,, 5. 



( UI ) 

nieinsche regters uit de reinheid der zeden van een aange- 
klaagde afleidden, dat hg een Christen moest zgn *) ; terwjjl 
daarentegen een losbandig leven door hen als onvereenigbaar 
werd aangezien met de hoedanigheid van Christen: gelgk 
o. a. de regter Gaius aan de H. Afra van Angsbnrg {an. 303), 
die TÓór hare bekeering eene lupanaria gev^eest was. Ter* 
weetf)« ^^ oudste martelaars-akten, zoowel in Ruinart's 
Acta sincera als bg de Bollandisten, leveren een menigte 
▼oorbeelden van die heldhaftige verdedigsters harer onge- 
schonden eer, welke liever allerlei mishandelingen, en zelfs 
den dood, verkozen te ondergaan, dan door ontucht bezoe- 
deld te worden: potius mori quam foedari. Ik kies hier, 
uit het tgdperk waarin zich deze studie beweegt, slechts een 
tweetal, die ik bg voorkeur opneem, wgl beide tevens eene 
proeve zgn van het dikwgls terugkeerend feit in de geschie- 
denis der vervolgingen: dat namelyk de teleurgestelde harts- 
togt zich wreekte door het belaagde slagtoffer als Christen 
aan te klagen en te doen yeroordeelen. Zoodanig was althans 
het lot, dat haar meester, een heidensch soldaat, aan de H. Dula, 
eene slavin van Nicomedië, onder de vervolging van Dio- 
cletiaan, bezorgde, omdat zg op zgn telkens dringende aanzoek 
om haar tot zgne bgzit te maken, het weigerend antwoord 
had gegeven : > De wet van Christus verbiedt het overspel'. Uit 
die besliste afwgzing werd het den wellusteling zeker, dat 
zigue anciUa eene Christin was. Zg werd door hem aange- 
klaagd, en stierf den marteldood voor het geloof en voorde 
kuischheid : pro ßde et castitate occisa est §). — Yan eene an- 
dere Christen slavin, wier glorievolle àâXrjaig door gansch 



*) In de Akten tui den hortylanuê Serenvs» die onder de Terrol/cing van Gale« 
rias MizimianaSy omtrent 807, iu Pannonie werd gemaiteld, zegt de Praeiet, bij 
wien de aangeklaagde nch voldoende bad geregtfaardigd wegens eene hem ten 
laste gelegde misdraging jegens eene aanzieulQke matrone : Uie homo Ckrisiianut 
eti^ eut indeeenH Mora dUplùtuif. muUerem videre m Aorto suo, B^ Ruinart, Aefa 
eine. p. 498. Cf. Acta SS, Bolland. Febr. 121, 71. Ed. ADtr 

f) Judex Güims dixit: TJl audio meretrix ee; eaerifiea^ quin aliemt ee a deo ehrii» 
timnorum . . . Meretrix enim quae esi, diei ehriaiimna nou potest, Rainart, /. e. p. 456. 

I) Cf. Acta SS. Bolland., Mart. Ill, 664. In sommige HS3. xooals in den Cad. 
Utuardi van ParQs en dien der Maria-kerk te Utreobt lazen de Bollandisten den naam : 
J'Aeoia, 



( U2 ) 

Egypte beroemd werd, de H. Potomiaena vau Alexandrie, 
spreken Easebius in zijne Kerkgeschiedenis en Palladins iu 
zijne H'Storia Lausiaca. Zij was van zeldzame schoonheid, 
en diende bij eeu heiden, die niet ophield hare kuischheid 
te belagen. Maar wat hij ook beproefde, het gelakte hem 
niet de reine ancilla te verleiden, welke reeds ter verdediging 
harer maagdelgke eer ontelbare aanvallen had afgeslagen*}. 
Toen klaagde h^ haar als Christin b^ de overheid aan. De 
stadhouder Aquila — het was onder de vervolging van 
keizer Septimius Severus, omtrent het jaar 207 — gebood 
haar om aan haren heer te gehoorzamen. »Als gg het wei- 
gert, sprak hij haar toe, zal ik u in een ketel met kokend 
pik doen werpen.**' — »'* ^ä verre, antwoordde de maagd, 
dat een regter zoo onbill^k zou zgn, om m^ te bevelen aan 
ontncht en losbandigheid te gehoorzamen". Zulk een ant- 
woord verdiende den dood. Potamiaena werd veroordeeld. 
Bg hare teregtstelling bezwoer z^ echter den landvoc^d 
»bg het hoofd des Keizers, dien gij vreest", om haar, zonder 
ontkleed te worden^ in het ziedend pik langzaam te doen 
nederzakken, » opdat het u blgken moge — sprak zg — hoe 
veel Igdzaamheid mii geschonken wordt door Christus, dien 
gg niet kent'* f)« Voilà — zegt Paul Allard, na van deze 
heldhaftige slavin te hebben gewaagd — voüa comment la 
pudewr chrétienne relevait r esclave. Quand une religion pouecoit 
mettre dans la bouche d*une fille sans défense de telles paroles, 
il faut reconnaître que V apparence seule de V esclavage subsistait 
encore: sa vraie force était brisée §). 

Men zou hier de vraag kunnen opperen, of de Christen 



*) Mupca fiffv vnep t^ç töu auftaroc céyvscoc xs xai napBsviaÇy èv iq 
Jcirpe^e, irpôç èpatrxàç àytaviaoLfiivriç* xaï yap ouv aùr^ àxfiaïùv ttpoç rii 

^XV *** "^^ "^^^ (jw^aroç ùipaioit «TnjvOgc* x. t. >. Enseb. H, E. VI, 5. Ed. 
Migne, II, 532. 

t) Per caput impereUoris quem tu times, si statuùU sic me tupplieio officer e ^ m 
iusseris me exui, sed iube me paul/atim in picem fervent^m dffM^^t piäeat 
quantam mihi largitus est paticntiam Christus, quem tu f^(»râ«;<.T.'BulBvt« Ada 
sine. p. 123. 

f) Paul Allard, /. c. p. 267. 



f 143 ) 

ancüla nooit eene pogiug waagde, om zich door de vlugt aan 
zulke gruwzame mishandelingen te onttrekken? Vermoedel^k 
koos zg menigmaal dit uiterste redmiddel om hare eer te 
beyeiligea: gelijk o.a. van de slavin Sabina wordt verhaald, 
die omtrent het jaar 250 te Smyrna, op het jaargetij van 
Polycarpus' overlijden, den marteldood onderging *). Bij 
eene heideusche meesteres in dienst, welke haar tot afval 
vau het Christendom wilde dwingen, vlugtte zg naar de 
beiden; doch werd kort daarop aangehouden, als Christin 
aangeklaagd en veroordeeld. Wat aan deze Sabina gebeurde, 
zal wel het lot geweest zijn van de meeste slavinnen, die 
zich door de vlugG poogden te redden. Immers de Christen 
ancilla mocht niet, gel^k hare heidensche gezellen, eene schuil- 
plaats gaan zoeken in een of anderea tempel of by een 
afgodisch altaar, waar zelfs de l^feigene soms veiligheid vond ; 
maar kon enkel op goed geluk de woning harer meesters 
outloopen. Werd zij daarna gevat, dan wachtte haar in 
t:gden van vervolging gewoonlgk een geweldige dood, en an- 
ders de gewone straf der voortvlugtige slaven, de brand- 
merking op het voorhoofd of aangezigt en de veroordeeling 
tot zwaren arbeid. Waarschijnl^k zal derhalve menige voort- 
vlugtige slavin, wier leven gespaard bleef, hare straf niet 
zgn ontgaan, maar als stigmatias f) het onuitwischbaar bewijs 
van hare gewaagde ontsnapping — de ingebrande F — op 
haar voorhoofd hebben rondgedragen. Dit althans moeten wg 
aannemen voor de fugitivi otfugitivarii der eerste drie eeuwen. 
Want eerst later, na Couótant^n, kwamen de ^zeren hals- 
banden of collaria §) in zwang, waarvan er in verschillende 



*) In de Akten van den H. martelaar Pion ins, bij Ruinart, /. c. p. 140 — 152. 
Cf. Euseb. n. E. IV, 15. 

t) Zeker van arcyfuiTia^ Aldus noemt o. u. Cicero {Oßc\ II, 7) een gebrand- 
merkten slaaf. De /iùtirti lochten bet stit/ma door pleister» te bedekken, of op an 
dere wij^sen minder zigtbaar te maken. 

§) De Grieken noemden ze mpiTpa^iikia en ntpiâépzta. Ju de "^AUAmvic van 
den H. Basiliscus, die in de Grieksche Menaeën op den 22 Mei voorkomt, wordt deae 
martelaar met een 9repcT|9a;^iQX(ov om den hals teregtgesteld, wQl hij ootvlugt was. 
Cf« Hasochi, Commeni, in vet. marmor, «. ecele4, Iifeapoi, Kalendariitm^ II, 418, 



{ 144 ) 

verzamelingen nog een twintigtal *) z^n bewaard gebleven, 
en die op een daaraan vastgeklonken plaatje, dat men bulla 
of Uimina noemde, den drager als voortvlufftige aandnidde<» en 
tevens den naam^ soms ook de woonplaats van den eigenaar 
bevatte, gel^k in dit opschrift: 

lANVARlVS DIC 
OR SKKVVS • SVM • DKX 
TRI £XC£PTORlS • SENA 
TVS • QVI MANET IN RE 
GIONE QVINTA IN A 
REA HACARI 

Op slechts éen der nog bestaande exemplaren — thans be- 
waard in het Museum Kircherianum — wordt eene belooning 
beloofd aan den aanhouder: 

FVOI TKNB ME 
CVM REVOCV (sic) 
VERIS ME • DM • 
ZONINO ACCIPIS 
SOLID VM 

Fugi; tene me; cum revocaveris me domino meo Zonino^ 

accipü êolidum f). 
Deze collaria met hunne aangeklonken bullae schgnen eerst 
in zwang te z^n gekomen, nadat Keizer Constanten bg 
eene wet§) had verboden, om voortaan slaven te brand- 
merken, uit eerbied — zegt het rescript — voor de hemel- 



•) Cf. De Rossi, Bullet, 1874, p. 41—67. 

f) Bit opschrift wordt ook gevonden by Orelli, onder num, 4819, met de ttn- 
merling : in coHari argenteo canis, en verwijzing nsar Maffei, Mvs, Veron, p. 262. 
num. 4. Maar by MafiTei /. c, staat alleen als byschrift: lm eolfari iuueo. Vermoe- 
del^'k heeft Orelli hier aan de eeuige inscriptie van een nlveren honden-baUbaod 
gedacht, die b\j Ferrari {Inter, p. 202) voorkomt: 

MILLTM • ABOBNTSVM 

LI8AB . CATBLLAB 
CLT8I • MBI8 • MAKIBTS 
LVCILLA 

of heeft de twee iabellae eanum. Aortas euftodientium, die ^ werkelyk in Maffei's 
werk p. 8(^1 n. 1 z^n te vinden, met het hierboven bedoelde verward. Cf. MorcelH, 
l)â »tUo inteript, Latin, p. 408. 
{) CW. Thßoäot, IV, 40, 2. Cad, Juttin. IX, 47. 17. 



J 



( 145 ) 

sehe schooaheiJ; waarvan hun aangezigt het beeld draagt *). 
Aaa deze verzachting der straf voor ontvlugte slaven heb- 
ben zeker eenige Christen beeren willen herinneren, toen 
zij op de bullae^ voor hnnne ftigitivi bestemd, het christelyk 
Monogram lieten plaatsen f), dat werkel^k op vgf dier 
plaatjes of laminae gevonden wordt, waarvan het volgende 
er eeu is: 

1^ TENEME -^ 

ETREVOCAMEIN 

FOllOMARTlSAD 

MAXIMIANVM 

ANTIQVARF 

VM 

In het opschrift dezer lamina wordt evenmin als in de vorige 
de naam van den voortvlugtigen slaaf vermeld. Maar overal 
waar dit wel het geval is op de tollaria in De Rossi's ver- 
zameling, leest men een mannen-naam. Zouden welligt, dacht 
ik, die halsbanden nooit voor vrouwen in gebruik geweest 
zgn? Een nader onderzoek bg Fabretti, die reeds in 1702 
elf destijds bekend geworden opschrifken van slaven-co/fan'a 
iu zijne epigraphische verzameling §) opnam, gaf mg hier- 



*) Pignoriuü in zijn bekeud werk De Servit eorumque minitteriU ',Patav. 1613) 
en vooral Spon hebben den oorsprong ea bestemming dezer bullae bet best verklaard. 
Jntiquis Bomanis^ zegt de laatste, mos eral servos a juga reevperaios stigmate 
notare, hoc est iiterii aut notis quibusdam Jrontem inurere. Cum vero Constantinus 
id vetuisset, qnod dedeceret faciem, quae ad similitudinem coelestis palchritndinis 
est figurata, maculari, contumeHam froutis ad coUaria quae fttgitivis aptabirttur, 
iranstulerunt ; in guibus iHscriptum^ domini nomen aut saltern in laminii iis 
appensis legebatur. Ct Spon, Miseell, erud, antiq, p. 300. 

f) De Rossi hondt de collaria met opschriften, doch zonder aangehechte /Amm 
of bulla, voor de oudsten, reeds vóór Constant\jn gebruikelijk. De bullae waren, 
volgens hem, een gevolg van de wet tegen de branduierkinjc der slaven. Cib posio, 
zegt h\j teregt, non dee fat marapt'glia ehe il monogramma di Cristo sia stato 
lat volta segnato su quelle bulle ; il cut uso era una mitigazione del castigo e delle 
cauUU contro i servi fugitivi suggeriia da eristiano rispetto alia umana dignifà 
e fronte^ salla guaU splende un raggio di luce celeste. Cf. Bullet, 1874, p. 61. 

{) Raph. Fabretti, InseripU anlig* p. 522, n. :3(>6. 
vimL EK McnBD. iro. lettcbk. 1^*^ rkeks. okkl Vill. lo 



( U6) 

omtrent de noodige opheldering. Ik vond daar het volgende 
opschrift met een vrouwen-naam : 

PTEONIA TKNE ME QVIA FVGl Biö KT 
KEVOCA ME AD DOMV (äw) ATHKODOTENIS 
AD DOMIXVM MEVM VITALIONE (sic). 

Het Igdt dus geen twijfel, dat ook voor ontvlugte slavinnen 
de vroeger besprokene bullae gebruikt zijn geworden, doch 
omtrent het t^dperk van Arcadius en Honorius geheel zijn 
afgeschaft. In het t^dvak daarentegen vóór den vrede der 
Kerk was de brandmerkiug op het aangezigt de gewone straf 
der voortvlugtige slaven, en deze werd eerst bij de wet van 
Constanten den Groote door de collaiia met aangeklonkeu 
btdlae of laminae vervangen. 

Behalve de vlugt, die maar zelden gelukte *), bestond er 
voor de Christen slavin nog een ander middel van uitred- 
ding: de vr^lating. Deze kon zg met toestemming der mees* 
ters, welke de som bepaalden, door langdurige spaarzaam- 
heid, tot zelfs op hare voeding — ventre f raxidato 'çi^^ men 
te zeggen — • afkoopen; of ook wel door eene welwillende 
beschikking van haren heer, soms bij zijn leven, gewoonlgk bg 
testament, verkrggen. Dan werd de ancilla of «erra, oüschoon 
altoos nog in zekere ondergeschiktheid aan hare vroegere 
meesters blgvend, eene liherta of libertina. Het is zeker, dat 
onder het groot aantal der aldus vrijgelatenen, vooral in het 
tgdvak der Keizers, waarvan er zelfs eenigen tot groot aan- 
zien en rgkdom stegen, ook menigmaal Christenen zullen 
geweest zgn. Zoo hebben b v. de meeste exegeten, waaronder 
ook Grotius, in de sandig qui de Caesaris domo s^mt, wier groet 
Paulus in zijn Brief aan de Philippensers IV, 23 overzendt, 
niet alleen slaven, maar ook liberti gezien. lusgelijks verze- 
kert TertuUiaan, in de beroemde plaats van zijn Apologeiicws^ 
waar hg over de toenmalige verspreiding des Christendoms 



4 

*) Een eigenlgk tocvlogtsoord, asyium, gel^'k er te Athene voor de slaven 
beatood, was er te Rome niet. Daaientegea yormde het opsporen en aaohondeo 
f»a Vüortvlagtigen een eigenaardig bedr^f, diit der fugUiparii. 



( 147 ) 

spreekt, dat zelfs in de paleizen der Caesars de Christenen 
niet ontbraken '*'}: hetgeen op goeden grond ook de aanwe- 
zigheid yan liberti onder hen kan doen onderstellen, w^l de 
dienende hofhouding der keizers, gel^k Pignorius in zgn 
werk De servis heeft bewezen, grootendeels uit vrggelatenen 
bestond f). Maar nog beslissender is het getuigenis yan Euse- 
bius, die in zgne Kerkgeschiedenis verhaalt, dat onder de 
familia van keizer Alexander Severiis de Christenen de meer- 
derheid uitmaakten, en dat zij in het paleis vaa keizer Vale- 
rianus zóo talrijk waren, dat zij op zich zelven als eene 
»kerk" vormden §). Het verdient echter allezins opmerking, 
hoe ook ten aanzien der liberti de christelijke Epigraphiek 
een even stelselmatig stilzwijgen bewaart, als zij, op zeer wei- 
nige uitzonderingen na, gelijk w^ later zien zullen, ten op- 
zigte der slaven doet. Terwijl immers op honderden van hei- 
densche inscriptiëu Vrjigelatenen van beider geslacht in al 
hunne verschillende categoriën en benamingen voorkomen, 
leveren al de christelijke opschriften, welke tot hiertoe z^n 
bekend geworden, er slechts eenige zeer weinige van liberti **;. 
Onder dezen hebben wg reeds vroeger, opbladz. 139, kennis 
gemaakt met deu Christen libertus Ampelius, die het daar 
vermelde postscriptum op den Sarkofaag van zijn vroegeren 



*) Zlestemi turn m et vestra omnia impieinmus, urbes, imulaSt easieila, muni' 
eipia, conei/iabuia, easfra ipsa, tribut , tücuriat, palatiitm^ senatum, for ttm. Sota VO' 
bis reliqtnmua tem; la, Tertiill. Apolog. c. 37. 

t) Cf. Pißnor. De tervit, c. 26. De Flortatijoer oudheidkundige, Jo. I^amii 
heeft in zijn geleurd werk De eruditione apostolorum aaciceloond, dat onder de 
bekeerden tot het Christendom te Rome een groot getal liberti waren. Cf. /. c. 
p. 216 sq. 

\)'0q [Ke'ztr Maïimiousj or, xaxot XOTOV Tov itfoç AXfÇscv^pou [K.Alex. 
Severns] oixov èx TrXccovuv ttittûv wvsorÜTa, ^tuy/xôv èysipctç, x. t. 'X. 
Eu3cb. Ü, £. VI, 28. éd. Mign^î II, 538. — ITà; c oîxoç aÙToO [K. Valeria- 
îim] Ô20<jej3wv 7rirr)iô|)»T0, xal 5v ixxXïiO'cx 6£0Û. Euseb. /. e. VII, 10. cd. 
Milane, p. 858. 

^*) De Rusai gceft de verhonding aldus aan: £je ingenti tredecim saltern mil- 
Hum ehristianaruM irucriplionum muliitudine ( Urbis enitn et prnvinàarutn inscrip' 
* tiones couipuiavi) pauca aegre colligi potueruul ear um appetlationuM exempta, 
quae in eihuicis a'ieo frequenter occurrunt, ut si tilulos omnes^ in quibus servi 
vel liberti uominanlur, ejiscribere pergas, tola fere tibi veterum inscriptionum mh 
/umina sint er'cri'ff^ida. Cf. Pitrn, Spieil, ^o/ésm. IV. p. 53S. 

10 ♦ 



' 148 



/ 



lieer aanbragt. Behalve dit grafschrift; aan De Bossies Iw 
scriptiones chriaU urbis Ramae door mg ontleend, heb ik in de 
drie lijvige deelen der Roma Sotterranea van deuzelfden Ge- 
leerde, slechts drie inscriptiên van liberti aangetroffen *,. 
Deze, vereenigd met twee of drie iu andere verzamelingen 
vermeld f)» met nog vier of vgf {echter van later dagteeke- 
ning] door Le Blant in zgne Inscript. chrét. de la Gaule 
medegedeeld §), en met enkele weinige, door De Rossi, als 
vrucht z^ner laatste navorschiugeu in de Catacomben in z^n 
Bullettino opgenomen **), maken allen te zamen een zeer on- 
beduidend getal uit, tegenover de meer dan dertien duizend 
opschriften, welke de christel^ke Oudheid kan aanwijzen. De 
zeldzaamheid van eeue formule, tot hiertoe zonder voorbeeld 
in de christelijke Epigraphiek, welke op een der laatst ont- 
dekte opschriften van liberti voorkomt, doet mg hier aan 
dit unicum eeue plaats inruimen. Gelyk men opmerken zal, 
stelt er de stichter dezer begraai^laats als voorwaarde voor 
de opneming daarin van zgne liberti en libertae^ dat deze 

AD BEMGIONEU PERTINENTES MEAM Zullcn ZgU : WClko formule 

in den aangegeven zin, gelgk De Bossi uitvoerig betoogt, 
volgens het toenmalig .spraakgebruik, alleen door een Christen 
kon worden gebezigd. Van deze voorwaarde zelve vindt men 
echter, met eene gewijzigde formuleering, een tegenhanger 

m 

in den klassieken titulus van Marcus Antonius Restitutus, 
uit het Coetneterium van Domitilla, waarop deze sj^n hypo- 



*) Cf. De Rossi, /. e, 1, 884, tav. XX. 8; en lil, 139. 818, ta?. XXTI, S. 

f) Cf. Pitra, SpieiL Soleam, IV. 687. Behalve zestien chriatelgke opschrifteo Tan 
Carthago, ia het Rgks Maseam van Oudheden te Leiden, welke door De Ro&si 
in zijn Brief aan Dom Pitra (thans Kardinaal) toegelicht en verklaard zgu. vood 
laatstgenoemde in de niet altoos betroawbare Sehedae Borgianae van hetzelfde 
Masenm. de copie van een grafschrift uit Tonis afkomstig (en door sommigen 
wegens een daarop zigtbaar kroisteeken, voor christelijk gehouden), waarop zeker 
Felici«siroos dulcU vemaculu* wordt genoemd. Ware deze grafsteen inderdaad 
van christelgken oorsprong, dan zonden we hier het eerste voorbeeld van eeo 
vema of vemaculut op een christelgk epitaphium voor ons hebben: ieti wat 
De Ro98i getuigt nog nooit te hebben aangetroffen Doch dezelfde Geleerde heeft 
l. e, overtuigend bewezen, dat het grafschrift van Felicissimcs niet tot de chris- 
telijke kan worden gerekend. Cf. Pitra, /. c. p. 506 sq. 

S) Cf. Le Blaut. /. c. I, IIB sv. 

**») Cf. Bull, 1865, p. 58 en 1875, p. 59. 



I 149 ) 

geum zegt te stichten sibt et svis, maar met de beperking: 
yiDBNTiBVs IX DOMINO *). Zie hier overigens het bedoelde 
opschrift, dafe in 1865 te Rome in de Villa Patrizi werd 
gevonden f): 



MONVHENTVM VALERI M 

EBCVRI ET IVLITTES IVLIAN 
I ET QVINTIIiISS VEBECVKDES LI 
BEBTIS LIBERTABVSQVE POSTE 
RISQVE EORVM AT RELIGIONS 
M PERTINENTES HEAK HOC A 
MP LI VS IN CIRC VIT VM CIRCA 
MONVMENTVM LATI LONGI 

PER PEDES BINOS QVOD PERTIN 
ET AT IPSVM MONVMENT 



Tot hiertoe is in onze levensschets der Christen Slavin 
een toestand onaangeroerd gebleven, die in menig opzigt 
een overwegenden invloed op haar leven kon uitoefenen. Ik 
bedoel de mogelijkheid, dat zg voor hare bekeeriiig reeds 
door een contuberiiium — zoo noemde men in het fiomein- 
sehe Begt dp. echtelgke vereeniging van slaven — met een 
Heiden verbonden was; of dat zij, na haren overgang tot 
het Christendom, een huwel^k aanging. Beide hypothesen 
verdienen, mijns inziens, opzettelyke toelichting §), zoowel 
om de naauwkeuriger kennis, die wg hier kunnen opdoen 
van menige eigenaardigheid uit het leven der eerste Chris- 
tenen, als wegens het licht, dat hare verklaring kan afwer- 



^) Cf. De KoBsi, Roma Soit. I. 109. 

f) Cf. De Rossi, BuiL 1S65, p. 54. 

f) Munter heeft in zijne Christin im heidnitchen Haute wel een ige bladzgden 
tian lie Chritttiehe Skiavin gewyd (S. 64— 79), maar over het contubemiuM eener 
afuiita — dat toeh voor eene Christin ook een waarhnwelgk kon zgn — geheel 
gexwegen. 



( 150 ) 

pen op de verhoading, waarin zich, ten aanzien dier gewig- 
tige aangelegenheid, de Kerk in die dagen tegenover de 
burgerlgke maatschapp^ en de toenmalige wetgeving bevond. 
Ik meen het logisch verband tusschen de beide onderdeelen 
van ons onderzoek het best te bewaren, wanneer ik hier 
aan het laatstgenoemde de eerste plaats geef. 

Het hnwel^k van een slaaf was in de Romeinsche wetge- 
ving geen matrimonium^ maar slechts eene feite]:yke zamen- 
leving, waarop het regtsbeginsel Servile caput nullum ius 
habet*) in den volsten zin toepassel^k was. Als tolken der 
publieke opinie in dat opzigt roepen in de Casina yan 
Plautusf) eenige omstanders met verbazing nit: >Bg Her- 
cules! het huwelgk van een slaaf! wie heeft dat ooit ge- 
hoord: een slaaf die huwt? dat is in striyd met de zeden 
van alle volken*' ! En inderdaad^ het huwelgk der slaven was 
in de heidensche maatschappg eene bloot physische verhou- 
ding, eene fictie, waarvan de verwezenlgking van de wel- 
willendheid of oogluiking der Heeren afhing. Daarenboven, 
wijl te Bome het getal mannel^ke slaven beduidend grooter 
was dan dat der vrouwel^ke, werd het, alleen daardoor, aan 
velen onmogelgk om eene vereeniging van eenige duurzaam- 
heid te sluiten, ook dan, wanneer de Heeren zulks toelieten, 
en het niet verkieslijker achtten, gelijk o. a Plutarchus v&n 
Cato, dat toonbeeld van Bomeinsche deugd, verhaalt §), om 
aan hunne slaven het huwel^k te verbieden, of anders hun 
de onregelmatige bevrediging der geslachtsdrift tegen geld te 
verkoopen. Gelukte het echter den slaaf eene levensgezellin 
te vinden, dan noemde de Wet, gel^k wg reeds opmerkten, 
zulk eene vereeniging contubemium (in tegenstelling tot ma" 
timonium) en de aldus zamenle venden contubernaleè. Wat 
meer is: om zelfs allen schgn van een Hnwelgk aan dit 



•) Cf Poul.. Dig. IV. V. 8. 

t) Plaut, /. e. Prol 68-70. 

§) Cf. PlaUrch.» Caio maior, c. 21. Ook Tertollianas spreekt ran strenge 
hoeren, die aio hunne slaveu slechts zamealeving met de vrouwen in hun eigen 
huis toelieten, en vereenigingen met vreemde sJaviunen geheel verboden. Cf. 
Ad uxor. 



( 151 ) 

contnbernium te ontnemen, bad de Romeinsche wet uitdrak- 
kelijk verklaard, dat tusschen slaaf en slavin nooit overspel 
plaats greep, en het dus aan iedereen vrijstond, om het con-- 
tiiheruium van zijn medeslaaf ongestraft te schenden *) ; het- 
geen Plaiitus in zijue Captici t) doet vragen: »Is men ooit 
vader als men slaaf is*": quem patrem, qui servus est f Regtens 
werden dan ook de kinderen uit deze vereenigingen gespro- 
ten slechts aangezien als elk ander ngverheids-product — 
partus ancillarum gel^kgesteld met foetus pecorum §j — waar- 
van de eigendom en vrye beschikking aan den Heer yerbleef, 
die. wanneer het getal der geboorten te groot werd, zich 
door het te vondeling leggen der kinderen, van den last 
hunner opvoeding ontsloeg ^^). Wel is waar bragt in som- 
mige gevallen het ntiliteits-beginsel, in welks praktische toe- 
passing de Romeinen meesters waren, eenige Heeren er toe, 
om op de vruchtbaarheid hunner slavinnen oeconomische spe- 
culatiën te bouwen, — gelijk o. a. Varro aanraadt, om tot 
voordeel yan het landelijk bedr^f, aan eiken villicus eene 
vrouw te geven t+) — weshalve het vele grondeigenaars in 
finantieel opzigt doelmatig oordeelden, om — volgens het 
onbeschaamde woord van Marcianns in de Digesten — er 
ventres cum liberis op na te houden §§). Maar in den regel, 
vooral te Rome, werden een aantal der pas geboren kinde- 
reu, niet alleen van slaven, maar zelfs ook van aanzienleken, 
te vondeling gelegd oi gedood ***). Tertulliaan heeft met de 
koenste vrijmoedigheid deze barbaarschheid der Romeinsche 



♦) Cf. üiff. XLVIII, V. 6. 

}■) PlhQt., CapL III, 4» 508. 

^) CC Diff, lY, II, 12 en XX, i, 15. Gaius noemt daar onder de voorwerpen, 
die, }ioewfl Ho:; niet beschikbaar, toch vatbaar zijn voor hy])otheek, zoowel het 
kind eener zwangere slavin, aU de lammeren, die cene ooi zal werpen, of de nog 
aan den boom hangende vruchten. 

**) Cicmeus van Alexandrie spreekt van Romeinscbe matronen, die met de 
allertced erste zorg hare kuikens opvoedden, maar de kinderen harer slavinnen 
te vondeliog lieten leggeu. Cf. Vaedag. III, 4. 

ft) Cf. Varro, De Re rust, I, 17 ; II, i. 
{§) Dig. XXX, I. 21. 

***) De Ro;Deinsche Jurist Panlos kent aan den vader het onbeperkte regt toe, 
om ziju kind terstond na de gebooite te dooden. Cf. Dig» XXVIII, 11, !!• 



( ir>2 ) 

zeden aan zgne igdgenooten verweien *)^ en doet daarbjj nii- 
komen, hoe de christelgke liefdadigheid zich vaak die onge- 
lukkige verstootelingen der heidensche maatschappg aantrok t)- 
Füios exponüisj zegt h^ hun, suscipiendos ab cdiqua pnu- 
tereunU misericardia ; en het waren de Christenen Tooral die 
zich door die barmhartigheid onderscheidden : plus nostra mi' 
seficordia insumit vicatimj quam vestra reltffto teinplaiim §). 
Het is als of de christelijke Epigraphiek dit laatste woord 
van den onverschrokken apologeet op het marnier heeft wil- 
len vereeuwigen. Trouwens een zeer karakteristiek verschil 
doet zich ten opzigte der alumni tnsschen de heidensche en 
christelgke grafschriften voor. Op de eersten is de vermelding 
van een alumnus eene groote zeldzaamheid, gel^k OrelU 
reeds heeft opgemerkt **). Onder duizenden van opschriften 
vindt men er naauwl^ks meer dan twintig ft)- Het tegen- 
deel is het geval met de christelgke epitaphiën. Daarop is 
het getal der alumni betrekkel^k groot. In Le Blant*s In- 



*) Quot vultit ex iptü eiiam . . . »evaittimù apud eonseiemiias puisem in na 
praesidiÓMM qui naiot siàt liberos eneeent? . . . aut frigariy et fami^ el eanÜMt 
expauUiêf Apalog, c. 9. L^ctantiu» getuigt hetz-clfde: Natos ex ee fmeroe tlrétmfm- 
fani aut ti nimium pü fuerint, exponunt, Div. ituL V, l. 

f) Wanneer een Heiden sich over een Tondelin^ erbarmde, was het lot van 
deo ODgclnkkige no« ellendiger, i» eontingat ut alatur [alumnut], zegt Lae- 
taotius, eerto addixU [jpater] êangminem tuum ad iervüutem vel ad lupauar [JX». 
intt. VI, 20). Zelfs voor den paederûstiscben gruwel werden zij misbruikt. 
(Cf. Clem. Alex. Faedag, III, 3). £en priester van Mithra draagt er roem op 
(Orclli. 6042), dat bij: BASIA • VOLVPT.ATEM • lOCVM ALVMNIS - SVIS- 
DëDIT. Cf. Oarrocci, Let myttères du Syncrétisme Phrygien^ ap. Cahier et 
Martin, Mélanges d^arehéoL, IV, 50 sv. 

$) Cf. Tertull., Apolog. c. 9 en 42. 

♦•) Orclli, 4147. 

ff) Cf. Orelli, 2795 aq. Behalve de bier en b\j Henzen vermelde, vond ik in 
Marini's Inscr, Alb. p. 100 het volgend epitaphinm van een heidenschen alvM«M, 
merkwaardig om den bijna christelgken geest, die er in ademt: 

D. M. 
HIC - lACBT • DVLCI» 

AiriBIA • SAOITTIA 
CVM • SYO • ALVHKO 
BVlUiTIO - VON • SIC 
MBRVn PONI • SKT 

ABSENTIA • FECIT 

MABITI • KT * PILI 



( 153 ) 

seripiions chréttetines de la Gmile worden er meer genoemd, 
dan al de heidensche grafschriften opleveren, en De Rossi heefb 
alleen uit de Romeinsche Coemeteriën er vgf-en-zestig ver- 
zameld *). De reden van dit in 't oog vallend onderscheid 
moet worden gezocht in de voor het christel^k gemoed aan - 
gename herinneringen, welke in dien bgnaam lagen opge- 
sloten. Zóo stelselmatig toch als de Christenen het gebruik 
van servus of libertus op hunne grafschriften vermeden, zóo 
weinig bezwaar vonden z^ tegen het praedicaat alumnus, 
hoewel dit ook op slaafsche verhoudingen zinspeelde. Zij 
bezigden zelfs deze benaming met zekere voorliefde: omdat 
zg daarin een getuigenis zagen van een dier daden van 
barmhartigheid en broederliefde, waardoor aan den armen 
vondeling een lot was bereid, dat hij in de heidensche maat- 
schapp^ niet zou hebben kunnen hopen t% 

Maar ook dan wanneer de welwillendheid of het belang 
der Heeren aan een slaaf vergunde in sexueele gemeenschap 
met eene vrouw te leven en een contubernium toeliet, waren 
toch deze vereenigingen uit haren aard onbestendig en on- 
zeker, en aan alle wisselvalligheden blootgesteld, die de wil 
des meesters of omstandigheden buiten hem — zijn overlgdeu 
b. V., de verdeeling eener erfenis, een gedwongen verkoop, 
enz. — konden doen ontstaan. Wel is waar zochten de 
regtsgeleerden der derde eeuw voor de hardheid der Romein- 
sche wetten eene humaner uitlegging te vinden^ om schei- 
dingen van gehuwde slaven te voorkomen^ en noemt o. a 
Dlpianus zelfs de scheiding van contubernio aibi coniuncii 
eene goddeloos misdr^f : ad rationem pietatis offenaam §)• 
Edel, b^na christelijk woord, bewonderenswaardig in den 
staatsdienaar en raadgever van keizer Alexander Severus. 
Doch meestal leden deze welmeenende pogingen schipbreuk, 



*) Cf. De Rossi. Bull 1865, p. 24. Le BUot, /• r. I, 117. 409. 

f) Cf. FaqI Allard, /. e. p. 353--878, waar de invloed door het Christendom 
geoefend op de verbeter! og van het lot der a/«Mfft weliprekend wordt beschreven« 
Ook vindt men bg deuzelfden geleerden schrgver op p. 158— l(ï8 een aantal 
gevallen genoemd, waarin volgens het Romeinsche Regt scheiding der eontuber* 
nain van elkander of van hnnne kinderen kon voorkomen. 

S) IH0. XXI, L 35. 



( 154 ) 

of vonden slechts nu en dan toepassing in bgzondere gefal- 
len. De wetten en de tijdgeest bleven voortdiireud vijandig 
aan de echtelgke vereeuigiug der slaven. 

Er bestond dus, volgens de Romeinsclie wetgeving en volks- 
zeden, geen eigenlek gezin voor deu slaaf. Bij zoo grievende 
miskenning van de heiligste en onvervreemdbare regten der 
menschheid^ is het aandoenlijk om te zien, hoe de nog niet 
gansch bedorven en ontzedelijkten onder die verworpelingen 
der heidensche maatschappij, alle middelen aanwendden, die 
binnen hun bereik lagen, om aan hunne vereenigingen den 
schyn althans van een wettig huwelijk te geven. Men denke 
slechts aan de quasi dos, welke de slavinnen uit hare zuur 
verdiende spaarpenningen medebragten *}; en vooral aan het 
groot aantal grafschriften van slaven, waarop de servile 
naam van contuhernales met den achting gebiedenden van 
coniiiges wordt verwisseld. Meer dan zes honderd opschriften, 
gel^k Orelli heeft aangemerkt f)) getuigen bij de slaven van 
dat edele verlangen, om de eer van hunne vereeniging, al 
zg ^t ook door eene fictie, te redden. 

Doch meer dan deze slechts ideale rehabilitatie huns hu- 
wel^ks werd aan de Christen slaven door de Kerk, waarin 
zg waren opgenomen, geschonken. Het Christendom gaf deu 
slaaf in deze gewigtige aangelegenheid des levens gelgke 
regten met den vrygeborene, en de echtvereeniging eener 
ancilla was derhalve even, heilig en onverbreekbaar als die eener 
clarissima, In het gezin, ook van den slaaf, beschermde de 
Kerk zoowel de wederzgdsche pligten der echtgenooten je- 
gens elkander, als z^ het gezag eerbiedigde der ouders over 
hunne kinderen; terw^l de Romeinsche wetgevers, daarin 
gel^k aan onze moderne socialisten, het kind aan het gezag 
des slafel^ken vaders onttrokken en het onder de uitsluitende 
voogd:y des alvermogenden Staats plaatsten. De Kerk hand- 
haafde dus, in tegenstelling met de Romeinsche wetgeving, de 
heiligheid en de onverbreekbaarheid van den echt ook voor 
slaven, en verhief, op haar gebied en voor de oogen derge- 



♦) Si seroa servo quasi dotem dederit, etc, Ulpiau. J)/g. XXVIII, m, S9. 
t) Ordli. 2S46. 



( 155 ) 

loorigen, hun wettelijk contubendum tot de waardigheid van 
een christelijk Huwelijk. De slaven mogten dus hopen in de 
geestelgke maatschappg, die hen als broeders begroette, voor 
hunne echtvereeniging al de regten en waarborgen te vinden, 
welke de heidensche en hare wetgevers hun weigerden. Wat 
wonder, dat z^ ter bescherming hunner miskende belangen en 
ter herkrijging hunner dierbaarste regten^ zich ook hier tot 
het Christendom voelden aangetrokken? 

Inderdaad vonden de slaven in het Christendom die bescher- 
ming en verdediging, welke z^ zochten voor hunne echte- 
Igke vereen igingen. Reeds van haren aanvang achtte de Kerk 
het haren pligt, om ook ten opzigte van het Huwelijk aan 
hunne zedelijk-godsdienstige opvoeding te arbeiden. Zg rekende 
zich geroepen, zegt Döllinger, om de plaats van moeder te 
vervullen jegens eene klasse van menschen, voor welke de 
heidensche Staat niet eens een stiefvader was *). En zoo 
ingrijpend en welslagend was de zedelijke omwenteling ge- 
weest, welke de Kerk — vervolgt dezelfde geschiedvorscher — 
door de haar inwonende hervormingskracht had veroorzaakt, 
nog wel in een tgdperk, wanneer door het vreeselijkst zedenbederf 
en de menigvuldigheid der echtscheidingen f), alle banden des 
huiselijken levens dreigden uit-een te spatten : dat in het be- 
gin der derde eeuw een Christen slaaf gemiddeld een edeler, 
beter, en ter vervulling der hoogere standspligten van het 
huwelijk, degel^ker wezen was^, dan menig senator en pa- 
triciër, gelijk zij ons uit de geschiedenis dier t^den bekend 
zgn. Daarom lag het in de roeping en ook in het belang 
des Christendoms, om de echtverbindtenissen van slaven, zelfs 
met vr^geborenen^ niet alleen toetelaten, maar ook in menig 
geval te bevorderen. 

Er bestond dus, gel^k reeds gezegd is^ in het oog der 



*) Cf. Döllinger, Eippo/ytus una Kalliatug, oder die Römiseke Kireke in den 
ertie» Hälfte des drillen Jahrhunderts. S. ISO. 

f) Ten tijde vao Keizer Augustus klaai^de Seueca : Numquid tam uUa repudia 
eruèesâtt post quam illustres quaedam feminae non eonsulum numero sed marilo* 
mm annos eompulant {De bene/. JIJ, 16)? Dat onder de volgende Keizers die 
toetUnd niet beter werd blijkt uit Tertulliaan's woorden: Repudium vero tam el 
wotmm esif quasi matrimonii fruetus, Apolog, e. 6. 



( 156 ) 

Kerk geen principieel onderscheid tnsschen het christelgk 
huwelgk van een Vrge en dat van een Slaaf. Beiden waren 
haar even heilig en onverbreekhaar. Aan beiden schreef 2^ 
dezelfde pligten voor en schonk zij dezelfde regten. Het 
huwelyk der nederige ancilla, ten wier opzigte volgens het 
Komeinsche regt geen overspel kon worden gepleegd, genoot 
b^ haar dezelfde bescherming als het huwelgk der clarüsim/r 
of der vrge matrone. Door deze gelgkstelling van achting 
en regten geraakte de Eerk menigmaal in regtstreeksche 
oppositie tegen de toenmalige wetgeving en volkszeden. In 
vele gevallen immers erkende zy als een onverbreekbaar 
christeligk hnwelgk, bezegeld door een sacrament, eene ver- 
eenigiug, welke in het Romeinsche regt niet alleen onwettig, 
maar ook soms strafbaar ^) werd geacht. Zóo b. v. hand- 
haafde zg de indissolubiliteit van den christelijken echt, en 
verbood aan hare geloovigen, om van de bevoegheid tot 
scheiding, welke destgds de Romeinsche wet zóo gemakkelgk 
toeliet, gebruik te maken. Zóo verhief z^ in hare sfeer, tot 
de waardigheid van een waar en wettig huwel^k het eon- 
txtbemium van slaven, die in hun stand bleven, hoewel deze 
echteLgke vereeniging door de wetgeving van die dagen niet 
als wettig hawel^k werd erkend en zelfs als niet bestaande 
werd geacht f). Niet minder was hare leer en tucht in strgd 
met de bepalingen der civiele wet over het zoogenaamd con- 
cubinaat^ hetgeen destijds in het Bomeinsche r^k zoo algemeen 
in zwang geraakt was. Immers de echtel^ke vereeniging van 
een vr^geborene met eene slavin §) werd toenmaals in de 



*) Indien b. v. eene femina Harissima — eene senators- dochter »- zich met 
een vrggelatcne vereenigdc, was haar hnwelgk uiet geldig en verloor zg al de 
voorrcgten van haren ataad. 

f) Dacr de slaaf in de Romeinsche wet geen persoon was, kon hij noch met 
eene slavin, noch met een vrge, een wettig huwel g k aangaan en werd zgoe echte- 
Igke zamenleving een cotttvaernium genoemd. De Christen slaaf mögt zoodaoig 
eontubemium niet aangaan in den zin der Romeinsche wetten — want bij deze 
was het eene nit zgn aard verbreckbare vereeniging — maar het was hem wel 
vergund om voor zijn christelgk huwelijk gebruik te maken van de bescherming 
of toelating der wetgeving. 

$) Een rescript van Keizer Alex. Severns van het jaar 226 verklaarde het ba- 
welgk {concvàinatus) van een vrge met eene slavin, zelfs tegen den wil van haren 
peester aaogegaan, als niet strafbaar voor de wet. C*- * -'". JuH, VU» xn, 3. 



( 157 ) 

burgerlijke wei^eviug opgevat als conetU>inatus *), d.i. als 
cène vereeniging, die verbroken kon worden en al de regten 
van het matrimonium iustum ontbeerde. Met die opvatting 
had de Kerk geen vrede. Zij erkende integendeel die ech- 
telijke verbindtenis, mits hare wetten bleven geërbiedigd, als 
een waarachtig en onverbreekbaar huwelijk en bekreunde 
zich niet om de benaming der burgerlijke wetgeving. Bg 
haar was dan het verschil tussehen uxor en concuhina^ slechts 
van civiele beteekeuis. De Kerk handhaafde dus de onver- 
breekbaarheid der verbindtenis, en eischte van de gedoopte 
concubina, dat zij zich als wettig gehuwd bleef beschouwen, 
ook zelfs in het geval, dat zij werd weggezonden. Insgelijks 
beval zy aan de slavin, die zich wilde bekeeren, en bij hare 
aanvraag om het Doopsel reeds de concuhina was van een 
heidenschen meester, dat zij voortdurend diens trouwe echt- 
genoote zovi bleven, en kende haar geen bevoegdheid toe om 
uit zich zelve tot eene nieuwe verbindtenis over te gaan f). 
In denzelfden geest werd in het begin der derde eeuw door het 
hoogste gezag in de Kerk beslist — in strijd met de toenmalige 
wetgeving, maar uitgaande van het christelijk standpunt — 
dat geen wezenlijk beletsel in den weg stond aan het huwel^k 
tussehen aanzienlijke vr^en met burgers of zelfs slaven, wat 
althans het wezen en karakter van eene christelijke echt- 



*) Hefele heeft teregt opgemerkt, dat de nitdrnkking eoneubinatut toentcrtgd 
in een betrekkelgk veel ruimeron zio werd gebezigd daa thans, en dikwijln zoo- 
danige huwelgken beteekende, die men in onze dagen 'beneden zijn stand" zou 
noemen. De verbindtenis b. v. van een Senator (en diens zoon of dochter) met 
eene liherta (of libertu8)\ die van een Burger met eene tooneelspeelster, dan- 
seres enz; die van een patromns met eene vrggelatenc: dat alles viel onder de 
benaming van concubin atus, zelfs ook wnnneer de animus marUalis volkomen 
aanwezig bleef. De reden hiervan viras, dat zulke vereuiiigingen beneden den 
stand der betrokkene personeu, in het ooi; tier Komeinscbc wctgi-ving, ^eeo ware 
huwelijken konden zijn. Hoewel de Kerk deze verhoodingen onmogelijk als met 
een tooverslap; kon veranderen, streefde zij er toch voortdurend naar, om in dit 
opziet het christelijk element te doen zegevieren. Cf. Hufelc, Beiträge zur 
Kirehengesch,, Archäologie u, Uturgik, II, 868. 

f) Op dit geval schijnt mij de Ccuion der OmsUtuL apott. XV, 10 te lAgzen, 
waarin sezegd wordt dat de concubina (in den zin der Kom. wet) van een onge- 
toovige, die met hem alleen zamenleeft, mag gedoopt worden ; maar indien zij 

ooV met anderen zich afgeeft, moet afgewezen worden: Da^axn Ttvoç «TriffTOu 
àiroj9aX^'<rO». Cf. Fitra, Iuris eed, /. c, I, p. 06. 



' 158 ) 

vereeniging betrof. Paus Callistus verklaarde, gel^ de schrg- 
ver der Phüosophumena verhaalt, omtrent het jaar 220, dat 
ongehuwde Christen vrouwen van hoogen rang, indien k^ 
hare waardigheid niet wilden verliezen en nog in den bloei 
des levens waren, zich naar vrije keuze iemand van lager 
stand en zelfs een slaaf, tot echtgenoot mogteu kiezen, en 
een voor de Kerk wettig huwelgk sluiten *). Juist wei- 
nige jaren voor het pontificaat van paus Zephyrinus, Callis- 
tus' voorganger, was bij senatusconsult beslist dat de we- 
duwen en dochters van senators hare waardigheid van da- 
rissima femina of puella verloren door het aangaan van een 
huwelijk met iemand van lager stand dan van senator, hoe- 
wel de wettigheid dezer vereenigiugen niet werd ontkend. 
Daarentegen bleef ongeldig en onwettig verklaard de echtver- 
bindtenis eener clarissima met een /z6é;r^;<« of een slaaf, welke 
door de wet als niet bestaande werd beschouwd, en juist 
daarom het verlies der waardigheid voor de vrouw die haar 
aanging, niet ten gevolge had. In dit opzigt was het dus 
voor eene clarissvha verkiesl^ker, ter bewaring van hare 
stands-privilegiën, om een libertus of slaaf te huwen, dan een 
ridder of een vrijen plebejer. De Christen vrouwen van edele 
afkomst, de claHssimae feminae of puellae gaven daarom de 
voorkeur aan het huwelijk met een libertus of slaaf, dewgl 
zij de vourregten van haren stand bleven behoutïeu, hoewel 
hare echt vereeniging door de wet niet als luiwelgk erkend 
werd, en zij toch voor haar geweten genoegzame bevrediging 
vonden inde erkenning van de wettigheid en geoorloofdheid \an 



•) Kaï yap xat '/uvatÇiv èirérpffjrsv, se ivay^âpot uev xaivilixifL ^cfxaccoyro, 

TYiv èaiiTÔ}^ àÇiav ^v /xv] ^oitloivro xaOcitpstv ^loc to vo/xéucj; yaaiQ^^yai, 

fi^£iv £va ov av aip-h^fovrax avyxoirov, hts otxe-nQv, ein *s).£Ù9ô|9gv, xaî 

TOVTOv xocvsiv àvTi àvâpQç [ih vó/xw yeyaampLévnv. Philoêopkumena, IX, 11, 
éd. Dunc'ker p. 460, met de var. led. vau Le Ilir. Cf. PhUosoph, éd. Craice, 
p. 445. De uitdrckkms; avavjpot, gt'lijk P. Armellini jaist heeft opgemerkt, 
slaat hier zoowel op tieduwea als op jonkvrouwen. Onder de nog jeugdige we« 
dawen van Senators zullen er vele geweest zijn, die ten wille van hare kinderen 
haren rang niet gaarne verlore