Skip to main content

Full text of "Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde"

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was preserved for generations on Hbrary shelves before it was carefully scanned by Google as part of a project 

to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we liave taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrain fivm automated querying Do nol send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionThe Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 

at |http : //books . google . com/| 



Google 



Dil is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheek pi an ken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automadsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niei-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commercicle doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over hci 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informade wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



tSoc^feiiÖ 



Bound 
FEB 1897 



Bacbart Colltst liljtars 



CHARLES MINOT 



Received 3.6 fUr_ 15- »«, I •èth 



n 



/ » 



VERSLAGEN EN MEDEDEELÎNGEN 



DBA 



KONINKLIJKE AKADEMIE 



VAN 



WETENSCHAPPFaN. 







VERSLAGEN en MBDEDEELINGEN 



D£R 



KONINKLIJKE AKADEMIE 



VAN 



WETENSCHAPPEN. 



Afdeeling LETTEBKUNDE. 



DERDE REEKS. 

TWAALFDE DEEL. 



■• •-€•«=•«-'- 



AMSTERDAM, 

JOHANNES MÜLLER 

1896. 



7^' 






i(o5iji). '-i^Q)-ß/^. .?'"- 



^ I 



c'vA^L'Yv^^^ '!/'''• f^" • 



GEDRUKT BIJ DE ROEVER KBÖBEK & BAKELS. 



1 J\ U o U D 



VAK HBT 



TWAALFDE DEEL 



DBB 



DEBDE BEEES. 



PROCESSEN- VERB AAL 



DBR 



GEWONE VEKGADEBINGEN. 



Vergadering gehouden 10 Juni 



1895 . . . 



tf 



ft 



n 



II 



II 



II 



'I 



II 



9 September // 



14 October 



// 



11 November // 



9 December 



II 



10 Februari // 



9 Maart 



13 April 
11 Mei 



// 



// 



// 



. . blz. 1. 
. . // 73. 



II 99 . 



// 129. 



// 185. 



13 Januari 1896 // 220. 



// 263. 



If 275. 



II 286. 



'/ 298. 



tf 



II 



8 Juni 



II 



V 429. 



VI INHOUD. 



VERSLAGEN. 

Verslag over eene bijdrage van den Heer van Heiten, geti- 
teld : // Zur l^exicologie des Altwestfriesischen". . . . blz. 190. 

Verslag over eene verhandeling van Dr. W. Galand onder 
den titel: //Die altindischen Todten- und Bestattungs- 
gebrauche." // 228. 

Bericht over den v^edstrijd in Latijnsche poëzie // 268. 

Programma certaminis poetici // 278. 



MEOËDEELINGEIN. 

A. A. de Pinto. Begrip en omvang van het auteursrecht 
volgens de Nederlandsche Wet v 5. 

H. E. Moltzer. Ken nieuw Eagisel-fragment // 43. 

P. J. Gosijn. De Waldere-fragmenten // 56. 

Paul Fredericq. De geheimzinnige ketterin Bloemaerdinne 
(Zuster Hadewijch), en de secte der //Nuwe" te Brussel 
in de 14^« eeuw // 77. 

A. Kluyver. Over de geschiedenis van het woord Gids. // 103. 

H. Kern. Over de bijschriften op het beeldhouwwerk van 

Boro-Boedoer , // 119, 



INHOUD. vn 

J. Verdam. Nieuwe aanwinsten voor de kennis onzer middel- 

eeuwsche taal blz. 133. 

Bijlage: een tot heden onbekend raiddelnederlandsch gedicht, 
getiteld: r/Een argument tusschen Ootmoedicheit ende 
die Ere van der werlt, ende tusschen Bijcheit ende Ar- 
moede, ende tusschen SoUaes ende Penitencie . . . . » 159. 

N. G. Pierson. Eenige problemen met betrekking tot de 
theorie van het arbeidsloon // 191. 

N. P. van den Berg. De regeling van de bankbiljetten- 
emissie hier te lande // 225. 

J. C. G. Boot. De opgravingen in het meer van Nemi . . ff 278. 

W. Fleyte. Iets over de oude brug te Zuilicbem . . . *. n 290. 

J. van Leeuwen Jr. Over de strekking en samenstelling 

der kikvorschen van Aristophanes // 302. 

Mr. S. J. Fockema Andreae. Opmerkingen over de ministe- 

rialiteit in Nederland // 822. 

H. J. Polak. De jongste gedaanteverwisseling der Homeri- 
sche kwestie // 348. 



J^Jb9 



GEWONE VEBOADEBING 

DEE AFDEELTNG 

ÏAAI^, LETTEK-, GESCHIEDKUNDIGE EN WIJSGEEKIGE 

WETENSCHAPPEN, 

GEHOUDEN DEN iOden JUNI 189S. 



Tegenwoordig de Heeren: kern, Voorzitter, boot, beets, 

MA.TTHBS, DE VRIES, 5ABER, VAN BONBVAL FAURB, VAN DER 
WIJCK, DEGOEJB, LAND, qUACK, DE PINTO, PT^YTE, POLS, TIELE, 
VAN DE SANDE BAKHUYZBN, N. G. PIERSON, DB LOUTER, MOLT- 
ZER, FOCKEMA ANDRBAE, DB HART06, P. L. MULLER, SPEIJËB, 
UOUTSMA, VAN LEEDWEN, VALBTON, KLUYVBR, BLOK, VAN DEN 

BERG, ROGGE en SPRUYT, secretaris. 



Do Heeren Chantepie de la Sanssaye en S. Muller Fz. 
hebben bericht gezonden verhinderd te zijn de vergadering 
bij te wonen. 



Het Proces-Verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en goedgekeurd. 



Ingekomen is een bericht van den Heer Gaston Paris te 
Parijs, dat hg z^ne benoeming als buitenlandsch lid aan- 
neemt; voor de boekerg Tom. V, N^. 2 van de Revue 
Bourguignonne en voor de leden, die er belang in stellen, 
eenige exemplaren van de Ode in aereniasimas Hollandiae 

VKRBL. EN MED. AID. LETTEBK. 3de BEEKS DEEL XIL 1 



(2 ) 

reginas Zelandiam mmsentes dour den heer E. Gouffaux te 
Hoeylaert bij Brussel. 



Aan den Heer de Pinto wordt het woord gegeven tot de 
voordracht zgner bgdi'age over »begrip en omvang van het 
auteursrecht volgens de Nederlandsche wet". De Spreker 
liet reeds dadelijk den nadruk vallen op de beperking, die 
ligt opgesloten in de laatste woorden. Niet wat rechtens 
moet ziJTij maar wat volgens de Nederlandsche wet van 
1881 rechtens ts, was de vraag, die hg zich ter beant- 
woording had voorgesteld. De slotsom, waartoe zijn on- 
derzoek leidde, was, wat betreft het begrip van het auteurs- 
recht, dat dit recht is »een vermogensrecht**, omdat het 
uitmaakt een door private en publieke rechtsmiddelen be- 
schermd bestanddeel van het vermogen van den rechtheb- 
bende, en dat het tevens is » een absoluut recht", omdat 
men het kan doen gelden tegen iedereen. Deze twee eigen- 
schappen heeft het auteursrecht gemeen met de zakelijke 
rechten, waarvan het echter onderscheiden is, in zoover 
deze gevestigd zgn op lichamelyke zaken, terwijl het object 
van het auteursrecht alt^d is onlichamelijk, immaterieel. 

Overgaande tot de bespreking van den omvang van het 
auteursrecht, trad Spreker in eene ontleding van art. 1, 
1ste lid der Wet van 1881. Op alle daarin genoemde ob- 
jecten rust het uitsluitend recht van reproductie door den 
druk, op muziekaal-dramatische werken en tooneelwerken 
daarenboven het uitsluitend uit- en opvoeringsrecht. Beide 
rechten werden achtereenvolgens besproken. By het eerste 
werd meer in het by zonder de aandacht gevestigd op den 
grooten omvang, dien het auteursrecht by ons heeft gekre- 
gen door de uitgebreide beteekenis, in de taal van het 
dagelyksch leven en ook in de rechtspraak gegeven aan 
het woord »geschriften". Spreker stond daarna stil bij de 
in art. l by name genoemde werken, meer bepaald bij de 
muziekwerken, waaromtrent vreemde wetten speciale voor- 
schriften bevatten, die men in onze wet niet vindt. 

Spreker besloot zyne bydrage met eenige beschouwingen 



(3) 

aangaande de grenzen van het gebied, waarover de werking 
der ook in Nederlandsch-Indië geldende wet zich uitstrekt, 
in verband met de tractaten, door Nederland met enkele 
vreemde Staten gesloten ter wederzydsche bescherming van 
het autearsrecht. 

De Voorzitter dankt den heer de Pinto voor zgne bgdrage 
en vraagt of die bestemd is voor de Verslagen en Mede- 
deelingen. Nadat de Spreker die vraag bevestigend heeft 
beantwoord, vraagt de heer de Hartog of het niet een 
vreemd element in onze wet is dat een werk alleen beschermd 
wordt, als het op een Nederlandsche drukkerij gedrukt is. 
De Spreker heeft deze vraag, als behoorende bg het jus 
constitueiidum^ niet behandeld, maar acht de bepaling niet 
zoo irrationeel, daar het noodig is wekere grenzen voor de 
te verleenen bescherming te stellen. Alleen zou men alle 
in Nederland uitgegeven werken kunnen beschermen, ook als 
zg buiten 's lands gedrukt werden. Nadat de heer Land 
heeft medegedeeld dat dit b^ muziekwerken dikwgls voor- 
komt, wordt de discussie gesloten. 



Daarna spreekt de heer Moltzer over een onlangs te Düs- 
seldorf gevonden en door hem herkend fragment, inhou- 
dende eene episode uit Velthem's Wrake van Ragisd {Lan-- 
celot^ boek III), maar veel breeder behandeld. Hij vergelgkt 
de beide teksten en kwam tot de slotsom, dat hetgeen de 
fragmenten-Deycks (verg. Tijdschrift voor Ned. Taal- en 
Letterkunde XIII, 116 vlgg.), zooals Prof. Te Winkel heeft 
aangetoond, bewgzen, namelijk dat Velthem in zijn Lance- 
lot eene verkorting van een volledige Mnl. bewerking heeft 
opgenomen, door het tot dusver onbekende fragment van 
eene eveneens onbekende bewerking opnieuw voldingend 
wordt gestaafd. Tevens blijkt dat beide bewerkingen ver- 
talingen zgn van het middeneeuwsch-fransche origineel La 
vengeance de Ragmdel ou Meaeire Gauvain, De Spreker ein- 
digt met enkele opmerkingen over de persoon des dichters 
of vertalers, den tijd der volledige vertaling en hare ver- 
diensten. 

1* 



(4) 

Op verzoek van den Voorzitter wordt deze bijdrage, die 
tot geen discussie aanleiding geeft, afgestaan voor de Ver- 
slagen en Mededeelingen. 



By de rondvraag worden voor de boekerg aangeboden : 

door den heer Moltzer eenige afleveringen van de Biblio- 
theek van Middelnederlandsche Letterkunde inhoudende de 
Limburgsche Sermoenen door Dr. J. H. Kern; 

door den heer van der Wgck een overdruk ven een arti- 
kel over Mr. 0. W. Opzoomer uit het Zeitschrift für Philo" 
Sophie und philosophische Kritik; 

door den heer Matthes een exemplaar z^ner Boegineesche 
vertaling der boeken van Jozua, Bichteren en Ruth. 



Daarna wordt de vergadering gesloten. 



BEGRIP EN OMVANG VAN HET AUTEURSRECHT 



VOLGENS DE NeDBRLA.NDSCHE WeT. 



DOOR 



4. A. DE PINTO. 



I. 



Een onzer uitnemende juristen, de Groningsche hoogleeraar 
Mr. J. Fresemann Viëtor, een man van groote verwachtin- 
gen, in den opgang des levens door een vroegt^digen dood 
aan de wetenschap ontrukt, schreef in den aanvang van zgn 
praeadvies over de vraag: »naar welk hoofdbeginsel moet 
>de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars op het 
»product van hun arbeid regelen?", door de Nederlandsche 
Juristen- Vereeniging in 1877 voor haar achtste jaarlgksche 
vergadering aan de orde gesteld, het volgende : 

»Mag men een Engelsch schrijver gelooven, die onlangs 
»over kopierecht schreef, dan beeft dat vraagstuk eenige 
»overeenkomst met de kwadratuur van den cirkel. Zoolang, 
» zegt h^, sommige menschen voortgaan met boeken te scfarij- 
»ven en er andere gevonden worden, die ze lezen, zal de 
»kwestie der respectieve rechten van leveranciers en nemers 
»van litteratuur steeds worden bepleit zonder dat men ooit 
»tot een hepaald resultaat zal komen omtrent den juisten 
»maatstaf, waarnaar die rechten moeten worden geregeld. 
»Want om een model-onderwerp te hebben voor eindeloozen 
> redetwist dienen er in betrokken te zgn : abstracte begin- 
»sels, die in de praktijk niet kunnen worden toegepast ; 
»strgdige belangen, die niet alle volgens de regelen van 
»billgkheid voldoening kunnen vinden ; aangenomen grond- 



( 6) 

»stellingen, waarmede de feitelyke omsiandigbeden in het 
»gegeven geval niet kunnen worden overeengebracht. Aan 
lal die voorwaarden voldoet de kwestie van het kopierecht 
»en daarom 

»En daarom" — zoo vervolgt de praeadviseur, nu met 
zyn eigen woorden — »ware het beter wellicht geweest, 
»dat schr^ver dezes zich niet had verstout tot eene beant- 
»woording van bovenstaande vraag zooals de Engelschman 
»consequenter had gehandeld, indien hij na z^ne verzuchting 
»geen artikel over die onoplosbare kwestie had geschreven". 

Zeer ad rem. 

Ik acht mg dus gelukkig, dat de verzuchting van den 
geistigen Brit, al mocht men haar geheel als goede munt 
willen opnemen, wat vermoedel^k niet in 's mans bedoeling 
lag, mg als spreker en u als hoorders op dit oogenblik niet 
deert. Immers ik vraag uwe welwillende aandacht voor 
eenige beschouwingen over »begrip en omvang van het 
»auteursrecht", niet van een rechtsphilosophisch of — als 
deze uitdrukking u mishaagt — van een algemeen rechts- 
kundig standpunt beschouwd, maar over een en ander vol- 
gens het positieve Nederlandsche recht, dat nu sedert ruim 
13 jaren zgne uitdrukking vindt in de op den len Januari 
1882 in werking getreden wet van 28 Juni 1881 (Staats- 
blad NO. 124). 

Myn standpunt verschilt dus geheel van het standpunt, 
dat werd en noodzakelgk moest worden ingenomen bg het 
debat, nu ruim 33 jaren geleden in deze Afdeeling — het 
was in hare vergaderingen van 11 November en 9 Decem- 
ber 1861 — gevoerd over het rapport der in hare verga- 
dering van 8 April benoemde Oommissie, welk rapport 
inhield eenige »Punten of Grondstellingen betreffende den 
zoogenaamden letterkundigen- en kunsteigendom". 

Het gold destijds de vraag wat rechtens moet zgn, terwijl 
ik mg in dit uur hoofdzakelijk zal bezig houden met de 
vraag wat rechtens is. 

Aanleiding tot de behandeling van dit onderwerp in 1861 
had gegeven eene missive van den Minister van Binnen- 
landsche Zaken, waarbg het advies der Akademie werd ge- 



( 7 ) 

vraagd over het ontwerp eener wettelijke regeling van het 
kopierecht, bg de Regeering ingeleverd door de Vereeniging 
tot bevordering van de belangen des Boekhandels. Het 
Bestuur der Akademie was van meening, dat hierover eerst 
de Letterkundige Afdeeling moest worden geraadpleegd, en 
die Afdeeling stelde de stukken in handen eener commissie, 
bestaande uit de Heeren Bakhuyzen van den Brink, de Wal 
en van Lennep. 

Z^ bracht haar rapport uit in de vergadering van 14 
October 1861. Dit rapport was niet wat men er van had 
mogen verwachten, een concept-advies over het wetsontwerp, 
waaromtrent de Regeering het oordeel der Akademie had 
gevraagd. Over dat ontwerp sprak de commissie geen enkel 
woord, maar, geheel zelfstandig optredende, gaf zg een 
schema eener wettelijke regeling van het auteursrecht, ge- 
formuleerd in 17 stellingen, waarb^, gelgk door den rap- 
porteur mondeling werd verklaard, zij zich had onthouden 
>om te spreken van de erkenning van bestaande rechten", 
en alleen gewag werd gemaakt »van toekenning en waar- 
borging van rechten door de wet". Deze 17 stellingen 
werden achtereenvolgens behandeld en met enkele wijzigin- 
gen goedgekeurd in de vergaderingen van 11 November en 
9 December 1861. Een eindverslag, bestaande in eene 
memorie van toelichting der door de afdeeling aangenomen 
stellingen, werd in de vergadering van 10 Maart 1862 
vastgesteld. Het geheel, stellingen en toelichting ^), werd 
nu, na mededeeling aan de Natuurkundige Afdeeling, aan 
den Minister van Binoenlandsche Zaken kenbaar gemaakt 
als het advies der Akademie ^). 

Veel genoegen beleefden de geleerde en hooggeachte 
stellers van het advies daarvan niet. Buiten de Akademie 
werd het van meer dan ééne zgde aan eene zeer scherpe 
critiek onderworpen ^), eene critiek, over welker gegrond- 



1) Afgedrukt in de Verslagen en Mededeelingen, Afd. Letterkunde, 
VI (Jaarg. 1862), blz. 345—359. 

2) Aldaar, Verslag der Vergadering van 10 Maart 18G2, blz. 339, 340. 
^) De Koninklijke Akademie van Wetenschappen en de zoogenaamde 



(8 ) 

heid het op m^n weg thans niet ligt een oordeel uit te 
spreken, maar welker wetenschappel^ke waarde geen onpar- 
tydig deskundige in twijfel zal trekken. 

En de regeering, wat deed zg er mede? Voorzoover be- 
kend, niets. 

Na de indiening yan het advies verliepen nog ongeveer 
20 jaren, eer de nieuwe wet tot regeling van het auteurs- 
recht in werking trad. Nu werd bij het eerste ontwerp 
dier wet, aan de Tweede Kamer ingediend bg Eoninkl^ke 
Boodschap van 13 Juli 1877, wel als by lage der memorie 
van toelichting overgelegd en in deze memorie meermalen 
met instemming aangehaald het ontwerp der Vereeniging 
tot bevordering van de belangen des Boekhandels, maar 
omtrent het daarover of juister naar aanleiding daarvan door 
de Akademie uitgebracht advies werd bg de geheele parle- 
mentaire behandeling dezer zaak een diep stilzwggen be- 
waard. 

De vereeniging voor den boekhandel had jaren lang ge- 
streden voor eene herziening op breede schaal der verouderde 
wet van 25 Januari 1817 (Stbl. N^. 5) »de regten bepalende, 
die in de Nederlanden ten opzigte van hét drukken en uit- 
geven van letter- en kunstwerken kunnen worden uitgeoefend". 
Welke beginselen zij bij die herziening wenschte te zien in 
acht genomen, welke bepalingen zg in de nieuwe wet ver- 
langde te zien opgenomen, blijkt uit het wetsontwerp en 
de toelichtende memorie, door haar in 1860 den Minister 
van Binnenlandsche Zaken aangeboden ^). 

Het gold bg dezen strgd de belangen van den uitgever, 
maar die van den schrgver, den auteur waren er niet min- 
der in betrokken. 



Letterkundige- en Kunsteigendom. Eene kritiek door Mr. T. van Hettinga 
Tromp. Leeuwarden 1863. 

Beoordeeling van dit gesclirift door Jhr. Mr. A. F. de Savomin Loliman 
in de Nieuwe Bijdragen voor Regtsgeleerdheid en Wetgeving, XIV (1864), 
blz. 140—172. 

ƒ*) Het ontwerp met de memorie van toelicliting is afgedrukt in de Ver- 
zameling van wetten, traetaten, rechtspraak betreffende het Letterkundig 
Eigendomsregt, in 1865 te 'sGravenhage verschenen bij Gebr. Belinfante, 
blz. 247—277. 



(9) 

Van een recht van den auteur, dat hg zelf kon uitoefe- 
nen of aan een ander overdragen, een uitsluitend recht om 
de vruchten van zyn arbeid openbaar te maken, was, men 
weet het, vóór de omwenteling van 1795 hier te lande 
geen spraak. De uitsluitende bevoegdheid tot het uitgeven 
of doen uitgeven van zyn boek kon de schry ver alleen ont- 
leenen aan een octrooi of privilege, hem door de overheid 
verleend. Zoo was het big ons, zoo was het elders op het 
vasteland van Europa tot op het einde der vorige of den 
aanvang van deze eeuw. Alleen in Engeland werd reeds 
bij het beroemde statuut van Koningin Anna van 1710 het 
uitsluitend recht van publicatie van den auteur, zg het dan 
aanvankelijk voor niet langer dan 14 jaren, wettelgk er- 
kend 5). 

B^ ons evenals in Frankrgk zoude de erkenning van dat 
recht eerst omstreeks eene eeuw later volgen. In art. 1 
der wet van 3 Juni 1 803 ^) werd in aansluiting aan art. 1 
van het Decreet van de vergadering der provisioneele repre- 
sentanten van het volk van Holland van 27 November 1795 
en art. 1 der Publicatie van het Provinciaal Bestuur van 
Holland van 8 December 1796 7^ geproclameerd: »dat van 
»nu voortaan, geene privilegiën of octroyen tot het drukken 
»van eenige boeken of stukken zullen worden verleend, als 
»str^dende tegen de thans aangenomen grondbeginselen, 
»volgens welke ieder ingezeten een aanspraak heeft op de 
»beveiliging van zijnen regtmatigen eigendom''. In over- 
eenstemming hiermede erkende art. 2 der wet van 1803 
een in de volgende artikelen nader geregeld en door straf- 
bepalingen gesanctioneerd, aan geen tijd gebonden, uitslui- 
tend recht van reproductie by den auteur of diens recht- 
verkr^genden. De inleving in het Fransche Keizerrijk bracht 



*) The Laws of Copyright by Th. E. Scrutton, Loudou, 1883, p. 94, vgg. 
Zie ook V. d. Kasteele, het Auteursrecht iu Nederlaud, Academisch 
Proefschrift, Leiden 1885, blz. 19 ygg. 

") Afgedrukt iu de in noot 4 aangehaalde verzameling, h\z. 12 — 17, 
en bij v. d. Poll, Verzameling van Vaderlandsche Wetten en Besluiten, 
blz. 241—247. 

') Afgedrukt in de in noot 4 aangehaalde verzameling, blz. 1 — 11. 



( 10 ) 

ons ook over deze materie het Fransche recht, byname het 
in Frankrijk nu nog geldende decreet van 5 Februari 1810, 
dat »Ie droit de propriété" — zooals het daar werd ge- 
noemd — waarborgt aan den auteur en aan zgne weduwe, 
zoo de huwelgksche voorwaarden haar daarop aanspraak 
geven, gedurende het leven, verder aan hunne kinderen ge- 
durende twintig jaren. Het altyddurende auteursrecht werd 
kort na onze bevrijding van de Fransche heerschappij in 
eere hersteld bij Besluit van den Souvereinen Vorst van 24 
Januari 1814 (Stbl. ifi. 17). Dit zoude echter van korten 
duur zjjn, daar de juist drie jaren later gevolgde wet van 
25 Januari 1817 (Stbl. n®. 5) in art. 3 bepaalde, dat het 
in de artt. 2 en 3 omschreven kopierecht niet langer zou 
voortduren dan 20 jaren na den dood van den auteur of 
vertaler. 

Een perpetueel auteursrecht, gelyk dit in 1803 bij de 
wet der Bataafsche republiek werd aangenomen, was, voor 
zoover m^ bekend, een unicum. Dit staat vast, dat thans 
in het Europeesche recht en evenzeer in de wetten der 
Vereenigde Staten van Noord-Amerika het uitsluitend recht 
van den auteur of zijne rechtverkrggenden tot reproductie 
zijner werken algemeen aan een tyd is gebonden. Algemeen 
geldt dienaangaande in de nieuwere, nog van kracht zgnde 
wetten ^) de regel der Nederlandsche wet van 1817: het 
recht duurt zoolang de auteur leeft en nog een bepaalden 
tijd, 30, 40, 50 jaren, daarna ^). Met dit stelsel, hoe alge- 
meen ook aangenomen, heeft echter de wet van 1881 ge- 
broken. Naar mijne zienswyze zeer terecht. Het heeft dit 
groote nadeel, dat de dies ad quem gedurende het leven van 
den auteur, in het meest gewone geval, dat hij zelf met een 



^) Van die wetten en van de hetzelfde onderwerp betreffende tractaten 
is voor eenige jaren verschenen eene volledige verzameling: -'Gesetze 
über das Urheberrecht im In- und Ausland nebst den Internationalen 
Literaturverträgen u)id den Bestimmungen über das Verlagsrecht". 
(Leipzig, Verlag von G. Hedeler, zonder jaartal). 

*) In Spanje zelfs 80 jaren, in Rumenië slechts 10 jaren na den dood 
van den auteur. 



( 11 ) 

uitgever handelt over de overdracht van zg^ recht, geheel 
onzeker is. Bepaling in de wet van een vasten termen, 
erkenning van het auteursrecht van door den druk gemeen 
gemaakte werken gedurende een zeker aantal (bij ons nu 
50) jaren na de eerste uitgaaf verdient dus de voorkeur. 
>Dan alleen" — het werd met juistheid opgemerkt in de 
memorie van toelichting ^^) — »bestaat er voor ieder ge- 
>lgkheid, voor ieder zekerheid van regt". Verder: >Ieder 
»die auteursregt koopt, weet hoelang hy daarvan kan ge- 
»bruik maken, zjjne bevoegdheid is niet meer afhankel^k 
»van eene onzekere, geheel buiten z^ne magt liggende ge* 
»beurtenis". Daarb^ komt, dat deze regeling zich ook aan- 
beveelt door haren eenvoud, omdat zy bijzondere bepalingen 
voor anonieme, pseudonieme en posthume werken en over 
geschriften van corporation onnoodig maakt. Redenen ge- 
noeg om te verklaren, dat deze belangrijke afwijking van 
het big de indiening van het ontwerp der wet van 1881 
hier te lande en schier overal elders geldende recht reeds 
dadelijk in de afdeelingen der Tweede Kamer »algemeene 
instemming" vond, al waren er die den termgn van 50 
jaren te lang vonden ^i), en al werd de stelling verdedigd, 
dat de bepaling van art. 13, tweede lid, dat indien de 
auteur dezen termen overleeft en z^n reclit nooit aan een 
ander heeft overgedragen, h^ dit levenslang behoudt, in 
str^d zoude z^n met het eenmaal aangenomen beginsel van 
een vasten termen (art. 13, eerste lid) en de ter verdedi- 
ging daarvan in de memorie van toelichting aangevoerde 
gronden ^^j. Ik acht deze stelling niet juist, en de vraag 
daarenboven niet van overwegend practisch belang, daar 



ï») Tweede Kamer 1876—1877, 202, § 4 ad c. 

") Zie Voorl. Verslag, § 4, 1877—1878, 25, NO. 7, Fresemann Viëtor, 
Het Auteursrecht, Kantteekeningen op het Wetsontwerp, Utrecht 1877, 
blz. 45. Een amendement van den Heer Oidenhuis Gratama om den 
termijn van 50 jaren tot 30 jaren te verminderen werd echter in de 
vergadering der Tweede Kamer van 2 Juni 1881 met groote meerderheid 
(50 tegen 11 stemmen) verworpen. 

12) Voorl. Versl., t. a. p., Viëtor, Kantteekeningen, blz. 43 — 45; v. d. 
Kasteeie, Proefschrift, blz. 147. 



( 12 ) 

auteurs, die hunne werken, waarop zij hun uitsluitend recht 
van reproductie nooit aan een ander hebben overgedragen, 
vijftig jaren overleven, wel altigd tot de zeldzame uitzonde- 
ringen zullen blgven behooren. Ik verdiep mg dus niet in 
de theoretische vraag; maar constateer alleen, dat art. 13, in 
zQ-n geheel genomen, al gaf het in en buiten de Tweede 
Kamer aanleiding tot bedenkingen, die niet het beginsel 
van het artikel, maar de toepassing van dit beginsel raak- 
ten, algemeen werd beschouwd als eene verbetering van het 
uit kracht der wet van 1817 geldende recht. 

Deze verbetering stond niet alleen. Er waren in de rege- 
ling van het auteursrecht hier te lande gebreken en leemten, 
die dringender nog herstel en aanvulling eischten dan het 
voorschrift van art. 3 der wet .1817 over den duur van dit 
recht. Ziehier het zondenregister dier wet, zooals het zon- 
der overdrgving werd blootgelegd in de inleiding der me- 
morie van toelichting van het ontwerp van 1877: 

»dat in de wet onzekerheid heerscht aangaande de wer- 
»ken, waarvan al dan niet kopyregt bestaat, dat hare be- 
»paliugen niet passen op anonyme, pseudonyme, posthume 
»en collective geschriften, dat zy aan kerk- en schoolboeken 
»het kopyregt ontzegt, dat geene rekening wordt gehouden 
»met de eigenaardige vermogens waarde van dramatische en 
»muzikale werken dat zij geheel zwygt van het weder- 
»legtelyk uitgeven van mondelinge voordragten ; dat het 
»regtsmiddel, toegekend tot handhaving van het kopyregt, 
»berust op eene nadeelige verwarring van privaat- en straf- 
»regt en allerminst beantwoordt aan de eischen der prak- 
»tyk ; dat de wet niet verbindend is voor het Rijk buiten 
»Europa, zoodat niet alleen in de Koloniën geen straf be- 
» dreigd is tegen de schending van het Nederlandsche kopy- 
»regt en wederkeerig in Nederland straffeloos nadruk kan 
»worden gepleegd van in de Koloniën versebenen werken, 
»maar dat aldaar zelfs geenerlei erkenning bestaat van het 
»regt der auteurs op de voortbrengselen van hunnen geest", 

Waarlijk redenen in overvloed om den aandrang te ver- 
klaren tot herziening der wet van 1817, een aandrang, die 
trouwens reeds in 1830 had geleid tot het ontwerp eener 



( 13 ) 

nieuwe regeling dat door de t^dsomstandigheden geen ge- 
volg had, en die nu eerst bevrediging zoude vinden eene 
halve eeuw later in de wet van 1881. 

De voordracht tot deze wet was afkomstig van den Mi- 
nister van Justitie Graaf van Lynden van Sandenburg, den 
bekwamen jurist, wien onze wetgeving ook op ander gebied 
meer dan ééne lang gewenschte verbetering dankt. Bijna 
vier jaren (18 Juli 1877 — 25 Juni 1881) zouden nu nog 
voorbggaan eer het ontwerp, ofschoon zoowel in als buiten 
de Staten Generaal zeer gunstig opgenomen, tot wet werd 
verheven. Inmiddels was Graaf van Lynden als hoofd van 
het Departement van Justitie »vervangen door den heer 
Smidt, die zijne plaats weder inruimde voor den heer 
Modderman, wiens pittigen stijl men lichfc herkent in menige 
passage der bg de Tweede Kamer den 22en September 1880 
ingekomen memorie van beantwoording i^), en die zich met 
het hem eigen talent kweet van de taak der mondelinge 
verdediging van het ontwerp aan deze en gene zijde van 
het Binnenhof ^*). Wel waren de memoriën van toelichting 
en van beantwoording mede-onderteekend door den Minister 
van Binnenlandsche Zaken, omdat de uitvoering der oude 
wet behoorde tot den werkkring van z^n Departement, en 
door den Minister van Koloniën, omdat de nieuwe wet ook 
zoude gelden in Nederlandsch-Indië, maar de samenstelling 
en de verdediging der nieuwe wetsvoordracht waren het 
deel van den Minister van Justitie, tot wiens departement 
de uitvoering der nieuwe wet zoude behooren, voor zooveel 
betreft het rgk in Europa, terwyl die uitvoering, voor 
zooveel betreft Nederlandsch-Indië, werd opgedragen aan de 
directie van justitie te Batavia. 

M^ sch:gnt deze overgang der zorg voor de regeling van 
het auteursrecht van Binnenlandsche Zaken naar Justitie 
niet zonder beteekenis, omdat ik daarin zie eene aanwijzing, 
dat men bij het ontwerpen der nieuwe wet de zaak uit een 



»3) Bijlagen der Handelingen van 1880—1881. 15. l. 

1^) Vergaderingen der Tweede Kamer van 1 en 2 Juni 1881; Verga- 
dering der Eerste Kamer van 21 Juni 1881^ 



( 14 ) 

ander gezichtspunt beschouwde dan bg het tot stand komen 
der oude wet. 

In den tgd der octrooien en patenten, alzoo in ons land 
tot het einde der vorige eeuw, toen geen schry ver krachtens 
eene algemeene wetsbepaling aanspraak kon maken op een 
uitsluitend recht van reproductie van zijn werk, kon men 
ill het daartoe strekkend privilege, hem door de overheid 
verleend, gesteld dit geschiedde niet zoozeer uit persoonlek 
guustbetoon, wat ook wel eens zal z^n voorgekomen, als 
om de wetenschappelyke of letterkundige verdienste van zgn 
werk, zien een maatregel ter bescherming van wetenschap ot 
kunst. Voor dat denkbeeld was echter geen plaats meer, 
zoodra men met het decreet van 1795 en de wet van 1803 
kwam tot de erkentenis, dat ieder schrijver of ieder uit- 
gever, die in des schryvers recht was getreden: »zonder 
»eenige bijzondere wet, te zgnen behoeve aanspraak heeft 
»op de beveiliging van" — wat men destijds noemde — 
»zijnen b^zonderen eigendom**, onverschillig of het voor- 
werp van dien zoogenaamden eigendom was een meesterstuk, 
of een prulwerk, met welks reproductie wetenschap en kunst 
in het geheel niet gediend waren. Maar denkbeelden zgn 
taai en overleven niet zelden de instellingen, waaraan zij 
ten grondslag lagen. Zoo ook hier: getuige de Eoninklgke 
Boodschap van 16 December 1816 i^>, gevoegd bij het ont- 
werp der wet van 25 Januari 1817, die, in de vergadering 
der Tweede Kamer van 3 Januari 1817, zonder discussie 
met algemeene stemmen aangenomen, binnen zes weken na 
hare aanbieding tot stand kwam ; terw^l de parlementaire 
behandeling der wet van 28 Juni 1881 ongeveer vier jaren 
in beslag nam. In die Boodschap, tevens eenige toelichting 
der regeerings voordracht, vond men, na de verklaring »dat 
»het regt i^an eiken schrijver op de voortbrengselen van zgn 
»vernuft en vlijt voorzeker onbetwistbaar is** de uitdrukking 
van 's Konings vertrouwen, dat Zijne Majesteit door dat 
ontwerp opnieuw deed blijken van Hare »bestendige wel- 



*^) Noordziek, Verslag der Handelingen van de Tweede Kamer der 
Staten Generaal gedurende de zitting van 1816 — 1817. Bijlagen, blz. 225. 



( 15 ) 

willendheid jegens de beoefenaren van letteren en kunsten'* en 
van Hare »begeerte om de kundigheden te bevorderen, die de 
»maatschappij aan hunnen loffelyken arbeid te danken heeft". 

Welnu, zoolang men nog hechtte aan het denkbeeld, dat 
het kopierecht van staatswege moet worden erkend en ge- 
regeld ter bevordering der kundigheden, die de maat- 
schàpp^ dankt aan den loffelyken arbeid der beoefenaren van 
letteren en kunst, alsof de drukpers niet dagelijks zwoegde 
onder de reproductie van gansch niet loffel:yken arbeid, lag 
het voor de hand dat de uitvoering der wet, volgens haar 
intitulé de rechten bepalende, die in de Nederlanden ten 
opzichte van het drukken en uitgeven van letter- en kunst- 
werken kunnen worden uitgeoefend, onder dak bleef bij de 
afdeeling »Kunsten en Wetenschappen" van het Departe- 
ment van Binnenlandsche Zaken. By deze beschouwing der 
zaak hield men meer het economisch motief en het maat- 
schappel^k voordeel dan de juridische constructie van het 
auteursrecht in het oog. 

Omtrent die juridische constructie heeft zich intusschen 
langzamerhand op het gebied der wetenschap eene overtui- 
ging gevestigd, deze namel^k, dat men hier te doen heeft 
met een privaat recht, behoorende tot den kring der absolute 
vermogensrechten, — eene overtuiging, die, al staat Portugal 
alleen met de opneming van het auteursrecht in zijn Burger- 
lek Wetboek van 1867, grooten invloed heeft gehad op de 
talr^ke wetten, die in de laatste 20 à 30 jaren in ver- 
schillende landen omtrent deze materie werden uitgevaar- 
digd. In gelijke richting bewoog zich de Nederlandsche wet 
van 1881. Niet de bevordering van kunst of wetenschap, 
maar de erkenning van des auteurs recht op de uitslui- 
tende reproductie van het voortbrengsel van zijn arbeid, al 
mocht niets daarin zijn eigen z^n dan de vorm, trad ook in 
onze wet op den voorgrond. 

Dat deze de opvatting des wetgevers was, doet reeds de 
overgang van dit onderwerp van Binnenlandsche Zaken naar 
Justitie onderstellen, en de juistheid dezer onderstelling 
wordt bevestigd door den inhoud der wet, ook beschouwd 
in het licht barer toelichting. 



( 16 ) 

Eene eigenlijke definitie van het auteursrecht geeft de 
nieuwe wet niet. Men heeft haar opzettelyk vermeden 
bl^kens de toelichting van art. 1., dat ons echter dit recht 
in zijne werking doet kennen als omvattende de uitsluitende 
bevoegdheid des auteurs om de voortbrengselen van zijn 
arbeid in het openbaar te reproduceeren op zoodanige wijze 
fils waarop die reproductie gemeenlgk plaats heeft. Is dit 
recht een uitsluitend recht van den auteur op de openbaar- 
making zyner gedachte, zooals het werd omschreven in de 
grondstellingen der academie? Allerminst, gedachten zijn 
tolvrij. Ik kan ze voor mij houden ; maar door ze eenmaal 
te openbaren maak ik ze tot gemeen goed, waarmede ieder 
buiten mijne toestemming zijn voordeel kan doen. 

Het is volkomen terecht gezegd door den minister Mod- 
derman ^ö): »niet het kopijrecht", wel het »recht van octrooi" 
— een soort van auteursrecht, bg ons sedert de wet van 
1869 niet meer erkend — maakt voor een tijd de »exploi- 
tatie van dezelfde gedachte onmogelgk"; — heeft althans 
de pretentie dat te doen — »het kopijrecht verhindert 
alleen, dat die gedachte »in denzelfden vorm wordt weer- 
gegeven". Ook dit laatste is treffend juist. Trouwens, de 
wetgever, die verder ging, zou eenvoudig een onbereikbaar 
doel nastreven. Wie is er geheel oorspronkelijk? Wie 
zal controleeren, of de gedachten, die ik in het openbaar 
uitspreek of die ik in letter- of notenschrift publiceer, geheel 
en onvermengd mgne gedachten zgn, of wat ik daarin, bewust 
of onbewust, aan mijne voorgangers of tgdgenooten heb 
ontleend? Wat de wet den spreker, den schrijver, den 
dichter, den componist alleen waarborgt en ook alleen waar- 
borgen kan, is het uitsluitend recht van reproductie van 
het werk, dat, min of meer oorspronkelgk van inhoud, door 
den vorm, dien hij er aan gaf, zijn werk werd. 

Dat uitsluitend recht van reproductie, dat, op geld waar- 
deerbaar, krachtens uitdrukkelijke wetsbepaling wordt be- 
sèhouwd als eene roerende zaak (art. 3, te vergelyken met 
art. 5(57 B. W.), vatbaar voor geheele of gedeeltelijke over* 



1«) T. a. p. in noot 13, § 1, 



( 17 ) 

dracht eu overgaande bij erfopvolging, beschermd door eene 
burgerlgke rechtsvordering (artt. 18, 22, 23) die, onvermin- 
derd de strafactie, kan worden ingesteld tegen elk en een 
iegelyk, die er inbreuk op maakt, is, gel^k terecht werd 
gezegd door den minister Modderman in zyne memorie van 
beantwoording : » geen persoonlijk relatief, maar een absoluut 
vermogensrecht". Dit is thans, ik had reeds de gelegen- 
heid om het op te merken, in de wetenschap eene vrij wel 
algemeene opvatting, al past zij niet juist in het pandecten- 
systeem. Dit in het breede aan te toonen en met bewgs- 
plaatsen te staven zoude m^ ver voeren buiten de grenzen 
dezer voordracht, waarbij ik mij de vraag heb gesteld : 
wat is volgens de opvatting van den Nederhmdsche wetge- 
ver het auteursrecht? en niet: is die opvatting juist? Overi- 
gens werd door m^ met betrekking tot deze laatste vraag 
reeds het een en ander opgemerkt in mgue mededeeling 
over het ontwerp van een Burgeil^k Wetboek voor het 
Duitsche Kijk in de vergadering onzer afdeeling van 11 
November 1889. Het zy mij alleen vergund thans nog 
eens in herinnering te brengen het toen reeds aangehaalde 
woord van den hoogleeraar Bekker: »Een vermogen bestaat 
»thans niet meer uit twee, maar uit drie groote groepen 
»van rechten, vermits bij de zakelgke rechten en de ver- 
»bintenissen gekomen zgn de rechten op onlichamelyke 
'/zaken". Tot die rechten behoort nu ongetwijfeld benevens 
het recht op het uitsluitend gebruik van firma's-, handels- 
en fabrieksmerken en meer andere het auteursrecht, waar- 
van het object, de reproductie van een werk, is onlicha- 
melijk, immaterieel, onverschillig of dat werk zelf reeds 
een materieel bestaan 'heeft, wat bij »mondelinge voor- 
drachten" het geval niet is. Nu weet ik wel, dat de hier 
bedoelde rechten door anderen ^7) liever worden ingel^fd 
(m. i. minder juist) onder de persoonlykheids- of individueele- 
rechten, maar daarmede wordt hunne verniogeuswaarde niet 



1^) Gierke : der Entwurf des Eürg-Gesetzbuchs und das deutsche Recht, 
bk. 82 vgg. ; von Liszt : die Grenzgebiete zwischen Privatrecht und 
Strafrecht^ § 2, bl. 2 vgg. 

VBRSL. EK MED. AFD. LBTTBBS, 3^6 BEEKS. DEEL XII. 2 



( 18 ) 

ontkend en ook niet betwist, dat zij tot voorwerp hebben 
onlichameläke zaken Dit is dus meer een verschil in ter- 
minologie dan in stelsel. Eene stellige betwisting van 
de stelling, dat het auteursrecht is »een absoluut vermo- 
gensrecht", vond men daarent^en in de rede van den heer 
Levy, uitgesproken in de Juristenvereeniging '^^), — waar 
hij na te hebben opgemerkt, dat het bedoelde reeht, waar- 
voor hij op het gebied van ^het burgerlyk recht" in het 
geheel geen plaats vond, niet is een »persoonlijk recht", 
»aldus vervolgde : »evenmin is het een vermogensrecht, w^l 
»het dan zou moeten behooren tot de klasse van eigendom, 
»en dit werd nog niet aangetoond". Het alternatief is 
verrassend, maar niet juist. Waarom zoude er geen plaats 
zijn in het systeem van het privaatrecht in objectieven zin 
voor het subjectief recht des auteurs op de reproductie van 
zijn arbeid, indien dit niet wordt ingelijfd bij den eigendom ^^)? 
Dit is werkelijk niet in te zien, en een onzer uitnemende 
civilisten. Prof. Gratama, nam dan ook geen genoegen met 
het door den heer Levy gestelde dilemma, toen hy van 
zijne zgde opmerkte : »Ik zou eenvoudig 7,eggen : het recht 
»van kopig is een zakelijk recht en meer, meen ik, dat men 
»nooit heeft gewild, geen eigendom". Nu, met deze laatste 
woorden, met de daarin uitgedrukte negatieve stelling: 
»geen eigendom" ben ik het volkomen eens, maar met de 
indeeling van het auteursrecht onder de zakelijke rechten 
kan ik geen vrede hebbeu. Zakelijke rechten, ofschoon 
zelve gelijk alle vermogensrechten onlichamelijk, zijn in 
ons rechtstelsel, volgens ons Burgerlijk Wetboek, steeds ge- 
vestigd op lichamelijke zaken, op goederen in den eigenleken 
zin des woords. Welnu, het recht van den auteur als zoo- 
danig is niet gevestigd op eenig materieel goed, op eeoe 
lichamel^ke zaak, want onder dat begrip valt niet de (uit- 



1^) Handelingen der Nederlaudsche Juristenverecning, VÏIÏ, 2e Deel, 
bl. 20. 

1^) Zelfs de constitutie van het Duitsche rijk sprak nog van //Schutz 
des geistigen Eigenthums" (art. 4, n^. 6), maar de rijkswet van 11 Juni 
1870 ter uitvoering van dit grondwettelijk voorschrift stelde daarvoor in 
de plaats: »das Urheberrecht". 



( 19 ) 

sluitende) bevoegdheid tot reproductie van zgn virerk op de 
daarvoor meest geschikte wgze — meest »geëigende*' drukt 
myne gedachte beter uit, maar volgens Van Dale is dit »een 
verwerpelijk gerioanisme" : de uitgaaf van een boek, de 
opvoering van een drama, de uitvoering van een oratorium. 
In geen voorbeeld komt dit beter uit dan in dat ontleend 
aan het kopierecht van brieven. Men is het er thans vrij 
wel over eens, dat dit bl^ft berusten bij den schrgver, al 
is de eigendom van den brief, de lichamelijke zaak, het 
beschreven papier, overgegaan op den geadresseerde, die dat 
papier mag vervreemden, vernietigen zelfe, maar niet publi- 
ceeren. Aldus is uitdrukkelijk bepaald in het Engelsche 
recht 20)^ maar wordt ook buiten uitdrukkelyke bepaling 
algemeen aangenomen onder het gebied van andere wet- 
gevingen ^^). En wat onze wet betreft leest men in het 
antwoord van den Minister Modderman op het voorloopig 
vei'slag der Tweede Kamer ad art. 2 de volgende verkla- 
ring, die aan duidelijkheid niets te wenschen overlaat : 

»Ter voldoening aan veler wensch maakt de Regeeriug 
»geen bezwaar te verklaren, dat daar de schrijver de auteur 
»is van den brief, aan hem en niet aan den geadresseerde 
»het auteursrecht toekomt. In het verzenden van den brief 
»zonder meer ligt geene overdracht van het auteursrecht 
»opgesloten''. 

In slotsom, om hiermede migne beschouwingen over het 
begrip van het recht te besluiten : het auteursrecht is een 
vermogensrecht, omdat het uitmaakt een door private en 
publieke rechtsmiddelen beschermd bestanddeel van het ver- 
mogen van den rechthebbende; het is een absoluut recht, 
omdat men het kan doen gelden niet alleen tegen vooraf 



20) Zie de in noot 8 aangehaalde verzameling, bl. 63, art. 3; Scrutton 
the Laws of Copyright, § 104, bl. 128. 

21) Vgl. het praeadvies van Mr. N. de Ridder in de Handelingen der 
Nederl. Juristenvereeniging, VIJI, 1)1. I, blz. 85, 86; Dambach, die 
Gesetzgebung des Norddeutschen Bundes betreffend das Urheberrecht, 
(Berlin 1871), blz. 19 — 21 ; Daude, Lehrbuch des Deutschen litterari- 
schen, künstlerischen und gewerblichen Urheberrechts (Stuttgart lb88), 
blz. 23. 

2* 



( 20 ) 

bekende personen en hunne rechtverkrijgenden, maar tegen 
iedereen. Die twee eigenschappen heeft het gemeen met 
de zakel^ke rechten, waarvan het echter verschilt inzoover 
deze gevestigd zijn op lichamelijke zaken ^^), terwgl het 
object van des auteurs recht altiyd is onlichamelijk, immaterieel. 



II. 



Ik kom thans tot den omvang van het auteursrecht. Om 
dezen aanschouwelijk te maken, is noodig eene ontleding 
van art. 1, eerste lid der Nederlandsche wet. In haar ge- 
heel luidt deze bepaling aldus: 

« 

»Het recht om geschriften, plaat-, kaart-ó, muziek-, too- 
»neel werken en mondelinge voordrachten door den druk 
»gemeen te maken, alsmede om dramatisch-muzikale wer- 
»ken en tooneelwerken in het openbaar uit- of op te voe- 
»ren, komt uitsluitend den auteur en zijnen rechtverkrij- 
» genden toe". 

Het auteursrecht omvat alzoo : 

10. het uitsluitend recht om alles zonder onderscheid, 
wat in het artikel wordt genoemd, door den druk gemeen 
te maken ; 

Daarenboven, en ait dien hoofde was de uitdrukking van 
art. 1 der wet van 1817 — »het regt van kopy of van 



('^) Zal men tegenwerpen, dat, al zijn de jura in re aliéna, opgesomd 
in art. 564 B. W., a]le gevestigd op lichamelijke zaken, vermogensrech- 
ten, zelfs niet beperkt tot de zakelijke, alzoo onlichamelijke zaken, het 
voorwerp kannen zijn van eigendom, het ius in re sua? Het antwoord 
zou dan zijn, dat het aan redelijken twijfel onderworpen is, of de zuiver 
doctrinaire bepaling van art. 555 B. W, die volgens Diephuis (Systeem, 
I, 419) de wetgever zeker veilig had kunnen terughouden eu aan de 
wetenschap overlaten, woordelijk opgevat, wel in overeenstemming is met 
de algemeene rechtsleer en het stelsel onzer eigen wet, en of de wet- 
gever daarin wel iets anders heeft willen uitdrukken dan wat zooveel 
juister is uitgedrukt in de artt. 896 en 897 Ontw. B. W. 1820, dat elk 
recht, aan een persoon toekomende, een bepaald onderwerp moet hebben, 
en dat alles, wat een zoodanig onderwerp van recht worden kan, in een 
rechterlijken zin zaak wordt genoemd, terwijl in dezen zin ook persoueele 
praesfatiën en zelfs actiën, voorzoover die het onderwerp van een recht 
kunnen zijn, als zaken zijn te beschouwen. 



( 21 ) 

kopieren door den druk" — te eng voor de tegenwoordige 
regeling : 

2°. het uitsluitend recht van uitvoering van dramatisch- 
muzikale werken ; 

3*^. het uitsluitend recht van opvoering van tooneel- 
werken. 

Reproductie door- defii druk. 

Alles wat nu wordt opgesomd in art. 1 kan geacht wor- 
den vroeger begrepen te z^n geweest onder de woorden 
van art. 1 der wet van 1817 »letter en kunstwerken", met 
uitzondering alléén van de »mondelinge voordrachten". 
Genoemd werden deze in de oude wet niet. Nu was de 
vraag gerezen, of niettemin uit het verband harer bepalingen 
mocht worden afgeleid, dat kopierecbt bestaanbaar is van 
het in het openbaar gesproken woord, dat niet in druk was 
verschenen, en waarvan zelfs niet bleek, dat dit in schrift 
was gebracht, en dus ook niet werd beweerd, dat van een 
manuscript misbruik was gemaakt. De Hooge Raad beant- 
woordde deze vraag ontkennend bij in raadkamer gewezen 
arrest van 22 Mei 1850 ^3), waarbij op afdoende gronden 
werd beslist, dat de uitgaaf van eene in het openbaar uit- 
gesproken leerrede zonder toestemming van den predikant 
niet was een strafbaar feit. Zeker was door deze beslissing 
gewezen op eene leemte, die aanvulling eischte, gelyk dit 
is geschied in art. 1 in verband met art. 14 der nieuwe 
wet, al bleek dan ook bij het onderzoek van het ontwerp 
dezer wet in de afdeelingen der Tweede Kamer, dat »som- 
mige leden" bezwaar hadden tegen de erkenning van een 
auteursrecht voor mondelinge voordrachten, terwijl »ande- 
ren" dit in geen geval wenschten te zien toegekend »waar 
»het houden van mondelinge voordragten deel uitmaakt van 
»een winstgevend beroep, zooals b v. bij geestelijken en 
»hoogleeraren". Den laatsten antwoordde de minister — 
oud-hoogleeraar Modderman zeer snedig: »Juist in het voor- 



as) W. y. h. R. n». 1136. 



( 22 ) 

»beeld van den hoogleeraar blijkt duidelijk bet rechtmatige 
»van een auteursrecht voor het gesprokene, evenals voor 
»het geschrevene woord iii hefc belang van wetenschap en 
»letteren, en bijgevolg in het belang van het publiek. De 
»hoogleeraar, voornemens om het gesprokene in het licht te 
»doen verschenen na dit gedurende eenige jaren telkens bij 
»hernieuwing te hebben getoetst en overwogen, is, b^ ge- 
»mis van auteursrecht, afhankel^k van den eersten den 
»besten dicta tenafschrij ver, die hem de vruchten z^us arbeids 
»kan ontrooven. Wat kan het gevolg zgn? Of dat de ge- 
»leerde overhaast en onbekookt werk ter perse zendt ten 
»einde niet door afschrijvers te worden voorkomen, of dat 
»hij de gedachte aan uitgeven laat varen, en dat zgne les- 
»sen daarvan den weerslag ondervinden" ^*). 

Dit over de mondelinge voordrachten. 

Ik kom nu tot de zeer algemeene toekenning van het 
arteursrecht voor »geschriften", een niet zeer gelukkig ge- 
kozen woord, waardoor — dit ontken ik niet — het goede 
doel der wet wel wordt bereikt, maar tevens, gelgk reeds 
nu in de praktijk is gebleken, ver wordt voorbggestreefd. 

»Geschriften", in art. 1 genoemd in onderscheiding van 
»plaat-, kaart-, muziek-, tooneel werken", maar in de artt. 
2, 3, 5, 6 en elders kennelyk begrepen onder de algemeene 
uitdrukking »werken", heeft de plaats ingenomen van »let- 
terwerken", welk woord in art 1 van het ontwerp der ver- 
eeniging voor den boekhandel nog was overgenomen uit 
art. 1 der oude wet. De regeering van 1877 meende dit 
voorbeeld niet te moeten volgen, maar zeide er in hare 
memorie van toelichting niets anders van dan dat het min 
gebruikelgke »letterwerk" door het woord »geschrift' was 
vervangen. Toen nu enkele leden in de afdeelingen der 
Tweede Kamer den wensch te kennen hadden gegeven, niet 
»geschriften" weder door » letterwerken" te vervangen, maar — 
wat in geen geval rationeel was — het laatste woord nog 
achter het eerste te voegen, antwoordde de regeering zon- 
der meer : » De invoeging van het ook uit een taalkundig 



2^) Memorie van beantwoording, aangehaald in noot 13, § 2. 



(23) 

»oogpunt niet aan te bevelen woord »letterwerken'* na >ge- 
»schriften" zou geheel overbodig zgn". Dit wil ik niet 
betwisten, maar daarmede is natuurlyk niet uitgemaakt, dat 
het woord »geschriften" juist is gekozen ter uitdrukking van 
de gedachte des wetgevers, voorzoover het mogelyk is deze 
te leeren kennen uit de parlementaire geschiedenis der wet, 
nu de gewisselde stukken zeer weinig en de mondelinge 
beraadslaging niets bevatten, wat ons op den weg kan helpen 
b^ de beantwoording der zoo uiterst belangrijke vraag : 
welke zgn benevens de in art. 1 uitdrukkelgk genoemde 
»werken" de overige objecten — »voorwerpen van den 
boekhandeF' zooals § 2 der memorie van toelichting ze 
aanwees — , waarvoor onder de zeer algemeene uitdrukking 
»geschriften" auteursrecht wordt erkend? 

Geschrift is, onaf hankel:gk van de waarde van den inhoud, 
alles wat geschreven is, elk geschreven stuk, al kan het 
niet gezegd worden eene gedachte uit te drukken, het 
voortbrengsel van eenigen intellectueelen arbeid te z^n. 
Deze ruime beteekenis heeft het woord ook in de taal der 
Nederlandsche wet, b^v. in de uitdrukking »onderhandsch 
geschrift" (art. 1911 vgg. B. W.), in de omschrijving van 
wisselbrieven en ander handelspapier (artt. 100, 208, 210 
W. V. K.), in de rubriek en het eerste artikel van T. XII 
B. II Wetb. van Strafrecht enz. Ik zal de voorbeelden, 
die voor het grijpen liggen, hier niet vermenigvuldigen. Is 
het nu werkelgk de bedoeling geweest van den Nederland- 
schen wetgever in de wet op het auteursrecht het woord 
geschrift te bezigen in diezelfde r^iime beteekenis, zoodat 
daaronder valt elk geschrift, onverschillig of het al dan niet 
is het voertuig van eenige gedachte, onverschillig of het 
't product is van eenigen intellectueelen arbeid, onverschil- 
lig — zooals het eigenaardig werd uitgedrukt door Mr. 
van de Kasteele op blz. 61 van z^n Proefschrift — »of 
»de denkbeelden er in vervat dan wel de materie die het 
»draagt op den voorgrond staan ?" Ging werkelijk de 
advocaat-generaal Gregory niet te ver, toen hy in zyne 
conclusie, voorafgegaan aan 's Hoogen Baad s arrest van 
21 Nov. 1892 (W. nO. 6274) als zijn advies te kennen gaf, 



( 24 ) 

dat onder »geschriften*' in de wet van 1881 begi'epen zgn 
»ook die, waaraan elke gedachte ontbreekt?*' Ik zoude 
wenschen al deze vragen beslist ontkennend te kunnen be- 
antwoorden. Het komt mij toch voor, dat, hoe ruim men 
de grenzen van het auteursrecht ook stelle en moet stellen, 
indien men eenmaal heen is over het onjuiste denkbeeld van 
bescherming van wetenschap en kunst door de erkenning 
van dit recht, er toch altijd een auteur moet wezen, zal er 
een auteursrecht zgn. Welnu om auteur ie heeten, moet 
men iets individueels in het leven hebben geroepen, ten 
minste aan eenige gedachte een min of meer oorspronkelijken 
vorm of inkleeding hebben gegeven. In dien ruimen zin 
kon het oorspronkelijk ontwerp der wet zelfs spreken van 
»auteurs van vertalingen'* — eene uitdrukking nu vervan- 
gen in art. 2 c door »vei-talers" — ; niemand echter denkt 
aan »een auteur" bij zuivere aankondigingen en nieuwsbe- 
richten in couranten of, om te blgven bij de twee voor- 
beelden, die zich bij ons in de praktijk hebben voorgedaan, 
by feestprogramma's en lijsten van preekbeurten. Het over- 
drukken van deze en dergelijke aankondigingen of berichten 
zonder »de bron" te noemen of niettegenstaande het voor- 
behoud harer uitsluitende publicatie moge afkeuring ver- 
dienen, een strafwaardig plagiaat kan ik daarin niet zien, 
en als inbreuk op het auteursrecht behoorde het dus naar 
mijne overtuiging niet strafbaar te zgn. Maar de Neder- 
landsche rechter is gebonden aan de Nederlandsche wet, en 
nu z^n er goede redenen aan te voeren en werkel^k aan- 
gevoerd, waarom de nadruk van een feestwyzer onder haar 
bereik werd gebracht in de zaak, die het onderwerp uit- 
maakte van *sHoogen Baads reeds aangehaald arrest van 
21 November 1892, en waarom gelyke beslissing werd 
gegeven ten aanzien van een lyst van preekbeurten in de 
zaken, waartoe betrekking hadden twee zeer onlangs ge- 
wezen arresten van 29 April 1895 (W. n^. 6647), waarbg 
overigens werd verstaan, dat de vraag, of een geschrift een 
auteur heeft en dus het voorwerp kan zijn van auteursrecht, 
staat ter beantwoording van den rechter, die over de feiten 
te oordeelen heeft. Dat nu deze rechter in de bedoelde 



( 25 ) 

zaken niet op een dwaalspoor was, Yolgt niet alleen uit de 
zeer algemeene beteekeuis van het woord »geschriften" 
in art. 1, maar niet minder stellig uit het aan art. 6 van 
het oorspronkelijk ontwerp toegevoegde tweede' lid van het 
tegenwoordig art. 7, luidende : 

»Mits de bron genoemd worde, staat het vrg, berichten 
»of opstellen uit dag- en weekbladen verder door den druk 
»gemeen te maken, tenzij het auteursrecht aan het hoofd 
»van zoodanig bericht of opstel uitdrukkel^k is voorbehou- 
»den en voorts gehandeld wordt overeenkomstig art. 10" 
(mededeeJing van twee exemplaren aan het Departement 
van Justitie). 

Het is duidelijk, dat deze b^zondere bepalingen voor cou- 
rantenberichten overbodig waren geweest, indien deze niet 
vielen onder het algemeene voorschiift van art. 1. Wat 
onder den regel niet valt, moet en mag in goeden wetstijl 
niet worden uitgezonderd. En nu inoge in de toelichting 
der bijzondere bepaling gewezen z^n op het nut, dat het 
uitdrukkel^k voorbehoud van het auteursrecht kan hebben 
voor niet zelden in nieuwsbladen voorkomende »stukken van 
»meer big vende wetenschappel^ke of letterkundige waarde, 
»by voorbeeld als feuilletons", het voorbehoud zelf is inden 
tekst der wet daartoe niet beperkt en evenmin wat aan de 
wetfcelgke sanctie van dit voorbehoud voorafgaat in het 
tweede lid van art. 7. 

Nu is er nog wel een beroep gedaan van den tekst op 
de toelichting van het oorspronkel^k ontwerp om den zin 
van het woord »geschriften" in art. 1 der wet min of meer 
te beperken, maar zonder goed gevolg. 

»Dit wetsontwerp" — zoo las men in § 2 dor memorie 
van toelichting van het oorspronkelgk ontwerp — »regelt 
»het auteursregt^ te weten het regt van schrgvers van let-* 
»terkundige werken benevens van die werken, welke aan 
» eerstgenoemden zeer nauw verwant, insgelijk een voorwerp 
»van den boekhandel uitmaken. Uitgesloten zijn de voort- 
»brengselen van schilder- en beeldhouwkunst". 

Wat hier bedoeld werd met de weinig bepaalde aanwij- 
zing van werken, die aan letterkundige werken »nauw ver- 



( 26 ) 

want" zgn, zoude op zich zelf niet duidelyk wezen, al» het 
verband van tekst en toelichting niet wees op de in art. 1 
nevens de »geschriften" genoemde plaat-, kaart , muziek- 
en too neel werken, in dezen gedachtengang zouden dan, 
gelijk is beweerd, »letterkundige werken" in de toelichting 
het aequivalent moeten zijn van »geschritten" in den tekst. 
Dit kan echter niet; vooreerst niet omdat de tooneellitera- 
tuur toch wel zal moeten worden ingedeeld onder de let- 
terkundige, niet alleen onder de daaraan »nauw verwante" 
werken. Of 8taa:i soms Shakespear en Molière buiten de 
letterkunde, en zijn Nathan der Weise en Goethe's Faust 
geen » letterkundige werken" ? Ten andere niet omdat als 
»geschriften" alléén omvat »letterkundige werken", er in 
het geheele artikel geen plaats is voor zuiver wetenschap- 
pelijke boeken, waarbfl, al mag de vorm nooit worden 
veronachtzaamd, de inhoud hoofdzaak is. 

Ik kom dus met den Hoogen Raad in zijn arrest van 21 
November 1892 tot de conclusie, dat in de aangehaalde 
zinsnede der memorie van toelichting: »niet tegenover el- 
»kander worden gesteld de geschriften van leiterkundigen 
» en die van anderen aard, maar tegenover al wat een voor- 
»werp van den boekhandel uitmaakt worden gesteld de 
»voortbrengselen van de beeldende kunst, welke laatste 
»buiten de voorgestelde regeling zouden vallen, terwijl voor 
»het eerste, zonder beperking, die regeling van toepassing 
»zou zyn". 

Alzoo, hoe men het ook wendt of keert, hetzi] men zich 
houdt aan den tekst der wet, art. 1 in verband met art. 
7, tweede lid, hetz:g men den nadruk doet vallen op de 
toelichting, altyd komt men t^t het besluit, dat »geschrif- 
ten" in eerstgemeld artikel omvat alle geschriften, die een 
y oor werp van den boekhandel uitmaken, daaronder ook die, 
welke niet z^n het voortbrengsel van eenigen individueelen 
geestesarbeid, en ten aanzien waarvan dus, by gebreke van 
een auteur in den zin van het gemeene spraakgebruik, van 
de toekenning van auteursrecht geen spraak had behooren 
te zijn 

Ik voor my ben niet vreemd aan het denkbeeld, dat onze 



( 27 ) 

wetgever, die de Duitsche rijkswet van 1870 trouw heeft 
geraadpleegd, zonder haar slaafs te volgen, heeft gemeend 
het woord »Schriftwerk'' (Schriftwerke) in art. I en in het 
intitulé dezer wet, inplaatn van meer beperkende uitdruk- 
kingen in vroegere wetten, zooals > litterarisches Erzeugnis", 
»Werke der Litteratur" en dergel^ke, ^°) het best terug te 
geven door ons »geschrift" (geschriften). Mocht dit zoo 
zijn, waarvoor ik natuurlijk niet kan instaan, dan was deze 
meening onjuist. Geschrift heet in het Duiisch» eenvoudig 
»Schrift" (das Geschriebene). Bij een » Schriftwerk" denkt 
men onmiddelijk aan een »Schriftsteller" (schrijver, auteur). 
De commentatoren der Duitsche wet konden dus gerust 
stellen, dat, hoe ruim men het wettelflk begrip van »Schrift- 
werk" ook opvatte, toch altfld wordt vereischt: »das das- 
» selbe das Erzeugnis einer eigenen geistigen Thätigkeit 
»seines Urhebers sei" ^ßj. Daarbij komt nog, dat § 7 der 
Duitsche wet in tegenstelling van artikel 7. 2e lid, van 
onze wet volkomen vrijheid geeft om artikels uit tijdscbriften 
en andere openlgke bladen over te neiijen, met uitzondering 
alléén van »novellistischen Erzeugnissen und wissenschaft- 
» liehen Ausarbeitungen, sowie von sonstigen grösseren Mit- 
»teilungen, sofern an der Spitze der letzteren der Abdruck 
»untersagt ist" ^7), 



-5) Zoo spreekt de Oostenrijksclie wet van 19 October 1846 nog vau 
^Litterarischen Erzeugnisse", de Hongaarsche van 26 April 1886 van 
^Schriftstellerischen Werken", de Zwitsersche bondswet van 23 April 
1883 van #Werken der Litteratur", de Belgische wet van 22 Maart 1 88 6 
van rune oeuvre littéraire". 

2^) Daude, bl. 13, Dambach, bl. 14 der in noot 21 aangehaalde werken. 

27) Art. 14 der Belgische wet is van den volgenden inhoud: /'Tout 
jrjournal peut reproduire un article publié dans un autre journal à la 
^condition d'en indiquer la source, à moins que cet article ne porte la 
jricention spéciale que la reproduction en est interdite". Dit artikel 
betreft dus, evenals het tweede lid van ons art. 7, alleen *dag- en week- 
bladen", maar bet is overigens veel minder beperkend. Onder //article" 
immers zijn niet begrepen eenvoudige * berichten", en voor deze heeft 
das een voorbehoud van auteursrecht in België geen gevolg. Dat is te 
minder twijfelachtig omdat een door den Senaat aangenomen amendement 
om hier ook telegrammen te noemen in de Kamer weder werd geschrapt, 



( 28 ) 

Na »geschriften" in het algemeen noemt de wet in het 
bijzonder; »plaat-, kaart-, muziek- en tooneelwerken". 

De laatste kunnen geacht worden begrepen te zgn geweest 
onder de »letterwerken'* der wet van 1817, en voor de 
dramatische literatuur gelden, wat betreft de reproductie door 
den druk, ook thans geen andere regels dan voor »ge- 
schriften" in het algemeen. 

Hetzelfde geldt voor plaat- en kaartwerken, die, althans 
de eerste, evenals de musicalia, in de vroegere wet bescher- 
ming genoten onder de algemeene benaming van »kunst- 
werken". Deze benaming is volgens haar taalkundige be- 
teekenis van zeer ruime strekking. Toch is het uit den 
geheelen inhoud der wet van 1817 duidelijk, dat daaronder 
in die wet niet begrepen waren oorspronkelijke voortbreng- 
sels der beeldende kunst Opzettelgk — ik had reeds de 
gelegenheid om dit op te merken — zgn deze ook uitge- 
sloten van de regeling der wet van 1881. Een paar jaren 
later, by Koninkl^ke Boodschap van 12 Februari 1884 2^), 
werd aan de Tweede Kamer verzonden een ontwerp van 
wet tot regeling van het auteursrecht op werken van beel- 
dende kunst, daaronder niet begrepen de bouwkunst, be- 
halve wat betreft bouwkundige teekeningcn en modellen. 
Deze voordracht, waarbg men kon wyzen op bet voorbeeld 
der Duitsche rgkswet van 9 Januari 1876 »betreffend das 
Urheberrecht an Werken der bildenden Künste", voni blijkens 
het daarover uitgebracht voorloopig verslag ^^) in de af- 
deelingen der Kamer geen zeer warm onthaal. De Regee- 
ring liet zich echter niet afschrikken. Na eene kameront- 
binding werd in de Tweede Zitting van 1884 — 1885 ^f^) op- 
nieuw een gewijzigd ontwerp met eene breedvoerige memorie 



en wel op dezen grond, dat de reproductie van een telegram alleen moet 
zijn verboden, indien het is een ir veritable article", maar dat het in dat 
geval reeds onder het algemeen verbod viel. Zie de Pasinomie Beige y^u 
1886, bl. 171, 172. 

28) Bijl. Hand. der zitting 188 ^—1884. 166. 

2») Bijl. Hand. der 2e zitting. 1884—1885, 72, no 3. 

**) Ibidem, no. 4, 5 



<29 ) 

• 

van toelichting ingediend, maar daarbij bleef het. Na de 
jongste kamerontbinding heeft men van de zaak, die toch 
reeds sedert lang sluimerde, niets meer vernomen. Daar- 
mede is het nu zoo gesteld, dat, terwijl de schilder er niet 
tegen kan opkomen, dat van de schilderij, die z^n atelier 
met z^ne toestemming heeft verlaten, om al of niet in eens 
anders eigendom over te gaan, gravures, etsen of photo- 
graphies afzonderlyk of in »plaatwerken" in den handel 
worden gebracht, de graveur, etser of photograaf aanspraak 
kan maken op het uitsluitend recht van reproductie van 
zijn naar het doek eens anders ontworpen werk. Of deze 
tegenstelling, die zeker een eenigszins verrassenden indruk 
maakt, niettemin in beginsel verdedigbaar is, ziedaar eene 
vraag, waarin ik niy thans niet zal verdiepen. 

Omtrent den nadruk van rausicalia bevatten vele vreemde 
wetten — b. v. de Oostenrijksche, de Duitsche, de Spaan- 
sche en de Belgische — bijzondere voorschrifti-n, die meer 
bepaaldelyk tot doel hebben in de wet zelve eene grenslyn 
te trekken tusschen de geoorloofde reproductie van eens 
anders muzikale gedachte in eene zelfstandige bewerking 
en ongeoorloofd plagiaat. 

»Het karakteristieke van elk muziekstuk" — aldus Mr. 
H. Viotta in zijn uitnemend akademisch proefschrift over 

het auteursrecht van den componist (Leiden, 1877) — 

« 

*is de melodie in beperkte beteekenis, de muzikale ge- 
» dachte". Volgt daaruit nu echter, gelijk dezelfde schrijver 
aannam, dat »bij de beantwoording van de vraag, hoever 
»zich ten aanzien van een bepaald muziekstuk 't object van 
»het uitsluitend recht van den componist uitstrekt in de 
»eerste plaats de melodie in aanmerking (moet) komen"? 

Tegen de juistheid dezer laatste stelling opperde ik eene 
bedenking in myne bespreking van dit proefschrift in het 
Muzikaal Tijdschrift Caecilia ^'), en aan die bedenking hecht 
ik thans nog wel eenige waar. ie. Ik ben ook nu nog van 



^1} Zie de nommera van 15 Oct. en 1 Nov. 1877, overgedrukt in Jiet 
W. V. h. R. n". 4171, wuaraau ook hieronder het een en ander is 
ontleend. i 



(30 ) 

meening, dat hij, die de melodie 7an een door hem niet 
gecomponeerd lied maakt tot thema van een ouverture of 
ander instrumentaal werk, zoomin nadrukker is als hij, die 
aan den tekst van het lied de stof ontleent van eene no- 
velle of een drama. Trouwens de heer Viotta zelf betwistte 
dan ook niet, dat de theorie, »dat eigenlyk iedere' omwer- 
»king van een muziekstuk, met behoud van de melodie, een 
»inbreuk (zoude zijn) op het auteursreehfV niets meer is 
dan eene eenzijdige theorie. Erkennende: »dat het gebruik 
»maken van een muziekstuk als grondslag van een nieuw 
s^muziekstuk onder zekere voorwaarden toegelaten is'\ sloot 
hij zich aan bg het stelsel der Duitsche wet, die, niet ver- 
biedende, dat de eene componist eene melodie ontleent aan 
den anderen, elke zelfstandi<:je bewerking van eens anders 
muzikale gedachten als geoorloofd beschouwt ^^). Immers 
§ 4Ô dei' rijkswet van 1870 noemt alleen nadruk elke zon- 
der toestemming van den auteur uitgegeven bewerking van 
een muziekwerk, die niet als eene eigen (eigenthümliche) 
compositie kan worden beschouwd: »insbesondere Auszüge 
»aus »einer musikalischen Komposition, Arrangements für 
»einzelne oder mehrere Instrumente oder Stimmen, sowie 
»der Abdruck von einzelnen Motiven oder Melodien eines und 
»desselben Werkes, die nicht künstlerisch bearbeitet sind**. 
Deze of dergelijke bepalingen mist men in de Neder- 
landsen e wet, niet omdat de Nederlandsche wetgever ze in 
beginsel onjuist achtte, maar omdat hij van oordeel was, 
dat de vraag of door de eene of andere handeling inbreuk 
is gemaakt op het auteursrecht, ook ten aanzien van muziek- 
werken, moet worden overgelaten aan het vrije oordeel des 
rechters, die — zoo noodig na ingewonnen advies van des- 
kundigen — »veel beter dan de wetgever, met het oog op 
»de gepleegde feiten, telkens (kan) beoordeelen, of er wer- 
»kel^k inbreuk op het regt van den componist is gemaakt, 
»of zijn werk geheel of ten deele door den druk is gemeen 
»gemaakt of uitgevoerd** ^^). 

32) Dambach, bl. 223. 

33) Toelichtiug van art. 7 vau het oorspronkelijk ontwerp, in het ge- 
wijzigd ontwerp vervallen. 



( SI ) 

De Duitsche wet beschouwt in § 48 den tekst als acces- 
soir en neemt dus als regel aan, dat de componist vrij is 
om een reeds openbaar gemaakten tekst onder zgne com- 
positie af te drukken. Uitgezonderd worden de libretto's 
van opera's en oratoria, en in het algemeen teksten, welke 
*nur für den Zweck der Composition Bedeutung haben", 
en daarom niet zonder toestemming des schryvers onder de 
noten mogen worden afgedrukt. 

De auteurs der Nederlandsche wet, die van den regel 
niets wilden weten, omdat deze »uit een regtskundig oog- 
punt geen aanbeveling verdient*' 3*), zwegen bijgevolg ook 
over de uitzondering. Voor teksten van toonwerken geldt 
dus het algemeene voorschrift, in art. 1 voor alle »geschrif- 
ten" gegeven. Men mag ze, zoolang het auteursrecht duurt, 
niet onder de noten afdrukken zonder toestemming van den 
auteur. Mij schynt dit juist. Of de tekst al of niet »hulp- 
middel" is voor de muziek, eene vraag overigens door Wag- 
ner en zgne school ontkennend beantwoord, doet hier niets 
ter zake. Is een gedicht van Heine of Geibel, van Hugo 
of Musset, van Beets of Heye hulpmiddel voor den compo- 
nist, wie of wat geeft hem het recht dit daartoe te be- 
stemmen buiten goedkeuring van den dichter, die, als zijn 
zang hem roem of voordeel brengt, zeker daarin geen ge- 
ring aandeel heeft? Beschouwt men de vraag uit dat oog- 
punt, dan schijnt de opmerking, dat »in het algemeen'^ de 
dichter geen materieel nadeel lydt door de verbinding van 
zijn tekst met de muziek van een ander, al acht men haar 
juist, hier minder afdoende. 

Onverminderd het uitsluitend recht van uit- en opvoering 
van dramatisch- muzikale werken en van tooueelwerken, 
waarover nader, beslaat zoowel voor deze, als voor alle 
overige in art. 1 genoemde werken, mondelinge voordrach- 
ten daaronder begrepen, het auteursrecht in de bevoegdheid, 
den auteur en zijnen lechtsverkrijgenden, bij uitsluiting van 
alle anderen, toegekend om die werken »door den druk ge- 
meen te maken". 



^*) Zie mede aldaar. 



(32 ) 

Deze uitdrukking moet in ruimen zin worden opgevat. 
Onder »gemeen maken** z^n, volgens de toelichting van 
art. 1, begrepen, de verschillende wijzen van publicatie: 
»buiten den auteur en zgne regtverkrijgenden is niemand 
»bevoegd het werk te verkoopen, te verspreiden, uit te stal- 
»len, ten verkoop of ter verspreiding voorhanden te hebben". 
Onder »druk" heeft men hier te verstaan: »die vermenig- 
»vuldiging van het werk welke door mechanisch afdrukken, 
»in hoedanigen vorm dan ook, verkregen wordt", daaron- 
der begrepen de photographie, gelijk door den minister 
Modderman uitdrukkelijk werd verklaard in zyne Memorie 
van beantwoording. Verder gaat de wet echter niet. Geen 
inbreuk op het auteursrecht zonder vermenigvuldiging »door 
den druk". De Duitsche wet daarentegen spreekt niet 
alleen in § 1 zeer in het algemeen van mechanische ver- 
menigvuldiging, maar zegt in § 4 nog uitdrukkelijk, dat 
daaronder is begrepen, »das Abschreiben, wenn es dazu 
»bestimmt ist den Druck zu vertreten". Onze wetgever 
wilde daarvan niet weten. »Tegen afschryvers" — aldus de 
m. V. t — »was het onnoodig den auteur te waarborgen". 

Twijfel aan de juistheid dezer stelling is geoorloofd. In 
Duitschland is het afschreven van musicalia zeer gebruike- 
lijk ^^). Bij ons is het niet anders. Daarop werd reeds ge- 
wezen door den heer Viotta, toen hij in 1877 onder meer 
dienaangaande schreeft : »Het copieeren van muziekstukken, 
»bepaalJel^k van zang- en orkestpar tyeu, geschiedt zeer 
»dikwijls. Men gevoelt echter, dat daardoor groot nadeel 
»aan den uitgever wordt 'toegebracht". 

Overigens, is, ook buiten het gebied der toonkunst, het 
afsclifijven, als middel van reproductie van onuitgegeven 
manuscripten of van mondelinge voordrachten, bij ons niet 
onbekend. Men denke slechts aan den handel in dictaten, 
die, zeker niet in het belang der wetenschap en hare be- 
oefening, openlijk strtififeloos wordt gedreven in onze acade- 
miesteden. 



3*) Dftiiibach, bl. 52. 



( 33 ) 

Burgerrechtelijk ongeoorloofde of strafbare inbreuk op 
het auteursrecht heeft, behoudens de schending van uit- of 
opvoeringsrecht, alléén plaats door middel der drukpers. 
Hieruit volgt echter niet, dat het werk door den druk 
gemeen moet zijn gemaakt, wat het stelsel was der wet 
van 1817 (art. 6 in verband met de artt. 1 en 2), voordat 
de auteur of zijne rechtverkrijgenden hun uitsluitend recht 
van reproductie kunnen doen gelden. Immers, de wet maakt 
het ontstaan van het recht niet afhankelijk van deze voor- 
waarde. Er is meer, in de artt. 13 en 14 onderscheidt zij 
bij de bepaling van den duur van het recht uitdrukkelijk : 
»door den druk gemeen gemaakte werken" en »niet door 
»den druk gemeen gemaakte werken, mondelinge voor- 
» drachten daaronder begrepen''. Wat geldt van het ge- 
sproken woord, onverschillig' of het vooraf of daarna in 
schrift is gebracht, geldt evenzeer voor elk nog onuitgegeven 
geschrift, zonder onderscheid of het door den schrijver al 
dan niet voor uitgaaf bestemd is, en of het met of buiten 
zijne toestemming van zijne handen is overgegaan in de 
handen eens anders, die het als houder, bezitter of eigenaar 
onder -zich heeit. Wat vroeger reeds is opgemerkt aan- 
gaande brieven, is niet minder waar voor alle andere 
manuscripten. 

Opvoering en uitvoering van dramatische en 
dramatisch' muzikale werken. 

Het uitsluitend op- en uitvoeringsrecht van den tooneel- 
schrijver en den componist werd, alleen wat betreft opvoe- 
ring en uitvoering in het openbaar maar overigens zonder 
eenige beperking, erkend in het oorspronkelijk ontwerp der 
geldende wet. De wet van 181 7 kende zoodanig recht 
niet- In België werd die leemte kort na de feitelijke schei- 
ding van Nederland aangevuld bg decreet van het voor- 
loopig bewind van 21 October 1830, thans vervangen door 
de artt. 15 — 18 der wet van 22 Maart 188G; in Frankrijk 
is het bedoelde recht reeds sedert het einde der vorige eeuw 

▼BUSL. BN MED. AFD. LBTTBRK. 3de reBKS, DBBL XII. 3 



( 34) 

erkend en geregeld ^^), en dit is eveneens het geval in de 
meeste andere landen, bij name ook in hetgeheele Duitsche 
rgk krachtens § 50 — 5G der rijkswet van 1870. De er- 
kenning van dat recht, waarop reeds in 1875 met klem 
was aangedrongen door het Nederlandsch Tooneelverbond in 
een aan de regeering ingediend adres ^7)^ in het ontwerp 
van 1877 was dus eene aansluiting bg de wetgeving, elders 
algemeen geldende. Toch vond zg zoowel in als buiten 
de Tweede Kamer bestriding. Er waren er, die meenden, 
dat door art. 1 van het ontwerp bij wyze van privilege 
aan dramatisten en componisten »een dubbel recht" werd 
toegekend. Volkomen onjuist. Uitsluitende bevoegdheid tot 
uitgaaf en uitsluitende bevoegdheid tot openbare uit- of 
opvoering zijn slechts verschillende vormen, waarin hetzelfde 
recht zich openbaart. 

Vraag en antwoord werden goed gesteld in § 2 der me- 
morie van toelichting: »Wat is het wezen van het recht u at 
»men aan de auteurs toekent? Het is de uitsluitende be- 
»voegdheid tot reproductie van hun werk voor het publiek. 
»Indien nu een werk zich tot verschillende soorten van re- 
» productie leent, moet op alle, voorzoover zg inderdaad 
»voor den auteur van beteekenis zijn, worden acht geslagen. 
>A1 die soorten van reproductie geven toch eerst tezamen 
»de materieele waarde aan het werk". 

De minister Modderman, in de memorie van beantwoor- 
ding aan het woord, dacht er niet anders over. »Het ont- 
» werp verleent niet" — leest men daar op bl. 1 — »een duhhel 
»recht aan sommige schrijvers^ maar het recht regelt zich 
»naar den aard van het werk, dat nu eens vatbaar is om 
»langs meerdere wegen, dan om langs éénen weg ter kennis 
»te worden gebracht van het algemeen". 



36) Wet van 19 Juli 1791 in verband met art. 428 Code Pénal. 

37) Na de indieuiug van liet Ontwerp van 1877 wendde het Ned. 
Tooneelverband zich tot de Tweede Kamer niet een adres tot onder- 
steuning der regeeringsvoordracht, waarin het echter enkele wijziginjroii 
en aanvullingen wcnschte te zien opgenomen. Dit adres is afgedrukt 
in het Ned. Tooneel, Orgaan van het Verbond, Vil, n^. lü. 



(R5 ) 

Niettemin bracht de minister op dit punt twee belang- 
rgke wgzigingen in het oorspronkelijk ontwerp. De voort- 
during van het uit- of opvoeringsrecht werd, wat uit een 
practisch oogpunt verdedigbaar is, voor door den druk ge- 
meen gemaakte werken afhankelijk gemaakt van een voor- 
behoud van dat recht bij de uitgaaf (art. 15 der wet). 
Aan vr^ wat meer bedenking onderhevig is de beperking 
van het uitvoeringsrecht, in het oorspronkelijk ontwerp 
erkend voor alle musicalia, tot »dramatisch- muzikale 
werken". 

De eenige grond, voor deze beperking aangevoerd, was 
deze : » Gel^k geen uitsluitend opvoeringsrecht erkend wordt 
»voor het declameeren van een dichtstuk, maar alleen voor 
»dramatische werken, zoo vordert de consequentie, dat ook 
>bii muziekwerken het uitsluitend opvoeringsrecht tot dra- 
»matische werken (oratoria, opera's enz.) beperkt worde". 

Ik erken, dat deze analogie tusschen alle miisicalia, die 
niet vallen onder de qualificatie »dramatisch muzikaal" en 
op zich zelf staande »dichtstukken", mg geheel ontgaat. 
Welke overeenkomst b. v. bestaat er, wat den omvang van 
het auteursrecht betreft, tusschen eene symphonie en het 
een of andere losse dichtstuk? Inderdaad, dit is ver van 
duidel^k. Ik zoude zelfs meenen, dat eene vergelijking 
van een eenvoudig gedicht met een eenvoudig lied hier niet 
opgaat. Het eerste wordt slechts bij uitzondering gemaakt 
om voorgedragen, het laatste wordt altijd gecomponeerd om 
gezongen te worden. 

Dit daargelaten, mag men vragen : waarom zullen Oflfen- 
bach, Lecocq en Suppé voor hunne operettes een recht 
hebben, dat in het stelsel onzer wet aan Beethoven in eigen 
persoon voor zijne symphonies zoude moeten worden ont- 
zegd ? Ik kom er voor uit dit privilege voor de zooge- 
naamde dramatisch-rauzikale werken niet te vatten; maar 
treed thans verder niet in deze vraag, die ik elders ^^) reeds 
vóór het tot stand komen der wet zonder succes besprak. 



38 



') W. V. h. R. nO. 4605, onder de rubriek Mengelwerk. 

3* 



( 36 ) 
Grenzen van het gebied der wet — Traetaten. 

Tot besluit nog enkele vluchtige opmerkingen omtrent 
het gebied, waarover de vrerking der Nederlandsche wet, 
in verband met internationale verdragen, zich uitstrekt. 

De Nederlandsche wetten waren iogevolge art. 118 der 
herziene grondwet van 1848 en zijn volgens art. 122 in 
verband met art. 2, 2e lid, der herziene grondwet van 
1887 alleen voor het Rijk in Europa verbindende: »voor 
»zoover daarin niet is uitgedrukt dat zij voor de koloniën 
»en bezittingen in andere werelddeelen verbindend zyn". 
Dit laatste nu »is uitgedrukt*' in art. 28 der auteurswet, 
maar alléén voor Nederlandsch (Oost-)Indië, niet voor onze 
West-Indische Koloniën. Waarom dit onderscheid? In § 7 
der memorie van toelichting werd het verklaard door etM;e 
verwijzing naar art, 117 van het Regeerings-reglement van 
Suriname en art, 138 van het Regeerings-reglement van 
Curacao 3®), die onder meer de regeling van »den letter- 
kundigen eigendom*' overlieten aan koloniale ver or denin ge??. 
Tevens echter was resp. bij ait. 168 en bij art. 189 der 
reglementen bepaald, dat dit onderwerp evenals de overi<re 
in de art. 117 en 138 genoemde voor de eerste maal zoude 
worden geregeld bij Koninkl. Besluit. Op de in het Voor- 
loopig Verslag der Tweede Kamer gestelde vraag, of er be- 
zwaar zoude bestaan, uit kracht der twee laatstgemelde 
artikelen de nieuwe regeling van het auteursrecht in de 
W.-I. Koloniën bij K.B. in te voeren, antwoordde de regee- 
ring, dat: »het haar stellig voornemen (was) daartoe on- 
» middellijk over te gaan nadat het ontwerp tot wet zal zijn 
»verheven**. Dit is dan ook geschied bij twee Koninklijke 
Besluiten van 11 Mei 1883, n^. 39 en 40, houdende rege- 
ling van het auteursrecht, geheel op gelijken voet als in 
Nederland en Ned, Indië, resp. voor Suriname (Gouv. Blad 
1883, n^ 11) en Curacao (Publ. Blad 1883, n». 5). 

De Nederlandsche wet, waartoe ik nu terugkeer, is nnar 
luid van art. 27, te vergelijken met art. 10, 2e lid, en art. 



3») Wetten van 31 Mei 1865, Stbl. n«. 55 en n«. 56. 



( :" ) 

28, — »in overeenstemming met de algemeene beginselen 
»over de plaatselijke grenzen van het privaatregt**, zooals 
de memorie van toelichting het uitdrukte, — van toepassing : 

a. op in Nederland of in Nederlandsch Indië gedrukte 
en door den druk gemeen gemaakte vlerken, 

b. op niet door den druk gemeen gemaakte werken af- 
komstig van in Nederland of in Ned. Indië woonachtige 
auteurs, daaronder begrepen in Nederland of Ned. Indië 
gehouden mondelinge voordrachten. 

Op de nationaliteit van den auteur komt het dus in geen 
geval aan in overeenstemming met den regel van art. 9. 
Alg. Bep., waarnaar de M. v. T. in de aangehaalde woorden 
stilzw^gend verwees : »het burgerlijk recht is hetzelfde voor 
» vreemdelingen als voor de Nederlanders" *°). Bij door den 
druk gemeen gemaakte werken is het voor de toepasselyk- 
heid der wet de vraag: waar is het werk gedrukt? voor 
niet door den druk gemeen gemaakte werken : waar woont 
èe auteur? Hierbij valt alleen nog op te merken, dat de 
strafbepalingen, in de wet opgenomen ter bescherming van 
het recht des auteurs, onverminderd zijne burgerlijke rechts- 
vordering, in Nederland sedert de invoering van het Wet- 
boek van Strafrecht vervangen door art. 349 bis, ter, qnater 
van dat wetboek, in Ned. Indië van kracht zijn gebleven en 
zullen blijven, totdat z^ ook daar bij de toet zullen zgn ge- 
wgzigd üf door andere vervangen*^). 

Uitbreiding van de werking van het door de wet gere- 
gelde recht buiten de door haar gestelde grenzen kan natuur- 
lijk alleen het gevolg zgn van met vreemde mogendheden 
gesloten, ter voldoening aan het tweede lid van art. 59 der 
Grondwet goedgekeurde verdragen. 

Zoodanige verdragen zijn door Nederland aangegaan met 
Frankr^k, met België en met Spanje, resp. goedgekeurd by 
de wetten van 12 Juli 1855 (Stbl. n^. 1 1)*^), 28 December 
1858 (Stbl. no. 119) en 9 Juli 1863 (Stbl. n^. llj). 



^°) Vgl. ait. 9. Alg. Bep. van Wetg. voor Ned. Indië. 
*i) Zie de mem. van toel. van bet Ontw. van een Wetb. van Strafr. 
voor Ned. Indië (1891). blz. 152, 153. 
*2) Vgl. de additioneele overeenkomst in het Staatsbl. vanl860, no. 39, 



(38 ) 

Al deze tractaten, voorafgegaan aan de wet 1881, zijn 
echter na haar inwerkingtreding en tot heden toe van 
kracht gebleven, wat Frankrijk betreft, omdat de oorspron- 
kelijke overeenkomst volgens haar He artikel het lot moest 
volgen van het met dien staat bestaande handels- en scheep- 
vaartstractaat van 25 Juli 1840, na de hernieuwing bij 
eene diplomatieke verklaring van 19 April 1884, gevoegd 
bij het handelsverdrag van denzelfden dag, goedgekeurd bg 
de wet van 20 Juli 1884 (Stbl. n«. 169). Bij deze ver- 
klaring werd de oorspronkel^ke overeenkomst, uitgebreid tot 
muziekwerken, mede van toepassing verklaard in de weder- 
zijdsche koloniën der beide staten. 

De drie genoemde tractaten zijn blikbaar ontworpen naar 
één en hetzelfde model. Op sommige punten van onder- 
geschikten aard van elkander afwijkende, zijn zy wat de 
hoofdzaak betreft van gelijken inhoud. Alle zijn beperkt 
tot de reproductie van wetenschappelijke of letterkundige 
werken (oeuvres scientifiques ou littéraires). Den auteurs van 
die werken en hun rechtverkrggenden waarborgen zij we- 
derzijds op het gebied der contracteerende Staten gelgke 
bescherming tegen nadruk {reproduction ou contrefaçon) als 
waarop de auteurs der op dat gebied verschenen werken 
volgens de daar geldende wet aanspraak kunnen maken. 
Op dezen regel bestaat echter eene hoogst belangrgke uit- 
zondering, Reeds onder de wet van 1817 had de schrijver 
van hier te lande verschenen werken een uitsluitend ver- 
talingsrecht, in de omschrgving van »het recht van kopy" 
in art. 1 uitgedrukt in de woorden: >eene of meer talen". 
Dat recht is in de nieuwe wet (art. 5 in verband met art. 
16) gehandhaafd, zg het dan ook onder eenige vroeger hier 
te lande onbekende beperkingen. Eene volledige toepassing 
der Nederlandsche wet op de Fransche, Belgische en Spaan- 
sche werken, vallende onder de omschryving van art. 1 der 
respectieve tractaten, zoude dus geeischt hebben het weren 
van zonder toestemming des schryvers verschenen vertalin- 
gen van die werken op Nederlandsch grondgebied. Het is 
echter anders. Wel wordt aan den vertaler als zoodanig, 
den vertaler voor zyne vertaling, biy de drie tractaten een 



( 39 ) 

gelijk recht toegekend als den schrflver voor het oorspron- 
kelijke werk, in het Belgische tractaat met dit voorbehoud, 
dat HoUandsch en Vlaanisch als ééne taal worden beschouwd, 
maar des schrgvers uitsluitend recht van vertaling wordt in 
het Belgische en het Spaansche tractaat, resp. in art. 1,2e 
lid*3), en art. 3, 2e lid*'*), uitdrukkelyk onttrokken aan 
den regel van gelijke bescherming der op het gebied der 
contracteerende Staten verschenen werken. Gelijke uitdruk- 
kel^ke beperking vindt men niet in het Fransche tractaat, 
maar de vrijheid om hier te lande vertalingen van Fransche 
werken uit te geven volgt uit het algemeene voorschrift 
van art. 1. 2e lid, dat de rechten, wederzgds uit te oefenen 
in het eene of het andere land, nooit uitgebreider kunnen 
zijn dan die, welke worden toegekend door de wet van het 
land, waartoe de auteur of zijn rechtverkrijgende behoort. 
Zoolang nu de Fransche wet het uitsluitend vertalingsrecht 
van den auteur niet kent, wat tot nu tot nu toe het geval 
niet is, bestaat in Nederland volkomen vrijheid om van 
Fransche werken eigen vertalingen in het licht te geven ; 
maar ook niet langer. Deze tegenover België en Spanje 
conventioneel gewaarborgde vrijheid is tegenover Frankrijk 
afhankelijk van het goeddunken des Franschen wetgevers. 
Van die zijde moet men dus voorbereid zijn op eene ver- 
rassing, die den eenen of anderen dag onzen boekhandel en 
den Nederlanders, die niet op al te vertrouwelij ken voet staan 
met het Fransch, boven het hoofd hungt*^). 

Van oneindig veel ruimer strekking dan vroegere tracta- 
ten over dit onderwerp was de overeenkomst ter wederz^d- 



*^) België, art. 1, 2e lid. De la protection du droit de propriété ou 
d'auteur stipulés par le présent article est excepté le droit exclusif de 
traduction que les lois actuelles ou futures de Tun ou l'autre pays pour- 
raient être censées réserver à l'autre. 

**) Spanje, art. 3, 2e lid. Il est bien entendu que le présent article 
n'a pas pour objet d'accorder soit a l'auteur^ soit au premier traducteur 
d'un ouvrage le droit exclusif de traduction, mais simplement de protéger 
le traducteur par rapport a sa propre traduction. 

^*) Zie dienaangaande eene mededeeliiig onder de Berichten van het 
W. V. h. ft. n«. 5690. 



( 40 ) 

sehe bescherming van het auteursrecht op werken van let- 
terkunde en kunst, onder dagteekening van 29 Mei 1884 
tusschen iS'ederland en het Duitsche rgk gesloten, bij Konin- 
klijke Boodschap van 29 Aug., nader (na de ontbinding der 
beide Kamers) van 20 Nov. 1884 ingediend aan de Tweede 
Kamer der Staten Generaal ter goedkeuring bij de wet *^). 

Bij deze overeenkomst werd in art. 10 van weerszgde 
het uitsluitend vertalingsrecht aan den auteur toegekend, 
en wel met verdubbeling van den termijn, in art. 16 der 
Nederlandsche wet gesteld, gedurende tien jaren na de uit- 
gaaf eener van hem afkomstige of door hem goedgekeurde 
vertaling. In art. 8 der overeenkomst werd niet alleen 
wederzijdsche bescherming van het uit- en opvoeringsrecht 
in den ruimsten zin bedongen, maar dit recht, wat aangaat 
de musicalia, met opoffering van het in Nederland aan het 
m üuitschland bij de wet aangenomen beginsel, uitgebreid 
tot alle — ook niet dramatische — muziekwerken, mits 
onuitgegeven, of wel uitgegeven met verbod van openbare* 
uitvoering aan hei; hoofd of op den titel van het werk. 

Het is waari^k geen wonder, dat de overgroote vrijgevig- 
heid dezer overeenkomst in de afdeelingen der Tweede 
Kamer, blijkens het op 1 Juli 1885 vastgestelde Voorloopig 
Verslag, een ongunstig onthaal vond. 

In Nederland nadruk te weren ook van elders verschenen 
werken eischt de goede trouw, die aan geen geographische 
grenzen is gebonden; al heeft dan ook het Duitsche rgk 
met zyn uitgestrekt grondgebied en talrijke bevolking veel 
grooter belang bij het verbod van nadruk van Duitsche 
werken in Nederland dan Nederland bij gelyk verbod voor 
Nederlandsche werken in Duitschland, vooral omdat er veel 
meer Nederlanders zyn, die Duitsch lezen en verstaan dan 
Duitschers, die genoegzaam vertrouwd zijn met onze taal 
om eenig nut of genot te hebben van HoUandsche boeken. 
Maar vertalen is geen nadrukken. Dit nam de Nederland- 
sche wet in beginsel aan toen zy aan de vertalers ten op- 
zichte van hunne vertaling auteursrecht toekende, en dus 



46 



) Hijl. Hand. 1884, ,1885, Ie Zitting 16, 2e Zitting 60. 



( 41 ) 

ook in de vertaling zag een eigen werk, de reproductie van 
eens anders gedachten in een van de oorspronkelijke uitgaaf 
verschillenden vorm. 

»Wie een werk uit eene vreemde taal vertaalt*' — zoo 
las men in § 4 van het Voorloopig Verslag onder meer be- 
langrijke opmerkingen op dit punt — »besteedt daaraan 
»een belangrijken arbeid en brengt door zijn tulent eene 
»andere handelswaarde voort; vertaling schept een ander 
»handelsobject, bestemd voor een anderen kring van gebrui- 
»kers, en op de opbrengst waarvan de vertaler aanspraak 
»kan maken". 

Wat betreft de wederzij dsche onbeperkte erkenning van 
het uitsluiten«! recht tot opvoering van zuiver dramatische 
of' muzikaal-dramatische werken, ook deze zoude gelijkheid 
brengen meer in schijn dan in het wezen der zaak. 

Door de hoog geprezen »wederkeerigheid" zgn wg, met 
het oog op onze buiten Nederland schier onbekende taal, 
wemig of niet gebaat. Alléén met België zoude om zgn 
ten deele Nederlandsch taalgebied eene uitbreiding van het 
tractaat van 1858 tot de uitvoering van iooneel werken, 
daaronder begrepen de dramatisch muzikale, ons op een 
voet van werkelijke gelijkheid kunnen brengen. 

Bij verdragen van gelijke strekking met de groote Euro- 
peesche mogendheden, bg name met Duitschland en Fran- 
krijk, wier taal en kunst bij ons even bekend en gewaar- 
deerd als de onze op hun grondgebied weinig in tel zijn, 
zijn b^na alle materieele voordeden aan hunne, alle mate 
rieele nadeelen aan onze z^de. 

Wat hiervan zij, gesteld dat de belangen van het Neder- 
landsche publiek en de Nederlandsche tooneeldirecties ge- 
heel moeten w^ken voor de erkenning van het recht van 
den vreemden dramatist en componist in den ruimsten zin, 
in geen geval zal men aan den vreemden auteur in Neder- 
land meer rechten mogen toekennen dan de Nederlandsche 
auteur hier volgens de Nederlandsche wet geniet. En toch 
niets minder had de overeenkomst met Duitschland op het 
oog door de wederzijdsche erkenning van het uitsluitend 
uitvoeringsrecht voor alle muziekwerken, terwgl de Neder- 



(42) 

landsche wet — zij het op onvoldoende gronden, dit geef 
ik der Nederlandsche regeering van 1884 toe — dat recht 
beperkt tot dramatisch-uiuzikale werken. 

Dit een en ander verklaart den krachtigeii tegenstand, 
welken de overeenkomst uiet het Duitsche Rijk in de afdee- 
lingen der Tweede Kamer ontmoette. Het Verslag van 
1885, waarin die tegenstand zoo 'luide sprak, bleef onbe- 
antwoord, en het wetsontwerp tot goedkeuring van het ver- 
drag verviel door latere ontbinding der Kamer zonder daarna 
opnieuw te worden ingediend. 

Men is, nu het Duitsche tractaat voor goed schijnt te 
zyn geabandonneerd, wel gerechtigd tot de meening, dat de 
Nederlandsche regeering niet licht een verdrag van dezelfde 
ruime strekking zal aangaan met eene andere groote Euro- 
peesche mogendheid bij name met Frankrijk. 

Ik zal het hierbij laten. — De voor den jurist zeer aan- 
trekkelijke, maar niet binnen den kring zgner vakstudie 
besloten stof, waarbij ik in dit uur uwe aandacht bepaalde, 
is niet gemakkelijk te omvatten binnen de uit den aard der 
zaak eng gestelde grenzen eener mondelinge voordracht. Ik 
moest mij dus beperken tot de groote omtrekken van het 
onderwerp. Zelfs daarbij voor alles naar soberheid stre- 
vende, wil ik hopen dat deze niet in oppervlakkigheid moge 
zijn ontaard. 



EEN NIEUW RAGISEL-FRAGMENT, 



DOOB 



H. E. MOLTZfiR 



Toen eenige weken geleden mijn ambtgenoot Gallée op 
de Koninklijke Staatsboekerij te Düsseldorf ter jacht was 
op Oud- Saksische glossen, vond hy in eene portefeuille onder 
andere stukken een blad perkament, beschreven met middel- 
nederlandsche versregels, waarvan hij de vier volgende voor 
mij overschreef: 

»Sege mi", seit hi, »live coleman, 
»Welc es die weh te Cardole ?'' 
De gene kinde bat enen cole 
Dan den weh te hove wart : 

dien >coleman" wist ik niet te huis te brengen: gelukkig 
is Cardoel beter bekend, — Cardoel, de plaats, waar koning 
Artur »altoes mede plach hof te hondene", inzonderheid 
»omdat daer op die zee was'* {Lancelot III^ 11248 vlgg.) — : 
ik tw^felde dan ook geen oogenblik, of het blad perkament 
bevatte een brokstuk van een Artur-roman. en brandde van 
verlangen te weten, wat er meer op te lezen stond dan 
de vier aangehaalde regels. Der groote welwillendheid van 
den Staats archivaris en bibliothecaris. Dr. Harless, dank ik 
iiet, dat ik al zeer spoedig werd in staat gesteld, het be- 
doelde blad te copieeren, en in facsimilé (waarvan ik de eer 
heb u eenige exemplaren aan te bieden) te laten reprodu- 
ceeren. 



(44 ) 

Het is een onooglijk blaadje, ± 36 centimeter hoog, 25 
breed, dat blijkbaar tot schutblad heeft gediend, en waar- 
van twee kolommen nog geheel maar zeer bezwaarlyk lees- 
baar zijn ; twee andere voor de helft afgesneden, de eene 
1 echts, de andere links, weinig geschikt schijnen om eenig 
het minste uitsluitsel van herkomst te geven. 

Die »coleman'', die in het Mnl. Woordenboek van ons mede- 
lid Verdïim niet is aangehaald, iets dat, kwame hij in eenigen 
ons bekenden Artur-roman voor, ongetwijfeld zou zijn ge- 
beurd, mocht mij evenmin den weg kunnen wijzen als hij 
het indertijd Wale wein had kunnen doen, de naam van 
Walewein zelven daarentegen, en die van Genovra, en die 
van Keye banden op het eer&te gezicht alle onzekerheid 
aangaande den roman-cyclus, waartoe het fragment behoorde. 
Spoedig brachten my de jonkvrouw van Galestroet eu de 
jonkvrouw IJdeine, zoo * scone ende so valiant, datmen baers 
gelycs niene vaut" (11. 12361 vlg.), al nader, ik herinnerde 
me barer uit den Lancelot] maar de geheim ziiïnige mantel, 
de mantel van »grote nature en grote craht", waarvan in 
het fragment sprake is, de mantel, die vrouw of jonkvrouw 
om de schouders gehangen, het vermogen bezat uit te wij- 
zen, of zij kuisch en eerbaar had geleefd dan wel — en in 
dat geval »ontcramp" hij, »kromp hy op", dikwerf tot 
boven de knieën en nog hooger ! — of zy ongeoorloofde 
minne had gepleegd : door dien too verman tel, den wel be- 
kenden »mantel mautaillié" werd ik aanstonds verplaatst aan 
het hof van koning Artur in het derde boek van den Lan- 
celot ^ meer bepaald in de episode, die den naam draagt van 
de Wrake van of liever over Ragisel, 

Dezelfde geschiedenis, dezelfde personen. Doch groot was 
mijne verbazing, toen ik den tekst van het fragment ver- 
geleek met dien van de Wrake^ en bevond, dat in beide ja 
wel in hoofdzaak hetzelfde werd verhaald, maar in het frag- 
ment veel meer in bijzonderheden dan in den ons bekenden 
»conte'* ; en nog grooter, toen ik niettemin enkele verzen 
en zelfs rijmparen van het fragment letterlijk terugvond in 
de zooveel beknopter redactie van den Ragisel, Een enkel 
voorbeeld. 



(45 ) 

Als Walewein, I'deiue en zgn broeder Gariet naar CanliH^l 
reisden, waar toen Artar resideerde, werden zg achterhaald 
door een >knape", die Walewein kwam niededeelen namens 
zijn heer en meester, den zwarten ridder Maurus, dat hot 
leger van de jonkvrouw van Galestroet, die zgn kasteel he- 
legerde, op het alleronverwachtst was afgetrokken, en dt» 
door Walewein toegezegde hulp alzoo niet meer werd be- 
geerd. 

In de Wrake van Raghel *) nu wordt dat aldus verhaald : 

> Dus voren si te Cardole ward ; 

:»Ende alsi quamen optie vard 

>Sach Walewein over ene side, 

»Ende siet waer ten sel ven tide 

»Een knape comt gelopen sere. 

»Doe bleef houdende daer die here 

» Ende vrachde den knape, wat hi sochte : 

»Die knape seide, dat hi brochte 
» »Boetscap van mineu here Maurus. 
»»Hi ontbiet u, here, aldus, 
»»Dat hi gère hulpen hevet noet; 
»»Want tlie joncfrouwe van Galestroet 
»»Es wech gekeert met haren here"". 

»Walewein seide doe: »Nu groet mi sere 
» »Dinen here, ende laet hem verstaen, 
»»Heeft hijs te doene, sonder waen, 
»»Ie come hem te hulpen, eest nacht eest dacli, 
»»Met al dat ie geleisten mach:" " 

in het fragment luidt het aldus : 

»Ende binnen desen om siet 
»Her Walewein, ende heft vernomen 
»Enen knape lopende comen 
»M^t groter hast, in enen roe, 
»Die raeesterlike brahte enen stoc 
»Gedregen inde rehtehant ; 



') Lancelot III, vs. 12470, vlgg. 



(46 ) 

»Hi quam lopende ende vant 
»Heren Walewein ende sin gevarde 
»In virwegesceden, die op hare parde 
»Hilden ende ontbeiden sins : 
»Her Walewein sprac : »Knape, dins 
»»Beide wi hir dor dat du souds 
»»Den weh ons wisen, ohtu wouds, 
»»Te Cardoel wart;" doe sprac tgarsoen: 
»»Here, dat salie gerne doen, 
»»En ware ie hebbe een luttel meer 
»»Met u te sprekene, dat gi eer 
» »Horen suit, genoget u. 
»»Die swarte riddre heft mi nu 
»»Hir gesint, ende gruet u sere: 
»»Guet geluc ende werelt ere 
»»Geve God beide hem ende di !" 
»»Live knape, nu berihte mi, 
»»Sal hi hem onthouden connen 
»»Des orlogs, dat hi heft begonnen, 
»»Tes ie int lant gekeren moge?" — 

»Die knape sprae : »Om dat orloge 
»»En dorfdi nembor weder keren: 
»»Die vrouwe ende alle hoge heren, 
»»Die vor oase borh gelegen waren, 
»»Sin alle en weh gevaren 
»»Van hedemorgen vor dageraet : 
»»So keret al om deseti raet. 
»»Min here mi hir lopen hiet, 
»frDafc gi uwen oem den conine niet 
»»En moiet : hine heeft en gene noet 
»»Van den here van Galistroet, 
»»Want si alle gekert sin." — 
»Doe seidi hem een luttelkin, 
»Dat here Walewein wel bekinde : 
»»Mit d(îsen littekene hi mi sinde, 
»»Oh gi mi niet geloven en wout, 
»»Dat gijt nu over wareit hout". 
»»Knape, nu irst gelovix di, 



( 47 ) 

»»So guet litteken segt tu mi, 

»»Dat ie an di no min no mere 

»»En crafele (twifele?): nu sege dinen here 

»»Aise dune si es, dat icken grote, 

»»Ende dat God behoeden mote; 

»»Ende wordi n ember mer bevaen 

»»In node, dat hyt mi late verstaen, 

»»Ic quame hem te hulpen ende brohte 

»»Al dat ic geleisten mohte. 

»»Nu wyst ons, eer gi henen vart, 

»»Den rehten weh te Cardoel wart'*, enz. 

Hetgeen in de Wrake van RagiseU zooals die in den Lait' 
celot is opgenomen, wordt verhaald in :±: 18 verzen, beslaat 
er in het fragment niet meer of minder dan 55, terwijl in 
de correspondeerende verzen van Wrake: »Dat hi gère 
hulpen hevet noet, Want die joncfrouwe van Galestroet 
Es wech gekeert met haren here", en het fragment: »Hine 
heft en gene noet Van den here van Galistroet, Want si 
alle gekert sin"; en van Wrake: »Nu groet mi sere Dinen 
here, ende laet hem verstaen, Heeft hijs te doene, sonder 
waen., Ic come hem te hulpen, eest nacht eest dach, Met al 
dat ic geleisten mach", en het fragment: »Sege dinen 
here dat icken grote, .... Ende wordi nembermer be- 
vaen In node, dat hijt mi late verstaen, Ic quame hem te 
hulpen ende brohte Al dat ic geleisten mohte" : terwijl, 
zeg ik, in* die verzen van de eene en de andere redactie 
menig woord, ook zelfs een enkel rijmwoord voorkomt, dat 
door overeenkomst treft. 

Hetzelfde geldt van het onmiddellijk volgende in de Wrake 
en het fragment. De eerste verhaalt, dat, toen de »knape" 
z^ns weegs was gegaan, de drie tochtgenooten een anderen 
»knape" ontmoetten, die hard kwam aanraden en door 
Walewein werd gevraagd om »niemare". Zgn antwoord 
luidde : 

»»Here, ic come van hove gereden, 
»»Daer ic groet wonder sach: 
»»Daer quam gisteren opten dach 



( 48 ) 

»»Een scone mantel, secgic u. 
»»Daer grote geroechte af es nu: 
»»Wie dat dien mantel dreecht, 
»»Ende die dan loser minne pleecht, 
»»Hi ontcramp hem in allen sinne, 
»»Ende die getrouwe es an die minne, 
»»Hi sloide hem toter eerden daer. 
»»Hi ontcramp Genevren vor waer 
»»Tote recht in midden bene: 
»»Daerne was joncvrouwe ne gene 
»»No vrowe, diet anders conde gevallen, 
»»Die mantel en ontcramp hem allen. 
»»Seiken min ende selken mere, 
»»Nadien dat si minden sere, 
»»Maer ene joncfrouwe, die daer was, 
»»Hare wsloidi op deerde, sijt seker das: 
»»Ende dat was Carados vriendinne!" 
»Nu, segt mi, knape, lieve minne, 



vraagt daarop Walewein 



»Wien was hi aire corts aldaerV 



o»» 



de »knape" antwoordde: 



»Here, Keyes amien, overwaer: 
»Ende dies was Keye harde gram! 



n 



Na die mededeeling vervolgde Walewein met de zijnen de 
reis »te hove ward" van Artur. 

Voor deze 24 verzen van de Wrake, naar de redactie in 
den Lancelot, heeft het Düsseldorfsch fragment er weder niet 
minder dan 66, waarvan ik a de voorlezing spaar, aange- 
zien zy grootendeels voor de helft zign weggesneden (}) ; 
liever bepaal ik uwe aandacht een oogenblik bij de corres- 
pondeereude versregels in Wrake en fragment. 

Vraagt Walewein in de kortere redactie (die van Lancelot) 
om »niemare" (vs. 12502), in het fragment vraagt hy om 



( 49 ) 

»nimerde''; heeft de knape in de eerste den toovermantel 
zien komen »gisteren opten dach" (vs. 12506), in het frag- 
ment is het »gisterdagen te primetide"; » outcramp*' de mantel 
(vs. 12511) daar, hier hetzelfde werkwoord; wordt in de 
Wrake verteld, dat de mantel der koningin Genevra op- 
kromp >tote recht in midden hene" (vs. 12514, vlg.), in 
het fragment heet het: »hi ontcramp hare tote in midden 
haren (bene); de verzen 12516 — 21 van de Wrake: 

»Daeme was joncvrouwe ne gene 
»No vrowe, diet anders conde gevallen, 
»Die mantel en oirtcramp hem allen, 
»Selken min ende selken mere, 
»Nadien dat si minden sere": 

die veisregels luiden, op eene onbeteekenende uitzondering 
na, in het frugoient precios het zelfde: »Dame was jonc- 
vrouwe ; Noh vrouwe dgt ander ; Die mantel 

en ontcra ; Mar suiker nier ende su ; Nadin 

dat elke in h ; Ongetrowe minne dr ......." ; lezen 

w^ in de bekende redactie, dat de niantel der vriendinne 
van Carados »sloide op deerde" (vs. 12522), de woorden 
»tote op die erde" komen ook voor in het fragment, waar 
sprake is van Carados' amie ; vraagt Walewein in Wrake 
(vs. 12524 vlg.): 

»Nu segt mi, knape, lieve minne, 
»Wien was hi aire corts aldaer?" 

en kr^gt hg ten antwoord (vs. 12526 vlg.): 

»Here, Keyes amien, overwaer, 
»Ende dies was Keye hurde gram", 

zoowel de vorm corts voor cortst als de toevoeging, dat 
Keye »gram" was, toen hy bespeurde, dat zijner vriendinne 
de mantel het hoogst opkromp, vinden w^ in het frag- 
ment terug : » Dat hare die mantel ; Dat was wonder 

VBB8L. EN MED. AFD. LETTERE. 3<ie REEKS. DEEL XIL 4 



( 50) 

groe ; Hi ware al verwoet ; Ende van torne 

hi wa(s gram); eindelgk is vs. 12528: »Mettien dieknape 
orlof nam" luttel verschillend van dat van het fragment: 
»tnet desen die knape (orlof nam)'*. 

De slotsom ligt voor de hand : blikbaar is de eene redactie, 
die in den Lancelot ia ingelaêcht^ eene ver kor ling van die 
van het Düsseldorfsch fragment: rag dunkt, daar is geen 
twgfel aan. 

Die uitkomst is van belang ten eerste voor het vraagstuk 
der Lancelot'Gom f i\o,tie, ten tweede voor onze lett€»rkundige 
geschiedenis, meer bepaald die der Artur-romans. 

Wat het eerste punt betreft: evenals er, blgkens de frag- 
menten, door Deycks (*) en Van Veerdeghem (^) uitgegeven, 
in de middeleeuwen eene nederlandsche vertaling heeft be- 
staan van Li Contes del Graal in zgn geheel, en daarvan 
door den compilator van den fjancélot, v( rmoedelgk Yelthem, 
een uittreksel is opgenomen in zijn reusachtig werk (^); 
alzoo ook is er een middelnederlandsche volledige bewerking 
bekehd geweest van de Wrake van RagiseU waarvan, zooals 
Prof. Te Winkel, op grond van mede door Deycks in 1859 
uitgegeven fragmentjes, m 1893 overtuigend heeft aange- 
toond (*"), alsmede een excerpt in den Lancelot ingeweven. 
Dat nu wordt door het Düsseldorfsch handschrift alvast op 
nieuw voldingend gestaafd. Ik zou voorts geneigd zgn de 
teksten van de fragmentjes-Deycks en van het laatstge- 
noemde voor overblijfsels van verschillende redacties te 
houden en te spreken van twee middelnederlandsche be- 
werkingen : ik geloof niet, dat daartegen bezwaar bestaat. 
De Wrake van Rugiael is 1^. eene combinatie van minstens 
6 verschillende verhalen, die niet noodwendig alle door 
een en denzelfden dichter behoeven te zgn bewerkt; en 2*^. 
de caracteristiek, die Te Winkel met grond geeft van de 
door Deycks uitgegeven brokstukjes, doet mg gelooven, dat 
het Düsseldorfsch fragment eene andere Imnd verraadt. Op 
grond daarvan meen ik van tene tot nu toe onbekende redactie 
te mogen spreken. Heeft mgne ingenomenheid met de nieuwe 
vondst mg parten gespeeld, en heb ik niet zoo zeer recht 
te spreken van »een fragment van een tot nu toe onbe- 



( 51 ) 

kende bewerking'' als wel van »een tot nu toe onbekend** 
fragment van de reeds door een paar fragmenten bekende 
maar nog niet teruggevonden bewerking: ik trooste mg 
dan met het denkbeeld, dat in beide gevallen de uitkomsten 
hetzelfde bleven. 

Het tweede punt is van meer belang. Konden wij vóór 
1893 moeil^k anders aannemen dan dat de bewerker vun 
de middelnederlandsche Wrake van Ragisel, zooals die in 
den Lancelot voorkomt, zijn uittreksel had vervaardigd uit 
den middeleeuwsch-franschen roman La vengeance de Ka' 
guidel ou messire Gauvain, die doorgaat voor 't werk van 
den trouvère Raoul (^), het Düsseldorfsch fragment levert 
een bewgs te meer, dat er van La Vengeance hier te 
lande in de middeleeuwen minstens één, misschien zelfd wel 
twee VERTALINGEN hebben besta m. Van de door Te Winkel 
behandelde fragmentjes is dat buiten kijf : maar ook het 
Düsseldorfsch fragment is blikbaar vertaling. De vergr- 
)^king daarvan met den tekst der Vengeance heft dien- 
aangaande allen twijfel op. Gij vergunt my de bewgzen 
achterwege te houden ; ik kan u verzekeren, dat reeds eene 
eerste lezing van beide teksten ons betreffende de herkomst 
van den middelnederlandschen tekst geen oogenblik in het 
onzekere laat (^). 

Op grond alzoo van de omstandigheid, eenerzijds, dat 
Velthem's excerpt blijkbaar is genomen uit eenige middel- 
nederlandsche volledige redactie, hetzij dan een of meer, 
en, anderzijds^ dat die middelnederlandsche redacties ver- 
talingen zyn uit het fransch, mogen wy veilig stellen, dat 
Velthem het oorspronkelyke niet onder de oogen gehad, 
maar eenvoudig een excerjjt lieeft gegeven van een of meer 
middel nederlandsche vertolkingen . 

Één, wellicht meer dan één middelnederlandsche verta- 
ling van Ija Vengeance de Raguidel : op de Igst der middel- 
nederlandsche Artur-romans mogen wg voortaan nevens de 
vertolking van Li Contes del Graal die van La Vengeance 
plaatsen, waarvan het Düsseldorfsch fragment op nieuw het 
voormalig bestaan bewgst. 

Wie de vertolker kan zgn geweost, laat zich natuurlgk 

4* 



( 52 ) 

niet eens gissen ; wel kan daarentegen, op grond van het 
door Te Winkel en mjj gevondene, met volkomen zekerheid 
worden bepaald, dat zoowel de vertaling der fragmenten- 
Dejcks als die van 't Dusseldorfsch fragment dateeren uit 
de tweede helft, wellicht zelfs het vierde kwart der dertiende 
eeuw, aangezien de Lancelot^ die de excerpten bevat, vóór 
1326 gereed was Ç). 

In bijzonderheden over den vermoedelij ken dichter (of 
dichters?) der Vengeance (^) trede ik evenmin als over het 
aanlokkeigk onderwerp van den toovermantel (^) : ten slotte 
voeg ik hier liever by, dat, indien ik voor de aesthetische 
critiek van het Dusseldorfsch fragment het »ex ungue leo- 
nem'* mag toepassen, de hoogst ongunstige beoordeeling, 
die het uittreksel van Velthem heeft getroffen, in geenen 
deele van de volledige vertaling mag gelden : immers, te 
oordeelen nair de weinige versi'egels van het fragment, 
meen ik, dat de middelnederlandsche vertolking der Ven- 
yeance op een Ign mag worden gesteld met de beste episo- 
dische romans Walewein en Ferguut. 

Ik eindig met den wensch, dat bij het vele, dat in de 
laatste jaren van middelnederlandsche bellettrie is gevonden, 
ook eene volledige Wrake van Ragisel eenmaal uit haren 
schuilhoek moge te voorschijn komen. 



AANTEEKENINGEN. 



(}) De eerste laat ik hier volgen : 

//Here, ie come van Duvelant 

Dar was ie ende Iah te naht; 

Die coninc heft met groter craht 

Gelegen wel vierteh dage." 

jyNoh sect mi, knape, dis ie u vrage: 

Hets ohgi (?j jet hebt vernomen, 

Es dar iet nihtelinge comen 

V orden coninc Arture 

Ënege vremde aventure?" 

//Jaet, gisterdagen, te primetide 

Quam dar en bode die onblide 

Menegen macte ende sere storde 

Int hof \ Alse here Walewein dit horde, 

Sprae hi: i^ Knape, nu sect mi, 

Ho dat gesciede ende war bi." 

//Here, dar wart en manlel braht, 

Dar grote nature ende grote cmht 

en dan volgen de halve verzen. 

(^) Carminum epicorum germanicorum nederlaiidicm^um seculi XIII et 
XI V^ id' est fFaleweiriiy Farthenopcm et MaharU sive potins Aioli 
fragmerday ex Codd. Mss. edidit Ferd. Deycks, bl. 9 vlgg. 

(^) Bulletins de V Académie royale de Belgique ^ Hl, XX. bl. 637 vigg. 

(^) Tijdschrift voor Ned. taal- en letterhmJe, X, (N. R. Il), bl. 173 
vlgg., verg. XI tl (N. K. V), bl. 24 vlgg. 

(^•) T. a. pi., XIII, 116 en vlgg. 

(*) Uitgegeven door C. Hippeau, Messire Gauvain mi la Vengeance de 
Raguid^l, poëme de la Table ronde par Ie trouvh'e liaoul (Paris, 1 862). 

(*) Verg. bv. vs. 3838 en vlgg. met 't Düsseld. fragment (zie boven 
bl. 3): 

En cele demeure qu'il font 
Qu'il coisissent la voie issi, 
Li mesages del bois issi, 



( 'oi ) 

(îil que Maduc li noirs envoie; 
Si vint bâtant par . I. voie, 
A pie . I. bas ton en sa main, 
Il connut Monsignor Gau vain, 
Tot erranment que il le vit, 
Et mesire Graii vains li dist 
En haut, que cil Va entendu: 
//Ami vallet^ dis moi, ses tu 
La plus droite voie à Carduel ?" 

— UT Sire, oïl bien, mais à vos veul 
Un poi parler," fait li mesages. 

— //Vallet, or as tu dis que sages. 
A cui es tu? que veus tu dire?" 

— Je suis au Noir Chevalier, Sire," 
Fait cil, »qui vos mande salus." 

— //Vallet, bien soies tu venus, 
Queles novelles? que mande il? 

Que fait Maduc?" — //Mult bien," fait il. 

— Quel bien, comment? fai le m'entcndre. 
Guides tu qu'il me puist atendre?" 

— i,Oï\, mult bien." — Por Diu, conment?" 

— //Hier matin à Taj ornement 

S'en alèrent tuil". — //Est ce voirs?" 

— //Sire, oïl, et Maduc li noirs 
Par moi le secors contremande, 
Mais s'il revienent, ce vos mande. 
Si gardés que vos revigniés 

Et le secors li amaigniés; 

Issi vos mande, et si vos di". 

Quant mesire Gau vains Toi, 

Sel crut et bien sut qu'il dit voir. 

Por ce que le dut mult savoir, 

Que bones ensaignes conta: 

Je t'en croi bien, mais or n'i a 

Kiens fors de cest commandement 

De ton sigaor. Certainement 

S'ele revient, je revenrai 

Et le secors li amenrai. 

Tel que cil qui illuec serrent 

vs. 3880. Poi à lor vies atendront. 

vs. 3885. Et si redi à ton signer 

Que g'i revendrai, sans sejor, 
Tot erranment, s'il y envoie. 
Ça vin, si me mostre la voie 
Qui a Cardoil est la plus droite" 



( 55 ) 

(') Te Winkel, Geschtedeniê der Nederl, letterkunde, 1, 36Ï. 

(^) JoDckbloet, Oescàiederns der Nederl. letterkunde, 1, 399, noot 4, 
verg. ook nog Ferd. Wolf. Ueèer Raoul de Houdenc und insóesondere 
seinen Roman Meraugis de Fortlest/uez, (Wien. 1865), bl. 6 en vlg. 

(') Waarover zie Warnatsch, Der Mantel, Bruchstück eines Lanztlet" 
romafis des Heinrich v, d, lürlin, nebet einer Abhandlung über die 
Sage vom Trinkhom und Mantel, enz. (Breslau, 1883). Verg. verder: 
Jonckbloet, Gesch. der Mnt, Dk., 11, 305 ; Walewein IE, 97 en vlg. ; 
Te Winkel, t. a. pl. 1, 183 noot 1 ; Dunlop, Hiüoi^ of prose fiction 
(ed. Wilson, London, 1888), 1, bl. 268. 



DE WALDERE. FRAGMENTEN, 



DOOll 



P. J € S IJ IV. 



De inhoud der Waldere- fragmenten moge tot de meest 
uiteenloopende beschouwingen en meeningen aanleiding ge- 
ven, over de taalvormen waarin het gedicht tot ons gekomen 
is, zal wel weinig verschil van gevoelen bestaan. Dat het 
origineel de intervocalische h nog kende of althans den 
eensylbigen vorm nog niet bezigde (flëon)^ wijst ons op de 
eerste helft der achtste QQWVf dX^teiminumad quem Bœteran 
is evenzeer een antiquiteit : héowun vinden we nog later 
(Cura Past.) bewaard ; de niet gesyncopeerde vormen standed^ 
gezwierd, findfd verbieden ons aan een westsaksisch origi- 
neel te denken ; maar merkwaardig genoeg zijn geen sporen 
van aniïlische en kentsche ^'s bewaard en wgst de niet- 
vóóraelfredische y in hyde^ yegyrwan^ syllan, -scype en de ï 
in gelifed^ fovbigan op een in dit opzicht consequente om- 
werking of overzetting in den tongval der Westsaksen. 
Eóce A 25 komt te geïsoleerd voor {gioce B 28) om ons 
recht te geven aan Kent als het vaderland des dichters te 
denken. Maar dit staat vast, dat èn die weinige ouder- 
wetsche taalvormen èn het metrum ons op den bloeitigd der 
oudengelsche dichtkunst wijzen. Te woordenschat is te 
gering om daaruit iets af te leiden : bovendien epische for- 
mules en zegswijzen hebben, gelijk we weten, een taai 
leven. Wat in betrekking tot deze een hoogen ouderdom 
zou doen onderstellen, kan allicht op overneming en navol- 



(b1) 

ging berusten ; maar toch is het feit gewichtig genoeg dat 
alles wat voor 't origineel aan een laterie eeuw zou doen 
denken, geheel ontbreekt. Bl^ft dus als terminiLa ad quem 750. 
Dat men den inhoud onzer fragmenten in de eerste plaats 
met Ekkehards Waliharius vergeleken en tusschen beide ge- 
dichten een innigen samenhang aangenomen heeft, is be- 
gr^pelgk. Wel verbiedt reeds de chronologie in de eerste 
een vertaling of bewerking van het Lat^n te zien, maar 
toch zijn er zooveel punten van overeenkomst, dat de bron- 
nen waaruit beide dichters geput hebben, ongetwijfeld als 
varianten van ééne en dezelfde sage kunnen worden aange- 
merkt : varianten nu eens met meer dan weer met minder 
onderlinge afwijkingen. Welke die zijn, dient nader onder- 
zocht. De groote moeilykheid van het vraagstuk is juist 
hierin gelegen, dat we aan de eene zijde zoo bitter weinig 
weten en te weten kunnen komen, terwijl de stof van het 
latijnsche gedicht afgerond en in de meest gewenschte dui- 
delijkheid voor ons ligt. Welk laatste feit toch weer tot 
menige bedenking aanleiding kan geven, omdat de monnik in 
St. Gallen natuurlek veel gewijzigd heeft om zyn poëem 
in hexameters te kleeden en daarbij zekere eenheid in de 
stof brengen moest zonder welke een op classische leest 
geschoeid dichtstuk onbestaanbaar is. De angelsaksische 
tekst behelst feitelyk niets dan drie toespraken. Een on- 
genoemde vuurt iu A Walderes kamplust aan door de voor- 
treffel^kheid van Wielands meesterstuk, het zwaard Mimuiiug, 
te prijzen en van den roem te gewagen dien Aelf heres zoon 
reeds in vroegere gevechten, als ordwiga van Attila, behaald 
heeft. In B spreekt alweder een anonymus tot iemand 
anders over een zwaard dat het momentaneel beschikbare 
nog in deugdzaamheid overtreft. Vervolgens tart Waldere 
met een fier woord den vorst der Burgondiërs om zich in 
een strijd op leven en dood met hem te meten. Dit alles 
natuurlijk met de gewone epische breedsprakigheid en niet 
zonder de voor ons zoo gewenschte oprakeling van bijzon- 
derheden uit oude sagen, die niet voor de dramatis personae 
bestemd zijn maar uitsluitend dienst doen om den lezer of 
hoorder te onderrichten en te boeien. Reeds dadelijk treft 



( "8 ) 

ons een groot verschilpunt. In A moet Walderes strgdlust 
worden aangewakkerd : bij Ekkehard vinden we hiervan niets. 
Dat nu deze opwekking om den moed niet te laten zakken, 
uitsluitend een kunstgreep van den engelschen dichter kan 
geweest zgn om ons op echt epische w^ze iets uit het 
verleden van zijn held mee te deelen, is weinig waarschgn- 
lijk. Het feit wordt daardoor ook niet weggeredeneerd. De 
poëet deed er natuurlijk zijn voordeel mee, maar zijn stof 
zal hem er zeker wel aanleiding toe gegeven hebben. Wie 
voert hier nu het woord ? Bij Ëkkehard vinden we alleen 
Walther en Hildegonde op reis naar Aquitanië. Wat ver- 
biedt ons hier van een gelijke onderstelling uit te gaan ? 
De situatie is ongetw^feld verschillend, maar waar we 
aan de andere zgde, de partij der v^anden, Günther en 
Hagen vinden èn in onze fragmenten èn in het latignsche 
gedicht, mogen we of liever moeten we dan hier niet aan- 
nemen dat de beide hoofdpersonen ook dezelfde zyn ? Ik 
leg geen gewicht op de omstandigheid dat de eerste vers- 
helft zich ook aldus zeer ongedwongen laat reconstrueeren : 
ohd da Hildegüd^ waaraan dan hyrde hyne georne zich best 
aansluit (vgl. mijne noot). Doch ik acht het verschil, dat 
H. niet als bij Ekkehard naar het bosch gezonden is om 
er te schuilen, maar zich hier aan de zijde van haar ge- 
liefde bevindt, niet groot genoeg om de heldin der sage in 
onze fragmenten zoo maar weg te cijferen. Daarb^ komt, 
dat uit geen enkele toespeling blijkt dat het gevecht in de 
vlakte plaats heeft als bij Ekkehard, daarentegen alles er 
ons op schynt de wijzen dat op één plaats en binnen één 
dag de gansche handeling afloopt. Waarover straks meer. 
De wgze nu waarop H. het woord voert, wekt zeer terecht 
bevreemding. Ze spreekt als een oud strgdmakker die bij 
herhaling van Walthers heldendaden ooggetuige is geweest. 
Bugge neemt daarom aan dat hier alleen van het gevecht 
met Günthers krijgslieden sprake is : on weal interpreteert 
hij 'naar de Van nature versterkte rotskloof' (zie noot). 
Maar dat hier in 't algemeen van Wälder es heldendaden 
onder Attila sprake is, van zijn onverschrokkenheid in 't 
altoos {symlet) voortdringen, bewgst de samenhang duidelgk 



( 59 ) 

genoeg. Eögel ontduikt de moeilykheid door ie gesdwe ge- 
Igk te stellen met 'ich weiss'. Ten gunste dezer interpre- 
tatie zou ik maar ééne plaats kunnen aanhalen, uit den 
Daniel v. 22, waar de dichter zich bij ongeluk een ik zag 
voor ik vernam {ie g^f^œg^i) laat ontvallen (vgl. hierover 
Beitr. LO, 107), als ware hij de beruchte Widèid in eigen 
persoon. Maar zoo hier de traditie werkelijk in orde is 
(wat ik betwgfel), dienen we genoegen te nemen met Greins 
verklaring: »der (Daniel)dichter sah es im geiste". Want 
alleen in die gevallen, waarin ook onze taal ik zie bezigt, 
dus in den zin van ik bespeur^ bemerk of begrijp,!^ in 't Ags. 
aan een gelyke overdracht te denken. »Ich weisz" heeft 
Kogel trouwens niet eens in zijn vertaling durven opnemen, 
omdat het — onzin is. Men kan iemand wel dingen ver- 
wijten die men hem zag doen, maar niet dit : dat men iets 
van hem weet »Nicht kann ich dir vorwerfen, dass ich 
weiss dass du in der Schlacht schmählicher Weise dem 
Kampfe mit irgend einem Manne ausgewichen hast'* is 
wantaal. Derhalve: of H. is niet de spreekster of ze 
spreekt gel^k ze feitelijk niet spreken kan. Ik neem het 
laatste aan. Want aan de voorafgegane gevechten met 
Günthers makkers te denken is evenmin geoorloofd als aan 
te nemen, dat het hier den kamp met de vervolgende Hunen 
(als in de oudnoordsche sage) geldt. Dit laatste verbiedt 
reeds de omstandigheid dat in de Diedrikssaga Hagen tot 
de vervolgers behoort en hij hier Günthers man is, alsmede 
de vocatief Aetlan ordwyga^ die dan waarlijk inept zou zijn. 
Spreekt nu HildegüQ als ze eigenlijk niet spreken kon^ dan 
moeten we noodwendig eene dichterlijke vrgheid aannemen. 
De auteur neemt het zoo nauw niet : hij legt zyn heldin 
woorden in den mond, als reciet uitnemend geschikt om den 
hoorder aangaande Walderes verleden het noodige mede te 
deelen maar in den grond der zaak ongerijmd ; of wat zoo 
honderd anderen gezien hadden, door H. zelve niet kon ge- 
zien zijn, daarover bekommerde hg zich niet. Men weet 
het, moderne en antieke poëzie z^n niet naar denzelfden 
maatstaf te beoordeelen. Wel heeft dit de hoogere critiek 
trachten te doen ; maar, naar mg voorkomt, met weinig 



(60 ) 

gunstig gevolg. Vandaar verbaast het m^ dat een eminent 
man als Heinzel, die ons in het bestrijden dier critische 
afdwalingen van hoogere orde zoo wakker is voorgegaan en 
op zooveel tegenstrjidigs en ongeryoids in oude, ja in mo- 
diïrne dichtwerken gewezen heeft, hier. inderdaad ie gesdwe 
letterlijk opvat en stoutweg loochent dat in den mond van 
H. een vocatief Aetlan ordwyga passen zou. Maar juist 
deze eerenaam is hier uitnemend op zijn plaats en roept 
W. zijn ouden roemrijken diensttyd onder Attila's vanen 
voor den geest : was er een beter middel om zyn gezonken 
moed weer op te wekken ? En wat zouden de woorden 
gif ede tó éoce une dan te beduiden hebben ? Eén zwaard 
dient ter bescherming van twee personen : dan is de tweede 
toch geen krijgsman, en hier wat anders dan een vrouw ? 
Die dualis une wijst toch op een innig verbonden paar ? 
Doch ook hier weet Heiuzel raad en stelt het zóó voor 
alsof die ander aan W. het zwaard Mimmiiig, dat dan aan 
Günther ontstolen zou zgn (natuurlyk buiten diens weten), 
geleend had, terwijl de koning denkt dat. het nog veilig 
en wel in Worms is (B 3). Alle hulde aan die scherp- 
zinnige interjiretatie ! Maar wordt hier niet wat te veel 
onbewijsbaars gegist? Immers geen enkele toespeling op 
zulk een uitleenen komt voor en het woord gifede pleit er 
zelfs tegen. Immers dit beteekent wel is waar gegeven^ doch 
uitsluitend in overdrachtelijken zin van zaken die iemand 
hiS Jtoreu zijn of te beurt valUn : nergens trof ik hec aan in 
de bet. van ten gesehenke of te leen gegeven Verzekert nu 
die gewaande andere krijgsman dat hun beiden dat puik der 
kostbare wapens 'te beurt gevallen is', dan heeft het er 
waarlijk veel van dat W. zelf geen zwaard heeft en die 
andere, de eigenaar van Mimming, er zelf gansch niet mede 
te recht kan ^v. 4). Had, zou men dan geneigd zijn te 
vragen, W. zelf alleen maar een lans, het wapen waarvan 
hij zich, gelijk we weten, zoo voortreffelijk bedienen kon ? 
Jammer dat r, 12 wine min de geheele quaestie niet uit* 
maken kan : immers zóó betitelt niet alleen de eene vriend 
den anderen, maar ook een vrouw haar echtvriend ^Gen. 824), 
hier de bruid den bruidegom. Alles wel beschouwd, kan 



( Ol ) 

ik Heînzel niet volgen on geef dus de oude opvatting niet 
priis, dat Waldere hier, slechts van Hildegonde vergezeld, 
den stryd tegen de vervolgers, de Burgondiërs onder Gün- 
ther, moet doorstaan ; afgemat is van den strgd en een 
opwekking van zijn heldhaftige bruid hoog noodig heeft. 
En voorts neem ik aan dat deze ons daarbij dingen mee- 
deelt die ze wel is waar alleen van hooren zeggen had, 
maar, uit haar rol vallende, alsof zij dat alles zelve beleefd 
of aanschouwd had, in voortreffelijke verzen afschildert. Nu 
doet zich de vraag voor : wat was Günthers motief om 
Waldere aan te vallen? Bij Ekkehard de zucht om den 
voorvaderlijken, aan Attila als cijns betaalden schat, weer 
meester te worden: hij overvraagt, want vs 602 heet het: 
cum scTiniolis equitetn des atgue puellarn. In de ags. frag- 
menten daarentegen heeft het allen schyn alsof het om 
Uildegonde en om haar alleen te doen is : immers (zie A 
28) G. had het zwa? rd en de schatten geweigerd, die W. 
hem aanbood. Dan zou laatstgenoemde zich van al z^n 
have, ja van zijn beste verweermiddel, den onvolprezen 
Mimming, hebben willen ontdoen, om maar met zijn bruid 
ongehinderd verder te trekken Mogen we zulk een sottise 
onderstellen? Als uitweg blijft natuurlek de gissing open 
dai W. dan althans zijn »sagenhafte" lans verbleef of — 
een tweede zwaard. Hiervan spreekt ook Ekkehard : 

336. Et levum femur ancipiti praecinxerat ense 
Atque alio dextrum pro ritu Pannoniarum. 
Is tamen ex una tantum dat vulnera parte. 

Maar het wil mij toeschijnen dat dit bg-zwaard een pro- 
duct is van Ekkehards dichterlijke fantazie, misschien wel 
van zgn zucht om eens met zyu kennis der Hunsche be- 
wapening te pronken. Want een oudgermaansch held had 
waarl^k genoeg aan zyn één e zwaard — en dat tweede 
pro ritu Pannoniarum was stellig niet pro ritu Germanorum 
We staan hier dus voor een enoi^teit die alleen nog over- 
troffen wordt door het duister dat Hildegonde omgeeft. 
Volgens het Latijnsche gedicht was ze een Burgondischc 
princes, de erfprinces. Hier is voor de laatste geen plaats, 



( «2 ) 

daar Günther idue d. i. vorst der Burgondiërs is. Maar 
voor de eerste evenmin : want dan zou 6. haar broeder zyn 
en geen de minste aanwijzing geeft ons recht om dit te 
onderstellen. Wat zou zgn dolzinuigheid dan ook niet in 
kernachtige woorden zyn gehekeld, als hij, een koningszoon, 
den bevrijder van zgn eigen zuster alleen aangevallen had 
oia zich van de persoon der laatste meester te maken! 

Ik bepaal er mij thans toe de situatie enkel vast te 
stellen met behulp der weinige gegevens die ter onzer be- 
schikking zijn: Waldere, zoon van Aelfhere (A. 11), die 
dood is (want A's harnas is een erfstuk B 18), is door 
Güöere, vorst der Burgondiërs (A 25, B 14), en velen zijner 
mannen (B 23) aangerand inid unryhte (vgl. Waltharius v. 
658 : num per geus ego dampna tuit vestrae regioni ut vel hinc 
iiiste videar spoliarier a te). De aangeboden schat met het 
zwaard wordt geweigerd en een strgd volgt waarbij Wal- 
dere overwinnaar blijft (B 17a, 24ó enz.), doch G. eenige 
mannen nog resten: dit laatste meen ik althans uit B 23 
te mogen opmaken : maar zeker is het niet. Hagen had 
aan dien strijd tegen GiiQeres verwachting niet deelgeno- 
men (B 15), ofschoon hij tegen W. opgewassen is (B IGa); 
vgl. Eck V. 567 hor am quos video nullum fJaganone remoto 
suspicio. Daarop zal G. zelf den afgematten held (B 17a) 
aanvallen. De da;^' nu is gekomen (A 8b) dat G. of aan 
zgn uitdaging geen gevolg geven (A 29) of sneuvelen (A 
31) of W. overwinnen zal. Die dag behoeft niet evenals 
bg Ekkehard een volgende dag te zijn. Voor die zegswyze 
vergelgke men Beow. 2046: >Nu is de dag gekomen", zegt 
Wiglaf (en de zon staat reeds lang aan den hemel) »dat 
onze heer de krachtige hulp noodig heeft van zijn dappere 
krijgslieden". In gewoon HoUandsch zouden w^ z-*ggen : 
»nu is het tijd, nu is de ure daar, nu is het oogenblik 
gekomen dat'* — . Maar door die epische formule verkeerd 
te verstaan stelde men den toestand volkomen gelgk aan 
dien in het Latijnsche gedicht, wat volstrekt het geval niet 
is. De oneigenlijke wijzi; van spreken die zich een ags. 
dichter venmrlooft, misleidt telkenreize den modernen lezer 
die niet op zulk een ongewone beeldspraak verJacht is. 



( 63 ) 

Ook uit de woorden nu nog A 6 en sirijd nsmoede B 17<t 
valt, naar ik nseen, met genoegzame zekerheid af te leiden, 
dat alles binnen één dag afloopt. Ook is zóó H.'s toespraak 
tot een held die, schoon afgemat, terstond opnieuw den 
strijd moet aanvaarden, veel Leter te begriypen dan na eeu 
nacht van ongestoorde rust; en eindel^k schenen n\\] de 
slotwoorden B 25, waarin W. zijn vertrouwen op God en 
zyn rechtvaardige zaak uitspreekt, te bewijzen dat hem zgu 
eigen afnemende strijdkracht de victorie alleen met vci - 
schaflPen kan — wat bij een uitgerust str^der met versehe 
krachten niet zoo licht het geval zou zyn: W. toch vrees. Ie 
alleen Hagen omdat die zijn wijze van vechten bij ervaring 
kende. 

Een niet geringe zwarigheid biedt ons het tweede fiag- 
ment, een soortgelijke als we in A reeds aantroflfeu. Wie 
voert hier het woord? Waldere zeker niet: want een beter 
zwaard dan Mimming bestond er niet en dat was in het 
bezit van onzen held, als we zagen. In Hagen*s mond pas- 
sen geen andere woorden dan die welke we in den Wnl- 
tharius aantreffen. Dàn moet Gunere de redenaar zyn : deze 
gewaagt dan van een zwaard, het voortreffelijkste op dat 
eene na, hetwelk hij veilig heeft weggeborgen ineen^stoe- 
nen vat'* — natuurlijk thuis, dus in Worms. Maar tot 
wien hg spreekt, blijkt niet. Tot Hagen? Doch waarom 
antwoordt hem dan W. en houdt H. den mond? Dus tot 
W. ? Maar is er een dommer stuk te bedenken dan oen 
vijand te intimideeren door de verzekering dat h^ het aller- 
vooitreffelijkste zwaard van Diederik op dat oogenblik niet 
bij de hand had? Stellig uiet. Gunere is zoo onhandig 
mogelijk. Maar wat gaf de poëet daarom ? Dezen was het 
alleen te doen om even de s.ige van Diederik en Widga op 
't tap^t te brengen, wel is waar op zeer onvolkomen wijze, 
maar toch voldoende om door z^n sagenhistorische kennis 
op den le^er of hoorder, die er natuurlyk ook wel een en 
ander van afwist of misschien die episode haarfijn kende, 
den gewenschten indruk te maken. En W. zelf geeit in 
onuoozelheid den Burgoudischeu vorst niets toe: hy schijnt 
dat brageeren met dat op één na voortreffelijkste zwaard 



(64) 

alleszins natuurlijk te vinden en roemt bij w^ze van répar- 
tie zijn onvolprezen harnas, dat tegen dergelijke zwaardsla- 
gen ongetwijfeld bestand zal zijn: bij Ekkehard heet dit 
pantser Wdandia Jabrica! 

Ziehier alles wat ik aangaande de situatie weet te ver- 
melden. Weinig genoeg. Maar helaas onzen Waldere ken- 
nen we alleen als torso. Of het een tamelijk uitgebreid 
dichtstuk was? Ik geloof het niet. Het zich verliezen in 
détails, dat te pas of te onpas brengen van W.'s Vorge- 
schichte, wgst dunkt me op een gedicht dat zich bepaalde 
tot den str^d bij den \V"asgenstein, waaroj» ook in de Nibe- 
lungen gezinspeeld wordt en waarnaar in de oudnoordsche 
sage de held zijn naam voert: Valtari af Vaskasteini (c. 
128) Gaarne wil ik op gezag van erkende Duitsche auto- 
riteiten aannemen, dat de bron waaruit onze dichter putte, 
een alemannische sage was, of althans een daaruit recht- 
streeks afgeleide. Alleen zie ik het klemmende van MüUen- 
hoffs redeneering niet in, dat aan een frankische sage niet 
te denken valt omdat Günther niet overwint Maar Kogel 
gaat in zijne Geschichte der Deutschen Litteratur 1, 236 
vlg. een stap verder en tracht Sievers' meei^terlijke Genesis- 
critiek te evenaren door een stoute poging om uit de taal 
onzer fragmenten het bewijs te putten dat we met een om- 
werking te doen hebben van een oudhoogduitsch origineel. 
Zie ik wel, dan zijn de zoogenaamde bewgsgronden die hg 
aanvoert, zes in getal. Of liever vijf, want de béoue dat 
forsóc het praeteritum van forsécan is, zullen we maar met 
den mantel der liefde bedekken en stilzwggend voorbygaan 
Die vijf andere worden niet met bijster veel zelfvertrouwen 
aangevoerd: we stuiten telkens op een vielleicht, wahrschein- 
lich of een wird c. inf., dat gel^ke kracht heeft. Ten 
eerste wordt unscende zonder schaduw van bewgs geschei- 
den van zgn lateren westsaksischen vorm unscynde en dit 
zoo maar even van scyndan afgeleid, dat »zich (voort)spoe- 
den, iem. aandrijven of aansporen" beteekent, waaruit dan 
een beteekenis »on vergär; keiijk" voor het adjectief volgen 
zou. Daarentegen zou unscende ohd M7?«can* 'tadellos' » wahr- 



(65) 

scheinlich aas dem ahd. Originale übernommen'* zgn. Maar 
met welk recht wordt hier aan het Ags. een formatie ont- 
zegd, die blgkens tal van adjectieven op -6 allergewoonst 
is? Een petitio prmcipii bewast toch stellig niets en dat 
de scheiding van unscynde en unscende zuiver willekeurig 
is, zal ieder terstond inzien, als hg behalve de drie plaat- 
sen in de Elene ook nog vs. 763 van den Daniel opslaat: 
hier dient het adjectief als epitheton van Belsazars aardsche 
macht en we weten hoe onvergankel^k die was, toen de 
bekende schrgfteekens op den muur verschenen ! Ten 
tweede zou stdnfœt B 3 »steenen vat", dat in het Nieuwe 
Testament werkelijk voorkomt (Mc. li, 3 in toepassing op 
de albasten flesch), hier geen »steenen kist" kunnen betee- 
kenen, omdat men zulk een lastig voorwerp ten stride niet 
meeneemt. Had Eögel zich den t^d gegund van Heinzers 
voortreflFelgke verklaring van siille gehided B 3 kennis te 
nemen, hg had zich wel gewacht te beweren dat Btdnfœt 
hier noodzakelijk »scheede" beteekenen moet; het moet 
natuurlijk Duitsch zgn en we worden verwezen naar — mhd. 
swertfaz! Ware het nog maar steinvaz! Voorts kiijgen we 
te hooren dat atdn »edele steen" (waarmede we hier niets 
te maken hebben) »der ags. poésie völlig fehlt". Het ge- 
wone Duitsch e praatje van geleerden wien de mhd. höfische 
Wörter door het hoofd spoken. Honderden woorden »fehlen 
der ags. poésie völlig" — omdat er toevallig geen aanlei- 
ding was ze te bezigen. Indien bg elke plaats, die een der- 
gelyk, in de overige verzen »unbelegtes wort" bevat, aan 
uitheemschen oorsprong te denken valt, waar bleven we 
dan? wat is dan nog echt? dan dienen alle ana% el^rméva 
opgeruimd of als bastaards verbannen. Maar het curieuse 
van het geheele geval is dat stdn »edele steen" niet alleen 
in proza, maar ook in de poëzie werkelyk gevonden wordt. 
Wanneer ten minste de Phoenix (zie aid. v. 302) bg onzen 
criticus als »poésie" genade kan vinden; om van de 6rwom. 
Ex. 190 maar niet te spreken! Als derde bewijsgrond 
geldt ordwyga. Had Kogel ook hier weer Heinzels noot 
nagelezen, hij had zich stellig gehoed voor de stoute bewe- 

TIBRSL. BK II BD. AVD. LBT7EBK. Sde BBEK8 DBBL XIL 5 



( 66 ) 

ring dat dit geen ags., maar »vielleicht" een ohd. woord 
is. Tot bewijs dient — de eigennaam Ordwig. Men 
ziet het, op dit »vielleicht" is vry wat af te dingen. Er 
bestaan tal van samenstellingen met ord en met wiga ; hier 
treffen we een elders »unbelegtes" ordwiga aan: maar in 
Wülk dichtwerk vinden we geen nieuwe woorden? en dat 
wordt nu verdacht gemaakt wegens een Duitschen eigen- 
naam, die niet eens met wiga is samengesteld! Inderdaad 
minder klemmend geredeneerd. En wie zegt ons dat ord- 
vnija niet zeer gewoon was? Geven de poovere restes der 
angelsaksische epische poëzie ons recht hierover te oordee- 
len? Het vierde argument is nóg zwakker. Van hyrdan 
A 1 »anfeuern" is »die übertragene Bedeutung im ags. 
selten; der Dichter wird das Wort aus dem deutschen Ori- 
ginal beibehalten haben, wo sie öfter zu belegen ist." Maar 
dat Duitsche origineel dient toch eerst bewezen te worden 
voor we dit merkwaardige wird zullen toestemmen. Eerst 
z^n woorden verdacht gemaakt omdat ze maar e£n8 voor- 
komen, nu wordt een rechtschapen verbum in opspraak ge- 
bracht omdat het zeldzaam is : het is goed ags , komt wer- 
kel^k voor [zelfs in proza!], maar hét is zeldzaam en dus 
ontleend uit een ondersteld origineel. Veel overtuigende 
kracht heeft zoo'n wird zeker niet. — Eindel^k en ten 
laatste wordt een aanval beproefd o^ f y renlic A 20. Grein 
vermeldt dit adjectief (zeer ten onrechte als adjectief, want 
het is een adverbium) alleen in den zin van *malitiosus, 
malignus' »die hier nicht passt". Daarentegen kent het 
ohd. gedicht Muspilli een virinUh »gefährlich", welke be- 
teekenis hier ook wel niet past (en in 't voorbggaan gezegd 
in Muspilli evenmin past), maar toch in eene bg uitnemend- 
heid passende kan overgaan : immers uit voorgenoemde be- 
teekenis »ist der hier geforderte Sinn *kähn* leicht ableit- 
bar". Dus moet het — nog altoos onderstelde en niet 
bewezen — ohd. origineel dit bnw. in dien »leicht ableit- 
baren Sinn" bevat hebben en nam de ags. omwerker dit 
preciosum plompweg over. Zeker zal men mij wel toege- 
ven, dat, zelfs indien dit mogelijk is, het tegenovergestelde 



( 67 ) 

nog oneindig mogel^ker is te achten. En hiermede z:gn 
de vijf bewezen Toor den uitheemschen oorsprong yan den 
Waldere besproken en afgedaan. Wat ik verder in het 
midden te brengen heb tot tekstverklaring en als tekstcri- 
tiek, l^at ik hier ii^ den gebruikelgken vorm van Aantee- 
keningen volgen. 



5* 



AANTEEKENINGEN. 



A. 1. Bugge, vat (Tidskr. f. Phil. 8, 72) hyrdan op als het 'harden' 
yan den smid : hyM zou dan op Mimming slaan. Den overgang 
van hyrde hyiie geome 'vuurde hem ijverig aan' tot de volgende 
woorden acht h^ te abrupt. Hiertegen merk ik op, dat werkelijk 
een Hildeguâ maâelode of iets dergelijks (b.v. hléodrodé) kan z^n 
voorafgaan, in welk geval onze tweede vershelft als parenthesis fun- 
geerde, vgl. Béow. 2798; maar noodzakelijk is dit niet omdat in 
hyrdß reeds een madelode steekt, gelijk b.v. hét hyne brucan wel, 
Beow. 2813, zich aan de directe rede onmiddellijk aansluit. Weshalve 
ik de eerste vershelft aldus suppleer: ^ dd Hildegûd. 

A, 4. heame. Overtuigend is Bugges pleidooi voor heardne. Maar 
het weglaten der d stel ik op rekening van den afschrqver, schoon 
ik de mogel^kheid eener fonetische syncope niet betwisten durf. 

A 6. 9»^ gyt tó dage, nu nog. T6 dage is voor ons gevoel overbodig. 
Men zou het kunnen schrappen en lezen: gedréosan dryktscipe / 
Nu is se dag cumen^ waardoor men zich de moeite van het auffüllen 
einer lücke besparen kan. Laat men tó dage staan, dan kan toch nog 
A 7 en 85 als één schwellvers (cf. B. 16) worden aangemerkt. Over 
drievoudige alliteratie in de eerste vershelft, zie Sievers Metr. 9â. Ik 
kies het laatste remedie. 

A 15 o» weal fléon. De regel is ook metrisch van aanbelang, omdat 
hier fiéohan dient gelezen te worden, waaruit blijkt dat het gedicht 
niet jonger zijn kan dan het begin der achtste eeuw, ten ware men 
een overneming dezer formule uit oudere bronnen zou durven aan- 
nemen. Dat on weal fiéon evenals on fasten fléon eenvoudig beteekent 
'zijn huid bergen, een veilige schuilplaats opzoeken' bewijzen El. 134 
en Byrhtnód 195 (reeds door Bugge geciteerd) : in den eigenlijken zin 
is het natuurlijk binnen de versterkte legerplaats als laatste verdedigings- 
middel terugwijken (Beow. 2959?). Bugge denkt hier aan de rotskloof 
die Walth. 493 — 495 geschilderd wordt : doch Hildegonde spreekt hier 
niet alleen van den strijd met Günthers mannen, maar in 't algemeen. 

A 19. mal ofer mearce verandert Bugge, met verwijzing naar 
Wéland voor Wélandes A 2. in mâles o, m, 'over de grens destjds' 
d.i. 'langer dan paste, al te lang' en vergelijkt Gen. 1719, Sat. 501,* 
waar males mearc te lezen staat. Maar de vraag doet zich voor: 
indien Waldere al te lang streed, hetwelk kwalijk iets anders be- 
teekenen kan dan na afloop van den slag', tegen wien vocht h\j dan 
eigenlijk ? M^ dunkt, Kiegers opvatting mél, als parallel met feohte, 
verdient de voorkeur, te meer omdat mœdelstede werkelijk ook 'kamp- 
plaats' beteekent en men mal van m/jedel niet scheiden kan. Ook zal 



(69) 

nieniaiicl die gewoon is ags. poëzie te lezen, direkt een anderen indruk 
krijgen dan dezen, dat de eerste vershelft van A 19 het fur dor f eohtan 
mhtest nader uitwerkt. En de eerste indruk is wel eens de juiste. 
Ofer meœrce verklaar ik daarom als 'de grens te buiten gaande' d. i, 
'zijn strijdgenooten achter zich latende', moderner: 'buiten de linie' 
of 'vóór aan de spits'. Over metod kan ik met de verwijzing naar 
Grein [meotiidwang = deadtoang) volstaan ; en voor de constructie van 
ondrédan vergelijke men Beowulf 1674. 

A 20, tó fyrenltce, Keeds in Haupts Zs. 12, 267 is hiervan de juiste 
verklaring te vinden en met Bugge zie ik in het woord een adver- 
bium, en niet het bekende adjectief 'snood', Van firen heeft de dat. 
plur. de beteekenis van 'geducht, geweldig', en ßrenllce bepaalt hier 
op gelijke wgze het verbum als ßrenum een volgend adjectief, in 
denzelfden zin als firen-^ als eerste lid eener samenstelling. 

A 2 1«. Aet ddm œtètealle kan, daar het den vorigen versregel nader 
bepaalt, niet getrokken worden tot 6dre% montiez wlgrâdenne^ welke 
woorden den strqd van man tegen man aanduiden en dus de schilde- 
ring van den kamp voortzetten op de gewone epische wigze« Daarom 
valt alleen hier te gissen, wat œtsteal beteekenen kan. Kogel verklaart 
het door 'Anprall, Zusammenstoss', wat ik gaarne ondersteun door te 
wijzen op atstandan in den zin van 'tot staan komen'. Het woord 
geldt dan van het slaagsraken eener aanrukkende legerschaar die op 
den vijand stuit, niet verder kan voorttrekken. MüUenhoffs 'fechter- 
stellung zu angriff und vertheidigung' berust op de vergelijking van 
nhd. antrittj anstand, 

A 24. muman bet. 'bekommerd zijn', ne murnan for 'zich niet be- 
kommeren (niet bezorgd zijn, niet geven) om'; ne for fear e murnan^ 
By. 259 'zijn leven niet tellen, het op 't spel zetten'; njlles for ealdre 
meam Beow. 1442 in denzelfden zin; vandaar ne muman in betr. tot 
personen zooveel als 'niet ontzien' : hit (se. oferfylV) Ud mœghana §r 
nnorétslaga ^ hit ne murnedfor ndnum men ('ontziet niemand') n^for 
feeder nd for weder nS for broder ni for swuster ni for ndnum gesiôban 
m>en, Wulfst. 242, 5; voorts in betr. tot daden: 'er niet voor terug- 
deinzen, er niet tegen opzien' : nalas for fiehde msam 'l^j zag niet 
op tegen vijandelijkheid d.i. waagde den strijd' Beow. 1537 enz. 
Eindel^k in betr. tot dingen 'ze niet schuwen': for wœtere ne mumon. 
By. 96, ze schuwden het water niet, stortten zich in den stroom. 
Aangezien op onze plaats ne mum du for di méce, wel niet (als ik 
eerst dacht) beteekenen zal 'ontzie dat zwaard niet' in den zin van 
'sla er duchtig op los', (wat eerder van een voorwerp gelden kan, 
wam'op men slaat) en de oude verklaring 'treur niet om dat (verlo- 
ren) zwaard' èn op zich zelf onjuist is èn in dit verband niet past; 
immers dl méce ziet op Mimming; zoo blijft geen andere interpre- 
tatie over dan deze: 'wees niet bekommerd om', d.i. 'vertrouw ge- 
rust op dat zwaard, wees niet bezorgd dat het u in den steek zal 



(70) 

ktèn'; in den Wsltbarius slaéit de held zign zwaard stuk op den 
lietm van Hagen (vs. 1874), wat in onze bewerking stellig niet ge- 
beurd was. Hoe Mimming weet te klieven, ondervond in de oud- 
noordsojie sage Amelias. 

A 28. FoTiocan heeft hier de constructie van loiâsacan (dat echter 
bok c. ace. et gen. voorkomt) en wordt met den datief verbonden. 
Overal elders regeert forêocan den accusatief en wel in den zin van 
'weigeren', die hier uitnemend past. Bugge meent, dat de dativus 
hier op zijn plaats is daar het verbum 'iem. (het bezit van) iets 
betwisten' beteekenen zou. Maar waar komt deze bet. voor? 

A 2%b. héaga léaê door Dietrich in Mffa léaâ veranderd. Bugge 
steunt deze emendatie door een fraai citaat uit Lokasenna v. 13 
16$ ok armbauga mnndu a vera heggja mnr, Bragiy maar merkt daar- 
bij op dat hier drie verschillende soorten van kostbaarheden zijn op- 
genoemd: wat in V. %^a eenvoudig een parallel is, brengt hij dus 
als een afeomderlijk begrip in rekening. Waarin ik hem niet volg: 
igncfatu (dè pluralis van nnc) behoeven geen fatu te zijn : het zgti 
ook 'kostbaarheden' van allerlei aard. 

A 30. Mdfurd sécan EaMne éétel. Mij hinderde steeds dat onbe- 
duidende invoegsel hldfurd. Eerst zocht ik er een plaatsnaam in; 
want patrem kan hier niet bedoeld zijn, ook omdat Msl daarvan geen 
parallel is. Een vers uit den Beowulf verzoende me wat met dit 
op ziöh zelf inepte, althans geheel overtollige 'heer': vgl. v. 530 
donon hè gelohte swâsné edel Léof hU léoduin, lond Brondinga. Dit 
léof kis léodum is wel is waar beter op zign plaats dan het kale 
hUrfwrd, maar ik durf aan dit laatste nu niet meet tomen, al kan 
)m^ strikt genomen best gemist worden. 

B 4^ dóhte. Men stelt het iti vollen ernst zóó voor alsof de zen- 
ding van zwaard én schatten aan Widia een feit geweest is. Maar 
waaruit bl§kt dat dôhte niets dan een Tiulpwerkwoord' is om èön 
t>radterituin uit te drukken ? Uit de sage stellig niét; het ags. t«al»- 
gebrttik moet hier dus beslissen : dóhte nu is *was van plan', 'besloot', 
verder niets. Men ï»l dus de plaats woordelijk dienen tfe inter- 
preteeren. 

B ïa. goMe gegvnoan. Verg. Beow. 1028 fêower médmaa G^lde ge- 
gyi^dei Ergo id gégirwan of te verklaren als ik Altw. Granmi II 
pg. 188 5 130 en I, 203 voorsloeg, of in geginëed te veranderen. 

B 7Ô. Ik vat iuléan op als *oude dienst' en verander niet genam 
in gemaft, daar dit geheel onnoodig is. Over l^an zie Hëinzel in 
Zeitschr. f.d. Alt. 88, Anz. 192; hij vergelpt Beow. 1809, Gen. 258 
en 2938. Ik verwijs verder naar Graff 2, 219 Idn *munus, beneficium*. 

B 10«. ékrh fif{e)la gefeald. Van dit gefeald een*gefildé, een veld* 
té inakeü, gaat niet aan: 1) komt gefilde werkelijk in 't Ags. voor 
(Or. pg. 12, 10); 2) zou, indieii het woord geett /o- maar een oude 
■»tw-Aain Wkte, dö geapoöopeerdé vorm slechts óf gefeid of gefild 



( fl ) 

kunnen geluid bebben; een //breking^* çe/eold, waarvan dan geftaîd 
een graphische variant zou wezen, is onbestaanbaar. Derbal ve valt 
slechts aan een afleidsel van fealdan //vouwen" of aan een gesynco- 
peerd gefeald voor gefealod van 't bekende f(e)al{ó)d nl, //vaalt" 
te denken. Uit het laatste kan ik geen zin krijgen: men sluit toch 
een held niet in een schaapskooi op. En voor gefeald voor fealdan 
verwijs ik, schoon aarzelend, naar uihd. valte in den zin van //Win- 
dung, ecke, winkeF'. Kenden we de sage maar! Een enkele toe- 
speling daarop vinden we in Alphart Str. 251 (zie Grimms Helden- 
sage 244, Bugge 11., Heinzel Ostgothische Heldensage pg. 72): Witege 
vertelt daar, dat Heime en Dietrich te M ut aren (Mautem) in doods- 
gevaar verkeerden en door hem gered zjjn. Elders heet Dietrich 
in de gevangenis geraakt te z^'n bj de reuzen. Heinzel vergelekt 
Elene 711, waar nearwe (dat. sg.) ongetwgfeld *(kerker)hor beteekent; 
maar waarom op onze plaats B 8 de dat. pluralis gebezigd is, 
bligft duister. De samenhang (men lette vooral op nt forléf) pleit 
sterk voor de juistheid van Heinzels gevoelen; maar volkomen zeker- 
heid hebben we niet. MüUenhoff vertaalde Zd. f. D. Alt. 12, 278 'aus 
klemmen^ zonder Alphart of Yirginal te gedenken. Het inlasschen 
Tan clommum of hetidum zou wel is waar weinig bezwaar opleveren, 
maar wordt door het metrum verboden. 

B 13. gudèilla gripè heeft men, om den voortreffel\jken zin dien 
het geeft, vertaald met puik der strijdzwaarden geheel in aansluiting 
bij hen die gripe met on. gripr vergelijken. Altnordisches im WaU 
dere zou dus aan te nemen zijn? Gelukkig is de stof niet altnordisch 
en zijn derhalve van zekere zijde ongerijmde gevolgtrekkingen niette 
duchten. Toch betwijfel ik de juistheid der vertaling, omdat gripr 
in den zin van ags. cgst evenmin als ags. gripe in den eigenleken zin 
van kostbaarheid, kleinood ergens voorkomt. Meermalen vinden we 
een plur. van sweord, waar van een enkel zwaard sprake is, en niet 
geheel onmogelijk acht ik het, indien hier hetzelfde van guâbill gold 
en de geheele formule bloot den zin zou hebben van zwaardhouto 
d.i. abstractum pro concreto 'snijdend (tot den houw gereed) zwaard'. 
B 12. hildefrore wordt door sommigen als hildefromre opgevat, 
door anderen in hildefrófre verbeterd. Hildfrom komt werkelijk voor 
Andr. 1204, schoon van personen Toch acht ik hier een substantief, 
dat nader in den volgenden regel omschreven wordt, liet waarschijn- 
lijkst en kies dtis het laatste. Of de verandering van -fröre in frófre 
noodig is ? In the Rule of St. Benet leest men insgeligks den /-loozen 
vorm (pg. 10, 1) en Logeman acht dezen zelfs 'fonetisch mogelijk' 
(pg. 121 Noot): deze laatste questie in het midden latende, verwqs 
ik voor het zoo gewone gebruik van f r óf or in den zin van 'toeverlaat, 
steun' (synoniem met fultum, toradu) naar Grein's Gloss, en wel 
inzonderheid naar de aldaar geciteerde plaatsen uit het Eunenlied. 
B 19a. Géapneb versta ik niet. Het heeft veel van een bahuvrihi uit 



( 72) 

géap en bet bekende neh\ dit laatste maakt wel (figuurlijkerwijs ge- 
sproken) in Raadsel 79, 4 een stuk uit van den helm, maar past bij 
geen réaf of kriggskleed, gesteld men nam al aan dat we hier reeds 
met den uit de hyme ontstanen halsberg te doen hadden, dien Lehmann 
in z\jn dissertatie Brünne und Reim pg. 14 beschrijft: waat het stuk 
dat 'den Hinterkopf, den Scheitel, einen Theil der Wangen und des 
Kinns bedeckte' zal toch wel niet »«5 genoemd zijn? Dietrich ontduikt 
de moeilijkheid door neb te nuUificeeren : 'es dient hier in der com- 
position nur zur poetischen fülle' : zoo kan men zich uit alles redden. 
Kogel vertaalt 'weitnabig', waardoor de lezer in den waan wordt 
gebracht, dat wij hier met de naaf van een wiel, ags. iwfu^ te doen 
hebben. Wat natuurlijk onmogelijk is, èn om den zin èn om de 
grammatica. De toelichting van het ongemeene hd. woord wordt in 
de volgende bewoordingen gekleed : *das heisst mit grossen Nägeln 
oder Buckeln versehen, denn die Brünne war ein Lederkoller mit 
Goldknöpfen, vgl. negldar vdru hrynjur\ Daargelaten dat we hier 
niet aan een lederkoller hebben te denken, is de beteekenis van 
neb in den zin van *nagel, buckel' louter fictie. Grein's géapueb zou 
hier uitnemend passen, indien van een geweven bovenkleed sprake 
ware: dat een hyme niet 'geweven' is, vertelt ons in het Leidsche 
Kaadsel de Lorica het harnas zelf; een ringenpantser of malienkolder 
was handlocen, 

B21. tó habhanne. *Zu haben' d.i. te verkr^'gen, zou hier een won- 
derlijke ironie zijn. *0m te behouden, niet af te staan', zal wel de 
bedoeling zijn. 

B 22d. Ne bid fdk wid ml. Fâh toid — beteekent *in veete of 
v^andschap levende met —, vijandig tegen — ', waarvan reeds Grein 
n z^n glossarium sub 3) een viertal voorbeelden opgeeft (in proza 
ook bekend). Wanneer Walther door de zwaarden z^ner vijanden 
weder bedreigd zal worden, begeeft hem zijn harnas niet, blijft zijn 
trouwe vriend, *zal hem niet tot vqand zqn'. 

B 29a. gif dd eamunga eer gedenced. Vgl. By. 196: gif hi pâ (ge)' 
earnunga ealle gemundon pe he him to dugtide gedón hœfde 4ndien z^ 
de weldaden alle gedachten die hij (hun heer) hun tot huji voordeel 
bewezen had'. Maar men verstaat onze plaats anders en vat eamunga 
met Dietrich als 'verdienste, die guten werke' op. Wat geeft hier 
dat vroegere denken aan verdienstelijke daden? het komt er im- 
mers alleen op aa]i dat Ood die gedachtig is en helpt? en God kan 
toch kwalyk (wegens oer) het subject van gedenced zijn. Daarom zie 
ik maar twee mogel^kheden: of dd eamunga als Gods weldaden te 
interpreteeren, of de woorden op te vatten in den zin van dd tó ge^ 
eamiannet zoodat dd feitelijk gelijk aan dœre g(oce is: eamung c. gen. 
object. ÏB bekend. 



GEWONE VERGADERING 

DER AFDEELING 

TAAL-, LETTER-, GESCHIEDKUNDIGE EN WÜSGEERIGE 

WETENSCHAPPEN, 

GEHOUDEN DEN 9<^en SEPTEMBER 4895. 



Tegenwoordig de Heeren kern, voorzitter, boot, beets, 

PKUIN, NABER, VAN DER WYCK, DB QOEJE, COSIJN, qUACK, PLETTE, 
POLS, TIBLE, VAN DE SANDE BAKHÜYZEN, VERDAM, DB LOUTER, 
SIJMONS, S. MULLER PZN., DE HARTOG, P. L. MULLER, SPEIJER, 
HAMAKER, HOUTSMA, VAN LEEUWEN, VALETON, POLAK, KLUYVER, 
BLOK, DE GROOT, KARSTEN, VAN KELTEN, ROGGE en SPRUYT, 

secretaris ; voorts het buitenlandsch lid , de Heer paul 

PREDERICQ. 



De Heeren Fockema Andreae en A. Pierson hebben 
bericht gezonden verhinderd te zjn de vergadering b^ te 
wonen. 



Het Proces-Verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en goedgekeurd. 



De Secretaris doet mededeeling van een schreven van 
Z^ne Excellentie, den Minister van Binnenlandsche Zaken, 
waarb^ aan de Akademie gevraagd wordt of haar Neder- 
landsche geleerden bekend zijn, bereid zich, buiten bezwaar 



(74) 

van *s Byks schatkist, door de Begeering te laten afvaar- 
digen naar het 11de Americanisten -congres, dat van 15 tot 
20 October 1895 te Mexico zal vergaderen. Daar op de 
vraag van den Voorzitter geen der aanwezige leden zich 
daartoe bereid verklaart en de tijd niet 1 oelaat de af wezigen 
te raadplegen, wordt besloten den Minister te antwoorden 
dat aan de Akademie geen zoodanig geleerde bekend is. 

De Secretaris leest een brief voor van Mr. M. P. G. 
Kappeyne van de Coppello, waarin bericht wordt gegeven 
van het overlgden van Mr. J. Kappeyne van de Coppello, 
rustend lid der Akademie, en deelt mede dat deze brief 
met een brief van rouwbeklag is beantwoord. Naar aanlei- 
ding van dit schrgven wijdt de Voorzitter eenige waardee- 
rende woorden aan de nagedachtenis van den overledene, 
dien de Akademie vooral als gelukkig beoefenaar van het 
Romeinsch recht heeft leeren kennen. Voorts herdenkt hg 
het overlgden tgdens de vacantie van het buitenlandsch lid 
H. von Sybel, zonder twgfel een der voortreflfelgkste ge- 
schiedschrijvers van het hedendaagsch Duitschland. 

De Secretaris deelt mede dat voor de boeker^ is inge- 
komen van den correspondent J. Groneman een boekwerk, 
getiteld : De Garëbëgs van Ngajogyâkartâ. 



Daarop wordt het woord gegeven aan den Heer Cos^n 
tot de voordracht z^ner aangekondigde bgdrage over de 
Angelsaksische Waltharius -fragmenten. Hg vergelgkt hun 
inhoud met Eckeharts Latgnsch gedicht, wgst op punten 
van verschil en overeenkomst en licht enkele verzen critisch 
en exegetisch toe. Het geheele gedicht kan kwalyk een 
omvangrijk stuk geweest zijn, maar moet zich bepaald 
hebben tot de behandeling van den strgd van Walther in 
de Vogeezen, afloopende in één dag. Ten slotte bestrgdt 
hij het gevoelen van Kogel, volgens wien het Angelsaksisch 
poëem een vertaling of trouwe bewerking zou zyn van 
een oudhoogduitsch origineel. 

De Voorzitter dankt den Spreker' voor zgne bgdrage en 



(75 ) 

vraagt of zg bestemd is om in de Verslagen en Mededeeliri' 
gen te worden opgenomen. Nadat de Spreker deze vraag 
toestemmend beantwoord heeft, vraagt de Heer Sgmons of 
de verklaring van den Spreker de dichterlijke waarde niet 
al te zeer vermindert en oppert hij enkele bedenkingen 
aangaande bijzonderheden. De Heer van Helteu wenscht 
opheldering aangaande een drietal plaatsen der vertaling, 
die de Spreker vóór den aanvang zgner voordracht aan elk 
der leden had ter hand gesteld. — De Spreker antwoordt 
dat men z.i. inderdaad de middeleeuwsche dichters niet 
zoo au sérieux moet nemen, als men doen zou door ze aan 
den hedendaagschen maatstaf te nieten, en bespreekt de 
opmerkingen en vragen, die de HH. Simons en van Heiten 
aangaande bijzondere punten zgner bedrage gemaakt hebben. 



De Voorzitter heet het buitenlandsch lid, den heer Paul 
Predericq welkom en geeft hem het woord tot het voor- 
dragen z^ner aangekondigde bgdrage over »de geheimzinnige 
ketterin Bloemaerdinne te Brussel in de 14de eeuw". Deze 
Bloemaerdinne, aldus genaamd omdat zij behoorde tot het 
geslacht Bloemaert, vroeger alleen bekend door een plaats 
in Ruusbroec's levensbeschr^ving door broeder Henricus a 
Pomerio, bl^kt volgens een ontdekking van wglen den Heer 
Buelens, den conservator der handschriften aan de Eoninklgke 
Bibliotheek te Brussel, dezelfde te zgn als »zuster" Hadewyck, 
wier gedichten door Jonckbloet in zijne laatste uitgave be- 
handeld zgn en wier proza nog onuitgegeven is. Ruusbroec 
voelde zich dikwijls genoopt op te komen tegen de kettergen 
van Bloemaerdinne-Hadewych, aan wie het volk mirakels 
toeschreef en die een grooten aanhang had van personen, 
velke zij »de Nuwe" noemde in tegenstelling van »de Oude" 
of »de Vremde", en aan wie zg elk voorjaar een zendbrief 
richtte. Spreker deelt het een en ander mede over den 
inhoud, bepaaldelgk uit de beschrgving harer ecstatische 
toestanden en van de uitputting, die daarop volgde. Uit 
Hadewych's geschriften volgt voorts met waarschijnlijkheid 
dat »de Nuwe" vrg talrgk waren, voaral in Brabant. Dat 



( ?6 ) 

de Inquisitie zich bemoeid heeft met de kettergen, waar- 
tegen Ruusbroec opkwam, bl^kt niet; misschien leidde de 
vereering der volksmenigte en de hooge si and vaii Bloemaer- 
dinne tot grooter toegefel^kheid dan anders gebruikt zou z^n. 
Deze voordracht, die door den Spreker op verzoek van 
den Voorzitter voor de Verslagen en Mededeelingen wordt 
afgestaan, geeft den Heer Blok aanleiding tot de vraag, of 
de Heer Fredericq misschien eenig verband ziet tusschen 
de secte der >Nuwe" en die der >Vrge Geesten", en den 
Heer Verdam tot het uitspreken van den wensch, dat het 
proza van »zuster" Hadewych moge uitgegeven worden, 
waardoor het verstaan barer duistere gedichten misschien 
zou worden bevorderd. Nadat de Spreker geantwoord heeft 
dat naar z^ne meening de secte der Vr^e Geesten in Neder- 
land eerst veel later, in de 15de eeuw, is doorgedrongen 
en dat Hadewych's proza eerstdaags zal uitgegeven worden 
door Prof. VercouUie voor de maatschapp^ der Vlaamsche 
bibliophilen te Gent, wordt de discussie gesloten. 



Bij de rondvraag wordt door den Heer Kluyver voor de 
boekerg aangeboden Afl. 7 van Deel H van het Woorden- 
boek der Nederlandsche taal. Daarna wordt de vergadering 
gesloten. 



DE 6EHEIMZINNIGB KETTEEIN 
BLOEMAERDINNE (Zuster HADEWIJCH), 

EN DE 

SECTE DER „NIJWE" TE BRÜSSEL IN DE 

14de EEUW 

DOOR 

PAUL FREDERICq. 



Te midden van Ruusbroec's levensbeschr^ying, dîe de 
merkwaardige Heinricus de Pomerio (van den Bogaerde) in 
't begin der 15de eeuw, omstreeks 1420, in zgn werk De 
.origine moitasterii Viridisoallia inlaschte, komt een hoofd- 
stukje voor, getiteld : Quomodo oceuUam haeresim et ejus 
fautricem^ dictam vulgariter Bloemardinne^ in oppido Bruxel" 
lenai famomm^ confufavit ^). Het is het eenig geloofwaardig 
bericht, dat w^ over die geheimzinnige Brabantsche ket- 
terin der 14de eeuw bezitten, en het werd eenvoudig nage- 
schreven en overgenomen in al de latere werken, die van 
haar gewaagden ^). 



^) Henricus de Pomerio, De origine, enz., naar Brusselsche handschriften 
uitgegeven in de Analecta BoHandiana, deel IV, blz. 286 (1885); afge- 
drukt in mijn Corpus doe, Inqttisitionis Neerlandicae, deel I, bl. 186. Over 
den schrijver raadplege men Acquoy, Het klooster te Windesheim en zijn 
invloed, deel II, blz. 214—236 en 299 

') Mastelinus van Diest (midden der lö^e eeuw); Surius (16de eeuw); 
J. Latomud en J. Hoybergius, Corsendonca (1644); A. Heylen, Historische 
Verhandelinge nopende de ketterye der Bloemardine (1791); E. van Even, 
Bloemardine, eene Flaemsche hervormster uit de XIF" eeuw (De Katholiek, 
jaargang 1854); dezelfde, Bloemardinne, de Brusselsche ketterin (uitgaven 
der Kon. Yl. Academie 1894). 



( 78 ) 

Dat hoofdstukje luidt aldus : » Ten t^de dat de dienaar 
Gods [Jan van Ruusbroec] nog een seculier priester was, 
leefde er in de stad Brussel eene vrouw, die een verdorven 
geloof aanhing (perversi dogmatis) en in de wandeling 
{vulgariter) Bloemaerdinne werd geheeten. Zij stond zoo 
hoog in de volksfaam aangeschreven, dat men zich inbeeldde, 
dat, wanneer zij naar *t altaar trad om de heilige com- 
munie te ontvangen, z^ tusschen twee serafijnen stapte. Z^ 
schreef veel over den geest der vrijheid en over eene aller- 
afschuwel^kste venerische liefde ^), die zg eene serafijnsche 
noemde ; daarom werd zij door veel aanhangers als de uit- 
vindster eener nieuwe leer vereerd. Leérarende en schrig- 
vende zat z^ in eenen zilveren zetel, die na haren dood, 
zegt men, uit bewondering voor hare leer aan de hertogin 
van Brabant werd aangeboden. Het volk geloofde, dat 
door aanraking van haar doode lichaam de kreupelen weer 
gezond konden worden. Onze Ruusbroec, een man vervuld 
met den geest der godvruchtigheid, gevoelde medeleden voor 
deze doling en weerstond dadel^k deze verderfelöke leer. 
En ofschoon zij veel volgelingen telde, nam h^ het schild 
der waarheid op en ontmaskerde zeer waarachtig hare 
logenachtige en kettersche geschriften, die zy te eiken jare 
(quotannis) als haar van God ingegeven (tanquam divinitus 
inspirata) gewoon was te vervaardigen tot ondermgning van 
ons geloof. Dit doende toonde Ruusbroec zich ongetwgfeld 
bezield met den geest van wijsheid en koenheid, niet vree- 
zende de hinderlagen harer volgelingen, noch bedrogen door 
het blanketsel harer valsche leerstelsels, die den schijn der 
waarheid aannamen. 

»Inderdaad" — voegt er Hendrik van den Bogaerde bg — 
»ik kan uit eigene ondervinding getuige^, dat deze alleraf- 
schuwelgkste geschriften b^ 't eerste ?icht in 't kleed der 
waarheid schenen gehuld, zoodat niemand in staat zou z^n 
geweest er het zaad der kettery in te ontdekken, tenz^ 
door de genade en de hulp van Dengene, die leermeester is 



1) De spiritu libertatis et nefaudissimo amore venereo, quem et sera- 
phicum appelLabat. 



( 79 ) 

aller waarheid". Zoo schrift de gemoedel^ke broeder van 
Buasbroec's klooster te Groenendaal. 

Van Bioemaerdinne weet men verder niets, tenzg dat z^ 
waarsch^nlrjk omstreeks 1336 te Brussel zal zyn gestor- 
ven 1), en dat een schrgver der 1 5de eeuw, de monnik Jan 
van Meerhout, beweert, dat er schier honderd jaar later, 
omstreeks 1410, nog te Brussel aanhangers harer secte door 
de Inquisitie moesten uitgeroeid worden : »Henricus Sellius .... 
eonstitutus est Bruxellis inquisitor haereticae pravitatis pro 
extirpandis rcliquiis nefandae illius haeresis, quam Bruxellis 
tempore Joannis Buysbrochy seminasse quandam feminam, 
cui nomen Blommardina, scribit uoster Merhout" ^). 

Intusschen bezitten w^ in onze taal uit het einde der 
13de eeuw of uit het begin der 14de eeuw — juist uit 
den tgd, toen Bioemaerdinne geleefd en gebloeid heeft — 
eene verzameling allervreemdste geschriften, welke m^ sedert 
lang aan de Brusselsche ketterin deden denken, want z^ z^n 
uit de pen eener vrouw gevloeid en handelen uitsluitend 
over de goddelijke » Minne'' en den geest der vr^heid, de spiritu 
libertatis et nefandiasimo amove venereo^ quem et seraphieum 
appellabat, zooals Hendrik van den Bogaerde getuigt van 
Bloemaerdinne*s geschriften; daarenboven telt men er eene 
reeks stukken onder, die blikbaar zendbrieven zijn, ter ge- 
legenheid van het nieuwjaar voor geloofsgenooten geschreven. 
Ook kwam natuurlek b^ mij de vraag op : Zyn dat niet 
die scripta fucata et haeretica^ quae tanquam divinitus inspirata 
illa quotannis in fidei nostrae derogationem diaaeruit? 

In hare werken noemt zich de schr^fster tweemaal, doch 
onrechtsstreeks ; zoo vernemen wg dat zij Badewijch ^) heet ; 
en de afschr^ver van een der drie handschriften noemt haar 
eens Haywigis *), een anderen keer Uaywige ^), eene derde 



1) Dit heeft de heer Ruelens zoo goed als bewezeu in zijne onuitge- 
geven verhandeling, waarvan ik verder gewaag op blz. 4:, noot 4. 

') J. Latomus en J. üoybergius, Corsendonca, blz. 84; Corpus, deel I, 
blz. «66. 

») II, Proza, blz. 180 eu 188. 

*) In den titel Epistole Haywigis (Handschrift C). 

^) In den titel Visiorm Uaywige (zelfde handschrift). 



(80 ) 

maal Baduw ^). Dit schgnt ons van Bloemaerdinne te 
verwijderen. Maar wijlen de heer Earel Buelens, in leven 
consenrator der handschriften aan de Koninklijke Bibliotheek 
van Brussel, heefk in het archief van de Commissie der 
Burgerl^ke Godshuizen aldaar een aantal stukken ontdekt, 
waarin van 1305 tot 1335 eene Domicella Heïlwigis dicta 
Blohimardine^ dochter van Wilhelmus dictas Bloemaert, in 
vermeld wordt, eene rgke patriciersdochter, die juist in dien 
t^d te Brussel leefde ^). De naam van Bloemaerdinne, die 
zg mdgariter droeg, is aldus eenvoudig gesproten uit dien 
van het geslacht der Bloemaerts, zooals de naam Beinaer- 
dinne stamt uit dien der Beinaerts, enz. Overeenkomst van 
tijd, van verbl^fylaats en van naam ^,, en, wat m^ eerst 
trof en nog meer overtuigde, overeenkomst in den inhoud 
der kettereche geschriften, — zgn beide verrassende punten 
niet voldoende om de waarschijnl:ykheid van de vernuftige 
gissing des beeren Buelens te doen uitkomen P 

Of nu Bloemaerdinne en »zuster" Iladewijch — zooals 
hare uitgevers *) de Brabantsche schrgfster zonder eenig be- 



1) II, Proza. blz. 34 (Handschrift C). 

') Kort vóór zijnen dood, in 1888, stelde mij de lieer Ruelens zijne 
onnitgegeven verhandeling ter hand, getiteld: Jan van Ruysbroeck 
Blommardinne, waarin hij de uitkomsten zijner jarenlange opsporingen in 
de J3russelsche archiefstukken te boek gesteld had. Op mijn voorstel 
besloot de Maatschappij der Ylaamsche Bibliophilen van Gent, dat die 
merkwaardige verhandeling bij de inleiding zon worden gevoegd van 
Zuster Iladewijch 's Proza, waarvan de uitgave aan mijnen ambtgenoot. 
Prof J. Vercoullie, werd opgedragen. Nu dat dit Proza eerstdaags zal 
verschijnen, kan men ook op een spoedig afdrukken van Buelens* studie 
rekenen. 

*) De eenige moeilijkheid, wat den naam betreft, is, dat de Bloemaer- 
dinne der Brusselsche archiefstukken Heilwigis als voornaam draagt, l«rwijl 
de schrijfster Hadevoych of Haywigis heet. Is de verwarring tusscheu die 
beide schier gelijkluidende voornamen gansch onmogelijk? 

*) Wijlen Professor J. F. J. Heremans en zijn neef wijlen Dr. O. J. K. 
Ledeganck gaven in 1875, voor de Maatschappij der Vlaamsche Biblio- 
philen van Gent, het eerste deel (Gedichtefi) der if erken van Zuster Hadewijch 
uit. Professor Vercoullie zal eerlang ook haar Proza in dezelfde reeks 
uitgeven. Met de meeste bereidwilligheid stelde hij de afgedrukte vellen 
te mijner beschikking, waarvoor ik hem hier mijnen besten dank be- 
tuig. — De uitgave van die zoo belangrijke dicht- en prozaweri^eu van 



(81 ) 

w^s noemen — ja dan neen ééne en dezelfde ketterin zyn 
geweest, zooveel is zeker, dat de bedoelde geschriften ket- 
tersch zijn en ons allerlei kostel^ke bijzonderheden aanbie- 
den over eene geheimzinnige secte, die tgdens de 14de eeuw 
in de Nederlanden heeft gebloeid. 

Hadewijch schreef in verzen en in proza. Als lyrische 
dichteres heeft ze Jonckbloet waardig geoordeeld van eene 
niet onaanzienl^ke plaats in de laatste uitgave, die hy van 
zijne Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde ^) zelf be- 
werken mocht. Hare verzen bestaan uit liederen, waaronder 
zeer frissche en roerende, en uit mengeldichten ; haar proza, 
uit brieven en uit visioenen mitsgaders uit eene kleine on- 
beduidende verhandeling ^). Alles wat z^ schreef, verzen 



Hadewijch is eene echte lijdensgeschiedenis. Jan Frans Willems en 
Mone dachten er reeds aan^ die geschriften uit te geven. In Oogstmaand 
1852 zonden de heeren A. Angillis, alsdan student te Leuven, en £dw. 
van Even, alsdan tweede bibliothecaris der Hoogeschool aldaar, een 
prospectus in 't licht, waarin zij eene verzamelirg aankondigden, die .«de 
werken onzer Ylaemsche dichteressen" zou bevatten, van de 13<*e eeuw 
af tot op hunnen tijd. Onder den titel van Werken der Flaemsche 
dichteressen uit den voortijd kwam dan ook in 1853 eene eerste aflevering 
uit, met den ondertitel: Liederen eener onbekende kloosterlinge uit de XII L^* 
eeuw, voor de eerste ma^l uitgegeuen naer een handschrift der Burgondische 
Bibliotheek (met klein fac-simile, XI— 20blz.; Thicit, drukkcry vau liorta- 
De Laere, Yperstraet 12). Door gebrek aan inschrijvers giug de uitgave 
nooit verder. Zij bevatte slechts de zes eerste liedereu en twee strofen 
van het zevende lied van Hadewijch. Prof. C. P. Serrure, Jhr. Ph. 
Blommaert en Dr. E. A. Snellacrt koesterden op huune beurt het plau 
om Hadewijch 's geschriften uit te geven; maar zij stierven, voordat zij 
hun voornemen ten uitvoer gebracht hadden. Weer later ondernamen 
Prof. Heremans en zijn neef Dr. Ledeganck de uitgave, maar beide ziju over- 
leden, zouder die verder dan de Gedichten te hebben gebracht. £iudelijk 
heeft Prof. J. Vercoullie ook het Proza zorgvuldig laten afdrukken. 
Eerstdaags zal, na meer dan 40 jaren, de uitgave van Hadewijch's vol- 
ledige geschriften onder ieder 's bereik staan. Beter laat dan nooit. 

») Derde uitgave, deel II, blz. 273—286 (1885). — Jn hare gedichten 
openbaart Hadewijch eene bewonderenswaardige meesterschap over tech- 
niek, strofenbouw, versmaat en rijm. Bij geen enkelen onzer middel- 
eeuwsche lyrische dichters is die gave in zoo hooge mate aauwezig. 

^) De liederen zijn ten getale van 45; de mengeldichten, van 32. De 
prozawerken bevatten, volgens de opschriften van Hs. C, Epistole Hay- 
wigis, verdeeld in 31 hoofdstukken; Hsiones Haywige, verdeeld iu 24 
hoofdstukken; en het kort Twee-vormich Tractaetken. 

VXBSL. SN MED. AFO. LBTTSBK. 3de BBBKS, DKBL XIX. 6 



( 82) 

zoowel als proza, onderscheidt zich door duisterheid en 
tevens door hartstochtel^kheid, die beide hier en daar aan 
ousamenhangenden onzin grenzen, zooals het. overigens bij 
de meeste mystieken, zelfs bij onzen grooten Ruusbroec, 
soms het geval is. 

Het hoofdthema van al Hadewijch's geschriften is de lof 
en de ontleding der mystieke liefde tot God, die z^ Minne 
noemt. Hare leus schont te zgn wat z^ bij den aanvang 
van haar achtste lied verkondigt: 

Altoes machmen van Minnen singhen, 

eest herfst, eest winter, eest lenten, eest somer ! ^) 

Duizenderlei zyn hare variaties op dat hoofdthema, dat 
zij in gloeiende lierzangen, in soms roerende brieven, in 
nevelachtige en toch zeer aanschouwel^ke visioenen, met 
eene medeslepende virtuositeit, en ook tot vervelens toe, 
behandelt. Meer bepaald in hare liederen meen ik de 
stukken te erkennen, die z^ te eiken jare (qiu>tanni8) voor 
hare geloofsgenooten schreef, daar die lyrische zangen 
meerendeels aanvangen met eene zinspeling op het aan- 
staande nieuwe jaar, dat alsdan in Brabant met Paschen 
begon, en op de ontwakende lente, die met den terugkeer 
van het Paaschfeest samenviel ; als b^voorbeeld in de eerste 
stroof van haar eerste lied : 

Ay, al es nu die winter cout, 

cort de daghe ende die nacht langhe, 

ons naket saen een somer stout, 

die ons ute dien bedwanghe 

saen sal brenghen, dat es in seine, 

hi desen nuwen iare. 

Die hasel brenghet ons bloemen fine : 

dat es een teeken openbare. 

Ay, vaU^ vakj millies^ 

ghi alle, die in nuwen tide, 

si dixero^ non satis est, 

omme Minne wilt wesen blide! ^) 



*) I, Gedichten, blz. 31. 
2) 1, Gedichten, blz. 3^ 



(83) 

In deze lierzangen, evenals in hare brieven in verzen en 
in proza, richt zy zich tot geloofsgenooten om hen aan te 
wakkeren tot beoefening der Minne, te loven over hunne 
vurigheid of te berispen over hunne lauwheid ; doch in 
hoofdzaak bespreekt zg te dier gelegenheid telkens het 
wezen en de werking der Minne met hare onbeschrijvelijke 
genuchten en bovenmenschel^ke ekstatische verrukkingen, 
voorafgegaan en gevolgd door grondelooze wanhoop en aller- 
smartel^kste prostratie. 

In hare gedichten en in hare visioenen in proza ^) geefb 



^) Ziehier de korte inhoud vau de 14 Kisioner Eaynoigex 1. Een plein 
met wonderlijke boomen en bloemen wordt haar getoond en uitgelegd 
door eenen engel; een boom staat met zijne wortels in de lucht en zijne 
kruin in den grond. God vertoont zich aan haar als een doorschijnend 
kristallen kruis met eenen troon, eene schijf, zon, kolommen, vuur, edel- 
steenen, draaiend viel, enz — 2. Aanspraak van God tot haar. (Geene 
beschrijving van het vertoonde). — 3. Zij aanschouwt den H. Geest, die 
eene stem laat hooren. — 4. Twee allegorische koninkrijken. Eenengel 
geeft zeven vleugelslagen, waarbij zon, maan, starren, enz. stilstaan. De 
hemel gaat open. Stem als donder en bazuin. Aanspraak van God tot 
haar. — 5. De drie »overste" hemelen worden haar vertoond met de 
tronen, cherubijnen en serafijnen, ook de dieren der Openbaring van St. 
Jan, die tot haar spreekt en zij tot God, die op zijnen troon zit. — 
6. Een engel met wierookvat stelt haar aan God voor als eene vrouw 
van 19 jaar, vol vurig verlangen. Van op zijnen troon laat God eene 
vreeselijke stem hooren. — 7. In de kerk komt een arend van 't altaar 
naar haar gevlogen en weldra volgt Jezus om haar de communie uit te 
reiken en te omhelzen. — 8. Hoogc berg met vijf symbolische wegen. 
Gesprek van Hadewijch met God. — 8. Eene prachtige Koningin met 
drie jonkvrouwen komt tot haar en treedt met haar in gesprek. — 10. 
De stad Jerusalem met al de volmaakten. Arend en Evangelist spreken 
tot haar. — 11. Verward visioen: wiel, lam, feest, David met ziJDe 
harp, geboorte van een kind, geesten, vogel fenix, die twee arenden 
verslindt (St. Augustinus en zijzelve), de werken der Minne, enz. — 12. 
Heerlijke stad met God gezeten op eene draaiende schijf. Twee arenden. 
Optocht van volmaakten, die de bruid met de 1 2 deugden opleiden. Rede 
van eenen arend. — 13. Zang der serafijnen. God's aanschijn met zes 
vleugels. Nieuwe optocht der reinen en der serafijnen. Zij wordt op 
God's troon gezet en spreekt met de engelen en met Maria. Getal der 
volmaakten. — lé. God op zijnen troon. Opsomming der volmaakten in 
hemel en op aarde met allerlei namen, getallen en verblijfplaatsen. 

In Hadewijch 's gedichten komen ook zeer vreemde dingen voor: bij 
voorbeeld, dat de Minne als een kind slechts na negen maanden vol- 
dragen is^ met de omstandige beschrijving der negen maanden er bij (I, 

6* 



(84) 

Hadew^ch ous herhaaldelgk omstandige verslagen over hare 
gewaarwordingen tgdehs hare ekstazen, meermaals met op- 
gave van tijd en plaats. »Het was in enen sondage ter 
octaven van Pentecosten . . . Het was op enen CinKendach ^) . . • 
Een Paesdaghes ... Ie sat op enen Meidach ende soude 
messe horen van Sin te Jacoppe, alst recht was; want het 
doe s^n dach was ^) . . . Ie was in Âssumptiedaghe ^) te 
mettenen ... Het was in enen deriiendaghe *) . . . Te enen 
Cinxendaghe ... in de dagheraet ; ende men sanc mettenen 
in de kerke, ende ie was daer ... Tc was in Nativitate beate 
Marie °) te mettenen, ende na die iij lessene . . . Cortelike 
daer na in dandere nocturne ... In sente Jans daghe Evan- 
geliste inde Eersvdaghen ^) • . . In enen dertiendaghe was ie 
binnen der messen ... Ie lach op enen Kerstnacht ... Ie 
was tsondaechs ?ore Sinxenen, vore die dagheraet, inden 
gheeste opghenomen.'* 7). Soms geeft zig ook den duur harer 
ekstazen op: eene, die »te mettenen'* was begonnen, bleef 
duren »tote hoghe opten dach'*^); eene andere, slechts »ene 
halve ure*'^); eene derde, iets minder^"). 

Het begin harer visioenen gaat b^ wylen gepaard met een 
hevig lichaamslijden: »Te enen Cinxendaghe waert mi ver- 
toent inde dagheraet ; ende men sanc mettenen in de kerke, 
ende ie was daer. Ende mijn herte ende mine aderen ende 
alle mine leden scudden ende beveden van begherten; ende 
mi wast (alst dicke heeft geweest) soe verwoedeleke ende 



Gedichten, blz. 233—238); dat de Minne eene i^ taverne" houdt, waar de 
gasten i^comen gherne" (aldaar, blz. 200); enz. 

1) Pinksteren. 

2) De eerste dag der Meimaand. 

^) Assomption de la Vierge of O. L. Vrouwcliemelvaart (15 Augustus). 
^) Dertieudag is zooveel als Drie Koningendag (6 Januari). 
*) 8 September. 
•) 27 December. 

7) II, Proza, blz. 119, 133, 134, 135, 139, 141, lil, 151, 153, 156, 
J62, 167. 

8) 11, Proza, blz. 153. 
»j II, Proza, blz. 155, 

") IX, Proza, bU. 144. 



(85 ) 

soe vreseleke te moede, dat mi doehte, icne ware minen 
lief niet ghenoech ende mijn lief en vervulde minen niet, 
dat ie stervende soude verwoeden ende al verwoedende ster- 
ven. Doe was mi van begheerleker Minnen soe vreeseleke 
te moede ende soe wee, dat mi al die lede, die ie hadde, 
sonderlinghe waendeu breken, ende alle mine aderen waren 
sonderlinghe in arbeite. Die begerte, daer ie doe in was, 
die es onseggheleke enegher redene ochte iemens, die ie 
kinne; ende dat selve, dat icker af segghen mochte, ware 
ongehoert vore al die, die de Minne niene bekinden . . . 
Doe mi aldus vreseleke te moede was, doe versagic vanden 
outare comen ghevlogen te mi enen aren (arend)^ die groet 
was, ende hi seide te mi : »Wiltu .i. werden, soe ghereide 
di !" ^) Ende ie waert op mine knien", . . . enz. 2) 

Na de ekstaze volgt dan ook soms eene verschrikkel^ke 
neerslachtigheid. In het zesde visioen zegt haar de Minne 
tot afscheid: >Ic gheleide di God ende mensche weder in 
die wrede werelt, daer du salt ghesmakeu aire doede" . . . 
Ende ie wert met dien weder bracht iammerleke in mi 
selven." 3). Of nog: *Ende ie quam weder in mfln leet 
met meneghen groten wee"*). 

T^dens hare ekstazen verliest z^ het bewustzyn : »Doe 
wonderde mi van al dier rijcheit, die ie ghesien hadde in 
heme (God) ; ende bi dien wondere quamic buten den geeste, 
daer ie in hadde ghesien al dat ie sochte ; ende,- aise ie 
alsoe ghedaen in al dier rike verweentheit kinde mijn anx- 
teleke lief ende mijn onseggheleke soete, doe vielic buten 
den geeste van mi en van al dien, dat ie in hem ghesien 
hadde, ende viel al verloren in die ghebrukeleke borst siere 
naturen der Minnen. Daer in blevic verswolgenleke ver- 
loren buten allen verstannesse van el iet te wetene noch 
te siene noch te verstane dan ien te wesene met hem ende 
dies te ghebrukene. Daer in blevic min dan i. halve ure. 



*) Wilt gij u met God (de Minne) vereenigen, zoo bereid u, 
2) II, Froza, blz. 144, 145. 
«) II, From, blz. 144. 
^) II, Froza, blz. 141, 



(86 ) 

Doe werdic weder ghewect in enen geeste ende ik bekinde 
weder alse te voren ende verstont allo redene'' ^). In een 
ander visioen, dat ook in de kerk geschiedt, daalt Christus 
van het altaar af, komt tot haar, geeft haar eigenhandig 
de heilige communie en omstrengelt haar: »Daer na ^ quam 
hi selve te mi ende nam mi altemale in sine arme ende 
dwanc mi ane heme. Ende al die leden, die ie hadde, ghe- 
voelden der siere in al hare ghenoeghen na miere herten 
begherte na miere menscheit. Doe werdic ghenoeghent van 
buten in allen vollen sade" ^). 

Veelt^ds komen die ekstazen haar op bg 't ontvangen 
der communie in de kerk, of zelfs eens in baarbed: >Het 
was in enen sondaghe ter octaven van Pentecosten, dat men 
mi Onsen Here heimelike te minen bedde brachte, omdat 
ie ghevoelde soe grote treckinghe van binnen van minen 
gheeste, dat ie mi van buten onder de menschen soe vele 
niet gehebben en conste, dat icker (ter kerke) ghegaen 
ware" ^). Toen Jezus haar eigenhandig de H. Hostie komt 
uitreiken, doet zy er het volgende verhaal van : »Doe quam 
hi van den outare, hem selven tonende alse een kint ; ende 
dat kint was vander selver ghedane, dat hi was in sinen 
eersten iij jaren. Snde hi keerde hem te mi waert ende 
nam uter ciboriën sinen lichame in sine rechte hant; ende 
in sinen slinke hant nam hi enen kelc, die sceen vanden 
outare comende, mer ic en weet waren hi quam. Daer mede 
quam hi in die ghedane des deeds ende des mans, dat hi 
was op dien dach, doe hi ons sinen lichame eerst gaf, alsoe 
onderdanechlec te mi comende als i., die eens anders al es; 
doe gaf hi mi hem selven in speciën des Sacraments in 
figuren, alsoe mens pleecht, ende daer na gaf hi mi drin- 
ken uten kelke, ghedane ende smake alsoe mens pleghet" *). 

In die visioenen, met het ontvangen der communie gepaard, 
ziet zg ook serafijnen. In het 13de cap. heeft zij in den 



1) ir, Proza, blz, 143, 144. 

2) II, Proza, blz. U6. 
) II, Proza, blz. 119. 
) II, Proza, blz. 146. 



(87) 

hemel eeuen serafijn tot geleider, die haar op den zetel van 
God's Minne doet plaats nemen: »Ende die séraphin, die 
mine es ende die mi daer brachte, hi hief mi op • • . Ende 
daer vore hadse {de Minne) enen zetel staende; ende die 
seraphine, die mi ophief, sette mi daer op ende seide te 
mi: Sich (zié) hier, dits de Minne, die du sies in midden 
den aenscine der naturen Gods* ' ^). In een harer liederen 
roept ze triomfantelyk uit : 

Minne bedect 

die si berect, 

als die vlogen der seraphinnen! ^) 

Herinnert dit alles niet sprekend aan hetgeen Hendrik 
van den Bogaerde van Bloemaerdinne heeft geboekt: Ut 
etiam tempore sacrae communionis^ quando videlicet ad aram 
accederet, inter duos gradi seraphim crederetur ? Hoe meer men 
over Hadewgch's geschriften nadenkt, hoe meer men in 
haar de Bloemaerdinne van Buusbroec's levensbeschrgver 
zal meenen te mogen erkennen. 

De volgelingen harer secte noemt Hadew^ch hare >vriende" 
of ook idie nuwe", in tegenstelling met de »oude" of 
»vremde". Voor de eeiien heeft zg bewondering, voor de 
anderen slechts verachting over: 

Die dus verwinnen 

in storme van Minnen, 

dat s^n gherechte helden ; 

ende die iet geroen 

ende niet voldoen, 

hets rechte, dat mense scelde ^). 

Zorgvuldig moet men de laatsten vermijden: 

Hem seien de nuwe mestruwen 
ende met allen nuwen scawen *). 



1) II, Froza, blz. 169, 170. 

2) I, Gedichten, blz. 272. 

^) I, Gedichten, blz. 101. Zie ook aldaar, blz. 32 : Nu es menich dorpre 
8oe trawant 1 enz. 

') 1, Gedichten, blz. 30. 



( 88 ) 

Onder hare geloofsgenooten vermeldt Hadewij ch in haren 
25sten prozabrief eene Sara ^), eene Emme en eene Mer- 
griete ^). Z:g beklaagt er zich bitter over, dat Sara haar 
schgnt te vergeten, en schrgft over Mergriete, dat zg zich 
wel wachten moet voor de vijanden harer secte: »Ende 
datse metten vreemden niet en wone noch en blive. Dat 
ware grote ontrouwe, ontbleve si ons, soe gherne si ons 
lieve dade ende nu met ons is, ende soe sere soe wise met 
ons begheren, 

»Over haar zelve getuigt Hadewgch, dat ze heel vroeg 
door de Minne werd bestormd: »Side dat ie x. jaer out 
was, soe hebbic alsoe na van herteliker Minnen bedwon- 
ghen gheweest, dat ie binnen den eersten twee jaren^ dat 
ics begaen, hadde doet gheweset, en hadde mi God niet 
souderlinger cracht ghegheven dan den ghemeinen liede" ^). 
Wanneer haar de Minne eindelijk wordt geopenbaard, zegt 
z^ : » Te voren vore dien tyd woudic altoes weten ; in al 
minen doene peinsdic ende seidic immer: Wat es Minne 
ende die es Minne? In dit te pleghen haddic g. jaer ghe- 
weest" *). In een ander visioen stelt haar een engel aan 
God voor als eene vurige maagd van 19 jaar: »Het was 
in enen dertiendaghe ; doe wasic xix jaer out . . . Ende i. 
inghel quam met enen gloeyende wieroec vate ende gloyen- 
de van viereghen roke, en hi knielde vore die hoechste stat 
der zetele, daer die crone boven hielt, ende hi deder hem 
ere mede ende seide: »O ombekinde moghentheit ende al 
vermoghende groote Here, hiermede sidi ere ende werdicheit 
van derre vrouwen, die di besoect in dine verhoelne stat, . . . 
alse si di sent [offerande] met nuwen berrender ioghet, die 
onder dat voie hare xix iaer heet hebbende" ^). Elders 
spreekt zg als eene oude vrouw : 



O II, Proza, blz. 93. 
2) II, Proza, bit. 94. 

^) JI, Proza, blz. 3i cap. XI. Op den rand van het Hs. leeat men 
de Latijnsche glose: hadxic incepit. 

^) II, Proza, blz. 333. 

^) II, Proza, blz. 141, 14 



( 89 ) 

Woude mi Minne nuwe daghe 

gheven, die mi s^n soe out, 

soe soudic swighen miere clagen ^). 

En op eene andere plaats roept z^ uit: 

In minen ionghen daghen, 

doe mi de Minne eerst ieghen vacht, 

tone se mi grote gelaghen • . . 

Nu scgut de storm wel sere gesacht ^). 

In haar 13de visioen, waarin zg God's aanschijn zegt te 
zien, bedekt met zes vleugels en omringd met eenen op- 
tocht van zingende serafijnen, die ten hemel de reine min- 
nende zielen begeleiden, geeft z^ het getal op van de uit- 
verkorenen of volmaakten der Minne: »Dat ghetal van 
desen kinnic, ende dat es herde deine, ende alle kinnicse, 
dijt sgn in hemel ende in erde. Diere en syn nu in den 
hemel maer xxix, ende hier en leeftere mer .Ivj., ende 
dire es nu gheboren inde wieghe .xi., ende .yj. loepter 
achter straten spelen^ ende .v. salre noch geboren werden ; 
ende nemmeer en sailer in allen volwassen sijn. Die somme 
es hondert ende vij" ^). 

In haar 14de en laatste visioen*) komt eene andere bere- 
kening voor, ingeleid door het rgmpje : »Dit s^n die vol- 
maecte, ghecleedt ghelgc Minnen, die Hadewich sach, elc 
met sinen seraphinnen." ^). 

Wy weten reeds, dat er in den hemel slechts 29 zijn. 
Hadewijch somt deze hemelbewoners aldus op met hunne 
namen : Maria, Johannes Babtiste, Jan Ewangeliste, Maria 
Magdalena, Sente Peter, Sente Jacob, Sente Gregorius, Sente 



^) I, Gedichten, blz. 11. 
*) I, Gedichten, blz. 57. 

') II, Proza, blz. 173. — Veel andere minder volmaakte beoefenaars 
der Minne ontmoet ze te gelijk in den hemel en verdeelt hen in drie 
groepen van 3008, 4083 en 6284i //hemelse wesenen". 

*) II, Frojfa, blz. 180—188. 

fi) II, Proza, blz. 180. Deze regels staan alleen in Hs. C en zijn met 
roode letters geschreven als een titel. 



(ÔO) 

Ylarius, Sente Ysidorus, Sente Augustinus, > ene joncvrouwe 
ende heet Jerenina** ^), Sente Merten, Constans ^), Sente 
Paulus, »ene joncfrouwe ende biet Zara" 3), Sente Brigida, 
Sente Amelberch, Sente Bernaert *), een broeder der orde 
van dezen laatste met name Heynrec, »een graeu monec 
ende biet Diederic*', »een Eligius ende lacb opten muer te 
Iherusalem*', »een clusenerse ende beet Maria", »mine clu- 
senerse, (die varre dore Sassen lacb, daer ie beren Heyn- 
recke van Breda toe seinde)", »Honorius, (die in de ze op 
de steenrotse lacb, daer ie eenen monec toe seinäe, die 
dicke te mi te comene placb)", »ene joncfrouwe van Coelne 
ende beet Lane (si placb oec dicke te mi te comene met 
geesten ende oec te sendene geeste ende ingbele ende sera- 
pbinne ende beiligben ende menseben)", »ene vrouv^e van 
Coelne waert ende biet Oede (si placb oec te mi te co- 
mene)", »ene begbine ende biet Helsewent ende woende te 
Vilvoerden (si versciedt ^) al singbende)", »Heldegaert (die 
al de visione sacb)", en »ene begbine (die meester Rob- 
beert doedde om bare gberecbte Minne)" ^). 



^) Deze was gedurende Degen jaren Au soe groter persen van Minnen, 
datse in gheenre uren rosten en mochte noch der Minnen vergheten; 
si dede hare dicke alsoe wee« ochte si in arbeite van kinde ghinge, ende 
dat hare alle leden wanen spliten". 

*) /rHi croep .lx. iaer over hande ende over voete als ene heeste". 

') #Si hadde xvj. iaer jodinne gheweest". Zij verliet hare ouders //ende 
quam in ene stat boven Coelne, daer kerstenen woenden". Zij had 
#lxxiiij. scoene revelatien ende oec den geeste van prophecien, ende oec, 
dat boven al geet, gherechte minnewercke van Minnen; si verstaut alle 
redene ende alle scientie, ende si hadde den Heilighen Geest in hare 
ziele eude in haren lichame ; ende si was met aire volcomene oefeningheu 
moeder Gods." Dit laatste getuigt Hadewijch meer dan eens van de uit- 
verkoren. 

*) Met deze drie laatste heiligen schijut zij weinig ingenomen te zijn; 
beurtelings voegt zij bij hunnen naam : i^ Van hare weetic, al eest luttel . . . 
Daer en wetic oec niet vele af... Daer af wetio oec .i. luttel." 

^) Zij stierf al zingende. 

') Zou die overleden begijn, die reeds in den hemel was, wellicht een 
der talrijke slachtoffers zijn geweest van broeder Robert, den pauselijkeu 
inquisiteur der 13^«» eeuw? (Zie mijne Geschiedenis der Inquisitie in ^ 
Nederlanden, deel I, 4de hoofdstuk). 



(Ol ) 

Daarna gaat Hadewîjch over tot de alsdan nog levenden 
en geeft alweer hunne getallen op, maar zonder hunne 
namen. Zeven wonen »opten muer te Iherusalem alse 
heremite" en drie »woentere in die stat". Vijf vindt men 
er in Thüringen (»int lant van Doringhen"), waaronder 
drie vrouwen en twee mannen. »Op ghenen Rgn" wonen 
twee reine jonkvrouwen. In Engeland zyn er negen: »v. 
heremiten, ij. clusenersen, ij. joncfrouwen". »Te Parigs 
woent een vergheten meesterken allene in een celleken. 
Hi weet meer van mi dan ie goets van mi selven weet. 
Daer bi woent oec .i. soe volcomen w^f in ene cluse ende 
heet Gerenina, dat ie nu ghene betere en weet". »Een 
predekere van Zelant woent in Denemerken". »Noch hebic 
ene vriendinne int lant van Bihem" (Bohemen). 

Maar vooral in de Dietschsprekende Nederlanden vindt men 
de meeste levende volmaakten der Minne: »In Brabant, 
xlig. man, vj. maghede, ij. wedewen... In Vlaenderen, 
V.: iij. beghinen, ij. nonnen. In Zelant, vj.: i. priester, 
ij. beghinen, i. clusenere in Middelborch ende ene wedue 
van groter macht; die seste is .i. verborghen manneken. 
In HoUant, i. , dats i. verstoten priestere ende over ver- 
licht. In Vrieslant, oec i. priestere .... Int lant van 
Loen 1) woenter .iij., die syn nonnen." Dus, te zamen, 
97 levende uitverkoren der Minne, waaronder 29 voor het 
buitenland (11 vrouwen en 18 mannen), en 68 voor de 
Nederlandsche gewesten (de Zeeuwsche monnik, in Dene- 
marken verblgvende, medegerekend), waaronder 19 vrouwen 
en 49 mannen. Het groot overwicht ten voordeele der 
sterke kunne in onze gewesten wordt geleverd door Brabant 
met het verbazend getal van 43 mannen tegen slechts 9 
vrouwen. In dat gewest, waar Hadew^ch in leeraarde, 
zouden overigens de levende volmaakten der Minne buiten- 
gewoon talr^k zjn geweest in verhouding tot het buiten- 
land en tot de andere Nederlandsche gewesten, hetgeen niets 
dan natuurlek is, daar Brussel het brandpunt der secte 



^) Het graafschap Loon of Borchloon maakte deel uit van liet bisschop- 
pelijk prinsdom Luik. 



(92 ) 

was. Noch de Waalsche landen, noch de Ütrechtsche en 
Geldersche streken schynen integendeel een vruchtbaren 
grond voor de Minne te hebben aangeboden. Waarschijnlgk 
is het, ten einde die levende uitverkoren aan geene ver- 
volgingen bloot te stellen, dat Hadewijch hunne namen b^ 
die getallen verzwijgt; maar toch duidt z^ op onrecht- 
streeksche wyze de namen van 41 onder de 68 Nederland- 
sche aan, door ze in globo op te geven met de volgende 
geheimzinnige opsomming: »In dese .Ixxvj. namen sgn 
vij. Janne, ij. Diederecke, iij. Clause, i. Gielijs, i. Bone- 
faes, i. Godevaert, iij. Heinrecke, iij Wouteren, i. Rob- 
bert, i. Godescalc, ij. Saren ^), éne Hadewijch^ éne Âl^t, 
iij. Emmen, v. Margrieten, ij. Agneten, i. Âghate, i. 
Beatrijs, ii. Oeden". En zg voegt er tamel^k duister by: 
»Ie en hadde u ghene stade te segghene van alle derre 
lieie levene. Daer orame en wetic wat dat u bescietet, 
ghi en wist haren leven ende met hoe wonderleken wondere, 
datse te deser volcomenheit comen sgn ende seien comen.'* 2). 
üat z^ zelve en hare geloofsgenooten werden veracht en 
vervolgd, getuigt Hadewijch herhaaldelijk. Van de min- 
nenden zegt zij, dat »de vreemde (ze) gherne letten ende 
quetsen, daer sie moghen/' ^), Elders klaagt zij : 

Men sal met vremden oghen 
hem toenen vremt ghelaet. *). 
Nu syn si in swaren banden 
ende vremde in haers selfs lande; 
daer dolen si in de hande 
der vreemder avonturen. ^). 

»Die liede maken menegherande raed bi hem selven, 
daer si der Minnen werke bi versmaden in ghelikenesseu 



1) Beide niet te verwarren met de Keulsche jodin Sara, die in den 
hemel en dienvolgens reeds overleden is. 

2) Met deze regels sluit de lide (laatste) der Visiones. 

3) II, Proza, blz. 45. 

4) I, Gedichten, blz. 107, 

*) I, Gedichten, blz. 26. Zie ook aldaar, blz. 45 en 122, 



(93) 

van groter vriheit; ende dat doen se oec om grote vroet- 
heït, ende selke ghebieden ghebode daer ieghen om der Minne 
ghebode te latene. Mer die edele, die sine reghele houden 
wilt, na dat hem verlichte redene leert, hine ontsiet der 
vremder bode niet noch haren rade, wat tormente soere 
hem of quame van niemaren, van scanden, van daghen, 
van worden, van beghevenheiden, van gheselscappe, van 
herbergheloesheiden, van naectheiden . . •** ^) Zelfs onder 
de geloofsgenooten heeft men verraders, die meedoen in de 
vervolgingen; daarin ook moet men geduldig berusten: 
>Maer, wet God, aire meeste volmaectheit eest, te verdra- 
ghene van den valschen broederen, die schinen huusghe- 
noete des gheloofs. Ay, dat en si u gheen wonder, al eest 
mi wee, dat die ghene, die wi vercoren hebben met ons in 
iubileeme in onse lief, dat si ons hier beghinnen te stoerne, 
ende te brekene onse gheselscap omme ghescheden te sine, 
ende namelec mi, diese met niemene en willen laten/' ^). 

Dit schont eene zinspeling te zijn op pogingen, door de 
Kerk aangewend, tot uiteendrijving van Hadewijch*s »ghe- 
selscap''. Op haar vooral^ als hoofd der secte, had men het 
natuurlek gemunt. In bare liederen stort zij er heihaaldeljjk 
klachten over uit: 

Mine noet es groet ende onbekint den lieden; 
si sijn mi wreet, want si mi gherne scieden. ^). 
Ie duchte der ontrouwen wreede valsche laghen. *). 

Mi doen de vremde wrede 

soe ongemate lede 

in dit ellende swaer 

met haren valschen rade; 

sine hebben mgns ghene ghenade; 

si doen mi menighen vaer, 

want si mi met haerre blentheit doemen. 



') II, Froza, blz. 65. . 

«) n, Froza, blz. 14. 

'} I, Gedichten^ blz. 81. 

^) I, Gedichten, -blz. 83. 



( 94) 

Sine connen daertoe niet comen, 

datsi de Minne yerstaen, 

die mijn herte met luste hevet ghevaen. ^). 

In eenen roerenden brief, gericht tot eene zielsvriendin, 
over de gevaren, die haarzelve bedreigen, scbr^ft zg: 

»Ay, soete kint, uwe bedroeven es mi leet ende uwe 
swaerheit ende uwe rouwe. Ende dies biddic u oversere 
ende mane ende rade ende ghebiede (alsoe moeder haren 
lieven kinde, dat si mint ter hoechster eren ende ter soet- 
ster werdicheit der Minnen), dat ghi alle vreemde rouwen 
van u doet, ende dat ghi u om mi bedroevet, soe ghi miost 
moghet. Hoe soe het mi gac t, eest in doelne achter lande, 
eest in ghevancnesse, hoet s^n sal, het es der Minnen 
were '' 2). Dat zij hare vervolgers meer dan eens als »die 
wrede vreemde" schandvlekt ^), toont genoegzaam aan, welke 
verbittering moest bestaan tusschen de ingew^den en de 
oningew^den der Minne. 

Uit Hendrik van den Bogaerde's aanteekeningen bl^kt 
intusschen geenszins, dat Hadewigch ooit vervolgingen heeft 
moeten verduren; integendeel, zooals men zich herinneren 
zal, zou zg alom geëerd zijn geweest door het volk en 
zou, na haren dood, haar lichaam mirakels hebben gedaan 
en haar zilveren zetel zou als een voorwerp van hooge 
vereering aan de hertogin van Brabant zgn geschonken 
geworden. Buusbroec's krachtig optreden tegen haar zou 
aldus niets gehad hebben van het forsch ingrgpen van eenen 
inquisiteur: »Huic igitur errori compatiens'', zegt Hendrik 
van den Bogaerde, »vir plenus spiritus pietatis illico per- 
versae se doctrinae opposuit; et, quamvis multos haberct 
aemulos, scuto circumdatus veritatis, scripta fucata et hae- 
retica • . . . ipse veraciter denudavit." *). En Mastelinus licht 
het aldus toe: »Impias et portentosas opiniones tum voce 



1) I, Gedichten, blz. 913. Zie ook aldaar, blz. 122. 

») II, Proza, blz. 106. 

3) I, Gedichten, blz. 45, 65, 93, 122. 

^) Corpus, deel I, blz. 186, 



(95 ) 

tam scriptis confutavit." ^). Heeft de Kerk Hadew^ch eu 
hare secte der »Na we*' nog op andere wijze weerstreefd dan 
door het woord en de pen van Ruusbroec? De roerende 
klachten van de hooge priesteres der Minne laten het on- 
getw^feld vermoeden; maar meer kunnen wij er niet van 
z^gen, daar geen enkel t^dgenoot of later schrgver er 
over gewaagt. 

Wat er ook van zg, in hare geschriften kan men zonder 
veel moeite echte ketterijen aantreffen. Daargelaten hare 
opvatting der goddelgke Minne, die zeker niet zoo recht- 
geloovig is als die van Ruusbroec en de andere orthodoxe 
mystieken in de Nederlanden, verkondigt Hadewgch, dat 
het overbodig is aan God de bekeering der zondaren af te 
smeeken: »Ende ten söndaren hebt ontfaermen met groeter 
beden te Gode; maer daer voere te lesene och te ernsteleke 
van Gode te wilne, dat hise daer ute doe, dies en onderwent 
u niet; want ghi mochter uwen tgt met questen, ende anders 
en vorderet niet vele." *). Een tweede harer stellingen 
riekt evenzeer naar àm mutsaard: »Dies en seldi niet 
twivelen noch oec gheloeven noch menschen noch heilighen 
noch inghelen." ^). Nochtans schrift zg niet rechtstreeks 
tegen de Kerk; wel integendeel; in een harer rgmbrieven 
groet zg hare geloofsgenooten in God als degene, die de 
Minne dienen 

met worden, met werken 
ende metter wet der Heileger Kerke. *). 

Elders stelt zg hare opvatting der Minne onder de be- 
scherming der Kerk: 

Want ons orcondet de Heileghe Kerke, 
hare meerre, hare minderen, hare papen, hare klerke, 
dat Minne es van den hoochste werken 
ende edelst bi naturen. ^). 



^) Corpus, deel I, blz. 187. Mastelinus was een kanunnik der 17^® 
eeuw, die naar onde kloosterhandschriften schreef. 
«) II, Proza, blz. 17. 
») II, Froza, blz. 6. 
*) I, Gedichten, blz. 190. 
*) I, Gedichten, blz. 73. 



( 96 ) 

Maar zy aarzelt niet te verklaren, dat de beoefening der 
Minne geheel het geloof uitmaakt: 

Ende die dit bekinnen, si verstaen 
ghenoech van haren Crede. ^). 

Ja, de Minne vervangt al de goddelijke diensten der Kerk 
door iets hoogers: 

Men moet al Minnen met Minne bestaen, 
salder Minnen genoech werden gedaen; 
maer dat en mach men niet werken 
met al den dienste der Heileger Kerken. ^). 

Ook moest Hadewijch in de oogen der geestelgkheid ver- 
dacht schenen, waar zij verkondigt dat z^ mirakels doet 
door God's toelating en van Hem de gave der prophecie^) 
heeft gekregen. Hare »alrehande moghende miraculen ende 
werken" licht zij zelve aldus toe: »Ende wien soe ie uten 
sonden verledeciide, ochte wien ie ute desperacien verle- 
dechde, ochte van doeden die opstannesse dade bi dier 
cracht, die God in mi woude: dits gheschiet van hem 
vieren/* En de Latynsche glossator schryft op den rand 
van 't perkament: ^kVidetur Hij resuscitare.'' ^). Dat op- 
wekken van vier dooden tot het leven is zeker nog sterker 
dan hetgeen Hendrik van den Bogaerde te boek stelde: 
»Cujus etiam defuncii corporis attactu claudi se putabant 
consequi sanitatem." ^). 

Eindelijk, haar naïef, doch ongehoord gebrek aan oot- 
moed, kwalijk verborgen onder allerlei vormen van nederig- 
heid, moest ook voor de ergdunkende geestelijkheid het 
kenmerk zyn van de superbia, die, volgens de middeleeuw- 



*) I, Gedichten, blz. 97. 

^) I, Gedichten, blz. 209. 

^) irVan revelatien menechfout ende van geeste der propliecien." (II, 



Proza, blz. 179). 
^) II, Proza, blz. 178. Zie ook aldaar, blz. 195. 
*) Corpus, deel I, blz. 186. 



( 97 ) 

sehe godgeleerden, aan alle ketters eigen is. AIzoo verklaart 
zy in hare visioenen God *s aansch^n te hebben aanschouwd 
»in die selve transfiguratie, daert sente Peter in sach, ende 
die met hem waren ^op Thabor." ^). Over hare mirakels 
verhoovaardigt z^ zich niet, zegt ze, en vergelekt zich te 
dier gelegenheid met Jezus : »Ende ie plaeh alse 6ode dede, 
die al sine werke sinen Vader opgaf." ^). Elders vertelt zg 
hoe Christus van het altaar tot haar kwam »alsoe onder- 
danechlec" ^) om haar. de communie eigenhandig uit te 
reiken. In haar Twee-vormich tractaetken^ dat handelt over 
het kussen der minnende ziele door God, stelt z^ voor* 
waarden om zich te laten zoenen: »Ichebbe'*, zegt ze Hem 
met eene naïeve verwaandheid en eene trotsche koketterie, 
»mine tranen gescenct ende mine 'begerte geoffert; ende 
mine minne zueket datselve, dat u lieve sone dede ... Ie 
zueke die vernuwecheit, die u sone doet in ertrike Wildi mi 
dat doen, ie sal u cus.nen dan gerne met een der zuetsten 
eussene, dat ie geoefent wert in uwen rike ... Ie sal 
bringen eer minen zueten vrient [Jezus] dese boodscap, 
eer ie u eusseu sal; want ie en mach sonder heme suie 
cussen niet georloven. Daer omme du gaefsten mi tenen 
brudegom, ende ie en wille heme oee engene ontrouwe 
doen . . . Ende ochter mi wilts cussen, soe doet dat bloet 
van m^nre herten ende die pine m^ns lichamen ende die 
tranen miere ogen vrucht bringen in allen goede. Ende 
dan moegdi mi cussen !" ^) Hare gesprekken met God, met 
St. Jan, met Maria, enz. , z:gn ook alles behalve beseheiden 
noch ootmoedig en stroomen over van uitbundige loftuitingen 
te harer eere^). In dit alles konden de ketterjagers der 
14de eeuw ruimschoots stof vinden om Hadewyeh voor 
hunnen rechterstoel te dagen en te veroordeelen, zooals zg 
met hare tijdgenoote, de mystieke begijn uit Henegouwen, 



1) II, Proza, blz. 178. 
») II, Proza, blz. 1 78. 
,2) II, Proza, blz. 146. 
*) IJ, Proza, blz. 190—193. 
*) II, Proza, cap. 1, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 13, 13 en 14. 

YEBSL. £N MED. AFD. LBTTERK. 3^6 BEEKS. DEEL XII. 



( 98 ) 

Margaretha Porete, in 1310 ie Par^s hadden gedaan ^). Deden 
z^ het niet, omdat Hadewych te hoog stond aangeschreven 
in de volksganst en tot een te rijk en te machtig Brasselsch 
geslacht behoorde? Het kan zyn. 

Uit hare geschriften bigkt in elk geval welke hare leer- 
stelsels en dolingen waren en hoe alsdan hare secte der 
>Nnwe" een hondertal levende volmaakten der Minne telde 
in het buitenland zoowel als in de Nederlandsche gewesten, 
waaronder mannen en vrouwen, volwassenen en kindéren 
»inde wieghe" of die nog »achter straten'* speelden, jonk- 
vrouwen, weduwen, maagden, begijnen, nonnen, kluizenares- 
sen, heremijten, monniken en priesters; en dat het grootste 
getal (i^ op 97) in 't hertogdom Brabant woonden, waar- 
sch^nlgk meest te Brussel in Hadew^ch's onmiddellgke 
nab^heid. 

Het optreden dier geheimzinnige Bloemaerdinne (Hade- 
wijch) en het bestaan van hare secte der » Nu we" zgn stel- 
lig belangr^ke verschijnsels op het gebied der kettersche 
beroeringen in de Nederlanden der 14de eeuw. 



*) Margarétha Porete werd te Parijs verbrand op de Place de Grèves 
den 1 Juni 1310, nadat zij als vervallen ketterin was veroordeeld ge- 
worden door den predikheer Willem van Parijs, pauselijken inquisiteur in 
het koninkrijk Frankrijk. (Zie mijn Corpus I, blz. 155 — 170). 



GEWONE VEBOADERINO 

DEE AFDEELING 

TAAL-, LETTER-, GESCHIEDKUNDIGE EN WFJSGEERIGE 

WETENSCHAPPEN, 

GEHOUDEN DEN Uden OCTOBER I89S. 






Tegenwoordig de Heêren kern, Voorzitter, naber, van 

BONBVAL PAURE, DE OOEJE, COSIJN, QUACK^ PLEYTE, POLS, 
TIELE, VAN DB SANDE BAKHUYZEN, VERDAM, MOLTZBR, SIJMONS, 
S. MULLER PZN., POCKEMA ANDREAE, CHANTEPIE DE LA SAUSSAYE, 
SCHLEGEL, SPEUER, HAMAKER, HOUTSMA, VAN LBEUWËN, VALETON, 
POLAK, SILLEM, KLUYVER, BLOK, DE GROOT, VAN HBLTEN, en 

SPRUYT, Secretaris. 



De Heeren Boot en A. Pierson hebben bericht gezonden 
dat zi] verhinderd z^n de vergadering bg te wonen. 



Het Proces- Verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en goedgekeurd. 



Door den Secretaris wordt namens den schr^ver voor 
de boekerg aangeboden het vijfde deel der Gedichten van 
Constantijn Huygens, uitgegeven door Dr. J, A. Worp. 



Daarna verkr^gt de Heer van Heiten het woord tot het 
houden der door hem aangekondigde voordracht onder den 
titel: Enkele bedragen tot de lexicologie van het oudwest- 
friesch. Hg biedt voor de Verhandelingen der Akademie 

7* 



( 100 ) 

een studie over de lexicologie dier taal aan en deelt daarb^ 
enkele gedeelten zijner studie mede. H^ zoekt de verklaring 
van een subst. bûckveste »meerderjarigheid" in een eigenaar- 
dige in de middeleeuwen heerschende meening omtrent de 
ontwikkelingswijze der manbaarheid en vestigt tevens de 
aandacht op zekere voor de verklaring eener door hem 
geciteerde plaats belangr^ke bepalingen omtrent bet friesche 
erfrecht der niet wettel^k geboren kinderen. Hy bespreekt 
en verklaart het zonderlinge verschil, dat in de friesche 
rechtsbronnen is waar te nemen tusschen de opgaven der 
zoogenaamde impedimenta légitima. 11^ wijst aan dat niewel" 
in het oudwestfriesche niewelnacht en niewelwinter is op te 
vatten als een benaming voor de hel. Hij betoogt dat in 
een door Philip Heek in zgn Altfriesische Gerichtsverfassung 
besproken plaats met edelis vnvis niet de echtgenoot van 
een »vollberechtigten Grundbesitzer," maar een »eigengeërfde 
vrouw" bedoeld is, en dat in een ander door gemelden ge- 
leerde behandeld citaat unedelmon door »bastaard" en niet 
door »halfvr^e" moet worden vertaald. Eindelijk zet hij de 
etymologie uiteen van den term luterislaen, een loon, dat 
de moeder b^ het meerderjarig worden van haar kind 
toekwam. 

De Voorzitter dankt den Heer van Heiten voor zänebg- 
drage en vraagt of z^ bestemd is voor de Verslagen en 
Mededeelingen. Spreker wyst er op dat het voorgedragene 
slechts een deel uitmaakt van een uitvoeriger verhandeling, 
die hij voor de werken der Akademie weuscht aan te bieden. 
Daarop benoemt de Voorzitter de Heeren Cosgn en Fockema 
Andreae tot leden eener Commissie om rapport uit te bren- 
gen over die verhandeling. 

Aan de discussie over de bydrage wordt deelgenomen 
door de Heeren Cosyn en Schlegel, die ieder een voorbeeld 
aanhalen van de in het folklore aangenomen koude in zekere 
gedeelten der hel, waarvan de Spreker bg de verklaring 
van het woord niewel'^ gewaagd had ; door den Heer 
Fockema Andreae, die Sprekers opvatting van het woord 
bûckveste reeds bg Huber gevonden heeft en de meening 
uitspreekt dat Heck*s theorie van de afwezigheid van een 



( loi ) 

geboorteadel in Friesland door Sprekers argumenten niet 
weder legd wordt; door den Heer van Leeuwen, die beden- 
kingen heeft tegen Sprekers verklaring van een door hem 
geciteerde Grieksche plaats. 

Nadat de Heer van Heiten deze verschillende opmerkingen 
beantwoord heeft, doet de Voorzitter nog enkele mededee- 
lingen over Boeddhistische voorstellingen aangaande de hel 
en geeft hg ten slotte met een enkel woord te kennen, 
waarom naar zyn gevoelen de quaestie van het woord edel 
door Spreker niet volkomen uitgemaakt is. 



De Heer Klujver geeft daarna z^ne aangekondigde be- 
drage Over de geschiedenis van het woord Gids. H^ tracht 
te betoogen dat het woord gids niet identiek kan wezen 
met het fransche woord guide; de oudere vorm gidse en het 
meervoud gidjens bij een schrijver uit de 1 1^^ eeuw moesten 
volgens hem aan eene geheel andere afleiding doen denken, 
te meer daar die vorm gidjens in de eenige plaats, waar 
hij is aangewezen, de beteekenis heeft van spionnen, verleiders^ 
wegwijzers Un kwade of iets dergelijks, Voegt men hierby 
gedse^ dat in de 17^® eeuw voorkomt als naam voor eene 
liederlyke vrouw, benevens het Engelsche woord gixie^ 
waarvan betoogd werd dat het moest z^n ontstaan uit gidzi^ 
en dat hetzelfde beteekent als gedse^ dan schijnt het wel 
dat die verschillende vormen zich alleen laten verklaren uit 
de taal der Zigeuners, t.w. uit gadlo en het daarb^ behoo- 
rende vrouwelijke gadlL Dit woord, eigenlijk aanduidende 
een niet-Zigeuner, kreeg in de boeventaal van verschillende 
landen den zin van kameraad, helper, handLmger, en in 
het vrouwelijke dien van concubine, meretrix, enz. Volgens 
deze afleiding zou gids oorspronkelgk niet veel verschild 
hebben van sfpion^ en vooral door de gelijkenis met guide 
eene gunstiger beteekenis hebben gekregen. 

Aan de discussie over deze bgdrage, die door den Spreker 
op verzoek van den Voorzitter voor de Verslagen en Mede- 
deelingen bestemd wordt, nemen deel de Heeren Moltzer^ 



( 102) 

Speyer, Verdam en Kern. De Heer Moltzer heeft het woord 
gids nooit ontmoet in volksdichten of kluchten, waar het 
zeker gevonden moest worden, als de afleiding van Spreker 
juist was. De Heer Speijer acht den overgang van gadU 
in gidii onwaarschijnlijk, terwyl ook de wijziging der betee- 
kenis hem lang niet geheel verklaard schgnt. De Heer 
Verdam voert het woord »misschien" aan als voorbeeld 
eener i, die uit a ontstaan is, en de Heer Kern zegt dat 
het woord gadzo onmogelyk kan komen van het Sanskrit 
gaya^ zooals Miklosich beweert. Nadat de Spreker deze 
verschillende bedenkingen beantwoord en den Heer Moltzer 
op een nadere vraag geantwoord heeft dat het triviale 
»mollen" voor dooden zeker en andere woorden waarschijn- 
lijk uit het bargoensch in de Nederiandsche taal gekomen 
zyn, wordt de discussie door den Voorzitter met eene dank- 
betuiging aan den Heer Kluyver gesloten. 



B^ de rondvraag biedt de Heer van Leeuwen namens den 
Heer van Herwerden voor de boek erg een exemplaar aan 
. z^ner uitgave van Euripides' Helena; de Heer Fockema 
Andreae een exemplaar zijner uitgave van Hugo de Groot 's 
Inleidinge tot de HoUandsche rechtsgeleerdheid, voorafge- 
gaan door eene geschiedenis der »Inleidinge" gedurende het 
leven des auteurs door Dr. R. Fruin, Deel 1/2; de Heer 
Schlegel namens prins Boland Bonaparte een exemplaar van 
een album met photographieën van een in China gevonden 
zestalig opschrift, op kosten van den prins uitgegeven 
onder den titel: Documenta de VE/.oque mongole des ^IW^ et 
XIV® siècles. Inscriptions en six langues de la porte de Kiu- 
Yong^Koan, près Pékin; lettres j stèles et monnaies en écritu- 
res ouigouré et Phags-pa dont les' originaux ou les estampes 
eaistent en France; Paris 1895. 



Daarna wordt de vergadering gesloten. 



OVER DE GESCHIEDENIS VAN HET WOORD GIDS. 



DOOK 



A. KLUYYER. 



-- j.»t.js>f«.; 



Eene aanvulling te geven op een der artikelen van het 
Nederlandsch Woordenboek, dat is het doel van de kleine 
mededeeling waarvoor ik de eer heb Uwe aandacht te 
vragen Toen de Redactie in 1889 de afleiding moest 
trachten te bepalen va^ het woord gids^ is haar dit niet 
gelukt. Wij hebben zoo nauwgezet mogelijk overwogen 
wat daaromtrent door anderen was ondersteld, wij hebben 
tevergeefs getracht die onderstellingen te bewijzen of er 
betere voor in plaats te geven, en tot ons oprecht leed- 
wezen moesten wij zwggen over de oudere geschiedenis 
van een woord, dat in de taal van het hoogere leven zulk 
eene eervolle plaats heeft ingenomen. Doch wat mg betreft, 
ik ben aan dat woord blgven denken, en thans zou ik 
gaarne eene gissing daarover uitspreken. 

Onze teleurstelling was des te grooter, doordat de aflei- 
ding van gids op het eerste gezicht niet twijfelachtig schgnt 
te wezen. Het gelgkt zoozeer op fr. guide, eng. guide, dat 
men het van zelf daarmede in verband wil brengen. Maar 
bij nader inzien gaat dat niet. Wij hebben voorbeelden 
sinds de eerste helft der 17de eeuw, en daaruit blykt dat 
gids verkort is uit gidse. Het is onmogelgk dien vorm af 
te leiden van fr. guide, zelfs al wilde men aannemen, dat 
het meervoud daarvan hy ons, door welke oorzaak dan 



( 1Ô4 ) 

Ook, als enkelvoud in gebruik was gekomen: de e aan het 
einde yan gidse zou dan nog ten eenen male onverklaard 
blijven. Ook de heer Franck was blijkbaar van dat gevoe- 
len, toen hij over gids bad te spreken in zyu Etymologisch 
Woordenboek. Immers, hy stelt de mogel^kheid dat gids 
eene verkorting zal wezen van een nergens voorkomend 
gidsman^ evenals loods van loodsman, en dat gidsman zal 
zyn verhoUandscht uit eene Engeische samenstelling guides^ 
man^ een vorm dien de heer Franck, zooals h^ door een 
sterretje aanduidt, nergens heeft gevonden, en die ook my 
onbekend is. Wel beschouwd, is deze afleiding dus zonder 
kracht van bewys, en ik geloof dat de heer Franck er 
geen gewag van zou hebben gemaakt, indien Kq een anderen 
vorm had gekend, dien wy in 18f9 wel tot onze beschik- 
king hadden. 

Er is nl. eene plaats bg een auteur uit de 17de eeuw, 
waar gids wordt gespeld als gidje of gidjen ^), Indien dat 
geene drukfout is — en het zal geloof ik blykên dat 
men het niet behoeft te onderstellen — , dan is alle 
verband tusschen gids en giiide onmogelijk. Wat men uit 
die twee verschillende vormen, gidse en gidje, met elkaar 
vergeleken, moet afleiden, is naar ik meen dit, dat het 
woord oorspronkelgk eene dz heeft gehad. In verschillende 
perioden zyn in het Nederlandsch vreemde woorden op- 
genomen met dz, en gewoonlijk werd die voor ons zoo 
vreemde en byna onuitspreekbare klank tot ds ; een zeer 
bekend voorbeeld is loods, als naam van een gebouw, ont- 
staan uit een ouderen vorm van fr, loge, waarin de oor- 
spronkelyke dz later is overgegaan in « . In de 17de eeuw 
bestond gids bg ons blykbaar nog niet lang, en de oor- 
spronkelyke klank dz was nog niet geheel en al verdwenen. 
Dat blykt uit de spelling met dj : niemand zou die spelling 
hebben bedacht, indien men altyd en overal had gezegd 
gidse; de dj is eene poging om de allengs verdwijnende 
dz in het schrift voor te stellen. Tot deze, naar ik meen 
gerechtvaardigde conclusie kwam de Redactie van het 



^^ Orizandt, Democr. 45. 



( 105 ) 

Woordenboek in 1889, maar tevergeefs zochten wg in 
het Romaansch naar een term van soortgelijke beteekenis, 
die in het Nederlandsch gidze en daarna gidse had moeten 
worden. Thans wil ik beproeven iets verder te komen. 

In de plaats waar die merkwaardige vorm staat met djj 
is ook de beteekenis eene eenigszins andere dan de gewone. 
De schr^ver, een niet onbekend moralist, zegt: »Wy moeten 
ons niet voegen naer exempelen, maer na Gods Woort: 
want voorbeelden en gewoonten zyn voor ons als Gidjens 
en Spions, die ons brengen op de wegen van veelderley 
ongebondentheden, nieuwe fatsoenen ende vreemde manieren". 
De hier bedoelde gidsen zgn dus wegwijzers tot het kwade, 
het zyn verleiders, iets wat een gids thans nooit kan wezen 
behalve bij ongeluk; zegt men b.v. »onze gids bleek een 
verrader te zign", dan bedoelt men: »de man die zich uitgaf 
voor een gids, was er geen, maar het was een verrader''. 
Wat kau men nu anders onderstellen, dan dat in de aan- 
gehaalde plaats het woord niet alleen staat in een ouderen 
vorm, maar ook in eene oudere beteekenis? Men ziet hier 
gidjens en spions te zamen genoemd, op ééne liyn gesteld, 
z^ verleiden ons om de wegen op te gaan die ons in de 
macht brengen vun het. kwade; dat is figuurlijke taal, en 
in den meest eigenleken zin moet een gids z^n geweest 
een spion, een handlanger van roovers of dergelyk volk 
Van booze bedoelingen. Dit doet mij onderstellen, dat gids 
een term is, afkomstig uit eene geheel andere maatschappij 
dan die waarin het thans alleen wordk gebruikt, en wel 
uit die der landloopers, der boeven ; m.a.w. dat gids een 
term is uit het Bargoensch, het argot, de gaunersprache of 
hoe men het wil noemen. 

Sinds het midden der 15de eeuw komen onder de vage- 
bonden in West-Europa ook Zigeunerbenden voor. In 
Dnitschland verschenen de Zigeuners voor het eerst om- 
streeks 1417, en zeer spoedig daarop vertoonden zij zich 
ook in de Nederlanden,* in Frankryk, in Spanje, daarna 
ook in Schotland en Engeland. Ongeschikt voor het bur- 
gerlijke leven en wegens hunne kwade praktijken weldra 
vervolgd, moesten zg zich wel vaak verbinden met allerlei 



( 106 ) 

ander gespuis. Dit blijkt uit verschillencie soorten Van 
boeventalen, b.v. uit de Duitsche gaunersprache, gelgk zg 
beschreven is in het woordenboek van Avé-Lallemant. Yrg 
talr^k z^n daarin de Zigeunerwoorden, soms tamel^k ver- 
basterd, meeriaalen zeer zuiver bewaard. Indien dergelgke 
woorden zijn doorgedrongen in de beschaafde Westeuropeesche 
talen, dan kan men van te voren verwachten, dat het 
alleen of vooral de meest gebruikel^ke zullen zgn geweest. 
Immers, van de meer zeldzame Zigeunerwoorden is het niet 
waarsclrgnl^k, dat zij in den omgang met andere vagebon« 
den vaak genoeg zullen gelioord zyn om in eene meer al- 
gemeene vagebondentaai te kunnen overgaan, en nog on- 
waarschijnl^ker wordt het, dat zulke woorden zich in nog 
ruimer kring konden verspreiden. Indien derhalve een zeer 
gewoon Nederlandsch woord afkomstig is uit de taal der 
Zigeuners, dan moet het grondwoord by de Zigeuners een 
uiterst gewone term z^n geweest. 

Maar hoe zal men beoordeelen, of een term bg de Zigeu- 
ners der 16^6 eeuw al of niet gewoon was? Eene historische 
literatuur hebben z^ nooit gehad, en eerst vr^ laat hebben de 
geleerden aan de taal van die arme zwervers hunne aandacht 
geschonken. Doch het z^n hunne eigenaardige lotgevallen 
waardoor men eenigszins over hunne taal kan oordeelen. 
Indien een Westeuropeesch Zigeunerwoord zonder tw^fel van 
Indischen oorsprong is, of wel indien het blijkbaar is overge- 
nomen uit eene Aziatische taal of uit het Grieksch, dan moet 
het vóór de 15^^ g^uw in gebruik zgn geweest, want na dien 
tgd hebben de Westeuropeesche Zigeuners dergelijke woorden 
zoogoed als niet meer in hunne taal kunnen opnemen. Een 
groot aantal termen uit Europeesche talen daarentegen is 
na de Ib^^ eeuw in de verschillende Zigeunerdialecten over- 
gegaan, en onder die woorden kunnen er zgn van zeer 
jongen datum. Voor den ouderdom van een Zigeunerwoord 
zijn dus eenige kenmerken gegeven, maar evenzoo voor de 
meerdere of mindere gebruikelijkheid Vooral sinds deze 
eeuw heeft men een groot aantal vocabularia byeenverzameld, 
bestaande uit woorden die men Zigeuners uit allerlei landen 
heeft afgevraagd. Onder al die woorden zgn er een groot 



( 107 ) 

aantal oude, die aan alle Zigeuners bekend waren, woorden 
derhalve die zy reeds bezaten in den tgd toen zij zich nog 
minder verspreid hadden, en die b^ al de zich meer en 
meer verstrooiende afstammelingen altyd in gebruik z^n 
gebleven. Dergel^ke woorden, ondanks alle lotwisselingen 
door allen zoo goed bewaard, moeten in eene oudere periode 
zeer gewoon zgn geweest. 

Indien Zigeunerwoorden in het Nederlandsch zgn over- 
gegaan, dan moeten het dergel^ke geweest zgn, althans 
dergelgke zal men in de eerste plaats verwachten. Een 
voorbeeld is kalo, waarvan ik verleden jaar heb trachten 
aan te toonen dat het in het Nederlandsch is opgenomen 
in den vorm kalis. M^ne bewysvoering, gedrukt in het 
Tijdschrift voor Nederl. TaaU m Letterk. ^), is goedgekeurd 
door personen op wier oordeel ik hoogen prgs stel. Kalo 
is een zuiver Indisch woord, het is met talr^ke afleidingen 
b^ alle Zigeuners bekend in zijne eigenlijke beteekenis, die 
van zwart nl., en bg de Westeuropeesche Zigeuners is het 
een vaste naam geworden waarmede z^ zich zelf aanduiden. 
Uit kalo in den zin van Zigeuner ^ is ontstaan nl. kalis, 
eerst in den zin van vagebond, daarna in dien van een arm 
man, Myn betoog mag ik hier niet herhalen, ik mag er 
evenwel voor mijn tegenwoordig doel wel van gewag maken. 
Thans wil ik trachten aan te toonen, dat ook gids oor- 
spronkelgk een term is van dezelfde orde, afkomstig van 
een even oud en even gebruikel^k Zigeunerwoord, maar dat, 
wat zigne beteekenis aangaat, het tegenovergestelde is van 
kalo] ik bedoel nl. gadzo, en over dat woord moet ik hier 
meer in het bg zonder spreken. 

Gadzo is bekend niet alleen b^ de Europeesche, maar 
ook b^ de Turksche en Aziatische Zigeuners, het is dus 
een oude term, die door Miklosich zonder eenig voorbehoud 
voor Indisch wordt verklaard. Men Leeft gadzO willen aflei- 
den uit houg. gaz da, dat huisheer, gezeten burger beteekent, 
en als zoodanig ook in eenige Slavische talen is overgegaan. 
Maar die afleiding moet onjuist zijn, daar gadzo of een 



1) XIV, 63 vlgg. 



( lös ) 

daarvan gevormd woord ook b^ de Grieksche en Aziatische 
Zigeuners in gebruik is. Miklosich stelt gadzo gelgk met 
ski', yaya^ dat bij Böhtiingk en Roth o.a. wordt vertaald 
met luius^ hof; haiisstand. bestehend in der hauagenossenschaft^ 
80 wie im vermögen. De Zigeuners moeten bet aanvankelijk 
hebben gekend in den zin van hausgenosse, en vervolgens 
hebben zij er ieder door aangeduid die, in tegenstelling met 
hen zelf, eene vaste woonplaats had ^j. Dientengevolge wordt 
gadzo het oppositum van rom, kalo^ of hoe het volk zich zelf 
moge noemen; gadzo is iedere niet-Zigeuner. Paspati, in 
zgne Etudes sur les Tchinghianés, getuigt van de Grieksche 
Zigeuners, dat zij dien term nooit op iemand van hunne 
eigen stamgenooten zullen toepassen ; z^ hebben het spreek- 
woord rom romésa gadjó gadjésa^ dat is : de Zigeuner bg den 
Zigeuner, de vreemde b^ den vreemde, ieder moet blijven by 
het zijne. Vandaar ook dat men in woordenl^sten, afkom- 
stig van Hongaarsche Zigeuners, gadzo vertaald vindt met 
Hongaar^ weer elders wordt het gel^k aan Duitscher^ onder 
de gitanos in Spanje heeft het den zin van caballero ^), da^ 
is een Spaansche manheer, en zoo beteekent het overal den 
vasten bewoner van het land waar de zwervende Zigeuner 
vertoeft. Het vrouwelgke van gadzo is gadzi^ en die vorm, ge- 
speld gagii en minder nauwkeurig alleen vertaald met midier^ 
staat o.a. in het l^stje van Zigeuuerwoorden, dat de Leidsche 
professor Bonaventura Vulcanius in 1597 heeft uitgegeven 
achter zijn werkje Ve Liteiis et Lingua Getarum, Zonder 
tw^fel zijn gadzo en gadU beide gebruikelyk geweest onder 
de Zigeunerbenden die sinds de eerste helft der 15^^ eeuw 
hier te lande z^n rondgetrokken. 

Nu is er eene bijzondere reden waarom gadzo misschien 
meer dan eenig ander woord in ruimer kring moest bekend 
worden, Zoodra andere personen met Zigeuners in aanra- 
king kwamen, moesten zy door die Zigeuners worden aan- 
gesproken met gadzéj vocatief van gadzo. Het waren allerlei 



^) Ueber die Mundarten und die Wanderungen der Zigeuner Europa^s 
VII, 213. 

^) Zie Borrow, The Zincali, in het glossarium achter het tweede deel. 



( 109 ) 

andere vagebonden die dit appellatief het meest moesten 
vernemen, en vandaar dan ook dat het in verschillende die- 
ventalen is overgegaan, in het algemeen in den /an van 
kameraad. Pott, in zgn beroemd werk over Die Zigeuner 
in Europa und A sien ^ vermeldt, dat gadzo \n den vorm gohd- 
sehen is doorgedrongen in de Duitsche gaunersprache, als 
»gewöhnlicher Zuruf eines Gauners an den andern"^). Dit 
begrip van kameraad, toegepast op een man tegenover eene 
vrouw, krijgt in de liederl^ke taal der vagebonden, zoo 
nauw verwant met de taal der bordeelen, eene b^zondere 
beteekenis. In de Spaansche boeven taal nl., de zoogenaamde 
germanïa, is gadzO overgegaan in den vasten vorm gaché 
(wellicht niets anders dan de oorspronkel^ke vocatief), en 
in het groote Spaansche woordenboek van Barcia, maar 
nergens anders, vond ik gaché opgegeven in den zin van 
»rufian o mancebo de prostituta*', hetzelfde wat Âvé-Lal- 
lemant, naar ik meen, bedoelt met zukälter ^), en waarom- 
trent men bij hem het noodige kan lezen ; ook hier is in 
elk geval het hoofdbegrip dat van kameraad. In veiband 
met dit gaché staat waarschijni^k gacharado, dat in een der 
Spaansche Zigeuner-vocabularia staat opgegeven als verta- 
ling van enamoradx) ^). 

Datzelfde begrip kameraad kon natuurlek ook worden 
toegepast op het vrouweLyke gadzi. Als zuiver Zigeuner- 
woord beteekent het iedere niet-Zigeunervrouw, en in het 
b^zonder de echtgenoote van een Europeaan; bg Paspati 
wordt gadjéskeri gadjï vertaald met l'épouse de l'étranger ^). 
Maar in de algemeene boeventaal kon het niet anders wor- 
den dan een naam voor de concubine van een vagebond. 
Als zoodanig meen ik dat het is overgegaan in het Neder- 
landsch en ook in het Engelsch. Hoewel dit laatste alleen 
door de Engelsche philologen afdoende kan worden beslist, 
ben ik toch door m^n onderwerp genoodzaakt er iets van 
te zeggen. 



1) Zie a. w. II, 130. 

2) A. w. 111, 1G9. 

^) Jimenez, Focabulario del dialecto jitano (2e dr), 61. 
4) A. w., bl. 236. 



( no ) 

In het welbekende Fransch-Engelsche woordenboek van 
Cotgrave, uit de 17de eeuw, komt voor een artikel Gogue- 
ndle, en hij stelt dat woord gelgk met eng. wench ; daarbij 
geeft hij als synoniemen van wench drie termen, waarvan 
het dunkt m^ mogel^k is dat z^ alle drie Zigeunertermen 
zijn. Vooreerst callet, een lastig woord, dat men tot nog 
toe niet heeft kunnen verklaren. Murray, in het groote 
Engelsche woordenboek^ erkent, dat noch uit het Engelsch, 
noch uit het Pransch, noch uit het Keltiscli, eene behoor- 
l^ke afleiding is te geven. Gallat beteekent de vrouw waar- 
mede een vagebond leeft, en een bgzonder duidelijk voor- 
beeld er van heeft men in de volgende plaats b^ Shakespeare, 
waar de vrouw van Jago zegt, hoe Desdemona door haar 
jaloerschen man werd uitgescholden {Othello IV, 2) : 

He call'd her whore : a beggar in his drink 
Could not have laid such terms upon his caltat, 

Wat de beteekenis aangaat, zou zulk een woord zeer wel 
passen in de taal der landloopers, maar wie het uit de 
Zigeunertaai wil afleiden, heeft te letten op het volgende. 
Volgens Murray komt callat het eerst voor in het begin 
der 16de eeuw, en men kan de vraag stellen, of zóó vroeg 
reeds een Zigeunerwoord in het Engelsch kon zgn overge- 
gaan. Die vraag staat in nauw verband met eene andere: 
wanneer z^n voor het eerst Zigeuners in Engeland geko- 
men ? Het antwoord daarop wordt door Crofton, een der 
grootste kenners van de Engelsche Zigeunertaai, aldus ge- 
geven : »The date of the first appearance of Gypsies in 
England is unknown" ^). Ik mag U niet lastig vallen met 
een uitvoerig verslag van hetgeen door verschillende ge- 
leerden daaromtrent is gegist, want men kan het lezen in 
bekende werken. Ieder geeft toe, dat voor het eerst in 
eene oorkonde van 1505, of zoo men wil, in eene van 
1492, de Zigeuners met een duidel^k herkenbaren naam 
worden aangeduid, t. w. in 1505 als Egyptiania en in 
1492 als Rowmais, waaronder men toch wel de Rome (s) zal 



*) Jourtial of the Oypsy Lore Society I, 5. 



( 111 ) 

mogen verstaan ^). Maar tevens wordt door ieder als mo- 
gelijk en waarschijnl^k erkend, dat Zigeuners reeds veel 
vroeger naar Engeland zullen z^u overgestoken, hetzij op 
zich zelf, hetzy in het gezelschap van andere vagebonden 
waarvan z^ niet door een afzonderleken naam werden onder« 
scheiden. Reeds vóór 1430 waren z^ gekomen in de Ne- 
derlanden, in Vlaanderen en in Frankr^k : waarom zou dat 
nomadenvolk, van nature geneigd spoedig van het eene 
land naar het andere te trekken, tot ongeveer 1500 een 
tocht naar Engeland hebben uitgesteld? Eeuwen lang 
zwierven ïij reeds door het Zuidoosten van Europa, en klei- 
nere benden, waarvan de geschiedenis niets meer weet, 
kunnen reeds vroeger dan de 1 5de eeuw de grenzen van 
Duitschland hebben overschreden. Komt nu een Engelsch 
woord het eerst voor in het begin der 1 6de eeuw, dan mag 
eene afleiding daarvan uit de romani lib niet a priori on- 
mogelgk worden genoemd ; het is vooral de vraag, of de 
woorden, die men met elkaar in verband wil brengen, zich 
wat vorm en beteekenis aangaat laten vereenigen. 

In Schotland en Engeland vonden de Zigeuners een b^- 
zonder goed onthaal. Hunne waarzeggerskunsten vielen in 
den smaak van de Engelsche groote wereld: dat ziet men 
b.v. uit eene der vertooningen, die Ben Jonson heeft ge- 
dicht onder den naam van »masques at court". Eene daar- 
van heet »A masque of the metamorphosed Gipsies", en 
daarin wordt door eenige als Zigeuners vermomde personen 
aan den koning en z^n hof de toekomst voorspeld. Een 
uit de bende zegt tot een hoogen beschermer, dat de 
Zigeuners alt^d zoo goed zij konden door dansen en zingen 
hunne erkentelgkheid hebben getoond: 

And ever at your solemn feasts and calls. 
We have been ready, with the Aegyptian brawls. 
To set Kit Callot forth in prose or rhyme, 
Or who was Cleopatra for the time ^). 



*) Zie dit laatste bij Groome, in het art. Gypsy in de Encyclopaedia 
Britannica. 

«) TTorks, ed. Gifford, Vil, 363, 



( 112 ) 

Hieruit bl^kt dus, dat er te eeniger t^d eene vrouw was, 
hier genoemd Kit Callot^ die onder de Zigeuners en hunne 
kameraden eene soort van koningin, eene Cleopatra is 
geweest. Volgens de commentatoren van Jonson is die 
vrouw ook van elders bekend, en was zg de makker van 
een befaamden landlooper, b^ name genoemd, »who. first 
took up the trade of a gipsy in this country" ^), derhalve 
een van de eersten die zich bg de Zigeuners liebben aan- 
gesloten. Of dit bericht volkomen juist is, kan ik niet 
beslissen, maar de traditie zelf schont hier den b^naam ca//o^ 
met het verblyf onder Zigeuners in verband te brengen. 
Verder zie ik dat de uitdrukking Kit callot eene spreekwoor- 
delijke vermaardheid moet hebben gehad, want reeds door 
More, in 1532, wordt gesproken van Luther »aod Cate 
calate his nunne", waarmede hier Katharina von Bora is 
bedoeld. Aangezien eene afleiding uit de taal der Zigeuners 
niet onmogel^k is vanwege den t^d waarin callet het eerst 
is aangewezen, meen ik de volgende te mogen voorstellen. 

Er bestaat een vrouwelgk substantief, dat bij de Griek- 
sche Zigeuners voorkomt als kelavdi. Dit is een participium 
van kelavdca^ het causatief van keldva^ spelen, een echt 
Indisch Zigeuner woord, dat in alle dialecten is aan te w^- 
zen. Dit kelavdU dat eigenlijk beteekent »celle qui fait 
jouer" (aldus is het vertaald by Paspati *), wordt gebruikt 
in den zin van meretrix^ concubine en derg. By de Duitsche 
Zigeuners ondergaat het in uitspraak en klemtoon eene 
kleine verandering, het hoofdaccent komt op de eerste let- 
tergreep. By Liebich, in zyn werk Die Zigeuner in ihrem 
Wesen und in ihrer Sprache (blz. 130) wordt opgegeven: 
»chellädi, die Geliebte, chellädo der Geliebte, im Sinne eines 
geheimen und nebenbei unsittlichen Verhältnisses". Alle 
Zigeuner- dialecten hebben in hooge mate den invloed onder- 
gaan van de Europeesche talen te midden waarvan zy ge- 
sproken werden, bepaaldelyk wat betreft het accent, en 
men kan gerust aannemen, dat de vorm die in Turkye 



^) Zie de noot bij de plaats uit Jonaon. 
2) Zie Miklosich, a. w. VII, 236 ea X, é24. 



( 113 ) 

luidt kelavdi, onder de Engelsche Zigeuners evengoed als bfl 
de Duitsclie den hoofdtoon heeft gekregen op de eerste let- 
tergreep. Daarbij kon van den allerlaatsten, nu toonloozen 
klinker, niet veel meer overbleven ; de dentaal kwam aan 
het einde van het woord, en kon dientengevolge al zeer licht 
van d in t overgaan ; de vocaal der tweede lettergreep moest 
eenigszins onbepaald worden door het gemis van accent. 
Më dunkt, indien het oorspronkel^ke kelavdi in de taal 
der Engelsche vagebonden is overgegaan, dan kon het niet 
heel veel anders worden dan callet. Het is daarom dat ik 
deze etymologie in overweging durf geven, waarb^ ik nog 
opmerk^ dat de oorspronkel^ke beteekenis absoluut onver- 
anderd bleef. 

Zooals ik heb gezegd, staan bij Cotgrave ter omschrgving 
van wench drie woorden. Een daarvan, callet, is wellicht een 
Zigeunerterm ; het tweedß is miuT, het derde cfiaie. Van 
het laatste vond ik nergens eene afleiding opgegeven, en 
van het andere erkent Skeat de afleiding niet te kunnen 
bepalen. Men heeft gedacht aan ndl. mmwe, ook aan fr. 
mignon, maar wanneer Othello z^ne vrouw uitscheldt voor 
lewd minos ^), dan zal dit toch wel iets anders beteekenen 
dan ma mignonne* Skeat eindigt met te zeggen : »the final 
X is difficult to account for*'- Ik wil, hoewel niet zonder 
aarzeling, die x trachten te bepalen, en wel door de volgende 
redeneering. 

Of het teeken x in minx en gixie al dan niet zgne ge- 
wone waarde heeft, zal ik in het midden laten ; ik wil 
alleen opmerken, dat in moderne woordenboeken de uit- 
spraak van het eerstgenoemde woord inderdaad wordt opge- 
geven als minks. Indien men nu wilde aannemen, dat die 
X in de beide woorden was ontstaan uit een anderen mede- 
klinker, dan zou die onderstelling het best gerechtvaardigd 
worden, indien men kon waarschijnl^k maken, dat de x in 
het eene en in het andere woord uit denzelfden medeklin- 
ker was voortgekomen. Indien men derhalve wilde onder- 



1) Othello III, 3. 

YBRSL. EN MED. AFD. LBTTEBK. 3de BEBKS DBBL XIL 8 



( 114 ) 

stellen, dat giojie in de Engeische volkstaal kon ontstaan 
uit gidzi, dan zou die gissing zeer worden gesteund, indien 
men tegelykertijd mocht gelooven dat mina: kon ontstaan 
uit mindz. En deze laatste onderstelling is zeer verleidelyk. 
Mindz is een van de allergewoonste Zigeunerwoorden, en 
wordt uit nagenoeg alle dialecten opgegeven. Het betee- 
ken t eigenlijk cunnus, een term waarvan de Zigeuners een 
zeer vrijmoedig gebruik maken ; en een dergelgk woord 
kan al zeer licht, vooral in verbinding met adjectiva, een 
gemeene naam worden voor een vrouw, derhalve hetzelfde 
als wench, waarmede het door Cotgrave wordt gel:yk gesteld. 
Wanneer Othello zijne vrouw noemt lewd minx^ dan zou 
de afleiding uit zig.* mindz eerst ten volle doen beseffen, hoe 
zwaar de arme Desdemona daardoor werd vernederd. 

Behoudens eene nadere terechtwyzing door de kenners 
van het Engelsch, durf ik deze etymologie van minx voor 
aannemelijk houden ; maar dan wordt het ook niet ondenk- 
baar gixie af te leiden uit een zuiverder vorm gidU^ en 
daarmede kom ik weer terug op gadU waarmede ik het 
durf identificeeren. Het verschil in klinker is dunkt my 
geen overwegend bezwaar: dat de oorspronkelijke a, voor 
een palatalen medeklinker staande, soms eene uitspraak 
kreeg die meer tot e of i naderde, en die hier, wellicht 
eenigszins ruw, door i wordt voorgesteld, dat is zoo onbe- 
grgpelijk niet, en waarschgnlijk was die overgang van a tot 
e reeds in verschillende Zigeunerdialecten tot stand gekomen 
nog vóór dat het woord gadU tot in Engeland was door- 
gedrongen. Die onderstelling, waarover nader, zou althans 
zeer dienstig zgn om een Nederlandschen vorm te verklaren, 
dien ik toevallig vond by v. d. Venne, in zijn Taf, v, d. 
Belach, Werelty blz. 76. Een gezelschap van boeren en 
boerinnen ontmoet een troep Zigeunervrouwen, en een der 
boeren zegt: 

Poey die Wyfs die loopen schooyen, 
En de schaamte van heur gooyen! 
Foey die Gedstn zonder Mans, 
Mit veul jonckheyt by heur enz. 



(115) 

Evenals eng. gurte is ook hier gedse een gemeenzame term 
voor liederlgke ongetrouwde vrouwen, en bepaaldelgk Zigeu- 
nèrvroawen; waarom kan niet het eene zoowel als het andere 
uit gadU ontstaan zijn? Ik wil niet verzwegen dat men 
eene andere mogelykheid zou kunnen stellen. Volgens het 
woordenboek van Grimm (IV^ 1495) bestaat er in Zuid- 
duitsche en Zwitsersche dialecten een adj gdtsch, dat /a- 
scivus beteekent, en dat een Germaansch woord schijnt te 
wezen ; doch waarom zou men een term, gevonden in de 
HoUandsche volkstaal, liever in verband brengen met een 
Zwitsersch woord dan met een zeer gewonen term van de 
Zigeuners? De Zigeuners zgn hier te lande geweest, en 
hun term gadzi kan uit de taal der landloopers in de volks- 
taal zijn gekomen, maar uit niets blykt dat de locale Zwit- 
sersche uitdrukking, vermeld bij Grimm, haar eigen gebied 
ooit heeft verlaten. 

Thans wil ik terugkeeren tot het mannelijke woord gadzo. 
Niet alleen onder de vagebonden in ruimeren zin, maar 
ook reeds bij de Zigeuners zelf kreeg het eene gewijzigde 
bet eekenis. De Zigeuners leven grootendeels van bedelarij, 
van jdiefstal, en de steler kan z^n bedr^f niet uitoefenen 
zonder den heler, hy moet verstandhouding hebben met 
personen van eene andere soort, die zonder gevaar van ont- 
dekking het gestolene kunnen bewaren. Daarvoor dienen 
op het platte land de kleine kroeghouders en boeren, die 
gewoonlgk voor de zwervende vagebonden zeer bevreesd 
zgn. De boer weet, dat de Zigeuner hem of zijn vee kan 
betooveren, en in geval van verzet misschien zyn huis zal 
in brand steken. Om zich zelf te beveiligen geeft hg den 
Zigeuner wat deze van hem verlangt, en wordt hij afgezet 
of bestolen, dan durft hij het niet by de politie aangeven, 
omdat hg bang is voor de wraak. Aldus verhaalt Liebich ^), 
die vooral van de levenswgze der Zigeuners zooveel studie 
heeft gemaakt, en Avé-Lallemant zegt iets dergelgks ^): 
»Besonders arme und isolirt wohnende Bauern wissen die 



1) A. w., blz. 79. 

2) A. w. II, 319. 



8* 



( 116 ) 

Gauner durch Versprechungen und Geschenke dahin zu 
bringen, dasz sie sich zu Depositaren gestohlener Sachen 
nur zu oft hingeben". Zulk een boer of herbergier, zulk 
een niet-Zigeuner of gadh, wordt door de Zigeuners genoemd 
zoralo gadzo, en het adj. zora/o, afgeleid van zor, kracht, 
beteekend stevig, vast, betrouwbaar. Bij verschillende autours, 
o. a. Avé- Lallemant, Bischofif en Liebich, kan men dien 
term zoralo gadzo vinden. Maar in de practyk van het 
dagelijksch leven moet men bij verkorting dikwijls alleen 
gadzo hebben gezegd. Al heeft die naam ook eene alge- 
meenere beteekenis, het is te begrijpen dat hij dikwgls werd 
toegepast op den on misbaren handlanger. In alle glossaria 
vindt men gadzo vertaald met bauer^ wirth, hausioirth^ ook 
wel bote i), dat is iets meer dan niet-Zigeuner in het alge- 
meen, daarmede moet vaak de zoodanige bedoeld zijn die 
tot de Zigeuners in eene zekere betrekking staat. 

Men ziet uit al het voorafgaande dat gadzo zich heeft 
verspreid buiten de zuivere Zigeunertaai, dat het een term 
werd voor kameraad, helper, dat is hier iemand die arge- 
looze personen in gevaar brengt van dóór landloopers te 
worden bestolen of geplunderd; ook voor roffiaan, dat is 
iemand die anderen lokt naar de plaatsen van ontucht, 
kortom voor allerlei handlangers van het boevengespuis. 
Daarmede komen vry wel overeen de gidjens en spionnen in 
het citaat uit den zeventiende-eeuwschen schrgver, hier- 
boven aangehaald, want hier zijn gemeend allerlei bedrieg- 
lijke wegwyzers die ons brengen op het pad der zonde. 

Die gelgkheid van beteekenis doet mij gelooven aan de 
identiteit van gidjen en gadzo, en het formeele bezwaar 
daartegen is, naar ik meen, niet onoverkoQielijk. Men 
heeft hier te letten op allerlei bijzondere omstandigheden. 
In verschillende Zigeunerdialecten bleef in gadzo de oor- 
spronkelyke klemtoon bewaard op de tweede syllabe, en 
tengevolge daarvan kon de a in de eerste lettergreep hare 
volle kracht niet altijd behouden, zij kon lichter den invloed 
ondergaan van de volgende palataaL Reeds heb ik er aan 



^) Dit laatste bij Miklosich, a. w. I^ 11. 



( 117.) 

herinnerd dat ook in eng. givie, dat toet zoogoed als 
zeker met yadxi identiek is, de oorspronkelijke a evenmin 
is bewaard. Voeg hierbij nog dit. In de beschaafde taal 
die geschreven wordt, en in het geschreven woord telkens 
een correctief heeft wanneer er af w^ kingen zijn in de uit- 
spraak, daar gaan de veranderingen minder vlug dan in de 
ongeschreven taal van de allerlaagste volksklasse, die, zonder 
zich eenigszins te laten dwingen, de woorden uitspreekt 
zooals haar het gemakkelykst valt. Zoo zien wy dat een 
Noord-Fransche vorm van het gewone chasser, en dichter 
staande bg ital. cacciare, in het Kederlandsch is overgegaan 
als kaatsen^ maar in de levende taal der middeleeuwen is 
ketsen ende jaghen eene gewone uitdrukking, en naast ketsen 
vindt men bij Kiliaan en bg latere auteurs ook kitsen. Ook 
hier heeft de c en daarna de ts dien overgang van a tot e 
en i veroorzaakt, maar niet zoo snel, en eene r^ke litera- 
tuur heeft de verschillende vormen in verschillende dialecten 
bewaard. Bg het Zigeunerwoord gadh moet de overgang 
wat vlugger hebben plaats gehad; een vorm met a is in 
het Nederlandsch, voor zoover ik weet, niet door de lite- 
ratuur bewaard gebleven, maar indien de vorm gedse bij 
V. d. Venne met gadzi mag worden gelijkgesteld (en ik 
meen het te mogen gelooven), dan is daarmede toch een 
voorbeeld gegeven van de e die aan de latere i moet zijn 
voorafgegaan. 

Indien nu gadzo in het Nederlandsch gidzeen daarna ^ic/se 
kan geworden z^n, dan is daarmede nog niet opgehelderd 
door welke oorzaken een woord van zoo gemeene afkomst 
later tot eer en aanzien is gestegen. Voorloopig is dit 
niet met volkomen zekerheid te zeggen, althans ik ben er 
niet toe in staat, bg gebrek aan een genoegzaam aantal 
voorbeelden uit de 17de of 16de eeuw. Maar eene der- 
gelijke overgang van beteekenis is niet vreemd, men zou 
er veel kunnen noemen die vrij wat wonderlyker zijn. My 
dunkt, dat men met eenige waarschijnlijkheid het volgende 
kan gissen. Het bleek, dat een gids aanvankelijk is geweest 
een bedrieglgke, onbetrouwbare wegwgzer, een spion van 
roovers. Hoe licht kou die ongunstige naam van gids niet 



( 118) 

Worden toegepast op de inboorlingen waarvan reizigers öü 
militairen in vreemde, gevaarl^ke streken zich moeten be- 
dienen om hun weg te knnnen vinden: immers niet zelden 
zgn zulke wegw^zers niets dan spionnen, die de vreemde- 
lingen in eene hinderlaag moeten zien te krijgen. Maar 
dat is niet altijd het geval: soms z^n dergel^ke individuen 
inderdaad betrouwbaar, en bleef de term gids dan uit ge- 
woonte ook voor de zoodanige in gebruik, dan kon de 
beteekenis langzamerhand minder ongunstig worden. Daarbij 
komt nog het volgende. In de 17^e eeuw vindt men ge- 
woonlijk leidsman^ ook wel geleider^ maar ook guide was 
niet ongebruikelijk, en dit geleek in klank al te veel op 
gids om op de beteekenis daarvan geen invloed te hebben. 
Wellicht is het voornamel^k daardoor, dat reeds in de 
17^® eeuw gids in denzelfden zin kon worden gebruikt als 
tegenwoordig. Als synonieai van guide^ en op dezelfde wgze 
als leidsman^ drong het ook door in de meer verheven taal, 
en thans is het niet te alledaagssch om in de plechtigste 
stemming te worden uitgesproken. 



AANTEEKENING. 

Boor de goedheid van den Heer Dr. J. W. Muller heb ik nog eenige 
voorbeelden van gids leeren kennen uit het laatste deel der 11^^ en uit 
het begin der 18de eeuw. In de oudste staat alleen het meervoud gidsen^ 
in het rijmwerk van C. Droste staat het enkelvoud gits, maar in een 
prozawerk van 1728 als enkelvoud de vorm gidze. 



OVER DE BIJSCHRIFTEN OP HET 
BEELDHOUWWERIÇ VAN BORO-BOEDOER. 



DOOR 



H. KERN. 



UT- II 



Nadat door de opgravingen aan den voet van den Boro- 
boedoer, 't eerst door ons correspondeerend medelid IJzerman 
ondernomen en later door de Regeering voortgezet, beeld- 
houwwerken met bijschrifben aan 't licht waren gekomen, 
heeft Dr. Brandes de hem toegankel^ke legenden gelezen 
en toegelicht, en wel zoo volledig dat ik er niets van belang 
aan zou weten toe te voegen. Doch toen zijne mededeelin- 
gen in de »Notulen van de Algemeene en Bestuursvergade- 
ringen van het Bataviaasch Genootschap" i) bekend gemaakt 
werden, was de blootlegging van de beeldhouwwerken aan 
den voet van den Boro-boedoer nog niet voltooid, en van 
hetgeen sedert 1888 aan 't licht is gebracht, heeft niemand, 
voor zoover ik weet, wat de ontdekte beschriften betreft, 
melding gemaakt. Ofschoon deze laatste in aard niet van 
de door Brandes verklaarde verschillen en dus weinig merk- 
waardigs opleveren, acht ik het toch der moeite waard de 
aandacht op die later ontdekte beschriften te vestigen, te 
meer omdat ettelgke er van mij, deels wegens de fijnheid 
van de letters, deels uit andere oorzaken, niet duidelijk zijn. 



ï) D. XXIV, 27, 28. 100—165. Vgl. Rouffaer iu XXV, 100. XXVIII, 
129 ; en IJzerman in Tijdschrift T. L. en Vk. Bat. Gen. XXXI, 261—268 ; 
Yersl. Med. Kon. Akad. Letterk. van 1887, p. 209—215, 



( 120) 

De verzameling van goed geslaagde lichtbeelden, verVaai*- 
digd door den Javaanschen photograaf Cephas, bevat de ge- 
heele reeks der basreliefs aan den voet van 't Buddhistische 
heiligdom. Een exemplaar van die verzameling, berustende 
bij 't Museum van Oudheden te Leiden, heb ik, dank zg de 
welwillendheid van ons medelid W. Pleyte, de gelegenheid 
gehad te onderzoeken, en het is de uitkomst van dat onder- 
zoek hetwelk ik thans wensch mede te deelen. 

Genoemde verzameling bestaat uit 160 platen die gebeeld- 
houwde tafereelen voorsteilen. Niet al die tafereelen zyn van 
bijschriften voorzien. Als ik goed gezien en wel geteld heb, 
zgn er slechts 38, die inscripties vertoonen; soms ontdekt 
men op een tafereel meer dan één bijschrift, en wel boven 
de verschillende vakken waarin een voorstelling verdeeld is. 

Bg de opsomming der bijschriften zal ik de rangorde der 
platen in lichtdruk volgen, doch by de legenden die reeds 
door Brandes medegedeeld zijn, het nommer der door hem 
verklaarde gedeelten vermelden. 

Alvorens in bijzonderheden te treden, moet ik de opmer- 
king maken dat de beschriften niet alle van dezelfde hand 
zijn. Ik onderscheid minstens drie verschillende handen ; 
trouwens, ook in de beelden openbaart zich een onderscheid 
in bewerking. Met het verschil van hand houdt verband 
eenig onderscheid in spelling. Zoo vindt men de spelling 
swarga op PI. 36, doch swargga PI. 33; 44; 47; 51. 
Beide spellingen waren geoorloofd en gebruikelijk reeds vóór 
Pâ^ini ^) en zijn het steeds tot heden toe, in Indië althans, 
gebleven. Suwarnawarna PI. 57 is een ander voorbeeld van 
de meer eenvoudige ; hiçaladharmma PI. 43, van de andere 
spelling. 

Het eerste bgschrift komt voor op PI. 24, boven vier 
personen die voor eene staande figuur eerbiedig de handen 
samenvoegen en opheffen. Het daarboven geschreven woord 
luidt dan ook anjali, eereblijk met de handen. 

Verder gaande ontmoeten wij op PI. 27 boven iemand 
die een geschenk komt aanbieden bij een burgerlijk gekleed, 



IJ Panini YIII, 4, 46aco rahabhySm dwe. 



( lâl ) 

Äittend persoon, een vierlettergrepig woord, flauw zictitbaai!. 
De eerste aksara lijkt m^ eene ma te wezen; de laatste is 
küy doch ik kan niet opmaken welk woord bedoeld is. 

• PI. 30 vertoont het opschrift awarga^ hemel. Men ziet 
daaronder een vorst, klaarbl^kelyk den faemelkoning Indra 
op een soort divan. Beneden op den grond zit iemand die 
op de WiijLä of Indische luit speelt. 

Op PI. 31 aanschouwt men een vorst die een lotusstengel 
bg wijze van scepter in de rechterhand houdt en op een 
door eenige geringe lieden geiorschten draagstoel gezeten is. 
Oppervlakkig l^kt het woord boven 't eerste vak yan het 
basrelief mugaradha^ doch dit is een onmogel:gk woord, zoo- 
dat ik meen dat maharaja^ koning, bedoeld is. Wat er 
verder op volgt, is zeer onduidelijk. 

PI. 33 geeft wederom eene voorstelling van den hemel, 
zooals blgkt uit het bijschrift swargga, boven een caitya of 
heiligdom. 

Op PI. 37 is niets meer zichtbaar dan de lettergreep sa. 

Het woord op PI. 39 lees ik läpyarogl^ d.i. de zieke die 
opgevroolijkt moet worden Lapya is hier m.i. het zgn. ge- 
rundief van läpayati^ te nemen in den zin dien in gewoon 
Sanskrit het samengestelde ulläpayati heeft Dat lâpayati 
in Buddhistisch Sanskrit die beteekenis kan hebben, mag 
men besluiten uit het Pâli lâpayati. vermaken, dat voorkomt 
Sutta-Nipâta p. 172; läpifi vermakende, in mäyä bälaläpini 
Samyukta-Nikaya, 111, 1431). Het basrelief stelt een zittende 
figuur voor, omgeven door eenige personen, insgelyks in 
zittende houding. 

Het opschrift van PI. 40 luidt patäka, banier, wimpel. 
Men ziet op den grond o.a. drie zittende figuren, die een 
hoogen stok met beide handen ophouden. Boven eiken 
stok vertoonen zich twee naar achteren gebogen l^nen, die, 
naar het b^schrift te oordeelen, gestyliseerde wapperende 
wimpels zullen moeten verbeelden. 



1) Vgl. ßaktrisch ra f no, verkwikking, sterking, troost, verheuging; 
ra/edhra, troost; alsook ons laven, lafenis, Obd. laba, refactio, laèon, 
reficere, recreare. 



( 122) 

Op PI. 41 zijn sporen van letters te ontdekken, maar 
zóó flauw dat ik de trekken niet vermag te onderscheiden. 
Op de volgende PI. kan ik niets anders lezen dan çarâwï^ 
schotel. Wel is waar is deze vrouwelijke vorm instede van 
çdrâioa ongewoon, doch van ettelijk» • woorden die tot dezelfde 
kategorie behooren als binda^ kumbha^ gkata^ drona^ päira 
weet men dat de vrouwelyke bijvormen kuncß^ kumbhl^ ghaiï^ 
dronl. pätrl, evenzeer in gebruik zijn. Daarenboven zgn op 
het basrelief eenige vrouwen met schotels in de hand afge- 
beeld, zoodat de juistheid der lezing in de beelden eeniger- 
mate hare bevestiging vindt. 

Boven eenige in eerbiedige houding neergezeten figuren 
op PI. 43 leest men kuçaladharmynabhâjana^ deugdzame per- 
sonen ; eigenlijk »vaten van deugzame eigenschappen ; zg 
die deugdzame eigenschappen in zich vereenigen." Op grond 
van de afbeelding mag men het woord hier met een meer- 
voud vertalen, want zooals Brandes, t.a.p. reeds heeft opge- 
merkt, zijn de woorden der bijschriften wel Sanskrit, maar 
alle aanduiding van getal en naamval ontbreekt. 

PL 44 verplaatst ons weder in den hemel, swargga. Het 
midden des tafereels wordt ingenomen door .een vorst en 
een vorstin met de armen om elkander geslagen; zonder 
tw^fel Indra en Indraai ; aan weêrszyde lager zitten twee 
vrouwen, misschien Apsarasen. 

Op basrelief 46 leest men mahâhhiksu^ edele monnik, en 
verder op: wastradäna, gift van kleeding. Het beeldhouw- 
werk beantwoordt aan de twee beschriften, want het stelt 
eenige personen voor, die eepen heremiet kleedingstof aan- 
bieden. Het woord mahabhiksu staat niet boven 't beeld van 
den heremiet, maar boven een open vak. De reden waarom 
het vak geen beelden bevat, zal wel deze wezen dat de 
geheele beschikbare ruimte door de kleine groep van in de 
handeling betrokken personen niet gevuld kon worden. 

PI. 47 geeft te lezen hhogl^ en verder op wederom swarga. 
Bë Brandes t. a. p. vindt men deze bgsohriften vermeld als 3 
en 2. Terecht geeft hy te kennen dat hhogin meer dan 
ééne beteekenis toelaat ; hier zal wel bedoeld zijn : »in 
weelde levende, genietende''. Het basrelief vertoont eea 



( 123) 

tnan en eene vrouw, die, hoezeer eenigszins en négligé^ woot^ 
name personen schijnen voor te stellen, daar zg op eene 
steenen verhevenheid gezellig onder een boom zitten. Boven 
den boom nu staat het woord sioargga. Wij hebben dus 
den Paradijsboom voor ons, en de hoofdfiguren zijn Indra 
en Indranï. 

De legende van 48 is onduidelijk ; ik verbeeld my te 
onderscheiden pathiga, voetganger. Even onzeker ben ik van 
49, waar een viorlettergrepig woord staat. De eerste 
lettergreep is nagenoeg onzichtbaar ; de drie volgende kunnen 
als grakrli of bhrakrti gelezen worden. 

PI. 50 heeft twee beschriften. Het eerste, waarvan een 
paar letters niet zeer duidelgk zyn , lees ik als mahe- 
çâkhyarâmawadhâna^ doch dit is een onmogelyk woord ; daarom 
houd ik rä voor {o\xiie{; mahecäkhyasamaawadhäna^ beteekent 
> samenkomst van aanzienlijken". Men ziet op het basrelief 
voorgesteld drie personen op een steenen rustbank tegenover 
twee andere, in gesprek gewikkeld. Op eenigen atstand 
verder rechts staat boven een klok het opschrift ghantâ, klok. 

PI. 51 vertoont opnieuw het woord swargga boven een 
Paradgsboom, waaronder eenige gevleugelde wezentjes zicht- 
baar zyn. 

Op het volgende tafereel aanschouwt men o. a. een vorst, 
in gezelschap van twee vrouwen gezeten; in de onmidde- 
lyke nabyheid staat een opgetuigde olifant, het koninklijk 
rydier. Het opschrift luidt cakrawartij wereldheerscher. 

PI. 53 vertoont een samengesteld woord, welks eerste lid 
is maheçâkhya^ aanzienlyk persoon; het tweede is onduide- 
lijk behalve de eerste letters sa en de laatste na\ na de 
derde lettergreep volgt een open plek, waar, voorzoover ik 
zien kan, nooit letters gestaan hebben. Ik denk dat bedoeld 
is mahecäkhyasamawadhäna, bijeenkomst van aanzienlijken. 
De plaat geeft ons zes voorname personen te zien, die drie 
aan drie tegenover elkander gezeten zyn. 

De lezing van PI. 54 baart ook moeielykheden. Ik kan 
er niets anders van maken dan winayadharmmakayacitta of 
^ ciüi, d. i. erkentenis van (of: achting voor) de verzameling 
fvan de boeken) der Discipline en Doctrine. Verderop, 



( l^-t ) 

tectts, zîet men eeneii heremiet gezeten op een steeneii 
rustbank onder een boom; vóór hem een zonnescherm in 
tien grond geplant, en eenige personen die blyktns het op- 
sclirifi chatradâfui, gift van een zonnescherm, den eerwaar- 
digen heer dit geschenk aangeboden hebren. Brandes t. a. p. 
vermeldt dit by seh rift als no. 1. 

PI. 55 heeft twee lettergrepen die ik lees als awa; dan 
een paar open vakken; eiiidelyk twee karakters, waarvan 
't eerste op go gelijkt ♦ n het tweede door afbrokkeling van 
den steen onleesbaar geworden is. 

De legende op PI. 56 behoort tot degenen die reeds door 
Brandes gelezen ziin, als N^ 4 en 5. Er staat mahojaska- 
samawadhäita, b^eenkomst van grootmachtigen. Het afge- 
beelde gezelschap bestaat uit vier personen, die twee aan 
twee tegenover elkander gezeten zijn. In een ander vak, 
rechts, zit iemand, naar z^n uiterlijk te oordeelen, ook van 
goeden huize, met het opschrift suswara. Gel^k Brandes 
vermeldt, draagt een zoon van Garnda dezen naam. Of nu 
de Suswara van 't basrelief denzelfden persoon moet ver- 
beelden, kunnen we zonder kennis van de voorgestelde epi- 
sode niet beslissen. De figuur is die van een mensch, 
zonder eenig kenmerk dat aan 't wezen van Garuda herin- 
nert. Dit beteekent echter weinig, dewijl de Buddhistische 
kunst het anthromorphisme der mythologische wezens veel 
verder gedreven heeft dan de Brahmanistische. 

De twee beschriften van PI. 57, namel^k Suwarnawarna, 
eigennaam van den held van een Awadâna, en caityawandana^ 
vereering van een heiligdom, zijn door Brandes, als No. 6 
en No. 7, uitvoerig toegelicht met behulp van opgaven geput 
uit Bâjendralâla Mitra's »Sanskrit Buddhist Literature of 
Nepal". Aan 't door hem medegedeelde weet ik niets anders 
toe te voegen dan dat ook in de Tibetaansche verzameling 
van 101 Jätaka als No. 37 voorkomt een Jataka getiteld 
Rgyal'po Gser-indog, d.i. Koning Goudkleur (Suwarijiawar^a), 
volgens eene opgave van Iwanofsk^ ^)- Dat de geschiedenis 



1) Zapiski Wostocnago Otdêlenija Imper. Russkago Arclieologiceskago 
Obscestwa, Vil, 289. 



( t25) 

van den braven en vromen Sawar^jiawarca, die bjna het 
slachtoffer van z^n deugd gewgrden was, zeer populair was 
big de Noordelijke Buddhisten — bij de Zuidelyke heeft 
men nog geen spror er van aangetroffen — mag men opmaken 
uit het feit dat ze waardig werd gekeurd om in de basre- 
liefs van Boro-boedoer in beeld gebracht te worden. 

Het beloop van de geschiedenis van Suwarçawarça is op 
de beeldhouwwerken moeielijk te volgen, hetgeen misschien 
een gevolg is van afwijkingen in de redacties van 't verhaal. 
Er wordt in 't door Rajendralala Mitra bekend gemaakte 
uittreksel nadruk gelegd op de groote verdienste die men 
zich verwerft door 't bezoeken en vereeren ven heiligdom- 
men, en zooals w^ gezien hebben is er op het basrelief 
dat Suwarçawarça voorstelt ook eene afbeelding van heilig- 
domvereering, caityawandana. In bedoeld uittreksel is het 
echter niet Suwarçawarça, maar zijn vader Diwâkara, die 
na een losbandig leven geleid te hebben, op raad van 
Eaçyapa den Groote ijverig heiligdommen aanbidt, de ware 
leer d.i. het Buddhisme, omhelst, en tot loon voor z^ne 
vroomheid zulk een deugdzamen zoon krijgt als Suwarijia- 
warQ.a is. Onder het opschrift caityawandana nu ontdekt 
men een caitya en in de nabgh^id eenige personen, deels 
staande deels gezeten, in aanbidding. Aangezien de ver- 
eering van heiligdommen aan de geboorte van Suwar^a- 
war^a voorafgaat, is het zeer twijfelachtig of onder de 
aanbidders ook Diwäkara voorkomt. Het verdient opmerking 
dat het afgebeelde heiligdom niet dtn Stüpavorm heeft 
van de bij uitnemendheid. Caitya genoemde heiligdommen in 
Nepal, maar hoekig is, en wel kruisvormig naar het schgnt. 
Dezelfde vorm van Caitya's komt met eenige w^ziging in 
détail ettelijke malen op de basreliefs terug. 

De hoofdvoorstelling v^n de onmiddellijk volgende PI. 58 
bestaat uit twee hermieten die vóór een op Buddha gelg- 
kenden^ op een steen en verhevenheid gezeten persoon staan 
en dezen iets aanbieden. Boven staat kuçala, goedheid, 
'zuiverheid, verdienstelgkheid. Mogelyk is de zittende figuur 
Suwar^awar^a en zgn de heremieten W^zen die hem voor- 
treffelgke zedepreuken brengen, want wg weten uit het 



( 1-20 ) 

Âwadâna dat de jonge man een waren hartstocht had Toor 
't verzamelen van schoone spreuken. 

De volgende PI. 59 verplaatst ons in eenen lusthof, waar 
wy een man en eene schoone jonge vrouvr in 't groen zien 
wandelen. Vermoedelgk is de jonge vrouw de hetaere 
Kaçîsundarï, d. i. de Schoone van Benares, die onder hare 
aanbidders eenen minister van Koning Ajataçatru, Pracanda 
geheeten, t*Aàe. Of nu het tafereel een rendez'vous tusschen 
Pracanda en Kâçïsundari verbeeldt, dan wel eene ontrnoe- 
ting van deze laatste met Suwari;iawari3La, op wien zij ver- 
liefd is geraakt en dien zy, vruchteloos, tracht te betoove- 
ren, is moeielyk uit te maken. Hoe het zij, iets verder 
naar rechts valt onze blik op een by schrift, luidende mit- 
thyädrsti, dwaalleer, by Brandes N^. 9. Daaronder zien 
we een voornaam, ofschoon niet vorstelijk persoon, die met 
twee vrouwen in een open voorhal gezeten is, terwijl bui- 
ten eene menigte lieden staan, die geschenken, waaronder 
naar het schijnt met geldstukken gevulde potten, aanbrengen. 
Hefc verband tusschen »dwaalleer'' en 't in ontvangst nemen 
van geschenken of schatten is moeieljjk te raden. 

Dezelfde moeielijkheid ondervinden wy, als we de twee 
bijschriften op de volgende PI 60 in overeenstemming trach- 
ten te brengeen met de daarbij behoorende afbeeldingen. De 
eerste inscriptie luidt byäpäda^ of wel, zooals de juiste spel- 
ling eischt, vyâpâda^ kwaadwilligheid, boosaardigheid. Ze 
is aangebracht boven een man en eene vrouw, die op een 
steenen bank in een tuin naast elkander gezeten zijn; de 
vrouw houdt haren arm om haren gezel geslagen. Iets 
verder ziet men weder een paar in een tuin wandelend»*, 
en boven hen 't woord ahhidhyâ^ begeerlijkheid. Geen van 
beide opschriften geeft ons eene aanduiding omtrent de 
afgebeelde personen, doch wij veronderstellen dat de vrouw 
Kâçïsundarî is. Het laatste vak is- onaf ge werkt, hetgeen 
meer voorkomt, een omstandigheid die den Heer W. Meijer 
by de ontgraving niet ontgaan is. In een schryven, voor- 
komende in Notulen der Bestuursvergaderingen van 't Bata- 
viaasch Genootschap, Dec. 1890 merkt hy op, »hier en daar 
is een gedeelte dat nog niet afgewerkt is". 



( 127 ) ^ 

Of de geschiedenis van Suwarçiawarija in de volgende 
basreliefs voortgezet wordt, blykt niet. Zeker is het dat 
ik geen tafereelen ontmoet heb die zouden kunnen doelen 
op de gebeurtenissen die in 't Awadana vermeld worden. 
Bijschriften entbreken tot op PI. 83, waar eenige nauwelyks 
zichtbare sporen van letters te bespeuren zgn. Even onher- 
kenbaar z^n de Ignen op PI. 105. Daarentegen is volkomen 
duidelijk het woord mahecakhyah, een of de aanzienlijke, 
boven een vorst en eene vorstin of voorname dame, op een 
hoogen steen en zetel. Oji den grond zitten eenige perso- 
nen, waaronder een gebaarde man, waarschgnlijk een here- 
miet, en staan vrouwen die een geschenk aanbieden. Ver- 
der op is een^ heiligdom, waarachter o. a. iemand staat die 
ten teeken van eerbied de samengesloten handen uitstrekt. 
Ook ziet men in de groep een man met een draagjuk, of 
zooals de Indiërs zeggen, een käca of wïwadha. Wat zich 
in de twee bakken of schalen van 't draagjuk bevindt, is 
niet te zien. 

Op PI. 152 heeft eene inscriptie gestaan die zóó door 
afbrokkeling geleden heeft, dat ik alleen de laatste letter- 
greep ka of kä onderscheiden kan Ook op PI. 158 zijn 
de letters zóó uitgewischt dat als 't begin van een woord 
slechts ka zichtbaar is. 

Het laatste bijschrift komt voor op PI. 160, en luidt 
windupa, vermoedelijk een eigennaam of bijnaam. De ety- 
mologische beteekenis is oogenschgnlyk »druppeldrinker", 
doch er zgn nog andere vertalingen mogelijk, die geen van 
alle ons verder helpen. Het bijschrift staat boven een groep 
van deels zittende, deels staande jongens. Opmerking ver- 
dient dat het woord windupa voorafgegaan en gevolgd wordt 
door twee rechtopstaande streepjes, dus door hetgeen de 
Javanen Adëg-adëg noemen. Geen der overige byschriften 
is van dit teeken voorzien. 

Het onderzoek der bijschriften, hetwelk hiermede ten 
einde is, heeft — het wordt gereedelijk erkend — slechts 
bg uitzondering iets bijgedragen tot recht verstand van 
wat het beeldwerk ons te aanschouwen geelt. In zooverre 
is onze kennis er weinig door verrijkt. Toch is de ont* 



{ 128 ) 

ekking van schrift aan den Boro-boedoer van groot belang 
geweest, omdat we daardoor in de gelegenheid zijn gesteld 
eenigermate' den tyd der stichting van 't vermaarde heilig- 
dom te bepalen. Hooren we wat Dr. Brandes ^) omtrent 
het schrift opmerkt ; » Het is nL het gewone oud- Javaansche 
schrift zooals wij het in de Kadoe en de Vorstenlanden 
ook voor de andere inscriptiën gebruikt vinden. Jonger dan 
850 (çaka-j aar telling) vindt men ze daar, voor zoover mij 
bekend ia, niet, en het lange tydvak van circa twee eeuwen 

I 

(achste en eerste helft der negende çaka-eeuw) geeft een te . 

groote speelruimte, dan dat men niet gaarne wat meer ; 

gegevens voor een nauwkeuriger tijdsbepaling zou willen 
bezitten. Dit alles is zeer waar, maar het sch:gnt m^ toe j 

dat men toch iets verder mag gaan. Wanneer men het 
schrift van de Boro-boedoer vergelgkt met dat van Cohen 
Stuart's Kawi oorkonde XI, van 800 çaka; X, van BOi; 
XIV, van 80:J ; IX, van 808 çaka ; dan is de overeenkomst 
zóó groot dat het niet vermetel lijkt de opschriften van 
ongeveer denzelfden t^d te laten dagteekenen. Alleen zou 
ik denken dat het' schrift van Boro-boedoer iets ouder is 
vooral op grond van de wijze waarop de e en o worden j 

aangeduid. By benadering zou ik als datum van de bij- 
schriften en van den onderbouw willen stellen 850 A. D. 
Aangezien de bouw van 't geheele heiligdom stellig ver- 
scheidene jaren vereischt heeft, moet het tijdstip der 
voltooiing later vallen. In de hoop dat er nieuwe gegevens 
zullen gevonden worden, geschikt om den tgd nauwkeuriger 
te bepalen, mogen we voorloopig den datum van het hei- 
ligdom stellen op ±. 900 onzer jaartelling; dus ruim 
anderhalve eeuw later dan de steeninscriptie van Tjanggal 
van çaka 1)56, waarvan het schrift veel ouder wetsch er is 
dan in de zooeven genoemde stukken en nog nagenoeg 
identisch met de gelgktydig in Zuid-Indië gebruikel^ke 
schriftsoort. 



1) Notulen Bat. Gen. XXIV, 28. 



ZSlJéJ^ 



GEWONE VEB6ADEBIX0 

DEE AFDEELING 

TAAL-, LETTER-, GESCHIEDKUNDIGE EN WIJSGEERIGE 

WETENSCHAPPEN, 

GEHODDEN DEN U^en NOVEMBER 1895. 



Tegenwoordig de beeren : kern, voorzitter, matthbs, db 

VBIKS, NABKK, VAN BONEVAL FAUKE, DB 60EJE, VAN HEBWERDBN, 
QUACK, ASSER, PLETTE, TIBLB, VAN DB SANDB BAKHÜYZEN, 
VERDAM, N. G. PIERSON, DE LOUTER, POCKEMA ANDREAB, GHANTEPIR 
PB LA SAUSSAYB, P. L. MULLER, SPEIJER, HAMAKER, SILLEM, 
KLUYVBR, BLOK, VAN DEN BERG, DE GROOT, HOLWERDA, KARSTEN, 

VAN HBLTEN, ROGGE en SPRUYT, secrctaris *, voorts de corres- 
pondent GROBNEVELDT. 



De heer S. Muller Fzn. heeft bericht gezonden de ver- 
gadering niet te kunnen bewonen. 



Het Proces- Verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en goedgekeurd. 



De Secretaris leest een brief van Dr. M. N. J. Moltzer 
te Alkmaar, waarin kennis gegeven wordt van het over- 
laden van Prof. Dr. H. E. Moltzer, lid der Akademie, en 
deelt mede dat dit schrijven door een brief van rouwbeklag 

TSA8I« BK XKD. AFD. LETTSBK. 3de RES&S DKBL XIL 9 



( 130 ) 

beantwoord is. Naar aanleiding daarvan wgdt de Voor- 
zitter eenige waardeerende woorden aan de nagedachtenis 
van het Ä^®"g medelid, dat der Akademie zoo plotseling 
ontviel en herinnert hg hoe Moltzer voor zgne vakgenoo- 
ten z^n leven lang een onvermoeid medewerker geweest is. 



De Secretaris deelt mede dat voor de boekerij zgn inge- 
komen : Mr. N. P. van den Berg »The financial and eco- 
nomical condition of Netherlands India since 1870 and the 
effect of the present currency-system". Third Edition, 1895 ; 
en Mr. N. P. van den Berg, * Levensbericht van Mr. H. 
D. Levyssohn Norman", 1895, beiden van den schr^ver ; 
en van Mr. J. Hooft Graafland te Utrecht : » Inventaris der 
boeken, handschriften enz., gelegateerd aan de stad Vlis- 
singen door Willem van der Os", Middelburgr 1891, en 
> Catalogus der tentoonstelling van boeken, handschriften, 
portretten enz., betrekking hebbende op Elisabeth Wolff, 
geb. Bekker en Agatha Deken, gehouden te Vlissingen by 
de onthulling van het gedenkteeken op 23, 24 en 25 Juli 
1884". 



De heer Verdam bespreekt daarop enkele der verschil- 
lende nieuwe handschriften en fragmenten, waardoor in de 
beide laatste jaren de kennis onzer middeleeuwsche taal is 
vermeerderd. Hij vermeldt een fragment van den »Spiegel 
Historiael", gevonden te Leuven ; een fragment, afkomstig 
van den heer Bormans te Luik, handelende over de krachten 
der edele steenen, in den trant van het 12de boek van 
Maerlant's »der Naturen Bloeme" ; een nieuwen tekst van 
Maerlant's »Wapene Martgn", gevonden te Oxford, alsmede 
een aldaar ontdekt tweede handschrift van Bukelare 's Lat^n- 
sche vertaling der drie Martgns. 

Ook handelt hg over het to^t heden zoo goed als geheel 
onbekende Haagsche handschrift van de »Pelgrimage van 
der menscheliker creaturen" uit de tweede helft der 14de 
eeuw, waaruit voor eenigen tijd een vierde tekst van het 



(131) 

gedicht »Van ons Heren wonden" door hem is uitgegeven 
Hij deelt eene proeve mede van deze vloeiende vertaling 
der oudfransche »Pèlerinage", die hg rekent tot het beste 
middelnederlandsche proza, dat wij bezitten, en die hg hoopt 
eerlang te kunnen uitgeven. 

Eindelgk vermeldt Spreker het door de beeren De Flou 
en Gailliard aan de Ylaamsche Akademie uitgebracht ver- 
slag van hun zending naar Engeland, ten einde in de 
bibliotheken aldaar berustende middelnederlandsche hand- 
schriften te leeren kennen en te beschrijven. 

Het belang van deze nieuw ontdekte of eerst nu gebruikte 
handschriften bewijst hg door de behandeling van enkele 
daarin voorkomende geheel onbekende of zeldzame middel- 
nederlandsche woorden, wier geschiedenis door hem in korte 
trekken wordt beschreven. 

Deze bgdrage, die door den Spreker op verzoek van den 
Voorzitter voor de Verslagen en Mededeelingen bestemd wordt, 
geeft aan de beeren van Heiten en Kern aanleiding tot het 
doen van enkele vragen, die de Spreker beantwoordt. 



Nadat de Voorzitter zijn hamer heeft overgedragen aan 
den heer Naber, geeft deze het woord aan den heer Kern 
tot het mededeelen eener bgdrage over het beeldhouwwerk 
van Boro-boedoer. Spreker herinnert dat de legenden bg 
het vóór 1888 opgegraven beeldhouwwerk reeds vroeger 
door Dr. Brandes besproken zgn. Van wat er na dien tgd 
zichtbaar gemaakt is heeft hg kennis kunnen nemen door 
lichtbeelden, vervaardigd door den Javaanschen photograapii 
Cephas, waarvan een exemplaar berust bg het Museum van 
Oudheden te Leiden. Hg bespreekt de verschillende legen- 
den bg het beeldhouwwerk in minder of meer leesbaren 
toestand voorkomende, merkt op dat zg niet veel bijdragen 
tot verklaring van het beeldhouwwerk zelf, maar ons wel, 
in verband met Cohen Stuart's Kawioorkohde XI, X, XIV 
en IX, in vstaat stellen uit schrift en spelling den tijd der 
vervaardiging van bet beeldhouwwerk te stellen op ongeveer 

850 A. D, 

9* 



( 132) 

Deze bijdrage, die door den heer Kern op verzoek van 
den waarnem enden Voorzitter wordt afgestaan voor de Fer- 
alagen en Mededeelingen^ geeft deu heer Groeneveldt aanlei- 
ding tot enkele opmerkingen en vragen, die de Spreker 
beantwoordt. 



Daarop herneemt de heer Kern het voorzitterschap en 
stelt den heer van Boneval Faure voor het onderwerp, dat 
hg bespreken wil, te behandelen in èene buitengewone ver- 
gadering. De heer Faure heeft daar niets tegen, maar acht 
het niet noodig die buitengewone vergadering dadelijk te 
houden, en stelt zich voor bg het Bestuur op de zaak terug 
te komen. 



Bg de nu volgende rondvraag worden door den heer 
Matthes voor de boekerg aangeboden eene Makassaarsche 
en eene Boegineesche vertaling van het boek Job; door 
den heer Naber het vgfde deel zgner uitgave van Flavius 
Josephus; door den heer de Louter zgne > Handleiding van 
het staats- en administratief recht van Ned. Indië, 4de om- 
gewerkte uitgave"; door den heer Kluyver namens Dr. W. 
Galand voor de werken der Akademie een handschrift met 
den titel: »Die altindischen Todten- und Bestattungsge- 
bräuche". Nadat de Voorzitter de beeren Kern en Speger 
benoemd heeft tot leden eener Commissie ter beoordeeling 
van dit handschrift, wordt de vergadering gesloten. 



NIEUWE AANWINSTEN VOOR DE KENNIS 
ONZER MIDDELEEÜWSCHE TAAL. 

DOOB 

J. T E R D A H. 



MM. EH.! 

Met eene weemoedige gedachte, gewgd aan denbeminne- 
l^ken man ^), aan wien zooeven door onzen Voorzitter eene 
welverdiende hulde is gebracht, aan den betreurden ambtge- 
noot, die mg mede had aangespoord om opnieuw het een en 
ander van de uitkomsten mijner studie in deze Vergadering 
mede te deelen, begin ik het U aangekondigde onderwerp« 
Wel zal ik heden niet zulke schitterende vondsten te ver- 
melden hebben als bg de beide vorige gelegenheden, toen 
ik U spreken kon van twee geheel nieuwe handschriften 
van Maerlant, van een onbekend hs. van »Die fiose", van 
eene geheel onbekende bewerking van den middeleeuwschen 
roman >Van den seven Vroeden van Romen", doch hetgeen 
ik U thans te verhalen heb, is evenmin van belang ontbloot 
voor onze letterkunde en zeker minstens even merkwaardig 
voor de mnl. taal. Om te beginnen met »]\lae riant' \ deel 
ik U mede, dat behalve een fragment van een der vele 
hss. van den Bgmbgbel^ tot onze kennis is gekomen het 
bestaan van een tot heden onbekend fragment van den 
Spiegel Historiael, bestaande uit twee folio-bladen en berus- 
tende in de Universiteits-Bibliotheek te Leuven, waar ze 
door den Heer J. H. W. Goossens, voor eenige jaren hulp- 
bibliothecaris aldaar, als schutbladen zgn gevonden. Het 
hs. bevat drie kolommen van 61 regels per bladzgde, en 



1) H. E. Moltzer, f 25 Oct. 1895. 



( 134 ) 

moet dus een ander geweest zyn dan het handschrift of 
de handschriften, waarvan fragmenten onder de letters D. 
en P. zgn gebruikt in de uitgave van De Vries, van 48 en 
50 regels per kolom (zie Inl. XCII vlg.), doch het is niet 
onbelangrijk te weten, dat er nog een Maerlant-handschrift 
bestaan heeft met drie kolommen op de bladzgde, welk 
formaat voor mnl. hss. zeldzaam is. De beide perkament- 
bladen, die mg door de welwillende tusschenkomst van den 
Heer A. Geurts, te Rolduc, Doctorandus in de Nederland- 
sche Letteren, zijn toegezonden, bevatten twee gedeelten 
uit de Eerste Partie, en wel van boek I, hoofdstuk 36, 
VS. 33 tot cap. 43, vs. 16, en van boek II, cap. 25, vs. 
11 tot cap. 32, vs. 9. Enkele kleinere gedeelten daarvan 
zgn weggesneden of onleesbaar, en de afwgkingen van het 
teksthandschrift zgn talrgk, doch voor het grootste gedeelte 
van ondergeschikt belang, nl. slechts graphische verschillen. 
Er zou dan ook al een buitengewoon voortreffelgk en nauw* 
keurig hs. moeten worden gevonden, indien wg na hetgeen 
reeds door het Brusselsche en Leidsche hs. is aan het licht 
gebracht, daaruit nog veel nieuws zouden leeren. Op een 
paar punten alleen vestig ik Uwe aandacht. Sp. P, 41, 
36 wordt van Cham, die voor den uitvinder der sterren- 
wichelarij werd gehouden, op voorgang van Clemens gezegd : 

Ooc haddi enen duvel primaeU 

Het klinkt wel eenigszins zonderling, dat hier aan een 
boozen geest dit praedicaat wordt toegekend, hetwelk ge- 
woonlijk alleen gegeven wordt aan hoogwaardigheidbeklee- 
ders der kerk, doch men vat het woord slechts op als aart' 
zienKjk, voornaam, aarts^, en in die beteekenis kan men 
vrede hebben met het woord, hoewel het overigens uit het 
Mnl. niet is opgeteekend. Doch veel beter en minder ge- 
dwongen is de lezing van het Leuvensche fragment, welke 
ook die van B. en L. is, nl. >enen duvel privaet*\ d. i. 
een eigen boozen geest. Het is de door Maerlant niet onge- 
schikt gekozen term, dienende ter vertaling der woorden van 
Vincentius : >ab ipso demone, quem importunus frequentabat". 

Ook op eene andere plaats bevat het fragment eene lezing, 



( 135 ) 

veel beier dan van het tekst-hs., en hier is het het eenige 
bekende handschrift, dat de juiste lezing heefb bewaard : 
ook L. en zelfs het voortreffel^ke Brusselsche zgn hier 
bedorven. De passage betreft den dood yah Semiramis, 
die zooals naar Jastinus wordt medegedeeld, door haar eigen 
zoon is omgebracht ; bg Vine. : »Semiramis, cura filii 
concubitum petisset, ab eodem interfecta est " In het ths. 
staat juist het tegendeel, nl. »dat soe haren sone sint 
sloech te doot", en de uitgevers van den Sp. zouden zeker 
hunne opmerking, dat Maerlant hier niet juist heeft ver- 
taald, niet hebben teruggenomen, indien zy hadden kunnen 
kennis maken met de lezing van B. »dat si hare sonen 
sloech doot*', en van L. »dat si hair sone sloech te doot*\ 
En toch lag de schuld niet bg Maerlant, maar bij de 
afschr^vers, zooals reeds Franck meende, die voorstelde te 
lezen »datse haer sone sint sloech te doot," en zooals nu 
zonneklaar wordt in het licht gesteld door het nieuwe frag- 
ment, waarin werkel^k deze juiste lezing wordt aangetroffen. 

In de tweede plaats vermeld ik een nieuw hs. der drie 
Mart^ns^ gevonden in de Bodleiaansche Bibliotheek te Oxford 
door Dr. ß. Priebsch, naar ik meen vanwege de Oosten- 
rijksche regeering belast met eene zending naar Engeland 
tot het opsporen en beschreven van Duitsche handschriften 
in de bibliotheken van Engeland. Dat de Heer Priebsch 
van z^n onderzoek het Middelnederlandsch niet uitsluit, is 
ons reeds uit enkele mededeelingen in het Tydschrift ge- 
bleken. Met de meeste bereidwilligheid heeft h^ my op myn 
verzoek de collatie van het Oxfordsche hs. toegezonden, welke 
dienst zal doen voor de nieuwe uitgave van Maerlant's 
Strophische Gedichten, die zal worden bewerkt door ons 
buitenlandsch medelid Joh. Franck te Bonn en mij. In het- 
zelfde hs. bevindt zich ook een exemplaar der middeleeuwsche 
Latgnsche vertaling van Maerlant's Martijns door Bukelare, 
waarvan tot heden slechts één hs. bekend was, nl. het 
Bergensche, volgens hetwelk de tekst door Serrure in zijn 
Vaderl. Museum, dl. 1, bl. 116 vlgg., is uitgegeven. 

Voor de critiek der overige strophische gedichten" is van 
belang de ontdekking van het origineel d^r 17 eerste stro* 



( 136) 

phen van Maerlant's »Disputacie van Onser Vrouwen ende 
van den Heiligen Cruce'*, door Franck, in een Latgnsch 
gedicht, gedrukt in Paul Meyer's uitgave van Daurel et 
Beton, bl. LXXV. Ook daarvan zal bfl de zooeven ge- 
noemde nieuwe uitgave der Strophische Gedichten worden 
gebruik gemaakt: slechts één punt wil ik naar aanleiding 
hiervan nog ter sprake brengen, en wel dit, dat hier alweder 
op eene plaats, zooals zoo vaak geschiedt, de hss. worden 
in het gelgk gesteld tegenover de critiek. In vs. 17 vlgg. 
heeft het eene hs. (C) : 

Die vrucht die ie droech, maget vri, 
Wats dat si Âdame sculdich si, 

Dien de viant verdoorde? 
Mijns reinen lichamen vrucht, o wi! 
Ne soude an di niet hangen bedi, 

Wanten noit sonde becoorde ; 

terwijl het andere (A) in den tweeden regel heeft: 
Wat so Adame sculdich si. 

Verwigs veranderde tegen het gezag der beide hss. den 
datief A dame in Adaem^ op grond dat volgens de lezing 
van A de nomhiatief bedoeld wordt, en de zin deze zou 
zijn : »wat ook Adam schuldig zy enz." 

Nu w^ den Latgnsehen tekst kennen, die aldus luidt: 

Fructus quem virgo peperi, 
Non debet ^) Ade veteri, 
Fructum gustanti vetitum; 
Intacti fructus uteri 
Tuus non debet fieri. 
Guipe non habens meritum, 

bl^kt, dat de datief juist, de leziug van G de ware, en de 
zin deze is: >de vrucht die ik als maagd ter wereld heb 



*) Paul Meyer teekent hierbij aan: »Ce vers ne parait pas donner un 
1^0218 clair ^ peut'être faut-il corriger non en niL 



( 137 ) 

gebracht, wat is het dat die schuldig is aan Adam, waarom 
moet die boeten voor Adam, die zich door den duivel liet 
verlokken?" 

Ten overvloede herinner ik aan een vierden tekst van 
een der andere aan Maerlant toegeschreven strophische 
gedichten, nl. Van den vijf Wonden^ door mg gevonden in 
het Haagsche perkamenten Hs. van de »Pelgrimage van der 
menscheliker creaturen", en in het Tgdschrift voor Taai- 
en Letterkunde uiig^even. Ik behoef daarover dus hier niet 
uit te weiden, doch vermeld alleen dit, dat in hetzelfde hs. 
nog verschillende andere tot heden onbekende gedichten 
staan, waarvan ik het belangrijkste als b^lage hier achter 
zal doen afdrukken. 

Het is een argument, d. i. argumentatie of woordenwis- 
seling, tusschen Nederigheid en Wereldsche Eer, tusschen 
E^kdom en Armoede, en tusschen Zingeuot en Onthouding, 
van welke allegorische personen natuurlgk z^ die de deugd 
voorstaan en vertegenwoordigen, het winnen. Zonder nu 
juist schitterend van dictie of compositie te zgn, laat het 
gedicht zich met genoegen lezen : het is niet minder dan 
de meeste andere moralistisch-didactische gedichten, en ook 
voor de taal niet zonder belang. Met een enkel voorbeeld 
wil ik u dit bewijzen. In vs. 357 vlgg. lezen wg: 

Armoede, ghi moet u {naar het schijnt steeds) onderwinden 
Van voren te spinkene, dies heb ie spgt; 

Nochtan en soudemen niet mogen vinden 
Onweerder meersen ^) dan ghi sgt. 

Het in deze regels voorkomende spinken wordt hier voor 
het eerst aangetroffen. De beteekenis kan geene andere 
zign dan die van dansen of springen. Rgcdom verwgt nl. 
aan Armoede, dat zg zich altgd op den voorgrond stelt, 
altigd den voorrang wil hebben of de eerste viool wil spe- 
len, hoewel zg door haar stand en haar onwaardig uiter- 
Igk daarop volstrekt geen aanspraak mag maken. Dit denk- 



^) D. i. eig. kooptcctar {koopwaren), hier gebruikt in den zin van voor* 
iMTp, De eig. bet. blijkt nog uit het bnw. onifferf, d. i. ff een cent waard, 



(m) 

beeld nu kan zeer goed door het begrip voordamen worien 
uitgedrukt. En werkelgk geven de verwanten in de andere 
germ, dialecten ons het recht, deze beteekenis voor het tot 
heden onbekende woord aan te nemen. Vgl. vooreerst mnd. 
spenkeren^ dat zoowel transitief voorkomt in den zin van 
»wegjagen, vertreiben, antreiben zum laufen", als intr. in 
de bet. »von einem ort lustig zum anderen laufen", vooral 
van kinderen gezegd; ^wegspenkem^ utspenkern bedeuten auch: 
aus lust weglaufen, aus kurzweil fortlaufen*' (Lubben 4, 317). 
Het oostfri. spenkeleriy spenkem staat bg Koolman (3, 272) 
opgeteekend in soortgel^'ke beteekenissen, nl. »umherfliegen, 
umherspringen, sich unruhig und lärmend bewegen, muth- 
willig umherrennen". Wij mogen dus op grond van deze 
getuigenissen met volle gerustheid een ww. spinken met de 
boven opgegeven beteekenis springen, dansen^ in onzen middel- 
eeuwscheu taalschat opnemen. In de tgw. germaansche 
dialecten is het woord, zoover m^ bekend is, alleen over- 
gebleven 'in het Zaansch, doch in eene beteekenis, die, gel^k 
w^ zien zullen, voor de identiteit van mnl. spinken met de 
genoemde ndd. werkwoorden een niet verwerpelgk bewgs 
levert. In het Zaansch is spinken volgens eene médedeeling 
van den Heer Boekenoogen uit het door hem bewerkt wor- 
dende Zaanlandsch Idioticon, in gebruik van kleuren en kleu- 
rige stoffen, in den zin van »sterk in het oog vallen, het 
oog tot zich trekken, afsteken", b.v. »wat spinkt die rooie 
strik! Een spinkende japon. Je moete niet zuk helder lint 
op die hoed zetten, dat spinkt te veel". Ook kent men in 
hetzelfde dialect afspinken, in den zin van (elders in N.-HolL) 
afspeuren y d. i. afsteke?}, en spinkerig, d i. opzichtig ^ speurig (in 
N.-HoU. dial.), door schelle kleuren het oog tot zich trekkende. Met 
deze bet. is te vergeleken het ofri. spinkeln, d. i. weisse oder 
farbige, abstechende flecken, tüpfelchen und püsktchen haben, 
gefleckt oder gesprenkelt sein, buntfarbich schillern {een 
veelkleurigen weerschijn hebbeny\ b.v. »dat god spinkeld, wen 
man 't in de sünne, in 't lecht hold". Wy kunnen dus 
voor ndd. spinkeln, zaansch spinken eene transitieve opvat- 
ting aannemen, overeenkomende met ndl. spikkelen, intr. 
gespikkeld zijn, honte of anderkleurige vlekken vertoonen, een 



( m ) 

bonten weeracJnjn hebben^ afsteken. Vergeleken w^ na tet 
boven reeds genoemde ndd. (ofri.) spenkeUn of spenkem^ 
dat natuurlek eng verwant, zoo niet identiRcli, is met spin' 
kein, dan merken wij op, dat dit, behalve de boven reeds 
genoemde opvattingen, ook de volgende, door Koolman ver- 
melde, kent: spritzen^ sprühen^ umherspritzen^ d. i. springen, 
uitspatten, in bet rond spatten, b.v. van vonken en regen- 
droppen, en komen alzoo tot de slotsom, dat een woord in 
het eene dialect zeer goed de bet. springen hebben kan van 
een levend wezen gezegd (wellicht past nog beter in de 
boven medegedeelde verzen de bet. uitspatten, of is zg er 
althans mede te vergeleken), en in het andere do causa- 
tieve opvatting van in het rond spatten, d. i. sprenkeleti of 
ook spikkelen, welke beteekenissen ook andere woorden in 
zich vereenigen. Zie vooral De Jager, Freq. op sparkelen, 
sprankelen en sprengelen, waar men allerlei bouwstof zal 
vinden, waarmede men het hier gezegde kan aanvullen. De 
vraag, in hoeverre spinken verwant is met springen, moet 
op deze w^ze worden beantwoord, dat men naast den stam 
spring, waarnaast sprink staat (in sprenkelen, eng sprinkle 
enz., nld. sprank), een stam sping moet aannemen, met een 
bgvorm spink. Dergelgke stammen met en zonder r komen 
in het Germaansch meermalen naast elkander voor: ik her- 
inner U aan eng. speak en speech, mnl. dial, speken, naast 
spreken en spraak, en aan wrecken, verwrecken^ opwrecketi, 
herhaaldelijk voorkomende mnl. bg vormen van wecken, ver» 
wecken, opwecken. 

Doch vooral belangrijk zoowel uit een letter- als uit 
een taalkundig oogpunt is de tekst der Pelgrimage zelve. 
Het is weliswaar eene vertaling in proza óf van het 
Fransche gedicht »Le pèlerinage de la vie humaine" 
(waarvan een hs. berust op de TJniversiteits-Bibliotheek te 
Leiden), of van eene daarvan reeds in het Ofra. bestaande 
prozabewerking, doch deze vertaling is zoo vloeiend ge* 
schreven en bevat zoovele levendige passages en onderhou- 
dende gesprekken, dat ik voor mg haar onder het beste proza 
reken, hetwelk ons uit de Middeleeuwen is overgebleven. 
Het verwondert mg, dat dit hs. niet vroeger de aandacht 



(Uô) 

heeft getrokken, b.v. van Verwgs, dïe toch den tekst B 
der Martijns daaruit heeft overgeschreven voor z^n acade- 
misch proefschrift, en hoogst waarsch^nlgk ook gecol- 
lationneerd voor zgne »Strophische Gedichten". Hoe het 
z^, thans is ook het handschrift en de waarde er van 
bekend, en reeds wordt er een afschrift van gemaakt, het- 
welk ik van plan ben, zoo spoedig ik den t^d voor de 
verdere bewerking vinden kan, door den druk tot gemeen 
goed te maken. De tekst bevat eene zeer uitvoerige be- 
schr^ving der gevaren, die den mensch, den pelgrim op 
aarde, en zgne gelukzaligheid bedreigen; deze gevaren 
worden zinnebeeldig voorgesteld door verschillende allego- 
rische personen, waaronder de hoofdzonden, en ten slotte 
alle zegevierend door den pelgrim doorstaan met behulp 
van een ander eveneens allegorisch persoon, doch den pel- 
grim genegen, nl. de gracie of genade Gods. De dichter, 
Guillaume de Deguilleville, zoon van Thomas de Deguille- 
ville, of gelgk het in de mnl. vertaling (ƒ. 52c) luidt, van 
Guillen ville, wiens werk van 1331 dagteekent ^), deelt ons 
aan den aanvang van z^n dichtwerk mede, dat h^ op het 
denkbeeld gekomen is om zijne allegorie te beschreven op 
de wyze van een droom of visioen, door de lezing van »Ie 
biau roumans de la Bose", en het is goed dat hg dit mede- 
deelt, want zonder zyne eigene verklaring zouden wij zeker 
niet op het denkbeeld gekomen zgn om verband te zoeken 
tusschen den wulpschen roman van Jean de Meung en de 
moralizeerende allegorie van den monnik van Chalis ^). 



1) Zie Paulin Paris, Les Manuscrits françois 3, 239 vlgg. 

2) Vgl. de aan t. bij Paulin Paris, t. a. p. bl. 241 : #cy commence le 
pèlerinage de humain voyage de vie humaine, qui est exposé sus le romans 
de la Rose"; eld. bl. 242 : 

En veillant avoye léu, 

Considéré et bien véu 

Le biau roumans de la Rose. 

Bien croy (/. croye) que ce fu la chose. 

Qui plus m'esmut ad ce songier. 

Que ci après vous vueil nontier, 

en in de mnl. vertaling R I: die weicke boeck maecte een heilich vader, 
die monic was in çen çlooster diemen heet Ghaalu (d. i. de abdij Ch&lis) 



(141 ) 

Indien de mnl. tekst is vertaald uit het Fransche dichtwerk, 
hetgeen volstrekt niet onwaarschijnlijk is, dan is dit een 
zeer te waardeeren bewijs van zelfkennis van den onbeken- 
den vertaler, die zich niet aan eene poëtische bewerking 
heeft gewaagd, maar aan het eenvoudiger proza de voorkeur 
heeft gegeven« Dat hy het in de poëzie niet veel verder 
zou gebracht hebben dan de Fransche dichter volgens Pau- 
lin Paris ^), bewgst een vers aan de Moedermaagd, f^. 
104:0 — 106^2, waaruit allesbehalve dichterl^ke aanleg bl^kt. 
Doch dat hy, waarschijnlgk zonder dat h^ het zelf wist, 
een niet onverdienstel^k proza schreef, zal blijken uit de 
volgende bladzgde, welke ik als proeve mededeel, waar de 
pelgrim zgne ontmoeting beschr^ft met Gierigheid, die van 
een bovenmenschel^k aantal handen is voorzien. Naar de 
werkzaamheid van eene dier handen door den pelgrim onder- 
vraagd, antwoordt zg ( ƒ. 92d) : > Weet ^) dat si is geheten 
verraet ( ƒ. 93a), loosheit ende duertructe scalcheit, want al 
bedriech is in haer besloten, overmits dat si haer pinicht 
alle diegene te bedriegen die sgn simpel ende sonder mali- 
cie, of diegene die in haerre comanscap maken soude ende 
bedriveu lose trecken in valschen gewichten, in valschen 
maten, in ton trekene; ende alsi vercopen, so willen s^t 
meten mit eenre cleynre eilen, ende alsgt copen, so willen 



ende seide aldus in sine proIoge, dat hi ghelesen hadde ende ghesien den 
edelen waerdighen boock van der Koze, ende hi waende wel dat daer- 
omme toockisoen was (daarin de aanleiding lag), dat hi droomde in een 
visioen^ dat hem nachts quam np sijn bedde daer hl lach ende sliep". 

1) Vgl. t. a. p. 3, 242, waar de uitgever zegt: #ce qui le décida sur- 
tout à retoucher son poëme, fut le désir d'y ajouter de nouveaux mor- 
ceaux, comme si 35000 vers n'eussent pas suffi pour apaiser sa fureur 
poétique". 

^ In den Franschen tekst luidt de passage aldus (ƒ. 66^): 

Trecherie, tricot, hnsart Et selonc'ce acheté ou vent 

Est appelle et decevance De chascun use doublement: 

Qui de tricher tousiours savanoe A la graut ausne mesurer 

Cens qui sont simplice et sans malice, Veut ce que elle veut acheter. 

Ou qui de marchander sont nice Et ce que elle vendre veut 

De faus pois et de fausse mesure A la mendre mesurer seut. 

Et fausses balances use, Tout ainsi des balances fait 



(142) 

sgi meten mitter groter ellen. Ende deser gelyc doet si 
mitten gewichte, want si can daermede wel doen wisselinge. 
Of en doet s^'t niet also, so helpt si hem mitten dumekine 
ende tillet neder lichtelike ; nadat si ontfaet of levert, daer 
na point sijt, want seker, si en mat noit te pointe noch si 
en woech noit mit gerechten gewichte. Ende alsulc dine 
heefk God in groter onweerden, bi dat ie in Proyerbiën vinde 
bescreven ; want God haet die gene die onnoyalike leven. 
Dese hant pleecht ooc te studeren om nuwe vonden te vin- 
den ende om scalcheide te ondergrondene. Want si can 
berde wel maken vercieren of (l. of vercieren) gordinen 
daermen lakine vercoopt om dies dat die verwe te scoonre 
soade schinen in de donker lucht. Ende ie segge dat si 
herde wel can togen goede ( ƒ. 936) penwaerden ende berde 
fine verwe, alsi vercoopt. Ende als sise levert, so heeft si 
te handen van suiker verwen ende doetse den coopman ont- 
fangen, mer als hise thuus heefb, dan is hi bedrogen, want 
hi en vint niet dat hi waent vinden. — Noch doet si veel 
meer, want in anderen tiden van den jare so draecht si in 
ander laude valsche reliquiën ende toochtse den simpelen 
luden om valschelic ghelt te crigen, ende si seit hem toe, 
dattet s^n heilige reliquiën ende warachtige perdoenen, ende 
van al dat si seit so liecht si valscheliken ... Op anderen 
tiden can si ooc in de kerke wel gaen ende nemen som- 



Et du pois que eus elle met, 
Quar bien set faire changement 
Selonc ce que elle baille ou prent. 
Onques a point ne mesura 
Ne a iuste pois ne pesa. 
Telle chose fait a Dieu despit: 
En Proverbes le truis escript. 
Geste main est estenderesse 
De courtines et faiserresse. 
Elle fait aus drapiers courtines, 
Four ce que les couleurs plus fines 
Des draps resemblent a la gent. 
Et si te di que bien souvent 
Elle monstre boues denrées, 
yiGQ quant après sont achetées, 

{hs, achettes); 



Elle a autres de tel couleur 
Que elle délivre a lacheteur. 
Moult fait ceste main ci de maus: 
Une fais con ootonne chevaus 
Et fait les mauvais bons sembler 
A cens qui veulent achater. 
Une autre fois par le païs 
Eaus saintuaires et faintis 
Forte et monstre a la simple gent. 
Pour fausement avoir argent. 
Lautre fois prent en ces monstiers 
Aucuns ymages qui sont vies. 
Et leur fait pertuis en la teste 
Pour faire gaignier le prestre. 
Es pertuis qua fait, huile met, 
Ou eaue ou vin, ce qua plus prest, 



( 1^8 ) 

mige vermoste beelden ende draechtse thuus, offer niet aen 
belanc en waer, ende gaet daer in boren vele gaten ende 
daarna gfaiet hi daerin olye, wgn of water, omdat die liquoer 
doersinken soude, ende dan draecbt bijt weder in die kerke 
ende settet daert stont, ende dan coemt hi mitten pape ende 
toocht hem dat beeide, boet staet ende zweet. Ende dan 
gaen si die docken luden ende beyeren ; so coemt dan tvolc 
gelopen mit groten nerenste ende brengen gelt om dat scone 
mirakel te siene (ƒ. 93c). Ende dit bedrflft de haut de 
welke biet moeder van aire loosheyden. Ende si geeft wt 
Yoor alt vole, dat vele mirakelen doet. Ende om dies dat 
die mirakelen te bet s^n bewimpelt ende te meer vemaemt, 
so ga ie die cockinen spreken ende de truwanteü, ende doe 
kern luden gebaren ende gelaten of si crepel waren ende 
verminet, doof ende stom. Ende hiertoe vermiede ie se om 
cleyne dinc, ende dan doe icse comen voor de beeide, ste- 
nende ende carmende ende roepende : >0 heilige, weerde, 
mogende heelde, geneest mi! Want naest Gode so heb ie 
troost ende hope an u". Ende mit dat si aldus leggen 
ende roepen, so ga icse opheffen mit m^nre bant al ge- 
sont, ende zeker ten is geen wonder, want si waren te voren 
al gesont, sonder hierin allene, dat si mine siechede had- 
den, mer de lüde en wistens niet, ende daerom achten sijt 
voor grote scone warachtige miraculen. Ende bi dustanigen 
acketten so doe ie den papen winnen grote hopen van ghelde. 
Ende alst dus is geschiet, so doe icker of maken enenval- 



Mn que quant celle liqueur Et adouc de ma maiu les lieve. 

Descent aval, dite sueur Et tous garis en heure brieve 

Soit, et que de faire miracle Les monstre: merveilles niest mie: 

«Soit renommé le vies ymage. Mal navoient ne maladie, 

Et afin que plus coulouré Tant seulement mon mal avoient, 

Soit le miracle et renommé, Mes la gent pas ne le cuidoient. 

Jen men vois aus quoquins parler II le reputent a miracle 

Et leur fas faire similier. Et dient que ce fait lymage; 

Que boistens soient ou contrais. Et puis ainsi gaignie le prestre 

Sours ou mues ou contrefais. Et fait on une fausse feste. 

Et en tel point venir les fas Mains autres maus a la main fait 

Devant lymage écrier: #Las ! Et tous les jours encore fait 

Sains y mages, garissies moy! Mais je ne ten dirai plus orç 

Apres Dieu ay en vous grant foy." 



( l^M 

sehen misdach. Dese hant heeft gedaen menich quaet ende 
noch doet si genoech, want si doet noch meer ( ƒ. 9Sd) 
valscheyden, die hier te lanc waren te vertrecken". 

Is dos uit een letterkundig oogpunt de Pelgrimage niet 
zonder belang, nog veel belangrgker is de tekst voor de taal. 
Tal van nieuwe of weinig bekende woorden heb ik er voor 
m^n woordenboek uit opgedolven, waarvan ik u ook weder 
één voorbeeld geven zal. Meermalen komt in den genoemden 
tekst voor het znw. wime^ in de bet. teen^ i'^ijg î zoo b.v. 
119 rf: »die cleyne wimen daer dese hoepen mede gebonden 
sgn'*; »dat dese hoepen daer niet toe en dienen, ten waer 
datse die wimen bilden vaste gebonden'* ; »daer syn noch 
berde vele goeder banden die geen noot en hebben van 
nieuwen wimen om mede te verbinden", en zoo nog op an- 
dere plaatsen. Het woord komt behalve in sommige wdbb. 
slechts enkele malen bij mnl. schrgvers voor ; b.v. bg Ruusbr. 
1, 8 : »alsoo alse Moyses dat bloet des testaments ontfinc 
in vate van wimen, alsoo he vet Christus s^n bloet ghedaen 
in vate van wimen^ die niet onthouden en moghen, want hi 
wilt dat s^n bloet altoos vloeie" (waar Surius het vertaalt 
door vasia vimineis), en aid. 9, waar het van wime gevormde 
bnw. wimijn, wim^n voorkomt, in de bet. teenen, in de uitdr. 
wimene vate. Verder is het nog slechts gevonden in de ver- 
taling van Boëth. bl. 120c: dat Dyonisius onder hem (Damocles) 
eenen diepen put dede maken, met wijmen ende met graze 
beleit, daerna een zwaerd boven zgnen hoofde hangen." 
Deze zelfde opvatting wordt aan het woord toegekend in 
een Gloss, ßam., uitgegeven door Gilliodts-Van Severen, in 
dl. 9 van de »Bulletins de la Commission royale d'histoire 
de Belgique", bl. 8, waar het wordt weergegeven door «eïer, 
hetwelk bg Diefenb. vertaald wordt door »wyde, wasser- 
weid, tzwych, weyde ^), weinrebenpandt, rebsteck, winepole 
en wingartstock"; b^ Bal., die het woord mjme vertaalt 
door »pumila salix" (wilgentakje), »viminale, vimen" (teen^ 



1) Vgl. mnl. (vooral oostelijk) wede, dat eveneens teen, twijg beteekent, 
en nog heden in Geldersche tongvallen bekend is in den vorm wee, b.v. 
in de samenstelling weemes (o. a. te Hummelo), 



( 145 ) 

twijg) \ »Salix viminalis*' {wilg waarvan temen worden gewond 
nen}; »locus viminalis" (plaats waar wilgenrijs groeit) en 
»transenna viminea" {vlecht' of rasierwerk van teenen). Men 
ziet uit al deze opvattingen, door Kiliaen opgeteekend, hoe 
gewoon het woord in het vroegere Ndl. moet geweest zijn : 
het kan niet anders dan welkom wezen, dat dit vermoeden 
door de schrijvers wordt bevestigd. Vgl. De Bo op wieme j 
d. i. wisse, en wijme^ d. i. twijg van wiedouw of van wilge^ 
unsse, teen, lat. vimen, fra. scion d^ osier oudesaule^*; wijmen^ 
van wgme, fra. d^ osier ; » een wijmen zweepsteel ; als sy hem 
gheraeckt hadde met een wijmen wisse". Ook in Noord- 
nederlandsche tongvallen is het woord bekend geweest, blykens 
het nog heden bestaande wieme^ d. i. »rookhok, deel van 
een schoorsteen bestemd om er vleesch in te rooken, plaats 
aan den zolder waar het gerookte vleesch hangt". Kil. 
»w ieme, wimme, Sax. Fris. Sicamb. (d. i. oostelyk noord- 
ndl.) fumarium, locus ubi carnes suspensae fumo durantur 
et conservantur, camarium." In dezen zin komt wimme 
reeds voor Rein, II, 6474: 

»hi aet liever dat hi saghe in der wimmen, 
dan hi dronke een aem w^ns." 



Oogenschijnlyk is de hier aan het woord eigene betee- 
kenis moeilyk met de boven genoemde overeen te brengen, 
doch mnd. wime b^ Lubben, en het uit het Ndd. overge- 
nomen hd. wiemen beteekenen eigenlyk latwerk. Vgl. de 
omschrgving bij Lubben ; »latten oder Stangengerüst {höner- 
vrimer, sitzstange für hühner), bes. in der küche oder im 
Schornstein, um den fleischvorrath daran aufzuhängen und zu 
bewahren, carpago, vleschwirae, suspensiva, wime" (uit Vocab. 
Engelhus, 1445), en de aid. genoemde voorbeelden: »des 
morgens do he sach an den wimen, missed e he veere siden 
Speckes"; »ein geslachtet vet swîn, wor dat hangede an eineme 
wirne^', se nemen er vlesch unde speck van den wijnen'\ en 
bg Kluge: i^wiemen, stab zum anhängen des zu räuchernden 
Fleisches über der Esse." Het woord, dat bij Franck niet 
wordt opgegeven en bij VercouUie vermeld staat als van 
onbekenden oorsprong, is ongetwijfeld hoogerop verwant aan 

TESSL. fiZr UED. AFD. LBTTSRK, 3<^e SB£KS. DEBL XJL 10 



( U6 ) 

lat. vimen^ dat met lat. vitis en verschillende andere woor- 
den, o.a. gri. Fitéa, behoort bg den stam wi, binden, vlechten, 
waarvan in het Germaansch afkomt weide in de bet. wilg 
en vrilgetak, teen. 

Iets minder nauw tot Maerlant in betrekking staande, 
doch althans ons aan hem herinnerend, is een ander tot heden 
onbekend fragment van 346 verzen, eene beschrijving be- 
vattende van de kracht van verschillende edele steenen, in 
den trant der ons bekende in het XII^^ boek van Maer- 
lant's Naturen Bloeme. Het fragment, thans in het bezit 
van den Heer van Berkum te N^megen, is afkomstig van 
den Heer Dr. Stanislas Bormans te Luik^ en geeft achter- 
eenvolgens de beschr^ving van den adamas, albeston (Nat. 
BI, abeston), amantosj allectorius, abscinctus, albandina, an^ 
dromada (Nat. B. andranianda), berillus, en op het tweede blad 
van den crisolitua, draconiiades, dyoniaia, dyacodos (N.B. dya- 
dotes), exacontaliton, emachitea en echites. Wg vinden hier de 
steenen geheel in dezelfde volgorde als in Maerlant *s Nat. BI., 
doch de aldaar na den crisoliet beschreven ceranius komt hier 
niet voor, terwijl bij hem niet gevonden wordt de in het 
fragm. vermelde exacontaliton. Misschien zal het fragment, 
als het uitgegeven is, eene bedrage leveren ter beantwoor- 
ding der vraag, of wy hier vóór ons hebben een stuk 
van den »cor ten Lapidarijs", door Maerlant geschreven vol- 
gens zyn eigen getuigenis in vs. 60 van zgne Historie van 
Troyen. De waarschynlgkheid, dat dit fragment vertaald 
zou zijn uit Marbodus' Lapidarius of Lithiarium ^), wordt 
verkleind door de omstandigheid, dat de steen ceranius wel 
bij Marbodus (en in De Nat. Rerum) voorkomt, doch niet 
in het fragment vermeld wordt. 

Wat de taal betreft, wijs ik op een paar interessante 
woorden, die er in voorkomen, en wel in vs. 92 stem- 
men (of s temp en) in de bet. stoppen, stelpen, stillen. 

Die dien steen draghet in s^n mont. 
Hi stempt den dorst in aire stont. 



1) T. en Lettb. 3, 320 ; Verwijs in Nat, BI, bl. xxix ; Bakhuyzen in 
Tijdschr. 2, 110. 



( 147 ) 

Het woord is zeldzaam in het Mnl. en tot heden vooral 
gevonden in Nat, BL, nl. XII, 857 : »bloet dat uter nese 
rinnet jof uten wonden . . . êtelpt dese steen" (var. W. stempt) ; 
1327: »hi (de steen) stemmet bloet" (varr. stelpt); ook 536 
en varr.; 1071 (varr. stelpt^ stulpt); II, 342 (varr. stelpt)^ 
en in Barth, 5646 en 5666 (bloet stemmen) en 5986 : 
:^(dit middel) stempt dat bnacevel," Hetzelfde stemmen 
staat ook Franc, 9917 : 

Van utermaten zware quale 
Doochde soe dicken altemale 
Starvon, ende alsmense stemmede dan, 
Wies hare de lichame vort an 

(d. i. als men de kwaal bedwong, deed ophouden), waar het 
door den uitgever te onrechte in stremmede is veranderd. 
Vgl. Franck in Tijdschr. 4, 109, waar op de verwanten 
stam^ stamelen^ stom, ungestüm wordt opmerkzaam gemaakt 
(waarbg men nog voegen kan stemmig, d. i. stijf), en mhd. 
stemmen, tot staan brengen ; sternen (st. ww.), stuiten, te keer 
gaan; Eil. stemmen, stimmen, firmum reddere ; s t e m- 
mig, stemig, gravis, severus, serius; stempen Fris. Sicamh. 
Fland, j. stelpen, statere. Van het gel^kbeteekende s^^mp^, 
dat door Eiliaen is opgeteekend in debet, »«^^ifp^n, sisfcere*', 
vond ik een nieuw voorbeeld, waarin het intrans. opgevat 
wordt, in een Haagschen Bijbel^) 1,/. 182c: »also saen als 
hy hoor (David Bathséba) genaecte, so slempte haer maent- 
suveringhe". Voor de verhouding van stemmen en stempen 
vergelgke men glimpen en glimmen, slempen en hd. schlem^ 
men, eng. to whimper en to whimmer, en Dr. J. W. Muller 
in Tijdschr. 10, 22 vlg. 

Een tweede merkwaardig, doch niet onbekend, woord is 
sat, VS. 139, waar van de »albundina'' gezegd wordt: 

Men seyt, dat hi (de steen) welna is 
Ghedaen alse een ghernate, 
Maer sat is hi een deel ter mate. 



L) Zie beneden bl. 158. 

10* 



( 148 ) 

Men herkent zonder veel moeite hier het verouderde eng. 
aady d. i. donker^ donkerkleurig , hooggeverfd^ waarvan men 
voorbeelden vindt: Voorgeb. v. Gent 79 (a. 1360): >dat men 
negheenen witten lakine . . . groene lakine maken en mach 
ofte over blauwe vercoopen, no van claren blauwen aad 
groene maken no sad blauwe no aade brunetten, omme de 
redene dadt quaet ende valsch es/* Gesch. v. Antw. 2, 562 
(a. 1311): »Dat die knapen vanden volres ambachte hebben 
zelen van eenen witten schaerlakene ende van enen voor- 
nemenden saden blauwen gegreinden getafelden van voor- 
nemender wollen ghelijc scaerlakene , . . zesse grote tornoy- 
sen". Hor. Belg. 9, 72: »root unde blauwe, gheluwe unde 
gruene, brune ende azure, licht gruene und zad blaeuwe 
(lakene)". Ann. Em. 13, 273: »Een rood scarlaken, een 
breed zat groene, een breed licht groene". Kil. satte oft 
hooghe verwe, color satur, exaturatus, plenus, veheraens. 
Vgl. mhd. satbiâ (bg Lexer), d. i. gesättigt blau, dunkelblau, 
satrôtf donkerrood en sete (mnl. sade, zaansch zaad), eig. 
verzadiging, ook gesättigte, dunkle färbe. Het woord is één 
met sat (sad) in de bet. verzadigd. Het lat. satur wordt 
eveneens reeds van kleuren gebezigd ; ndl. verzadigen en 
satureeren z^n als scheikundige termen bekend, en eng. sad 
vertoont nog heden eene beteekenis, die als de morcelé op- 
vatting der boven uit het Mnl. bewezene kan worden be- 
schouwd, nl. die van somber, bedroefd. Ook ndl. donker en 
zwart svorden gebruikt van het gelaat, als uitdrukking eener 
sombere of zwaarmoedige stemming. 

Een derde belangryk overblgfsel van den vroegeren ger- 
maansclien taalschat vinden w^ vs. 42 vlgg. 

Albestoen dat is een steen . . . , 
Hi es alse ysermale ghedaen. 
Teerste dat hi hevet vier ontfaen, 
Sone mach hem dwesken water twint 
No dinc negheen die men vint: 
Sonder eynde emmermeer 
Barnet hi al even seer. 

Het woord dwesken, gewoon mnl. dwescen^ kan geene andere 



( 149 ) 

bet. hebben dan hlusschen, nildooven^ zoo als ten overvloede 
blijkt uit de beschrijving van denzelfden steen bg Maerlant, 
Nat. BI. XII, 137 en varr. : 

Âbeston dats . . . een steen 
Als iserroes); ghedaen. 
Onstek'en mach men sonder waen, 
Maer nemmeer in ghere maniere 
En wort hi gheblust van viere. 

En met deze opvatting strookt de eenige, in het Mnl, 
Wdb. opgeteekende plaats, waar het woord nog gevonden 
is, ui. O.K,v. Brielle 48, 12: »so wair een staende brant 
rgst, dair sal elc hooftman . . . lopen sonder merren ende 
den brant helpen dwi88chen\ Even zeldzaam als in het 
Mnl. is het woord in de Germaansche dialecten, waar zoo- 
ver mij bekend is, het woord slechts uit het Ags. is op- 
geteekend. Daar vinden w^ dwäscan, met de samenstellingen 
adwäscan en todwascan in de bet. exlinguere. Van het woord 
is noch in het Eng. noch in de overige tegenwoordige Ger- 
maansche dialecten een spoor meer over: men ziet dus, 
welk een goede vondst het Lapidargs-fragment is, al ware 
het alleen om dit ééne overblijfsel der Germaansche oudheid. 

Hetgeen ik ü in de voorafgaande bladzijden mededeelde, 
was tot heden geheel onbekend; thans vraag ik Uwe 
aandacht voor enkele belangrijke aanwinsten voor onze 
Mnl, taal- en letterkunde, die sedert korten tgd reeds 
bekend zijn, doch waarop het goed mag worden geacht de 
aandacht te vestigen. Zoo begin ik dan met ü te herin- 
neren aan het belangrijke verslag, uitgebracht door de 
beide leden der Vlaamsche Academie, de H.H. Gailliard en 
De Flou, en gedrukt in de »Verslagen en Mededeelingen*' 
van Maart over hunne vanwege de Belgische Regeerino" 
ondernomen reis naar Engeland tot het opsporen van Mnl. 
hss. in de Britsche bibliotheken. De beperkte tgd, waar- 
over zg te beschikken hadden, is de oorzaak geweest dat 
zg hun onderzoek tot de bibliotheken van het Britsche 
en South-Kensington Museum hebben moeten bepalen, doch 



( i&ö) 

voor hetgeen zg van daar hebben medegebracht en in hun 
verslag hebben openbaar gemaakt, komt hun een woord 
van warmen dank toe. Weliswaar is de literarische waarde 
van hetgeen door hen is ontdekt, slechts gering en komen 
de uitkomsten van hun onderzoek zoogoed als in het ge- 
heel niet ten bate der eigenlek gezegde bellettrie, doch 
dit is de schuld niet van de beide beeren, die met de zen- 
ding waren belast. Zoo is met name de Roman van Jason^ 
waarvan ons tot heden niets bekend was dan de naam en 
waaruit ons nu althans een uittreksel ter hand staat, een 
hoogst middelmatig produkt uit de 16de eeuw. Doch voor 
de taal zijn die uitkomsten, te oordeelen naar de medege- 
deelde proeven, des te belangrgker, en een rechtgeaard 
beminnaar dier taal zou niets liever wenschen dan dat de 
belangrykste dier door hen beschreven b^belteksten, evan- 
geliën, heiligenlevens, godsdienstige verhandelingen, gesprek- 
boeken, woordenlijsten enz. door den druk werden algemeen 
gemaakt. Ik zal het belang van den door de HH. Gail- 
liard en De Flou beschreven taalschat weder met enkele 
voorbeelden bewyzen. 

Zoo vinden wg op bl. 42 in een uittreksel uit een bybel, 
de geschiedenis van Tobias bevattende, het woord wit ge- 
bruikt in eene beteekenis, die ons op het eerste gezicht 
niet duidel^k is: aldaar wordt nl. de gal van den visch 
beschreven als »zeer goet om die ogen te sal ven. daer dat 
wit noch in is ende si seilen werden genesen". Vergelekt 
men deze woorden met de vertaling van Van der Palm 
{Tobias 6, 8): »de gal dient om iemand die toitte schellen 
op de oogen heeft daarmede te bestreken", dan ziet men 
dat met het wit of witte van het oog in het Mnl., behalve 
hetgeen wy er onder verstaan, ook eene oogziekte werd be- 
doeld en wel dezelfde als door lat. albugo^ d. i. witte staar^ 
gelyk ook het Lat^n t. a. p. heeft: »felle unge hominem 
qui habet albugines in oculis et sanabitur". Men vindt de 
bewgzen. Nat Bl. III, 1513: 

Wort een voghel siec in doghen 
Men salne te ghenesene poghen 



( 151 ) 

Met fijnre olie van oliven ... ; 
Wast hem ooc int oghe twitte^ 
Nem pulver van venkelsade 
Ende vrouwenmelc . . . 
Warem, daer of comt hem bate. 

Men zou zich v^n de bedoeling der woorden eene geheel 
verkeerde voorstelling maken, indien men, gelijk in BloemL 
Gloss., bewerkt door Penon, het geval is, het woord hier 
in onze beteekenis opvatte, en meende dat Maerlant zeide: 
»indien zijn oogwit groeide'*. Het Latyn »si albugo (Kil. 
ooghenwit, albumen oculi, albugo) crescit in oculo, 
palverem seminis feniculi et lac calidum mulieris immitte", 
bewgst de onjuistheid dier opvatting, welke trouwens zich 
zelve veroordeelt. Een ander bewys is de titel van een hoofd- 
stuk in Jan Yperman's Chirurgie {Ha. Yp. 124d) getiteld: 
»Van pusten in dogen ende wit^ dat ungula heet in latine", 
hetwelk dan beschreven wordt als »witte poentkine in die 
zie". En, zegt Yperman, »wert {ware liet) dat achter 
tgenesen bleve enech witte, so legter in dit". Vergelekt 
ten slotte de beschrijving van Tobias' oogziekte in Maer- 
lant's Rijmbijbel, 15797: 

Cortelike rees hem daernaer 
Een vel an sijn oghen claer 
' Als oft eens eys pole ware; 

d. i. de peul of de schil, het vlies van een ei ; varr. »een 
eyspelle*^ en »een eyscelle^ \ lat. »et coepit egredi albugo de 
oculis ejus quasi membranum ovi". Terloops maak ik nog 
even de opmerking, dat ogenclaer door den uitgever, die het 
woord in tweeën deelt, niet is begrepen en, ik moet het er 
bgvoegen, door my ook eerst nu juist is gevat. Het woord 
beteekent eigenlijk het doorschijnende hoornvlies van het oog, 
bg uitbreiding het licht der oogen, het gezichtsvermogen. Ook 
licht zelf komt, gelgk wg weten, in het Ndl. evenals in 
het Mnl., voor in de bet. gezicht, gezichtsvermogen, oog. Het 
woord oogenclaer is ook in het Hd. der 17de eeuw bekend 
geweest, blgkens eene plaats in Grimm's Wtb, (1, 807): 



( 15-> ) 

. die stirne, dieses haar 
der hals, disz augenklar, 

die rothen wangen, 
der schönheits reiche last, 
die du jetzt an dir hast, 

ist bald vergangen. 

Het woord is in het Ndl. bewaard gebleven als een andere 
naam der stinkende gouwe, eene plant weleer en hier en 
daar nog aangewend tegen plekjes op het doorsch^nende 
hoornvlies van het oog (Van Dale). Zie Ndl. Wdb. op 
oogenklaar, waar de naam, die bg Dodonaeus niet voor- 
komt, met plaatsen uit Oudemans en Van Hall wordt be- 
wezen : de daar gegeven verklaring van den naam » welke 
z^n ontstaan dankte aan het volksgeloof, dat het sap dezer 
plant dienstig was om door vlekken op het hoorn vlies weg 
te bgten, het oog te verklaren", moet worden gewgzigd, nu 
ogenclaer uit de middeleeuwen als benaming van een deel 
van het oog is aangewezen. De mogelijkheid is intusschen 
niet uitgesloten, dat het volk al zeer lang het woord voor 
zich zelf aldus heeft verklaard : de bevestiging hiervan vindt 
men in het feit, ook door ons medelid Kluyver in het Ndl. 
Wdb. medegedeeld, dat Dodonaeus (716) het woord c/oero^Ae 
ook vermeldt als een anderen naam voor oogentroost of 
euphrasia offi,dnalis, waarnaar Huygens zgn bekend dicht- 
stuk heeft genoemd, en behalve hiervoor ook als benaming 
eener andere plant, hetgeen minder goed te begrepen is, nl. 
voor witmoes of veldkrop, d. i. veldsla. Meer gewoon dan 
claer in de samenstelling ogenclaer, waarnaast de uitdr. claer 
van den qge of van het oog, is in het Germaansch het woord 
geweest in toepassing op het wit van het ei. Vgl. hd. das 
klare im ei, das eiweisz, eierklar, gewoonlijk das klar^ 
(Grimm 5, 997, 2); mnd. en mhd. klar, eierklar en Kil. 
klaer van deye Fland. j. wit, album ovi. Het zou dus 
zeer goed kunnen z^n dat ogenclaer de bet. had gehad èn 
van het wit van liet oog in de tgw. opvatting, èn van het 
witte van het oog, benaming der bovengenoemde oogziekte. 

Een zeer zeldzaam woord is ons bewaard gebleven in eene 



( 153 ) 

beschryvîng der H. Maagd, die te lezen is in een hs. uit 
de 15de eeuw, getiteld »die tafel van den kerstenghelove", 
en medegedeeld op blz. 118: »Maria en was niet grof noch 
vleyschachtich, maer also tzaert, smal, swanc, van live wel 
ghemaket; si was vau middelmaet der statuten {L statu- 
ren), vol van sinnen, rgp van ouder, bloum van verwen, 
wit van hude, ghym van haer; blinkende ogheu, scarp van 
sichte als een aren, simpel van opslach als een duve enz." 
Ik bedoel niet bloum in de uitdr. »bloum van verwen", 
waarin wellicht een oud bnw. is bewaard gebleven met de 
beteekenis bloeiend (vgl. het znw. hloeme, d. i. de bloeiende^ 
Kluge op blume), noch (/Äyw in de uitdr. » ghym van haer" 
(welke uitdr. ik niet begrijp : de bet. zal moeten zijn glanzig ; 
misschien is het woord hetzelfde als lat. gemma ; vgl. 
Teuthß wederglantz geven, gemmare), maar swanc^ d. i. 
slank^ rank^ eig. buigzaam^ fra souple. Het woord komt 
in het Mnd. naast swankel eveneens als bnw. voor in de bet. 
biegsam, schlank, dünn-, schmächtich (Lexer 2, 1335), en 
wordt daar zoowel van personen als van zaken gebruikt 
(vgl. b.v. aid.: »er was weder ze kurz noch ze lanc noch 
ze dick noch ze swanc'); ook in het Mnd.: vgl. Lubben 
4, 484, waar het woord wordt weergegeven door schwank, 
T^leicht beweglich, fein, lat. gracilis^' (»ein vrowe zwanK\ 
gezegd van de H. Elisabeth), en in het Hd., waar het de 
bet. heeft buigzaam, beweeglijk, slap (van een touw) slank 
(van de gestalte). Tot heden was het in het Mnl. slechts 
op ééne plaats gevonden, en wel van eene roede of een 
teen gezegd, buigzaam, nl. Van Vrouwen ende van Minnen 
Vnr, 214: 

als die rike weder rakede 
Ten bedde, daer hi te voren in lach, 
Gaf hem die ander ridder enen slach, 
Mitter roede, die was swanc, 
Dat si hem want omden lanc 
Ghelgc oft een paellinc waer. 

Vgl. mnd. swankrode, d. i. pompzwengel, in welks eerste 
deel men evenwel niet heeft te zien het bnw. swank, maar 



( 154 ) 

den stam van het ww. zwanken, hd. schwanken, verwant met 
achwinken en ndl. zwengel. In hetzelfde gedieht, vs. 147, 
komt het znw. swanc voor in eene soortgelijke beteekenis : 

(hi) sneet een haseline roede, 

Die groene was ende hadde swanc, 

d. i. buigzaamheid had, gemakkelijk te buigen was, hd. leicht 
zu schioingen loar (vgl. Kluge op schwank, bnw.). Er zou 
over de verschillende beteekenissen der tot deze uitgebreide 
Germ, woordfamilie behoorende leden, o. a. zwang en zwan- 
ger, nog veel te zeggen zgn, doch op dit oogenblik zie ik 
daarvan af. Maar ééne interessante plaats mag ik niet met 
stilzwegen voorb^gaan: ik bedoel eene passage in Zuster 
Hadewgch, over wie ons buitenlandsch medelid Fredericq 
het eerste, zoo noodige, licht heeft doen opgaan, nl. 1, 152, 79 : 

wat soo ie elder dade 
Mgn hongher bleve al zwanc, 
Sine gave mi vol hare zade, 

waarvan de bedoeling deze moet zgn : »wat ik ook elders 
(buiten de minne om) zou doen, m^n honger zou niet wor- 
den gestild {of myn dorst zou niet worden gelescht), indien 
zë {de minne) ra^ niet ten volle hare verzadiging gaf, d. i. 
indien zg m^ niet ten volle verzadigde". Doch laat ons 
nu zien, of deze beteekenis werkelgk in de woorden ligt. 
Dat sade (mhd. sate, sete; mnd. sade; zaansch ^raatZ), betee- 
kent verzadiging, kan ons niet verwonderen : werkelyk komt 
het in dezen zin in het Mnl. herhaaldelijk voor. Vgl. b.v. 
Hadew. 1, 171, 38 : »bennic in honger och te in sade^^ ; 1, 57, 
51 : »dus hevet mi minne verraden . . . met menegher soeter 
saden'; O.VL Lied. e. G. 394, 228: werlike minne, daeraf 
haer zade nature heeft"; Haagsche Bijbel, 1, ƒ. 89^: »ghy suit 
u broot eten in zaden, ende sonder sorgen suldy woonen in 
uwen lande", vertaling van Levit 26, 5 : >comedetis panem 
vestrum in 8aturitate^\ Verder treffen wg aan de uitdruk- 
king te sade, d. i. ten volle, welke o. a. verscholen zit in eene 



( 155) 

variant în Wa'p, Mart, II, 207 ran, en de uitdr. mi}n, sijn 
sade, d. i. bekomst, volop , vooral by woordelijk, naar hartelust^ 
hd. zur genüge; zoo b.v. Rein.ïl, 5483: :k die sijn sade dsLerhi 
mach wesen" (waarbij Martin zeer juist vergelekt fra. san 
soul); Profijt, Liedeb. 219, 3: »Hi scbanck my drincken wel 
mijn sade'\ en Hs, Pelgrimage 35d: »laet hem ghenoech 
slaen ende dersschen al sinen vollen sad^ ap dinen aembelt.'' 

Nu dit duidelyk is geworden, moet nog de uitdrukking 
swanc bliven worden verklaard, en deze zal moeten beteeke- 
nen in volle kracht blijven, uitnemend komt ook hier ter 
vergelgking het Mhd. te stade, waar het bnw. swanc niet 
alleen beteekent buigzaam, slank, maar ook Iiecig^ onstuimig. 
Lexer vert^ialt het woord door :» schwankend, stürmisch' \ en 
geeft als voorbeeld »ein swanker wind". Wg hebben dus 
het recht mnl. swanc op de boven aangehaalde plaats weer 
te geven door in volle kracht zijnde, krachtig, onverzwakt. 
En komt deze opvatting niet schoon overeen met die van 
Ndl. znw. zwang in de uitdr. »in zwang z^n", d.i. in volle 
kracht zijn^ gezegd van eene gewoonte of gebruik, en met 
die van hd. schwung, dat men goed weergeeft door ^geho" 
bene kraft" ? 

Nog één woord uit het door de VI. Academie bekend 
gemaakt rapport wil ik behandelen. Dit ziet er even een- 
voudig en duidel^k uit, als het zoo even beschrevene op 
het eerste gezicht ons duister toescheen, ik bedoel het, 
bl 63, in een »epistel op Onser Vrouwen dach Visitacio" 
voorkomende stofregen. Wat kan, zal men vragen, er bg 
dit woord voor merkwaardigs op te merken zgn? Zgn niet 
de inhoud en de vorm er van in volmaakte overeenstem- 
ming; m.a.w. beantwoordt de beteekenis niet geheel aan 
hetgeen men uit de samenvoeging der beide deelen ver- 
wacht? Voor onze 19de-eeuwsche taal zeer zeker, doch 
wanneer men de voor onzen tgd geldende beteekenis aan 
het mnl. woord wilde toekennen, zou men het verkeerd ver- 
staan, en daarom juist heb ik het ter behandeling gekozen, 
omdat het een duidelijk voorbeeld is van de gevaren, die 
dreigen bij de studie van het Middelnederlandsch. Thans 
verstaan wij onder het woord hetzelfde als motregen, nl. 



( 15(5 ) 

»een zeer fijne regen, meer uit natte stofdeeltjes dan uit 
droppels bestaande". Hetzelfde beteekent hd. Staubregen^ 
waarnaast liet ww. stâubern, d.i. stofregenen, motregenen^ ook 
fijn sneeuwen; eigenlek ak stof nedervallen. Doch deze be- 
teekenis komt, men zal het met m^ eens zgn, niet bgzon- 
der goed te pas in een regel uit de zoo even genoemde 
epistel, aldus luidende : »Stant op, haeste, myn vriendinne, 
m^n duve, m^n schone ende com, want te hauts is die 
winter overgegaan, die stofregen is wech gegaen ende hene 
gescheiden, die bloemen sijn geopenbaert in onsen (Z. onser) 
eerden". Deze epistel of evangelieles is blgkbaar vertaald 
uit den >Psalm der liefde", en niet, zooals de schrijver er 
heeft bijgevoegd *wtten boke des w:gsheits", waarmede hg 
het Hooglied heeft verward of vereenzelvigd. Het oorspron- 
kel^k vinden wij aid. 1, 10 : »surge, propera, arnica mea, 
columba mea, formosa mea et veni : jam enim hiems transiit, 
imber abiit et recessit". Nu is imber niet de lat. naam voor 
stofregen^ maar voor een regenvlaag of geweldige regenbui, dus 
stortregen of slagregen; in onze vert, is dan ook het woord 
weergegeven door piasregen. Dezelfde beteekenis, die wg op 
de boven aangehaalde plaats aan het woord eigen zagen, 
vinden wg ook op eene andere, nl. Breidenb, 31 ü : »dat 
(de zwelling der rivieren) comt van die opwellinghe des 
stof regens savons ende van die smeltinghe des snees" ; ook 
wordt zy in mnl. glossaren er aan toegekend. In den 
Teuthonista nl. vindt men : » stofreghen dick, imber ; vol 
dicks stofreghens, imbricus^ imbricosus; stotregeneu ^ ymbrere^ 
ymbrescere", en Gemma 94 r: »stofreghen, imber \ Geheel 
hiermede in overeenstemming is het spraakgebruik in het 
Mud. blijkens eene door Lubben opgegeven plaats, die 
aldus luidt: »de uthstortet de stofregen alse strame" (ver- 
taling van Job 36, 27 : »qui eflfundit imbres ad instar gur- 
gitum"). 

Hoe hebben wg nu het woord voor het Mnl. te verkla- 
ren, nu de bet. niet de onze, maar slagregen, piasregen is ? 
Men vatte mnl. stofregen op als een regen zóó sterk dat het 
schijnt te stuiven, waarb^ het als het ware over de straten 
stuift ten gevolge der van den gron terugstuitende drop- 



( 157 ) 

pels, dus als atuifregeriy waarmede het werkelijk bij Kil. 
wordt gelijkgesteld. Weliswaar kent hg slechts de tegen- 
woordige opvatting, doch dit doet hier niets ter zake; het 
door hem naast stofregen opgegeven atuifregen kan uitstekend 
dienen ter verklaring van mnl. stof regen (vgl. ook Kil. 
stof sand, j. stuyfsand, arena volatica, en stof meel ^ stug f meel, 
pollen) en daarom is het hier te doen. Doch dat de thans 
uitsluitend bekende opvatting reeds eeuwen oud is, bewijzen 
de wdbb. van Plantijn en Kiliaen, die het slechts in deze ken- 
nen ; zie Plant, s to f regen, ujie petite pliiye qui chet comme 
pouldre, exigua pluvia. Kil. stofreghen, stuyfreghen, 
psecas, pluvia tenuis, irroratio tenuissimis guttulis", terwijl 
volgens de Synon, Lat.-Teut. 2, 104 iniber bg hem de ver- 
taling is van regen^ en imher praeceps die van piasregen, slag^ 
regen, slagvlaege, scheure (eng. shower ; hd. schauer ; got. skurs ; 
mnl. scure; geld. schoer), regenscheure (men zou verwachten 
schuere, doch dien vorm (of die spelling) heeft Kil. niet). 

Het is dus met stof regen gegaan, evenals met verschillende 
andere woorden, die door het anders verstaan van een deel 
er van eene andere beteekenis hebben aangenomen. Een 
duidelijk voorbeeld daarvan levert o. a het ndl. knipmes, 
dat eigenl:yk eene tautologische samenstelling is van knijp, 
hd kneipe, bijvorm van knijf, d. i. mes, en nies (vgl. Kil. 
knipmes, vetus Sax. scheermes, novacula, en Vercoullie 
op knipmes), en dus ieder mes kon beteekenen, doch door 
bggedachte aan knippen, een knippend geluid maken (vgl. 
Kil. knipscherer, qui pilos cum forficularum crepitu (knip) 
truncat) geworden is »een mes dat met eene veer dichtknipt 
of met eene veer opengehouden wordt". 

Na de mededeeling van deze aan nieuwe vondsten ont- 
leende b^zonderheden, die gemakkelyk met vele andere 
zouden kunnen worden vermeerderd — ik toonde U het 
belang der teksten voor onze middelnederlandsche taal slechts 
aan door enkele, naar ik hoop, goed gekozen. Uwe aan- 
dacht niet onwaardige, voorbeelden — had ik mij nog voor- 
genomen tot ü te spreken over een aanzienlijk aantal frag- 
menten van eene middelnederlandsche paraphrase van het 
Hooglied, te zamen ongeveer 10000 verzen groot en be- 



( 158 ) 

rusteade te Berlin en te Wetzlar, ons behalve door een 
klein fragment in deel XII der Horae Belgicae van Hoff- 
mann von Fallersleben, vooral bekend door de uitvoerige 
mededeelingen van Edw. Schröder in «Jahrbuch des Ndd. 
Vereins" van 1894 (dl. XIX), bl. 80 vlgg.,, die enkele proe- 
ven uit de voor de mnl. taal belangryke fragmenten mede- 
deelt, en de hoop uitspreekt, dat z^ne »holländische Kol- 
legen hoffentlich bald für eine vollständige publikation des 
erhaltenen Sorge tragen werden." Niet minder gaarne zou 
ik hebben willen spreken over een door mg geëxcerpeerden 
prachtigen Bgbel van 1360 en vlgg., berustende in de 
Koninkl^ke Bibliotheek te 's-Gravenhage, in twee groote 
foliodeelen met tal van miniaturen, uit welk boek ik vele 
merkwaardige, zeldzame of onbekende woorden heb opge- 
teekend. Doch daar mijne mededeeling dan te lang, en Uwe 
aandacht te veel vermoeid zou worden, stel ik mg voor het 
tweede gedeelte mgner voordracht te houden in eene later 
te bepalen vergadering. 



Uit een Haagsch handschrift op perkament, waarin de 
»Pelgrimage der mensceliker creaturen", ƒ. 129a. 

Een argument tusschen Ootmoedicheit ende 

die Ere vander werlt, ende tusschen Rgc- 

heit ende Armoede, ende tusschen So 1- 

laes endePenitencie. 



Och wonder boven alle wonder, 
Bedelic mensch, wats di gesciet, 

Dat ghi u dus laet wesen tonder 

Van drie vyanden, ende niet en vliet ! 

5. Dats ere, r^cheit ende soUaes; 

Dese drie seilen u tonder leggen 
Ende nummermeer laten hebben paes, 
Ghi en moet haer geselscap ontseggen. 

Ende als gh^t hebt ontseit, 
10. So moeti nemen drie campioenen. 

Die dese drie vyanden voorseyt 
Mit redene nemen tonder te doene. 

Deerste campioen, mi wel verstaet, 
Die es genoemt ootmoedichede ; 
15. Die ander, armoede, daer na gaet, 

Penitencie hout die derde stede. 

Nu hoort hier een argument 

Tegen dese drie vyanden fel, 
Hoe dat ootmoet heeft gescent 
20. . Die ere ende tonder gedaen wel. 



12. Hs, doen. 



( 160 ) 

Daerna armoede ende penitencie 

Rijcheit ende öollaes hebben tonder gedaen; 
Hierna seldi horen sentencie, 

Hoe dat mit hem is vergaen. 



I. Die Ootmoedicheit tegen die Ere van 

der werlt. 

25. Die Ootmoedicheit sprect totter Ere: 

Ghi sijt hoverdich ende vol van nyde, 
U herte gram ende vol van zere, 

Ie en vergrammer of noch en verbilde. 

E. Ootinoet, ie seg u die waerheide : 
30. Edelheit is u gesneden af; 

ƒ.1296. U herte is vol onscamelheyden, 

Men hout nergent van u een caf. 

O. Ere, men hout van mi op dese tgt nu 

So vele als ie begere, in goeder trouwen. 
35. Dat en geschiet nummermeer u, 

Al soudi daerom sterven van rouwen. 

E, Ootmoet, en segget daertoe niet, 

Men hout van mi die werlt dure, 
Waer u also geschiet, 
40. Ghi hadt grote aventure. 

O. Ere, zwiget ende volget mi, 

Niemant en meent mi archeide; 
Over al so sta ie vri : 

Dat doet mijn verdrachlicheide. 

45 E. Ootmoet, zwiget al puer stille. 

Men acht u niet twe bonen; 
Tc volbrenge minen wille, 

Daer ie zeer mit u sie tonen. 



( 161 ) 

O. Ere, ie seg u sekerlike: 
50. Die mit mi zotten, s^n qualic beraden, 

Want hemelrijc ende eertryke 
Yerwinnô ie mit minen daden. 

E. Ootmoet, ghi segt hoge woort, 

Mer ie en sie u nergent geacht ; 
55. Daer mi die heren trecken voort, 

Moetstu ummer gaen bet acht. 

O. Ere, ghi treet u diewijl so hoge, 

Dat ghi moet dalen mit scanden groot, 
Ie blive daer ie bin of ie yerhoge, 
60« Ie en houde van niet ter nauwer noot. 

Eé Ootmoet, ie der mi beroemen wel: 
Hi en leeft niet opter eerden, 
Heeft hi mi niet in s^n spel. 
Dat hi is van eniger weerden. 

65. O. Ere, ghi en segt niet wel, 

Dat ghi a dus beroemt boven mi, 

ƒ. 129c. Ie en bin noch wreet noch ibl : 
God is mi daerom altoos bi. 

E. Ootmoet, ghi en s^t nergent toe goet 
70. Ende versaechder dan nojt catte ; 

Ghi sout u laten terden onder de voet, 
Eer ghi sout seggen : laet staen datte ! 

O. Ere, inde ewangelie steet. 

Als men u slaet onder dene kake, 
75. Dat ghi dander biet gereet 

Ende niet en staet na der wrake. 



56. Es. betacht. 

TBB8L. «V VED. AFP. I.BT7EBK. S^e BBBKS DEBL XII. Il 



( 162) 

E. Ootmoet, wie pleecht aldus te doene, 
Die enige scande heeft in s^n l^f? 
Sekerlic van desen sermone 
80. En heeft te doene man noch w^f. 

O. Ere, souden wi gerechtelic leven, 
Wi souden ontfaen al blidelike 
Alt dogen dat ons God wilde geven. 
Als of hi ons makede .van haven rike. 

85. E. Ootmoet, en waerdi niet so sot, 

Ghi en sont niet pensen in uwen moet, 
Te verbliden int eertsche lot 
Also wel alsmen int beste doet. 

O. Ere, nummermeer en wil ie verbUden 
90. In u noch in werliken dingen. 

Want God verbiet in allen tiden, 
Dat wi niet mit u en mingen. 

E. Ootmoet, doeter toe uwe conste, 
Ende daertoe al uwe macht, 
95. Die lüde seilen in goede jonste 

Dragen ummer die meeste cracht. 

O. Ere, mi wondert dat u yemant pr^st. 
Of dat u enich man noyt verzinde, 
Ende Jhesus Christus ons heeft bewigst 
100.f.l29d.Te wesene gelgc enen kinde. 

E. Ootmoet, wilde yemant dien wech gaen, 
Seker, hem en soude niet bliven 
Cruce noch munte, in mgn verstaen. 
Men sout hem of raden ende driven. 



85. Hs, waer di. 



( 163 ) 

105. O. Ere, Christus sprect mit groter minnen, 

Als die leet waer dat ons misviele: 
>Wat helpt ons dat wi al die werlt minnen, 
Of wi Verliesen onse ziele?" 

E, Ootmoet, m:gn dienres en willen niet Verliesen, 
110» Ende si en hebbens genen noot; 

U en willen si niet verkiesen: 
6hi soutse laten alte bloot. 

O. Ere, mi wondert boven allen saken, 
Dat enich man dar sgn so stout, 
115. Dat hi an n dar genaken, 

God lachtert u dienres so menichfout. 

E. Ootmoet, lachtert mi die lachteren mach. 
Die werlt is mi onderdaen, 
Ende sal wesen nacht ende dach, 
120. Soudi daer omme sterven säen. 

O. Ere, u begeerte is groot! 

Mit alder werlt wildi wesen, 
Dies dogestu menigen stoot, 
Nochtan seit u al ondeysen. 

12S>. E, Ootmoet, ghi moet al stille zwigen, 

le sta in aider werlt prîjs; 
Voor mi moet men bugen ende nigen, 
Die op u niet en achten een rgs. 

0. Ere, dat coomt u ter groter pinen, 
130. Dat ghi mitter werlt s^t geacht: 

Onlange hebdi hier te sine. 
Dat gat waer goet gewacht 

E. Ootmoet, dat en was noyt gesien. 
Sint dat God de werlt makede, 
135./. ISOa.Die m^u geselscap wilde vHen, 

Dat hi noyt ten state gerakede. 



( lß4 ) 

o. Ere, ghi dunct mi herde sot, 

Dai ghi âtaet begeert, nadat wi lesen, 
Wantet seit ons here Got: 
140. Die minste van herten sel de meeste wesen. 

E. Ootmoet, ghi en weet wat ghi callet, 

Minen staet meerret van dage te dage ; 
Sprect, als ghi siet dat hi vallet, 
Mer u dinc is al vedelsage. 

145. O. Ere, u gepeyns is quaet, 

Ghi suit noch vallen enen zwaren val. 
Of der ewangeliën raet 

Moet logen sign van al tot al. 

E. Ootmoet, hoe sout sfln mogen, 
150. Dat ie vallen soude? ie sta so wel: 

Alle princen ende hertogen 
Syn te minen dienste snel. 

O. Ere, dat mach u luttel vromen, 
Dat u de lüde syn onderdaen: 
155. Als de doot totti sal comen, 

En mâcher u geen te staden staen. 

E, Ootmoet, van der doot en houdic niet mgn leen, 
Daer of so staet myn dinc te lode; 
Al ist dat mi onstervet die een, 
160. Ie hebber seven te minen gebode. 

O. Ere, ghi scheet herde lichtelike 

Van dien u getruwelic hebben gedient. 
Ie rade eiken mensche sekerlike. 
Dat hi soeke enen anderen vrient. 

165, -B. Ootmoet, die ter werlt willen staen, 
Ende mine vrientscap niet en weet. 



166. Weet rijmt niet op mede en is wellicht bedorven', /. wet : met? 



( 165 ) 

Hi en is nergenfc wel ontfaen, 
Hier noch hier boven mede. 

ƒ.1306. 0. Ere, dit wil ie wel bekinnen, 
170. Dat u dat werltlic voie ontsiet, 

Mer alle die gene die mi minnen, 

En houden van u noch vander werlt niet. 

E. Ootmoet, mi dunct in minen sin, 
Onse geselscap scillet sere: 
175. Daer ie soeke m^n gewin, 

Daer of so wildi altoos keren. 

O. Ere, ie en heb u niet meer lief; 

Wat soudic u ommegaen mit fantomen. 
Want alle jamer ende miskief 
180. Is om uwen wille toecomen. 

E. Ootmoet, ghi hebt groot onrecht, 
Ghi begint mi luttel te prisen. 
Men en vint nochtan genen so armen knecht, 
Can hi mi volgen, ie en doe hem risen. 

185. O. Ere, dat sceen qualic an Lucifere 

Ende an menigen anderen man, 
Die om uwen wille syn in zeere, 
Ende leggen in der hellen dan. 

E, Ootmoet, wat mogen si mi eyschen, 
190. Of ie hem diene getrouwelike 

Also lange si s^n in bloede ende in vleysche? 
Hoet na vaert, latic striken. 

O. Ere, ie 1ère u kennen alle dage: 
In dese werlt is u bejach; 
195. Ghi en peynst niet om die zware plage, 

Dier namaels of comen mach. 



192. Hs. Hoe. 



( 1Ö6 ) 

E. Ootmoet, ie sal mineo wille yervordren 
In dese werlt, makic u cont, 
Â1 soudement al hier achter yermordren 
200. Ende leggen in der hellen gront. 

O. Ere, dit mach u wel sgn leit, 
f. 130c. Dat u te seggene is geschiet, 

Ende Jhesus Christus heeft geseit, 
S^n r^c en is inder werlt niet. 

205. E. Ootmoet, van deser werlt is m^n rike, 

Volge mi die volgen mach: 
Dese werlt sal staen ewelike, 
Dit doet mi mgn he]*te ge wach. 

O. Ere, dewangelie sprect in deser wise» 
210. Dat dese werlt sel vergaen, 

Ende alt voie dat noyt was, sal verrisen, 
Ende van Gode vonnesse ontfaen. 

E. Ootmoet, ie heb daeraf ghehoort, 

Mer men macht mi qualic doen verstaen; 
215. Segt mi daerof een luttel voort: 

Soude dese werlt vergaen? 

O. Ere, si sal vergaen sekerlike 

Op enen dach; dat seit onse Here. 
M^n dienres seilen gaen in heinelrike, 
220. Ende de dine in der hellen sere. 

E, Ootmoet, ie salt al avonturen, 

Come dat niet laten en mach. 
Totdat ie sie t:gt ende ure. 
Dat hi coomt, die wrede dach. 

225. O. Ere, dat wert te spade bedocht : 

In dit leven werct ontfermiehede, 



199. Hs. vermoerden. — 201. Bs, leet. 



( 167) 

Ende na dit leven, waert wel besocht, 
Sal werken die gerechticliede. 

E. Ootmoet, ghi onderwint u te diepe 
230. Van dat Gode toebehoort; 

Het waer beter dat wi daerof sliepen 
Ende lietent ander lüde leggen voort. 

O. Ere, God. sprect : »die mgns verlgt, 

Dien sal ie verlyen voor minen vader, 
235. Ende die m^ns scaemt ende vertat, 

Dies sal ie mi seamen alle gader.*' 

/.130di^. Ootmoet, ghi wilt altoos ontpluken 

Den raet van der ewangelie; 
Tis quaet dat mens u laet gebruken 
240. Te houden daer af u conselye. 

O. Ere, God seit: idaer si twee of drie 
In minen name vergadert s^n, 
Daer bin ie in den middel, geloves my", 
Hier op sta ie sere vri. 

245. E. Oobmoet, ie geeft u gewonnen, 

Want u woorde sgn so scone; 
Si en leven niet dier tegen seggen connen; 
Boven mi so spandi crone. 

O. Ere, ie danke Gode hierof, 
250. Dat ghi dit bekennen hebt in uwen moet; 

Alle die soeken uwen lof. 

Keren an mi, so s^n si vroet. 

E. Ootmoet, dit sal u ummer ontvechten, 
Den luden vroet te maken sonder si. 



244. aldus Es., doch hei rijm is in de tear, en het is mei duidelijk hoe 
het kan toorden ierechtgebrachi, — 249. Hs. hier af, . 



( 168 ) 

255. Mer ie kenne wel, waren si vroede knecliten, 

Si souden u dienen ende sgn bi. 

O. Ere, die niet vroet en wil s^n 

Ende syn merken heeft verloren, 
— Hiermede makic minen fijn — 
260. Hi moet mit Lucifer behoren. 

E. Ootmoet, bi dat ie an u versta, 
Daer selre vele mit Lueifere, 
Of ten is dat anders ga: 

Hiermede bevelie u onsen Here. 

265. O. Ere, laet ons bidden neerstelike 

Den Here, die alle dinc heeft gemaeet, 
Dat hi ons nummermeer en bezwike, 
Tot dat wi in s^n minne syn geraeet. 

E. Ootmoet, dit is ene seone bede; 
270. Bidden wi Gode in goeder manieren, 

ƒ. 131a. Dat hi ons verlene pays ende vrede, 

Ende verre van den helsehen viere. 



II. Armoede tegen Rgeheyt. 

Die Armoede spreet totter Rgcheit: 
ü dunet, tis wel bi uwen tiden, 
275. Ghi suit noch hebben grote droefheit, 

Daerom dat ghi nu sgt blide. 

i2. Armoede, hebdi mi te spot. 

Dat ghi dustanige redene brenet voort? 
Peynsdi dat ie houden sal u gebot, 
280. Of waendi mi brengen in u accQort? 



36$. wi <mÜ/t. — 277. Es, spotte. 



( 169 ) 

A. B^cheit, ghi hebt zeer onimaer, 

Dat ghi te minen accoorde so at comen; 
Ghi moeter comen over waer, 
Of u doen sal luttel vromen. 

285. 72. Armoede, wat node is mi dies, 

U te volgen, dies bid ic di? 
Ic heb in de werlt herten kies; 
Die werlt is mgn eygen vri. 

A. B^cheit, wel rampsalige Bgcheit, 
290. Dat ghi ende die werlt sgt so wel eens, 

Ende Jhesns Christus heeft geseit. 

Hi ende die werlt en hebben niet gemeens. 

R. Armoede, zw^'ch mit d^nrc predicacie, 
Tis al verloren dattu cals, 
295. Stoetstu wel in Gods gracie. 

Hi en verleendi niet so vele ougevals. 

A. Bycheit, en sprect niet meer een woort 

Ende merct op Jub, den verduldigen man, 
Wies mogentheit was al testoort: 
300. Mit dogene hi hemelr^c gewan. 

i?. Armoede, ic weet een ander gat 

Om mine dienres, alsi gaen sterven: 
Si sullen om Gode delen haren scat, 
ĥ 1316. Dan seilen si hebben die Gods erven. 

305. A. Bycheyt, dit gepeyns niet en doocht. 

Dat ghi hemelr^c waent gewinnen 
Mit dingen die ghi niet orbaren en moocht : 
Dits een were al sonder minnen. 

R. Armoede, ic machs wel hebben dogen, 
310. Dat ghi na minen begripe wilt staen. 



289. Hs. rampt salige. — 295. Hs. Staetstu. 



( 170 ) 

Ende coningen, graven ende hertogen 
Mi minnen ende s^n onderdaen. 

A. R^'clieit, dit is jammer groot, 

Dat u yemant mint groot of clene, 
315. Want Jhesus Christus ons geboot, 

Dat wi hem minnen souden aliène. 

R. Armoede, al soudi daeromme sterven, 
Men sel mi miunen ende eren; 
Tis recht, ie bin der lüde bederven: 
320. Van knechten makic grote heren. 

A. Bgcheyt, uwe heerscapiën 

Sgn van herde cleynre weerden, 
Want alle die op Gode lyen 

En was noyt een, diere begeerde. 

325. R. Armoede, die mi niet en begeert, 

Ende volgen wil u 1ère, 
Mit alder werlt is hi onweert; 

Men doet hem nergent duecht nocii ere. 

A» Egcheit, Got sprect tot ons also, 
330. Alsmen ons vervolcht, sekerlike 

In dien dage sgn wi blide ende vro ; 
Ons loon is groot in hemelrike. 

R. Armoede, so laet u perseeucie doen, 

Over mi te laten gaen en is mi geen noot; 
335. Al levede noch die sterke Sampsoen, 

Mit mgnre macht brecht icken wel ter doot. 

/.131c.^. Rgcheit, dese roem en dooch niet, 

Yemant te brengen in eniger noot : 
Int v^fte gebot ons Christus liet, 
340. Dat wi niemant en souden brengen ter doot. 



339. liet, /. hiet? 



( 171 ) 

R. Armoede, ie dars mi wel beroemen, 

Al had ie doot den meesten here van den lande, 
Ie souda herde wel overcomen, 

Al haddgt gezworen tuwen tanden. 

345. A. Kgcheit, ie en wilre niet omme zweren, 

God hevet verboden sonder vensen; 
U overmoet sal u noch deren. 

Als ghi minst daerom seit pensen. 

R. Armoede, ie mach wel overmoedioh s^n; 
350. Ie Yolbrenge grotelic m^n gevoech; 

Gout, sulver, terwe ende wgn 
Heb ie van al tal genoech. 

A. Bgcheit, ghi geltet den man dacr God of spreect, 
Die seide: »siele mgn, weest te gemake, 
355. Waren u scuren groter, u niet en gebreect": 

Eer middernacht mocht hi den doot smaken. 

R. Armoede, ghi moet u onderwinden 

Van voren te spiukene, dies heb ie spgt, 
Nochtan en soudemen niet mogen vinden 
360. Onweerder meersen dan ghi sgt. 

A. R:gcheit, onweert was Lazarus 

Mitten riken vrecken, daer hi hilt staet. 
Mît purpur gecleet ende zeer confuus: 

Lazarus heeft nu goet ende hi heeft quaet. 

365.22. Armoede, wat noot is mi vree te sine? 

Ie selse helpen mit minen goede, 
Ende lossen uter helscher pine 
Die mi in dit l^f bistoeden. 

f* 131rf. A. Rgcheyt, alt goet van eertr^ke 
370. . Eu halp noyt siele te geenre stont, 



368. Hs. bi stonden. 



( 172 ) 

Mids dat si was sekerlike 
In der dieper hellen gront. 

R. Armoede, mi dunct, wat ie spreke, 
Vindic een, ghi vint een ander; 
375. Al soude u berte daeromme breken, 

Ie en come niet in uwe pander. 

A. Bgcbeit, mi en roect wat gbi doet, 
Wil iet ummer daer toe gaen ; 
Mer mi draecht in minen moet, 
380. U dine en macb niet lange staen. 

R, Armoede, wat mooebdi daer in menen? 
M^n dine staet so lane so bet; 
Gbi suit noeb jamerlike wenen. 

Dat gbi so spade coomt tot m^nre wet. 

885. A. Rgcbeit, eer ie tuwer wet quame, 

Of eer ie soebte uwen lof, 
Liever bad ie dat men een zweerd name, 
Ende sloege mi mijn booft of. 

R. Armoede, gbi sgt alop verwoet^ 
390. Ende bier boven suldi vernoyeren, 

Dat dunct mi wel in minen moet, 
Want men macb u niet bestieren. 

A. Rgcbeit, gbi belet m^n zalicbeit, 
Daerom wil ie u afsnyden 
395. Ende wecb werpen, alst is geseit, 

Ende in minen God verbliden. 

R, Armoede, bin ie een werpelinc: 
Nocb boric wel boe dat gaet ; 
Ie bad uwen scoonbeere gedocbt een dinc, 
400. Daer ere ende reverencie toe bestaet. 



385. Hs. weet. 



(173) 

A' B^cheit, ic seg u bi dat mi dinke: 

. Die an wil nemen gheestelic leven, 
ƒ. 132a. Ghi s^t een die meeste minke, 

Die men hem ter werlt mach geven. 

405. R. Armoede, ghi segt vele dingen, 

le en ho ade mi niet aen u woort, 
Ghi mostet mi andersins toebringen, 
Soudic vallen in u accoort. 

A. R^cheit, ic cant toebrengen wel, 
410« Dat alle die u mit minnen volgen, 

Ter hellen dienste sijn si snel, 

Daer in dat si werden verzwolgen. 

R. Armoede, tis gesproken, 

Dat ghi niemant en sout iugeren, 
415. Hierin hebdi tgebot verbroken. 

Dat ghi mi ter hellen wilt visieren. 

A. B^cheit, die in uwen dienste sterven, 
Ic segge dat si alle s^n verloren, 
Ende mgn dienres en seilen niet bederven : 
420. Mit Gode werden si alle vercoren. 

R. Armoede, di dunct dattie arme 

Behouden sgn, ende verloren die rike, 
Daerora ist dat ic mi verwarme, 
Mer tis logene sekerlike. 

425. A. B^cheit, nemet also iet u sal geven, 

Ic segge: die in uwen dienste enden. 
Van vare mogen si wel beven, 

Hoese die vyant daerom sel scenden. 

R. Armoede, waerom segdi ditte, 
430. Dat m^n dienres verloren syn. 



éOl Hs, dinket. — 421. Hs. mi danct. 



( 174 ) 

Ende behoren ter hellen pitte 

Mer dan de uwe? dits tvragen mijn. 

A. Bijeheit, God spreect dat mogeliker ware 
Doort naelden oge te comen ene kernel, 
435. Dan de rike man soude mogen varen 

Hier boven in den soeten hemel, 

ƒ.1326.22. Armoede, dus sehntet dat die rike man 

Ummer verloren moet bliven, 
Tensi dat mer een ander op vinden can 
440. Dan ie u hore bescriven. 

A. Bycheit, men mach u niet minnen. 

Mer tgoed orbaren, dat machmen wel. 
Op dattet smenschen herte van binnen 
Gode minne ende geen dinc el. 

445. R. Armoede, dits een wonderlic woort : 

Hoe soudemen tgoet mogen besitten 
Sonder minne, berecht mi voort, 
Mgn vragen is om ditte. 

A. B^cheit, ghi moget syn gemint, 
450. Also die crepel sine cricken dioet: 

Hi en isser niet seer op versint, 
Mits dat hi ware wel te voet. 

R. Armoede, dit waer cleyne minne, 

Mochten sgs ontberen, si en minden mi niet, 
455. Mer sekerlike si s^n dinne, 

Wien aldus is geschiet. 

A. Bgcheit, geoorloft is ons aldus 

Van u te nemen onse nauwe noot, 
Ende niet meer en beveelt ons Christus, 
460. Op den ewigen doot. 

R. Armoede, dit gat is nauwe, 

Ie en weet wier duer crupen sal, 



( 175 ) 

Want elc wilt aliène gelauwen 
Al dat hi vint, groot ende smal. 

465. A. Bycheitf God spreect : »wilta s^n volmaect, 

So yercoop al dattu heves ; 
Yan al dat weerlie mach s^n, wes naect, 
Ende volch mi also lange alsta levés'*. 

R, Armoede, mine minres sgn bedrogen, 
470. /.132c. Bi dat mi dunct an u sermoen. 
Berecht mi waer si varen mogen, - 
Die gene die uwen wille doen. 

A, Bgcheit, ic machs wel hebben feeste, 
Dat God sprect tot minen dienare : 
475. »Salich sgn die arme van gheeste, 

Want hemelrijc is seker hare". 

iZ. Armoede, en behoren si niet alle mit Gode, 
Die geen goet en heeft noch scat 
Ende in pine sgn ende in node? 
480. Arm van geeste, wat is dat? 

R. R^'cheit, die arm van gheeste willen wesen, 
Hi moet sgn minne oftrecken säen 
Vander werlt, bi dat wi lesen, 
Ende s^ns willen wt te gaen. 

485. i2. Armoede, wat segdi van den armen, 

Die mgn geselscap geerne namen, 

Ende ic en wil haerre niet ontfermen. 

Dat si in m^n geselscap quamen ? 

A. B^cheit, die arme daer ghi of gewaget, 
490. Sgn die rampsalichste daermen af mach spreken, 

Ende die meest sijn geplaget, 

Want God ende die werlt heeft se vergeten. 



é66. Bs, hebs. — 491. Hs. geplaecht. 



( 176 ) 

JB. Armoede, mi duDct, arm nochte rike, 
En mogen comen int hemelsche hof, 
495. Si en sijn arm geestelike 

Ende deser werlt gesceyden of. 

Ä. B^eheit, ghi hebt waer geraden, 
Dat helpt mi int herte m^'n : 
Niemant en moet s^n herte verladen 
500. Met dingen die verganclic sgn. 

i2. Armoede, nu segt dat ghi wilt : 
U leringe is gerecht; 
ƒ. 132d, T^en u en stellic niet meer seilt, 

Want ghi hebt mi wel berecht. 

505, A. Rigcheit, God nam mgn leven an 

Ende scuwede tuwe, dits waerheit fijn, 
So dede menich heilich man, 
Die nu in hemelrike s^'n. 

i2. Armoede, ie kinne dat ghi waer segt ; 
510, Nu laet ons bidden den hogen God, 

Dat hi ons make so gerecht. 
Dat wi houden sijn gebod. 

A. Rgcheit, laet ons bidden zere 

Over die in state van graciën sgn, 
515. Datse God onse lieve Here. 

Daer in behoude tot in den fijn. 

R. Armoede, laet ons bidden mede 

Over die buten wege sgn van graciën, 
Datse God bi sijnre ontfermicheide 
520. Daerin bestiere in corter spaciën. 



508. Hs, hemelrijo. 



( 177 ) 
III. Penitencie tegeo Sollaes. 

Penitencie sprac totten SoUace : 
Tmeeste wonder mi in bli?et, 

Hoe ghi mit Gode seit hebben pace 
Yander weelde die ghi drivet. 

525. aS. Penitencie, ten is geen wonder 

Dat ghi s^t bleec ende verweloos 
Ende van herten sere tonder, 
Dat ghi u dus moeyt altoos. 

P. Sollaes, al dat gode ontsiet 
530. Is leet, dat s^n evenkersten gaet 

Buten den rechten wege ende vliet 
Ende na uwen dienste staet. 

S. Penitencie, bi dat ie merke, 

Ghi wilt minen dienst blameren : 
535. Kardenalen, biscopen, papen, clerken 

En willen mi niet cesseren, 

/'.l33a.P. Sollaes, mi en roect wie hi si, 

Ie en wilre niemant buten doen. 
Hi is verloren, blijft hi u bi, 
540. Al waer hi so vroet als Salomoen. 

/S. Penitencie, ie en hoorde nojt gewagen. 
Dat ghi yewaers waert geacht, 
Ende mi du net, ghi wilt u dragen 
Boven der clergiën macht. 

545. P. Sollaes, clergie ware sculdich te sine 

Een licht, so God selve was, 
Ende voor te gaen in de woestine, 
Nu scuwen si alle desen pas. 



540. Hs, Salomon. — 545. Es. sijn. 

TEBSL. BN M£P. AFP. LETTSSK. 3^0 bSBKS. DBEL XIL 12 



( 178 ) 

S. Penitencie, mi dunct wonder groot, 
550, Hoe dat ghi u dorret onderwinden, 

Vanden genen die weten al bloot 

Die leringe ons Heren ende connen vinden. 

P. Sollaes, haer leringe die is goet, 
Elc lever na, so wert hi fijn, 
555. Mer te volgen uwen voet 

Verbiet mi die redene mgn. 

S. Penitencie, ghi slacht den sot: 
U colve dunct u altoos best. 
Waendise doen houden u gebot, 
560. Die an mi so sgn gevest? 

P. Sollaes, alle die u minnen 

Ende mit genuechten u begeren, 
Die helle si daeran winnen 
Ende al dat hem mach deren. 

566. S. Penitencie, ie seg u wel : 

Myn dienres en willen u niet, 
TVantet waer hem alte fel, 
Daerom ist dat alle man vliet. 

P. Sollaes, God sprac: »mijn joc is socht, 
570. Ende mijn borden licht daertoe". 

So wie dan in Gods minne rocht, 
ƒ. 133&. Nummermeer hi mgn leven vloe. 

S. Penitencie, ie seg u al bloot, 
Die mgn joc heeft geproeft, 
575. U leven waer hem een doot: 

Men vint niemant wient genoecht. 

P. Sollaes, die niet en wil sterven. 

Eer die doot comt van naturen. 



555. Hs, barea voet. 



( 179) 

Sekerlic, die Gods erven 
580. En mogen hem nummermeer geburen. 

S. Penitencie, wats dat ghi segt 

Van desen sterven, bi dat u dunct? 
Mi denct, dat ghi hebt onrecht 

Ende dat ghi die waerheit verminet. 

585. P. SoUaes, ie seg u die waerheit fijn: 

Wien dat hemelr^c wert gegeven, 
Natuerlic genuechte die in hem sign, 
Moeten sterven in dit leven. 

S. Penitencie, waendi vervaren 
590. Mijn dienres, dies bid ie di? 

Waert also ghi begont gebaren, 

Mijn dienres mochten wel roepen: o wi! 

P. SoUaes, u dienres sijn al verloren, 

1st dat si niet en keren te m^nre minnen, 
595. Wantet is geseit te voren. 

Sonder mi en mach u niemant verwinnen. 

S. Penitencie, wat is dat ghi meent. 

Dat si souden comen in uwer scaren, 
Die in mi so sgn vereent, 
600. Seker, het mochte hem sere varen. 

P. SoUaes, die gode mint ende ontsiet, 

M^n leven en mach hem niet verleden, 
U leven en is el niet 

Dan haestelic ter doot werts reden. 

605. S. Penitencie, ghi en segt niet waer, 

Myn dienres syn wel te gemake, 

ƒ. 133c. Scone van live ende claer, 

Sterc van lede, dits waer zake. 

12* 



( 180 ) 

P. SoUaes, ic segge u, waert wel besocht, 
610. U dienres sijn in quaden wegen; 

6hi hebt meer luden ter doot gebrocht, 
Dan noyt mit zweerden sgn verslegen. 

S. Penitencie, segt mi mit desen: 

Hoe soudic mine dienres brengen ter doot, 
615. Ende al dat genuechlic hem mach wesen 

Doe ic hem hebben cleyn ende groot! 

P. Sollaes, die volget syns selfs lusten 
Ende gaet der naturen pas, 
Nature en laten nummermeer rusten 
620. Voor si en doot heeft, gelooft mi das. 

S. Penitencie, ghi wilt sgn vroet 

Van geestelicheiden ende van naturen: 
Ghi werct seker tegen spoet, 

Want ten mach u niet gebueren. 

625, P. Sollaes, hierbi willic bliven. 

Aile die u mit genuechten begeren, 
Ghi verhaest haer doot in siele ende in live 
Ende verliesent al al sonder weren. 

S. Penitencie, ghi hebt onrecht, 
630. Dat ghi van mi spreect blame ; 

Siet op u selven nu ende echt. 
Want van u coomt luttel vramen. 

P. Sollaes, die altoos waer wakende 
Om te doen minen raet, 
635. Hemelrijc waer hem nakende, 

Wantet inde ewangelie staet. 

S. Penitencie, groot ende smal 

Volgen minen raet, al hebdgs toren ; 



638. Hs. toorn. 



( 181 ) 

/*. lS3d. Het waer ummer groot ongeval^ 
640. Souden si daer om s^n verloren. 

P. Solaes, en merct op niemants leven 
Dan op Christus al eenlike, 
Want hi ons voren heeft gegeven 
Den wech te gaen te hemelrijke. 

645. S. Peniteneie, clergie weet wel 

Hoemen desen wech te gane pliet : 
Te minen dienste s^n si snel, 
Ie en canre niemant die mi vliet. 

P. SoUaes, die u niet en wil scuwen, 
650. Wie hi si te genen engiene, 

Sekerlijc hem mach wel gruwen, 
Watter hem of staet te geschiene. 

S, Peniteneie, ie en can niet verstaen, 
Waer mgn leven so seer quaet, 
655. Dat yemant achter mi soude willen gaen: 

Nu volgen si alle minen raet. 

P. Sollaes, hoe dar yemant sgn so stout, 
Dat hi u mit herten begeert ! 
Wi vinden bescreven so menichfout, 
660. Dat u God hadde so onweert. 

S. Peniteneie, hebbe mi onweert die mach, 
Ie bin weert mit menigen man, 
Om mi poochtmen nacht ende dach, 
So wel hem die mi gecrigen can. 

665. P. Sollaes, wee hem die om u pogen 

Ende haér minne hebben geleit an u. 
Seamen hem te comen voor ogen. 
Voor Gode, dio u was so scu ! 



( 182 ) 

S. Penîtencie, tîs menigen dach 
670. Dat ie hoorde seggen ende menige ure, 

Men neme gemac daermen hebben mach, 
f, 134a. Dat radie op alle avonturen. 

P. SoUaes, het gaet u te hortenen wt, 

Dat mach uwen dienres qualic behagen, 
675. Want so si meer soeken haren juut. 

So meerre werden hare plagen. 

S. Penitencie, dat ware fel, 

Waert also ghi hier segt. 
Mer ie hope an Gode wel, 
680. Dat hi niemant en sal doen onrecht. 

P. SoUaes, ie se^e : al uwen gesellen 
En mach God geen onrecht doen, 
Mids dat hise werpt in der hellen, 

Want hi en leefde noyt na uwen sermoen. 

685. S. Penitencie, ghi segt die waerheyde, 

Mer souden si al indie helle gaen. 
Die niet en doen als Christus dede, 
Het soude den menigen campelic staen. 

P. SoUaes, 80 waer enich let 
690. Van ons tert buten Christus wegen, 

Daer so werden wi besmet. 
SoUaes, wat segdi hier tegen? 

S. Penitencie, wat soudie seggen? 

Ghi maect mi herde seer in dolen ; 
695. Mi dunct dat ghi wilt ofleggen 

Tregement van mynre scolen. 



672. Hê, ovonture. — 673. bortenen Persia ik niet 



( 183 ) 

P. Sollaes, die sya ziele mint, 

Die verliest se, seit onse Here, 
Ende dier niet op acht een twint, 
700. Behoutse uten heischen sere. 

S. Penitencîe, ist also ghi segt. 

So radie eiken, die nu leeft. 
Gode te dienen, wantet is recht. 
Nadat hi so vriendelic vergeçft. 

705r P. SoUaes, god heeft die armen ondaen 

Om den sondaer tontfaen altenen, 

ƒ. 1346. Wil hi van sinen sonden afstaen, 

Alst wel scheen aen Magdalenen. 

5. Penitencie, ic lie verwonnen, 
710. Nadat God so ontfermich si. 

Het schijnt, dien minnen connen. 
Hi maectse alle van sonden vry. 

P. SoUaes, dat scheen wel, nu verstaet, 
Doe hi sgn zide ondoen liet, 
715. Ende seyde : »Vader, vergeeft hem haer misdaet. 

Want wat si doen en weten si niet !" 

S. Penitencie, dat gaet mi an 

Boven al dat ic noyt hoorde spreken : 
Ie bevele minen dienres, w^f ende man, ' 
720. Dat si Gods gebod nummermeer en breken. 

P. SoUaes, die volgen wil Gods raet. 
Hi sal hebben ewich leven ; 
Bliscap sonder eynde, dat verstaet, 
Wert hem in hemelryc gegeven. 

725. S. Penitencie, mijn dienres syn sot, 

Want m^n weelde en mach niet duren, 



( 184) 

Elc houde hem anden oppersten Qod, 
Wies weelde en vergaet te geenre uren. 

P. SoUaeSf laet ons bidden sterke 
730. Der edelre dracht Sinte Marien^ 

Dat hi in ons luden werke, 
Dat s^n lof moet bedien. 

S. Penitencie, wellieve Penitencie, 
Ie bid Gode ende gewage, 
735. Dat hi ons verre van der zwaerre sentencie, 

Die wert gegeven ten utersten dage. Amen. 



Den tekst heb ik getrouw naar het handschrift afgedrukt : 
alleen heb ik oe, waar dit teeken de waarde heeft van oo, 
veranderd in oo (het hs. heeft nu eens oe en dan weder oo)^ 
ten einde onduidelykheid en eene verkeerde uitspraak te 
voorkomen Ook heb ik enkele hoofdletters aangebracht. 
Aangaande den maker van het gedicht ben ik evenmin in 
staat iets mede te deelen als aangaande de bron, waaruit 
het is geput, indien het nl. eene vertaling mocht zgn, het- 
geen uit het gedicht zelf niet blijkt. Over de soort van 
gedichten, waartoe het behoort, vergelijke men Suringar, 
Seneka leren, bl. XXIV vlg. ; Willems in Belg. Mus. 5, 
76 noot. Zie ook boven bl. 137, 



GEWONE VEBOABERINO 

DER AIDEELTNG 

TAAL-, LETTEK-, GESCHIEDKUNDIGE EN WDSGEEEIGE 

WETENSCHAPPEN, 

GEHOUDEN DEN 9den DECEMBER I89S. 



Tegenwoordig de heeren : keen, Voorzitter, beets, matthes, 

NABEB, VAN BONBVAL FAUEE, VAN DEE WIJOK, VAN HEEWEEDEN^ 
COSIJN, ASSEE, FLEYTE, TIELE, N. G. FIEESON, DE LOUTEE, FOCKEMA 
ANDEEAE, CHANTEFIE DE LA SAUSSAYE, F. L. MTJLLEE, HAMAKEE, 
HOUTSMA, VAN LEEUWEN, VALETON, KLUYVEE, BLOK, VAN DEN 

BBEG, EOGGE en SFEUYT, sccretaris. 



De heeren S. Muller Fzn. en de Hartog hebben bericht 
gezonden dat zy de vergadering niet kunnen by wonen. 



Het Proces- Verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en goedgekeurd. 



De Secretaris deelt mede dat voor den wedstrgd in 
Latgnsche poëzie zgn ingekomen twee gedichten, een met 
den titel SmilcLx et Crocus en het motto: Et crocon in 
parvoa versum cum smilace fioree^ en een met den titel 
Votum en het motto : In te misericordia, in te pietate ; en 
Toorts een brief van Dr. M. N. J. Moltzer, inhoudende een 



( 186 ) 

dankbetuiging voûr de deelneming der Akademie in het 
overlijden zijns vaders; van de Kamer van Koophandel te 
Amsterdam afdrukken van adressen aan Zijne Excellentie, 
den Minister van Binnenlandsche Zaken en aan de Tweede 
Kamer over de plaats^ waar *s R^ks ethnographisch Museum 
behoort gevestigd te worden ; en eindelyk, voor de boekerig, 
van het Nederl. Luthersch genootschap voor in- en uitwen- 
dige zending: -»Toeria Niamonio, B^belsche verhalen", 
vertaald in het Niassisch dialect van de Batoe-eilanden 
door C. W. Frickenschmidt, Rotterdam 1895, en van Prof. 
G. Schlegel; Henri Cordier -»Fragments d'une histoire des 
études chinoises au XVIII® siècle\ Paris 1895. 



Namens de Commissie bestaande uit de beeren Cos^'n en 
Fockema Andreae brengt de heer Cosgn verslag uit over 
een verhandeling van den heer W. L. van Heiten, getiteld : 
Zur Lexicologie des Altwestfriesischen, en stelt voor die 
verhandeling in de werken der Akademie op te nemen. 
De vergadering vereenigt zich met deze conclusie. 



Daarna verkrijgt de heer N. G. Pierson het woord tot 
het houden zgner aangekondigde voordracht over eenige 
problemen met betrekking tot de theorie van het arbeids- 
loon. Hg bespreekt achtereenvolgens uitvoerig een drietal 
problemen. Het eerste betreft den invloed van technische 
verbeteringen, die in bezuiniging op handenarbeid bestaan. 
Spreker betoogt dat die invloed op zich zelf altgd ongunstig 
is voor de loonen, gunstig daarentegen voor den rentestand. 
Maar de winsten, door de bezuiniging verkregen, leiden 
tot grooter kapitaalvorming en zoo kan het werktuig door 
zgn talrgkheid zijn eigen concurrent, des arbeiders bond- 
genoot worden. Dit zal echter alleen dan geschieden, als 
die winsten niet verteerd, maar opgelegd en voor de uit- 
breiding der ondernemingen worden aangewend. Dit ge- 
schiedt in den regel b^ particuliere ondernemingen, minder 



( 187 ) 

by naaralooze Yennootschappen. — Het tweede probleem heeft 
betrekking op de Verkorting van den arbeidsduur. Kan 
hierdoor de werkloosheid worden yerminderd ? Spreker 
toont aan dat, Toor zoover die maatregel yermindering 
brengt in de arbeidspraestatie, maar tevens eene evenredige 
vermindering in de dagloonen, het antwoord op de gestelde 
vraag toestemmend moet zgn. Ten onrechte is beweerd dat 
die vermindering in de dagloonen kan worden ontgaan. De 
werkloosheid kan door het genoemde middel slechts op 
kosten der loontrekkenden bestreden worden; het verlies, 
dat zy zullen l^den, wordt echter op den duur voor elk 
individu geringer, omdat het zich zeer verdeelt. — Het derde 
probleem is dat der werkverschaffing. Spreker betoogt dat 
z^ een t:gdel^k karakter moet dragen, maar ook een op* 
voedend karakter. Treedt zij hierdoor op het terrein der 
particuliere n^ verheid — een economische bedenking, die 
voor velen overwegend is en vroeger tot de ongerijmdste 
w^zen van werkverschaffing geleid heeft — zoo overschatte 
men niet de daaruit ontstaande bezwaren, die zich van zelf 
zullen oplossen en by geleidelyke invoering van het op 
ethische gronden meest verkieselyk stelsel van werkver- 
schaffing zelfs geheel ontgaan zyn. — Ten slotte behandelt 
Spreker het in den vorigen winter te Amsterdam toegepaste 
stelsel: productie van nuttige zaken, die echter niet ver- 
kocht, maar weggeschonken worden. Hoeveel waardeering 
h y ook voor die poging heeft, de combinatie van twee 
soorten van liefdadigheid, waardoor zig gekarakteriseerd 
wordt, schgnt hem bedenkelyk en de productie van nuttige 
zaken, die verkocht worden, meer aanbevelenswaardig. 

De Voorzitter dankt den Spreker voor zijne bydrage en 
vraagt of deze bestemd kan worden voor de Verslagen en 
Mededeelingen. Nadat de Spreker deze vraag toestemmend 
beantwoord heeft, oppert de heer Asser, hulde brengende 
aan het door den Heer Pierson gesprokene, bedenkingen 
tegen wat deze over één bepaald punt, de naamlooze ven- 
nootschappen, gezegd heeft. Het getuigt van eenzydigheid, 
als men beweert dat door het bezigen van dezen vorm van 
associatie de kapitaals vorming wordt tegengewerkt. Al 



( 188) 

moge het waar zijn dat somtijds de winsten of een deel daar- 
van tot uitbreiding der zaak zouden zgn aangewend, indien 
die zaak niet door eene naamlooze vennootschap, maar door 
een particulier werd geëxploiteerd, daartegenover staat het 
feit dat vele ondernemingen in het geheel niet tot stand 
zouden komen, indien de vorm van naamlooze vennootschap 
of actiënmaatschappg niet bestond. Spreker licht dit punt 
nader toe en wgst ten slotte aan dat misschien, vooral bg 
fabrieken en dergelgke ondernemingen, de commanditaire 
vennootschap met aandeelen de voorkeur zou verdienen 
boven de eigenl^ke naamlooze vennootschap. — De heer de 
Louter, zich eveneens aansluitende b:g den dank, door den 
Voorzitter betuigd, wgst op de moeil^kheid van werkver- 
schaffing, als die zal leiden niet tot het geven van bezig- 
heid maar tot het produceeren van iets nuttigs. Te Utrecht 
bleken zeer vele werkloozen geen ambacht te verstaan en 
moest daarom de commissie voor werkverschaffing hare toe- 
vlucht nemen tot sommige werkzaamheden zooals touw- 
pluizen en erwtenlezen, waarbij de nuttige opbrengst geens- 
zins in redelyke verhouding stond tot de uitgaven. In de 
tweede plaats uit hij de vrees dat de door den heer Pierson 
aanbevolen vorm van werkverschaffing ten onrechte bg de 
arbeiders de overtuiging kan doen ontstaan dat de meerge- 
goeden het in hun macht liebben de werklieden in staat te 
stellen zelf hun brood, te verdienen, omdat de arbeiders 
niet begrijpen dat de werkverschaffing een vorm van lief- 
dadigheid is. 

In antwoord op deze opmerkingen zegt de Spreker dat 
wat h^ over de naamlooze vennootschappen gezegd heeft 
hem voorkomt niet onjuist te zijn en niet door den heer 
Asser wederlegd, maar wel onvolledig en door diens be- 
schouwingen aangevuld. Ook de heer Asser bleek niet 
volkomen tevreden met de werking der naamlooze vennoot- 
schap en beval voor sommige gevallen de commanditaire 
aan, waarb^ het door Spreker genoemd bezwaar niet in 
dezelfde mate bestaat. Beschikbaarstelling van een deel der 
winst tot uitbreiding der onderneming is biy de naamlooze 
vennootschap een uitzondering. Het door den heer de Louter 



( 189) 

vermeld bezwaar, uit de onbekwaamlieid van vele werk- 
loozen voortvloeiend, werd te Amsterdam en te 's Graven- 
hage niet in hinderlgke mate ondervonden. En zgne paeda- 
gogische bedenking kan niet gelden, als de door de werk- 
verschaffing geholpen menschen maar duidel^'k bemerken 
wat hun werk opbrengt; iets, dat juist plaats heeft, als men 
productieven arbeid laat verrichten. Tusschen de eischen der 
ethiek en die der economie bestaat inderdaad de schoonste 
overeenstemming. 



Na de rondvraag, waarbij de heer Tiele voor de boekerg 
aanbiedt de eerste helft van Deel II zyner »Geschiedenis 
van den godsdienst in de Oudheid tot op Alexander den 
Groote", wordt de vergadering gesloten. 



VERSLAG 

OVEB EKNE BJJDRAGE VAN DKN HEER VAK HELTEN, 

GETITELD 

ZUR LEXICOLOGIE DES ALTWESTFRIESISCHEN. 



Ons geacht medelid Van Heiten heeft reeds in de Ver- 
gadering van 11 November 1895 eenige artikelen van z^ne 
bedrage Zur Lexicologie des Altwest friesischen voorgelezen en 
met tal van b^zonderheden toegelicht. Uit de daarop ge- 
volgde discussie bleek duidelijk met hoeveel belangstelling, 
ook bij verschil van zieuswgze, de aanwezige leden van z^ne 
beschouwingen hebben kennis genomen. Op ons rust thans 
de taak over die artikelen, welke iiiet ter tafel kwamen, 
verslag uit te brengen. Voldoende aan die vereerende op- 
dracht, heeft Uwe Commissie met aandacht de talrijke 
woordverklaringen en juridische beschouwingen des geachten 
Schr^vers nagegaan en, waar zij zich minder met het voor- 
gestelde vereenigen kon, in kantteekeningen haar afwijkend 
gevoelen kenbaar gemaakt, in de hoop dat deze hier en 
daar tot wijzigingen aanleiding zullen geven. Het stuk 
in zijn geheel is alleszins waardig om in de Werken der 
Akademie te worden opgenomen en daarom stellen w^ U 
voor het te laten drukken. 

P. J. COSIJX. 
FOCKEMA ANDREAE. 



EENIGE PROBLEMEN MET BETREKKING TOT DE 
THEORIE VAN HET ARBEIDSLOON. 



DOOR 



N. G. PIERSON. 



Ik wensch de aandacht te bepalen bg een drietal econo- 
mische problemen, waarvan het eerste zoo dikwerf is be- 
handeld en naar het oordeel van de meeste beoefenaars 
der staathuishoudkunde zoo volkomen is oppjelost, dat het 
bevreemding zal wekken, wanneer ik het onder de ernstige 
problemen bl^f rangschikken. Het betreft den invloed der 
werktuigen, of algemeener gesproken, den invloed van 
technische verbeteringen, die in bezuiniging op handen- 
arbeid bestaan, op het loon. Het tweede is wel niet nieuw, 
maar trad in den laatsten t^d meer dan vroeger op den 
voorgrond ; het luidt aldus : kan verkorting van den arbeids- 
dag een middel zgn tot bestriding der werkloosheid ? Ik 
geloof te kunnen aantoonen, dat zoowel degenen die dit 
loochenen, als die dit ontkennen, in dwaling zgn vervallen 
de eersten, doordien zy voorbgzagen, dat onder bepaalde 
voorwaarden verkorting van arbeidsduur wel degelijk de 
werkloosheid kan tegengaan; de anderen, doordien zij op 
die voorwaarden niet hebben gelet. Het laatste der drie 
problemen, die ik mg voorneem te behandelen, betreft een 
bg uitstek practisch onderwerp, dat der werkverschaffing. 
Misleid door een economische theorie, die vrij algemeen 
als juist wordt aangenomen, is men er reeds sedert lang 
toe gekomen aan de werkverschaffing een verkeerde rich- 
ting te geven; een richting, op ethische gronden door hen 



( 192) 

die haar volgen zelven afgekeurd, maar op economisclie 
gronden onverm^delyk geacht. Ik geloof dat die onver- 
m^del^kheid niet bestaat en dat de werkverschaffing, die 
ethisch de beste is, zich economisch volkomen laat recht- 
vaardigen. 



I. 



De werktuigen en het loon is het eerste onderwerp. Men 
weet hoe in arbeiderskringen, en in deze niet alleen, daar- 
over wordt gedacht. In het werktuig, eigendom van den 
patroon, wel te onderscheiden van het gereedschap, eigendom 
van den arbeider, ziet deze laatste veelal zyn grooten 
mededinger. Het werktuig maakt hem overbodig. Ver- 
dwenen alle werktuigen, dan zouden de loonen belaugrgk 
hooger zijn. 

Ten onrechte is op deze redeneering met minachting 
neêrgezien. Wie bewysgronden zoekt voor de populaire op- 
vatting omtrent den invloed der werktuigen op het loon, 
behoeft waarlijk niet verlegen te staan; h^ vindt ze by 
schrijvers als Hobson, The evolution of modern capitalism, 
of Schoenhof, The economy of high wages, om van vele 
anderen te zwegen. Hij kan aantoonen dat alom, waar de 
loonen hoog zijn, de verbetering der werktuigen — om de 
taal onzer Grondwet te spreken — >een voorwerp van de 
aanhoudende zorg" der fabrikanten is. » ïhe pressure of high 
wages, zegt Hobson, is an economie force more powerfully 
operative than any other in stimulating the adoption of 
elaborate machinery". En de Amerikaan Schoenhof, door 
zgne regeering met een onderzoek naar de loonen in Ame- 
rika en Europa belast en door dat onderzoek omtrent de 
industrieele toestanden in de verschillende landen b^ uitstek 
volledig ingelicht, zegt: »The law of gravitation is not 
more absolute than this, that where, as in America, the 
rate of wages of labor per diem is a high one, the first 
object of the employer is to economize its employment. 
The result is that in no country is the organization of 
labor in mills and factories so complete as in the United 



( 193 ) 

States. In no country îs the application of machinery 
carried to the extent to which it is carried in the United 
States". Op eene andere plaats zegt h^ : »We are inven- 
tors hy compulsion". Wat beteekenen deze mededeelingen, 
zoo niet, dat het werktuig den arbeider vervangt, dus zgn 
gevaarl^kste concurrent is? 

Begeven w:g ons van het gebied der waarneming op dat 
der redeneering, dan komen w^ tot dezelfde slotsom, naar 
het schignt. Een der vele argumenten, waarmede men 
pleegt aan te toonen, dat de arbeiders door onderlinge 
samenspanning het loon niet duurzaam kunnen verhoogen, 
luidt aldus: Verhoogt men het loon kunstmatig, dan drukt 
men de rente, want op het economisch grensgebied der 
voortbrenging (waar geen pacht of ondernemerspremie te 
verdienen is) wordt de opbrengst van het product tusschen 
kapitaal en arbeid verdeeld. Maar zoodra de rente daalt 
en het loon stggt, ontstaat een belang bg de ondernemers 
om meer kapitaal en minder arbeiders te gebruiken. Dien- 
tengevolge wordt handenarbeid overvloedig en keert het 
loon terug tot het vroegere peil. Tegen deze redeneering 
is niets in te brengen, voor zoover ik weet, doch zg geeft 
steun aan de populaire opvatting. De ondernemers gaan 
meer »kapitaal" gebruiken, dat is: zg gaan meer werktui- 
gen gebruiken. Handenarbeid wordt overvloedig; dat is: de 
machine verdringt den werkman. 

Wat pleegt men hier tegenover te stellen, en op welke 
gronden durft men nochtans verzekeren, dat de middelen 
tot bezuiniging op arbeid ten slotte tot verhooging strekken 
van het loon? Men redeneert aldus: aanvankelijk zal de 
invoering van het werktuig ten gevolge hebben dat arbei- 
ders worden weggezonden. Maar eerlang daalt, door uit- 
breiding der industrie, de prgs van het voortbrengsel. In 
1777 kostte een Engelsch pond katoenen garens (N^. 40) 
16 shillings, in 1882 slechts lO^/g pence, zijnde een daling 
van 100 op 5.4, waartoe de prgsverlaging der grondstof 
wel heeft bggedragen — deze was inmiddels gedaald van 
100 op 30 — doch slechts voor het kleinste deel. Dank 
zg dezen loop der dingen strekt de invoering van het we rk- 

TBBSL. EU MEP. AFP. I.KTTESK. 3d« BSESS DZVhXïL 13 



( 194) 

tuig ten voordeele van iedereen, en reeds daarom ten voor- 
deele der arbeiders, de talrijkste klasse der bevolking, Zy 
kunnen zich tot lagere prezen van alle benoodigdheden 
voorzien, en na eenigen t:yd zijn er meer arbeidskrachten 
noodig dan vroeger, zelfs in den tak van nijverheid, waar 
aanvankel^'k de behoefte daaraan verminderd is. De Engel- 
sehe spinner^en gebruikten in 1819 — 1821 111000, in 
1880—1882 240000 arbeiders, en in het tweede cijfer 
waren meer volwassenen begrepen dan in het eerste. Zoo 
ging het hier, en zoo ging het in meerdere of mindere 
mate overal. Er is dikwgls een moeilgke t^d van over- 
gang, doch is die voorbij, zoo ondervindt men van de nieuwe 
werktuigen louter voordeden. De arbeidsloonen z^n in den 
loop dezer eeuw gestegen; dit feit is even onloochenbaar 
als z^ne oorzaak duidel^k. Door uitvinding op uitvinding 
heeft de mensch een grootere heerschappg verkregen over 
de natuur, en de onderlinge concurrentie der kapitalisten 
heeft belet dat de daaruit ontspruitende voordeelen slechts 
hen zouden verryken. Waar bleef anders het nieuw ge- 
vormde inkomen? De pachten zyn in de laatste jaren ge- 
daald, het bleef dus niet b^ den grondeigenaar. Gedaald is 
ook de rentestand, het bleef dus niet bij het kapitaal. Bleef 
het dan bg den ondernemer misschien? De moeilgkheid, 
die zelfs bekwame, maar onbemiddelde ondernemers hebben, 
om kapitalisten tot deelneming in hunne zaken te bewegen, 
pleit niet voor deze onderstelling. Het meerdere inkomen, 
vrucht der verhoogde productiviteit van den door werktui- 
gen ondersteunden arbeid, verrijkte het mensch dom in zijn 
geheel, en zgn talrgkste afdeeling inzonderheid. 

Aldus pleegt men te spreken, en ongaarne zou ik aan- 
leiding geven tot het misverstand, als weigerde of aarzelde 
ik zelfs, om de slotsom dezer redeneering te onderschrijven. 
Z^* zondigt alleen hierin, dat zij over iets zeer gewichtigs 
heenglydt. De stelling : bezuiniging op arbeid geeft hooger 
loon, is als zoodanig onverdedigbaar. Maar bezuiniging op 
arbeid wordt, wanneer z^ plaats heeft op groote schaal, 
steeds achertvolgd door iets anders, dat gunstig op de loo- 
nen werkt. Dat andere is tot dusverre nooit uitgebleven; 



( 195 ) 

doch niets vergunt ons met volstrekte zekerheid te voor- 
spellen, dat het nooit uitblijven zal, hoe waarsch^nl^k dit 
ook wezen moge. Bezuiniging op arbeid op zich zelve werkt 
alt^'d in de richting van loonsvermindering. Maar z^ brengt 
tegelgkert^d iets voort, waaruit eene beweging, ik zeg niet 
moet, maar kan ontspruiten, die de ongunstige werking der 
bezuiniging op arbeid geheel te niet doet^ ja in eene bg 
uitstek gunstige doet verkeeren. Dit behoorde men aan te 
toonen, met verm^ding der fout van waarschijnl^kheden 
voor noodzakel^kheden aan te zien. Er is geen automatisch 
gunstige invloed van het werktuig op het loon. Er is gun- 
stige invloed onder een bepaalde voorwaarde, en het is van 
zeer groot belang dat w^ die kennen. 

Welke deze voorwaarde is, zal duidelijk kunnen worden 
door uitwerking van de volgende hypothese. In een land, 
waar alle kapitalen z^n belegd, worden op groote schaal 
nieuwe werktuigen ingevoerd en arbeiders afgedankt. De 
ondernemers maken nu belangrgke winsten, en die winsten 
— op dit gedeelte der hypothese moet inzonderheid de aan- 
dacht vallen — worden niet opgelegd (zelfs niet tydel^k, 
voor een enkel jaar byvoorbeeld) maar geheel en terstond 
verteerd. Dft laatste, de onmiddellyke vertering, is byna 
ondenkbaar, want tusschen het t^dstip waarop de winsten 
gemaakt zijn en dat, waarop de ingekochte zaken worden 
betaald, verloopen allicht eenige maanden of weken, en in 
die maanden of weken vergrooten de winsten het kapitaal- 
aanbod. Volgt het eene voorspoedige jaar op het andere, 
zoo kan, zelfs bij volledige vertering van al het verdiende, 
een duurzame vermeerdering van kapitaalaanbod daaruit ont- 
staan. Doch het bijna ondenkbare worde oudersttld, opdat 
aan het licht trede wat hier moet worden opgemerkt. 

Ik vraag": van waar moet onder zulke omstandigheden 
loonsverhooging komen? Men vindt slechts oorzaken van 
loonsverlaging. De mededinging, zegt men, zal toenemen 
in de bedreven, waar groote winsten worden behaald. Dit 
beteekent, dat aan andere bedrijven kapitaal zal onttrokken 
worden en de werkloosheid zich verplaatsen zal. Natuur- 
lek kan deze toestand niet bl^vend zgn; maar het even- 

13* 



( 196) 

wîcht tusschen vraag en aanbod van arbeid kan zich slechts 
herstellen op een lager dan het vroegere loonpeil; gelijk 
het door vermeerdering van behoefte verbroken evenwicht 
tusschen vraag en aanbod van kapitaal slechts hersteld kan 
worden door verhooging van den rentestand. Er is in deze 
geheele beweging niets dat den arbeider kan bevoordeelen. 
Sommige goederen zullen dalen in prijs ; het zgn die waar- 
van de voortbrenging vermeerderd is. Daarentegen zullen 
andere duurder worden ; het zgn die,, aan welker voort- 
brenging kapitalen z^n onttrokken. De kapitalist is de 
eenige die wint, en hy wint zelfs door de grootere verte- 
ringen der fabrikanten. Nu duurzame, noch tydelijke ver- 
meerdering van kapitaal uit de nieuwe winsten ontstaat, 
zullen de bestellingen, ten behoeve van die verteringen ge- 
daan, slechts uitgevoerd kunnen worden ten koste van andere 
productie, dat is, door onttrekking van kapitaal aan andere 
bedrijven ; zoodat evenveel arbeiders broodeloos worden als 
ter voldoening aan de nieuwe vraag werk zullen vinden. En 
geven de verteringen der fabrikanten aanleiding tot het 
bouwen van groote winkels, restaurants, woonhuizen, dan 
zal het getal der aangenomen arbeiders zelfs kleiner z:gn 
dan dat der afgedankte. 

Men kan m^ evenwel iets tegenwerpen, dat alle aandacht 
verdient. Het nationaal vermogen in een rgk land pleegt 
voor een gedeelte uit buitenslands verkoopbare effecten te 
bestaan. De verhooging van den rentestand zal velen tot 
prikkel zijn om zich van effecten te ontdoen, en het in ruil 
uit het buitenland verkregen kapitaal zal plaatsing vinden 
in de nijverheid. Inderdaad, dat zal geschieden; maar deze 
tegenwerping brengt mij op het punt, waarop ik komen 
wilde. Zoolang geen nieuw kapitaal in de ngverheid wordt 
aangewend — onverschillig of het zijn oorsprong heeft in 
eigen of anderer besparing en gevormd zg in het land zelf 
of van elders aangevoerd — is het gebeurde voor de arbei- 
ders een bron van onvermengd leed. Eerst dan, wanneer 
dat nieuwe kapitaal verschynt, ontstaat een beweging die 
ten gunste der algemeene welvaart strekt. 

De gewone redeneering, waaruit de weldadige invloed 



( 197 ) 

der Werktuigen op liet loon moet blyken, onderstelt juist 
datgene, waaraan die weldadige invloed te danken is; on- 
derstelt het, maar zegt het niet, legt daarop geen nadruk. 
De groote winsten, die het gevolg zijn van vermindering 
der voortbrengingsmoeite in een tak van bedrijf, lokken 
kapitalen daarheen^ zoo wordt ons herinnerd. Ja, daarheen, 
dat valt niet te loochenen. Daarheen, om voor een groot 
deel te worden omgezet in werktuigen, die arbeiders over- 
tollig maken. En de slotsom luidt: nu zal de vraag naar 
handenarbeid, die aanvankelijk verminderd is, toenemen, 
terw^l door de onderlinge mededinging der fabrikanten de 
prgzen der goederen, die met de nieuwe werktuigen wor- 
den voortgebracht, zullen dalen. Er ontbreekt iets aan 
deze redeneering : men verzuimt te letten op hetgeen gebeu- 
ren moet in de nijverheid, waaraan kapitaal onttrokken is. 
Men staart zich blind op hetgeen voorvalt in het bedrijf, 
waar de technische vooruitgang plaats vond en vervalt in 
de fout, die men zoo gaarne anderen verwgt : voor ce quon 
voit te veronachtzamen ce qu*on ne voit pas. Bezuiniging 
op arbeid op zich zelve, het kan niet genoeg worden ge- 
zegd, is louter voordeel voor het kapitaal; daardoor st^gt 
niet het loon, maar stijgt de rente ten koste van het loon. 
Eerst dan zal het eindresultaat gunstig z^n voor den arbei- 
der, als nieuwe productiemiddelen worden toegevoerd; en 
zal deze toevoer niet elders armoede veroorzaken, dan moet 
het nieuwe kapitaal zgn oorsprong vinden in besparingen. 
Met andere woorden: de door bezuiniging op arbeid be- 
haalde winsten moeten niet worden verteerd, maar opge- 
legd. De gunstige werking van die bezuiniging is nooit 
automatisch ; zg bestaat alleen, voor zoover aan een bepaalde 
voorwaarde wordt voldaan, en ik meen te hebben aange- 
toond welke die voorwaarde is. 

De ervaring leert, dat daaraan meestal wordt voldaan. 
Wie veel verdient legt doorgaans op, en hoe onverwachter 
de groote verdiensten komen, des te geringer is het gevaar 
dat zg geheel of zelfs voor het meerendeel verbruikt zullen 
worden. Men verandert zijn levensvoet niet van den eenen 
dag op den anderen; ook ontbreekt het nooit aan bedacht- 



( 108 ) 

zame Heden, die, alvorens meer te verteren, willen zien 
of het grootere inkomen duurzaam is Sterk is bij velen 
de wensch om iets beschikbaar te houden voor slechte 
t:gden^ of iets na te laten aan vrouw en kinderen. Daarb^ 
komt, dat juist de voorspoedige industrieel de voordeelen 
van kapitaalbezit op groote schaal heeft leeren kennen. H^ 
heeft grond om te verwachten, dat aanschaffing van meer 
werktuigen, uitbreiding der zaak in het algemeen, de win- 
sten zelfs percentsgew^ze zal doen toenemen. En de bloei 
der onderneming gaat hem, wiens leven daaraan voor een 
groot deel is gew^d, onafhankel^k van de stoffelgke voor- 
deelen die zg hem verschaft, ter harte. IJdelheid speelt 
hier een rol, maar niet de eenige en niet de hoofdrol. De 
liefde van den mensch voor zgn werk is een zgner schoon- 
ste eigenschappen. Overal waar de n^verheid aanzienl^ke 
winsten geeft, worden die winsten voor een belangrgk deel 
gekapitaliseerd, en daaraan, daaraan alleen is het te dan- 
ken, dat hetgeen oorspronkelijk den arbeiders tot nadeel 
strekte, hun tot zegen wordt, ja tot onvermengden zegen. 
Maar zullen de oorzaken, die dit gunstig resultaat teweeg- 
brengen, onverzwakt bleven werken? Er is iets dat hier 
zorg baart: de opkomst en de uitbreiding der naamlooze 
vennootschap. De negentiende eeuw heeft deze groote 
Anonyma niet geschapen, maar wel ten troon verheven 
en haar grondgebied aanmerkelgk vergroot. De naamlooze 
vennootschap heeft veel goeds ; z:y bindt het kapitaal aan 
de zaak; dit echter is hare schaduwz^de, dat z^ hare 
winsten uitdeelt, dus verspreidt, niet aanwendt tot ver- 
grooting der onderneming. Er zijn wel hulpmiddelen om 
aan dit bezwaar eenigszins te gemoet te komen. Men 
vormt een reserve, men schrijft af waar geen afschrgving 
meer noodig is, men sticht onder den een of anderen naam 
^en fonds, dat inderdaad niets anders is dan een tweede 
reservefonds. Maar dit zgn louter palliatieven. De voor- 
spoedige fabrikant, die voor eigen rekening werkt, heeft 
al die kunstmiddelen niet noodig en breidt zgn kapitaal 
veel sneller uit, want er zgn geen statuten, geen commis- 
sarissen, geen algemeaue vergaderingen, die hem de wet 



( 199) 

Yoorschryven. Elimmen zyne verdiensten, zoo is er niets 
dat hem belet ze voor het grootste deel op te leggen, en 
wie in de wereld van handel en industrie te huis is kan 
voorbeelden genoeg aanvoeren van personen, die jaren 
achtereen de grootste zuinigheid hebben betracht, schoon 
hunne winsten zeer belangr^k waren. Doch elk van ons 
kan zulke voorbeelden noemen. W^ behoeven slechts den 
blik te wenden naar sommige deelen van ons eigen land, 
waar een bloeiende n^ verheid is ontstaan, grootendeels uit 
zelfgevormde kapitalen. De kapitalen, die de naamlooze 
vennootschap vormt, z^n daarbij vergeleken gering. Zg kan 
hare productiemiddelen wel sterk vergrooten, maar dan 
geschiedt dit door uitgifte van aandeelen en obligatiën, dus 
door kapitaal te onttrekken aan andere bedr:yven. 

Men moet de beteekenis dezer schaduwz^de niet te hoog 
aanslaan, want ook' dividenden en tantièmes kunnen worden 
opgelegd; al komen z^ dan niet ten goede aan de n^ver- 
waaruit z^ z^n ontstaan, de nijverheid in het algemeen 
wordt door dien opleg toch gesteund. Toch moet het 
nadeel waarop ik wees niet worden voorbijgezien. De 
weldaden, die de invoering van werktuigen aan het mensch- 
dom heeft verschaft, zijn allerminst denkbeeldig ; maar zij 
verschafte die, omdat zij tot grooter kapitaalvorming aan- 
leiding gaf. Ware deze achterwege gebleven, dan zou 
weinig goeds de vrucht zijn geweest van al die uitvindingen 
op mechanisch gebied, die geheel ons maatschappelijk leven 
hebben gewijzigd, ja vervormd. Het is van groot belang, 
dat de prikkel tot kapitaalvorming niet verzwakt worde, 
en éénige verzwakking is wel te duchten van de opkomst 
der naamlooze vennootschap, die den kapitalist en de on- 
derneming 364 dagen van het jaar van elkander scheidt, 
en ze slechts op éénen dag, den dag der algemeene verga- 
dering, sch^nbaar elkander doet ontmoeten. 

Eer ik van dit onderwerp afstap z:g nog opgemerkt, dat 
de hier voorgedragen beschouwing de naamlooze ellende 
verklaart, die op het eind der vorige eeuw en later in 
Engeland is geleden. Plotseling werd een groote uitbrei- 
ding gegeven aan het gebruik van werktuigen. Noemens- 



( 200 ) 

waardige hoeveelheden buitenslands verkoopbare effecten 
bezat Engeland dest^ds niet, zoodat weinig kapitaal door 
uitvoer van fondsen kon verkregen worden. Weldra kwam 
de oorlog met Frankr^k, die schatten verslond, dus een 
goed deel der besparingen deed te niet gaan. Lot daarb^ 
op het gemis van strenge wetsbepalingen tegen den kin- 
derarbeid, de gemakkel^kheid waarmede deze in de plaats 
kon treden van den arbeid der volwassenen. Er is veel 
kwaad gesproken van de vr^gevigheid, waarmede de armen- 
wét in die jaren is toegepast, en ik zal niets in bescher- 
ming nemen van hetgeen het bekende Report der Poor^ 
law Commissioners van 1834 afkeurt. Maar vrggevigheid 
was noodig, waar zoovele oorzaken van verarming samen- 
werkten. Door de aanzienlijke staatsleeningen en de stoornis 
van het buitenlandsch verkeer werd de werking van het 
zoo dringend noodige correctief, waarvan ik b^ herhaling 
sprak, grootendeels veredeld. 

Ik geloof niet, . dat invoering of verbetering van werk- 
tuigen thans nog zulke droevige gevolgen hebben kan. Er 
ligt een groote waarborg in den overvloed van alom ver- 
koopbare effecten in de meeste landen; voorts in den 
nauwen band tusschen de verschillende geldmarkten. Char- 
les Booth heeft gezegd, dat de moderne industrie niet be- 
staan kan zonder een »reserve of labour'*. Dit is waar, 
doch zg kan evenmin bestaan zonder een kapitaalreserve, 
en die kapitaalreserve verplaatst zich met verwonder- 
l^ke snelheid van de eene geldmarkt naar de andere. 
Bg opkomende behoefte wordt zg het eerst aangespro- 
ken; bl^kt zg onvoldoende, dan st^'gt, ter plaatse waar 
deze toestand zich voordoet, de rente voor korte cre- 
dieten aanmerkel^k, en toevoer van kapitaal uit het 
buitenland is daarvan het gevolg. Daar die toevoer van 
verschillende punten komt^ schept hg nergens een te kort 
van zoodanige beteekenis, dat ernstige ongelegenheid daar- 
uit kan voortvloeien; zoo althans is de loop van zaken 
gewoonligk, onder normale omstandigheden. Voorts is het 
niet waarschgnlgk, dat zulke omwentelingen in de ny ver- 
heid, als het stoom werktuig deed ontstaan, zich op nieuw 



(201 ) 

Äulleii Voordoen. Het is wel mogelijk, dat voor den stoom 
als beweegkracht electriciteit in de plaats treedt, maar het 
mag betwgfeld worden of dit roeren zal tot groote bezui- 
niging op handenarbeid. De smarten, de barensweeën, die 
de geboorte der nieuwere industrie heeft doen l^den, be- 
hooren nu tot de geschiedenis, en wfl genieten de voor- 
deden tot den pr^'s dier smarten verkregen. Vele buiten- 
gewone ondernemerswinsten moesten genivelleerd worden : 
het is gebeurd. Nieuw kapitaal moest gevormd worden: 
het is gevormd. Het gebruik van werktuigen moest dermate 
toenemen, dat ieder werktuig mededingers vond in een 
gi*oot getal andere : het vindt die op ruime schaal. Zoo 
herleefde niet alleen de vraag naar arbeid, maar verkreeg 
zij een ongekenden omvang. En wanneer thans de meeniiig 
wordt gehuldigd, dat het loon zou stagen, indien alle 
werktuigen werden vernietigd, dan bedriegt men zich ten 
eenenmale. Het werktuig is concurrent van den arbeider 
zoo lang het schaarsch blgft; door overvloedig te worden 
wordt het z^n bondgenoot; vernietiging van werktuigen 
zou kapitaalveiiiietiging zijn. Geen enkele fabrikant zou 
het bestaande loon, of een loon dat daaraan in de verte 
nab^ kwam, nog kunnen uitkeeren, indien h^ van deze 
kostbare en doeltreffende productiemiddelen ware beroofd. 
Hetgeen zy voortbrengen komt, dank zij hunne talr:ykheid, 
voor het grootste deel ten goede, niet aan hunne eigenaars, 
maar aan de geheele menschheid. 

Dank z^ hunne talrijkheid; om al het hier gezegde in 
één woord samen te vatten voeg ik er bg : dank zg hunnen 
oorsprong, besparing van winsten. 

n. 

Ik kom nu tot het tweede probleem. Wg hebben gezien, 
dat vernietiging van werktuigen niet het ware middel zou 
zgn tot bestrgding van die ernstige kwaal, die men ten 
onrechte bg uitnemendheid een kwaal van onzen tgd noemt, 
daar zg altgd heeft bestaan, werkloosheid. Kan een gun- 
tiger oordeel worden uitgesproken over een ander middel, 



( 202 ) 

dat dikw^ls tot dat einde wordt aanbevolen, verkorting van 
den arbeidsdag? In één geval zeer stellig niet. Wanneer 
verkorting van den arbeidsdag geen vermindering brengt in 
de arbeidspraestatie, is het duidel^k, dat z^ de werkloos« 
beid niet kan tegengaan. Zooals men weet hebben proef- 
nemingen geleerd, dat dit in vele gevallen zoo is. Doch 
het is niet zoo in alle gevallen. Deskundigen verzekeren, 
en reeds oppervlakkig nadenken is voldoende om ons daar- 
van te overtuigen, dat vermindering van den arbeidsduur 
meermalen gepaard zal gaan met (evenredige of oneven- 
redige) vermindering van geleverd werk. De vraag is ge- 
steld, of in die gevallen de maatregel niet strekken moet 
tot leniging der kwaal, die ik zoo even noemde en welker 
bestrigding een ieder, die oog heeft voor de sociale nooden, 
de hoogste belangstelling moet inboezomen. 

Het zal misschien sommigen verbazen, wanneer ik op deze 
vraag toestemmend antwoord. Ook de theorie, volgeus 
welke verkorting van arbeidsduur tot vermindering van 
werkloosheid kan voeren, werd vaak met eenige minachting 
bejegend. Die minachting is misplaatst, want de theorie 
is juist, mits nauwkeurig geformuleerd. Het is waar, dat 
aan de formuleering gewoonlgk het voornaamste ontbroken 
heeft. Men had echter voor de gebrekkige, ja geheel on- 
juiste formuleeriug een betere in de plaats moeten stellen. 

En dit is inderdaad niet moeilijk. De zaak lost zich op 
in een loonquaestie. Alleen voor zoover beperking van 
arbeidsduur gepaard gaat met eene aan de vermindering der 
praestatie volkomen geëvenredigde loonsverlaging, zal z^ de 
werkloosheid geringer kunnen maken. B^voorbeeld: de ar- 
beidsduur wordt ingekort, en dit heeft ten gevolge, dat de 
arbeiders per dag 10 percent minder praesteeren. Zal de 
invloed hiervan op de werkloosheid gunstig kunnen zijn, 
dan moet het dagloon 10 pCt. dalen. Het belang van den 
patroon zal dan medebrengen om zoovele arbeiders meer aan 
te nemen als noodig zyn om de voortbrenging op het vroe- 
gere peil terug te brengen. 

Gesteld, er zijn in een nieuw bevolkte streek 100 land- 
bouwers en 100 ambachtslieden, die hunne producten tegen 



( 203 ) 

elkander verruilen. Om plaats te maken voor 10 nieuw 
aangekomenen van elke soort, beperken z^ allen hunne 
arbeidsuren met één tiende. Dit zal inderdaad ten gevolge 
hebben, dat werkloosheid big de nieuw aangekomenen wordt 
verhoed. De maatregel zal doeltreffend zijn, omdat ieder 
zich een vermindering van inkomen, geevenredigd aan zijn 
mindere praestatie, laat welgevallen. Maar gesteld eens, de 
landbouwers spraken tot de ambachtslieden aldus : w^ heb- 
ben thans 110 menschen te onderhouden, in plaats van 
100, geeft ons nu van uwe voortbrengselen één tiende 
meer dan vroeger. Dan zou het antwoorden luiden: de 
omstandigheid, dat 110 man thans het werk verrichten, dat 
vroeger door 100 werd volbracht, heeft geen invloed op de 
waarde van uw product. Bovendien verkeeren wg in het- 
zelfde geval als g^. 

Men ziet dus, wat aan de voorstanders der leer, die wij 
willen beoordeelen, kan, maar ook moet worden toegege- 
ven. Z^ keuren het af, dat de een 12 of 14 uren daags 
werkt, terw^l de ander b^na niets kan verdienen; werden 
die lange dagen ingekort, dan zou de schaar der werkloo- 
zen geringer worden. Van een zuiver theoretisch stand- 
punt gesproken — in de practijk kunnen zich moeilgk- 
heden voordoen, — is tegen dit laatste niets in te brengen. 
Mits erkend worde, dat de toepassing van dit middel tegen 
werkloosheid alleen verplaatsing van arbeidsloon ten gevolge 
kan hebben. Maar zulk een verplaatsing van arbeidsloon 
zou nuttig zign. Het is veel beter, dat zooveel mogel^k 
allen een redel:gk inkomen hebben, dan dat sommigen door 
overwerken bijzonder veel verdienen, terwyl anderen gebrek 
Igden; de middelen op te sporen, waardoor die ongelgkheid 
kan verdwenen, is waarl^k geen onnut werk. Of het zal geluk- 
ken weet ik niet. Maar men ontmoedige niet hen die zoe- 
ken, door hun te verzekeren, dat verkorting van den arbeids- 
dag in geen geval ter bestr:gding van werkloosheid iets 
baten kan. Tot deze aprioristische uitspraak geeft weten- 
schappel^k onderzoek geen recht. Indien er bezwaren zijn, 
zgn z^ uitsluitend van practischen aard. 

Ik zou hiermede alles gezegd hebben, wat van een theo- 



( 004 ) 

retisch standpunt over dit onderwerp kan worden opge- 
merkt, ware het niet, dat door sommigen een leer wordt 
voorgedragen, die veel verder reikt. Neen, zoo spreken zy, 
het is niet waar dat verkorting van arbeidsduur bg vermin- 
derde voortbrenging slechts op kosten van hen die thans 
overmatig werken de werkloosheid kan tegengaan. In die 
verminderde voortbrenging zelve ligt het correctief tegen 
verlaging van het dagloon. Het is moeilijk een verwarde 
redeneering terug te geven op een w^ze, die haar recht 
laat wedervaren, maar het moet toch beproefd worden. 
Begryp ik het goed, zoo bedoelt men het volgende : 

Door de verkorting van den arbeidsduur vermindert, alvo- 
rens nieuwe werklieden zgn aangenomen, de hoeveelheid der 
aangeboden goederen. Nu worden deze goederen duurder, 
en de ondernemers bedingen voor het kleinere quantum 
evenveel geld als vroeger voor het grootere, zoodat zg het 
dagloon, al wordt daarvoor minder gepraesteerd, onveran- 
derd kunnen laten. Men zou geneigd zyn te denken, dat 
zoodra door aanneming van nieuwe arbeiders de productie 
op de oude hoeveelheid is teruggebracht, ook de prezen 
zullen terugkeeren tot bet oude peil. Maar zoo denkende 
zou men iets zeer gewichtigs vergeten, namelijk de ver- 
meerdering die de vraag heeft ondergaan, doordien vele 
werkloozen loontrekkenden zgn geworden. Dit houdt de 
prijzen staande, als zg door herstel van het vroegere pro- 
ductiecgfer gevaar loopen te dalen. En zoo gebeurt het, 
dat werkloozen loontrekkenden worden, terv^l de stand 
der dagloonen onveranderd blgft. 

In dezen geest spreekt bijvoorbeeld de bekende Tom 
Mann, in z^ue verklaringen voor de Royal Commission on 
Labour. Geestig is de wgze, waarop zgn ondervrager, 
Gerald Balfour, hem in de engte drgft. Balfour begint 
met hem te vragen, wat met de loonen gebeuren zal, in- 
dien bg verkorting van den arbeidsdag de productie afneemt. 
Dan zullen zg stijgeu, zegt Mann, die hier nog overdrgft 
wat door anderen is gezegd ; dan zullen zij stggen, want er 
zgn meer nienschen noodig^ ten einde de productie op hare 
vroegere hoogte terug te brengen. En geschiedt dit, zoo wor- 



( 205 ) 

den vele werkloozen geplaatst. Hunne verteringen zullen 
de vraag naar producten doen aangroeien, en zoo komt 
men algemeen tot een beteren toestand. Na van dit ant- 
woord te hebben kennis genomen, doet Balfour een nieuwe 
vraag: wat zal met de loonen gebeuren, indien bg verkor- 
ting van den arbeidsdag de productie niet afneemt, maar 
vermeerdert^ niet slechts per uur, maar absoluut? l)an, zegt 
Mann, is er zulk een aanwas van het algemeene koopver- 
mogen, dat de loonen zullen stagen. Z^ stagen dus in 
beide gevallen ? Is het niet zonderling, dat vermindering en 
vermeerdering van productie op de arbeidsloonen dezelfde 
uitwerking hebben? Mann vindt hierin niets tegenstrgdigs. 
>It does not commend itself to me as so very contradic- 
tory ... It does work out in both ways". 

Er zgn in het betoog, waarmede ik u bekend maakte, 
drie fouten, en elke daarvan is reeds voldoende om het 
verwerpelijk te maken. 

Ten eerste. Men wil bewgzen, dat verkorting van arbeids- 
duur niet ten nadeele strekt van de tot dusverre loontrek- 
kenden. Maar in de slotsom der redeneering ligt het tegen- 
overgestelde begrepen. Indien de geldloonen onveranderd 
bleven en alles duurder werd, heeft dan de arbeider niets 
verloren? Misschien wel, omdat hij deze tegenwerping 
voorzag, heeft Mann beweerd, dat het geldloon stijgen zou. 
Maar dit baat hem niets, want het geldloon kan alleen 
stggen, zoo de goederen belangrijk duurder worden, meer 
dan door hen, die slechts aan een stand houden van het 
geldloon gelooven, wordt aangenomen. De arbeider ver- 
liest ook dan. Hy verdient meer geld, doch moet alles 
véél duurder betalen. Zgn werkelyk, zijn zakelgk loon is 
in verhouding tot de mindere praestatie gedaald. 

Ten tweede. De geheele redeneering is gebouwd op de 
gebrekkige formuleering van een ware stelling. Men zegt : 
schaarschte brengt duurte teweeg. Dit is dan alleen juist, 
wanneer de schaarschte niet vergezeld gaat van verminde- 
ring in het koopvermogen, en zoodanige vermindering is 
liier te verwachten. Worden de werkuren ingekort, dan 
zullen, zoo werd gezegd, minder goederen ter markt komen. 



( 206 ) 

Juist, maar dan zullen er ook minder koopers zign, of de 
koopers zich minder kunnen aanschaffen. Wel is het denk- 
baar, dat de pr^s ran een enkel artikel stiggt, wanneer het 
aanbod daarvan door beperking van arbeidsduur geringer 
wordt; doch met iedere uitbreiding van het aantal vakken 
van njverheid, waarin die beperking met het onderstelde 
gevolg wordt toegepast, wordt de mogelykheid kleiner, dat 
minder aanbod tot pr^sverhooging leiden zal« Daarentegen 
doet b^ beperking van den arbeidsduur tot de voortbrenging 
van weinige artikelen een nieuw bezwaar zich voor. De 
prijs moet niet alleen verhoogd worden, maar die verhoo- 
ging moet ook stand houden, als de productie zich herstelt. 
Men zegt dat dit geschieden zal door do vraag der vroegere 
werkloozen. Maar wat waarborgt ons, dat hunne vraag 
zich richten zal op de enkele artikelen, waarvan nu sprake 
is ? W:g mogen het volgende dilemma stellen : of de be- 
perking van arbeidsduur heeft plaats op groote schaal: dan 
blgft de prijsverhooging achterwege^ want veler koopkracht 
is verzwakt ; of wel, z^ heeft plaats op kleine schaal, maar 
dan houdt de pr^sverhoogïng, die nu inderdaad waarschijn- 
Igk is, geen standi zoodra de productie door df^n arbeid van 
vroegere werkloozen op het oude peil terug komt. 

In de derde plaats vergeet men de werking van het 
internationaal verkeer. Door toeneming der invoeren, door 
afneming der uitvoeren van goederen, die betrekkelyk veel 
arbeid kosten, zal aan de stijging der prijzen, waarvan 
men zooveel heil verwacht, wel spoedig een einde komen. 
Men vergeet ook, dat door alle loonsverhooging behoefte 
aan kapitaal ontstaat. R^st het loon, de som namel^k 
van alles wat aan loon wordt uitgekeerd, zoo moet de vreag 
naar kapitaal toenemen. Maar dan stijgt ook, zoo middeler- 
w^l geen nieuwe besparing plaats vond, de rente. En als 
door schaarschte van kapitaal de rente st^gt, stijgt z^ zoo- 
lang totdat sommige ondernemingen niet meer met voordeel 
gedreven kunnen worden; eerst dan is het verbroken even- 
wicht tusschen vraag en aanbod van kapitaal hersteld. 
Dan zijn echter vele arbeiders afgedankt, en de werkloos- 
heid, die men bestreden achtte, keert terug, 



( 207 ) 

Het is jammer, dat men deze zeer gebrekkige redeneering 
heeft voorgedragen, want daardoor viel op de theorie: ver- 
korting van arbeidsduur kan tot vermindering van werk- 
loosheid strekken, een veel te ongunstig licht. Men had 
geen poging moeten doen om het onmogel^ke te bewezen 
en eerlgk moeten erkennen, dat, voor zoover uit verkorting 
van arbeidsduur vermindering van praestatie volgt, het dag- 
loon eene daling zal ondergaan. Deze schaduwz^de trachtte 
men te bedekken, doch te vergeefs, en het is opmerkelijk 
dat de poging daartoe uitging van mannen, die anders niet 
geneigd zijn de werking der economische wetten, waardoor 
het loon wordt bepaald, als heilzamer voor te stellen dan 
z^ is. Het zou wel zeer gelukkig z^n, indien het loon 
onveranderd kon blijven, terw^l de waarde van den arbeid, 
voor dat loon verricht, geringer werd; maar nadenken en 
ondervinding leeren ons, dat dit niet te verwachten is. In 
bgzondere gevallen moge het gebeuren, dank zij de wel- 
willendheid van voorspoedige ondernemers, als algemeene 
regel is het ondenkbaar. Doch waarom het onvermiidelgke 
niet kloek aanvaard ? Te betreuren is het zeker, dat werk- 
loosheid door het middel, waarvan hier gesproken wordt, 
slechts bestreden kan worden ten koste van het dagloon 
dergenen, wier arbeidsduur verminderd wordt. Maar te 
betreuren is het nog veel meer, dat zoovele arbeiders geen 
werk vinden in hun vak ; indien in dezen toestand slechts 
verbetering kan komen met beperking van inkomsten, die 
door overmatigen arbeidsduur boven het normale peil zijn 
aangegroeid, zou dit geen te hooge prijs z^n voor het te 
verkrggen voordeel, naar ik meen. Te meer, omdat die 
beperking van inkomsten op den duur voor elk individu 
geringer zou worden; het verlies zou zich vermoedelyk na 
eenigen tgd over veel meer personen, dan die het vroeger 
te dragen hadden, verdeelen. Indien althans mag worden 
aangenomen, wat door deskundigen verzekerd en door menige 
proefneming bevestigd is, dat in een groot aantal gevallen 
vermindering van arbeidsduur geen noemenswaardige ver- 
mindering van productie ten gevolge heeft. 

Om deze uitspraak te rechtvaardigen bezig ik andermaal 



( 2D8 ) 

een voorbeeld. In een land z^n arbeiders die elk twee 
gulden daags verdienen. Voor allen zonder onderscheid 
wordt de werkt^d met één vierde verminderd; maar de 
meesten bly ven desondanks evenveel voortbrengen als vroe- 
ger, voor de overigen is dit, uit hoofde van den aard hun- 
ner werkzaamheden, onmogelgk; z^ praesteeren juist zoo- 
veel minder als zij korter tgd worden beziggehouden. Hun 
loon daalt nu met een halven gulden daags ; in plaats van 
ƒ 2. — verdienen zg voortaan slechts ƒ 1.50. Maar kan 
dit zoo blgven? Personen met gelgke werkkrachten en 
bekwaamheden zullen een loon hebben, de eenen van ƒ 2. — , 
de anderen van / 1 50 ; zal dit verschil niet door onder- 
linge mededinging worden uitgewischt? Het is in hooge 
mate waarschijnlijk, dat dit na verloop van eenigen t^d zal 
gebeuren. Nauwkeurig is moeilgk te berekenen, hoe dan 
het loon zal zijn, doch als vrg zeker mag worden aange- 
nomen, dat het verlies aan inkomen, door de vermindering 
van werkuren, die niet door vermeerderde voortbrenging 
per uur kon worden vergoed, aan een deel der arbeiders 
berokkend, ten slotte door al de hiergenoemden zal gedra- 
gen worden, echter zoo, dat voor elk van hen de last ge- 
ringer wordt dan hij aanvankelijk voor sommigen was. 

De theorie, die wig nu, naar ik hoop, op hare rechte 
waarde kunnen schatten, blijkt dus niet zoo verwerpelyk 
te zijn als zij vaak is voorgesteld; mits z^ ontdaan worde 
van de dwaling, die men daaraan heeft toegevoegd. Even- 
wel mag nooit worden voorbijgezien, dat hoe grooker het 
aantal gevallen is, waarin de arbeidspraestatie b^ vermin- 
dering van den werktgd stand houdt, in des te geringer 
mate verkorting van arbeidsduur tot bestrijding der werk- 
loosheid kan bedragen. 

III. 

De twee eerste der door mij behandelde problemen heb- 
ben betrekking op de vraag naar arbeid; het derde neemt 
de verzwakking dezer vraag tot uitgangspunt en verlangt 
de gedragslgn te zien aangegeven, die onder zulke omstan- 



( 209 ) 

digheden moet worden gevolgd. Met name wenscheu wij 
te worden ingelicht omtrent het nut van wei'kverschaffing 
en de beginselen, die daarbij zijn in acht te nemen. Ik 
wil trachten deze punten tot klaarheid te brengen en begin 
met een algemeene opmerking. 

Onlangs werd aan een jongen medicus, ten platten lande 
in een zeer uitgebreide gemeente werkzaam, gevraagd, wat 
hem, sedert hij de studie voor de pract^k had verwisseld, 
het meest had getroffen ; hg antwoordde terstond : het meest 
heeft mij getroffen, hoe uitstekend de natuur zich weet te 
redden in sommige gevallen, waarin men geneigd zou zijn 
krachtdadig te handelen.' Door beperktheid van tijd is men 
tot dat handelen niet altijd in de gelegenheid, en dan vindt 
men telkens tot zijne verbazing, dat het overbodig ware 
geweest. Economische &tudie leidt tot een soort gel^ke uit- 
komst. Niet altijd moet iets gedaan worden. Meermalen 
is onthouding de beste gedragslyn. Doch er z^n toestan- 
den, die het ondoenl^k maken deze gedragsl^n onmid- 
dellijk te volgen. Dan moet gehandeld worden, maar 
t^ delijk. 

Wanneer door achteruitgang van een tak van ng verheid 
de vraag naar werkkrachten daarin verminderd is; of de 
graanprijzen duurzaam gestegen zijn, zoodat een grooter 
deel van het maatschappel^k inkomen tot betaling van het 
benoodigde koren naar den vreemde moet gaan ; of groote 
staatsleeningen en andere oorzaken veel kapitaal hebben 
verslonden; in deze en alle soortgelijke gevallen zal verla- 
ging van den stand der avbeidsloonen het pijnlijke, maar 
eenige middel zijn om op de arbeidsmarkt het tusschen 
vraag en aanbod verbroken evenwicht te herstellen. Dat 
evenwicht kan ook verbroken zijn door overmatigen aanwas 
van bevolking, in het geheele land of plaatselijk; in het 
eerste geval is daling van het loon, in het tweede een 
andere geographische verdeeling der bevolking volstrekt 
noodzakelijk. Door de werkloosheid, die in zulke gevallen 
ontstaat, kunstmatig te bestrijden, put de liefdadigheid zich 
uit, aanvaardt zij een taak, die boven hare krachten gaat, 
hetgeen ten gevolge moet hebben, dat zij daar, waar zg 

TEHfiL. EN MED. AFP. lEIXEBK. 3de REEKS DEEL XIL 14 



( 210 ) 

nuttig werkzaam kan zijn, ja haar optreden onmisbaar is, 
te kort schiet. Werkverschaffing mag alleen dienen om te 
voorzien in tijdelijke nooden. Ik beweer niet, dat zij onder 
omstandigheden als de nu bedoelde geheel moet worden 
vermeden; maar z^ moet niet langer worden voortgezet als 
noodig is om de misstanden, die zich gevormd hebben, ge- 
legenheid te geven langs natuurleken weg — indien men 
dit woord hier kortheidshalve mag bezigen — te verdwij- 
nen. Vermoedelijk echter zullen deze uitspraken (door de 
ondervinding in ruime mate bevestigd) geen tegenspraak 
vinden. Ik ga dus terstond over tot datgene, wat aanlei- 
ding geeft tot verschil van meening, de tijdelijke werkver- 
schaffing zelve, onder welke ook de periodieke^ de telkens 
terugkeerende, is te begr:gpen. 

Over deze laatste, de periodieke werkverschaffing, valt 
wel het meest te zeggen. Velen keuren haar even sterk 
als de blijvende af. Louter kwaad zou z^ stichten. Zy 
verzwakt de spaarzaamheid in de maanden van ruime ver- 
diensten. Zij neemt de gevolgen weg, de natuurlyke straf- 
fen, van lichtzinnigheid en verkwisting. Zij lokt arme lieden 
in menigte naar de steden en brengt deze onder ondrage- 
lijke lasten. In donkere kleuren weet men dit alles te 
schilderen, en de slotsom is: pas ook .hier het stelsel van 
onthouding toe. Verbetering der toestanden zal daarvan 
de vrucht zijn. 

Ik wensch hun die zoo spreken de vraag voor te loggen, 
welke bewijzen zij kunnen leveren voor hetgeen zij zoo 
boudweg beweren. Het ware een ernstige zaak, gevolg te 
geven aan hunne wenken; om consequent te zyn, zou men 
dan niet alleen de werkverschaffing, maar de liefdadigheid 
in het algemeen, voor zoover zij zich uitstrekt tot valiede 
mannen, moeten staken, hetgeen den hongerdood van velen 
ten gevolge zou kunnen hebben. De practijk die men aan- 
beveelt dient dus wel te rusten op stevige gronden, en 
waar zijn die? Men geeft ze ons nooit. Men geeft louter 
verzekeringen. Voorspeld wordt: als ieder weet, dat hij 
op liefdadigheid niet meer kan rekenen, zal ieder spaar- 
zamer zijn. Als de dorpsbewoner weet: indien ik in de 



( 211 ) 

stad geen werk vind, zal ik daar verhongeren, blijft hij in 
twee van de drie gevallen weg. Maar — wanneer deze 
voorspellingen eens niet uitkwamen? Als de verkwister 
eens even verkwistend bleef, omdat hy nu eenmaal tot 
de onnadenkenden behoort? Als de dorpsbewoners even 
talryk naar de steden bleven komen, onder den drang der 
omstandigheden ? 

Tot zulke vragen bestaat alle aanleiding. Liefdadigheid 
of geen liefdadigheid, wie des zomers niet oplegt l^dt bij 
gemis aan werk des winters ellende ; hetgeen hem wordt 
uitgereikt is nooit voldoende om hem een aangenaam leven 
te verschaffen. De dronkaard ondervindt eiken dag, dat 
hoe meer hij drinkt, des te minder waarachtig levensgenot 
hem en zyn gezin ten deel valt. Jonge lieden uit den 
arbeidersstand treden by menigte in het huwelijk, schoon 
al de zorgen van het huwelijksleven in dien stand hun 
door aanschouwing bekend zgn. Zulke feiten geven geen 
steun aan degenen, die van de toepassing der afschrik- 
kingstheorie op sociaal gebied heerlijke vruchten verwach- 
ten. Wat mij betreft, ik geloof sedert lang niet meer aan 
die theorie. De verkwisting en de lichtzinnigheid zijn 
openbaringen van lage beschavingstoestanden, die met een 
laag peil van stoffelijke welvaart verband houden. Er be- 
staat alle reden om te denken, dat deze toestanden niet 
zouden verbeteren, maar verergeren, indien de liefdadigheid, 
die in zoo menige woning een zonnestraal doet vallen en 
zoo menig half verdierlijkt gezin onder heilzame invloeden 
brengt, zich terugtrok. 

De werkverschaffing is een van de voimen, waarin de 
liefdadigheid zich uit, en wanneer zij goed is ingericht, een 
van hare beste vormen. In dat licht wil zij beschouwd 
worden, en haar worde dezelfde eisch gesteld als aan de 
liefdadigheid in het algemeen. Zy moet een opvoedend 
karakter hebben. Zij moet op zoodanigen voet zijn inge- 
richt, dat zij den arbeider nooit vernedert, steeds verheft. 
Zij moet hem een veelzijdiger ontwikkeling geven, zoodat 
hij minder afhankelijk wordt van voor- en tegenspoed in 
zyn eigen vak. Wg spreken hier van periodieke werkver- 



( 212 ) 

scbaffing; juist zij biedt aan de ware philanthropie een 
heerlijk veld. Het zullen wel meestal oude bekenden zjjn, 
die men voor zich ziet, zoodat men een afgebroken taak 
dikwgls zal kunnen voortzetten. 

In deze richting begint de werkverschaffing zich te ont- 
wikkelen, getuige wat te Amsterdam in den vorigen winter 
in geschied, getuige ook wat volbracht is door het Leger 
des Heils. Zal men in die richting voortgaan, zullen de 
goede voorbeelden navolging vinden? Ten aanzien van dit 
laatste ben ik niet zonder zorg. Velen, die niets liever 
zouden willen dan aan de werkverschaffing een opvoedend 
karakter geven en haar alzoo dienstbaar maken aan dat- 
gene, waartoe alle liefdadigheid strekken moet, voelen zich 
beklemd door een economisch bezwaar. Op pedagogische 
gronden, dit is hun duidelijk, moet arbeid worden gekozen, 
die leerzaam is. Maar wie zoodanigen arbeid aan de werk- 
loozen opdraagt, treedt allicht op het gebied der particu- 
liere ny verheid; en neemt hij dan niet aan anderen brood 
uit den mond? Schept hy niet evenveel werkloosheid als 
h^ tegengaat? Dit bezwaar weegt bij velen zoo sterk, dat 
zg, hoe noode dan ook, de oude vormen verkiezen. Al gaan 
zg niet zoover als die werkverschaffers, waarvan Mees in 
zijne bekende monographie van 1844 gewaagt, die lande- 
rijen van steenen lieten zuiveren, en zoodra men daarmede 
gereed was diezelfde steenen over het land lieten versprei- 
den; of veldvruchten lieten uitzoeken, die men opzettelyk 
nad dooreengemengd ; of wegen en slooten lieten onderhou- 
den, en wanneer zij in goeden toestand waren ze opnieuw 
in een staat lieten brengen, waarin zij verbetering noodig 
hadden; of eindelijk, de armen gedurende eenige uren per 
dag lieten rondkuieren, zonder iets te verrichten. Tot zulke 
ongerijmdheden komt men gelukkig in onze dagen niet 
meer. Maar wel benoemt men commissies om te onder- 
zoeken, hoe de arbeid der gevangenen moet worden inge- 
richt ten einde te voorkomen, dat de particuliere industrie 
daardoor benadeeld wordt. Als ware niet dit het eenisre, 
waarop de aandacht moest gericht zijn, deze ongel ukkigen 
zoo gevormd en zoo geoefend aan de maatschappg terug 



(213) 

te geven, dat het geen ijdel woord is tot hen te spreken : 
Gaat heen en zondigt niet meer! 

De theoretische economie heeft dikwijls zware aanvallen 
te verduren. Zij heet onpractisch hij uitnemenheid, omdat 
zy, gel^k elke deductieve wetenschap, hare kracht zoekt in 
abstractie en analyse. Doch waartoe het leidt, wanneer 
men haar verwaarloost, blykt iedereu dag. Tot invoering 
Tan douane-tarieven, die binnen- en buitenslands armoede 
veroorzaken. Tot aanprgzing van werkstakingen, die ten 
hoogste een tgdel^ke of vervroegde loonsverbetering geven. Tot 
het afkeuren van juist datgene op philanthropisch gebied, wat 
bovenal noodig is om hier gewenschte uitkomsten te verkregen. 

Het economische bezwaar, waarvoor men steeds uit den 
weg is gegaan, is ten aanzien van periodieke werkverschaf- 
fing louter denkbeeldig. Men vreest, dat arbeiders broode- 
loos zullen worden, zoodra het terrein der particuliere 
n^verheid wordt betreden; men verzuimt echter de vraag 
te stellen : wat gebeuren zal met de productiemiddelen die 
vrij komen, zoodra de behoeften, die het hielp bevredigen, 
bevredigd worden langs anderen weg. De eenige werkver- 
schaffer is het kapitaal, en zoolang dat niet wordt aange- 
tast, behoeft men geen vermindering van de vraag naar 
arbeidskracht te duchten. Nemen w^ voor een oogenblik 
aan, dat in al onze behoeften aan kleederen werd voorzien 
door arbeid in werkinrichtingen. Dan zouden er geen klee- 
dermakers-affaires zijn, maar des te meer andere onderne- 
mingen, want het kapitaal, dat in die zaken is belegd, zou 
niet ongebruikt z^u gebleven, het zou plaatsing hebben 
gezocht en gevonden in andere bedrijven. De vraag naar 
arbeid zou dan even groot zyn als thans, maar het getal 
dergenen, aan wie men werk had verschaft, veel aanzienlgker, 
want met dezelfde middelen had men meer kunnen uitrichten. 

Het is wel zonderling: stoffelgke welvaart, dit erkent 
iedereen, ontstaat uit voortbrenging. Men zou dus meenen, 
dat de stelling: hoe meer voortbrenging, des te meer wel- 
vaart, als axioma moest gelden. Zy geldt echter yrjj 
algemeen als onwaarheid, want voor niets is men zoo- 
zeer beducht als hiervoor, dat overproductie zal ontstaan. 



(2U) 

Ook op het punt dat ons bezig houdt openbaart zich die 
vrees. Door den loop der omstandigheden worden sommigen 
verhinderd hunne werkkrachten te gebruiken ; door de lief- 
dadigheid onderhouden verbruiken zij zonder voort te bren- 
gen. Men wil nu dit kwaal zooveel mogelijk beperken 
door deze personen arbeid te laten verrichten; natuurlijk 
arbeid die productief is, die het verlies, dat de maatschappg 
door hun verbruik moet Igden, geringer maakt? Neen, roept 
men ons toe, dàt zou verkeerd zijn. Arbeid om hen bezig 
te houden, uitstekend; maar niet arbeid, die iets oplevert; 
daarmede zou men de welvaart verminderen. Ik begrijp 
deze logica niet. Hoe kan het voortbrengen van dingen 
die waarde hebben de welvaart verminderen ? Alle waarde 
ontstaat uit schaarschte: waarde heeft slechts datgene, 
waarvan minder aanwezig is dan de gewenschte hoeveelheid. 
Dingen voort te brengen, die waarde hebben, beteekent 
dus: aan een behoefte te voldoen. En dat zou scbadelgk 
voor de welvaart zgn! 

Stellen w^ ons toch duidelijk voor oogen wat de onmid- 
dellijke oorzaak is van alle werkloosheid, en op hoedanige 
'Wyze werkverschaffing daaraan te gemoet komt. Wanneer 
de ondernemer op een gegeven oogenblik voor zgne goede- 
ren geen prijs kan bedingen, waarin hij het loon van den 
arbeider en al zijne verdere uitschotten terug vindt, dankt 
hy werklieden af. Hij doet hetzelfde, wanneer door de 
eene of andere oorzaak — in het bouwvak bg voorbeeld 
door vorst — de uitoefening van zijn bedrijf hem t^delgk 
wordt belet. Maar uit de omstandigheid, dat bepaalde 
ondernemers werklieden moeten afdanken, volgt niet dat de 
arbeid dezer lieden volkomen waardeloos is geworden; hun 
arbeid kan waarde hebben voor andere doeleinden, zy het 
ook een mindere waarde, dan die door den normalen stand 
der loonen wordt aangewezen. Hier treedt de liefdadigheid 
tusschen beide. Zij beoogt geen winst, zij wil zich des- 
noods een offer getroosten. Door werkverschaffing laat z^ 
hen, wier arbeid tijdelijk geene of slechts geringe waarde 
heeft in hun vak, anderen arbeid verrichten. Ku is het 
toch volkomen duidelgk, dat die werkverschaffing de beste 



( 215 ) 

zal zijn, waardoor de meest productieve arbeid wordt ver- 
richt; en dat zal in normale gevallen de arbeid zgn, die 
de beste financieele uitkomsten geeft; met andere woorden, 
welker voortbrengselen, in verhouding tot de daarvoor aan- 
gewende moeite, de hoogste prijzen bedingen. 

Ik wensch een tweetal bedenkingen te wederleggen, die 
men tegen deze redeneering zou kunnen aanvoeren. 

De eerste zal wel zijn, dat de toepassing van het aan- 
bevolen stelsel stoornis moet brengen iu sommige takken 
van bedrijf. Het is gemakkelijk te zeggen : wanneer de 
werkverschafi&ng het terrein der particuliere nijverheid be- 
treedt, zullen sommige kapitalen, in die ng verheid aange- 
wend, daar een andere bestemming vinden. Wij weten 
allen, dat het terugtrekken van kaptaal uit bepaalde be- 
drijven met groote verliezen gepaard gaat, ook met afdan- 
king van werklieden. Daarenboven is uitbreiding der indu- 
strie in andere vakken onmogelijk zonder oprichting van 
fabrieken of werkplaatsen, en het daarvoor benoodigde wordt 
aan het vlottend kapitaal onttrokken. Uit dit kapitaal 
worden de loonen betaald; er zal dus minder voor loon 
beschikbaar zgn dan vroeger. 

Het gewicht dezer bedenking is moeilijk te loochenen; 
zij bewijst echter niets tegen het stelsel zelf, zij is alleen 
een argument, en een zeer krachtig argument, tegen zijne 
plotselinge invoering. Er is hier een belangrgke zaak, die 
men nooit vergeten moet: bij aanwas van de bevolking en 
vermeerdering van haar inkomen klimt de behoefte aan 
voortbrengselen aanhoudend. Geleidelijke overgang tot een 
goed stelsel van werkverschaffing zal niet bestaande onder- 
nemingen overtollig maken, maar slechts van enkele nieuwe 
het tot stand komen beletten. In een gedeelte der aan- 
groeiende behoeften, der behoeften, die tot dusver nog niet 
bestonden of zich nog niet in vraag openbaarden, zal door 
den arbeid van hen, wien de liefdadigheid werk haeft ver- 
schaft, worden voorzien; en dit zal niet veroorzaken, dat 
de particuliere ny verheid een kleiner gebied dan anders 
annexeert, — daarvoor zorgt wel het kapitaal — maar 
alleen dat dit gebied een anderen vorm verkrijgt. Ik vev- 



( 2lß ) 

raeld dît punt hoofdzakelgk volledigheidshalve. Voor geleî- 
deiyke invoering van een stelsel, dat zoo indruisch't tegen 
aude Yooroordeelen als het hier aangeprezeue, behoeft men 
waariyk niet te ^veren; ik ben eerder voor te langzame 
invoering bedacht. Vooral in gemeenten, die zich sterk 
uitbreiden, kunnen z^, die zich met werkverschaffing bezig 
houden, gerust de goede richting kiezen of daarin voort- 
gaan. Hetgeen zij doen heeft, trots hun ijver, zoo geringen 
omvang, dat het geen stoornissen kan teweeg brengen. 

Een tweede bedenking zou ontleend kunnen worden aan 
het periodiek karakter der werkverschaffing, door mgzelven 
als eisch gesteld. Men zou kunnen vragen, of periodieke 
werkverschaffing, indien zg de inkrimping of mindere uit- 
breiding van sommige. takken der particuliere nijverheid ten 
gevolge heeft, niet zal veroorzaken, dat in sommige t^den 
van het jaar dringende nooddruften onvervuld bleven. 
Nemen wg voor een oogenblik aan, dat de werkloozen ons 
des winters brood leverden; van waar zou dan het brood 
komen, dat wij des zomers moeten eten? Dit bezwaar even- 
wel is gemakkelijk te ondervangen, door den arbeid te rich- 
ten op voorwerpen, die niet aan bederf onderhevig zijn en 
dus, in weerwil van het intermittent karakter der voort- 
brenging, geregeld het gansche jaar door kunnen worden 
aangeboden ; of wel, op zaken die juist des winters het 
meest in trek z^n. Het eerste, productie van niet aan 
bederf onderhevige goederen, zal wel de voorkeur verdie- 
nen. Na afloop van de werkverschaffiug wordt dan de ver- 
koop dezer goederen voortgezet, en wanneer men den arbeid 
moet hervatten is een kapitaal beschikbaar, dat later door 
liefdegiften kan worden aangevuld. 

De bedenking heeft nietemin waarde, want zy maakt 
ons opmerkzaam op een dwaling, waartoe men licht zou 
kunnen vervallen. Naast de periodieke werkloosheid is er 
nog een andere, de buitengewone, en het ware een fout 
ook op deze van toepassing te verklaren, wat van gene is 
gezegd. B^ periodiek terugkeerende werkloosheid kan ver- 
wacht worden, dat de n^verheid zich naar de werkverschaf- 
fing heeft gevoegd, geschikt. Is het goede stelsel geleide- 



(âi7) 

Igk ingevoerd, dan bestond dat voegen en schikken hierin, 
dat men een zeker terrein aan de liefdadigheidsnijverheid 
overliet. Maar hoe is de toestand bij buitengewone werk- 
loosheid? Z^ ontstaat plotseling« Oogsten zgn mislukt, 
onlusten ergens uitgebroken ; bgzondere gebeurtenissen heb- 
ben duizende personen uit de arbeidersklasse naar een plaats 
gelokt, en eensklaps hield de oorzaak, die daar groote vraag 
Daar werk gaf, op. In zulke gevallen moet terstond gehan- 
deld worden, aan geleidelgke invoering van eenig stelsel is 
niet te denken. En na enkele maanden zal vermoedel^k 
geen werkverschaffing meer noodig zgn, zoodat inderdaad 
groote stoornis zou zgn teweeggebracht, indien men een 
stelsel had toegepast, waardoor de particuliere n^verheid 
genoopt ware zich anders in te richten. Buitengewone 
nooden vorderen buitengewone maatregelen, en die moeten 
hier bestaan in werkverschaffioçr. waardoor de particuliere 
nijverheid wel degelijk wordt ontzien. Men heeft onder 
zoodanige omstandigheden dikwgls heil gezocht b^ aanleg 
van publieke wegen. Bestaat daaraan behoefte, zoo is dit 
zeer aanbevelenswaardig. In het algemeen zij dit het streven : 
werk te doen verrichten dat nuttig is voor de maatschappij 
in haar geheel, nuttig in economischen of in anderen zin. 
Tot besluit, en tevens tot beantwoording van een vraag, 
die misschien op veler lippen zweeft, wensch ik nog eenige 
opmerkingen ten beste te geven over een nieuw systeem 
van werkverschaffing, dat in den jongsten tgd te Amster- 
dam toepassing vond. Reeds hierboven werd van dat stel- 
sel met waardeering gesproken ; het is zeer nauw verwant 
aan hçt door mij aanbevolene, maar het is iets méér dan 
dat, en daarom niet geheel hetzelfde. Gebroken is ten volle 
met het valsche denkbeeld, dat werkverschaffing hoofdzake- 
l^k moet bestaan in het verschaffen van bezigheid; vor- 
ming, oefening, veelzijdiger ontwikkeling van den tijde- 
l^k werklooze staat op den voorgrond, en dank zij de 
persoonlijke toewgding van de mannen, die de inrichting 
besturen, ia er alle grond oiu aan te nemen, dat dit oog- 
merk wordt bereikt. Maar met de werkverschaffing gaat 
iets anders gepaard: de voortgebrachte zaken worden aan 



(218) 

behoeftige, althans miiigegoede personen uiigedeeld, en aatl 
de voortbrenging wordt een zoodanige richting gegeven, 
dat men dingen vervaardigt geschikt voor dat doel. Al 
dadelijk zg de vraag gesteld of dit combireeren van twee 
soorten van liefdadighoid, die verder niets met elkander 
gemeen hebben, het verschaflfen van inkomsten aan werkloo- 
zen, van meubelen en andere zaken aan behoeftigen, aan- 
beveling verdient? Zy vorderen elk een afzonderlijke orga- 
nisatie, stellen verschillende eischen, terwijl hare vereeniging 
de krachten, die altijd zeer beperkt zyn, verbrokkelt. Naar 
gelang het eene meer geld kost, zal men minder aan het 
andere kunnen doen. Werden de voortgebrachte goederen 
niet weggeschonken, maar verkocht, dan zou men meer 
werkloozen kunnen helpen, of hunnen arbeid beter bezoldi- 
gen. Bedrieg ik mij niet, dan draagt het economisch bezwaar, 
waarvan ik het denkbeeldige getracht heb aan te toonen, 
schuld aan deze combinatie. Men heeft ook hier de particu- 
liere nijverheid willen ontzien. Dit belette de consequente 
toepassing van het pedagogisch beginsel, waarvan men uitging. 
- Voor den arbeider, die werkzaam is in een liefdadige 
instelling, is het wenschel^k, dat de ^ver en bekwaamheid, 
die hij aan den dag legt, zich openbaren in de prijzen der 
door hem voortgebrachte goederen. De man, die er veel 
en goed werk aflevert, moet ruimer dan anderen worden 
beloond. Er moet voor hem een prikkel zyn om aan de 
inrichting zoo weinig raogelyk te kosten, en de beste prik- 
kel is wel deze, hem te laten deelen in de opbrengst van 
het product; of, indien de verkoop eerst later geschiedt, in 
de vermoedel^ke opbrengst, berekend naar de pryzen die 
voor het reeds verkochte zijn bedongen. Een inrichting voor 
werkverschaffiing worde zooveel mogelijk beheerd naar de 
beginselen, die gelden voor het beheer van een gewone 
industrieele onderneming. Ten volle zal dit nooit kunnen 
geschieden, doch men nadere dit doel zooveel men kan. 
Op deze wijze wordt het pedagogische standpunt het best 
gehandhaafd. De arbeider moet begrepen, dat hij voor de 
markt werkt en dat de marktwaarde van zign product in- 
vloed heeft op zijn belooning. Ik weet wel, dat men ook 



( âi9) 

by wegschenking van hot voortgebraclite éénîge uitvoering 
kan geven aan deze denkbeelden, maar de uitvoering zal 
altijd onvolkomen zijn en de arbeider nooit het gevoel heb- 
ben van mede te werken aan de groote mialschappelijke 
taak der voortbrenging. Ik zou, in een woord, den werk- 
looze zoo min mogelyk als zoodanig, zoo véél mogelijk als 
gewoon producent behandeld willen zien. Zijn arbeid worde 
nooit door hem beschouwd als vallende buiten het gewone 
kader; men geve hem tot die verkeerde beschouwing geen 
grond. Hy moet in de inrichting, waar hij wordt opgeno- 
men, een plaats leeren zien, waar, nu eenmaal in zgn eigen 
vak de vraag te gering werd, wordt onderzocht, welk maxi- 
mum van waarde zyne diensten kunnen hebben voor andere 
doeleinden, en van de uitkomsten van dat onderzoek party 
wordt getrokken. De combinatie der twee soorten van 
liefdadigheid, die de Amsterdamsche inrichting vereenigt, 
staat hiertegen in den weg. Wil men meubelen en andere 
benoodigdheden aan armen uitreiken, goed; men kan ze in 
alle gewenschte modellen geleverd krygen door particulie- 
ren. Maar wil men werkverschaffing naar een zuiver be- 
ginsel, zoo beooge men niets anders tegelijkeitijd. Dat 
andere wordt een belemmering en leidt de aandacht af van 
het hoofddoel. 

Ziedaar de zienswijze^ waartoe louter theoretische bespie- 
geling my heeft gevoerd. De mannen der praktijk zullen 
er het hunne van denken. Doch ik wist geen beter bewys 
te leveren van hooge waardeering hunner edele bedoelingen, 
dan door hun arbeid tot voorwerp te maken van weten- 
schappelijke overpeinzing en de vruchten dier overpeinzing 
te geven voor wat zij waard zyn. Elisabeth Browning, van 
de poëzie sprekende, zegt, dat zy haar stof óók moet weten 
te vinden^ in het heden, in de onmiddellijke omgeving. Zij 
moet het belangrijke welen te ontdekken in den naasten 
kring, in het meest alledaagsche zelfs. Mij dunkt, van de 
wetenschap geldt dit evenzeer. En daarom heb ik gemeend, 
dat onze Academie geen ongeschikte plaats was voor de 
behandeling der onderwerp(*n, waarmede ik U bezig hield. 



GEWONE VERGADERING 

DER AFDEELING 

TAAL-, LEÏÏPm-, GESCHIEDKUNDIGE EN WIJSGEERIGE 

WETENSCHAPPEN, 

GEHOUDEN DEiN iS^en JANUARI 1896, 



Tegenwoordig de beeren; keen, voorzitter, boot, de vbies, 

FRUm, SIX, NABER, VAN BONEVAL FAURE, DE QOEJE, DB PINTO, 
ASSER, PLEYTE, POLS, VERDAM, N. G. PIERSON, DE LOUTER, 
FOCKBMA ANDREAE, CHANTEPIK DE LA SAUSSAYE, DE HARTOG, P. L, 
MULLER, SPEIJER, HAMAKER, VALETON, POLAK, SILLEM, KLUYVER, 
BLOK, VAN DEN BERG, DE GROOT, KARSTEN, ROGGE en SPRUYT, 

secretaris. 



De beeren S. Muller Pzn. en van Leeuwen hebben bericbt 
gezonden dat zij de vergadering niet kunnen bijwonen. 



Het Proces- Verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en goedgekeurd. 



Ingekomen is een bericht van het elfde schooljaar 
(18D4 — 1895) van het conservatorium der Afdeeling Am- 
sterdam van de Maatschappg tot bevordering der toonkunst, 
en voorts vyf gedichten voor den wedstryd in Latijnsche 

poëzie, nml. : 

1. Podothaumatargia met het motto: In ienui labor ^ at 

tenuis non . . ? 

2. Cena in Caudiano Neroae met het motto: Non ego 
nune duld amplexu divellerer usquam. 

3. Casianea met bet motto : Ille vir haud magna cum re, 
sed plenu fidei. 



(221 ) 

4. Ante tonstrinam met het motto: Mala est medicina 
uhi aliquid naturae peril. 

5, De viiis morhis et medicamentia zonder motto en zonder 
naambrieÇe. 

Namens de commissie, bestaande uit de HH. Kern en 
Speijer brengt de heer Speijer verslag uit over de door Dr. 
W, Galand ingezonden verhandeling, getiteld: Die altindi" 
sehen Todten' und Bestattungsgebräuche, Spreker herinnert aan 
vroegere werken van den Schrgver, wijst op de verdiensten 
van zgn thans ingezonden geschrift en concludeert tot de 
opneming daarvan in de werken der Akademie. De verga- 
dering vereenigt zich met deze conclusie, waarvan bericht 
zal gezonden worden aan Dr. W. Galand. 



Daarop geeft de heer van den Berg zijne aangekondigde 
mededeelingen over de regeling der bankbiljetten- emissie 
hier te lande. Spreker wflst er op dat de geschiedenis der 
Nederlandsche Bank vóór 1864 grootendeels een gesloten 
boek is, omdat aanvankelijk de grootste geheimzinnigheid 
heerschte aangaande alles wat de Bank raakte. Eerst in 
1852 kwam in dit opzicht eenige vei'andering, vooral door 
den invloed van Mr. W. G. Mees. Mees zelf en Mr. H. E. 
Moltzer, wiens droevig overlijden dezer dagen betreurd werd, 
kregen daardoor gelegenheid in het »Staatkundig en Staat- 
huishoudkundig Jaarboekje" eenige mededeelingen aangaande 
de Bank te doen. Noch in hun opstellen echter, noch in 
de latere van Mr. Vissering en Mr. Baert is iets vermeld 
over het onderwerp, dat Spreker zal behandelen. 

Overgaande tot zijn eigenlek onderwerp deelt de heer 
van den Berg mede dat de bepaling der vaststelling van 
een maximum voor de emissie van bankbiljetten door den 
Koning, bij de Bank wet van 1814, een doode letter is ge- 
bleven tot 1847, toen de minister van Hall, waarschijnlijk 
verontrust door de catastrophe der Javasche Bank in 1845, 
de zaak aanvatte. Spreker vermeldt dat het maximum, bij 
Kon. Besluit van 5 October 1847 vastgesteld op 52 millioen, 
later successievelgk verhoogd is en onder welke omstandig- 



( 222 ) 

heden dit geschiedde. Meer in 't bijzonder staat hy stil bij 
het crisis-jaar 1857, waarin de Nederlandsche Bank zich 
schitterend gedragen en Nederland voor groote verliezen 
bewaard heeft. 

Uit de zeer talrijke medegedeelde bijzonderheden trekt 
Spreker ten slotte de conclusie dat de geschiedenis der 
Bank geen enkele bladzijde bevat, waarover de Directie zou 
moeten blozen, dat schier alle volken Nederland om zijne 
bankinstelling mogen benijden, en eindelijk dat, veel meer 
dan geschreven bepalicgen, voorzichtigheid en beleid der 
op elkander volgende Directiën tot dit resultaat hebben 
geleid, aldus een bevestiging leverende der oude spreuk : 
Nullum mimen abest si sit prudentia. 

Deze voordracht, die door den Spreker op v<?rzoek van den 
Voorzitter bestemd wordt voor de Verslagen en Meâedeelivgen 
geeft den Heer N. G. Pierson aanleiding tot de opmerking 
dat de meerdere openbaarheid en andere verbeteringen sinds 
1852 vooral zijn toe te schrijven aan Mr. W. C. Mees en 
dat niet svliier alle volken, maar alle volken Nederland in 
dezen mogen benyden. Nadat Spreker in zyn antwoord 
zijne instemming met deze opmerkirgen betuigd had, wordt 
de discussie gesloten. 



Bg de rondvraag deelt de heer van Boneval Faure mede 
dat hy vóór de Februari- vergadering den leeftyd van 70 
jaren hoopt te bereiken en dus tot de rustende leden be- 
hoort over te gaan, en worden voor de boekerg aangeboden : 
door den heer Fruin namens Dr. C. P. Burger eene nieuwe 
aflevering van zijn Neue Forschungen zur aeltern Geschichte 
Roms ; door den beer van Boneval Faure een exemplaar van 
zijn werk, getiteld: Het Nederlandscli burgerlijk procesrecht 
IV, 1, tweede herziene druk; door den heer Speyer The 

A 

Gâtakamâla or Garland of hirth-stories bij Arya Sura, trans- 
lated from the Sanskrit by J. S. Speijer, verschenen als 
Vol. 1 van de Sacred Books of the Buddhists^ in Engelsche 
vertaling uitgegeven door F. Max Müller. 

Daarna wordt de vergadering gesloten. 



VERSLAG 



OVER BENE VERHA.NDEL1NG VAN Dl\ W. CAtAND 



ONDER DEN TITEL: 



Die altindischen Todten^ und BesiaUungsgehräuclie, 



Het in onze handen gestelde stuk van Dr. Galand is 
niet de eerste vrucht van de studiën van dezen geleerde 
met betrekking tot het Hindoe ritueel. Zijne verhandeling 
Ȇber Totenverehrung bei einigen der Indo germanischen 
Völker*', die in 1888 in de werken onzer Akademie hit 
licht zag, houdt zich by voorkeur bezig met den betreffenden 
eeredienst bij de Indiërs, en zijn voor eenige jaren versche- 
nen »Altindischer Ahnencult" heeft uitsluitend ten doel 
eene nauwkeurige beschrijving te geven van het çrâddha. 
Beide geschriften zijn, te recht, algemeen gunstig beoordeeld 
geworden. Aan deze sluit zich aan de verhandeling, waar- 
over wg thans verslag uitbrengen. Hier beoDgt Dr. C.aland 
eene zoo volledig mogelijke uiteenzetting te geven van de 
lijkplecht'gheden bij de Hindoes. Voor ruim veertig jaren 
had Max Muller in het 9de deel van de Zeitschrift der 
deutschen rno^ ginländ'schen Gesellschaft eene schets van dit 
ritueel gegeven, die thans verouderd is, te meer daar de 
bronnen waarover nu beschikt kan worden, hetgeen toen 
hieromtrent te vinden was in alle opzichten aanvullen, 
verklaren en uitbreiden. Tot het instellen van een nieuw 
en zelfstanilig onderzoek bestond er dus voldoende aanleiding. 

De schrijver heeft zich van de taak die hij zich gesteld 
bad op uitmuntende wigze gekweten. In het bijeenbrengen, 



( 224 ) 

schikken en schiften z^ner velerlei en voor een goed deel 
handschriftelijke bronnen heeft hij geene moeite gespaard. 
In de bewerking van zijn materiaal valt zgne akribie in 
het analyseeren ook der kleinste bgzonderheden en z^n 
gezond oordeel te roemen. Ten volle vertrouwd met het 
terrein, waaruit hij zooveel belangi*ijks heeft op te delven, 
weet hy van zijne bronnen gebruik te maken tot eene 
objectieve en alleszins betrouwbare voorstelling der feiten. 
De methode van behandeling en de indeeling is doelmatig. 
Wg aarzelen dan ook niet Dr. Caland's verhandeling geti- 
teld: »Die altindischen Todten- und Bestattungsgebräuche'* 
een wezenlijke aanwinst voor de wetenschap te noemen, en 
stellen U dus voor te besluiten dat zg in de werken der 
Akademie worde opgenomen. Hier en daar hebben wg 
eenige bedenkingen omtrent ondergeschikte of technische 
punten ; hieromtrent zullen wij onze opmerkingen den 
schrijver raededeelen. 



Amsterdam, 13 Januari I89G. j 'g SPEIJER 



DE REGELING VAN DE BANKBILJETTENEMISSIE 

HIER TE LANDE. 



DOOR 



N, P. VAN DEN BERG. 



De gedachte om u eenige oogenblikken bezig te houden 
met het onderwerp ïn den beschrgvingsbrief voor deze by- 
eenkomst vermeld, kwam onwillekeurig bij mij op toen het 
noodlottig afsterven van ons diep betreurd medelid Moltzer 
mij aanleiding gaf andermaal een oog te slaan in de 
pennevruchten, die hij by den aanvang van zyn maatschap- 
pelyke loopbaan, toen hij als beambte werkzaam was bij 
de instelling, aan wier hoofd ik de eer heb thans te staan, 
heeft uitgegeven. Ik gevoelde er mij toe aangetrokken, 
omdat ik den overledene steeds groote erkentelijkheid ben 
schuldig geweest voor den steun, dien ik bij hem mocht 
vinden, toen ik indertijd, nu ruim dertig jaren geleden, het 
waagde om in eenige Beschomoivgen over den geldsom^ 
loop in Neder L'l tl dië verzet aan te teekenen tegen een 
by den geheelen handelsstand in Indië en ook bij de 
toenmalige Indische regeering opgekomen idée fixe, dat zon- 
der eigen muntinrichting aan het behoud van een goed 
geregeld muntwezen in de kolonie niet te denken viel. Bij 
den toen aangebonden strijd, die tot een soms heftige 
polemiek geleid heeft, mocht ik in Moltzer een warmen 
medestander ontmoeten, en de heusche wijze, waarop hij in 
de Bruyn-Kops' Econonmt mijn eersteling op economisch 
gebied besprak ^j, was my eene zeer gewaardeerde aanmoe- 



1) Waar blijft het Neder la}id8ch- Indische geld ? in de Economist van April 
1863, bl. 137. 

ySBSI,. 9N tf^D, AFP, liBTTËBK. 3^^ BSSf^S. D£EL XIX, 15 



( 226 ) 

diging om in dien strijd te volharden, en met mijne studiru 
op het eens betreden gebied voort te gaan. 

Niet echter Moltzer's optreden als mijn geestverwant ia 
hetgeen ik de toenmalige Indische muntquaestie zou kunnen 
noemen, — eene quaestie die gemakkelijker oplosbaar is 
gebleken dan de thans nog hangende, — gaf m^ aanleidin;^ 
om het vraagstuk der bankbiljettenemissie, zooals zij hier 
te lande geregeld is, in opzettelgke behandeling te nemen ; 
die aanleiding vond ik in zgne in de Bosch Kemper's Staat- 
kundig en staathuishoudkundig jaarboekje voor 1864 opgeno- 
men Bijdrage tot de geschiedenis der Nederlandsche Bank in 
cijfers^ waarin, met aanvulling van hetgeen door Mr. W. 
C. Mees voor het eerst omtrent den loop van zaken by de 
Bank was openbaar gemaakt in het Jaarboekje voor 1852, 
een overzicht geleverd wordt van de cyfers van kapitaal en 
reservefonds, van omloopende bankbiljetten, rekening-courant- 
saldo's, metaalvoorraad en opereerend kapitaal op den laat- 
sten dag van elke maand van 30 April 1814 af. 

Men weet hoe de Directie der Bank de haar bij art. 53 
van het oorspronkelijk octrooi en reglement voorgeschreven 
» stipste geheimhouding omtrent alle zaken de Bank of par- 
ticuliere ingezetenen betreffende" jaren achtereen gemeend 
heeft te moeten opvatten. Volstrekte stilzwggendheid was 
het wachtwoord, niet alleen ten opzichte van den omvang 
der credietoperatiën, maar ook ten opzichte van de bewe- 
gingen in de biljettencirculatie en den daarmede verband 
hondenden metaalvoorraad. Omtrent dit alles bleef het publiek 
steeds in volslagen onwetendheid verkeeren, en het eenige 
wat goedgunstig ter zijner kennis werd gebracht waren de 
wgzigingen in het rentetarief, waartoe van tijd tot tijd 
moest worden besloten, en het bedrag van de aan deelheb- 
bers jaarlyks te goed komende uitkeeringen. 

Die lichtschuwheid was intusschen in volkomen overeen- 
stemming met den toen maligen t^dgeest. Toen bg het 
teneinde loopen van het eerste vijfentwintigjarig octrooi 
der Bank, de Kamer van Koophandel te Amsterdam van 
rëgeeringswege om advies gevraagd werd over de aan de orde 
gekomen verlenging van het octrooi, gaf zij b^ haar aan den 



( 227 ) 

Minister van Financiën gericht schrijven van 20 Februari 
1 838 wel den wensch te kennen, dat voortaan bij het sluiten 
der boeken een verslag van de operatiën der Bank gedu- 
rende het afgeloopen boekjaar aan deelhebbers zou worden 
»openbaar gemaakt"; maar meer of andere openbare op- 
gaven waren, naar het oordeel der Kamer, schadelijk te 
achten, »vermits de bekendheid met de meerdere of min- 
dere evenredigheid tusschen de kas der Bank en haar in 
omloop zynde papier zeer nadeelig op het vertrouwen der 
houders van bankbiljetten zou kunnen werken." 

Maar zelfs het door de Kamer te kennen gegeven be- 
scheiden verlangen om deelhebbers niet geheel onkundig: te 
laten omtrent den gang van zaken b^ de Bank stuitte af 
op het onverzettelijk aangekleefd beginsel van geheimhou- 
ding. Artikel 58 van het oud octrooi werd in zijn geheel 
behouden, met deze wijziging alleen, dat de stipte geheim- 
houding vroeger »ten sterkste geordonneerd," thans, in art. 
47 van het verlengd octrooi, »ten sterkste vçorgeschre- 
ven" bleef. 

Doch er kwam een tijd, dat de Directie het geraden 
achtte met deze tot hare uiterste grenzen doorgedreven 
geheimzinnigheid te breken. In hare vergadering van den 
7den April 1851 namely k kwam naar aanleiding van het 
aan Commissarissen in te dienen verslag over het afge- 
loopen boekjaar 1850/51 de vraag aan de orde, of het niet 
wenschelijk moest worden geacht aan het publiek eenige 
raededeelingen te doen omtrent den toestand der Bank, 
bgzonder met het doel om te doen zien, hetgeen uit den 
toestand der Bank zoo duidelijk bleek, dat het bestaan van 
uitgebreide bankinrich tingen op zichzelf niet voldoende is 
om de aanwending van meer kapitaal te veroorzaken ; maar 
tevens, dat, indien er hier te lande meer behoefte mocht 
ontstaan aan de ondersteuning, welke billijkerwijze van 
banken kan verlangd worden, de Nederlandsche Bank over- 
vloedige middelen bezat om aan die meerdere behoefte te 
voldoen. 

De aldus gestelde vraag werd door de leden der Directie 

zonder eenig voorbehoud bevestigend beantwoord. Wel werd 

10* 



( 228 ) 

erkend, dat de beoogde maatregel er toe zou kiinneii leiden, 
dat het publiek met meer drang eene veelvuldiger bekend- 
making van de hoofdcgfers betreffende den staat der Bank 
zal begeeren ; maar ook dit, meende men, mocht niet als 
een bezwaar worden beschouwd. Openbaarheid toch, zoo 
overwoog men, is bg den grooten omvang, welke de Bank 
ten opzichte van de circulatie harer biljetten erlangd heeft, 
thans bevrgd van de gevaren, welke bij de eerste oprichting 
der Bank daaraan wellicht verbonden zouden geweest zijn^ 
en het kon dus thans geen bezwaar hebben om van liever- 
lede tot die mate van openbaarheid te komen, welke in 
andere landen bij alle publieke banken zonder uitzondering, 
en zelfs bij vele bijzondere bankinrichtingen regel is. 

In diezelfde bgeenkomst werd dan ook het plan vast- 
gesteld van eene mededeeling, die aan de Staatscourant en 
de twee plaatselgke bladen ter openbaar making zou worden 
aangeboden ; maar reeds twee dagen later moest de Directie 
op haar besluit terugkomen, niet wegens verandering van 
gevoelen omtrent het doelmatige van den maatregel, maar 
blootelgk wegens den tegenstand, dien hg bij sommige Com- 
missarissen gevonden had, en wel in die mate, dat de ten 
uitvoerlegging er van zelfs wellicht de aftreding van een 
of meer hunner ten gevolge zou hebben. In deze omstan- 
digheden nu was de Directie van oordeel, dat het beter ware 
de zaak voorloopig uit te stellen, wijl het belang van den 
voorgenomen maatregel niet zoo groot was om er de goede 
verstandhouding met Commissarissen aan te mogen opofferen. 

Maar de zaak bleef daarom niet rusten. Gaandeweg had 
zich de behoefte doen gevoelen aan enkele wijzigingen van 
het bestaande octrooi, en bij het hiertoe strekkend, met 
medewerking van Commissarissen aan den Koning recht- 
streeks ingediend adres van 27 April 1852 werd ook eene 
wgziging der bepaling omirent de geheimhouding in over- 
weging gegeven, niet zonder verzet evenwel van een der 
Commissarissen, die zich met de meening der meerderheid 
van zgne ambtgenooten niet kon vereenigen en di ntengevolge 
zgn' mandaat nederlegde. 

Bg de Regeering daarentegen ontmoette het verlangen 



( 229 ) 

van de Bank geenerleî bedenking, en bij Koninklijk besluit 
van 9 Juni 1852 (Stbl. N^. 124) werd ni o. a. ook be- 
paald, dat maandelijks in de Staatscourant opgave zal ge- 
schieden van het bedrag der omloopende bankbiljetten, der 
gezamenlgke saldo's van rekening- courant (de thans gebrui- 
kelijke splitsing tusschen de saldo's van het Gouvernement 
en die van anderen is eerst in 1889 veroorloofd), en der 
aan de Bank toebehoorende munt en niuntmateriaal ; dat 
jaarlijks de stand van het kapitaal en van het reservefonds 
zal worden openbaar gemaakt, en dat het doen van meer- 
dere openbare mededeelingen aan het oordeel der Directie 
in overleg met Commissarissen werd overgelaten. 

Van ^eze vergunning werd onmiddellijk party getrokken 
door den toenmaligen secretaris der Bank Mr. W. C. Mees, 
die met toestemming van de Directie en Commissarissen de 
straks reeds ter sprake gebrachte gegevens openbaar maakte, 
waaraan intusschen een overzicht van den loop van het 
opereerend kapitaal, van het in disconteeringen en beleenin- 
gen uitstaand bedrag namelijk, ontbrak, omdat de mededee- 
ling er van toen nog niet geraden werd geacht. In deze 
leemte nu kwam twaalf jaren later Moltzer's Bijdrage voor- 
zien. »Aan de welwillendheid der Directie", zoo schreef 
hij, »is het te danken, dat in de (aan zijn opstel toege- 
voegde) tabel een afzonderlijke kolom opereerend kapitaal 
wordt aangetroffen. Moest men zich tot hiertoe met een 
huismiddeltje te vreden stellen, met een »om en nabg" , 
het opereerend kapitaal wordt thans tot een gulden toe 
bekend; geen geringe aanwinst voorwaar". 

Doch niet hierin is de waarde gelegen van Moltzer's op 
zich zelf zeer beknopte mededeelingen, want de inleiding 
tot zijne maandelij ksche staten der Bank van April 1814 
af beslaat ternauwernood drie bladzgden. Wat de waarde 
er van uitmaakt is de uit zijne geschiedenis in cijfers voort- 
vloeiende gevolgtrekking, dat, zooals h^ zich uitdrukt, » wij 
niet ééne bladzgde harer historie met blozen behoeven te 
lezen", en dat die historie in vele opzichten gunstig af- 
steekt bg het verleden van sommige buitenlandsche banken, 
omdat hier meer dan elders steeds gelet werd op de hoofd- 



( 230 ) 

zaak, de verhouding van munt eu muntmateriaal tot oni- 
loopende biljetten en rekeiiiug-courant-saldo's, op het be- 
ginsel dus dat aan de regeling der bankbiljettenemïssie 
ten grondslag behoort te liggen. 

Toch dagteekent die regeling, zooals zy op dit oogenblik 
nog van kracht is, eerst van het jaar, waarin Moltzer's 
liijdrage het licht zag. Bij Koninklijk besluit van 16 April 
1864 N^. 18 namelijk werd uitvoering gegeven aan het 
voorschrift der bank wet van 1863 (Stbl. 148) omtrent de 
verhouding, waarin het gezamenlijk bedrag van bankbil- 
jetten, bankassignatien en rekening-courant-saldo's door munt 
of muntmateriaal moet zgn gedekt, en werd die verhouding 
toen vastgesteld op ^4, hetgeen, zooals in het verslag van 
den President Mees over het boekjaar 1864/65 werd op- 
opgemerkt, eene belangrijke verandering bracht in de vroe- 
ger bestaande regeling. 

Eerst met dat verslag over boekjaar 1864/5 vangt de 
reeks der in druk uitgegeven bankverslagen aan. Het voor 
dat jaar afgeloopen tijdperk, het eerste vijftigjarig bestaan 
der Bank omvattend, is voor het publiek vrij wel een ge- 
sloten boek, voor zoover Moltzer's Bijdrage^ Professor 
Vissering's bekend öWsartikel en de latere mededeelingen 
van Mr. J. F. B. Baert in het Staatkundigen Staaihuishoud^ 
kundig Jaarboekje er niet reeds een blik in gegund hebben. 
Maar bij de gedurende dat v^ftigjarig bestaan der Bank 
gegolden hebbende regelingen omtrent de emissie van bank- 
biljetten, waarvoor de bij Kon. besluit van 16 April 1864 
verordende regeling in de plaats is getreden, wordt 
in die geschriften slechts zeer terloops stil gestaan, en het 
kan, dunkt mij, niet onbelangrijk wezen om, met behulp 
van de mij ten dienste staande ofi&cieele bronnen, na te gaan 
hoe de thans geldende regeling, die mij toeschgnt het vraag- 
stuk der bankbiljettenemissie in het algemeen tot de zui- 
verste oplossing gebracht te hebben, zich als het ware 
ontpopt heeft uit de voorschriften, die deze materie met 
betrekking tot de Nederlandsche Bank vroeger beheerschten. 



( 231 ) 

In het oorspronkelijk octrooi der Bank was omtrent het 
punt der emissie het volgende bepaald (art. 32) : 

»Het gehoele beloop der uit te geven bankbïljetlen zal 
geregeld worden naar het bedragen, van het geheele reëele 
kapitaal of fonds der Bank, zooals hetzelve zal bestaan, 
alle gedane beleeningen, escompten, muntspecien en munt- 
materiaal daaronder begrepen." 

Hoe deze bepaling, die aan duidel^kheid alles te wen- 
schen laat, eigenlek in de wereld is gekomen, heb ik 
niet kunnen ontdekken. Volgens Prof. Vissering is zg 
letterlek overgeschreven uit het ontwerp eener Algemeene 
Bataafsche beleen-, discompto- en deposito-bank, dat onder 
dagteekening van 21 Mei 1802 dour het Staatsbewind aan 
het Wetgevend Lichaam werd ingediend, een plan, dat echter 
nooit tot uitvoering kwam. Doch welke begrippen omtrent 
kapitaal, fonds, bankoperatien en biljettenomloop den ont* 
werper van dit plan voor oogen hebben gezweefd, kan, bij 
gebrek der bescheiden, niet meer uitgemaakt worden, en 
zoo staan wy thans nog voor de vraag, of het in de be- 
doeling lag van het voorschrift van art. 32, dat het beloop 
der uit te geven biljetten zich zou regelen naar het bedrag 
van het > primitive fonds der Bank van v^f millioen gulden", 
waarvan in art. 7 sprake was, plus de beleeningen, de es- 
compten en den metaalvoorraad, of dat alleen deze drie 
factoren b^ elkaar moeten beschouwd worden als uit te 
maken »het geheele reëele kapitaal of fonds der Bank", 
waarnaar de biljettenuitgifbe zich had te regelen. 

In plaats nu dat bij de octrooisverlenging van 1838 
getracht werd om de bestaande bepaling door eene duide- 
Igker redactie te vervangen werd zg in hoofdzaak onver- 
anderd overgenomen, evenals het onmiddelijk er mede ver- 
band houdende artikel 33 : »Het maximum der biljetten, 
die, op den voet in het voorgaand artikel vermeld, zullen 
worden uitgegeven, zal door Ons, b^ den aanvang, en ver- 
volgens, van i^à. tot tgd, worden vastgesteld op voordracht 
van president en directeuren der Bank." 

Vgftig jaren achtereen, tot aan de in werking treding 
van de bank wet van 1863, bleef dit samenstel van bepa- 



f 232 ) 

lingen van kracht; maar, vreemd genoeg, meer dan dertig 
jaren verliepen er voordat aan het voorschrift omtrent het 
vast te stellen maximum der emissie voldaan weid, en aan 
de niet naleving in dit opzicht van de grondwet der Bank 
hebben de Regeering en de Bank-directie beiden gelgkelijk 
schuld. Wel moge deze laatste bg haar aan den Secreta- 
ris van Staat voor de Financien gerichten brief van 20 
April 1814 verzocht hebben om met betrekking tot de van 
haar verlangde voordracht in zake dat maximum te worden 
verklaard diligent onder voorbehoud van de zaak in behan- 
deling te zullen nemen zoodra het maatschappel^k kapitaal 
der Bank zou zijn vol teekend ; doch het blijkt niet, dat zij 
sedert ooit op de quaestie is teruggekomen, en de Regee- 
ring van haar kant liet de zaak eveneens rusten, totdat in 
den loop van 1847 de minister van Hall het »ter dekking 
van zijne verantwoordelykheid'* noodig achtte om haar bg 
de Directie der Bank ter sprake te brengen, zg het ook 
dat, zooals in zyn brief van 7 Juli van dat jaar te lezen 
staat, de door het Octrooi gewilde regeling op zich zelve 
vry wel overbodig kon gehouden worden »bij de voorzich- 
tige directie van beeren president en directeuren reeds over 
een zoo aanmerkelijk tijdvak gebleken." 

Deze lofspraak was zeker volkomen verdiend, want het 
is voor een goed deel aan het beleid van de toenmalige 
bestuurderen der Bank te danken, dat Nederland gevrijwaard 
is gebleven voor de gevolgen, die de niet vaststelling van 
het door het octrooi geeischte maximum der emissie had 
kunnen na zich slepen, zooals tot niet geringe schade van 
land en volk het geval is geweest in Nederlandsch-Indië 
onder de werking van de daar vigeerende bankregeling, bij 
de vaststelling waarvan het aan de Nederlandsche Bank 
verleende octrooi getrouw tot richtsnoer gediend had. 

Ook in het octrooi van de bij publicatie van 11 Decem- 
ber 1827 (Ind. Stbl. N^. lil) iu het leven geroepen Ja- 
vasche Bank stond geschreven (art. 33). »dat het geheele 
beloop der uit te geven bankbiljetten zich zal regelen naar 
het kapitaal of fonds der bank, alle beleeningen, escompteu, 
gedeponeerde gelden, muntspecien en verleende credieten 



( 233 ) 

daaronder begrepen'*, hetgeen in zooverre eene anipHatie 
was op het bepaalde in art, o2 van het Octrooi der 
Nederlandsche Bank, dat in dit laatste niet gerept werd 
van gedeponeerde gelden en verleende credieten; maar 
voor het overige' kwam de regeling der zaak op het- 
zelfde neder. Z^ liet de in acht te nemen verhouding 
tusschen metaaldekking en de zich in handen van het 
publiek bevindende biljetten geheel in het midden, en stelde 
dus aan den omvang van de credietoperatien der Bank 
feitelyk geen andere grens dan de meerdere of mindere 
gewildheid barer bankbiljetten. Onder deze omstandig- 
heden was in de door het octrooi der Nederlandsche Bank 
gewilde vaststelling van een maximum der uit te geven 
biljetten een niet te miskennen correctief gelegen ; maar 
in het octrooi der Javasche Bank bleef deze bepaling, 
hetzij opzettel^k of onwillekeurig, achterwege, en de zoo 
veel zorg vereischende zaak der emissie werd dus geheel 
en al overgelaten aan het beleid van hare bestuurderen, 
die bij de aanvaarding hunner taak de eerlyke, maar in elk 
geval zeer naïeve verklaring aflegden, »dat zij buiten het 
bereik waren van eenige bescheiden tot navorsching der 
grondslagen, naar welke in andere landen soortgel^ke instel- 
lingen bestierd werden." 

De gevolgen bleven dan ook niet uit. Zoolang het door 
de Javasche Bank uitgegeven papier slechts gedekt was 
door »de wezenlyke tegenwaarde", welke zij ter zake barer 
crediet' operatien »tot pand behoudt", — om de eigen 
woorden der Directie te bezigen, — duchtte zij geen ge- 
vaar, al zag zij haar metaalvoorraad ook schier van jaar 
tot jiiar inkrimpen. Van ruim ƒ 2.086.000 tegenover eene 
biljettencirculatie van ƒ 2.166.750 bg het eind van het 
eerste boekjaar, was de metaalvoorraad bij het eind van 
het negende boekjaar 1836/37, waarover een winst van 
ƒ 640.000 of 32 percent van het maatschappelijk kapitaal 
werd uitgekeerd, gedaald tot / 526.224 tegenover een bil- 
jettencirculatie van ƒ6.927 250; maar eerlang werd de 
toestand nog hopeloozer, want in Juli 1839 was de speciekas 
op een bedrag van ƒ 18.638 na geheel uitgeput, en van 



( 234) 

verzilvering barer biljetten kon dus voor de Bank boegenaamd 
geen sprake wezen. 

Zij was feitelijk failliet, en om bair staande te bon- 
den moest ten slotte van Regeeringswege de gedwongen 
koers der biljetten gedecreteerd, en aan alle collégien van 
justitie geïnterdiceerd worden om kennis te nemen van 
recbts vorderingen de strekking bebbende om de Bank tofe 
verwisseling barer biljetten te noodzaken. 

Tocb kon aan de Directie, die bet zoo ver had laten 
komen, niet worden ten laste gelegd, dat zij de voorschrif- 
ten van bet octrooi omtrent de emissie ontdoken, laat 
staan verkracht bad, want de daarbij gestelde grens was 
niet overschreden Mij staan op bet oogenblik geen andere 
cijfers ter beschikking dan die te vinden zijn in Stegn 
Parvé's Geschiedenis van hel munt en hankwezfn in Nederlandsch^ 
Indië sedert de herstelling van het Neder landsch gezag in 1816^ 
en gaan wij daarmede te rade, dan zou krachtens de be- 
woordingen van art. 33 van bet octrooi de emissie van 
biljetten op uit. Maart 1^40 b. v. hebben mogen bedragen 
wegens 

bet kapitaal der Bank plus reserve ƒ 2.440.000 

beleeningen en er edicten » 850.000 

escompten » 6.340.000 

muntspecien » 754.000 

of te zamen ƒ 10.:U8.000 
terwijl op dat tijdstip werkel^k in circulatie was voor 
f 7.233.000. Ware de Bank nu door een zeker maximum 
van emissie gebonden geweest, dan, het behoeft geen betoog, 
zouden de zaken nooit zulk een noodlottigen loop hebben 
kunnen nemen, en de eerste maatregel tot herstel van den 
zoo geschokten toestand is dan ook geweest de opneming 
in bet b:g publicatie van 3 Maart 1848 vernieuwde octrooi 
der Javaschc Bank van de bepaling, dat voor den vervolge 
de uitgifte der biljetten een zeker door den Gouverneur- 
Generaal te bepalen bedrag niet zou mogen te boven gaan. 
De gebeurtenissen in Indië bleven hier te lande natuur- 
lek niet onopgemerkt. In den boezem der vertegenwoordi- 
ging werd er herhaaldelijk over gesproken, en in het ter 



( 235 ) 

zitting der Tweede Kanier van 25 November 1845 uitge- 
bracht Verslag omtrent het onlwerp van wet tot regeling 
van het gebruik van het koloniaal batig slot van 1844 
werJ o. a. de Regeering met aandrang verzocht om volle- 
dige mededeeling te doen van de bereids genomen of nog 
door haar te nemen maatregelen tot herstelling van het 
crediet der Javascbe Bank. Het kan niet anders of de zaak 
moet ook in den Ministerraad z^n ter sprake gekomen, en 
gewaagd dunkt de veronderstelling mij niet, dat de toenmalige 
Minister van Financiën hierin aanleiding kan hebben ge- 
vonden om zich meer in bijzonderheden rekenschap te 
geven van de wijze waarop de materie der emissie hier te 
lande eigenlijk geregeld was, en hij dientengevolge tot het 
inzicht zal zijn gekomen, dat de vaststelling van het door 
het octrooi geëischte maximum der emissie eene zaak was, 
die niet langer uit het oog mocht worden verloren. Hoe 
het zi], in zijn boven reeds ter sprake gebrachten brief aan 
de Directie der Bank van 7 Juli 1847 vestigde hij hare 
aandacht op de tot dusver niet nageleefde bepaling van het 
octrooi, met verzoek »derzelver consideratie en advies" 
over de zaak te willen kenbaar maken, in het bijzonder 
ook over de vraag, of de voorkeur behoort te worden ge- 
geven aan eene hetzg vaste, hetz^* periodieke bepaling van 
een vast bedrag, dan welaan het aannemen van een duurzame 
evenredigheid tusschen het te bepalen maximum en de 
speciekas der Bank. 

In haar antwoord van den 2den Augustus 1847 gaf de 
Directie begrgpelijkerwys hare bevreemding te kennen, dat 
de Regeering het noodig had kunnen achten thans de aan- 
dacht te vestigen op een paar artikelen van het octrooi op 
wier naleving sedert 1814 nooit was aangedrongen ; maar 
dit nam niet weg, dat zij zich gehouden gevoelde om zonder 
verwijl aan het verlangen der Regeering te voldoen, en 
vermoedel^k rekening houdende met de omstandigheid, dat 
de circulatie van biljetten slechts gedurende korten tijd, in 
het crisisjaar 1845, boven de ƒ 40.000.000 gestegen was, 
stelde zg den Minister voor het door het octrooi gewilde 
maximum der emissie vast te stellen op het drievoud van 



( 236 ) 

het grondkapitaal plus de reserve, bij elkaar ƒ 17.250.000 
uitmakende, en alzoo in ronde cijfers op ƒ 51.000.000. 

Niet tegen dit miiximum nu bestonden bij den Minister 
bedenkingen ; maar wel tegen het denkbeeld om het vast 
te knoopen aan het »grondfonds" der Bank, »wijl dit niet 
altyd de gelegenheid tot emplooi voor het dadelijk intrekken 
der bankbiljetten schynt op te leveren", en liij was daarom 
van oordeel, dat de voorkeur behoorde te worden gegeven 
aan eene bepaling van het maximum der biljetten op 2V2 
malen de speciekas, of, »indien de Directie mocht oordeelen, 
dat eenigszins verder mocht kunnen gegaan worden, tot 
hoogstens 3 malen de speciekas, na aftrek der saldo's in 
rekening-courant, en met behoud in elk geval van het 
maximum van ƒ 51.000.000. Eene regeling op dien voet 
zou, volgens den Minister, ook het voordeel aanbieden, 
dat men niet van t^d tot t^d, zooals art. 26 daartoe de 
vrgheid liet, op de zaak zou behoeven terug te komen. 

Met dit voorstel van den Minister kon de Directie zich 
echter in geenen deele vereenigen. »Wg hebben", dus 
schreef zg in haar antwoord van 31 Augustus 1847, »de 
zaak opnieuw rgpelijk overwogen, en het doet ons leed te 
moeten verklaren, dat wg al meer en meer redenen hebben 
gevonden, welke ons weerhouden om ons te vereenigen met 
het gevoelen van Uwe Excellentie. Wy nemen de vrijheid 
door het volgende voorbeeld in cyfers aan te toonen, dat, 
op de wyze door Uwe Exc. voorgesteld, het onmogelyk voor 
de Bank zou zyn om aan hare operation eenige uitbreiding 
te geven. 

»De tydstippen van 1 Juli en 1 Januari zyndie, waarop 
het saldo aan het Rgk toekomende het meest aanzienlijk 
moet wezen, uithoofde van de alsdan verschijnende rente 
van het grootboek der Nationale Schuld. De opvoering van 
dit saldo geschiedt allengs niet door specie fournissementen, 
maar door het daaraan gelijkstaande medium van papier. 
Gesteld: de speciekas der Bank is op 1 Mei / 20.000.000, en 
tengevolge van operatien beloopt haar medium, dat in omloop 
is, 45.000.000, zoo zal de verhouding van specie totbank- 
biljetten zijn als 1 tot 21/4. Allengs doet zg hare operatiën 



( 237 ) 

afnemen in evenredigheid, dat de saldo's in rekening-courant 
klimmen, zoodat op 1 Juli haar speciekas is verbleven op 
20.000.000, maar het montant van de bankbiljetten ver- 
mindert met 12 millioen juist zooveel als de saldo's be- 
dragen; trekt men nu die 12.000.000 aan saldo's van de 
speciekas af, dan wordt deze teruggebracht op 8.000.000 
terwijl de omloop aan bankbiljetten is verminderd tot 
33.000.000, en de proportie dus zou worden als 1 tot VJ^ 
maal de specie. 

»Wij vertrouwen," dus luidde het slot van het antwoord 
der Directie, »dat, na de aanvoering van dit voorbeeld, wij 
ons gerustelijk van alle verdere redeneeringen kunnen ont- 
houden ter adstructie van ons gevoelen waarom wij aan 
het door Uwe Exc. voorgestelde denkbeeld geen gevolg wen- 
schen gegeven te zien." 

De door de Directie aangevoerde bezwaren vonden bij 
den Minister dadelijk ingang. In zijn aan de Directie ge- 
richte missive van 11 September erkent hij in te zien, dat 
de door- hem aangegeven evenredigheid te beperkt zou zijn, 
wanneer alleen op het oog werd gehouden het bedrag der 
speciekas na aftrek der saldo's in rekening-courant ; en h^ 
verklaarde dan ook genoegen te kunnen nemen met een e 
regeling, krachtens welke, met behoud van een maximum 
van 51.000.000, de uitgifte van biljetten niet zoude mogen 
klimmen boven de 2^/2 malen het bedrag van de speciekas 
zonder aftrek van de saldo's. 

Doch ook deze regeling achtte de Directie niet vrij van 
bedenking. Wel is waar, zoo overwoog zij in hare ver- 
gadering van 22 September 1847, ligt het niet in de be- 
doeling »om over ie gaan, tot zoodanige elasticiteit als de 
vaststelling der verhouding tusschen speciekas en circulatie 
op 1 tot 2V3 zou kunnen medebrengen," — en op dat 
oogenblik bestond daaraan zeker allerminst behoefte, want 
de door Moltzer in zijne Bijdrags openbaar gemaakte cijfers 
leeren ons, dat- onder ulto. September 1847 b^ een bank- 
biljetten circulatie van ƒ 34.806.000 op een metaalvoorraad 
van nagenoeg gelijk bedrag of ƒ 33.434.000 kon gewezen 
wprdçii ; — » maar in de jaarboeken der Bank warei^ voor- 



( 238 ) 

beelden aanwezig, die het wenschelyk maakten, dat aan de 
Directie eenige vrgheid v.in handelen zou worden gelaten, 
en zy niet gebonden zou worden door voorschriften waarvan 
onder geen omstandigheden zou mogen worden afgeweken." 

Ter voorkoming van verdere correspondentie besloot men 
de gerezen bezwaren niet sehriftelgk maar mondeling onder de 
aandacht van den Minister te brengen, en de daarop gevolgde 
conferentie had het gewensch te resultaat. Men kwam overeen, 
dat de aangegeven verhouding slechts als algemeene regel 
gelden zou, terwfll het bg die gelegenheid te kennen gegeven 
verlangen van de Directie om het bjj de Bank aanwezige 
muntmateriaal tot den muntprijs als kas te mogen mede- 
tellen werd ingewilligd. Dienovereenkomstig luidde art. 
1 van het ter zake afgekondigde Koninklijke besluit van 5 
October 1847. L*. P^^. Geheim — het eerste besluit van 
dien aard dus dat genomen werd om uitvoering te geven 
aan het imperatieve voorschrift van art. 33 van het octrooi 
van 1814 en art. 26 van het verlengde octrooi van 1838 — 
woordelijk als volgt : 

»Het maximum der door de Bank uit te geven bank- 
biljetten wordt bepaald op ƒ52.000.000; zullende echter 
de Directie bij deze uitgifte tevens moeten acht slaan op 
den stand harer speciekas, waaromtrent tot algemeenen 
regel wordt gesteld, dat zy de verhouding van ƒ 250 papier 
tegen ƒ 100 specie niet overschrgde. 

»Het by de Bank aanwezige muntmateriaal wordt, tot 
den prijs van den mnntslag, als specie aangemerkt en alzoo 
bij de kas gevoegd." 

Deze regeling mocht met het oog op den toenmaligen 
staat van zaken alleszins doeltreffend heeten. De omloop 
van biljetten had in de laatste jaren tusschen de ƒ 30 en 
ƒ 40.000.000 afgewisseld ; soms beneden de ƒ 30.000.000 
was het cyfer slechts zelden en voor korten tijd boven de 
ƒ 40.000.000 gestegen. Een maximum van / 52.000.000 
was dus ruim gesteld en in behoorlijke overeenstemming 
met de gebleken behoefte, terwijl de bepaling, dataltyd^/g 
in metaal aanwezig moest zijn, — dus op een omloop van 
ƒ 52.000,000 çen bedrag van ƒ 20.800.000 — ypor de 



( 239 ) 

houders van biljetten een gewenschte zekerheid verschafte, 
en tevens aan de Directie genoegzame gelegenheid liet om 
de krachten der Bank te gebruiken* 

Intusschen begreep men rekening te moeten houden met 
de mogelijkheid van veranderde omstandigheden, en daarom 
werd aan art. 1 van het Kon. Besluit van 5 October 1847 
art. 2 toegevoegd, luidende: »De voorgaande bepaling tot 
nadere beschikking wordende gemaakt, zal daarin echter 
na verloop van een jaar zoodanige wijziging kunnen plaats 
hebben als na overleg met President en Directeuren van 
de Bank door ons raadzaam zal worden geacht." 

Werkeljk deed de behoefte aan verandering zich reeds 
vrij spoedig gevoelen. De omloop van bankbiljetten was 
tot dusver beperkt gebleven wegens de toenmalige gesteld- 
heid van het muntwezen. Onder de werking toch van den 
hier te lande bestaanden dubbelen standaard, krachtens de 
gebrekkige muntwet van 1816, was het goudgeld allengs 
het voorname betaalmiddel geworden, en dit goudgeld 
maakte de diensten van bankpapier minder noodig. Doch 
de muntwet van 26 November 1847, die de demonetisatie 
van de gouden standîiardmunt ten gevolge had, bracht in 
dien stand van zaken een algeheele ommekeer te weeg, en 
leidde al dadel^k tot een toenemenden aanvoer van zilver, 
dat de Bank >ten gerieve van den handel" geregeld inkocht, 
hetgeen haar metaalvoorraad van ƒ 33.918.000 op uit. 
December 1847 tot ƒ 65.427.000 op uit. December 1848 
deed toenemen. In verband hiermede was de circulatie tot 
een hooger cijfer gestegen dan anders het geval zou zijn 
geweest, en daar nu, zoo schreef de Directie in haren aan 
den Minister van Financien gerichten brief van 18 Decem- 
ber 1848, »de aanvoeren van edel metaal nog niet schijnen 
op te houden, en de rente-betaling van het 2^2 percent 
Grootboek op handen is, zal zelfs by een gedeeltelyko vol- 
doening in het medium der Bank het voor de uitgifte 
gestelde maximum verre overtrofifeu worden, terwyl het 
aan het publiek in het algemeen gewisselijk zeer ongerieflijk 
zou wezen, wanneer de Bank ongevraagd hare betalingen 
geheel in specie zou moeten doen." Om deze redenen ver- 



( 240 ) 

meende de Directie daa ook eene ampliatie van art. 1 
van het Kon. besluit van 5 October 1847, te moeten voor- 
stellen, hierin bestaande: »dat met behoud der verhouding 
van 2^2 maal papier tegen l deel specie en muntmateriaul 
het maximum van /* 52.000.000 zal mogen worden over- 
schreden, onder expresselijk beding, dat voor eiken gulden 
verder in biljetten uit te geven ook een gulden in gemunt 
of ongemunt edelmetaal in de kelders aanwezig zij". 

De toen aan het hoofd van het Departement van Finan- 
cien staande Minister Van Rosse had tegen de opportuniteit 
van dit voorstel ernstig bezwaar. »De vraag is bg mij 
opgekomen", dus schreef hg aan de Directie onder dag- 
teekening van 20 December 1848, »of het door de Bank 
onderstelde ongerief genoegzamen grond oplevert om het 
bestaande besluit te veranderen, en of niet wellicht aan 
eene zoodanige beschikking, welke het zoo bezwaarlijk 
moet zgn volkomen geheim te houden, een verkeerde uit- 
legging zou kunnen gegeven worden, die nadeelig op het 
algemeen vertrouwen zou kunnen werken". 

's Ministers bezorgdheid nu vond bij de Directie allerminst 
weerklank. »Bij de bekendheid toch van het publiek", 
zoo luidde haar antwoord van 23 December 1848, »dat er 
geen groote voorschotten aan de Bank gevraagd worden, 
noch bij wijze van beleenen, noch b^ die van disconto, 
— en by de waarneming en wetenschap tevens, dat 
het edelmetaal van alle zyden door den handel ons 
wordt toegevoerd, is er geen andere opvatting voor die 
w^ziging te denken dan die van gerief voor den handel in 
het byzonder en voor het publiek in het algemeen, zoodat 
er naar onze overtuiging wel nimmer redenen tot de onder- 
werpelijke wijziging zullen kunnen bestaan, die minder 
achterdocht zullen kunnen opwekken dan juist die van het 
tegenwoordig oogenblik. Wij zouden dan ook gelooven geene 
vreeze te moeten voeden voor verkeerde uitleggingen, al 
ware het ook dat het te nemen geheim besluit minder 
geheim kon worden gehouden, dan met het vroegere het 
geval is." Met dez3 uiteenzetting van haar »tegenoverge- 
steld gevoelen met opzicht tot de gepastheid van bet 



(241 ) 

oogenblik voor de verlangde ampliatie'* meende z^ te kun- 
nen volstaan. Op die wijziging »met meerderen nadruk aan te 
dringen" lag voorshands niet in hare bedoeling. 

Spoediger echter dan zy verwacht had moest de Directie 
op haar voorstel terugkomen. Meer en meer toch naderde 
de bankbiljettencirculatie het als grens gesteld bedrag van 
ƒ 52,000.000, en bg schrgven aan den Minister van 8 
Februari 1849 maakte zg de zaak opnieuw aanhangig. 
Ditmaal begreep de Minister zich niet langer tegen de 
gewenschte uitbreiding der emissie te mogen verzetten; 
doch de door de Directie voorgestelde beperking, dat boven 
de 52.000.000 voor eiken gulden verder in bankbiljetten 
uit te geven ook een gulden in gemunt of ongemunt edel 
metaal zou moeten aanwezig ziyn, hoe geruststellend ook 
op zich zelve, mocht, volgens 's Ministers antwoord van 10 
Februari, niet anders dan in verband beschouwd worden met 
de uitdrukkelgke bepaling van het octrooi, en hij verzocht 
derhalve de Directie met deze opvatting rekening te houden 
in het nader voorstel, dat hg van haar zou te gemoet zien. 

Ofschoon nu de Directie blijkens haar bnef van 13 
Februari van oordeel bleef, dat het wenschelijker ware, 
>de verlangde uitbreiding op zich zelve als eene exceptie 
te kunnen beschouwen, aangezien in de equivaleerende be- 
paling van gelijke hoeveelheid in papier tegen gelijke 
hoeveelheid in specie geen gevaar hoegenaamd kon gelegen 
zgn, daar de groote overvloed van het eerste in de circu- 
latie zich iederen dag door opvraging van munt kan corri- 
geeren", zoo wilde zg den Minister echter gaarne te gemoet 
komen met betrekking tot het bg hem gerezen bezwaar, 
en zg gaf mitsdien in overweging met behoud van het 
voorschrift, dat het boven de ƒ 52.000.000 uit te geven 
bedrag gulden voor gulden door specie zou moeten gedekt 
zgn, het op dien voet in omloop te brengen bedrag op 
hoogstens ƒ 20.000.000, en het maximum van de geheele 
emissie dus op ƒ 72.000.000 vast te stellen. 

Aldus werd de zaak definitief geregeld bg Kon. besluit 
van 15 Februari 1849, L. G* Geheim; maar nog vóór het 
jaar ten einde was werd eene nieuwe verhooging van het 

TJBOBI« SN MED. XVJ>, LETTBBK. 3de REES.S DEEL XXL ^6 



( 242) 

maximum noodzakelyk tengevolge van eene met de Begeering 
getroffen overeenkomst van zeer b^ zonderen aard, waarb^ 
vooraf met een enkel woord moet worden stil gestaan. 

Om het herstel van het by de wet van 26 November 
1847 (Stbl. NO. 69) op deugdelijke grondslagen geregelde 
muntwezen te voltooien werden by Koninklijke boodschap 
van 4 Augustus 1849 twee ontwerpen van wet aan de 
Tweede Kamer ingediend, respectievelgk ten doel hebbende: 

dè inwisseling van de zilveren speciën naar de wet van 
28 September 1816 (Stbl. W. 50) gemunt; en 

het ontnemen der hoedanigheid van stand penningen aan 
de gouden speciën, gemunt naar diezelfde wet en de wet van 
22 December 1825 (Stbl. N«. 80). 

In de bij die ontwerpen behoorende Memorie van toe- 
lichting, aan wier duidelijkheid en volledigheid in het Ver- 
slag van de Commissie van Rapporteurs onverdeelde lof 
werd toegezwaaid, bracht de Minister van Financiën Van 
Bosse in herinnering, dat, en waarom het lot der gouden 
vijf- en tienguldenstukken in 1847 aanvankelgk onbeslist 
was gelaten; maar hoe ten slotte in de wet 26 November 
de bepaling was opgenomen (art. 23), dat vóór den 31 
December 1850 nadere wettelijke bepalingen op dit punt 
zouden moeten gemaakt worden. Ter voldoening nu aan 
dit voorschrift der wet meende de Regeering reeds in den 
loop van 1849 de zaak bij de Kamer te moeten aanhangig 
maken. »Dat thans meer dan ooit de bezorgdheid der Re- 
geering op dit pnnt is gaande gemaakt", dus luidde het 
in 's Ministers Memorie van toelichting, »kan geen ver- 
wondering baren. Hetgeen men toch in 1847 als een zeer 
mogelijke zaak beschouwde, vooral met het oog op de 
goudproductie van het Oural gebergte, heeft in 1849 een 
meer bedenkel^k aanzien verkregen door de zooveel gerucht 
makende gouddel vingen van Californie. Alhoewel nu de 
Regeering b^ eene aandachtige beschouwing geenszins het 
gevoelen omhelst van hen, die uit deze gouddelvingen eene 
algemeene depreciatie van het goud als eene eerstdaags te 
verwachten zaak zich voorspiegelen, zoo acht zij echter de 
^aak iu een meer verwijderde toekomst van te hoogbe- 



( 243 ) 

lang om onbedacht de oogen voor een gevaar, dat een- 
maal dreigend kan worden, te sluiten. Zy vindt daarin 
eenen prikkel om op den weg, die werd ingeslagen, niet 
stil te staan, maar het aangenomen muntstelsel thans vol- 
ledig en zonder leemten ten uitvoer te brengen." 

Om hiertoe te geraken moest dus tot algeheele demone- 
tisatie der totdusver nog als wettig betaalmiddel toege- 
laten gouden standpenningen worden overgegaan, een voor- 
nemen, dat b^ de Kamer weinig of geen tegenstand ont?- 
moette, en de ter zake tot stand gekomen wét van 17 Sep- 
tember 1849 (Stbl. N^. 46) hield dan ook de bepaling in, 
dat op nader door de Regeering vast te stellen t^dstippen 
aau het publiek gelegenheid zou worden gegeven tot inwis- 
seling van de goudstukken van ƒ 10 en ƒ 5; terwgl voor 
zoover die inwisseling niet dadelijk tegen zilveren munt 
zou kunnen plaats vinden, muntbiljetten zouden kunnen 
worden uitgegeven tot geen hooger bedrag evenwel dan 
f 30.000.000, en gewaarborgd door het goudgeld, dat naar- 
mate van de uitgifte van muntbiljetten in gelijke hoeveelheid 
bij de Nederlandsche Bank zou moeten worden overgebracht. 

Maar met de dus erlangde bevoegdheid om de zaak ter 
hand te nemen meende de Recceerins: niet te kunnen vol- 
staan, en nog vóór de wet haar beslag had gekregen waren 
door den Minister onderhandelingen aangeknoopt met de 
Bank over de door haar te verleenen tusschenkomst, »zoo 
by intrekking van het goud, als bg de beschikking over 
hetzelve en het eventueel daarstellen van muntbiljetten om 
de inwisseling te bevorderen'' (missive van den Minister 
van Financiën aan de Bank van 23 Augustus 1849, N^. 
286 Geheim). Het gevolg nu van deze zoo schriftelijk als 
mondeling gevoerde onderhandelingen was het tot stand 
komen op 22 October 1849 van een e door den Koning 
goedgekeurde overeenkomst, waarbg de Bank zich verbond 
al de te demonetiseeren speciën, zoo zilveren als gouden, 
in te wisselen tegen nieuwe zilveren speciën of muntbil- 
jetten, de ingewisselde speciën, van den dag der buiten 
koers stelling af, in dépôt te houden, totdat daarover door 
den Minister van Finapoi?n ?5al beschikt worden, en in af- 



( 2^^ ) 

wachting van die beschikking op onderpand der ingetrok- 
ken tien- en v^f-guldenstukken beleeningen te verstrek- 
ken tot de som van ƒ 24.000.000, en, indien de intrek- 
king der gouden munt plaats heeft vóór dat de munt- 
biljetten ter uitgifte gereed zgn, van / 30.000.000 daar- 
boven, en dus in het geheel ƒ 54.000.000, tegen een rente 
van 2 ten honderd in het jaar. Voorts hield de overeen- 
komst in, dat in het onderpand steeds een surplus van 2 
ten honderd zou moeten aanwezig zijn, welk surplus, zoo- 
lang de prgs van het Nederlandsch pond fijn goud niet 
beneden de 1 3pCt. agio daalde, naar den vroeger wettelgken 
pr^s der beleende speciën zou berekend worden, terwgl, b^ 
een lageren pr^s van het goud, zooveel zou moeten bggepast 
worden als noodig zou worden bevonden om een surplus van 
2 ten honderd boven den prijs van het goud te behouden. 

Tegen deze in de oorspronkelgke ontwerp-overeenkomst 
voorkomende bepaling op zich zelf had de Bank geen be- 
zwaar, want in geen enkel opzicht kwam z^ in str^d met 
de voor haar bindende bepalingen van het octrooi ; maar bg 
schreven van 5 October 1849 moest z^ echter onder de 
aandacht van den Minister brengen, dat uit den aard der 
zaak de Bank zich vooruit niet onvoorwaardelgk tot zulk 
een beleen ingsoperatie mocht verbinden, en om in dit op- 
zicht aan het bg haar gerezen bezwaar tegemoet te komen 
werd in de definitieve overeenkomst de bepaling ingelascht: 
:>dat de verbintenis tot het verstrekken der beleeningen 
alleen verplichtend zou zgn, wanneer het tgdstip der buiten 
koers stelling van de gouden stukken, na overleg en met 
toestemming der Directie van de Bank zou z^n bepaald". 
Ook werd als ampliatie op het ontwerp nog bepaald, dat 
aan de Bank volkomen vrgheid werd gelaten om, wanneer 
zulks haar geraden mocht voorkomen, de beleende gouden 
speciën boven de f 24.000.000 onmiddellgk op de best mo- 
gelijke wijze voor rekening van het Rgk te gelde te maken. 

Het spreekt van zelf, dat de Directie tot eene in hare 
mogelgke gevolgen zoo gewichtige overeenkomst niet toe- 
trad zonder nauwgezet rekening te houden met de haar 
ten dienste staande operatiemiddelen. Nu waren op dat 



( 245) 

tydstip die middelen ruimer dan ooit te voren: het ope- 
reerend kapitaal was in September 1849 teruggeloopen 
tot / 9.826.000, een c^fer lager dan in de laatste twintig 
jaren was voorgekomen; tegenover een biljetten-circulatie 
p. m. ƒ 40.000.000 stond een metaalvoorraad van ruim 
ƒ 65.000.000, en zelfs met inbegrip van het toenmaals vrij 
hooge saldo-cijfer van p, m. ƒ 20.000.000, waren dus alle 
obligo's der Bank meer dan ten volle door metaal gedekt. 
Maar dit nam niet weg, dat de mogel^kheid van op een 
gegeven oogenblik geroepen te worden tot het in leen ver- 
strekken aan den Staat van een bedrag van misschien meer 
dan / 50.000.000 bgzondere voorzieningen met betrekking 
tot de emissie wenschel^k maakte, en mitsdien gaf de Di- 
rectie in haar boven reeds aangehaald schrgven aan den 
Minister van 5 October 1849 haar verlangen te kennen 
om het laatstelyk op ƒ 72.000.000 bepaalde maximum te 
verhoogen met ƒ 54.000.000, en mitsdien vast te stellen 
op ƒ 126.000.000. 

De Minister vond dien sprong wel wat groot en vroeg 
bg zfln brief van 9 October of niet kon worden volstaan 
met eene verhooging van ƒ 30.00u.000 ; maar de Directie 
bleef het bl^kens haar antwoord van den daarop volgenden 
dag noodig achten om de verhooging van het maximum 
uit te strekken tot het volle in de nog hangende overeen- 
komst gestipuleerde bedrag van ƒ 54.000.000, of, zoo de 
Minister aan een rond c^fer de voorkeur mocht geven, 
tot ƒ 50.000.000. »Reeds de beleening van ƒ 24.000.000'', 
schreef zij, »werd door ons als een geheel buitengewone 
maatregel beschouwd, welke eene verhooging van het ge- 
stelde maximum van ƒ 72.000.000 zou kunnen vereischen. 
Eene vermeerdering der beleening vordert daarom, naar 
ons inzien, eene evenredig grootere vermeerdering van het 
maximum van biljetten." 

Maar de geheel exceptioneele omstandigheden, die der 
Directie aanleiding gaven tot het voorstel om de emissie 
te verhoogen, deden het haar ook wenschel^k achten om 
voor het geval, dat wei'kelyk groote bedragen aan gede- 
monetiseerd goud onder hare bewaring mochten bleven, dat 



( 246 ) 

goud onder den metaalvoorraad te mogen medetellen, en 
het hiertoe strekkend voorstel by den Minister geen be- 
denkingen ontmoet hebbende, werd alsnu bg Kon. besluit 
van 18 October 1849 P. J.*^ Geheim de zaak der emissie 
op nieuw als volgt geregeld : 

»Het maximum der door de Nederlandsche Bank uit te 
geven bankbiljetten wordt van / 72.000.000 verhoogd tot 
ƒ 122.000.000, met dien verstande, dat tot het bedrag van 
ƒ 52.000.000 in stand bl^ft de tot regel gestelde verhou- 
ding van ƒ 250 papier tegen ƒ 100 specie, terw^l voor 
elke ƒ 100 papier verder uit te geven tot het hierboven 
gestelde maximum, zulks alleen en uitdrukkel^k zal mogen 
geschieden tegen een gel^k bedrag in gemunt of ongemunt 
edelmetaal, het zilver berekend tot de waarde van den 
muntslag en het goud tegen den pr^s van 13 percent agio, 
zullende ook het beleende metaal bg de berekening worden 
opgenomen." 

Van hare aldus verhoogde operatiekracht heeft de Bank 
intusschen geen gebruik behoeven te maken. Toen in de 
maand Juni 1850 de Directie der Bank, na sedert Septem- 
ber te voren te vergeefs naar een gunstige conjunctuur 
te hebben uitgezien, het oogenblik gekomen achtte om de 
Regeering te adviseeren tot de intrekking der gouden 
munten over te gaan, en dienovereenkomstig b^ Kon. 
besluit van 9 Juni 1850 (Stbl. N^. 30) bepaald was, dat 
de gouden tien en vijfguldenstukken op den 2 36^^ Juni daar- 
aanvolgende zouden ophouden wettig betaalmiddel te zgn 
en de inwisseling er van zou geschieden van 1 7 tot 22 en 
op 24 Juni, werd van die gelegenheid voor een bedrag van 
ƒ 49.790.970 gebruik gemaakt; doch deze hoeveelheid is 
nimmer gelijktijdig bg de Bank gedeponeerd geweest. Reeds 
gedurende de inwisseling toch ving z^ aan met den ver- 
koop van het goud, aanvankelük tegen een agio van 13^/4 
percent, dat sedert geleidelijk tot 11 V4 percent, gelgkstaande 
met een prgs van ƒ 1604.89 per Ned. pond fijn, terug- 
liep, en de grootste hoeveelheid die de Bank op een gegeven 
oogenblik onder zich hoeft gehad is nooit meer geweest 
4an ruim ƒ 39.000.000. Bg de sluiting van het boekjaar 



(247) 

1850/51 had de Bank nog slechts ruim ƒ 17^/4 mîllioen in 
haar bezit, die drie maanden later ook geheel opgeruimd 
waren, en dank z^ deze betrekkel^k spoedige te gelde 
making van het gedemonetiseerde goud, behoefde de Regee- 
ring van de bedongen bevoegdheid om desnoods tot een 
bedrag van ƒ 54.0C0.000 in leen bij de Bank op te nemen 
slechts voor een bedrag van ƒ 0.000.000 gebruik te maken, 
en slechts voor korten t^d, want. het in het begin van Juli 
1850 opgenomen geld werd in het eind van September en 
de eerste dagen van October daaraanvolgende weder terug- 
betaald. 

Ook met het oog op gewone credietoperatiën der Bank 
had de gew^zigde emissieregeling van 1849 veilig achter- 
wege kunnen blgven, want onder den invloed van de ge- 
beurtenissen van het omwentelingsjaar 1848 was voor de 
Bank een tijdperk van stilstand in zaken ingetreden, waar- 
door haar opereerend kapitaal eerlang tot beneden het peil 
van haar toenmalig maatschappel^k kapitaal van ƒ 15.000.000 
terugliep. Had gedurende de tien jaren aan het boekjaar 
1848/49 voorafgaand gemiddeld per jaar een bedrag van 
ƒ 28.967.000 in disconteeringen en beleeningen emplooi 
kunnen vinden (met ƒ 25.742.000 als laagste cijfer in 
boekjaar 1842/43, en ƒ 33.243.000 als hoogste cijier in 
boekjaar 1844/45), plotseling liep dat bedrag in 1848/49 
terug tot gemiddeld ƒ 14.727.000, om in het volgende jaar 
1849/50 zelfs tot gemiddeld ƒ 12.299.000 te dalen, en al 
mocht over boekjaar 1850/51 in dit opzicht op eenigen 
vooruitgang kunnen worden gewezen, — het opereerend 
kapitaal steeg weder tot gemiddeld ƒ 17.090.000 — de 
verlaagde rentestand, waartegen dat bedrag moest worden 
uitgeleend, maakte de uitkomsten voor deelhebbers nog on- 
gunstiger dan die van de twee voorafgaande jaren. Het 
dividend over 1850/51 toch bedroeg slechts 3 pCt. tegen 
31/2 over 1849/50/ en 5% over 1848/49. 

Hoe de toenmalige toestand der geldmarkt hier te lande 
het gevolg was van verschillende toevallig samenwerkende 
oorzaken kon aan het scherpziend oog van de bestuurderen 
der Bank niet ontsnappen. De hoofdoorzaak van de groote 



( 248 ) 

ruimte van kapitaal, welke door schier geheel Europe werd 
waargenomen, achtten zy blijkens hun aan Commissarissen 
der Bank uitgebracht verslag over boekjaar 1850/51 gele- 
gen in den nog alt^d onzekeren staatkundigen en staat- 
huishoudkundigen toestand van vele landen. »Zoolang", dus 
heet het in dat verslag »zoolang de wet evenmin door gere- 
geerden als door regeerders heilig wordt geacht, maar dema*- 
gogische of autocratische omwentelingen elkander bleven af- 
wisselen, kunnen ook handel en fabrieksn^ verheid zich niet 
op hun vroeger standpunt herstellen. Terw^l toch de 
wezenlijke belangen der volken veronachtzaamd, en de staats- 
kassen door ijdele kr^gstoerustingen uitgeput worden, blgft 
het gevaar steeds levendig, dat te midden dier woelingen 
ook het socialisme de gelegenheid erlange om althans t^- 
del^k een onzaligen triumph te behalen 

»Niets natuurl^ker dan dat onder zulke omstandigheden 
velen in die landen huiverig blgven om hunne kapitalen te 
verbinden in ondernemingen wier goede uitkomsten een 
kalme toekomst vereischen, en dat derhalve de beschikbare 
kapitalen ook op de groote kapitaalmarkten b^ voortduring 
overvloedig zgn. 

»Maar buiten de hoofdoorzaak draagt ook wellicht de 
vermeerderde hoeveelheid van ruilmiddel tot de algemeene 
ruimte van beschikbaar kapitaal het hare bg. Dat toch 
werkelgk eene grootere hoeveelheid van ruilmiddel dan 
vroeger in omloop is komt ons onbetwistbaar voor wanneer 
men acht geeft èn op de vermeerderde voortbrenging der 
edelmetalen, èn op den vermeerderden omloop van papieren- 
geld in Duitschland, Italië en de Oostenr^ksche Staten. 
En dat eene meerdere hoeveelheid van ruilmiddel, alvorens 
eene evenredige staging der prezen van alle zaken veroor- 
zaakt te hebben, t^del^k de beschikbare kapitalen overvloe- 
diger maakt, achten w^ eveneens eene zeer verklaarbare 
zaaji. 

»Doch het z^n niet alleen deze algemeene oorzaken, wier 
werking wg op te merken hebben. Er zijn hier te lande, 
en vooral te dezer stede, en bg onze instelling, ookbgzon- 
der^ oorzaken van het plaatshebbend verschgnsel aan te 



( 24Ô ) 

w:gzeii : ten eetste het wegvallen der speculatiën op het ver- 
schil van beleeningsrente en rente van publieke schuldbrie- 
ven, speculatiën, welke vroeger byna als een b^zonder bedr^f 
door velen werden uitgeoefend, en voor veel beschikbaar 
kapitaal de gelegenheid tot plaatsing opleverden, en ten 
andere de grootere ruimte der schatkist, wier behoefte, 
hetz:g rechtstreeks of indirect, vroeger insgel^ks aan een 
deel van de middelen der Bank eene aanwending verschafte." 

Deze beschouwingen van het Bankbestuur, zooals z^ 
gevloeid zgn uit de pen van zgnen in April 1849 als zoo- 
danig opgetreden secretaris Mr. W. C. Mees, wiens steeds 
klimmende en overwegende invloed op den gang van zaken 
der Bank zoo juist geschetst is in het aan z^ue nage- 
dachtenis gewade levensbericht door ons medelid Pier- 
son in deze Academie voorgedragen, verdienen nog alt^d 
onze aandacht, want voor een goed deel, voor zoover zg 
ten minste op de staatkundige en maatschappelyke toestan- 
den en verhoudingen van dien t^d betrekking hebben, 
kunnen z^ ook thans nog ten volle van toepassing geacht 
worden; maar hierby verder stil te staan zou m^ te veel 
doen afdwalen. Slechts eene aanhaling nog uit het verslag 
der Bank-directie aan Commissarissen over het boekjaar 
1849/50 zg mg veroorloofd,, waar zy als hare meening uit- 
spreekt, »dat het eene onredelgke bezwaardheid zou verra- 
den indien men vreesde, dat de geschiedenis van dat jaar 
ook die der toekomst zou blijven". »Men kon", zoo gaf 
zg op den 10 April 1850 te verstaan, »er zeker van zgn, 
dat, bg den eb en vloed, welke altgd in credietzaken op- 
gemerkt wordt, wel weder tijden van zeer levendige vraag 
naar kapitaal zullen aanbreken." 

En dit bleek reeds weinige jaren later werkelgk het ge- 
val te zgn. In de eerste zes maanden van het boekjaar 
1855/56 zag de Bank haar opereerend kapitaal schier van 
maand tot maand stggen, een loop van zaken, die wel niet 
gepaard ging met eene daaraan evenredige uitbreiding der 
biljetten-circulatie, want deze bleef ongeveer op dezelfde 
hoogte, maar met eene zeer belangrgke vermindering van 
den metaalvoorraad, die van / 102.820.000 op uit. Maart tot 



( 250 ) 

f 83.466.000 op uit. October daaraanvolgende terugliep, 
wegens de aanzienlgke zilveruit voeren naar Frankrgk, waar- 
toe de pogingen van de Bank van Frankrijk om haren zeer 
geslonken metaal voorraad, ten ^koste zelfs van belangrijke 
opofferingen, aan te vullen door specieaan voeren uit het 
buitenland, aanleiding gaven. In de onzekerheid hoe lang 
die vraag zou aanhouden lag voor de Directie der Neder- 
landsche Bank eene vingerwiyziging om zich rekenschap te 
geven van de operatiekracht, waarover zg eventueel zou 
kunnen beschikken, en daarb:g meende z^ thans meer dan 
ooit rekening te moeten houden met een factor, die tot 
dusver wel niet uit het oog verloren, maar die geheel in 
het midden was gelaten b^ de ter zake der emissie van 
bankbiljetten gemaakte regelingen. 

Het gold de quaestie der aan de Bank toevertrouwde 
gelden in rekening-courant, die onbesproken was geble- 
ven sedert de Begeering in 1847 had toegegeven aan 
het haar kenbaar gemaakt verlangen der Bank om de 
saldo's, waarover zy te dier zake beschikte, niet in min- 
dering te brengen van den metaalvoorraad, waarnaar de 
uitgifte van biljetten zich zou hebben te regelen. Welke 
gedragslyn nu behoorde door de Bank met betrekking 
tot die saldo's te worden in acht genomen ? Dat zg uit 
een bank-techniscli oogpunt met de in omloop gebrachte 
biljetten op éénzelfde Ign te stellen zgn, behoeft natuur- 
lek geen opzettelijk betoog. Elke opvraging van reke- 
ning-courant saldo's toch moet noodwendig, öf tot ver- 
meerderde biljettencirculatie, of tot verminderden metaalvoor- 
raad leiden, en b^ het ontbreken van stellige voorschriften 
ter zake werd het dus een quaestie van bankbeleid, of voor 
het beloop dier saldo's de volle metaaldekking zou worden 
aangehouden, zooals dit in de bedoeling van Minister Van 
Hall had gelegen, of naar een anderen waarborg ter zake 
zou gezocht worden, zooals de Directie hem gelegen achtte 
in het door haar aangenomen, en b^ al hare bereke- 
ningen steeds in toepassing gebrachte beginsel om voor de 
saldo's uitgeefbare biljetten te reserveeren, of met andere 
woorden om l^et bedrag er van steeds af te trekken van de 



(251 ) 

hoeveelheid biljetten, die krachtens de bestaande voor- 
schriften omtrent de emissie nog zouden kunnen worden 
uitgegeven. 

Toen nu met inachtneming van dit beginsel bij de aan- 
houdende staging van het opereerend kapitaal in het najaar 
van 1855 eene berekening werd gemaakt van de nog be- 
schikbare middelen — eene berekening met de bijzonderheden 
waarvan ik u niet zal lastig vallen — kwam de Directie 
tot de slotsom, waarvan zij in haar aan den Ministervan 
Financiën gerichten uitvoerigen brief van 13 October van 
dat jaar rekenschap gaf, dat wanneer de bankiers mochten 
voortgaan van de credietmiddelen der Bank en van de ge- 
legenheid om zilver te bekomen op ruime schaal wellicht 
gebruik te maken, »het t^dstip niet ver meer verwgderd 
zou z^n, waarop b^ de bestaande voorschriften alle verdere 
operatiën zouden moeten worden gestaakt, hoezeer de Bank 
nog in een toestand verkeerde welke, naar de gewone regelen 
van bankbeleid, eerder als een toestand van betrekkeliike 
werkeloosheid dan van on matigen omvang van operatiën 
zou te beschouwen zyn/* 

Op grond van deze overwegingen gaf de Directie haar 
wensch te kennen, dat de zaak der emissie opnieuw mocht 
worden geregeld, daarbij 's Minsters aandacht vestigende 
op de omstandigheid, dat haars inziens »de bepaling van 
een volstrekt, in geen geval te overschrijden maximum van 
uitgifte veilig kon wegvallen". Wanneer toch de zaak over- 
eenkomstig haar verlangen werd geregeld, zou de be- 
paling gehandhaafd blijven, dat de boven een zeker door 
haar aangegeven bedrag in omloop te brengen biljetten, 
gulden voor gulden in specie zou moeten aanwezig zyn, en 
zoodra nu, dus meende zg te mogen opmerken, de Bank 
verplicht is om voor eiken gulden in papier een gulden in 
metaal voorhanden te hebben, »is eene beperking van de 
op dieu voet uit te geven hoeveelheid biljetten geen beper- 
king meer van de operatiën der Bank, maar blootelyk van 
de keus des publieks ten aanzien van den vorm van cir- 
culatiemiddel." 

Alleen met betrekking tot dit laatste punt ontmoette het 



( âSâ ) 

voorstel van de Directie bezwaar by d^n ioenmalîgen Mi- 
nister van Financiën Vroiik, en dit bezwaar gold niet het 
wezen der zaak, maar alleen den vorm. Aan het verlangen 
der Directie namelyk tot het laten wegvallen van het maxi- 
mum, dat voorgeschreven was in het in het Staatsblad 
openbaar gemaakte octrooi., zou alleen kunnen worden vol- 
daan door een mede in het Staatsblad op te nemen wyzi- 
gingsbesluit, en daar hg zich niet kon voorstellen, dat eene 
dergelyke openbaarheid in de bedoeling der Directie kou 
liggen, wenschte hy haar in de gelegenheid te stellen om 
door het aangeven harerzyds van een te bepalen maximum- 
cyfer de zaak by geheim besluit te doen regelen. 

Aan eene geheime behandeling gaf de Directie inderdaad 
de voorkeur, blykens haar schryven aan den Minister van 
25 October 1855. Zij had niet gedacht, dat het wegvallen 
van een volstrekt maximum van uitgifte openbaarheid zou- 
de vorderen. Het kwam haar voor, dat aan den geest en 
den letter van art. 26 van het octrooi ook zon beantwoord 
worden door vaststelling van een niet volstrekt, maar betrek- 
kelyk maximum van uitgifte in verband met den aanwezigen 
metaalvoorraad. Zij eerbiedigde echter 's Ministers inzicht, 
en daar zy voor de Bank zelve geenerlei bezwaar had 
tegen de vaststelling van een volstrekt maximum, terwyl een 
zoodanige bepaling, mits zy slechts ruim genoeg gesteld 
wordt, ook voor het publiek als onschadelyk kon beschouwd 
worden, stelde zy den Minister voor om dat maximum voor 
den vervolge op ƒ 150.000.000 te bepalen. 

De Minister nam hiermede genoegen en by Eon. Besl. 
van 27 October 1855 P. N. 17, Geheim, werd nu de zaak 
volgenderwys geregeld: van de tot een bedrag van 
ƒ 150.000.000 uit te geven biljetten zouden moeten zyn 
gedekt door gemunt of ongemunt edel metaal, de prys van 
het zilver berekend met inbegrip van den Nederlandschen 
muntslag, en die van heb goud met inbegrip van een 
agio van tien ten honderd (of / 1586.86 per Kilo fijn), 
te weten: 

ƒ 50.000.000 door f 100 in munt of ongemunt metaal, 
voor elke ƒ 250 in papier ; 



( 253 ) 

van f 50 tot / 100.000.000 door ƒ 150 in munt of on- 
gemunt metaal, voor elke / 250 in papier ; en 

boven de ƒ 100.000.000 door één gulden in munt of 
ongemunt metaal voor elke gulden in papier. 

Met deze aldus gewijzigde regeling ging de Bank een 
tgdperk tegemoet, waarin aan hare operatiekracht weldra 
nog ongekende eischen zouden gesteld worden. Reeds in 
den loop van 1855 en 1856 waren voor den aandachtigen 
beschouwer van den gang van zaken op geld- en goederen- 
markt de voorteekenen waarneembaar van den storm, die 
in het najaar van 1857 in Noord- Amerika losbrak, zich 
als een verwoestende orkaan over Engeland verspreidde, 
om in noordelgk Europa, en meer in het byzonder te 
Hamburg het toppunt van intensiteit en vernielingskracht 
te bereiken. Ook Nederland bleef niet gespaard ; maar het 
kloek en stoutmoedig beleid van de Bank- directie, die steeds 
trouw op den uitkgk had gestaan, heeft er in niet geringe 
mate toe b^gedragen om onze beurs te vrgwaren voor de 
noodlottige gevolgen, die de crisis elders na zich sleepte. 
Door t^dige verhoogingen van haar rentetarief beschermde 
z^ haren metaalvoorraaad, waarop het buitenland aasde ; 
maar b^ de voorzorgsmaatregelen, die in de gegeven om- 
standigheden moesten genomen worden, ßtuitte de Directie 
op een zeer eigenaardig bezwaar, dat zyne uitdrukking 
vond in het volstrekt abnormale feit, dat toen op den 
llden November 1857 het disconto tot 7pCt. voor wissels 
en 7i/2pCt. voor promessen moest worden opgevoerd, de 
beleeningrente, zoo voor effecten als goederen, op 6pCt. be- 
paald bleef. Als regel toch was in vroeger jaren steeds 
het stelsel gehandhaafd om de beleeningrente IpCt. hooger 
te stellen dan het disconto ; gaandeweg echter was het 
regel geworden om de beleening op effecten in koers gel^k 
te stellen aan het disconto van wisselbrieven, de beleening 
op goederen gelijk aan dat van promessen , maar eene be- 
leeningrente beneden het cijfer der disconto-rente was een 
nooit voorgekomen gebeurtenis. Wat er dan aanleiding 
toe gaf? Niets anders dan de op dat oogenblik nog vigee- 
rende wetgeving, dan de zoogenaamde, uit den Napoleon- 



( 254) 

tischen tijil afkomstige woekerwet van 3 September 1807. 
Die wet verbood in handelszaken hooger interest te nemen 
dan 6pCt. ; en nu had de jurisprudentie wel verklaard, 
dat het disconto van handelspapier buiten de toepassing der 
wet viel, maar het was niet twyfelachtig, dat zy wel toe- 
passelijk was op de beleeningrente. Een ten overvloede 
ingewonnen advies van haren rechtskundigen raadsman sterkte 
de Directie in deze hare opvatting, en daar z^\ hoe nopend 
de toestand ook geworden ware, ongaarne het voorbeeld 
wilde geven van eene wet te veronachtzamen, welke door 
het hoogste rechtscollege des Bgks herhaaldelgk nog gel- 
dend verklaard was, achtte zy het oogenblik gekomen om 
reeds bg brief van 21 October 1857 aan den Minister van 
Financiën met den meesten ernst op de intrekking der haar 
zoo aan banden leggende wettelyke bepaling aan te dringen. 
>In gewone t^den", zoo schreef zy, »wordt het bestaan der 
wet van 1807 in den eerlyken handel nauwelijks waarge- 
nomen ; maar anders is het, wanneer, gelyk thans, de na- 
tuurlijke rentestand, zooals die door vraag en aanbod bepaald 
wordt, boven het wettelyke peil stygt. Zg dwingt dan, of 
tot overtreding of ontduiking van het gebod, of tot eene 
voor den handel noodlottige beperking van het crediet." 
Reeds was dientengevolge het bg alle beleeningen vereischte 
surplus met 5pCt. verhoogd; bovendien werd de termgn, 
waarvoor beleeningen konden worden gesloten van 3 tot 2 
maanden ingekort ; en op dien weg van verkeerde, en toch 
ongenoegzame belemmeringen, dus verklaarde de Directie 
in een nader schrgven van 12 November 1857, zou zij, bg 
bestendiging der bepaling dat geen hoogere beleeningrente 
dan 6pCt. mocht geeischt worden, nood gedrongen moeten 
blyven voortgaan, »om wellicht reeds spoedig alle beleening 
te moeten weigeren. Onoverzienbaar zyn de rampen, welke 
daardoor zouden veroorzaakt worden, en w^ huiveren de 
verantwoordelijkheid van een zoodanigen gang van zaken op 
ons te nemen". 

De vertoogen der Bank bleven niet zonder gevolg ; maar 
voor de buitenwerkingstelling der woekerwet was de tus- 
schenkomst v»n de wetgevende macht noodig, en de zaak 



( 255 ) 

kreeg dientengevolge eerst haar beslag bij de wet van 22 
December 1857 (Stbl. No. 171), toen het ergste van de 
crisis reeds voorbij was. Toch zou de vertraging, die de 
afdoening der zaak ondervond, licht tot ernstige ongelegen- 
heid aanleiding hebben kunnen geven, indien de Begeering 
niet b^ machte geweest ware om, buiten de Kamers om, 
onverw^ld gunstig te beschikken op het onder dagteekening 
van 16 October 1857 bij haar aanhangig gemaakt voorstel 
der Bank-directie tot verdere uitbreiding van hare operatie- 
kracht door wijziging van de regeling bij besluit van 27 Octo- 
ber 1855 voor hare biljettenemissie vastgesteld. Wel had in 
verband met die regeling de toestand der Bank nog niets 
zorgwekkends, want tegenover eene biljettencirculatie van 
ƒ 86.700.000 op 15 October was een metaal voorraad van 
f 63.800.000 aanwezig, terwijl slechts eene dekking van 
ƒ 42.020.000 verplichtend was, en derhalve een operatie- 
fonds van omstreeks ƒ22.000.000 in metaal, of ƒ 27.000.000 
in biljetten alsnog ter barer beschikking stond ; maar daar- 
gelaten dat z:g, ook onder gewone omstandigheden, huiverig 
z^n zou hare operatiën tot het uiterste van de gestelde 
grens op te voeren, mocht de Directie thans minder dan 
ooit uit het oog verliezen, dat de door haar gemaakte bere- 
kening op de veronderstelling berustte, dat de rekening- 
courant-saldo's, die zg tot een bedrag van ruim/ 2 1.000.000 
onder zich had, onverminderd ter barer beschikking zouden 
blgven. Hierop nu viel allerminst te rekenen. Ȇe voort- 
durende aankoop ter amortisatie van nationale schuld door 
de Regeering", dus werd de toestand van het oogenblik 
door de Directie in haar aan den Minister gericht schreven 
uiteengezet; »het ophouden van een groot deel der laatste 
koffieveiling ; de waarschijnlyk tragere betaling dan gewoon- 
l^k van de verkochte Gouvernements-producten ; en de be- 
stendige uitvoer van specie door de Regeering en door de 
Nederlandsche Handel-Maatschapp^ naar Indie, doen ons 
vreezen, dat onze rekening-saldo's, welke voor het grootste 
gedeelte uit de saldo's van het R^k en van de Handel- 
Maatschappij bestaan, tot een buitengewoon laag peil zullen 
dalen, en dat de vermindering van b^t bedrag da^-ryan voor 



( 256 ) 

een niet onbelangrgk deel op de voor ons ongunstigste 
wgze, door opvraging namelijk van specie, zal plaats hebben." 
Met het oog op dergelijke eventualiteit was het der Directie 
onmogelgk om »aan den handel de door dezen verlangde 
en ook werkelgk benoodigde hulp op onbekrompen wigze 
te blgven verleenen", indien de in 1855 voor de biljetten- 
emissie gestelde perken »niet nogmaals eenïgermate werden 
verwed", waartoe voor het oogenblik gevoegelgk zou kunnen 
worden volstaan door de bepaling van 1855 diervoege te 
w^zigen, dat, met behoud vau de verplichte dekking gulden 
voor gulden van hetgeen boven de ƒ 100.000.000 aan bil- 
jetten mocht worden uitgegeven, voor het daarbeneden bly- 
vende bedrag, onverschillig of het de ƒ 50.000.000 zou 
overschrgden, steeds minstens 2/5 in metaal zou moeten aan- 
wezig zgn. 

Bij Kon. besluit van 23 October 1857 1: G 13 Geheim 
werd de zaak op dien voet geregeld, en niet ten onrechte 
gevoelde de Directie zich gedrongen den Minister haar 
dank te betuigen voor de heusche wgze waarop Z. E. het 
voor de Bank in het algemeen zoo belangrijke onderwerp 
met den meest mogelgken spoed had willen behandelen, 
want gesterkt door de haar verleende verruiming van be- 
voegdheid tot opereeren, kon de Directie aan de opge- 
stoken crisis met meer kalmte het hoofd bieden, en er 
krachtig toe mede werken om eene paniek te voorkomen, 
en de eenmaal onvermgdelgke crisis in hare werking 
althans te matigen. »En toch waren er oogenblikken'*, 
het zijn de eigen woorden van de Bank- directie in 
haar aan Commissarissen ingediend verslag over boekjaar 
1857/58, »waarop het scheen alsof al onze pogingen, 
ondersteund gelijk zg op krachtige wgze werden door 
de Nederl. Handel-Maatschappij, machteloos zouden zgn,en 
waarop nog veel grooter rampen, dan die werkelyk getroffen 
hebben, onze stad bedreigden. Die grootere rampen zijn 
gelukkig, hoezeer niet zonder veel inspanning, voorkomen. 
De crisis is binnen betrekkelijk enge grenzen beperkt ge- 
bleven. En moge dan ook de Bank niet zonder kwetsuren 
uit den heeten strgd zgn uitgetreden, wij mogen ons daar- 



( 257 ) 

over n^'et beklagen, wanneer wij bedenken hoe groot de 
belangen waren voor welke wij kampten, en hoe groot de 
gevaren tot welker afwending wij hebben medegewerkt/' 

Het crisisjaar 1857 is ongetwgfeld een van de merkwaar- 
digste, en tevens, een van de leerzaamste tijdperken in de 
geschiedenis van de Nederlandsche Bank en van de Am- 
sterdam sehe geldmarkt. De loop van zaken toch maakte 
hefc duidelyker dan ooit, wat een goed bestuurde en krachtig 
georganiseerde centrale bankinstelling vormag om de ge- 
varen af te wenden en te bezweren, die het verkeer op een 
gegeven oogenblik kunnen bedreigen ; maar de zwakke 
zijde van de regeling der bankbiljetten emissie, waarnaar 
het Bestuur der Bank zich toemaals had te gedragen, trad 
er tevens helder door in het licht. Dank zg de spoedige 
beschikking door de Regeering genomen op het voorstel 
der Bank tot verruiming van de grens harer emissie, kon 
de Directie den handel de geruststellende verzekering geven, 
dat het haar aan operatiekracht niet ontbrak, en dat dus 
elk, die goede waarborgen had te leveren, op hare hulp 
kon rekenen ; maar ware die beschikking eenigen, zy het 
ook korten tyd uitgebleven, dan zouden de noodlottigste 
rampen er het gevolg van hebben kunnen zijn, want dan 
zoude de Nederlandsche Bank z^n te staan gekomen voor 
dezelfde moeilijkheden, waaraan de Javasche Bank meer- 
malpn het hoofd heeft te bieden gehad tengevolge van het 
door de Regeering verordend maximum- cijfer, waaraan zij 
bij de uitgifte harer biljetten gebonden was. 

Van die moeil^kheden, waaruit in 1862 eene voor den 
Indischen han'del zeer ernstige crisis geboren werd, heb ik 
elders, in de door ons medelid Van der Lith en nu wijlen 
den heer Spaan bewerkte Encydopaedie van NederL-Indië 
eene schets geleverd, die het onnoodig maakt er hier an- 
dermaal over uit te wijden. De geschiedenis der Javasche 
Bank heeft het op de meest overtuigende wyze geleerd, 
dat het vaststellen door de Regeering van een, met do be- 
hoeften van het verkeer geen rekeninghoudend maximum 
der biljetten-emissie voor dat verkeer in het algemeen, en 
voor den handel in het bijzonder, niet minder verderfelijke 

▼ER8L. EN MED. AFD. LETTRRK. 3d« REEKS DEEL XII. 17 



( 258 ) 

en noodlottige gevolgen hebben kan, dan indertyd uit het 
gemis van eenige beperkende bepaling ten opzichte dier 
emissie voor de Bank zelve en voor het geheele publiek 
zgn voortgevloeid. Aan de op dit gebied in Indië onder- 
vonden beproevingen is men hier te lande ontsnapt, dank 
zij de voorzichtigheid en de ingetogenheid, welke deNeder- 
landsche Bank steeds in acht nam ook t^dens z^ van Ke- 
geeringswege door geenerlei beperkende voorschriften omtrent 
het bedrag harer emissie gebonden was. Zij genoot dien- 
tengevolge van den kant der Regeering een zoo onbegrensd 
vertrouwen, dat van dien kant nimmer geaarzeld werd om de 
gestelde emissiegrens te verruimen, zoodra de Bank van 
haar verlangen dienaangaande deed blijken. Zoodoende echter 
was de in 1847 voor het eerst geregelde vaststelling van 
het maximum eene loutere formaliteit geworden, en toen 
nu bij het teneinde loopen van het tweede vijfentwintig- 
jarig octrooi de vraag aan de orde kwam, die in de bank- 
wet van 1863 hare oplossing vond, welke voorzieningen 
de Staat ten opzichte van do Nederlandsche Bank voor den 
vervolge zou hebben te nemen, kostte het der Directie niet 
veel moeite om hare overtuiging omtrent het doellooze, 
doch in sommige gevallen schadelyke en gevaarlgke der 
maximum bepaling bg de Regeering ingang te doen vinden. 
Bg diezelfde gelegenheid moest de met de emissieregeling 
nauw verwante quaestie van de dekking der rekening-courant- 
saldo's eveneens ter sprake komen. Noch het oorspronkel^k 
octrooi van 1814, noch het verlengd octrooi van 1838 had 
dienaangaande iets bepaald, doch het bleek ons reeds, dat de 
Directie zich zelve een vasten regel gesteld had met betrek- 
king tot de middelen, die door de in rekening -courant 
gestorte gelden ter harer beschikking stonden. Van ouds- 
her, en vooral na de in werking treding van het octrooi 
van 1838, toen de Bank vergunning kreeg om ook van 
particulieren gelden in rekening-courant te ontvangen op 
denzelfden voet als dit weleer alleen voor »gelden vanden 
lande en van publieke autoriteiten'' was toegestaan, achtte 
de Directie het met den geest van dat octrooi het meest 
overeenkomstig om voor de saldo's, die z^ onder zich had, 



( 259 ) 

eene volle dekking te vorderen, wel niet in metaal, maat 
in uitgeef bare bankbiljetten, hetgeen dus op hetzelfde neer- 
kwam als waren de saldo's ten aanzien hunner dekking op 
gel^ke l^n gesteld met omloopende bankbiljetten. 

Dit door de Directie steeds gehandhaafde, de volstrekte 
veiligheid der Bank beoogende beginsel nu wenschte de Di- 
rectie als een stellig voorschrift belichaamd te zien in de 
eerlang by de wet vast te stellen bankregeling, en dien- 
overeenkomstig ging van de Bank zelve het voorstel uit om 
in de in te dienen bank wet niet over te nemen de over de 
biljettenemissie handelende artikelen 25 en 26 van het 
toen nog vigeer ende octrooi, maar die artikelen te vervan- 
gen door de bepaling, dat de verhouding waarin het geza- 
menligk bedrag van bankbiljetten, bankassignatiën en reke- 
ning-courant-saldo's door munt of muntmateriaal zal moeten 
gedekt zgn, op voordracht van de Directie bepaald zal 
worden b^ een in het Staatsblad openbaar te maken, en 
zoo noodig van tijd tot tgd te wijzigen Koninklyk besluit. 

De Minister van Financiën Betz nam het voorstel der 
Bank ongew^zigd over in het ontwerp van wet houdende 
voorzieningen omtrent de Nederlandsche Bank, dat bg 
Koninklijke boodschap van 7 Juni 1853 aan de Tweede 
Kamer werd ingediend. Bij de vuurproef, die het ontwerp 
zoo in als buiten de Kamer had te doorstaan, werden tegen 
de op dit punt voorgestelde regeling geeue bedenkingen van 
eenige beteekenis in het midden gebracht, en toen ten 
slotte bg het mondeling debat ter zitting van de Tweede 
Kamer op 20 Nov. 1863 het aan de nieuwe emissierege- 
ling gewijde artikel 16 der wet in behandeling kwam werd 
het zonder discussie en zonder hoofdelijke stemming goed- 
gekeurd. 

De vaststelling der verhouding intusschen, de zaak waar 
het voor de praktgk eigenlijk op aankwam, liet de wetgever 
wflselgk aan het beleid en het overleg van Regeering en 
Bankdirectie over. »De wet'\ zoo had de Minister in zijne 
Memorie van toelichting zeer terecht opgemerkt, »kan den 
regel der verhouding bezwaarlijk stellen. Een vaste regel 
toch, die, eenmaal aangenomen, geen verandering, tenzg 



( 260 ) 

dan eene langs den wettelijk en weg, tot stand gebracht, 
duldde, zou of ruim gesteld, niets hoegenaamd waarborgen, 
of enger en alleen met het oog op de behoeften van het 
oogenblik geformuleerd, in de toekomst kunnen kwellen 
zonder noodzaak, doch niet zonder gevaar. Van daar de bepa- 
ling, die het regelen der verhouding en het vaststellen der 
w^zigingen, die daarin later noodig mochten voorkomen, 
maakt tot het onderwerp van Koninklijke besluiten op 
voordracht van het bestuur der Bank te nemen/' 

In voldoening nu aan art. 16 der bankwet werd bij Kon. 
besluit van 16 April 1864 (Stbl. W. IS) de verhouding 
waarin het gezamenl^k bedrag van bankbiljetten, bankassig- 
natiën en rekening-courant- saldo's, of de dadelyk opvor- 
derbare schulden der Bank met andere woorden, door munt 
of muntmateriaal moet gedekt zijn, zoodanig bepaald, dat 
^/5 of 4ü percent van dat gezamenlijk bedrag in munt of 
muntmateriaal aanwezig moet wezen, en in de sedert ver- 
loopen ruim dertig jaren is de op dien voet geregelde ver- 
houding steeds onveranderd gebleven, zonder dat er van 
den kant der Bank-directie ooit één oogenblik zelfs aan 
gedacht is behoeven te worden om eene wijziging er van 
voor te stellen. 

De sedert 1864 opgedane ervaring heefc op de meest 
overtuigende wijze geleerd welk eene doeltreffende oplossing 
het gewichtige vraagstuk der bankbiljettenemissie hier te 
lande erlangd heeft, eene oplossing, die schier alle toon- 
gevende landen op het gebied van bank- en geldwezen 
ons benijden mogen. Dit thans nog in bijzonderheden te 
willen aantoonen ware misbruik maken van uw geduld, en 
overbodig bovendien, want hetgeen omtrent de praktijk van 
het bankwezen in het buitenland, voor zoover het de be- 
moeiingen van de centrale emissie banken betreft, valt op 
te merken, zou slechts strekken ter bevestiging van de 
leering, waarvan de geschiedenis der Nederlandsche Bank 
gedurende de ruim tachtig jaren, die zij thans doorleefd 
heeft, zoo welsprekend getuigt, dat op het gebied, waar die 
banken haar invloed uitoefenen, de goede gang van zaken voor 
alles afhankel^k is van het beleid van het bankbestuur, veel 



( 261 ) 

meer dan van de voorschriften, zoo hier als elders van regee- 
ringswege verordend. 

Zoo laat, om met een afdoend voorbeeld te besluiten, de 
voor de Nederlandsche Bank vastgestelde emissieregeling 
toe om het voor verdere uitbreiding van operatiën nog be- 
schikbaar kapitaal te berekenen naar den maatstaf van de 
biljetten, die, in verband met de voorgeschreven verhouding 
van 40pGt. metaaldekking nog uitgegeven zouden mogen 
worden. Maar reeds in een van de eerste der door hem 
uilgebrachte bankverslagen heeft Mr. W. C. Mees er met 
den meesten nadruk op gewezen, dat zoodanige berekenings- 
w^ze van de nog ongebruikte krachten der Bank hoogst 
bedriegelgk ware, w^l zij berust op de veronderstelling, 
dat de Bank steeds bg machte is om zoovele biljetten in 
omloop te houden, als waartoe zy volgens hare reglementen 
bevoegd zou zgn. Dit nu kan het geval niet z^n. De 
draagkracht der maatschapp^ ten aanzien van omloopende 
biljetten heeft hare grenzen, en elke poging om boven die 
draagkracht biljetten in omloop te brengen, wordt na korten 
tgd door terugvloeiing van biljetten en opvraging van 
metaal verijdeld, terwgl zij voor de geheele maatschappij 
een bron van stoornis in den regelmatigen gang van zaken 
worden kan, waaruit op de credietmarkt de noodlottigste 
gevolgen kunnen voortvloeien. Men kan dus de nog onge- 
bruikte krachten der Bank niet afmeten naar de som van 
biljetten, die zg binnen de haar van Regeeringswege ge- 
stelde grenzen nog bevoegd zou z^n uit te geven ; de eenige 
veilige maatstaf dier krachten is en blijft het nog beschik- 
baar metaalsaldo, het bedrag dat de Bank aan munt of 
muntmateriaal beschikbaar heeft boven de verplichte dekking 
van 40pCt. harer opeischbare schulden. 

De doeltreffendste regelingen en voorschriften kunnen 
dus door onvoorzichtig beleid krachteloos en waardeloos 
worden gemaakt ; maar waar voorzichtigheid voorzit zouden 
desnoods alle beschermende bepalingen kunnen ontbeerd 
worden, want hier geldt zonder eenig voorbehoud het woord 
van den dichter : Nullum numen abest si sit prudentia. 



*y — ^m^^. 



2 1896 




iSSSESMSSSSSSSSSS£SK>x.TTO 




et 






i 









I 






3 



i 



1^ 



.-^ 



^U}1 O'C ^f-^^ >^^ ' 



VEESLAGEN EN MEDEDEELINGEN 




DËR 



KONINKLIJKE AKADEMIE 



VAN 



WETENSCHAPPEN. 



Afdeeling LETTERKUNDE 



DERDE REEKS. 



îmaalfôe ©eel. — ^txbt Ôtuh 



■2»-* ♦ e- c < r ^ — 

AMSTERDAM, 

JOHAI^iNES MÜLL EK. 

189G, 












S^SÎSmSSSSSS'S.^^AS^^SÎà^V^SSSiS^ffiMS^^^^ 



GEWONE VEKOADESING 

DER AFDEELING 

TAAL-, LETTER-, GESCHIEDKUNDIGE EN WIJSGEERIGE 

WETENSCHAPPEN. 

GEHOUDEN DEN lO^en FEBRUARI (896. 



Tegenwoordig de beeren: kern, voorzitter, boot, matthbs, 

DE VBIES, LOMAN, SIX, NABKR, VAN DKR WYCK, DE GOEJE, VAN 
HEKWERDEN, COSYN, ASSER, PLEYTB, TIELE, VAN DE SANDE 
BAKHUYZEN, VERDAM, N. O. PIERSON, SIJMONS, S. MULLER PZN., 
POCKEMA ANDREAE, CHANTEPIK DE LA SAÜSSAYK, VAN RIRHSOIJK, 
HAMAKER, VALETON, POLAK, KLUYVER, BLOK, VAN DEN BERG, 
DE GROOT, KARSTEN, VAN HELTflN, ROGGE en SPRÜYT, SeCretaris 



Het Proces- Verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en goedgekeurd. 



Ingekomen is een exemplaar der circulaire van de 
commissie voor het stichten van een gedenkteeken voor 
Constanten lluygeus en een bericht van het overly den 
van het rustend lid. Prof. Dr. W. G. Brill, welk bericht 
met een brief van rouwbeklag werd beantwoord. Naar 
aanleiding daarvan zegt de voorzitter : 

»Met innig leedwezen hebben wij het bericht van het 
overlgden van wglen ons medelid Brill ontvangen; een 
leedwezeu, getemperd door de gedachte dat het den waar- 
digen grijsaard vergund is geweest een hoogen ouderdom 
te bereiken na een eervol leven, dat onafgebroken gewijd 
was aan de beoefening der wetenschap en aan de bevor- 

▼BKâL. BK MED. AFO. LETTERK. 3<le REEKS. DBBL XIL 18 



( 264 ) 

dering van de hoogste belangen der menschheid. De naam 
van Brill zal blijven leven als van een der verdienstelijkste 
geleerden op 't gebied der vaderlandsche wetenschap. Hij 
was het, die door zijne HoUandsche spraakleer voor de 
grammatische studie van 't Nederlandsch een nieuw tijd- 
perk opende en dusdoende met De Vries, den philoloog en 
lexicograaf, en met Jonckbloet, den geschiedschryver der 
Nederlandsche letterkunde, het driemanschap vormde, waar- 
in de verschillende elkaar aanvullende richtingen der nieuwere 
school vertegenwoordigd zgn. Het is er verre af dat de 
verdiensten van Brill zich zouden bepalen tot hetgeen ik 
daar zooeven noem, maar het is mgne bedoeling niet u 
hier te herinneren aan het vele en voortreffel^ke, gedu- 
rende zijn werkzaam leven door hem gewrocht. De taak 
om den veelzijdigen geleerde en voortreffelijken mensch te 
schilderen is voor een ander onder ons weggelegd. 

Alleen wil ik, als nederige hulde aan de nagedachtenis 
van den man, die een mijner meest geliefde leermeesters 
geweest is, den indruk weergeven, dien Brill's persoon- 
lijkheid op mij maakte, toen ik, nu bijna een halve eeuw 
geleden, voor 't eerst onder zijne leerlingen te Zutphen 
plaats nam. Hoe jong wg ook waren, wij begrepen dat 
Brill een buitengewoon man was. Ik zelf heb veel, zeer 
veel op de schoolbank van hem geleerd en ik begreep voor 
't eerst door hem dat de wetenschap niet alleen eene zaak 
is van geestelijk genoegen, maar ook van heiligen ernst. 
Voor dien ernst, die hem nooit verliet, had ik eerbied ; 
voor zijn veelzijdige litterarische kennis bewondering. On- 
uitwischbaar voor mij zal het beeld zgn van myn geleerden 
en diepzinnigen leermeester Brill, den ernstigen en toeh 
zoo big moedigen man met zijn hoogen geest, met zyn 
blank en edel gemoed." 

Nadat de vergadering hare instemming met de hulde, 
door den voorzitter aan de nagedachtenis van het overleden 
medelid gebracht, betuigd had, geeft de voorzitter het woord 
aan den heer Polak tot het houden zijner aangekondigde 
voordracht over >de jongste gedaanteverwisseling der Ho- 



( 265 ) 

merische quaestie". Spreker begint met te w^zen op de 
klimmende belangstelling in bet vraagstuk van de samen- 
stelling en de oorspronkelijke gedaante der Homerische 
gedichten, die niet altijd met groote belangstelling in die 
gedichten zelve samengaat. Hg bespreekt vervolgens de 
theorieën omtrent de wording der Odyssee, ontwikkeld door 
A. EirchhojBP (in 1859, en in 1879 nagenoeg onveranderd 
herhaald), B. Niese (in 1882), U. von Wilamowitz-Möllen- 
dorfiP (in 1884) en O. Seeck (in 1884), en daarna die over 
de Ilias van Naber (1878) en van Christ (1884). Uitvoerig 
zet hij uiteen, hoe omtrent de Ilias, na de thans algemeen 
of vrij algemeen verworpen theorieën van Lachmann, Düntzer 
en Bergk zich vooral op het voetspoor en door den arbeid 
van Naber en Christ de opvatting heeft verbreid van een 
oudste kern, waaromheen zich verschillende jongere lagen 
hebben afgezet. Ofschoon aangaande de b^zonderheden nog 
vi-^ wat verschil van opvatting bestaat, schynt deze theorie 
op weg om de algemeene overtuiging der deskundigen te 
worden. 

De Odyssee daarentegen, wier bewonderenswaardig samen- 
stel nog door Wolff, Eriedlander en Grote erkend was, is sedert 
Kirchhoft al meer en meer tot vooronderstelde oudere, een • 
maal zelfstandige epen herleid, uit wier in velerlei opzichten 
elkander wedersprekende voorstellingen eindelijk en vrij laat 
het thans bestaande epos zou zijn bijeengekuutseld. Spreker 
doet uitkomen hoe daarbij de opeenvolgende, meest Duitsche, 
onderzoekers steeds een deel der slotsommen van hunne 
voorgangers afbraken en voortdurend tot ingewikkelder en 
gewaagder theorieën omtrent de samenstelling der Odyssee 
geraakten. De innerlijke onwaarschijnlijkheid dezer theorieën 
heeft ten slotte eene reactie doen ontstaan, die zich o. a. 
openbaart in het werk van Paul Cauer : Grundfragen der 
Homerkritik (1895), die met degel^ke argumenten tegen do 
verbrokkeling opkomt en verschillende kenmerken aan de 
hand doet om oudere en jongere gedeelten der beide epen 
te onderscheiden. 

Spreker betuigt vooral zgne instemming met Cauer's 
pogingen om de werkel^ke of vermeende tegensti^digheden 

18* 



( 266 ) 

in nias en Odyssee te doen begrepen en tot haar ware 
beteekenis terug te brengen door in 't licht te stellen, hoe 
een belangrgk deel daaraan te wgten is aan bewuste of 
onbewuste wyziging van het oorspronkelijk plan door den 
kunstenaar zelf, en voor een ander, geringer deel door hei 
wgzigend ingrgpen van jonger handen. Ten slotte waar- 
schuwt h^' ernstig voor ééne, waarschijnlgk aan den invloed 
van Erhardt's werk over de Homerische gedichten (1894) 
te w^ten stelling, dat namel^k de Homerische poëzie 
eigenlijk »volkspoëzie" zou wezen. Deze in Cauer's betoog 
niet passende bewering zou, gel^k Spreker aantoont, tot 
een ongerijmde verbrokkeling der epen leiden. 

Op verzoek van den voorzitter, die den Spreker namens 
de vergadering dank zegt voor zijne bijdrage, verklaart 
deze zich bereid die, met ophelderende noten voorzien, in 
de Verslagen en Mededeelingen te doen opnemen. 

B^ de discussie betuigt de heer Naber zijn instemming 
met de voornaamste conclusies van den heer Polak, geeft 
den raad, nu de onderscheiding van oudere en jongere deelen 
in de Odyssee zooveel moeilgker blykt dan in de Ilias, de 
studie der eerste te laten rusten ; wen seht Spreker's gevoelen 
te vernemen over »c/ie Einheit der Odyssee'' van Kammer; 
vraagt, waarom Spreker, die zich evenmin als hij aan tegen- 
strgdigheden in de epische poëzie stoot, toch onoverkomel^k 
bezwaar heeft tegen twee daarvan en wijst op de groote 
waarde, die de nauwkeuriger bestudeering der theopha- 
nieën kan hebben. — De heer De la Saussaye brengt het 
boek van Gomparetti ter sprake, waarin deze Italiaansche 
geleerde aantoont, dat de Kalewala der Finnen, die bg 
oppervlakkige beschouwing ware volkspoëzie schijnt te zijn, 
inderdaad van individueele dichters afkomstig is. — De heer 
Sgmons waarschuwt voor overdryving hig het verwerpen 
van het begrip »volkspoëzie" ter verklaring van epen als 
die van Homerus. De tegenstrijdigheden behoeven daarin 
niet opgespoord te worden, maar springen van zelf in het 
oog, en juist daardoor onderscheiden zij zich van het kunst- 
epos. — De heer Spruyt meent dat onder »volkspoëzie** niet 
moet verstaan wordeu poëzie, door het volk gemaakt^ maar 



( 267 ) 

poëzie door het volk in dank aanvaard en bewaard, fl^ 
herinnert aan Herbart's ernstig streven om de Odyssee te 
doen strekken tot geestelyk voedsel voor jonge kinderen 
en meent dat deze rechters zich evenmin als fian de tegen- 
strijdigheden zullen stooten aan de herhalingen, bflv. van 
Penelope's weeklachten, die den Spreker aanstoot gaven. 

De heer Polak ziet in zijn bestrijders antagonisten xar 
avxiipQaöiv die hem de hand reikten. Kammer schont hem 
een aestheticus in den minder goeden zin. De twee door 
den heer Naber getolereerde tegenstrijdigheden zijn hem 
te bar, zooals h^ nader uiteenzet. De waarde van de nauw- 
keurige onderscheiding der theophanieën zal hij allerminst 
betwisten. Wat de Kalewala betreft, zoo doet het hem 
genoegen te vernemen dat Comparetti's onderzoek leidde 
tot de slotsom, die bij Spreker a priori den grootsten graad 
van waarschijnlgkheid had, dat namelijk ook dit gedicht, 
gelgk alle andere, komt van individuen, niet v-an het zoo- 
genaamde volk. Met den heer Sijmons is hij het geheel 
eens dat de inhoud van Ilias en Odyssee zeker in den door 
Simons aangegeven zin »volkspoëzie" en ook in den vorm 
daardoor veel te verklaren is. Herbart's opvatting over de 
bruikbaarheid der Odyssee als kinderlectuur was hem geheel 
nieuw; de groote kunst van den dichter wijst er op dat 
deze aan een geheel ander publiek dacht. Maar hij erkent 
dat herhalingen aan dit publiek misschien niet hinderlijk 
zullen geweest z^n. 

Hierna sluit de voorzitter wegens het vergevorderd uur 
de discussie met een vernieuwde dankbetuiging aan den 
Spreker. 



Na de rondvraag, waarby de heer Blok namens de be- 
werkers de derde aflevering van het Oorkondenboek van 
Groningen en Drenthe voor de boekerg aanbiedt, wordt de 
vergadering gesloten. 



B E E I C H T 



OVER DEN 



WEDSTRIJD IN LATIJNSCHE POËZIE, 



-<—<•>--*- 



Wederom heeft de commissie voor de Latgnsche prgs- 
verzen het verlies van een harer leden te betreuren. Het 
is bekend dat onze Aloltzer sedert ettelgke jaren zich ook 
deze taak had laten welgevallen. De beide overgebleven 
leden behouden, na zijn droevig verscheiden, de herinnering 
van zyne welwillende en belangstellende medewerking op 
een terrein, waar hy zich gemakkelijker bewoog dan men 
met het oog op zyne hoofdstudiën geneigd zou zyn te ver- 
moedeuc Wij moesten ons intusschen al spoedig bezig- 
houden met de keuze van een opvolger en vonden tot onze 
voldoening den heer Karsten bereid zich met onze niet altyd 
even genoeglyke werkzaamheden te belasten, Zoo wordt 
het hierna volgende rapport mede uit zynen naam uit- 
gebracht. 

Van de zeven gedichten, die ditmaal voor den wedstryd 
zijn ingezonden, kunnen wy twee onmiddellyk ter zyde 
leggen : Ante Tonstrinam en J/'otum. Zy zyn berispelyk 
van taal en vorm en geheel onbeduidend van inhoud. Deze 
dichters zullen zich nog wat moeten oefenen. 

Twee andere stukken stellen wy heel wat hooger. Het 
eerste, Smilax et Crocus ^ is vervaardigd naar aanleiding van 
eenen regel in de Metamorphosen, waarin Ovidius zegt dat 
hij deze gedaanteverwisseling met stilzwygen zal voorbij- 



( 269 ) 

gaan : Et Crocon in parvos verêum cum Smilace ßores Prae^ 
tereo. Het denkbeeld is wel aardig om met deze fabel bet 
werk des RomeiDSchen dichters aan te vullen. Ook erken- 
nen wij gaarne dat naast de geestige vinding sommige ge- 
deelten op lofwaardige wijze zijn uitgewerkt. Maar met 
onzen lof kunnen wg niet verder gaan. De wezenlijk hier 
en daar n^et onaardige Ovidiaansche tint, die over het ver- 
haal ligt uitgespreid, mag ons Jiiet doen voorbijzien, dat 
er nog al wat zwakke regels doorloopen en metriek zoowel 
als Latiniteit herhaaldel^k vrij berispelijk zijn. 

Gelyk wij hier aan Ovidius herinnerd worden, zoo heeft 
de volgende dichter, die ons zal beleeren De Vitis morhis 
et medkamentisy zijne voorbeelden gezocht in de Georgica 
van Virgilius. Wg zullen vernemen tegen welke gevaren 
de w^nboer op zijne hoede moet zijn. Er zyn ziekten van 
de vrucht. Ziekten van het blad. Ziekten van den stam. 
Overal dreigen de bacteriën, — hier kortweg insecten ge- 
noemd — waartegen alleen het vuur bestand is. En er 
valt op nog zooveel meer te letten, voordat de vrucht kan 
worden ingezameld; daar zyn de rupsen, de mieren, de 
vogels, de bijen en, ja waarlijk de vossen ook nog. Er is 
in dit carmen, het langste van degene, die dit jaar wer- 
den ingezonden, verscheidenheid genoeg. Maar toch — het 
moet ons van het hart — de dichter weet de belangstel- 
ling niet wakker te houden. Er is geen eenheid in het 
stuk en dat valt reeds by ons overzicht in het oog, want 
rupsen en mieren en ander gedierte kunnen toch slechts 
oneigenlijk onder de ziekten van den wijnstok gerekend 
worden. Daarenboven: al brengen wij gaarne hulde aan 
de kunst vaardigheid van den maker en al zou het ons 
licht vallen, onderscheidene gelukkige passages u voor te 
leggen, toch zgn er te veel verzen, die of duister of on- 
lat^nsch zijn, afgezien nog van enkele vergrepen tegen de 
metriek. Het doet ons zelven leed, maar het is wezenlijk 
beter dit vers in de portefeuille te bewaren. 

Er blijven thans drie gedichten over, die het middel- 
matige zeer verre te boven gaan. Het eerste is Podothau- 
maturgia. Gelijk het woord aanduidt, de dichter zal den 



( 270 ) 

tnensclieliiken voet bezingen. Het is eeue zaak, gel^k h^ 
geestig opmerkt, Miisae dicenda pedestri. De bevalligheid 
van den voet kan men leeren kennen bg het dansen. Het 
nut van datzelfde lichaamsdeel komt eerst recht uit by den 
pottebakker, bg den aardwerker, by het persen der drui- 
ven, aan het weefgetouw. Daar is de organist, daar is de 
scharen slijper en zonder voeten kon de overwonnene niet 
op de vlucht gaan. Meer nog: in deze eeuw met hare 
duizelingwekkende vorderingen op ieder gebied, trapt jong 
en oud het rijwiel: 

En novus Automedon nullis confisus habenis, 
Alipes ipse vehens esseda, vectus, eques. 

En in den winter, gij verwacht het reeds, dan, in het 
hooge Noorden, in de terra Batava bindt ieder de schaat- 
sen aan. Wij ontvangen ec^ne levendige beschrijving van de 
drukte op het ijs. Zoo zijn wij genaderd tot vs. 124 en 
tot zoover zijn wij eenstemmig in onze ingenomenheid met 
dit wezenlijk aardig gedachte stuk. Maar dan volgt eene 
beschryving van 92 regels waarvan men bij de eerste 
lezing bijna niets begrijpt. Ei* is een wedstrijd op schaat- 
sen tusschen jongens en meisjes Er is het huisgezin van 
een armen dijkwerker, die een ongeluk heeft gekregen Wg 
hooren van Hansus en Gretela, van llda en Peter; maar 
die jeugdige persoontjes komen uit de lucht vallen. Geluk- 
kig konden wy het raadsel oplossen. De auteur heeft zich 
bediend van het lieve boekje van den heer Andriessen: de 
Zilveren Schaatsen» Voor een twintigtal jaren was het ver- 
haaltje in de handen van al onze knapen en meisjes. Eigen- 
lijk is het naar het Engelsch gevolgd en wg vernemen, 
dat de HoUandsche bewerking van Andriessen vertaald is 
in het Fransch. Maar toch kunnen wij niet gelooven, dat 
de geschiedenis van Hans en Grietje Brinker algemeen 
bekend is aan de beminnaars der Lat^nsche Muze. Bg de 
uitgave achten wg het dus noodzakelyk voor deze gansche 
episode een passender slot in de plaats te stellen. 

Dit carmen is met groot gemak en bijzonder vloeiend 



( 271 ) 

geschreven. In dat opzicht zijn de twee gedichten, die nog 
overig zijn, niet zoo gelukkig ; maar de hier en daar te 
berispen stroefheid en duisterheid wordt weder goedge- 
maakt door andere opmerkenswaardige deugden. 

Eerst nemen wij Castanea ter hand. De dichter verhaalt 
met niet vermoeiende uitvoerigheid, hoe in Italië — want 
daarheen wijst alles — de boeremeuschen alles hebben te 
danken aan den kastanjeboom: 

O miseros niinium, gelidis si montibus absint 
Castaneae ! veniunt illis namque arbore ab una 
Omnia, gluma dapes frondes ramalia caudex. 
Arbor et una famem miseris et frigora pellit. 

Jammer dat bij de beschrijving van het roosteren der 
kastanjes en dgl., ons zooveel duister blijit. Zeker is dat 
voer een deel toe te schrijven aan onze zoo w^ hopen 
vergeeflijke onbekendheid met de oude gebruiken ^p het 
oogstfeest, maar voor een ander en aanmerkelijk deel ligt 
de schuld bij den vervaardiger, die zich dikwerf wel niet 
onzuiver maar toch te gekunsteld heeft uitgedrukt. Het 
zoude jammer zyn het stukje terug te houden, maar voor 
de hoogste onderscheiding kan het toch niet in aanmer- 
king komen 

Eindelijk rest ons de Cena in Caudiano Nervae, Hier is 
boven alle andere ingezonden gedichten de inventio te prij- 
zen. Men kent het iter Brundisinum van Horatius. Als de 
vrienden te Caudium zijn aangekomen, brengen zij den 
nacht door in de villa van Cocceius Nerva. Aan den maal- 
tgd was geen gebrek geweest aan geestig onderhoud . 
Prorsus iucunde coenam produximus Ulam, schrijft Horatius 
zelf. Daar waren Maecenas, Cîocceius Nerva, Fonteins Ca- 
pito, Plotius, Varius, Virgilius, Horatius en nog anderen. 
Wat mag daar toen verhandeld zyn ? Zoo de politiek ter 
sprake is gekomen, zullen de dichters zich wel hebben 
teruggetrokken. Maar als zij deelnemen aan de gedachten- 
wisseling, dan moet het over de toekomst der literatuur 
zijn. Dat heeft onze moderne dichter uitstekend begrepen. 



( 272 ) 

In het jaar 37 waarin de samenkomst plaats greep, was 
Horatius reeds bekend door zijne Epoden en Satiren, Vir- 
gilius door de Bucolica. De beide dichters geven thans 
te kennen in welke richting zg in het vervolg zich wen- 
schen te bewegen. Reeds zweven aan Horatius de oden 
voor dtn geest en Virgilius ziet in gedachten voor zich het 
plan der üeorgica, wellicht reeds van de Aeneis. Wij 
moeten erkennen dat de dictie soms wat stroef is, maar 
overigens beschouwen wij dit gedicht als een der bevalligste 
die immer het eermetaal in den Hoeufft- wedstrijd hebben 
verworven. 

Onze conclusie bl^kt uit het voorafgaande. W^ wenschen 
de Cena in Caudiano IS&ivoe te bekronen en verzoeken den 
Secretaris ons met den naam van den dichter bekend te 
maken door het openen van het naambriefje met het motto: 
Kon ego ntmc duld amplexu divellerer usguam, We wen- 
schen lofifelyk te vermelden Casianea met het naambriefje: 
Iile vir haud magna cum re^ sed p/enu fidn en het eerste 
gedeelte van Podoiliaum,aturgia met het motto : In teuui 
labor ^ ut tenuis 9ion ? Deze beide compositie^ zullen insge- 
lijks op kosten van het legaat worden uitgegeven, wanneer 
de schrijvers, daartoe opgeroepen, vergunning geven de 
enveloppen te openen. De naambrieÇes beho^rende bg de 
vier overige gedichten zullen naar het oude voorschrift 
onmiddell^k verbrand worden. 

S. A. NABER. 
Amsteedam, J. A^AN leeuwen J». 

25 Februari 1896. H. T. KARSTEN. 



PROGRAMMA 
CERTAMINIS POETICI 

AB ACADEMIA EEGIA DISCIPLINAKUM 1SEÜERLAXDI0A 

EX LEGATO HOEUFETIANO 

IN ANNUM MÜCCCXCV1I INDICTl. 



-f«ü'* 



Hoc anno Amstelodamum missa fueruut septem carmina, 
de quibus in conventu Ordinis Litterarii a. d. VI Id. Mart, 
ita pronuntiatum fuit: 

Duo carmina sunt Ante Tonstrinam et Vottim in scripta, 
quorum poetae tenue argumentum tenuiter tractarunt. 

Multo melius placuerunt duo carmina inscripta &milax et 
crocus et De vitis morbis et medicamentis^ sed haud médiocres 
virtutes nimis saepe sermonis vitiis obscurantur. 

Magna laude digni visi sunt duo poetae, qui cecinerunt 
Podothaumaturgiam et Castaneam, sed in hoc carmine con- 
torta dictio interdum lectorem moratur, in illo autem quum 
elegantiam usque ad vs. 124 libenter agnoscamus, in versi- 
bus postremis XCII invenimus adumbrationem fabulae cuius- 
dam olim Belgico sermone ad delectationem puerorum et 
puellarum compositae; sed ipsa narratio obscura eritiisqui 
fontem non cognoverunt et nobis qui singula contulimus, 
baud satis elegans visa est. 

Reliquos poetas superasse iudicamus e um qui nobis 
oblulit Cenavi in Caudiano Nervae. Huic non baesitantes 
praemium decrevimus et aperta scidula nomen prodiit 

JOHANNIS PaSCOLI BoNONIENSIS. 



( 274 ) 

Podothaumaturgia debetur Pktro Rosati Bononiensi ei us- 
que prior pars itidem typis describetur. Qui miserat Casta- 
neam^ nomen suum nondum professas est 



Ad novum certamen cives et peregrini invitantur his 
legibus, ut carmina latina non ex alio sermone versa nee 
prius édita argumentive privati nee quinquaginta versibus 
breviora, nitida et ignota iudicibus manu scripta sumptu suo 
ante Kal. lanuarias anni proximi mittant Coenelio Bellaab 
Spkuyt, Ordinis Litterarii Academiae ab actis, munita sen- 
teniia, itidem inscribenda scidulae obsignatae, quae nomen 
et domicilium poetae indicabit. 

Praemium victoris erit nummus aureus quadringentuni 
florenorum. Carmen praemio ornatum sumptibus ex legato 
ft.ciendis typis describetur, eique subiungentur alia laude 
ornata, quando scidulae aperiendae venia dabitur. 

Exitus certaminis in conventu ordinis niense Martio pro- 
nunciabitur; quo facto scidulae car.ninibus non probatis 
additae comburentur. 

Amstelodami. H. KERN. 

Ips. Nou. April. MDCCCXCVL Ordinis Praeses. 



GEWONE VERGADERING 

DEK AFDEELTNG 

TAAL-, LETTEK-, GESCHIEDKUNDIGE EN WÜSGEEEKJK 

WETENSCHAPPEN, 

GEHOUDEN DEN 9^^^ HAART 1896. 



Tegenwoordig de beeren: kern, Voorzitter, boot, bi kts, 

MÄ.TTHES, DE VEIBS, SIX, VAN BONEVAL FAÜHE, NABER, VAN DER 
WIJCK, DE GOEJB, QÜACK, ASSER, PLBYTE, VAN DE SANDK BAK- 
HUYZEN, VERDAM, N. G. PIERSON, DE LOUTER, SIJMONS, S. MU I.LBR 
FZN., FOCKEMA ANDREAE, CHANTtPIE DE LA SAUSSAYE, DE HARTOG, 
VAN RIEMSDIJK, SPEIJER, HAMAKER, HOUTSMA, VAN LEEUWEN, 
VALETON, SILLEM, KLUYVER, BLOK, DE GROOT, KARSTEN, VAN 

HELT EN, ROGGE en SPRUYT, sccretaris. 



De beeren Fruin en Tiele bebben bericht gezonden dat 
zy de vergadering niet kunnen bijwonen. 



Het Proces- Verbaal der vorige vergadering wordt geh^zen 
en goedgekeurd. 



De Secretaris deelt mede dat ingekomen is een te laat 
ingezonden gedicht voor den wedstrijd in Latgnsche poëzie, 
getiteld Sorores met het motto : Sicelides Musae, en voor 
de boekerij : van de Redactie Tome VI, I van de Revue 
Bourguignonjie de VEnseigttemeiit supérieure van Mejufvr. 0. E. 
Groneman namens haar broeder, Dr. J, Groneman te Ban- 



( 276 ) 

Joemaas een gedrukt naschrift op diens werk »De Garëbëgs 
van Ngajogyakarta benevens eenige geschreven errata, met 
het verzoek naschrift en errata te deponeeren bij het be- 
doeld werk; van een onbekende »Limburg", Jaarboek 1895, 
3de Aflevering. 



Namens de Commissie voor den wedstrijd in Latynsche 
poëzie brengt de heer Naber het jaarlijksch verslag uit. 
Hij herinnert aan het verlies, dat de Commissie leed door 
het overlijden van den heer Moltzer en deelt mede dat de 
heer Karsten, in diens plaats gekozen, die benoeming aan- 
vaard heeft. 

Van de zeven gedichten, die de Commissie dit jaar te 
beoordeelen had, kunnen er vier noch voor bekroning noch 
voor loffelijke vermelding in aanmerkir^g komen. De drie 
andere verheffen zich ver boven het middelmatige. De Com- 
missie stelt voor het gedicht Cena in Caudiano Nevvae te 
bekronen en een eervolle vermelding toe te kennen aan 
Castanea en aan het eerste gedeelte van Podothaumaturgio. 
Ook deze twee gedichten zullen op kosten van het legaat 
Hoeufft gedrukt worden, indien de auteurs verlof geven 
hunne naam briefjes te openen 

Bij de opening van het naambriefje van Cena in Caudiano 
Nervac blykt de schrijver te zijn de heer Johannes Pascoli 
te Bologna. 



De heer Boot spreekt, naar aanleiding van het verslag 
door den heer Barnabei in de Accademia dei Lincei uitge- 
bracht over de opgravingen in het meer van Nemi. Hij 
deelt mede wat in 1446 door L. B. Alberti, in 1535 door 
Fr. de March i gedaan is om het schip van Tiberius, dat 
men vermoedde dat daar gezonken was, te onderzoeken, en 
wat nu in October 1895, op last van Prins F. Orsini, is 
verricht.. Dat onderzoek heeft heerlijke resultaten opge 
leverd en zal voortgezet worden. 

De Voorzitter betuigt jaamens de Vergadering den Spre- 



( 277 ) 

ker zgü dank voor zijne bijdrage, en verzoekt hem die in 
de Verslagen en Mededeelingcn te doen opnemen. De heer 
Boot is daartoe bereid, mits hem jçelegenheid gegeven wor- 
de enkele teekeniiigen in den tekst te voegen. Naar aan- 
leiding van het gesprokene worden inlichtingen gevraagd 
door de beeren Karsten en Speyer, wier vragen de Spreker 
beantwoordt. 



Na de rondvraag, bij welke de heer van Boneval Faure 
voor de boekerij een exemplaar aanbiedt zijner »Adviezen 
over burgerlijke rechtsvordering, voorgedragen in de V( rga- 
dering van de Eerste Kamer der Staten-Generaal van 16, 
17 en 18 Januari 1896, met voorrede en aanteekeningen'', 
wordt de vergadering gesloten. Zij zal door eene buiten- 
gewone gevolgd worden. 



DE OPGRAVINGEN IN HET MEER VAN NEMI. 



DOOR 



J. C. 6. B O O T. 



>SS?***"iM 



De bodem van Italie bevat een ouuitputtelijken rijkdom 
van oudheden. Al rekent men Pompeii niet mede, gaat er 
schier geen dag, stellig geen week voorbg, waarin niet vazen, 
mozaïeken, opschriften, beelden en andere overblijfselen der 
oude bewoners gevonden worden. In de Berichten der 
opgravingen, die sedert Januari 187G door de letterkundige 
afdeeling der Accademia dei Lincei maandelijks worden uit- 
gegeven, worden alle vondsten nauwkeurig bescbreveu. 
Weinige hebben zoozeer de aandacht getrokken, als het»(een 
in October van 1895 uit het meer van Nemi is opgehaald. 
Daarover is uitvoerig geschreven in de Notizie degli soa vi 
van October blz. 361 — 39ö door Felix Barnabei, den opper- 
toeziener van de opgravingen in de stad en provincie Rome, 
beknopter door G. Tomassetti in de Nuova Antologia van 
1 December 1.1. Misschien zal het U, Mijne heeren, niet 
ongevallig wezen, als ik die gidsen, vooral den eerstgenoem- 
den, volgend het waag eenige oogenblikken uwe aandacht 
op die belangrgke ontdekking te vestigen. 

Vooraf een woord over het meer. Het is, evenals het 
naburige veel grootere Lago Albano, de ingezakte krater 
van een uitgebranden vulkaan, gelegen niet ver van La 
Riccia, het oude Aricia, welke stad volgens Strabo ^) op een 
afstand van 160 stadiën van Rome ligt, of volgens eene 
juistere opmeting 16 Romeinsche mijlen van die stad. 

Het ontleent zijn naam aan het latijnsche nemus, zooals 
bij voorkeur het heilig woud van Diana in den omtrek 



1) Strabo V. 3, 12 p. 239 Gas. 



( 279 ) 

• 

genoemd werd, b.v. door Cicero in een brief aan Attieus^). 
Want de nemorum cultrix, Latonia vir go ^) had op een terras 
boven de Noordzijde van het meer, nu il Giardino geheten, 
een tempel, die zich in het meer afspiegelde, dat daaraan 
den naam van Speculum Dianae ontleende en door Vergilius 
THciae lacus wordt genoemd ^). 

Ter plaatse waar die Diana-tempel gestaan heeft, zijn in 
1885 en opnieuw in het vorig jaar opgravingen gedaan, 
die veel merkwaardigs opgeleverd liebben, onder anderen 
acht groote marmeren vazen, een kolossaal hoofd van Diana, 
ex voto's en vergulde bronzen tegels*). 

Aan het meer, dat 100 meter diep is en 1^/4 vierk. mijl 
in omtrek heeft, zgn drie volkssagen verbonden, van welke 
de minst dichterlijke gewaagt van een schip, dat Keizer 
Tiberius daar zou hebben laten maken, om daarin aan zijne 
wellustige neigingen bot te vieren. Toen in later tijd door 
visschers verteld werd, dat aan eenig punt van het meer 
hunne netten somtijds vastraakten aan stukken hout, die zij 
daarmede ophaalden, besloot de kardinaal Prospero Colonna, 
eigenaar van twee kasteelen in den omtrek, omstreeks het 
jaar 1446 om de zaak door den beroemden Venetiaanschen 
waterbouwkundige Leon Battista Alberti te laten onderzoeken. 
Hoe dit geschied is en welke resultaten het opleverde is ons 
medegedeeld door Flavius Blondus in zijne Italia illustraia. 
Terwijl Alberti het schip of de schepen — want men dacht 
dat er twee waren — volgens eene toen heerschende traditie, 
aan Trajanus toekende werd op looden pijpen, die uit het 
meer gehaald werden, zooals men meende {come pensiamo)^) 
het opschrift Tib. Caesar Aug. gelezen, hetwelk aanleiding 
gaf tot bevestiging van het vermoeden dat Keizer Tiberius 



^) XV. 4, b (in mijne uitgaaf XV. 4, 6): L. Caesar ut veniam ad se 
rogat in Nemus. 

2j Aeneid. XL 557. 

''] Ibid Vil. 516 en de aant. van Servius: Est nemus Jiaud longe ab 
4.rida, in quo lacus est, qui Speculum Dianae dicitur. 

*) Zie de Notizie degli scavi van 1885 op de plaatsen in den bladwijzer 
tier Nemi vermeld, en die van Nov. 1895 blz. 424 — 436. 

*) L. B. Alberti, De re aedificatoria L. V c. 12. 

TBB8L. EN MED. AFD. LETTERE. 3^6 BEEKS. DEEL XII. 19 



{ 280 ) 

het »cliip liud laten bouwen. Een fragment van een vaar- 
tuig, dat toen door Genueesclio matrozen, die als visschen 
zwommen, was opgehaald, lokte vele bezoekers uit Rome 
naar het meer, onder wie Aenea Silvio Piccolomini was, 
die in zijne Gedenkschriften daarvan gewag maakt ^). 

Op 15 Juli 1535 is de architect Francesco de Marchi 
zelf iu het meer afgedaald, met behulp van een duikers* 
toestel door meester Willem van Lotharingen vervaardigd, 
om het schip te onderzoeken. Hg bleef eerst een half 
uur, daarna een vol uur onder water, en nam alles 
nauwkeurig op. Zyn uitvoerig naief verhaal is uit het 
tweede boek zgner Architettura militare door Barnabei 
overg<3nomen ^) en werd in het latijn vertaald maar zeer 
opgesmukt door Brotier achter zgne vertaling van Tacitus ^) 
geplaatst. 

Het zou de moeite niet loonen om stil te staan bij het 
verhaal van De Marchi, en nog minder b^ dat van Fusconi, 
die in 1827 van 10 tot 28 September met een door hem 
uitgevonden hydraulisch werktuig op de plaats waar hij 
meende dat het vaartuig lag, het trachtte te lichten, waarin 
hij evenwel niet slaagde. Hij verhaalt, dat negen voorwerpen 
aldaar door zijne werklieden gevonden naar het Vatikaansch 
Museum zijn overgebracht en noemt nog verscheidene andere 
dingen, aldaar opgevischt, maar het is later gebleken, dat 
hij niet by het visschershuisje {la casetta dei pescatori) aan 
de noordwestelijke punt van het meer, waar men nu stellig 
weet dat het schip ligt, maar ongeveer een kilometer meer 
ten zuiden, boven de tegenwoordige begraafplaats van Genzano 
zijne onderzoekingen gedaan en de door hem genoemde 
voorwerpen gevonden heeft. 

Na lang zoeken zgn onlangs in een der magazyneu van 
het Vatikaansch Museum twee balken van lorkenhout (larix) 
met ijzeren spijkers aaneengeklonk en teruggevonden die over- 
eenkomen met de door Fusconi onder nommer 9 vermelde, 



') Pil II Commeutar, L. II. p. 565 ed. Kom. 

2) Not. d. Scavi. Ott. p. 382—385. 

^) Tom. V der Parijsche uitg. van 1776. 



( 281 ) 

en een ttuderu balk volgens zgriu opguvu duor du Jesuiten 
aangekocht berust in het Cullegio Romano, waar ïk dien 
in 1887 gezien heb. Waarschijnlijk hebben deze gediend 
tot dwarsbalken voor een steiger van eene villa, misschien 
wel bjj die van Julius Caeaar, die genoemd wordt in een 
brief van Cicero aan Atticus VI. 1, 25 en in Suetonius' 
leven van Caesar, c. 46. 

Na het onderzoek vau De Marcbi EÏJn er 300 jaren voor- 
bijgegaan, voordat pc^ingen in het werk gesteld zqn om 
over het wonderschip meer Hebt te verkrggen. Eerst in 
1895 hoeft Prins Filippo Orsini, de eigenaar van het meer, 
na bekomen vergunning van het Italiaansche gouvernement, 
aan Elisuo Borghi opgedragen om honderd meters ten zuiden 
van de casetta dei pescatori door een bekwamen duiker 
Pietro Pardo nieuwe onderzoekt ogen te doen. 

Op den derden October ia daarmede een aanvang gemaakt 
en van 14 tot 22 October is het werk di^eljjks onder toe- 
zicht van Barnabei voortgezet, en met buitengewonen nitslag 
bekroond. Ik zal de voornaamste der gevonden voorwerpen 
noemen, die voorloopig in een koornschnur van de Orsini's 
te Genzano geborgen zgn, maar weldra een meer voegzame 
bergplaats zullen verkrijgen. 

Vooreerst een bronzen cilinder, hoog 30, in omtrek 45 
centimeters, aan de voorzijde versierd met een teeuwenkop, 
die een zwaren ring in den bek houdt 



( 282 ) 

Uit i'üüituii viLii verrot hout, die daarin <rcvoiideii zyn, blijkt 
dut dit voorwerp op e'^n paal gestaan heeft aan den wal, 
en diende om er een kabel aan te meren. Voorts twee 
groote bronzen wolfs- en twee soortgelijke leeuwenk oppen, 
met ringen in den buk, vastgeklonken aan bussen van het- 
zelfde metaal, waarin rechthoekige balken bevestigd werden, 
die aan stuur- en bakboord buiten het schip uitstaken en 
waaraan de kabels bevestigd waren, die het schip aan den 
wal vastsnoerden. 

Bijzonder fraai is een bronzen Medusahoofd, dat insgeljjks 
gediend heeft tot voorstuk van een reebtlioekigen balk. 
De bus daaraan bevestigd is 253 millimeters hoog, 288 
breed, 235 lang. 



Niet minder goed bewaard gebleven is een gegoten bron- 
zen tralievcnster, bij de ouden transenna genaamd '), dat 
wel zal gediend hebben om uit liet dek licht naar onderen 
te geven. 



i) Cicero de Orat. I. 



( 283 ) 







MWAW/^M^Î'M 





// 



mmi^WEm 




Veelkleurige glaspasten en stukjes porfier en serpentjjn- 
steen z^n stellige bewgzen, dat er een of meer mozaiek- 
vloeren aan boord zgn geweest. 

Goed geconserveerd hout, dat met koperen nagels en eiken- 
houten wiggen aaneengeklonken is, laat geen twijfel over, 
dat dit alles behoort heeft tot een vaartuig en bevestigt 
het vermoeden van Alberti en de opgaven van De Marchi. 

Ten overvloede wordt dit nog bevestigd door de getuigenis 
van Pardo. Deze verklaarde dat de voorsteven een afge- 
ronden, de achtersteven een scherphoekigen vorm heeft, en 
begrootte de lengte op ruim 60, de grootste breedte op 
ruim 15 meter. Hij ontdekte dat het met den voorsteven 
naar het meer heeft gelegen en met den achtersteven in de 
diepte is gezonken, en wel zoo dat het onderste gedeelte 
in een zandlaag ligt en daardoor het best bewaard is, het 
middendeel in eene laag modder en daardoor veel geleden 
heeft, terwijl van het bovenste gedeelte, dat in het water 
staat, het hout bijna geheel verteerd is en alleen het 
metaal en de mozaiekfragmenten bewaard zijn. 

Door een nader onderzoek is men in staat gesteld de 
opgave van den duiker aangaande de maat van het schip 
te verbeteren en men weet nu dat het 68 meter lang en 
in het midden 20 meter breed is geweest. 

Evenals vroeger zijn ook nu weder looden p^pen gevon- 
den, die in elkander geschoven kunnen worden en gediend 
hebben om water van den oever voor een bad aan boord 
te brengen. Op twee van deze pijpen zijn met een stempel 
deze letters ingedrukt: 

C- CAESARIS. AVG GERMANICI 

en deze inschriften geven ons het recht om niet Tiberius, 
noch Traianus, maar den waanzinnigen zoon van Gormanicus 



( 284 ) 

Caius Caesar, meer bekend onder zijn bynaam Caligula, 
die van 37 tot 41 n. C. geregeerd heeft, voor dengene te 
houden, die dit prachtig schip heeft laten bouwen, om 
daarmede het meer van Nemi rond te varen. Misschien 
was het op een kleinere schaal de wederga van de kostbare 
Liburniers, met welke hg langs de kusten van Carapanien 
placht te varen, die door Suetonius in z^n leven c. 37 
aldus worden beschreven: Falricavit et deceres Libumicas 
gemmaiis puppibusj versicoloribus velis^ magna tliermarum et 
porticuum et triclimorum laxitaie magjwque etiam vitium et 
pomiferarum arborvm varietate^ qidbus discumbens de die inter 
choros ac symphonias litora Campaniae peragraret. 

In elk geval bewyzen de meesterlijke bronzen dierenkop- 
pen en het schoone Medusahoofd, dat er in den tigd van 
. Cäligala in Italic kunstenaars geleefd hebben, die in het 
boetseren en drijven meesters waren, en het zou mij niet 
bevreemden, als zij vervaardigd waren door een der metaal- 
gieters, die Plinius uit den eersten keizertgd noemt i). 

Men denkt er over om in dezen zomer het geheele schip 
te lichten, hetgeen Pardo uitvoerl^k acht, en waaraan h^ 
de kosten op ruim 30.000 liren begroot. Al moet die som 
met eenige duizenden verhoogd worden, twgfel ik niet dat 
zg te Rome wel zal te vinden zgn, zonder hulp van En- 
gelschen, die bereid zijn geld te geven, maar dan ook zouden 
trachten een deel van den buit naar het Britsch Museum 
te sleepen. 

Gelukt de onderneming, dan zal men nog beter, dan nu 
al door den Romeinschen architect R. Arcaini is gedaan 2), 
eene reconstructie van het schip in plaat kunnen brengen. 

Volgens aanwgzing van den pachter van het meer ligt 
er ruim 400 meters meer zuidelijk en 150 meter van den 
oever nog een vaartuig. Op dat punt dicht bg den zooge- 
naamden Germanicussteen {sasso di Germanico) zijn van 18 
November tot 13 December door Pardo, en van 9 tot 20 
December ook door een duiker der marine onder toezicht 



1) Nat. hist. XXXVI, § 38. 

2) Mij bekend uit eene afbeelding in de Illustrirte Zeitung van 14 
December 1.1. 



( 285 ) 

van den marine-ingenieur V. ilalfatti, bgna dagelijks onder- 
zoekingen gedaan. Daaruit is gebleken dat dit schip grooter 
is dan het eerste en dat de romp beter is bewaard gebleven ; 
maar het schijnt niet zoo prachtig versierd te zijn geweest. 
De gelgksoortige constructie van beide schepen wettigt het 
vermoeden van gelijken ouderdom. 

Beide zgn overdekt met zeildoek, waarop dunne looden 
platen zgn vastgespijkerd ; ook op het tweede zijn sporen 
van mozaiek en bronzen tegels gevonden. Voorwerpen van 
kunst zijn tot nu toe niet opgehaald, wellicht ten gevolge 
der groote diepte, waarin dit schip gezonken is. iïei eenige 
voorwerp, dat opmerking verdient, is een rechthoekige 
bronzen casset, die aan een balk is bevestigd geweest, en 
op welks bovenkant een hand met den voorarm is vast- 
gehecht -*). 



1) Zie het uitvoerig bericht in de Notizie degli scavi van December 
p. 461—468 met het verslag vau den iugenieur p. 471 — 474. 

De drie ziiicographisclie afbeeldingen hierboven in den tekst gedrukt 
zijn op mijn verzoek geteekeud door den heer A. Barnouw, student in 
de ncderlandsche lettcrkbude aan de Universiteit te Leiden, aan wien ik 



daarvoor dank betuig. 



OEWONE VERGADERING 

DER AFDEELING 

TAAL-, LETTER-, GESCHIEDKUNDIGE EN WIJSGEBRIGE 

WETENSCHAPPEN, 

GEHOUDEN DEN iSden APRIL 1806. 



Tegenwoordig de Heeren : kern, Voorzitter, boot, matthes, 

SIX, VAN BONKVAL FAURE, NABER, VAN DER WIJCK, DB GOKJE, 
VAN HERWERDEN, COSIJN, QÜACK, ASSER, PLEYTE, P0L3, VAN DE 
SANDE BAKHÜYZEN, VERDAM, N. G. PIERSON, DE LOUTER, SIJMONS, 
l'OCKEMA ANDRBAE, CHANTEPIK DE LA SAÜSSAYB, SCHLEGEL, VAN 
IIIEMSDIJK, P, L. MÜLLER, SPEIJER, HAMAKER, HOUTSMA, VAN 
LliEUWEN, VALETON, POLAK, SILLEM, KLUYVER, BLOK, VAN DEN 
BERG, DfcJ GROOT, KARSTEN, ROGGE eü SPRUYT, Secretaris. 



De heer S. Muller Fzn. heeft bericht gezonden dat hy de 
vergadering niet kan bijwonen. 



Het Proces -Verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en goedgekeurd. 



Ingekomen is een bericht van den heer Pietro Rosati te 
Bologna, inhoudende dat hij de schrijver is van Podothau- 
maturgia ; en voor de boekerij : van het rustend lid C. M. 
Prancken een exemplaar zgner uitgaaf der Phirsalia vun 
Lucanus, Deel I; van de redactie te Dijon een exemplaar 
der Revue Bourguignonne V, 4 ; van Dr. H. C. Muller een 
exemplaar zijner Beiträge zur Lehre der Wortzusammenset- 
zung im Griechischen, 



( 287 ) 

De heer Pleyte doet eene mededeeling over de oude brug 
te Zuilichem, gevonden op de uiterwaarden bi] den steen- 
oven van den heer Pool. 

Naar aanleiding van courantenartikelen, o. a. in de 
Nieuwe Rotterdamsche Courant, heeft h^ een onderzoek 
ingesteld en vertoont een plattegrond, teekeningen en licht- 
beelden. Hij verklaart de overblijfselen voor die van eene 
brug, heeft die vergeleken met de bekende romeinsche brug- 
gen en is tot het resultaat gekomen dat het bouwwerk ge- 
heel en al overeenkomt met de constructie van een brug, 
die Caesar bg Neuwied over den Rhgn heeft doen slaan. 
Hg tracht aan te toonen dat deze brug de uit de vader- 
landsche geschiedenis bekende brug zou kunnen zgn, waarop 
Civilis en Cerealis hun tweegesprek zouden hebben gehou- 
den. De rivier Nabalia, waarover volgens Tacitus die brug 
geslagen was, zou dan de Waal z^n, in dien tyd Vahalis 
geheetten. 

Namens de vergadering betuigt de Voorzitter den spreker 
zgn dank voor deze mededeeling en vraagt of zij bestemd 
is voor de Verslagen en Mededeelingen. De spreker is bereid 
haar daarin te doen opnemen, als er een teekening bg ge- 
voegd kan worden, waartegen bij den Voorzitter geen be- 
zwaar bestaat. 



Vervolgens geeft de heer Verdam een vervolg op zijne 
in November 1895 gehouden voordracht. Hij bespreekt een 
tot heden weinig gebruikten bgbel van 1360, in twee Igvige 
foliodeelen op perkament geschreven, en versierd met tal 
van penteekeningen en uitstekend bewaarde miniaturen, 
welke bijbel berust in de Koninklijke Bibliotheek te 's Gra- 
venhage. Hg betoogt het groote belang eener doorloopende 
vergelgking van den tekst van dezen bijbel voor de critiek 
der jongere redacties, met name die van den Delftschen 
bijbel van 1477, waarbij nog een andere tekst, eveneens 
van 1360 en in twee deelen, doch zonder uiterlijke ver- 
sierselen, en waarvan alleen het tweede deel in de Kon. 
Bibl. aanwezig is, goede diensten kan doen. 



( 288 ) 

Vervolgens toont hij het groote nut aan, dat men uit 
dezen belangrijken tekst, die waarschijnlijk door een Oost- 
vlaming geschreven is, kan trekken voor de middelneder- 
landsche lexicographie. 

Als voorbeelden geeft hg op de vroorden hedwesemen^ d. i. 
verbijsteren^ begoochelen ; bordelen^ den tot heden uit mnl. 
schry vers niet opgeteekenden grondvorm van borrelen ; esieric, 
een nog onbekend woord voor stoppels; botteren^ het nog 
nergens aangetroffen frequentatief van botten^ in de beteeke- 
nis storten^ duioen^ botsen; laoel^ den naast leoel nog niet 
gevonden vorm voor kruik ^ ßesch; srrinkelen^ een nog weinig 
opgemerkt werkwoord voor beenfje lichten , een loer draaien; 
en singelen (sengelen), een zeer zeldzaam woord voor schroetefi, 
zengen, dat behalve uit dezen bijbel slechts uit het hand- 
schrift der Pelgrimage is opgeteekend. Eindelijk bespreekt 
hij naar aanleiding van het mnl. werkwoord rdeden (ook 
nilen geschreven), d. i. klinken (van spykers gezegd), de 
verschillende germaansche benamingen voor nydnagel en 
verklaart het verband met wjd als gevolg eener volks- 
etymologie, doch den eigenlyken oorsprong gelogen in het 
bovengenoemde werkwoord nieden {niden). 

De Voorzitter dankt den spreker voor zgne bydrage en 
verzoekt hem die in de Verslagen en Mededeelingen te doen 
opnemen. De heer Verdam heeft haar echter reeds een 
andere bestemming gegeven, maar zal een uitvoerig verslag 
aan den Secretaris zenden ter opneming in het Proces- 
Verbaal. 

Naar aanleiding van het gesprokene worden den Spreker 
vragen gedaan door de beeren Cosijn, Van de Sande Bak- 
huyzen, Schlegel, van Leeuwen en Kern en deze vragen door 
den Spreker beantwoord. 



Bg de rondvraag worden voor de boekerg aangeboden : 
door den heer Schlegel namens Prof. Cordier een verhan- 
deling over »Za question du Fou^Sang^\ opgenomen in het 
Journal de la Société des Américanistes de Paris^ 1896 ; door 
den heer Blok namens den schrijver »De Vereeniging ter 



( 289 ) 

bevordering der oude Nederlandsche letterkunde (1843 — 
1850) door J. Tideman, Phil. Theor. Mag. Litt. Hum. Docts, 
Oud-Secretaris der Vereeniging", 1895; door den heer Boot 
een overdruk van een artikel uit de Mnemosyne, getiteld 
Adnotationes criticae ad Taciti Annales et Hi8torias^\ scripsit 
J. C. G. Boot. 



Daarna wordt de Vergadering, die door eene buitenge- 
wone zal gevolgd worden, gesloten. 



IETS OVER DE OUDE BRUG TE ZUILICHEM, 



DOOR 



W. PliEYTE. 



In de Nieuwe Rott. Courant van 17 Oct. 1895 werdeene 
ontdekking vermeld op het terrein van den steenoven van 
den heer J. A. Pool te Zalt-Bommel, gelegen op de Zuili- 
chemsche Uiterwaard, tegenover Herwynen. Later kwam 
dit hericht: 

:>Bg het uitgraven vau klei voor de steenfabricage werden 
ontdekt, 4.50 M. onder de oppervlakte, een tweetal rijen 
paaljukken, die zich over 180 M. afstand, onderling 8.30 M. 
van elkaar verwgderd, uitstrekken, en het vermoeden wetti- 
gen dat voor eenige eeuwen een brux^ eene verbinding met 
de overzijde heeft gevormd. 

»Zooals wg reeds boven meldden, z^n de paaljukken op 
ouderlingen afstand van 3.30 M. ; deze bestaan uit 4 onder- 
steuningspunten, elk door twee naast elkaar geslagen palen 
gevormd, op 1,10 à 1.30 M. afstand. 

Van hoofd of kesp is niets te ontdekken ; wellicht zijn 
deze, daar vroeger ook al hout gevonden is, in stukken en 
brokken opgeruimd. De palen zijn als 't ware afgebrokkeld, 
terwyl de slechte qualiteit van het hout het vergaan in de 
hand gewerkt heeft. 

De palen zijn van 20 à 25 cM. middellijn, 1 M. op den 
kop" (lees : van den kop af gerekend). 

»Neemt men in aanmerking, dat boven de palen een 
kleilaag bestond van 4.50 M., terwijl nog steeds geruchten 
loopen, dat in vroeger tijden veel oudheden op de Zuili- 



( 291 ) 

cliemsche Uiterwaard gevonden zijn, dan wint het vermoe- 
den veld, dat men hier te doen beeft met een bouwstuk 
uit bet begin onzer jaartelling en dat de aandaebt van oud- 
beidkundigen wel verdient. Ook de steenoven mag wel 
onder de oudste gerekend worden De beroemde Gbriâtiaan 
Huygens, beer van Zuilicbem, was reeds voor eenige eeuwen 
eigenaar". 

Ik scbreef onmiddellijk aan den burgemeester van Zuili- 
cbem om nadere inlicbting. Reeds ontving ik den 21steii 
October een antwoord van den beer S. F. Monbemius dat 
eenige nieuwe bijzonderbeden met een uittreksel uit een 
courantenbericbt inbield van den beer D. P. Regt te 
Hurwenen. 

»Naar aanleiding van bet bericbt voorkomende in uw 
blad van 13 October betrefifende fundeeringen, blootgelegd 
op de waarden, toebeboorende aan den Wel Edelgeboren beer 
Pool, deel ik u bet volgende mede : 

Waarscbijnlijk beeft daar gestaan de tolburg (geen tolbrug) 
gestiebt door bet geslacht Colonna of Zuylen. Deze burg 
stond eerst buitensdyks maar is door verlegging van den 
Waaldgk daarmede eenigszins in verband gekomen. 

Aan dezen tol moesten de afvarende en opvarende scbepen 
eene scbatting betalen. Deze scbatting werd in de dertiende 
eeuw gebeven door Jan van Herwen (lees Jan van Herwijnen), 
zoodat niet onwaarsebijnlijk aan de overzijde van de Waal 
een dergelijk gebouw gevonden werd als te Zuilicbem. De 
tol, te Zuilicbem gebeven, beeft ook toebeboord aan Gerard 
van Loo, beer van Herlaer, 1 309 ; aan Reynald, graaf van 
Gelre, aan Pelgrim beer van Voorne, aan bet geslacbt van 
Herlaer 1455, aan bet geslacbt van Piek van Half-Asperen, 
aan Steffen van Rossum enz. 

De tolburg is waarscbijnlijk gestiebt door de Romeinen 
zoodat de paalfundeeringen bijna 2000 jaren oud zullen zijn. 

Tevens diene, om misvatting te voorkomen, dat de door 
u genoemde Cbristiaan Huygens niet was de groote wis- 
kunstenaar, die in 1695 ongebuwd stierf, want diens oudste 
(eerste) broeder Constanten, was fleer van Zuilicbem, maar 
bun grootvader, ook Heer, was de door u genoemde Cbristiaan 



( 292 ) 

lluygens, zoon van Kornelis Huygens en Geertje Bak, eenc 
Brabantsche familie". 

De conservator aan het R^ks-Museum van Oudheden 
Dr. R. Jesse ging de zaak persoonlijk onderzoeken, hg werd 
beleefd door den heer Pool ontvangen. 

Laatstgenoemde heer maakte eene grondteekening, deed 
later op mijn verzoek 2 palen uit den grond halen, en 
zond die aan het Rgksmuseum ten geschenke. 

Vervolgens liet ik door den photograaf van het Rijks- 
museum D. Weyers de noodige photographieën vervaardigen. 

Uit bovenstaande berichten kan men opmaken dat men 
eerst meende de fundeering van een gebouw gevonden te 
hebben, en later op de gedachte is gekomen, dat men met 
eene overbrugging van de Waal had te doen. 

Het paalwerk, dat men gevonden had, ligt op de Uiter- 
waard van de Bommelerwaard, ten zuiden van de Waal en 
bestaat uit 4 rijen palen, twee aan twee tegenoverelkaar 
staande en naar elkander toehellend onder een hoek van 
60° en 70°. Een gezicht op deze palenrijeu doet denken aan 
de overblijfselen van eene menigte reusachtige schragen 
waaraan de bovenleggers ontbreken. Thans zgn er nog 20 
over, die allen ongeveer drie à vier nieter van elkander 
staan. 

De afstand tusschen de buitenste palen is 5 à 6 meter. 
Gaat men den plattegrond na, dan ontdekt men een ge- 
deelte van 4 bokken of schragen, die uit 8 palen bestaan. 
De samenstelling van het bouwwerk verandert daardoor 
weinig, omdat het bovenvlak, dat door deze schragen gedra- 
gen werd, uit een liggend paalwerk was samengesteld, 

Hoe breed het bovenvlak geweest is, weten wg niet, ik 
gis van iets meer dan 3 meter. De palen zijn nu nog 
3.40 M. lang en zijn afgerot tot op de hoogte van de 
thans uitgediepte of afgegraven Uiterwaard; veel hoogerzal 
de brug dus wel niet geweest zijn, daar de rivieren in ouden 
tijd verder vervloeiden dan thans, en de waarden hooger 
zijn geworden door overstroomingen. 

Men neemt aan, en terecht, dat de Romeinen de eerste 
dgkenaanleggers waren in ons land. Ik spreek van ouden 



( 293 ) 

tyd en van Romeinen omdat het bouwwerk met geen enkel 
middeleeuwsch werk overeenkomt. 

De middeleeawsche bruggen werden gebouwd naar het 
model der Romeinsche en sommige Romeinsche bestaan nog, 
zooals de brug over de Moezel bg Goblenz of in overblijf- 
selen zooals van de bruggen by Mainz en Keulen ^). Zie 
Plaat I. 

Deze bruggen kennen wg in kaar samenstel door de ont* 
dekkingen op beide plaatsen. Zij waren geslagen over stee* 
nen pglers, die op een paalwerk rustten, de palen waren 
aan 4 kanten toegespitst^ en de punten waren met ijzer 
beslagen; de palen waren circa 26 cM. dik. Op medailles, 
ter herinnering aan merkwaardige gebeurtenissen, vinden wij 
de bruggen van Mainz en over den Donau. Ook schip- 
bruggen worden beschreven, een ziet men er op de kolom 
van Trajanus afgebeeld ^). 

Men kan zeggen dat de Romeinen de voornaamste brug- 
genbouwers zijn geweest, maar het bij Zuilichem gevonden 
bouwwerk komt in geen enkel opzicht overeen met de hier- 
boven genoemde. 

Doch in het vierde boek, hoofdstuk XVII, over den 
Gallischen oorlog, wordt eene brug door Caesar beschreven. 

De beschrgving dezer brug van Ceasar moge niet duide- 
lijk zijn, het verdient opmerking dat de teekening door 
Tho. Bentley 3) ontworpen, 1742, zie PI. II (a) geheel en 
al overeenkomt met hetgeen door den heer Pool gevonden 
werd. Ik noem opzettelyk de teekening van Bentley daar 
die beter weergeeft wat nu is gevonden, dan die van Napo- 
leon III *) vermoedelijk naar Bentley ontworpen, zie PI. 
II (6) en die van Cohausen ^J zie PL II (c) die ook door 
Bentley geïnspireerd schijnt ie zijn. 



1; Jahrbücher des Vereins. Boim 1870. XCVIII, PI. X. 

2) Die Rheinübergäiige der Romer bei Maiiiz, von Prof. Dr J. Becker. 

3) Caii Julii Caesaris do Bello Gallico et Civili.... Coramentarii.... Tho. 
Bentleius .... Londiui MDCCXLJI, Lib: IV. Cap: XVII, pag. 83. 

*) Histoire de Jules César, Atlas. PI. XV. 

•) Jahrbüclier, Bonn LXXXII, Taf. II, pag. ;iO. 



( 294 ) 

Cohausen toch vond bij Neuwied de ingestorte Romein- 
sehe brug, reeds op Caesar's bevel na den krgg afgebro- 
ken, en maakte zyne constructie naar aanleiding van het 
opgebaggerde. Al de bovengenoemde schrgvers hebben dus 
naar Caesar's tekst eene brug samengesteld zooals zij zou 
kunnen zgn. Nu is het samentreffen van die beschrijving 
en de vondst van Zuilichem zoo, dat ik zonder aarzelen 
durf beweren, dat de brug van Zuilichem eene Romeiusche 
brug is, als de door Caesar beschrevene ; hier komt bij dat 
bij Zuilichem op een bouwland genaamd »den berg" een 
menigte potten, Romeinsch vaatwerk, gevonden is ^) en dat 
de uitdrukkingen van den tekst bij Caesar in de deelen van 
het gevondene bouwwerk eene juiste verklaring vinden. 
Zie PI. III, IV, V. 

»Tigna bina sesquipedalia, pauUum ab imo prseacuta, 
dimensa ad altitudinem fluminis, intervallo pedum duorum 
inter se jungebat. Hsec quum machinationibus immissa in 
flumen defixerat, fistucisque adegerat, non sublicas modo 
directa ad perpendiculum, sed prona ac fastigata, ut secun- 
dum naturam fluminis procumberent (B) ; iis item contraria 
II ad eumdem modum juncta, intervallo pedum quadrage- 
num ab inferiore parte contra vira atque impetum fluminis 
conversa statuebat (C): haec utraque insuper bipedalibus tra- 
bibus immissis, quantum eorum tignorum juuctura distabat, 
bit?is utrimque fibulis ab extrema parte distinebantur : qui- 
bus disclusis, atque in contrariam partem revinctis, tanta 
erat operis firmitudo, atque ea rerum natura, ut, quo major 
vis aquae se incitavisset, hoc arctius illigata tcnerentur. 
HaBC directa materie injecta contexebantur, et loDguriis cra- 
tibusque consternebantur : ac nihilo secius (D) sublicae et ad 
inferiorem partem fluminis oblique agebantur, quae pro pa- 
riete subjectae et cum omni opère conjunciae, vim fluminis 
exciperent (E) ; et aliae item supra pontem mediocri spatio : 
ut si arborum trunci sive naves, dejiciendi operis, essent a 
barbaris missae, his defensoribus earum rerum vis minuere- 
tur, neu ponti nocerent.". 



tl 



^) Gelderscbe Volksalmanak van 1870, pag. 06 — 74. 






J 



I 



i: 



r 



W. PLEIJTE. Over de oude brug te Zuilichem. PL. IV. 



Oude brug te Zuilichem. 

richiä^ <_ Schaal 1:300. 



J^ 'V/i.. 



i 



W. PLEUTE. Over de onde hrag te Znilicliem. 



Versl. eu Meded. Afd. Letterk. 3« E. Dl. XII. 



W. PLEIJTE. Over de oude bmg te Zoilichem. 



I Meded. Afd. Letterk. 3« E. Dl. XII. 



( 295 ) 

>De brug over den Rijn was aldus samengesteld. Twee 
boomslammen, A, van IV3 voet, dikte aan het ondereinde 
bijgepunt, de lengte evenredig aan de diepte van de rivier 
werden aan elkaar vereenigd, twee voet van elkander, door 
verschillende dwarsbalkjes, daarna in de rivier geplaatst en 
met heiblokken in den bodem geslagen, niet rechtop maar 
hellende met den stroom, B; daartegenover 40 voet verder 
plaatste men een ander paar op dezelfde w^'ze aan elkaar 
verbonden, in tegenovergestelde hellende richting dus tegen 
den stroom. 

In de tusschenruimte tusschen de twee koppels, C, legde 
men een grooten balk van 2 voet dikte met twee klampen, 
aan weerszoden verbonden aan de uiteinden. Toen deze 
deelen opgesloten waren en verbonden, was de sterkte van 
het werk zoodanig, dat hoe heviger de stroom van het 
water werd, ze des te nauwer aan elkaar sloten. 

Deze (jukken) werden overdekt met platen en horden van 
gevlochten teenen. 

Aan de zijden der rivier werden balken schuin tegen de 
brug geplaatst en als stutpalen, D, er tegenaan gezet, vast- 
gemaakt aan de brugj ukken om de kracht van het water 
te breken. 

Nog sloeg hy andere palen in de rivier aan de bovenzijde 
van de brug. E, op niet al te grooten afstand, ten einde, 
wanneer boomstammen of schepen door den vijand werden 
aangevoerd, om de brug te beschadigen, door deze schut- 
palen het aandraven af te weren opdat de brug geen schade 
zou bekomen." 

Op de teekening nu, naar deze beschrijving ontworpen 
en op de photographie naar de natuur genomen, onderscheidt 
men al de eigenaardige bijzonderheden van dit bouwwerk. 

1^. de schuine palen 2 aan 2 verbonden, 

2°. de schutbalken die schuin tegen de jukken werden 
geplaatst. 

Het spreekt vanzelf dat de bovenleggers, de dwarsbalkjes 
die de palen verbonden en het overige van de constructie 
verdwenen zijn, doch het meest kenmerkende is bewaard 
gebleven, en zelfs nog iets meer dan dut, daar uit den 

Y1SR6L. SJN MED. AFD. LETTBRK. 3^6 SEEKS DEEL XIL 20 



( 296 ) 

plattegrond bl^kt, dat men tweeërlei manier heeft gehad, 
om de koppelspalen te plaatsen. 

Volgens dü beschrijving van Caesar werd dit werk bg 
Bonn in den tijd van 10 dagen vervaardigd, elders wordt 
vermeld dat eene dergelijke brug zeer snel werd gelegd. 

De brug van Caesar vermoedt men dat op de punt van 
het eilandje bij Neuwied heeft gelegen (zie PI. VI), daar 
vond men dergelijk paalwerk in de rivier. Hetzelfde vinden 
wij hier (zie PI. VIT) : tegenover de brug ligt in de Waal 
ook zulk een eilandje en het is volkomen verklaarbaar dat 
men een punt als dit heeft uitgekozen als steunpunt voor het 
midden der brug. W^, die weten hoe het met den water- 
stand der rivieren in ons land gesteld is, en welke vernie^ 
lingen, aan de hoofden voor de stoombooten, door ijsgang 
worden aangericht, wij begrijpen dat een dergelgk bouwwerk 
spoedig moet vernield zijn, en dat alleen het onderste ge- 
deelte in de uiterwaard kon bewaard blijven. 

De brug van Zuilichem sluit aan geen bestaande wegen, 
(tenzg aan den Meidijk die op Heusden uitloopt) daarom is 
het moeielijk te zeggen waarom zij juist daar is gebouwd. 

Tot in lateren tijd, zoo als ik heb medegedeeld, werd er 
een tol geheven op die plaats en de beeren van Zuilichem 
zijn de levende getuigen van hare beteekenis ook in ouden tijd. 

Uit de overgangsbrieven van de burcht Zuilichem, thans 
in 't bezit van den heer van Eyck van Zuilichem, blijkt, 
dat het kasteel en de tol meermalen van bezitter zijn ver- 
anderd, en dat er hoegenaamd geen grond voor bestaat om 
deze bezitting tot de Italiaansche familie Colonna op te 
voeren. Doch iets anders is het, in onze oude geschiedenis 
na te sporen of dit punt van Romeinsche vestiging ook 
ergens in de geschiedenis vermeld is. Slechts eenmaal komt 
eene gebeurtenis voor, uit den Romeinschen tijd in betrek- 
king tot eene brug en wel na de overwinning van Cerealis. 
Civilis had zich teruggetrokken en verzocht eene samenspraak 
met den Romeinschen krijgsoverste. 

Tacitus ^) zegt : 



M Tacitus, Hist. V 25. 



( 297 ) 

>Petito colloquio scinditur Nabaliae flumiais pons.*' 

»Nadat hij eene samenspraak verzocht had werd de brug 
van de rivier Nabalia afgebroken" ; op de hoofden van die 
brug had de samenspraak plaats. 

Zou deze brug de gevondene kunnen zijn ? 

De stryd had plaats aan de Waal ; Vada, Grinnes, Ros- 
suni, Batavodurum, zijn het terrein van den krijg, alle plaat- 
sen aan de Waal gelegen. 

Meen niet, dat ik U vermoeien zal met het min of meer 
waarschijnlijke der plaatsbepalingen, het zou mij ^an mijn 
onderwerp afvoeren, en ik kan hierbij verwijzen naar de 
inleiding mijner Xederlandsche oudheden. 

Leemans heeft het zijne gedaan om Grinnes en Rossum 
eene plaats in de geschiedenis aan te wijzen; ver van die 
plaats kan de Nabalia niet gelegen hebben, zoo de Nabalia 
en de Vahalis of Waal twee verschillende rivieren zijn. 
Wil men met Lipsius en vele anderen ze voor dezelfde 
rivier houden, dan is de oplossing van dit vraagstuk al zeer 
eenvoudig. 

Cerealis en Civilis waren met hunne legers daar in de 
buurt en de brug van de Nabalia is dan eene oude brug 
van Caesar, zooals hij er een bij Neuwied over den Rijn 
had geslagen. Caesar's verni elingskrijg tegen de Germanen 
aan den Rijn eindigde op eene plaats in de buurt van de 
vereeniging van Maas en Rijn. 

In onze jeugd waren van de oude bruggen door de Ro- 
meinen gelegd alleen die van Maastricht en Cob lenz over : 
na het verval der overige bruggen kwamen overal schip- 
bruggen in de plaats, eveneens eene uitvinding der Romei- 
nen, men kan dus aannemen dat de brug van Civilis, door 
Tacitus vermeld, een bekend vast punt is geweest. 

Zoo is dan de brug van Civilis een oude brug van Caesar, 
de pons Nabaliae, de brug van Zuilichem, en de Nabalia 
de Vahalis of Waal: NABALIA = VAIIALIS. 



20* 



GEWONE VERGADERING 

DEE AFDEELTNG 

TAAL-, LETTER-, GESCHIEDKUNDIGE EN WLTSGEEllIGE 

WETENSCHAPPEN, 

GEHOUDEN DEN »den MEI 1896. 



Teg enwoordig de beeren : kern, Voorzitter, boot, ma.tthes, 

DE VEIES, SIX, VAN BONEVAL FAUEB, NABER, VAN DER WIJCK, 
DE GOEJB, VAN HERWEBDEN, ASSER, PLEYTE, TIELE, VAN DK 
SANDE BAKHUYZEN, N. G. PIERSON, S. MULLER FZN., FOCKBMA. 
ANDREAE, DE HARTOG, P. L. MULLEK, SPEIJER, HAMAKER, HOUTSMA, 
VAN LEEUWEN, VALETON, POLAK, SILLEM, KLUYVER, BLOK, DK 
GROOT, HOLWERDA, VAN DER LITH, KARSTEN, VAN HELTEN, DE 
BKAUFORT, GROENEVELDT, KOSTERS, DE SAVORNIN LOHMAN en 

SPRUYT, Secretaris. 



De beeren Land en Chantepie de la Saussaye hebben be- 
ricbt gezonden dat zij verbinderd zijn de vergadering bij 
te wonen. 



Nadat mededeeling gedaan is van eene missive van Zijne 
Excellentie den Minister van Binnenlandscbe Zaken, inhou- 
dende bericht van de koninklijke bekrachtiging der benoe- 
ming van de beeren Kern en Naber tot voorzitter en onder- 
voorzitter; van de beeren Mr. W. H. de Beaufort te Leus- 
den, W. P. Groeneve'.dt ie 's üravenbage. Prof Dr. W. IL 
Kosters te Leiden en Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lobman 



( 299 ) 

te Amsterdam tot gewone leden, en van de beeren G. 
McCall Theal te Kaapstad en Auguste Barth te Pargs tot 
buitenlandsche leden der Afdeeling, worden de vier nieuw 
benoemde gewone leden door den Secretaris binnengeleid en 
door den Voorzitter verwelkomd. 



Het Proces- Verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en goedgekeurd. 



Ingekomen is behalve de beide hierboven genoemde mi- 
nisteriëele missiven een schrijven van den heer Giovanni 
Pascoli te Bologna, verlof gevende tot opening van het 
naambriefje van het loffelijk vermeld gedicht Castanca, 
waarvan de heer Pascoli de schrijver blijkt te zijn. 



De Voorzitter deelt mede dat hij bericht ontvangen heeft 
van het overlijden van den correspondent K. F. Holle te 
Garoet. Hij w^st er op dat het ontstaan der Sundaneesche 
letterkunde aan Holle te danken is, en evenzoo de hoogte, 
die de studie der Sundaneesche taal tegenwoordig bereikt 
heeft. Hij schetst den overledene verder als een waar vriend 
van den inlander en eindigt met den wensch uit te spreken 
dat het onzen koloniën nooit zal ontbreken aan mannen 
als Holle. 



Daarna geeft de heer Van Leeuwen zgne aangekondigde 
bgdrage over de strekking en samenstelling der Kikvorschen 
van Aristophanes. Na het eerste tgdvak van den pelopo- 
nesischen oorlog werd Aristophanes, die zich teleurgesteld 
zag in zigne verwachtingen voor zijn vaderland, meer en 
meer afkeerig van de staatkunde, en begon hy zgn reac- 
tionaire critiek tot het gebied der letterkunde te beperken. 
De dood van Euripides in 406 bood hem het onderwerp 



( 300 ) 

aan voor een nieuw stuk, waarin hy Euripides en Aeschylus, 
als vertegenwoordigers van jong- en oud- Athene, tegenover 
elkaar laat optreden in het doodenrijk. Terw^I h^ aan het 
uitwerken van dat blijspel was, stierf ook Sophocles, en 
diens dood noopte den dichter in den aanleg van het stuk, 
de Kikvorschen, belangryke wgzigingen te brengen. Van- 
daar dat de samenhang hier en daar te wenschen overlaat ; 
de meening dat het stuk na de eerste opvoering zou zgn 
omgewerkt is te verwerpen. Alleen voegde de dichter daarna 
enkele regels in (vs. 1109 — 1118), in antwoord op de door 
het publiek gemaakte opmerking dat het stuk wel wat al 
te »geleerd" was. Aan het slot z^n eenige verzen inge- 
drongen, die daar blijkbaar niet behooren, maar wier oor- 
sprong twgfelachtig is. 

Spreker toont daarna aan dat het denkbeeld om de 
schimmen van afgestorvenen in een blgspel te laten optre- 
den niet nieuw was en dat de zotte rol, die Dionysus in de 
Kikvorschen vervult, de toeschouwers niet kan hebben ge- 
ërgerd. De grillige titel, aan een onbeteekenend tooneel van 
het stuk ontleend, is gekozen om de nieuwsgierigheid van 
het publiek te prikkelen. Het koor bestaat uit de schim- 
men van ingewijden, die op het tooneel een nabootsing 
geven van de jaarlijksche feesten ter gelegenheid van de 
Eleusinische mysteriën-viering, die door den krygstoestand 
thans in Attica zelf onmogelijk zijn geworden. 

Zoo zoekt de dichter, die de illusies der jeugd heeft ver- 
loren, in dit zijn laatste meesterstuk bij de dooden hetgeen 
de aarde hem niet meer opleverde. In Euripides besti^ijdt 
hij op hartstochtelijken ioon den apostel van den nieuweren 
tijd, van wien slechts onheil is te wachten. Dat de comicus, 
ondanks zijn sombere verwachtingen voor de toekomst, een 
zoo vroolijk stuk heeft kunnen schrijven, verdient onze be- 
wondering. 

De Voorzitter brengt den spreker den dank der vergade- 
ring en vraagt hem of hij ziyne bigdrage voor de Verslagen 
en Mededeelingen wil afstaan. De spreker verklaart zich 
daartoe bereid. 

De heer Van Herwerden is zeer ingenomen met de bg- 



(301 ) 

cirage eu lieeffc daarin alleen de veriu3ldlng der Lymtrata 
gemist. De heer Polak is o >k hoogst voldaan, maar zoui 
toch niet durven zeggen dat de plotselinge overgang van de 
arlekinade, die het begin vormt, tot den wedstrijd der dichters 
in het tweede deel door Sprekers hypothese geheel verklaard 
wordt, en stelt daarenboven eenige vragen. De heer Naber 
is ook dankbaar, maar zou in dezen iets minder conservatief 
zijn dan Spreker. Hij wijst op de zwakheid der compositie 
in al de stukken van Aristophanes, en in 't bijzonder op de 
tegenstrijdigheid der voorstelling van Dionysus in het eerste 
en het tweede deel der Ranae. Zouden niet big de herhaalde 
opvoeringen van het stuk in latere jaren wijzigingen noodig 
gevonden zijn, omdat zekere toespelingen op tgdsomstandig- 
heden voor het publiek niet meer duidelijk waren, evenals 
bij eventueele latere vertooningen van den Doofpot wel Foezel 
blgven zou, maar vele aardigheden zouden moeten wegval- 
len ? Zouden de Kikvorschen in haar tegenwoordige redactie 
wellicht ontstaan zijn door het by de omwerking wegvallen 
van een middengedeelte, dat den overgang van begin en slot 
meer geleidelijk maakte ? 

De Spreker beantwoordt kortelgk de vragen en bedenkin- 
gen van de beeren Van Herwerden en Polak. Het ge- 
voelen van den heer Naber over de comedies van Aristo- 
phanes, vroeger ten deele in de Akademie voorgedragen, 
was hem natuurlijk bekend en is door hem in aanmerking 
genomen. Wat de vergelyking met den i>oo//>oi betreft, die 
hem nieuw was, zoo moet hij belijden dat zij hem de zaak 
niet helderder maakt. Een belangrijk punt van overeen- 
stemming is dat de heer Naber niet aanneemt dat Aristo- 
phanes zelf een werk, dat goed was, verknoeid zou hebben. 
Bg de Nubes zijn de sporen van een omwerking duidelgk; 
bij de Ranae zgn zg niet te vinden. 



De Voorzitter sluit hierop, na vernieuwde dankbetuiging 
aan den spreker, de discussie en, na rondvraag, de vergadering. 



OVER DE STREKKING EN SAMENSTELLING DER 
KIKVORSCHEN VAN ARISTOPHANES. 

DOOR 

J. VAN LEEUWEN Jr. 



-5— <o>-^ 



Ilet wezen der coraoedie van Aristophanee bestaat in spot, 
afkeuren, vrymoedig beoordeelen van het leven van den dag, 
het veelbewogen leven der Atheners in het t^dvak van den 
Peloponnesischen kryg. In twee hoofdrichtingen uit zich 
die spot, namel^k op het gebied der staatkunde en op dat 
der letteren, steeds in streng behoudenden zin. Krachtig 
spreekt daaruit de onverdraagzaamheid van het genie, een 
geniale beperktheid van gezichtskring; krachtig uit zich 
daarin een geniaal optimisme, een kinderlijk verlrouwen in 
de macht van het woord en de uitwerking van een ronden 
dichtervloek. 

Beide hoofdtrekken van het talent des dichters spreken 
reeds duidelijk in het eerste stuk dat volledig van hem is 
bewaard gebleven, de A charniers, opgevoerd in het zesde 
jaar van den Peloponnesischen kryg. Van de oorlogspartij, 
de Lakonenhaters, wordt een voortrefiFelijk karikatuur gege- 
ven in de persoon van. den ruwen houwdegen Lamachus; 
en met even groot vernuft en kunstvaardigheid wordt de 
dichter Euripides bespottelyk gemaakt in een — voor den 
gang van het stuk overbodig — tusschentooneel. »Laat 
ons vrede maken" is de eigenlijke strekking van het drama, 
waarin de zegeningen des vredes en de ellenden des oorlogs 
ons zoo tastbaar mogelijk op komische w^ze worden ver- 



( âÔ3 ) 

töond; de dichter twijfelde niet of hij kon door dergeligke 
voorstellingen ten krachtigste medewerken om den broeder- 
krijg tusschen Grieken en Grieken te doen eindigen. 

Naarmate de dichter ouder werd en de loop der gebeur- 
tenissen minder beantwoordde aan hetgeen hg eenmaal had 
gedroomd en gehoopt, volgde op de vrijmoedige voortva- 
rendheid en het optimisme der jeugd gaandeweg de ontgoo- 
cheling, die niet kan uitblgven waar een fijn besnaarde 
dichterziel in voortdurende aanraking komt met de ruwe 
werkelijkheid. Zijn tooneelstuk de Vrede, opgevoerd enkele 
dagen voordat de vrede van Nicias werd bekrachtigd, strekte 
tot verheerlyking van zgn, werkelykheid geworden, schoonen 
droom, waarin de zwaarden tot sikkels zouden worden ver- 
smeed, de speren tot staketsels in den wijngaard zouden 
dienen en de krijgsklaroenen tot weegschalen zouden worden 
vervormd om den nieuwgewonnen weligen oogst van Attica's 
landouwen af te wegen ; — en tevens strekte dat stuk in 
zgn eigen schatting tot verheerlijking van den dichter zelf, 
die dat alles had helpen verwezenlyken, en door zgn schimp- 
scheuten er zooveel toe had b^gedragen om den landzaat 
tot bezinning te doen komen. Maar toen die vrede, waarop 
zoo lang en zoo vurig was gehoopt, reeds na enkele maan- 
den bleek louter schijn en misleiding te zijn ; toen de voor- 
waarden schoorvoetend of in het geheel niet werden nage- 
komen, en al spoedig nieuwe vijandelijkheden volgden, begon 
de dichter te twijfelen aan zyn roeping als vredestichter, 
aan de macht van den narrestaf om den norschen oorlogsgod 
te bezweren, — en meer en meer hooren wy aan den klank 
zgner stem, hoe de onverbeterlijke spotter eigenlijk lacht om 
niet te weenen over hetgeen tot wanhoop zou dryven als 
het niet zoo potsierlijk en onzinnig was. Eertijds had hg 
de in zijn oog zoo door en door zotte sophisten en wijs- 
geeren naar het rijk der wolken verwezen, — thans weet 
hg ook voor zgn meest optimistisch gezinde Euelpidessen 
geen woonplaats meer te vinden in het verdwaasde ilellas, 
maar zendt hen naar datzelfde nevelrijk der lucht, om er 
een plekje te zoeken waar men voortaan in rust en vrede 
zal kunnen leven. Wat een lange weg, — laat ons gerust 



( âôi ) 

Äcggen, al geldt het hier den grappigsten der dichters, wat 
een lange lijdensweg — ligt er tusschen het opgewekt- prac- 
tisch pleidooi van Dicaeopolis in de Acharniërs, die alle 
»vechtersbazen" wel aandurft, en het schijnbaar zoo lucht- 
hartig opgezette en zoo uitgelaten vrooligk geschreven Vogel- 
drania, — des dichters protest tegen den kortelings onder- 
nomen tocht naar Sicilië. 

Met des dichters zelfvertrouwen verminderde uit den aard 
der zaak zijn lust om groote politieke satiren te schreven. 
Meer nog ongetwijfeld dan in de veranderde tijdsomstandig- 
lieden, hebben wij in de veranderde gemoedsstemming van 
Aristophanes de verklaring te zoeken van het feit, dat de 
staatkunde in zgn stukken gaandeweg op den achtergrond 
treedt. De Thesmophoriazusae zijn zelfs aan alle staatkunde, 
ja aan alle werkelijkheid vreemd : een vermakelijk sprookje, 
een koddige karikatuur van Euripides en diens zoogenaamden 
vrouwenhaat ^). 

Euripides ! In dezen dichter der ochlocratie (zooals Bern- 
hardy hem heeft genoemd) belichaamde zich meer en meer 
voor Aristophanes de nieuwere tijd, van wien hij nooit heeft 
willen weten. Sints de Cleon's en consorten des dichters 
belangstelling minder gaande maken, en z^n ontgoocheld 
gemoed zich zooveel mogelijk onttrekt aan de politiek van 
den dag, die Athene zoolang hij leeft nog zoo weinig heil 
heeft aangebracht, begint hy scherper toe te zien op letter- 
kundig gebied, — zijn gebied bij uitnemendheid ; want laat 
ons toch nooit vergeten dat die potsenmaker met zgn ruwe 
grappen, die vaak met een zotskap en rinkelbellen rondloopt, 
een fijn aangelegd dichter is. Wat eertyds bijzaak voor 
hem was geweest in zijn kunst, begint meer en meer hoofd- 



1) Men hoede zich voor de onjuiste meening als zou Euripides hetzij 
inderdaad hetzij volgens de opvatting van Aristophanes een vrouwen- 
hater zijn geweest. Gelijk ik het indertijd in mijn dissertatie De Aris^ 
tophane Euripidis cemm^e (1870) uitdrukte: »Euripides, ab Aristopliane 
multisquè aliis osor raulierum dictus, contra favisse et jiatrocinatus esse 
femineo sexui dicendus est". In gelijken geest laat nu ook von Wilamo- 
witz zich uit Herakles^ (1889) p. 10: *Es muss geradezu gesagt werden 
dass Euripides das weib und die durch das verhältniss der geschlechter 
entstehenden sittlichen conüicte für die poésie entdeckt hat." 



( -305 ) 

zaak te worden. Den nieuweren tijd, dien hij op het gebied 
der feiten te vergeefs heeft bekampt in de dagen van zgn 
jeugd, gaat hij nu bestreden op het gebied van den geest. 
In de Acharniërs had Euripides de stof geleverd voor een 
allergeestigst intermezzo, in de Thesmophoriazusae is hij het 
onderwerp zelf. 

Grappiger — ik moet er ongelukkig byvoegen, en ob- 
scoener — stuk dan de Thesmophoriazusae heeft Aristo- 
phanes niet geschreven. 

Of het eenigen invloed heeft gehad op Euripides' plannen? 
Of deze, geërgerd over de aardigheden, die de comici — 
want Aristophanes stond niet alleen — zich aan zijn adres 
veroorloofden, genoeg kreeg van Athene, dat hem en zijn 
kunst nooit op rechten prijs had gesteld, dan wel of alleen 
de jammerlijke toestand van z^jn vaderland alsmede de min- 
nelijke drang van Archelaus hem hebben genoopt de stad 
te verlaten — zooveel is zeker dat de tragicus in 408 of 
kort daarna ^) naar Macedonië trok. Ook z^n jongere kunst-^ 
broeder Agathon, die insgelyks in de Thesmophoriazusae 
jnenige veer had moeten laten, ging naar dien halfbarbaar- 
schen hofkring in het verre noorden, die destijds verschei- 
dene van Griekenlands eerste lichten tot zich trok. 

Niet lang heeft de zeventigjarige dichter daar in den 
vreemde de rust en onderscheiding, die zijn medeburgers 
hem niet hadden gegund, mogen genieten. Reeds in het 
begin van 40G kwam te Athene de tijding: »Euripides is 
niet meer". Hij was verzameld tot zijn vaderen, en zgn 
stof rustte nu in den vreemde, evenals dat van zijn grooten 
voorganger, den op Sicilië gestorven Aeschylus. 

»Euripides en Aeschylus beide in de onderwereld". Het 
onderwerp voor het eerstvolgende stuk van Aristophanes 
was gevonden. Daar stonden zy dus nu tegenover elkander 
in het rijk van Hades, de vertegenwoordigers van oud* en 
van jong- Athene, een der strijders van Marathon, die Athene 
gered en groot gemaakt hadden in de gulden dagen van 
Miltiades en Cimon, en een van die praatzieke sophisten, 



^) Na de opvoering vau zijn Orestes, begin v. 408. 



( 306 

die den staat op den rand van den afgrond hadden ge- 
bracht, waarin hij morgen kon worden verzwolgen i). 

Dwaas zou het zyn den comicus hard te vallen dat hy 
den dooden Euripides niet spaarde. De dichters leven in 
hun werken, en de populariteit van den tragicus was — 
al mag Aristophanes Aeschylus in ons stuk ^) het tegendeel 
laten beweren — eerst recht aan het toenemen. Niet van 
ju^'st inzicht getuigen dus, naar het mg voorkomt, de 
woorden van Blaydes prol. p. XIV: »recens mors Euripidis 
ansam commodam nostro praebuit iram odiumque suum 
in tragoedum istum exercendi, qua plus quam viginti annos 
eum insectatus erat.... Quod eo magis mirum videri potest 
quod in Pacis v. 648 multo lenius eum de Cleone iam mortuo, 
cui maximopere inimicus fuerat, loquentem reperimus" ^). 
Want vooreerst is het niet waar dat hg Cleon na diens 
dood heeft gespaard; hij heeft hem integendeel in den Vrede 
eerst recht smadelgk besproken, terwigl ook ter aangehaalde 
plaatse geen zachtzinniger oordeel over hem wordt geuit, 
maar alleen gezegd wordt: »Zwijg van hem, wij zgn nu 
van hem af". En ten tweede eindigt staatkundige vgand- 
schap uit den aard der zaak met den dood van den aan- 
gevallene, althans het publiek zou er zgn aandacht niet 
meer bij willen bepalen, terwijl de invloed des dichters, ik 
zeide het reeds, na zijn dood nog onverminderd voortduurt. 

Zoo toog dan Aristophanes aan het werk en schreef zijn 
dichterkamp. met de tot in kleinigheden afdalende zorg en 
de rgpe kennis van den meer gevorderden leeftijd. Strekking, 
inhoud, vorm der tragedies van Aeschylus en Euripides, 
toonzetting en instrumenteering en dansbegeleiding, het kleine 
en het groote, niets werd door hem overgeslagen, terwijl 
hg aan den kweekeling van Demeter tegenover den vereer- 



1) Hoe weinig de dichter voor ziju vaderland nog van de toekomst 
hoopte, blijkt vs. 735 — 737. /'Volgt mijn raad", zegt het koor; «'mocht 
jrhet ons daarna meeloopen, des te beter; maar is het lot ons ongunstig, 
»a&n zullen wij althans op een fatsoenlijke manier naar den kelder gaan". 

-) Vs. 869. 

^) Vrijwel hetzelfde zegt Koek Einleitung § 19. 



( 307 ) 

der van Aether en Suada het woord gaf, en den modernen 
treurspeldichter langzaam afmaakte met het speelsch wreed- 
aardig genoegen der kat die met een muis speelt. 

Docb terwijl het stuk in wording was, werd weder een 
der grooten onder de grooten weggenomen. De hoogbejaarde 
Sophocles, die nog in 409 zijn Philoctetes had gegeven en 
ook daarna aan de Muzen was trouw gebleven, die na den 
dood van Euripides openlijk over zgn kunstbroeder had 
rouw gedragen met z^n tooneelspelers ^), werd tegen het 
einde van het jaar 406 door den dood getroffen . Natuurlijk 
kon die gebeurtenis niet zonder invloed blijven op het aan- 
staande stuk van Aristophanes ^). Van Sophocles zwijgen in 
een blyspel dat de gestorven tragediedichters tot onderwerp 
had, zou nu ongerymd zgn geweest. Zoo heeft Aristophanes 
dan zoo goed en zoo kwaad als het ging ook van hem 
eenige melding gemaakt, en met groot talent gezorgd dat 
de toeschouwers zich niet behoefden te ergeren dat aan 
Sophocles geen rol was toebedeeld en zijn naam slechts 
enkele malen werd genoemd. Maar tevens gaf de dood van 
Sophocles hem aanleiding om in het plan zelf van het drama 
eenige w^ziging te brengen. Een wedstrijd over den voorrang 
in het rijk van Pluto was het aanvankelijk; Aesclijlus, die 
daar zoolang als de eerste had gegolden, evenals eertijds 
onder de levenden, zag zich door Euripides die eereplaats 
betwisten. Maar thans, nu door Sophocles' dood de tragedie 
beroofd was van haar laatste sieraad, en de feesten van 
Dionysus dus voortaan de stukken van waarlgk groote 
dichters zouden moeten derven, drong zich een nieuw motief 
aan den comicus op; zoo ontstond de vermakelijke, met den 
vroolijksten humor geschreven aanloop: de reis van Dlonysua 
naar de onderwereld, om daar te gaan zoeken wat de aarde 
niet langer opleverde: een bekwaam tragicus. Dat nieuwe 
denkbeeld bleek alras zóó vruchtbaar, dat ten slotte de tocjit 

*; Zie den Btoç EvpiTrthv. In Maart 40ß derhalve. 

2) Deze opvatting is sints lang de mijne; reeds achter mijn dissertatie 
(1876) heb ik een daarop doelende thesis geplaatst. ïot hetzelfde inzicht 
is von Wilainowitz Möllendorff gekomen, zie zijn uitgave van den Hera- 
kles van Euripides ^ p> 2 sq. (1889), 



( 308 ) 

van den als Heracles verkleeden wijngod ruim de lielft van 
het stuk vulde. Zeer handig heeft nu de dichter die twee 
eigenlijk tegenstrijdige gegevens: 1^. »wie zal de eerste zijn 
in de onderwereld?" en 2^. »wie zal als de grootste dichter 
naar het daglicht worden teruggebracht?" met elkander 
versmolten, zoodat een niet al te kritisch gestemde lezer, 
— laat staan dan de toehoorders bij de eerste opvoering, — 
van die innerlijke tegenstrijdigheid niets bemerkt. Toch 
niet zóó volledig of de sporen zijn hier en daar bemerk- 
baar, en de logica vindt meer dan eens aanleiding om een 
vraagteeken te zetten. Maar alles te zaam genomen, zijn 
de Kikvorschen, zooals de naam van het nieuwe stuk luidt, 
toch nog veel beter in elkaar gezet dan de meeste komedies 
uit den vroegeren leeftijd des dichters, en de pogingen die 
men heeft beproefd om twee bewerkingen aan te wijzen, 
acht ik volkomen mislukt en misplaatst. 

Die pogingen plegen uit te gaan van de aanteekening 
in de hypothesis: »volgens Dicaearchus beviel het stuk 
wegens zyn parabasis zóó goed dat het tweemaal is op- 
gevoerd". Hoe Dicaearchus, do leerling van Aristoteles, 
aan die mededeeling kwam, blijkt niet. Sommigen, bijv. 
Zielinski ^), onderstellen dat hij een tweede opvoering, wel- 
licht twee maanden later op de eerstvolgende Dionysia 
gegeven, in de didaskaliai vond vermeld ; mij komt dit niet 
waarschynlijk voor, daar die tweede opvoering toch niet 
ter mededinging in een nieuwen prijskamp kon plaats vinden, 
en er dus ook in de didaskaliai geen melding van kon 
worden gemaakt; ik denk derhalve dat het eenvoudig eeu 
theater-overlevering was, die buiten de ofiBcieele bescheiden 
om ter kennisse van Aristoteles en zijn school was gekomen. 
Intusschen dit punt kunnen wij in het midden laten, óók 
de vraag of die nieuwe opvoering op de Dionysia dan wel, 
zooals ik voor mij liever aanneem, enkele dagen na de 
eerste heeft plaats gehad ^) ; — maar wat mij niet twijfel- 
achtig schijnt, is dit, dat het denkbeeld van een omioerking 



') Gliederung der altuttischcu Komödie p. 150. 
2) Den dag daarna, gisten Eritzsçlje en Richter, 



( 309 ) 

ter wille van de nieuwe opvoering door de woorden: »het 
stuk werd zóó mooi gevonden, dafc men het nog eens gaf" 
ten eenemale wordt uitgesloten ^j. Als er »da capo'* wordt 
geroepen, herhaalt men het reeds ten gehoore gebrachte, 
niet iets wat er min of meer op gelijkt. Trouwens Zielinski, 
die meent, dat ter wille van de tweede opvoering wel 
degelijk wijziging heeft plaats gevonden, beperkt zelf die 
wijzigingen tot zoo onbelangrijke bijzaken, dat het er ten 
slotte al zeer weinig toe zou doen '^). 

Laten wij dus die aanteekeninor van Dicaearchus ter zijde, 
dan hebben wij buiten den irlioud van het stuk zelf geen 
aanleiding om aan een omwerking te denken, en die inhoud 
noopt er ons evenmin toe, daar de zonderlingheden in den 
bouw veel ongezochter fn eenvoudiger, zoo als wij daar- 
straks deden, uit het eerste ontstaan van het drama kunnen 
worden verklaard, dan roor aan te nemen dat hetzij de dich- 
ter betzij iemand anders het reeds afgewerkte stuk na de 
eerste uitbundig geprez n opvoering zou hebben veranderd, 
dat wil zeggen bedorven, om er een geheel nieuw motief 
in te brengen. Waartoe toch zou dit dan geschied zijn? 
en wanneer? Immers een half jaar na de bekroning der 
Ranae had de ramp van Aegos potami plaats, en daarna 
was er, gelijk Zielinski zelf erkent, vooreerst geen gelegen- 
heid voor een nieuwe opvoering. 

Het beste argument tegen de gissing dat ons stuk een 
dubbele bewerking zou hebben ondergaan, wordt geleverd 



*) Evenzoo oordeelde reeds Ranke. Ook Boeckh, Diudorf en FritzscJie 
waren van oordeel dat de tweede opvoering onveranderd is geweest. 

2) Volgens hem zou vs. 151 door vs. 153 zijn vervangen (of omge- 
keerd), en 659 — 661 door 604—667 (of omgekeerd); verder zouden vs. 
1251—1256 tot de eene, 1257—1260 tot de andere bewerking belioorcn 
en eveuzoo 1431 en 1432«, en zouden eindelijk vs i5?8~]533 eerst 
later zijn toegevoegd. Zielinski erkent zelf dat dit geen i^Diaskeue" 
mag heeten, maar vindt die stuk of wat veranderingen toch belangrijk 
genoeg om van een ♦Diorthose" te spreken, f die, ohne den Plan des 
ir Dramas im wesentlichen zu berühren, doch an einigen Einzelheiten 
^geändert hat, so dass die Komödie bei der Wiederaufführung des Reizes 
/rder Neuheit nicht ganz entbehrte". — Ik voor mij houd mij overtuigd 
dat zóó onbeduidende wijzigingen door niemand ouder de toeschouwer^ 
zouden zijn opgemerkt, 



( 310 ) 

door de proef op de som te nemen. I. Stanger ^) heeft een 
reconstructie van de eerste Banae beproefd. In plaats 
van het gesprek tusschen den slaaf Xanthias en den dor- 
pelwachter van Pluto, dat wij thans vs. 738—813 lozen, 
wordt Dionysus voor den troon van Pluto en Persephone 
gevoerd, en deelt hun het doel van zijn komst mede; hy 
wenscht namelijk den besten treurspeldichter, die in de 
onderwereld is, met zich mede te nemen naar het dag- 
licht. Pluto is hem ter wille, en neemt de noodige maat- 
regelen om den wedstryd voor te bereiden, waaruit zal 
moeten bl:gken wie de eerste in het vak is. De twee mede- 
dingers worden opgeroepen, en Euripides weet Dionysus 
vooraf de belofte af te persen dat hij zal worden gekozen 2) ; 
in den loop echter van den wedstrgd komt Dionysus tot 
andere gedachten en kiest ten slotte Aeschylus. In de 
tweede bewerking verviel nu het toonoel waarin Pluto een 
vrg l)elangrijke rol vervulde, en werd daarvoor het gesprek 
van de beide slaven door den dichter in de plaats gesteld. — 
Maar hoe kon het door Stanger onderstelde tooneel ver- 
tooud worden? vraagt Zielinski terecht; wij zijn immers 
in de open lucht vóór het paleis van Pluto, niet daarbinnen. 
En waarom zou de dichter dat tooneel dan later hebben 
geschrapt? haast ik my er bij te voegen. >0m het stuk 
minder geleerd te maken", antwoordt Stanger. Ja maar — 
deze tegenwerping moet eiken kenner van het stuk terstond 
voor den geest komen —, dat onderstelde, thans vervallen 
gedeelte kan niet veel geleerdheid hebben bevat; de »geleerde" 
passages waren alleen in den wedstryd der dichters, den 
agon, op hun plaats, en zijn daar ook thans nog in over- 
vloed te vinden, zóó overvloedig dat het publiek, waarvoor 
zoo iets genietbaar was, onze bewonderende verbazing opwekt. 
Hoe kwam Stanger dan op die gedachte ? Blykbaar is hij 
op een dwaalspoor gebracht door de verzen 1109 sqq., die 
vroegte' steeds verkeerd zijn verklaard. Het koor zegt daar 
n.l. tot de beide dichters: »vreest maar niet dat het publiek 



^) Ucbcr Umarbeitung eiuiger Aristopliuiiifcciieü Koiiiödicu. Leipzig 
1870 (58 pagiuas 8°). 
^) Daarop zou dau vs. l-iGU sq slaan. 



(311 ) 

»UW fijne zetten uiet zal kunnen waardeeren ; daarvoor is 
»nu geen gevaar meer, elk der toeschouwers heeft thans zyn 
»boekje en begrijpt met hulp daarvan de aardigheden best.** 
Wat dat toch voor boekjes of boeken mochten wezen, 
waarvan hier sprake is? De verklaarders wisten met deze 
plaats in het geheel geen weg, en ik moet Stanger prgzen 
dat hij er althans een zinspeling op de première van het 
stuk in heeft gezien, al heeft hy van die juiste opvatting 
overigens geen goed gebruik gemaakt. 

De zin van de plaats is deze^): men had na de eerste 
opvoering geklaagd dat het stuk wel fijn en geestig was, 
maar dat de talrijke zinspelingen op allerlei drama's van 
Aeschylus en Euripides, in den kampstryd dier beide dichters 
voorkomende, niet overal even geniakkelgk te verstaan 
waren; met andere woorden, het stuk was wel wat »geleerd" 
gevonden, al was dat geen bezwaar tegen de bekroning. 
Ten behoeve van de tweede opvoering heeft nu de dichter 
de bovengenoemde versregels ingelascht, waarin hij het 
koor schertsenderwijs laat zeggen : »het publiek zal nu niet 
»meer klagen over de groote geleerdheid, iedereen heeft 
»thans een exemplaar van liet stuk gekocht en vooraf be- 
»studeerd of zit er thans mede in de hand, en vindt daar" — 
in margine waarschijnlijk — »aangeduid waaraan de ver- 
»schillende aanhalingen zijn ontleend." Al stel ik mij waarlijk 
niet voor dat Aristophanes een gecommentarieerde uitgaaf 
van zijn eigen stukken zal hebben bezorgd, er is toch niets 
onwaarschijnlijks in de meening dat met een enkel woord 
op den kant stond bijgeschreven »Aeschylus Myrmidonen" 
of »Euripides Andromeda" enz. ; zelfs zou ik denken dat 
de zonderlinge opmerking omtrent vs 1206, die in de 
scholien wordt gevonden, uit een dergelijke aanteekening on- 
gezocht kan worden verklaard. De Alexandrijnsche geleer- 
den plaatsten bij dat vers de opmerking: »deze plaats zou 
»aan den Archelaus van Euripides zijn ontleend, maar in 
»dat stuk komt hij niet voor; wellicht heefi Aristophanes 



^) Ik gaf deze verklaring reeds m het Album, ter cere vau Kontos in 
1893 bijeengebracht. 

YBRSL. EN MBO. AFD. LETTERK. 3cle BEEK.8. DEEL XlL 21 



( 312 ) 

»dus een eerste bewerking van die tragedie op het oog 
»gehad*'; maar hoe kon, Traag ik, deze aanteekening ont- 
staan, als niet in een gezaghebbende uitgave van de Banae 
h\] dat vers stond aangegeven: »uit den Archelaus?'' 

Behoudens de bg voeging van de genoemde regels, en 
misschien hier of daar een weinig beteekenende verandering 
in een paar verzen gebracht, geloof ik niet dat de Ranae 9 
zooais wg ze thans vóór ons hebben, er anders uitzien dan 
ze uit de pen van den dichter vloeiden, — afgezien natuur- 
Igk van het gewone, door den tijd veroorzaakte textbederf. 
Alleen voor het slot moet ik een uitzondering maken. 
Daar komen verscheiden, gedeeltelijk reeds door de Alexan- 
drijnsche geleerden gewraakte uitdrukkingen voor, die met 
haar omgeving niet of kwalijk samenhangen. Intusschen, 
Zielinski, die, gelijk wg zagen, aan een dubbele bewerking 
der Ranae gelooft, laat die plaatsen steeds buiten zgn be- 
toog, en erkent — m. i. zeer te recht — dat zgn gissing, 
hoe men daarover ook moge oordeelen, in elk geval niet 
met behulp van die storende regels kan worden waarschgn- 
Igk gemaakt ^), Ik voor mg durf omtrent die zonderlinge 
passages, ten deele althans zoo echt Aristophaneisch van. 
uitdrukking, maar zoo misplaatst in den samenhang, geen 
stellige meening uit te spreken. Het liefst zou ik vs. 1416 — 
1466 verwgderen, want als men die wegdenkt, loopt alles 
tamelijk goed en geregeld af; maar ik kan van den oor- 
sprong dier regels, die ook onderling geen welsanienhangend 
geheel vormen, geen aannemelgke verklaring geven. Het 
heeft verder mijn aandacht getrokken dat een paar passages 
veel passender zouden zijn in den mond van een staatsman 
dan in dien van Aeschylus, en beter met de tgdsomstan- 
digheden in het eerste tijdperk van den peloponnesischen 
oorlog strooken dan met het einde daarvan ^) ; daarom heb 



*) Stanger uam wel aan dat die verzen in de andere bewerking der 
Ranae op hun plaats waren, maar beeft geen poging gedaan om die 
onderstelling te staven. 

-J Namelijk vs. 1431 sq., waar van Alcibiades gezegd wordt: 
r/geen plaats is voor den leeuwenwelp in 't staatsgezin; 
^doob wie hem kweekte, leer zich schikken naar zijn aard," 



( 213 ) 

ik gegist dat deze verzen aan de Demi van Eupolis ont- 
leend zijn, en daar werden gesproken door Pericles, die, 
gelijk wy weten, in dat stuk uit de dooden opstond. Maar 
hoewel die gissing miy sinds verscheiden jaren telkens voor 
den geest komt, kan ik ze niet voldoende door bewysgron- 
den steunen om te mogen zeggen: »naar m^n overtuiging 
»is het zóó en niet anders." 



II. 

De Ranae zijn voor ons het eenig overgebleven exemplaar 
van een eenmaal vrij talr^k soort van drama's, namelijk 
die waarin afgestorvenen hetzij uit de dooden werden op- 
geroepen hetzij in de onderwereld werden vertoond ; en 
ook het denkbeeld van een dichterkamp, hetzij dan boven 
of onder den grond, was niet nieuw op het attisch tooneel. 

Om ons alleen tot de komedie te bepalen, — want 
anders zou de geest van Darius, die in de Persen van 
Aeschylus sprekende optreedt, hier vermelding vereischen— , 
Cratinus had omstreeks het jaar 450 in zijn Arcinlochi 
verschillende oude dichters, bcpaaldel^k de epici Homerus 
en Hesiodus tegenover Archilochus — de oudere tegenover 
de nieuwere kanst ? — laten optreden ^) ; en in zijn Chirohes, 
tegen de politiek van Pericles gericht, kwam Solon ten 
tooneele ^). Pherecrates liet zijn Krapafali ^) in het schim- 
menrijk spelen ; Aeschylus kwam daarin sprekende voor, en 
zeide onder andere van zichzelf: 

ooriq y avxoXq JtacéöcDxa réxvriv nsydhiv ê^oixoöoiirlaaq *). 



eu VS. 1463 sq., waar dit krijgsbeleid den Atheners wordt aanbevolen: 
ir des vijands bodem gelde hou als eigen land, 
#eu eigen velden als vijandelijk terrein," 

wat inderdaad, gelijk algemeen bekend is, de taktiek van Perikles was 

geweest bij den aanvang van den krijg. 

*) Zie vooral Cratin. fr. 6 Koek. 
«) Zie fr. 228. 

^) Een verzonnen woord ; voor een krapatalos koopt men in de onder- 
wereld evenveel als voor een drachme bij de levenden. 

*) Fr. 94- 

21* 



( 314 ) 

Ook fr. 80 is waard hier te worden aangehaald, omdat 
het sterk herinnert aan de door Hercules in het hegin der 
Kanae ^) aangegeven »viae leti" : 

Ttaï r(5v (pißäXeoyv rçiSHys oi^œv rov d-éçovç^ 
xal è(i:rXrln6Voq xdO'SifdB rijs iiBö'mxßQiaq^ 
xara OipaitéXi^ x«l üté3t{ri]öo xal ßca 

Ook deze verzen zullen wel zijn te beschouwen als een 
recept om regelrecht en spoedig in de onderwereld te komen. 

Voorts moeten hier worden vermeld de Metallês van Phe- 
recrates, wegens de daarin voorkomende uitvoerige beschrij- 
ving in comischen trant van de velden der gelukzaligen, 
een echt Luilekkerland, waar de gebraden lysters zich ver- 
dringen voor den mond der liongerigen, en de rivieren golven 
van kostelijke brij en bouillon voortwentelen. Die beschrijving 
werd daarin echter verhaald door een vrouw, die — wellicht 
uit de Laureotische zilvermynen — daarheen was doorge- 
drongen ; het tooneel van het stuk was dus op de bovenwereld. 

De Hesiodi van Teleclides moeten tot hetzelfde genre heb- 
ben behoord ^). En vooral zijn hier te noemen de beroemde 
Pemi van Eupolis, tijdens de groote Siciliaansche expeditie 
opgevoerd, als ik wel zie ^), waarin Solon, Miltiades, Aris- 
tides en Pericles aan de onderwereld ontstegen, om aan het 
Atheensche volk, door het koor der Attische demi verte- 
genwoordigd, goeden raad uit te deelen. Miltiades sprak 
bijv. (fr. 90): 

ov yàq fx« rriv Macad-óivi xr^v êiii]v [iccxi^v 
Xa/jpcov Ti§ avTiSv toviiov dXyvvsÏ Ttéaç. 

en over de nieuwste politici, Phaeax, Demostratus en der- 
gelijke, werd aldus de staf gebroken (fr. 100) : 



1) Vs. 117 sqq. 

2) Als een echo van dergelijke stukken is te beschouwen het rhetori- 
sche kunststukje uit den tijd der Autonini, naar een ouder voorbeeld 
uit de school der Sophisten bewerkt, dat den titel draagt van 'O/wjJp ou xa* 
HatSïov ay&v. 

^) Waarschijnlijk in 414. 



( 315 ) 

Ttal iiriicér\ iZva^ MiXtidöri xa« nBçiHXeBqf 

édoar açx^iv iieiçdxia ßtroviieva, 

év roîv OifVQotv eknovra rtjv atçarriyCav. 

Wellicht — maar dat is twgfelachtig — speelden ook 
de Taxiarchi van Eupolis in de onderwereld. Vermoedelgk 
ook het bg dezelfde gelegenheid als de Banae gegeven blij- 
spel van Phrynichus, de Musae^ waarin de gestorven Sophocles 
en Euripides met elkander schynen te hebben gewed^verd; 
doch de fragmenten (8 regels tezamen) leeren ons nagenoeg 
niets over den gang van het stuk. 

Eindelgk moet de Gerytades — de Huilebalk - van 
Aristophanes zelf hier worden genoemd, welk stuk denkel^k 
na de Ranae is geschreven en aan deze in menig opzicht 
moet z^n gelijk geweest. Immers daarin werd een drietal 
vertegenwoordigers van de thans levende dichters naar de 
onderwereld gezonden tot de daar verblijf houdende heroen 
der dramatische kunst ; Sannyrio namens de comici, Meletus 
uit naam der tragici, Cinesias als afgevaardigde der lyrici. 
Uit het uitvoerige fragment, dat bij Athenaeus p. 551 
bewaard is (fr. 149 sq.), blijkt dat het tooneel, ten deele 
althans, in de onderwereld was. 

Wij zien dus dat het denkbeeld om de plaats der hande- 
ling naar het doodenrijk te verleggen, voor het Atheensche 
publiek niet iets ongewoons was. Voor ons echter ligt er 
iets weemoedigs in het feit dat de muze van Aristophanes, 
die zich aanvankelijk met veerkrachtigen tred op den bodem 
van Attica had bewogen en later in de wolken haar toevlucht 
had genomen, zich ten slotte, juist twintig jaar na de op- 
voering der Acharniërs, naar het gebied der schimmen be- 
geeft, om daar te zoeken wat de aarde niet meer opleverde. 

Evenmin kunnen de toehoorders vreemd hebben opgezien 
van het voor ons zoo verbluffende verschijnsel, dat in een 
tot den openbaren eeredienst behoorende tooneelvoorstelling, 
op het feest van Dionysus gegeven. Dionysus zolf ons wordt 
voorgesteld als het uitvaagsel van wat er lafhartigs. bluffe- 
rigs, zelfzuchtigs en oneerlijk s op twee beenen rondloopt in 
de stad of daar buiten »Gott Publicum" heeft men hem 



( 316) 

in Duitscbland gedoopt, niet onjuist, maar »Gott Pöbel" 
ware dan toch een juistere en zelfs nog te eervolle naam; 
waijt ook van de faex plebeculae zal te Athene de meer- 
derheid wel niet uit zulke zot-verachtelijke wezens hebben 
bestaan als de Dionysus die ons wordt voorgesteld. Dat in 
hetzelfde Athene waar een Ânaxagoras of Socrates wegens 
öndermgning van den staatsgodsdienst doodschuldig werd 
gerekend, en waar Euripides door Aristophanes werd ge- 
brandmerkt als goddeloos, diezelfde Aristophanes zóó kon 
sollen met de Olympiërs als hier met Dionysus, elders met 
Bermes, met Poseidon, ja met Zeus zelf geschiedt, merken 
wij met verbazing op, al weten wij wel dat het ernstig 
kritizeeren der gangbare denkbeelden omtrent godsdienst en 
zedeleer, zooals b^iv. Euripides het pleegt te doen, een 
geheel anderen indri.k moest maken en met een geheel 
anderen maatstaf werd gemeten dan de met moedwilligen 
scherts geteekende karikaturen van den Olympus, die de 
bljjspeldichter zich pleegt te veroorlooven. Hoe dit zQ, de 
Dionysus der Ranae mag voor ons het meest sprekende 
beeld zijn uit dit genre, het eenige is het niet, en vroeger 
moet het soort vrg talrijk zgn geweest. Van den Dionysus 
van Crates kennen wfl slechts den titel, maar Cratinus had 
in zgn Dionysalexandros zich ongetwijfeld iets dergelyks 
veroorloofd; in de Taiviarchi van Eupolis kreeg Dionysus 
les in de vechtkunst en werd ev bijv. (fr. 256) met een 
»pasbevallen stadsjuflFertje" vergeleken, ja, ruwer nog, zei 
zijn drilsergeant tegen hem: »je luistert als een ezel naar 
het signaal** (fr. 261). De Dionysus a«cé^^« van AristomeneSi 
hoewel ons onbekend, had bl^kens deu titel een soortge«» 
lijken inhoud. Het was dus niets ongehoords dat Dionysua 
op zgn eigen feest werd bespot en zich zelfs in z^n angst 
wendde tot zyn ambtshalve bg de opvoering aanwezigen 
priester ^). Trouwens — klinkt de ru w-gemeenzame toon 
van de liederen der phallophori, waarvan ons in de Achar- 
niërs een staaltje wordt gegeven^), niet vrgwel eveneens? 



1) Vs. 263 volgg. 
«) Zie Ran. vb. 297. 



( 317 ) 

Eerst als wij op den oorsprong der comédie letten, valt op 
dit eigenaardige verschijnsel, evenals op de — in de Ranae 
trouwens zeldzame — obscoeniteiten het rechte licht, en 
begrijpen is vergeven. 



III. 

De Ranae zgn in meer dan één opzicht voor ons een 
zwanezang. Een zwanezang van de Atheensche vrijheid, 
die voor het laatst — want Ecclesiazusae en Plutus reke- 
nen niet mede — ons de stem van het onafhankelijke koor 
laat hooren. Een zwanezang ook van Attica's treurspel, 
welks groote dichters nu allen zgn gestorven en hier na 
hun dood nog eenmaal het woord nemen. Een zwanezang 
eindelyk van den dichter zelf, wiens genie hier voor het 
laatst schitterend uitblinkt, zoo schitterend als ooit te 
voren, maar toch zóó dat uit de richting der nog zoo hel- 
dere stralen bl^kt, hoe dicht de zon reeds de kim is ge^^ 
naderd. De Ecclesiazusae en de (2e) Plutus, — om van 
de verloren stukken nu niet te gewagen, daar w^ die toch 
niet op hun waarde kunnen schatten, — staan zoo oneindig 
veel lager dat zg den roem des dichters eer kunnen be* 
nadeelen dan bevestigen. 

De naam van het stuk is, zonderling genoeg, niet hetzij 
aan het onderwerp, hetzg aan den hoofdpersoon, hetzg aan 
het koor ontleend, maar aan een grappige passage, het 
lied der kikvorschen, die Dionysus bg zijn roeitochtje over 
den Acheron begeleiden. Zeker heeft de dichter zgn blg- 
spel zoo genoemd om een titel te hebben die »pakt**. Het 
werkelgke koor bestaat uit iugewgden in de Eleusinische 
mysteriën, die in de orchestra hun plechtigen optocht en 
bigde spelen houden, als wilde de dichter in de fantastische 
beelden, door zijn kunst gewrocht, zichzelf en zgn toehoorders 
schadeloos stellen voor het gemis der aloude vrome proces- 
sies naar Eleusis en de nachtelgke feestvieringen aan liet 
zeestrand, die in den goeden ouden tgd jaarlgks het glans- 
punt plachten te vormen van het openbare leven, maar 



(318) 

thans, nu 'iles vg^nds benden van uit Decelea Athene be- 
dreigen, sinta jaren zijn gestaakt. Ook in dit opzicht is 
de dichter datgene wat de werkelijkheid niet meer oplevert, 
b^ de dooden gaan zoeken; wij kunnen ook zeggen dat hg 
— teeken van den rgperen leeftijd! — zich vermeit in 
de herinnering aan het gelukkig verleden ; immers wat z^ 
de voorstellingen van de onderwereld anders dan in een 
zinnelijken vorm gebrachte herinneringen aan hetgeen ge- 
weest is. 

Van staatkunde is, behoudens enkele zinspelingen op 
personen en gebeurtenissen van den dag, in ons stuk weinig 
sprake; wij kunnen dus volstaan met enkele woorden om 
den toestand van Athene tijdens de opvoering — in Februari 
405 — te kenschetsen. Weinig maanden te voren was bg de 
Arginusische eilanden door de Atheensche vloot op de Pelo- 
ponnesische een schitterende overwinning behaald, die Athene 
weder meester maakte ter zee; de zegevierende strategen 
echter werden te Athene ter dood veroordeeld, omdat zg 
na den slag de schipbreukelingen aan hun lot heetten te 
hebben overgelaten. Achter dat stuitende proces zal wel 
een soortgelijke intrigue der aristocraten zijn te zoeken als 
in 415 achter het beruchte hermocopiden-schandaal, dat 
Alcibiades zyn bevelhebberspost kostte en daarmee den tocht 
naar Sicilië van te voren met onvruchtbaarheid sloeg, en 
in 407 acliter de nieuwe aanklacht tegen Alcibiades, die 
hem andermaal in verbanning deed gaan en daardoor de 
krijgsondernemingen der Atheners weder op niets deed nit- 
loopen. Tamelijk onomwonden wordt dat ook door Xenophon 
in zgn Hellenica gezegd. 

Thans was de terug werking ingetreden, en schaamde het 
volk zich dat het, in een opwelling van misplaatsten eer- 
bied jegens de dooden, zgn zegevierende veldheeren Ijad 
laten ter dood brengen ^). Vredesvoorslagon van Sparta waren 
inmiddels herhaaldelijk aan de orde, en als men den comicus 
daarbij om raad had gevraagd, zou die raad ook nu , evenals 



1) De meeniug van Cobet in Platonis coniici reliquias p. 160 sqq., dat 
de veldheeren tijdens de opvoering der Ranne nog leefden en dat vs. 697 
sqq. eu Ti7 sqq. op hen zouden betrekking hebbeu, acht ik niet houdbaar. 



( 319 ) 

altijd^ hebben geluid: öiaXXarraiiisiha l »laat ons vrede ma- 
ken** ! Vandaar dat de party der onverzoenlijken, met 
Cleophon aan het hoofd, die van geen nadeeligen vrede 
wilde weten, hem eenvoudig een troep onruststokers en 
dwarsdrijvers toescheen, waardig te worden gedeporteerd — 
of erger. Ook de strijd der partyen in de stad zelve kon 
niet anders dan zyn weerzin wekken : »sluit u toch aaneen, 
vergeeft en vergeet het onheilsjaar 411 ; dàn alleen kan 
de staat misschien nog standhouden'*, zoo klinkt het uit 
den mond van h^t koor, als de vragen van den dag wor- 
den aangeroerd. 

Doch dat zijn tamelijk vage en voorbijgaande uitingen. 
Het hart des dichters is niet m^er by de staatkunde ; ik 
twijfel of hij, behalve zijn aangeboren afschuw van den oor- 
log en zijn reactionaire neigingen, nog een sterk sprekende 
overtuiging op politiek gebied lieeft gehad, en geloof niet 
dat hij zich nog, gelijk weleer, vol goed vertrouwen bij 
eenige partij aansloot. Veeleer worden allen om beurten 
in het voorbijgaan gegispt ; even antipathiek als de onbe- 
suisde driftkop Cleophon, de platte Archedemus of de onge- 
manierde Cleigenes zijn den dichter de fijnbeschaafde oppor- 
tunist Theramenes en de aristocratische verrader Adimantus. 

Maar op het gebied der letteren is hij nog zichzelf ge- 
bleven. In Euripides, den ouderen vriend van Socrates ^), 
of liever in de door dezen vertegenwoordigde »moderne 
richting*', ziet hij het verderf voor vroomheid en goede 
zeden en ware kunst. Heeft niet elke school zoo geoor- 
deeld over de op haar volgende ? Pleegt niet elke gids op 
geestelyk gebied gevolgd te worden door een nieuweren 
gids, die hel pad door den vorigen aangewezen een dwaal- 
weg noemt, terwijl hy zelf naar het oordeel van zijn voor- 
ganger de wildernis inholt? »De moderne denkbeelden — 
uit den booze ! De moderne metriek — uit den booze ! 
Uit den booze ook de »toekomst-muziek** van het opkomende 
geslacht, die meer zelfstandigheid voor zich verlangde dan 
de strenge kunst aan dat hulpmiddel der dramatische voor- 



^) Zie VS. i491. 



( 320 ) 

dracht tot dusverre had toegekend. De openbare eeredienst 
loopt gevaar, waar over de goden, over hun werkkring en 
daden en eigenschappen wordt gephilosopheerd en gere- 
deneerd, in plaats van eenvoudig hetgeen aangaande de 
hoogere machten is overgeleverd zonder kritiek aan te 
nemen naar der vaadren w^ze, en het te verwerken met 
een vroom kunstenaarsgemoed. De staat is in gevaar waar 
de verschillende rangen der maatschapp^ als het ware wor- 
den gel^kgesteld en de vrouw uit het huisel^'k halfduister, 
waar zij haar plaats heeft, op den voorgrond treedt. De 
zeden zyn in gevaar, als in de tragedie, met goedkeuring 
dus en onder bescherming van staat en godsdienst beide, 
over liefde en haat en wanhoop en wat er verder in een 
hartstochtelgk vrouwengemoed kan omgaan, zóó wordt ge- 
sproken als in den Hippolytus of den Aeolus van Euripides 
De kunst zelve is in gevaar, waar de grondslagen dier 
kunst, eenmaal met vaste hand gelegd door Phrynichus en 
z^n grooteren volgeling Aeschylus, waarop door Sophocles 
met gepaste zelfstandigheid was voortgebouwd, worden 
ondergraven door twgfel en zucht naar het nieuwe; waar 
fijngeweven intrigue en overmatig opgehoopte stof in 
de plaats treden van den doorzichtigen eenvoud der oude 
kunst. Het trotsche gebouw wordt wrak, waar zooveel 
wordt geredeneerd en verklaard; de glans der tragedie 
verbleekt, waar bedelaarsplunje de Âeschyleïsche pracht- 
gewaden vervangt, en niet de reuzengestalten der sage maar 
menschen oco^ sloiv^ realistisch geteekende personen uit 
het dageligksch leven, zich bewegen op den heiligen bodem 
der overlevering; waar de stem van vaardige pleitbezorgers 
weerklinkt in plaats van het zware pathos der oude helden, 
en het overbodig geworden koor door bravourarias wordt 
overstemd." — Beeds in de Wolken hooren wg hoe den ouder- 
wetschen bewonderaar van Aeschylus en Simonides door 
zijn in de school der sophisten opgeleiden zoon de mond 
wordt gesnoerd met een passage uit een hartstochtelyk 
drama van Euripides. Evenzoo staan in de Banae Aeschylus 
en Euripides tegenover elkaar : de vertegenwoordiger van 
het schoone — ach zoo schoone en zoo onherroepelgk 



( 321 ) 

verloren — verleden, en de apostel van het nieuwe, die in 
zoo menig opzicht z^n eigen t^d vooruit was ; die opkwam 
voor het goed recht van den twgfel, de vijand van con- 
ventie, in wien de hartstocht, de wanhoop, liefde en haat, 
vroomheid en ongeloof en wereld verachting, alles wat daar 
kan spoken in een ontwikkeld en rusteloos arbeidend brein, 
alles wat het onrustig hart kan doen hameren in de borst 
bg de duizenden vragen waarop geen wijze of priester ooit 
antwoord gaf, hun welsprekenden woordvoerder vonden. »Es 
kommt die neue Zeit,** zoo klinkt het ons telkens toe, 
maar niet hoopvol, als uit den mond van Schiller's 
stervenden Zwitser : — voor den dichter, die in de 
tradities van het Cimonische tydvak is groot gebracht, 
die zijn vaderland b^ afw^king daarvan van kwaad tot erger 
heeft zien vervallen en thans op den rand van den afgrond 
ziet gebracht, is het licht, dat daar begint te schemeren, 
niet het hoopvolle gloren, dat een nieuwen schooneren dag 
aankondigt, maar de rosse gloed van een brand, die, nu 
nog smeulend, straks in lichte laaie uitgebarsten heel Attica 
en wat er groots en goeds in is zal verteren tot pulver. 
Overdreven? O zeker, maar wie zal er van een dichter 
eischen dat h^ tot kalm schatten en billijk beoordeelen 
in staat zij. Nog eens, het is een zwanezang dien wij hooren. 
Eerbied voor de geestkracht van den man die, b^* zooveel 
wat hem ergerde en drukte in zyn kunst zoowel als in 
de werkelgkheid, nog vroolijkheid genoeg overhield om, 
teruggetrokken binnen den toovercirkel van zijn sprook- 
jeswereld, de vermakelijke harlekiuade te schryven die 
de eerste helft van het stuk vormt, bg welker lezing men 
zich kwalijk kan voorstellen dat het oog des dichters, die 
zoo luchthartig in de wereld rondziet, ooit door tranen 
zou zijn verduisterd. 



OPMERKINGEN 

OVER 

DE MINISTERIALITEIT IN NEDERLAND. 

DOOR 

Mr. S. J FOCKEHA ANDREJ!. 



Wie aan de ontwikkeling der standen, aan de geschiede- 
nis van den adel vooral zijne aandacht schenkt, wordt ge- 
troffen door het feit, dat telkens weer, nu in dezen, dan in 
genen vorm, rykdom en weerkracht tot aanzien voeren. 

Of de oudste Germaansche adeldom in groot landbezi 
zijn grond vond, is betwist, dat hij met zekeren rijkdom 
samenging en moest samengaan, schynt nauwelijks te betwij- 
felen Waar volgens Tacitus ^) in bezit genomen grond 
wordt verdeeld, »secundum dignationem", daar moet dit 
wel op een voorrecht der edelen slaan 

Als aan de edelen een hooger weergeld wordt toegekend, 
zal dit wel hiermede samenhangen, dat oorspronkelijk het 
weergeld met de waarde vaa het aandeel in den grond ver- 
band hield ^). 

Bij de Saliers wordt het hoogere weergeld, het gewone 
voorrecht van den adel, toegekend aan de meliores, die daar 
staan tegenover de minofiedi^}. Dezelfde onderscheiding tus- 

1) Germ. 26. 

2) Brunner Rechtsgesch. J. 198 n». 21, Waitz 1. 127 lia 278. Hiervoor 
pleit ook L. Sax. 14 waarop Heek opmerkzaam maakte en eeneLongob. 
formule (Padelletti 387) waar de bevoegdheid van zekere getuigen wordt 
bevestigd in dezen vorm : quod .... liberi homines sunt, et suum 
widrigild habent, vel in puro alodio, vel alodio et aliis rebus. 

3) Cap. Sal. I c. 9. 



( 323 ) 

sehen primi of meliorissimi, mediani en minoßedi ontmoeten 
wy bij de Alamannen ^). Minoßedi zyn ongetwgfeld de 
Heden met eene kleine bezitting en het treft ons, dat zg 
in de jongere lex Alamanoium Hlotariï ^) liberi worden 
genoemd. De grootere grondbezitters — deze gevolgtrekking 
ligt voor de hand — zijn dus iets meer dan vrgen. 

In het feudale tijdperk hetzelfde verschijnsel. De rgke 
leenmannen behooren onder hen die rechtens bovenaan 
staan op den maatschappelijken ladder. 

En de weerkracht. In den Germaanschen tgd — wij 
weten het niet, maar kunnen het gissen — zal. wel de rijke 
edelman het beste wapentuig en het deugdel^kste strydros 
hebben gehad, en vond hij het lichtst eene plaats in het 
krijgsgevolg van een vorst. 

In de Frankische periode waren het de edelen van den 
tijd, de koningsdienaren, de koninklyke vasallen, de grootere 
grondbezitters, die tot persoonlijken krijgsdienst — met name 
tot ruiterdienst — werden opgeroepen. 

In den feudalen tijd waren het de ridders, die de kracht 
in den oorlog vormden. 

Nauwelyks in één opzicht komt de kracht der factoren, 
die ik noemde, sterker uit, dan bij de ontwikkeling van den 
stand der Ministerialen^ die aanvankelijk onvrij, toen zij als 
ridders tot het weerkrachtigste en als leenmannen tot het 
rykste deel der bevolking gingen behooren, in aanzien 
boven de gemeene vrijen stegen 

In hoofdzaak is die ontwikkeling overal gelijk geweest 
en zóó als von Fürth die reeds in I806 heeft geschetst 3). 
In Frankischen tijd werden onder den naam van ministeriales 
aanvaiikelyk de onvrijen samengevat, die niet voor den 
landbouw werden gebruikt, maar verschillende huis- 



1) Pactus Alam. II. 37 vlg. 

3) L. Alam. Hlotar. 69. 

^) Tn zijne bekende monographie //Die Ministerialen". Vgl. verder o.a. 
O. von Zallinger, AJinistcriales u. Milites (1878), O. v. Zallinger, Die 
SchöfPenbarfreicn des Sachsenspiegels (1887). Waitz. Deutsche Verfas- 
sungsgesch. V. 322 vgl. (2e uitg. bewerkt door K. Zeumer (1893). R. 
Schröder, Lehrbuch der Deutschen Rechtsgeschichte, 2c uitg. 1894. bl. 
425 en de litteratuur aid. 422 ' . 



( 324 ) 

diensten verrichtten. Zg vormden de hoogste klasse der 
onvr^en. Geen wonder; aUeen koning en grooten hadden 
huisdienaren noodig, en tot hunne onmiddell^ke omgeving te 
behooren, verhief in de oogen van het algemeen. Met hen 
werden weldra gelijkgesteld andere dienaren voor verschil- 
lende takken van beheer, meiers, vorsters, opzichters van 
stoeter^en en voorraadschuren, tolmeesters, en met name zij 
»qui equitando serviunt*', die ruiterdiensten verrichtten. Was 
eerst de toestand van die allen verschillend, of slechts toe- 
vallig gelijk, en bestond er alleen een feitel^k onderscheid 
tusschen ben en de overige onvr^en, geleidel^k wisten de 
ministerialen van denzelfden heer onderling een genootschap- 
pelgken band te knoopen en hunnen feiiel^ken toestand tot 
een rechtstoestand te verheffen. Reeds in de elfde en het 
begin der twaalfde eeuw vinden wy bij herhaling van » ordo 
ministerialium'' en »jus ministeriale" gesproken. De dienst* 
lieden ontvingen veelal »beneficia'* tot loon voor hunne 
diensten, zg werden een betrekkelijk r^ke stand. Hun rui- 
terdienst bracht hen uiterlgk op dezelfde Ign als de edele 
ridders. De voorrechten en voordeelen der ministerialiteit 
overtroffen meer en meer de nadeelen. Menige vrye achtte 
het in z^n belang dienstman te worden. En dit strekte 
weder tot verdere verheffing van den dienstmansstand. Men 
vergat allengs dat de ministerialen vau oorsprong onvrijen 
waren, vestigde vóór alles het oo^ op den glans hunner 
ridderboortigheid, en telde weldra de welgeboren, schildboor- 
tige dienstlieden onder den adel. En of in theorie de regel 
al bleef bestaan, dat men als iemands ministeriaal werd 
geboren en deze betrekking niet kon verbreken, in de prak- 
tgk werd hij niet gevoeld, en knelde hij allerminst. Want 
geen ministeriaal zuchtte in een baud, die hem slechts eer 
en voordeel bracht. 

Dit alles is overbekend en omtrent de hoofdzaken in dezen 
grooten ontwikkelingsgang bestaat geen ingrijpend verschil 
ven gevoelen. Ook in Nederland voerde hii tot hetzelfde 
resultaat, en niemand zal wel in 1746 Schomaker hebben 
tegengesproken, toen hij schreef^), dat — in de graafschap 

1) Cönsilia IV. 76 no. 10. Vergel. Racer, üv. Ged. 1 52 n. 1. 



( 325 ) 

Zutpheu — de dienstman »geheel en al een vr^ persoon 
is, niet subject eenige horigheid of servituit, maar alleen 
staande tot gemeine observantie van den vorst.*' 

Det is echter niet zonder belang te onderzoeken, wanneer 
ongeveer de ontwikkeling in verschillende streken is voltooid. 
Fürth stelt die ^) in het algemeen in de tweede helft der IS^e 
en het begin der H^^^eeuw. Thudichum meent, dat sinds het 
einde der 12de eeuw vr^e en onvrije dienstmannen tot één stand 
samensmolten ^). R. Schröder ^) zegt, de dienstmannen wer- 
den sinds de 12de eeuw meer en meer tot den adel gere- 
kend Aanvankelgk was die klassificatie alleen uit een 
sociaal, niet uit een rechtsoogpunt gerechtvaardigd. In den 
loop der 14de eeuw is echter overal de laatste herinnering 
aan de oorspronkelijke onvrijheid van den ministerialenstand 
verdwenen. Volgens PouUet had in de Nederlanden de 
samensmelting plaats in de eerste helft der 13de eeuw ^). 
Pestel ^) voert eenige plaatsen aan ten bewijze, dat reeds in 
de I2de eeuw ten onzent het verschil tusschen nobiles, 
ministeriales en vasallen niet groot was, en merkt op, dat 
dit in de 15de eeuw geheel was verdwenen. 

Naar het mij voorkomt mag men aannemen, dat in die 
deelen van Nederland, waar de ontwikkeling het best is te 
volgen, reeds in de 13de eeuw de ministerialen boven de 
gemeene vrijen stegen. Om dit aan te toonen, dien ik ach- 
tereenvolgens op de ministerialen van verschillende beeren 
(le aandacht te vestigen ; immers, zooals reeds in het M. 
Ned. W. b. ^) werd opgemerkt, de rang van den heer was 
van invloed op den stand van zijn dienstman. 

Ik begin dan met de dienstlieden van den bisschop van 
Utrecht : 



») T. a. p. bl. 487. 

2) Gesch. d. Deutschen Priv. r. (3894) bl. 367. De oorsprookelijk 
onvrijen werden als gelijken in stand met de vrijen erkend en veidere 
opneming van onvrijen werd uitgesloten. 

') T. a. p. 432. 

*) Origines, développements et transformations des institutions dans les 
Bnciens Pays-Bas. 2e uitg. I. 195. 

^) Commentarii de Republ. Bat. II, 251 z, 
«) P. II. k. 167. 



k 



( 326 ) 

Reeds in de eerste helft der I2de eeuw treden deze by 
herhaling als getuigen op in akten, die van den bisschop 
uitgaan. Het treft ons, dat reeds vele hunner een plaats- 
naam aan den hunnen toevoegen, een aanwijzing, dat zij in 
het dorp, waarnaar zij zich noemen, belangrgke bezittingen 
hebben Zoo in eene akte van 1139 ^), waarbg bisschop 
Andreas aan de kerk te Oldenzaal eenige opbrengsten uit 
kerken in Drenthe overdraagt. Getuigen zijn naast proosten, 
dekanen en kanunniken : liberi, comes Godefridus et fra- 
ter suus Harmannus, Franco de Deepnaham, Wernerus frater 
suus ; ministeriales : Hugo de Honnor st, Freaericws Scxilteius^ 
Otto de Runa, Bartoldus et Goswinus filius suus, Lidulphus 
de Oldenzeel et alii multi ^). 

Men hechte niet te veel gewicht aan de tegenstelling 
tusschen liberi en ministeriales (die dus oogensch^nlyk in 
dien gedachtengang geene liberi zouden zijn). Het geldt 
de opsomming van »homines" van den bisschop. Deze 
staan deels vrijwillig, deels krachtens hunne geboorte tot 
hem in eene betrekking, die voor de laatste onverbreekbaar 
is. De tegenstelling wordt verduidelijkt door tal van plaat- 
sen, waar bij dat »lileri" en »ministeriales'* een genitivns 
of een bezittelgk voornaamwoord staat, b.v. in de oorkonde 
van 1165 3) die aan bisschop Godfried toestaat, op het slot 
Bentheim te plaatsen »unum liberum hominem suum et 
duos ministeriales suos'\ Zij mag ons op zichzelve niet 
tot bewijs strekken, dat bg de maatschappelijke waardee- 
ring van de ministeiialen op hunne onvrijheid eenige nadruk 
viel. En bij het gissen naar de ])laats, die zij in de alge- 
meene schatting innamen, mogen wij niet vergeten, dat zg 

1) Oorkb. van Gron. en Drenthe 1. bl. 21. 

2) Volgeus de mterpunctie in den druk zouden Comes Godefridus, 
Frauk van Diepenbeim en hunne broeders uiinistcrialen zijn. Dit is 
blijkbaar onjuist, evenals de interpunctie in enkele andere dergelijke 
akten, b.v. die van 1?0Ü bl. 29, waar stelli.s^ moet worden gelezen 
/y Bruno; ministeriales: Ghiselbertus de Hamcstele". Wij weten toch, 
dat de laatste ministeriaal was. 

^) Zie meer voorbeelden, Mattliaeus de Nobil. 944. Sloet, Oorkb. 346. 

*) O. Cartul. Utr. 152. 



( 327 ) 

omstreeks de helft der 12de eeuw zeker vrij eigen mochten 
bezitten, zooals o. a. blijkt uit eer.e akte van 1141 ^), die 
spreekt van eene »terra . . . propria" van Otto, een bis 
schoppelijken ministeriaal en zijne buren. 

In soortgelgken vorm als in de akte van 1139 worden 
getuigen onderscheiden, b.v. in stukken van 1152/53^), 
1180 3j. 

Iets later worden eveneens r^en ministerialen onder de 
getuigen genoemd en de akten *), waarin dit geschiedt geven 
ons den indruk, dat zg mannen van beteekenis zgn. Wij 
vinden toch onder hen namen als : Ghiselbertus de Harne- 
stele, Volker de Covorde, Walter Radine, Arnoldus de Rune, 
Henricus de Kunre, Egbertus de Gruninge, Rodolfo de 
Pedeze. 

Weinig later, en hierop vestig ik bijzonder de aandacht, 
verdwijnt de titel van ministerialis bijna geheel uit de 
bisschoppelijke akten en treedt daarvoor die van »miles" 
in de plaats; wg mogen wel zeggen, er werd steeds meer 
nadruk opgelegd, dat de ridderlyke dienstmannen ridders^ 
niet hierop, dat zij mhmteriales waren. 

Zoo in akten van 1230 % 1241 % 1247 7), 1247 % 
1248 ö), 1251 lOj, die o. a. Johannes de Rune en Hugo 
de Lare, B. de Ese, Giselbertus de Buchorst, Adolfus et 
Rudolfus fratres de Pedze, \7alterus Radincg, Giselbertus 
de iSulen, Bertoldus Radinc »milites" als getuigen noemen. 
Dat wij hier met mannen uit ministerialen-familiën te doen 
hebben, leeren verschillende namen. 



1) Oorkb. V. Gron. en Dr. 1. 22. 

») Aid. 28. 

3) Aid. 28. 

*) O. a. van 1200, 1209, 1211/12, 1217 aid. 29, 34, 37, 42. 

*) Oorkb. V. Gron. en Dr. I. 59. 

«) Aid. 64. 

7) Aid. 69. 

8) Aid. 69 vlg. 

») Aid. 70. 

»ö) Aid. 74. Zie nog akten van 1253, 1254, 1258, 1262, 1274, aid. 77, 
78, 83, 84 en Sloet Oorkb. 681. 

VBBSL. BK MED. AFD. LBTTRBK. ^de RBBKS. DBBL XII. 22 



( 328 ) 

Omstreeks denzelfden tijd vinden wg voor een aantal 
andere personen nog eens den titel van ministeriales terug, 
afwisselende met dien van milites en heeten de dragers 
somt^ds »domini** ^), een eeretitel, waarvan de groote be- 
teekenis bekend is. Zeer leerzaam is te dezen aanzien eene 
akte van 1228 van bisschop Otto, waarin een aantal 
ook van elders bekende ministerialeu genoemd worden. 
O. a. Ghiselbertus de Amstele, dié in hetzelfde jaar »nobilis 
vir" en in 1285 »dominus'* en »miles" heet; Albertus 
de Wulven, die in 1228 «) >nobilis vir" en in 1244 *) 
»miles" wordt genot^md; Ernestus de Wulven, die in 1235 3) 
en in 1244 *; »oiiles" heet en in het eerste jaar tevens 
als »dominus" wordt betiteld; Amulius de Werde, die in 
1247^) den dubbelen titel van miles en ministerialis draagt ; 
Henrieus de Amersfoort, die in 1224 ^) miles heet en van 
wien wel zullen afstammen, de mannen in 1285 T) ge- 
noemd als /tar. Wouter van Amersvorde, har Henric syn 
sone .... ridders. 

In 1260 bevestigt bisschop Guy rechten van Camperveen ^), 
zooals h^ zegt »prehabito consilio et consensu nostrorum 
dilectorum ministerialium videlicet domini Hermanni de 
Voerste, domini Uenrici de Essende, domini Johannis de 
Daventria et domini Henrici Ultra Montem". En 19 Juli 
1263 worden als »fidejussores" voor eene verbintenis ge- 
noemd^) o. a dominuM Hermannus de Vorst, dominus Eg- 
bertus de Groninge ^^), dominus Mewikinns de Runen e. a. 



1) Bucliel-Hcda, Hist. Episc 202. 

2) V. d. Bergh Oorkb. II, 513. 
3; Aid. I, 195. 

*) Tij dr. Overijss. reg. I, 11. 

5) Sloet Oorkb. 681. 

«) Aid. 481. 

7) V. d. Ber^'h Oorkb. II, 250. 

«) Uacer. Overijss. Ged. II, 190. 

^) Oorkb. V. OroD. eu Dr. I, 87. in diezelfde akte voeren echter 
Giselbertus de Buchorst miles, Fridericus Radinc famulus, Rodolfus de 
Ese den titel van //dominus" niet. 

1") Deze Egbertus wordt — zij Let dan als prefect — in eene akte van 
1268 genoemd vdör ceu aantal Groninger burgers. (Oorkb. Gron. en Dr. 1,92). 



( 329 ) 

milites. De verbintenis waarvoor deze beeren zicb borg 
stellen, is er eene aan den bisschop zelven, wiens mini- 
sterialen zij zgn; ook dit teekent de verhouding. 

Sinds dien tyd komen dezelfde personen en hunne gelgken 
nu eens wet, dan weer zonder den titel van dominus voor. 
In eene akte van 11 September 1263 ^) b. v. dragen dien 
titel itiet: Hermannus de Voorst, Henricus de Overberch 
(Ultra Montem), Henricus de Essende, Egbertus de Gruninge^ 
Mevkinus de Rune. Zooals wij zagen, kwam h^ hun niet- 
temin toe. Engelbert van Peyze droeg den titel van dominus, 
blgkens akten van z:gn zoon Budolf van 1303 en 1334 ^). 
In 1325 noemt Stephanus, zoon van den overleden Johannes 
van Runen, zich domicellus 3), in eene akte van 1330 heet 
Arnoldus de Ruinen miles, dominus; Rudolphus Runen 
famulus draagt dien titel niet ^). 

Eindeligk vestig ik de aandacht op een feit, dat, waar 
het voorkomt, algemeen als een bewgs van de verheffing 
van den ministerialen-stand pleegt te worden aangemerkt. 
Reeds omstreeks de helft der 13de eeuw mogen de bis- 
schoppelyke ministerialen leeneu hebben, ook van anderen 
dan den bisschop. Dit blykt o. a. uit de vergelgkin<y der 
namen van bisschoppelgke ministerialen voorkomende in 
akten van 1252 ^) en 1266 ^j, met eene lijst der fidèles 
van den graaf van Gelder uit het midden der 13de eeuw 7j. 
Hierop vinden wy o a. de bisschoppelijke dienstmannen 
Waltherus de Amersfoord, Giselbeitns de Schalcwyc, Gisel- 
bertus de üoye. Een andere ministeriaal van den bisschop, 
Wilhelmus de Vurdene is eveneens blijkens akten vau 
1258 ^) en 1265 ^) fidelis van den graaf van Gehe. Hen- 



M. am^^ 


^ ) 


V«AA M. 4 


^yj\j 


') Aid. 


J, 88. 




«) 


Aid. 


174, 240. 


") 


Aid. 


212. 




*) 


Aid. 


240. 




') 


Sloet Oorkb. 


733. 


•) 


// 


» 


866. 


') 


// 


H 


719. 


") 


9 


» 


789. 


*) 


t 


K 


859. 



22* 



( 330 ) 

ricas de Essende heeft van een anderen »miles" in 1239 ^) 
een tiend in leen ^). 

Uit het vorenstaande durf ik wel zonder vrees voor 
tegenspraak het besluit trekken, dat reeds in de ISde eeuw 
de ministerialen van den bisschop van Utrecht tot een 
aanzien geklommen waren, dat hunne oorspronkelgke on- 
vrgheid deeJ vergeten. 

Eene aardige bydrage tot het bewi's dezer stelling levert 
ook een proces, dat ik reeds hier mag vermelden. In 1282 
werd n. 1 een geschil beslecht ^) tusschen den Elect van 
Utrecht en zekeren ministeriaul Henricus de Rovere over 
den aard van eenige leenen, die volgens den eersten »bona 
homagia'*, volgens den tweeden »bona ministerialia" waren. 
Dat geschil kon moeiel^k rijzen, indien er tusschen den 
rechtstoestand der bezitters van »bona homagia*' en die van 
»bona ministerialia" (m. a. w. tusschen edele ridders en 
ministerialen) een in het oog vallend onderscheid bestond. 

En het kan ons niet verwonderen, dat in het Liber Gamerae 
van den Dom in de eerste helft der 1 3de eeuw *) de tegen- 
stelling wordt gemaakt tusschen »ministeriales" Qmhximiles 
qui dicuntur husluden*'. 

Ik kom tot de ministerialen van den graaf van Gelre 
en Zutphen. 

Ook in Geldersche akten uit de 12de en de eerste jaren 
der 13de eeuw wordt — evenals naar wg zagen in die van 
den Bisschop van Utrecht — onderscheiden tusschen ingenui, 
nobiles of liberi aan den eenen, en ministeriales aan den 
anderen kant ^). Ook in Gelderland hebben wij ons echter 



1) Sloet Oorkb. 028. 

2} Ten aauzieii vau verscli il lende personen, in de akten van 1252 en 
1266 genoemd, blijken nog andere punten, voor ons onderzoek van ge- 
wicht. Gisclbertus de Buchorst heet in 1261 (Sloet 828) dominus. Een 
aantal anderen noemt de bisschop elders zijne »fidèles". 

^) Matthaens De nobilitate 10 6ö. 

*) Rbr. V. Utrecht II, 409, noot; Het Rechtsboek v. d. Dom, door 
Mr. H. Wsting, bl. 59. 

^) Voorbeelden geven oorkonden van 1127/1131 en 1203 Sloet 
Oorkb. I, 240, 410. 



( 331 ) 

op grond dezer onderscheiding niet voor te stellen, dat de 
ministerialen toen nog personen van lagen rang waren. 
Het teekent, dat in 1190 i) en in 1203^) de graaf van 
Gelre met zijne ministerialen eene verbintenis bezweert. 
En het is niet zonder gewicht, dat iemand, aangeduid als 
»miles quidam Milo de Strale" in 1204 gehuwd is met 
*s graven ministeriale Lutmode ^). 

De duidel^kste blijken van het aanzien der ministerialen 
beginnen hier voor zoover mg bekend in 1231 *). In 
dat jaar geeft Otto van Gelre een privilege aan Harderwijk 
met rade van een aantal zijner ministerialen — reeds dit 
is op zichzelf van beteekenis — en deze dragen den titel 
van dominus; genoemd worden dominus Ghristianus de Arnhem, 
dominus Elbertus de Dolren, dominus Theodorus de Damme, 
dominus Johannes de Marsche, dominus Wilhelmus de Graflo, 
dominus Johannes de Sallandia, dominus Wilhelmus de Wisepe, 
dominus iSicolaus de Oihusen. 

Nog in hetzelfde jaar komt in eene Zutphensche akte ^) 
de hier genoemde Wilhelmus de Graflo voor onder eene reeks 
van getuigen, die slechts niefc den titel »milites'* worden 
aangeduid, en twee jaar later ^) bezweren met graaf Otto 
eene verbintenis sui homines et ministeriales . . . o. a. 
Stephanus de Landorpe, Gozwinus de Stralen, Wilhelmus 
de Wezepe .... milites. 

Eveneens in 1233 zijn getuigen in eene grafelyke akte 
o. a. »Stephanus de Lantorp .... Gozwinus de Stralen 
milites et ministeriales meï" 7j. 

Deze oorkonden zeggen het ons duidelijk genoeg, waar- 
door de ministeriales gestegen waren op den maatschappigken 



1) Sloet 875. 

2) Aid. 411. 
8) Aid. 417. 

*) Aid. Oorkb. 549. 

') Aid. 554. In dezen afdruk moet blijkbaar de ; tusschcn milites en 
ministeriales vervallen. 

•) Aid. 667. 

O // 571. 



( 332 ) 

ladder. Hun rang als »milites'* had hen tot »domini^' 
gemaakt. En of zg in aanzien waren, behoeven wij niet 
meer te vragen, als wij in 1233 graaf Otto hooren ver- 
klaren ^), dat hij aan Arnhem stadrecht verleent »ex pre- 
habito consilio amicorum meorum nobilium et ministerialium 
meornm". 

In iets latere akten uit de 13de eeuw vinden wg dezelfdt 
en andere namen terug, terwijl de dragers nu eens als 
milites ^), dan weer als ministeriales ^) worden aangeduid. 

In Holland komen omstreeks de helft der 13de eeuw 
nog onvrfle ministeriales voor, maar — en difc verdient de 
aandacht — vooral in akten, die hanne vrijlating ver- 
melden, of strekken tot wegneming van een nog bestaand 
bezwaar hunner onvrijheid. 

In 1231 scheldt Ârnoldus, abt van Egmond, zekere 
ministerialen en hunne kinderen vrij van keurmede*). 

In 1244 zegt Lubbert, abt van Egmond: »Gerardum 
ministerialem ecclesiae nostrae ut decet manumisi et per- 
pétue libertrtti donavi" '^). 

In 1254 ruilen graaf Willem II en de abt van Egmond 
ministeriales onder elkander ^) en in hetzelfde jaar laat de 
graaf die, welke hij heeft verkregen, vrg : manumittimus 
cum omni posterifcate et damus perpétue libertati" 7j. 

In 1257 laat weder Lubbert, abt van Egmond, eenige 
ministerialen vr^ ^) en in 1264 ontslaat abt Arnold een 
aantal van keurmede — zich andere diensten voorbe- 
houdende ^)* 



^) Sloet 826. 

2) , 591 (1235), 597 (1236). 

3) , 598 (1236), 709 (1250). 

4) V. d. Bergh üorkb. I, 184. 
ö) Aid. 1, 217. 

ö; Aid. I, 314. 

7) Aid. T, 321. 

8) Aid. II, 11. 

^) Aid II« 55 Ik kan moeilijk nalaten, hier te wijzen op eene akte 
van 1212 (MIraeus Dipl. Belg. I, 297), waarbij de uiarkgraaf van Namen 
ministerialen — want die geldt het zeker — van keurmede yrij stelt. 



( ââs ) 

Er waren dus dest^ds uog onvrije ministerialen, maar 
— dit voeg ik er terstond bg — er waren ook andere, 
met name van den graaf. Dit blijkt wel het allerscherpst 
uit eene akte van 1284 ^), die onderscheidt tussehen minis- 
teriales nobiles en ignobiles of scoto adstricti, ongetwijfeld 
in denzelfden zin waarin graaf Lodew^k van Loon en bis- 
schop Dirk van Utrecht de tegenstelling maken ^) als zij 
in 1204 met elkaar ruilen »omnes ministeriales vel servos.... 
in terra comitis HoUandiae.... exceptis militibus et eorum 
liberis''. Uet is duidelijk, de ridderlijke dienstmannen 
waren edelen. En wij mogen wel zeggen, al komt in de 
eerste helft der 13de eeuw de naam ministeriales nog een 
enkele maal voor ter aanduiding van landelijke onvr^en, 
die tevens »mancipia" of »servi** heeten, dit is reeds dan 
uitzondering en weldra wordt die naam een eeretitel, die 
alleen aan de ridderlijke dienstlieden toekomt. 

En of deze — ik mag wel zeggen de ministeriales in 
specie — in aanzien waren, behoeven wg nauwelijks meer 
te vragen, als wg reeds in 1207 gravin Aleida hooren 
verklaren ^) dat hare dochter Ada aan den graaf van Loon 
ten huwelyk gegeven is »in praesentia multorum hominum, 
ministerialium de terra Holland, quorum consilio et assensu 
res facta est**, en als in 1220 de verleening der huwelgks- 
gifien door graaf Willem aan z^ne gemalin Maria mede 
wordt bezworen door tal van des graven »homines, tam 
liberi quam ministeriales***). 

Reeds in de 13de eeuw, mogen wg zeggen, verdwgnt de 
titel ministeriales zoo goed als geheel uit de HoUandsche 



«Goiumetadiiies quasdam indécentes, quas contra honorem militarem 
injnste usurpaveram, iniquas esse discernens" — zoo zegt hij — /rdecrevi 
et statni ut a nullo milite^ qui sit de faniilia vel advocatione mea, melius 
mobile. .. accipiatnr post ejus discessum, nee id ab ejus herede pro illo 
mortuo exigatur*'. 

») V. d. Bergh Oorkb. II, 223. 

') Aid. I, 121. 

«) Aid. 1, 129. 

^) Aid. I, 157. Ook in deze akte komen onder de voorwerpen der 
morgengave nog eens voor ministerialen in anderen zin # extra comitatum 
HoUandiae manentes, qui petitionem vel talgiam comiti recte exsolvere 
tenentnr". 



( 334|) 

iv. 

akten. De mannen, die wij dan allen aangeduid vinden als 
»milites*' en somtijds als >domini'\ zgn ongetwijfeld voor 
een deel uit ministerialen-familiën. 

In de volgende eeuw ontmoeten wg hen weder onder 
den titel van welgeborenen, schild boortigen, ridder boortigen, 
en behooren zij onbetwistbaar tot den adel, die boven de 
»ghemeynt'*, de vrjje huisluiden staat '). 

In Brabant eindelyk dezelfde geschiedenis; andere uit- 
drukkingen, maar die dezelfde toestanden teekenen. 

De mannen, die hier als getuigen staan over akten, ver- 
bintenissen mede bezweren, zich borgstellen, worden somtijds 
van elkaar onderscheiden. Dan staan des hertogs »liberi" 
of »nobile«*' tegenover z^jne »ministeriales" of die >de 
familia*'^). Maar een ander maal heeten weer allen »miiites" 
of »vasalli et fidelis" ^). Gerardus de Huldeberghe komt 
in 1160 en 1191^) voor onder de »familia'' en in 1190 
onder de »vasalli et fidèles". En in 1211 vermeldt de hertog 
een aantal mannen >de familia nostra viri nobiles". In 
dezen tijd bestond er dus stellig geen groote kloof meer 
tusschen de mobiles'* en de lieden »de familia*'. Wg 
hebben trouwens daarvoor een afdoend bew^s. Toen in 
Mei 1222 Koning Hendrik den hertog van Brabant op- 
nieuw had beleend met de goederen, die hij en zgne voor- 
zaten van des konings voorgangers hadden gehouden, en 
hem in zijn hofgerecht te Aken plechtig aan zijn leenplicht 
had herinnerd, deed hg bg vonnis eenige beginselen van 
leenrecht uitmaken, die de hertog in zgne landen zou hebben 
te handhaven. Paaronder behoorde o. a. dit zeer gewich- 
tige »quod in jure feodali, omnis ministerialis feodatarius 
eque judicare possit super feodis nobilium et ministerialium, 
exceptis tamcn feodis principum" ^). De ministeriaal rechter 



^) Vgl. mijne Aant op de Groot, bl. 43 vlg. 

*) 1160, 1173, 1184, 1203 (Miraeus Dipl. Belg. I, 185, 189,287,401). 

8) 1174, 1190 (Aid. Il, 710, 835). 

*) Aid. I, 555. 

*) Pertz Leg. Il, 249, Senckenberg Corpus Jur. Eeud. Germ. uitg. 
Eisenbart 1772, bl. 763. Reeds Poullet maakte t, a. p. op het gewicht 
dezer uitspraak opmerkzaam. 



( 335 ) 

in zaken van adellgke leenen; dit toont duidelgker dan 
lange betoogen, hoe hoog hy reeds gestegen was. 

Overzien wg dus den toestand in Nederland, zoover die 
uit de aangehaalde bronnen te kennen is, dan mogen wij 
zeggen, dat de ouvryheid der ministerialen er tegen het 
einde der 13de eeuw zoo goed als opgeheven was. 

Om ons een juist denkbeeld te maken van hunne ver- 
houding tot hun heer, en van de plaats, die zy in de 
maatschapp^ innamen, dienen wij ook jongere akten en 
wetten ter hand te nemen. Deze geven ons een beeld, 
dat, zy het ook hier en daar wat flauw, toch de omtrekken 
duidelyk te zien geeft. Zij leeren ons in hoofdzaak het 
volgende : 

Behalve door geboorte wordt men dienstman door aan- 
neming als zoodanig — niet, en dit trekt de aandacht, 
zooals men hoorig wordt, door onderwerping — . Het is 
een recht dat men erlangt, niet een plicht, dien men op 
zich neemt. Een aantal bewyzen liggen voor de hand. 
In 1346 wordt door bisschop Jan van Arkel aan twee 
vrouwen »dyenstlude recht" verleend ^). 

In 1401 scheldt de hertog van Gelre zekeren Arend 
van der Voirde, die syn vry man placht te wezen, 
daarvan kwyt en ontvangt hem als een dienstman tot 
zulken recht »als anders onse welgeboren dienstluyden 
hebben'* ^j. 

In 1428 wordt een burger van Zwolle als dienstman 
aangenomen ^). 

In 1474 worden personen uit de hoorigheid ontslagen 
en als dienstlieden aangenomen *). 

In hetzelfde jaar worden een man en vrouw met hunne 
kinderen in tegenwoordigheid van stichtsmannen en dienst- 
mannen tot stichtslieden ontvangen >alsoe verre als sy vrij 



^) Racer III, 319. 

2) V. Spaan Cod. Dipl. 75. 

3) üverijss. Tijdr. reg. VI, .254. 
O Aid. IV, 265. 



( âsô ) 

gyn ^). In gelgken geest spreken o. a. akten van 1484 ^), 
1494 3), 1520*), 1523*). 

Omgekeerd wordt ook iemands ministerialiteit opgeheven, 
niet doordat h^ wordt vrijgelaten, maar doordat h^ van 
zijn dienstrecht afatand doet ^). 

Uit de 13de en het begin der 14de eeuw zijn er — dit 
mag hier niet onvermeld blgven — een aantal voorbeelden 
van vestiging en verbreking van den band van ministeriali- 
teit op andere wgze, n.l. door ruiling tusschen twee beeren. 
Wg kunnen het tot op zekere hoogte von Zallinger 7) toe- 
geven, dat hierdoor de ministerialiteitsbetrekking »begrifflich" 
tot een »unfreiheitsverhaltniss*' gestempeld wordt. Maar dan 
leggen wij toch sterken nadruk op dat »begrifflich". En wij 
houden het volgende in het oog. In grooten getale komen 
die ruilingen slechts voor bij dienstlieden van kleinere bee- 
ren ^). De heer handelt daarbij zeker niet alt^d — t?ar- 
moedelijk nooit — volkomen willekeurig. Een enkele maal 
wordt zelfs uitdrukkelijk de »consensus ministerialium" ver- 
meld ®). De geruilden kunnen goeden grond hebben, de 
ruiling te wenschen: een begeerd huwelgk, een door erfrecht 
hun toegevallen dienstleen, eene voorgenomen verhuizing. 
En zoo zij maar geen dienstheer van minder aanzien krij- 
gen, kunnen zg in geen geval tegen de verwisseling groot 
bezwaar hebben. De personen, die wy zien ruilen, waren 
zeker geene geringe lieden, ten deele ridders-dochters en 
vrouwen ^^). 



1) Aid. VI, 386. 

2) Aid. VI. 425. 
8) Aid. VI, 470. 
*) Aid. V, 463. 
S) Aid V, 502. 

«) Archief Burger-Weeshuis Zwolle u^ 13 en 14, bl. 7 en 8 (1468 

en 1475). 

7) Schöffenbarfreien 269. 

8) Vele voorbeelden. Racer O. G. 75—98. 

9) Aid. 75. 

10) Aid. 76, 76, 79, 80. 



( 337 ) 

De ministerialiteit îs begeerlgk. Hij, wien zg wordt 
betwist, beyrert zich, ze te bewgzen, Zoo in 1384, 1408 
en 1 145 ^). En geen wonder ; aan het dienstmanschap 
zijn zeer aanzienlijke voordeelen verbonden, die — ten deele 
althans, uit den oorsprong der minislerialiteit te verklaren 
en aanvankelgk niet alle als voorrechten bedoeld — ten 
slotte de oorzaak z^n geworden van den overgang der mini- 
sterialen tot den adelstand ^). 

In de eerste plaats, zoo goed als er adell^ke leenen be- 
staan, zijn er ook dienstleenen, in economische waarde niet 
altijd van de eerste verschillend, tot geen anderen dienst 
dan wapendienst — of althans slechts tot diensten van 
hooger orde — verplichtend, en die alleen door dienstlieden 
kunnen worden bezeten. Bg herhaling zien w^ dienstlee- 
nen uitgeven, waarb^ niet zelden van de vererfelgkheid 
hiervan wordt melding gemaakt ^), 

In art. 26 van zijn Landbrief (1365) zegt dan ook Joh. 
van Vernenborg: »al dienstmannegued, wanneer dat versterft, 
dat erved up dat naeste liif, de in der echt is, daer dat 
gued van ghecomen is, dat zy zweert siit of spillen siit". 

Ik zeide, om diens tmansleen te bezitten, moet men dienst- 
man zijn. Ojk hior hebben wij rekening te houden met 
de raogelykheid van leenbezit — b.v. van rechtspersonen — 
onder het stellen van een bevoegden hnlder *), maar dit is 
eer eene toepassing van, dan ecne uitzondering op den regel. 

De dienstman kan leen hebben; het is niet volstrekt 



1) Racer, Ov. Qed. III, 44, Overijss. Tijdr. reg. VI, 112, II, 161. 
Hij, die staande boudt, ministeriaal te zijn, bewijst dan o. a. dat bij 
#wt enen vryen echten eestam gecomen'' is. 

*) Sommige dezer yoorrechten genoot niet bij, die bet dienstrecht bad 
gekocht, maar alleen de geboren dienstman. Racer, Ov. Ged. 1, 62 noot, 
II, 130, 111, 11, 55* Fr. T. d. Sande, Cons. Feud. Tr. Prael. II, N». 7. 

3) Voorbeelden 14« eeuw, Winhoff-Cbalmot 124—125; 1321, 1359, 
1361, 1376, 1398. 1410, 1457, 1458, (Overijss. Tijdr. reg. I, 40, 70,72, 
88; II. 60, 179; IV, 65, 94). 

-») Voorbeelden 1475, 1476, 1478, 1484 (Overijss. Tijdr. reg. IV, 274, 
286, 296, 318, 400). 



( 338 

noodzakel^k, dat hij het heeft. Zgne ministerialiteit is eene 
qualiteit op zichzelf. Joh. van Vernenborg behandelt in de 
arlt. 22 en 23 van zyn Landbrief afzonderlek de gevallen, 
dat men iemand zijn leen^ en dat men hem zijn dienstrecht 
»bespreecf* (betwist)^). 

In de registers der goederen van de proostd^ van St. 
Pieter uit de 13de eeuw komt o.a* een opsomming voor 
van de »homines miuisteriales prepositi scti Petri Trajec- 
tensis, morantes in Twenthia et juxta Benthem'*. De meesten 
worden verklaard voor ministerialen ingevolge hun bezit 
van een onroerend goed, »ratione bonorum Holeuborge, de 
dictis bonis Hulscore'* ; maar er komt toch ook onder voor 
Nicolaas Albus sine bonis ^). 

Naast de bevoegdheid tot het bezitten van leenen, heb- 
ben de dienstlieden nog een tweede zeer gewichtig voor- 
recht; z^ zitten met den bisschop ter klaring. In 1323 
zien wg Johan van Diest op den Spoelderberg vergaderen 
en ordelsgewijze een regel over tiendheffing stellen met 
»man, dienstman ende steede ende meene land'* ^) Naar 
het Twentsche Landrecht van 1365 a. 11*) »klaart" de 
bisschop alle » wederspraken ordele" »mit mannen ende 
mit dienstmannen ende mit scepen van den steden". In 
1385 bepaalde Floris van Wevelichoven, dat in de »kla- 
ringe" niemand zou zitten, »hi en si man, borchman ofte 
dienstman ons ende onss gestichts van Utrecht" ^j. De 
kring werd dus kleiner, maar de ministerialen bleven er 
toe behooren. 

Zg zaten ook mee ter kamerklaring ^). 



^) Tegenover den heer bewijst hij zijn dienstrecht met twee diendt- 
mannen of met bisschopsbrieven; tegenover een ander bezweert hij het 
met ééne hand. 

^) Yersl. Ebr. 11, 63. Ten bewijze kunnen mede strekken uitspraken 
der kamerklaring van 1505 en 1520 (Overijss. Tijdr. reg. V, 252 — 254 
445). 

^) Kampen, B. v. JR.. 85. 

4) Racer, O. G. IIJ, J8. 

*) Dumbar, K. en W. Deventer I, 564. 

•) Tijdr. Overijss. reg. V. 376. 



( 339 ) 

Een derde voorrecht van groote beteekenis ïs, dat zij 
met andere riddermatigen het forum privilegiatum voor de 
Hooge bank genieten Tot de bevoegdheid van dit ge- 
recht behoorden o. a. de persoonlijke burgerlgke actiën ^) 
tegen ïidellgken (waaronder de ministerialen) en de straf- 
zaken tegen deze, zoo er geen iblyckende schyn" was ^). 

Tn 1495 zien wg eens dienstmans beroep op zijn bijzonder 
gerecht rechtmatig oordeelen en een schout, die onder hem 
beslag had gelegd, in eene boete verwijzen ^), In datzelfde 
jaar daarentegen werd een zelfde beroep afgewezen, waar 
het gold 's Heeren breuke *). Dit mag ons echter niet op 
een dwaalspoor brengen. Het betrof het leggen van eene 
hinderlaag in en voor de kerk te Diepenheim en vrede- 
braak. Er was zeker vblyckende schyn** ^) 

Deze bgzondere bevoegdheid voor dienstlieden-zaken is 
niet van openbare orde. Zg te wier behoeve zij is gegeven, 
mogen er afstand van doen ö). ïn de steden worden zij 



1) Niet de zakelijke. Ook voor de Veluwe werd op de klaring van 
1432 hetzelfde beginsel door ridderen en knechten uitgemaakt (Sande 
Cons. feud. Tract, prael. 5; Riemsdijk, Hooge bank bijl. 6. 8, N. 13. 
Naar het mij voorkomt wordt de hooge bank in het eerste dezer ordelen 
als bevoegd, in het tweede als onbevoegd beschouwd, omdat het in het 
tweede eene zakelijke rechtsvordering geldt. 

De bevoegdheid der Hooge bank was uitgesloten in pandbare zaken 
(Landr. Overijssel 1630, I, 4 a. 3, lO a. 2, Riemsdijk 102 vlg., en op 
de Veluwe in persoonlijke zaken beneden 5 mark, Riemsdijk, Bijl. H. 9. 

2) Landbr. Vernenborg a 24 (Racer O. G III, 45), WinhofP-Chalmot 
366; Landr. 1030, I, 20; Overijss. Tijdr. reg. V. 373, vgl. II, 165. 

3) Overijss. Tijdr. reg. IV, 632. 
*) Aid. IV, 034. 

*J Op de Veluwe hangt met het # forum privilegiatum" samen de re- 
gel, dat dicüstmannen c. q. alleen met den // overpeinder", niet met den 
// onderpeinder" mogen gepand worden. (Vgl. ook Landbr. Vernenborg 
a 7; Racer O. G. III, II). In den loop der XVe eeuw is de klaring 
te Engelanderhoit en daarmede het /'forum privilegiatum" der dienstlie- 
den te loor gegaan. Toen zij eerst lang daarna (vgl. Berns, bl. 70, 
Landbr. 1532, Gone. 1563, Ref. 1593 a 169, Landr. 1604, XXIII, gew. 
1620) werd hersteld, was allengs de aanleiding voor een bijzonder dienst- 
liedengerecht vervallen, omdat in de landgerechten nog slechts de ambts- 
jonkers oordeelden, en zij dus daar liunne gelijken als rechters vonden. 

«) Overijss. Tijdr. reg. IV, 54, V, 201, 313, 343, 505, Wiiihof Chal- 
mot, 366. 



( 340 ) 

zelfs geacht, dit stilzwggend te doen in verschillende ge- 
vallen b, V. te Kampen en Deventer ^) aU zg er brieven 
bezegelen »als een koopman", of »loofnisse doen" of iets 
schuldig zgn voor pacht of magenaas. Te Deventer even- 
eens als zg er eene erfenis willen beuren ^j. Deze uit- 
zonderingen, die de dienstlieden zelven vrijwillig maken, of 
geacht worden toe te laten, doen geen afbreuk aan het 
voorrecht in het algemeen. 

In de vïerde plaats genieten de ministerialen verschillende 
voordeden, onderscheidingen in het proces. 

Zoo gelden te hunnen behoeve bijzondere regelen ten 
aanzien van de dagvaarding. Deze (het »wasteeken") moet 
hun schriftel^k worden overhandigd door den bode met 
twee dienstlieden ^). 

Voor de hooge bank — dus zonder »blyckende schgn" — 
beschuldigd, mogen zg hunne onschuld bezweren, en terwijl 
in geval van doodslag een schotbaar man dit moet doen 
zelftwaalfde, kan een dienstman met zijn eigen eed vol- 
staan ^). Ook in andere zaken kan de dienstman ^; met 
één eed volstaan, terwijl de schotbare er meer behoeft. 
Verder mogen de dienstlieden en hun goed niet worden 
bezet ^) en mogen zy niet voorloopig gevangen genomen 
of tot het stellen van cautie voor hunne vrijlating ge 
dwongen worden 7). 

1) Kampeu, B. v. 11. 50, bl. 20, G. B. bl. 160, 168; Deveuter 1450, 
bl. 143, 1486, bl. 170. 

2) Deventer 1450, bl. 143, 1486, bl. 169. 

3) Overijss. Tijdr. reg. VI, 30 (1381), VI, 49. 54 (1382), IV, 105 
(1384), V, 164 (1502). 

*) Vernenborg a. 16, 25, (Racer O. G lil, 28, 48), Winhoff-Cbalmot, 
146, Verg. Overijss Tijdr. reg. VI, 127 (1385), 151 (1386), 203 (1392). 

*) Vernenborg a. 38, (Racer O. G. III, 73). Eveneens v. d. Bergh, 
Oorkb 11, 506. 

«) Vernenborg, 1365 a. 9, (Racer O. G. JII, V2), Wiaboff-Chalmot 13?. 

7) Vernenborg 1365 a. 30, (Racer O. G.IIl, 64) Winhoff-Chalmot 145. 

Op de Veluve behoefde een geboren dionstman op een klacht wegens 
ir ge walt*' niet tegen een schotbaar man of vrij man terecht te staan. 
Deze moest een dienstmau tegenover hem stellen, //die dat sel ve Verliese, 
dat hij meent te winnen". (Ordel Barneveld 1444, Sande Cons. feud. 
Tr. prael. 6). 



(341 ) 

Een dienstman wordt geacht als voornaam persoon met 
een gevolg te reizen. Wordt eene procedeerende partg in de 
kosten verwezen, zoo z^n deze hooger. naarmate van den 
stand desgenen die tegen hem over staat. Een schotbaar 
man wordt geacht te verschijnen »zelfanderde" met een 
voorspraak, een dienstman zelfderde met een voorspraak, 
een riddermatig hoveman zelfzevende met een voorspraak. 
!)e eersten ontvangen per persoon een maalt^d en een 
»vane*' bier, de tweeden het dubbele, de derden 12 stui- 
vers Brabants ^). 

De dienstlieden genieten eindelijk in Overgsel vrijdom 
van tollen ^) en mogen niet in schatting of koegeld wor- 
den aangeslagen ^). 

Ik zeide, de meeste hunner voorrechten hangen samen 
met den oorspronkelijken band tusschen dienstheer en dienst- 
mannen. De laatste moesten dienen, in het b^zonder den 
heer met de wapenen bijstaan waar deze hulp behoefde, 
zoowel tegen vreemden als — waar noodig — togen hunne 
mede-ministerialen, of, zooals z^ genoemd werden, hunne 
»huysgenooten" (een treffende herinnering aan den tgd, 
toen de dienstlieden samenwoonden in het huis van hun- 
nen heer). 

Hunne rechten hangen zoo nauw met dezen plicht samen, 
dat zij de eersten slechts big ven genieten, zoolang zij zich 
in staat blijven houden, den laatste te vervullen. De Land- 
brief van Phil, van Bourgondië van 1518 zegt in art. 3^): 
>Soe sal elcke dienstman in onsen voersr. lande, die zijm 
dienstrechts geneten loV^ hem rustich ende ten minste een 
reysich peerdt holden, dat sy dan henxt ofte ruine, ende 
wesen daer mede oick bereit mit harnasch, tuych, spere 
ofte andere geweer, als hy daertoe verscreuen ende ge- 
ëischt wordt". 



») N. Ref. Max. v. Ej^mond a. 12, (Racer O. G. Ill, 250). 

2) Verueuborg 186.5 a 43 (Kacer O. G. III, 80; Winhoff-Chalmot 147). 

3) Verueuborg 1365 a. 28, (Racer O. G III, 58). 

^) Verueuborg '365 a 2, 4 (Racer O. G. UI, 5 6), 
»j Racer O G. IJ!, ^09. 



(342) 

Tegenover den steun dien hy heeft te verleenen, staat 
die, welken hg heeft te vorderen van zgn heer — ook met 
de wapenen en in zgne sloten, zoo de weg van rechte niet 
open staat. 

Wat dezen weerkeerigen steun aangaat en wat nagenoeg 
alle andere voorrechten betreft, staat de ministeriaal met 
den edelen leenman gelgk. Daarom naderen zg elkaar meer 
en meer en vormen a. h. w. één stanJ tegenover de »scot- 
baren" ^). De stedelingen van den tijd zien zoo weinig 
onderscheid, dat de stellers van het Kamper Digestum Vetus 
in de 15de eeuw kunnen schrijven^): »een belient man is 
een dienstraan". Voor hen zgn de leenmannen en dienst- 
mannen gelgkelgk de voorname, bevoorrechte heerendienaars. 

De ministerialenstand bleef een geboortestand. Maar ik 
herhaal, de nadeelen van den stand kwamen hier te lande 
vóór en in de ISde eeuw zoo goed als geheel te vervallen ; 
omstreeks denzelfden tijd werJeu er daarentegen voordeden 
en voorrechten aan verbonden, die de ministerialen maakten 
tot personen van aanzien, in eigen en anderer schatting 
ver boven de gemeene vrijen verheven. 

Bij een ministeriaal kon moeilyk de wensch opkomen, 
de betrekking te verbreken, die hem Jat aanzien gaf. Zoo 
het hem al niet vrgsiond, het eigenmachtig te doen, hij 
kon dit bezwaarlijk als eene onvrijheid beschouwen. En 
feitelijk stond het hem ongetwijfeld vrij. De heer had bij 
zgne dienstlieden steeds minder belang, eji verloor hij er, 
er waren altgd vrijen bereid om dienstrecht te winnen, te 
koopen zelfs. 



^) Van daar dan ook, dat b. v. in 1476 eene beleening met een Stichts 
leen plaats heeft, niet ten overstaan van leenmannen alleen — zooals 
streng genomen zoa zijn te verwachten — maar van mannen en dienst^ 
mannen (üverijss. tijdr. reg, IV, 281). 

2) bl. 33. 



DE JONGSTE GEDAANTEVERWISSELING DER 
HOMERISCHE KWESTIE, 



DOOB 



H. J. POLAK. 



-«--<«>-<^ 



I. 

Mijn aanvang zij een captatio benevolentiae, niet voor 
het onderwerp, maar voor den spreker. Wat ik U wenschte 
mede te deelen aangaande de zaak, die ik mg veroorloof 
onder de aandacht dezer Vergadering te brengen, bereikt 
U, door omstandigheden van mijn wil geheel onafhankelijk, 
veel vroeger dan ik me had voorgesteld. Ik miste den 
moed, mij te kunnen onttrekken aan de dringende uitnoo- 
diging van onzen Secretaris. Ik had, zoo ge wilt, de zwak- 
heid, mijne werkkracht te overschatten. Moge deze beken- 
tenis Uw oordeel over mijne ontwyfelbare tekortkomingen 
eenigszins zachtmoedig stemmen ! 

Over de keuze van mijn onderwerp daarentegen, eenige 
beschouwingen omtrent de jongste fase der Homerische 
kwestie, maak ik geenerlei verontschuldiging. Homerus, 
zeide voor ruim tien jaar Wilamowitz aan het slot zyner 
Homerische Untersuchungen^ Homerus is tegenwoordig geen 
veelgelezen dichter meer. »Homer ist eine macht, aber 
eine überwundene. Selbst die philologen kennen ihn meist 
so schlecht wie die frommen die bibel. x^ber die homeri- 
sche frage ist populär" ^). De eerste helft der bewering 
blijve ter verantwoording van den in bijtende puntigheden 
zwelgenden zegsman. Maar van de waarheid zijner slot- 
woorden behoef ik noch mij zelven, noch, naar ik meen, 

YESSL. BN MED. AFD. LETTERK. 3<ie SEEKS D££L XII. 23 



344 

TJ te overtuigen. De homerisclie kwestie, dat verbaste- 
rende, dat tergende, dat proteus-achtige vraagstuk, trekt 
aan met de onweerstaanbare aantrekkingskracht van een 
raadsel, waarvan niet alleen de eindoplossing telkens aan 
ons denkvermogen ontglipt, maar welks gedeeltelijke oplos« 
singen onfeilbaar blijken weer nieuwe, onverwachte raadse- 
len in hun schoot te bergen. Het is als de vervolging der 
droomenden in de Homerische vergelijking. 

Zoo heeft de ervaring eener eeuw geleerd, bescheiden te 
zijn in beloften gelijk in verwachtingen. Ook de beide 
werken, die van myne beschouwingen, — laat ik het aan- 
stonds zeggen, van myne bloot negatieve beschouwingen, — 
het uitgangspunt vormen, de twee laatstverschenen geschrif- 
ten over het onuitputtelgke onderwerp, bieden zich geens- 
zins aan als verkondigers van iets afdoends en on ïif wijsbaars, 
zg trachten alleen langs andere dan de tot dusverre inge- 
slagen wegen tot een bevredigende eindoplossing by te dra- 
gen. De beide boeken die ik op het oog heb, »t^ï'e Eid- 
stehung der homerischen ö^rfiVÄ^e" van Louis Erhardt, in 1894 
versehenen, en Paul Cauer's ^^^ Grundfragen der Ilornerkritik,^^ 
welks slotwoord de tgdsbepaling : »februari 18U5'* draagt, 
zgn, gelyk namen . en titels uitwigzen, vruchten der Ger- 
maansche wetenschap. Dat spreekt van zelf. Gormanie heeft 
een eeuw geleden den stoot gegeven, en geen Duitsch be- 
oefenaar der klassieke oudheid die zich respecteert acht 
zich verantwoord, tenzy hy er in slaagt een nieuw, kan 
het zijn, een onfeilbaar recept uit zijn vestzak te voorschijn 
te tooveren. Zelfs Seeck, historicus van professie, meende 
zich niet beter voor zyn academische lessen te kunnen 
voorbereiden, dan door in een boekdeel van 420 bladzijden 
groot octavo het zijne over de bronnen der Odyssee te zeg- 
gen. Onnoodig te doen uitkomen dat zijn onderzoek hem 
tot resultaten bracht, die hem »mit Staunen, ja fast mit 
Schrecken erfüllten.'* En ook Cauer, in deze stof door- 
kneed, man van bezadigdheid evenzeer als van bartstochte- 
looze logica, ook Cauer komt in zijne Grundfragen^ die met 
hun veelszins technische besprekingen over grammatische^ 
orthografische, tekstcritische punten een altijd belangwek- 



345 

keüde, maar doorgaans weiuig boeiende lectuur bieden, een 
oogenblik er toe terug te schrikken voor eenige gevolg- 
trekkingen, — niet de zijne, — die naar hij meent nood- 
zakelyk uit door hem als waar aangenomen praemissen 
voortspruiten. Maar het voegt den man, niet te sidderen. 
Laten we dus wat vooral hij in het midden brengt met 
kalmte onder de oogen zien. 



II. 



Dat Ilias en Odyssee in hun tegenwoordige gedaante, elk 
afzonderlijk en beide te zamen, het werk z^n van één, en 
van denzelfden dichter, van een dichter die aanhief met iiriviv 
asiös Ö€«, en die, tot cog ot y' aiKpisJtov xdipov "E)croçog 
iütjtoödnoio gekomen, na in tien- of twintigjarige rust 
nieuwe kracht en moed verzameld te hebben, zich ten tweeden 
male tot de epische Muze wendde met avÖQa fioc ervç.TÇ, 
MovOa, om, eindelijk bg MévroQi FSiöonévri n^iiêv öé^aq 
r^öè x«l avör^v aangeland, opnieuw en thans voorgoed te 
zwijgen, — dat gelooft tegenwoordig zeker niemand meer, 
met uitzondering misschien van den heer A. Bougot ^). 
Dat de Ilias gaandeweg geworden is wat ze nu is, en wat 
zij voor lezers en hoorders sints de dagen van Socrates, 
Aristophanes en Plato was : dit ééne hoofdresultaat staat, 
bij alle verschil omtrent de onderdeden, voor de thans 
levende deskundigen onwrikbaar vast. Daarnevens dit 
andere, dat de Ilias als geheel ouder is dan de Odyssee en 
van verschillende herkomst. Ook hieromtrent denkt men, 
de sporen volgende van die scherpzinnige ouden welke de 
Chorizonten heeten, nagenoeg eenstemmig. De dankbaarheid 
gebiedt te erkennen, dat wij deze beide resultaten verschul- 
digd zijn, niet uitsluitend, — ook Nederland en Engeland 
hebben, en niet te vergeefs, hun stem doen hooren, ^^ 
maar toch in de allervoornaamste plaats aan de Duitsche 
philologie. Vandaar ging de eerste aandrang uit. Vandaar 
kwamen de grondslagleggende theorieën, door toepassing 
waarvan de thans verkregen slotsom gaandeweg werd be- 
reikt. Daar werd de Kleinlieder-theone uitgedacht, daar 

2Ô* 



( 346 ) 

de leer der Ur-Iliaa vernomen ; daar werd de stelling van 
interpolatie op groote schaal en almede die van opeenvol- 
gende lagen verkondigd. Geruimen tyd kwam het leeuwen- 
deel dezer overpeinzingen voornamelgk der Ilias ten goede. 
Instinctmatig begon men met wat mg, in tegenstelling met 
Grote ^), het gemakkelgkste der beide problemen dunkt. 
De uitkomst noemde ik. Maar hoe stond het met de 
Odyssee? Is deze, anders dan de Ilias, afgezien van een 
betrekkelyk gering aantal interpolaties, reeds door de 
Alexandrijnsche critici met den oßeXog geteekend, afgezien 
ook van den jongeren oorsprong der twee — nauwkeuri- 
ger gezegd, der anderhalve — laatste boeken, door Aristo- 
phanes en Aristarchus insgelijks reeds verworpen, — is met 
uitzondering hiervan de Odyssee, als het product van een 
lateren, in de techniek der dichtkunst meer geoefenden tyd, 
in haar tegenwoordige gedaante een organisch en 
ongewyzigd tot ons gekomen geheel? 

Heel wdt langer dan de Ilias gold zij als zoodanig. 
»(Odyssea), cujus admirabilis summa et compages pro prae- 
clarissimo monumento Graeci ingenii habenda est," had een 
eeuw geleden Wolf verklaard, en het is hem op allerlei 
toon vaak nagezegd. Nog in 1853 liet Ludwig Friedländer 
zich in geheel gelijken geest uit. »Ware de Odyssee alleen 
ons bewaard gebleven,'* zegt hij, »misschien ware dan nooit 
de vraag naar hare eenheid opgeworpen geworden. Want 
een weldoordachte samenstelling, een samentrekken aller 
belangstelling op één hoofdpersoon, die aan- en afwezig 
het middelpunt der handeling blijft, aan wien alle voorval- 
len en alle andere personen ondergeschikt zijn, op wien 
alle betrekking hebben, — deze eigenschappen kunnen ook 
door den oppervlakkigen lezer der Odyssee niet over het 
hoofd gezien worden'' ^'). Bijna gelijkluidend zijn de woor- 
den van Grote ^) en van Bergk ö), ofschoon de laatste 
— zij het ook, zooals wy nu oordeelen, op bescheiden 
schaal — de integriteit der overlevering althans in twgfel 
trok. Een zijner bezwaren, door Kirchboff ter wille zyner 
theorie ter zijde gelaten 7), maar door von Hartel reeds vóór 
hem geopperd, ^) dunkt mij bijzonder geschikt om een 



( 347 ) 

denkbeeld te geven van wat voor oneffenheden bij scberpör 
toezien er inderdaad schuilen onder het zoo gelijkmatig 
gladde oppervlak dezer poëzie. Als in het 8e boek Areto, de 
Phaeaeische koningin, de voor Odysseus bestemde geschen- 
ken netjes heeft ingepakt, noodigt zij den gast uit zelf 
voor de sluiting te zorgen, jivroq vvv fiöe jrcofi«, âoœq 
ö' êjtl öso'iióv ïriXov^ \ fi?f rCç roi zaâ' oöov (ftiXrlaeraif 
o^TTJt CT6 xi'avTe I svörjada yXvzvv vjtvov iaiv èv vrfi iieXaivrj. 
{O 443 seqq ) De aansporing der koningin is onverklaar- 
baar, het door haar gebezigde avrs eenvoudig onbegrijpe- 
lijk, tenzij men met v. Hartel en Bergk aanneem b, dat ze 
er eene fijne zinspeling mede bedoelt op het ongeval, haar 
gast na z:gn vertrek van Aeolus overkomen, toen tydens 
zgn slaap zijn makkers den zak met winden openden in de 
meening dat hij verborgen gehouden schatten bevatte. Doch 
deze episode is haar in de bestaande redactie alsnog onbe- 
kend ; ze verneemt die eerst later, als onderdeel der 'AXtcivov 
ajtóXoyoi. Derhalve valt m. i. niets af te dingen op de slot- 
som, waartoe Bergk hier komt: dat dit gansche gedeelte 
van het 8e boek, oorspronkelyk bestemd om op de ^AXzivov 
autóXoyoi (9e — 12e boek) te volgen, eerst later door uitbrei- 
ding en omwerking van 6 daarvoor is geraakt. Wat hier 
ontwijfelbaar is geschied kan meer hebben plaats gegrepen, 
heeft inderdaad plaats gegrepen. Maar waar blijft de admi- 
rabilis compages? »Es stünde schlimm um Griechischen geist 
und rühm," wanneer Wolfs lofspraak zonder voorbehoud 
gelden moest, oordeelt dertig jaar vóór Bergk Immanuel Bekker. 
Hg zegt het aan het einde eener korte, maar vinnige en 
spitsvondige aanwijzing van veel gebrekkigs in de dictie van 
den sedert druk besproken aanhef der Odyssee, en van veel 
berispelijks, veel onverklaarbaars in de oeconomie van het 
geheel ^). En inderdaad, — ik neem opzettelijk kleine trek- 
ken, bij Bekker niet aangevoerd, — is het niet opvallend 
hoe dikwijls Athene noodeloos in de handeling ingrypt? 
Hoe dikwijls Penelope doelloos tot de minnaars afdaalt? 
Hoe dikwijls ze, op elk uur van den dag en den nacht, 
om haar verloren echtgenoot krijtende in slaap valt? Hoe 
onbehoorlijk vaak Odysseus in zgn kwaliteit van bedelaar 



( 343 ) 

scheldt op zijn yaörr^Q avaXroq*i Met andere woorden: 
hoe vaak een zelfde motief aangewend en verbruikt wordt 
tot het slechts ontstemming wekt? Steeds vrijpostiger 
dringen deze vragen zich op : is de Odyssee overprezen ? 
Of is de vorm waarin w^, en reeds de tijdgenooten van 
Pericles, het gedicht kennen, niet meer de oorspronkel^ke? 
Is niet misschien, evengoed als van de Ilias, de aanvanke- 
Igke conceptie door uitbreiding op vele punten gew^/igd? 
Het antwoord op deze vraag gaf Adolf Kirchhoff i°). 
Naar zgne zienswgze is de Odyssee in hare ons bekende 
gedaante niet de afgeronde (»einheitliche"), desnoods hier 
en daar door interpolaties misvormde, schepping van één 
enkelen dichter; ook niet een verzameling van oorspronke- 
Igk zelfstandige liederen uit verschillende t^dcn en van ver- 
scheiden samenstellers, mechanisch aan een chronologischen 
draad geregen; zij is veeleer de in betrekkelgk laten tgd 
ontstane, naar een bepaald plan (»planmässig") uitgebreide 
bewerking eener oudere en oorspronkelijk eenvoudiger kern, 
die zelve al evenmin enkelvoudig is. Zoo acht h^ onze 
Odyssee samengesteld uit een ouderen en een jongeren 
iVoötoc, de eerste het verhaal bevattende van Odysseus' 
terugkeer naar Ithaca, — vóötog in den eigenleken zin 
des woords, — de tweede zijn wraakneming op de min- 
naars zijner echtgenoote. — de riOig, — beide later uit- 
gebreid door aanhechting van twee omvangrgke, en zoo 
goed mogelijk tot een geheel vereenigd door middel van 
24 ietwat kleinere toevoegselen. De oudere Nostos behelst 
Odysseus' vertrek uit Ogygia, zijn schipbreuk, komst bij de 
Phaeaken, zijn ontvangst aldaar, eindelijk zijn wegzending 
met een hunner wonderschepen ; derhalve den inhoud van 
a 1—87, zich aansluitende by s 43, en vandaar af, natuur- 
lijk met verwijdering van heel wat latere inschuifselen, 
daaronder het gansche 8e, 10e en 12e boek, en met ver- 
plaatsing van het 9®, voortgaande tot het 13e boek vs. 
184: cog 'e(paß\ oï (feÖFBKXav, btoiiidaaavro öè ravçovç» 
Dit oudste gedeelte, >ein ursprünglich Einfaches, das eine 
weitere Analyse nicht zulässt", is echter niet te beschouwen 
als een episch volkslied in den gewonen zin des woords, 



( 349 ) 

tnaar behoort alreeds in de periode van den zicli ontwikke- 
lenden kunstvorm der epopee. De dichter, »obwohl ur zwei- 
felhaft auf dem Grunde volksthümlicher Ueberlieferung ste- 
hend/' is ten opzichte van den vorm volkomen onafhanke- 
lijk en een meester in zyn kunst. De jongere Nostos zingt 
van Odysseus' aankomst op Ithaca, zijn oponthoud, als bede- 
laar veranderd, bij Eumaeus en te midden der hem honende 
minnaars, zijn eindel^ke wraakneming, zijn herkenning door 
zoon, getrouwen, en echtgenoote; dus omvattende het ver- 
haal van V 185 af; g; enkele regels van o] Jt; stukken 
van ()\ grooteudeels (T, r, v, g), x? eindelijk ip 1 — 296: 
aöjiaöioi XéüTQoio jraXaiov ûeoiiov Ikovro. Dââr zag hy, 
gelijk in de oudheid Aristophanes en Aristarchus, het einde 
der Odyssee. Dit tweede, jongere deel, stellig nog vóór 
den aanvang der eerste Olympiade gedicht, veronderstelt het 
eerste dat het beoogt aan te vullen en voort te zetten, »ist 
also nie selbständig gewesen," en een gewrocht van veel 
geringer poëtische waarde. De dichter beheerscht zijn stof, 
door hem uit een aantal epische volksliederen geput, slechts 
onvolkomen; allerhande tegenstrydigheden en duisterheden 
komen te zijiién laste. Desniettegenstaande is de versmel- 
ting der door hem gebezigde liederen althans zóó ver ge- 
vorderd, »dass eine Ausscheidung und Reconstruction der- 
selben für uns völlig unmöglich ist.". Gezamenlyk vormen 
deze twee Nosten »die ältere Redaction," de gedaante van 
het epos vertegenwoordigende tot op de 30e Olympiade, 
ongeveer 650 v. Chr. Tusschen de 30e en 50e Olympiade 
is alsnu de omvang van het gedicht door een onbekenden 
bewerker meer dan verdubbeld. Het dijde zoo uit door 
verveelvuldiging der gebeurtenissen tijdens Odysseus' ver- 
blijf bij de Phaeaken; maar nog meer door de toevoeging, 
natuurlyk hier en daar door omwerking en afkapping aan het 
hoofdgedicht aangepast, van twee oorspronkelijk zelfstandige 
epen. Kirchhoff maakt zich sterk »bis zur Evidenz" te kunnen 
bewijzen, dat de episode van Circe met al wat daaromheen 
is, Aeolu:^, de Laestrygonen, Sirenen, Scylla en Charybdis, 
het nuttigen der zonnekoeien, de gevolgde schipbreuk, — 
dat dit alles, thans de inhoud van x fi, een brokstuk is 



( 350 ) 

Van een anderen, eenmaal zelfstandigen Nostos, aanvan- 
kelijk in den 3en persoon gedicht, en door den bewerker, 
lang niet altijd met talent, in den Icn persoon omgezet en 
met de EvTcXoijieia verbonden. De rol, die Calypso in den 
ouderen Nostos speelt, was in dit epos toebedeeld aan Circe; 
thans zgn beide gelgksoortige motieven nevens elkander ge- 
plaatst. De tweede groote inlassching is die der Telemachie, 
insgelgks in den aanvang een zelfstandig dichtsfcuk, bekend- 
heid evenwel veronderstellend met de beide deolen van den 
Nostos, door den bewerker van een dichterlek zeer laag 
staanden aanhef, — het tegenwoordige eerste boek, — 
voorzien, -»jedenfalls älter als der Anfang der Olympiaden 
und das kyklische Epos." Gelijk het echte begin, zoo is 
ook het slot en daarmede een vermoedelijk niet onaanzienlijk 
gedeelte de^- Telemachie verloren gegaan. Doch de criti- 
cus is geneigd aan te nemen »dass die Erfindung auch in 
diesem Theile nur mager war, und dass der Dichter den 
Telemachos bei seiner Heimkehr den Odysseus zurückge- 
kehrt, die Freier getödtet, kurz alles beendet finden liess." 
Stoplappen aan het begin van het 5^ en van het 15^ boek 
hechten op allesbehalve handige manier dit aanvankelyk 
vrije verhaal aan de hoofdhandeling vast. Op deze onbe- 
holpenheid des bewerkers had Imm. Bekker reeds kortelgk 
de aandacht gevestigd ^^). 

Zoodanig is, in grove omtrekken natuurlijk, de theorie 
van Kirchhofif. Wij vinden haar ontwikkeld in z^n: die 
Homerische Odyssee und ihre -EVi^fi/eAwn^ van 1859, juist twin- 
tig jaar later onder nagenoeg gelyken titel, met slechts ééne 
wyziging van gewicht ^^), herhaald en waar noodig nader 
toegelicht. Eene sensatie, te vergelgken met die, welke 
eenmaal de Prolegomena te voorschijn riepen, maakte ze niet. 
De philologie was er intusschen aan gewoon geraakt, vooral 
in zake Homerica, van geen klein geruchtje te ontstellen. 
Doch bestrijding, en vaak ruwe en bitse bestriding, van 
zoo diep in het organisme der bestaande Odyssee ingrijpende 
hypothesen bleef niet uit. Men had zich, vooral in Duitsch- 
land, gewend die gedeelten der beide epen, waartegen men 
»esthetische of redactioneel e bezwaren had, met den naam. 



(351) 

van Fûllstûcke, de veronderstelde dichters ervan met dien 
van FlicJcpoet te vereeren. Waarom zou men tegenover 
moderne voordragers van mishagende veronderstellingen be- 
leefder zijn ? KirchhoflF werd dan ook tegengesproken, ge- 
lyk hijzelf met voornamen eenvoud zeide, mèt en zonder 
smaak ^^j. Ik laat die ouderen, laat zelfs Bergk hier 
rusten, om slechts even te verwglen bij de reeds vroeger 
door my ter sprake gebrachte, merkwaardige tegenwerpin- 
gen van Grote, inderdaad een bestrijding bij anticipatie, 
want ze werden te boek gesteld in 1849, juist tien jaren 
voordat Kirchhofs theorie in haar eerste gedaante het licht 
zag. »Indien de Odyssee geen oorspronkelijke eenheid vormt," 
zeide Grote, »uit welke zelfstandige deelen kunnen we dan 
veronderstellen dat ze bestaat ? Op deze vraag valt het 
raoeiel^k een bevredigend antwoord te bedenken : want de 
veronderstelling dat Telemachus en zijn lotgevallen eens het 
onderwei^ kan hébben uitgemaakt van een afzonderlijk epos^ 
afgescheiden van Odysseus, schijnt niet in overeenstemming met 
het karakter van dezen jongen man, zooals hij in de Odyssee 
geschilderd wordt en met de gebeurtenissen waaraan hij daarin 
deelneemt. Beter zouden we ons de lotgevallen van Odys- 
seus zelf in twee deelen verdeeld kunnen denken: het eene 
zign dwaaltochten en terugkeer bevattende, het andere zyn 
mishandeling door de minnaars en zijn eindelijke zegepraal. 
Maar ofschoon elk dezer beide onderwerpen stof genoeg 
ware geweest voor een atzonderlijk gedicht, is het niettemin 
zeker, dat, zooals z^ thans in de Odyssee worden voorge- 
steld, het eerste niet van het laatste gescheiden kan wor- 
den. De enkele terugkeer van Odysseus kon, zooals het 
epos nu in elkander zit, niemand als een bevredigend slot 
voldoen, zoolang de minnaars in het bezit van zyn huis blij- 
ven als een hinderpaal tot zijn hereeniging met zijn echtge- 
noote. Een gedicht dat alleen zyn dwaaltochten tot onder- 
werp had, moest zyn hereeniging met Penelope en weer- 
inbezitneming van zijn huis hebben voorgesteld als onniiddellyk 
volgende op z^n aankomst in Ithaca, zonder van de minnaars 
te gewagen. Maar dat zou een kapitale vermin- 
king zijn van het tegenwoordige epische ver- 



( 352 ) 

haal, hetgeen de minnaars op Ithaca als een 
hoofdbestanddeel beschouwt van het noodlot 
ran den v eelduldenden held, niet minder dan 
zijn schipbreuken en zijn beproevingen op zee. 
Er is geen houdbaar rustpunt tusschen Odysseus' vertrek 
van Troje en zyn onbetwist bezit van vrouw en kind. Wel 
kan de tusschenruimte tusschen de t#ee voorvallen verwed 
worden door nieuwe beproevingen hem op- en in den weg 
te leggen, maar een ig afzonderlek deel daarvan 
kan niet anders worden beschouwd dan als een 
onderdeel van het geheel".^*) Treffend inderdaad, 
deze polemiek ex ante facto tegen drie der vier door Kirch- 
hoff aangenomen eenmaal zelfstandige epen, tegen zijn Tele- 
machie, zijn ouderen vóaroc, zijn jongeren vóoroc l Nog 
treffender, dat reeds bij voorbaat afkeurend gewezen is op 
een eerst na Kirchhoflf gekomen overdrijving zijner zienswgze ! 
Wel een bewys, hoezeer ook in de philologie nog onuitge- 
sproken stellingen als het ware in de lucht zitten, en mannen 
van beteekenis zelfs van slechts vluchtig aangeduide denk- 
beelden aanstonds de verreikende gevolgen doorzien. Trouwens 
een en ander van wat Kirchhoff leeraarde was reeds ver- 
kondigd door Thiersch en in Wilhelm MüUer's Homerische 
Vorschule, mij slechts uit Grote's aanhalingen bekend, en 
op zeker niet minder hadden Gottfried Hermann en Imma- 
nuel Bekker gewezen ^^). 

En toch blyft Kirchhoff's theorie terecht z ig n e theorie. 
Nooit was voor hem zoo volledig, zoo samenhangend, zoo 
klemmend het geheele vraagstuk der samenstelling uiteen- 
gezet, nooit was met zooveel scherpzinnigheid en over- 
stelpende detailkennis de bewijsvoering tot in alle b^zon- 
derheden doorgedrongen. Dàt was wel de arbeid van den 
mede-ontwerper der eerste Urabrische grammatica, van den 
grondlegger der geschiedenis van het Grieksche letterschrift, 
van den eersten critischen uitgever van den Euripides-tekst. 
Hier sprak de menschgeworden logica in de aanteekeningen 
en excursen den lapidairstgl der zich voelende geestesaris- 
tocratie, bondig maar zonder onfeilbaarheidsvertoon. >Ik 
ben niet naief genoeg te gelooven'*, zoo eindigt het Vorwort 



( 3S3 ) 

der laatste bewerking, » dat op den grond van onderzoekin- 
gen als de hier voorliggende ooit tot volledige zekerheid en 
overeenstemming in alle bijzonderheden te geraken is." 

De jongeren onder de Duitsche philologen lieten zich dit 
geen tweemaal zeggen. Maar terwgl zij Eirchhoff's ziens- 
wyze bestrijden, herzien, hervormen, staan ze allen — en 
zij erkennen het — op zijn schouders. Hun afwijkende 
gevolgtrekkingen gaan uit van zijne praeoiissen. En zy 
dragen die afwijkende inzichten op aan — »Adolf Kirch- 
hoff, in dankbarer Verehrung!" 

De eerste dezer bestrgdende voortzetters, of voortzettende 
bestrijders, was ßenedictus Niese in zijn Entioichelung der 
Homerischen Poesie van 1882. Een zonderling boek! Vol 
schitterende hypothesen en » Ungeheuerlichkeiten*', — het 
woord is van Wilamowitz ^^). Hij verkondigde daarin als 
zijn gevoelen, — zooveel ik weet bleef hij raèt dit gevoelen 
alleen staan, — dat de epiek van den Trojaanschen oorlog 
geen sage achter zich had, dat integendeel deze zooge- 
naamde sage bloot de schepping was der Aoeden die haar 
in lied brachten. Niet minder persoonlijk bloef eveneens 
dat andere denkbeeld, dat telkenmale die gedeelten der 
beide epen het oudst en het oorspronkelgkst zyn, waaarin 
de kortste, meest schematische voorstelling heerscht. Juist 
daarin ziet hij de »meesterstukken der verhalende kunst". 
En eindelijk dit derde, dat aan de oorspronkelijke handeling 
der Ilia-i de godenwereld zoo goed als vreemd is. Ten opzichte 
dezer drie paradoxen is men eeudrachtiglijk overgegaan tot 
de orde van den dag. Algemeener instemming verwierven de 
stellingen, — trouwens slechts in bescheiden mate de zijne — 
dat de beide gedichten mondeling waren geconcipieerd en 
voortgeplant, dat hun taal een kunsttaal was, en dat geen 
van beide een oorspronkelgke eenheid vormde. Omtrent 
de samenstelling der Odyssee denkt Niese in hoofdzaken 
als volgt. Op twee punten verschilt hy met Kirch hoff van 
inzicht. Voor hem is de Telemachie nooit een zelfstandig 
epos geweest, maar de bewuste uitbreiding van een aanvan- 
kelijk eenroudiger gege\ren. Zijn argumenten ten negatieve 
zgn geheel die van Grote, dien hij niet kent cf althans niet 



( 354) 

hóemt. Gelyk Grote zegt ook hij : »uur in der heutigen 
Odyssee ist die Telemachie begründet und eine andere Mo- 
tivirung ist für sie nicht denkbar", (bl. 148). Evenmin geeft 
hij Kirchhoflf toe, dat de oude Nostos met den blooten 
terugkeer van Odysseus naar zyn vaderland kan geëindigd 
hebben. Ook hier zijn zijne beweegredenen die van Grote. 
Een terugkeer zonder meer, een slapend te Ithaca aan land 
gezet worden, — dat is geen betamelijk slot voor een »so 
künstlerisch ungelegtes Gedicht". Doch het onbewuste 
bondgenootschap met den Engelschen geschiedschrgver van 
Hellas reikt niet verder dan de bestrijding. Niese construeert, 
en hij doet dat met de noodige onvervaardheid. Zijn uitgangs- 
punt daarbij vindt hij in een opmerking van Kirchhoff, dat 
in de tweede helft der Odyssee de held onkenbaar is ge- 
worden, in het meerendeel der gezangen ten gevolge eener 
betoovering van Athene, die hem in een ouden, haveloozen 
bedelaar herschept, terwijl in twee op zichzelf staande too- 
neelen een verandering langs natuurlijken weg ontstaan 
wordt verondersteld, de vanzelf sprekende uitwerking van 
jarenlange afwezigheid en wederwaardigheden. Die twee 
tooneelen, waarvan het eerste thans zoo goed als buiten 
de handeling staat, het andere in den tegenwoordigen samen- 
hang vrij wel onverklaarbaar blyft, zijn het onderhoud van 
den nog niet berkenden Odysseus met Penelope in het 19de 
(t 100 — 31G), en de herkenningsscène met haar in het 23ste 
boek. (tp85 seqq.). In die twee tooneelen, die hg alsnu 
om de gemeenschappelijke, van de rest afwijkende veron- 
derstelling die er aan ten gronde ligt aaneenhecht, ziet 
Niese een belangrgke vingerwijzing ter constructie van een 
ouder verloop der Odyssee. Hij besluit er uit dat aanvan- 
kelijk mondgesprek en herkenning der beide echtgenooten 
onmiddellijk op elkander volgden en vereenigd het passende 
besluit van den ouden Nostos vormden, dat hij in Kirchhoff's 
constructie zoo noode gemist had. En de tó^ov âéoiç, de 
/uvriörriQocpoviaj die tusschen beide in liggen? Die voor- 
vallen hangen onverbrekelgk samen met de Telemachie, de 
Telemachie is een secundaire schepping , — derhalve . . . 
Derhalve kende de oudste Odyssee geen ró^ov Oéaiq, geen 



( 355 ) 

lAVYiôtriQog)OVial Even mogelijk als hun moord, is dat de 
minnaars — geen helden, voorwaar! — zich verstrooien 
zoodra de gemaal is teruggekeerd. »Jedenfalls würde dieser 
Abschluss der Odyssee 7i{cht minder befriedigend sein als der 
jetzige'* (bl. 164). Kostelyk inderdaad! Dit is het — en dit 
niet alleen — wat Wilaoiowitz terecht van Niese's »unem- 
pfanglichkeit für die sage'' deed spreken. Ik zou h^t nog 
liever kenschetsen als volslagen gemis aan poetischen zin. 

Een andere Odyssee, naar deze gegevens geconstrueerd, 
kan zeker niet gezegd worden aan volbloedigheid te lijden. 
Laten we ons even helder maken, wat daarin al ontbrak. 
De Telemachie, niet slechts a tot en met d, maar ook de 
verbinding met de eigenlijke Odyssee in o; verder natuur- 
lijk het slot van het 23ste en het geheele 24ste boek; 
voorts alles waar sprake is van Telemachus, van minnaars- 
moord of voorbereidingen daartoe ; met andere woorden, op 
twee stukjes na de gansche tegenwoordige tweede helft, 
van V tot en met (o ; immers, »im ganzen und grossen 
bilden die Bücher 13—22 eine Gruppe deren Th eile vo 72 J 7i- 
fang an für einander bestimmt sind^^ (bl. 157). Telemachus, Men- 
tor, Laertes, Euryclea, Nestor, Pisistratus, Menelaus, Theo- 
clymenus, Eumaeus, Phemius — oru slüchts enkelen te noe- 
men — allen après coup ingevoerd ! Allen vreemd aan het 
oorspronkelijke epos ! Komt het verwijderen van al deze 
epische figuren waarlijk ten goede aan het »kunstvolle" der 
compositie? Doch wij zijn er nog niet aun toe, met volle- 
dige kennis van zaken kritiek te oefenen. 

Want ook dit magere overschot, Niese's Ȋlteste Odyssee", 
is hem blijkbasir nog te lijvig. Verwij'lerd worden dus 
bovendien achtereenyolgens de Péxvc«, — want ze is onge- 
lijkmatig en veronderstelt Telemachie en minnaarsmoord ; 
Calypso, — want het verhaal is uitvoerig, en Niese's oudste 
Odyssee-dichter was kort, vooral kort ; hij zong in lapidair- 
nog juister, in telegrammenstijl, en daarenboven, de toorn 
van Poseidon, die in dit gedeelte zich openbaart, behoort 
niet onder de motieven der oudste Odyssee. Zoo dient 
ook de Cyclopie te vervallen , immers, ook zij is uitvoerig — 
horribile dictu! — en vooral het slot biedt moeilijkbeden. 



( 356 ) 

Voorts is de Circe-episode verdacht, en het verhaal aangaande 
het verblijf bij de Phaeaken heeft zeker omwerkingen onder- 
gaan. Wat blgft er alzoo overig ? Laat ik het hoofdza- 
kelijk met zijne eigen woorden zeggen. De » älteste Odyssee" 
begon dan met de aankomst van den held by de Phaeaken, 
na een schipbreuk, doch van Thrinakia uit, niet van Ogy- 
gia; daar verhaalde hij van zijn lotgevallen bg deCiconen, 
de Lotophagen, Aeolus, de Laestrygonen en op het zonne- 
eiland; daarna geleidden de Phaeaken hem naar Ithaca, waar 
zgn echtgenoote hem ras erkende, haar minnaars glings een 
goed heenkomen zochten, en waar voortaan alles was pour 
le mieux dans le meilleur des mondes ^'7). Een »kunstvolle" 
compositie, — dit geraamte! Quis neget? 

Wij wenden ons tot Wilamowitz, wiens Homerische Un- 
tersui'hungen twee jaar later, in 1884, het licht zagen. Wi- 
lamowitz nam van Niese één »ontdekking" over: dat op 
de samenkomst van den alsnog niet herkenden Odysseus met 
zgn gemalin in het 19de boek onmiddellijk zijn herkenning 
door haar volgde. Het meerendeel van zijns voorgangers 
verdere stellingen bestreed hy direct of indirect. Direct 
verwierp hy onder meer Niese's hypothese van een Odyssee 
zonder Telemachus, met Penelope als kinderlooze weduwe, 
door minnaars omgeven, in de woning van haar verdwenen 
gemaal ongehinderd vertoevende. Belachelijk vond hij, gelijk ik 
het vind, het denkbeeld eener Odyssee zonder {ivriOrri^otpovia : 
de minnaars, gelijk welopgevoede lieden betaamt, zich beschei- 
den terugtrekkend voor den wettigen heer van vrouw en 
land 18). 

En overigens bouwde hg voort op den door Kirchhoff 
gebaanden weg. Suo iure, — et suo more. In kennis en 
scherpzinnigheid Kirchhofif's evenknie, in alle andere opzich- 
ten zgn tegenbeeld. Kirchhoff dunkt mij een verstandsmensch, 
die de gevolgtrekkingen zgner onverbiddelijke sluitredenen 
in kleurlooze, aristocratisch eenvoudige taal kleedt. Wila- 
mowitz is dichter en fantast, waar en warm als weinigen 
gevoelende voor de heerlijkheid der oude poëzie. Bovendien 
is hij stilist, een ^trots zijn adellijken titel recht eigenaardig 
humoristische stilist. Beurtelings familiaar en verheven, 



( 357 ) 

hoog wetenschappelgk en boeiend, maar altijd pikant en vaak 
veimakelijk, haast tot in het onbehoorlijke. Pry st hij Woli's 
Prolegomena om den vorm, — hij prijst er niet veel meer 
van — dan zegt hij dat er althans in één gedeelte »eine 
bedeutende und wohlgeordnete gelebrsamkeit" heerscht, »aber 
alles ohne jeden hauch von Mr. Dry -as- Dust'*, (bl. 401) 
Is het er hem om te doen, de verwerpelijkheid uit het oog- 
punt van stijl van het eerste boek der Odyssee te karakte- 
riseeren, hij legt nadruk op de plaats waarin gemeld wordt 
hoe Telemachus, gereed om naar bed te gaan, »sich auf 
sein hemde setzt, um sich's auszuziehen" (bl. 9). Voelt 
hy aanvechting om voor de zooveelste maal aan zyn min- 
achting lucht te geven voor het complex dat thans onze 
Odyssee heet, hy verzekert dat de bewerker ervan, de com- 
pilator, »das gewächs ist eines tintenklexenden saculums". 
(bl. 293) Wenscht hg een zwakke zijde van Aristarchus te 
doen uitkomen, dan zegt hij: »von dem berge seiner heimat 
konnte er hinüber blieken zu dem gipfel des Ida : aber 
wenn wir uns den knaben vorstellen, so denken wir uns 
wol, wie er beobachtet dass die composition I^aiioOcaxri 
noch nicht bei Homer vorkommt", (bl. 38G) 

Doch zgn kenmerkendste eigenschap is zijn fantasie. »Ik 
ben al tevreden" — aldus besluit hij zijn eerste afdeeling, 
die compodiion der Odyssee — » wanneer het den lezer gaat 
duizelen, die my door deze versshillende elkander weerspre- 
kende overleveringen gevolgd is, en nu de massa overziet 
die als een zee van nevelen deint". Om u en mijzelven 
zooveel mogelijk tegen deze voor wetenschappelijke over- 
tuiging minder gunstige aandoening te vrijwaren, zal het 
zaak zijn des schrijvers voornaamste resultaten kort samen 
te vatten, liefst met zijn eigen woorden ^^j. 

Zyn punt van uitgang is een stelling van Kirchhoff, die hij 
overnemende deels bestrijdt deels wijzigt. Het eerste boek is 
een misbaksel, »zoo ongeveer het jongste stuk in de gansche 
Odyssee'* (bl. 20) : dat is ook zijn indruk. Maar wanneer 
we het laten schieten, wanneer we het op rekening schui- 
ven van den »Flickpoet", die Telemachie en Odyssee 
wenschte te versmelten, zijn we er dan ? Is wat er over- 



( 358 ) 

blijft, boek 2 tot en met 4, een toonbare Telemachie, een 
behoorlijk zelfstandig epos? Hij ontkent het, evenzeer als 
Niese. Het heeft kop noch staart. De vergadering der 
Ithacensers in ß hangt in de lucht, Telemachus' plan om 
z^n vader te gaan zoeken hangt in de lucht, zijn gebed tot 
hem of haar o xdi^oq âsôq r^kvasq Tiiiéregov ddi ^ß 262) 
hangt in de lucht, tenzy iets vooraf is gegaan, dat dit alles 
motiveert. »Das a ist freilich ein füllstück, aber es füllt 
seinen platz: denn es ist eine lücke da, wenn man es ent- 
fernt'*, (bl. 11). Gevolg: de voormalige aanhef is »wegge- 
sneden" om voor a plaats te maken (bl 21). 

Doch KirchhofFs Telemachie is niet slechts welbeschouwd 
axêffceXoç, Zij »verloopt tevens in het zand" (p. 98). En daarom 
construeert Wilamowitz zijn Telemachie; ook een zelfstandig 
epos, maar van minder bescheiden afmetingen. Eene, die 
met een thans verloren aanhef beginnend ^^) niet slechts de 
tegenwoordige boeken ß tot ö bevatte, maar ook Telema- 
chus' samenwerken met zijn vader op Ithaca. Derhalve 
eene handeling, gelykloopend mèt, maar verschillend van, 
de tegenwoordige boeken ojtq, Natuurlyk werd dit einde 
als onbruikbare doublette alweder weggesneden door den 
redactor, die althans zooveel mensch en verstand bezat om 
intezien dat een schepsel met twee hoofden en twee staar- 
ten een wanstaltig wezen is. 

Zoo hebben wij aan de hand van onzen criticus alvast 
ééne Odyssee ontdekt naast de bestaande. Sporen eener 
derde vindt hy in het reeds genoemde onderhoud van Odys- 
seus en Penelope in het 19de boek. Niese had daaruit 
met z. i. genialen blik opgemaakt, dat het gansche tooneel 
aangelegd is op een onmiddellyke herkenning, en deze, die 
in de alleen bewaard gebleven redactie eerst in het 23ste 
boek volgt, er dan ook terecht mede verbonden. Slechts deed 
hij verkeerd met in een vreedzame herkenning zonder i/vriari]- 
QOffovia de voormalige ontknooping te zoeken. »Nicht auf «r«- 
yvoyQiöiióq geht die Odyssee zu, sondern auf den freiermord". 
Tk zeg het Wilamowitz na. Maar ook, wat hij zelf uit Niese's 
ontdekking haalt? Penelope, meent hij, heeft den vreemde- 
ling — hier geen bedelaar, gelyk Niese aanwees — terstond 



( 359 ) 

herkend. Daai'om juist laat hij zich door Euryclea den 
voet wasschen, — Niese had die episode willen verwgde* 
ren — omdat het zijn wil is aanstonds herkend te worden- 
En nu beramen man en vrouw gezamenlijk den list der 
To§oï' aéó'iq, Penelope zal schijnbaar toegeven. Aan den 
besten schutter zal haar hand behooren. Telemachus, die 
zijn vader reeds kent, wordt in het geheim genomen. Hij 
zal den vreemdeling ter gelegener ure boog en pijlen in de 
hand spelen. De volgende dag, die der aan Apollo gehei- 
ligde nieuwe maan, zal de beslissing brengen, en de god 
zal het plan van den reehtmatigen hanteerder zijner wape- 
nen zegenen. En het plan gelukt, en Odysseus doodt de 
minnaars. Tol (fayy^iörivoi 'éniütrov (x 118). 

Het is voortrefifelyk gevonden. Maar staat naast de 
mogelijkheid eenig bewys? Wilamowitz meent zelfs twee 
bewyzen te kunnen bijbrengen. H^ komt voor den dag met 
een fabel van Hyginus, de 126ste, en met een plaats uit de 
Odyssee zelve, co 167/68: avràç o pr^v aXo'^ov JtoXvTiBQÖBCriaiv 
avoyysv \ rc^ov {ivrinrrlcBOai ôéiiev otoXióv re (SiöriQov. Aan 
het bericht van Hyginus, »in ganz barbarischer spräche'* 
gesteld, hecht de auteur blijkbaar zelf niet veel. »So hat hier 
späte Willkür das ursprüngliche unwissentlich fast 
erreich t" (bl. 59). Zoudt g^ niet veeleer met mij geneigd 
zijn, reeds op grond van dit late bericht de voorstelling van 
Wilamowitz, dat »abgekartete spiel" tussch en man en vrouw, 
juist voor een latere, meer geraflSneerde, schijnbaar meer 
begrijpelijke, maar inderdaad minder naieve, minder dich- 
terlijke, minder verhevene voorstelling te houden ? Maar 
dan de bevestiging der Odyssee zelve? Ik zal er mij niet 
op beroepen dat Aristarchus dit gedeelte, de zoogenaamde 
ösvréca véTcvia, als een bijzonder late interpolatie uitwerpt, 
iets wat Wilamowitz mij ongetwijfeld niet bestrijden zal. 
Maar wie spreekt daar deze woorden? De schim vaii een 
der minnaars, Amphimedoh, die in den Hades Agamemnon's 
schim op zyne wijze omtrent het voorgevallene inlicht. Kon 
hij van zijn standpunt den gang der gebeurtenissen anders 
beoordeelen ? Ue koningin houdt hen jaren lang aan de 
praat. Daar verschont een vreemdeling, een bedelaar. Plot- 

YEBSL. EN MED. AFD. LETTEBH.. 3<^e REEKS DEEL XII. 24 



( 360 ) 

seling rerklaart ze nu niet langer te zullen aarzelen, maar 
hare hand te schenken aan dengene die den boog van 
Odysseus vermag te spannen. Zy kunnen het niet, geen 
van allen. Maar de vreemde, de vagebond, Jig kan het. En 
hg doodt hen allen, na zich alvorens te hebben bekend ge- 
maakt. Moesten de slachtoffers niet aan een doorgestoken 
kaart denken ? üordeelen niet alle menschen van alle tijden 
zoo, soms ten onrechte ? Maar gaat het aan, uit wat de 
verslagen tegenstander vermoedt te besluiten tot wat de 
overwinnaar deed? ^^). 

Thans terug, met grootere kortheid, tot Wilamowitz' 
verdere Odysseeën. In den aanvang van v (1 — 120) ziet hg 
de rest van weer een andere »Fassung". Tn Calypso eene 
doublette van Circe. De véxvia in het 11de boek is op 
een klein gedeelte in den aanvang na, het gesprek met 
Tiresias en Anticlea, van een redactor. Alleen dit weinig je 
is in hoofdzaak oud, en te verbinden met de Cyclopie minus 
den strijd met de Ciconen. Gezamenlijk vormt dit den oud- 
sten ajtóXoyog, is nooit an Iers dan in den Isten persoon 
gedicht geweest en dus een zelfverhaal van Odysseus, — 
aan wien, is onbekend; aan de Phaeaken, zooals in onze 
Odyssee, zeker niet. Misschien dat in weer een andere 
bewerking van het epos de held naar Tiresias' voorschrift 
het barbarenland inging, naar die Thesproten waarvan hij 
thans in zgn verhalen aan Eumaeus en Penelope gewaagt, 
»und dass dieser sage die ältesten teile unser apologe, Ky- 
klopie und Teiresiasscene angehören, deren Verknüpfung 
freilich eben so unbekannt bleibt, wie ihre fortsetzung'\ 
(bl. 160—162). 

Het wordt tijd te resumeeren, met terzijdelating van het 
vele uitmuntende in de detailopmerkingen, dat de ruim 200 
bladzijden van Wilamowitz' eerste gedeelte in kwistigen 
overvloed aanbieden. In zijne schatting, — ik zal mij ook 
ditmaal weer zooveel mogelijk van zijn eigen woorden be- 
dienen — geldt onze Odyssee als »das werk einer einheit- 
lichen compilation", die sedert het einde der zesde 
eeuw V. Chr. zoo goed als onveranderd gebleven is. Van 
niet lang vóór dien tyd stamt slechts de »orphische" inter-. 



( 361 ) 

polatie aan het slot van het 11de boek {X 565 — 631), de 
tweede vëxvia (co 1 — 204), en eenige uitbreidingen der 
Phaeaken-boeken. De rest is vervormd uit oudere grondstof. 
De diaskeuast heeft namelgk drie epen voor zijn compilatie 
»versneden**, welke »bronnen" evenwel ook zelve niet pri- 
mitief te achten zijn. Het jongste dier drie, dat dan ook 
de beide anderen veronderstelt, heeft tot onderwerp het ver- 
slaan der minnaars door Odysseus, en mag met aftrek der 
zooeven genoemde byvoegselen de boeken g) — co zijn eigen- 
dom noemen. Het is in Europa ontstaan. Iets ouder is 
de Telemachie, — we herinneren het ons, Wilamowitz' 
Telemachie, d. w. z. niet slechts het 2de, 3de en 4de boek, 
maar ook het 15de tot en met het 18de fn een groot deel 
van het 19de, evenwel zóó, dat van deze laatste drie boe- 
ken bijna alles door den redactor is weggesneden, om plaats 
te maken voor wat tegenwoordig daarin te lezen staat. De 
bakermat dezer Telemachie stond in het klein-aziatisch 
lonie. De derde bron voor onzen diaskeuast, de »oudste 
Odyssee", bevatte den inhoud der boeken e — §, waarschijn- 
lijk ook, op kosten van de gelijksoortige deelen der Tele- 
machie., het tegenwoordige 17de, 18de, 19de boek. Doch 
ook dit bereikbaar oudste gedeelte is hoogstens eeu secun- 
daire formatie, waarin zich nog minstens v i e r oudere lagen 
laten erkennen. Hoofdmijn des samenstellers was een gedicht 
dat Odysseus' lotgevallen bij Aeolus, Laestrygonen, Circe, 
Sirenen, op Thrinakia, benevens zgn komst bij de Phaeaken 
behandelde, en hoe dezen hem terug naar Ithaca brachten. 
Daarnaast lag het »einzellied" van Calypso; in de derde 
plaats een zelf verhaal van Odysseus omtrent zijn wedervaren 
bij Lotophagon en Cyclopen en zijn raadplegen van Tiresias' 
schim in den llades; eindelijk en ten vierde, ^^en fragment 
eener herkenningsscène tusschen de beide echtgenooten, 
waarop een thans verloren redactie van den minnaarsmoord 
moest volgen. Deze twee laatste bestanddeelen vertegen- 
woordigen »die beiden ältesten nachweisbaren stücke von 
Odysseusliedern'*. Zij alleen »reichen in die zeit des blü- 
henden epos'*, den tijd evenwel van het reeds zinkende 
lliaslicd. Doch voor de dfiaruit gevormde con^plexen is het 

24* 



( 362 ) 

Wilamowitz' streven een zoo laat mogelijken tgd van redactie 
vast te stellen. Kircbhoff plaatst zelfs zijn jongeren Nostos 
nog vóór den aanvang der Olympiaden-jaarrekening, d. i. on- 
geveer 800 V. Chr.; de »Erweiterungen** zijn volgens hem 
op zgn laatst ongeveer 600 v. Chr. afgesloten. Niese daaren- 
tegen acht de gansche Odyssee reeds een geruimen tijd vóór 
de Olympiaden voltooid. Wilamowitz neemt Kirchhoff's 
gevoelen over, — om hem te overtreflen in nederwaartsche 
tydsbepaling. Zijns bedunkens is, gelijk we zagen, de slot- 
redactie eerst van het einde der zesde eeuw; immers de ons 
bekende Homerus is in den grond een Attisch gekleurde 
Homerus ^2), De »bearbeiter**, de versngder en aaneen- 
lijmer van Wilamowitz* drie Odysseus -epen, leefde goed gezien 
niet veel vroeger: hij is »niet ouder dan Archilochus, jon- 
ger dan Hesiodus" (bl. 228). Het oudste z^'ner documenten, 
het epos dat e — § omvatte, is hoogstens van de 8ste eeuw. 
Zoo is dan het grootste gedeelte onzer Odyssee jonger dan 
Hesiodus, jonger dan de Oyclici, en niet veel vroeger ontstaan 
dan de ons in fragmenten bekende lyrische en jambische 
dichters. Wilt ge er hem op wijzen dat toch naar de 
Odyssee gevolgde regels aangetroffen worden by Archilochus 
(=b 700 V. Chr.) en Alcman (± 660 v. Chr.) 23)^ hij 
ontwapent u door de verzekering dat ook hyzelf daarvan 
geenszins onkundig is, maar dat zijns bedunkens deze lyrici 
een ouderen tusschenvorm dan zijn ^bearbeiter" vertegen- 
woordigt hebben gekend en gebruikt. En hierbij blijft het 
niet. Wat de wyze heeft geleeraaid, wordt door den nog 
wgzere die na hem komt weggeredeneerd, of — onderste- 
boven gekeerd. Alzoo doet Seeck, die na Wilamowitz ko- 
mende zijnerzijds verzekert, dat de regels van Archilochus 
het origineel, de gelijksoortige der Odyssee de nabootsing 
zijn 2*). Hg gaat zelfs verder, en neemt hetzelfde aan om- 
trent het nog bekendere rjXOov sjteiâ' oôa <pvXka xal avOea 
yCyvsrai oiçjl \ rjepeoi, hetgeen z. i. de dichter der Cyclopie 
verkeerdelijk Mimnermus, den ietwat ouderen tydgenoot van 
Thaïes en Solon, nasprak, wiens 2de fragment aldus begint : 
7ilAeîç (fold Tf ipvXÂa ipvei JtoXvavOéog ai^fj\eiaQog ! Maar wat 
belette den veronderstelden copiïst even glashelder te zijn, er 



] 



( â63 ) 

ooa (pvXXa x«l avâsa yiyvsrai cop jj elaçivfjie geven ^ ^^). 
En is de waarschijnlijkheid groot, dat of de plaats der 
Odyssee, of de gelijksoortige der Ilias ^^) navolgingen zou- 
den zijn eener althans in onze overlevering uiterst slordig 
gebouwde periode van Mimnermus? Van de Alcman-frag- 
menten zwijgt Seeck — gelukkig. 

De niet minder ingewikkelde combinatien van Otto 
Seeck, neergelegd in een wèlgeschreven boekdeel van 420 
bladzijden, mag ik ten slotte slechts met een enkel woord 
aanduiden. Als algemeene karakteristiek volsta de op- 
merking dat, waar hij Wilaraowitz niet wederlegt ^7)^ 
hy hem zoekt te overtroeven. Ook z^n uitgangspunt is 
de bekende »ontdekking" van Niese, dat het tooneel met 
Penelope en Euryclea in het 19e boek aanvankelyk op 
onmiddellijke herkenning was aangelegd ; daarnaast komt 
Kirchhofes opmerking dat van het 13^ tot het begin van 
het 19e boek Odysseus in bedelaarsgestalte verschonend 
gedacht wordt, en later niet meer. Daarbij sluit zich aan 
een derde waarneming, — evenmin oorspronkelijk, vrees ik, 
^^) — dat in den minnaarsraoord van het 22e boek twee 
motieven vereenigd zijn : een strgd tusschen Odysseus en 
de lAvrfirrlQsq gevoerd met den boo^j, een andere gevoerd 
met zwaard en speer. Met deze drie gegevens gewapend 
schrydt Seeck ter Qaellenaiialyse. En hij construeert zgn 
"3^ Odyssee des Bogenkampfes^^^ — de oudste, — en ^^die 
Odyssee des Speerkampfen^^^ welke jongere redactie nog weer 
twee onderdeelen in zich bevat, »rfi« Odyssee der Verwand^ 
lung*^ en T>die Odyssee der Telemachie^ Twee onderscheiden 
Odysseeën alzoo, de laatste hier en daar weer in tweeën onder- 
verdeeld, wier handeling in velerlei opzicht aan elkander 
evenwgdig moest loopen. Daartusschen in nog twee »Einzellie- 
der," Kalypsolied en Kirkelied, benevens remiiiiscentien uit 
de Nosten ^^). Als zuivere Telemachie gelden aßyd; in 
de rest, vooral der eerste helft van het tegenwoordig epos, 
spelen de verschillende elementen het grilligste katjesspel, 
elkander aantrekkende en afstootende, doordringende en krui- 
sende, zoodat soms van één en denzelfden regel de ééne helft 
aan de Odyssee der Tpfemaeïne, de andere aan die der Venoand" 



( 364 ) 

lung of des Bogtnhampfea ontleend heet ^P). Ten bew^ze brengt 
de auteur, behalve de gewone gronden van gemis aan samen- 
hang, tegenstrijdigheid of onverklaarbaarheid der motieven, ver- 
schillend gehalte der dichterlyke waarde, onvergelijkelijk hoog- 
staande poëzie ter eener en »Pfuscherei*' ter andere zgde, ook 
een lexicografisch argument te berde. Hy heeft bijeengezocht, 
— niet zonder den welwillenden bgstand van Seber's Index en 
Ebeling's Lexicon Homericum natuurlyk, — vier lijsten : één 
van 240 woorden alleen in de Telemachie voorkomende, een 
tweede van 74 woorden alleen in de Verwandlung aanwezig, 
een derde van 31 woorden, die slechts »ioi Bogenkampf 
gelezen worden, een vierde eindelijk van die welke »im 
Bogenkampfe" ontbreken, maar zich in de rest bevinden, 
ten getale van 421 onder 254 hoofden, — »salvis erroribus 
et oraissionibus," om mij van de behoedzame boekhouders- 
formule te bedienen. Men zou zeggen dat, daar van den 
Bogenlampfy de oudste van Seeck's Odysseeën, zich slechts 
een klein gedeelte aan algeheelen ondergang heeft kunnen 
onttrekken, het wel van zelf spreekt dat een aantal woor- 
den, in de overige deelen van het epos voorkomende, daar- 
in wordt gemist. En welke woorden I ^^pcöfiog, a(jovQa, 
«çX?j, ßaOvg met een ige composita, ßaci^g met dito, ßoaVf 
ßovXevsiVf yeirœVf yeÀcog, yecaióg, yiQaq, yXvy^vg, öiióasiv, 
öovkrif èysicsiVf 'éXaiov met compp., ?çis, èçvÔçoÇf söao}, 
OaQOésiVf Oéiiiq, ÔSQaJuejVj xdXXoq^ Ttajtvóg en talrijke der- 
gelijke, woorden aan geen Griekschen stam onbekend, maar 
in een willekeurig afgeperkt gedeelte niet te vinden, een- 
voudig omdat de dichter de daardoor uit te drukken be- 
grippen voor zijn verhaal niet behoefde. Die afwezigheid 
moet mede als argument dienst doen voor verschillenden 
oorsprong. Cras eredam! ^^). 

Seeck's Quellen der Odyssee^ in 1887 verschenen, is de 
laatste my bekende uitvoerige analyse van dat gedicht. 
Het zou my verwonderen, zoo niet reeds uit myn uiterst 
vluchtig overzicht daarvan 2^), alsmede van de gelijksoor- 
tige theorieën van KirchhoflF, Niese en Wilamowitz, al- 
thans dit ééne gevoel zich allengs van U had meester ge- 
maakt, dat van onbegrensde bewondering voor den definitie- 



( 365 ) 

ven redactor. Voor onze naburen is hij uit den grond der 
zaak »ein gering begabter flickpoet." Indien er één grein 
van waarheid is in Wilamowitz' en Seeck^s constructiën, 
dan kan van dit vonnis niet ernstig genoeg appel worden 
aangeteekend. Dan is hij grooter dan een groot dichter, 
een wonderman, een duivelskunstenaar. Hg heeft den weg 
weten te vinden in Seeck's zeven elkander doordringende 
en vaak kruisende Odysseeën. Hg raakte niet verward in 
de drie onafhankelgke epen van Wilamowitz en de vier 
fragmentaire elementen waaruit het oudste daarvan is op- 
gebouwd. Hg verstond het geheim een alleszins bevredigend 
geheel tot stand te brengen uit zoo ongelijksoortige grond- 
stof, een kosmos — en welk een kosmos! — te scheppen 
uit een chaos, bij het bestudeeren waarvan wij gewone 
stervelingen met versuft brein niets beters weten te doen 
dan de klagelgke verzuchting te slaken : co (fiXoi^ ov yàç 
Fiönev OTirj Cóg)oq ovö' outri r^oi^X Vrienden, we weten 
niet meer waar het westen is en waar het oosten ! 



III. 



Ten opzichte der Ilias staat de zaak veel eenvoudiger. 
Daar is inderdaad het verschil in samenstelling der onder- 
scheiden bestanddeelen, daar zijn inderdaad de tegenstrgdig- 
heden in landschap en handeling en opeenvolging der ge- 
beurtenissen aanwezig, die in de Odyssee voor het grootste 
gedeelte slechts ter wille der theorie er ingebracht zgn. 
Ook in de Ilias staat het met de eenheid niet zoo wan- 
hopig geschapen als de meerderheid der separatisten ons 
wil doen gelooveii, maar er heerscht een lossere eenheid, 
plaats latende voor veel — laat ik zeggen tuchteloosheid. Het 
leger der Achaeërs heeft er nu eens een enkelen wal, dan 
weer een reusachtigen steenen muur met bijbehoorende ves- 
tingwerken. De helden der Achaeërs hebben strijdwagens, 
maar op enkele uitzonderingen na strijden ze te voet ^^). 
De Scamander vloeit nu eens links, dan rechts van Ilios, 
zoodat nu eens de stad en het kamp der vganden op den- 
zelfden oever liggen, dan weer de rivier tusschen beiden in 



( 366 ) 

sirooint. De Trojanen hebben Lyciërs tot bondgenooten 
vlak in hunne nab^heid onder aanvoering van Pandarus, en 
andere veel zuidelijker wonende Lyciërs die onder het be- 
stuur staan van Sarpedon en Glaucus. ^*) Er hebben 
schier te gelijkertijd op verschillende punten voorvallen 
plaats, waarin dezelfde persoon een hoofdrol vervult. Pylae- 
mcnes, in het 5e boek verslagen, neemt in het 13e nog 
deel aan den strijd, en niet ieder Homericus is zoo goed- 
moedig, zich met het dilemma der oude critici, athetese of 
homonymie, tevreden te geven. Hector neemt een roerend 
afscheid van zgn echtgenoote, om nog voor dien dag althans 
behouden tot de zijnen terug te keeren ^^) Om nog uit 
vele één tegenstrijdigheid in een bijzaak te vermelden : 
Chryseis schijnt nu eens in Chryse, dan weer in het Thebe 
van Eëtion thuis te behooren. Maar waartoe meer voor- 
beelden bijgebracht? 

Dat dus onze Ilias geen gesloten eenheid kan gevormd 
hebben, daaromtrent zijn, zooals ik in den aanvang zeide, 
op weinigen na alle deskundigen het eens. Ook ten op- 
zichte der wijze, waarop wij ons dit geheel van liederen 
ontstaan moeten denken, begint gaandeweg wat eenstemmig- 
heid te heerschen, zij het slechts in het negatieve. De 
Kteinlieder-iheorie van Lachmann en Koechly heeft voorgoed 
afgedaan, — in schijn althans. De leer van interpolatie 
op groote schaal, dierbaar aan Düntzer's hart, is onvoor- 
waardelijk ter zijde geschoven. De gedachte aan een alge- 
heele om- en bijwerking eener oudere, betere en derhalve 
»echte'* Ilias en Odyssee, en daardoor noodzakelijk gemaakte 
Neuordnung van een diaskeuast, deze gedachte, met groot 
talent en ongeëvenaarde zaakkennis bepleit door Bergk, 
heeft evenmin, — terecht ra. i., niettegenstaande veel voor- 
treffelijke opmerkingen in de bijzonderheden, — blijvende 
instemming kunnen verwerven. Evenmin is het voorstel van 
Grote, onze Ilias te beschouwen als een oorspronkelijke 
Achilleis (A te verbinden met A v.v ) en een daarop geënte 
en nooit zelfstandig bestaan hebbende Ilias in eigenlijken 
zin, dat is schildering van den strijd om ïroje in 't alge- 
meen, welke twee doelen hun verecnigingspunt, — tevens 



( 367 ) 

herkenningsmiddel der aaiivaiikeJijke verscheidenheid, — 
zouden -vinden in het 9e boek, meer geworden dan een brug, 
waarover verschillende schakeeringen van separatisten tot 
het tegenwoordig meest geldende vergelijk geraakten. Deze 
op ééne na modernste opvatting, inderdaad op de in het 
begin dezer eeuw door Gottfried Hermann, later door Grote 
en Bergk gelegde grondslagen berustende, neemt voor 
beide gedichten een oudere kern aan, waaromheen of waaraan 
gaandeweg jongere lagen zich hebben vastgezet. Voor de 
Odyssee is haar grondlegger Kirchhoff. Voor de Ilias mogen 
we als haar eersten woordvoerder ons medelid Naber noe- 
men, wiens stellingen, in de anno 1877 door ü uitgegeven 
QuaesHones Homericae ontwikkeld, in hoofdzaken gevolgd 
worden door W. Christ, die in zijn Prolegomena van 1884 
zelfstandig tot ongeveer gelijke resultaten kwam. Christ 
beweert »subtilius" te werk te zijn gegaan. Wij willen hem 
dit genoegen niet vergallen, zelfs niet door de opmerking 
dat hij in geen geval velen heeft kunnen winnen voor zijn 
zonderling denkbeeld, dat het de dichter — Homerus in 
hoogst eigen persoon ! — was, die aldus door latere wijzi- 
gingen zijn oorspronkelijk plan uitgebreid en ten deele mis- 
vormd zou hebben ^^). Genoeg : hij evenals de heer Naber 
neemt vier aetatest — of lagen, zoo men wil, — voor de 
Ilias aan, een oudste, een iets minder oude, een jonge, en 
een jongste. De grenslijnen zyn natuurlijk bij beiden niet 
gelgk getrokken, maar er is meer overeenkomst dan ver- 
schil. Als oudste deel beschouwen beiden het eerste boek, 
onmiddellijk aansluitende aan de eerste helft van het 11e, 
en met deelen van het 15e, met ongeveer geheel het 16e, 
enkele stukken van het 17e, 18e en 19e, zich verbindende 
met het slot van het 21e en de grootste helft van het 22e 
boek. Met andere woorden : inhoud van dezen primitiefsten 
vorm — de Jtçoirri ' îXidg — is de twist, de beleediging 
en het zich terugtrekken van Achilles, de veel eenvoudiger 
beschrijving van den slag waarin Patroclus door Hector's 
hand sneavelt, de daarop noodzakelijk volgende verzoening 
van Achilles met Agamemnon ^7j en hernieuwde deelneming 
aan den strgd om den dood van den boezemvriend te wreken, 



( 368 ) 

eindelyk Hector's dood» waarmede aan die wrake voldaan is. 
'H(jdiA6Ûa {iéya xrcfoç, èjiég)voiisv ''ETcroça öiov (X -393) — 
»sic explicit Ilias'*. Volgt het iets minder oude gedeelte »quae 
iara raature cum Iliade coaluit": de eerste helft van het 
2e boek, dat door middel van zeer enkele gedeelten van het 
tegenwoordige 3e en 4e samenhangt met het 5e tot en met 
het 7e boek, en spoedig verrijkt werd met het gansche 8e 
en 4e. Inhoud : een algemeene strijd der Achaeërs tegen de 
Trojanen zonder Achilles, weldra verbonden met een daar- 
aan voorafgaanden onbeslisten tweestrijd van Paris en Me- 
nelaus, dit alles evenwel meer voor de Trojanen dan voor 
de Achaeërs gunstig afloopende. Tot de derde aetas rekent 
de heer Naber het slot van het 7e boek, het 8e, de tweede 
helft van het 11e, het 12e tot en met het 14e, benevens 
stukken van het 15e: d. i. de xókoc [idyri vóór den be- 
slissenden kamp, en in de beschrijving van dezen laatsten 
de teichomachie en de tegenwoordige vorm der epinau- 
simache. Tot de jongste bestanddeelen behooren het ge- 
zantschap aan Achilles in het 9e, de Dolonie in het 10e 
boek, het 20© en 21e, de theomachie en /Lca'x'^ :7raç«jror«fxtoç 
verhalende, eindelgk het 23e en 24e, de lijkenspelen ter 
eere van Patroclus en de samenkomst tusschen Achilles en 
Priamus tot loskooping en begraving van Hector's lijk. Ten 
slotte zijn in de reeds voltooide Ilias, onzeker wanneer en 
door wien, twee fragmenten ingevoegd die met het eigen- 
lijke onderwerp slechts in verwijderd verband staan, de 
zoogenaamde BoiiorCa en het gesprek tusschen Glaucus en 
Diomedes in het tegenwoordige zesde boek. 

Dit alles is algemeen bekend en de enkele viugerwg- 
zing van mij ongetwijfeld voldoende. Een oogenblik 
langer wenschte ik Uwe aandacht te bepalen bij de af- 
wijkende inzichten van Niese en Erhardt Niese betoont 
zich ook hier dezelfde als hij zich by het bespreken 
der Odyssee heeft doen kennen. Hij is de verklaarde 
bewonderaar van de uiterste magerheid in taal en con- 
ceptie. De kortste verhaleo zijn hem ook in de Ilias alweer 
de primitiefste. 



( 369 ) 

yrcS ö Aiaq xctrà Ov^[ióv âiix^ova Qiyrioév r€ 
Féçya âs(5vf o ça nd^^v fio'x^ç i:Jt\ ^ijdea xeîQs 
Zeig v^ißcsiierric^ Tçaieoai de ßovXero viTcriv. 
X«S€ro ö' ix ßsXeiJOV* rol ö' efißaXov ccKd^iarov JtVQ 
vrfi Oof^* riiq ö'al\pa xar^ aaßeörri xe^vro (fXó^ 

(77 119 seqq.). 

»Aias bemerkte in zgn geest, en het vervulde hem met 
huivering, dat het de hand der goden was, dat de hoogdon- 
derende Zpus de krygsplannen der Achaeërs verijdelde en den 
Trojanen de zege gunde. Zoo week hij uit het werpgeschut, 
en de Trojanen wierpen liet vuur in het snelle schip, en 
weldra verspreidde zich de onbluschbare vlam". Niese is verder 
een vredelievende Duitsche professor, en daarom, gelijk zijn 
ur-Odyssee den minnaars het leven liet, is het zijn innigste 
overtuiging dat »de beteekenis dezer geheele poëzie meestal 
niet op de eentonige en van dichterlijk standpunt waarde- 
looze ^^) moordtooneelen berust, maar voornamelijk 
op die gedeelten waar w^ het slagveld verlaten, en de dich- 
ters ons menschelijk denken en leven op zoo onovertroffen 
wgze schilderen", (bl. 138). Dat Niese's kern der Ilias al 
bgzonder bescheiden afmetingen moet bezitten, is na het 
tot dusverre gezegde van te voren vast te stellen. »Diese 
Untersuchungen zeigen uns nun, dass weitaus der gross te 
Theil der Ilias nicht ursprünglich zu ihr gehört habe ; sie 
zeigen uns eine Fülle, ja fast ein Chaos voji Zusätzen 
der verschiedensten Art." ^bl. 125). De Lyciërs, de noorde- 
lijke zoowel als de zuidelijke, verwijdert hij geheel uit de 
aanvankel:gke handeling. Pandaros, Sarpedon, Glaucus be- 
hooren te verdwijnen. Ook aan Aeneas en Polydaraas is 
gelijk lot beschoren. En ter wille van de billykheid 
treft eenzelfde vonnis een aantal Achaeische helden. Van 
enkele ondergeschikte figuren kan ons dit niet zoo zeer 
bedroeven; wanneer Menestheus met z\jn Atheners, Thoas 
de Aetolier, de oude Phoenix hun afscheid krijgen, lydt de 
ons bekende hoofdhandeling weinig schade. Maar ik ver- 
wacht eenige verbazing uwerzijds, wanneer ge verneemt: 
»es ist also der Schluss erlaubt, dass auch Nestor nicht zu 



( 370 ) 

den lu-sprunglichen Personen der Dias gehörte'* (bl, 116). 
In dit geval natuurlgk nog minder zijne zonen, Antilochus 
en Thrasymedes. Ten slotte vindt Niese dat ool< do persoon 
van Odysseus in de jongere bewerkingen steeds aan beteeke- 
nis wint. Wat blgft er na deze aderlatingen van het oor- 
spronkelijk volbloedige lichaam over? Laat ik het met zijn eigen 
woorden mogen resiimeeren. Er blgft over de eerste helft 
van het eerste boek, het slot van het 15e, het begin van 
het 16e, en gedeelten der latere tot en met het 22e ge- 
zang. Er werd daarin verhaald van den twist tusschen 
Agamemnon en Achilles, van het droombeeld door Zeus 
gezonden ^^) en het ten stride trekken der Achaeërs, hun 
nederlaag en het in brand steken hunner schepen, van het 
te hunner hulpe zenden van Patroclus, diens val en Achilles' 
wraak, eindigende met het sneuvelen van Hector door z^ne 
hand (bl. 1 35). Dramatis personae zijn Achilles, Agamemnon, 
Hector, Patroclus, Aias, een weinig Odysseus en misschien 
nog Idomeneus. Want deze laatste, door Bergk uitgewor- 
pen, vindt in Niese's oogen genade. Zooveel zal noch ons 
geheugen noch onze verbeelding bezwaren. 

Rest Louis Erhardt, wiens Entstehung der homerischen Ge- 
dichte in 1894 verscheen. Doch niet over zijn boek zelf 
wensch ik ü te onderhouden : het is alweder een analyse 
der Ilias — de hoeveelste ? — met weinig of geen nieuwe 
gegevens in niet minder dan 546 bladzgden ; alleen de in 
z^n eveneens omvangrijke inleiding ontwikkelde denkbeelden 
vereischen voor een oogenblik onze aandacht. Voortbouwende 
op grondslagen, door Jakob Grimm in zgn beschouwingen 
over het Germaansche heldenepos ter bestriding der Lach- 
mannische - Nibelungen-theorie, en door Steinthal in zijne 
studie over volkspoëzie over 't algemeen gelegd, ontwikkelt 
hij zijn gevoelen, dat wat wg gewoon zijn de Homerische poë- 
zie te noemen inderdaad Grieksche volkspoëzie is. Niet één 
man, niet enkelen, zyn de scheppers dezer onvergelijkelgk 
schoone scheppingen geweest, maar de ziel van het geza- 
menlgke Hellas, het vereenigde Grieksche volk. Men vergist 
zich zijns inziens, men is dupe van een verkeerde, uit mo- 
derne toestanden gedachteloos overgenomen voorstelling, 



( 371 ) 

waiiDeer men aanneemt dat volkspoëzie gelijkluidend is met 
poëzie eener lagere orde, dat de massa geen uitgebreide, 
samenhangende kunstwerken scheppen kan. Integendeel : de 
diepe, innerlijke eenheid van Ilias en Odyssee, trots uiter- 
lijke onsamenhangendheden en tegenstrijdigheden zoo tref- 
fend en onloochenbaar, is het eeuwenoude gewrocht van 
ontelbare dichtende menschengeslachten, terwijl daarentegen 
enkelingen niets dan een uiterlijke, chronologische eenheid 
kunnen tot stand brengen, gelijk die der cyclisclie gedich- 
ten schijnt geweest te zijn. Evenals de oudere Roraeinsche 
geschiedenis, tijdens de Punische oorlogen b.v., geschapen 
is door het gezamenlijke Romeinsche volk, niet door ettelijke 
op den voorgrond tndende individuen, evenals elke taal 
niet het maaksel is van eenigen maar de schepping van een 
bgeenbehoorend geheel : evenzoo heeft aan de schepping der j 

Orieksche epiek het gansche volk aandeel gehad en î s ze * 

zgn rechtmatig eigendom. Zoo alleen verklaren zich èn de 
innerlijke eenheid èn de ^ onloochenbare tegenstrijdigheden 
in het detail Geen kleine liederen heeft het Grieksche 
genie te voorschijn gebracht, gelijk Lachmann meende, die 
daarna door samenvoeging en aaneenlijming een bedriege- 
lijken schgn van eenheid verkregen. Maar evenmin een 
voortrefifel^ker, ofschoon kleiner ur-epos, door onhandige 
om- en bij werkers aangelengd en bedorven, om daarna door 
diaskeuasten of redactoren weer zoo goed en zoo kwaad 
mogelijk op de been geholpen te worden. Van eeuw tot 
eeuw, van mond tot mond gingen die gedichten, van aan- 
vankelijke mythen omgevormd tot sagen, van den Aeolischen 
volksstam tot den Ionischen gevoerd, totdat ze eerst laat, 
in de (ie eeuw v. Chr., te Athene tijdens en op last van 
Pisistratus op schrift zijn gebracht ^®). Gy ziet : il ne faut 
jurer de rien. De Pisistratus-recensie, door Grote met be- 
slistheid verworpen (II p. 160 vv.), door Lehrs onder bij- 
tenden spot bedolven **'), door Naber eene »fabula com- 
menticia nuUaque prorsus fide digna" geheeten (bl. 7), door 
Wilamowitz nog bloot als een »abklatsch von Ptolemaios 
und den Sammlern des Museion'' (bl. 254) beschouwd, ze is 
uit haar schijndood opgestaan, en heeft Erbardt en wat veel 



( 372 ) 

erger is, heeft ook Cauer weer in haar netten verstrikt. 
Veel erger. Want Erhardt zg tot op zekere hoogte dilettant, 
maar Cauer is vakman, en in Homericis een der meest ge- 
zaghebbenden. 

IV. 

En zoo zgn we half toevallig teruggekeerd tot den man 
van wien we in deze beschouwingen uitgingen, tot Cauer en 
zgn Grundfragen der Homerkritik. Hoe staat Cauer tegenover 
de verwarrende veelheid, tegenover den chaos, mag men 
wel zeggen, van elkander nu eens aanvullende, dan weer 
wederstrevende hypothesen, waarvan U in het voorafgaande 
waarlijk niets meer dan de kortst mogelijk saamgepakte 
hoofdinhoud is medegedeeld ? Dat Cauer geen unitariër is 
bl^kt uit wat ik terloops zeide aangaande zijn geloof aan 
en zijn verdediging van de Pisistratus-recensie. Doch dit is 
slechts een negatief standpunt: hij gelooft evenmin als schier 
iemand anders aan den eenen Homerus. Wat verder? 

Laat my mogen herhalen wat ik elders gezegd heb: de 
auteur ia in de vele kwestiè'n, die de Homerische kwestie 
in zich besluit, een progressist, maar geenszins een radicaal. 
Hij betoont zich zoo in zijn behandeling der onderscheidene 
technische vraagstukken, die allermeest een uitgever der 
Homerische gedichten belang inboezemen, vragen omtrent 
digamraa, diectasis, »didektmischung", flectie, de fi6T«x«- 
(>«>CTijçi(T«î?T6§ *^), alle hoogstgewichtige twistpunten, alle 
van invloed op het alj/emeene vraagstuk dat ons hier bezig 
houdt, maar die we noodzakelgkerwijze hier moeten laten 
rusten. Aan deze detail-onderzoekingen is zijn eerste boek 
gewijd. 

Met het tweede zijn wg in de volle wateren der hoogere 
kritiek. Van interpolatie in den eigenleken zin des woords, 
— aldus is ongeveer zijn gedachtengang, — kan in de 
Homerische epen slechts in zeer bescheiden mate sprake 
zijn. Alles is daarin, op weinig «a, even echt of — wil 
men — even onecht. Wat wij Ilias en Odyssee noemen is 
niet het zelfbewuste werk noch van één noch van weinigen, 
maar het resultaat, de kristallisatie, de » Niederschlag'*, van 



( 373 ) 

eeu eeûwen lang voortgezet ontwikkelingsproces. De vraag 
of er ooit, hetzij aan den aanvang hetzij aan het einde der 
oneindig lange reeks, één man, Homerus of hoe ook ge- 
heeten, geweest is, laat hem volslagen koud *^). Hg .keurt 
het zelfs in Erwin Rohde af, dat deze nog aan dat geloof 
vasthoudt, aan »ein fremdartiges Element innerhalb seiner 
sonstigen Anschauungen*' (bl. 209), Zoo zijn dan de beide 
epen een als het ware geologische eindformatie uit een aan- 
tal oudere en jongere la^^en. En wel allereerst de aeolische 
laag of lagen. Fick had ongelgk toen hy in genialen over- 
moed trachtte te geven wat reeds twee tamelijk obscure 
grammatici der oudheid, Zopyius o Mdyvriq en een der 
vele Dicaearchi — het is niet zeker welke — hadden ge- 
vorderd {^) : een Aeolischen Hom '^ rus. Maar de grondslag 
zijner poging, trouwens reeds vroeger in theorie voorbereid 
door Hinrichs, is juist en betrou.wbaar. De oorsprongen 
van het epos zgn Aeolisch, en wel in den aanvang der 
dingen uitgegaan van de Aeoliers in het moederland. Bij 
hun emigratie en langzame vestiging aan den noordwesthoek 
van Klein- Azië gingen de overleveringen en zangen van 
hun voortijd niet te loor, maar werden ze ongetwyfeld verder 
ontwikkeld en vervormd, totdat ze tengevolge van gewijzigde 
cultuur verhoudingen op de volkeren van Ionischen ])loeJe 
overgingen tot een nieuwe en ditmaal radicale herschepping. 
Deze laatste, — ik zal het alweder grooten deels met Cauer's 
eigen woorden zeggen, — moet daarin hebben bestaan dat 
de loniers een wezenlijk nieuw element in de beoefening der 
epiek hebben gebracht ; hoe zon het hun anders gelukt zijn 
al wat tot dusverre was voortgebracht in hun arbrid te 
doen opgaan ? »Dieses Neue war doch wohl der Gedanke, 
statt der einzelnen Lieder grössere Kompositionen zu schaf- 
fen, aus denen dann durch weiteres allmähliches Wachstum 
unsere Ilias und unsere Odyssee hervorgegangen sind", (bl. 125) 
lloe alzoo te handelen ter onderscheiding van ouder en 
jonger ? Daarbij dienen we ons bovenal te hoeden voor de 
misvatting, tot nog toe op dit gebied te vaak begaan : die 
van alles te doen afhangen van één criterium. Zooveel 
ïuogelijk verscheidene kenmerken te laten gelden zij integen* 



( 874 ) 

deel ons streven, kenmerken van verbalen en zakel^ken 
aard. Metrische, syntactische, vooral fonetische verschillen 
moeten mede hun licht verspreiden over het steeds inge- 
wikkelder wordende vraagstuk. Cauer vleit zich werkelyk 
met het droombeeld dat van eene hervatting vau Fick's 
waagstuk, maar zonder Fick's vooringenomenheid herhaald, 
practische resultaten ter scheiding der onderscheiden lagen 
te wachten zijn. Waar by een eerlijke proefneming — zegt 
hg — de tekst van »festsitzende" Aeolismen blijkt te we- 
melen, daar is hg oud; waar eveneens »festsitzende'* lonis- 
iten de bovenhand voeren, daar hebben wij met jongere 
lagen te doen. (bl. 122 vv.) Daarnaast behooren de vin- 
ger wgzingen te komen door den inhoud verstrekt. Men ga 
te rade met den historischen achtergrond, en men zal bevin- 
den, — hier hebben de geniale maar uiterst gewaagde con- 
structiën van Ed. Meyer den schrgver tamelijk ver op het sleep- 
touw genomen, — dat voor de Ilias als geheel beschouwd 
die gegevens verschillen van wat de Odyssee veronderstelt. 
Voor de laatste is de val van llios, de inneming der stad 
door middel van het houten paard, de onmisbare grondslag 
en een geen oogenblik betwijfeld feit, de Ilias rept er niet van, 
en de zinspelingen er op i:iten zich slechts in den vorm 
van sombere voorgevoelens eener verwijderde toekomst. In 
de Odyssee is buiten kgf Nestor's rijk aan de zuidwestkust 
van den Peloponnesus gelegen, en heerscht het broederpaar 
der A triden aan de andere zijde van hetzelfde schiereiland. 
In de Ilias zgn deze aardrijkskundige aanduidingen, met 
uitzondering der zter late Bonoria^ uiterst onbestemd. Op 
grond daarvan met Ed. Meyer de aanvankelijke Ilias los te 
maken van Achilles, met dezen haar tot eene vóór-Tro- 
jaansche Mycenaeische periode te brengen, vindt zelfs Cauer 
toch te kras. Aeolis boven ! De bakermat van het epos is 
aeolisch ; het is waarschgnlgk dat de aeolische zangers bij 
voorkeur aeolische helden bezongen, gelijk de thessalische 
Achilles er ongetwijfeld een was, en dus .... Derhalve 
worde niet met Niese de figuur van Nestor uitgeworpen, 
blgve niet Agamemnon de beheerscher van het goudrgke 
^^ycene, Menehius de koning van het naburige Sparta, maar 



( 375 ) 

verhuize het drietal, m Achilles' nab^heid, naar Thessalie. 
De ionische zangers, de omwerkers der epische traditioi 
hebben zich eenvoudig in de geografie van het moederland 
vergist. In het voorbggaan schrappen we, gel^k reeds 
Beloch voorstelde, de overlevering der Dorische volksverhui- 
zing uit de r:y der mogel:gke historische feiten. Of niet op 
gelgken grond de primitieve Odysseus van Ithaca dient 
losgemaakt, is ons vooralsnog niet geopenbaard. Wel heeft 
reeds tien jaar geleden Wilamowitz beproefd Aias, Tela- 
mon's zoon, van Salamis te verwgderen, door op voetspoor 
van Zenodotus H 196 — 199, de eenige plaats behalve de 
Boio>r(a waar hg in verband met Salamis wordt genoemd, 
voor latere inschuiving te verklaren (bl. 244). Doch daar- 
van gewaagt Oauer niet, en van de combinatien die hg wel 
ter sprake brengt heeft — gelijk gezegd — de stoutheid 
hem »beinahe erschreckt" (bl. 162). 

Gelukkig zgn er nog tot minder schrikwekkende gevolg- 
trekkingen voerende andere zakelgke criteria. Daar is het 
waarnemen der allengs ten voordeele van het gzer wisse- 
lende aanwending van dit metaal nevens het koper of 
brons ^^) ; daar is de zich allengs wgzigende beteekenis der 
Féöva\ daar is de opmerking dat slechts zelden, en steeds 
in ook uit anderen hoofde als jong erkende gedeelten, sprake 
is van eigenlijke tempels ; daar is eindelgk het door Erwin 
Rohde in zijn Psyche opnieuw ter sprake gebrachte vraag- 
stuk van den Homerischen godsdienst en het Homerische 
godsbegrip, en daarmee verbonden dat der zoogenaamde 
theophanieën. Cauer onderscheidt van deze laatste drie 
vormen: de goden grijpen in de aardsche verwikkelingen 
in hetzij onzichtbaar en uit de verte, hetzg op aarde aan- 
wezig in mensch engedaan te, hetzg eindelgk onverhuld met 
de stervelingen verkeerende. De eerste wgze geldt voor hem 
als de oudste. Wanneer derhalve in den aanvang der Ilias 
Athene, voor de anderen onzichtbaar, Achilles aan de blonde 
haren trekt om hem van gewelddadigheden jegens Agamem- 
non af te houden, dan ziet hij daarin »ziemlich späte Er- 
findung'* (bl. 239). Nog moderner acht hg de wgze waarop 
in het 24^ boek Iris zonder van gedaante te veranderen 

THUBL. KN MED. AFD. LUTTERK.. 3de SEEJL8. DEEL XIL 25 



( 376 ) 

aan Prianius het bevel van Zeus brengt om tot Achilles 
te gaan. En regelrecht aanstootelijk dunkt hem vaak de 
touding van Athene tegenover Odysseus en de zijnen in de 
latere boeken der Odyssee. 

Wij zyn genaderd tot zijn laatste zakelijke kenmerk, de 
Homerische compositie. En eerst hier weer, gelyk in de 
grammatisch-critische beschouwingen der eerste helft, is 
Cauer geheel zichzelve. Terecht wijst hij de beide grond- 
stellingen af, waarvan tot dusverre allen die zich of met 
het Homerische vraagstuk öf met het analoge der middel- 
Hoogduitsche epiek hebben bezig gehouden, Lachmann en 
KirchhofiF liet onverbiddelijkst, uitdrukkelijk of stilzwijgend 
zijn uitgegaan : de meening dat oud en onberispelgk syno- 
niem zijn *^) ; en die andere, dat in uitgebreide en naar 
een ingewikkeld plan ontworpen kunstwerken elke oneven- 
redigheid, elke tegenstrijdigheid, die een ijskoud logisch 
narekenen weet op te sporen, niet aan den oorspronkel ijken 
schepper, maar aan min of meer geestelooze om- en bij- 
werkers moet geweten worden ^7j, Uitgaande van door 
Eckermann te boek gestelde uitlatingen van Goethe doet 
hij opmerken, dat er vier redenen zijn waarom hetzij in de 
beeldende, hetzij in de dichtende kunst, van de natuurlijke 
en logische consequent en, in eenig plan gelegen, kan afge- 
weken zgn. De schepper zelf kon het met bewustheid doen 
om een gewild effect, een licht- of dichteffect, met de af- 
wijking te bereiken. Hij kon het doen uit technische on- 
beholpenheid. Hij kon er zich aan schuldig maken door, 
in plaats van zelf waar te nemen, oudere, geijkte modellen 
te volgen, derhalve door het doen aan conventioneele kunst. 
Eindelijk en ten slotte : tegenstrijdigheden en onevenredig- 
heden spruiten natuurlijk ook voort uit het ingrepen van 
vreemde handen in den oorspronkelgken bouw van een kunst- 
werk. In zake de Homerische gedichten heeft men tot nog 
toe alleen den laatsten grond laten gelden. Den voorlaatsten, 
het conventioneele element, erkende men slechts, en nog 
maar in bescheiden mate, ten opzichte der dictie *^). Waar, 
hetgeen honderde malen voorkomt, gelyke regels of vers- 
groepen terugkeerden, zocht men naar het gedeelte waar 



( 377 ) 

ze het meest op hun plaats waren, en achtte ze overal 
elders geïnterpoleerd of stumperig nageaapt, zonder te be- 
denken dat ze evengoed nergens origineel konden zgn, maar 
een nu eens met meer, dan weer met minder geschiktheid 
aangewend huishouden met sints eeuwen overleverd goed *®), 
De twee eerste beweegredenen, gewilde afwijking van het 
logische perspectief en onwillekeurig loslaten daarvan, wer- 
den stelselmatig bg alle onderzoekingen buitengesloten. De 
Homerische dichter kan niet falen, luidde het dogma. Waarom 
h^ alleen onder alle kunstenaars niet? Zooals alt^d, is in 
het onbevreesd stellen der vraag reeds haar beantwoording 
gelegen. 

Cauer stelde haar, en op grond der vanzelf volgende be- 
antwoording verwierp hg allerlei wat tot dusverre dienst had 
gedaan als bewijs van verschillenden oorsprong, daaronder 
veel wat hy tot voor korten tgd zelf had aangehangen. H^ 
gaat niet langer mee met Eirchhoff in de stelling, dat het 
10e en 12e boek der Odyssee aanvankelgk in den 3en per- 
soon zijn gedicht en dus op overblgfselen van een ander 
Odysseus-epos w^zen. Hij gelooft niet meer in eene zelf- 
standige Telemachie, noch in de kortere van Kirchhoff noch 
in de langere en meer gekunstelde van Wilamowitz. Hij 
is teruggekomen van de betoovering, door Niese op hem 
uitgeoefend met zijn »ontdekking" eener primitiever Odyssee 
zonder iivr^orriçoipovfa, en nog minder dan te voren behaagt 
hem Wilamowitz' constructie eener Odyssee, waarin man en 
vrouw eendrachtigl^k het plannetje beramen om de booze 
minnaars er bloedig te laten inloopen. Hy heeft genoeg 
van Seeck's geknutsel met de »Odyssee des Bogenkampfes'* 
en »des Speerkampfes", die »der Verwandlung" en die »der 
Telemachie", en ware hy met meer humor begiftigd, ik 
geloof zoo waar dat hy lust zou gevoelen er een klein 
weinigje mee te sollen. Daar de Ilias een minder gesloten 
geheel vormt, heeft hy by haar minder gelegenheid om 
tegen de misgeboorten der hyperkritiek te velde te trekken. 
Maar met instemming neem ik er nota van, dat hij niet 
mededoet met hen die, om zich toch vooral niet door een 
Engelschman te laten overvleugelen. Grote's scherpzinnige 

25* 



( 378 ) 

aanwgzing eener eigenl^ke Ilias, in tegenstelling met de 
streng zoo genoemde Achilleis, in dien zin overdrgvende be- 
dierven, dat ze van de eerstgenoemde alweer een zelfstandig 
epos gingen maken ^^). Ze is ook voor hem wel degel^k 
bewuste uitbreiding, gedicht met het oog op, en zich van 
den aanvang af aansluitende, b^ een reeds bestaande een- 
voudiger verwikkeling, en vermoedelijk zelve ook weer waar 
het pas gaf uitgelegd. Althans hij is geneigd een der beide 
in dit gedeelte voorkomende tweestryden als copie der andere 
te beschouwen, en wel, op gronden aan den gang van het 
geheel ontleend, dien van het 7e boek tusschen Hector en 
Aias. Ik ga daarin liever met hem mede dan met degenen 
die het omgekeerde beweren ^^]. Maar meer dan dit alles 
is zyn conservatief geworden Odyssee-kritiek mij naar het 
hart gesproken. En volgaarne beantwoord ik zgn beschou- 
wingen daaromtrent mtt het woord van den ouden Nestor: 
val dij xavxd ys ndvra, (fiXoç, xarà ^loîçav ^FeiJtsgl 

Y. 

Ook de rest ? Ook het vele andere waarvan ik U hoogstens 
een beknopt overzicht konde geven ? Want tot nog toe ver- 
vulde ik hoofdzakelijk slechts de taak van verslaggever. Ik 
begverde mij, myne zegslieden zooveel mogelyk te laten 
uitspreken, al was de verzoeking mij üoms te sterk om niet 
nu en dan een woord van bijval of afkeuring er tusschen 
in te werpen. Doch gij verwacht — en terecht — van mg 
meer dan een bloot referaat. Ik zal pogen thans mgn eigen 
oordeel te doen volgen, kort en met de vereischte beschei- 
denheid ut in re dubia et ancipiti. 

Allereerst dan wat Cauer's kenmerken aangaat. De ge- 
dachte is verre van nieuw. Reeds lang voor hem is de 
behoefte gevoeld om niet alleen te rade te gaan met ware 
of vermeende leemten en tegenstrijdigheden in den inhoud 
der Homerische gedichten. Men heeft beurtelings omgezien 
naar metrische, naar grammaticale, naar aestheiische cri- 
teria. Met welk gevolg? Helaas: de gewonnen uitkomsten 
waren bedroevend van teleurstelling. Wat de proef met de 



( 3?9 ) 

meerdere of mindere »werkzaamheid" der digamma betreft î 
de heer Naber heeft indertgd voldoende in het licht ge- 
steld wat ze geeft, of liever niet geeft ^^). Ze bleek in den 
overleverden tekst het werkzaamst in die gedeelten welke 
uit anderen hoofde het jongst werden geoordeeld. De fijnere 
metrische onderscheidingen verdwenen bg nauwkeuriger toe- 
zien in rook. En de aesthetische kenmerken ? Op de elkander 
vlak tegenstrevende oordeelvellingen van eerste mannen, van 
groote dichters en van gezaghebbende »Homerforscher", ver- 
oorloofde ik me reeds bij eene andere gelegenheid de aan- 
dacht te vestigen. Het oordeel van Schiller over de adXa 
(üt\ IlatQÓTcXio is bekend : »al had men slechts geleefd om 
het drie-en-twintigste boek der Ilias te lezen, men zou zich 
over z^n bestaan niet te beklagen hebben". Evenzoo Lehrs, 
na deze woord'?n met instemming te hebben vermeld : > inder- 
daad is het een verrukkelgk boek en het werk eens buitenge- 
wonen meesters" (Arist.^ bl. 433;. Diezelfde lgk8i)elen vinden 
Grote en Jebb » an addition by an inferior and probably later 
hand" (Jebb pag. 124). Nog sterker Niese: »de behandeling 
verraadt een dichter wiens kracht verlamd ia^^ (hL 58). Gel^k 
verschil van gevoelen heerscht ten opzichte van het laatste 
boek der Ilias, aangaande de herkenningsscène van Odysseus 
en Laërtes in het 24e boek der Odyssee, aangaande de 
Telemachie, het 20© boek der Odyssee, en zelfs haar eerste 
boek blgkt in Cauer's oogen niet zoo geheel verwerpelgk. Van 
alle deze criteria geldt wat Volkmanu zeide, wiens woorden, 
indertgd met instemming door Naber aangehaald, door mij 
evenzeer met instemming herhaald worden : »dat bg de tot 
dusverre aangewende pogingen om den verschillenden ouder- 
dom der Homerische gedichten vast te stellen, de door 
middel van het eene kenmerk schgnbaar gewonnen uitkom- 
sten met de resultaten van een ander kenmerk in volslagen 
tegenspraak staan, eben weil die Kriterien an sich unge^ 
eignet waren^ ^^). 

Beloven die van Cauer standvastiger aanwending en on- 
twgfelbaarder uitkomsten ? Men zou soms zeggen dat de 
voorsteller zelf zich van enkele hunner weinig illusies maakt. 
Ten minste omtrent die welke op de verschillende gods- 



( âôô ) 

dienstige voorstellingen betrekking hebben leest men bg 
liem de volgende merkwaardige bekentenis : » selbst bei 
Forschern von unzweifelhaft kritischem Sinn - - konnte es 
geschehen, dass dasselbe Stück von dem einen für uralten 
mythischen Bestand, von dem andern für freie poetische 
Erfindung gehalten wurde" (bl. 220). Ik persoonlflk verschil 
van hem in het schatten van de rangorde der theophanieen. 
Het moge waar z^n dat de vr^e, tamelgk lichtzinnige en 
oneerbiedige wgze waarop in sommige gedeelten der beide 
epen met het goddel^ke wordt omgesprongen en de vaak- 
heid waarmede de tusschenkomst der goden wordt aange- 
wend, w^st op den weinig godsdienstig geaarden Ionischen 
geest, wereldsch tot in hart en nieren en van alle b^geloof, 
haast van alle geloof ontzwaveld, even waar dunkt het mg 
dat — omgekeerd als Gauer de zaak opvat — het gansch 
onverhuld verkeeren der godheid met den begenadigden 
sterveling, bigna op den voet van gelgkheid, een teeken is 
juist van primitievere beschaving. Âan deze is het immers 
O'/eral eigen, zich den afstand tusscben hemel en aarde te 
kort te denken. Ethisch hooger staat reeds het verkeer van 
den god met den mensch in menschengedaante, het hoogst 
de werking uit de verte, juist die welke Cauer de oudste 
acht. Ook op het uiterst wankele zgner verreikende histo- 
rische constructien, eigenlgk meer die van Julius Belochen 
Eduard Meyer dan de zgne, werd reeds terloops gewezen. 
De rol van het gzer in het samenstel der Homerische be« 
schaving wordt door anderen anders opgevat ^*), Slechts 
met één groep zgner criteria heb ik volkomen vrede : die 
welke aan de compositieleer der epiek ontleend zgn, gelgk 
ze door hem èn in de Grundfragen èn vroeger in verschei- 
dene opstellen in vaktgdschriften is ontwikkeld. Wat hij 
zegt over de syntaxis der epische zangers, over liun onver- 
mogen om ingeNvikkelde perioden te bouwen, om iemand 
lang indirect sprekende in te voeren, over hun geneigdheid 
om ten spoedigste den afhankelgken participiaalzin te ver- 
laten voor een nieuw hoofdwerkwoord, — dat alles acht 
ik uitnemend waargenomen. De gevolgtrekking, dat wg 
naar gelgken maatstaf ook de samenstelling der beide dicht- 



( 381 ) 

stukken te beoordeelen hebben, dat in deze dikw^ls, waar wg 
voegen meen en te zien, voor dichter en toehoorders alles in- 
derdaad glad scheen af te loepen ^^), en dat dus de kennis der 
epische syntaxis en harer logische zwakheden ons hoeden moet 
voor het lichtvaardig aannemen van verschillende handen, — 
deze gevolgtrekking heeft mijn volkomen- sympathie Alleen 
moet ik den auteur de illusie ontnemen dat hij te dien op- 
zichte een geheel oorspronkelyk gezichtspunt opende. »Nil 
est iam dictum, quod non sit dictum prias'*, blflft een oude, 
maar steeds ware verzuchting. Reeds Payne Knight wees er 
op, hoe de menschen van den homerischen tijd, uitmuntende 
opmerkers van wat onder het bereik hunner zintuigen viel, 
er geen begrip van hadden het samenstel van een uitgebreid 
dichtstuk, Hat ze bovendien niet onafgebroken konden hoo- 
ren, aan een microscopische ontleding te onderwerpen. 
»Carminum primi audi tores non adeo curiosi erant, ut ejus 
modi rerum rationes aut exquirerent aut expenderent ; neque 
eorum fides e suhtilioribus congruentiis omnino pendebat'^ ^^). 
Zoo werd reeds voor 75 jaar geleeraard, doch het kan geen 
kwaad dat na verloop van zooveel tgd Cauer hetzelfde met 
den noodigen nadruk herhaalde. 

Z:gn oorspronkelijkheid in dezen ligt dan ook niet in de leer, 
maar in de onbeschroomdheid waarmede hij hare toepassing 
handhaaft, ook tegenover namen als Kirchhoflf en Wilamo- 
witz. Wat dientengevolge in hunne constructien als niet 
proef houdend bezweken is, of alsnog dient te bezwijken, 
veroorloofde ik me reeds met een enkel woord aan te stip- 
pen. Ik ga in dezen geheel en zonder voorbehoud met 
hem mede. En evenzoo met veel van de negatieve uitkom- 
sten der andere beeren. Ieder hunner begint met kritiek 
uit te oefenen op de combinatieu van zyn voorganger, en met 
eenige overdrgving mag men beweren dat dit gedeelte van 
hun arbeid het best geslaagd is. Wilamowitz bestrijdt Kirch- 
hofes denkbeeld, dat de Telemachie plompverloren met het 
tegenwoordige tweede boek der Odyssee kon beginnen, en 
acht een expositie dringend vereischt. Hij heeft gelijk. Hij 
verklaart verder dat Kirchhofes Telemachie doodloopt, en 
alweder heeft hij gelijk. Hij bestrijdt de U bekende para- 



( 382 ) 

doxen van Niese, — bgna zeide ik: te veel eer, — maat 
h^ beatrydt ze en z^n bestriding is juist. Juister daaren- 
tegen dan de meen ing of van Kirchhoff of van Wilamowitz 
of van Seeck is weer Niese's gevoelen, ook door Cauer ge- 
deeld, dat de Telemachie een bewuste uitbreiding zou z^n 
der Odyssee, zooals b.v. het 23^ en 24e boek van de rest 
der Ilias, geen afzonderlek epos, groot noch klein. Alledrie 
bestreden ze, beleefd maar onvoorwaardelijk, de theorie van 
Lachmann, gei^k Seeck z^nerz^ds, doorgaans evenzeer met 
reden, allerlei beweringen van Wilamowitz weerlegt. 

Zoo werpt telkens de later komende een deel van 
het door zijn voorganger opgetrokken gebouw tegen den 
grond. Moet dit dan de einduitkomst z^n, de zekerheid 
dat aan alle bespiegelingen omtrent de Homerische kwestie 
het lot der kaartenhuizen beschoren is ? De overtuiging 
dat de ingespannen arbeid eener gansche eeuw vruchteloos 
is verkwist? Hoe conservatief ook op dit gebied, ik acht 
mij gelukkig dit te mogen ontkennen. Het negatieve ge- 
deelte van Wolf's stellingen is, trots Wilamowitz' macht- 
spreuk, niet weerlegd ^7) Ook omtrent sommige positieve 
punten, waarop ik in den aanhef wees, schijnt by de vak- 
mannen allengs overeenstemming bereikbaar. Het zgn voor- 
alsnog slechts algemeenheden, dat is zoo, doch op grond 
daarvan wanhoop ik voor my niet aan de eindelyke vesti- 
ging eener communis doctorum opinio in deze materie. 
Evenwel slechts op deze ééne voorwaarde, dat streng onder- 
scheiden worde wat niet het minst door Wilamowitz en 
Seeck, trots — neen, juist wegens hun scherpzinnigheid — 
bestendig dooreen is verward. Het zijn twee verschillende 
arbeidsvelden, eensdeels het onderzoek naar de herkomst, 
de oorspronkelijke gedaante en de vervormingen der mythen 
on sagen, waaruit onze Ilias en Odyssee na een ontwikke- 
lingsproces van vele eeuwen eindelyk zgn voortgekomen, 
het onderzoek derhalve naar do Quellen beider gedichten, 
gel^k men ginds zegt, en andersdeels het streng philologisch 
onderzoek naar hun samenstelling. Ik wil aannemen dat 
de bakermat der grieksche epiek, toen zij nog slechts korte 
verhalende liederen wist voort te brengen, bg de Aeoliers, 






( 383 ) 

eerst van Thessalie en omstreken, later bij hun stamgenoo- 
ten in den Noordwesthoek van Klein-Azie te zoeken is, al 
verheel ik geenszins dat de Aeolismen, in onze Ilias en 
Odyssee verondersteld, mij persoonlyk noch talrijk noch af- 
doend genoeg voorkomen om de daaruit afgeleide gevolg- 
trekkingen van zoo verreikende strekking boven allen rede- 
Igken tvrgfel te verhefifen. Ik wil verder de overtuiging 
deelen dat de Klein- Aziatische loniers met geniale zangers 
waren gezegend, die uit een onbekend aantal van korte, waar- 
sch^nlijk sterk van elkander afwijkende en een zelfde thema 
soms op geheel tegenstrijdige wgze behandelende epische 
lays of balladen de twee epopeeën schiepen, welke het wonder 
der komende eeuwen zouden worden. Maar nu vraag ik, ten 
eerste ; is het by dergelyke veronderstellingen niet de waar- 
schgnlijkheid zelve, dat de tegenstrgdige en dubbele motieven 
die men waarneemt — of meent waar te nemen — voor een 
deel het gevolg waren van een bg alle genialiteit toch 
menschelijkerwigze begrijpelyk onvermogen om in het ineen- 
passen van duizende details zich nooit bloot te geven aan 
met microscoop en passer gewapende controleurs? En ten 
tweede: is niet althans een deel dezer discrepancies in 
laat sten aanleg te wgten aan de sage zelve, tegenover welke 
ook de dichters der uitgebreide epopeeën niet hun volkomen 
vr^hcid konden handhaven ? Op grond dier inconsequentien, 
— gesteld dat overal, waar Niese en Wilamowitz en Seeck 
slechts overpleisterde scheuren en voegen believen te zien, 
minder goed gewapende oogen die ook waarnemen, — op 
grond daarvan in de scheppers van den definitieven vorm 
onzer gedichten enkel diaskeuasten, anders gezegd knoeiers, 
»Flickpoëten", te zien, die door middel van wegsneden en 
aaneenlymen van drie, vier oudere epen een kunstmatigen en 
toch bloot oppervlakkigeu samenhang trachtten tot stand te 
brengeii, — dat is, eerlgk gezegd, een voorstelling waarbg 
ik ter nauwernood mgn lachlust kan bedwingen. Die oude 
aoeden, als waren het zoovele couranten-rédacteurs, met 
schaar en lijmkwast onze Ilias en Odyssee ineenknutselende ! 
En dat met altijd waarneembare onbeschrijfelijke onhandig- 
heid! Heusch, op dat gebied — r]^6ïg tcov ütaxéciov 



(384 ) 

Wil men b^tgds omkeeren van dezen, naar mijne over* 
tuiging doodloopenden weg, dan blgve het naspeuren der 
bronnen een onderzoek op zichzelf. Ik heb er niets tegen, 
— al laat ik diergelgke navorschingen gaarne over aan 
mannen van de reusachtige belezenheid en fabelachtigen 
spenrzin van Kirchhoff, Wilamowitz, Erwin ßohdc, Eduard 
Meyer, — dat Agamemnon en Menelaus slechts veronder- 
stelde stamheroën zijn van aanzienlijke geslachten, dat 
Achilles eigenlek een mythisch wezen, de roof van Helena 
een algemeen indogermaansch mythologisch motief, de strgd 
om Troje uit de samenvloeiing van allerlei in tyd en plaats 
vèr uiteenliggende krggso verleveringen ontstaan is. Ik wil 
m^ laten gezeggen dat Odysseus en Penelope oorspronkelijk 
een zonnemythe waren, Polyphemus en de Phaeaken ehtho- 
nische wezens, Circe en Calypso, de toorn van Helios en de 
toorn van Poseidon variatien van een zelfde grondthema, de 
wedstr^d met den boog een godsdienstig gegeven. Ik ben 
bereid dit alles met volmaakt geloof aan te nemen, mits 
men wederkeerig mij veroorlove te blijven hechten aan de 
overtuiging, dat deze mythologische en natuursymbolische 
voorstellingen altegader reeds in hoofdzaken zich hadden 
omgezet in en versmolten waren met andere en ditmaal 
zuiver aardsche sagen, lang vóór of minstens reeds t^dens 
de — zeggen we — aeolische periode van het epos. Daar- 
naast hecht ik voor mij iets aan de meening, dat zekere 
Zelfbeperking geen kwaad zal doen aan de overredingskracht 
van de uitkomsten eener zoo moeilijk te controleeren studie. 
Er alvast geschiedkundige hypothesen aan vast te kn>>open 
als ik U straks noemde^ dunkt mij een weinigje voorbarig. 
Op gronden daaraan ontleend met Wilamowitz voor een 
deel de Ilias en vooral de Odyssee jonger te achten dan de 
cyclici schijnt mg vooralsnog ietwat bedeukelgk. Met Seeck 
te wed^veren in het construeeren van nieuwe Odysseeën en 
nieuwe Iliaden, gelgk hg, blgkbaar op Lachmann naijverig ^^), 
uit de raadselachtige regels 6 là v.v. een nieuwe Ilias op- 
bouwt met Achilles en Odysseus in plaats van met Achilles 
en Agamemnon als twistende hoofdpersonen ^^), dat is een 
lauwer die my geenszins wenkt. Ik ben tevreden, wanneer 



( 3Ô5 ) 

men — gelg'^ gezegd — deze navorschingen voorloopig 
afgescheiden houdt van die naar de samenstelling der uit- 
gebreide epopeeën, de eenige die wij feitelyk kennen. 

Wat dit laatste vraagstuk betreft : m^n aanhef bewees U 
reeds dat ik er geen oogenblik aan denk prue-Wolfiaan en 
unitariër quand-même te z^n. De thans onbegrijpelyke zin- 
speling van Arete in het 8® boek der Odyssee bewijst alleen 
reeds dat er verschuivingen, het afscheid van Hector en 
Andromache in zijn tegenwoordige omgeving dat er uit- 
breidingen hebben plaats gehad. Maar ook hierin kan het 
geen kwaad zgn fantasie te breidelen. De tegenstrijdigheden 
en het gemis aan samenhang moeten zich opdringen, ze 
moeten niet in den tekst gebracht worden om met schitte- 
rende combinatiegave te kunnen pronken. Het omgekeerde 
behoort te geschieden van wat Seeck in den aanvang van 
z^n boek naiefweg als het geheim van het vak verklapt. 
» Die Kritiker, welche die Odyssee als ein einheitliches Gedicht 
aufifassten, mussten verwerfen, was dem klaren Plane dessel- 
ben zuwider war; wir dagegen, die wir vonandern 
Gesichtspunkten ausgehen, werden eben dasje- 
nige für das Echteste undAelteste halten, was 
dem jetzigen Zusammenhange widersprechend 
auf einen früheren verlorenen Zusammenhang 
hindeutet." (bl. 2). Als ik kiezen moest, ik zou me aan de 
methode der oude critici houden. Doch het is niet noodig. 
Wg behoeven slechts dien voornaamsten maatstaf onbe- 
vooroordeeld aan te leggen dien Cauer nooit uitdrukkelijk 
noemt maar overal stilzw^gend veronderstelt : de bedoeling 
des dichters, zich openbarende in den bouw van zijn ge- 
dicht. Daarnevens komen de andere kenmerken door den- 
zelfden criticus aan de hand gedaan, vooral die welke aan 
de compositieleer van het epos ontleend z^n. Hoe meer 
kenmerken te zamen vallen, des te meer waarschijnlijkheid 
is er dat w^ gelijk hebben wanneer we een gedeelte of oud 
en oorspronkelflk, of jonger en de vrucht van uit- en om- 
werking achten. Daarmede gewapend acht ik voor de Ilias 
de opvatting waar, waarin trots alle verschil in bijzonder- 
heden Grote, Naber, Christ, Cauer overeenstemmen : een 



( 3Ô6 ) 

ouder kern, de eigenl^kc fLc^vcç» waaraan in vr^ nauwe, 
maar meestal nog herkenbare aansluiting, allerlei uitbreidin- 
gen zijn toegevoegd. Omtrent het aantal en den omvang 
van elk dezer begint, gelijk gezegd, een algemeen geldende 
opvatting zich alreeds te vormen. 

Eenigszins anders staat het geval met de Odyssee. Ten 
opzichte van deze sta ik voor mg nog in hoofdzaken op 
het standpunt van Grote, wiens gevoelen, — »ut erat ab 
arguta subtilitate et perversa opinatione umbraticorum pbi- 
lologorum alienissimus", gelgk Christ hem kenschetst, {Pro* 
legg. p. 81 noot), — ik mg veroorloofde in den aanvang 
mede te deelen en dat hg my zeer zwaar weegt. Wat Wi- 
lamowitz voor het zoo zeer gesmade eerste boek vordert : sit 
ut est aut non sit, geldt mgns bedunkens voor het gansche 
epos. Al wat wy van essentieele bestanddeelen wenschen te 
verwyderen, te wijzigen, om te zetten, komt neer op een 
kapitale verminking der ongeloofelyk kunstig ineengezette 
handeling. Natuurlijk is ook hier een en ander bygewerkt 
en uitgelegd, misschien in het 3e en 4e boek, zeker in het 
8e en He en in veel van de tweede helft, al zullen we 
wel doen bij het waarnemen van etteligke driemaal herhaalde 
motieven, — het driemalig afdalen van Penelope tot de 
minnaars, de drie worpen naar Odysseus, — ons de rol te 
herinneren die het getal drie io allerhande sproken speelt, 
en nog veel meer ons te onthojien van even lichtvaar- 
dige als op hoogen toon geuite veroordeelingen op grond 
van taal en stijl. My dunkt : periculosa res est melius quam 
Graecos Graece scire veile ^^). In geen geval zou ik voor 
mij met combinatiegave wenschen te schitteren ten koste 
van het organisme dezer fijngevormde poëzie. Ounoodigdan 
ook te zeggen, dat ik geen van Kirchhofif 's hoofdstellingen 
beaam. Trouwens : wat staat daarvan nog overeind ? Zyn 
afzonderlyke Telemachie ? Zijn oudere Nostos ? Zyn denkbeeld 
dat Xfi uit den 3en ps. in den len zijn overgezet? Niese, 
Wilamowitz en Cauer hebben beurtelings hun best gedaan 
het onhoudbare van dat alles aan te wijzen. Zyn voorstel de 
Cyclopie naar het 7e boek te doen verhuizen ? Wilamowitz 
heeft het — niet zeer heusch — min of meer belachelijk 



( 387 ) 

gemaakt ^^)* Ik voor mg zie niets van gewicht dat nog stand 
houdt. 

B^ nog slechts één punt, — een laatste, — zoude ik 
ten slotte gaarne een oogenblik verwijlen. Ik deed reeds 
opmerken dat Cauer, vreemd genoeg, het eerste en m. i. 
voornaamste kenmerk niet noemt, dat dienst moet doen ter 
onderscheiding van ouder en jonger. Bij scherper toezien 
wykt de bevreemding. Althans, wy meenen te bemerken 
dat geen toeval in het spel is. Hij hangt namel^k eene 
meening aan omtrent het ontstaan der homerische gedich- 
ten, die consequent volgehouden eigenlijk geen plaats laat 
voor een uitgebreid, kunstvoJ, in alle bijzonderheden wèl 
doordacht plan. Hij acht en noemt de homerische poëzie 
volkspoëzie. De vondst, zoo ze er eene is, is niet van 
hem, Cauer. Gelijk h^ voor de historische zgde der Homeri- 
sche kwestie onder den invloed staat van Eduard Meyer, zoo 
heeft hij in dezen meer wijsgeerig-litterairen kant van het- 
zelfde »vielgestaltige" vraagstuk eenigermate door de oogen 
gezien van Louis Erhardt. Hy besluit, — wat Erhardt 
wigselyk nalaat, — zijn leerzaam werk met deze woorden 
van Steinthal uit het jaar 1868. »Het is strikt genomen 
onmogelijk volkspoëzie in geschrifte vast te stellen. Ze is 
een stroom van poëzie die onophoudelijk vloeit. Gelgk 
niemand zich tweemaal in dezelfde watergolven baadt, zoo 

hoort men niet tweemaal hetzelfde lied. Teekent men 

het op, dan is het geen volkslied meer. Een uur daarna, 
ja in hetzelfde uur op eene andere plaats, weerklinkt het- 
zelfde lied op anderen toon". 

Er is hier over een dichterlijk onderwerp waar en dich- 
terlek gesproken, en ik schroom haast met mijn prozaische 
bedenkingen voor den dag te komen. Maar daar begrypen 
vruchtbaarder pleegt te zijn dan bewonderen, zij mij de 
vraag naar nadere toelichting gegund. Immers, wanneer 
men de Homerische poëzie volkspoëzie noemt, en juist daar- 
door haar bewonderenswaardigen innerlijken, organischen 
samenhang meent te kunnen verklaren, dan kan toch de 
bedoeling niet zyn uit te spreken dat haar stof volks- 
eigendom moet zijn geweest. Wie zou het loochenen ? Wie 



( 388 ) 

geeft niet a priori toe dat een stof, kunstmatig door een 
geleerd poëet uitgekozen en uitgeplozen, een verhaal uit 
oude tijden waarvan hij zelf weinig en zgn publiek niets 
gelooft, dut zulk een onderwerp alles kan z^'n behalve een 
waarachtig epos ? Het is waarlijk niet der moeite waard, 
tegenwoordig nog zoo iets te komen verklaren en betoogen. 
Neen, ligt er iets e^'genaardigs in Erhardt's en Cauer's 
meening, dan moet ze deze z^n dat de vorm der Home- 
rische poëzie volkseigendom, allemans-eigendom is. Welnu: 
ik aarzel niet dit een onware en bovendien hoogst beden- 
kelijke stelling te noemen. Ze is een uitzetting van Banke's 
welbekende grondstelling, die ik op kunstgebied althans 
meer dan betwistbaar acht. Voor ons vraagstuk moet ze, 
consequent toegepast, tot een verbrokkeling leiden, waarbij 
die van Lachmann maar kinderspel was. 

Ja, het door de Muzen begenadigde volk dicht, — maar 
in proza. Het schept zich den wonderschat zgner sagen* — 
»met hun ondoorgrondelijke diepte", gelijk Wilamowitz 
ergens zegt (bl. 169), — zooveel heerlijker dan de schitte- 
rendste gedocumenteerde historie, als de beelden der fantasie 
het winnen van alle werkelijkheid. Maar als het volk, als 
de technisch ongeoefende, zich tot zingen zet, tot uitspreken 
in kunstvorm van wat z^n hart en verbeelding beweegt, hoe 
kort is dan zijn adem en hoe onbeholpen ongelijkmatig zyn 
klank ! Want de vorm van alle poëzie eischt oefening, lang- 
durige en nauwgezette oefening, soms eene van vele ge- 
slachten achtereen, alvorens men het gecompliceerde instru- 
ment naar den eisch bespelen kan. Wat van de muziek, 
van de beeldhouwkunst, van de schilderkunst, van de bouw- 
kunst geldt, waarom zou het voor de dichtkunst alleen niet 
gelden? Waarom zou ieder zingen kunnen, die zingen wil ? 
Hoe men in één adem spreken kan van de vele eeuwen van 
arbeid die het ontwikkelen der epische taal en versmaat 
vereischte alvorens te worden wat ze geworden zijn, van den 
kunstvollen bouw in het organisme der beïde gedichten 
waarneembaar, en daarnevens van Ilias en Odyssee als 
specimina van volkspoëzie, ook in den vorm, — het is 
mjj een raadsel. Men geve mij eenig ander voorbeeld van 



( 389 ) 

groote dichters, die niets meer waren dan het willooze 
mondstuk der volksziel, men toone my onwederlegbaar col- 
lectieven oorsprong in nog andere epen van den omvang en 
de betrekkelijke volkomenheid in aanleg die zelfs de Ilias 
kenmerkt, en ik zal misschien gaan wankelen in mign over- 
tuiging. ^^) Tot zoolang blgven mij de dichters van Ilias en 
Odyssee geniale individuen, al weet ik noch wie 
het waren noch hoeveel. 

Ik besluit hiermede de minder aanlokkende, maar altyd 
nuttige taak, advocatus diaboli te zijn. Ik meende mij te 
moeten verzetten tegen het canoniseeren van gevoelens, ge- 
koesterd door mannen voor wier geleerdheid en scherp- 
zinnigheid ik desniettegenstaande met den diepsten eerbied 
vervuld blijf. Veel zou er nog te bespreken zijn ®^), — 
de Homerische poëzie is een oceaan zonder stranden, zeg 
ik een mijner ambtgenooten na, — maar de tgd verbiedt 
my voort te gaan. Gelukkig, zegt Gy, en van het stand- 
punt des hoorders beaam ik dit woord. Mij rest slechts 
ü te danken voor de welwillendheid, waarmede Gy mij 
zoolang hebt willen aanhooren. 



AANTEEKENINGEN. 



^) (I*^- 343). Iloinerische Untersuchungen (vormende het zevende 
Heft der Philologische JJntm^suchungen hei'ausgegeb. von A. Kiessling 
und U. von Wilaraowitz-Moellendorff ) 1884, p. 381. De boutade heeft 
natuurlijk de verontwaardiging gewekt en protest-verklaringen uitge- 
lokt van de zijde der Duitsche schoolmannen. P. Cauer schrijft aan 
het slot zijner uitgebreide en zaakrijke beoordeeling van W.'s werk 
{Wochenschrift f. Klass. Philol, v. W. Hirschfelder 1885, nrs, 17 en 
18) : //Warum die Scheltworte am Anfang des Kapitels ? - - So 
könnte niemand sprechen, der einmal das Glück gehabt hätte, an 
einem deutschen Gymnasium Homer zu unterrichten". Hier valt 
alleen de goede bedoeling te prijzen. Immers, Wilamowitz zeide 
uitdrukkelijk: //Wie viele erwachsene lesen ihn noch zu ihrer 
erbauung ?" 

^) (Pag. 345). A. Bougot : Etude sur V Iliade éCRomère, Hachette 
1888. Ik ken het boek slechts uit de bespreking ervan door Ed. 
Kammer, opgenomen in de Berl. Philol. Woch. van 15 Febr. 1890, 
nr. 7. De beoordeelaar haalt o. a. deze uitspraak van den auteur 
aan : //l'Iliade est dans son ensemble l'oeuvre d'un seul et même 
poëte" ; en voegt, daaraan toe : //Der Verfasser ist Unitarier im streng- 
sten Sinne; der von der Kritik in der Dichtung getadelte Mangel 
an Zusammenhang, die vorhandenen Widersprüche, kommen nach ihm 
zum grössten Teile auf Eechnung der Zeit und der Eigenart des 
Dichters, seines Genies: denn da er nicht für Leser, sondern für 
Hörer dichtete, so war er nicht genötigt, ängstlich seine dichterische 
Schaffenskraft zu zügeln". Natuurlijk zullen er in de 576 bladzijden, 
die* het werk telt, ook wel verstandiger dingen staan; wat Kammer 
althans iets verder aanhaalt is nog zoo dwaas niet. //Zwei Motive sind 
in unserer Ilias verschmolzen, der Zorn des A chiliens und seine 
Folgen (//une Achillcide restreinte") und die Darstellung des Krieges 
vor Troja" (//une Iliade restreinte aussi"), en : //la peinture de la 
guerre est le véritable sujet de l'épopce". De eerstvermelde stelling 
komt overeen met de welbekende theorie van Grote ; de tweede is 
in allen gevalle wel zoo verstandig als de tegenovergestelde opvatting 



( 391 ) 

van Niese, waarover later. Toch dienen we Kammer gelijk te geven, 
wanneer hij zijn eindresultaat aldus formuleert: //der kritische Stand- 
punkt des Verf. wird in Deutschland wol nirgends eine Zustimmung 
finden". Ik meen gerust er aan te mogen toevoegen: ook in Neder- 
land niet. 

3) (Pag. 346). //Since two poems are comprehended in the problem 
to be solved, the natural procesê would he^ first to study the easier 
of the twOy and then apply the conclusions thence deduced as a 
means of explaining the other. Now, the Odyssey^ looking at its ag^ 
gregate chara^tei\ is incomparably moi^e easy to comprehend than the 
Iliad, Yet most Homeric critics apply the microscope at once, and 
in the first instance, to the Iliad". {Hist, of Greece, II p. 164 der 
Amerikaansche uitgave). Natuurlijk doen ze dat. Indien de Odyssee 
als geheel gemakkelijker te overzien, en dus kunstvoller ineengezet is 
dan de Ilias, moet het, dunkt mij, ook bezwaarlijker vallen haar tot 
de oorspronkelijke bestanddeelen te herleiden, verondersteld altijd dat 
zoodanige oorspronkelijke bestanddeelen zich alsnog laten aanwijzen« 
Volkomen terecht gingen dus de moderne Chorizonten, — de uit- 
drukking is van Bergk, — bij hun ontledingen uit van de Ilias. 

O (P^' 346). L, Friedländer: die Homerische Kritik von fFblf 
bis Grote, p. 23. 

*) (Pag. 346). //If it had happened that the Odyssey had been 
preserved to us alone, without the Iliad, I think the dispute respec- 
ting Homeric unity would never have been raised". (II p. 165). 

*) (Pag. 346). //Die Odyssee macht in weit höherem Grade den 
Eindruck einer geschlossenen Einheit als die Ilias. — ff^äre uns die 
Odyssee allein erhalten, so würde vielleicht niemals der Zweifel gegen 
die Existenz des Dichters und die Einheit dieses Epos sich erhoben 
haben. Allein da die Ilias den Anforderungen an ein planmässiges 
Werk wenig entsprach, so übertrug man die Kesultate der zer- 
setzenden Kritik, welche man dort gefunden zu haben glaubte, ohne 
weiteres auch auf die Odyssee, während die Vertheidiger der üntheil- 
barkeit beider Gedichte sich eben auf die kunstreiche Composition 
der Odyssee beriefen, um die Einheit der Ilias in Schutz zu nehmen". 
(Griech. Literaturgesch. I, p. 654). Terecht wordt door Bergk het 
afkeurenswaardige dezer methode gewraakt, en de eisch gesteld dat 
elk der beide oude epen op dit punt alleen aan zichzelf getoetst 
worde. 

7) (Pag. 346). Volgens Kirchhofes zeer ingewikkelde en m. i. zeer 
weinig waarschijnlijke hypothese behoorde het eerste gedeelte der 
'AAk/voi; scTtSXcyoh de Kvic?^u7rstcù (/, 16 — 664), in den door hem 
veronderstelden ouderen Nóctoc eigenlijk thuis tusschen >j 242 en 

VIBBSL. BN MBD. AÏD. LBTXEBK. Sde RBBKS. DBBL XII. 26 



( 392 ) 

252, met uitwerping van vas. 243 — 251. De rest yan den Apologos, 
de tegenwoordige boeken k fi, hebben — gelijk in den tekst, biz. 349, 
is aangestipt, — in zijn theorie oorspronkelijk tot eene andere Odyssee 
behoord, zijn aanvankelijk verhalenderwijze, d. w. z. in den ^^^ ps., 
gedicht, en eerst door den redactor der definitieve Odyssee (den 
//Bearbeiter") met de KucXuTreia, tot een geheel verbonden. Om aan 
deze, die geacht wordt van den aanvang af zelfverhaal te zijn ge- 
weest, te passen zijn zij insgelijks in den eersten persoon overgezet, 
en daarna als een onverbreekbaar geheel naar de tegenwoordig inge- 
nomen plaats verschoven. Aan dienzelfden redactor wordt bovendien 
verreweg het grootste gedeelte van het tegenwoordige achtste boek 
toegeschreven, welks grondstof almede tot dezelfde Voi'lage behoorde 
als de primitieve x fi^ zoodat eerst hij de thans bestaande volgorde der 
boeken 8 — 12 schiep, door behalve zijn reeds vermelde werkzaam- 
heden nog met het alzoo uitgebreide en omgevormde zelfverhaal de 
Hades-episode van A te verbinden. Om zeker te gaan laat ik zijn 
eigen woorden volgen. //Wie schon bemerkt worden, ist die Absicht 
die Erzählung, welche den Inhalt des achten Buches bildet und die 
Ereignisse eines ganzen Tages bis zu dessen Abend befasst, der älte- 
ren Dichtung einzuverleiben, für den Bearbeiter die Veranlassung ge- 
wesen, den Organismus der letzteren willkürlich zu stören und in 
seinen Theilen zu verschieben. Die eingefügte Erzählung ist aber nicht 
freie Dichtung des Bearbeiters, sondern er hat für sie — eine ältere 
' Quelle benutzt, wid zwar meine?' Meinung nach dieselbe^ welche ihm 
auch den Stoff für die Erweiterung der Erzählung des Helden von 
seinen Abenteuern im zehnten und zwölften Buche geliefert hat^\ {Inlei- 
dende aanmerking op Ô in : Die Homei'ische Odyssee v. A. Kirchhoff, 
1879, I p. 211). Verder: //Die Abenteuer bei Aeolos, den Laestry- 
gonen und Kirke hat. der Bearbeiter einer anderen selbständigen 
Quelle entnommen, de7'selben meine?' Ansicht nach, welche?' der toesent- 
liehe Inhalt des achten Blickes verdankt- wi?'d, zugleich aber hat er an 
Inhalt und Form sich wesentliche Aenderungen vorzunehmen erlaubt. 
Er hat in das Kirkeaben teuer die seiner Quelle fremde Hadesepisode 
eingelegt ; er hat aber auch die Form der Darstellung wesent- 
lich und durchgängig alterirt, indem er sie aus einem Referate des 
e?'zählenden Dichters i?i einen Be?'icht des seine Abenteue?' erzählenden 
Helden umsetzte, lediglich z?i dem ZwecJce, um sie demjenigen Theile 
des alten Nostos hinzufügen zu können, ?oelcher eben von A?ifa?ig an 
diese Fo?'m^ hatte''\ (Inleidende aanmerking op jc, ibid. p. 217). Dit 
alles wordt in de Excursen TI en III van het eerste deel uitvoerig 
uiteengezet. Niettegenstaande de vrij algemeene instemming, waarmede 
deze leer tot op d€u allerlaatsten tijd door de Duitsche philologen 
begroet is, — ze gold in haar tweede helft als een uitgemaakte, on- 
aantastbare grondstelling, — dunkt zij mij, gelijk ik reeds te kennen 
gaf, in al haar onderdeden even onaannemelijk. Van de bezwa- 



( 393 ) 

ren van allerlei aard die zich laten bijbrengen, — en waarvan er in 
de laatste jaren inderdaad door Wilamowitz en Seeck vele bijgebracht 
zijn, — laat ik hier slechts dit ééne gelden. Men stelle zich den 
redactor, Kirchhofes //Bearbeiter", zoo weinig dichterlijk begaafd voor 
als maar denkbaar is. Zal men hem zich in ernst ook zoo stomp- 
zinnig kunnen denken, dat hij, die toch in staat wordt geacht een 
vrij omvangrijke wijziging en uitbreiding van het oorspronkelijke plan 
der Odyssee te hebben beraamd, die met het oog daarop in staat 
wordt geacht t te kunnen verplaatsen, x en /te omtedichten, A daar^ 
mede te verbinden, 6 voor dat alles te plaatsen, en die door om- en 
bij dichting uit deze vrij heterogeene massa een tot op Kirchhoff vrij 
goed aaneensluitend geacht geheel wist tot stand te brengen : — zal 
men dezen man voor zóó onnoozel kunneij verslijten, dat hij de in 
den tekst aangehaalde regels aan Arete in den mond legde, zonder 
te bemerken dat hij haar liet zinspelen op iets dat hij zelf misschien 
al in den geest had, maar dat voor zijn hoorders en voor niet in de 
Homerische kwestie ingewijde lezers een ondoorgrondelijk geheim 
moest zijn? Het valt hard dit te gelooven, in de veronderstelling dat 
hij de bedoelde versregels uit zijn Vorlage eenvoudig overnam ; het 
wordt geheel onaannemelijk, zoodra men stelt dat de bedoelde vers- 
regels zijn eigen maaksel zijn. En slechts dit laatste is mogelijk, 
wanneer Kirchhofi''s hypothese de waarheid geeft. Want in diens 
//andere Odyssee" wordt" de Aeolus-episode door den dichter, niet 
door den held, verhaald; hoe kan Arete er dus van weten en er op 
zinspelen? Het ware zeker belangwekkend te vernemen hoe K. over 
dit punt denkt, en over 't algemeen hoe hij zich den gang der ge- 
beurtenissen in die andere Odyssee voorstelt, met hare opeenvolging 
van jc, fA, Ô (Ç), zonder i en A, ofschoon althans het Cyclopen-avontuur 
in den eenen of anderen vorm wel aan geen Odyssee vreemd kan 
geweest zijn. Edoch, over deze en dergelijke vragen verliest Kirch- 
hoff geen woord, — mijns bedunkens bewust of onbewust ter wille 
der theorie. Men zal mij tegenwerpen dat wat mij bij het aannemen 
van Kirchhoff's stelling onverklaarbaar dom toeschijnt, even gedach- 
teloos blijft wanneer de door mij gebillijkte hypothese van v. Hartel 
en 15ergk moet gelden. Mijn antwoord zij het welbekende : duo cum 
faciunt idem, non est idem. Wat begrijpelijk is bij een diaskeuast, 
die een in het dertiende boek t'huis behoorende episode met huid 
en haar naar het achtste overbrengt, misschien onder toevoeging van 
een paar overgangsregels, wordt onaannemelijk bij een min of meer 
zelfstandig arbeidenden redactor, in staat een omvangrijke wijziging 
en omwerking te ontwerpen en uit te voeren. Misschien ook zul- 
len er zijn die van geen verplaatsing der geïncrimineerde regels, 
door wien of wanneer dan, willen weten, bewerende dat zij van den 
aanvang af voor de plaats welke zij nu in Ô innemen zijn gedicht 

Hun .argument zal zijn de dikwerf, laatstelijk door Cuuer. ter sprak 

26 



( 394 ) 

gebrachte eigenaardigheid der oude epici, bij hun personen allerlei be- 
kend te veronderstellen, wat de dichter en zijn toehoorders weten, maar 
wat voor de handelende personen of op dat oogenblik nog óf steeds 
een geheim is. Reeds voor de critici der oudheid is de hier bedoelde 
epische hebbelijkheid niet verborgen gebleven. Maar ook op deze« 
mogelijke tegenwerping is mijn antwoord dat met de plaats die ons 
bezig houdt het geval anders staat. Hier is geen sprake van iets wat 
dichter en hoorders — later lezers — weten, maar voor de hande- 
lende personen verborgen is, maar van een zinspeling, eene pointe, 
op een voorval dat de dichter kent maar waarvan het auditorium 
alsnog onkundig is gebleven. Wien die bij zijn zinnen is valt het 
in, zulk een toespeling te bedenken ? 

^) (Pag. 346). Von Hartel's oordeel over ô 443 seqq. ken ik alleen 
uit Seeck's Quellen der Odyssee p. 174 noot. Seeck citeert het Z?«7»cÄr. 
f. d. oesie?T, Gymn.- oyer 1865. Bergk's Griech. Literaturgesch, dl. I 
is van 1872, zoodat de prioriteit der opmerking aan Von Hartel toe- 
komt. Bergk is evenwel wel de laatste persoon, van wien te ver- 
onderstellen is dat hij zich met geleende vederen zou willen tooien. 
Bovendien, de gevolgtrekking, door elk der drie geleerden uit het 
gelijkelijk opgemerkte verschijnsel gemaakt, is geheel verschillend. 
Bergk concludeert tot de verplaatsing door een diaskeuast van iets 
uit V naar Ô. Von Hartel leidt uit de bedoelde verzen af dat 
//Odysseus schon vor den Wettkämpfen ihr (Arete) seine Geschichte 
erzählt haben müsse", (Uitbreiding \an Kirchhoff's stelling tot den 
geheelen Apologos ?) Seeck zijnerzijds rekent dezelfde verzen tot zijne 
Telemachie, bij welker dichter men het zoo nauw niet nemen moet: 
//In dieser (de Telemachie) ist der Ausdruck oft so ungeschickt, dass 
seine scharfe Interpretation auf Irrwege führt". Wij hebben hier een 
klein, maar leerzaam staaltje van de babylonische spraakverwarring, 
die vooralsnog op het gebied der Odyssee-kritiek heerscht. 

') (Pög' 347). UeLer den anfang der Odyssee in het eerste deel der 
Homerische Blätter ^ p. 99 vv. Bekker wraakt, behalve de dictie van 
het prooemium en den overgang daaruit tot het verhaal, de Telema- 
chie (ä — i), hare verbinding met de eigenlijke Odyssee in f, terloops 
ook den bouw van g, eindelijk de onbeholpen wijze, waarop in o 
op Telemachus teruggekomen wordt. In dit opzicht zijn Immanuel 
Bekker en G. Hermann Kirchhoffianen avant la lettre, wat ook aan 
Wilamowitz geenszins ontgaan is (p. 19 noot). Vooral merkwaardig 
is een brief van Hermann van 17 Nov. 1841, door Bekker in de 
noot van bl. 101 medegedeeld. Wq lezen daar o. a. : //die alte 
Odyssee hatte wohl blos den angekündigten v'oittov 'O^t/o-ö-Joc zum 
inhalte, und fing der sache nach mit V (e) l an. es scheinen aber aus 
der dort beginnenden einleitung eine anzahl verse hernach in das 



( 395 ) 

erste buch gesetzt zu sein, denn sehr gut würden zusammenhangen 
VI— 19 I 50—87 V21, (sie!!) worauf statt V 22— 27 vielleicht blos 
jcxi (vÄ* ?) J)} retvrd ye T^vrds, réicoç, üslto. fÂolpeiv esivrsc folgte, und 
dann V28 die erzählung weiter fortging, ob es möglich sei das ge- 
rippe der alten Odyssee nachzuweisen, möchte ich fast bezweifeln, da 
nach und nach immer mehr ausführungen einzelner andeutungen 
und mafiche ganz der ersten anläge fremde fabeln eingeschoben zu sein 
scheinen, wie denn die reisen des Telemach zu dem Menelam und Nestor 
oßenbar eine spätere mflndung sind^\ Tegen Bekker's scherpe veroor- 
deeling van et 1 — 10 richtte zich, gelijk bekend, Lehrs met zijn opstel: 
Das Prooemium der Odyssee, herhaald als derde hoofdstuk der Epimetni 
achter zijn Aristarchus^ p. 419 v. v. Het spreekt van zelf, dat, zoo 
Bekker's vonnis misschien te scherp luidt, de apologie van Lehrs, in 
menig opzicht Bekker's tegenvoeter in Homericis, veel te zachtzinnig 
is uitgevallen. Natuurlijk billijkt Wilamowitz al het kwaad dat van 
het prooemidm gezegd wordt (bl. IS), en heeten Lehrs' tegengronden 
//sentimentale gefühlsergüsse", wat niet verhindert dat hij elders oor- 
deelvellingen als van Bekker f /erschreckende ürtheile''' noemt. 

1®) (Pag. 348). In Die Homerische Odyssee, 1879, tekst met aan- 
merkingen en excursen, samensmelting en uitbreiding zijner twee 
vroegere geschriften over hetzelfde onderwerp : die Home7'ische Odyssee 
und ihre Entstehung {Text und Erläuterungen) van 1859 en die Com'- 
position der Odyssee van tien jaren later. 

1^) (Pag. 850). Vgl. aanteek. 9. 

12) (Pag. 350). In het oorspronkelijke ontwerp van 1859 werd de 
gansche véKVfx, op 20 regels na het geheele elfde boek, vrije en 
willekeurige fictie van den bearbeider geheeten. De voorstelling van 
Kirchhoff is, gelijk reeds werd opgemerkt, dat k jm, eenmaal een zelf- 
standig gedicht, door den //Bearbeiter" uit den 3«*» ps. in den l^Q 
zijn omgezet. Hiermede niet tevreden had deze ook op eigen hand 
geïnterpoleerd. //Soweit die ändernde Hand des Bearbeiters mit einiger 
Sicherheit zu erkennen war, ist dies - - anzudeuten versucht worden. 
Bei weitem die bedeutendste dieser Aenderungen ist der Einschub dei* 
Scene im Hades, von welcher die ältere Dichtung freilich nichts ge- 
wusst hat, die aber ebensowenig die Bearbeitung eines älteren, etwa 
gar böotischen, Liedes ist, die hier eingefügt worden wäre, die ich 
im Gegentheil mit völliger Zuversicht als gänzlich freie und will- 
Mrliche Dichtung des Bearbeiters selbst glaube bezeichnen zu könnest, 
der Veranlassung zu derselben and das wesentlichste Motiv aus 
einer beiläufigen Andeutung der älteren Eedaktion der Odyssee 
(3530 f.f. = J/ 264—284) entnahm und für die weitere Ausführung 
sich an das Vorbild älterer Dichtungen (Minyas, Nosten) halten 
konnte und wohl auch gehalten hat". (^Die Hom. Odyss. 1859, p. xi). 
Tusschen 1859 en 1879 is evenwel de //völlige Zuversicht", omtrent 



( 396 ) 

den j^wezenl^ken aard van A niet weinig aan het wankelen geraakt. 
//Ich bekenne mich schuldig, in meiner früheren Behandlung der Sache 
auf Grund irriger Voraussetzungen und un erweislicher Yermuthungen 
dem Intermezzo Unrecht gethan zu haben, indem ich es wenigstens 
theilweise (?) dem Bearbeiter zuschrieb. — Ich kann nicht umhin, das 

Gofize des elften BucJies mit Ausnahme einiger Stellen für ein 

nur in der Lage verschobenes Bruchstück des alten INostos und somit 

des ältesteti Theiles der Dichtung zu halten, Ich betrachte also 

den grössten Theil des elften Buches als einen zu redactumellen 
Zwecken versetzten Bestandtheil des alten Nostos, welcher, wenn diese 
Auffassung richtig ist, seinen ursprünglichen Platz zwischen dem 
Kyklopenabenteuer und der Landung auf Ogygia, also zwischen * 564 
und }) 252 gehabt haben muss. - - Das Local bestimmen zu wollen, 
welches in dem noch nicht überarbeiteten und desorganisirten Texte 
der Hadesscene angewiesen war, betrachte ich für ein hoffoungsloses 
Unternehmen und euthalte mich daher jeder Vermuthung in dieser 
Kichtung". {Die Hom. Od. 1879, p. 226). Geen weldenkend vakman 
zal het in zijn hoofd krijgen den voortreflelijken geleerde van deze 
wijziging zijner inzichten een verwijt te maken. Veeleer zal eenieder 
het in hem prijzen dat hij zich verheven betoonde boven de klein- 
geestigheid, die geen sofisme versmaadt om als verkeerd erkende 
eigen meeningen door dik en dun te verdedigen, blijkbaar uit vrees 
niets te schijnen zoo men niet onfeilbaar schijnt. Ik deed deze ver- 
andering van Kirchhoff 's opvatting slechts een weinig uitkomen om 
te doen zien, èn hoe gevaarlijk het is een toon van zekerheid aan te 
slaan in deze subtiele kwestiën, èn hoe verstandig dien a priori te 
wantrouwen. 

13) (Pag. 851). //Vorwort" tot de bewerking van 1879. 

*^) (Pag. 352). Grote, Hist, of Greece, II p. 169 v. v. 

^^) (Pag. 352). Inderdaad, niets is zoo moeielijk als in dit hon- 
derdmaal om- en omgewentelde onderwerp suum cuique te geven. In 
het voorafgaande werd er op gewezen, hoe o. a. de opmerking om- 
trent Ô 443 v.v. beurtelings gemaakt werd door Von Hartel, Bergk en 
Seeck, zij het ook met afleiding van uiteenloopende conclusien. Een 
der hoofdstellingen van wat gemeenlijk Kirchhoff's leer wordt ge- 
heeten, dat de Telemachie {cc — l en o) vreemd is aan den ouderen 
en zelfs aan den jongeren Nostos, zagen wij in embryo b^ Bekker en 
G. Hermann in 1841 aanwezig. Trouwens dezelfde G. Hermann had 
reeds in 1825 in het algemeen verklaard : //Non esse totam Iliadem 
aut Odysseam unius poetae opus, ita extra dubitationem positum puto, 
ut qui secus sentiat, e um non satis lectitasse illa carmina contendam." 
{Praef, ad Od. p. IV). En Wilhelm Müller besloot in zijne Homerische 
Vorschule, 2e uitgave van 1836 — si Grotio fides — op grond der 



( 3Ô7 ) 

dubbele godenvergadering in « en f en den langen duur der afwe- 
zigheid van Telemacbus in Sparta, //that the journey of Telemachus 
to Pylus and Sparta constituted the subject of an epic originally sepor 
rate (comprising the first four books and a portion of the fifteenth), and 
incorporated at second-hand with the remaining poem'\ Dat de ro^ov 
Uffic tot een tusschen Odysseus en Penelope afgesproken valstrik 
voor de fjLvviffrijpiç moest strekken, bedacht vóór Wilamowitz reeds 
C. L. Kayser. {Hom. Abhandlungen p. 41). De verdienste, ingezien te 
hebben dat de inhoud van et als één geheel te nemen en onmisbaar 
is, deelt Wilamowitz weer met Heimreich, en zijn verdediging, dat het 
ook hier geldt //das überkommene zu erwerben, damit man es besitze" 
(p. 4), is niet geheel van bedenkelijkheid vrij. Nog één voorbeeld uit 
honderde. Welcker had uiteengezet, dat het verhaal bij Herodotus 
V 67 slechts zin had, wanneer onder Homerus de dichter der cycli- 
sche Thebaïs werd verstaan. Wat niet verhindert dat Grote hetzelfde 
bewijs nogmaals in den breede levert, zonder met een enkel woord 
van Welcker te reppen, dien hij overigens kent en herhaaldelijk aan- 
haalt. /// venture to think that the rhapsodes incurred the displeasure 
of Kleisthenes by reciting, not the Homeric Iliad, but the Homeric 
Thebaïs and Epigoni". (11 p. 129/30 noot). Et sic ad infinitum. 

1®) (Pag. 353). Pag. 55: //Wenn Niese auch nur diesen punkt 
(de z. i. oorspronkelijke situatie in t) für die Odyssee ermittelt hätte, 
so würde er zu den bedeutendsten forderern ihrer analyse zu zählen 
sein, leider hat ihn der unselige wahn der Ur-odyssee zu Unge- 
heuerlichkeiten verführt, die ich nicht unbesprochen lassen kann". 

^^ (Pag. 356). //Nach den vorstehenden Untersuchungen be- 
gann die älteste Odyssee mit der Ankunft des schiffbrüchigen Hel- 
den bei den Phaeaken und der freundlichen Aufnahme, die er hier 
fand. Er offenbarte seinen Namen und erzählte seine Schicksale, 
d.h. die Abenteuer bei den Kikonen, Lotophagen, Aeolus, den Lä- 
strygonen und auf Thrinakia, vielleicht enthielten die Apologe auch 
die Erzählung von den Cyclopen. Es wurde dann erzählt, wie Odysseus 
von den Phaeaken in seine Heimath geleitet, zuerst unter fremder 
Maske vor seine Gemahlin trat und von ihr ihre Notherfuhr; daran 
schloss sich die Erkennung an. Die Erzählungsart dieser ersten Odyssee 
ist am reinsten in den ältesten Apologen erhalten; sie war Jcurz^ ge» 
druwtef^ und einfach,'''^ E. H. P. p. 187 v.v. 

18) (Pag. 356). De woorden van Wilamowitz (p. 57) zijn nog wel 
zoo sterk : „Nieses Odyssee ist eine parodie Homers, der parode mag 
die freier abziehen lassen wie begossene pudel und Odysseus ihnen 
hoffentlich (?) dank votiren, dass sie seiner frauen in ihrer einsam- 
keit die grillen verscheucht, die ernste und keusche sage hat für die 
frevler nichts als die tötlichen pfeile". 



( 3Ô8 ) 

1") (Pag. 357). Big de uit den aard der zaak beperkte ruimte dezer 
verhandeling, waarin van zoovele en zoo uiteenloopende meeningen 
verslag wordt gegeven, is in den tekst uitsluitend melding gemaakt 
van wat Wilamowitz te berde brengt aangaande de eigenlijke samen- 
stelling der Odyssee. Kritiek op bijzonderheden moest grootendeels 
worden nagelaten, tenzij er gelegenheid bestond in margine van zjjn 
boek een ander boek te schrijven. Bovendien is van den verderen 
o verreken inhoud van zijn alleszins merkwaardig werk noodzakelijker- 
wijze gezwegen, van zijn uiteenzettingen omtrent de Pisistratische 
recensie, van zijne meening aangaande de //p£r;e7p:^j^if££vof'^ omtrent 
de z. i. Orphische bestanddeelen der véicvtXi omtrent den epischen 
cyclus en de slechts nevelachtige persoonlijkheden der Cyclici, van 
z\jn beschouwingen betreffende Lycurgus en de oudere Spartaansche 
geschiedenis, van zijn Rückblick und Amhlick, waarin in vogelvlucht 
de aard en waarde der Homerische poëzie, hare opvatting en de 
ontwikkeling der Homerische studiën in den loop der eeuwen worden 
geschetst, en de gelegenheid bij de haren gegrepen om de beteeke- 
nis van Fr. A. Wolf voor deze laatste onbehoorlijk te verkleinen, 
eindel^k, van zijne door het gansche werk uitgestrooide mythologi- 
sche opmerkingen, waarbij het vooral zijn streven is de velerhande 
sagen en mythen, in de beide epen voorkomende, voor een deel met 
behulp van de overblijfselen der beeldende kunst te localiseeren. 
Ook al deze veelsoortige ter sprake gebrachte onderwerpen getuigen 
luide van des schrijvers genialiteit, van zijn reusachtige belezenheid, 
zijn ongeëvenaarde combinatiegave, de frisohheid en het prikkelende 
zijner wijze van voorstelling. Evenzeer openbaren zij de noodzakelijke 
schaduwzijde van zooveel voortreffelijke gaven. Paradox kraait bij 
hem koning. Zijn fantasie is onbeteugeld, en hoezeer fantasie ook 
in de wetenschap als een onmisbare factor moet worden erkend, 
minder daarmede begiftigde en meer gelijkvloersche naturen, gel\jk 
schrijver dezer regelen er eene is, zien zich in de onmogelijkheid gebracht 
hem overal in zijn vlucht te volgen. De schakels in zijn redenee- 
ringen ontsnappen vaak aan ons bevattingsvermogen. Men kan hem 
slechts in verbastering nastaren, en uit eene uitlating, in den tekst 
medegedeeld, zou men bijna besluiten dat hem dit niet ongevallig 
is. Ook hier gaat het niet aan volledig te willen zijn. Ik kies uit 
elk der beide hoofddeelen van zijn geschrift één voorbeeld, één 
uit talloos vele, om niet alle bewqs mijner bezwaren schuldig te 
blqven. Wilamowitz neemt met Niese tegen Kirchhoff aan, dat 
de Calypso-sage gevormd is naar de Girce-sage, en bijgevolg jonger. 
Maar om toch vooral origineel te zijn stelt hq daarnevens de hy- 
pothese op, dat desniettegenstaande in de Odyssee gelqk wig haar kennen 
de Circe-episode in x/t* jonger is dan de Calypso-episode in f, deze 
laatste oorspronkel^k slechts Mnzellied, Een avontuurlijke stelling, 
waartegen o.a. Cauer terecht protest heeft aangeteekend. ( Wochenêchr, 



( 399 ) 

f. Klaas. Phil, von W. Hirschfelder, 1885, nr. 17, 8p. 516 v. v.). 
Maar zelfs Cauer is niet ongeneigd aan één argument, Wilamowitz' 
hoofdargument, zekere kracht niet te ontzeggen. Biy zeer scherp toe- 
zien, zegt Wilamowitz, sluiten f en Ç niet te best aaneen. Derhalve 
is e niet voor zijn tegenwoordigen samenhang gedicht. //Leukothea 
sagt dem Odysseus 344 r Xt^ipstrtrt véuv èvtfixîeo vSarovly xt fi ç ^xtiixuv, 
'ó&i rot juo7p' êffTiv kXv^on. damit streitet das ende von e und der 
anfang von Ç, denn da weiss Odysseus nichts wo er ist. man 
wird versucht 345 (yxîyiç ^ctif^xuv xrA.) zu streichen, aber das geht 
nicht an: vS^roç ist für sich allein nicht genug, man mûste ja sonst 

an Ttliaka dabei denken. wenn aber Leukothea wirklich den 

vers spricht, so liegt in ihm der beste trost ihrer ganzen mitteilung: 
nur kann das nicht im zusammenhange unseres Çtf gedichtet sein'\ 
(p. 137). Gelijk gezegd, zelfs Cauer heeft zich laten overtuigen dat 
hier niet alles in den haak is. //So bleibt von den Beweisen, die 
Wilamowitz für die Existenz seines Einzelliedes anführt, nur noch 
einer übrig: eine nicjit völlig verdeckte Fuge zwischen e und Ç. 
Wirklich verläuft hier bei der Rettung des Odysseus keineswegs alles 
ganz glatt: Leukothea greift ein, ohne etwas Eechtes zu nützen, 
Athene nimmt ihr einen Teil der Arbeit ab. Dieser Thatbestand 
ist S. 134 f. überzeugend dargelegt (door Wilamowitz). Aber er kann 
auch anders erklärt werden". Bij Cauer's verklaring zullen we maar 
niet vertoeven. Liever zien we den tekst in zijn geheel nog eens 
nauwkeurig onder de oogen, om nategaan of hier inderdaad zulk een 
tegenstrijdigheid van situatie aanwezig is, dat ze ons noopt met 
Wilamowitz verschillenden oorsprong van « en ^ te constateeren. 
Ino Leukothea onderricht Odysseus, dat het land hetgeen hij met 
haar xpifâ^/uvov gewapend zal bereiken, het land der Phaeaken is. 
{e 345). Als Odysseus, na den nacht aldaar nabj het strand door- 
gebracht te hebben, den volgenden namiddag ontwaakt, dicht bij de 
plek waar Nausicaa en hare maagden de wasch beredderd hebben 
en zich nu met het balspel vermaken, klaagt h^', met denzelfden 
formulairen aanhef als b.v. f 299, 356, 408 : 

w fAOt èyu9 réuv otvre PporSv èç yxTxv Udvui 
yf p' o7 7* vfipiffTxi T6 Kxl ciyptoi ovSè SUaioêt 
viè ^tXS^etvoh idxi (r0tv vèoç èffrl ho^Fifci 

UffTS fis KOVpàuV ÙfA0^?iVQ6 ^ÎJXVÇ XVTVl, 

Nu^^icüv» x1 *éxovff' hpéfàv xîyrêtvà Kttp^v» 

Kxi TTfiyàç TTorxfAOiv icxi 7rÎ9ix Tronfevr»» 

§ vv TTov àv^puTTuv sîfù ffx^^^^ »v^i/iévTùJV ; 

«AA' eiy\ iyoiv xvrlç yrstp^o'OfjLXi i^è Fîlufixu (^ 119 seqq.). 

De schuld zal wel bij m^n gemis aan doorzicht liggen, maar ik 
zie hier nog geen in het oog vallenden strqd met b 345. Odysseus 
weet, dat hij zich ergens in het land der Phaeaken bevindt. Leukothea 



( 400 ) 

heeft het hem gezegd, en te midden van het oproer der golven en 
b\i het pijnlijke van zijn toestand heeft hij goed gehoord en goed 
onthouden. Valt daarom een verstandig dichter uit zijn rol, wanneer 
hij zyn held laat zeggen : //Mijn hemel, onder welk slag van menschen 
ben ik nu weer verzeild? Zijn het wilden? Zijn het beschaafden? 
Ik hoor daar vrouwenstemmen. Komen ze van nymfen? Ot van 
menschentaal sprekende wezens? Laat ik gaan en mij overtuigen". 
Kan h\j zich zoo niet uitdrukken, ook bij de wetenschap dat hij zich 
in het Phaeakenland bevindt? Moest hij daarom weten, gelijk Wila- 
mowitz en Cauer uit hun lectuur van Homerus weten, dat de Phae- 
aken naar de voorstelling des dichters geen wilden zijn, maar be- 
schaafden, aan de goden na verwant, jcct. <r0rj vócq è<rri ^so^Fviç ? 
Misschien was het aardrijkskundige onderricht in zijn jeugd een wei- 
nig gebrekkig geweest. Maar — kan tegengeworpen worden — 
Nausicaa licht hem in omtrent wat hij niet wist: 

Feiarv lé rot let^u, Fepéw $é rot ovvof^cc Xetuv. 

^aifiicsç fièv r^v^e TrSXtv kcù ya.'îxv exovav. (^194 seqq.). 

lUt is zoo. Maar hiermede heeft zij geantwoord op hetgeen Odys- 
seus haar niet gevraagd had. 

kXXdi F&vua(r\ éXéctips' aè yàp tcxxet TroXXà fAoy^o'xç 
'èç yrpuTfiv itcofjtftvt t«v y ccXXav ovnvct F olid 
àv^puTT uvt oî T^vls TrSXiv tcA^ y x7 cof ex^vtriV' 
FâtFTV lé [JLOi lel^ovt loç le fdxoç »fjt(Pißxy éaùut, 
eV Tt TTov e'iXvfJLA aTrsîpav sxsç h^dl* tovcrx, (Ç 175 seqq.). 

Zoo weinig slaan vraag en antwoord op elkaar, dat het mij ver- 
wondert bij Seeck, den dissector bij uitnemendheid, die de 331 regels 
van ons boek tot vijf of zes verschillende bestanddeelen terugbrengt, 
de mededeeling te vinden : //Von hier an (vs.- 53, tweede helft) bis 
VS. 250 zeigt sich nirgend die Spur eines Quellenwechsels", (p. 155). 
En iets verder: //Ç 53— -250 ist, wie schon gesagt, keine Fuge be- 
merkbar ; höchstens können liier einige Verse aus der Telemachie 
eingelegt sein", (bl. 158). En toch ware een aannemen hier van ver- 
schillende //bronnen", — iets wat ik persoonlijk geenszins bepleit, — 
nog altijd meer op zijn plaats, dan tusschen ^ 36 en Ç 49 v.v. waar 
Seeck het aanprijst op grond der spitsvondige waarneming, dat in ^ 36 
Athene Nausicaa in den droom gebiedt zich tot haar vader te 
wenden («AA* ay' iyroTpwov Trurépa. xXvtov yiS:h 7rpo\i]fii6vovç tcai 
"ufjicc^uv èfoTrXUsct.), terwijl de prinses later haar droom aan beide 
ouders vertelt (^ 50 seqq.: ßyj l' 'ifisvai hcc Iuiax^\ 7v' uyysiXets 
T0iC6vfftv,\7rxTp) 0ÏX(!i x«ï fivirpDl (p. 153). — Doch terug tot Wi- 
lamowitz. Even paradoxaal als de door hem aangenomen verhouding 
van Calypso- en Circe-episode, is de eindconclusie van zijn overigens 
voortreffelijke studie over Lycurgus (bl. 267 v.v.). Uitnemend wordt 
uiteengezet, hoe weinig vertrouwen het laat verzonnen verhaal ver- 



(401 ) 

(lient dat Lycurgus de Homerische gedichten zou hebben verzameld 
en naar Sparta overgebracht; hoe wij met niets anders te doen heb- 
ben dan een uit nationale ijdelheid verdichten tegenhanger van het 
even weinig waarschijnlijke Attische verhaal aangaande de Pisistratus- 
recensie ; hoe alle zoogenaamd persoonlijke berichten omtrent Lycur- 
gus bij Plutarch us niets dan aöklatache zijn van bekende voorvallen 
uit Solon's leven, en vermoedelijk ontstaan uit de begeerte om den 
Atheenschen wetgevers, Draco en Solon, een nog grooter Spartaanschen 
wetgever ter zijde te stellen. Zeer aannemelijk is ook wat verder 
volgt, dat niet slechts wat van Lycurgus' persoon, maar ook wat van 
zijn wetgeving verhaald wordt uiterst nevelachtig is ; dat evenmin 
als er een wetgever Lycurgus schijnt geweest te zijn, ook een concret« 
wetgeving van Lycurgus valt aan te wijzen ; dat veeleer die zooge- 
naamde wetgeving het zich voortdurend wijzigende en ontwikkelende 
product is geweest der werkzaamheid van den ^5/tteç, de aristocratie 
der volbloed Spartanen, die zich daardoor na langdurige kvofitx een 
benijde elvof/ix schiep. En die nu de behoefte gevoelde, z\jn palla- 
dium onder de hoede te stellen van een terecht of ten onrechte be- 
roemden naam, meent ge ? Wilamowitz was er niet verre af zelf zoo 
te oordeelen. //Bei dieser bewegung haben ohne zweifel auch bedeu- 
tende personen eingegriften, davon könnte ja auch Lykurgus einer 

gewesen sein, den dann später die herrschende kaste dankbar als 
Stifter des kÛŒfxoç und als gott verehrt hätte" (bl. 279). Van het 
aannemen dezer mogelijkheid houdt den schrijver slechts de over- 
weging terug, dat //eene kaste niet dankbaar pleegt te zijn" (ibid.). 
En daarom, onder gebruik- (of misbruik-)making van Herodotus I^ 
65/66, besluit hij tot de volgende oplossing. Lycurgus — en evenzoo 
Iphitos, die nevens hem op den Olympischen discus voorkomt, — 
zijn geen personen uit de werkelijkheid, maar uit het epos. Iphitos 
stamt uit 14, Lycurgus uit H 142 v.v. Hij is verwant aan Zeus 
Lykaios of Lykaon, of een dezer zelven, — de orakel woorden : //niemand 
wird ihn von dem Zeus Lykaios und Lykaon sondern wollen" (bl. 
285) laten beide opvattingen toe, — hij is de arcadische héros Wolf- 
mut. En daar nu enkele oude, aan den naam van Lycurgus verbonden 
overleveringen //auf einen arkadischen héros zutreffen : dann wage 
ich soweit zu gehen, dass ich sage, der in Spuria verehrte heroi hat 
den namen hergegeben an den die gesetzgeberfabel gehängt wurde, 
weshalb er das getan hat, halte ich für vermessen beantworten zu 
wollen, so lange die Wesenheit des heros unaufgeklärt ist". Intus- 
schen doen we wèl, in goed vertrouwen op Wilamowitz' beter inzicht 
geloovig aantenemen : 1^) dat Auxoi/p^o^ — ook Wilamowitz schrijft 
toch Ai/xcFop9.oç — een samenstelling is uit Aj^xoç en èp^ij ; 2") dat 
de KopvvyJTyiç van Homerus, de arcadische heros van Pausanias, (V lil, 
4 § 7 : fzerk is 'AAeov reXsvr^ffotvr» Ai/xoupyo^ b 'AAfoD ryy 



(402) 

ToXe/Atit6v, iéXp) Koi ov ffvv tu ittcaîu xreUxç*) identiek is met 
den na z^n dood in Sparta als héros vereerden wetgever (Herod. 1 

66 : r^ AvKOvpyu TiXeurfiffavri if.ov évdf/svot ffeßovrxi fiey dXaq»)', 
3^) dat een der beide Lycurgussen verwant is aan, of zelfs een mensch- 
wording van, Zeus Lykaios; 4^) dat een arcadische heros zoo liooge- 
lijk in Sparta werd vereerd, dat men aan hom de overal en algemeen 
bewonderde //wetgeving" toeschreef; 5^) dat het Grieksche gewoonte 
was, wetgevingen tot een halfgod of god terug te brengen, iets waar- 
voor Minos en Numa mij vooralsnog geen voldoende analoga dunken. 
Op al deze gronden komt deze combinatie van den genialen geleerde 
m\j onaannemelijk voor. Ware het niet van te weinig eerbied voor 
zijn geweldige bekwaamheid, ik zou geneigd zijn haar asgri somuia 
te noemen. Doch één verwanten kop, Ed. Meyer, heeft hij alvast 
overtuigd. Meyer schrift in zijn Geschichte des Alterthums Dl. Il, 
(1893) § 368 (p. 564) over de Spartaansche wetgeving : //nach altem 
Glauben führten die Spartaner sie auf den dorischen Urkönig Aigimios 
oder auch auf die ersten Könige, speciell König Agis zurück, 
daneben auch auf den Gott Lykurgos, eine dem Zeus 
Lykaios verwandte Gestalt. Dieser Gott wurde in eine histo- 
rische Persönlichkeit umgesetzt, zum Sohne des Agis oder eines 
Eurypontiden und zum Vormund seines Neflen gemacht"* Kn in zijn 
ongeveer gelijktijdig uitgekomen Forschungen zur alten Geschichte^ 
dl. I (1892) bestrijdt hij weliswaar eenige van Wilamowitz' combina- 
tien, juist die, welke m\j nog de meest aannemel^ke toeschijnen, maar 
diens slotconclusie is ook daar de zijne. //Hier scheint mir W.'s Deu- 
tung recht wahrscheinlich, dass die Inschrift die Satzungen der 
Festfeier (te Olympia) an Gestalten der Heroenzeit anknüpfen wollte, 
dass der Lykurg des Diskos kein anderer ist als der arkadische Heros 
Lykoorgos" (p. 275). Hij is geneigd zelfs nog iets verder te gaan dan 
zijn voorganger. //In letzter Linie wird dieser peloponnesische Lykurgos 
auch von dem Gegner des Dionysos, dem wilden Edonenkönig, den 
Zeus zur Strafe blendet (Z 130), nicht getrennt werden können" (bl. 
281). Ook de historische en hyper- historische combinatie ^àa-ffcv 
'HpxtcXsÎTu Tùû Tepivxîu rpéx^t' 

^) (Pog- 358). Om de waarheid te zeggen : het diepgaande van 
het meeningsverschil tusschen Wilamowitz en Kirchhoff betreffende a 
wil mij maar niet helder worden. Beiden nemen een zelfstandige 
Telemachie aan, waarvan het echte begin en slot door de tegen- 
woordige adapteerende bewerking zou zijn verdrongen. (Vgl. Kirch- 
hoff's Erläuterungen van 1869, pag. viij). Het is dus tusschen hen 
beiden slechts een kwestie van meer of minder, waarbij ten overvloede, 
wanneer men zich eenmaal op het standpunt der beide beeren plaatst, 
het meeste gelijk m. i. aan de zijde van Kirchhoff' is. 

^) (Pag. 360). Het spreekt van zelf dat Seeck het hieromtrent 



( 403 ) 

met Wilamowitz eens is. (Q,d. 0, biz. 85). Tk voor mij daarentegen 
beaam ten volle wat Cauer in zijn beoordeeling van Wilamowitz' 
Untersuchungen {Woch. f. hl. PkiL 1886, Sp. 552) ervan zegt: //das 
Wettschiessen als eine zwischen Odysseus und Penelope verabredete 
List, das ist eine so hässliche Vorstellung, dass sich anders als ge- 
zwungen niemand zu ihr entschliessen kann''. 

^ (Pag. 362). In den breede wordt dit uiteengezet in f/die piai- 
stratische recension^\ het eerste hoofdstuk der ff Homerische vot[f?'a^en*\ 
die het tweede deel van zijn werk uitmaken. „Die geschichtliche 
Stellung Athens bedingt, dass die Alexandriner und also auch wir 
einen attischen Homer Jesen. wir würden einen anders entstellten, 
aber auch einen entstellten lesen, wenn statt Athen etwa Kori nth die 
weltgeschichtliche rolle gespielt hätte", (p. 257). De zaak zelve is 
reeds in de oudheid opgemerkt, bepaaldel^k door Aristarchus, maar 
gelijk bekend, geheel anders verklaard. Aan de juistere opvatting 
evenwel der modernen al de gevolgtrekkingen vast te knoopen, die 
W^ilamowitz er aan vastknoopt, en die voor een deel het uitvloeisel 
z\jn van zijne denkbeelden omtrent den aard der oud-attische taal, 
is mij alweder te kras. Wat zekers weten wig van het oud-ionische 
proza, stellen we der zevende eeuw v. Chr. ? Wat van het attisch uit 
den tijd van Solon, behalve de misschien ook niet geheel betrouw- 
bare fragmentjes zijner wetten ? Op grond van wat concludeert Wila- 
mowitz dat b.v. het tt pa ff tra van Thucydides van huis uit on-aUiêck 
is? //Die Athener haben weder cïicvioc noch Trpoiaffu noch iUerffcuv 
noch >f» noch ©p^Ç noch 'Afftfjriç je gesprochen, wenn also Thuky- 
dides und Aischylos teils alles, teils einzelnes so geschrieben haben 
sollten, - - «0 haben sie aus dem altei'tum ihrer eigenen mundart nicht 
geschöpft'' (p. 309). Hier is meer en minder aannemelijks argeloos 
nevens elkander geplaatst. Maar eene bespreking der geheele kwestie 
is alweder buitengesloten. Blijven we dus enkel bij het vraagstuk der 
dubbele t als primitief Attisch. Twee jaar na de Homerische ünter~ 
suchungen leeraart Gustav Meyer in zijn Griechische Grammatik^ 2e 

ed. § 282 : //In fast allen diesen Fällen steht dem -ö-ö— der 

übrigen Dialekte im Boiotischen -tt- gegenüber, ebenso in der 

attischen Volkssprache. Dieses -tt- ist wahrscheinlich, wie 

Ascoli und Curtius annehmen, aus -o-o— entstanden (-ö-ö- — y5y5- 

-TT-)". Indien dit zoo is, en mij is ^een waarschijnlijker verklaring 
bekend, dan moet toch ook het Attisch eenmaal de volgorde der 
klanken -t/- -x/- enz. : -j-ff- : --tt- hebben doorgemaakt, al staat 
het overigens nog zoo vast dat het Attisch reeds in de 7e eeuw 
slechts -TT- kende, trouwens in allen gevalle daarnaast een réffffxpx. 
(Meisterh.2 § 86, 1, p. 77). Veronderstellen we echter voor een 
oogenblik met Wilamowitz, dat het Attisch van de oudste t ij den 
af nooit iets anders dan -tt- heeft gekend, hoe dan te verklaren 



( 404 ) 

dat iityrpfiffa-ova'st yéXev^ov en dgl. bij een sterk Attisch omgevormden 
tekst der Homerische epen ongewijzigd is gelaten ? Mij dunkt dat 
reeds dit ééne geval voldoende bewijst, hoe betrekkelijk weinig 
'/Attisch inficirt" onze Homerus-tekst inderdaad is, nog daargelaten 
dat het niet aangaat het eigenlijke karakter van eene taal of tongval 
in louter spellingskwestien gelegen te achten. Maar evenmin gaat 
het aan, een zoo ingewikkeld vraagstuk hier ter loops te willen 
afhandelen. 

°^) (Pag. 362). Kenmerkend voor Wilamowitz' manier is zijn aan- 
teekening op bl. 230 (die eigenlijk bij den tekst der volgende blad- 
zijde behoort) : //Pass Alkman ein gedieht üAer die Odyssee gemacht 
hätte, in engerem anschlusse an zl^fx, ist ein haltloser einfall von 
Bergk". Uit Bergk's woorden : //Alkman, der in einem lyrischen Ge- 
dichte den Aufenthalt des Odysseus in Scheria dargestellt hätte" 
(Griech. Literaturr/esch. I p. 674), lees ik iets zoo positiefs niet. 
Hoeveel, of hoe weinig, door Alcman inderdaad aan de Odyssee is 
ontleend, en in welk verband, laat zich met onze gegevens niet uit- 
maken. Bergk brengt naar het schijnt daartoe de fragmenten 14 (?), 
29, 30(?), 31. 32, 41, 54 (?) zijner verzameling. 

=^) (Pag. 362). Fr. 70 (Bergk) van Archilochus luidt : 

ro7oç kv^ça^oiffi èvfioç, T^^xvxe, Ae^rTivea Trui, 
yîyverett hvjrclc, OKOtniv Zevç €7f* yfzép^v ay?f, 
xzf 0poviV(Ti To7* Oicototç byscvpéujév epyf^SùtriV' 

Waarbij op te merken is : 1°) dat de derde regel slechts bij gissing, — 
zij het ook een hoogst aannemelijke gissing, — van Jacobs met het 
voorgaande verbonden is ; 2^) dat in de voorstelling der citeerende 
ouden natuurlijk de Odyssee als het voorbeeld, de plaats vau Archi- 
lochus als de navolging geldt. Zoo b.v. Theon in het prooemium zijner 
Upcyvfjivaa-fjiarx (Spengel II p. 62, Walz I p. 153) : kfrXîàii Trdvreç 
Oi TraXotiol 0xîvovTcct — ov fj.6vov ta é:ivrSv «AAà Kcci rà äAAj}- 

AftJV /U£TÄ^AÄÖ"ÖTVTfC. 'Of4VfpOV fAET y,(t pd^CüV , OTS ^VltTi' To7oÇ yàp VOGÇ 

êffr^v ÈTTtx^oviuv àvôpûJTûJV, I olov Stt^ ?A«*P oty^^i TTXTijp àv^çav Te 
ôfwv T6*' (o- 136, 137), 'Ap%^Ao%04' "toIo^ àv^t. ^vfihq, VX%vy.€ 
A. 5r., I y'iyverxi iv^roiq, hnoïov ZfDç i$* ijfjtépy.v äyet. 3") Nog 

Wilamowitz denkt er zoo over : //es (zijn oudere Odyssee) war 

dem Archilochus bekannt (70 nack a 136)". Eerst voor Seeck is het 
betere licht opgegaan. //Ihr Dichter (die der //Verwandlung") hat dim 
Archilochos und wahrscheinlich auch den Mim n e rmos gekannt. Denn 
jener schreibt frg. 70 (volgen de woorden van Archilochus;. Und in 
der Verwandlung linden sicli 0-136, 137 die Verse t:7oç — ôfwv rg". 
Bezien we zijne gronden. //Bei Archilochos deutet die Anrede an den 
Glaukos darauf hin, dass diese allgemeine Sentenz sein Gedicht 
eröffnete und ihre specielle Anwendung folgen sollte; sie ist also hier 



( 405 ) 

vortrefflich an ihrem Platze. In der Odyssee dagegen enthält sie nichts 
als eine müssige Wiederholung des Vorhergehenden ; man könnte sie 
tilgen, ohne dnss der Leser irgend etwas vermisste. [Jeberdies ist 
hfiSç, die Stimmung, in diesem Zusammenhang ein viel schönerer 
Ausdruck, als v^oe, der Sinn, und die Wahrscheinlichkeit spricht 
folglich dafür, dass der Jambus hier ursprünglicher ist als der 
Hexameter", (p. 362, 363). Wat het eerste punt betreft: hoe weet 
Seeck dit? Onder de weinige ons bewaard gebleven fragmenten van 
Archilochus komen betrekkelijk veel epiphonemata en algemeene ge- 
dachten voor: fragmm. 8, 9, 14 (?), 16 (?), 50, 54, 60, 62, 66, 75, 
79, 88, 89, 94, 99. Van geen dezer is het overleverd dat zij het 
begin van een gedicht uitmaken, van de meeste waarschijnlijk; alleen 
juist het fragment dat ons bezig houdt kan m. i. even goed een ge- 
dicht of een deel van een gedicht hebben algesloten. Maar aange- 
nomen dat Seeck's bewering omtrent het fragment van Archilochus 
onwederlegbaar bewezen ware, ^v a t bewijst ze ? Dat een algemeene 
spreuk, een bespiegeling inleidende, het origineel, dat diezelfde 
spreuk, een soortgelijke bespiegeling afsluitende, navolging moet zijn? 
Laat zoo iets zich in ernst volhouden ? Het zonderlingste van het 
geval is evenwel, dat bij het overlezen der overeenkomstige regels uit 
de Odyssee in hun samenhang blijkt dat ook zij voldoen aan den 
voor Archilochus willekeurig gestelden regel. Ook zij behooren tot 
een //allgemeine Sentenz" waarop eene //specielle Anwendung" volgt. 
Odysseus spreekt tot een der minnaars, Amphinomus, die hem na 
zijn overwinning op Irus een paar beleefde woorden had toegevoegd : 

ovlsv àkt^v^Tspov yoCiet, rpéÓn xvùpu^oto' — 

ov fA€V ydp vore ^yiffi iCdKOv Treîo'ia'ùat OTriffffa, 

oCpp' ^per^v 7rapéx<à<n ùeo) aaï yovvetr^ Ipup^' 

AAA' ors ^yj xctl Xvypa ôeo* fidxapsç reXéffUffiv, 

KXÎ rà 0épet àsjca^ofjtsvoç rfrAifor/ èuf/u, 

ToToç yctp vSoç S(tt\v êTix^ovtav àvôpwT&v 

clov Stt* %(iap siyißtri TTZiijp àv^puv rç huv re. 

xui 7Äp 6yu TTOT sfAsXXov cv av^pdcrtv oXßioc èïvai. ktA« 

(ö- 130 seqq.). 

Niets zwakkelijkers is er dan de mensch. Gaat het hem goed, hij 
denkt er niet aan dat het kan verkeeren. Is het verkeerd, hij draagt 
slechts morrende zijn lot. Zoo is des menschen zin afhankelijk vau 
zijn uiterlijke omstandigheden. Zoo is het met mij, laten we hopen 
dat het met u het geval niet zal zijn. Ware hier het begrip //stem- 
ming", ùvfjiéç, zelfs wel juist, laat staan een schoonere uitdrukking, 
met het oog op de eerste helft van het voorafgaande : où fJLsv ydp 
TTors (py<ri xa«cv TTsiffeff^ai hzîaffûû^ Maar ook dit alweer aange- 
nomen, ziet Seeck dan niet dat in allen gevalle de derde regel van 
Archilochus het epische vóoc paraphraseert ? (vgl. b.v. tt 136 = 



( 406 ) 

p 192 : yiyvavKiài 0poyé»' rà ys l^ voéovrt xeXevetç.). In zijn ge- 
dachtengang had hij geen nadruk genoeg kunnen leggen op wat hij 
geheel ter z\jde laat : dat de 3e regel slechts bij gissing met de twee 
eerste tot één samenhangende gedachte is vereenigd. Maar ieder die 
evenals ik Tan het juiste der verbinding overtuigd is, kan moeilijk 
anders concludeeren dan dat Archilochus de oudere epische gedachte 
overgenomen, en als zoon van een betrekkelijk hooger ontwikkelden 
tijd, hooger ontwikkeld ook in het fijner nuanceeren van gedachten, 
nevens den met de uiterlijke levensomstandigheden wisselenden zin 
der menschen ook hun wisselende stemming geplaatst heeft. 
Schneidewin had zeker ongelijk, toen hij, Homeri intempestive memor, 
in den eersten regel van ons fragment roloç xv^pu^otç vSoç yàp wilde 
schrjjven, wat met den Sen regel een weinig stijlvolle tautologie zou 
hebben gevormd. Maar zijn ongelijk zinkt in het niet tegenover het 
onbekookte paradox van Seeck. Zoo mogelijk nog gezochter zijn 
zijn beschouwingen omtrent de verhoudingvan ;^ 411 seqq. : 'ev dv/c«»» 

à'j^pxffiv evxeràeffùxt tot Archilochus' fragm. 64 : cv yètp lo-ÔAà 
xxrhvovffi xeprofiésiv i^r^ kvlpdaiv. Natuurlijk is zijns bedunkens 
ook ditmaal de tot dusverre aangenomen prioriteit om te keeren. 
Ook hier is zijn slotsom, dat oorspronkelijk //der Satz als Jambus und 
nicht als Hexameter gedacht is" (bl. 332). Het is alweder der moeite 
waard zijn gronden na te gaan : //Dass man über Todte nicht spotten 
solle, ist eia sehr schöner Ausspruch und doppelt schon in dem 
Munde eines Dichters, der den Spott zum Hauptinhalt seiner Poesie 
gewählt hatte ; dock dosa es dem göttlichen Recht widerspreche, über 
den gefallenen Feind zu frohlocken, ist keine g?'iechische Anschauung 
und am wenigsten eine Hom€7'ische*\ Haud vidi magis I Wat de eerste 
bewering betreft : hoe weet Seeck dat de spreuk van Archilochus zoo 
geheel algemeen bedoeld is? De regel is gansch geïsoleerd uit een 
ons onbekenden samenhang tot ons gekomen. Hij wordt gevonden bij 
Stob. FlonL CXXV § 5, bij Clemens Alex. Strom. YI p. 738 en in 
de Scholl, ad x 412: ev^ev haï ^Apxf>^ox^Ç 0y.<riv" où yàp fcôAà 
ätA.)' ^oor zooverre in zulk een geval een oordeel over de juiste be- 
doeling des dichters geoorloofd is, wil het mij voorkomen dat Seeck 
zich vergist. Ook Archilochus, wanneer hij het voor onbetamelijk ver- 
klaart over dooden te spotten, zal wel geen doode vrienden of 
onbekenden bedoeld hebben, met wier gebreken of hebbelijkheden 
Grieksche plebejers nog over het graf heen den spot dreven. Ik ge- 
loof niet sterk aan zijn bedoeling om een de mortuis nil nisi bene te 
prediken. Ook hij komt mij voor slechts te spreken van doode, — 
zóoal niet gedoode — vijanden, van gestorven tegenstanders in den 
eeuwigen burgerstrijd. Aangenomen evenwel dat Archilochus de spreuk 
inderdaad geheel algemeen bedoeld heeft, zoo bewijst dit toch slechts 
voor de hoogere, d. i. latere, beschaving, maar in geen geval 



( 407 ) 

voor de hoogere originaliteit zijner uitspraak. Maar, zegt Seeck, 
te jubelen over verslagen vijanden is nooit door Grieken afkeurens- 
waardig geacht, en een weinig verder in dezelfde Odyssee vfrohlookt 
Philoitios ganz ungescheut". Dat doet hij ook, en daarom is Phiioe- 
tius een koeherder en Odysseus een koning, die als ook in adel des 
gemoeds boven zijn omgeving staande voorgesteld wordt. Hoe luiden 
de woorden in den samenhang? Wanneer de trouwe Euryclea het 
bloed en den hoop verslagen minnaars ziet: 

UxyC ^O^vvsOç icxrépuxs ic»1 *éffx^^^^ isf^év^v yrep 
Koti f4tv (puv^o'xç Féyrea, TrrepSevrct ^po<rviv$x' 
iv èvfZM, ypyiv, x^'^P^ ^^^ 'lo'X^o fty,y hXóXv^e' 
ovx offivi iCTXfÂévoiffiv Itt àv$pdff$v svxsrdstrùxt» 
ToCals $è fAo7p' s^dfAXffffs ôfSv xaî ö';t^TA/Ä Fépyct. 

Te jubelen over een verslagen lands- of stamvijand, over een geval- 
len Trojaan of Ciconier, zou vermoedelijk ook Odysseus niet afkeuren. 
Maar hij vergeet niet dat hij hier staat op de lijken van stam- en 
stand genooten, waarvan hij er velen als kind gekend en enkelen op 
zijn schoot gehouden had. Bij de vreeselqke straf oefening aan hen 
was hij slechts werktuig geweest. De godheid had in hen het ge- 
schonden huisrecht getuchtigd. Was hier jubelen gepast ? Trouwens, 
met voor niet oorspronkelijk te houden wat in Ilias en Odyssee 
boven het zedelijkheidsgevoel der menigte staat kan men ver komen. 
Is misschien ook de uitspraak van Hector M 243 : eJç oia;vo< eipiffroçt 
àfxvysoéeti Trep) Trdrpyq uit den een of anderen lateren schrijver ver- 
keerdelijk overgenomen? Bovendien is het in het algemeen nietwaar 
dat over een gevallen vijand te jubelen, zelfs wanneer die vijand een 
Helleen is, bij geen Griek voor afkeurenswaardig gold. Seeck als 
historicus kent ongetwijfeld wat in den aan Xenophon toegeschreven 
Ageèilau8, van den Spartaanschen koning gemeld wordt: elysfzyivxZ 
x^Asv ''EAAjjvä ovt« $/AeAAj?v« sïvxt, riv» nq sl^ev xXXov ffTpxruiyov 
— (TVf^Cfopav vo/jit^ovT» TO v/xSv tv TU 9rp^ç''EXXyiv3(ç TroXêfÂtc ; èxelvoç 
Tohvv àyysXîscç fAsv èXhvaviç etvTu ûç év tJ fv Kop/vdo) ]U2^%^ è;«rft) 
fjièv Acexs^ccif/oviùov, èyyiç $è fjLvpiot tSv TroXs/Aiuv Tshst7ev, ovz 
É^JîCÔfîç 0etv€p'Qç èyéveTO, ^AA' sIttsv Hpx' ^ev^ &• 'EXXdç, cttSts ol 
VVV Te6v^x6T£ç iuotvoi ^ffxv ^uvtsç vticav fjtxx^f^^voi yrdvTXç tovç 
ßzfßdpovc. (c. VII §§ 4, 5 ; Vgl. Nepos JgeaiL c. 5 § 2 en Plut, 
Ages, c. 16). Omtrent de derde plaats die in aanmerking komt, Ç 228 : 
xXXoç y dp T* kXXoktiv àv^p èTriTépyreTXt Fépyoïq en Archilochus'fir. 86 
àAA' (of èic) stXXoç èùXXu Kxplîviv îxiveTxi (Vgl. Scholl, ad Ç 228 
en Clemens Alex. Strom, VI, 739 : 'Apx^XSxov ts ofiLota^ elp»jxoroç 
9rapcc TO 'Ofiviptxov ktX») wil Seeck niets beslissen. '/Aus Innern 
Gründen lässt sich hier nicht feststellen, auf welcher Seite die Entleh- 
nung ist". Tegenover al deze spitsvondigheden dunkt het my nog 

V£RSL. EN MED. A£<D. LETTE RK. 3de REEKS. DEEL XII. 27 



( 408 ) 

altijd de moeite waard § 21 van Naber^s Qmestiones Homericae ua te 
lezen. //Maximi imprimis momenti mihi videtur esse, — etiam ve- 
tustissimos Graecos seriptores Homerum interdum male intellexisse". 
Volgen //exempla quaedam errorum". Ad Z 507 seqq. teekent Aristo- 
nicus aan: ^ ^«srAS ort -- rl tcpocttvuv ovk *éffTiv i^iôu/uôiv, ùç 
^Apx^^oxoç i^eXxßev, ÂAA* è^tKporuv to7ç ttoo") ^i» rov Ts^tov. 
Ad A 786: il iisrAîf ^n 'Apx<Ao;toç ùyreprép xv ryjv veurépxv 
i^éÇûtro. Conclusie : //itaque ArchilocM aequalibus Homerus jam non 
prorsus intellectus fuit, adeo vetustuê êermo eraf\ (p. 74 v.v.). Daar- 
mede yereenig ik me geheel. 

'*) (P*g' 802). Inderdaad lezen zoo Van Leeuwen en ook Hal- 
bertsma in zgn posthume Adversaria Critica p. 7. Ik voor mij wan- 
trouw de wgziging, juist omdat ze zoo voor de hand schijnt te liggen. 
Wat kan aanleiding gegeven hebben iets zoo gewoons als Sip^n 6}xptvifi 
te veranderen in het minder duidelqke iéptoh — de constante 
overlevering, zooveel ik weet, — dat, wat het hier ook beteekenen 
moge, zonder schade voor den zin gemist kan worden? Toch niet, 
omdat op de twee plaatsen der Ilias (B 471, n 648) en de twee der 
Odyssee (o- 367, x 3^^)» waarin de uitdrukking voorkomt, de over- 
levering steeds Qpia iv sïaptv^ heeft, terwijl SSpiß Feixpiv^ (pÏFsaptvf) 
een, trouwens waarschijnlijke, gissing van Bentley is? Waarom heeft 
men dan e 485 ofp^ x^^f^^ph bedaard laten staan ? Het is waar dat 
afp>} alleen slechts hier en B 468 letite beteeken t. Maar het Attische 
03 pet véx en SSpx erovc wjjzen toch wel op zulk een beteekenis xxt^ 
ê^êX^^ van cSp», dat bovendien nog heel wat meer schakeeringen 
van beteekenis toelaat. Hoe komt het b.v. aan die van maand, er 
door sommigen aan toegekend in de zoogenaamde Lyciirgische rhetra 
(bij Plut. Li/c. 6) : SSpxç ê^ SSpetc XTreXXdl^etv fAerx^i) Bxßvicetc re 
Kttl Kvax<wvoc ? Daarentegen heeft cod. I (Ven. 457 saec. XV)'bij 
Laroche in vs. 51: 2^jä ^vAAä x«» Mex yîverxi 5 foq (evenzoo Ëustath. 
ad h. 1. p. 1614, 35), een mislukte conjectuur, maar uit hetzelfde 
bezwaar ontsproten. 

^^) (Pag. 363). B 468, wat zich niet corrigeeren laat, en wat dus 
Van Herwerden, m. i. ten onrechte, voorstelt als interpolatie te ver- 
wijderen. 

^^) (Pag. 363). Deze bestrijdingen vormen m. i. het meest blijvende, 
althans meest overtuigende gedeelte van zijn werk. Terecht b.v. 
merkt hij tegen Wilamowitz op : ^Dass der Schemelwurf des Eury- 
machos schoner sei, als der des Antinoos, kann man Wilamowitz 
(JDie drei Würfe nach Odysseus p. 28 vv.) vielleicht zugeben, doch 
ist damit keineswegs sein höheres Aelter bewiesen", (p. 30 noot). 
Treffend is zijn kritiek van diens meening omtrent de Melanthios- 
episode p 204 — 253, en vooral behartigens waard wat in aansluiting 



( 409 ) 

daaraan gezegd wordt van de steeds in bedenkel^jkheid aangroeiende 
neiging der critici om bij op verschillende plaatsen herhaalde vers- 
regels onveranderlijk die plaats voor het model der andere te 
houden, waar bedoelde versregels het best passen of het schoonst 
aangewend zijn. //Wenn derselbe Vers an einer Stelle passend, an der 
anderen ganz unpassend verwendet ist, so mag man ihn allenfalls dort 
als Original, hier als Entlehnung betrachten, obgleich noch imme?' die 
JSdöglicJikeit offen èleiôt, daas er hier wie dort aus einer verlorenen 
dritten Quelle entlehnt ist und nur der eine Dichter ihn etwas ge- 
schickter benutzt hat, als der andere ; wenn er aber an beiden Stellen 
leidlich passt, so ist das Mehr oder Weniger für die Bestimmung des 
Originals ohne jede Bedeutung." (p. 49). Evenzoo juist is wat hij 
in 't midden brengt tegen een anderen inval van Wilamowitz, die in 
het verhaal van Eumaeus (o 403 vv.) een //Märchenstoff" wil zien, 
waarvan het slot is gewijzigd. (H. U. p. 96). Seeck, in wien de 
historicus ditmaal wakker wordt, antwoordt bondig: //Ich glaube, 
nirgend tritt uns die grausame Wirklichkeit jener Zeit nackter ent- 
gegen, als gerade hier", (bl. 56 noot). Juist is verder zijn protest 
tegen Kirchhofes denkbeeld, dat //der Ereiermord ursprünglich im 
heiligen Bezirk des Apollo stattgefunden habe", (p. 71 noot). Hij 
protesteert eveneens terecht tegen Wilamowitz, wanneer deze in het 
ffxp^dviov fjcst^tuv van Odysseus (u 301) louter onverschilligheid voor 
den hem aangedanen schimp ziet, en treffend is zijn aesthetische opmer- 
king : //auch die mühsam unterdrückte Wuth kann sich hinter einem 
Lächeln verstecken", (bl. 122 noot). Haec sufficiant. 

^) (I^^o' 363). In den grond der zaak is van deze //ontdekking" 
de TTurHip rov Xóyov Kirchhoff. //Eür die Darstellung dos Ereier- 

mordes bis zum Ende des 22sten Buches scheint er (de dichter 

van den jongeren Nostos) zwei verschiedene, in ihren Motiven weit 
auseinandergehende TJeherliefervngen benutzt zu haben. Die eine setzte 
den Kampf mit den Ereiern auf den Tag des Apollofestes einer 
voi/^viv*«, liess bei dieser Gelegenheit Penelope ihre Hand als Preis 
für den Sieger im Bogenkampf aussetzen und verlegte das Local des 
Herganges in den heiligen Bezirk des Apollotempels, in der anderen 
war die Scene des Rachekampfes das Haus des Odysseus, und der 
Bogenkampf spielte hti dein Hergänge keine Rolle. Beide Ueberliefe- 
rungen, welche ihm in Liedform vorgelegen zu haben scheinen^ hat der 
Dichter mit einander zu verschmelzen gesucht, es ist ihm aber nicht 
vollständig gelungen, Einheit und Gleichgewicht zwischen ihnen 
herzustellen". (Inleidende aanteekening op u, pag. 525). Eveneens 
vinden we dezelfde gedachte uitgesproken bij dr. Ludwig Adam, 
zoowel in zijn verhandeling : J9flw doppelte Motiv im 'Freiermord oder 
der ursprüngliche Schluss der Odyssee (1876), als vier jaar later in 
zijn : Die Odyssee und der epische Cyclus (1880). Ze staat daar even- 

27* 



(410 ) 



wel in verband met nog veel wonderlijker bespiegelingen, zoo eigen- 
aardig drt zelfs zijn landgenooten, anders op het gebied der Home- 
rische kritiek niet licht van hun stuk geraakt, ditmaal geweigerd 
hebben dr. Adam in zijn koene luchtsprongen te volgen. Deze ge- 
leerde heeft nml. (o.a. uit scholl. A 197, 202) ontdekt dat door de 
gansche Odyssee, en dus ook door Xt ^^^ dubbel motief loopt, ver- 
klarende ieder op zijn manier de dwaaltochten en beproevingen van 
den held. Het eerste is de toorn van Poseidon, opgewekt niet zoozeer 
door het blindmaken van Polyphemus, — dit komt pas in de tweede 
lijn, — maar doordat hij zijn (Poseidon's) kleinzoon Palamedes listig- 
lijk voor Troje had doen dooden, uit wraak waarover hij (Poseidon) 
alsnu door Nauplius heinde en ver, ook naar Iihaca, het gerucht had 
laten verspreiden van Odysseus' dood. Het tweede motief, samen- 
hangende met een anderen toorn, dien van Helios en Athene, is ge- 
legen in het verlof van Odysseus aan Penelope, dat ze mocht hertrou- 
wen iTTiiV 5^ TTSiT^x ysvstvicrxvTX Fïlvivt (o- 269). Voor den dichter 
van het eerste motief zijn er slechts ttointig minnaars (de ganzen van 
T 536 vv.), allen Ithacensers, door Odysseua met pijleii gedood; voor 
dien van het tweede ruim honderd, geveld in een strijd van nabij. De 
rest van dr. Adam's speculatiën blijve hier onvermeld. Of ik aan 
wat hier wel werd medegedeeld alle recht heb laten wedervaren, durf 
ik niet zeker te zeggen. Zijn geschrijf is een farrago, 8'ôev né riç 
oviè FiloiTO» Maar wat blijft na dit alles in deze materie over als 
eigendom van Seeck? De mijns bedunkens weinig benijdenswaardige 
poging, over onze geheele Odyssee na te speuren en uit elkander te 
nemen wat tot den Bogenkampf en wat tot den Speerkampf behoort. 

^) (Pag. 363). BI. 203 van zijn werk is Seeck zoover gevorderd, 
dat hij //das Quellen verhältniss der ganzen Odyssee*' in den thans 
zoo geliefden vorm van een stemma meent te kunnen voorstellen. 
Met terzijdestelling der beide *\XUv Trépcrciç en van een der Nosten, 
de invloed van welk laatste gedicht //nur in drei Versen nachweisbar 
ist" (bl. 203) //bleiben uns noch die Werke von sieben Dichtern 
und Ui!i dichtem übrig, welche theils mittelbar, theils unmit- 
telbar, in unserer Odyssee zusammengeflossen sind". 

Bogenkaojpf Kalypsolied Kirkelied 




Speerkampf Nosten 




Verwandlung 




Telemachie 



Gesammtodyssee. (ibid.) 



( <ill ) 

ä^) (Pag. 364). In de zeer verdienstelijke dissertatie van dr. J. M. 
Fraenkel, Fraecipuae recentiorum de compositione Odysseae sententiae 
expontae et diiudicatae, in 1S94 te Utrecht verdedigd, waarop ik, 
daargelaten de vaak weinige elegantie van het Latijn, geen andere 
aanmerking zou weten te maken dan dat de aateur naar m\jn zin een 
te geprononceerd Kirchhoffiaan is, wordt bl. 116 een leerzaam staatje 
gegeven, hoe Seeck het korte zesde boek (331 verzen) in vijf stukken 
snijdt, die nu eens tot de Verwandlung dan weer tot de Telemachie 
gebracht worden, bovendien nog door allerlei toevoegsels verbonden. 
Nemen wij nu een ander boek, b.v. het vijftiende. Hiervan stamt 
volgens Seeck: 

o 1 — 300 uit de Telemachie. 

o 301 — 336 uit d,en Bogenkampf. 

o 337 — 339 ingevoegd door den Pisistratischen redactor. 

o 340 — 492 uit den Bogenkampf. 
lacune. 

o 493, 494 weer uit den Bogenkampf. 

o 495 eerste helft uit den Bogenkampf, tweede helft uit de 

o 496 — 554 uit de Telemachie. [Telemachie. 

o 555 — 557 (einde) uit de Verwandlung. 
Derhalve, afgezien van de ettelijke verbindingsregels, zijn de nog geen 
600 verzen van het vijftiende boek ineengewerkt uit ongeveer 300 
regels behoorende tot de Telemachie, ongeveer 200 behoorende tot 
den Bogenkampf, opnieuw ongeveer 60 regels der Telemachie, en 
drie uit de Verwandlung. Ten slotte sta nog zijne samenstelling van 
het 17e boek (606 verzen) : 

p 1 — 9 stamt uit de Telemachie. 

p 10 — 30 uit den tot Telemachie omgewerkten Bogenkampf. 

p 31 — 181 uit de Telemachie. 

p 182 — 203 weer uit den tot Telemachie omgewerkten Bogen- 

p 204 — 253 uit den Bogenkampf. [kämpf. 

p 254 — 327 uit de Verwandlung. 

p 328 — 357 uit den Bogenkampf. 

p 358 — 364 uit de Verwandlung. 

p 365 — 491 uit den Bogenkampf. 

p 492, 493 van den Pisistratischen redactor, 

p 494 — 504 uit den Bogenkampf, met een lacune tusschen 

[vs. 497 en 498. 
Ù 505, 506 van den redactor. 

p 507 — 606 (einde) uit den Bogenkampf, met vss. 551/52, en 

[566 — 568 van den redactor. 

Zoo zijn alweder de even zeshonderd verzen van dit boek, ongerekend 

de ter verbinding ingevoegde versregels, in elf stukken gesneden, 

respectievelijk van 9, 21, 151, 22, 50, 74, 30, 7, 127, Il en 95 

verzen. 



(412) 

»1) (Pag. 364). Ten opzichte van het misbruik, in toenemende 
mate van het lexicografisch argument gemaakt, haal ik met volle 
instemming het volgende oordeel aan van Louis Erhardt : //Mit Hülfe 

der vollständigen Lexika und Indices kann man aus derartigen 

Indiciën, auf einen scheinbar sehr gelehrten Apparat gestützt, für 
jeden Abschnitt der home7%9chen Gedichte ziemlich alles beweisen was 
man will. Diese Art von Kritik ist wirklich vielfach zu einem förm- 
lichen Unfug ausgeartet" (bl. XCV noot). 

32) (Pag. 364). Op nog slechts twee — zonderlingheden van Seeck 
wensch ik hier de aandacht te vestigen ; want ook aangaande hem geldt 
wat omtrent Wilamowitz gezegd werd: het zou een boekdeel eischen, 
in uitgebreidheid minstens ann het zijne gelijk, wilde ik hem op den 
voet volgen, en elk z^ner stellingen en verondersi«llingen aan de 
eischen eener onbevooroordeelde kritiek toetsen. Vooreerst dan : het 
is sedert Bekker {Homerische Blatter I, p. 123 v. v.) mode geworden 
gansch bijzonder van het twintigste boek der Odyssee kwaad te spreken, 
een aangename verpoozing na het wel wat eentonig wordende afbre- 
ken van Ä. Maar nu vindt Seeck, — terecht, m. i. — : //Ueberhaupt 
sind in unserer Scene nur die Einzelheiten schlecht, der gesammte 
Aufbau der Handlung dagegen von grosser Meisterschaft. Es ist 
charakteristisch dafür, dass man ihre Mängel erst philologisch hat 
nachweisen müssen, ihre Schönheiten aber zu allen Zeiten die Herzen 
der Leser ergriffen haben", (bl. 122). En iets verder : //Also die Con- 
ception des Ganzen gehört einem hochbegabten Dichter an, die Verse 
einem elenden Pfuscher". Hoe deze tegenstrijdigheid op te lossen? 
Door vastberaden op te komen tegen het veroordeelend vonnis van 
Bekker ? Ten opzichte van dergelijke dingen leeft Seeck in de vreeze 
der Philologen, (bl. 152). Hij bedenkt dus wat anders, een zelfs in 
zijn avontuurlijk werk zoo avontuurlijk denkbeeld, dat ik het best doe 
het geheel met zijn eigen woorden weer te geven. //Mich dünkt, dies 
lässt sich nur auf eine Weise erklären : der das Gedicht schuf und 

der es niederschrieb, waren verschiedene Personen. Nehmen wir 

nun an, ein A öde von massigem Gedächtnis habe das Werk eines 
seiner Vorgänger zum ersten Male schriftlich fixiren wollen, sohabeth 
wir den Schlüssel zu der räthselhaften üngleichmässigkeit der dritten 
Odyssee. Einzelne Stellen und zwar gewiss die schönsten, hatte der 

Mann wörtlich behalten; von andern kannte er nur die Umrisse 

der Handlung mehr oder minder genau : sie wurden aus entlehnten 
oder stümperhaften Versen zusammengeflickt und ihre Schönheit 
hinter den schlechten Lumpen verhüllt", (bl. 123, 124). Seeck is 
met dit epf^ettov zoo ingenomen, dat hijj geen oogenblik aarzelt het 
ook op et toe te passen, dat, gelijk bekend, in gelijke omstandigheden 
verkeert. (Vlg. bl. 133). Het tweede punt, dat ik nog meer slechts 
even in het voorbijgaan kan doen uitkomen, betreft den Odysseus- 



(413) 

mythus. Ik heb er niets tegen dat het verhaal van Odysseus en Penelope 
in laatste instantie geacht wordt een zonne- en maan-mythus geweest te 
zijn, al acht ik het minst genomen eenzijdig, de sage al te uitsluitend 
steeds tot mythe terug te brengen. Hoe de Odysseus-mythe tot Odysseus- 
sage vervormd werd, daarover laat Seeck zich niet uit, maar wèl 
tracht hij te verklaren hoe deze mythe zoo onwrikbaar vast gelocali- 
seerd is op het onaanzienlijke eiland Ithaca. //Welche besonderen Be- 
ziehungen hatte der Sonnengott zu Ithaka"? (bl.272). H\j zelf erkent 
dat zich op Ithaca geen Odysseus-cultus laat aanwijzen. Maar diens 
voornaamste heiligdom stond op het daar tegenover liggende Aetolische 
vasteland. //Voor deze landstreken sloot het rotsige eiland den weste- 
lijken horizont af; achter zijne bergen zag men dagel^ks den zonnegod 
ter ruste gaan, en dat zal wel de oorzaak geweest z^n weshalve men 
daar zjn bakermat zocht^'. (bl. 273). /'Ist dies richtig, so muss Aeto- 
lien mit den angrenzenden Landschaften die Urheimath der Odysseus- 
sage sein", (bl. 274). Men ziet, de mythe is met é^n slag sage ge- 
worden. Intusschen is het raadsel opgelost, — tot nader order. //Mit 
solcher zurückfiihrung der Heldensage auf Naturmythen kommen wir 
in ein Gebiet, auf dem es verhältnismässig leicht ist eine geistreiche 
Ansicht aufeustellen, aber sehr schwer sie zu beweisen, ein Gebiet^ 
dessen Anbau ick lieber anderen überlassen 7nöckte'\ Aldus Cauer in 
zijn Grufidfra/jfen (p 219). Ex animi sententia adsentior. 

^') (Pag. 365). Dit is vooral uiteengezet en als argument voor een 
deel z^ner constructien gebruikt door Niese, bl. 119 w. (Gap. XU: 
die Wagen,), Vgl. ook Naber Quaestt, Som, § 16 (p. 51 vv.). 

^*) (Pag. 366). Voor zoover ik weet, z^n deze beide punten het 
eerst in het licht gesteld door Christ in zijne Prolegomena pag. 48 vv. 
Omtrent de dubbele Lyciers vertegenwoordigt Niese nog in 1882 het 
gewone gevoelen dat ze identisch zijn. Pandaros' afkomst uit Zelea 
is volgens hem //eine aus dem Stegreif gedichtete Neuerung**, bl. 111 vv. 

3*) (Pag. 366). Vgl. Naber Quaestt. Hom. § B3 (p. 156 vv.). 

^) (Pag. 367). Iliadis Carmina seiuncta discreta emendata, (1884). 
Frolegofnena $§ 45, 46. //lam meas rationes si quaeras, habesprimum 
veterem Iliadem, - - Multifariam vero antiquum iilud poema ab 
eins auctore ipso et ils, qui praeclarum signiferum secuti 
illustre poema divulgabant, ita adauctum et amplificatum est, ut quae 
ipse, quae alii adiecerint, tam difficile dignoscas quam Kequiei Mo- 
zarti genuinas et adulterinas partes''. lets verder: //Denique si ex 
me quaeras, utrum unum poetam Homerum Iliadem condidisse, an 
plures Homeridas summi omnium temporis (temporum ?) poematis 
couditores fiiisse eredam, primum magni hoc sciri referre negabo, dein, 
si instes^ ita respondebo — probabile mihi videri, quae minoribus 



(414) 

et inclinatis litteris excudenda curaverim a recentîoribus poetîs rha- 
psodisque non uno, sed pluribus addita esse, veteris autem et perfectae 

Iliadis non unum, sed duos aut, si plurimiim, quattuor auctores 

fuisse vix plus centum annorum intervallo inter se discretos. - - 
Equidem - - maxime eo inclin o, ut duos archi- 
tectos poetas Iliadis fuisse eredam, unum veteris 
et simplicis, alterum implicatae et consummatae, 
et duos pluresve poetas secundarios. Sed cum eundem 
poet am suum poema pmpolimBse et auxüse multo verisimilius sit quam 
alium alieno operi amplificando et omando operam navasse, plures 
auctores carminum eiusdem poematis nisi necessitate quadam coactus 
statuere nolo". Ten gevolge van al deze elkander voor een deel weer- 
strevende en opheffende overwegingen wordt Christ's indeeling bijwijlen 
zoo //subtiel", dat de consequentie verloren gaat. Zijn grondslag is, 
evenals die van Naber, een verdeeling in vieren. //Ut discrimina 
carminum Iliadis oculorum quoque visui subiceremus, quattum' litte- 
ramm generibua, duohu% maiorihu% et duohus minoriôus, usm sum, qui- 
bus vetustiores et recentiores versus magni poematis distinguerem". 
(pag. 88). Maar feitelijk volgt hij een indeeling in zessen, (//difficul- 

tates interprétât ionis et rerum et verborum facilius solvi concede, 

81 toto poemate in sex partes diviso suum cuique parti auctorem ad- 
tribuas" p. 95), en niet overal dezelfde. 

") (Pag. 367). Van T (de /^j^v^^rç à-6p(viff$c) blijft ook bij Naber 
en Christ niet veel primitiefs over. Van Niese is niets anders te 
verwachten dan dat hij alsmede dit gedeelte voor later bijgewerkt ver- 
klaart en zelfs als een der jongste bestanddeelen der gansche Ilias 
beschouwt (//Die Gesandtschaft gab weiterhin das Modell für die 
Versöhnung der beiden Gegner im 19. Buche". Bl. 132; vlg. bl. 65). 
Evenzoo oordeelt Erhardt, bl. 377 vv. En dezelfde opvatting vinden 
we nog nadrukkelijker uiteengezet in de nieuwste (tweede) uitgave 
der Histoire de la Littérature Grecque van de beide Croiset, voor 
een paar maanden verschenen. //Le centre de ce livre, c'est la iZ/co»- 
ciliation. Ce morceau pourrait être regardé comme plus ancien que 
le reste, à condition d'admettre que le discours d'Agaraemnon ait été 
largement interpolé. Mais faut-il l'attribuer à l'auteur même de la 
Querelle ? Si Y Iliade a été dès l'origine un poème continu, une scène 
de réconciliation y était, dit-on, nécessaire. (Zoo oordeelt b.v. Bergk, 
I. p. 628). À vrai dire, cette prétendue nécessité d'une récon- 
ciliation est tout arbitraire. Achille a bien envoyé Patrocle au combat 
sans consulter personne. Rien ne l'empêcherait, ce semble, d'y courir 
maintenant de lui-même avec ses soldats, sans se concerter avec Aga- 
memnon. Et en fait, il agira dans les livres suivants comme s'il était 

seul. Il est donc bien possible qu'elle n'ait été imaginée qu'en 

un temps où le caractère primitif d'Achille s'est adouci et où des 



( 415 ) 

moeurs plus délicates ont rendu désirable cet oubli mutuel des in- 
jures", (bl. 153). £r is voor deze radicalere opvatting inderdaad veel 
te zeggen. Ze is in allen gevalle consequenter dan met Naber b.v. 
meer dan de helft der 424 verzen waaruit bet korte boek bestaat, 
voor geïnterpoleerd te verklaren, l^ovendien, de opmerking is juist, 
dat zelfs in een zoo jong boek als xi Achilles handelt alsof er geen 
Agamemnon ter wereld bestond. 

'^) (ï^ög. 369). //In der ältesten und älteren Ilias nahmen auch nicht 
die oft eifdönigen und poetisch toen'thloaen detaillirten Kampf beschrei- 
bungen den grössten Raum ein", (bl. 138). Geheel anders en juister 
Bergk: //Das innere Leben, die Wärme der Empfindung, fesselt un- 
willkürlich das Gemüth des empfänglichen Hörers und reiszt es mit 
fort. Dies gilt ganz besonders von den Schlachtsceuen, die einen 
kriegerischen Geist, ein Feuer der Begeisterung athmen, dem nichts 
vergleichbar ist. Hier ist auch die Pracht der reichen Darstellung — 
ganz an ihrer Stelle", (bl. 647). Trouwens, Niese's oordeel is vierkant 
in strijd met dat der Grieken zelven, die toch wel wisten wat ze in 
hun ;ro/ïîTîîç het meest bewonderden. W' at Aristophanes zijn Aeschylus 
laat zeggen : o 5e o«r7oc "OfjLviçoç | à^to tov rifiiiv aal aXéoç 'é<rx^v 
^A^v Tovy on ;f pijo-r' èytêct^s, \ rd^siq, aptTfi^c, ofrXï^eiq uvlpm ; 
(Ran. 1034 seqq.) drukt ongetwijfeld het gevoelen der beschaafden 
van zijn tijd uit. 

^®) (Pag. 370). Niese zelf noemt ook dit onderdeel als behoorende 
tot zijn TTcum 'lÄtdc, Op het eerste gezicht bevreemdt dit, daar hij 
slechts de eerste helft van A als oud erkent en onmiddellijk met het 
slot van O verbindt. Inderdaad evenwel laat hij ook van B, eerste 
helft, wel een en ander als oud gelden ; hoeveel, verklaart hij nergens 
ronduit. Bij zijn bespreking van het tweede boek zegt hij slechts : 
//ganz klar ist dabei, dasz die Rüstung die Hauptsache ist und dasz 
von ihr jene (de Ttelf») umschlossen wird, also eine Einlage iit, die 
ßfe?' Rüstung ursprünglich fremd war^\ (bl. 68). 

^) (Pag. 371). //Ich bekenne mich mit Entschiedenheit zu der 
Überlieferung von der pisistrateischen Sammlung der homerischen Ge- 
dichte. Sie ist für die Theorie so gleichgültig wie der Name Homer. — 
Aber ich meine, dass ihre Richtigkeit doch durch so starke innere 
und äussere Gründe gestützt wird, dass es fast unmöglich wird, daran 
zu zweifeln", (bl. cvnj). Volgen zijne uit- en inwendige gronden. Het 
voorname uitwendige bewijs is het getuigenis van Dieuchidas bij 
Diogenes Laërtius l § 57, omtrent wien Erhardt de uiteenzettingen 
van Wilamowitz blindelings overneemt. Zijn inwendige bewijsgronden 
ontleent hij aan de //Indiciën in den Gedichten selbst": de attische 
kleur der taal, getuigende dat onze tekst zijn tegenwoordige gedaante 
eerst in de 6e eeuw v. Chr. en wel in Attica ontvangen heeft; de 



(416) 

ingedrongen Attische sagen- elementen en sagenfiguren, Nestor, Bio« 
medes, Odysseus, het yeelyaldig optreden van Athene, dit alles vooral 
in K M Y ; de inschuivingen en uitlatingen eindel^k, in Attisch belang 
in de Boi«rf« aangebracht, (bl. cix — cxiij). Om de ronde waarheid 
te zeggen, de overstelpende kracht van dat alles heeft op mij althans 
nog niet zoo betoo verend gewerkt, dat het m^ voortaan onmogelijk 
geworden is aan het bestaan der pisistrateische redactie redelijkerwijze 
te tw^felen. Wat Dieuchidas betreft: ik kan maar niet vergeten dat 
alle moderne bespiegelingen omtrent zijn bericht welbeschouwd be- 
rusten op één lacuneuse plaats b^ den weinig betrouwbaren Diogenes 
Laërtius. Kitschl's aanvulling (/xSAAcv ovv "O/xijpov i(puTKr£v — 
Solon — ij nsiffîffTpeiTOç (^ovyrep trvXXé^etç r h *0 fi^ p o v 
svexohffé Tiv» eU ^^v ^A^vxtuv x^P^^ ^ ^^ pfifft /^tevx^^oiC ^v s' Mf- 
yccpiKSv') moge nog zoozeer den zin van den verloren geganen regel 
getroifen hebben, — eenige gegronde twijfel daaromtrent is geen 
halsmisdaad, — ze bl^ft met dat al slechts een aanvulling. £n wat 
den persoon, den leeft^d en de betrouwbaarheid van den zegsman 
aangaat, ik kan alweer niet nalaten mij voor te houden dat al wat 
daaromtrent door Erhardt geloofd wordt op combinatien van Wilamo- 
witz berust, scherpzinnige combinatien buiten kijf, maar die daarom 
nog geen historische zekerheid worden omdat Wilamowitz ze ophoo- 
gen toon daarvoor uitgeeft. Aangenomen evenwel dat al deze moge- 
l^kheden even zoovele ontwjfelbaarheden waren, wat bewijzen ze 
inderdaad ? Dat vijjanden der Atheensche suprematie in de 4e eeuw 
beweerden dat het Pisistratus was, die ter wille van 
specifiek Atheensche belangen den Homerischen tekst zou hebben ge- 
interpoleerd, — toch wel, door gedienstige geesten zou hebben laten 
interpoleeren, — iets wat, gel^k bekend, evenzeer aan Solon ten laste 
werd gelegd. Slechts die gedachte eischt de samenhang ; het ffvXXéyetVt 
dat, bij ontstentenis van alle rechtstreeksch bewijs, alleen dient om de 
aantijging voor ons modernen aannemelijker te maken, is door Eitschl 
zonder noodzaak van den zin erin gebracht. En ook het ifiTroielvt 
waarvan Dieuchidas ongetwijfeld moet gewaagd hebben, is, gel^k 
Wilamowitz juist ingezien en scherp geformuleerd heeft, niets meer 
dan een vermoeden van den Megarenser, een conjectuur derhalve die, 
ook wanneer we haar billijken, alt^'d iets subjectiefs blijft, en //dadurch 
um kein quentchen mehr gewicht hat, dass sie zweitausend jähre alt 
ist", (bl. 243). Zietdaar het onweerstaanbare uitwendige argument. En 
wat bewezen Erhardt's inwendige kenmerken? Voor een recensie 
Pisistratea al even weinig als voor een recensie Solonea. Aangeno neu 
alweder dat ze alle onbetwistbaar z^n, dan volgt er alleen uit dat de 
Homerus dien wjj kennen een Attisch gekleurde Homerus is, geens- 
zins dat die kleur er door Pisistratus is opgelegd. 

Zjn Oauer's gronden voor een gelijk geloof steviger? Ik kan het 
maar altjjd niet inzien. Ook hj schermt met het getuigenis van 



( 41? ) 

l)ieiichidas, maar hij heeft althans aan de eene z^de de eerl^kheid 
helder te doen uitkomen, dat het geloof aan eene recensio op niets dan 
de restauratie van Eitschl berust, andersdeels de openhartigheid die 
er geen doekjes om windt dat zijns bedunkens, overleverd of niet, 
de recensio voor het geloof aan eene interpolatie van of namens 
Pisistratus het noodzakel^ke postulaat is. //Für diesen Vorwurf war 
es eine notweiidige ForoMMetzung, dass man glaubte, die Eedaktion 
der homerischen Gedichte in der herrschenden Fassung gehe auf 
Feisistratos zurück", (bl. 86). En zoo mogelijk nog ondubbelzinniger 
op de volgende bladzijde : //nur das ist klar : der Vorwurf, Feisistratos 
habe den Homer interpoliert, konnte von dem megarischen Historiker 
nicht erhoben werden, wenn er nicht voraussetzte dass die allgemein 
verbreitete Gestalt des Textes auf Feisistratos zurückgehe". Van dien 
onverbrekel^ken samenhang nu tusschen interpolatie en recensio — 
en om deze laatste is het immers te doen — ben ik allerminst over- 
tuigd. Gegeven de interpolatie, gegeven de recensie, dan kan er 
tusschen die twee een band hebben bestaan, maar dat die moet 
hebben beslaan, dat het eene niet denkbaar is zonder het andere, kan 
ik voor mijj maar niet inzien. Integendeel, mq dunkt dat het verwet 
van interpolatie zich eerder hooren laat bij een reeds bestaanden en 
vaststaanden tekst, dan b^ een die nog eerst uit allerlei onsamen- 
hangende stukken tot een geheel moet herschapen worden. Daar is 
immers 6f alles wat de verspreide deelen tot een geheel samenvoegt 
interpolatie óf niets. Evenwel, het kan z\jn dat Eitschl, toen l^j in de 
woorden van Dieuchidas z\jn avXXé^xq rot 'Ofi^pov invoegde, even- 
als Cauer den door mj ge wraakten samenhang onafw^sbaar achtte, 
het kan ook z^n omdat hij aan de inderdaad ondubbelzinnige woor- 
den van Cicero {FieistraôuSf qui primus Homeri Horos confmos antea 
sic disposuisse dicitur, ui nunc habemus. De Orat. III, 34 § 187) een 
niet te versmaden autoriteit uit de vierde eeuw voor Chr. wilde 
geven, — in allen gevalle steunen wfl modernen, voor zooverre we 
met het getuigenis van Dieuchidas opereeren, een van elders niet 
bewezen iets — Fisistratus' interpolatie — met een eveneens niet be- 
wezen iets, z^n tekstrecensie, en weer omgekeerd z^*n tekstrecensie met 
het bericht omtrent zijn interpolatie. Een stevige historische grondslag 
voorwaar! Eesten Cauer's interne bewijzen. H\j acht deze op zich- 
zelve zoo overtuigend, dat, indien niet reeds de overlevering van een 
Pisistrateische tekstordening gewaagde, wijj haar moesten uitvinden. 
Inderdaad z^n deze interne bewijzen weer de welbekende : de attisch 
gekleurde taal, de lof aan Menestheus en z^n Atheners in den Cata- 
logus gebracht, het J6/xoç '^p^X^^^^ ^^ m 81, de attische mythen in 
de Nixw<«, de bewering, alweer van een anderen megarischen histo- 
ricus, Hereas (big Plutarchus Thes. 20) dat Qyi(réz TletpiMv re ùeuv 
àftheUerx réKvst (onze teksten hebben ad unum omnes èpmvlé» 
TéKvct en evenzoo Faus. X 29 § 4) in A 631 door Fisistratus zou 



( 418 ) 

zijn ingeschoven (rovro yup ro svo^ — 0ijj«v 'Hp/a^ o Mey^^pei/ç-- 

ifißciXsTv sic TVfV 'OfAYfOV Nfjct>/av x^P^^^f^^^ov ^Ahvxioiç.), — 

kortom, louter oude bekenden. Hoe sterk de bewijskracht van deze 
alle is, is reeds gezegd. Er tegenover sta de verklaring van Wilamo- 
witz, dien men waarlijk niet verdenken zal althans de Odyssee als 
geheel voor bijzonder oud te houden : //die Ilias und die Odyssee 
sind in ihrer jetzigen Gestalt notorisch älter als Peisistratos". (bl. 
255). En nog die andere, bij het bespreken der veronderstelling dat 
Dieuchidas zijn gissing ontnam aan de door Pisistratus ingestelde of 
gerestaureerde Panathenaeën en het daarbij gegeven voorschrift, de 
Homerische epen in hun behoorlijken samenhang voor te dragen : 
„Nur das kann man nicht nachdrücklich genug einschärfen, dass diese 
officielle institution eine reihenfolge wahren soll, also eine einheit 
voraussetzt. — folglich ist die pisistratische Sammlung, an die Bentley 
und Wolf, Hermann und Lachmann geglaubt haben, eine bare Un- 
möglichkeit", (bl, 264). Tegenover historisch vaststaande berichten 
zouden ook deze redeneeringen het veld moeten ruimen ; nu de eerste 
er niet zijn, vereenig ik me met wat als hypothese mij het aannemelijkst 
dunkt. Want nogmaals : vast staat alleen, dat Megarensische provin- 
ciaal-geschiedschrijvers uit den tijd ongeveer van Alexander den Groote 
interpolatien van Pisistratus aannemen. Vast staat verder een 
door Cicero vermeld geloof aan een verzameling der tot dusverre 
onsamenhangende Homerische epen door Pisistratus, dat ook ten 
grondslag ligt aan het bericht over de Doloneia bij Eustathius en dat 
van Pausanias over Gonoessa of Donoessa VII 26 § 6 : {^(AvyfJLoveCetv 

Is xxi "O/ctïïpov (p:£a)v ecvTijç Troty^axvrx sttoç' ^/07 o' *TTe;>jö'/j}V 

T£ xcti cctTTstvvjv Aov6sff<rstv^*' (B 573) net(ri(rTçecTov 5/, Jv/jcä stt^i rà 
'OfJiypov ^tscTTTXfffAévx TS jcxi ciXXa «AAâ5;^oi? f^vviiÂOvevSfÂevetiièpoi^ej 
TOTS îj ccvtIv [netaîffTpxTOv del.] fi tuv tivx sTaiçav lASTXTOt^ffat to 
ovo fix VTTO à y V Î cc ç\). Be vereeniging dier beide berichten is louter 
moderne, en geenszins dwingende, combinatie. Voorts is het mogelijk 
dat de Alexandrijnsche critici van beide tradities geweten, maar ze dood 
gezwegen hebben ; mogelijk alweder, dat die der Pisistratische recensio 
een erfstuk was der Pergameensche school en zoo tot op Cicero geko- 
men ; maar verder dan tot mogelijkheid reikt ook geen dezer beide 
door Cauer geopperde meeningen. Is daar niet het grootste gelijk aan 
de zijde van Wilamowitz, wanneer hij beweert : //weder totschweigen 
noch lächerlich machen noch glauben dürfen wir die pisistra- 
tische Sammlung: es ist eine weitverbreitete alte tradi- 
tion", (bl. 262)? Wat hij voor den historischen kern dezer traditie 
aanziet, een gaandeweg atticiseeren van den definitieven Homerus- 
tekst, als onvermijdelijk gevolg daarvan dat die tekst zijn laatste en 
definitieve gestalte juist door attische rhapsoden ontving en vooral 
door in Attika geschreven exemplaren algemeen verspreid werd, — 
daarin is veel aanlokkelijks. Aan een sterk atticiseeren der taal ge- 



( 419 ) 

loof ik voorloopig niet, gelijk reeds werd aangestipt, daar de over- 
eenkomsten tusschen het attisch en het episch-ionisch even mogelijk 
haar verklaring kunnen vinden in de reeds oudtijds verkondigde nauwe 
verwantschap tusschen deze beide (cfr. 8trnbo VIII 1 § 2) ; trouwens, 
Wilamowitz geeft in ander verband zelf toe : //das ionisch Homers 
ist nicht das der landschaften die sich Ionien nannten, ist weder 
chiisch noch teisch noch milesisch, sondern hat auf den 
insein und in Athen eher analogie n", (bl. 407. Geheel 
anders maar niet beter bl. 310). Wèl in het oogvallend daarentegen 
is de atheensch-gezindheid, die in den textus receptus der Boiarï» 
en vooral op verschillende plaatsen der Odyssee doorstraalt. Doch 
ook deze zeer verleidelijke meening van Wilamowitz is nog lang niet 
onwederlegbaar bewezen, en dus zij voorloopig hieromtrent de zekerste 
weg nader onderzoek, en het verstandigste wachtwoord — STréyjiv» 

*^) (Pag. B71). In het vierde hoofdstuk zijner Epimetra : Zur Ho- 
Tïieruclien Interpolation^ Arist.^ pag. 442 — 450. 

'*2) (Pag. 372). Een kleinigheid ! Cobet, Ludwich, Christ, Caaer spre- 
ken van /ugTa;t:«pA;«T>îp/Çf/v. Alleen Wilamowitz heeft het medium; 
meer dan eenmaal gewaagt hij van fieTetx^pecxTyjpKrdfjtsvoi' (pagg. 301, 
302). Op grond van wat is mij onhelder. De eenige maal dat mij het 
verbum bij de Homerische grammatici voorkwam, is in het scholion 
op s 241 over i7ri(rxotÇy W^rxotsq, êTrttrxotvjÇt dat tot Alexander 
van Cotiaea teruggebracht wordt: ru iTÎa-xoti^i axoAovÔov icrrt ri 
Ini^xoi^t Tw le iTTi^xo^^Ç '^"^ €7rtcrx^i^v' xxi ïauq lÉlei ovruçsxsiVi 
TTSipsÇèapvi le vTTo Tuv fJL6Tccx^P^*^'''^P^^^vTâv» Hccft hcm 
soms de analogie van fisrxypdcPta^at verleid? Het opschrift van zijn 
hoofdstuk is althans Merxypct^äfjievoi en Cauer volgt hem daarin. 
Is dit zoo, dan gaf hij gehoor aan een valsche analogie; want bij 
Thucyd. IV 50 § 2, de eenige plaats uit de oude Graeciteit, heeft 
het verbum ondubbelzinnig factitieve beteekenis. De grammatici 
trouwens, en Lucianus b.v. (Quom. Hist, sit «mô. § 21) hebben onver- 
anderlijk fjLSTxypä^PitVi ofschoon niet in de speciale beteekenis van 
een letterschrift of spelling wijzigen. 

*^) (Pag. 373). Met genoegen zie ik dat ook voor Wilamowitz 
Homerus de naam is van een mensch, niet een personificatie (H. U. 
p. 378). Ook hij teekende protest aan tegen de willekeur, waarmede 
aan "Ofiyjpoç als eigennaam een beteekenis, — of liever, verschillende 
beteekenissen, — werd of werden ondergeschoven, die het appellati- 
vum nooit had. Maar verder dan tot het afwijzen dezer fantasmagorieën 
laat zich vooreerst niet gaan. Welke verhouding er bestaat tusschen 
den man Homeros en de op zijn naam gestelde epen zal voorloopig 
wel niet tot algemeene tevredenheid uiteengezet worden, 

^*) (Pag. 373). Jnecdot, Rom. Ill i, f. ; r^v lè 7roïy}<rtv àvccyivda- 



(420) 

xg^^eii k^tof Zuwvpoç h ^dyv^ç AloXî^t liotXéxra' rd V otvrh xatl 
ùtxetîxpx^Ç' Sedert de mededeeling van dit bericht bij Os&nn (Jnec- 
dotum Romanum de Notiê Feterum Crittds, 1851, pag. 5) hebben 
achtereenvolgens Osann zelf, ${ 84 — 86 van z^'n commentaar, (pag. 
278 vv.) en Sengebusch Hom, Diss. I p. 85 en meer terloops 11 p. 65 
hun licht over de bij nauwkeurig waarnemen vrjj raadselachtige woor- 
den laten sch^'neu, terw^'l ook Ed. Meyer, Geêck. des AUerth, Il bl. 
394 en Erhardt in zijn Einleitung bl. Lxxxix er even van gewagen. 
Alleen Cauer zwijgt er over. Slechts zooveel laat zich intusschen met 
eenige zekerheid vaststellen : 1) de voornaamste zegsman schijnt Zopyrus, 
Dicaearchus komt eerst in de tweede plaats. 2) Vermoedelijk is deze 
Zopyrus geen grammaticus, maar historicus of liever antiquaar, de- 
zelfde van wien in het uitgebreide scholion van Porphyrins ad K 274 
een varia lectio vermeld wordt, door hem ter sprake gebracht iv 
Téripr^ M < Alf rov ttriffsuc, dezelfde misschien ook van wien Harp. 
s. V. "Epfto« en Steph. Byz. s. v. ^A^po^ivtdç gewagen. 3) Waarschijnlijk 
was h^ zeit Xlein-Aziatisch Aeolier van Magnesia ad Sipylum ; geheel 
uitgesloten is evenwel niet het andere Magnesia ad Maeandrum, zooals 
Osann {Anecd, Rom, p. 282) aanneemt, daar Strabo ook dit een Aeolische 
stad noemt. (XIV, 1 § 39, p. 647 : ?rpwTu 5' f ffriv iÇ 'E^/ö-ou Mayvijff^» 
9r6Ai^ AioA<ç, XeyofAévfi iè eTrl Ma/ivlp^.)« ^) l^eeftijd onbe- 
kend ; misschien uit de 3e eeuw v. Chr. 5) Of met Dicaearchus de 
Peripateticus bedoeld wordt, de bekende schr^ver o.a. van Bioç 
'EAAi^oç» dan wel een Aristarchéeer, van wien Suidas s.v. naast den 
wijsgeer gewaagt (A. Aetxe^etifJiSvsoçi ypcùfJLfJLctrtKSçt àicpoetryiç 'Apt^rdp- 
Xov) waag ik niet uit te maken, al zie ik geen reden met Osann 
p. 280 en Sengebusch Diss. Hom, I p. 84 seqq. het bestaan van dezen 
laatste geheel in twijfel te trekken. 

**) (Pag. 376). Opmerkingen van gelijken aard vinden we ook bij 
W. Uelbig: das Homerische Epos cms den Denkmälern erläutert^ ed. 
2a, bl. 329 vv. (metalen), bl. 416 vv. (tempels enz.). 

*•) (Pag. 376). Een uitzondering moet alleen gemaakt worden voor 
Seeck, die nu eens van meer inzicht en dichterlijken smaak blijk geeft 
dan eenig ander der Homerforscher onder onze tijdgenooten. Met ge- 
noegen haal ik ditmaal zijne woorden aan, die even goed gezegd als 
gedacht zijn. //Dass das Original die Copie an Schönheit übertreffen 
müsse, wird von allen als Axiom behandelt ; als wenn nicht Rubens' 
Zeichnungen nach mittelmässigen römischen Porträtbüsten, die drie 
Grazien und das Sposalizio von Bafael, Shakespeares Kede der Yo- 
lumnia und manches andere hochberühmte Werk der bildenden und 
dichtenden Kunst diesen Satz hinlänglich Lügen straften. Dies mögen 
Ausnahmen sein; aber dass sich ähnliche Ausnahmen und zwar in nicht 
ganz geringer Zahl auch im Homer finden^ ist schon an sich mehr 
als wahrscheinlich. Auch unter den jüngeren Dichtern, deren 



(421 ) 

Werke in die Ilias and Odyssee aufgenommen sind, begegnen wir 
manchem Genie allerersten Ranges, das wohl im Stande gewesen sein 
wird, überlieferte Motive und Verse so zu heben und zu verklären, 
wie Shakespeare und Goethe gethan haben", (bl. 49). 

^^) (Pag. 376). Voortreffelijk alweer is wat Seeck ook hiervan zegt; 
jammer alleen dat zijn theorie en zijn praktijk twee zijn. //Man denke 
nur daran, wie Shakespeare mit der Chronologie umzuspringen pflegt ! 
Sollte ein Aöde damit rechnen, dass während seines Gesanges ein 
Zuhörer auf die sonderbare Grille verfallen könne, sich die Tage der 
Handlung an den Fingern abzuzählen ?" bl. 214 vv. 

*^) (Pag. 376). Dat de epische taal een kunsttaal is, zoo goed als 
die van het attische drama, — nog sterker dan die van het Attische 
drama, volgens Wilamowitz (bl. 310), — begint tegenwoordig al meer 
en meer de algemeene opvatting der deskundigen te worden. Na 
Bergk (I p. 462), G. Curtius en Naber (p. 79) laat in gelijken geest 
Wilamowitz zich hooren. //Wir wissen dass sie (die homerische spräche) 
keine je irgendwo gesprochene ist, — wir wissen dass sie eben so wenig 
eine Schöpfung individueller willkür sein kann, folglich ist die epi- 
sche spräche, die uns fast einheitlich vorliegt, das résultat einer langen, 
Jahrhunderte langen historischen entwickelung. altes vtid junges sieht 
gleichberechtigt neben einander ; formen und formein siud totes, über- 
liefertes gut. leute die selbst nur Sv und vsttr^xt und 15 «v sagen, 
wenden oSv und vésv^ott und Ft^éfjLsv in der epischen poésie an". 
(H. U. p. 406). Slechts ten opzichte der normaliseering, d. w. z. 
uniformeering, dezer voor het meerendeel kunstmatige taal loopen de 
meeningen der vakmannen nog sterk uiteen, niet het minst over de 
vraag of de gewenschte gelijkvormigheid ook door desnoods geweld- 
dadig ingrijpen in den textus receptus mag worden nagejaagd, en 
evenzeer over die andere daarmee verwante vraag, of ze ook uitge- 
strekt moet worden tot die gedeelten, welke uit anderen hoofde niet 
tot het primitieve epos te rekenen zijn. 

**) (Pag. 377). Niemand heeft dit middel consequenter aangewend, 
en daardoor ook tot de noodzakelijke en wenschelqke reactie aan- 
leiding gegeven, dan K. Sittl in zijn : die Wiederholungen in der 
Odyssee. (1882). 

*") (Pag. 378). Dit is eene der gewaagde com binatien van Ed. Meyer 
[Gesch. d, Alterth, II, vooral $) 131, 132 ; o. a. //Achill ist offenbar 
eine aeolische Sagengestalt, seine Verbindung mit dem 
troischen Kriege, so alt sie ist, ist dochsecun- 
d ä r"), terecht m. i. door Cauer bl. 136 vv. van de hand gewezen. 

*^) (Pag. 378). Zoo is onder anderen het gevoelen van Naber : //Uno 
eodemque die depugnatur primum inter Menelaum et Paridem,. - - 



( 422 ) 

et paucis horis post inter Aiaeem et Hectorem. Quod hodie plerisque 
ita videtur - - non satis est credibile, utraraque pugnam nnius poetae 
opus esse : id tantum quaeritur, utra narratio sit vetustior. Ee bene 
pensitata equidem mihi persuasi, tertium lih'um recentioreni esse aep- 
tinw'\ (QuaestL Bom. p. 153). Evenzoo later Leaf: //we have a ratio- 
nal ground for holding that we have here the oldest form of the 
duel incident, auèseqnently developed inio that between Menelao8 and 
Pari8*\ Vóór Cauer had daarentegen o. a. reeds Christ de prioriteit 
van r boven H verdedigd {ProlL p. 38, 54, 68). Sterker evenwel dan 
zijne argumenten, b.v. : //auctor huius carminis manifesto librum ter- 
tium cum universum tum singulos versus imitatus est" (p. 54), dunkt 
mij het hoofdargument van Cauer, dat de tweestrijd van Paris en 
Menelaus de handeling verder brengt, die van Hector en Aiax niet. 
Daarentegen heeft hij mij voorloopig nog niet overgehaald tot zijne 
opvatting omtrent n 64 (tvvu X afiotiv [xsv èixèf xXvrx revx^^ 
^v^t) en de daarmede samenhangende gedeelten van a, P, £• Het 
denkbeeld, zooveel ik weet het eerst door Bergk uitgesproken (GVzöcä. 
Litt. I bl. 616, noot 210), ofschoon slechts zeer aarzelend (vgl bl. 
622 : //Es ist sehr wahrscheinlich, dass schon die alte volksmässige 
Sage den Patroclus in der Küstung des Achilles ausziehen Hess. — 

Indess könnte immerhin dieser Vorgang erst dem Dichter der 

Hias oder einem Fortsetzer seinen Ursprung verdanken"), later in 

de bekende radicale wijze door JSiese overgenomen en uitgewerkt (Cap. 
YIII, Fatroklos' Botengang^ bl. 84 vv.) heeft voor mij zooveel aan- 
lokkelijks, dat ik naar klemmender argumenten dan Cauer weet aan 
te voeren uitzie, alvorens mijn overtuiging daaromtrent prijs te geven. 
Zijn bewijsgronden althans, waarmede de van vele zijden tegen de 
//vielfach mangelhafte" motiveering der gansche pericope ingebrachte 
bezwaren weerlegd heeten te worden, hebben weinig meêsleepends. 
//Ein Dichter, der mit Bewusstsein einen fertigen Zusammenhang 

durchbrach hätte gar keine Mühe gehabt im Anfang von n auf 

den Besuch bei Nestor und auf den Botengang mit ninen Zwischen- 
fällen Bezug zu nehmen. Darin, dass dies nicht geschieht, sehe ich 
gerade ein Zeichen naiver Vergesslichkeit und Inkonsequenz : eine 
Motivierung wird überall versucht, aber jedesmal nur für den näxjhst 
vorliegenden Zweck benutzt, dann wieder aufgegeben ; der Dichter 
hat noch nicht die Kraft der Koncentration", (bl. 291), Trouwens, 
men behoeft nog niet den ganscheu //Botengang" (a 596 vv.) te 
elimineeren, om den raad van Nestor tot verwisseling der wapen- 
rustingen daaruit te verwijderen, a 797 en 802 sluiten mijns bedun- 
kens beter aaneen, dan wanneer de gewone opeenvolging der verzen 
behouden blijft : 



r.' 



f. 



( 423 ) 

794. el lé Ttv» (Ppea'i F^ffi ûeoTrpoTrhv àXeFsheii - - 

796. ÂAAà ffé ifèp ^poérui 2ifJiet ^' âXXoç Xxhç ê^éa^ój 

797t MvpfiilSvuv, oCi Kév ri (Pdoç àxvoLOiVi yévuieti* 

802. fuin lé K àicfifiTsç xexfi^ÓTxc &v^pctç otvr'^ 

803« ù^vcttvU TpoTi FdffTv vs&v ä^o tcul K\t9iduv> 

Niet onmogelijk dat ook deze beweeggrond medegold voor Âristar- 
chus, toen hij juist omgekeerd voorstelde vss. 80Î/8 (= n 44/45) te 
verwerpen. 

•*) (Pag. 379). Vgl. Naber Quaesti. Hom. p. 78, 79, en reeds 
vroeger Volkmann bl. 213, wiens woorden hij met ingenomenheid 
tot de zijne maakt. 

*') (Pag. 379). Ik haal deze uitspraak van Volkmann, wiens werk 
niet in mijn bezit is, aan naar Naber, Quaeatt, Hom. p. 77. 

**) (Pag. 380). Voor zoover ik de conclusie van Naber's redenee- 
ring, die aan dit onderwerp zijn § 18 (bl. 67 vv.) w^'dt, maar m. i, 
niet overal even helder is, wèl begrijp, acht hij in de verschillende 
verhouding, waarin de vermelding van koper en ijzer in de verschil- 
lende gedeelten der beide epen tot elkander staat, geen bruikbaar 
criterium gelegen om den relatieven ouderdom dier gedeelten te 
helpen bepalen. Beide metalen stonden z. i. naast elkander ; het koper 
was eenvoudig duurder ; vandaar zijn de wapenen, gereedschappen, huis- 
versieringen der ßxffiX^iec van koper. //Ex numeris effici posse videtur, 
in Iliade quo sit vetustius carmen, aes crebrius commemorari, in 
Odyssea autem earn temporum rationeai describi, quibus aes iam 
eviluisset, ferri vero iam crebrior usus esset. Quam sit hoc prorsus 
falsum, ex diligent! locorum comparatione apparebit". (p. 57). Hg zelf 
twijfelt geen oogenblik //quin in Graecîa usus ferri multo sitHomero 
antiquior". (1.1.). Cauer's meening, dat nog voor de Homerische 
dichters ijzer het zeldzamere metaal was, en vandaar o. a. bij 
voorkeur tot beeldspraak werd gebezigd, acht ik in allen gevalle on- 
juist. Er tegen spreekt reeds de door Naber opnieuw in het licht ge- 
stelde omstandigheid, dat de gereedschappen der goden en de wape- 
nen der helden, op geringe uitzonderingen na, alle van koper zijn. 
Het dichtst bij de waarheid is, dunkt mij, nog altijd de oudere voor- 
stelling dat koper het traditioneele en dientengevolge conventioneele 
metaal (Hesiod. 'e. jc. 'H. 150/61), ijzer voor dezelfde zaken het ten 
tijde der dichters zei ven gebruikte is, welks melding soms bij ongeluk 
insloop waar koper had moeten genoemd worden, vooral in spreek- 
woordelijke en formulaire uitdrukkingen, zooals xlroç yap è0é\K£Tûii 
Hvlpct o-»3jjpo< (t294 = t13), atl^çstov ^rop, A/ôo; viè ffiliipoç, fiévo^ 
(Tilvipsoy^ fftèfjpeioç hpvfiaylSç en dgl. Daaruit volgt weer dat mjns 
bedunkens de waarde van dit criterium slechts gering en hoogstens 
secundair kan zijn. 

VBB8L. EN MED. ÀFD. LETTBBK. 5^6 REEKS DEEL XXL 28 



( 424 ) 

*•) (Pag. 381). Den ouderen critici ware zulk een liberaliteit een 
doorn in het oog geweest. Onverp-nderlijk houden zij vast aan het 
axioma, dat strikte logische consequentie in den bouw van een 
kunstwerk, hoe uitgebreid ook, de onafwijsbare eisch is aan de oudste 
kunstenaars evenzeer als aan de moderne te stellen. Is aan dien eisch 
huns erachtens niet voldaan, ontdekt hun lynxoog one venredigh eden 
in de karakterteekening, onevenredigheden in het verloop der ge- 
beurtenissen, aanstonds zijn zij gereed met hun vonnis, dat tegelijker- 
tijd panacee is : veelheid van handen. Het ongeloofelijke is in dit 
opzicht gecischt. Een was- er, die als grondgedachte der Ilias vorderde 
de schildering der moreele crisis waardoor Achilles van verbitterd, 
op de Achaeërs hun weer genegen wordt, en die, deze schildering 
niet uitgewerkt vindende, daaruit tot het vroeger bestaan eener an- 
dere bewerking der A chili es-liederen besloot. Onberispelijkheid in de 
logische en chronologische opeenvolging der gebeurtenissen is voor 
Lachmann en die hem geheel of ten deele volgen de absolute vorde- 
ring. De scherpst geformuleerde uiteenzetting van dit standpunt geef t 
Kirchhoft*. //Die Voraussetzungen, von denen aus wir zu unserem Ur- 
theile gelangten, sind keine anderen, als diejenigen, welche die phi- 
lologische Hermeneutik und Kritik gegenüler den Litteratuî'producten 
aller Völker und aller Zeiten — zu machen hei'echtigt ist und die in 
Abrede stellen ihr das natürliche und noth wendige Fundament ent- 
ziehen hiesse. Nie können die Besonderheiten der Enlwic- 

kelungsstufe, der eine geistige Schöpfung entsprang, ein Ausnahme- 
verfahren in der Beurtheilung derselben in der Weise begründen, 
das8 sie als den allgemeinen Gesetzen und formen des menschlichen 
Denkens aller Zeiten und Bildungsstufen nicht unterworfen betrachtet 
wirdr {Die hmn. Od?' p. 251 vv.). Het is zooals altijd : het hier ge- 
stelde beginsel is juist, alleen de met ijzeren consequentie eruit ge- 
trokken conclusien zijn het niet. Het ware der moeite waard, indien 
het niet zooveel tijd kostte, van het door Kirchhoff aangegeven ge- 
zichtspunt uit nog eens gezet vroegere of latere romans d'intrigue van 
beteekenis na te gaan. 

*®) (Pag. 381). Payne Knight, Prolegg, c. xxnj. Het citaat is mij 
alleen uit Grote bekend. 

^^) (Pag. 382). De hartstochtelijke onbillijkheid, waarmede Wilamo- 
witz de verdiensten van Friedrich August Wolf jegens de Homerische 
kritiek ten gunste van Zoëga heeft trachten te verkleinen, heeft zoo- 
veel ik weet nergens instemming gevonden, daarentegen wel afkeu- 
ring, zelfs bij overigens gelijk geaarde geesten zooals Ed. Meyer. In 
diens Geschichte des Mterthums II § 255 (bl. 388 vv.) treffen we een 
korte maar in haar bondigheid uiterst karakteristieke waardeering van 
den grondlegger aller studiën op dit gebied. //Die Erkenntniss der 
Entstehung der homerischen Epen aus der Aoedenpoesie und der 



( 425 ) 

Fortentwickelung dieser zur Rhapsodik ist das bleibende Verdienst 
der Wolf'schen Prolegomena". 

*^) (l^ag- 384). //Wer nun aber etwa nach weiberart um seinen 
lieben Homer, seine liebe Ilias, seine lieben vorurtheile, jammert, — 
dem kann ich zum ersatz den entwurf einer andern Ilia?, wenigstens 
bis zum auftreten des Patroklus, nachweisen". Lachmann, Betrach- 
tungen^ c. XXX {Spn9'en eine?' andern Ilias), pag. 86 vv. 

55) (Pag. 384). Seeck, bl. 288 vv. //Zweifellos hat es ebensoviel 
Iliaden wie Odysseen gegeben oder vielmehr ihre Zahl war beträcht- 
lich grösser'*. Zijn resultaat omtrent de //Ur-llias", waarop het lied 
van Demodocus 6 74 seqq. zinspeelt, vat hij bl. 290 in de volgende 
machtspreuk samen : //Das Lied des Demodokos war also nichts an- 
deres als eine netie Version der iiv^vtq 'A;t<AAfft>ç, die dem Dichter 
der Verwandlung jedenfalls vorgelegen hat, denn er setzt sie bei 
seinen Zuhörern als bekannt voraus. Wenn in unserer Ilias der Beste 
an Kraft mit dem Besten an Herrschgewalt hadert, so war dort an 
die Stelle des letztere^i der Beste an Schlauheit getreten. Diese Ilias 
wird sich zur ältesten Quelle der unsern wahrscheinlich ebenso ver- 
halten haben, wie etwa die Verwandlung zum Bogenkampf : Haupt- 
motiv und die wesentlichen Umrisse gleich, viele Verse und selbst 
ganze Scenen wörtlich entlehnt, daneben aber eine Fülle von Neu- 
gestaltungen". Zoo is met één slag een einde gemaakt aan de twijfe- 
lingen der Alexandrijnen (Aristarchus ? Vgl. Aristonicus ad l 347, 
— over welk geenszins al te duidelijk scholion Seeck zwijgt, — en 
Lehrs Arist.^ p. 176), of bedoelde twist geacht moet worden voor of 
na de "Earopoç kv^içccnç uitgebroken te zijn. //Wir haben uns also 
an dieser Stelle um die Alexandriner nicht zu kümmern", (bl. 289). 

^^) (Pag. 386). Natuurlijk wenscli ik geen oogenblik te ontkennen 
dat de dictie der beide epen, niettegenstaande de ouderwetsche taal 
gewoonlijk glashelder, menigmaal mat, bij wijlen zeer ingewikkeld, 
iiu en dan zelfs rechtaf onverstaanbaar kan zijn, en dat de schuld 
hiervan ook wel degelijk aan onvoldoende stilistische bekwaamheid 
des dichters van het eene of andere gedeelte kan liggen. Ook denk 
ik er niet aan in twijfel te trekken wat sinds Aristarchus vaststaat, 
dat in sommige gedeelten met den overgeleverden schat van woorden 
en woord verbindingen vreemd en onjuist is huisgehouden. Maar van 
deze erkentenis tot de denkwijze van vele moderne homerici is nog 
een lange weg. Hoort men hen, dan is er geen fout in woordgebruik, 
flectie, syntaxis en metriek, waaraan de samenstellers der in hun oog 
minder geslaagde en derhalve latere gedeelten van Ilias en Odyssee 
zich niet af en toe hebben schuldig gemaakt. Het zijn altegader pudendi 
errores, die een schooljongen had kunnen vermijden. Het spijt me 
te moeten constateeren, dat de stoot hiertoe is uitgegaan van geen 



(426 ) 

minder man dan Immanuel Bekker, en dat ook de scherpte van. 
taal, die hierbq doorgaans wordt gebezigd, zich op z\jn voorgang kan 
beroepen. Een onderzoek naar de gegrondheid aller betreffende de 
dictie te berde gebrachte grieven ware niet van belang ontbloot. 
Hier kan ik slechts één dergelyk geval kort bespreken. Niese zegt 
(£. H. P. p. 155), natunrl^k onder hooge toestemming van Seeck 
(p. 20): //Zu diesen und andern Anstössen (von 0) kommt eine wahr' 
haß erêtaunliche Nachläseigkeit und Incorrectheit der Sprache, Gleich 
der zweite und dritte Vers des 21. Buchs rs^ev fivyjffrvipefffft ^eßsv 
T0>i9v re ffiifipcvliv fjteyâpotç *0}v(njoç àéùXtz »où 06yov àpx^^ 
enthalten je eine Unrichtigkeit ; denn Bogen und Eisen sind nicht 
der Kampf preis (xé^}^tx), sondern nur gewissermassen die Waffen, 
mit denen um den Besitz der Penelope gekämpft werden soll ; 
7foXt6v TS ffii^fcv ist eine sehr unklare Bezeichnung der zwölf Beile' \ 
Ik zal me tot de behandeling van àé6?^iot beperken. Vooreerst dan: 
heeft de dichter van (p hier gezondigd door aan àé^Xtz de verkeerde 
beteekenis van wapenen, instrumenta bellica, toe te 
kennen, terw^l die van kampprijs de eenige geoorloofde is, dan 
valt hem een zekere standvastigheid in het zondigen niet te ontzeg- 
gen. Iets verder, vs. 62, lezen we: tJ 5' äf^ ^[i ot/i0iToXot 0épcv 
*6yKtov,lév^x ffïiy,poz\Ke7Tc ttoXvç xoii x^^*^^> àé^Xtot rc7o FdvetXTOç» 
Hier kan evenwel kampprijzen gemeend zqn. Maar toch zeker niet 
VS. 113 seqq., waar Telemachus zegt: indien ik den boog mijns vaders 
spannen en door de opgestelde b^'len heen het schot richten kan, 

cv né fioi kxyy}*^^V rdls ^ufAttrx ^Srvia (Â^rutp 
Xsiyrot ei/A ÜXXifi Uv<r\ or' iyiH xarSTrêff^e Ai^oi/Mifv 
oUç r' if^fi TTBtrp'bç cté^Xitt Kd)C àvsXéffùxt» 

En nog veel minder u 168/69 : tS^ov fAVVtffT^peffO't èéfiev tpoXiSv re 
0'/^Mpsv, |^/x7v ahofJL^poKnv àéùXm Kct^ 0Svov àpx^v> waarbij het 
vrq onverschillig is of deze regels het model zijn geweest voor 2/3, 
dan wel omgekeerd. En wat zullen we aanvangen met 107 vv. : 
vipx^ ^è T$ (A)f/xoJox«) avTiiv bllv ifv Trsp oi oLXXot \ ^ctt^auv oi 
äpioTOh ué^Xtct Ù XV f* atv é ovT £ ^^ Hier is geen andere be- 
teekenis mogelijk dan die van kampstr\jden. Kortom : in de 
Hias is de gewone beteekenis die van kamppr^'s (i 124; 127; 266; 
269; X 160; '^ 537; 748), in de Odyssee die van kampstrqd of de 
daarvoor benoodigde wapenen. En waarom zou de eene beteekenis 
minder geoorloofd zijn dan de andere? 'a/5A*ä (vermoedelijk in 
Homericis steeds plur. tantum) kan evengoed Trxpdywyov, — geen 
deminutivum, volgens Eustathius pag. 740, 50 en 1315, 10, — zijn 
van ^c6Acç als van ^eôA&v» een formatie derhalve als tts^ïov naast 
Téêovi *ixvtov naast 'ix^oç, àxSvrtov naast Üxuv, ^vipïov naast di^p, 
tfidriov naast sJfiXt ßtßXtov naast ßißXo^. Nog daargelaten, dat van 
xe^Xo^ ^i^Xoç) en eieùXov (ädAov) de beteekenissen ook al spoedig 



i 



( 427 ) 

dooreen zijn geloopen, zoodat men >F 5S1 in twjfel kon verkeeren of 
de dicliter fis7Çov &e^Xov dan wel fiei^ov^ eiéïX'.v bedoeld had. (Vgl. 
Apoll. Soph. i.V. *'Ag5Aö« i. f. en Ludwich Arist, Hom, Textki\ I p. 
491, die, ik weet niet waarom, hier weifelend spreekt). Niet anders 
dachten er de xVlexandrijnsche dichters over. Bjj Callimachus LY, {Hymn, 
in Delum) 187/88 : ßxo'iXijoc àéèXtz ToÂAà nafiSvroç \ itrffSfJievxt, is 
de beteekenis kampprjs. Ëvenzoo fr. 260b Sehn.: et^ovre^ ^ 
oifx 'f'TTov Â^ÔA/ov, où /jièv èxtvov \ ßovHicov- B^ denzelfden, IIL {Hymn, 
in Dion,) 107 seqq.: 

T})V l^ fiiciv ÇéXx0ov)f KfA^^ovroç vTrèp TrorxfJioTo ^vyovffotv, 

"Hpifç inveaiißaiy, àé ^ X t o v 'H p a % kfj i 

V ff T a T V p ei y é v o i t o, Trdyoç Kepv^.io^ e$SKTO 

kan daarentegen de bedoeling geene andere zijjn dan die van s t r ij d. 
Immers, er is sprake van de algemeen bekende 'HputcXéovç âSAoï. 
Zoo er hier nog twijfel mogelijk is, moet deze m. i wel verstommen 
voor de klaarblijkelijke navolging b^ Apollonius Ehodius, I 997, waar 
melding gemaakt wordt van de door Herakles gevelde reuzen (Tftyeveec) 
op de bergen van het latere eiland Cyzicus : Jij ydp nov kxksTvx isx 
rpé0iy xtvx néXtapx \ ''Hptf, Z^yhq t^KOirtc, àé 6 X t o v ^H p x k X^ t. 
Deze monsters had Hera toch wel niet gekweekt tot kampprijs voor 
Herakles. Ik ga dus, wat Callimachus III 108 betreft, niet mede met 
dr. Kuiper 's meening {Stadia Callim. p. 75). Maar, om tot de hoofd- 
zaak terug te keeren, wat is er overgebleven van Niese's smalen op 
//erstaunliche Nachlässigkeit und lucorrectheit'' ? 

*i) (Pag. 387). //Die weise königin hat die arbeit ihres hanses in 
dem gewebe von Odysseus rocke erkannt, sie hat den vertraulichen 
moment abgewartet, um das Verhältnis zwischen Nausikaa und Odys- 
seus, dass sie ahnen muss, aufzuklären. — darauf soll Odysseus nach 
Kirchhof mit den apologen geantwortet haben, vor Alkinoos und 
Arete allein, mitten in der nacht, man möchte sagen das licht in der 
hand um in die fremdenstube zu gehen", (bl. 133). 

®^) (Pag. 389). Mjn geachte ambtgenoot, Prof. Chantepie de la 
Saussaye, wees m^ naar aanleiding dezer uitspraak op de Kalewala. 
Ik herhaal wat reeds b\j de discussie door mij werd gezegd: dat ik 
ongaarne binnen den kring myner beoordeeliDgen trek een werk, ge- 
dicht in een taal die ik niet versta, en waaromtrent ik mij dus ge- 
heel op de verzekeringen van anderen moet verlaten. Toch zij hier 
op enkele uitlatingen over deze zeKde Kalewala gewezen. 1) Mr. 
Monro in Journal of Philology ^ XI p. 59: //It has none of the unity 
of structure which we find in Homer, but ranges over the whole life 
of the hero, from his birth to his disappearance in extreme old age". 
2) E. C. Jebb, Homer p. 134 v.v. : //The texture of the Kalewala is 
said to be of a very loose kind ; it has not unity of plot in at all 



(428) 

the same sense as the Iliad and. the Odyssey have it. The Kalewaln 
could not, of course, be cited as an instance of an epic arising from 
a fortuitous or spontaneous aggregation of songs : the editof* would 
naturally seek to give them such unity as he could. And it further 
fails to prove that mere combining and editing can form an artistic 
whole out of originally distinct songs, even though concerned with 
closely related themes. 3) D, Comparetti : Bet Kalewala (duitsche 
bewerking, 1892) p. 320: //Wir sagen also schliesslich: der Kale- 
wala ist kein Beispiel eines Epos, das sich wirklich aus Volks- 
liedern gebildet hätte. Ist auch Lönnrot's Arbeit viel mehr als ein 
mechanisches zusammenleimen von bereits scharf und streng ausge- 
bildeten Liedern, so kann doch, betreffs der Einheit, der Kale- 
wala mit der Ilias und den andern antiken Gedichten nicht ver- 
glichen werden und trägt, trotz der in ihm fühlbaren poetischen Ein- 
heit, die deutlichen Spuren einer mosaihartigen Arbeit an sich, wie 
keines jener andern'\ 4) Louis Erhardt, Einleitung p. Lxrv: //Frei- 
lich ist das Epos der Finnen insofern weder mjt Homer noch mit 
den Mibelungen zu vergleichen, als dessen Sammlung durch dr. 
Lönnrot erst zu einer Zeit erfolgte, da die Blüte des Volksgesanges 
bei den Finnen längst dahin war, und nur noch grosse, weitver- 
sprengte Trümmer sich erhalten hatten. - - Dabei befand sich, 
wie gesagt, der Sammler in diesem Falle in einer besonders schwie- 
rigen Lage. Die Einheit der Handlung war, als Lönnrot zu sammeln 
begann, bei'eits völlig aus dem Bewusstsein der Leute verschwunden. — 
Die Sammlung des griechischen und deutschen epos vollzog sich also 
unter wesentlich anderen und glücklicheren Bedingungen als die des 
Kalewala. Lönnrot musste hier die Einheit aus An- 
deutungen erst wieder künstlich herstellen, und 
wie unsicher ein solches Verfahren ist, zeigt ein Vergleich seiner 
zweiten Kedaction mit der ersten." 

63) (Pag. 389). Zoo noem ik slechts '0,%^^ rov (jlvi èoKsTv kyvoeiv 
E. Kammer's hoofdwerk, die Einheit der Odyssee, 1873, benevens zijn 
lateren Aesthetischen Kommentar zur Ilias; de zonderlinge verhande- 
ling van Elard Hugo Meyer, üom&r und ö^ïéj/^/as van 1887, populaire 
verkorting van zijn Achilleis in het Le dl, zijner Indogermanische 
Forschungen, wier voornaamste resultaat, verwijdering der narpóicAe/:« 
uit het oorspronkelijk samenstel der Ilias, met zoo mogelijk nog minder 
;re<OÄv^yx>j overgenomen en overdreven wordt door dr. M. Va- 
leton {Mnem, N. S. XXIII (1895) pagg. 390— 454); Hermann Grimm's 
niet minder, doch anders zonderlinge Homer, Ilias, 2 dln., maar — 



GEWONE VEBGADEBINO 

DEß AFDEELING 

IA AL-, LETTER-, GESCHIEDKUNDIGE EN WIJSGEERIGE 

WETENSCHAPPEN. 

GEHOUDEN DEN 8sten JUNI 1896. 



Tegenwoordig de Heeren: kern, Voorzitter, matthes, de 

VRIES, LOMAN, FRUIN, VAN BONEVAL PAURB, NABER, VAN DER 
AVIJCK, DB PINTO, ASSER, PLEYTE, POLS, TIELB, VAN DE SANDE 
IJAKHUYZEN, PIERSON, DE LOUTER, SIJMONS, S. MULLER FZN., 
J'OCKEMA ANDREAE, P. L. MULLER. HAMAKER, VAN LEEUWEN, 
VALETON, SILLEM, KLUYVKR, BLOK, HOLWERDA, VAN DER LITH, 
KARSTEN, ROGGE, DE BKAUFORT, GROENEVELDT, KOSTERS, DE 

SAVORNIN LOHMAN en SPRUYT, Secretaris. 



De beeren Boot en Haga hebben bericbt gezonden dat zij 
verhinderd zijn de vergadering bij te wonen. 



Het Proces- Verbaal der vorige vergadering wordt gelezen 
en goedgekeurd. 



Ingekomen is voor de boekerij : van Dr. M. N. J. Molt- 
zer te Alkmaar: »Het kunstbegrip der Nieuwe-Gids- school. 
Nagelaten rede van Dr. H. E. Moltzer" ; van J. C. H. 
Matile: »Historische, genealogische en heraldische aanteeke- 
ningen over het adellijk geslacht Stapert'*. 

De Secretaris leest een brief voor van den heer A. Barth 
te Parijs, waarin hg de benoeming tot buitenlandsch lid der 
Akademie aanneemt, en deelt mede dat er voor de leden 
eeu circulaire is ingekomen van de permanente Commissie 



(430) 

van het 11 de Orientalisten -Congres, dat van 5 tot 12 Sep- 
tember 1897 te Parigs zal gehouden worden, waarbg zg 
worden uitgenoodigd iu zoo groot mogel^ken getale deel te 
nemen aan de werkzaamheden. 

Daarna leest hg een brief voor van Mevr. de Wed. 
P. H. E. Pierson-Gildemeester, waarin lïennis wordt gege- 
ven van het overlgden van Dr. AUard Pierson en deelt 
mede dat deze brief met een schrgven van rouwbeklag is 
beantwoord. 

Naar aanleiding daarvan zegt de Voorzitter : 
»De tgding van *t overladen van ons medelid AUard 
Pierson kwam, na hetgeen wg van zgne langdurige ziekte 
vernomen hadden, niet onverwacht, maar altoos nog te vroeg 
tot ons. Met smart werd die tgding in wijden kring ver- 
nomen, omdat men algemeen besefte dat ons land het ver- 
lies van een uitnemend man te betreuren had. Met groote 
eenstemmigheid hebben de organen der openbare meening 
de verdiensten van den overledene, zgne veelzgdige begaafd- 
heid en vruchtbare werkzaamheid herdacht. En te recht. 
AUard Pierson was van nature rgk begaafd, en daarbg 
— wat hem tot eene dubbele verdienste moet aangerekend 
worden — onvermoeid werkzaam om door volhardende stu- 
die zijn gaven dienstbaar te maken aan de bevordering van 
't schoone, goede en ware. Hg was veelzijdig begaafd en 
veelzgdig ontwikkeld; heeft uitgeblonken op meer dan één 
gebied, en zgn naam zal herdacht worden als die van een 
dergenen, die de geestesbeschaving van ons volk in de 
tweede helft der negentiende eeuw vertegenwoordigen. Zijne 
geschriften dragen het kenmerk van een edel streven en 
een machtig kunnen; leveren tevens het bewijs dat hg een 
meester was van den vorm. En wanneer ik zeg: »meester 
van den vorm", dan bedoel ik niet enkel dat hij een voor- 
treflfelijk stilist was, maar dat zijne geschriften zich onder- 
scheiden door wat ik zou willen noemen zekere »urbani- 
teit", die voortspruit uit een fijn gevoel, verbonden met 
groote aesthetische ontwikkeling. Wat hg behandelde, be- 
handelde hij met toewijding; waar hg iemand beoordeelde, 
deed hg het vrij van vooroordeel. Ik heb gegronde hoop 



( 431 ) 



dat in denzelfden geest ook door een onzer zal in 't licht 
gesteld worden wie AUard Pierson geweest is, wat hij oß^ 
wild en volbracht heeft. / 



De heer van der Lith draagt een uitvoerig levensbericht 
voor van wijlen den heer P, J. Veth, nadat een zoon en 
een broeder van den overledene door den Secretaris zgn 
binnengeleid. De Voorzitter dankt namens de Vergadering 
den heer van der Lith voor de hulde aan den overledene 
bewezen. Het levensbericht zal opgenomen worden in het 
Jaarboek voor 1896. 



Na een kleine pauze geeft de heer Pockema Andreae zyne 
aangekondigde bijdrage onder den titel: »Opmerkingen over 
de ministerialiteit in Nederland'*. De ontwikkeling van den 
stand der ministerialen levert een treffend bewijs, hoe rijk- 
dom en weerkracht in de middeleeuwen tot aanzien voeren. 
Aanvankelijk waren de ministerialen onvrije huisdienaren en 
ruiters. Geleidelijk wisten zij hun feitelgk reeds betrekkel^k 
gunstigen toestand tot een rechtstoestand te verheflfen. Weldra 
werd deze zoo gunstig, dat zelfs vrijen het niet beneden 
zich rekenden in den dienstmansstand te treden. Dit hielp 
dezen stand verder verheffen en deed ten slotte de ministe- 
rialen boven de vr^en stijgen. Hier te lande werd, zpoals 
Spreker breedvoerig aantoont, die ontwikkeling in de lOe eeuw 
voltooid. De ministeriales zijn tevens milites en deze kunne 
qualiteit, die z^ met de adellijke ridders gemeen hebben, 
treedt meer en meer op den voorgrond. Spoedig heeten z^ 
>domini" en treden zij op bg akten, die hen als mannen 
van aanzien en vertrouwde raadslieden van de landsheeren 
teekenen. 

De Spreker zet verder hunne voorrechten uiteen, die zg 
met de adelig ke leenmannen deelden, de leenbevoegdheid, 
de medewerking bij rechtspraak en wetgeying, het forum 
privilégiai um, de hoogere wjiarde van hun eed, andere voor- 
deelen in het proces enz. 



( 432 ) 

De stand der ministerialen bleef een geboortestand, maar 
had voor wie er toe behoorde blijkbaar groote voordeelen 
en groote aantrekkel^kheid. Zoo hg er zich al niet wille- 
keurig aan kon onttrekken, hij voelde dit zeker niet als 
eene onvrijheid. 

De Voorzitter dankt den spreker voor zgne bgdrage en 
Vraagt of h^ haar kan afstaan voor de Verslagen en Mede^ 
deelingen. Nadat de spreker die vraag toestemmend beant- 
woord heeft, brengt de heer Blok een bericht omtrent de 
ontwikkeling van het burggraafschap te Coevorden ter 
sprake, waarnit h^ meent te mogen afleiden dat de hoogere 
positie reeds in het midden der I2de eeuw door de mi- 
nisterialen werd ingenomen. Nadat de Spreker deze opmer- 
king beantwoord heeft, wordt de discussie gesloten. 



I 



De Voorzitter herinnert aan het feest, dat de vroegere 
secretaris, prof. J. C. G. Boot, op 9 Juni 1896 denkt te 
vieren, op welken dag het zestig jaren geleden zal zijn 
dat h:g tot doctor bevorderd werd. Wordt besloten dat het 
Bestuur den jubilaris een brief van gelukwensch zal zenden. 



Na de rondvraag, waarbig de heer Naber het laatste deel 
aanbiedt z^ner uitgave van Flavius Josephus, wordt de 
vergadering gesloten. 



INHOUD 



VAN 



DEEL XU. — STUK 3. 



bladz . 

Gewone vergadering, gehouden 10 FeWuari 1896 263. 

y 

Bericht over den wedstr^d in latyosche poëzie 268. 

Programma eertaminis poetici 273 . 

Gewone vergadering, gehouden 9 Maart 1896 275 . 

J. C'. G. Boot. De opgravingen in het meer van Nemi 278. 

Gewone vergadering, gehouden 13 April 1S96. '. . 286. 

W. Pleipte. Iets over de oude brug te Zuilichem 290. 

Gewone vergadering, gehouden 11 Mei 1896 298. 

J. VAN Lebuwen Je. Over de strekking en samenstelling der kik- 
vorseben van Aristophanes 302 . 

Mr S. J. FocKEVA Andre;^,. Opmerkingen over de ministerialiteit 

in Nederland 322. 

H. J. Polak. De jongste gedaanteverwisseling der Homerische kwestie. 343. 

Gewone vergadering, gehouden 8 Juni 1896 429. 



1 



KLK5C.— 



I 



rff . 






^.^Xj Bijekanikkiüjj ; de Hoever Kr. 

r;J-a)J)-- 



I * 
1 i 



ï. Hakeis. X^