(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Woordenboek der frequentatieven in het Nederlandsch"

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automatcd querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogX'S "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any speciflc use of 
any speciflc book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite seveie. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http : //books . google . com/| 



Google 



Dii is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheek pi anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automadsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niei-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commercicle doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over hci 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informade wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



ii^i — ƒ— 1« 



I 



3 Ju, toiiy 3 2_ 



1. 



tvoordbistboee: 



DKR 



FrequentatieYeii in het ITederlandsch 



WOORDENBOEK 



DER 



FEEQÏÏEITATIEYEN 



IN HET 



NEDEHLANBSCH, 



DOOR 



^. de J A Q E R. 



TWBSSB DBEL. 



GOUDA, 

G. B. VAN GOOR ZONEN. 

18 78. 



AANWnZING 

yan yerkorte aanhalingen en gebruikte nitgayen. 

(VERVOLG.) 

Bee. — Sportman'» Slang; a New Dictionary of terms used in the affairs of the turf, the ring, the 

chase, and the cock-pit; with those of bon-ton, and the varieties of life etc. by Jon Bee, Esq. 

London, 1825. (KI. 8yo.) 
Home Tooke. — Epea Pteroenta or the Diversions of Purley, by John Home Tooke; in two yolumes. 

London, 1820. (8vo.) 
Kosegarten. — Wörterbuch der Niederdeutschen Sprache alterer und neuerer Zeit, verfaszt von J. G. L. 

Kosegarten. Greifswald. Die erste Liefemng erschienen im Jahre 1856. (4to.) 
Schiller und Lubben. — Mittelniederdeutsches Wörterbuch von Dr. K. Schiller und A. LAbben. Bremen. 

Da8 erste Heft erschienen im Jahre 1872. (8vo.) 



•\ 



' S^ \ 



\ ' 









TWEEDE AFDEELING. 



WERKWOORDEN 



OP 







WERKWOORDEN 



OP 







Angsteren— Anggten. 

Het frequent, angsteren leest men in Meijers 
Leven van Jezus, 142 : mar die daghe selen comen^ 
dat di dine viende selen beligghefi ende omme- 
ringhen ende anx teren in allen staden — In de 
verwante dialecten komt het wr. nog voor. In het 
göttingsch bij'Schambach is dngstem beangst ma^ 
ken; bq Kosegarten. I. 440, engstem^ sik af eng- 
stem, zich door angst ganschelijk afmatten of uit- 
putten. Het primit. angsten is van angen; zie op 
Angstigeru 

Ankeren'— Anken. 

Voor zooverre ankeren beteekent het anker uit- 
werpen, ten anker komen of liggen, hetzij dan eig. 
of fig^ is het niet als een frequent, aan te mer- 
ken. Dus b. V. Van Wijn, in de Werken der leid- 
sche Maetscb. V. 28: Toen... zeilde Guy met zijn 
vloot ncuir Holland, en ankerde zich in de rivier. 
Van 's Gra venweert. De Ilias, II. 27 : 

Terwijl een kielental, uit Lemnos aangekomen^ 

Alleen met wijn hevrachty zich ankert bij de 

zoomen. 
F, de Haes, Verh. en Vern. Portugal, Voorr. 1 : 
Schoon ons besluit... nu reeds geankerd was, dob- 
berden onze gedachten echter nog op den vloed der 
onzekerheiL Bilderdijk, Spieghels Hartsp. 36 : 

Natvur... 

Isj wat ze ooit dobber\ aan die waarheid vast- 

geank^rd. 

In den zin van hechten, vastmaken, kan het als 
finequent genomen worden; want Kil. heeft een 
prim. anken in denzelfden zin, alsmede Ten Kate, 
II. 104. Daar intusschen de fig. bet. van vten an- 
ker komen of liggen," en die van «hechten, vast- 



maken, zich vestigen," ineen vloeijen, is het moeije- 
lijk hier de scheidlijn te trekken. Udemans, Ned. 
Trag. Gom. 5i : 

Soo dat mijn ziel en lijf aan Hop* geanckert is. 
Gamphuysen, Psalm 2, vs. 7: 

Maer salich die^ die, sonder oyt te wijcken^ 

Sijn gantsche Heyl aen hem geanckert heeft. 
Den Nederd. Helicon, 111: 

O alderquaetste quaet, die H ingewant deur 

kanckert, 

Hoe komt ghy dus gehecht^ hoe zijt ghy dus 

geanckert 

By H menschélijck geslacht^ om toonen uwen aert f 
Schipper, Toraas Morus, 72: 

Mevrou, *k bedroog my zelf^ ik kan de waerheyt 

niet 

Verzwijgen, waer aen zich mijn ziel geankert ziet. 
J. de Haes, Ged. 543: dat ik niet lang draelde 
met mijn besluit te ankeren. Aid. 5^: Ook kan 
het niet ongerijmt zijn dit besluit dan te ankeren. 
Poot, Ged. I. Voorr. 4: Na het ankeren van dit 
besluit heb ik dan de moeite en kosten op my (/e- 
nomen. Feitama, Telemachus, 515: 

Zyyi aart blijft lang verzwakt, het hart noch 

lang geankerd 

Aan kwade hebblykheén — 
Moons, Sed. Verm. Tonn. 459: ist dat ghy op de 
verdiensten... u hope anckert. Orizandt, Democri- 
tus, 149: Anckert slechts u hart en gemoedt niet 
aen de ydelheden. Dautzenberg, Ged. 112: 

— de tyd, waer H eigen tlik leven zich ankert. 

Hier kan men eenvoudig denken aan vast maken; 

doch niets belet ook 's Dichters uitdrukking als 

eene aan 't scheepsanker ontleende beeldspraak op 

1* 



ANKEREN. 



8 



te vatten. In de Levens van Plut. fol. 167 leest 
men van Pyrrhus: hij vont middel om in de aae- 
eken van Macedonien te anckeren. — De overzet- 
ting van Wassenbergh en Bosscha heeft hiervoor: 
9 voet krijgen." Dezelfde onzijdige bet. leest men 
in de Versch. Ged. (door D Groebe), II. 33: 

7 En zy ghy oock daer door mooght anckren in 

hoer gunst. 
Asselijn, Op- en Ond. van Mas-Anjello, Opdr. bl. 
4: om de (gemoederen) veel vaster noch te doen 
ankkeren in het herte van deze hooghloffelijcke 
Regeringe. — Zie wijdei-s de pU. uit Hooft in het 
Wdb. des Inst. Het middelhd. heeft bij Benecke 
ankem en enkem. 

In den denominatieven zin van het ww. missen 
onze woordenboeken de afl. ankering; Nierstrasz, 
Frans Naerebout, 63: 

— 't onveilig Britsche strand 
Had de ankring niet gedoogd; — 

Ankeren*— Anken. 

Kil. heeft de uitdr. «anckeren nae eenich dinck," 
die hij verklaart door shaecken." In het Alg. VI. 
Idiot. heeft ankeren dez. bet. Men vindt dit w. 
ook bij Reinwald : ankem (nach etioas) »sehnlich 
verlangen"; bij Schmeller: Ddamacfa trachten, sich 
darnach sehnen"; bij Schultze: »&ngstlich oder 
gierig blieken, streben (nach etwas)." Het prim. 
hiervan is anjien^ bij Danneil «Verlangen, Appetit, 
Sehnsucht nach et was haben," en mede bij hem, 
zoowel als in het Brem. Nieders. Wtb. en bij 
Schambach, kreunen, kermen, zuchten. Bij Dan- 
neil luidt dat w. ook janken, 't welk wij mede 
kennen voor een kermend of klagend geluid, doch 
dat tevens een haken of verlangen te kennen geeft 
Uit deze bet. Iaat zich dus die van ankeren ge- 
reedelijk afleiden. Grimm brengt in zijn V^tb. dit 
anken onzes inziens verkeerdelijk tot enge en an^ 
gere. Zie Jangelen. 

Argeren— Ai^en 

Volgens Graff, I. 4di, is de oudste bet. van ar^, 
oudhd. aroc, are, die van gierig, en zou, aangezien 
de gierigheid de wortel van alle kwaad is, daar- 
van die van kwaad, boos, slecht, bedorven, zijn 
afgekomen, en ook Grimm neemt in zijn Wtb. die 
verklaring over. Dit zoo zijnde, zou dan daardoor 
de afleiding van ons kang duidelijk worden. Om- 
gekeerd houdt Schmeller slecht voor de vroegei^ 
en gierig voor de latere boteekeni.s. Hoe dit zij, 
het is opmerkelijk, dat het middelhd. hel werkw. 
argen, erargen, zoowel als zijn fi*equenl. argetm^ 
ergem, verergem, uitsluitend bezigt voer bedel- 
ven, schaden, hinderen, in zedelijken of geestelij- 



ken zin; terwijl ons middelned. argen en argeren 
vooral gebruikt werden voor bederven of bescha- 
digen van ligchamelqke of stofl'elijke voorwerpen. 
Dus Lancelot, B. II. vs. 85804: 

— ?ier Walewein die dede gereden 
Sine wapine ende deden, 

Ende verscuren ende verclaren, 

Ende versachse daer si gearget toaren. 
B. ni. VS. 4920: 

-^ dat hemde en es anders niet 

Gearget dan gijt oor u siet. 
Aid. VS. 9137: 

— si voren danen doe dure 

Ene glasine venstre, die te dire ure 
Nine argede none brac. 
Maerl. Rymb. vs. '24963: 

Die alabastre was marhrijn, 
Daer gheen ungement in arghen mach. 
Bijbel van 1477, Exodus 22, vs.10: sterftet (beest) 
of wortet ghearget of ghevanghen van den vian- 
den. De Statenoverz. heeft hier: wort verzeert. 
Zoo mede het frequent. Lancelot, B. III. vs. 49U9 : 
Geen linen dat es soe dinne, 
Al tmddict gedaen ane nu hter, 
Ende gingicker mede in dit vier. 
Het en soude niet argeren dan 
Aid. VS. 30üO voor schade doen in 't algemeen (van 
goede hoedanigheden, door God aan den uiensch 
verleend) : 

Hine gaf se di niet bedi 
Dat si souden argeren in di, 
Ne mare dat si wassen wmden. 
Doch wederom met een bepaald voorwerp, Maerl. 
Sp. Hist. II. 148: 

Die quam met ongetelden here 
Ende dorreet alsonder were 
Traden ende aergei*et al 
Beede up berch ende int dal. 
Dez. Rymb. vs. 34037: 

Want hiere vant ghenoech... 
Die was ghearghert niet i. hoer. 
Willems Mengel. 352: dat wy binnen den vors, 
achtjaren de vors. nuwe penninge van goude oft 
van zilvere niet argheren en selen, noch lichten 
van snede, noch int alloy noch int gewichte. Bij- 
bel 1477, Exod. 22, VS. 5: Ist dat yemant arghert 
etten acker of enen wijngaert. Aid. Daniel 3, vs. 25 : 
ie sie vier ongebonden mannen wanderen in mid- 
den den vyere, ende in hemluden en is niet ghe- 
ai^hert. Pass. Som. fol. IH verso : om dat die stanck 
die lucht niet argheren en soude. 

Met het vooi*z. ver is verargen hinderen, bena- 
deelen, schaden; Cooniherts Wercken, I. fol. 21: 



9 



ARCEREN. 



10 



des Schoonpraata doen, die zijn wel ghesproken 
Jn^ met een queUijck gedaan Neen verargde. Fol. 
48j: daar door ky in sijne krankheyt blijft^ toe- 
neemt ende verai^het. Fol. 211: Ja ick verargde 
aoo dat., tnijn zonden vermeerden. Fol. 540: so 
spaart dan de wijse beatieringh der gheenen die 
de ieghenspoel verarghen soude. Leven van Mare. 
Aureliu8, 108: den Prince mei zijnen goeden roet 
niet ie dienen^ ende de ghemeynte door zijn eer- 
giericheyt te verarghen. 
Evenzoo het freq. Antw. Spelen van Sinne, 391 : 
Dus tghene dat door Tvleesch is verarghert fel 
Dat moetmen met goeden Roet verbeteren snel. 
Cassianus, Der Oud. Vad. Gollacie, fol. 104: soeen 
verargert u niet aen des nydigen broeders exempeL 
Goomherts Wercken, I. fol. 72: d'opblasende we- 
tenschap^ die veelen verarghert Fol. 4ö5 verso: 
DcU en verbetert het volck niet, maer verarghert 
het. Rabtis, Verraaielijkh. der Taalkunde, 263: 
dat {de monniMien) de gedenkwaardigste zaken 
met hunne snoode treken hébben verargert, en de 
werreld schuim voor goud verkoft. Leven van 
Marcus Aurelius, 36 verso: overmits datter niet 
ghoets ghedaen en wort door eenich deuchtsamich 
mensch, dat terstont van yemandt boosachtich niet 
en wert verandert: soo was dit werck soo verar- 
gert onder den quaden, als wel ghepresen by den 
goeden. D. i. benadeeld, ten kwade uitgelegd. — 
Bi] Hooft is het meer nabij de tegenwoordige bet. 
van slechter worden; Ned. Hist. fol. 879: zich 
ziende beleeghert vande rondom verooverde plaat- 
sen, de dinghen daeghelyx verargheren. Bij denz. 
is aanargeren grooter worden, toenemen (in on- 
gunstigen zin) ald. fol. 71: Het achterdenken en 
onbenoeghen, aanai^herende desgelyx onder den 
aadet. — Bi*edero heeft verargeren voor zich er- 
geren aan iets; zie Oudemans Wdb., Van Hasselt 
op Kil , en voorts het Wdb. des Inst. i. v. Argheren, 
Opmerking verdient nog arg voor kwaad bij Wag. 
Vad. Hist, IV. 210: Zy toogen derwaards, zonder 
iet args te vermoeden. — Het w. komt trouwens 
bij Kil. voor met dezelfde beteekenissen, maar ook 
met die van listig, loos; en wordt dus aangetroffen 
in de Lev. van Plut. fol. 243 verso: Ariamnes, een 
arch ende doortrapt man. Fol. 253 verso: een 
groot ende arch middel om de Barbarisken in hun 
schuldige plicht te houden. — Waarvan argheid 
voor slimheid; ald. fol. 195 verso: de loosheydt 
ende archeydt van de verzieringhe En fol. 244 
terso: het is een archeydt van verzinninge van 
henluyden — Argduiden is ten kwade duiden ; 
Goomhert, Wercken, U. fol. 72: Ick wil so wey- 
nigh u arghduyden, sonder redens, ghelooven, enz. 



— Hiervan de afl. ald. fol. 74: dat ghy ontaer- 
dende van u oude soete aerdt, verandert in een 
arghduyder. — Het subst. argenis voor beschadi- 
ging; Lancelot, B. lU. vs. 8209: 

Tirst dat hi tswaerd hadde gesien 
Hi priset herde sere daer nare, 
Ende seide dat niet te broken ware 
Dat 8U)aerd bi eneger argenesse. 
En argering voor ergernis, kwelling, in Roden- 
burghs Jacoba, 37: 
(Sy) kluyst haer sdven op in een vergeten CeL 
Waer sy geen arghVing sol bespeuren, g^lijck 

wy vinden. 
Zie wijders Ergeren. 



Baarteren— Baarton 

In Sen^ures Vad. Museum, I. 47, leest men: 
Ie wisselde ende baerterde 
mijn pasteide ende verterde 
om die ander, die soe wale roec. 
Met het oog op het fransche bareter en het mid- 
delhd partieren, bij Benecke voor bedriegen voor- 
komende, zou men hier kunnen denken aan een 
basterduitgang en baerteerde lezen. Doch daar 
van dit middelned. ww. de afl. baar tering voor- 
komt, N. Werken der L. M. VI. 91 : Elk vremde 
man die baerteringhe doet van coopmanscepen, ende 
ghevet eene coopmanscepe omme die andere, so ess 
elke coopmanscepe van der welker baerteringhe enz. 
— zoo kan ook gedacht' worden aan een fi*equent. 
vorm baartet*en, die mede voorkomt in het eng. to 
bartef\ d. i. ruilen, waarvan de subst. bar ter, bar- 
tery en bartering^ voor ruiling, verwisseling. Naar 
de meening der etymologen is het ww. van het 
romaansche barate, middelhd. parai^ middelned. 
baraet, ruil, wisseling, bedrog. Het ww. zou dan 
eig. luiden barateren, en de primitiefvorm baraf^n, 
aanwezig in het fransche baratei\ bareter, bedrie- 
gen, valsch spelen. Het uederl. baraet, zoo even 
vermeld, komt dikwerf voor in den zin van bedrog; 
dus reeds bij Serrure, a. w. I. 386 

Die minnen sonder loes baraet 
ende sonder dorperliker doet, 
Belg. Mus. VL 203: 

Up dat hi bug?ien can ende nighen, 
Soe es cd sijn doen baraet. 
Dietsche Warande, I. 359 : 

(Hi) ontboet hem over waer. 
Dat si quamen, sonder baraet, 
Hi woude betren sine mesdaet. 
Zie overigens Glignett, Bijdr. 349. 



11 



BAGEREN. 



18 



Bageren'— Bagen. 

Van der Schueren heeft bageren voor ostentare, 
blijkbaar van het mede bij hem voorkomende ha- 
gen, dat hij uitlegt door «beroemen, vermeten/' 
waarvan hij ook heeft verbagen voor zwetsen, 
en verbaging voor roem, beroem ing, pogcherij. 
Met dit ba^en komt overeen to bagge, dat volgens 
Halliwell bij Ghaucer denzelfden zin heeft. Kil. 
omschrijft het door hem vlaamsch genoemde ww. 
verbagen niet zeer juist door » verbazen." 

Dat hagen hetzelfde is met ons bogen, angels. 
hogan, roemen, pogchen, lijdt geen twijfel. Voor 
het subst. hoog, bij Hooft roem (zie het Wdb. des 
Inst.) had men vroeger baa^i ; zie Huydec. Proeve, 
II. 97. 

Bageren*— Bagen. 

In Van Hasselts Geld. Maandw. I. 205, leest men 
in een stuk van 't jaar 1588: Onse luden syn mit 
8cht*ick ende vrees alteveel bevangen, dartegen ick 
na vermogen arbeide, um grote onheilen ende con- 
fusie te behinderen. — So die groote ongefiistheid 
ende bageren vande luiden gehn ongeluck veroir- 
saeckt, mein ick, dat den viandt gehn plaetsen van 
ons winnen . sal, — Dit frequent, komt overeen 
met bageren, in het VI. Idiot. verklaard door»on- 
rustig zijn." Eigenlijk zal het w. aanduiden sin 
beweging zijn" ; en dan meen ik het terug te vin- 
den in hetzelfde ww. dat Halbertsma in zijn Over- 
ijselsch Wdb. verklaart door »drukte op het lijf 
hebben zonder veel uit te voeren." Het primit. 
hagen, waarvan bager, voor een woesten bewe- 
gingmaker, in Van Dans Thyrsis Minnewit, II. 92 : 
Ick hen geen Morsse-bel, of slodderighe Jagher, 
Of soo der oock wel zijn, een wilde woesten 

Bagher; 
Aeew, keurigh op mijn goed. — 

luidt in het eng. to hag, dat Halliwell vertolkt door 

»to move, to shake, to jog." 

Ons WW. bageren is in 't hoogd. bdgern, bij Von 
Schmid «onrustig op- en neêrklauteren, van kinde- 
ren gezegd" en voorts plagen; bij Grimm, Wtb. 
kwellen; bij Lexer ungehagert, ongekweld. Grimm 
geeft geen afleidingen, doch wijst alleen op het 
oudhd. pdkan, twisten, en op Stalders bdggen, 
hakken. Meer rechtstreeks dan uit deze, vloeit 
echter de beteekenis van kwellen voort uit die 
van bewegen, schudden, stoeten. 

In Brederoos Griane, 53, leest men : 

O zwacke Vrouwen aeril wech dolle terrech- 

lustenl 

Ghy Baggert aen mijn hert, en sulter geensins 

rusten. 
Dus de druk van 1644 ; die van 1622 heeft juister 



ibagghert" zonder hoofdletter. In mijne Proeve 
o. d. Werkw., waar ik de plaats aanhaalde, hield 
ik baggert voor een werkwoord. De hr. Oude- 
mans in zijn Wdb., die achter het w. een comma 
stelt, ziet in het w. een zelfst. naamw. en leidt 
dit af van bagge, juweel. Ik houd die opvatting 
vooi ongegrond en onjuist. Baggeren is hier het- 
zelfde als bageren; de. Dichter zegt, dat de ter- 
gende lusten aan zijn hart tokkelen, d. i. door 
herhaalde beweging of aanstooting het trachten te 
overmeesteren. Op gelijke wijze trouwens wordt 
het w. gebezigd door Valerius, Ned. Gedenckkl. 49 : 

Wat baggert aen myn herty wat doet my so ont- 
stellen? 
Ons gewone ww. baggeren, van 't welk mij nog 
geene goede afleiding bekend is, houd ik voorts 
voor hetzelfde woord. Het zegt eig. door her- 
haalde beweging of schudding (van den ijzeren 
beugel, aan welken het net is bevestigd) den mod- 
der loswoelen. Zooieest men b. v. in Van Swaa- 
nenburg, Arleq. Distel. 257: al wat het schrohnei 
niet kan baggeren,, word onder den zegen begra- 
ven. In Friesland zegt men ook baggelen; zie 
dit w. 

Het WW. opbaggeren leest men in eig. zin bij 
Willink, Amst. Ark. I. 139 : de darry.. wordt .. 
met baggemetten... van den grondt opgebaggerd. 
Udemans, Verk. Werelt, 201 : 

Ja baggert nu eens op dien modder van utv' 

hert. 
Van Walré, Ged. aan Ward Bingley, 24: 

Met opgebaggerd moer van Thespis.. bestreken, 
Weil. heeft dit w. ook fig. en zoo leest men bij 
Rabus, Vermakel. der Taalkunde, 31 : verdichtselen y 
uit den drek van 't afgodisch Heidendom opf^htig- 
gert. — Nog met meer overdracht in De Honigbije, 
II. 43: 

Die in drie lopen meê haar hoop gebonst ter neér^ 

Of opgebaggert zien door 't minderen der be- 

stryders. 
Bij Hooft is aanbaggeren fig. voor aanwinnen, zie 
het Wdb. des Inst. Dez. spreekwijs leest men bij 
J. de Haes, Jonas, Voorwerk, 5: Evenwel wist hy 
zyne rymen aen den man te helpen en.,, groot goet 
daer door aen te baggeren. 

Men heeft ook uitbaggeren; Willink, a. w. 1. 140 : 
grote plassen... die zo ailengskens om de turf mi-- 
gebaggerd zyn. 

Baggeren, zie Bageren*. 
Bakeren— Baken. 

Baken is het oudhoogd. ba^an, bahan, hoogd. 
bdhen, d. i. van warmte laten doortrekken, stoven, 
koesteren. 



43 



BAKEREN. 



14 



Vandaar is bij Schmeller reeds uit Glossen van 
678, paehelon^ refocilare, recreare; bij denz. 6a- 
chdnj bij Lexer pdcheln, warm houden, zorgvul- 
dig behandelen; bij Keinv/Maichbaüieln^bechelny 
zich te goed doen; hoogd. bij Anton (I. 7 en XVI. 
11) en anderen hachem, neder! . hoJeeren^ door 
warmte koesteren, stoven, en in het vlaamsch 
dialect ook bcUieleny zie dit w. Het hamb. en holst, 
dialect heeft ons h<ikeren overgenomen, ook met 
de gewijzigde bet. van (vleesch of spek) rooken. 
De Fragment-Woordenl. der leidsche Maatsch. 
vraagt wat het w. beteekene in eene oude keur, 
waar men leest: dat baeckeren ia vercuert op een 
boete van vyf ponden. Bij gemis aan gelegenheid 
om die keur in te zien, kan ik het antwoord niet 
geven. Eigenlijk is het w. bij Valentijn, VS^erken 
van Ovid. II. 372: S(/ bakerde 9iem in gesengde 
lappen* — Dus ook onzijdig; Bilderdijk, Nieuwe 
Uitspr. 169: 

— hy dat achoone voeder 

Lei Partdot zich in de zon loat neder 
En bakerde daar op den uoarmen vloer. 
Doch dichterlijk bij De Uaes, Nag Ged. 432 : 
Van daer zich de Ysselnimf^ by hMren zonnen^ 

achyny 
Met bakeren verliut — 
Vondel, Palam. 58: 

— hy koestert onze ploegen 
En baeckert on^ bederf — 

En Blieck, Mengelp. II. 60: 

Gaet, huichelende taelverzakeren^., 
Gaet daer uw alavenvuigheid bakeren. 
Geel, Onderzoek en Phantasie, 84: dat z\j zich 
bakerden in den gloed hunner eigen grootheid, — 
En in onzijdigen zin leest men het ww. bij P. 
Moens, De Lente, 38 : 

Het vnndjen sluimert op hei vrolijk baakrend kruid. 

Voor het gewone subst. bakerj dat Scheltema, 
Mengelw. VI. ii. 85, door letterwisseling van waker 
afleidde, heeft Siz van Ghandelier, Poêsy, 250, 
baakstery en werkelijk zegt men dus, naar ik meen, 
in sommige streken onzes lands. Bilderdijk, Verkl. 
Ges]. I. 39, noemt het w. izeer plaatselijk, en geen 
algemeen Neérduitsch noch Hollandsch." 

De afl. opbakeren leest men bij Van Be ver wij ck. 
Schat der Gres. 482: Het kint eUdtu gewasschen,, 
aal aachtjena in de luyren geslagen ends opgeba- 
kert werden. En lager ald. : Als het kint nu op- 
gebakert i«, enz. 

Het spel verhakeren is eene oude spreekwijs voor 
eig. door te veel stoven, doch fig. in 't algemeen 
eene zaak bederven; zie Sartorius, Adag. 605, en 
de twee pil. aangeh. in Oudemans Wdb. op Bredere. 



In een »Wiechliet" voorkomende in Minneplicht 
en Kuysheyts-Ramp, blad N, leest men: 

Gebakeloerd nu is myn lieve popje kleen; 

Myn melk-aoppertje soet,8uycht dyn memmeijes 

speen, 
D. i in luren of luijers gebakerd; beter heeft dus 
Spieghel, Herstp. B. VL vs. 504: 

— door dien daize worden hier ghemestereertj 

Gebakerloert in kunsty by trappen op voUeerty 

En zo doctoor gemaakt — 
Vlaming teekent daarop aan: >Baccalaureus ge- 
maakt" enz. De hr.. Alberdingk Thijm merkt in 
zijne Gred. uit de Verschill. Tijdp. I 328, te recht 
op, dat die bet. hier gelden kan, doch dat het w. 
moedwillig gebezigd is voor igebakerluurd, als in 
de bakerluieren gelegd." Van zulke woordspelin- 
gen hielden onze voorvaderen veel. 

Balderen— BalleD. 

Sommige onzer vroegere en latere dichters bezi- 
gen balderen voor het meer gewone &u/(2eren, in- 
zonderheid van den storm of het geschut; Vondel 
Poèzy, n. 13: 

Toen, uit den Noortschen Oceaan 
Dat oorloghsonweèr op quam dondren^ 
En baldren over dutn, en strant. 
Poot, Ged. n. 67: 

Hoe balderden die donderslagen! 
Antonides, Ged. 309: 
Dan baldert zyn papier van buskruit^ hrant en 

moort. 
Willinks Amst. Tempe, 53 : 

My dunkt gints barsten buskruittonnen,.. 

Dit balderen kan niemant schaaden. 

Van Uarens Werken, IV. 69: 

De Vryheid koomt! de Zeeuwsche Steden 

Doen baldren H ISchutj en Vryheids naam! 

Hoogvliet, Mengeld. I. 65 (van een gebouw): 

Totdat het nederploft met balderen en kraken, 

Bilderdijk, Poêzy, 11.140: 

— ten prooi van *t baldrend Noord. 

Fingal. I. 48: 

Het balderend geluid bereikt des vijands ooren. 

En Nieuwe Mengel. I. 72: V baldrend woén van 

unnd en golven. Schimmel, Verspr. Ged. 67 : 

^plofte er 'tbalderand geweer. 

En 72: 

H Gekapte lood^ helaas! het laatste^ 

Vloog baldrend d'ijzren koker uit. 

De Thouars, De Gitad. van Andw. II. 44, zingt 

van den storm: 

G^', die.. 

Den staatsstorm .. 

Met weenende oogen baldren Aoor/. 



15 



BALDEREN. 



16 



Ook in proza treft men het woord aan, b. v. Wa- 
genaar, \ad. Hist. VI. 428: begint het Spaattsch 
geschut te balderen. Verv op Wagenaar, XVII 
197: het gebalder des Geschuts 

8trick van en tot Linschoten heeft de volg. sa- 
menst Ged. 115: 

Daar werpt de holle-boüe zee 
De lijken hevig op en neêr^ 
En spoelt en braakt aan klip en reê 
Hen uit, bij 't buldrend-baldrend weer. 
Minder gepast schijnt de uitdr. bij Da Ck>8ta, 
Kompl. Dicht w. lU. 96: het baldrend handgeklap. 
Hooft beeft afbalderen voor het afschieten of 
losbranden (van het geschut), Ned. Hist. fol. 303: 
de waüiterSj van zich ziende^ beeterden 'tbegcuin 
verzuim^ met dcuitlyk afbaldren en toestreeven, — 
Elders is ómbcUderen even flg. voor ornver schie- 
ten ; Klioos Kraam, 301 : 

— de stale Wetten 
Gy zo reghtschapen hebt verdedight, doen een 

drom 
Cyklopen grouwelijk hun daghi te bald'ren om, 
En heel V ontschakelen, — 
Volgens Lulofs, Reist naar Hamburg, I. 3^4, is 
verbalderd bedremmeld, verbluft; hetzelfde dus 
wat verbulderd beteekent, waarvan zie op Bulde- 
rend Balderen schijnt gevolgd naar het hoogd. 
ballem, in Grimms W^tb. tumultuari, en wel voor 
wat wij het bulderen der stem noemen; en bij 
Schambach het klappen der zweep, het uitkloppen 
van stoffen of bedden enz. Het eng. bij Halliwell 
heeft to balder, mede van de menschelijke stem 
gezegd, en het subst. balder vooreen luid gerucht, 
als dat van den donder. 

Als wortel van het primit. ballen kan men aan- 
wijzen het subst. 6aU, in Grimms Wtb. het geblaf 
van een hond, waarvan ook bellen^ blaffen, eng. to 
bellowj zweedsch baUa^ brullen, loeijen enz. 

Banderen— Banden. 

Van banden hebben wij bandelen en bandigen, 
zie deze wn. Het hoogd. heeft nog een ander 
frequent, in bebdndem^ d. i. met banden of linten 
voorzien. Bilderdijk nam dit over, Verspr. Ged. 1. 90: 

De boer Alexandert By mestpraam en kar; 

De burger^ gebanderd, Loopt om voor een' nar. 
In den delfschen bijbel lees ik banderik voor wat 
wij bandelier zouden noemen, 2 Kon. 3, vs. 21: 
aüe die ghene, die boven gegort waren mit bande- 
rieken De Statenoverz. heeft: alle de ghene, die 
den gordel aengordeden, ende daerboven. 

Batteren— Batten. 

Volgens De Navorscher, 1854^ n*. VII. bl. 193» 



en Bonman, De Volkstaal in Noordh., is batteren 
in het noordhol landsch taaieigen »zwetsen, schel- 
den, kijven, dwaselijk verwijten, tegenspreken; 
ontijdig, ongeroepen zich verdedigen, in het rond 
schermen." Naar deze vrij onbepaalde opgave van 
beteekenissen te oordeelen kan het w. hetzelfde 
zijn met batteren, in het VI. Idiot. door »luidruch- 
tig slaan" verklaard, en alsdan afkomen van &a/tei?, 
slaan, strijden, vechten, angels, beaton, eng. tobeal, 
fransch battre enz., waarvan bij Kamdl, II. 87, een 
frequent, battelen, vechten, strijden; alsmede bij 
Fulda, 210, een ander frequent, bat^em, voor stoo- 
ten, aanstooten, in welken zin Dahnert batsen. 
Kil. botteti, en onze tegen w. taal botsen heeft. Bij 
Schmeller, Von Schmid en Stalder is battem her- 
haald klappen met de vogelwieken als anderszins, 
en bij Schultze trippelend gaan. 

Ook in het noordhoU. ww. ligt de bet. van strijd 
ten gi'ondslag, doch een strijd met woorden. De 
gesteldheid van zulk een strijdlustige wordt bij Kil. 
door het adj. en adverb. batsch aangewezen, 't welk 
hij door loos vertolkt, doch dat, zooals Weil. te 
recht opmerkt, eerder beteekent stout, trotsch; 
beter wellicht norsch; dus Van Rusting, Werken, 
I. 551: 

— hy keek wel duivels bats 
-4^ of hy vechten wou : — 
Vondel, Helden Godes, 38: 

De batse Seron, die dacht dat ick van 't gerucht 

Verveerd was, quamen wy vemesflen op de vlucht. 
Six van Ghand. Poësy, 162: 

Men late een batschen dein (*), in Ambasscuid' 

schap gaan. 

Wat werd er, voor den staat, voordeelighs, af' 
gedaan? 

(*) Dein 18 hier een ongeschikt, onhandig mensch. An- 
dere l8 het eerder een onnooiele. Iemand daar niet veel bU 
18; Cal8 Wercken. I. fol. tOi: 

Gy moest ja zyn een deyn, een ongetouten bloet, 
Indien gy, houte-klaes! to soeten broek vermuyldet. 
De Brune, Bancketw. II. S03: 

Een vette /rop, een magher breyn: 
Een volle kas, een rechten deyn. 
Antw. Spelen van Slnoe, 706: 

Sulck Handtwerckers naem is nu Feerl oft FHeyn, 
My deerl dat hem oyt deyn, stUk onnut toelpen, hiet 
Wiens edel Handtwerck men elex commer stelpen siet. 
Het w. komt echter mede In and. bet. voor; dus voor den 
verepieder van eens anders liefde. Hor. Belg. XI. 237 : 

Sy is ffif n lief cerieyn 
In spift commer oft deyn. 
Waar voorafging: 

Ic derve die liefste mf'a 
al door die clappaartsfen||n. 
Belg. Mus. X. 51 noemt een vrouw haren alles doorbren- 
genden man: 

Dezen quaden valsehen deyn. 



17 



BATTEREN. 



18 



Gamphuysen, Ps, 75, vs. 13: 

Steeckt^ o! sieeckt den grooUcheii kop 
Niet êoo bats ten Hemel op* 
Dex. Ps. 101, VS. 7: 

Een herty fontein van trots* en batse zeden. 
En Ps. 131, ▼&. 4: 

Noyt heb ick my onheusch gehadt (-|-) 
Off bats getoont in eenigh ding, 
Hen ziet, de bet. van loos of listig, door Kil. aan 



Zoo ook UoawaerU Lusth. der Maechden, II. 1 11 : 
Het ff A torn ghilden, het zün som deynea. 
Waarroor men bL 1S8 leest: 

Eer ghüde oft qulsigoeykeo. — 
Daareotegeoy naar 't sctiQDt, voor gierigaard, SIx van Gband. 
Poesy, ISi: 

— vtT/er Ploor, het heerschap tonder hemt. 
Een rfike dein, een hongrige scharminkel. 
Eo het la In deze bet. dat bet w. by Kil. vermeld staat HU 
brengt bet tot deyn, deynken, das of dambert, lat. dama, fr. 
daim, oodfr. dain (masc), daine (fem ). Dit dier Is bekend 
wegens zQn saelbeld, zoodat bet fr. de zegswQzen beeft: vite 
conme «» daim, ü saute comme un daim ; gelQk men ook bQ 
ons leeet. De Harduyn, Goddel. Wenscben, OM: hy souule 
witten toesen gheljfck een deyntjen, dat de netten is otUsprin- 
f tolde. En 5tl: 

Dus settet dan wy aeneen loopen 
Ghêlükerwüs een deyntlon licht 
JDai metter voert is uyt 't ghesicht. 
Dol Goddel. Lofsangben, S7: 

Keert weder dan tot my, met alzoo lichten spronck 
Of ghy een deyntlen waert, of eenigh geyttien jonck 
Het dier ia tevens bekend als vreesacbtlg van aard, en bet 
al in dezen zin genomen zQn bU Houwaert, a. w. I. 9S, na 
eerst «bet Lam" tegenover «den Wolf' gesteld te bebben: 
De Tygren die *t al plachten te vermoorden oocA, 
Zuilen de Deyntkens aocA bevryen, eer enz. 
Vanbier dan de toeiMSSlng op een bloodaard, een bals. een 
onbandlg of ongeecblkt menscb, en voorts als scbeldnaam in 
't algemeen. 

RQ Scbmeller is d^efneeneeovoadlge, die zicb door ieder 
laat toppen ; docb dahU, deenl, ddnl» (beQerscbe vormen voor 
damteim, deetUein, dUnlein), is bl) bem een ongescblkte, onban- 
dJge jonge vrouw of meisje, meer Qdel dan bruikbaar. Zulk 
een meisje heet bU Stalder dOmli, mede een diminutlefrorm. 
Hoewel Scbmeller deze benaming elders dan bf) bet dier 
loekt, en Stalder aan een verklelnw. van bet fr. dame denkt, 
acht Ik het zeker, dat zQ ook tn de boogd. dialecten ontleend 
u van het damhert, boogd dOmlein, düntein^en by Scbmeller 
lelven ddnl, dienl, denl, donl. Onze U Inlopen dacht by dein 
aan Terwantachap met deun, boog zuinig ; zie Verbandd. van 
da L. Maatach. II. i. «3. 

Van dein vindt men deinigheid, voor leelQke handel, Antw. 
Spelen van Stnne, 610. 

— deur sulcken deynicbeyt, 
Ick swifch vileynicheyt aen Ai^iifiefi broeder. 
{*) SSkh hebben beteekent zicb houden of gedragen ; dus de 
Bytel van 1171, 1 Sam. 18, vs. 30: vanden beghinsel dat li 
^itpÊomem, eoe had hem danid uHseliker, dan al sauls mannen. 
^OTivao zaken) zich toedragen, gesteld zyn; dus ald t Sam. 
V, VS. tl : Die dinc en beeft baer alsoe niet. De Statenoven. 
beeft hier: De sake en is niet o/io. — Zie voorts myne Handl. 
lat den Statenh. 1. v. 



dit woord toegekend, en van hem door anderen, 
b. v. Van Lennep in zijne uitg. van Vondel, II. 97, 
overgenomen, komt weinig of niet te pas. Meijers 
Woordenschat, die andera Kil. vrij getrouw volgt, 
heeft dan ook op bate in de eei*8te plaats: »kop- 
pig, stijfzinnig" en dan ook vlistig." Van dit bats 
of batsch heeft men in beteekenissen, die met het 
noordholl. batteren geheel overeenstemmen, hel 
neders. pazzig, patzig^ bij Kehrein en Reinwald 
batzig, trotsch, stout; sich batzig machen^ zich dik 
maken, met stoute redenen opvliegen, met on- 
stuimigheid zijn recht voorstaan ; ook in *t fransch 
is in den gemeenzamen stijl batteur een twistziek 
mensch, iemand die over zijne minderen den baas 
speelt, en hattens is bij Roquefort twist, geschil. 
Eindelijk noem ik nog het ww. botsen^ afbatsen^ 
dat Schütze vermeldt voor »iemand met weinig 
woorden op snauwende wijze afschepen.** 

Sedert de zeventiende eeuw vindt men het ww. 
soebatten of soubatten gebezigd, dat nog in de 
volkstaal bekend is voor sterk of aanhoudend smee- 
ken; Westerbaen, Ged. III. 685: 

Ghy zond hoest zien wat tael en zeyl sy souden 

voeren 
Die nu soubatten en een roefje binden in. 
Van Rusting, Ovid. Klaagd. 164: 

Wat duvel Messcdijn^ hoe soud gy *f konnen 

IcUen^ 

Dewijl ik soebat, als een hottentotschen aap f 
Bij denz. met den basterd uitgang; geh. Duvel, 187: 
Mits dat sijn haat zy onversoenl^jk, 
Alschoon syn vyant soubatteert. 
VanEfTens Spectator heeft 111.81 (door een druk- 
fout?) soulatten: dat hy na lang loopen en sou- 
latten tH>or een goede som gelds is vry geraakt. — 
Indien dit w. niet van maleischen oorsprong is, 
zooals Tuinman, Voorreden van het Verv. der Fak- 
kel, bl. 45, meende en wat de vorm des woords 
aannemelijk schijnt te maken ; maar, zooals Bil- 
derdijk vemuftiglijk hevteei de^soubattre^aous-^ttre. 
onderslaan, gelijk supplier^ dat sous-pUer zijn zou, 
d. i. onderbuigen (zie mijn Taalk. Mag. I. 33), dan 
zou het WW. behooren tot het l)o ven vermei de haf- 
fen, slaan. 

Bedderen— Bedden. 

Het WW. bedden is een bed maken of te bed 
leggen, zie Kil. en Weil. Het eng. zegt to bed^ bij 
Halliwell to bedden.^ angels, bedian. \ 

Als frequent, heeft volgens De Do het vlaamsch 
verbedderen voor (eenen zieke) verbedden. Het 
zwitsersch bij Stalder heeft mede een frequent, 
t w. bettelen, verbedden, verschikken, doch ook 
»naar het bed rieken.** 



19 



BEENDEREN. 



20 



Beenderen— Beenen. 

Het WW. heenert zegt in de volkstaal loopen ; 
b. V. hij kan goed beenen^ bij kan dat wel aan- 
beenen. Vandaar beenderen^ in het zuid-bevelandsch 
gauw loopen, volgens De Navorscher, X. 252. 
Kebrein heeft 6etnem, banem^ en Weinhold bei- 
nern, bênern, in dezelfde bet. Bij Stalder luidt 
het frequent, beineln^ beindeln^ met korten en haas- 
tigen tred gaan, doch ook met de voeten zacht 
stoeten, vooral van minnenden gezegd, die elkaAr 
daardoor eenig teeken geven. Bij De Bo is been- 
deren niet alleen loopen, maar ook onder het 
schaatsenrijden iemand doen vallen, zooals het fr. 
jamber ons beentje lichten is. 

In den zin van »van beenen ontdoen" hebben wij 
de WW. ontbeenen en ontbeenderen, het eerste bij 
Krook, Staatkunde, Vredespel, 13: 

Wie teld my op 't getal^ van die op zee of 

H land 

In Scheeps of Veldalagy zyn doorstooken of door- 

schooten, 
Ontbeent, onthand^ ontarmt: — 

en bij Weil.; het andere bij Kil. Gebeenderd is 

met beenen of beenderen vooi^ien; Berkhey, Nat 

Uist. van UoU. IV. i. 153: dat de been kas der oogen 

sterkbeenig en knokkig uitsteekt. Dit is byzonder 

den zwaar gebeenderden eigen, 

Beijeren'— Betjen. 

Bild. Greslachtl. I. 57 acht de bet. van beijeren 
te zijn Yzwaaijen," van een vroeger werkwoord 
ibeijen of baien" Dit vermoeden wordt eenigs- 
zins gesteund door de Idiotikensamml. van Fulda, 
die beien^ kloppen, heeft en daarvan beiem, de 
klok met den klepel aanslaan. Volgens Adelung 
zou het WW. kunnen komen óf van 6aren, slaan, 
óf van baren^ angels, berian^ nederl. beren, baren^ 
geweld maken, schreeuwen. Grimms Wtb. geeft 
geen afleiding. Kaltschmidt houdt het w. vooreen 
oorspronkelijke geluidnabootsing, waarvan de pri- 
mitiefvorm niet is aan te w^zen. 

Begeren is niet hetz. als luiden, Weil. noemt 
het »op de klokken spelen." Schütze, die zijne be- 
schrijving door eene afbeelding opheldert, zegt, dat 
bij het luiden de klok wordt in beweging gebracht, 
doch bij het beijeren de klepel^ en wel door mid- 
del van een koord, dat aan dezen is bevestigd. 
Muller en Weitz zeggen, dat bij het begeren het 
aanslaan geschiedt door hamertjes, en zoo is het 
ook bij ons. Dus bij Van Hasselt, Geld. Maandw. 
n. 83 (waar we tevens den man leeren kennen, 
die beiert) : den Costers ind Byerman, die geluyd 
ind gebeyert hebben, drie vridage lancky om die 
victorie. Visser en Amersfoordt, Archief^ I. 110: 



Snekers beyerden ende hlueden hoer doeken hem 
teghen. De Vrije Fries, VIL 94: Dat aüe dmider- 
dagen een halff vuyr voer die vroemisse ende loff 
gebeyert ende behoerlick geluyt worde. Werken 
van Rabelais, II. 298: ik en kost niet slapen door 
't^uurig bengelen en htLH^feren der kloeken, Cos- 
ter, Duytsche Academi, 8: 

Ey siet haer daer iens staen^ trots den stienen 

Boeiant 

Die 'm driemael ommekeerty als hy de kloek hoort 

beyeren. 
Apollo's Nieuwe-jaersgift, Oly-podrigo, 23: 
Eygcn klokken, duurkoop beyeren. 
Gierige Greeraard, Blyspel, 70: 

Het beyert daar van twaalef uuren. 
De Decker, Rymoefif. U. 245, zingt van »ons leven** 
dat het: 

— van 'tuurklok staeg geslagen 
En gebeiert word in 't graf, 
Dautzenberg, Verspr. en Nagel. Ged. 250: 
Men beiert luid ter feeste 
De burger^ te gaar, 
In fig. zin zegt Hooft, Brieven, III. 143: dit voor- 
spel., dat gebaeyert wort van de overmaetighe 
minne, — Niet fraai acht ik de samentrekking, 
Van den Bergh, Heden en Verleden, 114: 

En 'tbeiren van de klok vermeldt^ enz. 
Kil. spelt het ww. beijaardeny en zoo komt het 
mede in meer dan éénen afwijkenden vorm voor; 
Den Boom der Schriftueren (door Schotel), 29: 
Si conren mi ie ghemoete met den kercken staten, 
Singhende^ lesende^ en si moeten beyaerden. 
Janssen en Van Dale, Bijdr. tot- de Oudheidk. en 
Gesch. van Zeeuwsch- Vlaand. E. 41 : v^f vamen 
coorden verbesicht op den torre om te beyaerdene. 
Werken van Rabelais, I. 158: ontrustense de gan- 
sche gebuirte door 't baatj arden en bengelen van 
haare klokken. De Brune, Bancketw. I. 260: het 
bajaerden van de kloeken. D. IL 169 : die, op den 
toren, de kloeken doet bayaerden. 

Van den last, dien het beijeren iemand in 't hoofd 

kan veroorzaken, is de spieekw. iemand om of aan 

H hoofd begeren, voor lastig vallen ; Starters Jan 

Soetekau, 13: 

— hoe meughje me dus aen 't hooft legghen 

beyeren. 
Bredere, KI. 40: 
Laet dees onnutte sorgh u toch niet meer om 

't hooft beyeren. 
Men zou dit echter ook kunnen verstaan als slin- 
geren, bungelen, van de beweging des klepels ont- 
leend; zoo althans heeft men op te vatten aan- 
be\jeren^ bij denz. LuceUe, 16: 



24 



BEIJEREN. 



22 



Die altoos arme sloof... komt met dal krijtent 

goet an ba y eren. 
In Starters Fr. Lusthof leest men, 59: 

— doen schoot my inde sin, 
Hoe dat Cupido kroop het Henne-nestjen in, 
Ontrent een Jaer verleen, wat was daer al ge- 

beyers. 
Hier denk ik aan beweging, gewoel. Het lange 
compositum in de Werken van Rabelais, II. 22: 
Indien ik... uw zoo schoone... Vrouw eens gehille- 
billebombambeyert had enz. is vrij verstaanbaar; 
wat ik echter niet zal beweren van den term: 
sacsacbezevezinemassé, dien het * oorspronkelijke 
heeft 

Begeren*— Beijen. 

Van Mander zingt in zijn Belhlehem oft Brood- 
huys, 24: 

— dat wy tsaem yet singhen of vertéllen, 
Fraey overhandt, misschien werdt onsen loon 
Een altijdts groen ghebeyerd' yesten croon, 
ik versta hier een kroon van heijen, d. i. bessen, 
Toorzien. Zoo leest men, zonder den frequenta- 
tiefvorm in Den Nederd. Helicon, 191: 

Siet^ Bacchus sterck komt ooc geladen 
Met dick ghebeyde trossen gaen. 
Het meerv. van het subst. hei is niet alleen heiden, 
maar ook heijers of beijeren, zooals Bilderdijk op- 
merkt, Verkl. Gesl. I. 56. Zoo leest men in Hon- 
dias' Moufeschans, 68: 

Beyers die haer pluckers steken^ 
Ronde en lange met haer cruys, 
Aid. 139: 

— beyers... 

Die leegh lanckst der 'aerde cruypen. 
Het subst. hei, hes of hees, luidt in 't hoogd. heere, 
bij Schmeller her, waarvan hij een primit. werkw. 
heren heeft, benevens een frequent, hereln, van 
bessen ontdoen. Het nederl. hees is thans verou- 
derd ; men leest het bij Focquenbroch, Werken, I. 
325: 
De bruine hees kan zelf een graxfe maag ver- 
zaden. 
Vondel, Maeghden, 47 : 

Koomt, schept het sap der zuivre bezen. 
Zie voortK Bilderdijk, Verkl. Geslachtl. i. 63. 

Bey eren'— Beiden. 

Laurman heeft in het groningsch dialect het ww. 
beijeren voor vertoeven, af te leiden van het ne- 
derL ww. beiden, dat gelijke bet. heeft, hoogd. 
heiten, oudhd. biten, angels, hidan, abidan, eng. 
to bide en to abide, bij Halliwell to bie. De gen. 
Schrijver leidt van beiden of be^jen ook af het 
znw. be^ertj >een vertrek waar vele menschen te 



zamen wonen, en te Amsterdam oudtijds eene 
plaats, waar een arm reiziger een* nacht kosteloos 
konde blijven en gevoed worden.'* Volgens Was- 
senbergh is heijer of heijert te Leeuwarden >het 
grootst vertrek in het St. Antoni Gasthuis, door 
vele menschen bewoond." In het akensch dialect 
is beiert de algemeene ziekenzaal in een hospitaal. 
En bij Weil. heijert de algemeene zaal der bijeen- 
komst in eene herberg, eig. dus het verblijf voor 
het gemengde publiek. Mij dunkt, Halliwells byar 
voor koehuis is hetzelfde woord, en evenzoo ons 
haaijerd of bajerd voor verwarde mengeling van 
voorwerpen, naar de hedendaagsche uitspraak beter 
beijerd of heijert^ zooals men dan ook het w. leest, 
Ypeij en Dermout, Gesch. der Ned. Herv. Kerk, 
I. 38: In het holste van dien nacht was de kerk 
een heijert van dwaling, van bijgeloof enz. Schutte, 
Stichtel. Gez. I. 144: 

MengelMompen, unsselingen, 
Erger dan de heijert uxu. 
Hier bepaaldelijk voor den chaos; Dez. Nagel. 
Ged. 37: 

Toen de eerste Bejert woest en ledig hig bedot" 

ven enz. 
Aid. 39: 

Dees zon die op dien bejert flaauwer scheen. 
En 42: 

Dat als een bejert is, en jammerlijk veruxtrd. 
Als deze spelling niet herhaaldelijk voorkwam, zou 
ik aan eene drukfout denken. De uitspraak be-jert 
is bezwaarlijk aan te nemen; eerder eene verkeerde 
afbeelding van heijert door den onbekenden Be- 
zorger der uitgave. Bij Vondel vindt men zoowel 
hajert als baiert, zie Hoogstratens Geslachtlijst. 
Met meer nadruk op den uitgang heeft Oudaan 
beyaaird, Uytbr. over Job, 162: 

Dat schoon gespan zoo heerélijk geschapen, 
. .viel hekies ten beyaard onder een. 
Bilderdijk heeft nog eenen anderen vorm, achter 
den Bodrigo van Vrouwe Bild. I. 176: 

— aües rende in 't wilde als redenloos en woest. 

Of heel de Wareld wéér ten Baiaart keeren 

moest. 
Evenmin goed te keuren als baiert dat bij hem 
voorkomt, Gedaantvei*w. van Ovid. 2, en Geslachtl. 
I. 37. Beter is naar zijn systeem baatert, dat men 
dan ook meermalen vindt, als Ziekte der Gel. 83 
en Geslachtl. I. 127. 

Dat het w. beiert voor chaos en voor verzamel- 
of verblijfplaats, zooals Weil. vermoedde, één en 
hetzelfde is, zal wel waar zijn, en daarmede is dan 
ook de afl. van bajert of haaijerd, dat Weil. niet 
verklaarde, en de hoogl. David van onzekeren oor- 



23 



BEIJEREN. 



24 



sprong achtte (zie zijne ui tg. van de Ziekte der 
Gel. 328) aan het Jicht gebracht. Ook Bilderdijk 
leidde hajert onder anderen af van beiden, verblijf 
hebben of geven, toeven (Geslachtl i. v.), en dus 
van hetz. w. als Laurman zijn beijeri. 

Berderen— Berden. 

Berderen is bij Kil. met planken beschieten, in 
het vlaarasch volgens De Bo nog berdelen en ber- 
reien. Het w. is van het nu verouderde, maar 
vroeger zeer bekende berd, d. i. plank, middelned. 
bert, middelhoogd. met verplaatsing der r, bret, 
hoogd. breit, eng. bij Hall i wel I brede, nederl. bord, 
neders boord, goth. baurd, eng. board, bij Halliwell 
borde, angels. bo}*d. Bij ons liep de spelling oud- 
tijds nog al uit elkaflr; de Statenbijbel heeft bert 
(meervoud berderen), Plantijn berdt en bredt, 
Maerlant berdt en bard, Spieg. Hist. I. 374: 

Een quaet^ valsch, onwardich ruede. 

Die in een berdt {var. bard) 8ach gescreven 

Onser Vrouwen, acone, verheven, 

Ende ghenaghelt an eene want. . 

Doe wart hi al in frenesien 

Van tome, ende liep met genen harde 

Ten noesten huse enz. 
Zie voorts van dit w. mijne Handl. tot de Staten- 
Overz. en Ypeij, Vervolg der Taalk. Aanm. bei- 
den o. h. w. 

Betwetoren— Betweten. 

Iemand die eene zaak waant goed of beter dan 
een ander te weten, hoet h\} Be Brune een betweet ; 
Jok en Ernst, Voorrede (aan het einde) : onze Bet- 
weten willen hier niet aan. En bl. iO: een zcuxk, 
waar in hy alzoo onkundig was, als zy, en even-- 
wel de betweet spelen willende, enz. — Hooft 
noemde den zoodanige een betweter, zie het Wdb. 
des Inst. en wij hebben dit laatste behouden. Doch 
gansch nieuw acht ik het ww. betweteren, dat Van 
Duyse bezigt in zijn luimig heldendicht De Spel- 
lingsoorlog, 74: 

Maer, Meester, kan het zyn^ wat men op \i bet- 

welert ? 
D. i. wat men beter wil weten dan gij. 

Beuteren— Beuten. 

In Het Leydsch Vlaemsch Orangien Lely-Hof 
leest men 43: 
Prinder den Keyser quam tot Villac soo 6c- 

teutert. 
Al sprackmen hem veel goets, hy vreesde val- 

schen toae^, 
Hy heeft gesticht, gesteent, gemimmert, of ge- 

kneutert, 
Hy sagh den bot vergalt, den duytschen bry ge- 

beutert 



Hier voegt vrij wel de bet. van buttem, butteln, 
bij Schmeller schudden, wegwerpen; ook deeg 
kneden en tusschen de handen verknijpen. Wat 
hier van het deeg gezegd wordt, past niet kwalijk 
op *s Rederijkers vduytschen brij," fig. voor het 
duitsche leger genomen, dat anno 1552 op de vlucht 
gejaagd werd. Hetzelfde w. schijnt bützlen, ver- 
biitzlen, bij Kaindl, II. 254 en Anlon, St. V. und 
XIV. in kleine stukken snijden en versnijden, van 
butt, nederl. bot, klein, kort en dik; waarvan het 
primit. ww. voorkomt in 't hoogd. verbutten, ver- 
butzen, klein blijven, niet tot behoorlijken wasdom 
komen. 



Het primit. bibben of biben, in het tegenw. 
hoogd. beben geworden, is de vorm dien men zoo- 
wel in het oud- als in het middelhd. aantreft, en 
die nog in het beijersch en friesch voortleeft. Dus 
in den Frieschen Volksalm. 4847, bl. 118: 
Ljeawe minscen! 't hert dat bibbe 
tw' Yn it liif; — 
En lager: 

*/f Sei 't rees, de uetrop... 
Makke dat it hert my bibbe. 
Het angels, zeide bifian, beofian, en het oud hoogd. 
mede piben, pipen; het göttingsch bij Schambach 
zegt bewe»i, nederl. beven ; het luxemburgsch btti^en. 

Ons frequent bibberen is in *teng. Lij Halliwell 
to bibber; bij Stalder bebbem ; bij Kehrein bébhern^ 
bebern en phippem; bij Tobler bibera en bippera ; 
Grolman heeft bibem voor het vriezen, dus voor 
de oorzaak van het bibberan. Andere frequenta- 
tiefvormen vindt men nog, regelmatig van ons 
beven, in bevem bij Outzen, to bever bij Halliwell, 
bewem bij Schambach; vooits het beijersche 6t&e- 
nen, reeds bij Benecke en zelfs bij GrafT, III. 21, 
voorkomende; eindelijk bibbelen in het akensch 
dialect, ook bij ons wel voorkomende; zie Bibbelen^. 

Blieck bezigt bibberen figuurlijk vaii de boombla- 
deren, Mengelp. II. 21: 

— terwyl 'tgebladert bibbert 
En ritselt, als doorweef d van zielen — 
En Cremer in bedrijvenden zin, voor bibberende 
zeggen, Anna Rooze, II. 68: i^Niks" bibbert Han- 
neke. 

Biberen— Biben. 

Plantijn en Kiliaan beiden hebben biberen voor 
herhaald drinken. Men leest het in 't Vermaaklyk 
Lottooneel van Holland, II. 146: 

Maai bibert aUe daag, haar Dogter maar by 

poosen; 

De Nigt is als een Aapy die drinkt haar beuie na. 



S5 



BIBEREN. 



36 



Visser en Amersfoordt, Archief, II. 258: als sy 
aUiu8 wel yheten ende qhedrwicken htuiden, ende 
waren wel ghebybeit. D i. bodronken, of, als iwij 
nu seggen, beschonken. 

Met den hoogl. Siegenbeek (zie Bijdr tot het 
Schoolw. 1833, bl. 570), zou men dit ww. als 
verhol landscht kunnen achten van hei lat. bibere; 
doch er bestaan vormen, die als het primitief kun- 
nen aangemerkt worden, ofschoon zij wellicht van 
later dagteekening zijn, dan het lat. ww. zelf. Bij 
Loritza is bippe^ pipp^ een buis of pijp om wijn 
uit het vat te laten; in het eng. is to bib her- 
haald met kleine teugen drinken, bij Halliwell ook 
to &e6, en bij Von Schmid pichen sterk drinken 
In het oudfr. is bibeton een drinkvat, en in 't bei- 
jerech bibal drinkgeld. 

Nevens het frequent, to bibbet^ heeft Halliwell 
ook to bibhle in dez. bet., welke beide vormen het 
weenensch bij Loritza vereenigt in biberln^ weinig, 
doch aanhoudend drinken. 

Het fransche biberon is bekend zoowel voor drin- 
ker (eng. bibber en bebber)^ als voor drinkpijp; 
doch ook boirej oudfr. botvre, bèvre^ is van btbere, 
en breuvagej drank, is door verplaatsing der r van 
beuvragey buvrage, 

Büsteren— Bijzon. 

Kil. was het spoor bijster toen hij in het w. 
bijster een samenst. bijstier zag (althans volgens 
de uitgave door Van Hasselt en die van 1623; die 
van 1642 erkent zulke samenstelling niet) ; ook 
Tuinman, Fakkel, I 54, meende dat ^bijster kan 
zijn bijstier^ voor misstier^ \ spoor bezijden," en 
Bilderdijk maakte het niet beter, toen hij in zijne 
Aantt. op Hoofls Ged. III. 58, het w. uitlegde door 
bijster, nevenster in plaats van de noordster. 

Even weinig meen ik dat Kil. geslaagd is in het 
aanwijzen van de ware bet. des woords. Het is 
bij hem > verschrikkelijk, wild, schadelijk; uitge- 
put, arm; uitgebreid, verbazend groot." Plantijn 
vertolkt het w. door »van goederen ontbloot, ver- 
ward; uitgebreid; enorm." De vraemdsoortigheid 
dezer bijeengestelde verklaringen doet zien, dat de 
ijverige lexicographen het w. niet juist begrepen, 
hetgeen wel daaraan zal zijn toe te schrijven, dat 
het eigenlijk niet te onzent, maar in de verwante 
dialecten thuis hoort. Beter worden we daarom 
te recht geholpen door den Teuthonista, die bister 
verklaart door idwalende, errende, wildende, wild- 
loopende"; en het ww. bijsteren^ dat het nederl. 
niet dan met het voorzetsel ver kent, door »dwalen, 
erren, bazen, dolen, verwilden, wildloopen." Die 
beteekenissen, welker onderling verband in het 
oog valt, worden door de verwante dialecten be- 



vestigd. Bij Outzen is bister, btester, büsterj wild, 
dwalende; ook dol, verward, verstoord, verkeerd. 
Bij Von Richthofen biusterlik verward, dwalende, 
slecht. In het Brem. Nied. Wtb. bister, büstery 
woest, wild; büstem dwalen, in het wild loopen; 
hüsterge verwarring, verbüstem verdwalen, van 
den rechten weg raken. Bij Dahnert verbiistem 
verdwalen. Bij Richey verbystern verdwalen; 6y^- 
ter »lahn, niet wel bij H hoofd zijn. Bij Schüt/e 
biesler gaan, verbiestern, verdwalen; verbiesteti 
verward. Bij Strodtraann is bysterwiese lopen in 't 
wild loopen. Bij Schmidt biester woest, wild, vreese- 
lij':; biXsiern, biestern, dolen, wild omloopen; sich 
verbiestern verdwalen ; verboisterty verbUistert, wild, 
verward; verbieslert verschrikt; verhöistem wild, 
schuw en verward maken, zeer verschrikken. Bij 
Huppel verbistern dwalen, zich vergissen. Bij 
Störenbui'g biesleree verwarring; biestern rondom 
loopen, ronddwalen; verbiestern verdwalen, ver- 
warren, van zijn stel raken. Bij Danneil bistrig 
waar men licht verdwalen kan; tier6ur<ren verdwa- 
len. Bij Schambach verbistern, vot^istern, ver- 
warren. 

Het eenstemmig getuigenis van al deze tongval- 
len wordt nog bevestigd door het engelsch ; bois- 
terous is in die taal bekend voor onstuimig, onbe- 
suisd, wild; doch dit adj luidt bij Halliwell ook 
boistous, boustous en btMtous; boister is in dat 
lexicon een woeste, wilde knaap, en boistness 
boerschheid, ruwheid. 

Sommigen zochten den oorsprong dezer woorden 
in buste, dat hetzelfde is als wuste; zie het Brem. 
Nied. Wtb. en Schmidt. Anderen, met meer grond, 
in het ww. bisen, nederl. bijzen oïbitzen. Reeds 
het oudhoogd. had bisjan, bison, springen uit geil- 
heid of dartelheid, zie Graff, III. 216; en het mid- 
del hd. bij Benecke bisen, snorren, rennen, vooral 
van runderen, die door het steken van vliegen ge- 
kweld worden ; volgens Ménage in Neder-Norman- 
dije beser^ en in het friesch bij Outzen bése, base, 
bösse; nog in Heng. to buzz, snorren, hommeien. 
Dus wordt in de duitsche dialecten bissen inzon- 
derheid gezegd van het rondloopen van tochtige 
koeijen door de weide; zie Dahnert, het Brem. 
Nied. Wtb., Richey, Schmeller, Danneil, Schmidt 
die biese, en Lexer die pis^n spelt. Voorts ook voor 
loopen, rondloopen in H algemeen ; zooals bij Schütze 
bissen, hissbissen, van loopachtige, niets uitvoerende 
vrouwen gezegd; bij Schambach 6i^6n, zonder doel 
rondloopen, en bij Schöpf buio, in toorn wegloopen. 

Kil. heeft voor dit ww. bijzen, biezen; doch onze 
schrijvers s(>elden ook bizzen en bissen, zie mijn 
Taalk. Mag. III. 409 en 470, waar voorbeelden zijn 



27 



BUSTEREN. 



38 



aangevoerd yan bet gebniik des woords met op- 
zicht tot hQt vee, bij virelke nog kan gevoegd wor- 
den de zegswijze: hy heft die bisse in den eers^ 
die voorkomt in de Gem. Duytsche Spreckw. 
(1550), 34, gelijk Tobler ook hiaa heeft voor jeukte 
en biasig voor jeukerig; Westerbaen, Ged II. 83, 
bezigt het w. van een zwerm vliegen enz.: 
— Menippus,,. {die) kon sten 
Het bissen en H gewoel... 
Hem dacht, dat hy een swarm van vliegen, mug- 
gen^ byen 
Sagh onder een gemenght — 
Van bissen of biezen in dezen zin is bies-toorm 
voor paardenvlieg, biesbouty brommende of gonzende 
ke^er, waarvan bij Kil. het ww. bie^nmten, gon- 
zend rondloopen, dat men leest bij De Brune, Jok 
en Ernst, 91 : ?iet strijken, scharrebeenen^ en bies- 
bouten geeft hen haast meer werx, dan het bestier 
enz. — Dit biethoiUen zal hetzelfde zijn als Mea&au- 
wen, dat in Noordholland voor biezen gebruiklijk 
is, volgens De Navorscher, 1854, bl. 193. Vooral 
echter, als ik t. a. p. opmerkte, komt het woord 
bij onze schrijvers voor onder den vorm bijzen 
voor rondloopen, wegloopen, loopen in 't algemeen; 
Van Hildegaersb. Ged. 170: 

Doch en statet niet te prisen 
Veel te lopen ende te bisen 
In gtdsicheden over pas. 
Vaderl. Mus. U. 167: 

Hebdy gheen geit, men laet u bysen. 
Antw. Spelen van Sinne, 385: 

Ghy sult my groote vrientscap bewysen 
Wildy my openen en thoonen, naer 
Wiens dienste ick oUderbest mach hijsen. 
Aid. 395: 
Dat ghy lichtelijck sult moghen kiesen 
En weten van elcker soorten de egghen 
Daer u den Aert toe sol wülen doen biesen. 
Valentijn, Werken van Ovid. 1. 92: Daer bies ik 
harssenloos met denhairbos over nek en schouder, 
even of ik door de tooveres Erichto aan 't hollen 
was geraakt Anna B^ns, Refer. II. 5: 
Maria, siet ons in 'swereUs foreesten hijsen. 
Dwalende schapen, die de wolfin 'twHdejaeght. 
Moerman, De Gleyn Werelt, 63: 

Aüe quade gheesten siettnen op aertrijck bysen. 
Van Ghistele, Heroid. Ep. 101 : 
Myn liefde altyt tot uuHierts veerdich is. 
Die my doet branden, en na u loopen en hijsen. 
De Harduyn, Goddel. Wenschen, 596: 

Dus dan, mijn lief, packt 'u van hier 
Hoest u terstondt, gaet henen hijsen. 
DieUche Warande, X. 120: 



— Ey, plompe boeren. 
Onwetende loeren, wilt u vry gaen bysen. 
Hoe komt men hier aan de verklaring ^opwinden" ? 
't Zal wel heenloopen beteekenen. Kausler, Denkm. 
IIL 203: 

— lichtelike dat si hijsen. 
Die hem van zonden niet af grijsen, 
Ende vaUen in des duvels strec. 
D. i. dolen. Men leest bij Houwaert, Lusth. der 
Maechden, I. Inl. 31 : 

— wout ghy eens peysen oft dvncken 
Dat den hooveerdighen Pauw naer d' opb^sen 
Van sijnen schoenen steert, sijnen moet laet 

sincken. 
Hier versta ik opblazen (dichterlijk genoeg gezegd 
voor opzetten of opsteken) ; want, zooals ik t. a. p. 
mede aanwees, biezen is ook blazen; b. v. Schimp- 
en Hekeld. (Hoorn, 1718), 181: 

Waar voor het biezen zweeg van de alderhooste 

slang. 
Bilderdijk bezigde het w. in dezen zin meermalen, 
zie mijne Proeve over hem, 163. Dus ook Van 
Halmael, Mathilda en Struensee, 61: Hare adders 
biezen reeds. Beets, Stichtel. Uren, II. 88 : gefluit... 
hetwelk niet ophoudt en niet ophouden zal rondom 
hem te biezen (*) 

Als wortel van biezen kan aangemerkt worden 
bisa, bij GrafT t. a. p. noordenwind, bij Benecke 
bise, noorden- en oostenwind; bij Stalder bys,bise, 
byse, in dez. bet. en ook — ^pienals bij Johnson 
hoisterous — voor den hoogsten graad der zomer- 
hitte en voor dikke lente- en herfstnevel, waarvan 
ald. het ww. bisen, bysen, sterk waaijen uit het 
noorden ; doch ook nevelen. Bij Lexer is hise mede 
noordenwind, zomerhitte en dikke nevel. Bij 
Kehrein is biest, büst, een regenbui met sterken 
wind. Bekend is het fransche bise, koude en 



(*) Van dit biezen ondencbelde meo Mes, Inessen^ het im- 
perf. van bassen, dat bQ onze Oadeo voorkomt. Laacelot, B. 
III. V8. li6T7 (van witte hondjes) : 

— si blessen vromeliHe 
Ende lipen mede dapperlike. 
BelR. Mtt8. I. 9S3: 

Twilt, dai mi 
Te vaen behaoet 
Daer ie om liep 
Bles ende riep^ 
Ende hebbe gejaget. 
't Is mQ niet dutdeiyk, wat met hel subst bisen bedoeld wordt, 
Lancelot, B. II. ys. 17iei: 

Hi helt stille alse lyeberde plegen 
Alse die bisen heblben verstegen 
Ende si niet meer vinden moegen 
Daer si toreetheit an moegen toegen. 
BQ Leier, Mittelhochd. Wtb. Is bize een wild xwyn. 



29 



BIJSTEREN. 



30 



drooge noordenwind, al ware 't alleen door de kre- 
kel, die: 

Se trouwi fort dépourvue 
Quand Ia bise fut venue. 
Ook bij ons is volgens Kil. en Ten Kate, I. 183, 
bijze noordenwind en hevige stormbui; dus Van 
Zevecote, Ged. 15: 

Den koelen scuihten vnnt^ 

Die uit het West begint, 

Beademt al de kruyen, 

Onslaet (sic) het groene velt 

Van Boreas gewelt, 

Van bysen en van buyen. 
En Six van Chand. Poêsy, 471 : 

Z(M} werd een vaste hoorn gemaait 
Wanneer een dolle byse waait. 
Nog tegenwoordig is hijs in het maastrichtsch 
dialect in zwang voor scherpe noordenwind; zie 
mijn Archief, III. 348; en verschillende nederland- 
sche streken kennen de wn. biester en biesterig, 
voor boijig, onstuimig, stormig, van het weder ge- 
zegd, zie Toinmans Fakkel, I. 54, mijn Taalk. Mag. 
L 311, n. 76 en 419. Bystre lucht is bij Richey 
onstnimige, stormige lucht; en bij Bilderdijk leest 
men Mengelp. II. 200: 

Zie hoe de udnd de hagen schudt t 
Het wordt een bijster wéér. 
Van het weder is deze bet. overgebracht op de 
gesteldheid van het menschelijk gemoed. Bij Ri- 
chey, Schatze enttfindd. is byster, biester, bistrig, 
somber, droefgeestig, onvriendelijk, zuur ziend; 
biestemis somberheid, donkerheid ; bij Stürenburg 
biester boos, boosaardig; bij Reinwald het ww. 
bisen boos zijn. 

Door bijster in den zin van donker wordt ver- 
klaard het WW. verbijsteren voor geld of goederen 
verduisteren, verdonkeren, of (in gemeenzamen stijl) 
verdonkeremanen, d. i. zooals V. d. S^chueren het 
uitlegt, lontdragen, ontvreemden, afhandig maken." 
Het Brem. Nied. Wtb. voert daarvan een voorb. 
aan uit oude hamburgsche Statuten: der Kindere 
Gud truweUken bewaren, dat it nicht verbystert 
en werde, — Van Hasselt op KiJ. een dergelijk uit 
haarlemsche keuren: zoo dat mits dien veel wees- 
kinderen hare goede verbijstert zyn, en nog dage- 
Ucx ofhandich gemaect worden. Ook in eene am- 
bemsche keur van 1356 leest men de uitdrukking als 
onzijdig ww.. Van Hasselt, Amh. Oudh. I. 230: 
want dat Cloester vorss, noch ghenen voertganc en 
heeft, ende die reynten vorser, verbysteren mochten. 
— Hetzelfde heet ontbijsteren. Werken van Rabelais, 
I. 538: die êteelen wil, en zuygt niet; maar grijpt 
en haalt aan: en dokt niet; maar zakt, pakt, plun- 



dert en ontbqsfert. — Gelijk men, altijd in den- 
zelfden zin van heimelijk wegpakken of verbergen, 
ook ontduisteren en ontdonkeren zegt; zie Wetl. 

Baarbljsteren komt mij voor te zijn barende of 
berende, d. i. tierende of uitgelaten zijnde, te hijs- 
teren; Valentijn, Werken van Ovid. lU. 16: Doen 
hegost Kakus .. met steen en kneppel fel te baar- 
bijsteren. 

Niet vreemd is het voorts, dat een woord, 't welk 
als adjectief of adverbium in zooveel wijziging van 
bet. vooral in den gemeenzamen stijl gebruikt 
wordt, in zwang raakt als algemeene versterking 
van hoedanigheden of eigenschappen. Kil. ver- 
meldde reeds bijster groot en bijster arm voor zeer 
groot, zeer arm; de Fragm. Woordenl. der L. 
Maatsch. byster voor zeer, valde; Epkema op Ja- 
picx bjuester voor zeer, grootelijks; en nog is dit 
gebruik heerschende; zie Weil. i. v., mijn Taalk. 
Mag. IV. 672 en Arch. II. 157 en 364. Het komt 
mij voor, dat bijster aan dit adverbiaal gebruik 
sommige beteekenissen verschuldigd is, die het 
op zich zelve niet gehad zou hebben, 'k Bedoel 
hiermee, dat men voor bijster arm, bijster groot, 
bloot bijster heeft gezegd, en dat langs dien weg 
dit woord zelf voor arm en groot is genomen. 
Dus leest men het woord voor arm, bij Croon, 
Moy-al, 34: 

Ryck oft byster, hoogh off neer, 
Weest dan altijt wel te vreden. 
Despars, Cronijcke van Vlaend. III. 280: menich 
rijck edelman, poortere ende landsman, die ter 
eeuwighen daghe omme by stier u)aren, ende som 
van deure te deure huerliedenbroodt bidden moes- 
ten, D. IV. 314: nu alle ghelijck gheel aerme ende 
bystier gheworden. Van Goor, Beschr. van Breda, 
fol. 274: dat sy. berooft van Vader ende Moeder, 
die hen veel goets achtergelaten hebben, dickwyls 
arm ende byster worden. Fol. 275: sonder sorge 
van byster oft erm te worden. Van Zevecote, 
Ged. '215: 

— cd dat hier is in *t leven, 
Rijck en bystier, out en jonck. 
Moet sich door dien weg begeven. 
Deze, naar 't schijnt, vlaamsche uitspraak, die vol- 
gens het Belg. Mus. VIII. 171, te Kortrijk nog in 
zwang is, zal Kil. verleid hebben aan bijstier te 
denken. Ook de vlaming Van Mander schreef dus, 
voor ellendig. Gulden Harpe, 387: 
Want lichte Wijven 
Maken so menigh man bijstier. 
En 592: 

Wy zijn al bloot verschenen 
Jae naeckt, ghelijck bijstier. 



m 



BIJSTEREN. 



^ 



In den zin van groot nam Vondel het w. Batav. 

Gebr. 16: 

Bedroefde Vratiweriy gy bezwaart met uwe klaght 

En byster atrtiatgeschal cU *t Bataviers geslacht, 

Aan het denkbeeld van groot paart zich dat van 

ontzettend, verschrikkelijk en deze bet. door Kil. 

vermeld, wordt bevestigd door Bilderdijk, Ver- 

scheidenh. IV. 110, en het Wbk. ^es Inst. op Hooft, 

op Byater en Byetèrheid. 

Grelijk het w byster in het middelhoogd. weinig 
of niet wordt aangetroffen — Benecke geeft even- 
als Ziemann slechts één voorbeeld en verwijst 
daarbij naar het nederl. en nederduitsch — zoo 
komt het ook bij de middelned. schrijvers schaars 
voor. De mij bekende oudste pil. zijn Maerl. in 
Willems' Mengel. 39 : 

So hebbic die prouende met gewélde 
Tusscheti cauden berge ende biester velde» 
Passionael Winterst. fol. 70 verso : dat die Werrell 
ghinc doer die wüde bijster ^joegen der sanden. — 
Hier heeft men dus één der eerste beteekenissen, 
t. w. die van woest, wild, overeenkomende met die 
van bijsteren. in het wild loopen, boven aangewe- 
zen; en daardoor laat zich verklaren het friesche 
spraakgebruik, dat volgens Wassenbergh, Bijdr. I. 
17, en Epkema op Japicx, bijze zegt voor schooijer, 
boef, schurk. Bruining, in zijne Synon. I. 130, en 
Ypeij, Gesch. der Ned. Taal, II. 424, merken op, 
dat dit w. eig. een vagebond aanduidt, een bede- 
lende of andere landlooper. Vandaar is een bies- 
jager een gerechtsdienaar, die zulke landloopers 
verjagen moest 

Verbijsteren gebruiken wij thans voor verdwalen 
of verwarren (van hoofd, zinnen of gemoed), en 
die bet. heerscht ook in bijster van zinnen en het 
^ftoor bijster^ d. i. verward van zinnen en van het 
spoor afgedwaald, en niet zooals Weil. wil, »be- 
roofd van zinnen, zonder zinnen, zonder spoor." 
Bij persoonsverbeelding zingt Van Merken, Nut der 
Tegensp. 290: 

— ik zie de Weetenschappen 
Verbysterd door dit cuMig doodsgeweld. 
Bilderdijk bezigde verb^jstemis voor verbastering^ 
Navonk. I. 5: 

En Neêrland durft z^n God misketinenf 
Met blinde drift in d' af grond rennen? 
O keer die ziels verbij stemis. 
Verbijstering beteekent de radeloosheid van iemand, 
die op ongebaande wegen verdoold is ; Randteek. 
op den Statenb. Jerem. 2. aauU 82: menschen, dip 
in eefie wildernisse ende duystere ongebaende we- 
gen van honger j kommer^ verdriet^ ende verbijste- 
ringe versmachten ende verdwijnen* — Verb^jsterig 



is bij Huyg. Korenbl. L 196, hetzelfde als bet 
neders. bistrig^ d. i. onvriendelijk, hard: 

Niemand helpen aen een traen 

Door verbysterige woordeny 

Die d^ onnoosele vermoorden^ 

De behoeftige verslaen 

En ten tweeden doen vergaen. 
Bisteren is niet het eenige frecpient. dat van 
b{jzen is afgeleid; de verwante dialecten kennen 
er meer dan één, in 't welk de t niet is ingevoegd. 
Schambach heeft biseln, dol heen en weer loopen; 
Anton, St. L bieselny springen van koeijen ; Schöpf 
biseln^ springen, en Kehrein bieselny wild worden. 
Bij Von Schmid is bisem gauw loopen^bij Scham- 
bach hetz. schuw loopen. rondloopen, bij Schmel- 
Ier dol loopen. Lezer eindelijk heeft pisnen, van 
het bij hem vermelde pVn, loopen van koeijen. 
Men verg. Biezelen en Bazelen. 

Bikkeren— Bikken. 

Volgens De Navorscher, XV. 45, is in 't west- 
friesch dialect bikkeren in zwang voor eten, zoo- 
als men ook bikken in dien zin leest bij Valentijn, 
Werken van Ovid. II. 95: den adel van Konink 
Cefeus komt ter bruiloft, die heerlijk toegeregt 
was. Wel gebikt hebbende, ontgrendelden sijlta- 
ren kommer door frissen wijn. — De Wn. komen 
dus overeen met bikkelen, zie dit. Het frequent, 
in er vertoont zich mede in het eng. io bicker, 
krakeelen, vechten, met vijandschap op iemand 
aanvallen. 

Blaaijeren'— Blaaij en. 

Blaaijen is bij Kil. »waaijen, zwaaijen (meteen 
zwaard)." Van een standaard leest men het Belg. 
Mus IV. 252: 

Wcier siet men nu uwen standaert blaeijen ? 
D. i. wapperen. Van Heelu noemt dat bladen^ vs. 
5743: 

Die bosinen bliesen weder... 
Doen si die banieren sagen 
Opgaen, ende weder bladen. 
En VS. 6583: 

Maer doen en wouden langer niet 
Daer die Brahantre gedogen 
Dat die banier e soude, vor haer ogen. 
Van Gelre openbare bladen. 
Hiervan blaaijeren, in de pi. aangeh. bij Ouderaans, 
Bijdrage, I. 712: 

Glorifierj dat seit die yeest, 
Blayerde emte maecte feest, 
Met beyde sinen voeten voren. 
En ald. verklaard door »zwaaijen, slingeren, heen 
en wéér bewegen." 



as 



BLAAUEREN. 



84 



Blaa|j6ren*~Blaaijen. 

Beide wwn. zijn in de vlaamsche Idioticons op- 
genonieD voor >blaken, vlammen, laaijen, schitte- 
ren," Zoo leest men in Serrures Vaderl. Museum, 
V. 86: 

— moer als duet* een speghele 
En zie ie nu maery die in my dus blaeyt. 
D. i. volgens de daar gegevene verklaring jschijnl, 
glanst." In het Alg. VI. Idiot. is blaaljen »licht 
verbranden, verzengen.' Dit w. zal wel één zijn 
met blazen^ waarvan blaasteren of blaaisteren; zie 
het volg. art 

Blaasteren— Blazen 

Het WW. blazen^ hier bedoeld, beantwoordt aan 
het eng. to blaze^ vlammen, flikkeren, angels, bla- 
san, blassan, blisan^ in dez. bet. waarvan ook het 
eng. to blast, verzengen en (bij Halliwell) to blos- 
sen^ frequent, verlichten; voorts het neders. blass, 
roode gloed, vuurvlam, fakkel, angels blasé, blyse, 
eng. blaze, flikkering, en blasf, verzenging, brand; 
to blast is bij Halliwell »geen vuur vatten"; wat 
dus beteekenen zal i^slechts gloeijen." 

Vandaar verblaasteren, verbranden, verschr oeijen ; 
Croon, Gocus Bonus, II. 229: het (gebraet) soude 
verblaesteren oft verbranden van buyten, ende bin- 
nen rauw blyven. En bl. 231: het is te vreese^, 
d^t my alsdan somtyts maer en verblaesteren, 
ende van binnen nocH rauw ende onverstorven 
blyven, — De Harduyn schrijft verblaaisteren, God- 
del. Wenschen, 450: Ghelijkkerwijs het was is smil- 
tende voor het aanschijn des mets. Alsoo wot*dt 
de sieU verblaeystert voor sijn aenschijn. 

Door verwisseling van den tweeklank aai met 
«i, die zeer gewoon is, leest men voor dit laatste 
WW. bleisteren, voor flikkeren, bij Van Ryssele, 
Spiegol der Minne, 84 verso: 

Hoer oneere bleystert als vier van vlasse. 
Nog een andere yorm van dit ww. is bluisteren, 
die bij ons het meest voorkomt; zie dit. 

Bladderen, zie Bladeren 
Bladeren— Bladen. 

Beide wwn. zijn in gebruik voor bladeren krij- 
gen (van boomen en planten gezegd), van blade- 
ren voorzien. Dus Epis. uit Maerl. Hist van Troyen 
(door Dr. Verdam), 82: 

In die boengaerden . 

Want jeghen den zomer, als 7 al groyet. 
Waren si gheblaet ende ghebloyet. 
Hoon, Ged. fol. 196: 
— een pryéel van myrUien^ dicht geblaadt. 



Elders, foi. 23, heet dit beblaad: 

Baar kruidt, en boom beblaadt, 
By bliie bloemkens staat. 
Zoo ook bij Focquenbroch, Werken, I. 222: 

— »eew olmentak, 
Beblaad van loof, en diep van wortéL 
In frequent, vo^m is dit èebtederd; Schipper, Ver- 
overing van Rhodef, 30: 

—-een bloem die bloeyd,op 't schoonst behhderd. 
Brender è Brandis' Kabinet, V 235: difbebladerd 
huis, Aid. VI. 79: ó Lente/ bebloem de Ttdnen; 
beblader het Woud. Van den Broek, Ernst en 
Luim, 72: 

Natuur, die zich zoo vriendlijk wreekt, 
Bebiadert weer de twijgen. 
Doch ook zonder voorvoegsel vindt men dit ww 
Van Alphen, Dichtw III. 322: 

Genade zij natuur gelijk. 
Nu onvoorzien 't geboomte bladert. 
In het middelhoogd. heet dit6i€/«rcw,zieBenecke; 
blaten is bij denz wat wij ontbladen en ontblade- 
ren noemen, zie Weil.; ook het hoogd. zegt daar- 
voor blalten en bldttem, bij Sturenburg bUxdem, 
bij DShneil en in het Brem. Nied Wtb. bladen, 
eng. bij Halliwell to blode. Bij Maerl. komt fevorfen 
voor in den zin van plukken, eig. dus ontbladen; 
Willems, Mengel. 5-*: 

Die gaen in Gods wijngaert bladen, 
Ende sniden af die druve vet. 
En 48: 

Nu gaefi si op die crune bladen, 
Die gierege, die niemen en mochte versaden ! 
De vrucht, of, zooals men zegt, het vruchtgebruik 
van goederen of inkomsten, heeten de bladen, de 
bladeren of de blaren; Kil. heeft daarvoor het 
enkel V. blad, blode, benevens blading, 't welk men 
leest Belg. Mus. l. 72: an sine leenen eau hiniet 
verdere comen, dan an de cateilen, of bladinghe. 
Serrure, Vad. Mus. IV. 338: becotnmeric iii jaer 
lanc de bladinghe omme mede te mildoene enz. 
Van Oudenhoven, Oudt ende Nieuw Dordi-echt, 
3.t5: den langhst-levende... treckt oock geen bla- 
dinghe ofte tocht De Brune, Bancketw. I. 437: 
Hter genieten wy, by voorkomste, de bladinge van 
die hope der heerlickheyd, Poirters, Masker van 
de Werelt, iü9 : 

Daarom geniet dat Godt u geeft, 
Ten minsten van de blading leeft. 
Ja ook een ww. blaaijen, met de afl. blaaijer in 
dien zin komen voor; Van Goor, Beschr. van Breda, 
fol. 315: den persoon, die den onderpandt als 
proprietaris gebruyckt, ende geblaeyt heeft, in 't 
jaer daer mm de gheeyschte rente. . betdelen moet. 



35 



BLADEREN. 



36 



Lager: den selven ghebruycher ende blayer die 
proprietaria is, 

Verbkuieren is bij Bild. van blad verwisselen ; 
Buitenl. 113: 
Somwijlen wordt., 

. ,de een met de andre plant verbladerd of ver- 

steeld. 
Ontbladeren is bij Weil. bedrijvend; het is ook 
onzijdig gebruikt ; Van Oosterzee, Nieuwe Leerred. 
31 : Terwijl de wereldling de rozen onder zijne 
handen voelt ontbladeren. Ten Kale, Dichtw. V. 
38 (den heldenstam): 

Die eens in Fingal bloeide^ en nu in mij ont- 

blaArde. 
Lesturgeon, Verstrooilingen, 100: 

Of ze ook ontbladerde en vei*gingy 
De RooSy waar onze ziel aan hing. 
Bogaers, Gez. Dichtw. IL 174: 

Die englenkrans van liefde en deugdj 
Wiens bloemen nooit ontblftren. 
Deze heeft ook ombladereny ald. IL 269: 
De poorten ombladerd I 
De wegen gebaand l 
Nog meer eig. Van den Broek, Bloemen en Blade- 
ren, 24, waar de Krokus spreekt : 
Afoar ik,.. 

Betrek weer m^n ombladerd huis. 
Het Woord, der Ned. Taal staaft het w. alleen in 
overdr. zin. 

Bkuien zoowel als hkuieren zeggen wij mede 
voor het omslaan der bladeren van een boek, in 
'thoogd. blattemy in het neders. Modem. Voor 
doorbladeren (van een boek) zooals V^eil. heeft, 
vindt men doorbladen^ bij Voet, Nag. Sticht. Grez. 
178: 

— denkt, als gij dit boek doorblaadt. 
Met een verhoogduitschten vorm zeggen wij blad- 
deren^ afbladdereny voor het losgaan, eig. tot blad- 
ders of bladen overgaan van vliezen op de huid, 
van kalk op den muur, en derg., in 't hoogd. bidt- 
tem, bij Danneil bladdem; bij Schmeller bldtteln^ 
bij Schöpf blatteln. Dus Trip, Tyd winst, 242: een 
bladderende kot^. Bilderdijk, Najaarsbl. I. 105: 
( Waar) het blanke nachtdaauwvUesjen bladderend 

op overbleef. 
Elders spelt deze af bladeren, Brieven, UL 34: een 
stuk van zeer hoogen ouderdom^ waar een kroon en 
kraag allengs afbladerda BuitenL 107: 

De afbladerende lei, en 'ttuierrijk cUbasi. 
Gewoonlijk zegt men: de lei bladdert. — Het w. 
zegt eig. splijten in bladen of bladderSy hoogd. 
blatter^ neders. bUuiden en bleddem, en%. bladder, 
angttlt. Uaêddre, blaedre. Somwijlen zeggen wq 



ook bladderen voor met bladders bedekken, b. v. een 
gebladderd aangezicht, en Bild. heeft het subst. 
windgebladder voor het spelen van den wind door 
de bladeren, Krekelz. II. 2: 

*k Wensch iets grootere van een Dichter 
Dan dit ijdel rag^gespin. 

Windgebladder, ja noch lichter. 
Houdt het ziel noch waarheid in. 
Het nw. bladder, dat men leest bij Goomhert, 
Wercken, I. fol. 446 verso: dat een Huysman sij- 
fien Knecht toomichlijck met een sweepe inH a^n- 
sicht sloegh, in sulcker wijsen datter een lange 
witte bladder rees wt sijn aensieht — wordt sa- 
mengetrokken tot blaar, en zoo versta ik door het 
WW. blaren mede bladderen, met bladders, hier 
met gestolde tranen, bedekken; Goomhert, Odyss. 

II. 87: 

— baedi u, ook sy f aensieht eerst met salve be- 

streken, 
Gaet niet, so lang de verstijfde tranen daer op 

blaren. 
Evenzoo zong Bilderdijk, Ziekte der Grel. 11 : 
't Crehemelf word' geblaard door bijtende am- 

perzuren. 
En Loots, Nieuwe Ged. 58: 

— de gloed der middcLgstralen,.. 
.. schroeit en bla&rt de lip, en droogt de vochte tong. 

Blakeren— Blaken. 

Het subst blaak is gloed of vlam; Lancelot, B. 

III. VS. 20679: 

An sinen scilt stont een drake, 
DcLer eens groets viers blake 
Ute sire kelen vloech. 
Ampzing, Heyl. Traenen, 16: 

'k Wü uw saed veel meerder maken 
Als de blaken 
Aen des hemels firmamenL 
Dus nog bij Gonscience, De Boerenkryg, II. 55: 
By het zien van den rooden blaek, die tot het bin- 
nenste der huizen den brand verkondigde. 
Blaken is gloeijen; Hor. Belg. V. 15: 
O scone wijf, in der minnen vier 
so leit mijn hert temael ende blaecU 
Tollens, Ged. II. 152: 

Kom, Corinna! laat ons blaken. 
Kussen 't hijgend hart in gloed. 
Spandaw, Ged. I. 178: 

't Krijgsvuur blaakt bij ons nog nieL 
D. L onzijdig; bedrijvend daarentegen Bilderdijk, 
De Dieren, 12: 

— 'talventoestend vuur dat eens dezeaardmo^ 



37 



BLAKEREN. 



SS 



Van Heani, Hist. van *sHertogenb. III. 446: de 
Predikstoel {door den brand) een weinig geblaakt, 
werd egter behouden. Wagenaar, Amsterdam, I. 
fol. 655: Hy werdt.. veroordeeld om geradbrcuikt 
en in H aangezigt met een brandend bos stroo ge- 
blaakt te worden. — Meer dichterlijk, Antonides, 
Ged. 468: 

Zoo lang u niemant blaekte als ik^ en Chloê niet 
Mijn plaets had ingenomen. 
Van Walré, Gredachtenis-Offér aan Ward Bingley, 6 : 
De vriend der kunst, die,.. 

Alle ondeugd zwart, verachtlijk heeft gemaakt. 

En voor de deugd, met geestdrift, elk geblaakt. 
Minder gewoon is blaken naar iets, zooals men ook 
zegt «branden naar iets," een brandend verlangen 
naar iets hebben; Spandaw, Ged. IV. lüO: 

— haakt en blaakt naar glorie. 
Bij Van Velthem is blaken voor blinken, fol. 244: 
Ene Baniere sag ick Vr blaken, 
Den Lupert van goude — 
De goadkieur zou echter gezegd kunnen wor- 
den te »gloeijen" ; doch voor blinken had men ook 
blokkeren en blekkeren, waarmee blaken zonder 
twijfel verwant is; zie Blikkeren. 

Met voorzetsels heeft men aunblaken, dat Von- 
del bezigt voor aanvuren, aanmoedigen, Poêzy, I. 
479 (van den engel in Gethsemane): 

Hy kttst Godts mont, en schijnt hem aen te 

blaken, 

En sterkt het hart, met geur uit Godts prieel 
Afblaken voor afbranden; Van der Hoop, Poêzy, 
54: 't landafblakend pionderen. — Doorblaken, 
doorgloeijen ; A. van Halmael Jr., Mathilde en 
Struensee, 79: 

— ik voel alreeds uw ijver mi) doorblaken. 
Sederblaken, een geliefkoosd woord van prof. Da- 
^id, Vaderl. Historie, III. 51 : hoeven neer te blaken 
en akkers te verwoesten. BI. 385: (zy) blaekten 
zoo veel kerken neer als zy genaken konden. D. 
VII. 77: de molen werd ingenomen, neergeblaekt. 
BI. 2<)5: het neerblaken van zoo menige dorpen. 
En elders. — Fraai is dit evenmin gezegd als neder- 
branden^ bij denz. Schrijver, D. VIH. 166. Men 
zegt niet branden of blaken ii?^w beneden oi boven. 
Beter is onthlaken voor ontgloeijen; Strick van en 
tot Linscboten, Ged. 8 : 

Voor andrer landen schoon ontblaakt. 
Aid. 78: 

Ontblaakt van 't vuur der liefde. 
Büderdijk, Navonk. II. 18: te onthlaken Van hei- 
lig vuur. Van Duyse, Vaderl. Poêzy, III. 79: 

^t Wcu mensehlijkheid, die u ontblaakte. 
D. i. deed onthlaken en dus bedrijvend. — Opbla- 



ken zie men in het Woordenb. des Inst. op Hooft. 
— Tegenblaken is tegenblinken ; Büderdijk, in Ro- 
drigo, I. 204 (geen kroon) : 

V^aarin gesteente en goud elkander tegenblaken. 
Toeblaken, brandende toewijden, bij denz. Krekelz. 
II. 86: 

Om 't school van Socrates den wierook toe te 

blaken. 
En wegblaken, door branden te vernielen; Van 
's Gravenweert, De Ilias, IV. 77 : 

Om de eens verspreide vlam onteugelbcuxr te 

maken. 
En al de Trojers met hun wapens vie^ te ïAstken. 
Blakeren is, zooals WeiL zegt, schroeijen; be- 
paaldelijk ook de strafoefening, die boven in Wa- 
genaars Amst. blaken heette; hetz. w. fol. 483: 
ïn July... werdt... Balthazar Patd... geworgd en 
geblakerd. — In Oudemans Wdb. op Bredero is te 
recht opgemerkt, dat blakeren niet slechts bedrij- 
vend is, zooals Weil. opgeeft, maar ook bij ge- 
noemden poëet onzijdig. Bij anderen mede; Roden- 
burgh. Hertog. Gelia, 30: 
— inde lievere hert moet noch een voncxken 

bleven; 
*t Welck vaeken licht ontsteekt aen g' heugenis- 

sens vier, 
En blaekert zo in 't hert — 
Den Nederd. Helicon, 325: 
Maer blakert wel na wil, dat uwen silv'ren hoeren 
Nu doe al langs hoe meer zijn stralen glins^ 

tren vry. 
Vooral* bij lateren ; Tollens, Ged. IL 148: 
De aarde blakert, waar wij dolen. 
Aid. 150: 

Blakert, lieve bliksemstralen! 
Maar verdroogt de dropjes niet. 
Spandaw, Ged. I. 178: 

Blak're 't krijgsvuur overal. 
Zeer fig. zingt Bilderdijk, De Dieren, 10: 

— een deel van de uweti, door den trots 
Geblakerd — 
En Vrouwe Bild, Treui*sp. I. 113: 

— thands voelde ik, wat beminnen. 
Wat blaakren zegt van 't hart. — 
Ook het frequent, is met verschillende voorzet- 
sels aangedaan ; afblakeren bij H. Maronier, Ged. 67 : 
de afgeblakerde oorden. H. H. Klijn, Nieuwe Ged. 
I 55: 
't Wordt dag! het morgenrood der vrijheid is 

aan 't klimmen! 
Rijs AÏgehhYerd woud ! rijs ! rijs verstorven veld! 
Doorblakeren ; Bilderdijk, Treursp. III. 78: 

De zelfde gloed voor u doorblakert my 't gemoed* 

2' 



BLAKEREN. 



40 



Herhlakeren; Van Duyse, Vaderl. Poèzy, I. 135: 

Jaerlyks als de zon herblakert 
Onthlakeren; dez. a. w. Il 189: Hhelgiseh hart 
ontblaker' by uw lied. Bilderdijk, Vermaking, 19ó : 
— vocLar Hhooger HemeUicht 
Zich instort in *t gemoed, 
'tOntblakert in den gloed, enz. 
Opblakeren; Ockerse, Gharacterkunde, III. 18:&tn- 
nenlandsche factien. . welker vtiur zoo menigmaal 
met nieuwe woede opblakerde. Dez. Lijkreden aan 
het Graf van Nap. 6: dan blakerden de roode 
vlammen., tot aan de wolken op. — Uithlakeren; 
BUderdijk, N. Mengel. I. 142: hartuitblakerende 
dorst. Dez. Wit en Rood, I. 58: 

Het zij een wreede kwaal den zetel van 't verstand 

Hebbe uitgeblakerd in het opperste ingewand. 
Da Gosto, Kompl. Dichtw. II. 92: 

Dien moet de dichtvlam in zijn horst. 

Daar zy geen uitkomst vindt, uitblaakren en ver- 

teerenl 
En verbunkeren, bij Ten Kate, Dichtw. I. 267: 
Hverblakerd stof. 

Sommige hoogd. Woordenboeken vermelden bla- 
ken in eene bet. eenigszins verschillend van de bij 
ons gewone van gloeqen; t. w. in die van met 
sterken rouk branden, in rook opwalmen; zie Oer- 
tels Grammat. Wtb. en Kaltschmidts Sprachvergl. 
Wtb.. zoodat Grimm in zijn Wtb. te onrecht zegt, 
dat dit w. in geen hoogduitsch woordenboek voor- 
komt. Zoo mede bUik, met rook vermengde vuur- 
vlam, blakig en blakerig, met damp of rook bran- 
dende. Bij D&hnert is in het platduitsch blökem 
van geplukte ganzen de kleine veertjes afbranden, 
wat wel het frequent, van het vermelde, door 
Kaltschmidt nedersaksisch genoemde blaken zijn 
zal; en dit platduitsche ww. vindt men weder in 
het drenthsche bleukeren, volgens Lesturgeon be- 
rooken, en voorts bewasemen, bedampen; zie den 
Dr. Volksalm. 1847, bl. 174 

Blakkeren, zie Blikkeren. 
Blateren— Blaten. 

Beide wwn. heeft Kil. voor snateren, snappen, 
babbelen, zwetsen. De eerste bet. dezer wn. zal 
wel zijn het geluid, dat inzonderheid de schapen 
maken, anders bleeten, eng. to bleat, angels blea- 
tan, oudhoogd. plazan, hoogd. blossen, bij Schmel- 
ler blossen Het Passion. Winterst. bezigt het w. 
van den stier, iol. 93 verso : so sloech die stier sijn 
oghen neder ende blatede ende starf. En Reinaert 
de Vos van de geit, vs. 2090: 

— ie ging ten geeten 
Int wout, doer icse hoorde bleeten 



In de Ned. Baker- en Kinderrijmen van Dr. Van 
Vloten (3e dr.) leest men bl. 18: 

'f Koetjen gaf een blater 
't Koet jen gaf een schop. 

Het frequent, blateren in denz. zin, bij Schmeller 
blattem, leest men Werken van Rabelais, II. 25: 
Doer tegen *t Schoep weder blaetterde. Bl. 29: 
hy.„ nam het (schoep) mee al schreetiwende en 
blatende; 't welk de andere zoo hoest niet en hoor- 
den, of zy blaeterden desgelijks. En 30 : doer 't 
(Schaepjen) erbarmelijk blaterde. — Men vindt 
bletteren bij Gremer, Anna Rooze, III. 236: de lam- 
meren... bletteren. 

Vandaar de fig. bet. door Kil. vermeld; Schotel, 
Vaderl. Volksboeken, I. 229: 

Gy en zijt niet don een blaterende kokaert. 
Van Rusting, Gehoornde Duvel enz. 105: 
Ja self, men durft volmondig snaatren. 
Dat, van een Duvel praten, wis 
Verstrekt voor sotten praat, en blaatren. 
Bij Tuinman, Fakkel, II. 24, is bloteraor een ka- 
kelaar, en deze bet. wordt ook aangewezen bij 
Becanus, Op. II. fol. 77. 

Het middelhd. had de wwn. bloten en blateren 
voor op een blad blazen of fluiten; zie Benecke, 
doch vollediger Massmann, Denkm. I. 111: 

Bleekeren— Bleeken. 

Het frequent, bleekeren voor bleek worden, an- 
ders bleeken, verhleeken, hoogd. verbleichen, mid- 
delhd. dJeic/k^ eng to bleoch, bij Halliwell tobloke, 
heeft Six van Ghand. Poösy, 102: 

Syn voorhooft bloouwt en bleekert meer noch min. 
Dan ooveraassemt tin. 
Gelijk nog onze volksuitspraak luidt, bezigde men 
oudtijds bij ons bleiken voor bleeken; Hor. Belg. 
in. 7: 

doer sise sach roden ende bleiken. 

Bleisteren, zie Blaasteren. 
Blekkeren —Blekken. 

De Bo heeft beide wwn. voor blikken, blikkeren. 
De vorm blekken komt bij onze Ouden voor;Maerl. 
Rymbybel, vs 28931: 

Wijf ende Kinder ghemeene 
Saghen... 

Dat homasch bleeken entie sweerde. 
Dez. Spieg. Uist. I. 163: 

Al was goudijn dat ghesmide 
Vanden beesten, die bleeten ufide. 
En II. 341 : 

-^ Waluweyn versach den aren 
Bleeken inden Roemschen standoert. 
(D. i. blinken, schitteren, en niet: verhleeken. 



41 



BLEKKEREN. 



48 



Eooals Dr. Halk 223 verklaarde en 463 in 't mid- 
den Het.) Kansier, Denkm. III. 147: 

{Hi) sachj daer hi reet bi der zee, 

Die herghen blecken, gheliic den tnee 
En S. 200: 

Doe qwjtm een umghelinc tote hem daer^ 

Soone bleckende ende arde ckter. 
Blommaert» Oudvl. Ged. U. 52: haerlieder aenschién 
blecte geU^e den sontten temiddaghe. En 54: aüe 
die sielen blecten met groter daerheden, — Men 
bemerkt dat bet w. hier steeds genomen wordtin 
den xin van ons blinken. Zie voorts BUkkeren. 

Bletteren, zie Blateren. 
Bleukeren, zie Blakeren. 
Blikkeren— Blikken. 

Blikken beduidde voorheen wat wij nu blinken 

noemen welk laatste van later gebruik dan het 

eerste en daarvan gevormd is; Nederl. Ged. (door 

Snellaert), 07 : 

Dat die avonture ee een glas^ 

Dat econe blict ende daer. 

Dietscbe War. HI. 201 : 

(Dit) cleedy dat blickend es, ende wit 

ais een getxillen sneu — 

D. IV. 200: 

moer si blicte, de maget fijny 

doen ei starf^ in ha£r aneeijn 

tde een lylie — 

En lager: 

dat (hoer vel) saeht was alse samijt 

ende blickende daer toe verwendelike. 

Der Leken Spieghel, II. 240: 

— altehant daer ane 

Verwandelde hoer gedane 

Ende worden blickende elaer. 

En 304: 

Glasen venstren die daer sijn 

Daer dore blict dat sonneseh^. 

Bijbel van 1477, Exod. 10, vs. 16: blixemen begon- 

sten te blieken. Execfa. 21, vs. 15 : om dattet (zvoaert) 

hMekenstüySoistgeoiilt. Pass. Som.fol.77: ao blicte 

koer aensicht so daer vanden geselsoap der engelen 

dat hi bet hadde mogen sien inder sonne. Fol. 04: 

In steven so blicte die sehoonheyt s^ns lichaems, 

Gamphuysen^ Ps. 110, afd. 12, vs. 1 : 

Seo lang *t Gestemf aen 't Uemdrondt sal blieken. 

fioffems, Poêmata, 108: 

Ghy spedt maar met eens anders pop^ 

Al bliekt sy sdioon^ end geeft wat sehiin^ 

Nochtans sol H ongeraden sijn. 

De Bie» Yséms Weergaboi, 206: 

Siiore stricken die daer blieken 

Altemael en is Hmaer vals. 



De Swaen, Leven en Dood van J. G. II. 05: 

Een sceptery die van goud en diamanten blikt. 
Moons, Sed Verm. Tonn. 306: 

Morgen^ als de son sal blieken. 
Groon, Gocus Bonus, II. 343: de gryse hairen 
blieken. — In de taal der zeevaart is het een sein 
geven met een licht, bij Brandt, Leven van De 
Ruiter, III. 240: dat ze., met een lantaarn drie- 
maal zouden blikken. 

Sommige hoogd. dialecten hebben, voor dit Hik- 
ken^ blecken of blekken; zie het Brem. Nied. Wtb., 
Kehrein en Schmeller. 

In plaats van den korten t- en e-klank vindt 
men den langen; Maerl. Sp. Hist. I. 207: 

Alsi sagen den brant bliken. 
Hor. Belg. lU. 51 : 

eens anders daghes saghen si bliken 
ene roke (d. i. roto), daer op war ghe^ten 
een stat — 
En 68: 

— een carbonkdsteenf 
die so bemet bi nachte ende bliket 
so dacTy dat hi der sonne ghdiket, 
Maerl. Alex. Geesten, II. 18: 

— som bleken oec die tonde. 
Waarvoor Kil. heefl bliktandeny dentes renudare. 
Ook Schöpf heeft bleken voor blinken en laten zien. 
Bij Vondel is Hik hetzelfde als bliksem; Dav. 
Harpz. 105: 

Het aerdtr^ck daverde van schrick 

Op ztUck een donderwoorty 
En yslijck weêrlichty bliek op bliek. 
Eer H stüzweegh, — 
Bij Weil. ontbreekt het wyr. opiblikkeny opwaarts 
blikken; Halbertsma, Het Greslaeht der Van Harens, 
113: met een u^sgeerig oogje in nacht en eeuwig- 
heid op te blikken. Bilderdijk, Spiegh. Hartsp. 40: 
— bestdpt van eerbied^ onder 'igcuut, 
Die me in 't geroerd gemoed ten hemd op deed 

blikken. 
Alsmede uitblikken; Ten Kate, Dichtw. L 171 (waar) : 
Een Jonkvrouw over H hekwerk heen 
Nieuwsgierig staat gd}ogen, 
En uitblikt naar beneén. 
Van blikken in den zin van blinken heeft men 
het bij Kil. nog onbekende blikkeren gevormd; 
Bredere, Roddr. 2: het blickeren en bkiac/ceren tMin 
u heldere glase vensteren van u Geest. Aid. 36: 
O lichten brandt van Minne! 
Die met u vlam^ so weerlicht blick'rend flonkert. 
In mijn verliefde sinnen. 
De druk van 1622 heeft hiervoor de misstelling 
ibJtc^'mui. — Starter, Fr. Lusthof; 84: 



43 



BLIKEEREN. 



44 



In Ublickren wtn Hgeweyr^ in 'tblaeckren van 

het tner. 
Vondel, Batav. Gebr. 60: 

De doot^ terwijl *t gezicht, ah een paar blixems, 

blickt 
En blickert, weeek te rogge — 
Dez. Poösy, L 273 : 

— Geweer en wapens hlaecken^ 
En blikren van gesteente^ en gout, — 
Aid. 295: 
Dees blickerende lamp verdrijft door hare klaer- 

heit 
Ben luister onzea naems;^^ 
Oudaan, Poèzy, I. 8: 
Hem loov' de zon^ en maan, de starren^ 'the- 

melrondy 
't Vuurblikk'ren, H lueht-geechep, enz. 
Smits, Nag. Ged. II. 272: 

U ptHnchtig kleên in watergroen gewaedt^ 
Daer parelen op blikkeren en vieren. 
De Lannoy, Dicbtk. Werken, 102: 

De wanhoop blikkert op zijn weezen. 
Bilderdijk, Mengelp. I. 45: 
Dat berg en heuveltop van xüvren glans moog 

blikkeren. 
Bogaers, Gezam. Dichtw. I. 89: 

— toen hii weder HhddenHaal, 
Als vroegeTy aan z{/n ?ieup zag blikkren. 
De Thouars, Zriny, 44: 
o Voed ae heiige vfom, cfte... op zijn voorhoofd 

blikkert 
Deze Dichter heeft blikkertandeny De Git van Andw. 
I. 160: 
— de woudschrik schudt t^jn manen^ blikkertandt, 

hunn* trots ten straf. 
Dat echter ook Bild. heeft, Vermak. 48: 
De Woudschriky by wiens blikkertanden 
De wapens vieien uit de handen, 
"Voor bliktandeny dez. N. Uitspraitsels, 96: 
GriftiH gy ook den dwaze tegen^ 
Als gy bliktant (sic) om z^jn koets, 
D. i. blikken met de tanden, zooals dez. heeft, 
NaYonk. ü. 48: 

Geen leeuw^ geen tifger tai ik sdtroomen^ 
Hoe fel hy met de tanden blikk*. 
Tollens zegt van de tanden, dat zij naar iets bUk- 
keren^ K Ged. II. 96: 
De blanke temden blooty die blikkren naar de 

keten. 
Schimmel bezigt het w. in den zin van tintelen; 
De Gids, 1860, U, 666: het visehjen ui den vUst 
epari^ en blikkert van genoi en soms ook van vrees, 
•» Hooft heeft b ü k keren ▼oor in vlam raken, even 



ontbranden, Ned. Hist. fol. 252: eenzaadt^ *twdky 
ontfonkhaar als bussekruydty in H begin by vlaaghs- 
kens geblikkert heeft. 

In de Werken van Rabelais, II. 359, leest men: 
Op haar aankomst wierden we wederom verblik* 
kert en verblind in ons gezicht^ en verbijstert in 
onse sinnen, — Hetzelfde wordt uitgedrukt door 
verblikken^ Vlaerd. Redenrijckb. 180: 

U Ruyters wapens glans verblickt ons teer gezicht. 
Gamph. Sticht. Rijmen, III. 480: 

Schiet uw stralen^ en verblicktse 
Dien Hhert na mijn onheyl neyght, 
Weil. verklaart dit ww. door verbleeken, en zeker 
geeft dit eenigen yin en is bleeken ook aan blikken 
wel etymologisch verwant; doch ik meen, dat de 
bet. van verblikken eig. is overblikken, d. i. over- 
schijnen en alzoo verdonkeren ; zooals bij Benecke 
überblickeHy «starker leuchten, verdunkeln." Anders 
is het met de uitdr. blikken noch bloozen^ waar 
blikken inderdaad voor bleeken^ bleek worden, ge- 
zegd wordt. 

Met andere voorzetsels heeft men De Gorts Lie- 
deren, 233 : 

Haar blosje als de uchtend flikkert 
Die al wat spruit bij haag en heg 
Met peerlen dauws beblikkert. 
D. i. blinkend maakt, met glans overdekt. — Gon- 
science, De Ziekte der Verbeelding, 99: vlokkige 
wolken^ tusschen welke de schoonste starren des 
hemels beenblikkerden. Vlaeitl. Redenrijckb. 134: 

So breng ick meed* een zwaert^ ja kom een vier 

te maecken^ 

Ja wensch maer dat het mocht opbUckeren en 

blaecken, 
Vtin Duyse, Vad. Poêzy, I. 83: 

Een ridder op het ros, in stalen pUUen 

Uitblikkrend, daegt^ met vreessdyken prael, 
Eene afl. van blikkeren is blikkerig voor blin- 
kend; Den Nederd. Helicon, 126: 

Wan%\eer sy *l net noch eens dan trecken miSj 

Voor blickrigh goudi een ydel niei beërven. 
Voor blikkeren vindt men Hakkeren bij Starter, 
Fr. Lusth. 113: 

De woleken vande nacht vorderende zijn krans 

Met d^heughelijeke daghj en 't black'ren tNin haer 

glans, 
Benecke heeft het compos. hlickenblacken ; verg. 
mijne Lat Versch. 450. 

Het frequent Uückeren komt . in geen der mij 
bekende dialecten voor; het tyroolsch bij Schöpf 
heeft er voor blekemy ook hlekezn^ weérlichten, 
en het zwitsersch bij Stalder hUekeIn, een herhaald 
blikken of knippen met de oogan. 



45 



BUKKEREN. 



46 



Over blikken en blikkeren zie men vooiis Huy- 
dec Proeve, II. 39j en verv. en Glarisse in N. 
Reeks v. Werken der L. Maatsch. IV. 440. Tegen- 
over Bilderdijks Verklaring, dat blikaars van het 
eng. black^ d. i. zwart, zijn zou, zie men Dr. Ver- 
wijs' Wap. Martij n, 132. 

Bunkeren— Blinken. 

Blinken komt in het middelhd. bij Benecke een 
enkele maal voor, en wel voor (met de oogen) 
blikken. Dus leest men ook in onzen Statenbijbel, 
Uoogl. 2, VS. 9 : hy staet achter onsen muer^ kijckende 
uyt de vensteren, blinckende uyt de traliën, — In 
den gewonen zin van schitteren, glans afgeven, 
heeft Kil. mede blenken, dat men aantreft in Der 
Minnen Loep, I 170: 

Lachende blencken dair die oghen. 
Passion. Wint. fol. 91 verso: hi hadde een engels 
aensicht ende toas blenckende in talen. Passion. 
Som fol. 92 verso: enen blenckenden manteL Gas- 
sianus, Der Oud. Vad. Goll fol. 74 verso: wanneer 
sijti goedertierenheyt een cleyn voncxken des goe- 
den willes in ons siet blencken. — Dezelfde spel- 
ling hebben Gangier en Schmeller. Vandaar bij 
Schambacb het frequent, blenkeniy bij Anton XVI 
Uinkem^ en bij Danneil blankem^ blünkem^ blin- 
kern^ aanhoudend of sterk schitteren. Zie ook 
Fulda, WurzelwÖrter, 85, en Herrig, Archiv. VIII. 
'S50, Geriand, Intens, undlterat. 91, vermeldt, als 
keukenterm ten aanzien van het geschuurde tin : 
es blinkeri und bldnkeri, — Bij de onzen komt 
blinkeren een enkele maal voor, t. w. De Brunes 
Bancketw. II. 457: of die (invloed van het hemels 
licht) voor een tijd loat flikkert en blinckert, Hen 
heeft geen duyr. 

Gelijk er ongetwijfeld een nauwe verwantschap 
is tnsschen blikkeren en flikkeren^ vindt men voor 
blinken ook viinken; Vad. Mus. I. 337: 
Als ie ane sie die rode monde^ 
met haren lachende vlinckenden oghen, enz. 

Onze oude taal kende een adj. blonk, veerstomp 
of bot; Belg. Mus. X. 278 (nadat van een »hoec" 
is gesproken die »recht ende scarp is'') : etst dat 
hi blonc es, so bediedet quade dispositien, quade 
uxmd^inge, niet vroet, rttut ende blonc. — Hier 
heeft men het w. eerst in den eig. daarna in den 
fig. zin. Den laatsten heeft ook Maerl. Sp. Hist. 
1.420: 

Wie 90 hem hout recht ende waXe 
Indie middelt waghescale, 
Wachtem niet te sine te blonc, 
Noch te scaerp in ghenen spronc. 
Brab. Yeestmi, II. 333: 



Willeme, heere van Cranendonck 

Ende her Janne, die niet en was blonc. 

En 379: 

Heer Jan van der Calstereny die niet en was 

blonc. 
De Gasteleyn, Konst van Rethoriken, 48: 

Ziet toe ende zurght bee lude en stille 
Dat ghy u niet en vindt in gh^schÜle 
Om u personagen, en valt dies niet blonck. 
De Fragmen t- Woorden 1. der L. Maatsch. heeft uit 
een gendschen rederijker blonkheid met een^idf 
Bilderdijk vraagt niet, maar zegt, Verkl. Geslachtl. 
I. 84, dat i^het blonk der Ouden voor bolrond is, 
en in de uitspraak verbasterd van bolling." De 
afleiding is even fraai als de beteekenis. Mijns 
bedunkens is blonk het eng. blunt, bot, stomp, van 
't welk Bailey noch Johnson den oorsprong kennen ; 
dat Ghambers tot het hoogduitsche plump brengt; 
doch dat Horne Tooke, Div. of Purley, II. 175, 
regelmatig afleidt van het angels, ww. blinnan 
(eng. bij Halliwell to blinne), d. i. stoppen, ophou- 
den; imperf. blon, partic. bloned, blon'd, blont, 
blunt, eig. dus afgebroken, geknot, en alzoo stomp. 
Bij ons schreef men dan ook blont, blijkens de 
vermelde Woordenlijst, waar men deze plaats leest : 
haerlieder slach swaerden wierden blont ende om - 
meghehouwen. 

Uit deze verklaring volgt, dat het adj. blonk niet 
met het ww. blinken verwant is. Blijkens het 
Belg. Mus. VIII. 171, is het w. in Kortrijk nog in 
zwang. 

BluiBteren— Sluizen 

Bluizen is het neders. blüsen, bij Richey gloei- 
jen, een vuurgloed veroorzaken, waarvan ook het 
subst. blüse voor vuurtoren of baken. Zonder de 
s zegt het vlaamsch verbluijen, ook verbloeijent 
voor verschroeijen, verzengen ; zie De Bo. Bilderd ' 
Geslachtl. I. 85, spreekt van een ww. bluisten of 
bloesten, dat niet bestaat. 

Vandaar in het neders. bleustem, gloeijen, lich- 
ten, vlammen; bij Dahnert bleuschem ; bij Kil. 
bluisteren, zengen, blakeren. In het drenthsch dia- 
lect is bluusteren opdrachtig, opgezet, opgeblazen 
zijn, van het gelaat en van 't wéér, zie Dr. Volks- 
alm. 1847, bl. 174; dit w. heeft meer overeenkomst 
met het eng. to blister, bladderen, van het angels 
blaesan, blazen. Ons bluisteren is dan to blister' 
niet, zooals Bild. t. a. p. zegt, en Van Lennep, 
Vondel, I. 29, hem nazegt. Dus De Brune, Ban- 
cketw. I. 261: de krakende en bluysterende vlam- 
men, die 'tmetael doen smelten, D. i. vlammen^ 
flikkeren; voor blinken, bij Z. Heyns, De Dry 
Hooftd. 18: 



47 



BLUISTEREN. 



48 



Wat roest doch dit Wyfj het is om me te gecken^ 
^Tis wonder^ Heer, dat ghy dxur na luystert. 
Want sy de schrift met logens verduystert. 
En wat sy (t. w. de H, Schrift) bluyetert, ten 

mach niet haten, 
Six van Ghand. Poèsy, 540: 

Siedkeetels bluistern haair en huid. 
Westerb. Ged. III. 633: 

Ter keucMn dientmen zich somtijdts van sulcke 

bladen 
Om een Bredaes Kapuyn voor 'tbluystren te 

behoen. 
Van der Schelling in Van Alkemade, fiescbr van 
Briele, I. fol. 216 : 

Wie voerde zyne ziel tot God, terwyl hy had^ 
Eer dat de Martelvlam hem nog gebluisterd had ? 
Het WW. verbltiisteren heeft gelijken zin; Hou- 
waert, Lusth. der Maechden, I. 67: 
Zoo een vierich fomeys op een kort verbluystert 
Een schoon Roose dier in vallen mach. 
En bl 302: 

Zoo de Sonne 'tghemaeyt kruyt kan verbluy stèren. 
Vandaar ongebluisterd voor ongezengd, ongedeerd, 
bq Vondel. Jos. in £g. 30: 

— het onbevleckt gemoet. 
Dat ongebluistert in dien gloet 
Een zelve voert bevonden. 
En het subst. gebluister, bij denz. Poèzy, II. 620: 
De vyerge Zonne-kloot, die met een heet gebluiater 
Na 'et tweelingsteeken liep — 
Het WW. komt nog voor omstreeks de helft der 
vorige eeuw, bij Higt, Ged. 120: 

Onder Hbluistren, onder 'tblcuiken 
Van de vlam, die {jzinq baart. 
Aid. 3*24 : 
'k Zie zolfer bluistren. 'k Hoor geklikklak van 

geweer. 

Met verwisseling der b 'm f oï v heeft men het 

voor fluisteren; Visscher, Brabbeling, 179: 

De hayren over 'tgeheele lichaem fluysterende, 

Hebben kUxer-schynende stralen {als de zon) uyt- 

geschoten. 
D. i. glinsterende, gloeijende, alsmede de naamwn. 
fluister en vluister, glans, gloed, bij Kil. Huister; 
Cats' Wercken, I fol. 538: 

Siet voor eerst een schoone vlam, 
Die schier aen de solder quam ; 
Maer het is terstont gedaen 
Als de fluyster is gegaen. 
Van Lodensteyn, Uytsp 3.^: 
Ja 't vier aan *t branden.. 
Ja sendt sijn kracht, en dringt sijn fluister 
Door 't vel, om 't vleesch met pijn te brden. 



Se ver ij ns Mengel. II. 104 : 

— Sie haer bey te moe, 
Hoe langs hoe feller 
Aen 't gloejen. Dat geen zaef dien vluister bhu 
Men vergel. voorts Blaasteren, waaraan bluisteren 
nauw verwant is 

Bobberen— Bobben 

Dobberen komt voor in opbobberen^ hetzelfde als 
opbobhelen, zie Bobbelen. Dus Bredero, Griane, 33: 
Op bobbert uyt de grondt, ghy gladde Meere- 
minnen i 
Goster, De Rycke Man, 1: 

O vader, die 'm van oudts gingh onder 't kroos 

bedelven. 
Dien doet ghy bobbren op. 
Ten Kate, De Schepping, (3e dr.) 41 (van padde- 
stoelen) : 

Zij bobbren op en bersten, 
Het beeld van den Nijd, 
En blazen een gifdamp 
Die doodeHjk bijt. 
Volgens De Taalgids, IV. 29, is in het dordsch 
taaieigen bóbbet*tje bloedworst de bijnaam van een 
goeden sukkel. Ook in het eng. is het subst 
bubble een onnoozel mensch, iemand die zich laat 
bedotten, een sul; en to bvbble iemand bedotten, 
welke beteekenis ontleend is van het bedriegelijke 
van den bobbel of waterbel, en in dezen zin heeft 
Halliwell het primit. io bob. 

Bodderen— Botten. 

Volgens Schuormans' Idiot. is bodderen in het 
vlaamsch hetzelfde als boddelen. Zie dus dit w. 

Boenderen—Boenen 

Het frequent, boender en komt voor in het too- 
neelsluk Margrietje (Amst. 1639), 23: 

— nou die vaetsheydt is eboendert 
En uyt eveeght, sy gaet nou daer heur Jantje 

hoendert. 
Ook het holsteinsch heeft boonem, het houtwerk 
met een stijven borstel schuren, in Grimms Wtb. 
bohnem ; van boenen, hoogd. hohnen, neders. boo- 
nen, bonen, böhnen, zweedsch bona enz Het eng. 
bij Halliwell heeft to boon voor den openbaren weg 
herstellen, en boofimister voor den opzichter over 
dat werk; wij zeggen tde straat boenen' voor met 
den bezem en water schoon maken; bj Huygens 
het schoonmaken van schoenen, Korenbl. I 544 : 
lek sie niet een paer niewe schoenen. 
Ik sie niet een paer oude boenen: 
AU 't slijck van gist' ren hanghter aen. 
Vandaar het bekende werktuig boende; Meerman, 
Gom. Vet 78: dcU ick haer... met eenen selvigen 



48 



ROENDFSIEN. 



50 



boender geschroot heb. — Met eene byzondere toe* 
passing gebruikt Schermer boenen voor »van eene 
waardigheid ontdoen"; Poêzy, il2: 
(Gy) Dorst wél Minutins wm d* edle waar- 

digheit 
Des Burgemeeaterschaps om zyne laf heit boenen. 
Huygens heeft onboend {ontboend) voor schoon- 
geveegd, Korenbl. I. 539: 

— Vind ick een Uuys voor aerdigh 
En achter niet onboent, in 't midden Hfdelijck, 
En uitboenenj fig. voor wegvegen, heeft reeds Van 
Uildegaersberch, Ged. 82: 

Die langhe veete ende groote gheschüle 
Die aoe heeft hi cd gheaoenty 
Reyn ghemaect ende uutgheboent. 
Een WW. boenen leest men Van Heelu, vs. 53i6 : 
Vele liede^ met sterker vaert^ 
Torsse ende te voet met groten roten 
Boenen met eyseliken stroten; 
Crieerden gruv>elike, ende liepen 
Achter die Brabantre^ ende riepen: 
Slaetj voet ende brint enz. 
Willem» vat dit op als een praesens, en verklaart 
dan boenen^ beunen of bonden^ door getier maken, 
verwijzende naar ^oun, bij Epkema nit Gysb. Jap. 
opgeteekend. Doch boenen is hier het imperf. van 
bonnen, d. i. vloeken; bij Kil. zijn nbannen^ vloecken 
ende schenden," het "tbannen ende schenden" uit- 
drukkingen voor sinistra imprecari, dirib devovere, 
execrari, detestari; dirae, sinistra imprecatio, de- 
testatio, execratio; Van Hasselt staaft, die uitleg- 
ging door een voorbeeld, en ook bij Outzen is 
banjej bannje, vloeken, ééne der beteekenissen van 
hel WW. bannen^ in den ban doen, waarvan men 
xie de Wdbb. van fienecke en Grimm. 

Met ons ww. boenen heeft dus Van Heelu's boe- 
nen niet te maken ; en even weinig het adj. 6oen 
uit het Ck>nstthoon. Juweel, 321 : 
Mfter off die persoenen somtiits niet cU te boen 

en waren. 
Een halff slacht^ off erom was van leeden 
Voor *t naaste denk ik hier aan het fransche bon, 
goed, dat blijkens Hailiwell ook in sommige engel- 
sche dialecten is overgenomen onder de vormen 
van ban en boon^ van welk laatste de uitspraak 
met de spelling onzes rederijkers overeenkomt. 

Bolderen— Bollen- 
Ten Ka te, II 593, leidt bolderen af van bollen, 
bij Ril. klappen ; doch bij Stalder een hevig geraas 
of gealonunel maken. In zulken zin is het ook 
bij Six van Ghandelier, Poësy, 304: 

— met zoo dom getier 
Of Heemel tegen Heemel bolde. 



D. i. met stommelend geweld tegen elkander botste. 
Het frequent, bolcteren geeft dan ook een heriiaald 
stommelend geraas te kennen, zooals van een rij- 
denden wagen ; Rand teek. van den Statenb. op Na- 
hum 2, VS. 4: de wagens sullen met sulcke snel- 
licheyt ende rumoer door de straten en stegen der 
stadt rollen, en hollen^ en bolderen, alsof de voer- 
lieden .. dol ende rasende waren. Op Jodl, 2, vs. 5: 
als ofmen een hoop wagenen hoorde op de bergen» 
daer sy een sulck bolderen ende rammelen maken. 
En in den tekst zelf Jerem. 47, vs. 3 : het geraes 
sijner wagenen en het bolderen sijner raderen* 
Van fieers, Levensbeelden, 102: 

— kwam daer een wagen, tot klinkens 
Opgestapeld van d'oogst der boekweit, nader ge- 
bolderd. 
Zoo ook van het geraas des donders; Sluiter, Eyb. 
Sanglust, I: 

Daer gy uw opperzalen zoldert. 
Van waer gy met uw donder boldert. 
En van hevig geschut; Hooft, Ned. Hist. fol. 252: 
(dat) Vhans vinniger vuur gegeeven, endtlyk met 
zoo yslyne slaaghen geboldert (heeft) enz. Mac- 
quet, Dichtl. Uitspann. II. 10: 

Dan boldert het kanon; — 
Van Beers bezigt op1>olderen van het stommelend 
oploopen eener trap; Gevoel en Leven, 35: 

— h^ boldert .. den donkren trap op. 
De afl. boldering leest men bij Heyns. Bartas* 
Wercken, II. ii. 215: 
— d ander (t. w. de leeuw) (steeckt) uyt sijn 

keel, gheterghXi als eenen dander 

De bolderinghe stuer, vier spouwende daer onder. 

Om het geluid nog nader af te beelden, heeft men 

het compos. holderebotderefi; Van Rusting, Duvels 

Leven onder de Duv. 126: 

Dat hem de Duvel eens verscheen^ 
En liet zich horen op zyn zoldreti. 
Met een afgryslyk holdreboidren. 
Waarvan de bijwoordelijke uitdrukking holderbol- 
der; H. van Halmael, Overdaad en Gierigheid, 73: 
Dit maakt malkandren dol, en rolt maar holder 

bolders 
In alle derteUieid malkandren over boord. 
Dit bolders is om het rijm op zolders. En Potgie- 
ter, Liedd. van Bontekoe, 34 (van Maurits' zeilwagen 
zingende) : 

Toen het holdebolder ging 
Eri de koensten zich ontzetten. 
Den bolden/vagen of bulderwagen, dien Weil. kent, 
vindt men in De Honigbije, V. 154: 
Hier vliegt een chais, daar hotst een lompe bol- 

derwagen. 



51 



BOLDEREN. 



5^2 



Voor ons bolderen xegt het hoogd. met ver- 
scherpte medeklinkers poltem^ doch in de dialec- 
ten ook holdem^ holletHj poldem en pollem; zie 
liöfer, Kehrein, Stalder, Schambach en Schöpf, 
alsmede Grirams Wtb. Ook in 't eng. bij Halliwell 
is holder een luid gerucht. 

Met eenige wijziging der bet. is poltem bij Anton 
dansen en feestgetier maken; polten^ poldem en 
poUem bij Scbmeiler beangst maken ; üherpoltem^ 
overweldigen; boldem bij Von Schroid alarm ma- 
ken; bollem brj Schmidt onstuimig te werk 
gaan, en ook wild spreken, rammelen, met welk 
laatste het bollen van Kil. overeenstemt. In onze 
dialecten vond ik nog bolderen voor het schreeuwen 
der korhoenders, volgens Dr. Volksalm. 1839, bl. 
187, in Drenthe gebruikelijk, waarmee wederom 
bollen voor huilend schreeuwen overeenkomt, dat 
Von Scbmid vermeldt. 

Een ander woord schijnt &o//en voor slaan, tref- 
fen; bij Weil. eenen os bollen^ d. i. voor den bol 
treffen; dus Six van Ghand. Poêsy, 130: 

Ik alongh den staf^ op scherpen steen^ zoo swciar^ 

Dat '« duivels stouirt daar heene rolde. 

Noch gaf het spuL esr ik hem bolde. 
Nog een ander is hollen voor rollen, bij Kil. van 
bol of bal^ waarvan ook zeker spel met den bal, 
kaatsen genoemd, bij Van Alkemade en Van der 
Schelling, Ned. Displegt. III. 245: dat de armen 
in geen herbergen mogten gaan^ nog keegelen, 
bollen of verbode speelen, Udemans, Geest. Ge- 
bouw, 15: 

Hoe wel dat uwen kloot seer ongestadig rolty 

Den Koning met een stoot ghy uyt het mid- 
den bolt. 
Vandaar verbollen; De Toekomst, XII. 395: Wat 
ze met hunnen vrijen tijd voor het grootste deel 
doen f Hem verbollen of verbÜjarten. Belg. Mus. 
IV. 247: 

Laet voeren tcaetspel, het steken naar den rynck, 

Steict naer den vyant . 

Zouckt den vyant ende gheen bolbanén. 
Zoo leest men nog bij Versnaeyen, Lange Jan 
(Brugge, 1864), bl. 12: dejaaWt;/urc/i6 prijsbolling... 
is afgeloopen, — ...hij heeft koning gebold. En bl. 17 : 
omdat hij nu de eerste bolder van het dorp was 
uitgeroepen 

Van bollen is ons compos. rollebollen; alsmede 
rolenbolen^ in Ulm een kaatsspel volgens Von 
Schmid. 

Bolleren— Bollen. 

Het WW, bolleren trof ik aan in Berkheys Zee- 
trinmph, I. 114: 






*s Lands Hulk hoe zeer geschokt^ geslingerd en 

gefolterty 

Dreef stil op de effe zee^ aan *twr<jtk te toef 

geboltert. 
In geen der mij bekende woordenboeken, ook voor 
het zeewezen, komt dit w. voor. 't Schijnt vast 
maken, bevestigen, te beteekenen. In zeemanstaai 
is bollen volgens Winschoten het zeil van de bezaan 
inhalen of korten ; misschien van bollen of holen, 
slaan, waartoe dan ook behooren kan hei eng.bolt 
voor touw, waarin het zeil genaaid wordt, en het 
neders. boller^ een scheepspaal of blok, om welk 
men de zeilen slaat en bevestigt. 

Bonsteren — Bonsen. 

Het WW. bonsen is bekend voor stoeten of slaan, 
dat een dof geluid geeft. Tiling heeft daarvoor 
bunsen en bumsen; Bemd bumssen^ bumpen en 
bumpfsen; Von Delling pumsen^ pumpsen, Von 
Schmid pompen, hummen; en het eng. to bounce, 
bij Halliwell to bunch. 

Als frequent, kwam mij pumpem voor bij Ueber- 
felder Het vlaamsche bonsteren heeft denzelfden 
zin bij De Bo, die ook, met uitlating der «, bonte- 
ren er voor heeft. 

Boorderen— Boorden. 

In Goomherts Wercken, I. fol. 462* verso leest 
men : De boorderinghe van Incredulitas ivas met 
gulden letteren beschreven .. ende hadde de boor- 
deringhe van Inconstantia niet dan swepen ende 
sporen d" een onder den ander vermenghet ende 
rontsom den rock gaende. — Dit w. is blijkbaar 
omboording, omzooming, en onderstelt een ww. 
boorderen. Het beantwoordt aan het middelned. 
borderen; Die Rosé (door Dr. Verwijs), vs. 13227 : 
bine targe uxzs... 
Van stouteme al gemaect, 
Die tiaddi vaste ane hem yesaect, 
Ende al gebordert met onwerden. 
De frequent.- vorm komt overeen met het eng. to 
border, gelijk het prim. met het fr. boi*def% mid- 
delhd. horten, 

Botteren— Botten. 

In Serrures Vad. Mus. III. 57, leest men: die 
houden ende leven op vrouwen van lichten leven, 
ende hanteringe hebben van quaden terlingen, ende 
botteren. — Zoo het in Oudemans' Bij dr. I. 792, 
juist gezien is, heeft men hier een ww. botteren 
voor valsch spelen, en alzoo in dez. bet die het 
WW. hotten meermalen heeft, zooals blijkt in desz. 
Schrijvers Wdb. op Bredere. 

Brijseren— Brijaen. 

Met verwisseling der tongletters heeft het vlaamsch 



53 



BRIJZEREN 



54 



roor br^zden het frequent, brfjzeren; zie De Bo 
en voorts het art. Brijzélefi. 

Bulderen*— Bullen . 

Bulderen verschilt alleen in klank met holderen 
en wordt ook in de bet. met dit meermalen ver- 
wisseld. Verg. dit w. benevens Balderen^ waarvan 
betzelfde gezegd kan worden, doch *twelk alleen 
bij ons minder gewoon is. Vondel voegt bulderen 
en balderen bijeen, Faëton, 41: 

Au blixem^ het %r noot. nu bulder, balder, donder^ 

En weêrlicht — 
En Zungchin, 37: 

Het dondren baldren en buldren der kortouwen. 
Waf bij ons een bolderwagen heet, noemt het Brem. 
Nieders. Wtb. buller-u}age. Het neders. zegt bul- 
lem voor btUderen^ zie Richey, Schütze en andd. en 
'leng. bij Halliwell heeft in dien zin io buller. 
Bij Oatzen is buüem donderen, en bij Danneil het 
knappen van een hevig vuur. 

Wij kennen het w. met toepassing op het ge- 
schut en den wind ; Van Merken, Nut der Teg. 
242: het buldrend zeegebruisch. En 3i2: laat de 
storm vry buldren. Bilderdijk, Mengelp. I. 29: een 
buldrend stormgeweld. Bogaers, Gezam. Dichtw. 
I. 89: 't bulderend Noordwest. — Doch iig. ook 
op de menschelijke stem, die zich met woestheid 
doet hooren. Dus Levens van Plut. fol. 427 verso : 
Twdck de Kamerlinck uyt arcfieydt seyde... om 
(den Coninck) aen Hapreecken te brenghen, ende 
oen 't bulderen. Hooft, Ned. Hist.fol. 877: als 
NoH van Caron .. hun met straffe woorden toe- 
dreef... bulderden z'er teeghen aan^ met half ver- 
twyfelde grimmigheit. 

Zoo ook uitbuldereti ; Moons, Sedel. Verm. Ton- 
neel, 467: goet en quaet buldert hy uyt. Vondel, 
Brieven, 5: 

Hy grimt my grimmigh toe, en buldert uit, vol 

tof^en, 
Nomsz, Grabriéla van Vergy, 22: 

Faiel weet alles, ja! uitbuldrend' hoogst ver- 
stoord, 

Verwyt hy bitterheén die gy niet hebt gehoord, 
Snieders, De Verstooteling, 86 : terwyl hy een oen- 
tal bedreigingen uitbulderde. — Welk woord intus* 
scben ook van het geschut gebezigd voorkomt, b. v. 
Loots, Nieuwe Ged. Bi : 

Tervfijl de Trompen, meteen donderend geluid, 

Uw glorie bulderden langs verre watren uit. 
Niet onaardig is overbulderen voor overschreeu- 
wen; Van Rusting, Aran en Titus, bi. 3: 

Zet vry een bast op, of je Cerberus verbluffen 

En overbaldren toout: — * 



Met andere voorzetsels heeft men voorts hetzij 
meer of minder eigenlijk, aanbulderen; Vondel, 
Joann. de Boetg. 40: 

De storremunnden, fel aenbulderende, ruisschen* 
Nomsz, Vader 1. Brieven, I. 50: 

Hy bulderde onbezuisd zyn* Konings zuster aan, 

Als waat^ zy zyns gelyks, en deed dees taal my 

hooren. 
Loshulderen; Bilderdijk, N. Uitspruit sels, 17 (van 
golven, die): 

Dan, met het schtdmend hoofd ten hemel opge- 
stoken, 

Losbuldren, en elkaar verdringen onder H koken. 
Ombulderen; Immerzeel, Ged. I. 32: 

Het noorden ombuldert ons hutjen op ^t norscht. 
En opbulderen; Westerman, Ged. Hl. 57: 

De buijen buldren op, de gure winden loeijen. 
Bij Kil. is verbulderen iemand door harde woor- 
den nederslaan, overbluffen, andera ook verhalde- 
ren, zie Balderen. Dus de Levens van Plut. fol. 
131: Maer Plato daer nae henluyden verbuldert 
hebbende. Fol. 142 verso: hy noyt sprack met de 
andere Crijchsoverstens .. of het was alfijdt met 
een toomich gemoet, ende verbulderdese scham- 
perlick. EnfoL169: de sommighe werden verbul- 
dert door het gheroep ende ghewelt van de gemeente. 
Erasmus, Lingua, 17: met groot geroep ende getier 
alle dinek willen bevestighen en verbulderen. Aid. 
91 : dat wy op ons maerten ende knapen schimpich 
kijven ende haer verbulderen. Van Ghistele, Te- 
rentius, Phormio, bl. Iviij: 

Te deghe heeft hy gheiaecht int gadt 
Uwen vadere, en hem verbuldert int leste. 
Weilands afl. buiderig leest men bij Coomhert, 
WenJien, H. fol. 241 verso : hoe bitter ende bulde- 
righ zijne penne was. 

Den primit.-vorm vindt men Van Vrouwen ende 
van Minne (door Dr. Verwijs), bl. 73: 

Wanneer een kaerl wort recht verguit, 

So ra£st hi wie en dwaes die bult. 

Sijn aensicht drint (d. i. zwelt op) hem ende 

zwüt, 

Hi sweert, hi doemt, hi vloect, hi seüL 
Van Santen, aangeh. bij Oudemans, Bijdr. L 852: 
Altljt moetje doch krackeelen 
G^ijck d* onheuse kaeckers doen. 
Of je bult wanneer wy speelen, 
Höfer heeft biUlen voor brullen of loeijen van het 
runddier, bij Frisch bullen, pullen, bolen, bij Lexer 
pullen. Van het brullen of loeijen — en niet van 
de halsbel als Bilderdijk in zijne Verkl. Geslacht!., 
of van den teelbal, als Tuinman wil — heet de 
stier bid, hoogd. biUlOj boUe, zweedsch bola ens. 



SB 



BULDEREN. 



S6 



Bulderen*— Bullen. 

Het hier bedoelde prim. zou ook hollen kannen 

luiden, van hol, opgezet, rond van vorm. Met 

de u zeggen we nogtans ook hulster en hvlt. 

Maerl. Sp. Hist. III. 225, noemt Godevaert sdie 

huulriggedet" d. i. de bolgerugde. 

Hiervan is huideren bol opzetten ; bij J van Dans, 

Thyrais Minnewit, I. i86: 

Stcienee (d. i uw lipjea) opgebuldert rondt. 

Dez. Kushemel, 25: 

Anna zette straks hoer muyltje 

Opgebuldert met een huyltje 

Ofse Kinders stillen wouw. 

Aid. 45 (meer figuurlijk): 

Hoe meer sich dan sijn vyer verspreyt 

En buldert tot een grooter vlam. 

Met dit huideren komt overeen het eng. to hol- 

leny bij Halliwell voor zwellen opgeteekend; en tot 

het primit, hullen, hollen, breng ik ook ons hollen^ 

in onze gemeenzame taal het gevoel hebben van 

eene aangename of strooiende gewaarwording, 

als ziende op het zwellen of opzetten der borst, 

zooals dit uit genoegen of trots pleegt te geschie» 

den. Men leest het w. bij Van Effen, Holl. Speet. 

I. 159 : niets bold (de mvuwen) zo, niets doet 'er 

zoo'n vermaak enz. Sluiter, Gesangen, 258: 

Want siet, aldaer is weggeworpen , 

Ja Sauls schild, alsof hy niet en waer geweest 

Gesalfd met Oly, 't welk den vyand bold op 't 

meest. 

Schaap, Bloemtuyntje, 223: 

Want hy weert eeti vyand af 

Die hem listig bolt van hinnen. 

In dezen zin zou men ook kunnen uitleggen het 

roiddelhd. ww. hallen, naar welks bet. Benecke 

vraagt : 

daz vrouwen wolgevallet 

und lieht gemüete ballet. 
D. i. dan (lieht voor liht genomen) : wat de vrou- 
wen wel bevalt, en het lichtzinnige gemoed aan- 
genaam is. 

Buikeren— Bulken 

Het frequent, hulkeren komt, zoo de druk juist 
is, voor in Van der Veens Zinnebeelden, 262: 

— €loen Belgica de handen, 
Geklankt ten Hemel sloeg, en vreugdevuyren 

hranden, 
Liedt heyeren 't Metael, liedt buikeren de Slangh, 
Wiens vuyrige vergift maeckt trotse krijgers 

hangh. 
De slang, die hier hulkert^ in plaats van huiderf, 
is een stuk geachut van dien naam Hel w. is 
overigens niet ganach onbekend, want ook Huppel 



zegt. in zijn Idiotikon, dat hölken of hölkem in Lijf- 
en Ehstland voor hevig bulken van het rundvee ge- 
bruikt wordt. 

Dat voorts het welbekende hulken afkomt van 
hullen, een brullend, loeijend of ander geluid ma- 
ken (zie Bulderen^), valt in het oog. Een zachter 
vorm is huigen, het kugchend hoesten van een oud 
man ; Der Lek. Sp. III. 45: 

— dcUtie oude 
Biden hoert zitten zoude 
Hoesten, bulghen, spade ende vroe. 
De variant heeh- bulsen, wat ook Kil. vermeldt, en 
meer voorkomt; Belg. Mus. X. 63: 

Hi huisde, hi buisde; die stanc wcu groet. 
(Htdsen en hulsen is blijkens Kil. een gewone uit- 
drukking, zooals reeds in het Gloss. op der Lek. 
Sp. is opgemerkt.) Houwaert, Lusth. der Maech* 
den, I. 654: 
Houdt u manierl^ek als kloecke verstanden, 

In *t hoesten, in 'i bulsen, in 't niesen, in 't 

gheeuwen. 

Waarvan ook hulzig; Janssen en Van Dale, Bijdr. 

VL 330: 

Hoester hyement, ie worde bulsich mede. 
Een geheel ander hullen leest men bij Maerl. 

Sp. Hist. m. it>5: 

ü privilegie es spot ende sceren. 
Voet* aUe princen, vor allen heren, 
Ie wane ghire in sijt verdullet : 
Soe wcu met hotren ghebullet, 
Sone conste ghene zonne gedogen, 

D. i. verzegeld, van hul, huUe, roman, hulki, ze-- 

gel ; zie Beneckes Wtb. i. v. en Diez, Ëtymol. Wtb. 

I. 73. 

Buiteren— Bulten. 

Beide wwn. heeft het vlaamsch voor meelziflen, 
builen of buidelen. Voor het primitief zegt ook 
het eng. bij Halliwell to hult en to houlte; het 
fransch per metathesin hluter, doch Hécart weder- 
om hulter. Over de afleiding des woords zie men 
eenige gevoelens bij Scherer. 

De Bo noemt hulteren het freq. van hult&fi, d. i. 
^uitzetten, uitwaarts buigen op wijze van eenen bochel 
of gezwel." Dit ww. hulten, dat ik van het vorige on- 
derscheid, kennen wij meest door het deelw. g^nUt^ 
toegepast op iemand die eenen bult heeft, of op 
voorwerpen met bulten voorzien. Meerman, Gom. 
Vet. spreekt van hultekaarten, 56: de Stuyrluyden 
stelden sommige soo slot^igen cours op hcuir bulte- 
caerten, enz. Aid. 103: doende tptnddn van Buite- 
en Platte-OserUm hegonden tegens den anderen 
oen te waeyen, — De Lijst achter het werkje ver- 
klaart de benaming breedvoerig; het zijn h%dte of 



57 



BULTEREN. 



86 



ronde kaarten, waarop de breedtegraden naar het 
noorden wasaen en vergrooten en 2ich dus uitzet- 
tm, in tegenstelling van de plcUte kaarten, op welke 
die Tergrooting geen plaats heeft. Bij StQrenburg 
is hüUen hoopen maken. Vandaar ook uithuliefiy 
dat men leest voor uitzetten, ophoogen, bij Oudaan, 
Roomsche Mogenth. 216: den heuvel^ . naa de 
mart uytbultende. — Het adj. huilerig^ bij Weil. 
gemist, kwam mij voor bij Voet, Stichtel. Ged. 
I. 127 : 

— een benauwd en moeilyk pad^ 
Vol dorens^ bnlterig, en glad. 



Daaqeren— Daaüen. 

Daaijeren vermeldt Hoeufft in zijn bredaasch 
Wdb. met de beteekenis van talmen, en gist het eene 
verbastering te zijn draaijelen^ freq. van draaijen, 
tzich besluiteloos keeren en wenden, zonder te 
weten wat men doen zal." De hoogl. Siegenbeek 
in den Letterbode (van iSSd) kon zich — te recht 
voorzeker — met die afleiding niet vereenigen, en 
gaf eene andere, die, mijns inziens, evenmin steek 
hondt, L w. van het ww. dagen^ dat in den Fer- 
gnnt voorkomt en ttoeven, talmen" zou beteeke- 
nen. Veeleer schijnt daaijeren het .freq. van een 
ww. dcM^en, dat mij nog wel niet is voorgeko- 
men, doch dat naar zijn' klank niet ongeschikt 
zijn zoOi om een langzaam bewegen, een sleepend 
voortgaan, een treuzelend handelen aan te duiden. 
In het holsteinsch is deien voor wiegen in gebruik; 
Nares en Halliwell hebbén to dode voor kinderen 
leeren loepen, en ook langzaam voortbewegen, dat 
wellicht dezelfde woorden zqn. Zekerder is het, 
dat het zelfst. nw. daai bij ons en elders bestaat 
voor eene onhandige, treuzelende vrouw; in Meu- 
lewels' Timon Misanthropos (Antw it^), leest 
men iO: 

Onraedeaem dani, sottiny ghy averrechtse daey 

Ghy duüe kaüemoey en opghetoyde vlaey, 
In het xwabisch is volgens Von Schmid dai eene 
eenvoudige, onnoozele vrouw, en volgens Fulda, 
Genn. V^urzelw. 276 en 334, daik een dommerik, 
iemand die op niets let, die, zooals men zegt, 
Gods water over Gods akker laat loopen. 

Met het freq. dcuUjeren kan vergeleken worden 
het ww. dareny dat zoowel bij Stalder als bij An- 
ten (St I) trauselen, langzaam zijn in spreken en 
handelen, beteekent; en als Von Schmid zegt, dat 
hem van het zwab. ww. datteln^ langzaam, kin- 
deriijk, ongeachikt te werk gaan, datiem^ bang 
zijn en dat in lijn spreken door stotteren aan den 
dag leggen, geen primitief ww. is voorgekomen, 



zou hij wellicht gewezen kunnen worden op het 
zoo even vermelde eng. to dade. Ook Heng zelf 
heeft bij Halliwell to daddle voor waggelen, on- 
geschikt iets doen, en treuzelen. 

Door met Siegenbeek daaijeren van ons middel- 
ned. ww. dagen af Ie leiden, legt men in dit w. 
eene beteekenis, die het mist, t. w. die van tal- 
men. Het zegt, zooals Benecke het uitdrukt eig. 
den dag doorbrengen, en vandaar verblijven, ver- 
toeven, verwijlen. Dus in de twee door Siegen- 
beek aangeh. pil. Fet*guut, vs 39: 

iVeen te, seit hi, ie sie 't weder 

acone ende claer, in wille niet daghen, 

hedi ie wille varen jaghen. 
En VS. 4978 : 

Hi riep ridders ende seriante^ 

dat si aisierden Galarante, 

ende leidene ter coninginnen 

Genoeveren, si vnlden kinnen; 

si hadde vele van hem horen saghen^ 

hedi moeste hi met hare daghen. 
D. i. daarom (omdat zij Galaitint, van wien ze zoo 
veel gehoord had; nader wilde leeren kennen) moest 
hij met of bij de Koningin verwijlen^ eenigen tijd 
doorbrengen. iMet de Koningin talmerC' zou on- 
zin wezen. Dus ook dikwerf elders; b. v. Lance- 
lot, B II. VS. 9665: 

Gine sijt niet wel genesen nu; 

Gi moet hier daegen tater stonden 

Dat genesen sijn uwe wonden, 
Ën VS. 46272: 

Dus hieven daer alle met vlite 

Ende dageden metten hermite, 
Walewein, vs. 4144: 

Dander twee ooc niet ne daghen, 

Sine treeken swaerde sonder soelden. 
Vs. 6679 : 

Dame was gheen van dien 
Die so langhe dorste daghen 
Ter porten^ enz. 
En VS. 10659: 

Ie wane hi daer onlanghe daghet. 
Kausler, Denkm. L 52: 

Hi voer tote sijns wijfs vader te hanty 

Den hertoghe van Sassen^ ende daer 

Bleef hi een stie daghende daer naer. 
En 149: 

Om dat Diederic met siere ghewelt 
Daer (t. w. te Rijssel) meest daghede ende heU. 
En II. 468: 

Voer dien ccuteel daer si laghen 
En willen si niet langher daghen. 
Zie wijders de pil. aangeh. door Dr. Jonckbioet, 



59 



DAAIJEREN. 



60 



op Kar. de Groote, 281 (waar men intuascben voor 
»Kausler, vs. 490" te lezen hebbe >T8. 730**). 
Hetzelfde als dit dagen beteekent ook gedagen; 
Maerl. Sp. Hist. II. 380: 

Moer eer hi staerf haddi ghedaghet 
So lange daer^ enz. 
D. i. verwijld; de eerate uitgave, IV. 344, verstond 
hier lals in een rechtsgeding voor den vrede plei- 
ten." N. Werken van de L. Maatsch. I. l. 221 : 
Si en cansten niet gedagen ; 
Si en vloen dersi dandre sagen, 
D. i. zij konden geen stand houden^ blijven staan; 
de Uitlegger denkt aan gedoogen voor uitharden, 
doorstaan. Blommaert, Oudvl. Ged. I. 18: 
Doer die vrttcht van sinen slagen 
Voer hem en conde niet ghedagben. 
D. i. door de vrees voor zijne slagen kon niemand 
voor hem stand houden. Anders is gedagen wat 
wij opdagen noemen, d. i. verschijnen, zich opdoen; 
Van Heelu, vs. 4277: 

Ons es heden groot geval 
Hier op desen doch bedaget. 
En VS. 5771 : 

— u es bedaget 
Dat ghi lange hebt gheiaget 
Der Lek. Sp. I. 96: 

Ie waenre lettel bedaghet 
Diere diemen hier ghenaecht. 
Dus naar de variant; de tekst heeft ghedaecht; 
de zin is: ik meen, dat er zich weinigen opdoen 
van hen, die men vermeld heeft. Ën in dien zin 
versta ik dagen^ Belg. Mus. 1. 278: 
Ghestadelicke^ sonder verwandereny 
Sprac soe vroedelike die maghet 
Van onsen ghelovej wat vromen het daghet. 
D. i. (in bedrijvenden zin) wat nuttigheid het (ge- 
loof) doet opdagen, teweegbrengt. In den Fer- 
guut, VS. 1666: 

vrienty seit hi, dat di Godt moet daghen, 
wijst mi den horen ende *t hoeftcleet^ 
in cans vinden, dafs mi leet. 
vat prof. Visscher dit daghen mede bedrijvend op, 
als »behoeden, eig. de dagen besparen, verlengen," 
en ook prof. Jonckbloet, t. a. p. bl. 28:2, geeft die 
uitlegging. Zij komt mij echter niet gestaafd en 
dus te gewaagd voor; ik denk liever aan opdagen, 
verschijnen, of, zooals wij zouden zeggen, nabij 
zijn, en dus onzijdig. 

Voor het ww. dagen leest men tagen. Episodes uit 
Maerl. Bist. van Troyen (door Dr. Verdam), vs. 6713: 
Die vander stat werden versaecht, 
Daer en was niet langhe ghetaecht, 
Sy en ghingen vlien hoer ende daer. 



In de noot leest men: »Men leie ghedaegt, van 
daghen z= rusten, talmen." Het woord vtalmen" 
moet hier vervallen, zie het boven door mij opge- 
merkte. Dr. Verdam verwijst naar vs. 2931, uit 
hetz. werk, waar men leest: 

Si daden maken nuwe scilden, 
Haer orssen maerschcUken ende daghen. 
En naar vs. 4308: 

Witte, yseren, scarpe sweerde 
Hadde elc als hyt begeerde. 
Die orsse gemarscaUt ende gedagt. 
met bijvoeging, dat de laatst aangeh. pi. beantwoordt 
aan het fr. : 

Séjomé sont li buen destrier. 
Dagen staat dan gelijk met séjoumer, verblijven, 
of (wil men) rusten ; doch niet met talmen. {Een 
ors marschalken is een paard beslaan.) 

Dabberen— Dabben. 

Het frequent, dabberen is in het vlaamsch vol- 
gens het Alg. VI. Idiot. hetzelfde als dobbelen; zie 
dus dit w. 

Daggeren— Daggen. 

In het Alg. VI. Idiot. \% doggeren, deggeren ^^hei 
rondloopen van boren, in stede van dadelijk het 
hout in te gaan." 'k Weet het w. alleen te verge- 
lijken met het eng to daggle, bij HalliweU slee- 
pen, nasleepen, ook loopen als een kind, het freq. 
van het mede aldaar voorkomende to dag, dat 
onder anderen mede sleepen, sleuren, aanduidt; 
het subst. dcigge is daar een slip of lap die sleurt 
of slingert. 

Dakeren— Daken. 

Bij KiL zoowel als in de neders. Wdbb. van 
D&hnert, Richey, Schambach en andd. is daaJi 
nevel, daken nevelen, nevelig zijn, en dahig, dO' 
kerig, nevelig. Kil. heeft tevens dakeren, dat hij 
niet als met de vorige wn. verwant schijnt te be- 
schouwen; hij noemt het oud vlaamsch, in de bet. 
van fladderen, zwaaijen, wapperen. Werkelijk 
komt, naar *t schijnt, het freq. dus voor bij onze 
Ouden; Ferguut, vs. 3894: 

hi sach dakeren die banieren 

mettetx mnden, ende menech ponioen. 
Grimb. Oorlog, II. 265: 

Men sach daer dakeren heerUKe 

Menighe baniere op den velde, 
Bl. 267: 

Dus sach men dakeren baniere viere, 
Intusschen is, naar ik meen, de bet van wapperen, 
die anders op de banier bij uitnemendheid past, 
niet de ware of eigenlijke, en komt het frequent, 
van het vermeide daken, nevelen. Niet alleen toch 



M 



DAKEREN. 



02 



komt dit prim. in denz. zin van wapperen voor; 
Grimb. Oorl. II. 42 : 

Daer quam Gerciert van Aaache 
Met sinen maghen wel f er harnasache^ 
Nevens sijn baniere dakende sere. 
Maar ook dakeren wordt aangetroffen in een' an- 
deren zin, Walewein, vs. 9799: 

Recht voer die swerte of hi uter helle 
Hadde ghecomen dakerende daer. 
Hier kan men moeijelijk aan wapperen denken; 
de zin Tordert opdoemen, of, zooals Willems, Belg. 
Mus. VI. 54, zegt, opdauwen, d. i. uit den doom 
of nevel te voorschijn komen, en zich in 't licht 
vertoonen. Deze bet. komt overeen met die van 
de wn. daak, dakig en daken, en leidt ook tot het 
schemeren, schitteren, vonkelend golven der opge- 
stoken of zich ontplooijende banier. 

In De Navorscher, XXIII. (1873), bl. 355, wordt 
uit den Spieghel der Volcomenheit (Hs. van 1419) 
fol. 23, aangehaald: want sy (d. i. de eigen wille) 
is alleen een fundament^ daer alle ongheoerdi- 
naertheid van sonden op ghedadert ende rust, — 
Br. Van Heiten meent, dat hier ghedakert moet 
gelezen worden; de zin zal dan zijn, dat alle wan- 
ordelijkbeid der zonde nederkomt en rust op de 
eigenwilligheid, en de lezing wordt waarschijnlij- 
ker, daar rusten evenzeer gevoegd wordt bij het 
primit. daken in de rederij kersplaats, ald. aangeh. : 
Des hemels vaders troostelic woort . 
Waer op hope ende ghelove rust ende daect. 
De br. Oudemans leverde in mijn Arch. IV. 259, 
een drietal plaatsen van op iets of iemand daken, 
uit het tijdvak der rederijkers, en gist dat het w. 
daar »op het dak komen, t'huis komen, op iets 
neèrkoinen'* beteekene. De zin laat stellig zulke 
opvatting toe ; doch de vraag is, of het beeld van 
den nevel ook hier niet zou kunnen toegepast 
worden. Nevelen is in nevels opstijgen, doch ook 
in nevelen nedervallen en zoo nedervallen in 't al- 
gemeen. In Den Boom der Schriftueren, (door Dr. 
Schotel), 28, leest men: 

Noch eenen pot wijns haelt eer icker by daecte. 
D. i. volgens het Gloss. ^beneveld werd." Dat zal 
dan zijn voor insluimeren, want er gaat vooraf 
erae opwekking tot »slapen." De onvolm. verl. 
tijd in plaats van den tegenw. is om het rijm. 
Goomhert zingt van een vernieuwd hart, Wercken, 
I. fol. 487 verso: 

Het is ontschaaekty daar ruste daakt, 
En smaackt de eyndeloose deughde. 
Op gelijke wijze Haerlems Juweel, 14: 
lek gae geeme me tot die metten droeven geest 
Maden zyn; want op hoer veel smerte daect. 



Mij dunkt, Feith zou hier gezongen hebben: 

— daar smart of ruste dauwt 
En bedaken is bedauwen in Vlaerd. Redenrijckb. 108: 

Mits ghy Wijsfieyt aenroept, sol u Wijsheyt 

genaken. 

En neffens Wijsheyt sal u Waerheyt oock be- 
daken 

Met spraken, daer niet een tittelken aen gebreckt. 
Meer letterlijk voor nedervallen, Haerlems Ju- 
weel, 12: 

En nochtans sou elck wel willen den prijs crijghen. 

Al sou aX haer ghelt op muyl of kettiel daken. 
Een ander daken, en waaraan de hr. Oudemans 
dacht, heeft Dullaert, Ged. 22: 

— Babel, trots gedaakt, de pronk van al dat land. 

Dammeren— Demmen. 

Bilderdijk bezigt opdammeren, Mengel. IV. ^24: 
Echter zoo van de oude jammeren 
Weer een schemer op mocht dammeren. 
En op zijn' voorgang Ten Ka te (iamm^ren ; Dicht w. 
11.95: 

(Zij) drinkt mijn troost in duizend kusjes in. 
Tot, alteras! de wreede morgen dammert. 
D. i. aanbreken; een germanismus. Het nederl. 
WW. is deemsteren; zie dit. 

Dapperen— Dabben. 

Dapperen is zeeuwsch voor plasschen, met de 
voeten doorwaden ; Zeeuwsche Volksalm. 184Ö, bl. 
192 (van paarden) : 

Hun poolen 

Gaan klapperen 

Bij 't dapperen 

Door H water- 

Geklater. 
Heinsius heeft het w. voor zijpelen of pruisen, Ne- 
derd. Poemata, 112: 

— zijn oogen die bestonden 
Van tranen overdeckt te vloeyen en terstondt 
Quam hem een leelick nat gedappert uyt de mondt. 
Dit WW. is in beteekenis en oorsprong één mot 
dobbelen; zie dat w. 

Daveren— Daven. 

Bij Outzen is daw geraas, getier, geweld, en 
dauwen razen, tieren, geweld maken. Daaraan 
verbindt zich het denkbeeld van de beweging, 
waarmee dat geraas of getier vergezeld gaat, of 
liever die dit teweegbrengt. Plantija en Kiliaan 
onderscheiden het ww. daven^ razen, van daven^ 
schudden, dreunen; dit is echter één en hetzelfde 
woord, zooals de friesche en nedersaksische dialec- 
ten toonen. Bij Wiarda is dawan gedniiuch of 
getier maken; bij Dahnert dawen^ bq JSturenburg 



(tt 



DAVEREN. 



64 



zoowel als bij Richey en andd da»en woelen, tie- 
ren, razen enz., waarvan bij D§bnert dawendicheiU 
uitgelatenheid, dolheid. Ook het eng. to tave bij 
Halliwell vereenigt de bet. van in beweging zijn 
met die van razen. 

Het frequent, dat bij Stürenburg davem en bij 
Schambach ddwem luidt, had bij ons reeds van 
ouds de nog geldende bet. van het schudden van 
den grond; blijkens Grimb. Oorlog, II. 86: 
Men mocht e die eerde daveren horen 
Daer sy te gader ghevaren qaamen. 
Waar de variant heeft sdreunen." Vollenhoves 
Poösy, 71: 
Zy staat . 

By 't hruis^ daar aardtryk hang van davert. 
Ook andere schudding wordt er door aangeduid; 
Uouwaert, Lusth. der Maechden, II. 256: 

Ja door mijn beven daverde 7 bed' daer ick 

op lach. 
Aid. hooger: 

Zoo het bies door den wint te daveren plach. 
En D. I. 52(): 

Zoo lanqhe als Boreas de looveren ruren zal^ 

En de hootjhe boomen doen daveren met kraditeu, 
»De spies daveren" zegt Plantijn is haar drillen; 
en dus 'tww. in bedrijvenden zin; zoo leest men 
bij Grous, Jos Dr. Bly-eind. Spel, II. 188: 

Wiens Hoofd de Croone draagt^ xoiens Handde 

RÜksstav* daavert. 
Doch wederom onzijdig in de Lev. van Plut. fol. 
113: dat de spies die sijn beelt in de hant hadde^ 
ghedavert hadde. Higt, (red. 104: 

Dat ieder scheutje naar mijn veld/luit drille en 

daver ! 
Somwijlen geldt het w. voor klinken, waarbij dus 
het geluid weder op den voorgrond treedt; Jan 
Vos, Ged. II. 19: 

— daavert dit te dof om my bekend te maakenf 
Indiervoege zingt Tollens, Ged. II. 96: 

— dronken van den lof^ die AsiverX uit den stoet. 
Als afl. met voorzetsels heeft men opdaveren; G. 
Brandt, Veinz. Torquatus, 24: 

— toen Room' deed door haar vreugdevlam 
Den heemel, aat*dt en zeen opdavren, en weer- 

lichten. 
Even dichterlijk is nederdaveren bij De Swaen, 
Leven en Dood van J. C. I. 160 : 

Terstond komt uyt de wolk een stem als eenen 

dotuier^ 
Die dese uswrden doet neérdaveren naer onder. 
Revius, Psalm 18, vs. 2, voegt op en neer bij elkadr : 
De bergen hoogh en waren niet te stiUen^ 
Hoer diepete gront die daverd* op en neer. 



Doordaveren; Bilderdijk, Wit en Rood, I. 77 : 

Zoo t Englendom zijn God mag prijzen^ 

Ook de aard doordavert van Zijn lof. 

N. Dichtochak. II. 76: 

Dat bosch en strand doordaver' van H gerucht! 

D i. onzijdig; doch ook bedrijvend; dez. Wit en 

Rood, I. 80: 

Dees stem... 

Doordavert cLdr- en zenuwspranken. 

Sprokkel. 47: 

Zijn vreesselijke stem doordavert dak en wand €7%. 

Da Costa, Kompl. Dicbtw. III. 242: 

't Heelal der hemelen van loutre harmony 

Trilde en doordaverd werd — 

En ronddaveren; Vinkeles, Temora, 71: 

Hij doet de stem des krijgs^ in 't koopren schild 

besloten^ 
Ronddaavren langs het veld; — 

Meer gemeenzaam is daveren en uitdaveren voor 
wat men anders noemt drillen, heendrillen, uit* 
drillen; Bekker en Deken, Gom. Wildschut, IV. 
191: Mevrouw Lenting denkty dat zij heel naar 
Engeland gedaverd zijn En D. III. 7b: land- 
juffrouw(en)^ die zo hard zijn als spijkers^ en door 
allerlei wéér er op uitdaveren. 

Van daveren heeft men de afleiding davering^ 
dus Vervolg op Wagenaar, XXIX. 320: de davering 
' van hunnen godloozen Throon. — Alsmede gedaver; 
Ten Kato, Dichtw. I. 34: Omvergeruktby 't storm- 
gedaver. 

Het eng. bij Halliwell heeft to daver voor ver- 
bazen, verdooven, doen verstommen. Die bet wijst 
op de uitwerking of het gevolg van het daveren 
in den eig. zin; en zoo kunnen ook to do ff en to 
daw^ in hetzelfde lexicon voorkomende, ^oor vrees 
aanjagen, verachrikken, dezelfde woorden zijn mei 
het primit. daven, 

Deematereu— Demon. 

Demen komt voor in het middelned. bij Snellaert, 
Nederl. Ged. 369: 

— hier boven in dewecheytj 

Daert en dagei no en deemt, 

Noch nemmermeer inde en nemt. 
En in bedemen^ bij Kil bedeemen^ verduisteren, eng. to 
dim, van het angels, dim, duister, eng. (bij Halliwell) 
dimmcydimly^dimish; waarvan ook dimness, bij Hall. 
dimhedcj duisternis, dimming, krieken van den dag, 
dimmet ën dimpse, schemering; bij Anton, St. VII 
dammen, licht benemen, beschaduwen, aldaar on- 
juist van dam, beschutting, afgeleid. Dus N. Reeks' 
van Werken der L. Maatsch. II. 235: 

Moer gheeft ons ter vaert 

Uwe wapene ende u poert. •. 



6S 



DEEMSTEREN. 



66 



Het 9€U eer htmdertwarf bedemen 
Eer ie u ene slee sal gheven. 
D. i. doister of nacht worden. Vandaar deemstig, 
bij Riliaan demstigj overeenkomende met het ge- 
noemde engelsche dimish^ duister; Goster, Po* 
lyxena, 68: 
Dat ick myn eyghen kint niet ken door H deem- 

stig licht. 
Anders meer gewoon demsler, deemster of deim- 
ster; Belg. Mus IX. 60: 

Dies hliven si ewelic int verdriet 
Int ewige demster sonder verlaet. 
Aid. 85: 

Inder demster hellen grachte. 
D. IV. 203: daer worden zy overvallen in eender 
deemster nacht. En VI. 45: 

De lucht beroert, deimster ende druckigh. 
Vandaar demstemisy deetnêtemis, demsterheid, deern- 
^terhmd, deimsterheid, duisternis ; Meijer, Lev. van 
Jezus, 3: dat licht scheen in den demsternepsen. 
BI. 147 : de menschen van der wet^elt hebhen liever 
de dematemessen dan de clerheit des lichts, BI. 
154: worptene in dechterste demsternesse. Blom- 
maert, Oudvl Ged. II. 6: 

Dies unllic weder varen 
Te mijnre aermer scaren, 
In die deemsternesse. 
De Casteleyn, Konst van Rethoriken, 80: 

Verlicht ons, die in deemsternissen sitten belaen. 
Blommaert, a. w. I. 65: 

DtiS sijn si ghesceden beide, 
Tote in der demsterheide. 
Maerl. Sp. Uist. I. 17 : 

— God versdet deemsterheit cnde lecht. 
Aid. lager: 

Die quade ingle, die hi hiet 
Vallen in die deemsterhede. 
D. II. 414 : 

Die meester vander deemsterheden. 
D. i. de duivel. Leven van St. Amand, I. 137: 

— ter quader stede, 
Die vul es van deemsterheden. 
Maerl. St. Franc. Leven, vs. 10109: 
Aldus staref de keitij f. 
Der zwarter deemsterhede kint. 
En vs. 2757: 

Al woest els waer deimsterhede, ■ 
Dat si sagen bider clarede. 
l>««ianiis. Der Oud. Vad. Coll. fol. 90: die duy ster 
Jeemsterfaeit der sinnen. 

Andere voorbeelden dezer woorden zie men bij 
Clignett en Steenw. Schatk. 176^184; Prof. De 
Vriee in miin Taalk. Mag. IV. 72 en Gloss. op 



Der Lek. Sp., en Prof. David, Glosa. op Maerl. 
Rymb. (*) 

Vandaar bij Kil. verdeemsteren, verdemsteren, 
bedeemsferen, verduisteren. H Laatste kwam mij 
voor in de Springh-Ader aller Kinderen Gods, 131 : 

Of heeft sy somtij ts schijn, 't is als bedeemstert 

glas, 

Dhaer gheen oprechten glants noyt binnen quam 

ghestrekeiu 
De Brune. Bancketw. I. 64: wanneer haer (t. w. 
det^ ghesteenten) spel en luyster bedeemstert en 
doof gheworden is» 

Het hoogd. zegt voor dit ww. ddmmem, bij Wein- 
hold demmetm, bij Schmeller verdumpem, van 
dimper, dumper, duister, bij Schutze en Scham- 
bach demmerig enz. Zie ook Ten Kate, II. 614, 
en Dammeren en Dimmeren, Er kan mede toe be- 
hooren verdemmen voor smoren, verstikken, bij 
Van Toorenenbergen, Acten van de Golloq. d. Ned. 
Gem. in Engeland, 133: int toetste is quaef om 
overwinnen, dat int eerste met cleenen arbeyd had 
moghen neergheleyt ende verdomt worden. 

Deisteren— Deizen. 

Het frequent, deisteren komt voor in bedeisteren, 
\ welk men leest bij Tuinman, Spreek w. II. 69 : 
Men weet dat jonge kinderen hunne moeders al 
dikwyU bespuwen en bedeisteien, zo dat zy vry 
wat te kuischen, ie vagen, te wasschen en te plas- 
sen hebben 't Is daarom een spreekwoord: Wie 
heeft zyne moeder niet bekakt f — Het verband doet 
zien, dat bedeisteren hier gelijkstaat met bekak- 
ken; en een primit. deizen of deissen zou in den- 
zelfden zin te wettigen zijn door het oudhoogd. 
daisc, deisc,h\\ GrafT, V. 231, mest, stercus; waar- 
van ook bij Von Schmid dduschen, deischen, koemest. 

't Vei'dient opmerking, dat, gelijk mest of mist bij 
ons zoowel stercus als dikke nevel beteekent, nevelig 
en ook vuil bij ons wordt aangeduid door deizig 
en dizig; zie mijn Taalk. M?ig. IV.Ö75, en Archief, 
II. 161. Voor de twee genoemde vormen van het 
adj, ontmoette ik dijzig; De Honigbije, V. 26: 



(*) Eeo ander deern dan den wortel der bier vermelde wn. 
leest men in de Antw. Spelen van $inne,595 (waar >Truycken 
meickstoop" spreekt): 

Ter vroljfcker mert wU ick my gaen tpoeyent 
Met mynen melcHe, "tsal tegh toel focken. 
Al sou mün trouwe wat vreemts oermoeyen. 
Want de deme die vol was, is slap getrocken. 
De verklaring van dit woord scbynt gegeven te worden door 
hel akeo5cb dialect, dat volgens M Ulier en Wellz dame zegt 
voordesptiben aan de uyers der koe- De vlaamscbe RederQ- 
ker nam d' me voor den uQer zelf De verwantschap van dit 
woord met am. voedster, mam of mem, vrouwen borst, ligt. 
dunkt mQ, voor de band. 

a 



67 



DEISTEREN. 



68 



Dan volgt een dag wm slecht vermaak^ 
Gansch dyzig, mottig^ en ook vaak 
Verzeld van zuydelyken regen. 

Denderen— Dennen. 

In de Camera Obscura van Beets (5e druk), leest 
men bl. 94: het gesnor aan onze ooren en 't ge- 
dender aan onze voeten (t. y/. van een rijtuig). — 
Dit subst. onderstelt een ww denderen, een dreu- 
nend of stommelend geluid maken, derhalve ver- 
want aan donderen; van dennen, bij Schmeller 
danen, voor donderen. Als verwant aan dit danen 
of dennen mag men aanmerken het eng. to dene, 
bij Halliwell een geraas of gerammel maken, waar- 
van bij denz. het part denned; het subst. dene, 
dean, dane, geraas, gerammel; en to dander, dat 
hobbelen, waggelen, bcteekent en alzoo niet op het 
geluid, maar alleen op de beweging wijst; even- 
als het hiertoe behoorende dinderen, dat in het 
dialect van Urk, behalve donderen, ook aanduidt 
»de knie op en neer bewegen, terwijl het voorste 
van den voet op den grond blijft." Zie De Taai- 
en Letterbode, VI. 3i; en verg. Dinneren. 

Detteren— Detten. 

Volgens mijn Archief, II. 160, is delteren in de 
boerentaal van Axel i>met de eg rijden, dat de tan- 
den slepen." Dit mij overigens nergens voorge- 
komen WW. kan zijn van detten, bij Schmeller 
ddtscheny bij Schöpf datschen, (wol)kaarden of 
kammen, d. i. over de kaard of kam (bij Schmel- 
ler ddtachnj wollddtsch, hoogd. karddtsche, fransch 
cardasse), halen of strijken, hoogd. kardatschen, 

Dibberen'— Dibben. 

Beide wn heeft het vlaamsch voor dubben, d. i. 
in het onzekere zijn, lat dubitare, volgens de Idiot. 
yan Schuermans en De Bo. Zie ook Dubbelen. 
Halliwell heeft duberous en duber$ome voor twij- 
felachtig. Met voorplaatsing der s heeft het vlaamsch 
bij De Bo sdijberen, stijberen, voor dralen, aarzelen. 

Dibberen*— Dippen. 

Dit dippen is het angels, dippan, dyppan, depan^ 
eng. to dip, friesch en noordholl. deppen, d. i. doo- 
pen, indompelen, en voorts drukken, nederdruk- 
ken, onderdrukken. Het friesch heeft daarvan 
bedjoepen, drukken, veimederen, mishandelen, be- 
nadeelen; zie Epkema. Bij Stürenburg is bedüpen 
bedriegen en bij Von Schniid üherdipsen iemand 
benadeelen en bedriegen. Bij ons heet dit bedie- 
pen; Van der Veen? Zinneb. 46: 

Hel is een Salomo, die niet en werl bedrogen . 

Of listelijck bediept door rf' opgepronckte looqen 
D. i. bedrogen, of, zooals onze volkstaal het uit- 
drukt, ingepakt Bij Kil. is duipen met neerge- 



drukt of gebukt hoofd gaan ; en het subst. duipen 

of duiper iemand in die houding daarheengaande, 

bij Plantijn duipen »un lourdaud." Dus leest men 

in de Rotterd. Spelen van Sinne, 233: 

Wy en zullen u niet ontsluypen fellijck, 

O ft anders een du y pen quellijck zouden wf/ 

slachtetu 

En Antw. Spelen van Sinne, 371: 

T^af duypen coemt ons hier^ siet, Hennen van 

vlessen. 
Wat hooft sijt ghy doch? 

pat dit w. één is met het fransche dupe, d. i. een 
onnoozele, iemand die zich lichtelijk laat inpakken 
of bedriegen, valt in het oog, en zoo zal dan ook 
wel de oorsprong ontdekt zijn van het ww. duper, 
waarvan de laatste mij bekende etymoloog ver- 
klaarde, «etymologie inconnue." Roquefort, zoo- 
wel als Ménage, achtte duper afkomstig van het 
lat. decipere. 

Van het ww. dippen of diepen komt bedibberen, 
dat in den bildtschen tongval beteeken t bedwin- 
gen; beter waarschijnlijk: onderdrukken* zie Taal- 
gids, III. 282. Het oostfriesche dibbem, dat Stü- 
renburg joodsch-duitsch noemt, en welks beteeke- 
nis is druk praten, is waarschijnlijk een ander, en 
hetzelfde w. met dippelefi bij Von Grolman ond. 
and spreken, van dippen^ aldaar mede vermeld. 
Ten dia u, Sprichw. und Redensarten deutsch-jüd. 
Vorzeit, S 42, vermeldt gedibber, gepraat, gesnap, 
als navolging van het joodsche da&ber, dat hetzelfde 
beteeken t. 

Didderen— Didden 

In het Alg. VI. Idiot. is didderen, ook dedderen 
en dudderen, bibberen of beven van koude. Het 
w. komt overeen mat het eng. to didder, bij Hal- 
liwell to dedir, to dadder en to dudder, beven, 
trillen, en het prim. didden met het eng. to dud, 
t. a. p. trillen, schudden. * 

Dat de wn. verwant zijn aan het nederl. sidd-e- 
ren^ zooals Johnson en Bailey meenen, kan men 
bevestigd zien op Sidderen. 

Dimmeren— Dimmen. 

Dimmen komt overeen met het eng. to difn, ver- 
duisteren ; zie Deemsteren. Vandaar dimsterheid, 
duisterheid; De Harduyn, Goddel. Lofsanghen, 141 : 

— de dimsterheydt van *twout. 
Ook bij Wiarda is dimme duister, bij Stalderdtm- 
mer; dimmem^ owdhé.betimbem^ verduisteren; en 
zoo ook de Teuthonista, die dimweren {dymme- 
ren) heeft zonder eenige vertolking, doch waar- 
mee wel niet anders dan het frequent, zal bedoeld 
zijn, dat verduisteren beteekent, en, blijkens het 
aangevoerde, in andere talen of dialecten, en mede 



69 



DIMüfEREN. 



70 



in 'tvlaamscb, deDzelfden wortelklank heeft, die 
aan de korte e, in vele andere woorden aanwezig, 
zeer nabij komt. Volgens Stalder, Schweiz. Dia- 
lectol. 186, Jeeft het ww. nog in het tjslandsch. 

Dmderen, zie Denderen. 
Dinneren— Dinnen. 

De Teuthonista heeft dinneren (dynren) voor 
iluden, sonare " De oorsprong van dit vf. is niet 
ver te zoeken, als men denkt aan het eng. din, 
gelnid, gerammel, geraas, en to din, iemand door 
zutk geluid als verdooven ; van het angels, dyne, 
geraas, donder; dynian^ geraas maken, donderen. 
Nauw zijn deze wn. verwant met denderen en 
donderen; zie dezen. Voor donder heeft Halliwell 
ook 't sabst, dinder. 

Disteren—Tissen. 

Volgens Halbertsma, Overijss. Wdb. is disteren 
in zijn dialect shaspelen en twisten.'* Van het ww. 
tissen is de wortel tis niet onbekend, voor ge- 
draaide of gevlochten knoop of knot, waarmede 
overeenkomt bet friesche Hes, verwarring, hol- 
steinsch iiss^ Hst; in de ties of iiss is in de war. 
Dus bij Goster, Polyxena, 8: 
Zo dal de tissen zijn niet dan door 't sivcuirt te 

ontwarren. 
Oudaan, Roomsche Mogenth. d99: baard en haren, 
die aan tissen gedrayt zijn Aid 70 : welker baar^ 
den in gedrayde haartissen verdeelt zijn. — Dezelfde 
verzachting der t, die in disteren plaats heeft, 
ontmoet men in het subst. dise bij Dahneil, dies 
bij Schütze, en dysse bij Strodtmann, een knotje 
vlas. Ja ook nevens to teaze heeft het eng. bij 
Halliwell het primit. werkw. to dise en to dize 
voor vlas op een spinrokken doen. Het nederl. 
WW. tissen leest men voor draaijen, vlechten, bij 
Bodecheer Benningh, Leydsche Oorlofd. 113: 
Haer baerd getist lagh als een woud 
Met onbesneden blader hout. 
Oudaan, a. w. 48: 

Het haar getist^ de baard in een gewrongen. 
Aid. 56: dat het (haar) aan lokken getist en op- 
gebüfidelt geweest zy. Doz. Aandacht. Treurig- 
heyd, 14: 

Zijn valsche reden hangt getetet^t en getist. 
D i. verward. Van Rusting, De Kat in 't Vage- 
vuur, 82 : 

Zo zeer is alles in malkander 
Verwart, gehaspelt en getist 
Mourentorf, Twee Boecken van Lipsius, voorafg. 
Liedt : 

Al waert, dat lasterlick getist 
Op hem waer borgiierli^cke twist. 



Bodecheer Benningh, a. w. 14: 

In wat drucken, in wat wenschen, 

Ghy ghestaedigh zijt ghetist! 
Bekker en Deken, Willem Loevend, IL 75: al dat 
tissen en kribben om de Schrift. D. i. warren, in 
fig beteekenis, zooals bij dezz.Econom. Liedjes, 446: 
Hoor, ik hou niet van dat tissen. 
Vandaar bij Kil. vertissen, dat hij gelijkstelt met 
verwarren ; benevens de bij hem niet voorkomende 
afleidingen ineenlissen en onttissen, allen bij onze 
schrijvers, zij het dan ook met kleine vormwijzi- 
gingen, voorkomende; Spieghels Hertsp. en Ze- 
deschr. 196: 

De eeuw, die wy beleven, 

Die is geheel vertist 

Door misverstand ghedreven, 

In woord en kerken twist, 
Aid. 311 : 

— eer sy twist 

In Goods woord vaten an, die élck te vroegh 

vertist. 
Het Nieuwe Hoomse Speel w. 126: 

— menigh hert 

Dat in H Net van de Min werdt beset en benart. 
Ja vertist eer hy *t gist of voéldt. 
Baaidt, Deugdenspoor, 219: 

— woorden van een dobbel Sin, 
Een Slechaert (sic) die vertijster in. 
Bekker en Deken, a w. V. 248: indien Chrisjes 
hart niet te zeer in het wargaren der liefde ver- 
titst is. — Oudaan, a. w. 337 : die kronkelige^ in- 
eengetiste, en slibbergladde slang. — Bodecheer 

Bonningh, a. w. 147: 

— soo verwert 

In stracke ketens van de min. . 

Dat hy sijn sieltje door gheen list. 

Door gheene moeyten weer ontist. 

Bruyiofskost, 97: 

Datmen, door kragt noch list 

Die warrinq noit onttist. 

Van het ww. tissen heeft dus disteren op eene 

natuurlijke wijze de bet. van haspelen en twisten; 

in het neders heeft het w., aldaar ook diosteren 

ei diusttren gespeld, den zin van vechten. Met 

anderen frequent, vorm heeft het friesch bij Ep- 

kema tijzeljen, verwarren, waartoe bij denz. be- 

hooren Üjzeling, tijzelhoofdig en tijselzinnig, war- 

hoofdig, twistziek; het ww. tijzelhoofden, in de 

Koddige Opschriften, L 153: 

Tyzelhoofden, towm-bedunngen... 

Dan noch duizend zulk geveert. 

Plaagt hon, die een School regeert. 

Dat tissen verwant is met teezen, waarvan teister 

ren, schijnt duidelijk. 

3' 



71 



DOBBEREN. 



72 



Dobberen— Dobben. 

Het WW. dohhen leest men bij Lu y ken, Duitsche 
Lier (druk van i860), 76: 

Nu dobden hy in al de Golven^ 
Die hey zijn beenen vetst bedolven, 
D. i. gingen op en neder, naar de beweging der 
golven, en dobben is dus na verwant aan tobben 
(waarvan zie op Tobbelen); het eerste kan geacht 
worden eene zachtere beweging aan te duiden dan 
hot tweede. De dobber is bekend ; Schaap, Bloem* 
tuyntje, 47: 

Ik haeUT een dobber op, en siel ik ving een Snoek. 
Krook, Spieg. d Wanschikkel. Tooneelst. 33: 

Het geuit op en neer gelyk een visschers dobber — 
Het is van dat op- en nedergaan, dat het voorwerp 
zijnen naam heeft. Ook bij lateren; Van *8 Gra- 
venweert, De Ilias, IV. 177: 

Aan 't moordend lood gelijk, dat naar den grond 

moet glippen. 

En, aan zijn* dobber vast, de heldre stroomen 

scheidt. 
Ten Kate, Dichtw. U. 160 : 

\^Hij) houdt bedaard de hengel veist. 
En ziet den dobber gaan. 
Met dobben komt overeen dubben bij Gremer, Anna 
Rooze, II. 123: de lange zwarte oogwimpers dub- 
ben op en neer. — En zoo dan ook in o verdracht i- 
gen zin bij Sprankhuisen, Geestel. Balsem, 3 : 
dat (de mensch) veeltijdts dubt, druloort, vreest^ 
droevigh is en weent, niet kennende seggen waer^ 
om hy sulcx doet, alles sonder oorsake en bil- 
lijeken grondt Gats, Wercken, I. fol. 461 : 

De stiennan dubt wat dienstig is begonnen. 
Udemans, Verkeerde Werelt, 905: 

Hier dubden hy dan op, en stondt met sijn ge- 

peynsen enz. 
Van Lodensteyn, Uitsp. 128: 

LcMt dubben, dutten in gepeynsen... 
Die Jesum niet lief en heeft. 
M. Nieuwenhuyzen in Brender è Brandis' Magazijn, 
L227: 

Verdwaalde I die hier dubt en mort om 's Hee- 

ren wegen. 
Dat zal wel ontleend zijn van den toestand van 
iemand, die op het water dabt of dobbert, zooals 
van iemand, die in eene zaak niet tot een besluit 
kan geraken, gezegd wordt, dat hij ^geslingerd 
wordt." 
Een ander dubben heeft Van Velthem, fol. 259: 
Het bleu' er menich .c. gedubt 
Ter langer Mere indie beke; 
6i ne hadden noyt so quaden weke, 
D' een versmorde daer den ander. 



Dezen dubden niet op de golven, maar er in; zij 
werden er door bedolven ; zie Epkema, i. v. Dobbe. 
Van dobben is het frequent, dobberen, dsii ia dus : 
herhaaldelijk op- en neder bewogen worden, zoo- 
als voorwerpen op het water; Lublink, Thomsons 
Jaarget. 88 : Waar de vyver met een groen schuim 
bedekt is, wemelen onzichtbaare millioenen in de 
dobberende groente. Van Winter en Van Merken, 
Tooneelp. 245: 

Al dobbrende op een plank. Van Merken, Germa- 
nicus, 263 (van eene vloot): 

Zy danst en dobbert op het rustloos roUend zout. 
Van Oosterzee, Mozes, 17: terwijl de lieveling op 
het watervlak dobbert. Da Gosta, Kompl. Dichtw. 
L 37: 

Daar dobbren dan die dappre scharen 
Op de altijd tmstdooze zee. 
Ongewoon is debedr. bet. bij Goster, Polyxena, 54: 
En 't lichctem wert in zee ghedobbert van de 

winden. 
Bij overdracht wordt de beweging toegepast op bet 
menschelrjk gemoed of verstand ; Vervolg op Wa- 
genaar, VIL 237 : dobberde men in onzekerheid 
wat 'er van de zaak zou worden. Bilderdijk, Edi- 
pus, Voorafspr. 26: De Rei dobbert in twijfel, en 
hangt.,, den Koning aan, Dez. N. Mengel. 1.252: 
Zoo dobber ik hier weer om het hoe te begrijpen. 
Dez. Bydr. tot de Tooneelp. 1 14 : mijn twijfel- 
moedig dobberen Van der Palm, Al de Leerred. 
X. 240: 't zij hij besluiteloos dobbert, en heen en 
weder geslingerd wordt, niet wetende, waartoe 
zijne keus te bepalen. — Eene enkele maal ook wel 
eens van andere voorwerpen; Verv. op Wag. 
XXXni. 228: In eenen onzekeren en hachlyken 
staat dobberden onze Buitenlandsche Bezittingen. 
Het frequent, komt met verschillende voorzet- 
sels voor; Ten Kate, De Zondvloed, 19: 
De Gods-ark, midlerwijl, aandobberende in 't 

verschiet. 
Valentijn, Werken van Ovid. III. 159 : Nu bid ik 
dat het {schip) sonder onheil... die zee doordob- 
bere. Siegenbeek, Leerred. I. 16: een arme schip- 
breukeling, die. . op een roer- en masteloos schip 
omdobbert. Dez. Museum, III. 80: zet dit eiland, 
dat eerst op de golven omdobberde, zich vast. 
Halbertsma, in De Vrije Fries, IX. 221 : nadeU wy 
lang als een speelbal van den storm hadden om- 
gedobberd. Bilderdijk, Mengel. IV. 51 : 
Op de baren rond te dobberen. 
De afl. dobbering komt bij Bilderdijk voor in de 
fig. bet. van wisseling, onzekerheid; Ghalmers' Be- 
wijs enz. 71: hy zou al de dobberingen van zijne 
geschiedenis niet hebben kunnen voorzien. 



73 



DOBBEREN. 



74 



De samenstelling dobherweugde beteeken t eene 
vreugde, die uit afwisseling ontstaat ; De Honigbije, 
IV. 43 (van de goden) : 

^i Is uwMir, somwyl min straf, verwislen zy de 

plaagen 
Mei iet dat otis gemoedt verheugt: 
Maar zulk een ligte dobbervreugdt 

Eaali zelden by het lèedt *tgeen wy daarna 

verdraagen. 
Minder overdrachtig, maar meer schalks wordt 
de uitdrukking toegepast door De Brune, Jok en 
Ernst, 94: in gelegen theydt van 't geen twee Ge- 
liefjes doen^ wanneer zy die dobbervreught genie- 
ten^ zender wélkers toedoen al myn Lezers noch 
tegenwoordigh zouden wezen ter plaats, daar zy 
voor hunn' ontfankenis waren. 

De aangewezen afleiding van dobberen is te dui- 
delijk en de gang der beteekenis te regelmatig om 
dit werkw. als een denominatief van het znw. 
dMer, dat van doppen, doopen, zou afkomen, te 
beschouwen en alzoo als frequent, te schrappen, 
zooals Dr. Van Heiten in De Taal- en Let terbode, 
lY. 2d4, verlangt. 

Het vlaamsch zegt voor dobberen met verwisse- 
ling der vocaal dubberen en dibberen; zie deze 
artikels. 

Dodderen*— Dodden 

Beide wwn. komen bij onze schrijvers voor; Van 
Rustings Werken, I. 649 : 
Daar leg ik hier en brui, en dodd, en droom, 

en waak; 
Dan wil ik slapen, en dan heb ik weer geen vaak, 
Bilderdijk, Buitenleven, 21 : 
Ook dan, wen Halles slaapt en doddert om u 

heen. 
Zij beteekenen sluimeren, even inslapen, of eig. het 
zijn tusschen slapen en waken in. Ons primit. 
vindt men terug in het middelhd. totzen, getotzen, 
bij Benecke voor sluimeren, bij Lexer tutsch'n, bij 
Schöpf dutschen^ aldaar verklaard als »door een 
dotje (bij Schmeller dutzel) in slaap gebracht." 

De wortel des werkwoords is dod, dodde, in 't 
h-iesch bij Gijsb. Jap. meermalen voorkomende, in 
't nederl. verscherpt tot dut, dat nog in onze spreek- 
taal in gebruik is voor sluimering, b. v. in den dut 
zijn, een dutje doen enz. Dus Gamphuysen, Ps. 3, 
T8. 7: 

— slapen met een lust 
En wederom ontwaken, 
Ontleegt van allen dut. 
Van der Veens Zinneb. 205: 
Dies raekl^ ik diep in dut en schreef al kleyne 

streepen. 



Aid. II. 438: 

— u saken zijn in den dut. 
D. i. fig. gezegd voor : in verwarring. Vondel, Jos. 
in Duthan, 47 : 

Och, broeders^ spreekt recht uit, etx helpt my 

uit den dut. 

Och, zeght wasr Joseph bleef, — 
Zoo zeggen wij insgelijks: iemand uit den droom 
helpen, d. i. uit onzekeren toestand brengen, te recht 
helpen. Dez. Poêzy, I. 721 : 

(Jupijn) in zich zelven gram verrijzend uit 

den dut. 
Wagenaar, Vad. Uist. VIL 223: niemant zo koen, 
die hier tegen kikken, of hen uit den dut helpen 
durfde. — Meer in den zin van onbedachtzaamheid 
leest men het w. bij Mostart, Mariamne, 28: 

Een kleynen dut alleen, die zal my nu be- 

rooven 

Van die genaede en gunst, die ik, voor al mijn 

slooven, 

En al m^n weldoen, hier verkreegh van lan- 
ger hand. 
waarop geantwoord wordt: 

Ghy, trouwélooze, zoekt uw misdaad te ver- 
bloemen. 

En, tot verschooning, dien alleen een dut te 

noemen. 
Zie ook het Wdb. des Inst. op Hooft. Van slui- 
mering gaat de bet. van het w. over tot die van 
bedwelming, en Kil. kent het alleen voor delirium ; 
in den Teuthonista is dod gek en dodden gekken; 
in het eng, to dote suffen, mijmeren, kindsch zijn; 
in 'tfriesch bij G. Jap. doddjen dutten, suffen en 
waggelen ; in 't fransch radoter, oudfr. redoter, suf- 
fen, raaskallen; bij onzen Kil. dutten, doten, deli- 
rare, desipere. Nogtans is dutten bij ons in den 
gemeenzamen stijl zeer gewoon voor sluimeren in 
den eig. zin Vroegere schrijvers nemen het ww. 
doorgaans voor mijmeren, suffen; Vlaerd. Reden- 
rijckb. 2d2: 

Hy staet by-na en dut oft heel sijn kradit ver- 
dween, 

Ende oft hem verscheen twyféling voor de oogen. 
Bi. 426: 

Broerken, broerken, ghy dut, met kakelen noch 

met seggen 

Ist niet te doen — 
Vondel, Toonneel des Mensch. Lev. 76: 

Ziet hoe de Philosoof hier aan ds Tafel dut, 

En den gezonden Wijn heel zoberlikken nut. 
D. i. mijmert, peinst. Dez. Jos. in Doth. 14: 

Dan wijder raet geleeft: nu nergens in gedut. 
D. i gesuft. Dez. Maeghden, 62: 



75 



DODDEREN. 



76 



— ^tgespoock stond naer 

En vreesselijck by nacht, de kr^fgftsman eten hei 

dutten 

Wijckt afj verloopt^ en ick zoeck hen vergeefs te 

stutten, 
D. i. in bedwelming of verwarring rakende. Bre- 
dere, Roddr. en Alph. 33: 

Wy parsten soo den Suxirt dat hy de vlucht 

verkoor^ 

Verliet verhaast den buyt en H bange lijf in dutten. 
Hoe mijn vriend Oudemans hier aan sslaan" heeft 
kunnen denken, is mij onbegrijpelijk; in dutten is 
nagenoeg hetzelfde als het voorafgaande verbacist, 
namelijk in bedwelmen ot verwarren; de verbaasde 
Hoor verliet (raakte kwijt) in verwarring den buit 
en het leven tevens. Gats' Wercken, I. fol. 189: 

Sit uwe man en dut, met droefheyt overvallen, 

Ten is dan geensins tyt om dan te komen mallen 
D. i zit te dutten (en niet zooals Epkema \hs:zit 
indut), d, i. ernstig of droevig mijmeren of peinzen. 
Van Lodensteyns Uytspann. 128: 

Lcuif dubben, dutten in gepeynsen, 
Laat suchten vry soo lang hy leeft. 
S. van Hoogstraten, Den Eerl. Jongeling, 47: 
Ten past geen Brutus schrandre geest, 
Te dutten over bouw en ploeg. 
D. i. peinzen, mijmeren; meer voor in verwarring 
of onzekerheid zijn bij Valentijn, Werken van Ovid 
Hl. 92: de menigte van oorsaken doet my dutten, 
en twgffelen waar ik eerst sal beginnen. BI. 98 : 
soo Stoa ik hier en dut, niet wetende wat ik kie- 
sen wil. 

Mij dunkt, deze beteekenissen geven een goeden 
zin, en vloeijen rechtstreeks voort uit die van slui- 
meren; minder juist is het, in voorbeelden als de 
aangeh. aan twijfelen te denken, en dutten één te 
achten met het fransche douter; dit toch, oudtijds 
doubter gespeld, komt van het lat. dubitare, en 
is in vorm zoowel als in beteekenis er van onder- 
scheiden; zie Mr. A. Bogaers' Taalkundige Op- 
stellen, 19 en 42. Het moge zoo zijn, dat Vondel, 
gelijk Mr. Bogaers aantoont, dut bezigt ter over- 
zetting van het fransche doute: dit bewijst alleen 
dat de Dichter misschien beide woorden als iden- 
tiek heeft aangezien, waartoe zeker in de overeen- 
komst van hunnen vorm en in hunne vrij nabij 
komende beteekenis gereede aanleiding was. Dat 
Vondel zelf intusschen aan dutten de beteekenis 
van suffen hechtte, blijkt ook daaruit, dat hij meer- 
malen suffen en dutten bijeenvoegt, zooals uit 
eenige der talrijke, door Mr. Bogaers aangevoerde 
plaatsen blijkt, waarin hij door Loots werd nage- 
volgd. Nagel. Ged. H. 189: 



Gij, Amsterdammers! dut en suft. 
En de meening, dat de beteekenis van sluiroeran 
bij het WW. dutten van lateren tijd zijn zou, wordt 
weersproken door het middelhd. totzen, den oud- 
sten vorm, waarin wij *t woord kennen. 

Met be voorop hebben wij bedodden, bedotten^ 
bedutten, die naar de kracht van het voorzetsel 
moeten beteekenen: in sluimering, en fig. in be- 
dwelming of verwarring brengen. BedoddenheefX 
dan ook bij Hooft die bet. zooals uit de talrijke 
voorbb in het Wdb. des Inst. blijkt, waar men 
intusschen aan de verkeerde afleiding niet hechten 
moet. Gelijke bet. heeft bedutten; Heyns, Bartas' 
Wercken, H. i. 69: 

Sijn volc wel half bed ut met sijn vermaen ver- 

stout. 
Vondel, Poëzy, I. 105: 

Daer ghy, hoe jong en teer, de schorre donders 

hoorde. 

En met uwe oogen zaeght, en waert niet eens 

bedut, 

De blixems van het grof en van het klein ge- 
schut. 
En hl. 139: 

— Men hoorde Oranje lossen 

Tot zevenmale toe al H grof en kleen geschut. 

De berghgo&n kycken vit, vol twijfféls^ en bedut 
D- i. versuft, bedwelmd (door het hevige geschut). 
Dez. Helden Godes, 11: 

— maer Ruben noch bedut 

Te weegh bracht datze in Hhcl my lieten van 

een put. 
Dr. Van Vloten verklaart het w. hier door »be- 
dacht, beraden," wat te recht door Mr. Bogaers 
wordt afgekeurd; zie a. w. bl. 41. Mij dunkt be- 
dut, hier van Ruben gezegd, teekent den toestand, 
waarin deze was, t. w. van strijd bij zich ze! ven, 
of hij den raadslag zijner broederen zou bij stem- 
men, dan wel Jozef ledden; hij was in onzekerheid 
wat te doen, en daardoor verlegen, verward, als 
iemand die dut en alzoo niet helder ziet of denkt 
en niet weet wat te besluiten of aan te vangen. 
Zoo heeft De Vos, KI. van de Mofifin, 2: 

Hy was in 'teerst bedut, en hy stont as een 

mensch die droomt. 
En Gamphuysen van het hert, Ps. 119, afd. XI. ys. 1 : 

Het hert, benert, is angstigh en bedut. 
Valentijn, a. w. H. 20: Hier staat de man bedut: 
hart is 'tnjn liefde af te snijden; verdagtf de koe 
niet te vereeren. Aan dees* sijde raat hem sulks 
sijne schaamte, aan geene sijde ontraat het hem de 
liefde. 

Kil. heeft bedodden met eene eenigszina ver- 



77 



DODDEREN. 



78 



schillende bet. en wel dezelfde, waarin wij bedot-' 
ien gebruiken, t. w. van foppen, misleiden, bedrie- 
gen. Iemand bedotteti is hem in den dut brengen, 
d. i. in een verkeerden waan, zooals men met ge- 
lijke beeldspraak zegt: iemand in slaap wiegen, 
d. i. zegt Weil. smet schoone woorden misleiden." 
Stürenbiirg heeft insgelijks beduddjen, bedotijen^ 
dat hij verklaart door : bepraten, door overreding 
bedriegen. Van bedotten zij nog vermeld de afl. 
bedotterij^ fopperij, bedriegerij, voorkomende bij H. 
van Halmael, De Panlikker, 49: 

'K ben een vyandin van bedrog, en bedotter yen. 
En 61: 

Dat is bedottery, mijn Heer, die komt te laat. 
Hetzelfde als bedut beteekent verdut bij Bredero, 
Angeniet, 47 (waar van «de wetenschap'' gezegd 
wordt) : 

(Sy) maecktet groot vernuft van d'alder-eelste 

kloecken^ 

Verduyvelt en verdut oock breyneloos en sot. 
D. i. verward of ve.'doofd. Bij Kil. is verdut de- 
linis; verdutten, verdoten, delirare, radoter ; en ver- 
dutten verstompen, verdooven (actief en passief). 

Onze gemeenzame taal kent indutten voor in- 
sluimeren, en men vindt het gebezigd door S. J. 
van den Bergh, Heden en Verleden, 431: 
— de kachelj rood van gloed, 
Waarby de poes, met vriendlijk knorren. 
Indut eer de baas het doet. 
Onze en onzer naburen gemeenzame taal kent ver- 
schillende woorden, die meer of min fig. van de 
behandelde zijn afgeleid. Een dodde of dod zeg- 
gen wij voor goede sul ; vindt men hem of haar 
daarbij lief, dan zegt men dodje, anders doetje. 
Dus in Kruis Klucht van Drooge Goossen, 2: 

— gaet je liefde op sulck een meyt niet leggen; 

— hoe souje bewaert wesen met stUck een doetje I 
D. i. onnoozel meisje. Bekker en Deken, Gorn. 
Wildschut, III. 310 : Onze Keetje is zo een doetjen 
niet als haar vader geloofde! — Minder lief is het 
w. dof/, in den Nederd. Helicon, 237 : 

— maUe doyen. 
Die savonts, smorgens, sdaags, gaan slingren over 

straat. 
Bij Outzen is dodd, bij Schütze doti, bij Schöpf 
dotl en bij Lexer totfl een ongeschikt, onhandig, 
dom mensch, en dote bij Halliwell een dwaas. 
Als adject. komt hiermee overeen duts, dat Oudaan 
beeft, Toneelp. 76: 

— de Juffren duts en dom, 
Door druk en treurigheyd, zien nergens recht 

na om, 
En Poèzy, in. 431 : 



O dwaze daad der zinnen, duts eti dom! 
Dit duts en dom is tot één woord gebracht bij 
Van Rusting, Werken, II. 109: 

— dit domdoddig zoort van boeren 
Liet zig van my gewillig loeren. 
Zoo is ook doted bij Halliwell dwaas, simpel; dot- 
tig bij Anton, St. I. en Lexer, duizig bij Richey 
en Danneil, en duzzig bij Schütze eenvoudig, stomp, 
dom. Het nederl. doddig is bij Plantijn duizelig 
van hoofd, en dodderig is bekend voor slaperig; 
b. V. Focquenbroch, Werken, I. 272: 

— Sileen, die nu met kyven 

Zyn doddrig gezicht uit slaap begon te wryven. 
Gelijk men iemand die druilt of kniest, een 
druiloor of kniesoor noemt, zoo is hij die dodt of 
dut een dodoor of dudoor; Van Rusting, Ovid. 
Klaagged. 53: 

't Is met mijn geest, gelijk als met mijn lijf ge- 
legen : 

Ik ben een dod-oor, die nu nergens sin in heeft, 
H. van Halmael, De Zedemeester en Kantoorkn. 8 : 

— schoon men in deze dodoor nooit geest of hars- 

sens vond. 
Waarvan dudd'oorig bij Bredero, zie Oudemans 
Wdb. Men vindt ook doetoor, Bekker en Deken, 
Gom. Wildschut, VI. 154: kunnen meisjes... een 
lummel van een* doet-oor uitstaan? — Kiliaans 
dotelore is mij niet duidelijk; His bij hem voor 
delirium, insania, en lore of ore een uitgang. 

Als frequentatief vormen nevens ons dodderen 
biedt het eng. bij Halliwell to dudder, in bedwel- 
ming of verwarring brengen; en het dialect van 
Lippe-Detmold doddeln, onverstandig, onhandig of 
dwaas te werk gaan; zie Herrigs Archiv, VIII. 349. 

Het gemeenzame fransch zegt faire dodo, te 
Luxembui*g volgens Gangier dodo machen, voor 
slapen en in slaap wiegen, over welk dodo, dat bij 
Halliwell een slaapdeun beteekent, de dwaast mo- 
gelijke uitleggingen voorkomen bij Gourt de Gébelin, 
Monde prim. V. 398 en 399. Hiertoe behoort het 
fransche dodiner, dodeliner, dondeliner, in slaap 
wiegen. Met dodiner komt overeen het nederl. 
dodeinen, waarin Bilderdijk, Geslachtl. I. 151, het 
WW. deinen, hossen of schudden, ziet. Onze Bo- 
gaers heeft het w. in aanzien gebracht, in zijne 
Gez. Dichtw. U. 126 (van den schaatsenrijder) : 

Za^iht gedodeind, als gewiegd op de lucht. 
En 138: 

Terwijl in 't rotid. . 
Zich pinken en barkassen.. 
Dodeinen in het sop. 
In den eig. zin bezigde Bilderdijk het w. in zijne 
Bydr. tot de Tooneelp. 57: het kind., 't geen de 



79 



DODDEREN. 



80 



Keizer dan voor 't zijne mag streelen en doedijnen. 
In zijnen Perzius, i8, van eene grootmoeder en 
haar kleinkind: 

(Zy) kust en troetelt het, en likt het de oog- 

jens uitj 
Doedijnt het op haar arm — 
Deze spelling met ij strijdt tegen 's Dichters boven 
medegedeelde afleiding; de ww. deinen en dijiien, 
toch worden door hem onderscheiden, zie Gesl. 
III. 16, en Aant. op Antonides, III. 31. Nog grooter 
verscheidenheid van vorm evenwel bieden ons de 
vroegere schrijvers bij 't gebruik van dit w. aan; 
Berkhey, Akad. Vertell. I. 449: 

Gij waart haar allerliefste kleinen: 
Hé! wat kon zij met u dodeinen. 
Pels, Mengelz. 77: 

Gy zult een kleintjen op jouw schoot doudeinen. 
Rodenburgh, Keyser Otto, I. 18: 

Die zmeecktmen met ghebeen 
Met koestringhy en doudeyningh. 
Sprankhuisen, Geestel. Triumphe. t)5: Een vremde 
magh dat kind uyt de udege opnemen^ daer mede 
douwdeynen, enz. Langendijk, Ged. I. 456: 
Opdat ik met een' fong* Eneas 
Eens mocht doudynen op myn' schoot. 
En D. IV. 153: 
7 Is wel. Ik zal terwyl dan met ons kind dou- 
dynen. 
B. Bosch in Brender è Brandis' Kabinet, IV. 354 
(tot een zuigeling): 

Als de dag weer komt verschynen^ 
Zal Katryn met u doudynen. 
Van Focquenbroch, Werken, II. 351 : 
Als jy eens een knechtelyn 
Op je schootje zult daudynen. 
J. Franssoons Giertje Wouters (Amst. 1640), 17: 

As Moei* daer sit en doudaynt — 
Jan Zoet, Werken, 366: 

H Zal staag weezen : doudre deintje, 
Zuije^ zuiy wat schort mijn kleintje? 
Van Rusting, Werken, I. 471: 
— 'khéb heel dikwils op myn schoot met u 

doudeyne 
Gespeelt^ myn Vrinfje: — 
Van de Ven nes Bel. Werelt, 6: 

Slohber-voet, nouw Dommer-deyn, 
Houdje net^ soo blijf ick reyn. 
welke benaming wordt toegepast op iemand die 
waggelend gaat. 

In alle tot hiertoe besproken of vermelde wn. is, 
naar ik meen, eenheid of verwantschap, zoowel in 
vorm als in beteekenis waar te nemen; doch ik 
mag niet nalaten te doen opmerken, dat sommige 



hoogd. dialecten frequentatiefvormen hebben, die 
hier schijnen thuis te hooren en echter in betee- 
kenis v^n sluimeren en wat daarmee in verband 
staat, verschillen. In het nassausch dialect vol- 
gens Kehrein, in het westerwaldsch volgens Schmidt 
en in het noordthuringsch volgens Schultze is ciot- 
tern^ dotem, »in angst zijn, omdat men iets kwaads 
vermoedt"; en bij Stalder is dottem, duttemy dut- 
tere, een vermoeden, voorgevoel of flauwe herinne- 
ring van iets hebben; evenzoo dottem bij Schöpf 
en dottera bij Tobler: twee beteekenissen alzoo, 
die men in het fransche douter terugvindt. Dou- 
ter in hel oudfr. en nog redouter beteekenen vree- 
zen, evenals to doute in het eng. bij Halliwell, en 
se douter een vermoeden hebben. Hoe die betee- 
kenissen met twijfelen samenhangen, verzuimen de 
fransche taaikenners ons op te helderen. Scheler 
noemt redouter »renforcement de douter." Sterke 
twijfel kan tot vrees overslaan, en die slechts een 
vermoeden heeft, twijfelt nog. De overeenkomst 
van beteekenis tusschen het fr. ww. en de ver- 
melde frequentatieven moet tot het besluit leiden, 
dat de laatste etymologisch van het eerste afko- 
men, zooals ook Tobler aanwijst ; doch deze brengt 
daartoe mede ons duiten, en Mr. Bogaers t. a. p. 
verklaarde hedut^oor beangst, door twijfeling enz. 
Zeker, wie verward of verlegen is, begint allicht 
beangst te worden: doch beide toestanden sijn 
daarom nog niet dezelfde., en de etymologie wijst 
op twee afzonderlijke woordfamiliên, de ééne van 
totzen, dodden of dutten, de andere van dubitare, 
doubter, douter, afstammende. De. loten dezer 
stammen mogen elkadr soms vrij nabij kom^n; in 
wezen, zoowel als in afkomst, blijven zij onder- 
scheiden. Vooral waar beeldspraak heerscht, moet 
men op zijne hoede zijn, de ware beteekenis niet 
uit het oog te verliezen, wil men bij de verklaring 
van het woord het spoor niet bijster worden. In 
het Somerstuck van den Passionael lees ik fol. 178 
verso eene spreekwijs, die hier uitnemend voegt: 
Deseti daer hy lach in eenre nacht in twifel van 
slape, opefibaerde een out man, enz. Hier is in 
twijfel van slaap gezegd voor sluimering; doch 
daarom zou men twijfelen en sluimeren nog niet 
voor synoniem, en, zoo de vorm der woorden toe- 
vallig overeenkwam, voor etymologisch één mogen 
houden. 

Dodderen*— Dodden. 

Dodderen is in het Alg. VI. Idiot. stamelen, an- 
ders doddelen en dodelen; zie dit laatste. 

Doeveren— Doeven. 

Beide wwn. heeft De Bo*s Idioticon als vlaamsch 



i _ 



81 



DOEVEREN. 



82 



Toor het anders gewone doffen^ d. i. een* dof of 
slag toebrengen ; zie Doffelen, 

Doggeren— Doggen. 

Kil. heeft heide wn. voor heimelijk wegnemen, 
stelen; en dan nog eens doggeren voor inpakken, 
heimelijk in den zak steken, wegnemen, stelen. 
Waarom hij hier aan tweederlei frequent, denkt, 
is mij niet duidelijk, 't Laatste brengt hij tot 
dogger^ een soort van sleepnet, gedacht bij Smits, 
Rottestr. 68: 

Zegen, achrofmet, gebbe en hoef 
Werpnet, schakelsy doggers, fleuren, 
Doen dan Hzüvren stroomfloers scheuren. 
Dan, dit dogger zelf zal wel afkomen van het ww. 
doggen, door Kil. genoemd, een anderen vorm van 
het nederl. togen, d. i. trekken, waarvan ook het 
eng. to tug, trekken of rukken, en bij Ualliwell 
bestelen, rooven; en to tuck bij Halliwell optrek- 
ken. In het zwitsersch bij Tobler is het ww. 
dócka kleinigheden ontvreemden. 

Dogger is, zoo in 't eng. als bij ons, een visch- 
pink, en volgens het Aardrijksk. Wdb. van Van 
Wijk Rzn. heeft de Doggershank den naam van 
zoodanig schip. Bilderdijk meent, dat de bank ge- 
noemd is van dogger, wat de hollandsche naam 
zijn zou van kabeljau,*^ Geslachtl. I. 38; terwijl 
Berkhey, Zeetr. I. 13, denkt aan doggen, den naam 
van zeehonden, op de zandbank aangetroffen. Ik 
durf voor die diernamen niet instaan. 

Dekkeren— Dokken. 

Beide wwn., ook met den vorm radokkeren en 
redokkeren, zijn in het vlaamsch met velerlei toe- 
passing in gebruik voor aanstooten, kloppen, slaan, 
botsen enz. Zio het Idiot. van Schuermans en 
vooral dat van De Bo; en voorts het verwante 
Tokkelen. 

Dommeren— Dommen. 

Dommeren is in het vlaamsch wat anders dom- 
meleti, sluimeren, heet; zie de Idiot. van Schuer- 
mans en De Bo, en vooiis Dommelen», 

Domperen— Dompen. 

Voor het gewone dompen, d. i. uitblusschen (zie 
Weil.) leest men domperen bij Van Someren, Ged. 
II IM: 

liiel lang blijft zoo veel lichts gedomperd en 

verborgen. 
En evenzoo voor uitdompen het freq uitdomperen 
bij Ypeij en Dermout, Geschied, der Ned. Herv. 
Kerk, I. 263: al het licht, dat er nog hier o f daar 
flikkerde, werd door de priesterschap uitgedomperd. 

Donderen— Donen 

Het primitief donen, dat voorkomt bij Kil. en 



met den vorm deunen bij De Bo, beantwoordt aan 
het angels, thunnan, thundian, lat. en ital. tonare, 
het fransche tonner en het beijersche danen en 
donen, allen in de bet. van hevig weergalmen, en 
bepaald dat van den donder, en kan gestaafd wor- 
den door verschillende vormen; b. v. Blommaerts 
Oudvl. Ged. I. 31 : 

D'erde duende onder die calcoetie^ 
D. i. de aarde klonk onder de hoeven der paarden. 
Fei-guut, VS. 2387: 

Elc ums van groten slaghen milde, 
in stucken laghen hare scilde; 
van den slaghen verdoende '/ wout 
De Uitgever denkt hier aan het ww. verdoen, dat 
»zich bewegen" zou beteekenen; het imp. moest 
dan verdeed oi verdade wezen. Hls het imp. van 
ver-dotien. Het middelhd. heeft voor dit donen, 
en insgelijks van twee vechtende ridders, tunen; 
Haupt und Hoffm. Altd. Blatter, I. 338: 
Si slugen daz ez tunte 
Ob in der luft sih enzunte. 
Goomhert, Odyssea, II. 434: 
— sooder yemant is van ons werckluy int Hof 
Die ghesteen hoort off ghekrijsch, offt yei val- 
lende donnen, 
dat hy niet uyt en loop, maer blijve by zijn stoff. 
Van donnen is het evenzeer geluidnabootsende don- 
sen; Valentijn, Werken van Ovid. III. 77: Sommige 
donsden met kluppels op schilden. Bloemkrans, 95: 
Den Don, die *t al meent neer te donzen ; 
Diens wenk strekt ijder krijgsmanswet. 
Van Zuylen van Nyveld, Souterlied. Ps. 123: 
Als die menschen met swaer gedons 
Al tegens ons opstonden. 
Verscheid. Ged. '(door Groebe), II. 23 : 
't Gedons van trommel-slagh, 't geluyt van woeste 

zang^ 

En 238: 

HNaer ghedons van *t ketelboeten. 
En het timmemums gheklop, 
Bodecheer Benninghs Leydsche Oorlofdaghen, 47: 

Ver van Vulcaens gedons, en gloeyend yserstof. 
En 106: 

In ruyghen vederbos, in schncklijck roergedonder, 
In luyt gedons, in trommel-wijs, 
J. G. Tengnagel, Verwoestingh d. St. Naerden,24: 

Roept van den tooren af den Wachter voort by ofis, 

Op dat hy reden geeft sijns schaeterent gedons. 
Vandaar het ww. bedonsen ; Valentijn, a. w. II. 257 : 
al d* andere (golven) die 't schip bedonsden Aid. 
lager: een stad, wiens wallen bij sommigen van 
buiten béboort en bedonst... s^jn, D. III. 279: om 
dat de vijand onse stademuir bedonst. 



83 



DONDEREN. 



84 



Als samenstellingen heeft men a. w. III. 165: 
Dus is dit huis . doar een lak, en geen geringen 
doemdons ingestort. Spieghel, Hertsp. B. III. vs. 75 : 

Als een ghemoromeldons my eerst in d' oren 

scheen. 

Van donnen heeft het hoogd. regelmatig donnem^ 
zooals ook wij vroeger donneren, donren; Lance- 
lot, B. IIL VS. 0439: 

Het begonste donren tien iiden^ 
Ende blixemetv in allen siden. 
Bijbel van 1477, Job 37, vs. 5: God sal donren 
mit sijnen stemme wotidet^liken. Passion. Somerst. 
fol. 169 verso : nochtans begonst so seer te blixemen 
ende donren dat die tempel in drien scoorde. En 
Winterst. fol. 157: doe wort soe grote blixem ende 
don ra ende reghen dat nyemant sijn voeten en had 
mogen versetten. 

Het voor de uitspraak gemakkelijker en daardoor 
al vroeg ingevoei-de dondereti wordt in de eerste 
plaats gezegd van het natuurverschijnsel: het don- 
dert. In de Heilige Schrift wordt God gezegd te 
donderen^ en alzoo het onpersoonlijk werkw. per- 
soonlijk voorgesteld. Dus b. v. naar de Statenoverz. 
2 Sam. 22, vs. 14: de Heere donderde van den 
hemel. 1 Sam. 7, vs. 10: de Heere donderde te 
dien dage met eenen groeten donder over de Phi' 
listijnen. Zoo leest men ook Gellerts Fab. III. 
112: 

Gy dondert in de lucht, en schrik vervult het land. 
Van der Hoop, Poêzy, 72: 

— krachtig als het raatlend donderen 
Doet zich zijn godenstem verstaan. 
Evenzeer is het bijbeltaal met het verschijnsel 
Gods stem te vergelijken of te vereenzelvigen; 
Job 37, VS. 4: hy dondert met de stemme s^jner 
hoogheyt. Gap. 40, vs. 4: kondt ghy ghel^jck ( Godt) 
met de stemme donderen ? — Zoo ook bij Da Gosta, 
Kompl Dicht w. II. 136: 

Een* wooi*d zal uit den Hemel donderen! 
Eny Stad der Steden! gy stort neer! 
Voorts insgelijks van de menschenstem, die onder- 
steld wordt zich met kracht te doen hooren ; Hooft, 
Henrik de Gi'oote, fol. 48: men dondert overal op^ 
van de preekstoeleny om den lieden *( öeduc/iten... 
in 't l\ff te doen vaarmi. P. Hoens, Joh. van 01- 
denb. 29: 

Terwijl reeds de oorlogskreet langs strand en 

rotzen dondert. 
Aid. 53: 

Het Prinsemk bevel, dal door het leger dondert. 
Gynihia Lenige. Mengeld. 82: 

M^ dondert reeds in 't oor de vaderlijke vloek. 
Ten Kate, Dichtw. I. 69: de vloek dieinm^boe^ 



zem dondert. Bilderdijk, De Dieren, 13 (ziende op 
de stem des gewetens): 
Betreuren zy H vergrijp^ dat door hun boezem 

dondert. 
Tollens, Dichtl. Mengel. 228: 

{Hy) wiens geducht geween* steeds bliksemde in 

elks oogen 
Wiens fuiam steeds donderde in elks oor. 
Ledeganck, Al de Dichtw. 40: 

— waar Demosthenes zijn godenspraak deed 

donderen. 
Engelen, Poêzy, 142: 

Toen (hrvers fiere stem op 7 hoog lootieel ynochf 

donderen. 
De hyperbool is wat groot bij Gheschier, Proef- 
steen, 61: 

Vriendt^ dit zijn oock mede grÜlen^ 
Die my niet en konnen stillen^ 
Van te spreken claer en rondt. 
Dat ons vrydom is ghewondt. 
lek en ben niet seer verwondert. 
Bat ghy van u vrydom dondert, enz. 
D. i. pocht, grootspreekt. — Eigenaardiger is de 
toepassing op het geschut; Vlaerd. Redenrijckb. 125 
(tot Koning Filips) : 
Ken ik u heerschsucht niet die met u tytels 

wondert f 
Die met u blazers schrickiy die met u donder 

dondert ? 
Vondel, Poêzy, I. 83: 

Drywerf dondrenze op het meer 
Door Britanje heene en weêr^ 
Met grofzwangre schutgeva^rteti^ 
Sittite, Nagel. Ged. I. 13: 
Nu dekt me een buskruitwolk, dan zie ik 't 

blixemlicht^ 
Dan hoor ik *t donderen op *t bevende Maestricht. 
Hoogvliet, Mengeld. I. 49: 
Het hard metaal zal in de ribben donderen, 
Dat alles kraakt, en baldert in de lucht. 
Sifflé, N- Ged. IL 51 : 

Daar zwaait men *t staal, daar dondren nog 

kanonnen, 
Loots, Nagel. €red. O. 128: Hschandlijk donderen 
van Hons ontroofd kartouw. — Dez. Dichter bezige 
het WW. ook van andere geluiden; ald. 122: 

0/>, zang^et*, op! gij moogt geen zachte galmen 

vormen ; 
Met donderend geweld moet ge op de snaren 

stormenm 
En bl. 138: 

— opider 't donderan van *t scfiaatrend feestgeluid. 
Bij Maerlant vindt men het w. voor daveren of 



85 



DONDEREN. 



86 



dreunen; Episodes uit de Hist. van Troyen (door 
Dr. Verdam), vs. 2695: 
(Bie Sagytcter) maekie een vreselyc gheluyt; 
Die erde donderde onder die calcoen, 
(Calcoen = paardenhoef.) Vs. 2754 beeft daarvoor: 

Die eerde bevede onder die calcoen. 
Te niet donderen schijnt bij Bilderdijk te betee- 
kenen : door of bij donderslagen vergaan ; Wit en 
Rood, I. 50: 

Wat duchten voe in die Godshescherming .. 

Al dondren aard en hel te niet? 
LacU wareldeny laat heemlen vallen; enz. 
De ruwe volkstaal maakt het onzijdige ww. ook 
bedrijvend, als zij spreekt van iemand of iets uit 
het huie, van de trap of uit het venster donderen. 
De dichter doet hetzelfde; Boddaert, Jun. Ged. 
(1827), bl. il9: Tvoeedragt, uit de hél gedonderd. 
Alberdingk Thijm, Het Voorgeborchte, 100: 

— in henden afgezonderd 
Wordt lichter door ons heir, dat hem rondom 

belaagt^ 
De geest der bastaardij van H hoog gestoelf ge- 
donderd. 
Evenzeer bedrijvend heeft Bilderdijk, Treursp. II. 
78 (tot de Godheid): 
Bevestig thands het woord dat op ntyn lippen heeft^ 
En donder wraak op hem die de uttsprcuik tegen- 
streeft! 
De Buil, Verspr. Ged. 13: 

— op de bede om lijfsgenade^ 
Is heel zijn andwoord: i'tis te spade P^ 
Of donderen zijn lippen: neen!" 
Vooral met voorzetsels voorzien is donderen in 
onze dichterlijke taal een zeer gezocht woord. De 
door mij opgeteekende afleidingen, waarmee ik mij 
geenszins vlei den voorraad te hebben uitgeput, 
volgen hier in eene alphabetische orde. 

Aandonderen, der aandacht van de Redac- 
tie van het Wdb. der Ned. Taal ontsnapt; Beeloo, 
Tooneel- en Mengel-poëzij, 15 (waar het Van de 
Werff geldt, door de Leidenaars omsingeld) : 
Hij staat daar als een rotSj voor duizendtal van 

jaren 
Door de almagt van een God gegrond in 't hart 

der haren; 
Zij dondren op hem aan, en brijzlen aan zijn* voet. 
(Dat brijzelen is eene wel wat vreemde overdracht 
van de brekende golven). 

Afdonderen, in het Wdb. der Ned. Taal op- 
genomen, doch door niet één voorbeeld gestaafd; 
Vondel, Bespieg. 179: 

Dees wety van !^ncies top ter bergspitse afgedondert. 
Lublink, Thomsons Jaarget. 117 (van den Nijl): 



Vandaar breekt de mannelyke stroom moedig op , 
tot hy.. over de Nubische rotzen van de eene steüte 
op de andere afdonderende, zyne kruik uitgiet 
D. i. dus : naar beneden donderen, met het geweld 
van den donder benedenwaarts storten. Doch voor 
afschieten, d. i. geschut of geweer ontladen, leest 
men bij Ampzing, Heyiigh Dankoffer, 12 : 
Ja, k wil op hen al mijne plagen gieten^ 
Al mijn geschut afdond*ren — 
Bedonderen; Uuygens' Korenbl. I. 136 : 

— Nu siet hy van die steüen 
Een' vlotte Republijck verbotiden oen s^jn* Zeilen : 
Wie die bestormeti derfty bedondert hy in tijds. 
D. i. treft htj met zijn geschut. Doch in de volks- 
taal is iemand bedonderen hem (als Hware door 
een donderslag) treffen, en hem zoo in ontsteltenis 
brengen; en dus ook schroomden eenige dichters 
niet zich te uiten ; Tuinman, Nieuwe Mengelst. 78 : 
Zy waren wis verwondert, bezagen zy hun zaad. 
En stonden als bedondert door al dat pronk- 
gewaad. 
Boddaei*t Jun. Levensgesch. en Portefeuille, 33 
(toen hij door een naburigen smid in het dichten 
gehinderd werd) : 
De groote Piet Boddaert, dien iedereen be- 
wondert, 
Wordt, op dit oogenblik^ door Pietje Smit be- 
donderd. 
Scharp, Lierzang November 1813, bl. 5: 

Toen H kroost der Bataven, met smachtend 

geduld. 

Vergeefs op een* straal der gelukzon bleef wachten, 

En, daar het, bedonderd, vol siddering, lag. 

Geen licht, dan het bkmuwen der bliksemen, zag. 

(Men zou kunnen vragen of de Bataven vóór 1813 

een straal der gelukzon met »geduld," dan wel 

met vongeduld** wachtten; en of van »het geduld" 

wel gezegd kan worden dat het »smacht.") Van 

Walré, Heksluiting, 200: 

Maar toch, zijn moed is niet bedonderd. 
Het hoogd. zegt in denz. zin bedonnem, zie Grimms 
Wtb. ; en raeds het oudhd. bidonaron, zie Graff", 
V. lüO. 

Doordonderen, met buitengewoon geweld 
doordringen; Huygens, Korenbl. I. 247: 
(lek) steen als steenen doen van onderaerdsche 

dompen. 
Die /laer doordonderen, eti scheurense tot klompen, 
Bilderdijk, Navonk. I. 40: 

Maar u>elk een toon bereikt Uw wonderen . 
Die Aarde en Zee en Hel doordonderen 1 
Losdonderen, voor losbranden van geschut ; 
Tollens, N. Ged. L 101 : 



87 



DONDEREN. 



88 



— H losgedonderd 9c?ioi wenscht heU aan *t va- 

derland. 
Nadonderen, (met geschut) achterna roepen ; 
Loots, Nagel. Ged. II. 147: 

— de afgunst zelf wordt stom voor toondren, 
En zou, in geeétdrift, wel ie moê, 

H Vaarwel de vloot schier na doen dondren: 

Vaarwel van ons ook, gij, enz. 
Neder donderen, volgens Weil. een bedrij- 
vend WW. voor »door eenen donderslag treffen en 
nederwerpen. Oneig. met schrik en groot geweid 
nederbonzen." Dus met personen tot voorwerp; 
Kasteleyn. Nieuwste Poêzy, I. 142: Uw afgod don- 
deil u nog neer! Glarisse, Ged. 88: 

Straks dondert Ze in gerechten tooren 
En u en 't strafbaar onrecht neer! 
Van den Broek, Jezus, 6: de afgedwaoMen in d' af- 
grond neérgedonderd. Vrouwe Bilderdijk, in Bil- 
derdijks Poêzy, IV. 77 (tot den Egade gericht) : 
H Is veel en wat te recht verwonderd(t), 
Hoe fel door 't noodlot neéi^edonderd, 
Aan deze zy{ij) van 't graf te staan! 
Voorts ook van andera voorwerpen ; Loots, Nag. 
Ged. II. 124: 
Hier wordt geroofd, gemoord ., 
Het heilige bespot. Gods outers neérgedonderd. 
H. Meijer Jr. in de Dicht. GedenkroUe van Ned. 
Verl. in 1813, bl. 25: 

— 's dwinglands zetel neer te donderen. 
Warnsinck, ald. 30: 

Uw staatsgebouw ligt neérgedonderd. 
S. J. van den Bei'gh, Een Dichtb. voor mijn Vad. 
(uitg. 1851), bl 48: 
(Die zaal) al ligt haar spits ook eenmaal neér- 
gedonderd. 
De Bul], Verspr. Ged. 135 : 

— nog heeft Hij deez tempelwanden .. 
Niet neérgedonderd op uw hoofd ! 

A. van Halmael, Peter de Groote, 79: 

— zie billijk mij verwonderd. 
Dat de aavblikvan uw lot u dus ter neder dondert. 
Doch het ww. komt mede onzijdig voor; Ten Kate, 
Dichtw. I. 138: 

— Sttxiks dondert u%t den Hoogen 
Het vonnis neer dat alle hoop vernielt. 
Blieck, Mengelpoêzy, II. 100: 

(Hy) tiert, en tuimelt wyd en breed. 
Tot, eindlyk moêy het dampend zweet 
Hem afdruipt en hy nederdondert. 
Hier komt de dichterlijke taal wederom met de 
ruwe volksspraak overeen. 

Hetzelfde kan gezegd worden van o m d o n d e- 
ren en omlaagdonderen, in beteekenis met 



het voorgaande ww. overeenkomende. Van bet 
eerste zie men twee voorbeelden in het Wdb. der 
Ned. Taal; het tweede, aldaar niet vermeld, leest 
men bij Blieck, a. w. II. 71 : 

— De onweérolaeg. 
Op myn schedel losgebroken, 
Buldert, dondert my omlaeg. 

Van alle afleidingen is zeker opdonderen bij 
onze dichters en prozaïsten wel de meest gezochte. 
Zij beteekent : met kracht, geweld of gedruisch op- 
komen, opdagen, voor den dag komen. In zijn 
Taalk. Wdb. op Hooft heeft Oudemans uit dien 
Schrijver acht voorbeelden bijgebracht of aange- 
wezen, die hier niet herhaald behoeven te worden. 
Zoo ook bij Vondel, Berecht vóór den Salmoneus, 
3: eene opgaende brugge., waer langs de reus 
Goliath met de heirkracht der Füistynen tegens 
Sauls leger aen quam opdonderen Achter de 
Elektra, 1 : Elektra .. verzond het kleene kind ter 
sluick naer Phocis, .. om.., tot vaders wraecke, te 
mogen opdondei*en. D. i. onverwacht verschijnen. 
Krachtiger elders; in den Salmoneus, 2: 

Wat mannen komen hier van buiten opgedondert 

By avont ncter dit feest? — 
Zoo ook Poézy, I. 82: 

Als of d' afgront, uit zijn kolken 
Opgedondert, dol van spijt, 
Wekte een' nieuwen reuzesirijt 
Ald. II. 416 : 

Tot dat de springvloet der opdonderende volken 

Uw hoogheit pletten quam — 
Adam in Ball. 13 (ik. Lucifer): 

Koome uit den zwavelpoel opdondren van beneên. 
Palamedes, 68 (van Alcides) : 

Hy dondert op van 't noit verlichte spoor, 

En jaeght, vol moedts, den zwarten rekel vooi\ 
Bespiegel. 24: 

Indien hier by geval een Tegenvoeter quam 

Opdondi*en uit den gront der aerde — 
Virgilius, 249: 

d' Altaeren staen rondom, depriesterin verdaeght, 

Terwijlze in 't hangend hoer opdondert onver- 

tsaeght 
Evenzeer bij anderen Qit hetzelfde tijdvak van Hooft 
en Vondel; Huygens, Korenbl. I. 413: 

Geheimen die de Konst heeft onlanghs op doen 

dond'ren. 
Van Bevei*wijck, Schat der Gesonth. 82: gelijck 
hy (de Zuyt- Westen Windt) subfjt opdondert, soo 
is s^jn rasen oock hoest gedaen. Van Alkemade, 
Beschrijving van Briele, II. fol. 213 (in eene Appro- 
batie van 1661) : of niet, in tyt, ende wyle, cf een 
of d' andre mogte komen op te donderen, om haere 



89 



DONDEREN. 



90 



gekofte Landen... te ontnaesten. Sprankhuisen, Van 
het Ghebedt, 35: Een geruyme pooee hout (Godt) 
de mensehen wat op, ende stelt zich aen, als ofte 
hy op hoer Ghdteden geen acht en nam: Moer 
ten toetsten soo dondert hy noch op met zijn hulpe. 

Het za) erkend moeten worden, dat opdonderen 
in de zeventiende eeuw beschouwd werd als een 
gebruikelijk woord, door allerlei schrijvers en in ver- 
schillende soorten vnn stijl; in de eorste plaats voor 
met geweld of gedniiscb verschijnen, voorts onver- 
wacht opkomen zonder het denkbeeld van geweld 
of gedruisch hoegenaamd. In dat verzwakken van 
de beteekenis zal wel niets vreemds of ongerijmds 
liggen: het komt tallooze malen in de taal voor. 
Het verraadt dus in Van Lennep geene groote 
mate van bekendheid met het aloude nederland- 
sche taalgebruik, als hij opdonderen alleen gepast 
oordeelt in een dichtstuk »dat den donderenden 
en door den donder getroffen Salmoneus tot onder- 
werp heeft" ; zie zijne uitgave van Vondel, VII. 46. 
En niet minder moet het verbazing wekken, dat 
Dr. Jonckbloet in zijne Geschied, der Nederl. Let- 
terkunde, II. 240, ook het woord opdonderen aan- 
haalt ten bewijze, dat Vondel zich aan sopgebla- 
len bombast" schuldig maakt, en dit oordeel in 
den tweeden druk van datzelfde werk (II. 97) on- 
veranderd heeft opgenomen. Bovendien, Vondel 
heeft het woord niet ingevoerd; hij vond het bij 
zijne voorgangers; zoo leest men in Vlaerdings 
Redenrijckb. 236, waar de vTyrannye'* sprekende 
optreedt: 

Her opgedondert uyt door Hvoorburch vander 

Hellen^ 

Spert uwen mont vry op^ en greynst met dijn 

rebellen. 
De uitdrukking is zoozeer als gevestigd beschouwd, 
dat in alle volgende tijdperken, tot op den dag 
van heden toe, schrijvers van naam niet geschroomd 
hebben, haar over te nemen. Enkele voorbeelden 
mogen deze bewering staven. Antonides, 6ed.3i: 

Zoo d* Arragonner weer... 

Van bloetdorst opgehitst, quam rukken voor 

uw wal, 

En opgedondert met ontwonden krijgsbanieren, 

Uw daken dreigde met verslindende oorlogsvieren. 
En bL 57t 

De brUsche zeebanier... die in den schijn 

Van bontgenootschap, langs het goutstrant op 

quam donderen. 
Focquenbroch, Werken, I. 296: 

Alfesibeus zal met onderadrs geschrei 
Opdondren in ons dicht met nare tovery, 
G. Brandt, De veinz, Torquatus, 2 : 



— laatmy na d^ ontworstelde ongelukken 
' Opdondei'en met het staal, om hem myn kroon 

f ontrukken. 
Pers, Urania, 94: 

Wat w^eemts is \ dat ons hier opdondert! 
H Is noyt gehoort en uytgesondert I 
Wie zee en wind bedwingen kan 
O dat *s een Godlljck man! 
Valentijn, Werken van Ovid. II. 318: Terwijl... 
quam den Trojaen Eneas uit H onderaards gewest 
te Kume... opdonderen. Don Quichot, II. 148: het 
beest op te doen donderen, al was het in het mid' 
den van het ingewant der aerde verbwgen. Adr. 
Kluit in De Honigbije, III. 25: 

Gij, pesten van de Heli vorst Plutoos vloekge^ 

noten. 
Uit 's afgronts kerker opgedondert naar onze 

aard^. 
Vaerzen van Ultrajectinus (Van Vloten?) (Utr. 
1784), 31: 

Toen uit een zwarten kolk de heerschzucht op 

kwam dondreu. 
Ockerse, Gharacterkunde, II. 187 : een nieuw on- 
weder van denzelven aart, maar uit eenen anderen 
hoek opgedonderd. — Bij deze schrijvers der acht- 
tiende eeuw voege men nog Rabus, Moonen, Fei- 
tama en Hoogvliet, waaruit door Weil. plaatsen 
zijn aangevoerd. Doch ook in de negentiende 
bleef het gebruik stand houden ; Bilderdijk, Mengel. 
III. 43: 

Van daar, dat heir van bleeke kwalen. 
Dat, opgedondet*d uU den afgrond, immer groeit. 
Dez. Navonk. I. 102: 

Neen, 't is de wraak van H Voorgeslacht, 
Daty van 't verbasterd zaad veracht. 
En opgedonderd uit zijn gmven, enz. 
Loots, Nagel. Ged. I. 54: 
Jfom, dondren we op met onze watermagten, 
En 'tsiddrend volk vcUt smeekende ons te voet! 
Ten Kate, Dichtw. VIII. 308: 

— d€uir rijst het steengevaarf, 
liit 'saardrijks vuurkolk in één etmaal opge- 
donderd. 
Van de bet. der straattaal vbraaf opdoffen, slagen 
geven," bij Weil. vermeld, zijn mij bij onze schrij- 
vers geen voorbeelden voorgekomen. Doch ik ont- 
moette het werkw. een paar malen in bedrijven- 
den zin, dus voor doen opdagen of verschijnen; 
Vinkeles, in de Dicht. Gedenkr. van 1813, bl. 84: 
De volken, van geen leeds bewust. 
Met rovrenklaauw op 't hart te treden. 
En op te dondren uit hun rust. 
Wamsinck, ald. 165: 



91 



DONDEREN. 



92 



Hij vcdty de dwinglandt eena door cT afgrond op- 
gedonderd. 
Loots, Opwekking der Mogendheden, 21 : 

Daar zou dan duurzaam zijn de hoofdgroeve 

aller kolJieti, 

Wegknagende den grond van onder alle volken ; 

Hen eindloos schuddende en opdondrende uit de 

rusL 

Toedonderen, in de eerste plaats van het 
geschut gezegd; F. de Haes, Het verh. en vern. 
Portugal, 69: 

Wat Schepen zien wy gints^ zoo yslyk en verwoed, 

Malkandren, reis op reis, toedondren dat de vloed, 

Gelyk van 8chrikk\ bezwymtf 
Ockerse, a. w. II. 198: Keizers gedogen, dat, in 
hunne hoofdstad, de Aflaat des H, Vaders hunnen 
onderdcuxnens van rontsomme, uit de gloeiende 
monden van het huiderend Kanon worde toege- 
donderd. — Doch voorts ook van de eene of andere 
stem, die zich krachtig en luid laat hooren ; F. de 
Haes, Stichtel. Ged. 61 : 

Gods vreeselyke stem, u, in uwi' veegen staet, 

Toedond rende : in dees' nachf u}ord u de ziel 

ontnomen. 
Glarisse, Ged. 84: 

Eeuwigheid! grimt Gij nu nog een* Cato aan? 

Dondert Gij hem nog vrees en verschrikking toe ? 
Zuhli, Nagel. Poèzy, 96 : 

Hij werpt uw tafels om, en dondert u reeds toe : 

Van hier met al uw vee en geld, g^ woekeraren! 
Loots, Nag. Ged. I. 31 : 

Dit dondert elk geschiednishlad 

U vreeslijk toe, als gij. . de rol des tijds in uwe 

vingren vat. 

Uitdonderen heeft bij Weil., behalve de 
lage spreekwijs: iemand de deur uitdonderen, 
waarvan mij geen voorbeeld bekend is, mede den 
zin van »ten einde donderen"; dus leest men bij 
Vrouwe Bilderdijk, Holl. Verl. I. 31 : 

Maar 7 onweer op uw hoofd heeft eindlijk uit- 

gedonderd. 
BUderdijk, N. Oprak. 168: 

Dat onweer in de lucht heeft nimmer uitge- 

donderd. 
Ka rel Bogaerd, Stemmen des Gevoels, 49: 

Het staatsorkaan heeft uitgedonderd. 
Doch voorts en vooral (wat Weil. niet vermeldt) 
van al donderende uiten, uitspreken, aankondigen, 
hoogd. atsdundem en ausdonnem, zie Grimms Wtb. 
Meest eig. van het geschut; Fokke, De Vrouw is 
de Baas, I. 176: het vreesselijk aanzien van vuur- 
monden, die dood en verwoesting uitdonderen. 
Antonides, Ged. 56: 



Wat zie ik Hulken en zwaerlijvige Oorlogst' 

vlooien.. 
Die onder 't zeegejuich^ hun aenkomst altenuiel 
Uitdondren over H vlak met keelen van metael. 
Loots, Nagel. Ged. II. 241 (aan den Baron Ghassé) : 
Het door u uitgedonderd vuur 
Was kostbaar, maar toch niet te duur. 
S. J. van den Bergh, Een Dichtb. voor mijn Vad. 39: 
Vluchten moest hij voor het wachtwoord 

uitgedonderd van de vloot. 
Maar dan ook dikwerf toegepast op krachtige god- 
delijke, menschelijke of andere stemmen; Vollen- 
hoves Poëzy, 11 : 
Nu zyn... 

Zyn vloeken met een' naren kreet 
Op hem, die onder 't kruispak zweet, 
In eenen kruisvloek uitgedonderd. 
Gynthia Lenige, Mengeld. 187: 

't Verbaazend woord van: keer tot stof! 
Werd kraakend uitgedonderd. 
Smits, Nagel. Ged. III. 77: 

Dan lustte 't hem Gods wetten uit te donderen 
Met kragt van tael — 
Bogaert, Ged. 380: 

't Ho f paleis der oude Graven... 
Daar de Staatszorg zit te waaken, 
Kryg uitdondert, vrede geeft 
Aid. 523: 

't Zyn Orakels groot van kracht. 
Niet ten drievoet uitgedondert. 
Van der Port, De Lof der Zotheid, 2: 
Dat haare vrienden sijn, die doen de vlugge 

Faam, 
Uitblaasen haaren roem, uitdond*ren haren 

naam. 
P. Moens, Hugo de Groot, 165: Hoe zal de heersch- 
zucht Haar vloek uitdondren. Oudaan, De Groots 
Waarheyd enz. 373: vloekbesluiten, die d^ een te- 
gens den anderen uitdondei t. Wiselius, Over de 
Tooneelspeelk. 3 : mannen. . die over de beoefena- 
ren van die kunst... den vloek van ban en verdoe- 
menis hebben uitgedonderd. Van der Palm, Al 
de Leerred. XI. 15: om plegtig in den tempel het 
wee! over hen uit te donderen. Beronicius, Boe- 
ren- en O verh. Stryd, 67: 
Eenstemmig dond'ren ze uit deez" onbezuisden 

Rcujtd: 
Laat on^ enz. 
Bilderdijk, Fingal, L 98: 

Dus was ons beider taal als Gaol 't woest 

val aan 
Uitdonderde xn een kreet, afgrijslijk opgegaan. 
Blieck, Mengelp. I. 29: 



d3 



DONDEREN. 



94 



De Koning dondert zyn bevel uit. 
Verdonderen eindelijk is de oudste afl. in 
bet nederlandsch van allen Kil. en de latere 
Woordenboeken kennen haar echter niet. Het 
voorvoegsel versterkt soms de beteekenis ; dus Van 
Velthem, fol. 359: 

Hier werd daerom 8o groet gescal^ 
Dat dit kere verdonderde a^ 
Fol. 490: 

Men vedelde ende tambuerde mede. 
Men trompte daer in menige stede; 
Si heulden spel ende feeste, 
So dat van desen grooten oreeste 
D^woud daer verdonderen dochte. 
En fol. 346: 

Dit riepen si met so luder voes, 
Dattie zate verdonderde al. 
Op de voorlaatste pi. teekende Le Long aan : sats 
van den donder scheen te weergalmen''; dit is niet 
zoo kwaad geoordeeld. Boven bleek, dat doncfer^n 
in het middelned. in bet. gelijkstond met beven, 
dreunen en daveren; welnu, met ver versterkt, 
blijft die zelfde bet bij Van Velthem stand hou- 
den; bet leger (de legerplaats) daverde van het 
geschat, het woud van het f eestgetier, en de zaal 
van het geroep. Huygens heeft het w. bedrijvend, 
waarbij ver den zin heeft van over; Korenbl. I. 4: 
Mcuer slae dijn slincker Oogh op Hooge van de 

Volcken .. 
Nu staen ze thienom een, nu worden wy verdondert 
Met dusenden om hotidert. 

D. i. overdonderd, als door den donder getroffen- 
Aid. 454: 

Roeptse wederom ten lesten 
Naer de Vnderlicke vesten, 
En de laetste wonderen 
Sullen Heerst verdonderen. 
D. i. zullen het eerste (wonder) als door een don- 
derslag te niet doen, overtreffen. Waarom tee- 
kende Bilderdijk in zijne uitgave op deze plaatsen 
niets aan ? De opheldering was te noodiger omdat 
Vondel en Antonides het werkw. in anderen zin 
bezigen. Vondel, Poêzy, I. 555: 
Hier leeft hy, die de zee kon vagen van den roof^ 
(f Amerikaensche kust verdonderen van weêrzyen, 
D. i. met den donder (van het geschut) treffen en 
overmeesteren. Van Lennep toekent er (X. 587) 
niet ongepast bij aan: «stout uitgedrukt, voor: met 
grof geschut schoon veegen {lees vegen)." Anto- 
nides, Ged 43: 
Vtjn hieTj ter koopvaerdye of oorloge uitgerust, 
Verdondrenwe aen weêrzy al d' Indiaensche kust. 
BL28d: 



Als Brakel inzeilt op het onweer der Kortouwen 

En kogels, al de Kust verdondrende aen weêrzy. 
En 506: 

Men hoorde nauwelijx het dreunen van mijn 

wagen .. 

Verdonderen met moorl de zorgelooze wacht, enz. 
De bet. van »schoon vegen'* voegt hier niet; 't is 
treffen, verpletteren. 

En voordunderen; Tollens, Ged. III 146 : 

— de onafzienbre vloten 

. donderden Euroop den wil van Neêrland voor. 

Als afleiding van het ww. donderen geeft Weil. 
alleen op donderaar voor den dondergod Jupiter, 
en zoo leest men het w. b. v. bij Meerman, De 
Groots Vergel. der Gemeeneb. II. 513, Da Costa, 
Kompl. Dichtw. I. 203 Dan, voor Jehova komt 
het voor bij Van de Kasteele, Oden van Klopst. 
enz. 9 (tot den Veroveraar): 

Sterf! hoe diep ook geworteld. 
Spoort hen het oog van den Donderaar op. 
Er zijn echter nog andere; bij Bekker en Deken, 
Will. Loevend, VII. 361 : de eerste, die zyn smoel 
tot lachen vertrekt, zal ik zoo hagels op zyn Don- 
derement doen geeven, enz. Erasmus, De onvers. 
Krijghsman, 6, leest men : /le^ donderigh geluyt van 
H geschut. Six van Chandelier, Poêsy, 590: don- 
derbare vloot. D. i. donderende. 

Van samenst. van donder met een znw. geeft 
Weil. eene reeks; 'k voeg daarbij alleen donder- 
knods, Brender è Brandis' Magazijn, I. 188; don- 
derstof bij Bilderdijk, Ond. der Eerste War. 93; 
dondertoon bij Loots, Nag. Ged. II. 138, en don- 
dertrede bij Van de ^asteele, a. w. 53. Doch er 
zijn ook samenst. met werkwoorden, als donder- 
knallen bij Bilderdijk, a. w. 164; donderhaJIen en 
donderjagen in de platte volkstaal, waarover zie 
Bilderdijk, Over een Amst Volksdeuntjen (Leyd. 
1824), bl. 11. 

Donkeren— Donken. 

Den primit.-vorm donken leest men N, Werken 
der L. Maatsch. IV. 89: 

( Wijn) maect die iucht in die lede, 
Ende verdonket doghen mede. 
Bl. 436 ald. verzekert Glarisse, dat twee handschrif- 
ten deze lezing hebben. Men mocht anders aan 
eene misstelling denken. Het bestaan van een 
primitief wordt echter ook beweerd door Grimm, 
zoowel in zijne Gramra. II. 60 als in zijn Wtb. 
Het nederl. adj. donker, hoogd. dunkel, middelhd. 
tunkel, oudhd. tunkal, enz. is bij Richthofen niet 
alleen diunker, dionker, maar ook diunk. 

Van het ww. donkeren, zonder voorvoegsel, 't 



95 



DONKEREN. 



96 



welk Kil. heeft, zie men een 'voorb. bq Weiland. 
Deze heeft ook ontdonkeren, verduisteren, verber- 
gen ; Westerbaen, Ged. III. 142 : 

— Hgesicht^ soo schielijck hem verscheenen 
En achielijck wederom ontdonckert en verdwenen. 
Meestal wederkeerig gebruikt; Brandt, Leven van 
De Ruiter, I. 36: elk deê.,. zyn hent om zich wat* 
de vyanden V ontdonkeren en V ontkoomen, D. II 
392 : gelyk de Ruiter zich met zyne vloot voor hun 
zocht V ontdonkeren. Wagenaar, Vad. Hist. XV. 
322: dat de laatste zig van H Franach Esquader 
hadt gezogt te ontdonkeren. De Jonge, Geschied, 
van het Ned. Zeewezen, IV. ii. 289: Zes oorlog^ 
schepen... die zich met den nacht ontdonkerden. 
— Ook wel met den lijdenden vorm, Wagenaar, 
a. w. VI. 459 : doordien de roerenden (t. w. goede- 
ren) den regter ontdonkerd en ten Lande uitge- 
voerd werden —Zie DonkelenK 

Dopperen— Doppen. 

Bij De Bo is dopperen wat anders keilen heet, 
d. i. steentjes zoodanig langs het water scheren, 
dat ze er telkens in en uit gekaatst worden. Het 
is van doppen, vroeger meermalen gezegd voor 
doopen^ d. i. indompelen. De steen dopt herhaal- 
delijk in het water. Over doppen zie men mijne 
Handl. tot den Statenb. 34. 

Dotteren, zie Talteren. 
Dubberen— Dabben. 

Van het nederl. ww. duhhefi heeft het Westvl. 
Idiot. van De Bo het frequent, dubbereti in denz. 
zin. Zie voorts Dubbelen. 

Dudderen, zie Talteren. 



Endteren— Endten. 

Endteren is bij Kil. snateren, van eendvogels ge- 
zegd; hij heeft er de afleidd. endterer en endte- 
ring bij. Het w. schijnt overgenomen uit het hoogd. 
Grimms Wtb. heeft entem in denz. zin. Volgens 
Kaindl, Die Teutsche Spr. aus ihrer Wurzen, I. 
292, waar de spelling anteren is, hebben sommi- 
gen het werkw. ook wel voor snateren of snappen 
in het algemeen ; welke bet. echter aldaar niet er- 
kend wordt. De vorm is, door middel van een 
prim. endten, regelmatig van den diernaam af te 
leiden. 

In het Alg. VI. Idiot. wordt het antwerpsche 
enteren, voor »malen, zagen, met woorden lastig val- 
len," met endteren gelijkgesteld. Dit kan goed ge- 
zien zijn ; het laatste zou evenwel ook één kunnen 
zijn met entelen, zie dit w. 

Enteren'— Enten. 

Enten en enteren komen beiden voor in den zin 



van tenten en tentelen, d. i. (eene wond) peilen of 
onderzoeken, zie TintelenK Wellicht meende men, 
dat de t in de gen. wwn. voorgevoegd, en dus voor 
weglating vatbaar was. Bredere, Griane, 10: 
Het enten noch bijt-salf, noch u seltsame pijn, 
En mag in 7 alderminst geleecken zijn by mijn. 
Dez. Boertich Liedtb. 92: 
Een gi*ondeloose wond, een wonde onbfkent. 
Wiens smarte niet gedooghd dat mense tast of end. 
De Brune, Wetsteen, II. 361: zwh in stukken zien 
snijden, een koegel tusschen 't gebeente lUthalen, 
lijden dat men weer te zamen genaait, gebrant en 
geënt word. En 363: een van Cesars schermers 
verdroegh al lachende dat men hem zijn wonden 
sneed en enterde. 

Enteren*— Enten. 

In Brederoos Roddr. 55, leest men: 

Alphonse hittigh heet, 

Bezayde daar de landen 

Met menschen, hoofden, handen, 

Met stucken van Geweer: 

Wat hy trof viel ter neer. 

Hy heeft soo seer ge-en tert, 

't Velt klonterigh beklentert. 

Met nat, zwart, purper bloedt 

Van het Maraans gebroet, 

Soo dat zijn treden misten. 

En slibberigh uitglisten. 
De heer Oudemans verklaart enteren hier door 
i^aanvallen," en denkt daarbij aan het enteren van 
schepen. Vooreerst merk ik daartegen aan, dat 
dit enteren niet aanvallen beteekent, maar het 
eene schip aan het andere vasthaken of klampen 
en zoo in *t laatste indringen ; doch bovendien, 
wat zin levert het op, te zeggen : hij valt het veld 
aan met bloed? Mijns inziens heeft men hier het 
frequent, van enten, inbrengen, inplanten, zooals 
pokstof in het vleesch en een rijsje in den boom. 
Bredere zet dan met dit woord de beeldspraak 
voort, vroeger door hem gebezigd : Alphonsus be- 
zaaide het land met menschen, hoofden enz. en 
entte het veld met bloed. W*ij zouden anders zeg- 
gen: hij dootirok of doorzultte het veld met bloed. 
Op vrij gelijke wijze bezigde Hooft het w. uien* 
ting, Ned. Hist. fol. 39: ' T ontvouwen deezer stoffe^ 
ten bvecdtste, en met inenting van alle bypassende 
reedenen. D. i. opneming, invlechting, invoeging, 
'k Teeken hier nog aan, dat het Wdb. der Ned. 
Taal niet heeft opgenomen het ww. aanenten, dat 
Focquenbroch bezigt, Werken, I. 224: 
Ent Meltbé vry peeren an, 
En wil vry wyngaardranken snyden. 
Zo raakt je vrucht haast aan de man. 



97 



ERGEREN. 



Ergeren — Ergen. 

Dezelfde woorden met argeri, argeren, zie dit art. 
In de bet van beschadigen, benadeelen, aan dezen 
eigen, vindt men ergeren, Meijer, Lev. van Jezus, 
4i: legt uwen schat in den hemel daer noch ros- 
tegheit noch motte din en moghe ergren. — An- 
ders is het Maerl. Sp. Hist. I. 21 : 

Die werelt hegcm ergeren doch, 
D. i. in het booze toenemen, verslimmeren. Het 
prim. van dit ww. vindt men in verergen; Goom- 
herts Wercken, I. fol. 64: Nadien nu de werelt... 
van 7 quade in H alderarghste verei^ht. Vondel, 
Toonneel des Mensch. Levens, 58: 
De Wereld is vol strijde^ en heel in H quaed 

verergt 
Ogier, De Seven Uooftsonden, 66: 
Omdat het droef altydt in dat vermaeck ver- 

erght wordt. 
Hooft, Henr. de Gr. fol. 127: 't Waarom'tquaadt 
te verergen met hunne ontijdigheidt. Van Heum, 
Hist van *s Uertogenb. I. 288 : De ziekte verergde 
hot langer hoe merr. Broes, Leerred. III. 273: 
Wanneer zijne luide intrede in Jeruzalem., de 
boosheid verergde. — Pr. David bezigt het deel-w. vet^ 
ergend als bijv. naamw. voor ergerlijky Vadert 
Hist IX 457: losbandigheden^ die het verergend 
wezen zou hier omstandiglijk op te halen. — Elders 
16 het w. voor erg^ d. i. boos of toornig, maken; 
Honvraert, Lusth. der Maechd. II. 616: 
— in als voat ghy doet^ oft tvat ghy peyst. 
Moet ghy u wachten voor hem ietieverherghen^ 
Want hier dore mocht ghy hem vererghen. 
En 876: 
Want door te veel verwet en kijven^ zoo plaghen 
De vrouwen ghemeynelyck te veierghen 
De mans^ enz. 
Als primitief van ergen in dezen zin is erren^ boos 
worden of maken, vertoornen; Rarel de Gr. 227: 
Hem en sal erren niet Garijn 
Noch daertoe die vriende sijn^ 
Dof ie gerecht vonnesse doe. 
Parthonopeus (door Bormans), 168: 

Dies hi hem selven sere erret, 
Want sijn die scouden waren meest. 
Sermre, Vad. Mus IV. 65: 

Die menschen doen, om cleen geniet^ 
alse ludas dede, die Gode verriet, 
dies moechdi u wel erren. 
N. Reeks van Werken der L. M. II. 177: 
Dus dedi den lande pine 
Ende errede oec die vriende sine. 
D. DL 236: 



Waerbi wildi u dus verdasn 
Ende erret u, ghine wet op wienf 
Hor. Belg. III. 65 : 

vrient, seit Daris, wat help dit erren? 
ghi secht ende wedersecht uw wart, 
Uoffmann verklaart dit verkeerdelijk door »dwa- 
len." Hetz. is geerren, N. Reeks van Werken der 
L. Maatsch. II. 50: 

Sine conste ons nemmeer gheerren 
Dan dat si onse kint hetoevert heeft 
Doch meermalen ver erren; MaertSp. Hist. I. 15: 
— bider meedoet van Adame, 
Daer hi Gode omme vererrede. 
D. II. 260: 

Alse hine comen sach van verren. 
Begon ste hi hem dies vererren. 
Van Velthem, fot 140: 

{die hisGop) heeft Kerpen die Borch verbert. 
Dies die Hertoge werd verert 
Hor. Belg. HI. 92: 

Hi sat verbolgfien ende sere vererret 
Gassianus, Der Oud. Vad. GoUacie, fot 52: Istdat 
wi,.. van binnen vererret {werden) ende houden .. 
of wijs niet en achten. Aid. fot 102: werden wi 
als men ons oefent vererret, dat es een teuten enz. 
Fot 104: Want dat evel.. met dyenstachticheyt 
vererret wort. — Anders ook verarren ; ald. fot 72 : 
luden dye dicwil met smeeken. . meer verarret 
plaghen te werden. Aid. fol. 89 : dat hi om geenre 
hande sake unlle,.. in toemicheyt verarret en warde. 
Fot 91 : die si sculdich hadden gheweest met sue- 
ten woerden te vreden te setten, die maken si met 
swighen meer verarret — Vandaar het znw. vcr- 
arring; ald. fol 92: die wrake ende die verar- 
ringhe des gheens die ons moeyt. — Zie voorts de 
Gloss. op Der Leken Sp. en Maerl. Rymb. — Dit 
erren, dat mede een frequent, emen^ gaf (zie dit 
w ) is van het adj. erre, boos ; Pass. Wint fot 
135 verso: Doen wort Quinciaen erre ende dede 
hair borsten quellen ende daema ofsniden. Som. 
fol. 3 : doe die ioden vernomen hadden dat ioseph... 
hem begraven had in sijn graf, so worden sywve 
teghen hem. Antw. Spelen van Sinne, 370: 

Om tquaet te verhoeden niemant en sy erre. 
Anna Bijns, Refer. I. 67: 
Door dit aenmercken segghe ick half erre: 
Luthers liefde is van Gods liefde verre. 
Waarover zie het Gloss. op Der Lek. Sp. en Halb. 
Aant op Maerl. 86. *k Voeg hier nog enkele 
woorden bij, van erre afgeleid; Maerl. Sp. Hist. 
I. 139 : 

Omme dat hi altoos sine gébare 
Errelike togede te hare, 



gd 



EHOEREN. 



100 



Keert hem N^tanabua om die sake 
Bi toeverien in eenen drcike. 
Der Lek. Spiegh. ü. 350: 

Dai om errescap noch om haten 
Gheen priester en zoude achter laten 
Sine ghetiden, groot noch clene. 
Belg. Mus. VI. 58: 

Doen ghinct ghy van erheyt vlouckenj zwoeren. 
Van deze wn heeft Kil. alleen erschap als verou- 
derd voor gramschap opgeteekend. Thans kennen 
wij niet dan verergeren, in zedelijken zin in 't 
kwaad toenemen, en zich of iemand ergeren, hin- 
der of aanstoot krijgen of geven. 



Fateren— Faden. 

Fateren is bij Kil. fratsen of beuzelingen doen, 
bij Schuermans beuzelen, bij De Bo zich met beu- 
zelingen ophouden, hier en daar een weinig rond- 
wandelen. Dr. Halbertsma, in het Alg. Letterl. 
Maandschr. 1848, nV 8, bl. 574, leidt het w. af 
van *tgothische fetjan, opschikken; KaindI, III. 4, 
van fadj waaraan ook het fransche fat en het lat. 
fatuus verwant zijn. Daarbij is te voegen het eng. 
fad^ bij Halliwell een beuzelachtige gril, faddy^ 
beuzelachtig. Het primit. ww. doet zich voor in 
het eng. to fadj bij den gen. beuzelen, dat bij ons 
faden, faten of fatten zou luiden en ook het bei- 
jersche fatzen geeft, potsierlijk spreken of )iande- 
len, waartoe /a(z, faaz, faats^ behoort, bij Kehrein 
een zot. Kil. heeft van fateren: faterer^ nugator, 
frivolarius; fcUerachtig^ nugax; fatering, nugae, 
gerrae, frivola. Het laatste ontmoette ik Boet. & 
Bolswert, Duyfk. ende Willem. Pelgrimagie, 125: 
sy en moeyen hoer niet eens met de kinderach- 
tighe fateringhe van lackemije. Erasmus, Lingua, 
^ verso : van aüe dingen ende fateringhen ao uyt- 
ter maten snappende ende reilende, dat hy niet 
en waer om verdraghen oft lijden. En Oudaans 
Agrippa, 365 : lang zohw vallen te verhalen dierge- 
lijke fatering. — Bij deze afleidingen voege men 
nog faterij; Poirters, Heyligh Hof van Theod. 185: 
een moffel, eenen hoet met een ptuymagie^ eenen 
nieuwen rock, jae een faeterye aen d'een meer 
gegeven als aen d^ ander; wat kan dai niet al 
roockx maeckenf — En vermoedelijk ook /aleraan; 
Hondius, Moufeschans, 14: 

Al die steetsche fateranen 
Daermen *s nachts is mé bdaen. 

Fepperen— Fèppen. 

Feppen is een gemeenzaam w. voor drank drin- 
ken; Focquenbr. Werken, I. 14!2: 



— een goude kelk. . 
Voor BeluSy en zyn gansch geslacht: 
Waar van zy vaakmaal leeg gefept was. 
De Regts Mengeld. 147: 

Ei^ Loutje, kuU ik ook eens feppen. . 
Ei hoor eens: klok, klok, klok, klok, klok. 
Ap. Nieuwejaersgift, 97: 

Laet ons feppen van dees wyn. 
Van Effen, Holl. Spectator, II. 400: daar fept man 
weer een klokje keurelyke Ratafia. — Bredero 
schrijft f^t, Roddrick, 18: 
lek hoor Veughel datje al wat garen febt, 
En datje sulcken quaan dronkenschap hebt. 
Men behoeft daarom met Oudemans, Wdb. i. v. 
nog geeninfin. f ebben aan te nemen; men ging in 
het gebruik der & en p zeer willekeurig te werk; 
zie b. V. het op Lobberen^ aangevoerde. De drin- 
ker heieifeppert; Van Elsland, Dronke Brechtje, 21 : 

Wel Lubbert, wordje almede een feppert? 
De drinkkan een fepper; Pels, Mengelzangen, 233 : 
Lest zong Keetje Horrelvoet, 
Met de Fepper aen den mond. 
Of wat smaakt de borrel zoel ! 
O f toat is de fep gezond ' 
Dit fep voor drank, of de daad van feppen, heeft 
ook Krook, Het bedurven Huishouwen, 29: 

Ik geloof dat ze iewers aangezeild is, daar ze 

geplakt zit, want zy heeft 
Pik aan haar Rokken als ze komU daar men 

de Fep geeft. 
Langendijk, Ged. II. 413: 

— Wy raakten aan de fep. 
D. III. 220: 

^k Hou van schransen en van zingen 
En ook vry wat van de fep. 
Bekker en Deken, Sara Burgerhart, 1. 40: Ik had 
al lang gemerkt^ dat Zuster Bregtje aan de 
fep was. 

Het frequent komt voor in de Pots van Kees 
Krollen, 4: 

Ik hou niet van die luy die soo leggen en lep^ 



En suigen aen de kan en geeugoemwen^ en 

fepperen. 
De vorm van bol woord verklaart zich zelven ; de 
lipletters spelen er de hoofdrol in. De onderlip 
heet bij Halliwell fipple. Een andere vorm is 
meppen, dat in de zoo rijke taal der drinkebroe- 
ders hetzelfde aanduidt; De Regt, t. a. p.: 
Je zuipt je, by myn keel, aan flarden. 
WcU beestig meppen doisje daar, 

Fibbeimi— Feben. 

In het Alg. VL Idiot. komt fibberen voor in 



IM 



FOBBEREN. 



litt 



rin van »met kunst werken," en wordt gevraagd 
of het* w. ook zij van het lat. fabricare. Eerder 
acht ik het ww. overgenomen uit de hoogd. die- 
vonUal, die bij Von Grolman fibem^ febem^ heeft 
io de eerste plaats voor maken, vervaardigen (wat 
das met fabricare in bet. letterlijk overeenkomt), 
en bij uitbreiding schoonmaken, reinigen. Een 
prim. van dit frequent, kan vében zijn, dat Schmel- 
Iers Gimbr. Wtb. heeft, mede voor reinigen, zui- 
veren, inzonderheid door eene fijne zeef, in desz. 
Idiot fében^ hd. fegen, oudhd. faherL, fderiy bij Graff, 
DL 7*27, fehon^ fowjan. Ook het eng. to fay be- 
hoort hiertoe, dat bij Halliwell reinigen, zuiveren, 
beteekent, maar tevens, het vlaamsche flbhet*en na- 
derende, handelen, werken. 

Kchteren, zie Viohteren. 
Fq keren— Vi j ken. 

In het vlaamsch is fljkeren f nel loopen, voort- 
ijlen; zie De Bo. Het primit v{iken, ^ijgen^ heeft 
(zie mijne Lat. Verscheid. 100) Van der Schueren, 
die het verklaart door heenloopen. Den tweeden 
dezer vormen biedt het middelned. aan; Reinaert, 
128, VS. i? der variant: 

Hy sel my haestelic volgen naerj 
Ende sel my hangen^ kan hi my krigen; 
Dair om wil ick van hier gaen vigen 
ïn een schoon ander foreest. 
Willems verklaarde het w. onjuist door vijen^ eene 
veete hebben. Dus ook later in de Antw. Spelen 
van Sinne, 145: 
Met desen sermoen, moeghen wy gaen vijghen; 
Als meerder man comt, moet minder man 

swijghen. 
Het ww. vijgen of vigen komt overeen met het 
lat. fugercj vluchten, eng. bij Halliwell to fuge, fr. 
fuir, subst. refuge. 

Flabberen— Slabben. 

Flabben, eene zachtere uitspraak van flappen 
(zie Flapperen), duidt eene beweging aan b. v. 
vaneen stok doeks, flauw door den wind geschud; 
of ook het geluid, door eene beweging veroorzaiftt, 
anders klappen genoemd, met flappen of flabhen 
etymologisch verwant ; zie Ten Kate, U. 656. 

Das is het eng. to flap down slap neerhangen, 
flMle wat verwaaijen kan, fUibhy slap; bij Halli- 
well: flabeU een waaijer, flabsy en /{a6&er^tn slap, 
f^Wy ongestadig, en flappers vogeltjes, wier vler- 
ken nog niet uitgewassen zijn, die dus alleen flad- 
deren konnen« Zoo bij Kil. flabibe, vliegenlap, eng. 
tyfUip; flabb^, flebbe, thans /lep, flepje, neders. 
lUbken, flippke, vooriieen door vrouwen, doch 



thans alleen door kleine kinderen op *t hoofd ge- 
dragen. 

Het sub^. flabhe duidt eenig voorwerp aan, dat 
slap neerhangt; dus Berkhey, Nat Hist van Holl. 
IV. I. 188: zoo dat. de Spieren aan de Liezen, 
onder het loopen, als flabbes log en los schudden. 
— Bij Gats heeft het de bet. van de tong, ook in 
de volkstaal wel lap genoemd; zie de pi. aangeh. 
in het Wdb. des Inst. op Hooft; en dus ookUde- 
mans, bepaaldelijk van de «ongezonde tong" bpre- 
kende. De Waekende Ooge, 139: 

Wat heeft men al van doen tot die vervuylde 

flabben. 
Ëvenzoo is in het neders. volgens Dfthnert, het 
Brem. N ieders. Wtb., Richey e. a. fldbhe een dikke 
neerhangende lip, en bij uitbreiding de mond. 
Dus Hoefer, Denkm. U. 63: 

Ik unl di up de flabbe sldn. 
Ook bij Outzen is flabhe, flabs,een breede, hangende 
muil. Vandaar heeft in 't neders. het werkwoord 
flabben of flappen den zin van kussen en wel 
hard, zoo (als men zegt) dat het klapt. In minder 
liefelijken zin zegt het friesch bij Gysb. Jap. /Zoeb- 
jen en uwtflaebjen voor (laster) uitslaan; ook het 
nederl. zegt: ongeschikte taal uitflabben oiuitflap» 
pen; dus Beecher Stowe, De kleine Vossen, 169: 
allerlei onaangename dingen voor elkander uit te 
flappen; zoo als, bij voorbeeld: Wat zie je er van 
ochtend raar uit! — En het eng. bij Halliwell kent 
to flapse, onbeschaamd spreken. Bij denz. is flep^ 
per de onderlip, en to flapper de lip laten hangen. 

Flabbe eindelijk is bij Kil. een klap in 't gezicht, 
een oorveeg, neders. flapp, flapsch, eng. flap. Be- 
kend is het nederl. ww. flappen voor slaan of 
kloppen, dat men in het en^^. to flap, akensch 
flabben, met de vlakke hand op 't hoofd slaan, enz. 
terugvindt. 

Van de drie mij bekende voorbb. van het fre- 
quent, van flabben gevormd, duiden er twee het 
licht bewegen der zeilen aan bij eene flauwe koelte; 
Hooft, Ged. fol 195 : 

Een weeligh windtjen lagh en flabberd' in de 

zeilen. 
En WesterL. Ged. II. 674: 

— H zeyl noch is aen 7 swellen^ 

Dat licht aen 't flabbren quam indien 't die wind 

begaf. 
Terwijl het derde ziet op het di*uk en ongepast 
roeren der tong; Gats, Wercken, I. fol. 7: Is W 
dan yemandt die een breetiveyende tonge wU in* 
binden? dat hy de tegenheyt, die hy van hoer 
flabberen inwendigh heeft... uytdrucke, en *tsal *er 
mede gedaen weeën. 



103 



FLABBEREN. 



104 



Vanhier flaJbherig^ wat licht beweegt ; Dickens, 
Het verlaten Huis, door G. M. Mensing, 268: een 
oudachtig klein meisje^ met zulk een flabberig 
hoedje op, ook cU van gaas. 

Het w. flab is mij voorgekomen in beteekenissen, 
die ik nog niet vermeldde. In Van Dans Thyrsis 
Minnewit, leest men, I. 58: 

Veluwach Huyden, aeidt de Plooter, 
Gelden moer een Kopache Stooter, 
Huyden van het Leydtsche veldt 
Voorden op een Flab gestelt 
Juffrouw waite aeltsaem rancken^ 
Kieaf een Flab dan om twee hlancken. 
Dit flab^ blijkbaar evenals atooter een geldstuk, 
wordt opgehelderd door Wassenbergh die in zijn 
Idiot. Fris zegt: ^Flah^ eene Geldmunt, of Geld- 
stuk, ter waarde van een Schelling,*' die in de 
aangeh. pi. op vijf stuivers gerekend schijnt. Daar 
ook het w. achelling van schellen of klinken den 
naam heeft, kan de flab insgelijks behooren tot 
ftabben^ klappen; althans in *t oostfriesch is flap- 
pert een dunne platte munt, die volgens Sturen- 
burg den naam heeft van het geluid bij 't vallen. 
Wat flap beteekent in de volgende pil. bij Oudaan 
is mij onbekend ; Agrippa, 106 : hoe^ ala de inge- 
wanden der aarde uitgehoold zijn, de flappen der 
bergen te onderatutten. En Roomsche Mog. 424: 
den zuyl, van zeer groeten flap en gevaarte. — 
't Woord schijnt grondslag of grondvlak aan te 
duiden. 
Men leest vlabbe bij V. Rusting, De 6eh. Duvel, 86 : 

— aioten auyvren van vlabben, krooa en drek. 
En flabbe bij Strick van en tot Linschoten, Ged. 133 : 

Tusachen krooa en flabben tuuren, 
Langa den groenen alootkant gaan. 
Om een baarajen op te alaanï 
't Welk opgehelderd wordt bij Berkhey, Nat. Hist. 
van Holl. H. 492: het waterkruid, dat men gewoon- 
lyk Flab noemt, en doorgcuina in menigte alle jaren 
verteert, en de meeate atilataande wateren verviUt. 

Fladderen— iledden 

Het tegenw. fladderen is in de plaats getreden 
voor Kiliaans fladderen, flederen, en dus aan 't 
hoogd. flattem, dat hetzelfde w. is en bij Schultze 
fleddere luidt, nader bijgekomen. De bet. is zich vrij 
in de lucht bewegen, zooals b. v. de haarlokken. 
Dus vroeger fleddey^en. De Harduyn, Uitgel. 
Dichtst. 13: 

— doet langfia heuren hola aoo flodderen die 

hairkena 
Al oft het wakren al veel uxieter-blauwe baerkena, 
't Gold ook voor rondloopen; Six van Ghand. 
Poësy, 73: 



— Aen my kan 
Noch sneeuw, noch aorgelyk kristal... 
Behaagen, om te fleddren gaan. 
Van der Gruycen, De Spreeckw. van Sal. 499: 
Uw leven floddert heen, met aoo gheswinde 

Vleuglen. 
In deze bet vindt men ook flatteren gebezigd; 
Bemagie, Studente-Leven, 7: 
Gra na *t pakhuis — 

Maar flatter onderwegen niet, kom ras weer, of 

jy moogt schroomen. 
De Honigbije, II. 45: 

Gelyk als zwanen die het nagt-ys stukken klotzen^ 
En flatteren mei poot en vleugels langs d^ 

scholzen. 
De thans gewone vorm fladderen wordt inzon- 
derheid gebezigd van het vliegen van vogels, be- 
paaldelijk met het oog op het op- en neder bewe- 
gen der wieken ; dus Bogaers, Gez. Dichtw. I. 94 : 
Het is de blanke meeuw alleen: 
Zij fladdert langa den spiegel heen. 
En raaKt en ribt hem met haar vlerk. 
Schimmel, N. Ged. 2 : 

De leeuwrik fladderde in de afeeren. 
Eer H licht d' Olijfberg had begroet. 
Immerzeel, Voor Opgeruimden, 96: 

HBont kapelletje, en het bijtje 
Aaat alom, en fladdert vrfj. 
Voorts (vooral bij Bilderdijk) van de vlag; Vadert. 
Oranjez. 49: 
/o, fladder, blijde kleur, van wcU en toren^ 

transen. 
Rouwzangen, 6: 

Die vlag... 

Keert zonder hem, ó God! en fladdert zander 

rouw. 

Mengelp. I. 66: 

'A Zag 't fladderen der banier, ten optocht toe^ 

gerust. 
Nieuwe Dichtschak. I. 90: 

— daar, waar uw banieren fladderen. 
Ook van nederhangende kleederen, bij denz. Men- 
gelp. I. 129: 

— By H flaauwe maangeflonker 
Bemerkte ik heur gewaad, daer 't fladderde %n 

den donker. 
En van andere voorwerpen mede elders; Brender 
è Brandis' Kabinet, II. 316 : zo lang 'er nog eenen 
vedren hoed om het slot fladdert Van Walré 
Died. en Willem van Holland, 22: 
Zijn zilm-en helm, met gouden kroon en blanke 

vederen., 
Die fladdren in de lucht — 



105 



FLADDEREN. 



106 



Schimmel, a. w. 44: 

— wiens goudgeel hoofdhair fladdert 
Om de slapen zonder band, 
Dichterlqk wordt de wind, die de voorwerpen doet 
fladderen^ gezegd, dit zelf te doen ; Macquet, Dicht. 
Uitsp. n. 10: 
Een luchtig windekyn^ geademd uit hei Zuiden^ 

. fladderde langs graen 

En malsche klavers op hedaeuwde wieken aen. 

Deze afl. met het voorz. aan komt elders mede, 

maar dan zonder die overdracht van het. voor; 

Kneppelhout, Stijl Kunst, 237 : 

Een kapel komt aangefladderd; 

in den fijnen drctad venvard. 
Insgelijks andere voorzz. heeft het ww. ; zooals 
doorflédderen en dóórfladderen; Hoeufifl, 
Anair. €ies. 11 (tot het duiQe): 

Van waar die nardusgeuren, 
Die, daar gij 't ruim doorfladdert, 
Zoo Heftijk van u druipen? 
Ten Kate, Dichtw. II. 165: 

De vleermuis doorfladdert de ledige hal. 
k. w. L 212 (van schimmen gesproken): 

Zij deinsden weg, en fladderden door één. 
F. Raa wenhoff, Leerr. 187 : Hij fladdert het leven door. 
— Heenfladderen hij Van Lennep, Rom. Wer- 
ken, XrV. 250: Zy was schoon ., dus fladderden er 
genoeg om haar heen. — Infladderen; Broes, 
De Eng. Herv. Kerk, I 139 : met cU dezen fraaijen 
pluimentoestel den hemel in te fladderen. — Na- 
fladderen; Van Kampen, in de Werken der 
HoU. Maatsch. VI. 296: omdat zij met hunne tocu- 
sen vleugels een* man van genie nafladderden. — 
Nederf ladderen; Tollens, Nal. 147: 
Dcuü^ koestrende engel! fladder neer. 
Zijg af van hoven naar heneden. 
Omflédderen; Bilderdijk, De Ond. der eerste 
War. 25: 
Een adem, ais een wind, met leliegeur he- 

vracht, 
Omfladdert ze en hergeeft haar de uitgeputte 

kracht. 
Van den Broek, De Schipbreuk, 34: 
De bontje seinen zaamgevoegd 
Omfladdren mast- en riementoppen. 
Engelen, Poêzy, 176: 
Zijn losse hairen, door de winden zacht bewogen, 
Omfladdren golvende het morgenlandsch gewaad, 
Blieck, Mengelp. 1. 29: 
Boer prykt zy mei de kroon op H voorhoofd,.. 
Omfladderd van gevleugelde engelen. 
Van Dnyse, in de Bijdr. der Gazette van Gend, 
m. M: 



JOoer, van uw Schimmenheir, in 7 avonduur 

omfladderd, 
Zweert hy, dat nimmer Frank dit Vryheidserf 

hezwaddert. 
Ten Kate, Dichtw. VIII. 413: 

Zeker omfladdren de hupplende droomen 
Luchtig uw koets in hun bonte livrij! 
Doch ook met den klemtoon op het voorzet- 
sel; Van Hengel, II. 303: even gelijk de vlinder 
op de bloemen omfladdert. Elise, De Dertiende, II. 
178: den. . vogel, die op hun getier angstig in zijne 
kooi omfladderde — Met het laatste komt overeen 
rondfladderen; Van Lennep, t. a. p.: een 
kapel fladdert rond van de eene bloem op de an- 
dere. Tollens, Liedjes, 54: 

De kraaijen fladdren om mij rond, 
En volgen mij naar Hland. 
Tegemoetfladderen; in Brender k Brandis* 
Magazijn, UI. 75: (Zephir) fladderde {Dione) al 
ruischende te gemoete. 

De samenst. fladderwieken vindt men bij Schenk, 
Nachtged. I. 97: 
{W\i) fladderwieken blij naar *s hemels lustwa- 
randen. 
Ten Kate bezigt haar, Dichtw. VI. 222, van »de 
Hemelsche Vlinderkens" ; en VUL 182, van »het 
windt jen." 

De afl. flodderig, ftatterig, beteekent in de ber- 
lijnsche volkstaal bij Trachsel slordig in de klee- 
ding, waarbij men denkt aan ons floddermadam. 
En Van Winter, Amstelstr. 16, zingende: 

De een spoelt hals en borst en pluimen 
In het fladdrend waterwed. 
bezigde fladderen voor het meer in dien zin ge- 
wone flodderen, en vergat bovendien dat niet het 
waterwed, maar de zwanen enz. gezegd worden te 
flodderen. Smits zong van de Vloednimf, die er 
den naam van heeft, Rottestr. 53: 

Fladdrig fladdert door den stoet. 
Met haar levend stroomgeschater. 
Van Merken, van de » Vloednajaden," Nut der 
Tegensp. enz. 239 : 

Wier hand het hoofd der Stroomnimf tooit. 
En scheutig waterloof, in *t fladderen e*\ waaden 
Om hcMren wagen strooit. 
En De Harduyn, Goddel. Lofsanghen, 74: 
Men siet daer neven oen . 
Het cristalijnen vocht, al flodderende vloeyen. 
Men vindt de f tot v verzacht in Brender k Bran- 
dis' Kabinet, V. 36: Kapelletjens die over de Vij- 
ver heen vladderden. 

De verschillende hoogd. dialecten bezitten in al 
de vermelde beteekenissen het ww. ouder devor- 



107 



FLADDEREN. 



106 



men van fladdem^ fladem, fUttchemj flaudem^ 
floudent, fleudem^ flodem, fluddem^ fludereny flut" 
tem, flettem^ fliddem, flidem^ fledem; en het 
eng. to ftutter. Terwijl het middelhd. reeds wijst 
op vledereriy flederen^ met de vleugels slaan, en 
vloderett, floderen^ fluderen^ fladderen. 

Als primitieven kan men wijzen op /Zaan, ^o/i^^ 
heen en weder bewegen (waarvan bij Schmeller 
fia-éln^ fla-helny in de lucht heen en weder bewe- 
gen, waaijen), bij Stalder met de ingevoegde over- 
gangsletter flduten, fladderen in de lucht; bq 
Schröer flattatij flotan, loopen ; en in het eng. to 
ftit^ wegvliegen, onbestendig zijn en bij Hall. zich 
bewegen, welk laatste Adelung bepaaldelijk als 
prim. van flattem opgeeft. De nederlandsche vorm 
zou fleddeity öf, in overeenstemming met vledder- 
en vlederrnuia^ vledden moeten luiden. Zie voorts 
Fladderen; alsmede Tael- en Dichtk Bydr.II.192, 
waar in 1762 op fladderen als een nieuw woord 
de aandacht wordt gevestigd. Er wordt ook ald. 
bl. 1U3 gezegd, dat van fladder door letterkeer af- 
komt flarde^ verzacht flarze^ als iets dat wappe- 
rende nti-vleddert en flentert Die afleiding heeft 
zeker niets ongerijmds. Intusschen, het w. is door 
ons overgenomen uit het osnabrugsch en ditmarsch 
dialect, waar flarre lap of lomp, en flirre een 
kleiner stuk beteekent. Die bet. is echter niet de 
eerste en oudste. In het middelhd. reeds is vlarre^ 
vlerre^ een breed stuk, en ook een breede wonde. 
Bij Adelung is flarden een ijsschol (ook bij ons 
overgenomen, zie Weil.), en flarren^ flarre, flirre^ 
een houw, of het teeken der wonde daardoor ver- 
oorzaakt. Dit gebruik verbiedt aaneene letterver- 
plaatsing van fladder te denken, een w. dat wel 
bij een lap, doch niet bij een ijsschol of wonde te 
pas komt. Grimmzegt in zijn Wtb. alleen, dat de 
»anlaut" {aanklank vertolkte Lulofs ergens) van 
flarre, flatter enz. overeenkomst hebben. Eer dan 
tot fladderen zou ik flarre of flarde brengen tot 
het WW. flarren^ flerren, snijden, in stukken ver- 
deelen, zich wonden rijten ; zie Von Schmid, Schópf 
enz.; eig. een onomatopee, en in zooverre één 
met flarden, flerden^ door Bild. Geslachtl. I. 200 
vermeld; hoogd. flarren »vom vieh koth auswer- 
fen, pissen"; doch in de toepassing van het geluid 
daai*van verschillende. Zie wqders mijne Verscheid. 
138, 9; bij de daar gegeven pil. voeg ik er nog van 
flard; Bilderdijk, Fingal, I. 23: 

— De kunst van honderd Barden^ 

Zong vru^tloos harp en snaar op dezen toon 

aan flarden. 
Rotsg. II. 80: 

( Al) vliegt hem 't kleed aan flarden van de lenden* 



En voorts van flar, fl^rd en flarsj vormen, bij 
Weil. niet vermeld; Grous, Jos. Dr. fily-eind. Spel, 
II. 196: 

— Ik lach tny achter aan flarren. 
Mostart, Mariamne, 37: 

— Loet vry mijn lichaem rijten 

Aen flan'en — 
Krook, De wispelt. Minnaar, 86: 

-^'k scheur mynkleederen uit boosheid wel aan 

flarden. 
Focquenbroch, Werken, I. 6: 

Die myn Paleys dus smyt in flerden. 
De Brune, Bancketw. I. 330: zoo dat het {kleed) 
naer langh keeren en weder^keeren, in Aarzen en 
tot niet raeckt. En bl. 397 : Daer,.. de radere met 
ghekneusde ledenen Aarzen van menschen omslin^ 
ghert hanghen, G. Brandt, Veinz. Torquatus, 58: 
aan Aarzen scheuren. 

'k Vermeld nog, dat Bild niet zeer in overeen- 
stemming met zijne meening aangaande het woord 
flard^ voor het gewone aan flarden zegt te flad^ 
der; zie mijne Proeve over hem, en verg. de Gresl. 
t. a. p. En dat het door hem vermelde ww. flar- 
den inderdaad voorkomt bij H. van Halmael, Over- 
daad en Gierigheid, 17: 

Wie daer f wie schelt^ dat hier schier alles stuk- 
ken flard? 

't Zyn hier maar endjes touw^ myn vriend^ hier 

zo te schellen f 
Denkelijk vormde de Dichter het w. van hetznw. 
flard. Van dit nw. kwam mij de vorm vlard 
voor, Vlaerd. Redenrijckb. 128: scheuren in duy- 
sent vlarden. 

Flaggeren*, zie Vlaggeren*. 
Flaggeren*, zie Vlaggeren*. 
Flakkeren— Flakkea. 

Van flakkeren zegt Weil. »het is waarschijnlijk 
het voortdur. werkw. van f lakken, dat in gebruik 
moet geweest zijn." De Schr. had diiflakken kun- 
nen vinden in zijnen Adelung, die onder de be- 
teekenissen opgeeft »zich heen en wéér bewegen, 
in 't bijzonder van de vuurvlam gezegd." Dezelfde 
alzoo als het frequent, bij ons vroeger en ook la- 
ter had. Vondel, Peter en Pauw. 34: 

— smook verdunnen^ onder 's hemels boog; 

De vlam cian weder flackren, €Us herboren. 
Ald. 43: 

— in geteerde rocken braên 
Of Aackeren in wctssekleên. 
Dez. Faëton, 40: 

Waeck op. de brant steekt op^ en Aackert fel 

en snel. 



i09 



FLAKKEREN 



iiO 



Dm. Vii^. Wercken, 211 : (ze) zwaeit het (brant- 
hout) al flackerende om hoer hooft Hoogvliet, 
Abr. 89: 

— wanneer 'er brant in eene buurt ontstaat^ 
En *s nachts al flakkrende in de korensehuuren 

slaat 
Moons, Sedel. Vermaecksp. 575: S{fn flackerende 
torts. Higt, Ged. 340: 
De flakkrende oorlogstooris schijnt op een meir 

van bloed, 
Macquet, DichÜ. Uitsp. III. 178: 

— flakkerend, krakend in den jongsten gloed 

verzinken. 
SUring, Ged. m. 120: 

B\i H flakkren van de legervuren. 
Beets, Korenbl. (1854), 187: 

{men) laat het flakkrend vuurtjen kwenen. 
Van Beers, Jongelingsdr. (4e dr.) 1 : 

— boven *t flakkrend slagen 
Der vlammen — 
Raa, Gedwalla, 30: 
Dees jongman. . die hei flakkeren 
Des nitoen haards met rijs scheen aan te wak- 
keren. 
Van Ryswyck, Onxe Vader, 26 : 

OnuitdoofVre zwavelvlammen . 
Flakk*ren uit geheime bronnen 
Alverschroeijend naer omhoog. 
Voor dit Tiaar omhoog flakkeren zeide men anders 
opflakkeren; Vondel, Poêzy, I. 263: 

— ons kust en stranden 
En wateren in *t ronde opflackerden, en brandden. 
Dez. Joann. de Boetg. 97 : 
Geleek het ncu^licht in de pijp brant^ dan ver- 
heven 
Opflackert, dan bezwijct — 
Dez. Virgil. 74 : tot dat de Vlam. . opflackert dat 
het kraeckt, Oudaan, Agrippo, 'M, : zulke dingen,., 
door welke de weUustigheid opflakkert. Hoogvliet, 
Abr. 11 : Totdat de lichte vlam opflakkert. Hui- 
singa Bakker, Poêzy, I. 138: Het veenvuur flak- 
kerde op. Lublink, Thoms. Jaarg. 253: een hart 
dat hevig lUaakt, niet in wilde vlammen opflakkert 
Rooaes, Levensschets van J. F. Willems, 10: om 
de smeulende warmte onder de asch te bewaren^ 
en aldus het weder opflakkeren . mogelijk te ma- 
ken. Beets, Verscheidenh. V. 80: een vreugde- 
vuurtje, dat lustig opflakkerde. Ter Haar, Gred. 
135: 

— als de roode vlam opflakkert uit de daken. 
Bij overdracht sprak Vondel, Poêzy, IL 239 van 
aeo: flakkerend geluk. Vreemd is bij Oudaan, 
Agrippa, 131, het bedrijvend gebruik voor blake- 



ren : dat onder u niet gevonden en worde, die zijn 
Zoon flakkert, hem door 't vuur leidende. — Volgens 
Halbertsma's Wdb. is flakkeren in het overijselsch 
dialect nog in zwang voor flikkeren. 

De afl. opflakkering heeft Lublink, a. w. 233 ; een 
opflakkering van verhevelingen. 

Over flakken zie men voorts, behalve Adelung 
reeds genoemd, Kaindl, IH. 196 en Grimms Wtb. 
Verg. Flikkeren. De zachte aanvangsletter, die in 
vUkkeren en vlikken wordt aangetroffen, vindt men 
mede in vlakkeren; P. Moens, Hugo de Groot, 96: 

— daar 't bliksemvuur 

Al dreigend vlakkert, door de opeengeperste 

wolken. 

Flapperen— Flappen. 

Hetzelfde met sterkere uitspraak van de con- 
sonant, nlBflabben en flabberen^ zie dit art Het 
prim. beduidt het nederhangen en slingeren der 
lappen bij een kleed; Jan Zoet, Digtk. Werken, 
150: 

Nu is H oude kleed versleeten^ 
Dat gelapty geflapt, gescheurd. . 
Al zijn v)elstand had verbeurd 
Wyl 't de naaktheid niet kon dekken. 
Gepaster het wapperen der vaderlandsche vlag ; De 
Thouars, De Git. van Andw. I. 12: 

Z\) golft en zwiert^ en flapt en kronkelt. 
Waarvan bij denz. II. 69: vaangeflap. Van den 
Bergh, Longfellows €red. 154: 
Langs haar stevige masten 

hing flappend het treurige zeildoek. 
Dezelfde Dichter bezigde het door hem (naar ik 
meen) gesmede frequent Fantazij en Leven, 94: 
Ik hoorde Spanjes krijgsgeschal. 
Zijn rustloos kruis-vaan-flappren. 

Flateren— Flaten. 

Flateren, leert ons Tuinman, Fakkel, I. 92, is 
snappen. En dus leest men bij Pluimer, Krispijn, 
SUrrek. (1709), bl.15: 

Wat legje daar te flateren met de jongen. 
'k Vind in dien zin flatteren; Negentbien Refer. 
int Sot, 25: 

Gomt s' werelts gecxkens hier^ comt uyt alle con- 

treyen 

Die u gaeme bemoeyt met flattVen en clappeyen. 
Een bedrijvend ww. uit flateren kwam mij voor 
bij Van Hasselt, De eerste Vad. Klugtsp. 34: niet 
tegen te spreken, 't geen Pere Jean. over hunne 
tael . uitflatert — Zoo zegt men anders uit flapt, 
d. i. onbedachtelijk uit den mond werpt Hls 
het neders. flatem, ook pldiem. d i. zegt het 
Brem. Nieders. Wtb. >onnut gesnap voeren, en 



114 



FLATEREN. 



112 



daarmee den naaste doorhalen, zooals oude vrou- 
wen en dienstmeiden doen, als zij op de straat of 
elders bijeenzijn." Mede bij Stalder is flddeni 
snappen. Het hoofdbegrip des woords is drukke 
beweging, hier met de spraakorganen, en het heeft 
dus gemeenen oorsprong met fladderen^ pltidereri 
(zie dezen), alsmede met het hoogd. plaudem. Het 
primit. flcUen = vladden^ vledden, vindt men het 
naast in *t hoogd. platzen, klappen. 

Dit flateren zal ook wel opheldering geven van 
het nw. flatevy in de uitdr. een flater begaan, voor 
een zotte of domme streek ; het Brem. Nied. Wtb. 
heeft flater^ pldter voor >plaudermaul" gelijk het 
celtisch Ifladr voor snapper, zot; zie Leibnitz, 
Gollect Etymol. I. 119. Ons flater brengt debet, 
van het werktuig of den peraoon op de daad, en 
ook het eng. zegt flitting voor misslag. Dn Hal- 
bertsma, in De Nav. VII. 174, meent dat wij het 
w. van de Spanjaarden hebben. »Hun fcUtar (zegt 
hij) te kort schieten in 't geen men regt heeft van 
iemand te wachten, hebben de Nederlanders om- 
gezet tot flatar, flater, en er een substan tivum 
van gemaakt." Een ongenoemd Geleerde ontleende 
het w. aan denzelfden oorsprong, doch haalde het 
niet van zooverre; naar hem is flateren door 
omzetting van falteren, en dit het frequent, van 
falen; zie mqn Taalk. Mag. II. 335. Bilderdijk, 
Greslachtl. I. 201, legt het w. uit door »breuk of 
gebrek, eigenlijk vleter; zie vleet" doch geeft op 
»vleet" ter gewenschte nadere uitlegging — niets. 

Flatteren', zie Fladderen. 
Flatteren*, zie Flateren. 
Flatteren*, zie Fletteren. 
Fledderen', zie Fladderen 
Fledderen*« zie Fletteren. 
Fleisteren'. zie Glijsteren. 
Fleisteren*— Vleijen. 

Volgens Schuermans' Idiotik. is f leuteren in het 
vlaamsch gangbaar voor ivleijen, iemand de mouw 
vagen*'; volgens De Bo «vleiende flitsen, zachtjes 
met de opene hand slaan." 't Is blijkbaar het fre- 
quent, van vleijen^ hoogd. flehen, goth. flekan, bij 
Kil. vleiden en vladen, met invoeging der $ en door 
de t versterkt. Bij Strodtmann vindt men de s 
mede in flahsken, naar den mond praten. Andere 
frequentatiefvormen zijn flehnen, weenen, bij Gau- 
gengigl, Ulf. I. 53, en flddelen bij Stalder voor 
vleijen, liefkozen. 

Het hoogd. kent het subst. fWie, oul. fle, waar- 
van Grimros Wtb. zegt, dat men het te onrecht 
buiten gebruik gesteld, en door den infin. heeft 
vervangen. Bij onze Rederijkers vind ik het subsL 



vlei, doch voor de persoon die vleit; Springhader 
aller Kind. Gods, 15: 

Wy souden gheeme doen deea valsche Vrouver- 

trecken, 
Want ons sin kan niet strecken tot dees leelijke 

vley. 
Men vindt daarvoor ook vUuU; Meulewels, Tim. 
Mis. 10: 

Onraedsaem dant, sottin, ghy averrechtse daey, 
Ghy duüe KcUlemoey en opghetoyde vlaey. 
Mij kwam nog voor het bij Kil. noch V^eil. ver- 
melde vleibekken; De Brune, Bancketw. I. 18: 
Daer mede wert die zonde gelieflockt en gevley- 
beckt. Houwaert, Lusth. der Maechden, II. 18: 
— Cygnus met zyne sneeu^udtte swanen 
Beginnen te paren en te vleybecken. 

Flenteren— Flennen. 

Dit flennen beantwoordt aan het angels, fleon, 
vliegen (eig. eene samentrekking van fleogan, 
fleohan), in 't eng. bij Halliwell to flene, vliegen, 
vlieden, ontsnappen. Vandaar flenteren, op het 
eil. Marken op een draf wegloopen; zie het tijd- 
schrift Nederland, 1862, n\7, bl. 264; en in Noord- 
holland, langs de straat fladderen; zie Bouman, 
De Volkstaal in Noordh. Bij Lexer is flenderen 
fladderen, waaijen, en bijSchmeller/ïdndem,^lan- 
dren, her- en derwaarts bewegen, waaijen, trekken. 

Merkwaardig is de overeenkomst van flenteren 
met fletteren, gelijk flinteren met flitteren, splin^ 
teren met splitteren, het eng. flindermouse met 
flittermouse en derg. Wat Bilderdijk, Mengelp 
i. 332, noemde ^verflenste bloemen" heet bij zijne 
Egade, Poêzy, 70: 

't Bloemtjen, dat de Zon verfletste. 
Zie wijders op Flitteren en ook Vlinderen, Hier 
volgen nog enkele opmerkingen ter staving van 
de inden titeit der vormen met en zonder de n. 

In het neders. wordt flinder en flitter in meer 
dan ééne bet. verwisseld ; zie Tiling, I. 421 ; en 
ook op het eil. Urk is f Unster bekend voor dun 
stukje, zie De Taal- en Letterb. VI 32. Het eng. 
zegt voor stukken, brokken, zoowel flitters als 
flinders. Bij Halliwell is flitters dunne panne- 
koeken, bij ons flintertjes of flentertjes geheeten, 
alsmede flensjes; De Regts Mengeld. 78: 
Zo kom ik teti eeten. 
Al fiadje maar bokkende flensjes gaar. 
Bij SchrOer is flinder, flinderchen, een goud- 
blaadje, en bij Lexer flenderle iets kleins, dat door 
de lucht vliegt, van flendem, fladderen, waaijen* 
het nederl. zegt daarvoor flenter, waarvoor ik flet^ 
ter ontmoette in een vers achter Huygens' Ghebr. 
en Onghebr. van 't Orgel, 146: 



113 



FLENTEREN. 



114 



Dat goddeloos ghespan werdt door de vonken^ 
En 't vuur, dat hy na oncTren heeft gheklonken, 
An flareen, en an flatteren ghegonst 
En fleterh\\ Wag. Vad. Hist. XIV. 473: een alge- 
fneen Salvo, wdk de lighaamen aan fleteren ge- 
üaagtn zou hébhen. Aid. 175: de lappen en fle- 
teren van H gewaad, 

Rodenburgh, Eeyser Otto, I. 19, bezigt flenters 
voor lappen : 

— so hy heur sleghts dreyght. 
De lammen quidam krijght 
De flenters om zijn ooren, 
Fokke, Yerzam. van Spreekw. 90: eene menigte 
oude (vaandels), waar de flenters en lappen bij- 
hingen. Siegenbeek, Leydens Ramp, 40: Hethus- 
kruid,^ deed het vaartuig met al, wat op hetzelve 
was, in spaanders en flenteren in de lucht vliegen, 
Bilderdijk, Mengelp. n. 33 : 
Het was geen lap van een doormorsig laken. 
Met alle kleur van flenters opgezet 
Westerman, Ged. IV. 92: 

Het zeil, aan flenteren gereten. 
Van Merken, German. 463: 

Htm staatsiekleeders zyn aan flenteren gereten. 
Schenk, Nacbtged. II. 476 (van een kleed): 
Vit flenters zaamgeflanst, bélachlijk zelfs ge- 
kozen. 
Tollens, Ged. I. 24 : 

Ifcw grijpt en rijt en scheurt aan flenter. 
T. w. op een vijandelijk geênterd schip. Hiervan 
hel WW. flenteren, d. i. tot flenters overgaan, en 
dus even weinig een frequentatief als beflenteren, 
met flenters bedekken, dat Oudemans opnam in 
zijne Bijdrage. 

Pletteren— Fletten. 

Hoeuffl in zijn Fr. Wdb. spreekt bl. 476, van 
•ons verouderde fielten" (vleijen) ; ik moet belij- 
den, dat mij dit nog niet is voorgekomen; doch 
wij vinden het in het fr. flatter, dat Scheler er- 
kent van duitschen oorsprong te zijn. Met dezen 
behoeven wij daarom evenwel niet aan platten, 
pletten, plat of effen maken, te denken, maar veel- 
eer met Stalder aan de woorden flat, flet, fletig, 
adj. en adv. voor hupsch, zuiver, rein. Een zach- 
leren vorm van hetww. hebben wij in vladen, bij 
Kil. vleijen, streelen, liefkozen (*) ; dus bij Van der 



('] Wel ff onderscbelden ybd een aoder mede bU Kil. voor- 
komeod «toden, t/oen, dat villen beteekent, eng. to flay, zoo- 
wel io het middelned. ale later voorkomende; Kaosler, Denkm. 
II. 9»: 

DU me en rovede zie ie vlaen, 
Den onsculdeghen an di slaen. 
ftem. van Walewelo, vs. 8568: 



Gruycen, De Spreeckw. van Sal. 289: 
Als dat hy om het gout, een ander vlaet, en 

stroopt, 
In overeenkomst met het eng. to flatch bij Hall. 
is bij ons de oude vorm //et*?en;Dietsche Warande, 
I. 442: 

Fietsen en fleeuwen is huerlieder maniere. 
(Fleeuwen is fleemen.) Autw. Spelen van Sinne, 
573: 

U vleyen en fletsen is niet dan bedroch. 
Six van Ghandelier, Poêsy, 568, heeft fletterij; 
Dat zulks... 

Geen flettery noch beuslingh is. 
Zal d' ongebooren verre da^h 
Doen blyken, — 
Waarvoor mij flattermj voorkwam bij Van der 
Port, De Lof der Zotheid, 20: 

Maar ik die maake alleen, dat alles bUjfi in 

vreden; 
Voor eerst door flatterny, dan door onagtsaamheid. 
Voor het frequent, fletteren, dat Kil. heeft, vindt 
men in den Teuthon. flatteren. Volgens De Nav. 
IX. 293, heeft men in 't Land van Kuik en volgens 
het Alg. VI. Idiot. in Brabant, voor vleijen fledde- 
ren, en met dien verzachten vorm komt overeen 
fladelen bij Stalder. De scherpe wortelconsonant 
is behouden in het nassausche flattem bij Kehrein, 
en in 't eng. to flatter. 

Flibberen— Flippen. 

Dit frequent, leest men bij De Brune, Bancketw. 
I. 448: (de besoeckingen) sullen meier flibberen 
over de vastigheyd van een vrome siele^ min noch 
meer, als oly of water over een spiegel loopt. — 
De Schr. heeft het w. aan het eng. ontleend, dat 
(bij Hall.) to flip zegt voor zich vlug bewegen, adj. 
flip, vlug, gezwind, a flip, een lichte, plotselinge 
slag; to flip up, demouwen opslaan. Het gewone 
eng. heeft flippant voor vlug, levendig, rad, dat 



Eer soudic mi laten vlaen ; 

Eer iet ghedoghede motid vertoeren. 
Van Maerlant, Leven van Franc. vg. IM19: 

Een sün rent brac sffn been zaen, 

AUo dat gene hope desen 

Int herte cam ons genesen, 

So dat hfft te vlane dochte. 
MeQer, Oude Ned. Spreuken, 71: So vele heeft hy, die *tbeenken 
haudty als die tschaepken vlaedt. Despare, Gron. van Vlaend. 
I. 4i3: dat hy hem zelve liever levende zoude laten vlaen dan 
spaewt ghebodt vulbrenghen. Van der Graycen, De Spreeckw. 
van Sal. 64» (bU): 

Schudt weeuw' en voeeten uyt^ ja vlaetse tot de beenen. 
Een vUler Is een vlader, eng. flayer; Woordenstr. tusechen 
de Passien en de Reden, Zi: 

Die vorsche-vladers touden u>d 
Ont hebben afgestroopt het vel. 



H5 



FLIBBEREN. 



H6 



Bailey noch Johnson verklaren : zóó weinig ken- 
nen de Engelschen hunne eigene dialecten! 

Fiihberen xegt derhalve vlug om iets heen gaan. 
Et y mol. zal het w. één zijn met glibberen, zooals 
flippen met glippen. 

Fliggeren, zie Vliggeren. 
Flikkeren'— Vlikken. 

Vlikken is hij Kil. glinsteron, en 't w. is één 
met blifdien, zie Ten Kate, IL 124. Geflik is voor 
geblik bij Pers, Urania, 61 (van Jonas onder den 
wonderboom) : 

De Sonne met haar heet geflick. 
Die prangcT hem yder oogenblick. 
Het frequent, flikkeren^ ook vlikkeren (zie dit w.), 
is mede glinsteren; zie Weü. waar Vondels tfraaije" 
pi. ontleend is uit Virgil. Wercken, 270. De bet. 
komt ovei*een met die van schitteren; Valentijn, 
Werken van Ovid. III. 68: schept de Krijge-Godin 
lust in 't flikkeren van bloote swaarden. Bilderdijk, 
Mengelp. I. 211: 

Doch ieder {en wat wil men meer!) 

Is van haar opgetoogen^ 
En roemty en lieft haar even zeer. 
Zoo flikkert zij in de oogen. 
Opmerking verdienen de volgende met voorzetsels 
saamgestelde wwn. Afflikkeren; Bilderdijk, 
Brieven, IV 174; het licht... 't geen het (water) 
doorUtat, afflikkert en aanneemt. Dez. Men- 
gelp. II. 85: 

De glans der ruwe diamanten 
Verspreidt zich uii de onteltnre kanten. 
En flikkert uit hun zilvren randen 
Mei duizendcfi van kleuren af. 
D. i. wederkaatsen. — Beflikkeren. door flik- 
kering aandoen of treffen; Kliooa Kraam, 52: 
De fiere Paauw. . 
Beflikkerde m{jn ooge^t 
Met meer als hondert oogen. 
Het laatste oogen zal ringen moeten beteekenen. — 
Ooorflikkeren; Ten Kate, Bilderdijk en Da 
Costa, 24: den zonnegloed der Inspiratie^ fUe de 
Ossiaansche wolk doorflikkerde. — O m f I i k k e- 
ren; Bilderdijk, Mengel. U. 2^: 

Vaak seheeni ge in *t heetst des strijds, omflik- 

kerd van hét staal. 
Dez. Navonk. I. 15: 

Op gistren nog {heiaas!) zag my de ontzette 

wareid 
Omflikkerd met de kroon; — 
D. Lomglansd, omblonken, zooals ook bij BogaerF. 
Gez. Dicht w. IL 2J0: 



Een winterdos van wit herm^y 

Met nestelpronk van kristall^ 

Omflikkerd aan de boorden, 

Ontflikkeren, doen ontvlammen ; Van der 

Schraft, in het Jaarb. voor Rederijkers, 9e jaarg. 

bl. 54: 

De trouwe Pool, wiens lans een vuurtong schijnt 

te ontflikkeren. 
Meer gewoon is opflikkeren; Poirters, Het 
Masker, 176: vyerkens van stroy, die eens voor 
eenen korten t^dt opflickeien, maer gemegnUck 
niet lang en branden. De Gids van 1873, D. lY. 
bl. 458: een eiken blok... hetgeen de vlam helder 
deed opflikkeren. Van Lennep, Rom. Werken, 
XXIÜ. 67: toen op eens de lamp... helder begon op 
te flikkeren. Van Someron, Verspr. en Nagel. Dicht- 
en Prozast. 113: 

De ontleende gloed... 
Is niet b{f dezen opgeflikkerd. 
Meer figuurlijk, Jonctijs, Tooneel der Jal. I. 68: 
uhU een flauwe liefde doet leven^ en ten hoogeten 
opflikkeren. Valentijn, Werken van Ovid. L 52: 
Ik offer wierook^ en stort n^jn tremen daar in, 
die opflikkeren, als wijn in 't vuir gestort, — 
Overflikkeren; Bogaers, Gez. Dichtw. 1. 89: 
Toen scheen op eens een vreugdestracU 
Zijn donker voorhoofd te overflikkren. 
Toef likkeren; Bilderdijk, HoU. Verl. 1.31: 

De zwarte nacht verdween, waarin geen enkle ster 

U met een zachte glans toeflikkren mocht van 

verr\ 
Uitflikkeren, uitblinken; De Decker, Rym- 
oeff. 1. 197 : 

Want waerom slaeft en draeft de groote hoop 

om geld? 

Is 't niet om pracht te voènf .. 

En uit te flickeren in pronckende gewaden? 
Antonides, Ged. 537: 

Wy zagen een gerit van stralen, en hem zelf 

In 't midden van een vlam uitflikkreo — 
Verflikkeren is opnieuw flikkeren, opleven, 
herleven; De Gids, 18a9, D. II. 390: de snelheid 
waarmee het weêrlicht zich verflikkert {liever: 
verflikkert). — Zoo spreken wij van eene verflik" 
kering van het leven bij iemand, die op het punt 
schijnt van te sterven; van eene verflikkering der 
hoop en derg. Doch bij Bilderdijk heeft het voor- 
zetsel een anderen zin; Krekelzangen, I. 111: 

Uier blaken my vlammen van heviger gloed. 

Die vreugdenoch kommer verflikkeren doetf 
D. i. uit- of te niet flikkeren, te niet gaan. — Ein- 
delijk wederflikkeren, schitterend weer- 
kaatsen ; Vondel, VirgiL 431 : 



M7 



FLIKKEREN. 



118 



— daefr de helmy in 't oogh der ruitery\ 
By 'têcheemren Euryael verriet door 't weder- 

flickeren. 
Het buskruid noemt Huyg. I. 92, fUcker-sout, 
Het Bow. flikkeroogen heeft Van der Port, De Lof 
der Zotheid, %. Het Brem. Nieders. Wtb. heeft 
fUkkem en flukkem voor bHnken. Zie ook Flak- 
keren en Vhkkeren^. 

FUkkeren*— Flikken. 

Flikken^ hoogd. flicken^ eng. to flick bij UaH., is 
lappen, oplappen, van flick^ Brem. Nieders. Wtb. 
flikke^ lap. Dus voor schoenen lappen, Bara Gal- 
teno, 45: 

— die daar ginder tit en flikt vast oude schoenen, 
£n samenlappen. Busken Huet, Schetsen en Ver- 
halen, IL 3dl : hoe ztj uit den afgedankten winter- 
mantel., een daagschen kiel voor Anton flikken 
zouden. — Zie wijders mijne Lat. Verscheid. 398. 
Onder de fig. bet van het ww. behooren die van 
glad maken, Grellerts Fab. I. 19: 

Hoe flikt en pikt de Duif haar lyf! 
Van (een huwelijk) koppelen ; Gonscience, Moeder 
Job, 17: dat er een huwelyk geflikt ux>rdt tusschen 
hem en Rosina. 

Daartoe behoort hef likken; Glaas Kloet, II 7, 21 : 

Dat dier is bestrickt, in beflickt, in besnoert^ in 

besneen. 
D. i. opgeschikt, opgelapt; anders meermalen op- 
flikken; Vondel, Amst. Hecuba, 44: 

Strijckt neer 't gerezen hair: diUd dat het word 

geschickty 

En mei een aardig' hand getoyt^ en opgeflickt. 
Dez. Virgil. Voorw. ih: dat het den Dichterenge- 
ootioft zij hunne vaerzen met de zetredenen. . op 
te flicken. M. Tydeman, in de Briefw. van Mr. W. 
Bild. IL 31: welk voerk.. door Goeeius misbruikt 
is om zijne editie op te flikken. Gellerts Fab. 
I. 19: 

Zich fraai te tooijen, op te Hikken 
Wcu daaglyks al haar tydverdryf 
De Thonars, Zriny, 33 : 

Een schoon Arabisch ros . 

TrfAs(ch) op zijn rijder., opgeflikt met donzen 

Kuiven. 
Zie mede de aangeh. pi. mijner Verscheid. 

Als frequent hiervan kan men aanmerken op- 
flikkeren, in 't dagelijksch leven gebezigd voor op- 
knappen, herstellen, enz. 

Flikken beteekent ook slaan, beweging maken; 
vandaar bij Scbmidt en Kehrein flicky vlug, t. w. 
van vogels gezegd, die in staat zijn te vliegen ; 
eng. a (Hek een lichte slag. Hiertoe zal behooren 



flikken voor drinken, misschien eig. klinken, het 
aanslaan der glazen; Waltes Klucht van Bol- 
backera-Jan, 6: 

Nou dat praten deer komt geen unnst vatt, je 

most een reys flicken. 
Avous Bol Ba^ikers Jan, een gUuisje^je hout doch 

so veel van 'tlicken. 
Het flikken met de kaart, Asselijn, Melchior, 6: 
Alle dingen zou wel gaan, Pieter, konje dal 
flikken met de kaart, en 't bord laaten. 
Langendijk, Ged I. 459: 

Des avonds even na het bikken. 
Moet hy nog eens in 't breed en lang, 
In plaats van op de kaart te flikken, 
Opzaagen Trooijes ondergang, 
Verm. Lottoon. v. Holland, II. 191 : 

— dat ze een kaartje gaai flikken 
Met Jaspemeef, in de Gekroonde Wandelaar. 
Bij Hoeufft is in 't bredaasch dialect eefi flikker 
slaan in den dans een kruissprong doen; elders 
zegt men ook een kuitflikker, als bij Bogaers, Gez. 
Dicht w. I. 332: 

Een kuit flikker sloeg h^ en wipte op de planken. 
Vandaar 'X ww. flikkeren bij Cremer, Twee Novel- 
len, 89 : al hebje mijn goeije vader met je valsche 
kuiten van de baan geflikkerd. — Stürenburg heeft 
flikkem voor zich snel bewegen, en het eng. to 
flicker voor het klappen met de wieken, angels 
fliccerian, flicrian. Hiertoe breng ik mede flik- 
keren bij Gats, voor het fladderen van vogels, Wer- 
cken, I. fol. 51 : 
De Meeu die soeckt haer aes, en geeft hoer op 

de sanden, 
Sy flickert over zee, sy wandelt aen de stranden, 
Aid. fol. 439: 

Het voert twee vleugels als een swaen. 
En noyt eti kan het stille staen; 
Het flickert hier en weder daer. 
Bekker en Deken, Gom. Wildschut, HL 65: die 
huppelende, snappende, flikkerende, liflaffende Pe- 
tits-maitres. — Bij Huygens leest men, Korenbl. H. 
314: 

Ses Paerden, Heer, en soo veel' Knechten, 
Daer gh' alle daegh voor aen moet rechten. 
En die daer voor uw' Koets bestaen. 
Of achter u geflickert gaen. 
Ik zou hier denken aan : opgeschikt, opgetooid ; 
Bilderdijk in zijne uitgave zegt er van — niets. 

Bij Höfer is flicken het vriendschappelijk om- 
gaan van twee jongelingen met elkander, meer uit 
vluchtige ijdelheid, dan bestendige genegenheid. 
Bij Lexer en Schöpf daarentegen beteekent het w. 
het omgaan van personen van beiderlei sekse, en 



119 



FLIKKEREN. 



120 



wel het bijslapen, dat daar niet on vernuftig verge- 
leken wordt met neien bij Schutze (een in onze 
volkstaal mede niet onbekende term). Dit dient 
ter opheldering van eene uitdr. bij Rosseau, Aran 
en Titus, 19: 

— Ik voeg me hy de Juffers,, 

En speel eens met de flik al waar ik dryvend 

heest. 
Onschuldiger leest men in Schied. Roodroosjes 
Spel, 32: ghelic en gheflic en ghezoen. — Halliwell 
heeft to flicker^ kussen, omhelzen. 

Dahnert eindelijk heeft flikkem voor flikkflijen^ 
nederl. flikflooiden^ en dit wederlegt de meen ing 
van Ten Broecke Hoekstra, in den Recensent ook 
der Ree. 1816, n*. 7, volgens welke deze samen- 
stelling zou afkomen van fUh, zoom, slip of rand; 
zoowel als die van Ypeij, Gesch. der Ned. Taal, 
II. 392, waarbij gedacht wordt aan het znw. fWL, 
vederschacht. — Volgens Beckering Vinckers, Or- 
thogr. Ë-legie, 71, is in Groningen flikkert een kleine 
vleijer, en zich bij iemand in flikken zich door 
lage vleijerij in iemands gunst dringen. En dus 
beteekent flikken vleijen bij H. van Halmael, De 
Panlikker, 49: 

*Kheb geen miUs op de Langvingery ^tis een 

ontrouw knegt^ 

En nogtans kan hy de Baas^ met sijn flikke he- 

haagen. 
Men zie op VUkkeren^y ook sich einflicken in Grimms 
Wtb. Reeds in de Levens van Plut. is de samen- 
stelling flikflooijen bekend; fol. 69: somtijts uyt 
haet ende nijt, ende somtijts door gunst of flicke- 
floyene. £n fol. 100: vol geveynstheyl^ dertelheyt, 
ende flickfloyinge. Fol. 259 verso: dat sy. hegos- 
ten onbetamelijcken te smeecken ende te flicke- 
floyen de oude Mticedonische soudenieren^ heniuy- 
den geit schietende, ende bancketten ende maeltij- 
den van offerhanden ghevende. En fol. 239 verso : 
hoe wel hy een seer groot flickefloyer was. Voorts 
GaU, Wercken, I. 397: 
Wie streelt, en flickefloyt, of boven reden mint. 
En krijgt nuier enckel leet, oock van een aerdig kint. 
H. van Halmael, De Gewaende Prins, 13: 

't Is een flikfloyer die gy niet moet gelooven. 
De beide samenstellende wwn. vindt men bij Wes- 
terbaen, Ged. I. 490: 

Hy had geen verstand van te floyen of flicken, 

Het moster i^ond uyt of hy mochter aen sticken. 
En vlooijen voor vleijen bij Rodenburgh, Vrou 
Jacoba, 95: 

Pluymstrijkers vloyen staech; cd s^jn de doeden 

bloedigh, 

Sy loven het bedryf — 



*t Is het neders. floien, zie het Brem. Nied. Wtb. 
en over flikflooijen Bild. Gesl. I. 207, benevens 
Stürenburg, die het w. goed verklaren. 

Flmkeren— Flinken. 

Beide wwn. heeft het hoogd. voor blinken, schit- 
teren. Flinken, dat naar de juiste opmerking van 
Ten Ka te, II. 130, één is met blinken, kwam mij 
bij ons in dezen zin niet voor; nogtans reeds het mid- 
delhd. heeft vlinke voor een stuk blinkend metaal. 
Doch het frequent, bezigde Sprankhuisen, Geestel. 
Triumphe, 38: al en sietmen juyst de Sterren niet 
flinckeren aen het Firmament des Hemels. En bl. 
120: Wanneer de Sterrekens op het alderklaerste 
schijnen en flinckeren aen den Hemel 

In het middel ned. ontmoet men vlinken en bij 
latere vlaamsche schrijvers evenzeer fUnken, doch 
in een' anderen zin; Roman van Gassamus, uitg. 
door Dr. Verwijs, 44: 

6yn ors, dat swarter dan een raven 
Was, dat liet hi hene vlinken. 
Poirters, Heyligh Hof van Theod. 9i : 

Mameer g<iet heele daegh' uyt flinken en klap* 

peyen. 
Ogier, De Seven Hooftsonden, 94: 

— gingde niet om profift hier flincken over straet. 
En bl. 101 : 

— wcU doede cUs dagelyckx flincken en drillen. 
Moons, Sedel. Verm. Tonneel, 357: oock sijt ghy 
in den dagh van u leven gewoon te drincken, te 
flincken, te spelen, te stelen, te ewieren, te tieren 
enz. — Om den wille van het bij dezen Schrijver 
bij uitstek geliefkoosd rijm geeft hij Hw. een bas- 
terduitgang, bl. 147: {de jonghmans) picquéren door 
flinckeren hun leven soo dapper af, dat sy het af- 
ryden op korten tijt, en vallen soo al vroegh int 
graf — Hier heeft men te denken aan het werkw. 
flunkeren, dat in verschillende hoogd. dialecten 
beteekent blinken, doch vervolgens pronken, zich 
mooi voordoen, door mooije kleederen iemand mis- 
leiden ; zie Schütze. Zoo iemand heet een flink of 
flinker bij Ogier, De Seven Hooftsonden, 99: 

— Hoe komt dat gy de Falien soo veracht? 
Omdat het wort een rechte flincken dracht, 
Waer onder veel bedrogh geschiet by doere 

daegen. 
Van der Venne, Wijsmal, 21 : 

Pratte, kaale, trotse flinckers, 
Die gaan duycken in heur kraagh. 
En in dien zin van pronken, den heer of de dame 
uithangen, den bretteur spelen, »windbeutelen*' soo- 
als Stürenburg het peemt, kan flinken in de verm. 
pil. worden opgevat. Het subst. fli$%k is voor 8noe> 



421 



FLINKEREN. 



122 



Terij, bij Bekker en Deken, Sara Burgerhart, I. 
138: Nu ik er deeze flinken weer uitgegooit heby 
ga ik er my eens terdeeg toe zetten, om uwen brief 
te beantwoorden. 

Het w. flinkf dat wij adj . en verb. kennen, wordt 
door Weil. en anderen kwalijk uitgelegd. De eer- 
ste bet. er van is, zooals het Brem. Nieders. Wtb. 
te recht opmerkt, die van glanzend, helder; voorts 
wat zich goed voordoet, wat aan het oog gevalt 
en zoo hupsch, knap enz. 

Flitteren— Flitten 

Het primit. flitten biedt ons het eng. (bij Hall.) 
to flit en to /Zu, vliegen, wegvliegen, eig. in dunne 
stokjes of blaadjes, waarvan ook het adj. flit, dun, 
het subst. fliz, een splinter of spaantje, nederl. 
flüjeenflitskenj sneedje, reepje; zie Hoeuffts Idiot. 
boogd. flitsche, dun blaadje. 

Vandaar flüter, in *t hoogd. een glanzend stukje 
koper, bij Lexer papiersnijdsel om eene bruid meê 
te strooijen. Dus ook in onzen Statenbijbel, Randt, 
op Jes. 3, VS. 19: de cleederen bezaeyt met dunne 
goudene of sÜvere schubbekens o/* flitteren, die eenen 
glans gaven, — Alsmede t. z. p. het ww. flitteren 
voor het bewegen of glinsterend bewegen van zulke 
dunne stukjes : Uitterende of bevende loverkeris, — 
Bij Lexer is flidem schilferen Zie voorts Flenteren. 
Flitteren komt ook voor in een eenigszins an- 
deren zin, t. w. voor het puntig uitschieten der vlam; 
Roemer Visscher, Brabbel. 177 : 
Sch^s omhangen waren klaer oogsienlijk blin- 
kende, 
&00 dattet door 't flitteren de oogen was min- 

ckende. 
Kleyn, Oden en Gredichten, I. 38: 

H Zwaarmoedig flitt*ren der vlammen 
Blikt om de rokende wolk! 
Schimmel bezigt daarvoor flitsen; Verspr. Ged. 32 : 
De reuzenkeurs van staal, 
Die blikkerde en flikkerde en flitste aan den 

muur, 
De vktmmen weerkaatsend van H sparkelend vuur. 
N. Gedichten, 2: 

— Een woud van speren 
Flitst, flikkert in den zonnegloed. 
Aid. 30: 

Uit de boot 
Flitste een vlamme, enz. 
En 69: 

Geen wapen flitst, geen lont weêrglimt 
Van Someren, St. Eiiz. Nacht, 31 : De bliksem 
flitsl Ten Kate, De Psalmen, 569: flitsend vuur. 
Dit vrw. flitsen is bij Kil. wegvliegen, alzoo ' 



overeenkomende met het boven vermelde e^g. to 
fliz. Hiertoe behoort ook ons flits, pij], fr. flèche, 
doch oudfr. fliche, flich, flique, flic, flis. Van 
het znw. flits zou ik afleiden het ww. doorflitsen 
bij Bodecheer Benningh, Leydsche Oorlofdaghen, 
463: 
— onsen Bruydegom, wiens doorgeflitste hert 
Te vooren klaeghen moght van aeckelijcke smert. 
Flitteren beteeken t eindelijk nog heen en wéér 
drentelen, in het bildtsch dialect, zie De Taalgids, 
III. 282. Het heen en wéér schietende der bewe- 
ging maakt hier het hoofddenkbeeld der bet. uit, 
die we reeds zien in het eng. to flit en to flitch, 
zich bewegen, zich van de eene plaats naar de an- 
dere begeven ; het eerste bijzonder in den zin van 
's nachts van verblijf veranderen, om den huisheer 
te bedriegen; zie Hall. Volgens het tijdschrift 
Nederland, 1862, n'. 7, hl. 264, ts f tenteren op het 
eiland Marken »op een draf wegloopen." Ook hier 
valt dus weder de overeenkomst van flitteren of 
fletteren met flenteren in het oog. 

Flobberea— Floppen. 

Het WW. flobberen heeft Van de Venne, Bel. 
Werelt, 88: Soo haest de Swaen sich wascht en 
flobbert in 't water. — Het w. schijnt eene ver- 
scheidenheid te moeten zijn van flodderen. Een 
primit. floppen zou kunnen gewettigd worden door 
het eng. to flop, uitspreiden, a flop, een plas dunne 
modder; zie Hall. 

Flodderen — Vlodden. 

Flodderen is evenals fladderen, van Hwelk het 
alleen een andere uitspraak schijnt, het heen en 
wéér door de lucht vliegen van vogels; Van Rus- 
ting, Ovidius enz. 322: 

Een uyl quam floddren met si^n vleuglen. 
Van Lennep, Fiêsko, 37: 

Zoo flodd'ren duiven, als de sperwer nederstort. 
De Thouars, Citadel van Andw. II. 121: 
Waar 't vliesgevlerkte nachtgeveugelf... 
Loom flodderde om de oranjevlag. 
Lublink, Thoms. Jaarg. 256: d%e (vogels) welke 
gewoon zyn in de beroerde lucht te spoelen, of 
over het golvende meir te flodderen. — Of van win- 
den; ald. 25: wanneer de (lodderende u>estenunnd- 
jes dartelen. — Of het bewegen van neerhangende 
stoffen, als vlaggen, zeilen, kleederen enz ; Stop- 
pendael. De Lusiade, 56: De ontrolde purpren vlag 
floddert door het géblaes der winden. Bilderdijk, 
Mengel. III. 35: 

De krijgsvaan was geplant en flodderde op de 

winden. 
Dez. N. Mengel. IL 52: 



423 



FLODDEREN. 



124 



Dê Leeuujhanier verschijnt^ en floddert in 7 ver- 
schiet. 
Ook van den wind, die de voorwerpen doet flod- 
deren; Brender k Brandis* Kabinet, IV. 329: 

Het zoele windjen stoeit en floddert langs het veld, 
Aid. VI. 75: Geen flodderende Zephijr klapt de 
dunne wiekjes. En bl. 122: 

— zie de Zephijrs keeren voeder. 
En floddren op de bloemt jes, af en aan. 
Bogaers, Grez. Dichtw. I. 120: 

Prijkt mast aan mast, voor lof en loten 
Met floddrend zeiltuig, raas en wanU 
Bilderdijk, Buitenleven, 135: 't floddrend p^^^^^e- 
waad. Zeeus, Overg^ebl. Ged. 35: 
{Men ziet hen) op de straten in hun koorkleet 

staen te pryk. 
Dat achter nasleept, en dus Aoddert door het 

slyk. 
Bekker en Deken, Gorn. Wildschut, II. 169: ge- 
wassen linten flodderden m de nekken. Brender 
k Brandis* Kabinet, I. 351: haar floddrend hair. 
Ook met toepassing op de menschen; Lublink, 
a. w. 90: zo flodderen (de wellustige menschen) 
van de eene beuzeling tot de andere, van ydelheid 
tot ondeugd, — Waarvan verflodderd voor slap ge- 
worden, Bekker en Deken, a. w. III. 138: ouder- 
wetsche, verlepte, verflodderde linten. — Eene afl. 
met om bezigt de dichter De Graaff, Friesche 
Volksalm. 1843, bl. 152 (in een schaatsrijdersliedje) : 

De rokken omfloddren de stevige kuit. 
Bij de samenstellingen, die Weil. geeft van flod- 
deren in dezen zin, voege men flodderblad ; Ockerse, 
Gharacterk. I. 140: Men haalt de neus op voor 
eene doorwrochte verhandeling. . terwijl men naar 
een modem dichtstuk of romanesq flodderblad 
beide de handen gretig uitstrekt — Flodderkleed; 
Van der Port, De Lof der Zotheid, 48 : 
Dido stond daar ontrent met losse flodder- 

kleeden. 
Flodderhoed; Bekker en Deken, Brieven, I. 314: 
een zwarte, met groene zyde gevoerde flodderhoed 
op. — Flodderbroek; dat NB. Stalder, I. 381, op- 
geeft. — En flodderwieken (van vogels) bij Lu- 
blink, a. w. 226. 
Minder eigenlijk is het w. bij Bild. Mengel. II. 42 : 
Zijn heirspits volgt van verf', maar floddrend in 

H bewegen. 
Bij Bellamy, Proeven, II. 227 : Hoewel toch voorheen 
de schoenen van dien aard waren, dat men 'er 
ruimer in flodderde. — Geheel figuurlijk is het w. 
bij Hooft voor hangende of onzeker zijn, weifelen ; 
Ned. Hist. fol. 847: met bystandt des Kooninx 
zyns broedersy van wien men zich, zoo lang als 



de dingen dus flodderden, luitel onderling versitands 
toezeggen kon. Fol. 873: als... *t flodderen der 
hooqhe regeeringe zoo groot eenü bekommering aan 
heul, Fol. 1017: Onder 't flodderen derberaadm- 
gen, quam, uit Hollandt, de Griffier. En fol. 
1041 : Hierentussen flodderde de regeering 

Onze gemeenzame taal kent flodderen, inzonder- 
heid voor het maken eener beweging met handen 
of voeten in water of slijk. En zoo leest men bij 
Bilderdijk, Buitenl. 153 : 
Het beekjen, waar .. 

De sombre Herdersknaap zijn beeld in floddren 

ziet. 
Bij Weil. mist men de volgende znwn. die bij 
het turfmaken te pas komen; Smits, Rottestr. 64: 
Hoe de veen klomp voorts de veen 
Met al de opgehaelde flodder. 
Dikke vocht en taei)e modder. 
Roert en mengelt ondereen. 
Zien wy Veenman landwaerds vletten, 
De opgeboeide flodderschop 
Lost de veen a^n de akkers op. 
Om ze hoog en droog te zetten. 
Van floddering geeft Oudemans in zijn Taalk. 
Wdb. op Hooft uit dezen Schrijver een voorb. met 
de bet. van onzekerheid, weifeling; bij Huygens 
geldt het voor wat wij zouden noemen speelruimte, 
Korenbl. I. 414 (van Huisingh en Kleeren) : 

Te ruym en schickt sich niet, te nauw valt suer 

en bangh. 
De middelmaet en geeft noch flodderingh, noch 

dwangh. 
Uit het aangevoerde blijkt dat het Wdb. der Ned. 
Taal flodderen onjuist eene vlaamsche uitspraak 
van fladderen noemt; zie de twee artt. Omflad- 
deren. De eerste vorm komt bij tal van noord- 
nederlandsche schrijvers voor, zooals trouwens de 
korte a en o in meer gevallen afwisselen, b. t. klad- 
der, klodder; rat, rot. 

Flodderen is ook vlodderen, of, zooals Ten Rate, 
II. 487, te recht opmerkt, het eerste is van 't laat- 
ste, door verscherping der v. Bij Von Delling en 
andd. is flodem zoowe! als fladem heen en wéér 
vliegen en in *t water plassen; bij Schöpf flódem 
ook het flodderen van nederhangende kleederen. 
Reeds in *t middelhd. is vlodem, vludem, in dezelfde 
beteekenissen bekend, en in 't eng. bij Hall. is to 
flodder up overloopen en stuiten (beiden van water 
gezegd). 

Het prim. van flodderen, dat in onze taal vlod^ 
den zou moeten luiden, is bij Stalder flodschen, 
flotschen, het flodderen van kleederen; middelhd- 
vlouwen, flden, oudhd.flawjan, bij Anton (I.) flötzen, 



125 



FLODDEREN. 



126 



spoelen, wasschen, bij D&hnert floten^ neder), vloten^ 
doen ▼lieten, enz. Zie wijders het aangevoerde op 
FUuideren 
Bij De Harduyn, Uitgel. Dichtst. 7, leest men : 
Door my quant hei Griecks heyr voor Troyen 

aen-ghevoldert. 
De hoogl. Schrant gist, of dit bij letterkeer ook 
zijn kan Yoor aangevlodderd. Die gissing komt 
mij gegrond voor. De Dichter kan er toe gebracht 
lijn door het lat. volitare. Het w. beteekent dan aan- 
vliegen, aansnellen, en komt nabij aan (xanfladde" 
rerty door Poot en andd. gebezigd; zie De Tael- 
en Dichtk. Bydragen, II. 192. 

floesteren— Floeeen. 

Dit prim. floezen luidt bij Kil. fluizen^ vloeijen, 
vlieten, en is dus etymol. één met vlouwen, flaen^ 
waarvan flodderen en fladderen. Vandaar btj Stü- 
renburg het frequent, flöstem, flodderen, en bij 
Danneil flusiemy trachten te vliegen. Dit freq. 
doet zich voor in ons floesteren^ in Overijsel en 
Gelderland bekend voor het fladderen van vogels, 
en ontfloeeteren, ontvliegen, ontslippen, ontsnappen; 
zie het N. Ned. Taaimag. iU. 254, en De Ned. Taal, 

11 ao7. 
Flokkeren— Lokken. 

Volgens De Navorscher, XI. 375, is in het dialect 
van Zuidbeveland flokker teen lapje gevuld met 
iets zoets, om de kinderen aan te laten zuigen," 
en flokkeren het zuigen aan zulk een voorvi^erp. 
Ik acht deze wn. afkomstig van lokken^ bij Kil. 
vlaamsch voor zuigen, waarvan bij hem en ook bij 
Hoenfft, Bred. Taaleig. lok voor bloedzuiger. Voor 
het zuidbevel, flokker zegt men elders, met name 
in Zuidholland, een dot of dotje, 

nonkaren— Flonken. 

Deze wn. zijn alleen in klank onderscheiden van 

fUnkeny flinkeren (zie dezen), en alzoo ook één met 

blmken. Eet ww. flanken leest men bij Sluiter, 

Lgkreden, 8: 

In *t midden van een krom ffeslachte, 
Waer onder gy^ tüs lichtenj flonkt. 

Dez. Bnytenleven, 17: 

Daer 't steen-gofloiik ede nieuwe sterren 
Een vUeecMiik ooge komt verwerren. 

(Hier worden diamanten bedoeld.) Apollo's Nieuwe- 

jaengüt, 82: 

Op niemo gelayl, gelonkt^ geflonkt, 
Gequikl, geetrikt en opgepronkt. 

Bloemkraia, 59: 

— aUoo de mist 'tgeflonk 

Van den heUJTren dag beaeheeld^. 



Vandaar het frequent, flonkeren^ neders. flun- 
kern; Bilderdijk, Mengelp I. 203: 

— een* dier Mod^onkeren^ 
Die steeds in goud en zijde flonkeren. 
En de minder bekende afleidingen ; aanflonke- 
ren; Fokke, Nagel. Verhandd. 209: terwijl ze. in 
den prachtigen nacht . door het tintelend ster- 
renheir aai^eflonkerd worden. Van der Hoop, 
Poëzij, 72: 

Zoo flonkert ons zijn lichtglans aan. 
Afflonkeren; Bild N. Uitopr. 28 (wien): 
De ondenkbre hemelvreugd afflonkerd(t) van 't 

gelaat, 
Beflonkeren; Tuinman, Mengelst. van Gez. 19ü : 

Als my^ ö Heilzon^ uw licht maar beflonkert. 
M. G. Tengnagel, Spaensche Heidin (Amst. 1671), 29: 
Waer of mijn* zon zich schuilt f heurstraelen 
Beflonkeren mijn oren, — 
Schermers' Poêzy, 109: 

— beflonkert van de straalen 
Der ongenaakbre Zon — 
En 436: 
Zo lang de waereldt wordt beflonkert door 

de Zon. 
Doorflonkeren; Bilderdijk, Mengelp. IL 37: 
— Hy ziety geheel doorflonkerd 
Van honderden van luchters xn het rond.. 
Een Godenzaaly enz. 
Dez. N. Dichtsch. I. 82: 

/o, de Almacht schonk u hemelunekenj 
Doorflonkerd met het morgenkrieken, 
Henenflonkeren; (Van der Dussen) Het 
Hoogste Goed, 23: 

Of pligten in haar oog vermaken henenflonk'ren. 
D. i. of pligten in het oog mijner Zangster de ver- 
maken wegflonkeren, overschijnen of verduisteren. 
— Omflonkeren; Vrouwe Bild. Ged. 178: 
Keizerskroonen, hoe omflonkerd. 
Worden door de glcms verdonkerdy enz. 
Ledeganck, Al de Dicht w. 172: 

— kosthre peerlen^ die in hellen glans 
Uw* naam omflonkeren cUs glorielichten, 
O verflonkeren; Bilderdijk, Vermaking, 99: 
— Peters naam die allen naam verdonkert 
En als een morgenster heel *t aardrijk over- 

flonkert. 
En uit flonkeren, ophouden te flonkeren; 
Vrouwe Bild. Ged. 175: 
Maar^ zoo t* {lieht) hier heeft uitgeflonkerd; 
*t is slechts voor ons oog verdonkerd. 
Da Costa, Kompl. Dichtw. II. 308: 

Hoe heeft de glorie uitgeflonkerd! 
Ten Kate, Dichtw. VL 303: 



127 



FLONKEREN. 



198 



Al zijn glans is uitgeflonkerd. 
Het hulpw. zijn zal minder gepast zijn dan /ledbeti ; 
het eerste zou beteekenen: is uitgeflonkerd ge- 
worden. 

De spelling ulonkeren kwam mij voor bij Van 
Teylinghen, Parad, der Wellust. 229 : cdsse (d. i. 
de keerssen) al te seer vlonckerden. 

Als afl. heeft Weil. fUmkering^ die men b. v. 
leest bij Bogaers, Gez. Dichtw. I. 89: 

Toen scheen op ééns een vreugdestraal 
Zijn donker voorhoofd te overflikkren. 

Deè voorgevoel van zegeprctal 
Door Hnevelfloers die flonkring zweven? 
Doch niet flonker, dat Bilderdijk heeft, Voet in 't 
Graf, 129: 

Zij me in 't donker 
Slechts één flonker 
Van Uw heilzon afgebeên. 
Onze platte volksspraak heeft een nw. flofUi in 
meer danééne bet. Bij Van der Veen, Zinneb. 34 : 
Daer sit den drugpneus (tot een spot der 

snollen).,. 
Sy steelen hem sijn geit, En wert daertoe ge- 

quelt, 
Bejout en uytgelacht van dese floncken. 
Dit flonken slaat op het voorafgaande ^snollen," 
en het w. komt dan overeen met flank, bij Schmel- 
Ier een liederlijk vrouwspersoon. Elders, en meer- 
malen, geldt flonk voor klap of slag; De Verliefde 
Lubbert, 11: 

— ze wierd kwaed .. en gaf me een flonk aan H oor. 
Julfus, 37: 

— ndt ien 
Kreeg ik twee floncken om men ooren. 
De malle Wedding, of Gierige Geeraard, 60: 

— ^k Zeg je kykt Myn an, of 'k geef een flonk. 
H. van Halmael, Overdaad en Gierigheid, 32: 

— ik geef u strak een flonk, 
IkU het u heugen zcd, ik zal u dit verleeren. 
Dit w. houd ik voor een klanknabootsing: gelijk 
wij ook hebben een klink voor >een klap die 
klinkt" zooals Weil. zegt; welk woord men leest 
bij Vondel, Noah, 43: 

Walvisschen kunnen met een* klink van hun- 
nen staert 
Dat houten zeegewelt te gronde slaen en sloopen. 
Zulk eenen slag geven heet insgelijks klinken; dez. 
Jeptha, 23: 
Eer de hant hoer in H zant quaem te klincken. 
Eer 't hooft gevallen lagh. 
Schermers* Poèzy, 104: 
(Hy) klinkt zyn glinstrend staal van acht'ren 

in hun rug. 



En 403: 

(Men) klinkt malkaar naar 't hooft met losge^ 

rukte steenen. 
En dit geschiedde met: 

— klinkerts, licht genoeg voor armen onzer eeuw. 

Anders Klinkers geheeten; zie Weil. Deze Schr. 

zag niet in, dat hetzelfde klink voorkomt in de 

uitdrukking: een bewijs van klink, waar hij 'tw. 

door »belang of gewigt" verklaart; H is een bewijs 

dat klinkt, zooals we van eene bondige redenee- 

nng zeggen: zij klinkt als een klok. 

Flotteren— Flotten. 

Flotteren, en met klankherhaling flieflotteren, 
heeft volgens De Bo het vlaamsch voor flodderen, 
fladderen. Het eerste, blijkbaar eene verscherpte 
uitspraak der laatsten, komt overeen met het hoogd. 
flattem, en nog nader met het dialectische /Zottem 
en fluttem, bij Höfer, Schöpf en Stürenburg te 
vinden, zoowel als met het eng. to flutter. 

Laatstgenoemde taal bezit het primit. in to flotte, 
bij Halliwell, waarvan bij Schmeller flotschen (dat 
aldaar het frequent, flotschenen oplevert), en bij 
Stalder flodschen, allen in de bet. van het nederi. 
fladderen, het bewegen der wimpels, vlaggen, vleu- 
gels en derg. 

Fluisteren— Fluizen 

Adelung vermoedde, dat het hoogd. flistem, 
neders. flüstem, en dus ook ons fluisteren^ afkomt 
van het nederh luisteren. Grimm in zijn Wtb. 
houdt flistem voor hetzelfde met het oudhoogd. 
flistran (Grafif, Hl. 777) fovere, palpare, blandiri. 
Doch Graff zelf, zoomin als Kaltschmidt, erkende 
die eenzelvigheid, en koesteren, streelen, liefkozen, 
is dan ook nog geen fluisteren, 'k Meen dat Kaindl, 
ni. 220, de juiste bet. des woords aanwijst, als hij 
zegt: flüstem is uit- en inademen, d. i. eene aan- 
houdende fladderende of golvende beweging maken. 
Zoo zegt ook Bilderdijk: ^^ fluisteren drukt de in- 
blazing van 't mommelend geluid des sprekers in 
't oor des hoorers uit." (Aantt. op Hnyd. 51.) 

Het prim« ww. vindt men in Kiliaans fluizen, 
fluere, meare cum impetu, waartoe behoort /"^ime, 
aquagium, aquaeductus; verwant aan 't hoogd. flies- 
sen en flössen, nederi. vlieten en vloten (d. i. doen 
vlieten). In oude glossen bij Schmeller I. 593, is 
kif los susurratio. Verg. Bild. Geslachtl. I 203. 

Fluisteren is alzoo etymologisch één met floes- 
teren (zie dit w.) ; doch 't laatste wordt toegepast 
op de beweging, terwijl 't eerste vooral ziet op het 
geluid, dat de beweging veroorzaakt: twee zaken, 
steeds nauw verwant en vaak ineen vloeiende. Het 
hoogd. bezigt het ww. voor zacht blazend of rui- 
schend geluid van verschillende soort, zooals van 



i99 



FLUISTEtlEN. 



lao 



bêt boomloof, bet bronwater en and. Zoo zong de 
oederL dichter J. P. EJeyn in de vorige eeuw, 
Odan en Ged. I. 36 (van de zee): 
't Levenwrwekkend geruiach fluisterde tegen het 

strand. 
En D. m. 56 (van eene harp) : 
Wen zy, de gunst der Waereld moede^ 
Zagt aan de barst van Elize fluistert 
Ed vóór hem Schermer, Poözy, 129: 
In Haarlems lommerhosch het liistprieel van *t 

SpcMren^ 
Daar ik in slaap gesust op 't fluisteren der 

haaren, 
Door H ruisdiend koeltje weer gewekt wierdt by 

den stroom, 
bi dezen zin bezigt Van den Broek omfluisteren^ 
Ged. 65: 

Als ons geen wind jen omfluisteren zal. 

Doch gemeenlijk wordt het w. gezegd van hetge- 

misch d«r menschelijke stem; Vondel, Jos. in 

Dothan, 9: 

Daer na scheen H of er een ai fluisterende zey : 

Schep moedty 6 jongelingk, Godt zal uw reize 

zegenen. 
Ofid. Hersch. 365: 
Men zwijght *er niets^ nochtans verneemt men 

geen geschrey^ 
Maar mom^plen^ fluisteren : — 
Poézy, L 422: 
Om hoer gerusticheit met fluisteren in d ooren 
Met minnebeelden en met droomen noch te 

stooren. 
Dtv. Harpz. 106: 

Het gruweUjk besluit 
Wort fluisterende in d' ooren 
Gemompelt — 
Van Merken, Nut der Tegensp. enz. 241: 
Don scheen het vlug-gevederd Choor, 
In *tschaduwryk geboomte^ Maêr in Hoor te 

fluistren : 
Hoe schoon zingt hy ons vóór. 
Voor dat »in 't oor fluisteren" heeft Oudaan 6e- 
fluisteren; üytbr. der Ps. 11. 175 : 

Als quamy daar z' over cf oogen glee. 
Een slaapy door 't sHl befluyst'ren 
Haar in den droom ontkluysVren. 
Zeer overdrachtig zingt Ten Kate, Dichtw. I. 243 : 
Wanneer d* ontvloden dag het maantjen wakker 

fluistert. 
Bq Bilderdijk leest men. Zed. Gisp. 45: zacht in 
't oor gefluit! — Het w. komt als rijmwoord voor; 
fluiten dient dan in den zin van blazen genomen 
te word«i. Doch moet het niet zijn gefloten 9 Zie 



daarover het opgemerkte bij Ten Kate, II* 179, en 
bij Van Lelyveld op Uuyd. Proeve, I. 371. 

Thans zegt men influisteren; dat WeiL echtet 
niet heeft; Van Gappelle, Nag. Bijdr. tot de Nat. 
231 : om wraakzuchtige{i%) gemoederen de oproe^ 
rigste raadslagen in te fluisteren. Van Lannep, 
Rom. Werken, XIV. 155: al fluisterde destemdef 
gezonde rede haar in, dat enz. — Ook toefluiste- 
ren; Glarisse, voor Jongel. L 112: den troost der 
vergiffenis .. den zieltoogenden . toetefluisteren. — 
Overfluisteren leest men Dietsche Warande, N. 
Reeks, I. 1C5: de Leidenaars^ die te Andwerpen 
den Heer., overschreeuwd of liever overfluiaterd 
hebben. 

In plaats van 't gewone gefluistery als bij Uelmers, 
Holl. Natie, in 't bekende nachtgezigt, bl. 51: het 
was een stil gefluister, verkiest Focquenbroch, I. 
153 — misschien sprak Eneas sterk door den neus — 
gefnuister: 

Ik school geduirig m het duister^ 
Mits my het zonnelicht verdroot^ 
En zat staag met een stil gefnuister 
Te vloeken op myn meesters dood. 
Hoewel ik ook moet doen opmerken, dat de noord- 
hollandsche volkstaal fnuisteren zegt voor fluiste- 
ren; zie Bouman, De Volkst. in Noordh. i. v. 

Fluisteren*, zie Bluisteren. 
Slaiteren— Fluiten. 

Het frequent, van 't bekende ww. fluiten smeedde 
Vondel, Pascha, 39: 

Oft schoon Hwildt vogelken met lust 
In 'tkorfken tierreliert en fluytert. 
En ook t. d. pi. alleen; want als men bij hem in 
Dav. Harpz. 146, leest: 

Zy fluiterden in d^ ooren: 
Wie kan dien bloetraet hoeren f 
is dit een misstelling voor fluisterden^ die de druk 
van 1657 niet, doch die van Westerman wel heeft. 
Bij Kil. is fluit schalksch bedrog, en fluiten 
jokken, misleiden; dus leest men in Boetius a 
Bolswerts Pelgrimagie, 21 : soo maecken sy de Meys- 
kens wonder fluytkens wijs. Gheschier, Proef- 
steen, 9: 

Al dai iemandt slet van buyten, 
Zijn al dickwils uKire fluyten. 
Huygens, Korenbl. I. 142: 

Wel, haddick 't niet esien,ick hietmen Vaertgie 

fluyte. 
D. i. ik heette het mijn vaartje liegen. Ten Kate, 
II. 179, meent dat die beteekenis ontleend is van 
het vogelaarsfluitje, dat de vogels in het net lokt 

en aldus bedriegt, 'k Meen echter, dat fluit en 

6 



434 



FLUITEHEN. 



192 



fluiten in dezen zin kunnen zijn van Hhoogd. 
fluMse en flausefiy die gelijke beteekenis hebben, 
en bij Schmeller flose en fl&sens oudhd. flaaari^ 
mendax. Dat zijn ftouzen of flausjes^ zefrt onze 
volkstaal van vertelsels, die men niet gelooft, te 
Brussel flauakens, zie mijn Arch. III. 88. In 't 
friesch luidt het w. vlouw ; dus bij Wassenb. Bijdr. 
I. 157: aunder vUntwen. D. i. zonder jokken of 
liegen; bij Van Elsland flouwen^ Gez. 74 (waar 
Krelis zegt): 
At zeg rax8 dat Krelis^ De schoonzeun van Melis, 
Jou deel ü, myn suikerde Maid, 
antwoordt Trijn: 

Heer^ Krelis ! dat *s flouwen !. . 
Wel Vryer, jy trouu)enf 
Jy mient 'er, Jy mient 'er niet ien. 
Bij Gysbert Japicx is flauwheftig leugenachtig, zie 
Epkema ; wanneer deze Geleerde echter meent, dat 
de zeeuwsche of hoUandsche uitroep: dai is flauw! 
van dit flouu) is, vergist hij zich; de gemelde uit- 
roep is flauw, het gewone bijv. nw. voor laf, zou- 
teloos. 

Fluteren— Fluten. 

Volgens De Navorscher, X. 153, is te Krommenie 
fluteren in gebruik voor wapperen. Dit w. dat in 
Holland fluiteren, of floeteren zou luiden, is het 
neders. fluttem, bij Stalder en Von Schmid fludem, 
bij Schöpf flottem, hetz. als *t hoogd. flattem, ne- 
derl. fladderen, en de vleermuis heet daarvan bij 
den laatstgem fluiter, flotter, flitter. 

Het prim. fluten, flotten, nederl vloten, is in *t 
eng. to flit, wuft of onbestendig zijn, wegvliegen; 
bij Hall. in H bijzonder verhuizen, wat bij Schütze 
flütten is. Zie wijdera Fladderen. 

Fnuisteren^ zie Fluigteren'. 
Foeteren— Foeten. 

Dit frequent is bij De Bo »gedijen, goed voort- 
komen, wel gelukken." De oorsprong van het w. 
zal wel liggen in het znw. fut, dat hetzelfde Idio- 
ticon vermeldt voor levenskracht, bij het gemeen 
ook teelvocht. Dit fut, dat ik in onze woorden- 
boeken mis, is ook in het nederl. zeer bekend. In 
de platte volkstaal hoort men van iemand, die 
verzwakt, afgeleefd of machteloos is: er zit geen 
fut in, welke spreekwijs dan ook bij Han*ebomée, 
I. 198, voorkomt. Van personen wordt zij op za- 
ken overgebracht, b. v. op laken, linnen stoffen enz., 
die minder degelijk of stevig bevonden worden. 
Dat het vlaamsche foeteren van dit w. is, blijkt te 
meer, daar De Bo vermeldt, dat het grauw voor 
fut ook foeter zegt 

Het bestaan van een prim. foeten of tutten is mij 



in het nederl. nog niet gebleken. De Bo wijst ter 
vergelijking op het gr f^owy telen, en het zw. /oda 
Het laatste echter is het nederl. voeden, dat van 
het goth. fodjan en alzoo van een anderen stam 
is; zie Diefenbach, Vergl. Wtb. I. 410. Het zw. 
foda heeft behalve de beteekenis van ons voeden, 
ook wel die van baren, ter wereld brengen; doch 
dit is nog geen telen. Eerder schijnt te kunnen 
gewezen worden op het lat. futuere. 

Fonkeren, zie Vonkeren. 
Fretteren— Fretten- 
Men leest bij Van Alkemade, Beschr. \an Briela 
II. fol. 227: rite men bevinden sal f niierende, of te 
met lange netten conynen in de Duinen afstee- 
ckende. En fol. 283 : dat niemandt and4srs binnen 
de voors. bepalinge sou mogen jagen, nogte frotte- 
ren. — Zoo de tweede e in dit w. toonloos is — 
want omtrent de uitspraak ben ik niet zeker; die 
zou ook fretteeren kunnen zijn — dan lieeft men 
hier het freq. van fretten, d. i. roet fretten op ko- 
nijnen jagen, in het fransch fureler, en evenals 
dit mede voor zoeken, snuffelen, gebezigd; dus 
Rodenburgh, Trouwe Landsatensklacht, 8: 

Ja hoe ick fret na yets, hoe dat myn Muaa 

streeft 
Om vinden yets waet^ door m.m voor u mochie 

spreken, 
7 Is ydeUjck ghezocht; — 

Fulteren— Vullen. 

In het vlaamsch is juUeren een hoedenmakers- 
term voor het ineen werken of drukken van de 
haren stof; zie De Bo. Het primit. is dus het be- 
kende WW. vollen, bij Weil. ook vullen, bij de be- 
reiding van stoffen, inzonderheid laken, bekend. 
Het fr. zegt daarvoor fouter, het eng. to full, enz. 
Zie Diez, Etymol. Wtb. I. 184. 

Futeren— Futen. 

In de noordhol landsche volkstaal is futeren zacht 
blazen ; zie Bouroan. Het woord is geluidnaboot- 
send en gemaakt van het in de spreektaal niet 
onbekende tusschenwerpsel. waardoor men een 
licht geblaas wil aanduiden, 't Bestaat uit de me- 
deklinkers /* en t, die zoo onmiddellijk verbonden 
woi*den, dat de overgang bijna niet merkbaar is 
Zoo leest men bij Bilderdijk, Bloemtjens, 19: 

Wat pocht ge, stoute boef f wat zegt een nietig 

kusjenf .. 
Ik uisch mijn* mond slechts af, eti — ft! cioar 

gaat uw zoen f 
In de Proeve van Poëet. Mengelst. van het haagsch 
Genootschap komt dit dichtje mede voor/ X. 107 



133 



FUTEREN. 



134 



waar men »f — f'leesU Dez. Dichter schreef elders 
fut; Zedel. Gispingen, 51 : 

— Hy spot met d' ouden Grijn 

Die 't meittfen opaluil. Fut ! dat scheiden is 

maar schijn, 
Weil. heeft daarvan dat is maar fut voor »dat is 
niets." Eig. hetzelfde als:- dat is maar windid. i 
eeo geblaas, en dus iets anders dan /V//, vod, waai^ 
fan zie op Ftitselen 

Naar de uitspraak schreve men het tusschen- 
«erpsel beter fuut, in overaenkonist met het noord- 
holl. futeren. Het tusschenwerpsel luidt bij Out- 
zen fiüy waarvan bij hem het ww. ütfiitten — dat 
met het primitief futen overeenkomt — voor uit- 
hissen, uitslijpen. 



Gaaisteren— Geesten. 

Db Navorscher, XIII. 37 1, meldt, dat in den 
zuidbevelandschen tongval gaaisteren bekend is in 
de spreekwijs: 't zal der gaaistet^en, voor 't zal er 
spannen. Voor zoover uit die enkele opgave mag 
geoordeeld worden, acht ik dit w. afkomstig van 
geesten, met eene hoogd. uitspraak ^euf^en, gaisten, 
in den zin van spoken. Zoo zegt men trouwens 
ook: het zal daar spoken, voor: het zal daar bang 
of schrikkelijk toegaan. Voor die uitlegging pleit, 
dit Schmeller niet alleen de wwn gaisten, geisten, 
maar ook het frequent geistem heeft voor spoken, 
bang maken, kwellen, waarmede hij vergelijkt het 
goth. gaisjan, dat Gaugengigl vei*tolkt door ver- 
schrikken, ontstellen. Ook in 't nassausch is geis- 
tem kwellen, bang maken. Es geistet, zegt Stal- 
der. wordt gehoord, als het een of ander ongeval 
plaats heef), waarvan men de oorzaak niet ziet; 
bij Tobler es gdstet. Ja ook uit Engeland kan 
gaaisteren naar Zuidbeveland zijn ovei'gewaaid : 
want men zegt er in de algemeene taal to gast, 
en volgens Hali. in sommige streken to gaster, voor 
bang maken, verschnkken. Bij Nares kan men 
van beide vormen voorbeelden uit eng. schrijvei*s 
opgeteekend vinden. 

Gaardereu— Oaren 

Het frequent, leest men in Nijhoffs Gedenkw. I. 
i^: van eicken vullen twee penmngen cleene und 
calve eenen deinen penninck der munte voors,, te 
garderen ende te bueren alle jaer op sunte Remijs 
doch, D. i. inzamelen, verzamelen, van' garen, 
frieech gaarjen, samentr. van het ww. gaderen ; zie 
dit w. Een gaarder is bekend, al vermelden Weil. 
of Kil. het w. niet, voor inzamelaar, ontvanger; 
b V. tolgaarder, verpondinggaarder, — Behoort 
hiertoe het ww. gaarden f bij Wageiiaar, Vad. Hist. 



V. 121 : Na H hemagtigen van Koppenhage. . werdt 
de Vloot, te Veere, onttakeld, en H Boots- en Krygs- 
volk' afgedankt. Men vreesde hier, dat de Knegten, 
by gebrek van betcuüing, in Holland zouden komen 
gaarden. 

Gabberen'— Oabben. 

Gabben is in 't oudfransch gaber, gabber, in 't 
eng. bij Hall. to gcibbe, ital. gabbare, schertsen, 
spotten, ijdel praten; waarvan 'toudfr. gabeur, bij 
Plantijn gabber, schertser, spotter. Over den wor- 
tel gab zie men Wagner, Zum Europ. Sprachenbau, 
II 200. 'tWerkw. gabben komt bij Plantijn noch 
Kil. voor; nogtans leest men het reeds bij Anna 
Bijns, Refer. II. ;50: 

Sy bUxsphemeren, sy spotten, sy gabben. 
Geld. Volksalm. 1846, uit een oud HS. (dat hier 
en daar gemoderniseerd schijnt) bl. 123: Wilt gy 
veel gabben, de lieden mogen daarover kuchen, 
doch zoo houden zy dy voor een gabbert- 

Vandaar de samenst. ginnegabben of ginnegap- 
pen, nog in de volkstaal bekend, en welker eerste 
deel verwant zijn zal aan ginneken, dat almede een 
spottend grimlagchen te kennen geeft; Goster, 
Duytsche Academi, 8: 

Met ginnegabben, en met gesang, en met gelach^ 

Koom ick geneuchelijck en vrolijck voor den 

dach. 
Overbeke, Rymw. 221: 

Altoos by u te ginnegappen 

Daer Bacchus soo veel tranen giet. 

Schied Roodroos] . Spel, 32: om die }nalle Ghecken 

zeer te doen ginnegappen. Valentijn, Wérken van 

Ovid. II. 201 : dat Galantis, om dat sij de Goden .. 

had uitgelaghen.. in 't ginnegappen bij devoortuit 

ter aarde gerukt wtert. Van Lennep, Roman t. 

Werken, XXII. 36: een gegil en een gelach en een 

gegiegauw {') en geginnegap vanaldie.. Dafnees. 

Hilarides, Humor. Rijmelar. 65* 

Doch als zij doorgaans ginnegapt, 

Te pas of te onpas lacht en snapt. 

Van Rusting maakte er beginnegappen van; De 

Gehoornde Duvel, 103: 

U agling, en u gants respect. 

Wort nu, in alle werelts hoekken, 

Beginnegapt, en maar begekt, 

Eene verbastering is ginnegapen ; Meiavond, Klugt- 

spel, aangeh. bij Schotel, Lett. Bijdr. totdeGesch. 

van den Tabak enz. Bijvoegsel, bl. 3: 

Hoe datje tnet malkaêr. steets door de glaesen 

ziet, 

En ginnegaept en lacht met andermans verdriet. 



{*) Dit geqiegauw scliUni hier niel Jttl8t gebezigd; xle de 

iMt. vao liel w. In myne Verscbeld. IM eo Lat. Veracli. 4S1. 

5* 



135 



6ABBEREN. 



i96 



Zoo pok Berkhey, Snerpende Hekelroede, 38 : 
Wat kan dat Linkertje niet (pnnegaappend 

kweelen! 
Nog erger, De Denker, I. 93 : Men wijst en guine- 
gapt. — Verg. het aangevoerde op Ginnigen. 

Gahberen beantwoordt aan het thüringsche géb* 
bere, bij Schultze snappen, het eng. to gabber en 
to jobber, bij Hall. onzin praten, en komt in gelij- 
ken zin als het primitief zoowel bij hollandsche 
als bij vlaamsche schrijvers voor, gelijk Kil. het 
dan ook heeft opgenomen voor nugari, jocari. Hooft, 
Ned. Hist. fol. 1170: de gewoonlyke unUpaheU, van 
uxnterenj gachelen, gabberen, golpen en brassen, 
Gats, Wercken, I. fol. 563 : Veel ontrent het man- 
ne-vólck te boerten en te gabberen, en isu niet te 
raden. Sprankhnisen, Geestel. Bataille, 526 : Neemt 
dat yemandt schipbreucke gheleden hebbende^ mid^ 
den in de holle zee lagh en dreef., soude hem in 
dien staet wel lusten te potteren en te gabberen ? 
De Brune, Wetsteen, I. 158: De gene die dit tes- 
tament eerst zagen, wisten niet anders te doen als 
^er mee te gabberen en te spotten. Oudaan, Room- 
sche Mog. 178: heeft hy met groot gelach... gegab- 
bert Dez. Toneelp. 127: 

— zy. Edele Vorstin, 
Wierd ruggeling gezet, op eene Ezelin. . 
(En) door de Stad gevoerd, met gabberen en 

jouwen. 
Van de Venne, Bel. Werelt, 78: 

Gabbert sa^cht, en stierje tonghe. 
.Van der Cruycen, De Spreeckw. van Sal. 127: 

De tongh is al ie glat, sy gabbert onvenHcht. 
En 148: 

Maer fy^ ghy langhe tongh, m onghebonde 

klapper, 
Ghy gabbert voor den tydt, en spreeckt al veel 

te dapper. 
Bekker en Deken, Gom. Wildschut, UI. 73: w^ 
kunnen zelfs wel lagchen en gabberen met de boo- 
jen. D. VI. 70: je zat te lagchen en te gabberen 
tnet uwe snoeshanen. Boet. a Bolsw. Pelgrimagie, 
69 : met een rouwe boerinne van sulcke vuyligheyt 
te gabberen, dat ghy kluchtigh kouten noemt. BI. 
75: die verbrabbelde boeren met opene monden 
staen gabberen ende bespotten my noch toe. En 
196: verslijten (sy) den tijdt met klappen ende 
gabberen. Groon, Gocus Bonus, I. 163: van alle 
saken gabberen ende clappen. De Hurduyn, God- 
del. Wenschen, 220: 
Men gabbert met de HeU\ en met den hélschen 

gloet. 
Het WW. uitgabberen voor al lagchende en schert- 
sende uitmaken, leest men bij Oudaan, Agrippa, 



Voorr. bl. 3: de klapperige Dienstmeisjens {zuüen 
m\j) voor een danssenden Kemd uitgabberen. 

Met het oudfransche gaberie, spot, en het eng. 
gaberies, bij Hall. listig bedrog, komt overeen gab- 
ber^; Jonctijs, Toon. der Jal. 11.186: Voor cU staat 
haar alle jokkerige, ik mag zeggen jeukerige, der- 
telheden in 't spreken te vermijden . welke boerten 
rijen en gabberijen bij geen prijsselijke mannen 
geprezen werden. En 93: dat zij door eenige ijdele 
gabberijtjes, en dertelheden haar aan haren man 
mocht aangenaam maken. 

In het luxemburgsch bij Gangier is gabber een 
gemeenzaam woord voor mond; De Meyer heeft 
daarvoor gabbermond, De Gramschap (door Scbrant), 
125: 

Of dat gy overal uto tong te veel wüt roeren. 

En uwen gabbermond voor niemant pleegt te 

snoeren. 
Voorbb. van dit w. uit den Statenb. zie men in 
mijne Lat. Versch. 234. Gelijk in andere talen 
werd ook bij ons, doch zeldzamer, het frequent, 
op len gevormd; zie Gabbelen. Door eene niet 
ongewone letter wisseling zegt het vlaamsch geffe- 
ren, ^voortdurend lagchen op eene onaangename, 
onbeleefde wijze**; zie Schuermans' Idiot 

Gabberen*— Gabben. 

Volgens Boumans Volkstaal is gabberen in Noord- 
holland bekend voor «stelen, stroopen, rooven." 
Elders, althans te Rotterdam, heeft gabben of gap- 
pen dezelfde beteekenis. Iets gabben of u)eggab-' 
ben is in de platte volkstaal aldaar bekend; even- 
als het bij Bouman vermelde gabbert, voor iemand 
die steelt of wegneemt. 

Oaderen— Gkulen. 

De beteekenis in welke wij het ww. gaderen 
kennen, t. w. van vereenigen, bij elkander voegen, 
in 't eng. to gaiher, hoogd. gattem^ waarvan er- 
gattem, verkrijgen, en die men reeds in het mid- 
del ned. gestaafd kan zien door Glarisse in Brender 
k Brandis Magazijn, IV. 100, ligt insgelijks in het 
prim. gaden, bij Kil. ook gaaijen. De Teuthon. 
heeft vergaden voor verparen en huwen, en bij 
Schambach is. nog gaden verzamelen, bijeenlozen, 
in de uitdrukking bauk gdden, d. i. boeknootjes 
zamelen. Het hoogd gatten is vereenigen, bijeen- 
lozen en paren (van dieren). Het vereenigen, door 
het w. bedoeld, onderstelt overeenkomst of gelijk- 
heid van hetgeen vereen igd wordt ; vandaar is ga^ 
den of gaaijen almede voegen, passen, voor elkan- 
der geschikt zijn, aanstaan, behagen; zie eenige 
voorbb. daarvan in het Gloss. op Der Lek. Spiegh. 
Dus leest men in de Dietsche Warande, VII. 115: 



437 



GADEREN. 



138 



wanneer 9y merckten dat onse salige moeder uxit 
hady roek of peis^ dat hoer gaeden, dat tooit sy 
dan hebhen, D. i. dat haar beviel. De er bijge- 
voegde aant: ^Goeden, gagen = behagen*' is mij 
onverstaanbaar. Evenseer onjuist is het w. opge- 
vat in een schoolcontract, Greld. Volksalm. van 1873, 
bl. 90: oft aaeck wezen dat die StcuU en Meister 
Peter, . nae omganck der see jaeren die eyn myt- 
ten anderen nyet langer gegadet weren, eoe aai 
eoi. De aant zegt »gegand worden'*; doch wat 
zegt- met elkander gegund worden? De bedoeling 
is: met elkander overeenkwamen, elkander bevielen. 
— Vondel, Heerl. van Salomon, 28 : 
Een hoed geweven gaer van bloemen die wel gaeijen. 
D. i. die wel bij elkadr voegen. Vandaar gcuielifk 
en ongadü^ky samengetr. galijK en ongaliik^ wat 
al of niet past, voegt, bevalt enz. ; zie Huyd. Proeve, 
nL 319 en volgg , waar echter geen voorbeeld 
wordt aangevoerd van den vorm ongadelijkj dien 
ook KiL niet heeft; dus bij Van Alkemade, Bescbr. 
van Briele, II. foL 07: den buisseny die devoorê.... 
dair inne (d. i. in de haven) ongadelik leggende 
kdèen, D. i. ongeschikt — De samentrekking 
hiervan komt nog voor bij Ypeq en Dermout, Gesch. 
der Ned. Herv. Kerk, I. 311 : hunne al te naauw' 
gelette en eome ongalijke levenewijze. — Ook bij 
Büderdijk, zie mijne Proeve over hem, en voeg 
daarbq uit (Westermans) Keur, bl. 25: 
Voort, riep zy toen^ ongelijk paar, 
OmoiUig zuU gy aan malkadrl 
Ook dit w. is wel eens verkeerd uitgelegd ; in eene 
Kitmijk bij Visser en Amersfoordt, Archief, Til. 
417, leest men: die GeUersRen.,. reyeden ewebh 
myl 2 o/" 3 eeynechepen mit volck ende myt guet^ 
(d dat ey galiken oonden mede nemen, Bl 225 
luidt de aant: ^geUikeUik^ ter zelfdér stonde." 
Het w. zegt, zooals ook de zin meebrengt: behoor- 
lijk, voegzaam. 

Het middelned. gegade beteekent wederge, en 
dan met een zeer bijzondere toepassing; zie het 
Gloss. op Der Lek. Sp. Men vindt het echter ook 
voor genooten, makkers; Willems, Mengel. 54: 
Dat $ün êif ende hare gegaden, 
IHe tfolc leeren van goeden daden. 
Het middelhd. heeft daarvoor gegate^ zoowel voor 
geliike als voor echtgenoot, en gaaike (van een 
duif). In dezen laatsten zin leest men bij ons ga^ 
dimg, Elpenor, 24: 
lek treur^ gelyck een Tortelduyfken doet, 
IHe door de rcunp hoer gadingh missen moet. 
Vondel voegt gade en gading bijeen. Lucifer, 5: 
— wy weten van geen trouwen, 
Von gade of gading, in een hemel, zonder vrouwen* 



In Beneckes Mrtb. wordt tot het ww. gaden yga^ 
ten) gebracht begaten, teweegbrengen, in 't werk 
stellen, bezorgen. Het middelned. zegt daarvoor 
begaden; Lancelot, B. II. vs. 29998: 

— (hi) gaf 
ffem aoe groten slach ende soe stranc. 
Dat hem dat bloet ten nese uut spranc. 
Alse hi hem sach aisoe begaden. 
Bat hi Lancelote genaden. 
D. i. toestellen, toetakelen, berechten. Aid. vs. 
31841: 

— ie salne bider genaden 
VaM Gode alsoe begaden. 
Dat hi scU hebhen berouwenesse 
Van aire groter verradenesse. 
B..m. VS. 19346: 

Het* WcUevoein seide ten riddere doe: 
Dit salie harde wel begaden. 
D. i. ten uitvoer brengen. Wederom voor berech- 
ten, ald. VS. 19982 : 

Ie wilre vive allene begaden. 
Dat si om te behoudene tleven 
Hem geme op selen geven. 
En voor aanleggen, vs. 20349: 

Si namen roet an hare vard 
Hoe 8\it so mochten begaden. 
Maerl. Sp. Hist. I. 327 : 

Eeht up oneer Vrouwen dach, 
Alsemen hare boodschap begaet. 
D. i. viert (met feestelijken toestel). Ald. 393: 
Uettien ald oer up hem quamen 
Joden, die quaet van hem spraken, 
Ende begaedden so die saken, enz. 
D. i aanlegden. En bl. 440: 
Die keysers waren.,. 
Entie JheruscUem entie Jueden 
Begaedden cUse quade rueden, 
D. i. behandelden. Blommaert Oudvl. Ged. 11.87: 
Die drie sijn begaet ter cure; 
Banieren ende coverture 
Hadden si van menegere gedane. 
D. i. uitgerust, toegesteld. Van Velthem, fol. 92: 
Hier op behoeft ons goeden roet 
Hoe wi dit mogen begaden nu, 
Fol. 318 : 

Dit haddi van den Paus van Romen 
Al hemdike so begaet 
Dat hem des wel was gestaei. 
D. i. zoo beschikt, aangelegd. En fol. 309: 
Doen die gene dus nam goem 
Datsi her pard aldus versaden 
Opten Kerehof, ende begaden 
Den kerehof lelie met ?iaren torde. 



139 



6ADEREN. 



140 



D. i. toemaakten, toestelden (door hun trappen) (*) 
OnhegcMd leest men Maerl. Sp. Hist. UI. 40: 
Een eracUre toas daer gekoeld^ 
Diene ondoen aoude na de sede 
Ende oec eerlike balsemen mede. 
Dea doges ne was hi niet vonden 
Ende bleef onbegaet tien stonden 

D. i. (het lijk) bleef onverpteegd, onverzorgd. 

Parthonopeus (door Bormans), 156: 

Sine dorste nemmer in Spiegel sten; 
Sine ware ooc nemmer vonden indien 
So onbegaet, so onghemaect, 
Hadde si gheslapen^ hadsi ghewaect. 

Zie wijders Glignett, op Maerl. bl 36 en volgg. ; het 

Gloss. op Der Lek. Spieg. en dat op Maeii. Rymb. 

Ook bij latere schrijvers is het w, niet onbekend; 

Houwaert, Lusth. der Maechden, I. 719: 

(') Met begaden stelt BUderdyk, Brieven, lil. iO. gelQk be- 
gaan, bQ Maerlaat, Sp. Htst II. t38: 

Desen gheviel hin tiere ouden. 
Dat hi een deei H Hnen ecotéden 
Vanden valschen Pelagiaen 
Gehon^ toas ende begaen. 
Die ongelove ende hereeie 
Sterken wilde met sire dergie. 
•Begaden oa bega-en (legt Rtld.) c'est on ol>80letam, matsqui 
fai en vogue Jiuqa'au commencement da dernier siècle: 11 
slgnlfle propreRient crotté. La combinalson des deux partict 
pes dëteriDlne Ie seas de Texpresslon. II ótalt Infecté de 
quelque tacbe de Pelagianlsme; betpat en bemant met pela- 
qianertf" Dexe verklaring van begaan sluit ilcb leker aan 
de opvatting van honen als bespatten. Docb de eene en de 
andere zQn belden onjuist. Honen Is by onze mlddelned. sctary- 
vers misleiden, bedriegen, als In den Teutbonlsta ; zie ond. 
and. bet Gloss. op Der Leken Splegbel. En Halbertsma on- 
derscbeldde te recbt begaden van begaan ; zie zUne Aantt. op 
Maerl. bl. 3. Begaan Is t.a. p. aanvallen, aanranden, benoacb- 
tigen. Ghéhonet ende begaen Is, zooals wQ zouden zeggen: 
op bedrlegelQke wQze aangevallen. Dus b. v. bQ Van Veltbem, 
fol. Hl: 

— ride ufi vatte metter tpoei 

Na die tarratinel Ende etc üa 

Watt dat hire enen bega ! 
Slnte Franclscns Leven, vs. 8il8: 

Die enen wech ginc harde tpad% 

Daer ene lage lach bi rade 

Om enen doet te tlane; 

Niet om hem te begane, 

Maer om enen andren tine gelike. 

Die met hem cam de telve wike. 
RymbybeU III. lift: 

Doe tendde lytnt volc na hem. 

Maar hi wat in Jherutalem. 

Dien ne mochten ti niet begaen. 
D. 1. dien konden zQ dus niet macbUg worden. - Aardig Is 
de opmerking van Bllderdljk, t a. p. bl. t34. aangaande dec 
overtrang van bet begrip van bezoedelen tot dat van bedrie- 
gen, door bem opgebelderd door bet oudfr. conchier en bet 
nederl. betchgten. Dat ecbter ons bedriegen met denzelMen 
overgang van tfffea, d.1. dri/ten, zou komen, zal In ernst wel 
niet bewaard s|n. 



Haer wanghen waren zeer begaeyt (sic) en 6e- 

klast 
Van de menichte der tratien en ghetreure, 
Springhader aller Kind. Gods, 236: 
Maer laesl van doch tot doch sy op haer laeyt 
Veel sonden^ en begaeyt 
Haer seer^ dies afghemaeyt 
Sal sy werden en verdwynen. 
Van Ghistele, Terentius' Adelphos, bl. F4: 

-* datsi tallen ure. 
Begaeyt, besmeyrt, ontschiet sol wesen. 
Zeeusche Nachteg. l 29: 

— al waer hi soo begaet 
Van schelpen en van Wym, enz. 
Westerb. Ged. II. 18: 

Da^* hy veel smaedheyd lijdt en van de dertle 

boeren 
Met vygen wetrl begaeyt, met most en hef en 

moeren. 
Alewijn, Latona, 8: 

Want de Kinkels heulden grond omeroert en ^et 

waeter begaait en bemorst 
Gats, Wercken, II. foL 459: 

Och! hoe ben ick nu begaat 
Van te loopen achter straat, 
D. I. fol. 018 (van den dwaas, die in het hoendemeM 
valt): 

Hy is begaet, bestruyft^ bedot. 
En II. fol. 80: 

Haer oogen vuyl begaat, en even bijster root. 
Oudaan, Poèzy, II. 136: 

Siel hoe sy 't huis begaed, die ruime watet^ 

plengster. 
Vondel, Palamedes, 72: 

— dat aenzicht van den stoet 
Wert jammerlijck van bloet besprengkeltj en 

begaet. 
Men ziet, dat de beteeken is van toestellen in H 
algemeen is overgegaan tot die van op eene on- 
hebbelijke wijz*^ toemaken, welke laatste in bet 
roiddelhd. nog niet voorkomt. De beteeken is des 
woords, door Huydec. niet juist ingezien, is door 
Glignett, t. a. p. aangewezen en sedert door prof 
De Vries en andd. gestaafd ; doch de afleiding, door 
de genoemde Geleerden met stilzwijgen voorbijge- 
gaan, gaf Dr. Halbertsma, Aantt. op Maerl. bl. 3. 
Hij wees namelijk op het oude, bij Kil. voorko- 
mende gadey cura, dat wij nog hebben in gade* 
slaan; en de beteekenis van dit w. wordt beves- 
tigd door Grimm, die Gramm. II* 25, vermeldt het 
»altn. gat^ cura, gaetir, custo>, gcuttOj observare" 
enz. Ook het oudfransch had geut, gaite, guete^ 
bedend. gueU, voor wacht; en gueter^ bedend. 



141 



GAM^EN. 



142 



guetter^ toezien, waken, in acht nemen. In het eng. 
bij Sbakespear is gail wijze van gaan of doen, zie 
Nare^: Glossary. 

Dat het middel hoogd. hegaten^ nederl. heqaden^ 
aan de genoemde woorden, en niet, zooals Bilder- 
dijk in zijne Geslachtl. I. 214, meende, aan.9ad^ 
vereenigen, verwant is, schijnt buiten twijfel. 

Qalveren— Gküpen 

Kil. heeft beide wn., galpen verklarende door 
huilen, janken, als van wolven, en galveren door 
janken, huilen, potsen zeggen of maken, schertsen. 
Dat het laatste als frequent, van het eerste kan 
aangemerkt worden, blijkt uit den aard der con- 
sonanten {p en V of f) die verwisseld worden en 
ook uit de verwante dialecten. 

Het middelned. kende reeds gelpen voor schreeu- 
wen, gillen, huilen; Reinaert, vs. 6325: 

. — want si galp 
So lude van smerig eer ie se halp^ 
Dattie dorpers dat vernamen^ 
Ende op ons gelopen quanten, 
Maerl. Sinte Franc. Leven, vs. 9001: 

Ghi roupt up alle helege ende gelpt 
Ende ziet dat u geen ne helpt. 
Latere schrijvers hebben galpen en güpen; Van 
Rusting, Ovidius, 147: 
Bidy sm*^ek, schrey^ huyl^ en galp, als of je mal 

en dol 
Waart: — 
Luyken, Gezangen, Voorreden: in de eeuwige duys- 
temis met hoornen te huylen^ te gieren en te gal- 
pen. — Ook wel jcUpen; Despars, Gronijcke van 
Vlaend L 356: daer hy zes daghen lanck zeer 
deerUek op hadde ligghen jalpen ende hulen, — 
Klioos Kraam, 345: 

— al wat adem swelgen 
En braken kan, 't zy 'tin de telgen 
Of glipt, of tilpty of giert of tiert. 
Dit gilpen is, volgens De Nav. XV. 45, nog in 't 
westfriesch dialect aanwezig. 
Vandaar gegalp bij Bredere, SL Ridder, 43: 
Wel wat ghegalp is dat? — 
£n ook 'tsübsL galp; Klioos Kraam, 36: 
Ach! al te veel word dit bekommerd vraghen 
Door *t oog te scherp., door 7 oor te gauwy 

voldoen. 
Och! hield hen soo 'sramps swalp en galp be- 

slagen^ 
Dat dat niet sien^ end* dit niet kond^ verstaen / 
Ook met versmelting der g, gejalp; Van Loden- 
steyn, Uytop. 372 : 

Treur Nederland! Treur Nederland! 
Ay myl wai hoor ick voor gejalp? 



De Teuthonista heeft als ady. gelps^ voor kleps, 
d. i. die gaarne nutteloos klapt of snapt; en voorts 
galpen als een vogel, crocitore. 

Voor gatveren spellen de Idiot. van Schuermans 
en De Bo galferen^ met de beteekenis van i>lag- 
chen, gabberen, dwaas klappen, raaskallen" enz. 
Daartoe behooi*t galferij voor scherts of jokkernij, 
meermalen voorkomende bij De Harduyn, Goddel. 
Wenschen, 301: sonder oyt ie vraeghen naer den 
spot aft de galfereyen der wereldtlijcker menschen. 
Aid. 78: 

Het is al oorlooghy ende twist; 
Ten is noch geck^ noch galferije: 
McLer bitterheydt aen alle zije. 
En 220: 

Dit schijnt cd galferij, en tijdtverdrijf ie wezen. 
Alsmede het ww. gólveren^ in het geldersch het 
huilen van honden beteekenende ; zie Taalk. Mag. 
UI. 59. 

Ter bevestiging zoowel van de aangevoerde be- 
teekenissen als van de verwantschap der vormen 
galpen en gatveren of golveren^ strekken de ver- 
wante dialecten. In het Brem. Nied. Wtb. is gtü- 
pen f galpem, galfem en jalfem, huilen én ander 
onaangenaam geluid maken; bij Schmeller gelfen^ 
gilfen, schreeuwen, huilen; bij Stalder ^o/jpen spe- 
len, potsen maken ; bij Schambach galfem gillend 
lagchen; bij Kehrein galbchen, gübchen^ luid roe- 
pen, hoesten en spuwen, galbsen blaffen, en gal" 
wem huilen van honden; bij Schmidt galwem en 
jalpem huilen van een hond, die geslagen wordt; 
bij Stürenburg galpen^ güpen^ galfem, huilen van 
honden; bij Reinwald gelfen twisten, gelfernr he- 
vig tegenspreken, uitvaren; bij Schütze gulbem 
onvoegzaam luid lagchen; bij Danneil galpen ^gai- 
pem^ gcUfem, sterk oprispen ; bij Dahnert galkem, 
jalkem, vroolijk spelen, alarm en potsen maken; 
galfem klagelijk bidden; bij Schöpf gelmen luid 
roepen (nederl. galmen), welks frequent, gelmem 
voorkomt in het dialect van Lippe-Detmold, vol- 
gens Herrigs Archiv, VIIL 351, voor gillen; enz. 
Het eng. zegt to yelp voor 't keffen van honden of 
vossen. 

In het middelhd. is galpen ond. and. gezegd voor 
het blaffen van honden, en gilfen, gelfen voor 
luid schreeuwen. 

Mij dunkt, het is ontwijfelbaar, dat alle ver- 
melde woordvormen door invoeging van de &, p, 
V, f of andere consonanten afkomen van gallen, 
geilen, gillen, welke vormen alle drie reeds in het 
middelhd. voorkomen. Gillen kennen wij nog als 
nederduitsch ; geüen, in Heng. toyell, huilen, komt 
voor in het middelned.; KausL Denkm. L 221: 



143 



GALYEREN* 



144 



Men trac (die bigge) hider hoeren eterkelikey 

Ende het ghelde eo overiike^ enz. 
En volg. Weil. is in de gemeenzame taal géUelje 
een gekkemij, bij Outzen gaüerie scberts en ge- 
lach van jonge lieden (verg. galfer^j, boven ver- 
meld). GdUen en geilen is bij Anton (St. XVIII) 
gillen, en geilen bij Schmeller het geluid van den 
vos. G<Ulen is bij den laatste schallen, en komt 
ook bij ons voor, Van Rusting, Ovid. 279: 

— GiMuSy die in digt^ garnalen leerde gallen. 
Voor ons subst gü hebben Von Schmid, Wein- 

hold en Anton (St I) gal. En het frequent gal- 
lem is luid roepen en zingen bij Gerland, Intens, 
und Iterat i56. 

Gasteren— <}a8t6ii. 

Het frequent vergaeteren is aan het rijm te 
danken. Bilderdijk bezigt het. Nieuwe Oprake- 
ling, 75: 

Sints... 

Redenaars en Poetaeteren 
Alles daagl\jks meer verbasteren 
Wat zy in hun klubs vergasteren. 
D. i. eig. als gast ontvangen of opnemen, doch hier 
opnemen in 't algemeen. Het primit vergasten 
heeft mede zulken zin bij Hooft, Brieven, II. 57: 
mon f rere Bartolot my heden vergastende. IX i. 
zooals het verband aantoont, tot gast hebbende, 
zonder het later daaraan verbonden denkbeeld van 
buitengewoon onthalen. Dus ook vergasting^ bij 
Bilderdijk, Mengel. I. 5: 
De Koning reikt hem straks den drinkhoom der 

vergasting. 
Een onz. vrw. gasten heeft Hooft, Ned. Hist fol. 
113: de Chartroizen (d. i. Karthuizers) waaretiy 
om hun gasten en brassen^ in Hooghe. Valentijn, 
Werken van Ovid. UI. 81: waarom meest op desen 
feestdag H over en weer gasten... in swang ging. 
En lager: soekense door Hbeurtig gasten... gelukte 
betjagen. Van der Veen, Zinneb. (1642), hl. XVI: 

— maecken Gout van hout en süver van de 

basten^ 
En houden houts genoeghj om *s winters by te 

gasten. 
Hiervoor zeggen wij met den basterduitgang ga^ 
tereeren; Fokke, Boertige Reis, UI. 207: dagelijks 
werd er gegastreerd, gezongen^ gedanst . Van V^alré, 
Heksluitmg, 132: 

— de spordooze wijs 
Van gastereren en van uitgezochte spijs. 
Van *s Graven weert, De Ilias, II. 27: 

— ieder schikt zich nu tot vrolijk gastereren. 
Ten Kate, Dichtw. II. 151 : 

Daar slempt en gastreert een luidruchtige drom. 



Meerman heeft hiervan eene afleiding, De Groots 
Vergel. der Gemeeneb. II. 21 : den feestdag^ weUce, 
behalven met de vreugd der gastereeringen, ook 
door krijgemonsteringen en markten gevierd xoordtm 
BI. 284: Intusschen kosteden hem zijne gasteree- 
ringen... 900 miUioen Sestertien. — Alsmede Bil- 
derdijk, Kerkredenen van Merle d*Aubignó, 219: 
Hoe zal hy spaarzaam leeren te zijn^ die aan rijke 
gastereeringen gewend isf — Het neders. zegt gaete- 
riren; zie D&hnert; en dien zin heeft geuten in het 
drenthsch; Leeskabinet, 1864, n«. 7, bl. 49: alles 
duidt aan^ dat zij er niet te gasten genoodigd zijn, 
maar dat andere belangen hen derwaarts hébben 
gedreven, — De spreekw. uit- en ingasten beteekent 
te gast gaan en weder als gast ontvangen ; Bekker 
en Deken, Het Nut der Vooroordeelmi, 3: De 
Schryvers deezer Boeten h^ben veel overeenkomst 
met onze ryke Traetanten^ die nimmer dan op 
"Èzo goed weerom'* gatten noodigen. Men kan ook 
op hen toepassen het algemeene woord: zy doen 
niets dan uitgasten en ingasten. 

Een ongewonen zin heeft vergasten in M. G. 
Tengnagels Aemsterd. Lindebladen, 42: 

*k Hiè de gansche week genaeit^ 
En pas half zoo veel gewonnen^ 
Zeid* hy, als W is veiigast 
D. i. met gasten verdaan. 

Het middelhd. had reeds het ww. gesten (imp. 
gast\ tot gast maken, als gast ontvangen, voorbe- 
reidsels daartoe maken enz. Bij Von Schmid is 
gasten maal houden, en übergasten door lang be- 
zoek lastig vallen, welk laatste een eigenaardig w. 
mag heeten. En Halliwell heeft de deelwoorden 
gestened voor gehuisvest, en gestening huisvestende, 
feestelijk onthalende, die op een werkw. to gesten 
wijzen. 

In eene amsterdamsche Notificatie van 1684, bij 
Wagenaar, Amsterdam, I. fol. 686, leest men : dat 
niemant 't zy Herbergier, Drogasteryhouder, of 
houders van slapers. . yemant van buyten inko* 
mende. . sol vermogen... in syn huys te houden., 
enz. — Duidelijker wordt dit w. door de schrijf- 
wijze, door Wagenaar zei ven gebezigd, ald. U. fol. 
258 : dat niemant bier ter sleete zou mogen tap- 
pen, noch gelagen zetten van wyn, bier, brande- 
wyn of tabcüs, ook geene drooggastery houden. 
Lager : voor het houden van drooggastery, en den 
wyn- en biertap daarbenevens, — Als men bedenkt, 
dat droog in de gemeenzame taal dikwijls geldt 
voor «zonder drinken''; zooals men spreekt vaneen 
droegen mcudtijd, op een droogje zitten, zijn natje 
en droogje lusten, dan zal drooggastery houden 
beteekenen: gasten houden, aan wie men niet te 



146 



GASTEREN. 



i46 



driaken schaft. Volgens den Kilianus auctus 
(16tt) is droog-gaslerii eene herberg, waar men 
alleen wijn schenkt aan de gast-tafel {tahle d'hdie), 

Qateren— Oaten. 

De Teuthonista heeft ^doyrgaiereny perforare, 
cabiare; doyrgaiert^ perforatus, cavematus, unde 
caTemosQs.'* Dit frequent, is derhalve hetz. wat 
bij Kil. docrgaien is, d. i. doorboren, doorsteken. 
Van Hasselt voerde een voorb. van dit w. aan uit 
Van Mieris Gharterboek ; men leest het ook in den 
delfschen Bijbel, 2 Kon. 18, vs. 21: betrouwestu 
inden riedene etoc die te hroken is in egiptenf 
Waeit dcUter een man op leende: aoe soude hij 
breken ende gaen: ende doregaten sijn hani. Die 
Girurgie van mr. Jan Ypermans, 241: het sijn ver- 
tighe (I. vortighe^ d. i. rotte) humoren die se (de 
tanden) dorgaten. Van Alkemade, Beschrijv. van 
Briele, IL fol. 25&: dat die Duinen aldaar tot veel 
plaetsen vergaen^ ende deurgatet sijn. Erasmus, 
Lingua, 46: een doorgaette ende doorboorde tonge. 
Beronicius,' Boeren- en Overh. Strijd, 93 : 

BlootsooetSy met broek aan *t gat^ zoo slordig, zoo 

doorgaat. 

Dat zelfs geen Beed^ktar die zou rapen van de 

straat 
En bij Bild. Najaarsbl. U. 32: 
Den draaiboory waar hy H hout op H kunstigst 

meê doorgaat. 
Dez. Spieg. Hartsp. 62: 

ilcA, ijdle roky voor 'toog dat mensehen- kent, 

doorgaat. 
Weil. heeft het ww. gaten ook zonder voorzetsel. 

Het ww. gateren doet mij denken aan den meer- 
voudsvorm gaiers, dien onze volkstaal nog wel 
doet hoeren, hoewel Weil. hem niet vermeldt. 
Ook bij vroegere schrijvers is hij niet vreemd ; 
Vlaerd. Redenrijckb. 384: sy tast vast na de ga- 
ters. Wolsechaten, De Doodt vermaskert, 73: Gae- 
ters grooter als een handt. 

'k Vermeld hier nog een spreekwijs van gat ont- 
leend, die bij Harrebomée, ondanks de menigte bij 
hem opgenomen, ontbreekt; Houwaert, De Vier 
Wterslen, 73: 

Al werpt ghijt oock in thien duysent gaten, 

Bidden, noch smeecken en sel u niet baten. 

Geesteren— Qeesten. 

Hel WW. begeesteren is, naar ik meen, het eerst 
gebezigd door Bilderdijk, Buitenleven, 154: 

Uw' ifwloed roep ik aan, ó dat hy my begeester! 
Hij werd hierin nagevolgd door Helmers, Nagel. 
Ged. 78: 

yerrukt, begeesterd, opgetogen 

O Dichters, door uw zangvermogen. 



Aid. bl. 286: 

Nu wil hij H koele hart bemeeetren. 
Het doen ontgloeijen door zijn taal; 

Hij zal *t Spartaansche volk begeestren. 
Meijer, Heemskerk, 3: 

— Calpes bergtop rees, van Heemskerks roem 

omgloord. 
Een grafzuil. Heemskerk waard, voor mijn be- 
geesterde oogen. 
Aid. bl. 137: 

^ — menige cUleriiefste vrouw 
Had toen, begeesterd door zijn trouw 
Den schoonen held om niets gegeven 
H Geen zij verweerd had met haar leven. 
Van Ryswyck, Balladen, 148: 
De veldheer, nog van *tdroomgezigt begeesterd. 
Klom duizelig Ie paerd, geheel vermeesterd 
Door nieuu}en moed; — 
Van Duyse, Ged. 72: 

Wij blijven, begeesterd daar staan! 
Rens, Ged. 91 : 

— nog begeestert my een sprankje van dien gloed. 
Aid. 114: 

Wie voelt zich niet de ziel vermeestren^ 
Het cienzyn schokken en begeestren? 
Alb. Thijm, Het Voorgeborchte, 45: 

Dat is heur ijdel Stof met 'sHeeren Licht be- 
geesterd. 
Elliot Boswell, In één Bandje, 53: 

Toch voelt zich H hart begeesterd. 
Aid. 156: 

— met begeesterd oog valt ze in. 
Ten Kate, Dichtw. VI. 90: 

't Is de wijnstok , wiens heulsap wondren werkt. 

Mannen moed geeft en begeestert — 
Hofdijk, Ons Voorgeslacht, II. 174: het begeeste- 
rend jachtgenot. Verslag van het Gen. Het tijd 
en vlijt, 1866—67, bl. 82: 's vaderlands grootwor- 
ding, die alle groote letterkunde bezielt en be- 
geestert. 

Het subst. begeestering treft men aan bij Van 
Zeggelen, Licht en Bruin, 60: 

't Is alles begeestring der zinnen. 

Men kan in dit w. eene navolging zien van. het 
hoogd. begeistem, d. i met geest of leven, en ver- 
volgens met kracht, moed, geestdrift voorzien, in- 
blazen, bezielen, inspirare; zie Adelung. Het ge- 
bruik des woords is door sommigen afgekeurd 
(door Siegenbeek, Taalk. Mag. I. 364; door Nas- 
sau, Mag. van Taalk. I. 298; door Van Vloten, De 
Taalgids, I. 35) ; door anderen goedgekeurd (door 
Swaving, Taalk. Mag. I. 264; door Oudemans, Mag. 
van Taalk. I. 298). Ons dunkt, dat het w., wat 



147 



GEESTERFN, 



148 



zijn vorm betreft, niet tegen ons taaieigen strijdt; 
gelijk bezielen letterlijk zegt ^ziel instorten," kan 
begeesteren, van geestj als ww. de nuances van bet. 
toelaten, waarin het subst zelf wordt gebezigd. Ook 
kan het w. verdedigd worden als frequent, van 
het nederl. ww. begeesten, dat evenals ingeesieïiy 
bij ons vanouds gebruikelijk was. Dus Bredero, 
Angeniet, 9: 

Uorati vader voos een slaaf. 
Maar niet te min soo uxis hy braaf. 
En wel begeest, aardigh en uxicker. 
D. i. van geest of verstand voorzien. Camphuysen, 
Uytbr. der Psalmen, Ps. 135, vs. il: 

Daar is (wat 's de mensch verbeesVt/j 
Wind noch kracht die H lijf begeest t. 
D. i. bezielt, inspireert. Zoo ook Ockerse, Ontw. 
tot eene Alg. Ghar. III. 213 : dat een handeldrij- 
vend volk begeest moet zijn door eene alles over^ 
winnende drift om geld te zamelen. Verloo, Verh. 
op het niet achten der Moeder!. Tael, 56: Zul- 
len welsprekendheydj tooneelen, gedichten, niet 
qrooter, edeler^ ryker zyn, waer ze begeest zyn 
door het vaderlandf Ockeree, Nagel. Redev. 31: 
hoe minder spraak, hoe meer begeesting. 

Met dit znw. komt overaen vergeesting, dat ge- 
lezen wordt bij Mourentorf, Twee Boeken van Lip- 
sius. 145: hier sult ghy vervult worden, van een 
suyvere locht als een vergeestinghe van een nieuwe 
leven. 

Ingeesten is nog ouder; het komt reeds voor in 
het Passionael Winterstuck, fol. 13: na dien dat 
hy een ionc kint was so ingeeste hem god soedat 
hy doen hi twalef iaeren out uxu.. ginck terker- 
eken ende hi badt enz. Cassianus, Der Ouder Va- 
der Collacie, fol 21 verso: soe gevallet dat die 
selve genade somtiit den versumenden ende die 
lichtveerdige met dier heyliger overvloeyender in- 
geestinghe. . begavet, eti ingheestet geestelike ge- 
dachten denghenen dies onwerdich zijn. Ald.^fol. 
35 verso: dat (de bose geesten de sielen) onverne- 
melic toespreken ende insayen ende ingeesten daerin 
wat sij willen. Fol. 73 verso: Hiingheestet in on« 
dat beghin des heiligen willes. Fol. 74 verso: 
als wi alle dese voerseide oefeninghe sonder dat 
ingesten gods niet begheeren en mogten. Fol. 76: 
dat dat beghin eens goeden willes altoes vander 
ghenaden gods inghegeestet wort. D. i. inblazen, 
ingeven; waarvan ook zeer gewoon is het subst. 
ingeesting; ald. fol. 18 verso: alswi vander in- 
gheestinghe des heeren beweget werden. Fol. 19 
verso: Aldus en mogen wi) sonder sijn inghees- 
tinghe ende sijn medewerkinghe geen geestelike 
vruchte wercken. Ald. fol. *J0: dat ons dat beghin 



des goeden willes van des heeren ingheestinghe 
gegeven wort. Fol 54: Als micheas die propheet 
begheerde loghenachtich te werden ende vreemde 
van den ingheestinghe desgeestes. £n fol. 74 verso : 
(hi) verwecketse ende maketse met sijnre inghes- 
tinghe statxk Van Iterson, Stemmen uit den Voor- 
tijd, 45: maer dese (wijsheyt) leert die inghees- 
tinghe Godes alleen, MoU, Joh. Brugmans, 1.286: 
die ingheestinghe Godes, — De hoogL Moll, zelf 
(II. 148) de uitdrukking ^ingeesiende kracht" be- 
zigende, toekent daarop aan: »De lezer zal mij, 
hoop ik, niet ten kwade duiden, dat ik, over het 
godsdienstig leven der vijftiende eeuw schrijvende, 
een in dat tijdvak geliefd woord gebruik, alsof 
het niet verouderd ware En waarom zullen wij 
het niet liever bezigen dan het vreemde in^rerenf' 

Ook in de 17e eeuw komt het woord voor; 
C!oornherts Wercken, I. fol. 55 verso: door eenen 
nieuwen . Geest, hem door Christum inne ghegees- 
tet. Ald. fol. 17 verso : Kennisse. . door Godes 
ingheesting licht verstaan. Ald. fol. 79 verso: 
V gunt de Waarheyt den Mensche voorhoudt, of 
door innegheestinghe, oft door den raat der ver- 
sochte wijsen D. IL fol. 226 verso: die goede af- 
fectien die hy ons heeft inne ghegeestet of gein- 
spireert. Oudaan, Agrippa, 462: dat (Sokrates) 
niet alleen door een verstandzame invloejingj maar 
ook door stem efi zamenspraak, ingegeestet geweest 
zij . de Profetische Godgeleerdheid is, welke uU 
een doorschouwtge ingeesting het onbeweegde Woord 
Gods leeraar t. En bl 470: deszelfs Ervvnders,op 
goddelijker wijs ingegeestet. Werken van Rabelais, 
II. 440 : deeze \Jles) is mijn hengs^ébron : deeze is 
mijn eenigste ingeesting. — En nog in deie eeuw 
schreef Ockerse, Napol. Redev. I]. 46: als door 
eene goddelijke ingeesting. Steenbeiigen van Goor, 
in zijne Vertaling van Heerens Gevolgen der Kruis- 
togten, 188: Daar nu naauwelijks een ander 
onderwerp de Muze van het epische gezang beter 
kon ingeesten. Van Someren, Verspr. en Nag. 
Dicht- en Prozast. 161: in den fijngevoeUge, in 
defi dieper ingegeeste, tnet één woord in den Kun- 
stenaar. 

Zoowel ingeesten als ingeesting komen bij Kil. 
voor; doch nïei ontgeesten, dat men leest bij Coom- 
hert, Wercken, I. fol. 135 : dof ick int lustige spe- 
culeren van de lieflijcke Harmonie wesende my oock 
lichtelijck als ontgeest zijnde buyten mijn voeten 
soude hebben laten doot slaen. — Weil. verklaart 
dit door »huiten de zinnen verrukken." Dus ont- 
geest bij Van Alphen, Dichtw..II. 92: door bUjd- 
schap schier ontgeest. D. i. van reden beroofd. 
Zoo reeds bq Cassianus, a.w. fol. 56 verso: Antho- 



149 



GEBSTEREN. 



150 



nis. dien u>ü somtijt inden ghebede ter sonnen 
onder^nc toe wieten dat hi ontgeestet wort. D. i. 
van den geest beroofd was — Doch fig. voor van 
kracht beroofd; Van der Cruycen, Spreeckw. van 
Sal. 13: 

AU u in d' uyterst' ur\ het aenaicht scU vet*- 

anderen 

En uwe knyen ontgeest, hen stoeten aan mal- 

kand^ren. 
Poirters beeft ontgeesting voor verrakking, Het 
Duyfken in de Steenrotse, 90: nu (sijn sy) opge- 
trockefi door een aoete ontgheestinge. £n 152: ie 
Dionysius opgetrocken in eene ontgeestinge, inde 
wdcke gheeien hebbende de verborghen oordeelen 
Godts. 

Van Ryswyck beeft ontgeesterd, doch in den zin 
^an ivan geestkracht ontbloot," Balladen, 90: 
o Weeke Kinderen van heden! 

Wat zyt gy by het voorgealachtf 
Door zelfzucht en bedrog vermeesterd, 
Kruipt gy ontzenuwd en ontgeesterd, enz. 

Sommige schrijvers, schroomvallig naar 't schijnt 
om begeesteren als een nederlandsch woord te ge- 
bruiken, laten het den hoogduitschen et-klank be- 
houden; Ter Haar, in de Nieuwe Werken der 
Uoll. Maatsch. II. 48ö: Hymnen^ die.. — men ver- 
gunnemij dit woord — een begeisterend vermogen 
hébben. Reunie en Akademiefeest (Gron. 1851), 
tl. i09: de list zijner zoo hoog begeisterde moeder. 

Het middelboogduitsch kende reeds het werkw. 
geiden voor imet geest vervullen," zie Benecke. 
Bij Schmeller is geisten en geistem spoken en 
(daardoor) kwellen; ook het eng. to ghost heeft 
dien sin. fiij Stalder is geisten spoken en ook 
sterven, den geest geven, beteekenissen, aan onze 
taal vreemd Zie echter Gaaisteren, 

Een ander soort van frequent, namelijk van het 
subst. vr^geest gesmeed, leest men in een opstel 
▼an den hoogl. R. Fruin, in De Gids van 1866, D. 
IL bl. 52: sedert zgn zij (t. w. de lezers van het 
boek van Scott) aan het vrijgeesteren geraakt. 

Gefferen, zie Oabberen 
(Seiiusteren, zie Glinsteren 
Oeisteren, zie Olijsteren. 
Gelderen— Gelden. 

Het WW. geldbron komt voor in het rederijkers 
treurspel Porphyre en Gyprine (Mechelen, 1621), 
fol. 16: 

Dan ben ick oock een craey om te gelderen te 

te troeven^ 

Om te trossenteren, te hoeken en te snoeven. 
De beteekenis van dit w. weet ik niet te bepalen. 



Het is de taal van iemand, die op zijne behendig- 
heid in het spelen pocht. Ik gis daarom of gelde- 
ren beteekene »zich geld laten betalen.*' Bij Schmel- 
ler is het subst. gelder, ook gelderer en geiler 
een fchuldeischer, iemand die geld invordert; en 
bet WW. gelderen kan dus zeggen : geld invorderen, 
zooals een gelder pleegt. 

Op eene lijst van kaartspelen, voorkomende in 
Oudemans Wdb. op Bredere, bl. 122, vindt men: 
hoeken^ poggen, gelders troeven, muysèbruy. Dit 
gelders troeven schijnt hetzelfde als gelderen ^ en 
wellicht «troeven op zijn geldersch" 

Gensteren, zie Glensteren. 
Gibberen— Glbben. 

Gibberen is vlaamsch voor lagchen ; zie Schuer- 
mans' Idiot. In het eng. is to gMer snappen ; zie 
Halliwelj en vooral Nares. 

Het prim. gibben^ dat reeds onder den vorm 
gieben voorkwam (zie Giebelen), komt overeen 
met het eng. to ghybe bij Ha II i wel I, to gibe bij 
Nares, boerten, kortswijlen. Zie ook Gabberen. 
Het eng. heeft de subst. gibber-gabber en g^le- 
gabble voor gesnap, onzinnige praat. 

Glgcheren— Gigchen 

Gigcheren is betzelfde als ^i^c/^ei^/?, zie derhalve 
dit woord. Men leest het in Van de Vennes Be- 
lacchende V^erelt Voorbeduydsel, bl. 'ó: Hy lacht 
soo wel die na ginneckt, als die voor gicchert. — 
Anton (XVIII) heeft gickem, kickem en kichem 
voor herhaald, niet zeer luid lagchen; en Tobler 
gigera in denz. zin. 

Ginsteren, zie Glinsteren. 
Gleisteren, zie GUj stèren. 
Glensteren— Glansen 

Glanzen zou eig. moeten onderscheiden worden 
van glenzen, als zijnde doen glenzen; doch die. on- 
derscheiding kennen wij niet, en nemen glanzen 
voor beide beteekenissen. Kil. spelt glantsen ; 
Benecke heeft glenzen^ glans voortbrengen, glanzig 

maken. 

Glensteren was vroeger hetz. als glinsteren^ d. i. 
glans van zich geven; dus Sluiter, Triumph. 
Ghrist. 15: 

H Volkj siend' u van verre glenst'ren, 
Komt gevlogen als een swerk. 
Oudaan heeft opglensteren, Toneelp. 270: 

— dcuir vat de vlam na *thart 
En glenstert levend op. — 
De Vlaming Blommaert bezigde het w. nog, Ged. 34: 
Panlsieren blikkren, helmen glensiren. 
Met uitlating der l heeft men hiervoor genste- 
ren en opgensteren; Heyns, Bartas' Wercken, 1. 1. 56 : 



151 



GLENSTEREN. 



152 



— het licht vier door de doven 
Des grooten Chaos sich begevende strook maeckt 
Door een verscheyden cracht^ dat Hself gegen- 

steri raeckt 
Wolsschaten, De Doodt vennaskert, 235 : 
Het vier^ dat onder d^ asschen laghy 
Bat ghenstert op, dat branden tnagh. 
Ook als zelfst. naamw. vindt men zoowel glen- 
ster als genster^ in dez. beteekenis; Die Dietsche 
Doctrinale, 261: 

Van eenre ghenstren .i. wijs man sprect^ 
Dat dicke een groet dorp ontstect. 
Vondel, Hienis. vei*w. 23: 

— met de glensters 
Eens gloeiendigen branis, — 
Dez. Toon. des Mensch. Levens, 93: 
Anschouwen van het licht den laatsten straal of 

glenster. 
Hoawaert, de vier Wtersten, 218: 

Soo uyt een cleyn ghenster groot vier comt voort, 
Wolsschaten, a. w. 5: 

— Jacobus door een genster 
Ontsteken in de vlam hem seer vertorent vindt. 
Zie voorts Glinsteren en Glinst&^en. Ook bij Lexer 
vindt men het subst. gldnsier en de wwn. gldn- 
stem en glenstem. 

Glibberen— Olibben. 

Het WW. glibben kwam mij bij ons niet voor; 
wij verscherpen het tot glippen. Het tyroolsch 
kent glieben voor buigzaam zijn, zich gemakkelijk 
voegen, en glibtg^ buigzaam, week. Het eng. adj. 
glib is glad, glibness gladheid. Voor glad zeggen 
wij glibberig^ bij Schambach glippig en glipschy 
doch somwijlen bij overdracht voor gevaarlijk, of 
liever zulk eene gesteldheid, waarin men lichtelijk 
struikelt of valt, b. v. Vervolg op Wagenaar, XXX. 
118: zeer voorzigtige gedraagingen der twee ge- 
noemde Commissarissen... in het glibberig Londen. 
— Bij Jonctijs vond ik glibberheidy Toon der JaL 
U. 51 : kouwe^ en slijmerige glibberheid zig uitste- 
kender in 't zap vertoonen. 

Glibberen is gewoonlijk glijden, uitglijden wegens 
gladheid; dus Westerbaen, die het freq. en prim. 
bijeenvoegt, Ged. lU. 164: 

Als Nysus *t ongeliuik in H lopen is ontmoet 

Dat hy te glippen guam en glibberen cioor 't 6/oe<f 

Van beesten^ enz. 
Vondel, Virg. in dicht, 453: 

— laet ons hun eerst door stof 

Ontmoeten, aen den kant van *t water daerze 

glibberen. 
BUderdqk, Mengelp. II. 253 : 



(De kat) rekt zich uü zoo lang zij ia, 

Doch glibbert van de gladde baan. 

En stort in d' oceaan. 

Schimmel, N. Ged. 71: 

Men glibbert in de purpren sneeuw. 

Ook in zedelijken zin; Vondel, Dav. Harpz. 295: 

Hoe hoedt de jeught zich aüerbest, 6 Godt, 

Voor H glibberon ? zy lette op uw gebodt. 

Bilderdijk, Schemerschijn, 44: 

Ja, *k glibberde op mijn pad en wankelde in mijn 

treden. 

Eigenaardig is het w. gebezigd voor voortglijden; 

Bai'a, Herstelde Vorst, 42: 

— al wai maar droef hfiyd is 

Drijft aen op Rasimo, en glibbert nimmer mis. 

Voor dit misglibberen zou men ontglippen kunnen 

zeggen; al verder voor het glijdende voortkmipen 

der slang, door Oudaan, Roomsche Mog. 340: 

— een sUbberige Slang 

Verheft zich uyt het hol., en glibbert op 7 altaar. 

Dus mede Tollens, Rom. 23: 

De slang gleed raam en venster door... 

En glibberde om des keizers lijf. 

Bild. Rotsg. II. 44: 

De haagdoA glibber' door de struiken. 

Men vindt mede ontglibberen; Ockers. Ontw. tot 

eene Alg. Ghar. m. 184: Wij... ontglibberen c/ec/u- 

rig de hand, die... op ons leunt. — Voorbijglibbe- 

ren; De Lannoy, Dichtk. Vlerken, 62: 

Maar nichtje... rijst, glibbert ons verbij. 

In het eng. is to glib lubben, dat Bailey en andd. 

afleiden van het adj. glib, als zijnde (zegt Naree) 

szacht maken, 't welk het gevolg dier konstbewer- 

king op de menschen is." Het ww. to glib, dat bij 

laatstgem. mede to lib heet, zal wel 't zelfde w. 

zifn met lubben, verwant aan to lep, afsnijden, 

snoeijen, in 'tpruisisch hij Bock lubben, viUen. 

Glidderen— Olidden. 

Het WW. glidderen was, naar 't schijnt, een aan 
Tuinman welbekend woord; hij gebruikt het in 
'zijne Fakkel, I. op Glad en Glippen. Dfthnert ver- 
meldt hetz. w. als platduitsch voor op het ijs glij- 
den, andei's gladem, en bij Weinhold glittem. Bij 
Störenburg is gliddrig glad , en glidder gelei of lil. 

Glidden is hetz. als glijden, in 'thoogd. gleiten^ 
in verschillende dialecten glitsen, glüschen, glieken, 
ir. glisser, enz. Onze taal heeft ook goudglid, zie 
Ten Kate, II. 193, die mede eon nederl. ww. glid- 
sen, glitsen, glissen, opgeeft, welken laatsten vorm, 
voor uitglijden, men leest bij J. G. Tengnagel, Ver- 
woestingh der St Naerden, 45: 

— 'k reê voor, hy volghd" en glisten 
Op een been achter nae: -^ 



153 



6LIDDEREN. 



154 



Hij wts vooral in zedelijken zin vrij gewoon; Spieg. 
Hertsp. 90 : 

Gfn tiei om hoogh en glist: une^a (T oorscuik van 

dit g]i8sen? 
Waterioos, achter Huyg. Ghebr. en Onghebr. van 
'tOrghel, 179: 

Zoo raakt die gheen^ die in de duisternissen 

Te vxuuTlen plagh, ook nimmermeer te glissen. 
Sluiter, Ges. 462: 

Soo *ku te volgen uriste. 
En van die ware levensbaen .. 
Soo dikwils niet en gliste. 
Leven van Mare Aurel. 135: sommighe menschen 
glissende hoer goederen verliesen. En nog bij Bek- 
ker en Deken, Gom. Wildschut, V. 252: tot dat 
wy wéér eens glissen, tuimelen, opstaan. 

Het bijv. nw. glissig is glibberig; Goomhert, 
Wercken, II. fol. 187 verso: dat de Overicheydt 
Her glissich g€ien hebben soude soo wanneer sy 
niet hy der handt... gehouden worde. 



GUjsteren is bij Riliaan en Ten Ka te, II. 193, 
hetz. als glinsteren, anders ook glisteren en glid- 
tteren; middelhd. glitzeren en glitzenen; eng. to 
gister en to glitter; en glijzen evenzoo de nederl. 
form voor 't hoogd. gleissen, anders glitzen, dat hetz. 
beteekent, middelhd. glitzen en glizen, eng. bij 
Hallivrell to glise. Ril heeft nogtans mede glei- 
zen, gleissen, als »germ.** 

Hiertoe behoort ons oude naamw. gleste, glans 
of gloed; Der Minnen Loep, I. 42: 

So heet waren der minnen glesten. 
En bl. 110: 

Alst quam anden avontstonde 
Dat die duisterheit begonde 
Des daghes glesten te verdriven. 
Ook bij ons komt in deze wn. de et-klank voor. 
Fleistersn (dat één zal zijn met gleisteren) is in 
Groningen het flikkeren der kaars, zie Taalk. Mag. 
n. 335, en (met uitlating der l) geisteren, in 't 
zeeawsch vonken, branden (fig. van gramschap ge- 
zegd), Archief, II. 163, en zoo te lezen bij Mouren- 
torf. Twee Boecken van Lipsius, 27: daer blijven 
in hoer merekelijek die gheysterende overblijfselen 
van dat eerste suyver vier. — Dus ook geister voor 
vonk, Dietache Doctr. 261, var. van een genster (vs. 
821) ; Uoowaert, Lusth. der Maechden, I. 340 : 

Hy ghevodde de geysteren der liefden woelen. 
D. n. 160: 
— ^eUjek een gheyster viers licht wort ont' 

steken. 
De Bmne, Bancketw. I. 140: een gloeyende kóU 
die.., hoer hitte en geysteren uytgeeft 



Olimmeren— Olimmen. 

Sommige onzer dichters hebben glimmeren ge- 
bezigd voor een herhaald glimmen, hoogd. glim' 
mem, eng. to glimmer, deensch glimre, zweedsch 
glimra en reeds in het middelhd. bekend. Van 
Merwede, Uyth. Oorlog, 51: 

Ik had soo wat myn boeyer leggen timmeren, 

Men sach myn hel geweer en huyvraet glimm'ren. 
Bilderdtjk, Mengelp. I. 89: 

Heur helmen glimm'ren schoon by V schijnsel van 

de maan. 
Kinker, Ged. II. 58: 

Die vreugde, in H midden van ^t gevaar -^ dat 

tarten 

Van de overmagt — dat glimm'ren aller harten. 

Waarvan bij denz, I. 28, de samenstelling: star- 

renglimmering. En Bogaers, Gez. Dichtw. IL 56: 

Bij 't glimm'ren van de laatste vonk. 

Glinsteren— Olinaen. 

Zeer eigenaardig wordt bij Gomenius, Port. der 
Saecken en Spraecken, 92, de maan gezegd te glin- 
zen en de sterren te glinsteren. Ook Kil. heeft 
glinzen opgenomen, dat mij anders bij onze schrij- 
vers niet voorkwam. Ten Kate, II. 194, vermoedt 
alleen dat een ongelijkvl. werkw. glinzen bestaan 
hebbe, welk vermoeden nu door Beneckes Wtb. 
gegrond blijkt. 

Uouwaert schrijft gelinsteren (ook bij Kil. te 
vinden). De vier Wterste, 176: 

Grhélijck de daerheyt der Sonnen *t licht ver- 

meert. 

En soo blinckende f helinBieri in haren opganck. 
In het middelhd. treft men de partic. glinstende 
en glenstende aan, die op een ww. glinsten, glen» 
sten, wijzen. Hetsubst. glinster is bij ons bekend; 
Jonctijs, Roz. Oogjes, 85: 

Roozelijn, die met den glinster van den gladden 

marmer spot. 
De Brune, Wetsteen, I. 215: hoe edeler en vol- 
maakter eenige soort is, hoe hy 'ér meer glinsters 
zal van laten blijken. Bilderdijk, Yerspr. Ged. 
II. 118: 

Ja, de gloeijende granaat 

m 

Is een edeler sieraad 
Dan de glinster der robijnen^ 
De oudste spelling van het w. bij ons is gleinster; 
Dietsche Doctr. 261, als variant van vs. 821 ; Blom- 
maert, Oudvl. Ged. II. 20: 

Eene vlamme so ghedaen 
Daer die gleinstren hute vloghen. 
En 44: verberrenden te pulvere ende fe gleinsteren 
van viere. 
Als tot het tlaamsch dialect behoorende, heeft 



155 



GLINSTEREN. 



166 



Kil. voor gleinster en gleinsteren mede kleinster 
en kleirutleren. waarin alleen eene verscherping 
der aanvangletter plaats heeft. 

Het hoogd. frequent is glinzem, en naar deze 
uitspraak zei men voorheen bij ons ook yfelylint- 
seren; Mourentorf, Twee Boecken van Ovid. 131: 
die vierige Sterren by schoone claeren nachie en 
glintüeren niet aoo schoon. Statenb. Deuteron. 32, 
VS. 41: mijn glintzerende sweert. Jes. 18, vs. 4: 
de glintzerende hitte. 

Met uitlating der l heeft men de wwn. ginste- 
ren en geinsteren; Poirters, Heyl. Hof vanTheod. 
59 : de groote Meeren van het hof bloncken. . als 
ginsterende sterren. Six van Ghand. Poêsy, 258: 
Hen hoofden geinsteren van tongen 
Die daar als vlammen, boifven hongen. 
En de naamwn. ginster en geinster; Van Mander, 
Bucolica, 84: Spercken is ginsteren of voncken uyt- 
werpen. Poirters, Duyfken in de Steenr. 186: 
isser noch een ginsterken liefde inuf En bl. 187; 
blinckende cUs ginsteren in de locht. De Brune, 
Bancketw. II 57: een grondeloose kolck, vol van 
vlammen en geinsteren. De Brune, d. j. Jok en 
Ernst, 18 : Zo {van dit mumoegen) by wijlen eenige 
geinsters bleken. Dez. Wetsteen, I. 164: noch 
sprong 'er een geinstertjeii uit dat vuur. Oudaan, 
Roomsche Mog. 18: waren . uyt de schenioortsen^ 
die zó heerlijke gestichten aan brand staken^ eenige 
geynsters af gevlogen. Zeeus, Overgebl. 6ed, 144: 
de geinsters van uw dicht. Voet, Sticht. Ged. il. (in 
een daarvoor gepl. lofdicht, van A. van den Berg) : 
een geinster van het eeuwig licht. — Zie voorts 
Gleneteren. 

*k Voeg hier nog eenige afleidingen met voorzet- 
sels bij. Valentijn, Werken van Ovid» II. 372: 
Venus nog Jupiter lieeft u op dat lar toegegün- 
stert. Schermer, Poëzy, 255: 

Dus wederglinsteren de spiegelende stroomen 
Van Hgroen^ van *t hemelsblaau, het wit, en 

safferaan. 
Biiderdijk, Nigaarsbl. II. 22: 

— H Haardsteèvuur doorglinsterde de bogen. 
Da Costa, Kompl. Dicht w. I. 304: 

Dat oog, doorglinsterd van een traan. 
Van Walré, Ged. aan Ward Bingley, enz. 44 : 
— gloeijende en goudgele stralen^ 

Waarin het licht der hoop afglinstert naar beneén. 

Olipperen— Olippen. 

In pi. van het gewone glibberen, voor uitglijden, 
leest men glipperen, in de Levens van Plut. fol. 
':)07: als hy op den anderen oever van de riviere 
.. overmits dat /iel aertrijck aUiaer zeer gheweyckt 



zijnde^ glipperde. Aid. 457 : om dat men min glip- 
pert met naecte voeten de ladderen opgaende. Van 
Hoogstratens Uaegaenveld, 86: in 't heetst van 't 
gevecht, als het zwart bloed langs duin en akker 
vloot, glipperde dit Koninklyke dier, en sulde op 
zyn achterkooten. 
Afglippen is afglijden ; Bilderdijk, Buitenleven, 78 : 
Maar 't bodemlooze veld, met de oevers zwak 

verbonden, 
Glipt van zijn grondveste af — 
Figuurlijk bij Zubli, Nagel. Poêzy, 163: 
*k Beroep mij op dit woord, dat vloeide van uw 

lippen. 
Waarvan geen andere (1. andre) taal dan waar- 
heid af kon glippen. 
Zoowel dit als ontglippen, b. v. Bilderdijk, Huil. 
Verl. I. 1>2: 

Mocht mijn' lippen 
Dat ontglippen 
Wai mijn brekend oog hiei* ziet. 
En inglippen; Ten Kate, Dichtw. VIL 2d8: 
De ziele-zelf^ die afvloeit van 't koraal. 
En, ruischend op de zachte wiek der taal. 
Des hoorders hart verheugt (lees verheugd) 

schijnt in te glippen, 
is bij onze dichters om het rijm op lippen zeer 
gezocht. — Weiland heeft afglipperen. 

Kil. verklaart glippen door wegsluipen, heimelijk 
ontsnappen; vandaar bij hem glipper, een vluch- 
teling of deserteur. Zoo leest men Van Zevecote, 
Ged 287: 
De dijeken doorgeboort, de opgestelde sluysen.. 
Syn van de glippers daer, en schimpers hier 

bespot. 
Die lachen met den Prins, en houden hem 

voor sot. 
En bl. 305: 

Vlucht ghy oock, Glippers, die de stat 
Soo geem' had' onder 'tjock gehat 
Met dreggen en met liegen. 
Scriverius, Ged. 70: 
De Glippers deeden goedt, die by den Vyandt 

UMiaren, 
Die rieden al te zaam de schoone Stad te sparen. 
Een glippert maken is wegglippen, wegsluipen ; 
Van Rusting, Werken, I. 10: 
Maar 't speet hem... 
Dat hy zoo onverrigter zaken 
In 't donker moest een glippert maken. 
Glipperig wordt gezegd voor glibberig; Goom- 
herts Wercken, I fol. 151 : Niet anders dan een 
glipperige slanghe ontsluypt ghy telcken. Aid. fol . 
426 verso: het (Mdt is glippericb dal ghy bestoet 



i57 



CLIPPEREN. 



158 



te betreden, D. II. fol. 78 verso: nergkens oen 
uwe woorden gh^Hmderiy dats overal giipperigh 
te zijn, 

Olisteren, zie GUjBteren. 
Oluiterea— Oltüjen 

Het hier door gltiijen aangeduide primitief is van 
het wortel w. glu^ in het neders. vonkelend^ blin- 
kend (van de oogen gezegd), bij Störenbnrg gloo, 
hoogd. glau. Vandaur het eng. ww. bij Halliwell 
to ylow^ to glowcj aanzien (met vonkelende oogen), 
aanstaren. Zonder het augment ge heeft het hoogd. 
volgens Adelung lauerij en volgens Stalder (II. 179) 
lueit, beiden voor zien, waartoe ook het hoogd. lu- 
gen, zien, behoort. 

Als frequent, van de genoemde wwn. hebben wij 
loeren en gluren, oulings gloeren, hoogd. lauem, 
loeren, begluren, eng. bij HallFwell to glowcr, sterk 
aanstaren. Een nederl. vorm hiervan is gluijeren, 
bij Ril. en Ten Rate, II. 258, wenken, knijpoogen, 
met een linksch oog aanzien. Men leest dus bij 
De Brane, Bancketw II. 162: Een konstigh af^ 
heeldsel ginyert, en werpt de ooghen op een yder, 
die het zelve aenziet. 

Een andere frequentatief vorm is glttstem, bij 
Danneil met glinsterende oogen aanzien, dat hij te 
recht brengt tot glu, boven vermeld. Als primi- 
tief van dit ww. kan men aanmerken gleuzen, d»i 
mij voorkwam in hegleuzen, voor bezien, bekijken, 
in het Klugtspel Het Verwarde Uuyshouden (Amst. 
1710), 28: 

Trekt my die kous eens van de voeten ; 

Ik moet eens begleusen of de wond 

Ook doodlijk is; — 

Oliüsteren— Oluizen. 

Dit gluizen is hetzelfde als glösen, glosen, glousn, 
ghstenj gloschgen, dat bij H5fer, Dahnert, Lexer, 
Von Schmid en andd. voorkomt en glimmen, gloei- 
jen, beteekenl, eng. to glow, nederl. gloeien, plat- 
doitsch glojeny gleuen, gleujen (bij DShnert), bij 
Stüreoburg gleien. 

Het biervan afgeleide frequent, ontmoet men 
meermalen bij Oudaan, Toneelp. 270: 

Het glaystren van de vlam vermindert door de 

vocht, 
AJd. bl. 27i: 

Dal ^svoetzel aan de vlam, die gluistert cUs een 

oven. 
En Poëzy, UI. 517: 

— JuvenacU verwint , in 't glenist'ren van zyn vier. 
De bet van dit ww., dat mij elders niet voorkwam, 
is blijkbur glinsteren, gioeijen, en de verwant- 
schap er van met het voorafgaande glu^eren, als 



I 



met bluisteren, glijsieren en andd. valt in het oog. 
Van het boven vermelde gleuzen, glozen, moet 
een ander gelijkluidend w. onderscheiden worden, 
dat voorkomt bij Van Mander, Gulden Harpe, 92: 
Desen Meyboom begloost 
Is Christus exeüent. 
Ëh waarvan ook het subst. glozer en gleuter; 
Sluiter, Ges. 174: 

Eygen sin en mening doch 
Zyn de rechte gloser(s) noch. 
De Brune, Bancketw I. 148 : Die zich anders 
draeght, zal ander gleuzers vinden. En 203: uw 
eygen zin en meeninge moet de rechte tolck en 
gloozer zijn. — Deze wn. zijn van glose, glosae,\9i\. 
glossa, d.i. noot of aanteekening, ter verklaring bij 
den tekst gevoegd. Een glozer of gleuzer is dus 
een uitlegger, en de begloosde Mei boom is de boom 
van welken de poëet vooraf verscheidene verkla- 
ringen had medegedeeld. Het nw. glose komt bij 
onze Ouden voor; Leven van St. Amand, vs. 4987 : 
— Amand heeft verhaelt 
Sine glose ende sijn dinken. 
Zie ook prof. Davids Glossar. op Maerl. Rymb. i. v. 
Dat de Franschen hiervan een ww. gloser, en de 
engelschen to gloss hebben voor uitleggen en be- 
dillen, is bekend; onze Ouden gaven aan het w. 
den basterduitgang ; Der Minnen Loep, I. 144: 
Hoe vast bezeghelt ende bebriefl 
W€is syl nochtan wert hoir leven 
Nye beseghelt noch besereven, 
Alsoe die menighe dat glosieren. 

Ghiisteren, zie Knisteren. 
Gnutteren, zie Kneuteren. 
Oodder^i— Gkxldeii. 

Het WW. godderen leest men bij Bredere, Jero- 
limo, 25: 

O monarchale Vrouw! dat ou dien Phoebus sagh. 
Dat groote licht en sou niet streden desen daghy 
Hy soude sayn Karos en pyaerden laten rusten 
Om te gaudeeren en godderen in zijn lusten. 
(De druk van 1644 heeft hier goddeeren; de vroe- 
gere van 1622 waarschijnlijk beter godderen, welke 
lezing ook door Oudemans is gevolgd.) Vermoe- 
delijk is dit WW. gesmeed ter verhollandsching 
van het voorafgaande basterdw. gaudeeren. Dit 
laatste komt bij ons meer voor; Antw. Spelen van 
Sinne, 638: 
Neen, doet mynen Roet hy sol vroUjck boeteren 
Wettustigh gauderen, en den gheest verfraeyen* 
D. i. evenals bij Bredere zich verheugen, een vroo* 
lijk genot hebben; in den zin van voorspoedig zijn 
is het ald. 560: 



169 



GODDEREN. 



leo 



Ghehenediji was (Lahan) in alle liJn gaet^ 

Deur den rechiveerdighen Jacob wijs en vroet; 

Want deur zijn rechtveerdicheyt moest al gau- 

deren, 

Midts dat ky Godt behaechde door zijn ootmoeU 
Alsmede bij Van Bleyswijck, Beschr. van Delft I. 
424: 90 sdiynen sy echter van dese vrydom geen 
geruymen tijdt gegaudeert te héthen 

Gaudeeren^ dat bij ons godden zou kunnen lui- 
den, is van het lat ^tMier^, zich verblijden of ver- 
lustigen, fransch se gaudir^ eng. to gaude, bij Hal- 
liwell to gaud. Voor het lat. gaudium hebben 
Schmeller, Stalder en Schöpf gaudiy eng. gaudy, 
gaudey gawd; zie Nares. 

Goederen— Goeden. 

.Het WW. goederen leest men bij Despars, Gro- 
nijcke van Vlaend. I. 229: vreesende dat zy... en- 
delinghe meer kijnderen zoude mueghen vergade- 
ren^ dan zy naer haren stoet wel machtig zoude 
wesen te goederen. D. i. behoorlijk te doen erven. 
Het prim. is dus goeden^ dat Kil. heeft voor erven, 
en waarvan men zie op Goedigen. 

Golveren» zie Galveren, 
Oopperen— Oobben. 

Gopperen omschrijft Wassenbergh (Idiot. Fris.) 
door »met grooten lust en begeerte naar iets ver- 
langen, ergens als watertandende op hoopen.*' Dus 
in de pi. uit Plutarchus Leven, door hemaangeh.: 
gestaadig gopperende om zich in genot of aan- 
denken aan wellust te verlustigen, — Starter heeft 
guppereny Friesche Lusthof, 103: 

Elck guppert na sijn deel, elck soeckt sijn we- 
derga. 
In De Honigbije, IL 12, vind ik gooperen gespeld: 

Eldi heeft zyn zinnen op het spel alleen gezety 

En merckt 'er buiten nietSj naardien al *t goop- 

rend zoodtje 

Zyn oog^ alegts tuk op winst^ in H zeil houdt van 

zyn bootje. 
Nieuwe Honigbije, I. 23: 

— het vuur, dat zyne Vrintschap voedy 

Is H gooperen alleen op meerder eer, of goed. 
Epkema zegt dat in het friesch gobberfen zeer be- 
kend is voor nergens zijn mond op zetten, inhiare." 
En die bepaling der beteekenis is (naar ik meen) de 
ware. Het w. toch is van goby bij Halliwell mond, 
gewoon eng. een mondvol, anders gobbety fransch 
gebet; vandaar ook to gobbetj bij mondvollen slik- 
ken, fransch gober, inzwelgen, eng. f o gobble^ welk 
katste inmiddels bij Halliwell ook geldt voor den 
mond roeren, snappen. 

Het primit gobben^ bij Epkema gobbjeny betee- 






ken t dus eig. den mond openen, hetzij dan als in 
't friesch om te lagchen, hetzq als hier om een 
verlangen of graagte naar iets aan te duiden. 

Grooteren— Grooten 

In het vlaamsch is vergrooteren, gebruikelqk voor 
vergrooteny zoowel in bedr. als inonz. beteekenis; 
zie het Idiot van De Bo. Het hoogd. heeft ver- 
grosserny ook ergrössemy doch alleen bedrijvend. 

Gudderen— Gudden 

Gudderen komt voor in vergudderen^ dat in het 
kanton van Axel beteekent bederven; zie mijn 
Arch. II. 194; in Zuidbeveland vergiUtem in denz. 
zin, zie Nav. XIII. 376. Het w. is van gudden, 
hoogd. geudeny vergeuden en vergüden, verdoen, 
verkwisten;, zie Raindl, lU. 373 en Adelung i v. 
Het w. is mede verwant aan het nederl. gudseriy 
gieten, storten. Het hoogd. geiulen is bij Rehrein 
geuseny geusteny en bij Tobler gusla; en gódla bij 
dezen en güdeln, gikdem, gutteln, giUzeln^ bij Stal- 
der, met water spelen, ruw daarmee omgaan, zoo- 
dat het door storten verloren gaat, en vergütter- 
leriy iets door onachtzaamheid of door spel ver- 
liezen. Zie de breedvoerige toelichting van deze 
woorden bij laatstgenoemde, en Gussélen hiervoor. 
Anderen, b. v. Höfer, brengen geuden tot het lat. 
gaudercy met minder waarschijnlijkheid, naar mijn 
oordeel. 

Guiteren— Guiten. 

Kil. heeft guiteren voor gannire^ dat hij brengt 
tot guiten^ den guit spelen, schertsen, spotten, lag- 
chen. Het eerste ww. kwam mij elders niet voor ; 
wel het tweede; Houwaert, Lusth. der Maechden, 
L 335: 

— uMnt ghy zoudt met my guyten. 
Ampzing, Ghristenhoogt 60: 
Dat hoorden sommige die by den kruyze saten 
En guyten met sijn klagt — 
Gom. Vetus, 4: onse Koe... begond heel luydujite 
guyten en te lacchen. — Meer in den zin van hui- 
len (van het weder gezegd), en dus overeenko- 
mende met guiteren, leest men het w. Pekelharing 
inde Kist, iO: 

Het onweerty 'k Wrf, ci, fu)ort 

Hoe dat het bulderty tiert en guit 

En u)eerlicht l* eiken stand. 
De composita, door Weil. van guit gegeven, kun- 
nen nog vermeerderd worden met guüzak; De 
Regto Mengeld. 142: 

— ook is myn neef gegreepen... 

Is 't mooglyk! licht van dees gesleepen 

Guitzakken. — 



161 



GUITBREN. 



163 



Het door hem vermelde guiierij leest men Gellerts 
Fab. n. 156: 
Hy is rampspoedig^ maar aan guitery niet 

schtUdig. 

Gunteren— ^ïuanen. 

Volgens den Drentsch. Volksalm. 1846, bl. 257, 
is in het drentsch dialect gunteren het wrenschen 
Tao paarden. Dit kan 2ijn van gunsen^ in ver- 
schillende platd. dialecten kermen, en bij Danneil 
ook janken van honden; of ook van gönnen, bij 
Sulder een oud woord genoemd, voor begeeren, 
waarvan bij hem gunlich en gdnnig, hakend, sterk 
Terlangend naar iets. 

Gupperen, sde Gopperen. 
Gutteren, zie Gudderen 



Badaren— Haden. 

Kil. en Plantijn hebben het nit het hoogd. ge- 
nomen ?iadereny twisten, bij samen tr. haren, in den 
Tenthonista hadélen. Zoo leest men bij Mamix, 
Godsd. en Kerkel. Geschriften (door J. J. van Too- 
renenbergen) I. 158: bedenckt dat der diakenen 
ampt is niet te twisten, noch te haderen. — Met 
den klank, door Adelung opperduitsch genoemd, 
heeft Bredero, Aend. Liedtb. 63: 

O Heer! ick kyve niet, noch hadderniéf met u. 
Het subst. hadeTy samengetr. hadr, is mede bij 
ons bekend; zie de pil. in mijn Taalk. Mag. II. 
213; en voeg daarbij Marnix, a. w. 1.159: sooghy 
recht kont hébhen in eenen alsoo ongherechtighen 
hadere. 

De heer Oademans wijst in het Wdb. op Bred. 
en in De Taalgids, Il 54, op een ww. haaijen, dat 
in onze spreektaal voorkomt, hetwelk alsdan als 
primitief van heideren kan aangemerkt worden. 
Mij is echter in den zin van twisten of kijven 
geen ww. haaijen bekend. Adelung zegt, dat het 
w. buiten twijfel van hossen, nederl. haten is, 
waartoe ook Fulda, Grerm. Wurzelw. 229, het vóór 
hem bracht; doch Kaindl, III. 463, keurt die aflei- 
ding af. Volgens hem is haden van had, een 
grondwoord, dat los, verward, verwikkeld, gescheurd 
enz. beduidt, en waarvan zoowel het hoogd. hader 
voor lap of lomp, als hader, twist, afstamt; zie 
zijne breede beschouwing S. 456^-^5. Het komt 
mij voor, dat ook Grimm, Gramm. II. 122, hader 
in beide beteekenissen voor één woord houdt. 
Opmerking verdienen hadem, bij Höfer onordelijk 
bijeenvoegen; en gehader, verwarring, verwikke- 
ling, verhadem, verwarren ; gehdder, verwarde 
twistzaak, hadem, een woordenstrijd voeren, bij 
Stalder. 



Bilderdijk, Geslachtl. 1. 280, spreekt van een ww. 
haaijen, dat afbijten beteekent. Ook dit herinner 
ik mij niet. Wel ken ik in dien zin in de volks- 
taal fiauwen, dat men met snauwen pleegt samen 
te voegen; zooals Boet. a Bolswerts Pelgrimagie, 
177 : met beleeftheydt ende vriendtschap.,. sult ghy 
duysentmael meer winnen, dan met bulderen, 
preutelen, suere geaichten, bauwen ende snauwen. 
— Het tusschenwerpsel haauw wordt gebezigd van 
iemand die gaapt of geeuwt ; Van Lennep, Acad. 
Idyllen, 96: 

Haauw I — is dat gapen! 
Bij onze Rederijkers kwam wel een vrw. haaien 
voor, doch dit beteekent blijkbaar grijpen, vatten; 
Serrures Vad. Mus. V. 83: 

Thétyghe woordt Gods p\jnt hem eer tontwaeyne 

Dan std>tyle verzxeri^nge van menachen ghe-» 

vonden; 

Zy zauden naer de zvlcke eer pynen te hayene, 

Dan naer hoer zaJigheyt — 
De geleerde Uitgever verklaart »pynen te hayene'^ 
door «betrachten" ; dit is niet juist; de uitdrukking 
beteekent »pogen (zijn best doen) om te grijpen.*' 
Aid. 85: 

Al crijghic door tdylayeren een zwoer oliënde, 

Het wert vullick, hopic, al ghebeytt ghehaeyt. 
D. i. verkregen; Gonstth. Juweel, 368: 

Wanneer uwe broeder verarmt, unit hem ver'- 

soeyen... 

Nae den vergeten schoof en wilt niet weder 

haeyen, 

Moer opent uwe milde hant daer toe bereit met 

eenen. 
De beteekenis van grijpen, vatten, schijnt hier we- 
der te pas te komen; doch bij Van der Gruycen, 
De Spreeckw. van Sal. 342: 

Soo 't hout of haeyt, of draeyt, of uyt sijn richt- 
snoer raeckt, 

' T wort effen door de schoef, en weder glat ghe^- 

moeckt. 
is mij de beteekenis des woords niet volkomen 
duidelijk. Wellicht is haaijen hier voor haken. 

Hakkeren— Hakken. 

In de plattelandstaal van Noordholland zegt men, 
volgens De Nav. VI. 361, voor hakkelen (in den 
zin van stamelen, stotteren) hakkeren, zooals het 
eng. bij Halliwell in dezelfde beteekenis to hacker 
heeft. Zie voorts Hakkelen, 

Halmeren— Halmen. 

Bij Bouman, De Volkstaal in Noordh. is halme- 
ren »heinen, wal ophalen, den flodderwal afsteken 

en optassen." *k Zou dit w. als frequent beschou- 

6 



163 



HALMEREN. 



164 



wen van halmen of helmen, d. i. van halm of helm 
ontdoen. HcUm of ?ielm is eene gras- of riet soort. 
In het hoogd. is halmen halmen krijgen (zie Grimms 
Wth.), doch hier wordt bedoeld van halm beroo- 
ven, e\%. onihaXmen. Bij Lexer, Mittelhd. Hand wtb. 
is halmen koren snijden; bij Halliwell to helm, de 
korenaren van het stroo snijden vóór het dorschen, 
en bij Schmeller einhalmen het stoppelveld om- 
ploegen. Met dit laatste komt het noordh. halme- 
ren in beteekenis het meest overeen. 

Hankeren, zie Hunkeren. 
Haperen— Hapen. 

Hapen komt bij Strodtmann voor, die het ver- 
klaart door »niet voort willen." Etymologisch is 
dit w. hetzelfde als hafen of haven, nederl. fiech- 
ten, goth. haftjan^ van fuihan, hoogd. haben, nederl. 
hebben; zie Diefenbach, II. 488, Adelung en-Anton, 
St. XIX, S. 14. Vandaar is haperen in de eerste 
plaats haken, ergens in vast raken; dus De Har- 
duyn. Goddel. Wenschen, 98: daer is lijm in het 
süver als wy soecken het silver, wy haeperen in 
het lijm, Huygens, in Hoofts Brieven, III. 195: 
hoe dat hy, afscheidt van den Prince nemende, 
ende, in Huytgaen van den Hove, haperende aan 
de touw, die de deure met gewicht toehaelde. 
Croon, Gocus Bonus, II. 255: vele menschen... ver- 
werren xnde garens ende stricken, ende blyvender 
in haperen, tot dat men hun daer uyt neemt. De 
Meijer, De Gramschap, 39: 

Uy vaU den wagen af, en hapert in de stringen. 
Wie alzoo hapert, komt niet vooruit; vandaar de 
beteekenis van : niet vorderen met iets, talmen ; 
Van der Gruycen, De Spreeckw. van Salomon, 25: 

Dien wegh tot voor Godts Throon, is al te bys- 

ter smal, 

Een hert, geneyght tot ghelt, dat hapert overal. 
Moons, Sedel. Vermaeck-Tonn 54: met haerfutse- 
len, en haperen hebben (de dwaese Maeghden) de 
deur voor haren neus ghesloten ghevonden. En 416 : 
als ghy naer een rypelijck beraet den sinh^tvan 
tn een clooster te gaen, ghy en móet dan niet hly- 
ven haperen, ghy moet dien goeden raet brenghen 
terstont tot de daet 

Van het verward raken (in touw b. v.) is de 
beteekenis van harrewarren of twisten, die men 
aantreft in Hoofts Tacitus, fol. 66 : werdt'erlanghe 
gehapert oft het Vibius Marsus, oft Gn. Sentius 
zyn zoude. D. i. volgens Hoofts eig. aant. bij een 
»gesbhil over de Landt vooghdy van Syrien " De 
verklaring, door Oudemans hier gegeven, van >dob- 
beren, in twijfel of onzekerheid zijn" is minder 
juist. Rabelais, Werken, I. 59: Na datze daar 



over voor en tegen wel dapper gehaapert en ge-- 
haspelt hadden, enz. En 428: den tijd staag toe 
te brengen met haaperen en harrewarren over 
dingen daarse niemendal kennis of zeekerheid af 
hebben. 

Meer gewoon is de toepassing van het w. op eene 
zaak die belemmering ondervindt, en alzoo blijft 
steken. Dus Van der ^alm, Salomo, II. 404: de 
tegenstelling., schijnt te haperen en mank te gaan. 
Bilderdijk, Vermaking, 127: 

Zy zijn wat Siegenbeeksch, daar hapert het alleen. 
Vooral bij het spreken, zooals de Parthonopeus 
(door Bormans) reeds heeft, vs. 3752: 

— als hoer een lettel was ghesaecht 
En mocht soene noemen niet noch doe; 
Newaer al haprende seide soe 
Vele crankelike: 3part?io. . Partho V 
Vondel, Poêzy, I. 650 : 

Het Jawoort . hapert op de tong, 
En kan 'er qualik uit. — 
Hooft, Brieven, I. 419: toen sy noch maer op 't 
ontknoopen van de tonge ende in 't haeperenj van 
haer kintsheit was. Ërasmus, Lingua, 146 verso : 
dat die u)at haperen oft stamelen meer tot klap- 
pen geneghen zijn dan een ander. 

De uitdr. haperen aan iets heeft den zin van 
ontbreken; Vervolg op Wag.XLI.229: Naadeeten 
stryd, waar in het geen der partyen aan moed of 
beleid haaperde. Van der Palm, Salomo, VII. 124 : 
dal het ons aan bekrompenheid hapert. Bilder- 
dijk, Vermaking, 126: 

— 't heeft my nooit gehaperd 

Aan Ween of anderen, recht opgetogen gapert. 
In Rabelais' Werken, II. 446, is uithaperen al ha- 
perende of stamelende uitbrengen : Als hy dit liedje 
uytgehaapert had, enz. 

Voor de zelfst nwn. hapering en hapemis, in 
het Wdb. des Inst op Hooft uit dezen opgetee- 
kend, heeft Starenburg haper, en Schambach Aa- 
perie. 

Sommige hoogd. dialecten verscherpen den o- 
klank en zeggen happem; zie D&hnert enSchöpf. 
Dien vorm leest men ook in de (Rolterd.) Spelen 
van Sinne, 247: 

Hoe staet dees tronghe aldus en happert, 
Floecx van hier. 
{Tronge is tronie; wij zeggen zoo: dat malle ge- 
zicht). Dit WW. is derhalve te onderscheiden van 
happem, een herhaald happen, d. i. bijten, dat 
Schambach heeft, van dieren gezegd. 

Het zweedsch zegt happla voor stameren. 

Eene van de boven vermelde niet wijd verschil- 
lende afleiding van haperen gaf reeds in 1758 



les 



HOEREN. 



iW 



Bock, Idiot Pni88. doe»* het namelijk van haken te 
doen afkomen, dat verwant is aan haften^ htch^ 
ten. Doch Kaltschmidt is van eene andere mee- 
ning; volgens hem is hapem een versterkte vorm 
van abem^ aanstooten, welk laatste echter niet ge- 
staafd wordt Fulda, German. Wurzelw. 237, wijst 
op hehMen^ hupfen enz. Zie ook Hateren. 

Happeren, zie Haperen. 
Harderen— Harden. 

Harden voor verduren, uitstaan, eig. hard^ d. i. 
bestand zijn, kennen w^ nog in volharden, d. i. 
Tolkomen, ten einde toe harden. Met den e-klank 
bezigden het onze Ouden ; dus Maerl. Sp. Hist. 
n. 249: 

Een lanc jaer al omme ende omme 

Uerde hi dit teere aomme. 

En 3i8: 

Dit herdj aldtts .vi. jaer. 

HeU. w. Tweede Paertie, hl. 83 : 

— Sdaechs ginc hi vort 

Dicwüe predeken in die port. 

Dit hevet hi daer lange ghehert. 
Die Dietsche Doctrin. 87: 

Ghelijc dat liede besmet werden 

Die hore wandelinghe herden 

Met hem, die malaeis sijn. 
Aid. 152: 
— 9oe (die vrienecap) langher duert ende heerdt, 
Soe si menichfoudere weerdt. 
Het middelhd. had in dez. beteekenis herten^ er- 
herten, geherten^ volherten. Men zei bij ons ook 
uitharden (hcogd. ausharten)-^ Schermers Poëzy, 
389: 

Hart tot den zomer uit, wanneer de krekels komen. 
Nog meermalen bij Bilderdijk, N. Mengel. IL 230: 
Ja het is niet uit te harden, 
Zoo ik hier nog langer blijf. 
Ziekte der Gel. 5: 

De romp is buiten staat de werking uit te harden. 
Sprokkel 68: 

Wat ziel is '^, die dit uit kan harden ? 
Rotsg. n. 32: 

Geen middel meer om *t uit te harden 
Druir zee en lucht verwoesting braakt. 
Die mede het bloote harden bezigt, Verspr. Ged. 
1. 178: 
Zy scheurde zi4^ woedend van uit het kasteel, 

En kan *t in heur wanhoop niet harden 1 
Yan dit ww. hebben Kil. en V\9Xii\\n herdeeren, 
herddeeren; en zoo leest men dan ook bij Snel- 
laert, Ned. Ged. uit de veertiende Eeuw, 6: 
— al woud^t langhe hanteren, 
(Mne mochtes niet harderen. 



Vreeds Triumph (1609), bl. 12: 

— na Jaren twaelf indien Tbestant herdeert. 
Doch elders bij onze oude schrijvers vindt men het 
frequent, herderen en harderen; althans zoo meen 
■ik, dat al de volgende plaatsen kunnen, en som- 
mige moeten gelezen worden; Walewein, vs. 9019: 
{Sy) sloughen van bochten ende van voren 
Alle up den ridder uutvercoren, 
Ende harderden dit also langhe, 
Dat sine velden bi bedwanghe. 
Die Dietsche Doctrin. 283: 

Men moet herderen aÜe dinghen 
Die men toten ende wilt bringhen. 
Na dien dat herderen dan hoert 
Tenen orbare tsetten voert, enz. 
Belg. Mus. V. 450 : 
Doen haer twifelde ane minen dienst, 
Ende ics niet langer herderep en mochte, 
Doen was dat scheiden ons beiden sienst. 
Bredere, Angeniet, 46: 

Met harderende twist en sonder schijn van reen, 
D. i. met volhardende, voortdurende. Houwaert, 
Lusth. der Maechden, I. 596, met het voorgev.pe; 
Als sy nu zach dat sy 't niet langhere 
En kond^ gheherderen in gheender manieren. 
Nevens volharden zegt men ook volhouden, tegen 
welk woord Bilderdijk in zijne Verkl. Geslachtl. 
III. 248, hevig uitvaart als een der afgnjslijkheden, 
aan de omwenteling van 1795 te danken. Ook 
Siegenbeek in zijne bekende Lijst kon de uitdr. 
niet goedkeuren. Het woord strijdt dan ook met 
den regel onzer uitspraak, blijkbaar in het onder- 
scheid tusschen volmaken en volmaken, volstaan 
en volstddn, volbrengen en volbrengen, van welke 
in de eersten de eigenl. en in de tweeden de overdr. 
beteekenis heerscht. Volhouden kan dus alleen 
gezegd worden in den letterlijken zin, en niet in 
dien van volharden. Onze woordenboeken, tot op 
BomhofT en Kramers toe, hebben het woord niet 
opgenomen, met uitzondering van Holtrop en wel- 
licht enkele anderen. Van Dale gaf er eene plaats 
aan, en, wat mij bevreemdt, zonder eenige aan- 
merking. Het oudste mij bekende voorb. van het 
gebruik des woords is bij Bekker en Deken, Gom. 
Wildschut, II. (17P3), bl.318: zy wüde volhouden, 
omdat zij zig heeft laten wijsmaaken, dat haare 
Tante oogmerken heeft. Daarna bij Kluit, Hist 
der Uoll. Staatsreg. II. (1803), bl. 56 : dat de krijgs- 
lieden onder !sonoy te Medenblik volhielden, om 
zich niet te onderwerpen (aangeh. bij Sieg. t. a. p.) 
En later bij Van der Palm, Salomo, VI. 13: toa^ 
haast gevoelen zij, het aldus niet vol te kunnen 

houden. En bij BUderdijks taalgeleerden vriend, 

6* 



167 



HARDEREN. 



i<l6 



Wiselius, Mengel- en Tooneelp. UI. (1819), bl. 124: 
indien zij den krijg volhouden. — Het echte woord 
bij ons is aanhouden; dus b. v. de Statenbijbel, 
Luc. 23, VS. 5 en 23, Goloss. 4, vs. 2, 1 Tim. 4, 
13 en 2 Tim. 4, vs. 2, waar Van der Palm dan 
ook aanhouden behouden of door volharden en 
aandringen vervangen heeft. Onze spreekwoorden 
luiden zoolang zij bekend zijn en in alle lezingen: 
aanhouden doet verkrijgen en de cumhouder wint ; 
zie Harrebomée, III. 98. 

Van volharden of volherden heeft Kil. het bnw. 
volherdig; dus Vlaerd. Redennjckb. 270: 

— trecken aen eenen zeel, 

D een herwaerts, d* ander gintê, hertneckich en 

volhaerdich. 
Gooimhert, Werck. I. fol. 132 verso : alle onverstan' 
dighen, die volhardigh duer inne blijven, Fol. 137 : 
dat ghy niet volhardigh en bleef ten eynde uwer 
krachten toe, — Als bijw. leest men volherdtAijk, 
dat Kil. niet heeft, bij Van Iterson, Stemmen uit 
den Voortijd, 80: Nyemant en saX ghecroent wer- 
den dan die volherdelike strijt, 

Hateren— Haten. 

Hateren is bij Kil. stamelen, en dus hetz. als 
haperen. Men treft het w. aan in het Ruygh-bewerp 
vande Redenka veling, door de Amst» Kamer, 140: 
hy heeft, hy verandert van wezen, ende hatert in 
zyn woorden, — Vandaar bl. 149 : ghelycke de zulcke 
niet rasch ende zonder hatering lezen kan, — In 
Meijers Woordenschat (Afd. Konstwoorden) heb- 
ben alle uitgaven voor Tautologia »hatering**; al- 
leen de laatste heeft »hapering in het spreken." 
Oudaan heeft heteren, Poèzy, IL 19: 

— dus wort menig werk gehakkelt en gehetert, 

Wanneer de Drukker schryft: vermeerdert en 

verbetert. 
De bijeenvoeging van gehakkelt en gehetert doet 
zien dat deze Schrijver aan Aateren (stamelen) ge- 
dacht heeft; aan de beide wwn., door hem ge- 
bezigd< zal men den zin moeten hechten van tge- 
brekkig behandeld of voor den dag gebracht." 

Wat de afleiding van dit hateren of heteren be- 
treft: Anton, ofschoon niet bekend met dit ons 
WW. heeft ze, dunkt mij, voldoende aangewezen. 
In zijn XlXe St. vermeldt hij höiem voor hape- 
ren, stokken, niet voortgaan; hij acht dit, gezegd 
voor hatem^ met uitlating der f, van haftem, fre- 
quent, van haften, hetz. woord waarvan Adelung 
haperen afleidt; zie dit w. Het primit haten is 
evenzeer als hapen, haken, van ha-en (dat ook ha- 
ben, hebhen, geeft) en waar de ingevoegde conso- 
nant de beteekenis alleen wijzigt of versterkt. 



Anton zegt dan ook, dat hötèm met hapem deoi. 
oorsprong schijnt te hebben. 

Heeraohapperen— Heerschappen 

Het WW. heerschapperen maakte een rijmelende 
Rederijker in de Antw. Spelen van Sinne, 646: 

Aristoteles zeydt dat soeter is bekent .. 

En veel ghenuechlijcker te planten, hier en daer^ 

Te bouwene, en te laborerene. 

Dan te ionckeren oft te heerschapperene. 
Hoewel hij dit woord regelrecht kan afgeleid heb- 
ben van het nw. heerschapper, dat nevens heer- 
scfuip voor gezagvoerder bestond, belet niets heer- 
schapperen aan te merken als het frequent, van 
het WW. heerschappen, dat voor heerschappij voe- 
ren, heerschen, in zwang was; zie Kil. en Weil. 
Zoo leest men in de Levens van Flut. fol. 512: 
hoe wel hy gheheerschapt hadde den tijt van 
achtendertich heele jaren, Goomhert, Wercken, 
L fol. 31 verso: omme over alle dat onder die 
Sonne is, te heerschappen ghelijck Godt heerscbapt 
over Adam selve, Fol. 144: so sol terstont die 
gierigheydt heerschappen. Fol. 145: dat het Vleesch 
niet en heerscbapt over die Ziele, Fol. 182 verso : 
dat de Sonde niet meer en heerscbapt. Fol. 259: 
Nadien nu Godt «e//^ heerschapt m dat deel. ende 
daar tegen de Duyvel heerscbapt int ander deel. Van 
Teylinghen, Paradijs der Wellust 173: denhooyftsten 
heerscbapt over Hrljck der menscfien. Aid. 185: 
ghy heerscbapt over die macht der zee. Erasmus, 
De Onvers. Krijghsman, 24: waerom heerschappen 
de Romeynen hedendaegs niet over Africamf Dus 
nog De Bo, Ged. 118: 

Die heerscbapt in den hemel. 
Hij spotlacht met hun wrevelzin. 
yanihtir beheerschappen; Goomhert, I. fol. 142: de 
Siele, die door haren unÜe het Lichaem beheer- 
schapt. Fol. 446 verso: dat der mannen krachte 
die vloeden beheerschapt. — Het genoemde zelf- 
standige naamwoord leest men aldaar fol. 182 
verso: Is de Gherechtigheyt de Heerschapper. De 
Groot, Van de Waarh. des Christel. Godsd. door 
Oudaan, bl. 380: om datze een zigtharen heer- 
schapper gehoorzcMmt 

Heideren— Heiden. 

Beide wwn. heeft Kil. voor lichten, weèrlichten ; 
het heidt en het heidert worden bij hem aange- 
voerd als uitdrukkingen voor: micat aether, corus- 
cat, doch in het saksisch of geldersch dialect. Bij 
onze schrijvers zijn mij de wn. nog niet vooiigeko- 
men. Wellicht behoort er toe geheid bij Roden- 
burgb, voor flikkerend of brandend, Jaloersche 
Studenten, 9: 



i69 



HËIDBRFN 



470 



Wat meyfU ghy^ dat mijn hart ter vaert sou z^jti 

geleecht 

Van die geheyde liefd ! die ick %l trouwlick dragef 
En héijig voor helder; Meijer, De Boekanier, 85: 
Steeds hooger klom in H heijig Zuid 
Haitis land de golven uit. 
Deze adjectieven zouden overeenkomen met Kili- 
aans heider^ claras, coruscus, resplendens, en het 
hoogd. heiter^ bij Schmeller haiter, oudhd. haitar^ 
heider, klaar. 

Het WW. heiden schijnt niet samen te hangen 
met heitsey bij Kil. verouderd voor fakkel of toorts, 
in Hgoth. hais; zie Diefenbach, II. 492 en 506, 
en Beckering Vinckers E-legie, 98. Men leest dit 
nw. bij Houwaert, Lusth. der Maechden, I. 148 : 

Tortseny heytsen, keerssen^ waren al uyt^ 

Op de Bruyt'kamer en was hancket^ noch fruyt. 
En met verzachten uitgang (als rijmwoord) bij 
Anna Bijns, Refer. I. 6: 

{Sy) sullen hen niet verbranden oen den heyse. 

Heigeren— Heigen 

In Der Minnen Loep, I. 219, leest men: 
Si gonde him wael heymelijch; 

m 

Mer omme dat sy was gheestelick 

Soe uias si cdtois in vaer 

Datfet horen vrienden tondanck waer^ 

So dat si him aliois weygherde; 

Doch lach hi altoes ende heygherde 

Omtrent den tempel ende dair hijy 

Ende visierde altoes^ hoe hi 

Mochte eomen hoir te spreken. 
De heer Leenderti noemt dit heygheren »het fre- 
quent van hijgen, van hijgepd of smachtend ver- 
langen vervuld zijn." De zin, waarin het w. voor- 
komt, wettigt zeker zoodanige verklaring. Eigen- 
lijk intttsschen zou het primit. moeten zi^n heigen^ 
dat ontstaan kan uit het imperf. van hijgen {heeg^ 
9d^cgen), en tot dit hijgen staat als neigen tot n(/- 
gen. Werkelijk heeft Beets heigen (als rijmwoord) 
gebezigd, Dichterl. Verhalen (1848), 203: 

— H neergeslagen harte heigt 
Naar H noodweer^ dat zijn kreet ons dreigt. 

Halsteren*— Haasten. 

Het WW. heisteren kennen wij alleen door onzer 
dichteren ontheisteren. Ik meen, dat Ten Broecke 
Hoekstra, in den Ree. ook der Ree. vajp 1816, n*. 
S, den juisten oorsprong van dit w. heeft aange- 
wezen. En dan is het noch van hette of hitte, 
looals in Meijers Woordenschat gegist wordt; noch 
van heester, zooals Weil. en Epkema vermoedden 
en ook Schambacb nog stelde; noch van 'thoogd. 



heiter, zooals Weil. het liefst aannam; maar van 
haasten, 

Heisteren komt bij onze oudste schrijvers even- 
min voor als bij Kil., Plan tij n of Van der Schue- 
ren, doch is bij ons uit het friesch overgenomen. 
Men leest bij Gysb. Japicx, I. 137: 

Lijcke' eer'n mijn Moet heyst're Adam oppe troay, 
D. i. gelijk mijn makker (Gabriel) eertijds Adam 
op den draf (op loop) deed ijlen of snellen. De- 
zelfde beteekenis ontmoet men in het middelhd. 
heisiieren (met den basterd-uitgang), zie Benecke. 
Dus in den Parzival, 51^: 

Si chomen geheistiéret, 
Durch di passascen uf den plan, 
D. i. zij komen geijld door de doorgangen op de 
vlakte. En 778: 

Nu lat si heistiren her. 
D. i. nu laat zij (haar paard) herwaarts ijlen. — 
Evenals Ten Broecke Hoekstra leidt ook Benecke 
het w. af van haasten, fransch hdter, oudfr. has- 
ter en hastier, bij Van der Schueren haisten. 

Uit haast spruit drift, overijling en wanorde; 
vandaar is heisteren in den frieschen tongval sover 
hoop halen, van zijn stel brengen, omhalen, schom- 
melen" ; zie Wassenberghs Idiot; en in het vlaamsch, 
ook met afkapping der h, eisteren, verward wijd 
en zqd rondstrooijen ; zie Schuermans Idiot. ; en 
vandaar ook (als gaande dat veelal met omhalen 
vergezeld) schoonmaken, of, zooals het in Gronin- 
gen beteeken t, reinigen; zie Beckering Vinckers 
E-legie, bl. 41. Elders, t. w. in Noordholland, geldt 
het w. voor srondloopen, of op andere wijze veel 
dinikte maken, zonder een bepaald doel," zie De 
Nav. VI. 361 ; ook uitgelegd door klimmen, klonte- 
ren, wurmen, wroeten, met veel moeite en tegen- 
stribbeling zijn doel bereiken; zie Bonman, De 
Volkst. in Noordh. i. v. Mede bij Höfer is heitzen 
(tochtig) omloopen, en bij Kehrein halzen haastig 
iets doen, overeenkomende met het hoogd. /letren, 
haasten en doen haasten. 

Drift slaat lichtelijk over tot toom; vandaar is 
reeds bij Roquefort haster tergen, boos maken; 
en het eng. fiasty zoowel haastig als oploopend. 
Zie ook vooral het aangevoerde bij Diefenbach, 
II. 507. 

Van dit heisteren vindt men doorheisteren voor 
met onstuimigheid doordringen, doorjagen; Her- 
stelde Uitgelez. Ged. üO. 

— heulen, die H gewisse 

Doorheisteren met anxt en nare beeltenissen, 

Van oproer, moort en wraak — 
En heeft het friesch ontheisterjen, zoowel bedrij- 
vend als onzijdig, voor ontstellen, van zijn stuk 



171 



HEISTEREN. 



172 



brengen of geraken; zie Epkema. En het is dit 
w. 't welk enkele onzer irroegere en latere schrij- 
vers of wel dichters overnamen, in gelijke betee- 
ken is, doch op verschillende wijzen toegepast. Dus 
Vondel, in zijn onberijmden Virgilius, 344 : cT ont- 
heisterde Mezentius drilt vervaerliick zijne spiets. 
En nogmaals 382: Van zulcke razemyen voort hy 
gedreven: 't ontheistert aanzicht is volgloets. Don 
Quichot, I. 31 : hei ifisier van den helmet,, dat 
door hei slaen heel ontheystert was, Aid. 231: 
Scaicho was so niet ontheystert, of hy hoorde al 
de tpoorden, D. II. 82: s^n Sehiliknaep, soo miS' 
noegt en ontheistert ais 't mooglyk was, Aid. 
345: Don Quichot bleef heel verbaest, Sanche 
geweldig ontheisterU Macquet, 'Proeven van Dichtl. 
Letteroeff. I. 194: zijne Bruid^ met gloeiende wan» 
gen, door den rusteloozen nacht ontheisterd, en 
met ongevlogten lokken. Van Ghistele, Teren t. 
Eunuchus, bl. Bvi: 

lek en weet niet weer ick sittej oft etae^ 
Soe ben ick ontheystert, en verbaest, 
Oudaan, Uytbr. over de Psalmen, I. 317: 

— 7 smerts^evoely H geen H bloed om 't hert doet 

koken^ 

't Merg in 't gebeente ontheystert — 
Antonides, Gred. 23: 

Hei aerdrijk wort vcm bosch en wüdertiis berooft^ 

De boom ontwortelt en oniheiBieri van zyn loten, 
Zweerts, Semiramis, 7: 

Doch wy bevonden 't heir des vyants^ na dit 

slagteny 

Door zyn wanorde hoest ontheistert van zyn 

krachten. 
De Verwaande Holl. Fransman, 28: 

Dien beest — 

Heeft ma Kousiney en al haar kleederen heel 

ontheisterd. 
Van Lennep, Marino Faliero, 65: 

— de kieleny zwcuir getevfterd 

En in den kuitsten krijg onttakeld en ontheisterd. 
De tontheisterde kiel*' is hier hetzelfde wat Tol- 
lens, N. Ged. I. 103, het i^ontredderd schip" noemt. 
Bilderdijk vooral maakte van het w. nog al gebruik, 
waartoe de geschiktheid tot het rijm op teisteren 
zeker bijdraagt; Buitenleven, 95: 

Terwijl de ontheis terde aard, in dorre onvnicht- 

baarheidy 

Den ItUsier van heur schoot in 't rouwkleed droef 

beschreit. 
Mengelingen, II. 38: 

Niet anders zuist het vuur dat woud en veld 

ontheistert. 
D. III. 89 



{Het rijk) van aüe kant gepUmderd en ont- 
heisterd. 
Vaderl. Oranjez. 60: 
— 't lijdend Vaderland, zoo gruwzaam wreed 

ontheisterd. 
Floris V, 26: 

Wat bracht ons Wülems val dan onorde en 

verdeeldheid^ 
Waarvan 't onheisterd land nog woest en onb^ 

teeldleU, 
En Kallim. 46: 

— zijn kusty steeds vormloos en ontheisterd. 

Zeer overdrachtig zong Glarisse, Ged. 49: 

Zie kuische min vertrapt — den Godsdiefist 

snood ontheisterd' 

Bij Bilderdijk leverde het ww. de samenstelling, 

Vad. Oranjez. 1 : 't alontheistrend bliksemvier, — 

Bij Antonides treft men de afleiding landontheis- 

teraar aan, Ged. 366 : 

Dan zag Oranje van zijn hoogen zegewagen 

De lantontheistraers in verdiende wraek ver' 

slagen. 

Nagevolgd door Am. Willis, in zijne Opdragt der 

Overgebl. Ged. van Zeeus, 6: 

Terwyl uw strenge tucht aartsfdonderaars en 

fielen 

Als lantontheistraars met de stfxif zit op de hielen, 

Heisteren*, zie Heiselen. 
HeitBteren — Hitsen. 

Kit. heeft verheetsteren en verheitsteren voor heet 
zijn en worden. Van den eersten vorm zijn mij 
bij onze schrijvers geen voorbeelden voorgekomen; 
zij geven aan den tweeden, ofschoon meer naar 't 
hoogduitsch hellende, de voorkeur. DusDeBrune, 
Bancketw. I. 486 : Ghelijck de zonne verheytstert, 
en de lucht schadelick is voor blancke en délecate 
aengezichten . — Waarvan het naamw. ald. 474: 
de schoonste daden^ en die op haren middagh «v^, 
u)erden duyster en zwart^ met de heytsteringh oon 
den tijd. De Brune, d. j., Jok en Ernst, 14: De 
warmte.., maakt ons bruin en verheistert. Moons, 
Sedel. Vermaecksp. 289: 

Den Esél gaet sijn ganck; maerhy f^eefi onder- 
wegen 

Verheystert van de son^ soo grooten dorst gekre- 
gen, enz. 
Men ziet uit deze plaatsen, dat verheiteteretiy in de 
uitspraak ook verheisteren geworden, genomen 
werd voor schroeien of roosten; en bij Weiland 
vindt men dan ook nog inmgeheisterd brood" voor 
ongeroost. 

Het primitief is in het nederl. hitsen of hetseny 
waarvan verhitsen ^n verhetsen voorkommi; Geld. 



173 



HEITSTEREN. 



174 



Yolksalm. 1854, bl. 98: Vouier is vroeg gestorven. 
Hij had tich bij 'i hooien verhitst. — Dit woord 
is a]d. uitgelegd door »bessweet, te spoedig ver- 
koelenden drank gebruikt." Het zegt intusscben 
alleen, zooals men anders zegt ^inwendig sterk 
verhü.'* En bij Rodenburgh, Poètens Borstw. 
248 leest men: 

De toarringh dezes twee is steels mits myn a/- 

wezen 

Verbetst, want alle dwael uyt styf-zinn^ is ghe- 

rezen. 
D.i. verhit, aangeblazen. De Teuthonista heeft in 
' zijn dialect heytete voor v?armte; Huppel heitzen^ 
branden, SchOpf hitzeny heet maken, Halliwell to 
haste^ roosten, en Anton (XIX) het adj. heistem 
voor ibitzig," nederl. hitsig^ meest in overdrachti- 
gen zin gebruikt, zie Weiland. Bredere en Gysb. Ja- 
picz hebben hetsig; zie de Wdbb. van Oudemans 
en Epkema. Voor het nu gewone :i^heete koorts" 
leest men in de Randteek. op den Statenbijbel, 
Dan. 8, vs. 8: Hy is gestorven oen een hitsige 
koortse, — Met weglating van den uitgang heeft De 
Decker daarvoor hits; Rymoeff. I. 132: 

— dat dier zoo hits om op de 'wiecken 

Te zweven van de Faem — 
En ald. 192: 

Dus hits met air zyn hart naer mcusht van munt 

te staen. 

Hélkeren, zie Hulkeren. 
Hengeren— Hengen. 

Het frequent, hengeren komt voor in het Ar- 
chief van Visser en Amersfoordt, IH. 900: inden 
Wynter voer die oploep, doe die knechten laghen 
Toppenhuysen ende int WallenghergOy ende sy 
heengfaerde vast om Sneeck^ enz. — Het w. betee- 
kent zweven, zwerven; zie de Aant. ald. 159, en 
is betzelfde met hengelen; zie dit w. 

Herbergeren— Herbergen. 

Dezen frequentatiefvorm heeft Gassianus, Der Ou- 
der Vader GoUacie, fol 6: dat dat ghemoede van^ 
den ghedachten nyet aenghetast en worden^ dat is 
mmoghelxken. Moer die te herbergheren ofte ver- 
smaden is ékken vlytighen menschen moghelick, — 
Hq kwam mij elders niet voor; wel herbrigen en 
hdierbigen; zie Scböpf. Herbergen heeft Weil. 

Hergeren— Hergen 

Men leest in Maerl. Spieg. Hist. lü. 107 : 
Tien Uden quamen vcm hogen Cyten 
Liede van vreseliker viten, 
Die Bulgren bi namen hielen^ 
Die eume iet m Grieken Heten, 
Sine ergerent wcUdaer es. 



D. i. of zij plunderden het, wat er was. £n 
ald. 130 : 

— (die Sarrasiné) daden pine 
Der stede van Arleblanke, 
Si ergerdent al sterke ende crancke, 
Datsi in Proventsen vonden. 
Elders spelt hij aergeren^ a. w. II. 148: 
Die quam met ongetélden here 
Ende dorreet alsonder were 
Traden ende aergeret of, 
Beede up berch ende int dcU. 
Dit w. is het frequent, van het oude ww. hergen, 
ergen^ dat in gelijken zin van plunderen, rooven, 
verwoesten, voorkomt; zie Herigen. 

Heteren, zie Hateren. 
Heukeren'— Hènken. 

Het frequent, heukeren heeft Goevemeur, Huis- 
vriendi XXL 259: dat het hem niets verschelen 
kon, welk vrouwspersoon hij kreeg, als ze maar 
hield van heukeren en bezuinigen en slag had van 
op te potten, — De zin van dit w. is blijkbaar 
geld besparen, door goed overleg of spaarzame le- 
venswijs. Daaimede komt overeen uitheukerenh\\ 
Ten Kate, IL 676, voordeelshalve waren in het 
klein uitventen. Het hoogd. heeft in dezen laat- 
sten zin höken, hökem, aushöken en (in het ne- 
ders. dialect) aushökeniy ook tUhökem en verfiö- 
kern, hakem, uuthakem, verkakem; bij Schmel- 
ler hugkelny hugknen; eng. tb hawk. 

Over den oorsprong van dit heuken of höken 
wordt verschillend gedacht. Volgens Tiling is het 
»unstreitig" van haken. Onze Ten Kate, t. a. p. 
zoowel als Von Schroid, denken aan oeken, lat. 
augere, goth. aukan, waarvan ook woekeren; doch 
zie Adelung i. v. 

Hiertoe behoort hoeker, hukker (bij Kil.), hoogd. 
höae, höker, hdker, eng. huckstef% hucksterer, iemand 
die waf en in het klein uitvent, een uitventer of 
marskramer, bij Weil. heuker, in Gron. veen krui- 
denier in het klein." Dus leest men bij Baard t, 
Deugdenspoor, 216: 

De Heuckers, en de Koopluy zijn 
Vast aüegaer in eene schijn, 
Spekheuker voor handelaar in spek. Meerman, 
Gom. Vet. 72: soo dat .. *tspek nu al op vijf groot 
was gekomen, Daerom de Speckheuckere siende 
dat Matroos .. heur koopmanschap wel op noch een 
lager merckt mocht brenghen, enz. — Volgens Hal- 
bertsma is in het landfriescb heukerboer een ge- 
ring boertje, en heukerje zich ellendig behelpen; 
zie zijn Overijss. Wdb. op Heuker, In De Honig- 
bi|e, n. 28, leest men: 



476 



HEUKEREN. 



176 



*k Héb laaUt nog iegens hem gereden^ maar heken 
Dat hy 't my te f\& ley^ schoon ik juist geen 

heuker hen. 

Dat moet hier zijn: een achterblijver, t w. in het 

schaatsenrijden. 

Heukeren*— Heugen. 

In Hoofts Ned. Hist. fol. 84fl, leest men: dat de 
Neérlanders... het cover een* andren hoegh zouden 
wenden^ ende^ zat zynes (d. i. van Ai^ou) naa den 
ouwden Heer heukeren. — Weil. vermeldt ditww. 
op Hunkeren^ en in de uitgave van Hooft door de 
drie Hoogleeraars, V. 423, is aangeteekend: ^Heu' 
keren, hetzelfde als hunkeren,** Verwantschap zal 
er tusschen deze wn. wel bestaan; doch heukeren 
kan rechtstreeks worden a%eleid van heugen, bij 
Stürenburg hügen, sterk naar iets verlangen, in 
datzelfde dialect ook kuchten,- hüchten, hüchtem, 
in dergelijke bet, bij Halliwell to /lu^, jeuken naar 
iets, van heug, goth. hugs, oudhd. hugu, middelhd. 
hüge, zin, gemoed, gedachtenis, doch ook verlan- 
gen, begeerte; zie Diefenbach, Vergl. Wtb. U. 575. 
Het subst heug kennen wij in de oude spreek- 
wijs 0oed8 heugens, bij Kil. goeds moeds ; anders 
in goeden heugen; Mone, Uebersicht, 293: 
Nu loet ons leven met hinden gheeste 
ende drinken den wijn al metten keeaten 
ende hlidelic leven in goeden hueghen. 
En in het nog gewone zeggen tegen heug en meug, 
d. i. tegen zin en gehoegen, dat wij nu doorgaans 
toepassen op eten en drinken, doch H welk vroeger 
in *t algemeen werd gebezigd ; Poirters, Het Duyf- 
ken in de Steen rotse, 30: Moetgy aommighe men' 
schen, omdat gyae van doen hebt, tegen heugh en 
meugh incruypenf Sprankhuisen, Greestel. Bal- 
sem, Yoorr. bl. 1 : Hier krijght ghy... een werck, 
dat uyy ghenoegheaem teghens heugh en meugh 
hebben hy de hant genomen. Van Alkemade en 
Van der Schelling, Nederi. Displegtigh. Hl. 2i6: 
maar ook tegen heug en meug... spya en drank 1 3 
zwelgen, Valckoogh, Regel der Duytsche School- 
meesters, 37 : 

— het is veel heter, wie dat ghy zijt. 
Een luttelken te leeren met sin ende appetijt. 
Dan veel din^^ tegen heugen en meugen te wil- 
len lesen, 

Hobberen— Hobben. 

Prof. Bormans vermeldt (in De School- en Let- 
terbode, I 107) hobberen, als (in het truijersch 
dialect) voorkomende, eenigermate in de beteeke- 
nis van boddelen, d. i stommelen (zie dit w.) 
Het prim. zal dan zijn hM)eny heen en wéér be- 
wegen, waarvan ook hobbelen; zie dit. Met den 



vorm ?ioppen, waarbij men aan hopsa denkt, leest 
men het prim. bij Hiel, Nieuwe Liedekens, 69: 
(Zv) drevelen hand in hand 
zoo vrolijk op H zacht gevedel, 
of hoppen door wijk en straal. 

Hodderen— Hotten. 

In het dialect van St. Truijen is hodderen ge- 
bruikelijk voor hutselen, onthutselen ; zie De Schooi- 
en Letterbode, l. 107. Het w. komt overeen met 
het eng. to huddle, dooreenhutselen en wegstom- 
melen, en is van hotten, stoeten, eene stootende 
of schuddende beweging maken, waarvan zie op 
Hoetelen. Het eng. huddled, d. i. verward, luidt 
bij Halliwell hodred. Van dit hotten of hodden is 
mede hoddehek voor stotteraar, welks beteekenis 
duidelijk blijkt uit eenige der volgende pU. Goster, 
Duytsche Academi, 13: dat Demosthenes, hy hem 
geleken, maar een hoddebeck, en Cicero een sta- 
merbout is. Van der Hoeven, De Hovenier door 
Liefde, 47: 

*t Gezelschap van die quibus kan my gansch niet 

vermaaken. 

En vrees, dat ik die hoddehek, met zyn sfame- 

ren, niet ligt quyt zal raaken. 
Rosseau, Aran en Titus, 40: 

ïk sal dien hoddehek so sitten in s^ haar^ enz. 
Focquenbroch, Werken, H. 165: 

Kees hoddehek voert steels, wcuir dat hy is, het 

u)oort. 

Zo dal men niemand dan zyn lompe snapper 

hoort. 
Van Paffenrode, Gled. 155: 

Wat kwelt my desen hoddebek, dese gietleugen ? 
Westerbaen, Ged. H. 264: 

— Met wat een verkens graty 

Begint den hoddebeck het hooft van syn oratyf 
Aid. 306: 

Voorts is *t een lompen guyl, een rechten hod- 
debeck. 
H. van Halmael, De Herstelde Zoon, 8: 

Dat is een slimme BotmuH, en een hoddebek 

zonder verstant. 
En elders; zie Oudemans Wdb. op Bredero, waar 
de eigenlijke beteekenis niet in de eerste plaats is 
aangewezen. Een anderen vorm der samenstelling 
heeft Bormeesters Klucht Zijtje Fobers, 17: Wat 
roert *et jou, hoddebackis! 

Hoederen— Hoeden 

Van Hasselt voert op Kil. i. v. huede {hoede) 
de volgende pi. aan uit Dumbars Anal. II. 263: 
ende der Greve ofte syn erfnamen te huederen in 
desen voorschreven voerwcierden. — Dit frequent 



177 



HOEDEREN. 



178 



zal dan sijn Tan hoeden in den zin van houden, 
xooals men ook in het middelhd. dit ww. bezigde 
iD de uitdr. een eed hoeden; dus Der Nibel. Lied, 
VS. 4599: 
Do spraeh der chunich Gunther: ich avoür 

einen eit... 
und ufü es ftirbaz hüten. — 
Den meer gewonen zin van bewaken heeft het 
frequent bij Schimmei, Verspr. Ged. il6: 
Waar,,. 

Zich de kudde aan H knappend kruid 
Dartiend voedert^ 
Trouw gehoederd 
Door den hond — 
En zoo zou men het w. ook kunnen opvatten in 
deze pi. bij Udemans, Verkeerde WereJt, 285: 
Dewijl ghy dit uw Volck noch koestert ende 

hoedert. 
Het kan echter hier eenen zin hebben, die aan 
bet onmiddellijk voorafgaande Awe8ferf>n nabtjkomt ; 
want bij Strodtmann is huddem het overdekken 
van de kuikens door de hen; bij Schambach hur 
dem hetzelfde, doch ook van menschen gezegd, 
die door drukking elkander verwarmen, en bij 
Tiling hudderken op kuikens zitten, doch ook kin- 
deren met zorg opkweeken. Vandaar in het vlaamsch 
bij Schuermans hoeijeren ikoesteren, langzaam 
warmen," hoeijerpot^ eene stoof, en bij Von Klein 
hutschein^ (spijzen) opwarmen. De beteekenis van 
warmen, die het w. in sommige dialecten heeft 
verkregen, is bijkomstig, en de hoofdzaak altijd het 
bewaken of bewaren, door hoeden aangeduid, dat 
in ieder geval als het primitief is aan te merken. 

HoekerenS zie Oekeren. 
Hoekeren*— Hoeken. . 

Beide vrwn. bezigt het vlaamsch. Hoeken is bij 
Schuermans lin een hoek zitten" en hoekeren >zich 
ophouden," 't welk dan zal willen zeggen : * voort- 
durend in een hoek blijven zitten." fiij De Bo is 
hoekerenj aflioekeren en apioeken als kinderspel 
•iemand in eenen hoek opjagen, om hem daar te 
vangen." 

Hoenderen— Hoenen. 

Een WW. hoendereri leest men in het tooneelstuk 
Maiignetje (Amst. 1t(39) bl. 23: 

— nou die vaetsheydt is ehoendert 
En uyt eveeght, sy gaet nou daer heur Jantje 

hoendert. 
De zin van dit w., uit de aangehaalde regels moei- 
jelijk met zekerheid op te maken, kan zijn broedt, 
zooals Strodtmann huddem heeft voor »het broe- 



den der hennen op kuikens"; of hoenders houdt 
of aankweekt. 

Hokeren— Hokken. 

In het vlaamsch bij De Bo is hokeren «stamelen, 
haperen in *t spreken." Bq Halliwell heeft to hoeker 
dezelfde beteekenis en het primitief is blijkbaar 
hokken^ door Weil. vermeld als uitdrukking bij het 
kaartspel: het hokt^ d. i. blijft steken. Doch ook 
buiten bet kaartspel wordt dat hokken zoo gebe- 
zigd Een plan, eene onderneming hokt^ wanneer 
zij op oneenigheid of andere zwarigheid afstuit. 
Wat wij hik noemen, d. i. volgens Weil. een stoo- 
tende zucht, heet in 't fransch hoquet, waarvan 
het WW. hoquetery hikken; doch Roquefort heeft 
een frequent, hocler^ voor zwarigheden in den weg 
leggen. 

Hokkeren— Hokken. 

Hokkeren is in het westfriesch dialect vzich warm 
kleeden," anders ook hokkelen ; zie dit w. (ie art.) 
Tot het aldaar vermelde huiken r=z hokken behoort 
ook huikeoaken, voor onder de huik en dus hei- 
melijk het een of ander verrichten ; Berkhey, Aka- 
dem. Vertell. I. 9: 

Ook met eenligtekooi in H stille huikefaaken, 

En dus z^n welvcMrf te venaaken. 
Vandaar ook het subst. huikevaak of huikevakery 
huikefakcTy voor een sluiker, geheime kwaaddoe- 
ner; Bredere, Jerolimo, 39: Bedelaers, LandÜoo^ 
pers, Bayert'boeven, Tro^g/jeZ-aac/^en, Huykevaken, 
't zy oudt ofte jongh. Goster, Rijcke Man, 31 : 

Huyse verspiersters^ en veel snoode huyckevaken. 

Die quanzuys tot de luy een loose bootschap 

maken. 
De Gelyke Twelingen, 59: 

Is het die zelfde huikevaak van daatelykf Wel 

slokspek, wie 

Heeft jou gehuurd, om altyd de vreemdelingen 

An te randen? — 
Berkhey, Snerpende Hekelroede, 5: 

Dees Huikefaaker niet te vreén met het gebeente 

Der dorrende Armoe, trapt de zugtende ge- 
meente. 

Daar hy zyn woekrend goud aan schaal en 

reehtroe' hangt. 
Huygens schijnt aan 't woord een vrouwelijken uit- 
gang te geven, Korenbl. I. 595: 

Besteedisters, Heelsters, Huyckefaexe, Dobb^ers. 
Bild. in zijne Aantt. op Huyg. VI. 151, verklaart 
dit door »mantelfeexen." Zeker niet onaardig; 
doch niet genoegzaam gestaafd. Het laatste lid 
der samenstelling huikevaken is mij, wat zijn oor- 
sprong aangaat, niet duidelijk. 



179 



HONDEREN. 



180 



Honderen— Honden. 

Het frequent, treft men aan in Bekker en Dekens 
Econ. Lie4je8, 294: 

Dat habbUn heeft de droes gemcuikf! 
Nooit heeft het my verwondert 

Dat dit een man maar gantach niet smaakt^ 
En H tehuis dan wel eens honclert. 
De beteekenis is gelijk aan die van het ww. fion- 
den^ bij Weil vermeld in de spreekw. het zal er 
honden^ ald. verklaard door »daar zullen stoksla- 
gen vallen.'' Juister gezegd is ?ionden te werk 
gaan als 'tegen een bond, iemand als een hond be- 
handelen. Vandaar bij Halliwell to hound^ en bij 
Stalder hunden^ kwellen, onbarmhartig plagen ; bij 
Anton (XIX) hunzen^ schelden, scherpelijk vei*wij- 
ten ; bij Schöpf hunzen^ hundsen, op eene hondsche 
wijze behandelen. Dus Bara, Het Verslingert Moe- 
kroesje, 6: 

— toy7 luys'ge Marri kijft 

En tiert j en schelmt (sic), en hont — 
Meer gewoon is de spreekw. met het onpers. ww. 
Westerbaen, Ged. I. 11: 

Men sagh 't en was geen deeg en dat het hon- 
den 90UW, 

H. van Halmael, De Gev. Kwaaker, Hl. 35: 

Hoe zal het honden^ kcmt hy die potzen te 

merken! 
Rosseau, Aran en Titus, ü2: 

Ik bender toe gereet al sou H er nog so bonden. 
D. i. ruw toegaan. Zie ook Oudemans Wdb. op 
Bredero; 

In de hoogd. spi*eektaal is verhunzen^ bij Stal- 
der verhunden^ bederven, onbruikbaar maken; Van 
Lennep nam dit over in verhondsen ; Ged. zoo Oude 
als Nieuwe, 212: 

Schoon zich elk op 't zeerst hier toeleg\ 

Zelfs in '« Lands vergaderzaal 
Op het onbeschaamd verknoeien^ 
Ja verhondsen van de taal. 
Quo8 Ego! Hekelrijmen, 26: 

— {ais h^) d' allerkleinsten regel, 
{WcMr gij uw schande in schrijft) bespot^ be- 
schimpt^ verhondst. 
Bilderdijk heeft in deze beteekenis verhondeti; 
Mengel, en Fragm. 85: Zoo heb ik duizenden ver- 
zen zien mishandelen en te niet maken , zoo heb 
ik ze van de dichters zelven zien verhouden (om 
dit oud Hollandsche woord hier een plaats te geven). 
Onze vroegere gemeenzame spreektaal had de 
ttitdr. op een hond zijn of raken voor berooid of 
ongelukkig zijn of worden, op een hond helpen 
voor zoodanig maken; Van Rusting, Werken, 1. 485: 



— Diomeed heeft my zo sirak gewont: 
En had ik H niet ontvlugt^ zo was ik op een boni. 
En had nu (mooglyk) by de dooden al gelegen. 
Ald. 246: 

Wy hoopen niety dat u genade 
Zich uren lang hier op beraden 
Zaly UHxnt dan raken we op een hont. 
BI. 467: 
Der zyn 'er veel van ons gesneuvelt en gewant, 
Maar dus geraken u)e al den bruy wel op een 

hont. 
Dez. De Grehoornde Duvel enz. 64: 

Waar door ge u neeringdan niet langer drynen 

kondt, 
En door u eygen schuit geraakt zqt op een hont. 
Rosseau, Aran en Titus, 20: 

— Het sou my gans niet lyken 
Dat gy om sulken dier geraakten op een hond. 
Van Hovens Ledige Uuren, 117: 

— waaren zy niet weg geweeken^ 
JNooit zou men, zelf tot dezer stondy 
Van Muis, noch Muisgelyken spreeken; 
Wandt alle raakten ze op een hond. 

Van Rusting, Werken, I. 428: 

— hotstotsen helpt hem zeker op een hont; 
En daarom ry dan zo voorzichtig als je hont. 

Dez. De Gehoornde Duvel enz. 66: 
Dtis helpt de vloek wél Heer en Dienaars op 

een hont. 
Zoo verklaart ook Schöpf auf dem hund sein, auf 
dem hund kommen, door »zijn vermogen, krachten 
enz. inboeten, ad nihilum redigi, voornamelijk 
door slecht huishouden achteruitgaan." De ver- 
klaring hiervan ligt niet alleen in hundsig, karige 
armoedig, Jt>ehoeftig, door Schmeller aangevoerd; 
maar vooral in de Opmerking, bij hem voorko- 
mende en gestaafd, dat de genitief hunds in de 
dialecten menigvuldig voorkomt als superlatief voor 
ellendig, ongelukkig enz. ; wat Praschius deed zeg- 
gen : canis est miseriae typus. 

Hongeren, zie Hunkeren. 
Honkeren, zie Hunkeren. 
Hopperen— Hoppen. 

Vlaamsche woorden. Hoppen is hoopen, d. i. 
tot een hoop maken; en hopperen »in hoopjes sa- 
menkomen, fr. se grouper, s^attrouper.** Zie voorts 
Hoppelen, 

Hotteren*— Hotten. 

Hotteren komt voor in onthotteren bij Van Effen, 
Holl. Speet V. 107: 't Is waar, dat Itymeornnens- 
lyk groot voorkwam, en dat ik 'er in den eersten 
opslag al vry wat van onthotterde; niet zo zeer 



181 



HOTTEREN. 



182 



uU schrik enz. En lager: dat myn onthottering 
vry wat bedaarde zo haast ik hem eens ter deeg 
onder de oogen zag. — Het w. komt overeen met 
onthuXsden^ d. i. bedremmelen (zie Hutselen) en is 
wellicht ontleend aan het eng. dat bij Halliwell 
heeft to haUery kwellen, plagen. Het prim. hotten 
ugt eig. stoeten; zie op Uoetelen. 

Hotteren*— Hotten. 

Hotteren is in het vlaamsch schudden, inzonder- 
heid zooals ligchamen van dieren of menschen doen 
van vet Bij Stalder is hottem het schudden van 
een wagen, en bij Yon Klein hotteln wiegelen, 
wankelen. Het primit. hotten heeft Schambach in 
dezelfde beteekenis van wiegen, schudden, anders 
hotzen, waarmede het fr. hocher (waarvan bij Ro- 
quefort hocqueter), het eng. to hotch (bij Halliwell) 
en het nederl. hutsen overeenkomen. Zie voorts 
Hutselen, 

Van hotten heeft Van Rusting voor het schudden 
op een' wagen eene samenstelling gesmeed; Wer- 
ken, I. 428: 

— je moogt wel met myn ivagen ryen: 
Maar op conditie, dat je slimme wegen myen 
Zult :uHmt hotstotsen helpt hem zeker op een honi. 

Meer bekend is hossébossen (eig. hotsébotsen) ; Flo- 
nes Sotte-BoUen, 18: 

— dcU sy f samen hossebossen 

Op Waghens^ Karren en Karossen, 
Sluiter, Buytenl. 35: 

— oZ dat voeren op en neder, 
En 't hossebossen door de Stad» 

Langendijk, €red. I. 446: 

— ryden zy toat hard te post, 
Zo word hy warm gehossebost. 
Berkhey, Akad. Vertell. I. 226: 

Toen zegt men, dat de dart'le Rossen 
Opsprongen onder 't hossebossen 
Van H Bruidje, 
Het neders. zegt httsse^bussee voor eene soort van 
wiegelied; zie Tiling. 

Hnggeren— Huggen. 

Uuggeren is bij Ril. hetzelfde als huiveren; ik 
meen echter . dat de wn. een' verschillenden oor- 
sprong hebben. Huggeren, waaraan Kil. de betee- 
benis van huiveren toekent, is af te leiden van 
huggen, bq denz. Kil. voor nauw toezien :» verou- 
derd" genoemd, doch in het angels, hogian, hugian, 
ook te zwaar denken, beangst zijn; eng. bij Halli- 
well to hug, jeuken, en van koude in zijn bed 
kniipeii (waarvan ook to huggle in dez. bet.), 
welk laatste aan die van huiveren nabijkomt. 
Biertoe behoort het eng. hogge, vrees of kommer; 



in den Teuthonista hugge, naijver, nijd, haat ; an- 
gels. ?u)ga, hogan, zorg, vrees, angst ; waartoe ook 
zal behooren het eng. huge, zeer groot, eig. ver- 
vaarlijk (groot), dat Johnson kwalijk van ons ?wog 
afleidt ; bij Nares luidt dat adj. hugy en hugie, en 
het beantwoordt aan het angels. hugfvU, hogfull, 
d. i. angstvol, vreesachtig. 

Huiveren— Huiven. 

^Huiveren (zegt Bild. Verh. o. d. Gesl 163) is 
van 't schuddende Ata." Een prim. ww. van dit 
hui gemaakt, is mij intusschen in onze taal niet 
bekend. Het zou hui-en moeten luiden, waarvan 
dan met tusschenvoeging der v, huiven, welke v 
met h verwisseld wordt in de frequent, hübem, 
hubberen, van koude trillen, en de adj. huherg, 
hiMerg, hubbrig, huiverachtig bij Störenburg. Een* 
primitiefvorm, die aan huiven beantwoordt, vindt 
men nogtans (behalve in het bij Kil. voorkomende 
kuiven, zie Kuiveren), in het eng. to queeve, bij 
Halliwell trillen, en dat tot huiven staat als het 
eng. to quever of to qudver tot ona huiveren. Met 
de s voorop heeft men het w. schuiven, waarvan 
bij Kil. schoeveren; zie dit w. 

Rodenburgh spelt het w. met eu, Keyser Otto, 
II. 45: 

' — helaey! hoe m^ bloed 

In heuverende angst, mijn laffe hert doet beven. 
En het westvlaamsch zegt hiiveren, volgens het 
Belg. Mus. Yin. 178. 

Opmerking verdient vooreerst het subst huiver 
bij Nolet de Brauwere, Dichtluimen, 70: 

— ik weet niet welk een huiver 

Afv overkomt op 'f zigt alléén van snuif en snuiver. 
6ed. m. 9: 

— den huiver 

Die(n) de aangevuurde koorts der weelde in de 

aadren giet. 
En voorts het gebruik des werkwoords bij Tol- 
lens, N. Ged. II. 12: 

* — Zy dwcUen... 

Door boog en tempelwulft in heilig huivren voort. 
Die het ook onpers gebruikt, Rom. 151 : 

Het huivert hem door merg en been. 
De fig. beteekenis van huiveren is schroomvallig 
zijn, waarbij dus de gemoedsgesteldheid van den- 
gene die huivert op den voorgrond treedt Dus 
(Eerste) Verv. op Wag. IL 110: hoe zeer Staaten 
van Holland hier huiverden, en '«r niets van viel. 
(Tweede) Verv. XIV. 195: Eenxge Staatsieden... 
waren hier in huiverende. — Figuurlijk is het w. 
bq Ten Kate, Dichtw. I. 177: 

De stilte huivert door hun top. 



183 



HUIVEREN. 



184 



D. U. 109 : 

Een koude nevel huiverde in *t verschiet. 
Des. De Psalmen, 1d3: 

Kille doodachrik hoiveii door mijn adren. 
Waarvan huiverigheid voor schroomvalligheid, a. 
w. XII. 20: de huivengheid van zommige Offi' 
eieren omtrent de volvoering dier Afkondiging, 
Aid. XXIIL 318: zy konden niet ontveinzen hun 
schroom en hniverigheid, of mogelyk enz. 

Anders ook huivering; Stuart, Vad. Hist. 1.483: 
den Secretaris^ eenige huivering latende blijken 
om de aftezing te doen. 

Voor ons huiveren zegt hei hoogd. mede schauem^ 
neders. schuren^ doch dezen worden ook gebezigd 
voor sterk hagelen en dei'geltjke; het subst. schauer^ 
lieders. schuur, eng. shower, is »en storm-, regen- 
of onweersbui. En zoo vindt men ook huiveren 
toegepast op den wind, in den Frieschen Volksalm. 
1845, bl. 35: 

De stormwind huiverde over *tdaky 
De hooge toren kraakte. 
Het WW. doorhuiveren ontmoet men bij Ten 
Kate, Dichtw. I. 130: 

Een ademtocht van Eeuwig Leven 
Doorhuiveri m^jn verrukt gemoed. 
S. J. van den Bergb, De Geuzen, 145 : 
— toeti hij sprak doorhuiverde een rilling heel 

de zaal. 
Dez. Heden en Verleden, 24: 
Doorhuivert Aee/ die schaar H betoustz\jn van 

haar schuld. 
Ook tegenhuiveren; ald. 21 : 

— Hgébergt dat d' adem tegenhuivert 
Des Eeuwgen, die de lucht van doffen stikwalm 

zuivert. 

Hulkeren— Hulken. 

Bij De Bo is hulkeren, ook fielkeren, hükeren, 
herkauwen. Het is mij niet gelukt, elders dit w. 
op te sporen of verwanten er van, die licht aan- 
gaande de afleiding geven, dan alleen* het eng. to 
htUk, welks beteekenis zich wel eenigszins in 
overeenstemming laat brengen roet die van het 
vlaamsche frequentatief. To hulk beteekent een 
dier van het ingewand ontdoen, eigenlijk eenig 
voorwei*p ledig of hol maken. Volgens Halliwell 
zegt het WW. ook als mijnwerkersterm eene uit- 
holling maken. Als znw. kennen wij hulk voor 
een schip, zooals Bilderdijks Geslachtl. juist op- 
merkt, zooveel als holk, d. i. fiollig, eng. hidk, 
romp van een schip, angels, htdce, een klein schip, 
doch ook hulcy een hut of stulp, eng. hulk bij 
Sternberg (The Dialect and Folk-Loro of Nort- 



hamptonshire) een stulp, die men tijdelijk opslaat 
voor den schaapherder. 

Zoo wij dus het ww. /iui/cen als primitief mogen 
aannemen, beteekent dit hol of ledig maken, ledi- 
gen, en bij hulkeren ziet dan die werkzaamheid 
op de maag, uit welke het eerst ingeslokte voed- 
sel weder in den bek des diers wordt teruggevoerd, 
en die alzoo hol wordt. De uitdr. holle maag is 
bij ons bekend; de volkstaal heefl er hdwammea 
voor. 

Heikeren, dat De Bo heeft voor herkauwen, zou 
geacht kunnen worden als door wegsmelting der 
l ontsproten uit helkeren ; ik meen echter, dat dit 
w. langs een* anderen weg ontstaan en geen fre- 
quentatief is. Zie De Taal- en Letterbode, V. 
50^1. 

Hulsteren— Hulaen. 

Hulzen is omkleeden, bedekken, van hullen, 
waarvan ook het subst. huize, omkleedsel; dus de 
Statenbijbel, 2 Kon. 4, vs. 42 : groene aren in hare 
hulsen. Van Hasselt, Geld. Maandw. I. 328: dal 
in Tapobrane de syde ook oen de bomen wast . 
want ik voor desen wel 2 off S hulsen, waer de 
natuurlyke syde noch in was... héb bewaerL — - 
Anders is het w. ook wat nu hulst heet, fransch 
houx (houlx), eng. hoUy, steekpalm; Six van 
Ghand. Poösy, 556: 

— de hulse, in weinigh weeken 
GepltüU, van tuinloof, dat voorts cEort, enz. 

Van het ww. hulzen is onbe/iuM, onbedekt; Van 
Hildegaersb. Ged. 34 (naar de variant): 
Soe segtet mi al ombehulst, 
Mc^ u helpen minen roet. 
Die ie can vinden, of m;^n da/et f 
En voorts het frequent, hulsteren, voor verbergen, 
smokkelen, in eene oude keur. Handvesten van 
van Vloardingen, fol. 344: worden sy bevonden, 
dat sy des hulsteren, zoo verbeurden sy drie out 
scilden. — Waarvan ook het eng. hulstered, vw- 
borgen, b v. Rowley, Poems, IV^: 

Plonged to the hulstred bedde of laveynge seas. 
Het angels, heeft heolster, een duistere of verbor- 
gen plaats ; en de adj. heolster, heoUtne, duister. 

Bij Kehrein heeft hiilsen, heleen, nog eene andere 
beteekenis, namelijk van »noten van hare schaal 
ontdoen"; eig. is dit dus on<-/»u/z6n, zooals wij ook 
villen, schHlen, doppen, pellen, zeggen voor ont- 
vellen, ontschillen, ontdoppen en ontpéllen. 

Hunkeren— Hangen 

Dit prim. hungen wordt gestaafd door het goth. 
htmjan^ trachten, streven (naar iets) ; Grimm, 
Gramin. IV. 841, Diefenbach, Vei^L Wtb. II. 584; 



18B 



HUNKKREN. 



186 



h«t zwits. hungen^ van boomen gezacpd, welker 
bloesems door droogte niet uitbotten kunnen, bij 
SuMer; en bet eng. to hanky haken naar iets, bij 
HalliwelU 

Vandaar is hunkeren^ eng. to kanker^ haken of 
Yerlangen naar iets; Smits, Burmans Intreêre- 
dm, 61 : 

— een hoop verhongerde Poëten^ 
Die om der rykendiech, die grage magen voed^ 
Staeg loopen snuffelen en hunkren naer wat eten. 
Dex. Rottestroom, 71 : 

Zeelanda Leeuw^ die uur op uur 
Door de golven word beslredeny 
Hunkert, om zyn natte leden 
Op te droegen hy uw vuur. 
h G. Tengnagel, Yenvoestingh derSt.Naerden, 16: 
H Beiluyt des vollen Raets te brengen den Soldael, 
Die zidtPreni hunckert vast, in ^kouw naer de 

bescheyden. 
Loblink, Yerhandd. 1. 60: die .. naar de saletten en 
spedtafds hunkeren Borger, Leerred. I. 2: te 
bunkeren naar hunnen vaderlijken godsdienst, 
Koopmans, RedoY. en Yerhandd. II. 30: die... buiten 
sijnde, spoedig weder naar de arme stad hunkeren. 
Beets, Stichtel. Uren, III. 343: hy hunkert niet 
naar hetgeen hy niet heefU Yan Gilse, Twaalftal 
Leerred. 46: Eet {gespeende kind) hunkert niet 
meer naar de moederborst Bogaers, GezamenL 
Dichtw. I. 80: 

Het krielde aan Maas en Scheldezoomen. 
Van mannen^ hunkrend naar de zee, 
AJd. L 179: 
Eet (aardrijk) grijnst mij torevlig aan en hunkert 

nctar m^n zweet 
Immeneel, Ged. U. 5: 
{Ey) lonkt hel sehcepsvolk toe, dat hunkert ncMr 

H vertrek 
Heijer, Heemskerk, 176: 
Wat vraagt de dappre meer, die hunkert naar 

den strijd? 
Van Alpben, Dichtw. L 314: 

(leder) Hunkert naar hetgeen hij zien zal. 
Böser, KUroengalmen, 114: 
Slechts stervenden .. 
Die naar een frisschen laaf dronk hunkren. 
Ten Kate, De Psalmen, 509: 

Il Hunker niet naar groote dingen. 
Fokke, Boertige Reis, m. 76: zi)ne bedienden ston- 
den vast te hunkeren, om hetgene wcuirvan hij niet 
genuttigd had, van tafel te dragen, Yervolg op 
Wag. XXXn. 177: onze Kinderen hunkeren, om 
den Vaderlandschen bodem weder te betreden. 
Ookxoiiderbeheersching, voor verlangen in 'tal- 



gemeen; Bekker en Deken, Gom. V^ildschut, III. 
139: dat z{i de zeven vette koejen opaaten, hoewel 
zij zelve zo mager als droog brood bleven staan 
hunkeren. Tollens, Ged. II. 72: 

Moeder, laat de Kindere spelen; 
Zie, zij hunkren, Hij en graag* 

Oulings was de spelling, sooals nog naar de vlaam- 
scbe uitspraak, ook hankeren; Orisandts UeracU- 
tus, 330: als wy hanckeren naer eens anders u>H^ 
varen, soo verliesen wy ghemeenlijck, dat onsghe" 
gheven is. En honkeren; Bloemkrans, 271 : 

Daar werd de mensch een Wolf, en honkert op 

den roof. 
Oudaan, Uytbr. der Ps. II. 188: 

^ het (wichtje) honkert 
Na 'tvochje dat het quyt is. 
De Brune, Bancketw. II. 17: dat haer dienaers 
naer H lijden schijnen te honckeren. Yan Loden- 
steyn, Uytsp. 294: 

Die eyndelose Salighe'en en Wereld 

Die 't honck'rend hert hier soeckt met cdle list, 
F. de Uaes, StichteL Ged. 29: 

Om voor den VorsV het schrift te onttoinden. 

Wiens oor vast honkert naar den zin, 
In dergelijken zin vind ik konkelen bij Yalentijn, 
MTerken van Ovid. I. 161: Hoe! heb ik, om deen 
of ander vink, die gij in darmen had, ais een 
slaaf voor de deur op den drempel sitten honkelen I 

Ëene meer bepaalde beteekenis is die van hei 
tochtig wrenschen der paarden, bij Kil. en De Bo 
vermeld en ook in den Statenbijbel voorkomende; 
zie mijne Handl. Men leest het w. nog in deyen 
zin bij Willink, Amsterd. Buitens. 130: 

Wanneer zijn brieschend ros, gesart 
Tot hunkren, zich al vroeg liet hooren, 

Yoorts die van etenstrek hebben, met den vorm 
hongeren, hoogd. hungem, eng. to hunger. angels. 
hwngrian, goth. huggrjan. Deze vorm komt och-, 
ter ook voor in den zin van verlangen; Yerv. op 
Wag. XLY. 33: Gehongerd hadden de Vorsten op 
de Barbarysche Kust na de Geschenken. Huygens, 
Korenbl. I. 126 : 

Hy hongert na den dagh daer honger uyt moet 

groeyen. 
Helmers, Holl. Natie, 116: 

Aanschouwt dit zeekasteel ! het hongert ominH west, 
'ff Lands overwonnen vlag in H rijk Brazil te 

vesten. 
Evenals dorsten was hongeren oulings onpersoon- 
lijk; Maerlant, Rymbybel, II. 496: 
Hem hongherde, ende si toreven die haer (ko« 

renaren). 
Ende aten vanden eoome aldaer. 



187 



HUMKEREII. 



188 



Zoo ook nog somwijlen in den Statenbijbel; Ps. 
50, T8. 12: Soo my hongerde. Jes. 8, vs. 21: unzn- 
neer hem hongert. Matth. 12, vs. 3: doe hem 
hongerde. Poch Jes. 9, vs. 19: «a< hy doch hon- 
geren. Gap. 49, VS. 10: Sy en sullen niet honge- 
ren. En elders. — Van der Palm behield den on- 
pers, vorm ond. and. Ps. 50 en Matth. 12. Over 
dit gebmik in alle germaansche talen zie men 
Grimms Gramm IV. 231. Merkwaardig zijn de 
voorbeelden, die Grerland, Intens, und Iterat. 34, 
aanvoert ter aanwijzing, dat de gemeenzame taal 
der Duitschers den vorm bij voorkeur bezigt bij 
ligchamelijke verrichtingen of toestanden. 

Niet onpersoonlijk, maar slordig alsof het ww. 
lijdend kon gebezigd worden, heeft Krul, Pamp. 
Wereld, I. 46: 

Na kmg en veel verdriet van pijnlijke plagen^ 

Mei doorenen gekroond^ met geesaelen geelagen... 

€rehongert, en gedorst^ 6 mensch f om onze zond. 
Uithongeren heeft Weil. doch niet in dezen zin, De 
Denker, V. 219: hy uxu uitgehongerd naa voat nieuws. 

Het WW. /ion^ef6roA;/Een is hongerlijden; Oudaan, 
Voorschad. 01: 

De treurigheid van geest leit op kun aangezicht^ 

Van weemoed^ angst, van smert, noch dieper 

ingetrokken. 

Dan in zijn hoüigheid van H lange honger- 

brokken. 
Eene andere samenstelling is hongerlijf, de bena- 
ming van een vrouwenkleedingstuk, anders zieltje 
of keursUjfje geheeten ; zie Berkhey, I^at Hist. van 
Holland, III. 521 en 614 De reden der benaming, 
die de Schr. niet geeft, zal daarin liggen, dat het 
voorwerp zoo nauw om den middel sloot, dat het 
niet toeliet veel te eten. — Het a^j. hongerig wordt 
tot honger verkort; Die Dietsche Doctr. 42: 
Den verdoelden te weghe hulpen; 
Den hongheren den hongher stulpen. 
En 308: 

Dwerckende levenj wüdyt weten, 

Dats den honghere gheven teten. 

Bij Weil. mis ik de afl. hongerloos, waarvan bij 

Van der Palm, Salomo, VI. 8: dat hij,., zijne hon- 

gerloosheid door streeling van den smaak bedriege. 

Het prim. hungen is ook verwant aan hangen; 
zoo is btj Halliwell to hang aankleven; ons hang 
tot iets hebben, hetzelfde als trek of neiging. Van- 
daar hengelen (zie dit w.), en het is in dezen zelf- 
den zin, dat Lulofs hunkeren bezigt; Nederl. 
Spraakk. (2e dr.) Voorb. 11 : het eeuwig hunkeren 
om eigen huis en haard. D. i. het blijven hangen, 
flg« gehecht zijn. Zoo heeft Halma de uitdr. »er- 
gens om de deur hunkeren^ die hij vertolkt door 



«passer et repasser souvent une porte, pour obie- 
nir ce que Ton souhaite.*' Zoo is ook nahunkeren 
aanhangen, navolgen; Jonctijs, Toon. der Jal. II. 
101 : gij zult uitvinden, dat gij van meer zult na- 
gehunkkert werden, dan Bacchus koomt Menaden 
met hem te slepen. — Men vindt mede henen- en 
tegenhunkeren gebezigd; Ten Kate, Dichtw. II. 39 : 

Zij hunkert naar heur zusjen henen. 
Van den Bergh, Fantazij en Leven, 37: 

De redding van zijn jongen^ 
Die, klepprend in hun angst. 

Zijn weêrkomst tegenhunkren. 
De bij Weil vermelde afl. hunkering leest men bij 
Broes, De Kerk en de Staat, IV. ii. 667: de hun- 
kering (fioar een nieuw Huwelijk). 

Uit het aangevoerde volgt, dat Bilderd^k znet 
meer juistheid in zijne Greslachtl. honger afleidde 
van hangen in den zin van haken; dan in zijne 
Verscheid. (II. 145) hunkeren of honkeren van 
jonkeren, d. i. den jonker spelen. Zie ook Hun- 
kelen en Unkeren. 

Hutifceren— Hotten. 

Halma heeft hutteren voor »8tameren, bégayer." 
Het w. schijnt hier of daar bij ons overgewaaid 
van de engelsche kust; want Halliwell heeft to 
hutter voor verwardelijk spreken. Het w. is in 
allen gevalle te wettigen als frequent, van hotten, 
dat stoeten beteekent in meer dan éénen zin; zie 
Hoetelen. Hutteren of hotteren komt dan vrij wel 
overeen met stotteren; zie dit w. 



Uzeren— Uaen. 

Bij Kil. is verijzen ijs worden, bevriezen; De 
Bo (1469) heeft daarvan ijzeren voor bevriezen en 
van koude verstijven, alsmede den versterkten 
vorm ijsteren. Het middelbd. (bij Lexer) kent 
isen voor bevriezen, hoogd. bij Grimm eiszen. Zie 
wqders IJzelen. 

Ikikkeren--IkikkeiL 

De eigenaardigheid van het vlaamsch, volgens 
Hoeufft ook in Zeeland en Noordbraband niet on- 
gewoon, van in het gemeenzaam gesprek het pers. 
voorn, ik bij herhaling te bezigen, en die ook 
Paffenrode bedoelt, als hij Gred. 109 zegt: Kik benne 
kik nog vegterken nog smeyterken, zei den Bra- 
her — gaf aanleiding tot* het frequent ikikkeren, 
in den Holl SpecUtor, V. 33S: aU ik'er (t. w. 
op de kunstverkoopingen) deezen of geenen Ant- 
werpschen Signoor lustig op zyn Brabantsch onder 
hoor ikikkeren. 

Dit w. is te vergelijken met het f ranschefutoyer, 
oul. ook tutayer; het hoogd. dtUzen, bij SchmeUer 



189 



IKKKERE3(. 



190 



imxen^ duhtzen; ererij erezen^ bij denz. iemand 
met er aanspreken; ierznen in het tyroolsch bij 
Schdpf met Jhr aanspreken, enz. 

Innaren— Innen. 

Het WW. innen heeft meer dan ééne beteeken is. 
De meest gewone is die van (geld) inkrijgen, ont- 
vangen; en ik erken, dat deze van ouder dagtee- 
kening is, dan ik vroeger (zie mijne Lat. Verscheid. 
480) meende. Zoo leest men reeds in stukken van 
de jaren 1388 en 1389, Bijdragen tot de Oudheidk. 
en Geschied, van Zeeuwsch-Vlaanderen, door Jans- 
sen en Van DaJe, VI. 375: datte vooraeide scout- 
heeten tvooraeide ghéU uplegghen mochten ende 
beUden {den toeercliden) ende innent voort metten 
tvfiwuden up die ghone diere of in gebreke weeën 
souden., ende innent voort metten viervouden. D. 

IV. 69: dien coat heden ende innen op de stede van 
der Slu%i$ ende op de pereone van der stede. En 
D. VL 168, in een document van 't jaar 1441 : dat 
deken ende vinders vanden vors. amb. machtich 
njn alle de boeten te innene die men verbeurt int 
vors, amb. Zoo ook in Serrures VaderL Museum, 

V. 228, een handvest van 1462: zo sullen dedekin 
ende den gfieswoemen aüe dese vorschreven boeten 
innen ende' byeenJbreng?ien tenoirbore endeproffite 
vander gtdde (d. i. van het gild). Dus ook bij 
Kausler, Denkm&Ier, UI. 72: 

Grade ne sal niet ghedoghen 
Dat hi snevCy moer queeken^ zoghen^ 
Ende den loen doen innen. 
Die gheens zins mctch dinnen. 
Dinnen is dunnen^ d. i. klein, gering worden, ver- 
minderen. 

Onze Rederijkei^ brachten het inzamelen van het 
geld over op andere zaken, als Gonstthoonend Ju- 
weel, 490: 
(dié) nu moghen behertighen endebequamelijck 

innen 
aüe het ttuJitich berechty dat hoer hier is voor- 

gheset. 

D. i. ontvangen, aannemen, t. w. al het leerzaam 

onderricht Springhader aller Kinderen Gods, 143: 

Och! of Godt gaf dat dÜ onreden most wückeny 

Men soude hier woonen als int beloofde Lant : 

Maer soo langh cT onreedlijckheyt boven steeckt 

als brant, 
Sal den Vyant met den sijnen tuier ghenoeghen 

innen. 
Aid. 211: 
isy is een reden CrodtSy Godts wil en welbehaghen^ 
Die ons leert aenroepen en deucht innen. 
Lejdsch Vlaemsch Orangien Lelyhof, 119: 



— yder 
Wüt blijtschap innen 
Mit danckbaer sinnen. 
De Gasteleyn, Konst van Rethor. 133; 

Wilde dieren vrientschap met vrientschap in- 
nen. (*) 
Dus wederom minder figuurlijk, bij Goomhert, 
Wercken, I. fol. 234: de vruchten te verkoopen 
ende de incomsten te manen ende innen. D. II. fol. 
402 veri^-o: dat... de Aelmissen by den Diaconen 
te beter sullen mogen werden gheinnet. Informacie, 
72 : dal zy heurluyder beden ende ommeslagen in- 
nen by eysschen. Hooft, Nederl. Hist. fol. 443: 
Dies wend^ hy *toover een' ander boegh^ en ver- 
zocht slechts twaalf hondertduizent gulden te leene... 
Als dit meede niet gaan unlde, bestond hy weeder 
zelf omslaaghen te raamen, en dicy met geweldig 
te innen. Wagenaar, Vad. Hist. IX 68: onaange- 
zien men, in dit jaar^ veel moeite gehad hadt^ om 
de enkele schatting te innen. Van W^ijn, Nal. op 
Wagenaar, IL 241 : De gaarder moeat^ na verloop 
van iedere maand^ van eiken Persoon of hoofd... 
tuMzalf stuivers innen. Huydecoper, Hekeld. 26: 
Den vrekken RuzOj die onbuigel\ik van zinnen^ 
Op deersten dag der maand zijn interest loopt 

innen, 
En prompt betaalt unl zijn. — 
Nog bij Bilderdijk, Odilde, 123: 

— arbeid, die vernuft en zinnen 
En brein^ en btoed, en merg verteert^ 
Op dat wy *t handvol nooddruft innen, 
H Geen leven^ stand en rang begeert. 
En Nfgaarsbl. H. 139 : 

— Ik huis en goed regeerenf 
Ik weten, hoe het ga met innen of verteeren f 
Uit al deze plaatsen — en men voege daar nog 
de twee bij Van Hasselt op Kil. en de ééne uit 
Hooft bij Weiland aan toe — blijkt duidel^k, dat 
het WW. innen, zoowel vroeger als later, den zin 
had en heeft van inkrijgen, ontvangen, inzamelen, 
inooogsten, hetz^ eigenlijk, hetzij overdrachtelijk. 
De heer Leendertz heeft beweerd, dat ik mij in 
deze meening vergis, en dat innen beteekent »bin- 
nenbrengen*'; zie De Navorscher, D. VIII. 376 en 
volgg. Ik behoef slechts op de zooeven beroepen 
getuigen te wijzen, en te vragen, of de schouts 
het geld op de nalatige schuldenaars moeten ver- 
halen en inbrengen of inkrijgen; of de kosten op 



(*) Deze plaats werd mede aangevoerd In mQae VerBcbekL 
967, docb aldaar min jnlst verklaard door «kerdenken, vergel- 
den." De vergelQklng met andore door mQ aangetroffene uit 
betzelfde tydperk doet zien, dat ook De Gasteleyn bedoeld 
beeft: Inzamelen, Inoogsten, ontvangen. 



1M 



INNEREV. 



loa 



de stad Sluis door denzelfden persoon moeten wor- 
den verhaald en ingebracht of ingekregen; of de 
deken en vinders van het ambacht de verbeurde 
boeten moeten inbrengen of inkrijgen ; of het on- 
derricht door denzelfden persoon moet worden be- 
hartigd en aangebracht of ontvangen; of de vijand 
over de onheilen zijner tegenpartij genoegen zal 
aanbrengen of inoogsien ; of Ruzo den intrest van 
zijn kapitaal, en de Gaarder zijn twaalf Stuivers 
binnenbrengt of binnenkrijgt; ofBilderdijk belijdt 
onbekwaam te zijn tot verteren en geld inbrengen 
of ontvangen, enz. Niemand heeft ooit anders be- 
grepen, dan dat telkens het laatste wordt bedoeld. 
Men raadplege onze voornaamste woordenboeken. 
Bij Kil. is innen colligere, cogere, recipere; bij 
Mellema : recevoir, collector; bij Gasp. van den Ende : 
recevoir, coUiger; bij Gorleva: recevoir peu k peu; 
bij Halma en Van Moock : invorderen ; bij Kramers: 
invorderen en ontvangen, encaisser etc; bij Holtrop: 
invorderen; bij Bomhoff: to gather in, to receive; 
bij Hannot en Van Hoogstraten: invorderen, ont- 
vangen; bij Weiland: invorderen; enz. Altijd en 
overal is innen de daad van dengene die ontvangt, 
nimmer van hem die betaalt; van dengene die 
bifmenkrijgt^ nimmer van hem die binnenbrengt. 
De analogie met uiten van uit moge voor de be- 
teekenis van binnenbrengen pleiten: zij strijdt met 
het volstandig gebruik van bijna vijf eeuwen lang. 

Diezelfde beteekenis blijkt mede uit het zelfst. 
nw« inner j dat voorkomt in den zin van ontvan- 
ger, inzamelaar; Halbertsma, in De Vrije Fries, IX. 
224: molenhui^esy wcuir de inners der bekisting 
van het gemaal in woonden. Zoo reeds in eene 
Ordonnantie van 1620 bij Van Alkemade, Beschr. 
van Briele, U. fol. 205: aoo sal hy gehouden wesen 
den Gegyselde,.. te beialen 'a daege dertig stuivers 
elck... welcke kosten de selve inner wederommesal 
mogen verhalen aende gebrekigen: des sullen de 
Gegyaelde den inner dateliken waerschouwen van 
de gyselingey ende den inner wederomme de ge^ 
brekige. 

Eene enkele maal gaven de Rederijkers aan in- 
nen eenen anderen zin, namelijk van binnengaan 
of binnentreden; dus in de Rotterd. Spelen van 
Sinne, 236, waar (moet men weten) iDuyster 
Verstandt" eene soort van herberg is: 

Hier in duyster verstandt voilt tzamen binnen 

innen. 

En u aldaer met ons dranck en spijs voet 
Deselfde beteekenis kan het w. hebben in Houwaerts 
Lusthof der Maechden, I. 843: 

Als die Griecken uyt waren om Troyen te innen, 
' Hetwelcke daer naer gh^)eurde veel jaeren enz. 



Men heeft hier waarschijnlijk willen vertolken 
het fransche entrer^ lat. intrare, en vandaar, doch 
in bedrijvenden, bij Kil. de beteekenis van invoe- 
ren, inleiden, doen ingaan; eene beteekenis, die 
zooveel mij bekend is, bij onze schrijvers niet 
voorkomt, en op den klank van het woord af 
schijnt aangenomen. 

Noch in den zin van inkrijgen of ontvangen, noch 
in dien van intreden of doen intreden, is innen 
het primitief van inneren; dat moet elders voor- 
den gezocht. Men vindt het in het middel- en 
oudhoogduitsch. Bij Benecke komt innen en er- 
inneny en bij Graff, I. 298^ rnnon, voor in de be- 
teekenis van gedachtig of opmerkzaam zijn, ofzoo- 
als het Wtb. van Benecke te recht zegt: (ich) 
erinne =:; (ich) werde inne. Het middelhd. ver- 
bond namelijk — men zie altijd hetzelfde Wtb. — 
het adverb. mne met verschillende werkwoorden; 
inne werden (met den gen. eines dinges) duidde 
aan gewaarworden, leeren kennen; inne brengen 
(insgelijks met den gen.) gewaar doen worden, 
doen leeren kennen; men zie dit nader gestaafd 
m mijne Verscheid. 265. 

Hetzelfde gebruik van in met een werkwoord 
had, en veelvuldig, bij onze Ouden plaats; zie t. 
a. p. 263—6. Een paar voorbeelden voeg ik daar- 
aan toe. In de eerste plaats van inne worden; 
Lancelot, B. H. vs. 31371: 

{hi) peisde dat hi niet doe 
Sonder sake en peisde soe; 
Der ghelike die coninginne 
Warts bi sire manieren in inne, 
Ende si peisde alsoe houde enz. 
Aid. VS. 36935: 

Die goede man trac cushterward 
Ende werd daer wel doe in inne, 
Dat Lanceloet was uten sinne. 
MaerL Spieg. Hist. U. 245: 

Want hi warts daer bi in inne 
Dat hi neven den duerpel vant 
Crumen liggende int sant, 
Aid. 387: 

Gontymara die coninghinne 
Hort dies mare ende werts in inne, 
Dat haer man es inden lande. 
Horae Belgicae, V. 53: 

Ywe stont ten tinne 
ende wert der ridders in inne. 
D. i. werd gewaar. — Voorts van inne nuüteny dat 
beantwoordt aan het middelhd. inne brengen^ en 
derhalve beteekent gewaar doen worden, indachtig 
maken; Lancelot, B. UI. vs. 11925: 

Her Keyey dat ie u dit make in inne 



403 



INNEREN. 



194 



Dat doet mi di starke minne 
Daer ie om hem af hen geüoen, 
IherlSpieg. Hist. II. 293: 

— berecht mi doch 
Eene dinc, die ie w^ctghe noch^ 
Ende dan salie u maken in iune 
Al dai leü in minen zinne- 
Snellaert, Neder]. Ged. 146: 

Soudic u des maken in inne 
Vander werelt heghinne 
Aid. 152: 

— nu hebdi mi ghemaect inne 
Vander xoerelt yrat heghinne. 
Episodes uit Maerl. Hist. van Troyen (door Dr. 
Verdam), V8. 5754: 

Den coninc maecten sy des in inne, 
Dat hy her Uector hynnen houde. 
Al verder inne doen^ in gelijken zin; Raasler, 
Denkm. III. 55: 

Verstanty ik sol di doen m inne. 
En eindelqk ook van inne zijn of wezen, 't welk 
mij sooniin als inne doen vroeger was voorgeko- 
men; Maerlant, Spieg. Hist. Tweede Paertie, 135: 
So mechtech was hi van sinne, 
DiU hi wilde sijn in inne 
Elke dercgie in elke tale. 
Dat hi den gront mochle kinnpn wale. 
Der Leken Spieghel, U. 326 : 

HelenOy die Reiserinne, 
Woude nu wesen in inne 
V^^aer dat cruce ware ghedaen,, 
Daer Cristus aen hadde ghestaen. 
D. L kennis dragen. Deze verschillende uitdruk- 
kingen hebben bij ons niet, zooals in het hoog- 
duitsch, een ww. innen doen ontstaan, tenzij in 
het dialect van den Teuthonista, die er-t9tnen heeft 
▼oor loeren en vernemen, beteekenissen, welke 
met die van kennis dragen en kennis nemen vrij 
wel overeenkomen. Geen wonder derhalve dat ook 
bet frequent, erinneren of herinneren te onzent 
veel later voorkomt, dan bij onze naburen. Reeds 
bet oude hoogduitsch bezat inneron, zie Graff, 
t a. p. en het middelhoogd. even zoo sich innem 
en geinnem^ een' ander of zich indachtig maken. 
Vandaar dan vervolgens het hoogd. erinnem en 
9ich erinnemj werkwoorden, ten tijde van Hooft 
naar ik meen, ook bij ons in zwang geraakt en 
sedert gebleven. Dat zij daarom germanismen 
zouden zijn, behoeft niet te worden toegegeven. 
Wij hebben, bet is zoo, het primitief innen in den 
bier bedoelden zin niet opgenomen ; de reden daar- 
van ligt vermoedelijk in de omstandigheid, dat dit 
woord bij ons in andere beteekenissen gebruike- 



lijk was, wat in het hoogduitsch geen plaats had; 
doch de wortel des werkwoords, het adverbiale tn 
(d. i. indachtig, inwendig bekend) bezat het mid- 
delnederlandsch evenzeer als het middelhoogduitsch, 
en het vermogen, om zelve daaruit een werkwoord, 
ook in den frequentatieven vorm, af te leiden, zal 
onze taal door niemand betwist worden. De kun- 
dige Ypeij was dus in een goed spoor, toen hij 
zeide: ^{Herinneren) is hetzelfde met het oude 
in inne worden, *t welk eigenlijk te binnen bren- 
gen, indachtig t(;or(i«n beteeken t, hetwelk geschiedt 
in het binnenste van den mensch" enz.; zieBren- 
der k Brandis' Magazijn, II. 282. In het begin der 
achttiende eeuw schreef Sewel in zijne Spraakkunst 
(Amst. 1708) hl. 129, (Derde Druk, 1733, bl. 247), 
dat erinneren, één van >die woorden was, welke 
sommigen niet bevielen"; hij wijst echter ook op 
den voorgang van Vondel, en beweert dat men 
dezen, alhoewel »met bescheidenheid en niet al 
to dikwijls'' mag navolgen. Waaruit bij den Spraak- 
kunstschrijver die schroom veiligheid sproot, blijkt 
niet. Huydecoper deed dan ook wel, met (Pr. II. 
86) te doen opmerken, dat het woord, als bij tal 
van schrijvers, zelfs van vóór Vondels tijd, voor- 
komende, ^zekerlijk'' mag gebruikt worden. 

Minder wellicht gaf echter het gebruik van het 
WW. e}*inneren bij ons aanstoot, dan de beheer- 
sching, die men er naar het hoogduitsche taaieigen 
somwijien aan toekende. Ik heb elders mijne ge- 
dachten over die beheersching ontvouwd (*) en 
behoef dus daarbij niet wederom stil te staan. 
De heeren Leendeiiz en Te Winkel deden mij het 
genoegen, mijne gronden te overwegen, en mq 
hunne bedenkingen niet te onthouden; zie De Na- 
vorscher, t. a. p. en De Taalgids, IV. 7 en volgg. 
De laatstgenoemde Geleerde, van wien het mij be- 
vreemdt, dat hij in de opgave van de gevoelens 
onzer taaikenners aangaande het onderwerp van 
zijn vertoog het getuigenis onbesproken en zelfs 
onvermeld heeft gelaten, door den hoogl. De Vries 
zoo duidelijk als krachtig afgelegd (f), gaf weder- 
om een blijk van scherpzinnigheid, door de oor- 
zaak van de tweederlei beheersching {iemand aan 
iets en zich iels herinneren) te zoeken in een we- 
zenlijk verschil, tusschen deze uitdrukkingen be- 
staande. Ik voor mij zou niet durven aannemen, 

(*) Zie Vensclieidenb 263 en volgg., Nalcz op het Gloss 

van Prof. Lalofs' Handboek, 54, ea Latere Verscbeld 480 Ia 

bet laatstaang. vi 481 wees ik op de verscbilleode beheer - 

scbing van indachtig, dal wy bezigen voor het oude in\ met 

van vindt Dien bet w. by Huygens, Korenbl 1 84S: fFy 

sullen nuükanderen indachligh houden van . alle deter dingen 

gedaente. 

(t) Zie bel Glossarium op Der Leken Spiegbel, o. h. w. 

7 



495 



INNEREN. 



496 



dat zij, die er zich van bedienden, zoo diep heb- 
ben gedacht, en kan, althans van één der aange- 
voerde schrijvers, het tegendeel staven. Dr. Te 
Winkel haalt, bl. 9, van Feith de volgende plaats 
aan, als pleitende voor het gebruik van een* vier- 
den naamval : 

Herinnert ge u, miendin^ wanneer de zon heur 

stralen 

Om H brandend middaguur meer lijnrecht neer 

doet dcdeny 

Hoe we in een koele grot enz. 
Evenwel is er reden om te twijfelen, of de 
taalkundige grond, op welken Feith hier »den vier- 
den naamval" bezigde, bij hem wel zeer vast was ; 
want dezelfde Auteur gebruikte elders herhaaldelijk 
in gelijken zin eene andere beheersching; Oden 
en Ged. (uitg. in kl. 8vo) I. 497: 

Ach ! ieder stille maneschijn 
Herinnert mij aan eedle vrinden, 
Die thans een prooi der wormen zijn. 
D. m. 44: 

Herinner u aan Alba^s woede 

Op wier herdenking 'f hart nog heeft. 
De Eenzaamheid en de Wereld. 150: 

Herinnert ge u aan nog zoo menig stil gesprek. 

Dat ons toen hoeijen kon aan dien vertrouwden 

plek? 
En in de Verlustiging van mijnen Ouderdom zette 
de Dichter, bl. lil, als opschrift: Herinnering 9i2iïï 
het oude Nederland — zoodat, als zijn gezag op 
het taalgebied gelden mag, het eer tegen dan vóór 
de beheersching met den vierden naamval plei- 
ten zou. 

De afwijking intusschen bij onze schrijvers van 
de aloude wijze van beheerschen, die in het hoog- 
duitsch ten aanzien der wwn. innen^ erinnen en 
erinnern plaats had of nog heeft, is volstrekt niet 
bevreemdend. Bij tal van werkwoorden is de be- 
heersching in de verschillende tijdvakken, ja zelfs 
in hetzelfde tijdvak, niet steeds dezelfde. En wat 
ons herinneren, betreft, komt daar nog de omstan- 
digheid bij, dat zijne beheersching met den twee- 
den en derden naamval alleen begrijpelijk was voor 
hen, die het gebruik en de beteekenis der mid- 
delnederl. wn. inne worden, imie maken. enz. had- 
den leeren kennen, en dat het veel meer voor de 
hand lag, het woord af Ie leiden van het bij ons 
niet onbekende innen^ hetwelk zich, met eenigen 
schijn zoo al niet van juistheid, dan toch van re- 
gelmatigheid, door i»inbrengen" liet verklaren. De 
redeneering, die men, naar ik meen, voo«' het eerst 
vermeld vindt in Der Kinderens Uitgez. Analog. 
en Etimolog. Gronden der Ned. Letter- en Taal- 



I 



kunde (1802), bl. 30: tHerinneren^ of liever her- 
innen, van *t voorzetsel tn" — en breedvoerig ont- 
wikkeld vindt in den Konst- en Letterbode, n*. 8 
van 1803, was zoo natuurlijk: herinneren = een 
herhaald herinnen; innen = te binnen brengen; 
dus fiennneren = een herhaald te binnen bren- 
gen, en wel, van de zaak cuin den persoon, en 
geenszins van den persoon aan de zaak. Er ha- 
perde slechts één punt, of liever twee punten: 
men vatte een verkeerd primitief innen bij het 
hoofd en nam dan dit nog in eene verkeerde bc»- 
teekenis. 

De beheersching van den vierden naamval van 
de zaak, bij ons eenmaal gevestigd, .te willen gaan 
weren, zou dwaasheid zijn. Doch men zegge niet, 
dat zij de eenig ware is, en late aan bevoegde 
schrijvers de vrijheid om het oude en eigenlijke 
taalgebruik te volgen. 

Ten aanzien van herinneren zij vooreerst nog 
opgemerkt, dat sommigen — Huydecoper /egt »op 
eene kluchtige wijze" — er een' vi*eemden uitgang 
aan gegeven en erinneeren, hertnneeren, uitge- 
sproken hebben; zie mijn Taalk. Mag. L 48, en 
voeg daarbij nog uit Pels, Mengelzangen, 12: 

Gy moet u erinneren, dat groote Heeren 

Die al te streng zijn, niet zeer lang regeeretu 
Ten andere, dat de door sommigen gebezigde schrijf- 
wijze van errinneren, als allen grond missende, geene 
wederlegging behoeft; zie dus alleen Huydecoper, 
Pr. n. 87 en Ypeij in Brender k firandis* Maga- 
zijn, n. 282. 

Ten slotte, dat het voorvoegsel her van lateren 
tijd is, en almede heeft bijgedragen om het werk- 
woord minder juist op te vatten. Her toch is 
zoowel in uitspraak als in beteekenis sterker dan 
er. Herdoefi is opnieuw doen, en zoo beeft men 
dan ook herinneren opgevat als : op nieuw te bin- 
nen brengen; zie b. v. Lulofs, De Declamatie, "£2. 
Ja zelfs heeft men in erinneren eene verbastering 
willen zien van herinneren; zie Blender A Bran- 
dis' a. w. H. 2ü3. Gelijk ieder het onderscheid zal 
gevoelen tusschen eene weldaad erkennen en ietmtnd 
herkennen, behoorde men te hebben ingezien, dat 
herinneren niet hetzelfde uitdrukt als erinnefren, 
en daarbij gevoeld, dat, in overeenkomst met er- 
kennen, er gepaster prefix is dan her. Gelijk in 
erkennen, ervaren enz. had men er bij ons in er^ 
inneren zeer wel kunnen of liever moeten behou- 
den. Als onze dichters het nog wel eens bezigen 
dan is dit alleen wegens de veramaat, b. v. Bil- 
derdijk, Fingal, L 56: 

Ze erinnert me aan den tijd der lang vervioQen 



191 



TNNISIEN: 



i96 



Dit voorroei^el moge in het nederlandsch niet zoo 
TeelTuldig voorkomen als in het hoogduitsch: wij 
kunnen niel zeggen, dat het onzer tale vreemd is. 
Dr. Te Winke] vergiste zich tweemaal, met bl. 12 
te meenen, dat onze woorden met er slechts vijf 
in getal zijn, en dat men buiten de spreek- 
wijze mijns erachtens het werkwoord er<ichten bij 
onze schrijvers te vergeefs zal zoeken. Wie een- 
maal de voortzetting van het Nedefl. Woordenboek 
tot de aanvangsletters er zal beleven, zal ontdek- 
ken, dat onzö taal veel meer dan vijf werkwoorden 
met dat voorvoegsel bezit, en dat erachten ook 
buiten de genoemde zegswijze wel degelijk voorkomt 



Jakkeren— bakken 

Jakken, een versterkte vorm van jagen, is bij 
Weil. een vlaamsch woord, voor vbet paard met 
de klappende zweep voortjagen." Bij Kehrein is 
jacken snel rijden. Bflen leest het bij ons in De 
Uonigbije, II. 29: 
Een Bruidy die agter aan in een der kluften reed. 
Waar meê men langs het ys aldus al jakkend 

gleed 
Aid. 50: 

— kouw, en stopen vogt. in herberg, op de baan. 
Of in het jakken langs de straten opgedaan. 
Vandaar jakkeren bij Van Beers, Levensbeel- 
den, 124: 

— {die) overendvüeder 
Jagen en jakkren op hun forsche en zwoer- 

trapplende peerden, 
üiiarides, Humor. Rijmelar. 67: 

Vervrolijkt .. door scherts en wijn. 
Zou hij dat kunstje ook eens próbeeren 
En jakkren als de groote heeren, 
üit het voorafgaande blijkt, dat te paard rijden be- 
doeld wordt, doch met het bijdenkbeeld van op 
eena onhandige wijze. Volgens mijn Arch. III. 960, 
is het in Maastricht hard loopen, draven, galop- 
peeren (van paarden en ruiters gezegd) ; bij Muller 
en Weitz jackere. galoppeeren ; bij Vilmar jackem, 
snel rijden; bij Schultze jachtere, met kinderen 
jagende spelen ; Brem. Nieders. Vfih. jaJikern, uut- 
jakkem, uit rijden gaan, een wandelrid doen; bij 
Reinwald jackem, utjackern, slecht rijden, ook 
jdckeln. In algemeene toepassing is jakkeren in 
Zuidbeveland viemand dringend aanzetten om spoe- 
dig iete te doen," volg. N. Ned. Taaimag. II. 224, 
en De Navorscher, XI. 375; en dus leest men bij 
Cremer, in 't Geillustr. Stuiversmag. 1863, I. 69: 
't vlégeli en zingty en 't jakkert en joagt, went 
t'cavend mot Hkloar zin. 



Iemand af jakken is eig. hem doorjakken of jach- 
ten afmatten, en zoo in *t algemeen kwellen of mis- 
handelen. Die beteekenis heeft ook het frequent. 
af jakkeren bij Van Lennep, De Pleegzoon, I. 239: 
dan spijt het mij, dat ik den armen Joan zoo heb 
afgejakkerd. Doch Dickens, Het verlaten Huis, door 
G. M. Mensing, 146 : de kunst van weiden aQakkeren. 

Doorjakkeren behoudt de eigenlijke betoekenis 
van snel doorrijden bij Beets, Gam. Obsc. v,5e dr.), 
333: Fiks doorjakkeren, Gerrit! (zeggen de stu- 
denten tegen den voerman). Zie ook Jachten, 

Jammeren— Jammen 

Adelung merkt op, dat in jammer en jammeren 
de j niet tot den wortel behoort en de vergelij- 
king met andere talen bevestigt dit. Bij Graff. 
I. 598, vindt men als subst. jamar en amar, als 
adj. en adv. jamar, jamarlih, en amer, amerlih, 
en als ww. amaron, ameren. In het middelned. 
was de a niet als nu kort, maar lang; zie Huyd. 
op M Stoke, I. 13. Het prim. dat bij ons jammen 
of jamen zou moeten luiden, vindt men in het 
oudnoordsche emja^ weeklagen, ama, lastig vallen, 
leed 'veroorzaken, het zweedsch ömma, smarten, 
droevig zijn, ömka, klagen. 

De laatst aangeh. vorm wijst op een nederl. ww. 
dat Bilderdijk, Geslachtl II. 10, té recht aan jam- 
meren verwant achtte, t. w. janken, dat door eene 
meer voorkomende letterwisseling etymologisch aan 
jammen gelijk is. Dit janken, waarvan ook het 
frequent, jangelen (zie dit w.), wordt doorgaans 
gezegd van het huilen of kermen van dieren, als 
Vondel, Poézy, I. 13: 

— honden jancken en half doode menschen huilen. 
Beronicius, Boeren- en Overh. Strijd, 11: 

*f Was of ge een ritzen hoop van Katers hoordet 

janken. 
Doch gold vroeger evenzeer, en bij Outzen uitslui- 
tend, van menschen ; Vondel, Toonneel des Mensch. 
Lev. 39: 

Terwijl dat d* eene vast heur voor de gift bedankt, 

Zucht d' ander om zijn loth, treurt, vast, ja 

weent en jankt. 

Dez. Poêzy, I. 322 (overdrachtig) : 

Zijn moet is uitgeleert wanneerze vrijt: 

Zy jankt van hartepijn, of kropt fiaer spijt. 

Hooft, Ned. Hist. fol. 289, in de beschrijving van 

den moord te Naarden: een kryten en kermen, 

zuchten, en janken, om steen en staal te vermurwen. 

Van Lennep, Rom. Werken, XXII. 24: Kinderen, 

die om brood janken. Bl. 176: H gejank van doch" 

ter en meiden. — Vooral janken naar iets; Bero* 

nicius, a. w. 43: 

T 



199 



JAMMEIREiN* 



900 



De woeste Schreeuw^ren^ die naar strijd en jthm- 

dring janken. 
De Denker, III. 63: Zyn hart... jankt rux {de di- 
vertissew enten), ViaercL Redenrrjckb. 377: 
So heeft ons hert gejanckt naer u die schone 

bloeyt. 
Pers, Urania, 155: 

Brand ons hert gelijck een vyer^ 
Dattet janckt, na lang verpoosen^ 
Na de vruchten en haer der. 
Aid. 402: 

— u hlint verstani 
Verlangt en janckt na d'ydelheén, 
BI. 195: 

Want menschen en het Vee 
Na w, ó Vreede! jancken. 
En 220 : 

Soo janck.en u^ naH rechte Vaderland, 
Higt, Ged. 1C6 (van Satyrs) : 

— schoon zij janken naar een aangenaamen buit. 
En 295: 

— dat uw dappre en jeugdige arm 
De kuischheid van *s Lands vrije Maagd bescherm, 
En hem, die naar heur jankt, beschaamd te rug 

doe vlieden., 
H. van Halmael bezigt opjanken ; Wysheid en Zot- 
beid, 48: 

— willen wy weer eens opjanken ? — 
Wil jy weer balken, zal ikje met oot^vygen be- 
danken. 
En Bilderdijk najanken; Zedel. Gispingen, 53: 
Die Duitschland onvermoeid, en dweepziek na 

blijft janken. 
Hiertoe behoort het adj. jankerig; Hilarides, Hu- 
mor. Rijmelar. 62: 
Hij fleemt niet meer, hij lacht noch speelt: 
Is kribbig, jankrig en nog meer. 
Voet bezigt een adj. jammer voor jammerlijk, 
Sticht. Ged. I. 49 : 
't Zyn jammre dwaasheên of regtaarte Satans 

laagen. 
De vorm is bij ons vreemd, doch wei te wettigen 
volgens het boven aangeh. uit het oudhoogd. De 
Dichter heeft het w. wellicht analogisch geacht 
met het adj. wonder. — In den Gysbr. van Aem- 
stel, 62, voegt Vondel janken met zijn frequent, 
bijeen : 
Meh recht met jammeren noch jancken hier 

niet uit. 
Met den langen a-klank van het primitief heeft 
Maerl. hetww. Episodes uit de Hist. van Troyen 
(door Dr. Verdam), C9: 

Sy was dick en bleec ende root^ 



Die tn die sale feeste groot 
Maecten, daden se dicken jameren. 
Het rijmwoord is cameren. Evenwel Vondel heeft 
dus buiten het rijm in Maria Stuart, 42: 

My jamert ziUk een spruit vanvierentwintighjaer. 
D. i. dus onpersoonlijk, en zoo werd jammeren^ 
gelijk veel andere die eenige inwendige gewaar^ 
wording te kennen geven, dikwerf gebezigd; zie 
Weil. en Grimm, Gramm. IV. 231 ; doch ook vaak 
niet, als VSTerken van Feith, X. 106 : 

Hij grijpt hei [kind'] uit den nood, en, met zijn^ 

lastbeladn^ 

Juicht hij zijn veiligheid, ook waar *tnog jam- 
mert, ctan. 
En lager: 

De zuMkke moeder schreit en jammert op een gruf. 
Vondel heeft uüjamnieren (zie Weil.), 't welk men 
ook leest bij Valentijn, Werken van Ovid. IL 84: 
sij... konden niet als een sagt gekris uitjammeren. 
Van Lodensteyn, Uytsp. 220: 

— om 't misbaar .. 
Uyt te jamm'ren nagt en dag. 
Van Kampen, Uitgel. Verh. 384: woorden, die men 
in de eenzame lucht moest uitjammeren. — D. i. be- 
drijvend; doch onzijdig bij Westerman, Gred. IV. 215 : 

{Die Euroop) uit d ontzetbren bloedstroombeurdCy 

Waar 't, uitgejammerd, in verzonk. 

Het middelned. heeft het ww ook met den vorm 
jamberen en het adj. jamberlike; zie Oudemant»' 
Bijdr. i. v. 

De afl. jammeraar heeft Loots, Nag. Ged. 1.29: 
de jammeraars om inkwisitievuren. 

In de verwante dialecten heeft men ook de Tor- 
men jdmsem en jamseln; zie Kebrein en Stalde r. 

Tot janken zal behooren moosjanken of moea- 
janken, bij onze vroegere dichters vrij gewoon; 
Six van Ghand. Poësy, 186: 

Wyl ik in wind, in sneeuw, en zonder maan^ 

Licht moosejank, of voor een spleet zal sUuxn, 

Kleptandende, om myn duif te spreeken oott. 
De Gelyke Twelingen, 21: 

Je loopt te veel jnoeB}SLnken, en je dobbelt ie garen. 
En lager: 

Je moesjankt ook gradg, al ben je nou zo staor- 

tig in Hbruiwu 
En bl. 44:- 

Dat zei je rouwen: dat gaet, recht toe recht cut, 

nae je wyf... 

Die zei je *er veur begroeten, en dat moeejanlcen 

ufel verleeres^ 
De Hovenier door Liefde, 42: 

Ik zal je oude quibus, dat moesjanken wei 6e» 

taald 



201 



JAMMEREN. 



202 



BeUer en Deken, Gorn. Wildschut, V. 223: eerst 
moesjanken {de mannen) ons na, vrijen ons enz. 

Vandaar moosjanker of moesjanker; De Brune, 
Jok en Ernst, 273: dan sol een Mozejanker, om tot 
sijn ffoornemen te komen, zweereny liegen, en ^t 
meisje helooen te trouwen. De Decker, Rymoeff. 
1.906: 

— myne daelderen, die borst en bloed ontvoncken 

Met eenen gloed, een vlam, die vry wat anders 

bJaeckt, 

En hun moesjanckeren wel anders gaende maeckt 
Misschien door eene misstelling lees ik moe^onker 
bij Lublink, Verhandd. 1.59: oude ai geleefde mo^^- 
jonkers, die van de eene partij naar de andere 
mtüen, — Men meent, dat dit w. ontleend is van 
de bonden, die buiten de huisdeur, aan de goot, bij 
Kil. mose, builend staan te wachten op den afval. 
In dien zin is het mij evenwel niet voorgekomen. 
Daar janken evenzeer aanduidt het schreqend en 
en verlangend klagen van menschen, kan bet w. 
dankt mij, rechtstreeks gezegd zijn van den min- 
naar, die heimelijk of verboden aan de beminde 
zijn bof wil maken, en zijn verlangen aan de huis- 
dear op eene klagende wijze te kennen geeft. Zie 
Kil., Plantijn, Weil., HoeufiTts Idiot. en Oudemans' 
Wdb. op Bredero. 

Welk insekt wordt er bedoeld bij Lublink, Thom- 
sons Jaarget. 287: terwyl de moesjonker, een vro- 
lyk insekt, hier, in den zomerzonneschyn, al flod- 
derwi^iende, de rykgekleurde vleugels uitspreidt f 

Van janken hebben Halma en MTeil. ook venu^^ 
tanker, bij hen door bordeelbrok verklaard ; men 
leest het w. bij De Gasteleyn, De Konst van Retho- 
riken, 192: 

Dees Venus-janckers, dees aerme zotkins. 

Int Liefs volghen rumen sy menighe potkins, 

Jeokeren— Jeuken. 

Jeuken, ook joken, luidt in de gemeenzame 
spreektaal jukken en in den Teuthonista joecken; 
het boogd ze^jucken, in H gewone gesprek jücA^^n; 
neders. jöken, platd. bij Danneil jooVn, eng. to yuek, 
bij Halliwell to yuke. 't Woord zegt eene prikke- 
liog ondervinden van meer of mingevoeligenaard. 
Maeriant bezigde het van de kwelling der koorts, 
Spieg. Hist. L 273 (van Herodes) : 

Hi hadde eenen groten rede, 
Entie joocte mede so groot, 
Dat het sceen eene mate doot. 
Een mate dood is een nare of jammerlijke. Eig. 
zegt bet w. arm, schamel, gering ; dus de Bijbel 
nn 1477, Richt. 9, vs. 4: so hoerden si msiid man' 
nen ende vluchtighe. 1 Sam. 2, vs. 8 : Den maten 



u)ect hi uten ghemuüe. En cap. 18, vs. 23: vxmt 
ie bin een arm man ende mate. — Zie wijders 
van dit w. mijne Nal. op Lulofs' Handb. 29 en 
volgg. 

Bij Bredero is jeuken, joken, fig. aangeprikkeld 
zijn tot iets, sterk naar iets verlangen ; Griane, 12 : 

lek gaep, ick snack, ick joock na die gewenschte 

nacht. 
En zoo ook Vervolg op Wagenaar, XVL 378: 
Plundering, hoe zeer veeier handen des jeukten, 
hadt 'er geen plaaU. D. XVH. 370: Het hart,.. 
jookte naa gelegenheden om aan den slag te komen • 
Van Lennep, Marino Faliero, 115: 

— H rusteloos gemeen. 

Dat toomloos holt en woelt, en jookt naarnieu- 

wigheén. 

Vandaar in laatstgen. beteekenis het freq. jeuke- 
ren, bij Oudaan, Poêzy, L 175: 

Zich willig f offeren, met onverschrokken moede. 

Niet wuft, niet reukeloos, niet jeukerend om lof. 
Waarvan gejeuker bij Berkhey, Snerpende Hekel- 
roede, 22: 

't Melaetsche Schurft, door al 't gejeuker en 't 

gekraJb, 

U bynaar schooijen deedt om Haarlems Laz'rus- 

klab. 
In dergelijken zin heeft men het adj. jeukerig of 
jokerig; Van Swaanenburg, De • Vervrol. Momus, 
26 : De Wysheid is zo jeukerig na Overvloei. Tol- 
lens, N. Ged. L48: 

Wel jookrig naar den buit en de eer. 
En Hooft, wederom met andere toepassing, het 
subst jeukering, Ged. fol. 13: 

— weet dat grooter smart noit iemand overquam, 

Dan jeukering van min in leden oudt en stram. 
Later ook gebezigd in het Verv. op Wagenaar, 
XVL 114: de jeukering tot zoodanige démarches, 

Jodderen— Jotten. 

Volgens een .mij verstrekt bericht is jodderen 
in het veluwsch dialect szeker spel met bak- of 
keisteenen." Het spel zal overeenkomst hebben 
met een dergelijk, dat eldei^s met kooten geschiedt. 
Als prim. kan in aanmerking komen jotten, bij 
Epkema het hotten of stooten met den wagen. Ook 
bij Halliwell is tojut werpen, gooijen, en bij Fulda, 
German. Wurzelw. 236, jutsch stoot, beweegkracht. 

Joechteren, zie Juohteren 
Joekeren— Joeken. 

In het Land van Kuik is, volgens De Navorscher, 
IX. 293, joekeren »op een stoel zittende, er voor- 
en achterover mede schokken." Bij Rehrein heeft 
joekeln, juckeln, dezelfde beteekenis en is jukeln 



ao3 



JOEKEREN 



204 



slecht te paard zitten; bij Schambach is jökeln 
zich bewegen zonder vooruit te komen, van rij- 
denden gezegd. Nog nader komt joekeren in vorm 
overeen met het eng. bij Hailiwell to jogger, ook 
to juggle, en in gewoon eng. to joggle, schudden, 
stoeten. 

Het prim. dat joeken of jokken zou kunnen lui- 
den en aan sjokken en schokken, fransch choquer, 
verwant zal zijn, biedt ons mede het eng. to jog, 
bij Hailiwell to jock, schudden, stoeten. 

Jongeren'— Jongen. 

Het freq. verjongeren zoowel als het prim. ver^ 
jongen heeft Plantijn; het eei*ste is, naar ik meen, 
alleen door Bilderdijk gebezigd, Affod. I. iA'l: 
Daar wenscht hy zich verjongerd. En Avond- 
schem. 6 : met den tijd verjongerd. — De beteeke- 
nis des woords is dezelfde als verjongen bij Weil. 
in'thoogd. verjüngen. Dit is zoowel onzijdig, Poot, 
Ged. I. 156: 

De tyt scheen te verjongen. 
Westerb. Ged. I. 317: 

— wyl ick weer verjongh' die f eytiden aessem 

lagh. 
Vervolg op Wagenaar, XLV. 362: *s Grysaards 
kragt scheen te verjongen. Ten Kate, Dichtw. 
V. 44: 

— ons zijn krachten die in eeuwigheid verjongen. 
Als bedrijvend; Het Spoockend Weeuwtje, 40: 
*t Verjonkt u fieel en al. Krook, De triomf. Mede- 
minnaars, 79: 

Uweer te aanschouwen, zal veqongen onze moeder. 
Boddaert, Levensgesch. en Portef. 87: Lagchende 
vreugde verjongde den ouden man, Fokke, Ver- 
zam. der Werken, VI. 121 : Medea, die door een 
kooksel van allerlei jeugdige kruiden den ouden 
Aeson telkens weder verjongt. — ' En wederkeerig; 
Van Oosterzee, Mozes, 160: het hart, dat nog bid" 
den kan, verjongt zich. — Voor verjongen bezigt 
Berkhey herjongen. Oud Holl. Vriendschap, 5: 
Wijl ik, alreé gegrijst, in 't afgaan mijner dagen, 
Herjong, nu ik aan u mijn lofspraak op mag 

dragen. 
Vreemd van vorm is het w. verjongelijken, bij De 
Brune, Bancketw. H. 370: een quaed, dat noch 
eenigsins genezelick is, al waert maer door den 
ouderdom: daer de gierigheyd, door den ouderdom 
verjongelickt, en stercker wert. — 't Woord is ge- 
smeed naar het bekende verouwelijken, en alzoo 
te verkiezen boven verjongelingen, gelijk Plantijn 
heeft. De oudste vorm van bet w. was zonder 
voorzetsel ; oudhd. jungian, middelhd. jungen, zoo- 
wel jong maken als jong worden, beteekenissen. 



later door jungen en jüngen onderscheiden. Zie 
voorbb. van beiden bij Staldei, Schweiz. Dialekiol. 
180. 

Jongeren*— Jongen. 

In bet Alg. VI. Idiot. is jongeren jongen krij- 
gen (b. v. van konijnen gezegd). Het w. is niet 
nieuw; want ook Scbmel Iers Gimbr. Wörterb. heeft 
jüngam, jongen werpen. Het prim. heeft Weil. 

Jonkeren—Jonken. 

Jonken is hetzelfde als janken, jenken (zie op 
Jammeren), anders ook tjonken, een geluid maken, 
inzonderheid van honden, doch ook van andere 
dieren en van menschen gezegd ; zie op Tjonkerefu 
Vandaar jonkeren, »kermen gelijk jonge hondjes*' ; 
Alg. VI. Idiot. 

Jouweren— Jouwen. 

Men leest in de Honigbije, VI. 90: 
— schoon zyn laffe styl en kreuple Poêzy 
Wordt uitgejouwert door de jongens langs de 

straten. 
Blijkbaar het frequent, van uitjouwen, in gelijken 
zin bekend; Van den Berg, Proeven van GeesteL 
Oden, II. 28 : 

Zie, hoe onmenschelijk, hoe wreed. 
En jood en onjood^ in zijn leed. 
Hem zelfs noch uit kan jouwen! 
Hiervan in het Verv. op Wag. XXVI 374: dat 
onze in de daad schoone Taal voor die uitjouwin- 
gen beveiligd blyft. — Den wortel jouw als znw. 
beeft Oudemans* Wdb. op Bredere. — Een voorb. 
van najouwen zie men op Joedelen. 

Juohteren— Juiohten. 

Juichten, dat Kil. beeft, is een versterkte vorm 
van ons gewone juichen; zie dat woord. Men 
leest in MoUs Joh. Brugman, II. 332: se ioochlen, 
se riepen: cruusten, cruusten! — Dit iooehten kan 
een sterk imp. van juichten zijn, voor joelend 
schreeuwen; of ook een zwak van joochen^joecheny 
een bijvorm v«n juichen. 

Het WW. juchtern, bij Schambach juichen, jabe- 
len, komt ook in sommige onzer dialecten voor. 
Lulofs zegt Reis naar Hamb. I. 433, dat juchteren 
is vroolijk gedruisch maken ; in Halbertsma's Wdb. 
van het O ver ijs. is joechteren uitgelaten vroolijk 
zijn, wild stoetjen, geen maat in luidruchtigheid 
kennen, waarvan ook joechterig en gejoechtcr ; 
komende deze laatste beteeken is overeen met jucA- 
teren, stoeijen, zie De Nederl. Taal, I. i99; «n 
juchtern, jachtem »8ich spielend herumtummeln^* 
in het oldenburgsch ; zie Herrigs Archiv, VUT. 350. 
Men zie ook Jogehelen en Juichten, 



205 



JUITEREN. 



206 



Juitereu— Juitea. • 

Kil. beeft jutten, 't welk hij verklaaH door jutc^- 
ten (L ;iiie/ien), jubelen, luide en vroolijk schreeu- 
wen; bij Plantijn »roepen van blijdschap *' Voorts 
/m't, gejubel, bij Van Mander van de vogels gezegd, 
Gulden Harpe, 206 : 

Den Meytijdt is voot* duere^ 
Die Tortelduyve puere^ 
Au ter ure, hoort men overluyt 
In on» landt y al vol juit 
En bl. 581 : 
Beghen en winter ruyt 
h al vergaeny vol juit 

Hoortmen nu het gheluydt der Tortelduif play- 

sant 
En jviiingy in dezelfde beteekenis, bij Plantijn 
igekrijsch van blijschap," waarvan bq Six van 
Ghand. juitingjcMr en juitingtij (jubeljaar en ju- 
belgetijde), Poêsy, 388: 

Ik Hreek se, met de staart van Hjaar, 
In 't juitingl^aar, op heeschen snaar, 
In wintermetan d, om tydverdryf, 
Enbl. 569: 

Roem u dan saaligh, borgery, 
Zoo bloeijendey in een jnitinghty : 
Waar overheen, als sonnesciiyn, 
Gerechtigh, en milddaadigh zyn. 
Vandaar juiteren^ bij onze schrijvers herhaaldelijk 
voorkomende; Ck>ster, Isabella, 60: 
— en my verheughen kan met juytren, dansen, 

springhen, 
Bredero, Bron der Minnen, 60: 
Het Purpur-root verschoot, den droom-God yling 

susten 
Al ju y terend m sloep. — 

Hier ziet het w. op het vroolijk zingen der vogels. 
Dez. heeft injuiteren. Stommen Ridder, 40: 
O Sapho, u ghedicht dat wispelt in myn sin. 
En H juytert my de galm van desen inhout in. 
Epkema op Jap. 483, leest hier tjuytert; hoewel 
de uitgaven van 1622 en 1644 beide 'tjuytert heb- 
ben, kan de eerste lezing, wellicht naar een an- 
deren druk, bestaan, want ook elders vindt men 
het WW. met voorvoeging der t; Vondel, Pascha, 39: 
Oft schoon 't unldt vogelken met lust 
In Hkorfken, tierreliert en fluytert 
En in de traly f wyl het tjuytert 
Verdient 't gekochte la^dt gerust. 
Is. de Vos, leraant en Niemant, 64: 
Daer was sulcken getjuter, en sulcken gesang, 

wat, men dansten 'er op soolen. 
En ook Gysb. Jap. heeft van het pluimgedierte, 
Ged. I. 207: 



Dear 't tuereljuerck tjylp'-tjoyt'ret twissche 

heamt'. 

In plaats van het zoo even vermelde getjuter 
heeft Oudaan getjeuter, Agrippa, 77: Muzijkanten.. 
tegenzingende, en meezingende, aller vogelen ge- 
tjeuter te hoven gaande. — Inzonderheid van de 
zwaluwen gezegd; dez. Roomsche Mogenth. 162: 
dat het (speeltuig) het getjeuter der zwaluwen 
nahoofse. Doch wederom ald. 485 in 't algemeen: 
't gekir, 't getjeuter, en 't eeten van de Vogelen. 
(De Woordenl. der leidsche Maatsch. heefl kwa- 
lijk: het getjenter der zu)aluwen.) Het w. moet 
nog in gebruik zijn, want Lulofs zegt, Eene Hand- 
vol Hulstbladen, 33: onze zwaluwen tjeuteren. 

Oudaan eindelijk heeft het ww. uittjeuleren 
voor uitgalmen, uitzingen, Agrippa, 32: alle gedich- 
ten der Poëten zijn vol van verzierselen .. tot ver- 
maak der zotten uitgetjeuteii. 

Dat tjuiteren of tjeuteren inderdaad van juiteren 
is, met voorvoeging der t, zal na inzage van het 
aangevoerde niet twijfelachtig zijn, en de plaatsing 
van het eerste w op het laatste door den heer Van 
den Helm niet langer «min juist" geoordeeld wor- 
den; zie des kundigen Schrijvers Proeven van 
Woordgronding, I. 109. 



Eabasseren— EabasBen. 

Dit frequent, heeft Tuinmans Fakkel, I 160, 
met aanhaling dezer plaats: Hy (Judas) plachden 
thienden penninck te steelen, 't welck men nu noemt 
eabasseren. En ook bl. 317 vermeldt hij het als 
een woord, dat de «Christenen aan de Smousen 
behooren te laten." 

Het prim. kabassen is meer bekend; zooals ook 
't fransche cabasser, dat nu wel bedriegen, strik- 
ken spannen, beteekent, doch bij Roquefort nog 
den zin heeft van verbergen, heimelijk stelen. De 
eig. zin is oppakken, bijeenpakken, t. w. in zijn 
kabas, d. i. korf, draagmand, welk subst. van het 
spaansch capazo ontleend is, dat hetzelfde betee- 
kent; zie Bild. Aantt. op Hooft, III. 188, en Sche- 
ler, Dict. d'Etym. Dus Huyg. Korenbl. I. 564 (van 
den opschik eener boerin): 

In 't end quam de Gabas, of, als ick 't wel ver- 
telden, 

't Bruynhoiiten Emmertje met spykertjes verguldt. 
't Woord komt nog bij Bilderdijk voor. zie mijne 
Proeve, 145. Het ww. leest men bij Marnix, Biën- 
korf, 231 verso: middelen., om ghelt ende goet 
by pen te cabassen. Bl. 232 : dewijle hy also goede 
middelen vinden conde, om ghelt te cabassen. El- 
penor, 8 : 



907 



KABASSEREN. 



208 



De Mantels^ die ick hadt gister Avant gekabast, 
Die staen in Jan Ooms huys voor aeatig gulde vast, 
Rodenb. Vrou Jacoba, Opdr.: veel-voudigtie bekom- 
mernissen in wichtigfier hedryven^ de herssenen 
vermoeyt hebbende, behendigh steéls-wijs tijt ka- 
basten, om te verpoosen enz. — Zie ook *t Wdb. 
des Inst. op Hooft. 

Eadijsteren, zie Eijsteren. 
Eadodderen— Eadodden. 

In de Koddige Opschriften enz. III. 10, leest men : 
Hier woont een Man 
Die voel zuipen en cadoddren kan. 
Ik erken, dit w. niet te kunnen verklaren; ook al 
verneem ik uit De Taalgids, \I. 309, dat in de 
waterlandsche volkstaal kadodder beteekent »jonge 
spreeuw, die nog geen veeren beeft." Als het w. 
één is, zooals het wel schijnt, met het vlaam- 
sche kadotteren^ dat De Bo heeft, dan heeft men 
keur van beteekenissen ; want dit geldt voor sterk 
daveren, schudden, op een stoel heen en weder 
wiegen, koesteren, troetelen, afrossen. In het aan- 
geh. rijmpje laat het w. verschillende opvattingen 
toe, of liever is de ware opvatting niet licht op te 
maken. Ka als aanlassching beschouwende, heeft 
men te denken aan ééne der beteekenissen van 
dotteren of dodderen. Zie dezen en ook Talteren. 

Eageren— Kagen. 

Dit frequent, is in den Teuthonista hetzelfde als 
bageren^ d. i. pogchen, zwetsen ; zie Bageren^. Dit 
kan zijn door bloote letterwisseling. Anders is 
kagen als prim. te verklaren door het hamb. kagen^ 
hoesten en snuiven te gelijk, waartoe het sile;. 
kdfern, kdwern en nagen, zwetsen, snappen, behoo- 
ren, zie Weinhold. Ook Toblers kafla^ zwetseo, 
snappen, zal hieraan verwant zijn. 

KalfiGtteren— Ealfaten. 

Kil. kende het frequent, nog niet. Men vindt 
het bij Vondel, Horat. Lierz. 1: De Koopman.,. 
kalfatert zijn lekke kiel. Antonides, Ged. 457: 
Flux maeckt hy tuich en takel klaer^ 

Kalfatert sloep en kiel om d* armoede af te wijzen, 
Koolaart, Naagei. Ged. 7: 

Zo noest kalf utren de scheepsliên H schdloos boord, 
Ogier, De Saven Hooftsonden, 114: 

— /c€, wilt hem sijn hooft wat helpen calle- 

faeteren. 
Doch ook kalf aten was in gebruik; Erasmus, Golloq. 
Famil. 221 : mijn schuyt nu van ouderdom verrot 
ende gecalfaet zijnde. Houwaert, Lusth. der Maech- 
den, I. 659: 

U schepen héb ick (dwaes sijnde) doen kalefaten, 

Door u bevel, daer ghy met wech zijt ghereyst. 



Zooals nog bij Tollens, N. Ged. I. 128: 

Z^' boegen *t vaartuig op: herstellen en kalfaten, 

En breken af van * thuis, wat aan de schuil mag 

baten. 
En Bilderdijk, Sprokkelingen, 37: 

Ach! heb ik-zelve uw kiel, in H gdfslaan half 

bezweken, 
{Onnoozle! met mijn hand niet zélve!) ge- 

kalfaat ? 
Het fransch zegt voor onze beide vormen: calf ti- 
ter en calefeutrer. Het w. is verschillend afgeleid. 
Becanus beuzelde, dat het kwam van a/ en va^en 
eig. was de laatste of geheele hand aan 't schip 
leggen (Op. II. Heimathena, fol. 74) en Kil. nam 
dat in erast over. Anderen dachten aan het fr. 
cale, kiel ; zie WeiL en Bild. Aantt. op Anton. m. 
17. De ware afleiding is van het arab. qalafa, 
dat dezelfde beteekenis heeft; zie Roquefort, Sche- 
ler, en Diez, Etym. Wtb. I. 99. 

Keizer Michael Cktlaphates had van dit w. den 
naam, omdat (zooals ik aangeteekend vind) »zijn 
vader een schipslapper geweest was." Omgekeerd 
zegt Tuinman, dat het ww. van den scheepstim- 
merman afkwam, wiens werk in 't bijzonder was 
>de schepen dicht te maken, door de reten te stop- 
pen." 't Is er meé, als met den naam van den 
vermaarden Paracelsus BombastuSi van wien som- 
migen het w. bombast hebben afgeleid; terwijl an- 
deren, naar 't mij voorkomt met meer recht, van 
dit den eigennaam hebben doen afkomen; zie mijn 
Taalk Mag. III. 442. 

Kalveren'—Ealven. 

Bij Benecke is kalben een kalf werpen. Het 
hoogd. zegt daarvoor niet alleen kalben^ bij Scham- 
bach kalu)en, eng. to calve, angels, calfian; maar 
ook kalbem, bij Schmeller kelJbem, bij Lexer en 
Schöpf ook kalbHen, en bij Schmeller, Gimbr. Wtb. 
kalbeln. Bij ons is (naar ik meen) het gewone w. 
kcUven, dat ook in het middelned. voorkomt; 
Maerl. Spieg. Hist. Tweede Paertie, 47: 
Dat men brachte ter offeranden 
Ene coe, die calvede een lam. 
Hoewel reeds Kil. mede kalveren heeft. Men leest 
dit frequent, in Van Swaanenburg, Arleq. Distel. iO: 
de biest, en het eerste stremzel.. van myn kalve- 
rende Koe, Gotthelf, Lief en leed uit het Leven 
van een Schoolm. (Amst. 1850), 1. 146: koaijen 
die niet meer kalveren wilden. Da Gosta, Kompl. 
Dichtw. III. 254: 

De beemden kalverden, de bosschen wierpen 

jongen, (*) 

i*) Met eene werkwaardige overeeokoiiist leest men b| 
Teo Kate, Dichtw. V. 96: 



309 



KALVEREN. 



210 



Kalveren (zegl Weü.) is ook »ka1f maken, op 
Me overgeveD, braken." Bij Bei*nd en Kehrein is 
dat kalbemy ki^bem. Het prim. ww. in dezen zin 
heeft de Toetsteen van de Werelt, 159: De oogen 
draeyden in H hooft... de spraeck onthrack hem, 
ende eyndd^jck begon hy te kalven. Pe Honigbijen 
IV. 7: 

Bat *s moer een ongeluk^ het kalven van dien Heer. 
Bredero, Moortje, 82: 

— ''t ie jammer dat hlaeuw Aeght 

Soo vreeeUick van de kouw is alle Jaer» ghe- 

plaeghty 

Helften iijdt kalftse an haer hangden en heur 

wanghen ; 

'f Is vreemi dai an haer neus geen groote spij- 

ckers hangen, 

Soo kouwt-vorstigh isse — 
Ik versta hier niet met mijn vriend Oudemans 
HÜkke klonters of virinterz^ellingen krijgen," maar 
het ontlasten van de stof, in die zwelling voor- 
handen: een metafoor van denzelfden trant, als 
ten aanzien van den neus in de volgende regels ge- 
bezigd is. Door welke beeldspraak overigens kdU 
ven of kalveren voor braken gezegd wordt, leert 
de Boertige Klucht van de Saus (Amst 1679), 5: 

— 7 minste dat ick dronck een pont toas of 

een half, 

Soo dat iek twangerde en baerde wort een kalf. 

Hetgeen ick na de Marckt vergeten heb te stuuren. 
Voor dit een kalf baren zegt Ma mix een kalf leg- 
gen, Biênkorf, 216 verso: Hy mochte wel so seer 
walghen, dat hy een*calf soude legghen, ende dan 
soude de lieve Godt wt de maghe moeten ruymen. 
iDsgelqks bij Erasmus, Colloq. Famil. 37: als hy 
dan 's nachts . droncken f huys komt, gaet hy .. 
leggen roncken, al te met leyt hy noch het kalf 
in 't bed. — In het neders. heet het een kalf an- 
binden; zie Tiling en Stürenburg. 

Bij Focquenbroch vindt men A^iZver&ra^n, Wer- 
ken, n. 383: 

— wyl ik vast lach 
Om dat bezukte kal verbraken. 
Daar ge in uw brief van maakt gewag. 

Een klein briefje, ook steekbriefje geheeten, 



De velden kalverden, de bottchen wierpen jongen. 
Merkwaardig TooraU omdat de plaats bU Mllton, waarvan de 
regel eene vertaling ts, zeer ongetrouw Is gevolgd: Thegratsy 
dodt now CQlv% d. i. looals Relsig overzette: De begraasde 
Uonp baarde. Ook Delllle was aanwkeurfger: 

C^af^e soi est féeond, et cbaqne globe entente. 
Zoowei als Oe Gbateaubriand: Tant^ les mottee de gazon 
mettent bes une génisse Het denkbeeld van onze DIcbters 
oa de grasklalt In velden, I>eemden en l)08scben te veran- 
tena, mag niet gelokklg beeten. 



heette een kal f ken; Goomherts Wercken, I. fol. 
554 verso: In een kalfken was noch een vraghe^ 
of enz. — Vanwaar die benaming ? 

Kalveren*— Kalven. 

Beide wn. heeft het Idiot. van Schueimans voor 
ihet afvallen van aarde, zand of iets anders, dat 
los op een gestapeld is," juister gezegd: het af- 
brokkelen van kalk of andere stof aan een muur, 
aardlioop of dergelijke. Onze schrijvers hebben 
daarvoor uükalven; Berkhey, Nat. Hist van Hol- 
land, II. 569: een schuine wal, die het uitkalven 
van H Veen belet. Nieuwe Honigbije, III. 149: 

De onthutste Wier kan zulk een kracht van wind 

niet doorstaen, 

En de uitgekalfde zak zal hoest in wielen door* 

gaen. 
Van Merken, Germanicus, 180: 

— Als een noordweste wind 

Het meimat tegen *tbed van deeze stof doet 

spoelen. 

Word straks het veen doorweekt^ en slaat allengs 

aan 't woelen 

En kalft inwendig uit door 't kabblen van den 

vloed. 
Aid. 302: 

De uitkalvende oevergrond ontzinkt hen onver- 
wacht. 
Immerzeel, Ged. II. 74: 

Op molmend hout en brokkelend arduin... 

Ontdekt het oog, na tienmaal zeven jaren. 

Slechts schimlig graauw bij 't uitgekalfde puin. 
Lublink, Thoms. Jaarg. 27: den uitgekalfden oever. 

Het frequent, kalveren heeft Stürenburg voor 
>het achtereenvolgens instorten van eenen oever- 
rand," en zulk een ingestorte plek heet bij hem kalv. 

Schuermans zegt, dat in andere streken voor 
kalven gezegd wordt af kalken, en dit vindt men 
dan ook in de Woordenbb. van Bomhoff en Kra- 
mers voor »van kalk ontbloot worden.'" Als men 
aanneemt, dat de uitdr. oorspronkelijk gezegd is 
van het afvallen van muurkalk, en zoo toegepast 
op andere stoffen, komt men tot de gedachte dat 
kalven eene verbastering is van kalken {voor ont- 
kalken). Vergelijk intusschen de gissingen in het 
Wdb. der Ned. Taal, op Afkalven. 

Voor uitkalven zeide men ook uitkauwen ; FoT' 
jeere, Zangl. Uitsp. 194: 

Dra tberden dijk en dam doorweekt en uit ge- 

kaauwd. 
Aid. 212: 

Gindsch is het dak gevild — naa«< ui tgekaauwde 

wallen. 



211 



KAMPEREN. 



212 



S[amp6ren— Kampen. 

Het frequent, kamperen komt, volgens De Bo, in 
het vlaamsch voor en beteekent den knikker zoo- 
danig tegen den munr werpen, dat hij daartegen 
afstuit, wat in het fr. hricoler heet. Blijkbaar 
18 hiermede hetzelfde bedoeld, wat door scham- 
peren en schampélen in den eigenlijken zin dezer 
wn. wordt aangeduid ; zie Schamperen^ en Scham- 
pelen. 

Bij het even aanraken der voorwerpen, bij het 
daar slechts langs gaan, is de mate van het treffen 
onzeker. Vandaar is kampeVjk gevaarlijk, hagche- 
lijk ; Ferguut, vs. 43<0 : 

dat es mi van herten leet^ 
dat u so campeliken steet. 
Bredero, Het daget enz. 43: 

Een Vroome Soldenier sijn Vaendel niet verlaetj 

Als t op een krap^ of kampeiijcken stoet. 
Bij Kil. luidt dit w. kamperlijck; dus Hooft, Ta- 
citus, fol. 501): Nooit^ zeeker, quam H'er meer o)f> 
aan in Britannié, oft stondt /iet daar kamperlyker. 
De Decker, Rijiuoeff. I. 123: 

{Dat) met zyn steviyheit Vrou Spraeckkonst hiel 

oen *tgaen^ 

Die waerlyck tonder dat heel kamperlyck zou 

staen. 
Ook zonder den uitgang lijk; ald. i06: 

Hoef staen uw* deugden dan zoo kamper op haer' 

koten^ 

Dat haer een^ hand vol gouds zou weten om te 

stoot en f 
De uitgang er wordt met ei verwisseld; Jonctijs, 
Tooneel der Jal. I. 455: Geen plcuits dan daar de 
kuisheid zo kampel, en in zuiken gevaar staat om 
overweldigt te wet^den^ dan even deze schouwhuizen, 
Valentijn, Werken van Ovidius, I. (K): Indien gij 
doen met haar gekomen waart tot keur^ 't had 
met Venus prijs kampel afgelopen BI. 84 : Schoon 
V kampel is of ik u van ge: 'ksal u wis grijpen. 
En 134: KoriuuOy waagt in 't toekomende soo kam- 
pelen gevegt nooit meer. 

Het middelhd. kampflich^ kempfUchy is van deze 
wn. onderscheiden; bet beteekent tot den strijd 
behoorende, of daartoe bereid; zie Benecke. 

In kampen en kamperen vindt men schampen 
en schamperen van hunne s ontdaan. Zoo is het 
boven vermelde kampelijk hetzelfde wat schamfe- 
lijk heet bij De Harduyn, Goddel. Lofsanghen, 156 : 

Het gheen' de Weerelt selfs heur Vrte»i«/en kan 

gheghev€n<, 

Op eenen aerden bol seer schamffeLjck cU staet. 

KaoLteren— Kanten. 

Kanteren wordt ook wel gezegd voor kantelen: 



de boot kanterde of kanterde om. Het neders. en 
oostfriesch heeft hetz. frequent; zie Tüiog en 
Stürenburg. Verg. voorts Kantelen* 

Kanteren is ook kenteren^ en dan, zooala H be- 
hoort, bedrijvend; Beckhey, Zeetriumph, L 26: 
Waar een onwrikbre wet elk in zijn damp- 
kring rolt... 
Zijn wentelingen aum Satumtu wagters kentert 
Er zal bedoeld zijn : doet omkeeren. De Schr. zegt 
tot opheldering: >Men verstaat er door een punt 
van overhelling en stilstand, dat in twee tegen- 
strydige keeringen plaatse grypt Zo Als 'er in 
ebbe en vloed een tijdstip is dat de vloed tot ebben 
overgaat, dit is eigenlijk kenteren,*^ In dezen laat- 
sten zin heeft het Verv. op Wag. XX. 167: vóór 
het kenteren des Staatsgetys. Nomsz, Willem de 
Eerste, 185: 

Boisot deed midlerwyl zyne overheerde schepen. 
Na 'tkentren van den stroom^ naar Walchrens 

kusten sleepen, 
Petr. Moens en A. van O verstra ten, Dichterl. Men- 
gel. '208: 

Kuissche maagdelijke maan! 
Die den blanken Oceaan 
Rentrend af en aan doet rollen 
Ter Haar, De St Paulus Rots (5e dr.), 63: 
Wis heeft de zee de boot verslonden! 
En zonk zij ken trend in den vloed! 
Da Ck>sta, Kompl. Dicht w. III. 428: Dan kentert 
wéér de Kans. — Vandaar kentering; Verv. op Wa- 
genaar, XVIII. 405 : ten tyde deezer Staatskent»- 
ringe. Van Walré, Heksluitiog, 143: 

Op 't harty van diep gevoel doorlagen^ 

Krijgt elke kentring nieuwe kracht. 

In het beijersch is kentem zich omwonden ; doch 

in 't neders. heelt kentem^ kendern, een andere 

beteekenis, t. w. die van een' steen in kantige of 

hoekige stukken slaan of breken; zie Schambach. 

Kasperen— Kaspen. 

Het frequent, komt voor in buitenkasperen en 
wegkasperen, bij De Bo verklaard door buitenja- 
gen (van honden of katten) en wegkasperen (iemand 
uit eene stad enz.) 

Bij kaspen zal men te denken hebben aan bet 
fr. chasser, oul. cacher^ dat afstamt van het lat. 
captiare^ het part. oaptus. Captia wordt aange- 
troffen voor het jagen ; zie Diez, I. 98. 

Kauwetteren— Kan wetten- 

Kil heeft beide wn. en leidt ze af van den vo- 
gel kauw, daar zij het geluid te kennen geven, 
^ door dien gemaakt. Veeleer acht ik de wn. slechts 
een anderen vorm van kwetteren, kwetten (zie dit). 



213 



KAUWETTEREN. 



214 



Het frequent, kwam mij voor in die eigenlijke be- 
teekenis in Willems* Oudvl. Liedjes, 532 : 
De voghela kwamen te mem: 
En aU zy nu waren gezeten^ 
Zoo liet men den nachtegael wetetiy 
Dat hij met zijn stemmeken gauw 
Het eerst kauwetteren zou. 
En in den overdrachtigen zin van snappen ; De 
Bnine, Bancketwerck, II. 1t$4: zotte hoofden... wei- 
okers tonghe gheduyrigh kittelt^ om van hoer eyghen 
verdiensten <e kauwetteren. — Zie ook Klawetteren. 

Eeijeren— Eeijen. 

In het vlaamsch is keijen werpen, gooijen, smij- 
ten; en keijereny ook keisteren en kij stèren, weg- 
slaan, wegjagen: zie de Idiot van Schuermans en 
De Bo. In bet thüringsch bij Scbultze is keiere 
in de hoogte slaan, van de beenen gezegd. De be- 
teekenis van keijen wordt door veel hoogd. dialec- 
ten bevestigd. De wwn. keien, keijen, keia^ heien, 
geheien, giheien, ghain, kain, beteekenen onzijdig 
vallen, storten; bedrijvend werpen, slaan, smijten; 
umkeyen is omwerpen enz., voorts in fig. zin kwel- 
len, plagen, enz.; zie Von Schmid, Höfer. Von Klein, 
Schmeller, Schöpf, en vooral Weinhold, Tobler en 
Lexer. Weinhold zegt, dat de oorspronkelijke be- 
teekenb van dit w., dat in het oud- en middelhd. 
niet voorkomt, slaan, snijden, werpen, schijnt te 
zijn; Tobler brengt het tot ^et, steen, als zijnde dus 
•met ke^en werpen." Stalder wijst op het bir- 
manscbe khia, en inderdaad voert Adelung, Mi- 
thridates, 1. 76, uit die indische taal het onzijdige 
WW. kia aan voor vallen, bedrijvend khia, werpen. 
'kMoet daar bijvoegen, dat de overoude vorm kia 
nog leeft, met dezelfde beteekenis van werpen, in 
een der zwitsersche dialecten; zie Da vos in seinero 
WalserdiaL, von Bühler, I. 70. Dat voorts het 
subst kei, steen, aan het ww. verwant is, wordt 
bevestigd door Bilderdijk, die in zijne Geslachtl. 
n. 22, dat woord afleidt van het oostersche kaia, 
rots of steen. Zie wijders Keilderen en Kiezelen. 

Eeilderen— Keilen. 

Keilen, eig. zelf een frequent, van keijen (waar- 
van zie op Keijeren), is keisteentjes zoo langs de 
oppervlakte van het water werpen, dat zij al kaat- 
sende opspringen; Berkhey, Nat. tiist. van Holland, 
IL 8iO: De Jongens, aan de Zeestranden.,. zoeken 
{de platte steentjes) op, om 'er langs het water 
mede te keilen. — Zie Weiland, en Bilderdijk, De 
Mensch, 223. Van Lennep heeft voortkeilen, £d. 
w Gelre, I. 104: 






— zoo vaak de gladde kei 
Met snelheid voortkeilde over U water^ 
Herklonk zijn dartel vreugdgeschater. 
Vandaar golvende of kaatsende beweging in 't ge- 
meen; Margrietje, 18: 

{De havick) dreef en keylde door de lucht. 
Bodecheer Benningh, Leydsche Oorlofdaghen, 80: 
— over ijs en sneeuw de trouwe reysers k&jleai. 
Fokke, Boert. Heis door Europa, UI. 145: een hun- 
ner sloeg hem met zijn breed slagzwaard net den 
kop af... en keilde zijn hoofd door de kamer. Oudaan, 
Woestijnatrijd, 48: 

Door alle leed en rampen 
Geteistert, en getaant, getomt, gekeilt, gekaatst. 
H. van Ualmael, De Gezwoore Bedrieger bedroe- 
gen, 24: 
Zo mag je malkadr met de stiütken na de ooren 

keilen. 

Bredero, Schijnheil. 64: 

Domine, weet ghy niet dat die een steen uyt de 

hand gaet keylen, 

Kanse niet te rugh doen keerenf 
Bij Danneil is sich keil'n zich omwentelen, zooals 
kleine kinderan in 't bed of in H gras. 

Vandaar keilderen, dat volgens De Gids, IS'èO, 
n«. 8, bl; 384, op sommige plaatsen in den eei*sten 
zin van keilen gezegd wordt. Men weet, dat dit 
spel bij ons nog andere namen draagt, als kitsen, 
kiskassen, stipstappen, slifferen, slingeren, hotten 
en scheren. Verg. mijne Verscheid. 335, en voeg 
bij het daar aangevoerde over de hoogduitsche be- 
namingen van het keilspel uit Von Schmid, ook het 
art Bdmmelen uit Stalders Idiot. — Zie voorts nog 
Kiezelen. 

Het znw. keil zie men als door Bilderdijk gebe- 
zigd, in mijne Proeve, 145. Doch van waar is ge- 
keil, dat Viam Mander heeft, Ducolica en Georgica, 
136: 

— bly door dit gelucken 

Wechdraghen f vleys sy met een groot ghekeyl. 
Er wordt gesproken van de Scythen, die een hert 
gevangen hebben. Met een groot gekeil dient ter 
vertaling van ^^magno Uieti clamore" ; Vondel zette 
het over: met een vrolijck geroep. 

Voor keizel, dat wel eene afl. van kei zijn zal, 
heeft Bilderdijk, om redenen die hij niet doet blij- 
ken, de spelling kijiél; Ibn Doreid, 8 (van den 
kemel, die): 
Zijn klaauwen op *t gesteen f te barsten treedt 

en scheurt. 
En met zijn sijplend bloed de blanke kijsels 

kleurt. 
(De eerste druk spelt bl. 15 evenzoo.) Wel heeft. 



215 



KEDLDEREN. 



216 



Kil. kezel^ Wei), heter keezel; dos Goornhert, Wer- 
cken, L fol. 126 verso: Gelijck inden kesel geen 
vyer en is, — Bij denz. keseling; ald. fol. 127: aUo 
uyien keselinghe vande Wet der naturen het ver^ 
horgen vyer der hroederlljcker Liefden. . te doen 
voartcomen. Dus mede Passionael Somerst. fol. 181 : 
dat wt een kezelinc... olye vloyde. Levens van 
Plut. fol. 213: met ghewelt van groote keselinghen 
ende ateenen die men in {het moerasch) wierp, 
Heyns, Bartas* Wercken, I. ii. 117: 

{hy) versamelt kesel ingen, 
Die hy liet vanden strant rontom het vlecke 

bringen. 
Jan Vos spelde keizeling; zie Van Hasselt op Kil. 

Eekeren'— Keken. 

Keken heeft bij Kil. de beteekenis van sterk 
lagchen, en dan zal het prim. keken moeten ver- 
klaard worden door kiknen^ een geluid in de keel 
maken, verwant aan kigchen^ bij Kil. sterk hijgen, 
doch waarvan ook het frequent, kigchelen^ mede 
lagchen, schateren; zie dit w. Het hoogd. zegt 
zoowel kichem als kicheln^ voor zeker lagchen, en 
de gegeven afleiding wordt bevestigd door kikkeren, 
dat, volgens de Taalgids, IV. 200, op Marken lag- 
chen aanduidt. Schröer beeft daarvoor kinem. 
Wat bij Kil. kekerzot is, heet kekermal bij Wes- 
terbaen, Ged. U. 59 : 

Die of uytsinnigh zyn of puyr en keker-mal. 
Oudaan heeft kekeren, naar H schijnt voor lagchen, 
schateren, Ged. 27: 

Of zong een nieu Muzyk met kekerende keel. 

Kekeren*— Keken. 

Keken is bij Kil. snappen, snateron, en in 't 
maastrichtsch nog schi*eeuwen, hard schreeuwen; 
zie mijn Arch. lU. 361. Ook het eng. bij Halliwell 
heeft to cakey snappen, snateren, en to kickj sta- 
melen. In dezen laatsten zin bezigt Van Bever- 
wijck het w. Schat der Onges. II. 34: loerdt de 
Spraeck verhindert... Dit heeten wy .. keeckeren. — 
£n hebben wij de afl. kekerachtig; Leven van 
Jacob Zeeus, vóór zijne Overgebl. Ged. 38: Zyne 
spraakwaseenigzins belemmert en wat stornerende of 
keekerachtig .. inzonderheit wanneer hy wat driftig 
was. — Het snappen is met eenig verwijt verbonden 
in keken bij Houwaert, Lusth. der Maechden, II. P03 : 
{Dat hy) Zijn eene^ en zijns soons ander ooghe liet 
Wtsteken, op datmen op hem niet en zou keken 
Dai hy te straf was, oft dat hy oock niet 
De wet en voldede. — 
Inderdaad is ook het eng. to check berispen en (bij 
Halliwell) verwijten. Het frequent, kekeren is bij 
Kil. snappen en stamelen. 



Zie voorts Ten Kate, I. 234, benevens Kakden 
en Kekelen. 

Kenteren, zie Kanteren. 
Keperen. zie Kipperen. 
Kerteren— Kerren. 

Kerteren vermeldt Kil. voor knarsen. *t Is blijk- 
baar het frequent, van kerren, kirren, middelhd. 
een geluid geven, ruischen, schreeuwen; oudhoogd. 
kerran, snappen, geruisch maken, ratelen. Bij 
Schmeller is kerren, kirren, (met de tanden) knar- 
sen; bij Schöpf schel schreeuwen; bij Lezer ^tern, 
kim, gillend schreeuwen, van hevige pijnen wee- 
nen. Het hoogd. zegt qudrren voor morrend schrei- 
jen of schreeuwen, en ons kirren, dat blijkbaar 
één is met kerren, hoogd. girren, bezigen wij van 
het klagelijk geluid der duif, doch het wordt ook op 
andere dieren toegepast, b. v. op het angstgeschrei 
der hoenders bij Tiling. Hij Hall. is to querk en 
to quirk knorren en weeklagen. 

Ketteren— Ketten. 

Geluidnabootsende wn., die beantwoorden aan de 
eng. wwn. to chat en to chatter, beiden snappen, 
snateren, beteekenende. Het frequent, to chatter \s 
echter ook het kwetteren van vogels en het klap- 
peren der tanden, terwijl Halliwell to chitter bo- 
vendien heeft voor tjilpen. De hoogd. tongvallen 
hebben kittem voor eene soort van heimelijk of 
ingehouden lagchen ; zie Stalder, Schmeller en Von 
Klein. Bij Stürenburg is kattem snateren. Vol- 
gens De Navorscher X. 153, is te Krommenie et- 
teren pret maken, doch in het vlaamsch wordt het 
w. volgens Schuermans en De Bo op velerlei ge- 
luid toegepast, en beteekent een schellen weerklank 
geven van geschut, van de klok, van de zweep, 
van het vogelgezang enz. Bij den laatste is ver- 
ketteren onstuimig door elkander werpen, aldaar 
afgeleid van ketten, slaan. Dat As^^faran voor vloe- 
ken hetz. w. zou zijn, zooals Schuermans meent, 
is niet waarschijnlijk; hierbij denkt men aan de 
spreekwijs, ook door den Schr. aangehaald: hij 
vloekt als een ketter, die toch wel niet zal betee- 
kenen : hij vloekt als een vloeker. Doch ik lees in 
Vlaerd. Redenrijckb. 134: 

Knerst, Joden, roept en raest, wilt vry den 

Steph'num kett'ren. 

Werpt steenen, flucx tast toe, dit Lichaemmoet 

verpieteren, 
Ald. 429: 

Sulcx dat d* een d' ander schelt, verdoemt, en 

kettert licht. 
Goomherts Wercken, II. fol. 186: dat wy.. met 
schelden ende ketteren onsen nabueren ende ver*' 



ai7 



KETTEREN. 



218 



wanten... verbitteren. Lager ald. : cUs de autheuren 
venoleh leden^ ende ghekettert werden, — En 
hier kan men het w. verstaan in den zin van 
woeden, tieren, dien Halliwell mede aan to. chat- 
Ier toekent; bq Stürenburg keitemy alarm maken; 
bij ScbmeDer ketzem, Schmidt katzem^ kwellen, 
plagen; vooral bij Ueberfelder A;eaz{n op iemand aan- 
vallen. Notker heeft Ps. 118, vs. 161: chazionse 
mit craphün^ ungnlis torqueo (zie Schilter, I. fol. 
234). Graff, IV. 536, meent dat hier wellicht 
>chrazson" te lezen is en Schmeller, II. 347, stelt 
die lezing aU de ware. Met de nagels krabt men 
zeker; doch men pijnigt er ook mede, en het be- 
staan van katten of ketsen blijkt van elders. 

Eeusteren— Eeusten. 

Vlaamsche vormen voor korsten, korsteren, d. i. 
zóó braden of bakken, dat het gebradene of ge- 
bakkene eene korst krijgt, vandaar braden, bakken 
io het algemeen ; zie Schuermans en De Bo. De 
oitlating der r in de beide wv^. is niet vreemd; 
zij heeft in verschillende dialecten ook in het subst. 
kont plaats, biykens koste voor broodkorst bij 
Richey, Schütze e. a. in het akensch ko'sch. Schuer- 
mans spelt ook kesteren; korst is in het welsch 
crest, zie Kaltschmidt. 

Eeuteren, zie Koteren*. 
Keveren— Keven. 

Keveren is in den Teuthonista herkauwen. Ety- 
mologisch is dit hetz. w. met kevelen, doch in de 
toepassing der beteekenis is verschil. 

Van keven, waarvan zie op Kevelen, is niet al- 
leen kevel voor tandelooze kaak, maar ook kever 
in dens. zin; dus Jonctijs, Toon. der Jal. I. 644: 
vooreen* ijvore peerlen dooA, tandetooze kevers. — 
KeoerMt is bij Kil. iemand wiens onderkaak uit- 
steekt, en dat uitsteken zelf keverbekken. 

Kieperen— Kiepen. 

Volgens De Taalgids, II. 105, is in de noordhol- 
landsche volkstaal kieperen gooijen, smijten; b. v. 
kieper hem *t gat uit. Het prim. kiepen kan één 
zijn met kippen^ bij Stürenburg omstorten, en bij 
Schambach iets heen en wéér bewegen. Of het 
eng. to keave^ dat bij Halliwell duiken, tobben, wor- 
stelen, is, hier in aanmerking komt, durf ik niet 
bepalen. 

Kijsteren'— Kljaen. 

Kijsteren, ook keisteren, is bij De Bo wegjagen, 
wegslaan. Als primitief zon ik aannemen eene 
dialectische of verbasterde uitspraak van het fr. 
werkw* ehassery oudfr. cacher, eachier^ eng. to 
oUeh^ bij Halliwell to ketch; in het waalsch toeh 



vindt men daarvoor k^chesei, kichèsi (k* en ki zijn 
voorvoegsels); zie Gambrésier en Grandgagnage. 
In het platd. bij Schambach is küschen verjagen. 
Verhol landscht of vervlaamscht wordt dit keizen 
of kijzen. 

Wat deze afleiding nog waarschijnlijker maakt, 
is dat het frequent, kijsteren door eenen lasch in 
den grondvorm, die in het vlaamsch zeer gewoon 
is (zie De Bo, hl. 321) kcuiijsteren wordt, dat mede 
voor wegjagen in gebruik is. En dat er ook in het 
vlaamsch een ww. kadezen bestaat, dat wel andere 
beteeken issen heeft, maar toch met kijsteren kan 
verward zijn. 

Radijzen^ namelijk, is bij De Bo vooreerst » woor- 
den wisselen, tegenstribbelen." Zoo vindt men het 
w. ook bij onze schrijvei-s ; Phantasia (Amst. 1645), 
bl. 22: 

Swijgh jy, kronge, jy hebt hier niet ie kadiesen. 
Letterlijk komt deze pi. overeen met het voorbeeld 
van De fio : Gij hebt hier niets te kadijzen. Men 
vindt ook kediezen; De Ontr. Kantoorknecht en 
Lichtvaerd. Dienstmeid (Amst.1685), bl. 38: Houje 
smoel Waal. Jy hebt hier niet ie kediezen. De 
Wanhebbelijk Liefde (door Nil volent. ard.), 33: 
Daer valt niet teugen te kediezen. — De heer 
Oudemans, die in zijne Bijdrage, III. 338, mede een 
paar voorbeelden van bet werkw. aanvoert, acht 
het ontstaan uit het fr. que dis-je f Zeer waar- 
schijnlijk! Gelijk de Nederlanders meermalen uit 
spotternij of minachting fransche of waalsche uit- 
drukkingen, die ze dikwijls hoorden, met verver- 
ming overnamen, zooals de wwn. foetef*en van fou^ 
dre! avoezen van d vous! beneviniren van bien 
venu! zoo hebben ze van het telkens vernomen 
je dis, dis'je, que je dis, que dis-je, het ww. kedie- 
zen gesmeed, dat wederom kadiezen werd, en voorts 
verbasterde tot kardiezen; Bekker en Deken, Will. 
Loevend, I. 257: hy is met een staand zeil naar 
je toe, om eens te hooren, wat of gy al op ons te 
kardiezen hM. — De hoeren De Groot c. s. in hunne 
Ned. Letterk. (Gron. 1874), bl. 280, verklaarden 
het w. niet juist. 

Het genoemde kadijzen is ook in het vlaamsch 
onder anderen verorberen, spijs nuttigen, en ook 
in dien zin is het w. uit het waalsch genomen. 
Bij Gambrésier is k'ddei met de tanden vermalen, 
inslikken zonder vermalen, bij Grandgagnage kiddci, 
kauwen en inslikken. 

Schuermans vermeldt het antwerpsche w. kadij, 
feest, smulpartij, en zegt dat het w. »zijn bestaan 
is verschuldigd aan den franschen republikeinschen 
decadi.** Een anachronisme van belang I Het subst 
komt voor bij de vlaamsche schrqvers van de ze- 



919 



laJSTEREN. 



ventiende eeuw. Wolsschaten, De Doodt vermas- 

kert, 13: 

Wat vreughdespely wat mal gheveertf 
Men rij ter op een houten peert; 
*Tis al cadeytoa^ datmer doet enz. 

Moons, Sedel. Vermaeckspiegel, 303: 

Want t' is van daegh hier kinderfeeaty 
Het sal van daegh hier sijn caddey, 
Da^r is gemaekt een pot'-pastey^ 
In H rijs is suycker, en canneet. 

BI. 368: 

Als ick krijgh een lam op d* hey, 
^Tis voor my dan al caddey. 

BI. 503: 

Den honger spaert geen Sim, de Sim dient voor 

caddey ; 

Men schaft in noot van hroodt de korsten van 

pasiey. 
En 52C' : 

Al hen ick niet gemetst^ houdt daer met my 

kaddey. 
Zou het w. niet tot het ww. kadfjzeny eten, slik- 
ken, behooren? 

Eilsteren*— Eijsteix. 

De wwn. verkijsten en verkijsteren heeft het 
Idiol. van De Bo voor vertroetelen. Het eerste, 
welks frequent, het laatste is, komt van het mede 
vlaamsche znw. kijste^ d i. een vertroeteld kind. 
Doch van waar komt dit? 

Het znw kijsle is gevormd van een a<|j. dat in 
het nederl. onder twee vormen met verschillend 
gewijzigde beteekenissen bekend is, t. w. kiesch&[i 
kuisch; beiden duiden eene keurigheid, eene nauw- 
gezetheid aan, bij het eerste met betrekking tot 
den smaak of eenig ander zintuig, ook op zedelijk 
gebied; bij het laatste bepaaldelijk met opzicht 
tot de eerbaarheid. Zij stammen af van het ww. 
kiezen^ hoogd. kiesen, oudhd. chiosanj goth. kiusan. 

Het bedoelde adj. luidt in het oudhd. chusk^ 
chiusck^ middelhd. kiusch, hoogd. keusch. Tot de 
dialectische beteekenissen van dit keusch behoort 
die van het beijersch en oostenrijksch, t. w. van dun, 
zwak, teer, fijn ; zie Schmeller en Höfer. Vandaar 
bq Ueberfelder keischj wat Qjn of teer gemaakt is. 
En het is deze, die leidde tot het vlaamsch kijste 
voor weekeling, vertroeteling, dat wederom de wvim. 
verkijsten en verkijsteren opleverde. 

Onmiddellijk van het bnw. hebben wij den deel- 
woord vorm verkuischt^ als bnw. gebiuikelijk voor 
overeenkomstig met onzen smaak of ons gevoel, en 
alzoo ingenomen of voldaan met iets. Uit Hooft 
vindt men pil. in het Wdb. des Inst. Dus ook 
Vondel, Poözy, L 710: 



Nu tree naer ^t lieve Bruüsbedt heen. 
Uw Bruit is niet verkuischt met zingen. 
De Grebroeders, 22: 

Het volck heklaegh* zich niet^ H wa» met dien 

moort verkuist. 
De Decker, Rymoeff . H. 221 : 

Ghy Vorsten^ die met zorg noch arbeid zijt ver- 
kuischt 
Wagenaar, Vad. Hist. VII. 174: den Aartshertoge . 
zeer verkuist met de eer, welke hem., opgedraa- 
gen werdt. De Denker, II. 55: die zich met Niets 
ophouden .. die hier mede verkuist zyn enz. Bil- 
derdijk, Gesch. des Vad. XI. 194 : Z(; uxu wel ver- 
kuischt met een ampt, waar zij in haar kring een 
vermeerderd aanzieti in vond. Van Lennep, Ro- 
man t. Werken, XIV 179: Ofschoon weinig met 
dien raad verkjischt. . zoo besloten Ruytenhurgh 
en Nikolaas eindelijk dien op te volgen. 

Een' anderen zin heeft het w. in de pi. bij Schel- 
tema, die eene gelukkige navolging van Hooft mag 
heeten. Mengel w. III. i. 49: niet alleen is hij dit 
vertalen . niets geplengd^ maar e>* zijn ook geene 
geesten vervlogen^ zelfs is er veel hevalligs hij ge- 
daan, en het dartele en wuXpsche is op vele plaat- 
sen verkiescht en verkuischt D. i kiesch en kuisch 
geworden of gemaakt, gelijk Weil. dan ook verkui- 
schen in dien zin zoowel bedrijvend als onzijdig 
vermeldt 

Halma heeft het ww. kuischen voor wasscheo, 
reinigen, genomen in een gemeenzame uitdrukking : 
ik zal dat wel kuischen, voor: ik 'zal dat wel ma- 
ken of stellen, zooals ook eene andere spreekwijs 
luidt: ik zal dat varken wel wasschen. De hande- 
ling van het reinigen of wasschen wordt daarbij, 
als eene brj de. Nederlanders dikwerf voorkomende 
zaak, voor handeling in H gemeen gebruikt, en het 
WW. wordt dan hetzelfde als in orde brengen, 
schikken, stellen, doen. Hiertoe vermoed ik te 
behooren nakuischen in de zeventiende eeuw, voor 
nadoen, nabootsen; Vondel. Salmoneus, Berecht: 

Dees zinnelooze duif... met razen, ruischen 

En stom den hlixem en den donder na te kni- 

schen. 
Van Lennep, in zijne uitgave, VIL 32, teekende 
daarop aan: »een uitdrukking, welke ik my niet 
herinner, elders by Vondel te hebben aangetroffen, 
en het is my niet klaar, hoe kuischen^ dat zuive- 
veren, purgare, mundare, beteekent, door de by- 
voeging van na een zin kan bekomen, zoo geheel 
van den oorsprong vervreemd." Bij overdracht 
echter, is, als wij zagen, die zin wel te vorklaren. 
Ook gebruikte Vondel het w nog op eene. andere 
pL Petef «Q Pauwels, 6: 



221 



KIJSTEREN. 



222 



— lèk kniste, om de oogen te benevelen^ 
In èckijn hun wondren na, en prediken^ en 

prevelen, 
(Bij Van Lennep, IV. 51, is hieivp niets aange- 
teekend.) Ook Hooft heeft het w. Ged. tol. 113: 
Weten moet ghy, dat reden 
Zinnelijk heeft, met uw' glansrijeke kroonen 
Naagekuist de zone sieraden, 
In den aigemeenen sin van doen, ten uitvoer 
brengen, behandelen, overleggen, laat zich kuischen 
verklaren bij Gats, Wercken, I. fol. 273: 
Don lacht hy dapper in de vnyst. 
En meynt hy heeft 'et wel gekuyst. 
Ook Vondel kende deze bet. Virgil 203: indien 
de zdve Fortuin, die het Salius kuischte, my oock 
den voet niet dwera had gezet Virg. (in Dicht), 
423: 
{Hy) riep: raeckt my: raeckt my: ick ben de 

man, de gaetj 
Die u dit heeft gekuischt. Wüt hier uw gram- 
schap siaecken. 
De proza- vert. heeft hl. 308: ra^ck my, ineckmy: 
hier is de man, die het u dede. — En het latijn, 
dat de Vertaler op den voet volgde, zegt : Me^ me; 
adsum gui feci. Sterker bewijs kan men niet heb- 
ben, dat Vondel kuischen nam voor >doen." Dus 
mede bij hem, Herkules, 34: 
{Ik) spelle u, schoon ik smilt, zy zai^ die tny dit 

kuischte, 
Myn wraek gevoelen — 

Van Lennep toekende hierop (XI. 225) 'aan: »die 
my dit berokkende^ die my dezen trek speelde. 
Ik beb echter het woord kuischen, dat zuiveren, 
reinigefi beteekent, nergends in den hier bedoelden 
tin aangetroffen." De verklaring is ' niet geheel 
ODgepast; eenvoudig doen ware nog beter; doch 
wat er op volgt, is geheel onjuist. Tot tweemaal 
toe had de Schr. vroeger hetzelfde woord in zijnen 
auteur aangetroffen en van eene aanteekening 
voorzien; zie D. V. 235 en VIII. 538. 

Van keuschen heeft het hoogd. het frequent. 
keuêcheln zeer eigenaardig voor zich kuisch hou- 
den; zie Hildebrand (Grimms V\^tb.) i. v. — Op- 
merking verdient bet bnw. dat voorkomt bij Dek- 
ker en Deken, Will. Leev. IV. 2^ : Als een Mensch 
evenwel met zulke onkuizerige gedagten naar zyn 
huis gaat. — 't Woord lijkt gevormd naar het joodsch- 
daitache hatucher^ rein, bij Grolman en ook in de 
gemeenzame taal bij ons bekend. Von Klein heeft 
keitigt voor wellustig. 

KikkereuS ue Kekeren'. 
Kikkeren*— Kikken. 

Gelaidnabootsende wn. Het ww. kikkeny waar- 



van de bekende benamingen kikvorsch en kikker, 
voor welk laatste Bekker en Deken, Econ. Liedjes, 
152, kitiertje zeggen: 

Scheid, Kittertjes, om my niet uit. 
Gaat met uw brik wrOk voort 
vindt men in borrekxkken, bij Vonde), Hersch. 174 : 

(Zy) borrekikken heeschin 'tslijmige moeras. 
Waarvan borrekikker bij denz. Virg. in Dicht, 102: 

— haeren zwarten balgh en wyietzucht sta» 

digh eten 

Met borrekickren, vorsch, en visschen te verzaen. 
Zou Vondel onderscheid gemaakt hebben tusschen 
borrekikker en voisch? In zijne proza- vertaling 
leest men, 74: » visschen en borrekickende vorschen" 
Bredere spelt boerekikken; Moortje, 67: 

Nu boerekicken m^n darmen o f se rasende dol 

m 

swnen. 

Van dit kikken dan heeft men het frequent, ge- 
maakt; Van Swaanenburg, Arleq. Distel. 329: Wy 
willen geen Worketi meer langs de Kastalise wel 
hooren kikkeren. Berkhey, in de Werken van Kunst 
wordt enz. I. 47: 

Ikiar zij, met een schor geschater, 
Kikkrend borlen door het water. 
Verkikkerd tref ik aan voor verliefd, Nederland, 
1863, n*. 10, bl. 111: Nou Wüleml heb ik je niet 
gezegd dat onze Jan op Lena verkikkerd is? Hij 
heeft haar al lang zoo vfnefidelijk aangekeken. — 
Vindt die beeldspraak haren grond in de bekende 
huwelljksmin van het dierken? Zie wijders iitA- 
kikkeren. 

Met het vermelde ww. kikken acht Weil. één 
het gelijkluidende w. dat wij b. v. kennen uit de 
spreekwijs: hij durft niet kikken. Mij dunkt, hier 
is te onderscheiden. Het eerste kikken bootst een 
dierengeluid na; het tweede bedoelt een menschen- 
geluid aan te duiden in ongewijzigden vorm. Als 
wij, namelijk, willen aanduiden, dat iemand niet 
het minste woord heeft gesproken, dan zeggen we: 
hij zei geen kik. Dus leest men, Aanh. op de Hisi. 
van Will. Loevend. 28: hy zit geheele dagen zon" 
der éen enkelde kik te geven, Bekker en Deken, 
Econ. Lioiljes, 66: 

Hy dorst geen kik er tegen reppen» 
Het WW. bij dezz. Gorn. Wildschut, IV. 260 : Wild- 
schut durft immers niet kikken als zijn wyf het 
niet hebben wil. Fokke, De Vrouw is de Baas, I. 
210: (hij) durft niet eens kikken om haar ver- 
andwoording van hare uitgaven te vragen, — Mede 
met eene beheersching; Immerseel, Voor Opge^ 
'ruimden, 100: 

WÜ nooit me ook wéér van worm, van made en 

eeraf kikken. 



233 



KIKKEREN. 



224 



Ook bedrqvend; Vondel, Herecheppinge, 398: Daer 
Ajax niet een woort durft kikken. Strick van en 
tbt Linschoten, 439: Niet een enkel woord <e kik- 
ken. — Elders met het allitereerende mikken ver- 
bonden; Sluiter, Lofzang van Maria, 35: Sy kikt 
of mikt niet weer, David, Vaderl. Hist. I. 167: 
dat Cingetorix. . niet meer dorst kikken of mikken, 
uit vrees voor zyn leven. BI. 210: niemand had 
het hert van te kikken of te mikken. — En deze 
8preekwiJ8 komt reeds in het middelned. voor; 
Brab. Yeesten, II. 245: 

Dandre, diere bleven binnen^ 
Die en dorsten in ghenen sinnen 
Hen' heffen^ noch daer jeghen steken, 
Kicken noch micken, noch wort spreken. 
Gom. Everaert schreef als rijmwoord kukken; 
Janssen en Van Dale, Bijdr. VI. 329: 

So neimpt men tmijne van goede ende ghelde, 

Daer ie niet en mach t jegens kucken; 

D' eene zye ie breken^ tan der slaen ontstucken. 
Het neders. zegt mede kikken en kik seggen. 

Wij hebben een ww. kikhalzen; Frijlink, Bijv. 
op Elis. Wolir en Ag. Deken, 28: omdat ik, zal ik 
nog een duitje verdienen, moet vertaaien dat ik 
kikhals. Dit gebruik komt overeen met de pi. bij 
Hooft, Ged. fol. 234: 

— wie zoud daarom de boeyen 

Niet Uiden aan zijn been, en slooven dat hy 

kikhalz'? 
Weil. verklaart dit door »in spijs of drank bijna 
stikken," doch dan valt het moeijelijk, aan het bo- 
ven behandelde kikken te denken. Ik zou hier 
kikken nemen voor kigchen, bij Kil. moeijelijk adem- 
halen, waarbij men dreigt te stikken, waarvan ook 
bij denz kikhoest, and. kinkhoest. De samenst. 
kikhalzen zegt dan: in den hals een stikkend ge- 
voel hebben en minder juist bezigt Bilderdijk 
het w. Mengel, en Fragmenten, 105: hunne vol- 
maaktheid, waar zy zoo naar kikhalzen. — Hij zegt 
wel (VerkL Gesl. II. 71) : »Het kikhalzen in den 
gorgel opwaarts en by herhaling uitstrekken als 
by eene verlangende begeerte" ; doch die uitlegging 
wordt noch door de bet. van kikketi, noch door het 
vroeger gebruik van kikhalzen bevestigd. Beter 
zegt hij (a. w. II. 141), dat kikhalzen is wan kich, 
kuch, d. i. kortademigheid; doch daar komt het 
^verlangen" niet bij te pas. 

Eilderen— Kilden 

. Hef WW. verküderen is bij De Bo »eene verkild- 
heid krijgen, van koude verstrammen, verkleumen." * 
Het prim. verkilden heeft Schuermans en reeds 
Kil. in dez. bet. Het w. is van kilden, keiden, bij 



Kil. van koude verstijven. Kilde is hi] hem koude, 
dat ook voorkomt bij Bredere, zie OudemansWdb.; 
doch hij heeft niet kUderig; Croon. Gocus, 11.127 
(van wijn gesproken): 

Of hy blyft gelyc hy w, 
Koel en kildrigh, versch en fris. 
Meer bekend is de voim killen, hoogd. keUen 
(door Hildebrand een zeldzaam en merkwaardig 
woord genoemd), eng. to chiU, bij HaUiwell to 
keld, angels celan, subst cyld. Dus Hoofts Tac 
fol. 367: een' teugh killend waters. Bredero, An- 
geniet, 7: z^jn (d. i. des doods) killende handt. 
Bilderdijk, Ziekte der Gel. 119: 
Beproeft ge een ledigheid in ^t killende aeh- 

terhoofd, 
Onthoud 11, krank gestel! het kon u doodlijk 

wezen. 
Aid. 147 bezigt de Dichter het znw. kil voor kilde, 
koude : 

Geeft schokken door den kil def f rissche water- 
spranken. 

E^inderen— Einden 

Het WW. kinden voor een kind of kinderen ba- 
ren is oud. Bij Graff, IV. 439, is het iiindon, chin- 
don, en bij Benecke kinden. Bij de onzen is het 
WW. mi] niet voorgekomen, doch wel in het zwa- 
bisch dialect bij Von Schmid. Vi^ij bezigen daar- 
voor het froquent., b. v. Gheschier, Proefsteen, 266 : 
Trauwjer eene die veel kindert, 
Sorghe meerdert, ruste mindert. 
Van Beverwijck, Schat der Ges. 180: Sy en ver- 
mocht oock het Vroe-moers ampt niet te oeffenen, 
voor cU-eerse uyt het kinderen ghesch*>yden voos: 
alsoo het een vrouwe die noch kindert ende swangher 
gaet, seer moeyelijok valt de kraem ende arbeydt 
van andere waer te nemen, Valentijn, Werken van 
Ovid. I. 209: Behalven dit kerft H kinderen de 
jeugt seer kort. Ampzing, Bibels Trezoor 15: 

Ook kinderd Lea weer ; en Rachel gaet beginnen. 
De verwante dialecten hebben in dezen zin kin^ 
dein, kindem en kinnem ; zie Til ing, Von Schmid, 
SchOpf en Danneil; het eng. to kindle, alleen van 
hazen en konijnen gezegd. 

Hetzelfde ww. gold ook voor kindsch worden, 
als in het spreekw. Als de liens bystier worden, 
beginnen zy te kinderen, Harreb. III. 253. Meer 
gewoon echter was daarvoor ver^tnfferen, als Hooft, 
Brieven, II. 424: de Rechters, die. . sijn vernuft 
oordeelden verre van *t vedLinderen te wesen. Huy- 
gens, Otia (uitg. 1625), 65: Salmen niet seggen 
dat ick hier verkinder. Van Mander, Olqfbergh, 13 : 

Hy knort, hy raest, versuft en wort verkindert. 
Westerb. Ged. L 627 : 



335 



KINDEaPR 



396 



Men siet door ouderdom 't verstand en geest 

vermindren, 
En yemand cUtemet verslechten en verkindren 
So verrey dat hy voel zijn eygen noem vergeet. 
De Decker, Rymoeff. I. 274: 

Merck hoe hier de Grootheid Gods 
Uwenthalven zich vermindert^ 
Hoe de wysheit Gods verkindert. 
Hei geldt hier de geboorte van den Zaligma- 
ker, en verkinderen is dus niet zoozeer: kindsch 
worden, als wel : tot een kind overgaan, gelijk 
Benecke erkinden omschiijft niet door skindisch 
werden,** maar door izum kinde werden/' Bij 
Nolet de Brauwere, Ged. II. 207, leest men nog: 
— Tot kleiner schoei verfijnd 
Verkinderd en verlamd^ in lijf en ziel vergrijnd. 
In denz. zin van kindsch worden heeft Kil. ver- 
kindsehen^ neders. verkindsken; en dit leest men 
bij Van Beverwijck, Schat der Onges. I. 102: be- 
gint het Verstant mede aJengskens af te nemen^ 
90 dat ooek vele Stock-oude Luyden^ ghelijck wy 
wel ieggen, verkintschen. Lydius, Vrol. Uren des 
Doodts, 52: 
Ach! was het niet een schandt^ dat als wy nu 

veroudeny 
Dat wy meer als een kint alsdan verkintschen 

soudeit. 
Honwaert maakt het w. bijna onkenbaar, De Vier 
Wterste, 467: 
Noch veel onachtsamere (soo my docht) 
Was ierst het volck, jae heel kensch, niet om 

verkenschen. 
Tot desen affgrijsselijcken val onsocht 
Over den hals viel van alle menschen. 
Dit verkenschen zal wel één zijn met verkinsen; 
U. van Halmael, De Geveinsde Kwaaker, 20: 
ÏHe leeft steeds vol en zat^ en d' ander^ halt 

verkinst, 
Z}Derft zeen en landen door^ op hoop van yd^le 

loinst. 
Nog vindt men, altijd voor kindsch worden, her- 
kinderen gebezigd ; De Meijer, De Gramschap, 51 : 
T ü «00 gelyk men segt : den ouderdom herkindert, 
Deherssens worden kranig en het verstand ver- 
mindert. 
Met de voonetsels be^ ont en uit samengesteld 
heeft het ww. andere beteekenissen Bekinderen 
is van kinderen voorzien ; Bredere, Lucelle, 61 : 

— hy sterf bekindert rijck en grijs. 
OnÜUnderen van kinderen berooven; Gem. Par» 
Dasloof, 245: 

Geheel Euroop' zit als verslaagen^ 
Betreurt het droevig Oorloogslot^ 



't Geen hare Inwoonders dus verminderd^ 
En jaar op jaar haar meer ontkinderd. 
Voorts: het kind zijn afleggen; Geel, Onderz. en 
Phant. Voorr. 10: Ik heb^ even als g{i, een afkeer 
van ontkinderde mannetjes. — En uitkinderen^ 
hoogd. aiiskindemt staat bij Weil. opgeteekend voor 
geen kinderen meer krijgen. 

Opmerking verdienen verschillende andere van 
kind afgeleide wwn. die in sommige hoogduit^ 
sche dialecten voui komen, als: verkinden is bij 
Benecke ophouden kind te zijn ; kindlen bij Stalder 
als een kind rieken, en zich als een kind gedra- 
gen ; kindschen en kindein bij Weinhold kinderlijk 
spelen; kindlen bij Schmeller teeder met kinderen 
omgaan ; kindeen bij Schöpf kinderen oppassen ; en 
auskindeln bij Reinwald met roeden slaan, ter ge- 
dachtenis aan den kindermoord te fiethlehem. 

Ten slotte zij vermeld, dat de meervoudsvorm 
van het subst. kind voorheen bij ons dikwerf /ptn- 
den luidde; zie Glignetts Bijdr. 79 Ten Kate, IL 
227, geeft dien reeds als verouderd op. 

Kipperen— Kippen. 

Volgens Weil. is kipperen^ in Gelderland kepe- 
ren^ »een prikkelend gevoel der handen, wanneer 
zij van koude doortinteld zijn." Te Kortrijk noemt 
men dat tintelen, zie het Belg. Mus. VIII. 195. 
Voor zooverre mij bekend is, zegt men daarvoor 
doorgaans ^kippenvel of kippetjesvel hebben of 
krijgen " Het ligt voor de hand, uit die zegswijze 
op te maken, dat zij ontleend is van den vogel 
kip genoemd, als met wiens vel de menschelijke 
huid eenige overeenkomst zou hebben in het ver- 
melde geval; en zoo hebben haar dan ook Spren- 
ger van Eyk, Spreekw. uit het Dierenrijk, 50, en 
Snellaert, Belg. Mus. t. a. p. verstaan. 

Kippen, als prim. van kipperen, zou echter ook 
op te vatten zijn in den zin van kerven, waarvan 
mede keep, d. i. kerf, insnijding. Zoo is kippen bij 
Schütze kappen, afsnijden, bij Stürenburg kerven, 
insnijden, in *t eng. to chip. Kipperen zou dan 
zijn kerfjes of rimpeltjes maken, en werkelijk 
heeft Von Schmid verkippeln voorplooijen of vou- 
wen in eene gladde stof brengen. 

Indien, zooals ik meen, de laatste verklaring de 
ware is, dan ligt in het vermelde kippenvel eene 
woordspeling, als in veel andere onzer gemeenzame 
zegswijzen is waar te nemen. 

Elaasteren— Klauwen. 

Schuermans en De Bo hebben klaasteren voor 

klimmen. Ik acht dit w. gezegd voor klauwsteren, 

met tusschenvoeging der s van klauwen, Mawen, 

waarvan ook klauteren en klaveren^ zie deMB. 

8 



227 



KLADDEREN. 



228 



Kladderen'— Kladden. 

De eig. bet. dezer wn. is eene klad maken of 
aanwrijven. Kladden is spuwen, Apollo*8 St. Ni- 
co!, gift, Olypodr. 43: 

— ik verstaa niet dat hier ymand kladd' of 

spouw. 

Vandaar in de lagere volkstaal bij Hoeuffl kladde^ 
ui tge worpene fluim, anders kladder en klodder. 
Iets bekladden^ in 't middelhd hekleizen ^ is bevlek- 
ken, bemorsen, bezoedelen ; iemand bekladden^ zijn 
naam bezwalken. Het bnw. onheklad leest men in 
De Honigbije, VI. 101: eenhUxnkgemoet vangruvh 
len onbeklad. 

Vandaar kladderen^ vlekken maken en slecht 
schilderen in het vlaamsch; en dus, in den laat- 
sten zin, een bericht uit Gent aan de N Rötterd. 
Courant van i2 April 1875: Het kind heeft inder- 
daad volgens getuigenis met verf en penseel omge- 
gaan^ ivellieht heeft hij iets gekladderd. — Beklad" 
deren; Gonscience, De Geldduivel, II 108: mis- 
schien bekladderd worden door de wielen van haar 
iytuig, Boetius a Bolswert, Duyfk. ende Willem. 
Pelgrim. 42: Wülemijnken wüt haren begeerigen 
l%kst met brassen blusscheny waerdoor sy hoer he- 
kladdert. Van de Venne, Sinnemal, 88: 

BedriegeHjcke muts^ hoe benje nouw bekladdert. 
Klad is eig. een vlek of smet, b. v. Schrant, 
Redev. en Verhandd. L 13: Die kladde moge op 
andere takken des Duitschen taaistams hechten, — 
Het geldt ook voor wat men in 't ruw schrijft of 
ontwerpt, waarvan de bekende benamingen klad- 
boeky kladschrift enz. Vandaar is kladden en klad- 
deren bij Kil. knoeijen, broddelen; en papier be- 
kkuiden het ten vermelden einde bezigen. Het 
frequent, in dezen zin leest men in den School- en 
Letterbode, I. 109: die met hunne proza en vooral 
met hunne verzen papier bekladderen. 

Volgens De Bo zegt het vlaamsch klasteren en 
klijsteren voor kladden; ik vermoed dat het eerste 
gezegd is voor kladsteren en dus van kladderen 
afkomt. Wat wij eene inklkladde noemen, is bij 
Von Klein klaisch. En het tweede zal eene ver- 
bastering zijn van het eerste. 

Het adj. kladdig is slijkig bij Vondel, Virgil. in 
Ondicht, 5: op het kladdige lant^in een hoere stulp 
te woonen. Bodecheer Benningh, Leydsche Oor- 
lofdaghen, 110: het kladdighe twoero». — Bij toe- 
lassing vuil, morsig; H. Meijer, Ged. 150: 
Een kladdig w{if {welks vies gewaad 
Te vaak een vuile tid verraadt) 
Waaraan geen hand durft roeren, 
Sn kiadderigy ook wel kUdderig uitgespix>ken, 
Hf i De Haes, Verh. en vorn. Portugal, 118: 



— het kleed der Ongerechtigheden^ 
Alom besmet door kladdrige euveldaén. 

Dez. Verloren Zoon, 68: 
{Gy zoudt) kladdrige ondeugd min dan zuivre 

deugt waerderen. 
Fokke, Boert. Reis in Europa, IV. 28: de heelepot 
en tafel werden zoo nat en zoo kladderig [van 
bloed]y dat men er viesch van werd, — Zoo ook 
kladderii; Goomhert, Wercken, II. fol. 247 verso: 
Is mijn segghen moer kladderije, soo en behoeoet 
gheen antwoorde. Luiken, Leerz. Huisraad, 75: 

— Modder^ Drek^ en kladdery. 
Van ongebaande en diepe wegen. 

Een morsig, onhandig meisje heette kladde; zie 
Kil. en Huyd. Proeve, II. 368. Doch men smeedde 
daarvan ook kladdeunxe; Beraagie, Fran. Studen- 
tenl. 8: 

Kladdeuni I zoumeti niet meeneny dat jy de zin- 
delykste Meid waard van de heele stad. 
De Vryer in de Kist, 9: 

Jou zelf zo te versmyten an ien kladeunie, an 

ien kleuter, fy, fy. 
Krul, Pamp. Wereld, I. 6 : 

En ziel een vuyle sloy unl strax een jufvrouw 

werden.. 

Kladdeuny voert de pronk, en kooptal watze ziet. 
Elders kladdorie; Antw. Spelen van Sinue, 225: 
Ou claddorie!.. Wat ist, daboU hootf 

De wwn. kkuideijen en verkladdeijen beteekenen 
bij Kil. verdoen, verkwisten; het neders. heeft 
daarvoor veMadderen. 

In 't gewone leven is kladden ook knoeijen, be- 
derven, en dan vooral op handelswaren toegepast. 
Vandaar ond. and. bij Weil. kladdebolerj vervalscbte 
boter, en bij overdracht (zegt hij) »6en morsig 
wijf." Eig. een knoeister. Dus Bekker en Deken, 
Sara Burgerhart, I. 243: ik hoop niet^ dat de Juf- 
frouwen my voor een kladdeboter zullen houwen. 
Krul, Minnespiegel, 345: 

Ik bin vande ouwe afkomst van de kladde-bot- 



En hiervan dan het ww. kladdeboteren voor knoeijen; 
Bekker en Deken, Will. Leevend, IV. Sii: die 
menschengeur mo^ er zo schoon weer uit; *tis 
anders by my maar kladdebot teren. En Gom. 
Wildschut, UI. 280: aiU dagen voor het toilet te 
zitten kladdebot leren met flesehjens en pomaden. 

Bij Kil. hebben kladden^ kladderen en af klad- 
den den zin van »van kladden ontdoen," en dus 
aiborstelen, schoonmaken; vandaar is kladder, in 
het akensch dialect klatter, een borstel of veger, 
zie Oudemans op Bredero. 

Over de genoemde en andere beteekeniasen zie 



229 



EIADDfitlEN. 



2dO 



men wijders Weiland benevens Tiling en Richey. 

Volgens Snellaert, Belg. Mus. VIII. 182, /egt men 
te Kortrijk klateren voor'papier bekladden. Met eene 
gelijke verscherping der d vindt men heklatieren 
'm den Teuthonista voor bekladden^ bezoedelen; 
bij Stürenborg'' in} [klattem^ klatem, plassen van 
regen, klattematt^ nederl. kleddernat of kledmat 
enz. Ook 't eng. bij Halliwell zegt clatty voor 
slijkerig, ja zelfs ons nederL-zegi daite voor fUadde^ 
in den zin van klis, oadhoogd. kletta en kledda; 
zie Dr. Verwijs, VITap. Martijn, 170. Ook hebben 
wij, met vei*wisseling van de a met de &, de wn. 
hUter en 6eA;ZeferenV^Hoawaert, Handel der Amou- 
rensheyt, 155: 

't Welek met druckige kleteren zeer bekletert is. 

Kladderen*, zie Kletteren*. 
Kladiteren— Kladiten. 

Kladiteren is in het dialect van Axel op kinder- 
achtige wijze nieuwtjes aanbrengen; zie mijn Ar- 
chief, II. 168. Het prim. ww. heeft het Brem. 
Nieders. Wtb.: klauditjen, aldaar vertolkt door 
lailerlei zaken listig doorzetten''; en het wortel w. 
Kil. klauditj aanbrenger, verklikker, bedrieger. 
Welke is de oorsprong van dit woord? 

KlaCèren, zie Klaveren 
Elakkeren— Klakken. 

Klakken bootst een geluid na, weinig verschil- 
lend met dat van klappen. Zoo leest men in de 
Daemonologia d<^r Gon. Jacobus, vert. door Meuse- 
Toel, 40: 't clacken eetia Pistolets. Bilderdijk, N. 
Verfcheid. IV. 13: de heldere of klakkende klank 
van de a. Vondel,^Warande der Dieren, 64: 

{De klockhen) vliegt rondsom de kouw^ zij klaeckt 

en slaet geluyt 
Van Lennep, in zijne uitgave, I. 55i7, verklaart dit 
klaeckt door »klokt"; *k twijfel echter, of de hen 
kloktj als zij in angst over hare kiekens is; ook 
laat de Dichter er op volgen: »(zij) slaet geluyt," 
wat weinig zin zou hebben, indien dat geluid reeds 
door iklokken" ware aangeduid. Klaken ziet op 
het gebaar dat het angstgeschrei der hen pleegt 
te vergezellen : het klappen of slaan met de vleu- 
gelen. Vondel bezigde in hetw. wellicht de lange 
a in navolging van het fransche claquer; ook zegt 
het Iniemburgsch nog klaken van het klappen eener 
zweep. Van klakken heeft men onder anderen 
geklak bi] Bild. N Mengel. II. 52: geklak van 
ramni'lend staal, Dez. Ovid. Gedaantv. 163 : klaat- 
rend staalgeklak. — Vooral Iverschijnt het w. in de 
samenstelling klikklakken; Valentijn, Werken van 
Ovid. n. 143: SQO groeide Hmenssen kroos... en 



klikklakte. . met ^t geweer^ dat met haar uit d'aard 
opschoot. Vondel, Virg. in Dicht, 395: 

De wapens schitteren, klicklacken, vol krackeel. 
Schimmel, N. Ged. 155 : 

De wapens klikklakken 
Op Hspiegélglad schild. 
Vondel, Gysbrecht, 35: 't geklicklack... en ramme- 
len van 't stael. Bild. Mengelp. I. 147 : geklikklak 
van 't geweer, Dez. Mengel. III. 25: 't geklikklak 
van de klingen. Schrant, Redev. en Verhandd. I. 
196: het geklikklak der zwaarden en helmefi. — 
Zie wijders mijne Lat. Versch. 454. 

Met eene andere toepassing had men klakkooi 
voor wat anders klappei heette, d. i. een klap* of 
snapachtige vrouw, waarvan wederom hetwerkw, 
klakkoo{ien; Roemer Yisschers Sinnep. 107: hoe 
{Socrates) het klackoyen, kyven en schelden van 
zijn "Wijf mochte verdraghen, — Zie Oudemans 
op Bredere. 

Overklakken is ander geluid te boven gaan; Va- 
lentijn, Werken van Ovid. II. 102: {sij) vervulden 
de salen met gehuil; maar 't gerammel der wape- 
nen, en 't gekerm der neer-gemaakten overklaktent. 
Het frequent, ww. ontmoet men bij Heyns, Wer- 
cken van Bartas, II. 316: 
Het klackVende geluyt der Leyen *t dack hetreuriy 
En men* gen stereken Muer al daverende scheurt. 
En in het zeeuwsch dialect is klakkeren nog een 
jongensspel, bestaande in het tegen elkander slaan 
van twee houtjes; zie mijn Arch. III. 209. 

Van den wortel klak had men vroeger het bij- 
woord klaks, dat ik in onze woordenboeken niet 
vermeld vind; Sprankhuisen, Geestel. Balsem, 13: 
Alle ongeloovige . menschen verlaet GodtdeHeere 
klacx aling, en al. Orizandts Heraclitus, 302: De 
wint keert wel klacx in Zee, Jonctijs, Toon. der 
Jal. 1. 19: ,Mouir dezen [t'idlèband] klax scheurende,., 
zeideze enz. Aid. 204: alwaar dan 't hart door 
dien brand klax gevat, en ontsteken werd, Dez. 
De Pijnbank (1651), 19: den overwonnen te wil- 
len pijnigen, is klax tegetis 't recht, Dez. Venus, 68 : 
Die van 't gemeene Volk klax uytgelacchen wierd, 
Aid. 91 : 
Zou Theophrastus 't Heyr een mannenmoed in- 
spreken, 
Die klax, uyt vyze vreez', verstomt bleef in zijn 

preken? 
Westerb. Ged. III. 590: 

Al wiehet Dortsch besluytniet klax en onderschreef. 
En ald. 705: 
Aen wien ick het krackeel wel klax verblyven wil 
Van 't geen dat tusschen ons bleef hangen in 

geschil 
S' 



231 



KLAKKEREN. 



832 



Het woord zegt: op eens, als 't ware gelijk met 
den slag, dien men door kkik voorstelt. Men vindt 
dan ook in denzeifden zin eenskkUut^ d. i. letterlijk: 
met éénen klak; Oudaan, Agrippa, (521: doch., 
wilde de Keizer eensklaks dat hij allea zou her- 
roepen en zijn leedwezen betoonen, — Thans is het 
woord eensklaps, bij Schütze bloot klapps, anders 
ook plots (waarvan het bekende plotselings) ; dus 
Smyters Fabelen, 73: 

Dat sy plots neder viel ter aerden doot int gras, 
Camphuysen, Uytbr. der Ps. 130: 

Soo storten wyse plots ter neer. 
Six van Ghand. Ps. 69, vs. 11 : 

Hun trots palleis voZ, plots verwoest, daar henen. 
Staiing, Ged. II. 72: 

— tot nu op eens H geweld 
Van duizend armen met onwrikbreti dam de 

baren 
Pal zet, en plots terug doet varen. 
Aid. 124: 

Plots heeft de luchtreis uit; — 
Van Beers bezigde het w. als adjectief. Jonge- 
lingsdr. (4e dr ) 41 : 

— Maer, welk een plots gewoel is dat f 
Beter te wettigen is ter plots; Bloemkrans, 285 : 
Wanneer die wreede koorts verdelgster van mijn 

leven 
Soo fel, en onverwacht aen miinen drempel 

sloech. 
En dwong \&r plots mijn bloet aen haertent*oof 

te geven. 
In Fukkes Boert. Reis, I. 144, leest men : door 
plotsverloren op een' stoel neer te vallen. — Dit 
bijwoord is gelijk aan 't geen men vindt bij Van 
Ghistele, Heroid. Ep 121 verso: 

— dan dat icse van Leucades erven 
Zal laten vallen zoo plompverloren. 
D. i. verloien als in éénen. p^oto of plomp, welke 
woorden daarin van klak en klap verschillen, dat 
zij het geluid nabootsen van een voorwerp dat 
valt. Op de rij der b.j woorden eenskUiks en eetis- 
klaps behooren nog andere meer of minder bekendo, 
als eensslags bij Hooft (zie het Wdb. des Inst). 
nog bij Staring, Ged H. 97 : 

De ^haich had eenslags (sic) uitgevonden enz. 
En 119: 

Toen, om 't mirakel te voltooijen. 
De fletse wang des Boetlings eenslags bol 

En rood werd — 
Eenssprongs, bj De Brune, Banckelw. II. 18 Afew 
weet wei, dalmen eensspronghs uyt dat weerelds 
slijck zich nut werpen kan, — Eensstoots en eens- 
loops, in de Levens van Plut. fol. 152: Daer Mar- 



cus Cato.., hem eensstoots (finck werpen,., in een 
oneyndelicke zee der regeeringhe. Aid. fol. i56: 
inde plaetse van eensloops recht tegen de Achae^ 
iensen aen te vallen. — Eensgangs, bij Vondel, 
Herschepp. 141: 

— {ze) kiest eensgangs, noit ommevliegens naosy 

De reisbaen overzee, heel kort naer Tebe toe. 
Hetzelfde w , mede duor Kil. opgeteekend, heelt 
men, naar ik acht, ook te lezen bij Camphuysen, 
Stichtel. Rijmen, I 114« waar men. althans in den 
druk van 16~i7, vindt: 

2kU 'theyr... 

Met u, haer Opperhooft, in schoenen pracht en 



Na Godts geheylight Huys eensgans de voeten 



Van het behandelde klak is ook afgeleid het 
kende klakkeloos, van Hwelk ik handelde in mijne 
Lat.« Verscheid. 454 en 455, en dat men ook vindt 
bij Krul, Gloris en Philida, 12: 

— stelt ghy Thirsus liefd% en ti*ou beloofde wnin 

Soo klackeloos, LeHtuV, lichtvaerdidi uyt u sin f 
Immerzeel, Voor Opgeruimden, lOl): 

Zij brengen braking voort om klakloos isi ie 



Burlage, Acad. Tafer. 92: 
Al heeft hem klakkeloos de neiging eene he~ 



Fokke, Boertige Reis, III. 53: Laat me tenminste 
eemt reis hooren^ wemrom je me dat zoo klakke- 
loos en zoo raar vraagt. BI. 55: hoe kan ik tiaar 
toch zoo klakkeloos aankomen. Bekker en Deken, 
Gorn. Wildschut, III. 140: een adeldom do€nr qc- 
boorte, daar men heel klakkeloos aankomt, — 
Dfihnert, die »klagloos'* spelt, verklaart het door 
•onschuldig"; Richey, Tiling en Schutze (II. 277) 
door »niet vast, los, onzeker"; Strodtmann door 
•onvoorziens." Bij ons omschreef de Teu tb ontsta 
het w. door »geheel en al," en het Wdb. des Inst. 
op Hooft door »zonder geluid of redengeving.** 
Met Weil., Hoeuffl en andd. meende ik t. a. p. dat 
de bet. der uitdrukking eig. was izonder sla^ of 
stoot" als men zegt, dat is zonder eenige opsctiod- 
ding, beweging, gedruisch of moeite, en seker is 
het, dat dooi'gaans het w. aldus gebruikt ^woinit. 
Dan, in HaupU Zeitschrift, V 237, heeft Orimm 
gewezen op het oudnoordsch kUMaus, querela, 
en *t angels, clacleas, immunis a querela, a lite ; 
gelijk ook Bosworths Üict het angels. cUs^ele€Ms^ 
clacleas, door »free" verklaart; en daarop grondt 
bij de uitlegging: f was froi von klang, nacbhall 
und vorwurf ist," die voorts nog stavende door 
I het zweedsche klak, opprobrium, het deeoscbe 



233 



KLAKKEREN. 



234 



klak, macala, en *t hoogd. kleckn kUcks^ vlek. Deze 
verklaring is niet duidelijk. Klfik, een geluid en 
dan a]8 men wil, klank, en klaky vlek, fig. schande, 
lijn niet dezelfde woorden: althans de toepassing 
bunner beteekenis loopt zoodanig uiteen, dat zij 
oiet tegelijkertijd kan plaats hebben. Klakkeloos 
is zonder slag, of zonder vlek, één van twee; 
doch niet beiden te gelijk. De hier te beslissen 
vraag is: wat beteekent klak en dcu: in de oud- 
noordsche en angelsaks. samenstellingen klaklaus 
en dacUas? Zegt dat woord werkelijk klacht, 
bezwaar, twist? Griiom noch Bosworth helderen 
dit voldoende op. Zoo ja, dan vervalt de bet. van 
klank, zoowel als die van vlek, en komt de ware 
zin van ons klakkeloos niet altijd met het gebruik 
overeen. K.an daarentegen gestaafd worden, dat 
het oude klak één is met het latere, dat wij als 
geluidnabootsing kennen, dan stemt de oorsprong 
des woords vrij wel mei het gebruik overeen. 

Klammeren— Klammen. 

kUimmeren met het voorzetsel be is gebezigd 
door De Harduyn, Goddel. Wenschen, 570: lek 
bekenne, dat de vUtighe soo seere niel en wordt 
beklammert cU)or Ughewichte van de leden^ als H 
wel en doel wvi de sonden. — De bet. komt over- 
een met die van belemmeren^, doch de vorm ver- 
schilt. *tIioogd. beklammerti is van klammem, 
ojet banden of klauwen vasthouden. Het middel- 
boogd. had daarvoor reeds Uem6em, klampfem, 
vasl te zamen drukken, vasth uden. 

Het Y^mJUammen^ dat Adelung verouderd noemt 
en dat in het akensch dialect nog voorkomt, woi'dt 
eig. uitgedrukt door het nederl. klampefi^ hoogd. 
bi] Schmeller klampfen^ middelhd. oerklamen^ ver^ 
klamben^ kUmpfen^ klampfen, eng. to damp. 

Een ander klammen heeft Valckoogh, Regel der 
Duytsche Schoolm. 31): 

~ door veel klammens, en tunstich bedryven^ 

Hinder veel Geesten gekomen tot bederven. 
En andermaal, 86: 

Twee Katten met een MuySj 
En twee ghebroeders Wyven, 
Zijn sekten sonder klammen ende kyven 
Doircant, ia een ged. vóór Orizandts Heraclitus: 

Vitten^ borgen^ klammen, klagen. 
Waarvan klammer; Van Alkemade, Beschrijv. van 
Briele, II. fol. 148: goede Mannen sullen vrede 
mocgen nemen tusschen eenige vechters ofte clam- 
ttiers. — Dit, mij oveiigens onbekende, w kan ver- 
want zijn aan kliemen^ dat sommigen bezigen ; Dek- 
ker en Deken, Gom. Wildschut, lY. 2P : als zij wat 
te klaagen en te kliemen heeft Willem Loevend, 



VIII. 61 : Ik ben dat gekliem en geklaag al lang 
moe, Fokke, Verzam. der Werken, 11.127: als we 
altijd ook het ergste vreezen, dan valt er altijd 
wat te kliemen en te klagen. Alb. Thijm, Het 
Voorgeborchte, 62: Men kan licht nagouin, hoe die. 
uitgeloten liepen te kliemen en te grijnen. — 
Doch wat zegt dit ww. ? Is het kleemen bij Kil. 
en Plantijn voor lijmen, eng. bij Hall. to clam en 
to dame, bij Wassenbergh kliemen voor morsen ? 
Bekliemd is fig. belijmd, bestreken, bij Starter, 
Lusthof, 64: 
Heeft oock de slappe slaep mijn sluymerige oogen 
Met harem leem bekliemd, benevelt en betoogen. 
Het WW. kliemen kan zoo, evenals lijmen zelf, voor 
langzaam, teemend en vervelend spreken of zeu- 
ren genomen zijn. Meer in den zin van het frie- 
sche kliemen heeft De Genestet kliemerig, voch- 
tig, kledderig, morsig. Eerste Ged. (2e dr.) 283: 
Uw kliemerig klimaat maakt my het bloed in 

de aderen 
Tot modder — 

Klamperen— Klampen. 

Klamperen is bq De Bo het blijven vastzitten 
van de sneeaw aan de voetzolen, en ook het gaan 
van iemand in dien toestand. Weil. heeft klampen 
voor het aankleven der sneeuw; dit w. zegt dan 
ook vastklemmen of kleven. Reeds in het oudhd. 
komt het frequent, voor; Diutiska von Graff, III. 
60 (van Noachs ark) : so tuiste hiez er si chlam- 
pheren unde limen, daz si der flüte ureise erlidert 
mahte. — Het middelhd. heeft klemberen, vast sa- 
mendrukken, hoogd. klammem. Het eng. bij Hal- 
liwell heeft to damb en to damber voor zwaar of 
langzaam voortgaan. Van Hasselt leert ons, Arnh. 
Oudh IV. 29, dat een klamp mik en een klamp 
weggen stukken brood zijn, aan elkander gehecht 
of geklampt 

Het WW. verklampen is herstellen; Gabeljau, 
Treurbr. van Ovidius, 15: 

*k Heb uw vcrflenfte vloot verklampt en weer 

doen boeten. 

Klapperen— Klappen. 

Het middelhd. kende reeds klapem enktappem. 
zoowel voor een klappend geluid maken of geven, 
als voor snappen of babbelen. Evenals in het 
hoogd. is vanouds het w. bij ons gebezigd van 
den ooijevaar en van de tanden. De Twespraack 
der Amst. Kamer (van 1584) zegt hl. 62: kat- 
ten maewen, oyevaars klapperen, mosschen tjilpen, 
(De druk van 1649 heeft foutief: klappelen.) En 
onder de lateren, Bild. Ovidius, 203: 

— als oiewAar op dak en trans te klapperen. 
Dez. Krekelzangen, I. \Qfó: het eeuwig eiterklap- 



235 



KLAPPEREN. 



296 



peren. En LuchtreiB, 29: het klapperen en snate- 
ren van gevogelte, — Ook van andere dieren ; Haaf- 
ner, Reize te Voet (Haarlem, bij Kruseman, z. j.), 
28 : met voaruitstekenden kap klappert hij (de rol- 
leway) tegen het onnoozel lagchende Kind. — Bij 
Benecke treft meü reeds aan : klaperten mit iren 
zenen. Dus Van 's Graven weert, De Uias, IV. 22 
(van Peleus' zoon): 

De tanden klappren hem hij 'tfoltrenvan den hoon. 
Behalve ons gewone klappertanden^ b. v. Pers, 
ürania, 197: 

— gy sult in vlam en roock 

Voor *tgespook 
Zijn verschrickt en klapper-tanden. 
De Thouars, Zriny, 83: 
Begroeven we onze doóny bij knarsend tanden- 

klapperen. 
Inzonderheid was bij ons gewoon Kiliaans Tiklap- 
peren met de handen." Dus Marnix, Ps. 47, vs. 2 : 
Volcken allerhandt 
Klappert inde handt 
En Ps. 98, VS. 8: 

Laet H vloeden ende stet^cke stroomen 
Van vreugden clappren inde hant. 
Hoeufft, Anakr. Gez. 49 (van Cupido): 

— met zijn handjen klapprend, 
IJlt hij straks,., naar zijn Moeder, 

Levens van Plut. fol. 64: met groot gheschalyende 
klapperinghe van handen. Snieders, De Orgel- 
draeijer, 48: lagchend en inde handjes klapperend. 
Schimmel, Nieuwe Ged. 19, zonder voorzetsel: 
Doet de handen joelend klapperen 
Van matroos en bootsgezel. 
Evenals klappen zelf is het frequentatief ook 
wel eens vroeger, doch vooral later, op velerlei 
voorwerpen toegepast; Krook, De Spiegel der Zot- 
ten (Amst. 1699), 79: het klappren van duizend 
zwcMrden. Brester, Verapr. en Nag. Ged. 64: 

De molen klappert in de heek. 
Bild. Mengel. II. 130: 

De vensters klapperen in hut en koningszalen. ' 
Dez. Gesch. des Yad. XIIL 42: 
Hoort haar (t. w. de pijlen) in den koker klap- 
peren. 
Lublink, Thoms. Jaarg. 240: {daar) klappert de 
knuppel en stryden de worstelaars met verdubbelde 
krachten. Van der Hoop, Lente en Herfst, 112: 

Au klappert de rijzweep^ nu prikkelt de spoor. 
Beeloo, Ged. 27: 

— uxiar 's Prinsen standert wappert^ 
En met zijn gulden spreuk, hoog op den lucht- 
stroom klappert. 
Schimmel, Verspr. Ged. 21 : 



— den muurkanteel 
Waar hoven H vorsüijk vaandel klappert 
A. M. Moens, Dichterl. Proeve, 57: 

Terwyl de ontslaakte ziel,, de gulden vleugels 

klappert. 
BUderdijk, Vermaking, 28: 
Engleny die.,. 

't Lied dat eeuwig klinken zal 
Klapprend aanhief t op uw wieken. 
Van Lennep, Romant. Werken, XX. 161 (zeer eigen- 
aardig): het zeil klapperde tegen den mast. Ten 
'Kate, Dichtw. VIL 133: Doet uw vloot haar zeilen 
klapperen. 
In De Gewaande Weuwenaar leest men, UI. 73: 
Héb jy H cqliek ! dat zou men niet zeggen aan u 

spreekend lid f — 
— 't Medicament begint te werken. — 
Dat kan ik aan 't klapperen van u kinnebak tvel 

merken. 
Van dit ^klapperen van het kinnebak" is het w. 
zonder bijvoeging in 'tmiddelhd. en nogbijSchöpf 
gezegd voor snappen of babbelen. Halliwell beeft 
daarvoor to claper en to clappe; terwijl de subst. 
dap, clappe en dapper bij hem de tong beduiden. 
Een klapper of snapper heette bij ons klappcuirt 
of klappert^ en eene snapster klappei. Dns Uilari- 
des* Phaedrus, 93, waar ]>quidam e turba garralus'^ 
vertolkt wordt door: een klappert van den hoope. 
Jonctijs, Rooz.".Oogjes, 89: 
't W<M niet genoeg dat^zy dien Klappert had 
Zo door haar vlam gevat. 
Moerman, De Gleyn Werelt, 124: 

Van Tantalus torment^ en van sijn bitter sehreyen^ 
Een goet exempel voor clappaerts en clappe yen. 
Van^der Cruycen, De Spreeckw. van Sal. 137 : 
Maer wat is van de tongh' van klappers, en klap- 

peyen? 
Aid. 246: 
Daer 't landt is dick bestaen van klappers en 

klappeyen. 
Oats' Wercken, I. fol. 6: 

Wie oyt tot spreken verght de tonge der klap- 
peyen, 
Die opent haer den mont^ om breet te mogen 

tveyen. 
En fol. 648 : 

Hoe dienstxgh waet^ het voor het landt^ 
Indien men geen klappeyen vandt! 
Zoo nog bij Bilderdijk, Nieuwe Dichtschak. I. 195: 
't Geheim is veilig^ en geen klappaart hraaii 

er ntiar. 
Zulk een snapper heeft nog andere van het klap- 
pen ontleende namen ; Moons, Sedel. Vermaecksp. 92 



237 



KLAPPEREN. 



238 



Ify roept: wel alle-clap, ghy weet heel hoogh te 

einghen» 
Hoorns Liedb. 85: klapspaan, hou u snater. 

Het snw. klappei heefl een ww. opgeleverd ; Van 
der Cmycen, a. w. 137 : 
De duyvel^ en de doof die sitien op de lippen 
\(m die te veel klappey t : — 
AJd 715: 
Maar een die veel klappeyt, de ttu:ht en helpt 

hem niet, 
fiilderdijk deed het ww. een voorzetsel aan; Mac- 
Benac, 195: zy die . evefi aU zwakke vrouwen^ 
de mMagen.: nitklappeien 

Het w. klap voor praat komt bij onze oudste 
schrijvers voor; N. Reeks van Werken der L. 
Maatscb. III. 135: 

Van ndnnen en hebbic maar den clap, 
Anders en dogicker niet toe, 
Den klap hebben is hier »hooren spreken"; voor 
ander genot der min was hij niet geschikt. 

Opmerking verdient afklappen voor »door klap 
afraden'*; Valentijn, Werken van Ovid. I. 241 : 
NasOy die de kommerige min dan eens aanpreekty 
dan weer afkJapt. — En opklappen voor openslaan ; 
ald. U. 47: dat de deur door dreun opklapte. 

Bij de samenstellingen, door Weil. vermeld, mis 
ik klapbaks voor klap voor het bakhuis; 't Banket 
der Ghoden, 35 (^an iemand die twee wqven heeft) : 
hy heeft dat voordeel hoven ons, dat hy 'er twe 
op een tijdt kan kussen. Maar,, ook,,, dat hy op 
de zelfde tijdt vier klap-baxen kan krijghen. «- 
Eo het minder kiesche nw. bij den zededichter 
Burdt, Deugdenspoor, 79: 

Nu Vdckjen; ghy, die alle daeg 
Goei los en ledich &y de waeg, 
En cUp-eloot daer voat heen en weer. 
Van Jonekers kne<^t, en Juffrous Heet\ 
Zou hei hier aangesproken iVolclgen" ook niet be- 
doeld zijn door klootjesvolk, bij Weil. door janha- 
gel verklaard? Bredere, Griane, 7: 
Dit klootjes volck van de vesten, of uyt de 

stapjes, 
-Dif leggen en loopen, in goyen dek ten mit 

dopjes. 
Bij Ondemans mis ik de uitdrukking. — Six van 
Ghandelier, Potey, 376: 
TVwN, toen saeh klootjes volk, en ieglyk burgers 

kind, 
Hoe yorigh dat den Raad, om huis en goed te 

sparen, 
Stand tot de leste, in H vuur. — 
Eene samenstelling van klapperen vindt men bij 
Nolet de Braawwe, Ged. m. 63: 



De koningsvUig ontplooit haar uit de vouwen, 
Roemklapprend steeds van (f ouden watergeus. 
Eene andere bij H. Meijer Jr., in de Dicht-Gedenk- 
rolle van 1813, bi. 27: 

Ons hart ontbrandt b^j H boevenklapperen 
Van H vlammenbrieschend oorlogsroa. 
En de afl. klappemij in Ylaerd. Redenrijckb. 324 : 
Ghy prijst, ghy pocht, ghy praet, en al dijn 

klappernijen 
En konnen doch int mitist bestaen, noch yet 

bedyen. 
Van klappertanden vindt men klaptandig in den 
Nederd. Helicon, 196: 

Hier in den Mensch niet en is vry 
Maer leghen wensch, klaptandigh hy 
Gaet, als koortshebbettd op de leden 
Men zie voorts Klepperen en Klipperen. 

Klasteren, zie Kladderen*. 
Klateren*— Klaten. 

Het primit. klaten is te staven door het eng. 
to clat bij Halliwell, en Danneils /^Zdön, d i.kla-en, 
beiden voor snappen, klappen. Beteekent klateren 
bij ons, zooals Huydec. Proeve, II. 105, zegt, »een 
helklinkend en scherp geluid geven," er valt op te 
merken, dat die van snappen daarmee vaak ver- 
eenigd woidt. Zie ook Kletteren. 

In het middelned. is klateren gezegd voor het 
rammelen van of aan een* poortring; Serrure, Vad. 
Mus. UI. 258 : 

Hine mocht e niet in... 
hi claterde der doren rinc, 
In hetz. gedicht, bl. 252, is die bet niet zoo dui- 
delijk; van denzelfden rijken man in de hel wordt 

gezegd : 

Ter porten claterde hi sijn bart. 

ende riep dat hem die kele smart. 
't Woord zal zeggen: tegen de poort ketsen o f aan- 
sUian, Van Rusting heeft, Ovidius enz. 303: 

Een kat quam, daar men ^t Ambeelt klatert. 
D. i. doet klinken. Ogier, De Seven Hooftson- 
den, 13: 

Oft ick geeft u een Oorbant dat u tanden 

klateren 
D. i. klapperen of rammelen. Vooral werd het w 
gebezigd voor het klappen der zweep; zie Huyd 
t. a. p. 

Niet zeer gepast komt klateren voor bij Van 
Duyse, Vaderl. Poêzy, III. 12: 

Hoort hoor! de vedel stijgt; volzuim^e stemmen 

schuieren , 
En doen het danklied tot Jehova godlijkWsiieven. 
De afleiding aanklateren leest men in een lof- 
dicht vóór Kruis Ëerlqcke Tydtkorting: 



239 



KIJ^TEREN. 



240 



Ja selfs, de minnevrouy al rijdend komt aan- 

klat*ren. 
En.bekiateren bij Bogaers, Gez. Dichtw. II. 161: 
— rotsen met heur schaduwholen 
Beklaterd van een zilwen beek 
Fraaijer zijn rondklateren en doorklateren ; Van 
Lennep, Fièsko, 92: 
— H plechtig uur genaakt dat op 't gebied der 

waafren 
, *t Alomherklonken sein des aanvals rond zai 

klaatVen. 
Bild. Rotsg. II. 84 : 

— doorklatert u 't geweten 
Met donderslagen. 
Ten Kate, Dichtw. V. 393: 

Dan zullen de fonteinen de heide doorklaatren. 
Dez. bezigt temeder klateren^ De Psalmen, 322: 
Geluk de waatren^ In wilden val, 
Ter-neder-klaatren In 't drijvend dal. 
Het subst. klater^ van een primit. klaten af te 
leiden, is bij Bredere een slag, die klinkt, eigen- 
lijk dus een klinker; zie Oudemans Wdb. en bij 
Kil. een kinderspeeltuig, anders ratel geheeten, 
ook wel rammelaar^ en waarop men fluiten kon; 
Poirters, Masker van de Werelt, 244: de klater- 
kens die met\ hun (d. i. den kinderen) in de handt 
geeft^ om daer mede te spelen. Wolsschaten, De 
Doodt vermaskert, 80: 

Den clater, 't fluytien^ d' houte mem' enz. 
Van Ryswyck, Eppenstein, 135: 

Hy had een klater om den nek^ 
Waermeê hy schelde en floot, 
Vr. Bild. Nagel. Ged. 181 : 

Zwaait hij thans den gouden klater, 
ó De zelfde hand zal later 
Zwieren met den Vorstenstaf. 
Bij Kil. is kkUerbus wat anders klap' of klakke- 
bus heet, d. i een bus of buis. door welke de 
jeugd kalmoesproppen schiet. 

Voor het klateren der zweep heeft Bredere /;^<- 
teren^ Boert. Liedtb. 39: 

De gladde paerden retiden 
Langhes de harde sl^ck^ 
De Voerluy diese menden 
Kiatterden vreesseUjck, 
Deze vorm komt overeen met het eng. to datter, 
geraas maken en snappen, nedei*f>. klatem, noord- 
thüringsch b j Schultze klaatere^ met geraas vallen. 
Misschien om het rijm heeft Anna Btjns kleteren 
voor klatereth, in den zin van snappen, babbelen, 
dien ook *t bovenvermelde to clat heeft, zoowel als 
het mede bij Halliwe!! voorkomende to clatter, 
waarvan ook . het subst. clatterer voor iemand, die 



een geheim niet verzwijgen kan; Refer. III. 61: 
Want voorwaer 't is al verloren pijne, 
Dat wy van malkanderen dappen en cleteren 

'k Moet echter opmerken, dat, ook buiten het rijm, 

kleeter voorkomt voor Klater; zie Oudemans Wdb. 

op Bredere. 

Klateren* zie Kladderen 
KlatterenS zie Kladderen 
Klatteren*, zie Klateren. 
Klauteren— Klauwen . 

Klauwen^ van klauw^ is (met den klauw) grij- 
pen; in 'tangels. is clowian^ eng. to claw, klau- 
wen, d. i. krabben, oudhd. klawjan; hetmiddelbd. 
beklaewen is grijpen; klaueny bij Fulda klimmen; 
aneinklduen^ bij Stalder met de klauw^m vastha- 
ken; en to claWy bij HaUiwell grijpen, wegpakken ; 
nedert. klauwen^ bij Ten Kate, II. 23G, inhaken, 
vastgrijpen; Willems, Berijming van den Rei- 
tiaert, 51: 

Eensklaps .. 

Vloog hy op des kosters been 

Klaeuwde en beet zoo sterk, zoo straf enz. 
Nolet de Brauwere, Gred. III. 102 : 

Zie, de eigen hand die scheurt en klauwt. 

Zal de opgereten wond verplegen. 
Bij Van Velthem bedawen, waarvan zoowel de be- 
teekenis als de afleiding duidelijk wordt gemaakt, 
fol. 342: 

Rechte na des Aers (t. w. arends) sede. 

Die sine pride (d. i. j>rooi) node loet gaen. 

Die hi heeft met clawen bevaen; 

Al dese gelike mocht men sien 

Van den Keyser ginder geselen ; 

Hi wilt beclawen sine vianden daer, 

Waer sy voren (1. voeren), hi trac hem naer. 
Vandaar klauweren^ met invoeging der f, A^uw- 
teren^ verbasterd tot klauteren^ kleuteren; nog 
kenbaar in 't hamb. klauem, osnabr. klawwem. 
Bij Stürenburg luidt het w. ook klaustem, en dien- 
zelfden vorm treft men bij ons aan in den Ned. 
Helicon, 113: ick begaf my derwaerts op een seer 
smal weeghsken . klausterende met groeten arbeydt 
over handen ende voeten. 

Ons WW. klaute}*en zegt dus eigenlijk een her- 
haald grijpen of haken met de nagels der pooten, 
en zoo opklimmen De aanwending is sonawijlen 
fig. b. v. Verv. op Wag. XXXIV 58: de Intriguant, 
die listig zocht voort te kruipen y en anderen boven 
het hoofd te kleuteren. — Schermer bezigt antklau-- 
teren voor ontkomen door te klauteren, zooals 
Weil. ook ontklimmen heeft; Poésy, 123: 



Ui 



KLAUTEREN. 



242 



— de troep u}ordt naauwelyka gewaar 
De vooede vctn het beeety of zoekt zyn lyfagevaar 
Al hoevende om hei ttnelM f ontklaut'ren op de 

hoornen. 
De afl. klaiUeraar leest men bij Zubli, Nag. Poëzy, 
164: 

De stoutste kiooteraar, die het van allen won. 
Het WW. beklauteren is bekend; b. v. Huygens, 
Korenbl. I. 136: 
Door sulcke diatelen^ die in het Zee-sop groeyen, 
BeUauwtert hy den trap — 
Bild. maakte daarvan het subst. heklouterj voor 
bet beklouteren of het geklouter, Vermaking, 54: 
'/ Ie zaad der Titans, dat nog stouter 
Dan H Go&nhestokend bergbek louter, 
In d' engen boezem voedt: — 
De spelling opfdouteren heeft ook de keurige Lu- 
blink, Thoms. Jaarg. 16: het zy hy . de bergrots 
opkloutert. Alsmede prof. David, Vad. Hist. VL 
342: de opklouterende mannen. — Zoo vindt men 
ook herhlouteren; Heyns, Bartas' Werck. IL ii. 160 : 
Herkloutert dagh en nacht de dobble steylerotsf 
Het WW. klauwen komt nog in een' anderen zin 
voor dan boven is gemeld. Bredero, Jerol. 15: 

Aauwe wille V samen klaauwen? 
Zoo segt de eene jongen tegen den anderen. Het 
WW. is voor kooien, een bekend jongensspel en 
komt van lUauw voor koot, dat in de onmiddellijk 
volgende regels wordt aangetroffen: 
lek ra stoof, Aauwe schijt, 
Aauwen is eijn klaauwen quijt. 

Klaveren— Klawen. 

Klawen is slechts een verschillende spelling van 
klauvsen; sie op Klauteren, Huydec. zegt Proeve, 
I. 392: iVan klaauw komt klaauwen, en het fre- 
quent, klaauweren, doch, om de welluidendheid, 
klaveren: dat het rechte woord, en naderhand, 
gelijk meer anderen, onnoodiglijk met een t ver- 
meerderd en in klauteren veranderd is." Dus bij 
onze vroegere dichters; Oudaan, Tooneelp 142: 
Maar lees eens af, hoe dat de Monsters daveren. 
Na dalz* op dezen zetel klaveren. 
Minder gepast voor woelen, tobben, ald. 129: 
— hy die na lang en langer klaveren 
In d* Adriaatsche golf, Veneetsche zudzens (*) 

daveren. 



{*] Dit znw. leest men ook In Vlaerd. RedenrQckb. 14: 
{lek} tprotighy en herghden m#' in zodsen van langh riet. 
Haltartsma lieslgde bet w. nog in dezan vorm; De VrQe Fries, 
IX. tO: dUde derrie., op eens het utater uUeteHende sudse 
legden te droegen. — Hel w beteekent riet, rietmoeras, bQ 
KH. iudde, sooals men ook leest in Willlnks Amst Arkadia 
U. 19 de Hstckop zelf, dien ty.. door tlyh en drek sleepten, 
en eindetffk i» een sudde wierpen. 



De Meijer, De Gramschap, 131: 

— Dees grypt een kabel vast. 
En klaevert als een kat tot boven op de mast. 
Trip, Tyd winst, 120: 

Nooit scheen de snoode Ondankbaarheid 
Tot hooger euveltrap geklaverd. 
Zie voorts Huydec. t. a. p. Doch men ontmoet het 
w. ook in proza; Mamix, Bienkorf, 235 verso : (/ij^) 
clauerde selve op den Roomschen stoel sonder lee^ 
der. BI. 236 verso: dat hy wederom als een catte 
op synen stoel clauerde. Valentijn, Werken van 
'Ovid. II. 88: Hierop (t. w. op de klip) klavert Ino. 
Met voorzetsels heeft men opklaveren; Het Le- 
ven van Marcus Aur. 196: snellijcken ende al 
teenemael zweetende op te daveren, ende dan w^ 
der al rollende van boven af te dalen. Zoo ook 
Vondel, Hierus. vei*woest, 52: 

Geen klip zoo ysl^ck steil, geen afgrond is 

zoo naer. 
Vol slangen, vol gedierte, of H uiterste gevaer 
Hadde ons doen klimmen, en opklaveren en dalen. 
Davids Harpzangen, 168: 

De bargh, daar Moses klavert 
De kruin op — 
Nagevolgd door Vollenhove, Poëzy, 71 : 

Zy stcuU^ ten kruisberge opgeklavert. 
Maar ook overklaveren ; Poêzy, I. 710: 
Zuil en Kantzelier van ^t Rijk, 
Dat den Uuitschen gront doet daverepi. 
En 'tgeberght dorst overklaveren, 
Op 't rappier, zijn stale wijk. 
Van afklaveren, dat het Wdb. der Ned. Taal niet 
vermeldt, geeft Van Hasselt een voorb op Ril. 
Men kan het ook lezen bij Focqnenbroch, Werken, 
I. 163 (van het trojaansche paard) : 

Nu komt het van de vest af klaavren. 
En drukt de ronde kegels plat. 
Zie wijdera over klaveren Van Lelyvelds Aant. op 
Huyd. en het Wdb. des Inst. op Hooft. 

Ten Kate, II. 236, toekent klaveren als verouderd 
aan; Bilderdijk en anderen voerden het weder in. 
Mengelp. I. 230: 

— klaavrend dwars door H ^s der Kalidoonsche 

bergen» 
Van Duyse, Vaderl. Poêzy, II. 21: 

— de dorpS'Orpheus dien 7 hupplend choor deed 

klaveren 
Op een verheven ton, — 
Van der Hoop, Warschau, 54: 
Als woü de Geest van Hvuur liet firmament Ym^ 

klaveren. 
Bilderdijk bezigde almede heklaveren en opkla- 
veren; zie mijne Proeve, 180. De vlaamsche uit* 



243 



KLAVEREN. 



244 



spraak verscherpt de v tot f; althans Moons, Se- 

del. Vermaecksp. 282, heeft: 

Strackx f heest doet al sijn best om uyt de gracht 

te raecken: 

Het claeffert daar soo ianck^ tot dat het ixieckt 

daer uyt. 

En Van Beers insgelijks, Jongelingsdr. (4e dr.), iOl : 

— hoe gy misschien 

Weldra een zwerm van bruine kroezelbollen 

Rond u, in ^tzand, ziet tuimelen en i^Ilen^ 

En klaefren van uw schoot op vaders knien. 

En 157: 

W^ zeegen bedelaers in lompeny 

Spotlachend klaefren op den troon. 
Deze uitspraak nadert het hoogde klaftem, d. i. 
zooveel omvatten als noen met de klaften of klau» 
wen doen kan. Verg. Bild. Aanm. op Huyd. 39. 
Nog eene andere hoogduitschachtige uitspraak is 
kleffereny in het vlaamsch bekend (zie Schuermans 
en De Bo), en bij den vlaming De Harduyn, God- 
del. Wenscben, 526: 

Den vogel oMer-eerst ghesloten in de muyty 
Is altijdt in de weer^ en wou wel wesen uyty 
Hy kleffert, en hy springhty noch hy en mlt 

niet -eten. 

Elawetteren— Elawetten. 

Evenals kauwetteren acht ik klawetteren een van 
kwetteren afgeleiden vorm. Gremer heeft er ge^ 
klawetter van, Anna Rooze, III 226: De omstan- 
digheid, dat de nicht .. met den baron vims komen 
meerijden^ gaf ook al aanleiding tot allet*lei ge- 
klawetter. D. i. gesnap, gebabbel. — Den primi- 
tiefvorm heeft Kehrein in JUawatscheny veel snap- 
pen, waarvan klawatschy een babbelaar, en klab- 
batschkcy de mond of snater. Zie mede Kwetteren 
en Kauwetteren. 

ElawBteren, zie Kwalsteren 
Eledderen— Kledden. 

Beide wwn. komen voor in het dialect van Biaas- 
tricht ; het prim. in den zin van hechten, vasthech- 
ten; het frequent, in dien van klimmen, klauteren ; 
zie mijn Archief, III. 363. Zij zijn eene verzachte 
uitspraak van de gelijkbeteekenende hoogd. kletten 
en klettert} ; zie op Kletteren^. Fraai voegt Hof- 
dijk de beide frequentt. bij elkander, Brielles Ge- 
denkdag, 42: dan verheft zich een windvlaag en 
dan kleddert de natte vlag te gelijk met den klet- 
terenden regen wel eens tegen de ruiten. — In de 
volkstaal zegt men kledderig van een natten doek, 
die aan eenig voorwerp kleeft, of daartegen aan- 
slaat. Doch bij Schotel, Vaderl Volksboeken, 1. 69 : 
eenighe onstuymige ende kledderige dagen. — An- 
ders zegt men daarvoor ook smerig. 



Kleffereu, zie Klaveren. 
Kleinderen'— Kleinen. 

Volgens de Woordenl. der leidsche Maalsch. 
heeft Oudaan doorfdeinderen gebezigd voor idoor^ 
mengen, intermiscere." Het is dan één met door- 
kleinsteren (waarvan zie op Kleinsteren^), van 
kleinen, dat wederom hetzelfde is met kleinzen, 
klefizen, eng. to clean, angels, claenan. Zie Weil. 
op Kiens, 

Kleinderen*— Kleinen 

De Bo heeft verkleinderen voor kleiner maken. 
Het hoogd. heeft evenzoo verkleinem^ doch ook 
kleinem; zie Hildebrand (Grimms Wtb.), Von 
Schmid en Schmeller. De eerste vergist zich met 
nevens kleinem als nederl. te stellen »kleyneren, 
Kilian.'* Ril. heeft met den basterduitgang : klei- 
neeren, zooals zijn klemteeken aanwijst. Hetww. 
kleinen., zonder voorzetsel weinig voorkomende, is 
meermalen gebezigd door Hooft, zie het Wdb. des 
Inst. Dus ook Goornhert, Wercken, I. fol. 284: 
kleynen sy f seyl van hare toornige kr<ichte 

Bij Kil. mis ik ver/rlein^e voor verkleining; Antw. 
Spelen van Sinne, 55: 

Jerusalem is besweken .. Door die vercleynte. 
BI. 57: 

Die haer lieten duncken, dat haer ghesdede 

vercleynte. 
En 132: ons ionste uyten sonder vercleente. 

Kleinsteren', zie Glinsteren. 
Kleinsteren*— Kleinaen. 

Dit kleinsteren, voor *t welk Kil. Meinzigen 

heeft, schijnt gevormd door Bild. De Mensch, 42 : 

De stuifkalk wordt cement, doorkleinsterd met 

dit zand. 
*t Ts het frequent, van doorkleinzen, dat ook hij 
heeft, Buitenleven, 80: 
— 't cd met slib doorkleinsd der steeds beroerde 

plas. 

Ziekte der Gel. 11 : 
De maag verzuim' heur plicht van 't voedsel door 

te kleinzen. 
Öudaan, Agiippa, 174: dcU {de ziel) een roerUike, 
en vuurachtige geest, met stippen doorkleinst is, — 
Anders ook verkleinzen; Bilderdqk, De Dieren, 47: 

— *t gistend bloed, 
Dat zelf, door 't geen *t verkleinst, zyn slijiing 

wéér vergoedL 
Kleinzen, ook klenzen, is zuiveren, eig. als door 
eene zeef afscheiden, van kleins of kiens, bij Kil. 
kleinzer, klenzer, d. i. een zeef; eng. to clean en 
to cleanse, zuiveren, reinigen, van 't adj. <Aean, 
rein, angels, dcenan en eken* Zoo heeft de delf- 



245 



KLEINSTEREN. 



246 



8che Bijbel, Maleachi, 4, vb. 3: hij aalse cleynsen 
ais gout ende als silver. — waar de gewone over- 
xettuig heeft: doorloo teren. — Goornhert, Wercken, 
n. fok 191* vei-so: trec?U der Kercken iwelck sy- 
luyden (de Genseurs) op een haerken daer voeten 
te cleynsen. Meerman, Gom. Vetus, 132: Ben raed 
Gods moet door onse grove herssenen als door een 
Teems gakleyngbst werden. Van der Boon Mesch, 
Werken der HoU. Maatsch. VIL 243: waardoor 
de planten raauwe vochten opnemen, en in en door 
vaten kleinsen. Voet, Stichtel. Ged. II. 155: 
De zvoavd, de olie, H zout, en voat uit d* afgrond 

steeg. 
Wordt met de lucht gekleinst, gestooten op de 

rotzen. 
Schenk, Nachtged. I. 87 : 

Den duur gewonnen oogst te kleinzen zonder smaak. 
Bild. a. w. 30: 
Geen vocht, dan welgekleinsd, bezit zijne eigen- 
schappen. 
Des. Nieuwe Oprakeling, 89: 
— alles kleinst zich-zelf, en maakt zich-zélf tot pap. 
Van Loghem, Hengeld. 112: 
6, Als gij, wars van schijn en veinzen. 

Verleiding vliedt, hoe zoet ze ook kweeV, 
Zal reine deugd het stroompje kleinzen, 
En zuivren van H onedel deel. 
'k Meen dat het hier den levensstroom geldt, en 
vind hel woord daarbij wel een goed rijm op vein- 
zen, doch niet fraai toegepast. 

Men vindt ook klenzen; Van Beverwijck, Heel- 
konste, 17: Dan werdt^het suyver nat, het welck 
hoven drijft, geklenst. Trip, Tydwinst, 220 : 
Hoe elk kliertje.. Vogten klenst, enz. 
Van Uaefien, Dichtluimen, 49: 
— daar ik in het veen, met sterkgespierde handen, 
Den modder zag geklensd, die 't unntervuur doet 

branden. 
Blieck, Mengelp. III. 68: 

— 't verwoestend nat. 
Dat met rammeijen, knagen, klenzen. 
Steeds yvert enz. 
En Weü. heeft uitklenzen, uitzuiveren. 

Tot het vermelde eng. clean, angels, dam, zui- 
ver, iMiengt Leibnitz, GoUect. II. 109, kleino bij 
Otfried, nederl. klein. Ook Halbertsma doet zulks, 
Aantt op Maerl. 101. Het is zoo, Grimm, Gramm. 
OL 611, Graff, Sprachsch. IV. 559, en Diefenbach, 
VergL Wtb. II. 413, geven grond voor die mee- 
ning; doch dat kleino bij Otfried ipurus'* betee- 
kent, zie ik bij Graff zoomin als bij Schilter be- 
vestigd. 



Kleisteren— EleUen. 

Het WW. rondkleisteren leest men in den hoog- 
veluwschen tongval; Geld. Volksalm. 1836, bl. 46: 
as hl in dissen tied van 't jaar, al is 't ook nog 
zo'n stor wdrken, deur dun en dik mot rondkleis- 
teren om naor de öskeskermis te gaon. — Men heeft 
hier het frequent, van kleden, bij D&hnert »zich 
rijdende door een moeras heenwerken,*' eig. dus 
met veel arbeids door de klei gaan. Ook Scham- 
bach heeft dit kleden, in fig. zin »van zaken die 
veel arbeids of kosten veroorzaken", doch brengt 
het verkeerd tot kleien, dat krabben of klauwen 
beteekent Hij heeft ook kleierie (kleijerij) voor 
het omwoelen van drek of sl^k. Het frequent 
van kleijen zou kleijeren luiden, doch is door de 
st versterkt in de uitspraak, zooals dikwerf plaats 
heeft. 

Elemmeren— Blemmen 

De wwn. klemmeren en omklemmeren zijn door 
Bild. herhaaldelijk gebruikt als frequentt. van klem- 
men en omklemmen; zie de pil. in mijne Proeve 
over dien Dichter, bl. 43. Hij werd daarin nage- 
volgd door Kinker, Ged. II. 59: 

't Zijn zoo veel vonken, die uit de asch verrezen. 
Zich mn de brandstof klemm*ren, die ze trekt. 
Van den Bergh, Heden en Verleden, 195: 
— het groen van klimop scherpend, 
RIemmrend langs de blaauwe zerk. 
Alb. Thijm, Het Voorgeborchte, 8: 

— den graauwen mist, mijn leden 

Omklemrend met zijn koü — 
En Bogaers, Gez. Dichtw. I. 23: 

Maar, siddrend van angst en de vingren versteven , 
Omklemmert de Mitzinnige 't slingrende want. 
Het WW. is overgenomen uit het dialect van Ham- 
burg en Holstein, dat klemmem bezigt, hoewel 
juist niet in den zin van een herhaald klemmen, 
maar in dien van klimmen, in welken (als ik t a p. 
reeds opmerkte) Bilderdijk ook in Leydens Ramp, 
31, zegt: 

Wat knaap jen. . 

Stijgt, klautrend, klemmrend op langs deze ven- 

sterpostf 
Hier kan men, althans evenzeer, aan klauteren 
denken als aan klimmen. Inderdaad vloeijen de 
beide beteekenissen ineen, of liever uit elkander 
voort; ook klauteren zelf (zie dit woord) ib van 
klauwen, d. i. zich met de klauwen vasthechten ; 
en van ouds werd klemmen voor klimmen gezegd. 
Dus de Antw. Spelen van Sinne, 347: 

Maer daer staet gheschreven, wie hooghe wilt 

clemmen 
Soecl den val — - 



247 



KLEMMER t:N 



248 



Vondel, Pascha, 50: 

D* eene roept Ositns, o! helpt my te boven 

klemmen. 
De Harduyn, Uitgel. Dichtst. 36: 

HM>' ick oock nxet voor hem de voghden doen 

clemmen. 
Aid. 108: 

Voor hem het voghel-dier leert vlwfghe-w^js op- 

clemmen. 
Voor klimmerhUtd, bij Huyd. Proeve, II. 1C2, ver- 
meld, leest men klemmerblad; BMachab. 2, vs. 21: 
een klemmerbladt, het wapen van Bacchus. Zoo 
ook 2 Macbab. 6, v» 7 : wierdense gedwongen^ klem- 
merkrant sen dragende^ in Bacchi feeM om te gaen. 
— Een klimopblad, als het vermelde, waarmede 
»met vyer aan het lichaem de opgesch re venen wer- 
den geteekend,'* 7.a) ook bedoeld zijn met klemmer^ 
Antw. Sp. van Sinne, 369: 

— une ingeschreven wort tsy man oft vrouwe 

ScU eenen clemmer onffanghen op de hant 

En niet da er in. — 
Ten Kate bezigde klemmerhxtfis, Dichtw. II. 133: 
Het Altaar, met de klemmerkrans 
Der dronkenschap omwingerd 
Zie ook Ten Kate, II. 237, en Benecke, 1. 842. Het eng. 
dat voor klimmen to c/im6, angels, climban, zegt, 
heefi bij Halliwell to dim en to dam, en als fre- 
quent!, to damber, to dammer en to dimber Het 
hoógd. klammem is zich vastklampen, terwijl het 
neders. klempem zegt voor klauteren. 

Klenkeren, zie Klinkeren. 
Kien teren'— KIen nen . 

Volgens het tijdschrift Nederland, 1832, n*. 7, 
bl. 204, is klenteren in het tnaleigen van het eil. 
Marken »een kindervermaak met een schuitje of 
bootje." In den Taal- en Letterbode, 11.65, wordt 
het w. in hetzelfde dialect verklaard door f spele- 
varen," waardoor hetzelfde zal bedoeld zijn. In 
voi'm komt met het w. overeen kienderen, dat in 
den Elzas op het ijs glijden beteekent, van kien- 
uen, dat in den Palts hetzelfde aanduidt ; zie Von 
Klein, Dentsches Provinzialwörterb. Voor zoover 
beide wn. een vermaak aanduiden, dat is een zwie- 
rende of slingerende beweging bestaat, in het 
eene geval op het water, in het andore op het ijs, 
kunnen zij verwant zijn. 

Klenteren*, zie Klonteren. 
Klepperen— Kleppen. 

Met verwisseling van vokaal zijn deze wn- het- 
zelfde als klappet}, klapperen; klippen, klipperen. 
Klepperen wordt gesteld tegenover klinken bij De 
Brune, Nieuwe Wyn in Oude- Le'ersacken, 226: ' 



Hef oude kleppert, H nieuwe dinet, — Eigenaardig 
zegt Scheltema,- Mengel w. IV. ii. 288 : wanneer er 
b^ het referein met de deksels (t.w. der bierkan- 
nen) moest geklepperd worden, — Voor het kleppen 
der klok b. v. De Gort, Liederen, 3J: 

Daar klepte voor hare oudste spruü 
De bittre stet^ens stonde. 
bezigt Van den Bei^h het frequent. Longfellows 
Ged. 64 : 

— op nieuw ioerd daar de alarmklok 
klepprend in het rond gehoord. 
en de vertaler van Rabelais* Werken, II. 122, met 
buitengewone nabootsing: het klinkklankklepperen 
der klokken. — Meest gewoon is het w. van den 
wind of de wieken der vogels, voor 't welk men 
kleppen leest in De Denker, XI. 140: deoo^jevaar 
klept. Bild. Elius, 17: 

Flux schudt hij kop, en hals, en snd>. 
En trapt en klept door 't water. 
Dus Snieders, De Verstooteling, 74: de zoldering., 
waer de wind aller-akeligst met de losse ruiten 
klepperde. Bild. Mengel. IV. 74 : 

Lieflik kleppert aan en af 
H Avondwindtjen over 't graf. 
Dez. Verspr. Ged II 147: 

Daar kleppeK de oievcuir, den gorgd opgeheven. 
Najaarsbl. I. 49: 
Hier stond hy in 'tgeruisch van klepperend ye- 

vleugelt' 
Vermaking, 84: 

— met wijd uitgebreide pennen 
Te kleppren waar het hart hem voert. 
Schimmel, Nieuwe Ged. 58: 

Ik hoor ze daar zwieren^ In klepprende vluchi 
En til (bedrijvend; : 

Klepper uw vlerkjens. Zwaluw^ ncuir 't Oost ! 
Van Oosterzee, Redev. II. 9 : menig winterkoningje 
zich veilig neder kon zetten, om klepperend op- 
waarts te varen. — Ook van andere voorwerpen; 
Vinkeles, Temora, 76: 
Zijn schild hing in den riem, en klepperde onder 

't gaan. 
Figuurlijk wordt het w. van den snappenden mond 
der menschen gezegd; Bild. Naklank, 59: 
Munt de een in *t kleppren op den spreekstod 

heermk uit, enz. 
Meer eig. van de stoombootraderen; Brester, Verspr. 
en Nag. Ged. 125: 

Daar kleppert een boot u op zij en vooruit, 
Macquet heeft, Dichtl. Uitap. L 366: 

— wy hoorden de oorlogspaerden 
Langs de oevers klepperen — 
Westerman, Ged. 1 2: 



349 



KLEPPEREN. 



250 



Als ik H gevleugeld roe zag kleppren met den hoef. 
Van 's GniTen weert, De Ilias, II i3i : 

ïk hoor beecheidenlijk het kleppren van een paard. 
Van hier, in dichterlijken stijl, zegt Weil. klepper 
voor rijpaard. De Thouars, Zriny, 33, bezigde daar- 
Toor klapper: 

— de Sultan^ vlammen achielende als zijn klapper, 

Yan top tot teen verstaald als volkenregt ver- 
trapper, 
BI. 17 der Voon«ede achtte de Dichter het noodig, 
xich wegena dit gebroik te verschoonen. — Bij 
Weiland mis ik de afl. klepping; Sifflé, N. Ged. 
II. 64: 

^tf ^{iffl ^ juichf*nd bü der vleuglen zachte 

klepping. 
De staroenat. klepperriet komt voor in Brender è 
Brandis* Mag III 201: dan slaan de Faunen met 
hunne klepperrieten de maat, — Het primii. klep^ 
pen wordt met kletteren verwisseld, Verv. op Wag. 
XVIL 67: Hel kleppen der Geweeren^ gepaard met 
een luidrugtig Hoezee! Doch lager ald..: dat het 
gekletter der Creweeren anderwerf ten blyk van 
goedkeuring diende. 

Met een voorzetael vindt men wegklepperen; Ten 
Kale, Dicbtw. II. 332 (twee meeuwen): 

Met het lokaas in den snavel weggekleppeinl naar 

de kust. 

De ooijevaar heeft bij Kil. den naam van klep- 
penter en hiervan bij denz. het ww. kleppentee- 
ren, klepperen als een ooijevaar, een woordvorm, 
die «an vreemden oorsprong zou doen denken. Bij 
onze schrijvers evenwel vind ik den basterduitgang 
niet, maar wel den van kleppenter regelmatig af- 
geleiden Torm kleppenteren ; Six van Ghand. Poêsy, 
53: 't Kleppentren van den Oyevaer. Ald. 533: 
^ Ojevaer^ hoor^ kleppentert al, Sleeckz, in Goe* 
verneurs Huisvriend, 1864^ hl. 103: Dat ging er 
in den tuin de» schoolmeesters^ van zingen en tie- 
relieren. . snateren en kleppenteren, gonzen en 
muggelen/ — Uit deze laatste pi. maak ik op, dat 
het w. in het vlaamach nog bestaat; Schuermans 
en De Bo missen het nogtans. De eerste heeft 
alleen kleppenteer voor vlinderboom, en ook vlin- 
der, en mede daarbij zal het kleppen of klepperen 
der bladeren of vleugels in aanmerking komen. 

Klateren', zie E^lateren'. 
Kleteren*, zie Kladderen'. 
Kletteren'— Kletten. 

Geluidnabootsende wn. ten nauwste verwant aan 
klateren; zie Klateren^, Het frequent, wordt ver- 
schillend toegepast; Van der Hoop, Leyden Ont- 
iet,74: 



Reeds klettert van alom een dichte kogelregen 
Van Duyiie, Vad. Poézy, I. 8^: 
De zwoerden krassen, *t zwerk wvêrgalmt en 

klettert. 
Tollens, Ged. II. i(>2: 

Och, hoe kletteren u de tandjes! 
T. vi^. van de koude Bilderdijk, N. Verniak. 150 
Da4ir vaste wind noch stroom uw klelttend zeil 

mag stijveti. 
Arntzenius, Nagel. Ged. Ged. I. 123: 

— als de hageljagt op zijne woning klettert. 
Van Duyse, Ged. 4i: de zweepslag kletteri — 
Bilderdijk bezigt ook nederk letteren voor al klet- 
terende nederslaan, Poêzy, IV. 89: 
Het onweer, dat dees eik verplettert. 
En 's Boumans graanoogst nederklettert. 
De samenstelling kleltertoon^ van karabijnen gezegd, 
vindt men bij Ledeganck, Al de Dichtw. 41. 

Het primit. kletten, dat in Heng. to dat voor- 
komt, treft men aan in de Dichtstukjes door S. 
Monlijn Jsz. (Vlaard. 1854), bl. 13: 

Als niet de regen saditkens stort .. 
Maer buy op buy ter neder klet 
En wey en acker ondereet. 
waarvan het subst. geklet, bij H. H. Klijn, N. Ged. 
I. 41: 't geklet van t oorlogswapen, D. II. üO: 
H geklet van zwaard en dolken, Dez. Filips van 
Egmond, 106: 't Geklet der waapnen, — Doch het 
luidt bij ons gewoonlijk kletsen; zie Weil. E. 
Bekken, De Twee Moeders, I. 198: als ik een zweep 
hoor kletsen. H. H. Klijn, Nagel. Ged. 57: dere- 
gen kletst ter deeg. — Van den Bergh voegt ^klet- 
senen zijn frequent, bijeen in Longfellows Ged. 39: 
Hoe schoon in de regen! 
Hij klettert en kletst op de daken — 
Voor geklet of geklets (van het water) heeft Vr. 
Bilderdijk geklaU, Rodrigo, II. 33: 

— «f oorsprong van den plaschy 
Die met zijn snelle vaart, zijn rusteloos ge- 

klats, enz. 
D. i. dus als rijmwoord; maar dan nu ook buiten 
het rijm, bl. 57 : *t plassende geklets der waalren. 

Weiland heeft klets voor schuld, anders klad- 
schuld, bij Kehrein klitterschulden en klepper- 
schulden^ hoogd. klecks en klitter, bij StalderiUü^- 
ter, waarvan bij Schmeller klitterbuch, kladboek. 
Het nederl. klets in dien zin heeft Noozeman, Be- 
royde Student, 3: 

Goedeïiavont, vroutjes, sou een afgemat geselj 
Die geit, of kleU en heeft by waerden, hier 

nu wel 
VemadUen mogen, op de sacken in u moolenf 
Van Iperen, Obadja opgeh. 4: 



251 



KLETTESIEN. 



262 



Dat koomt 'er af! Want al dat moeven^ 
Die batze hooffmoedy dat gezwets... geeft u nu 

de klets. 
En ook *tww. kletsen voor schuld maken komt 
voor bij Ogier, De Seven Hooftsonden, 32: 
lek UMS verwondert als ick 't hoorden, want van 

fié'en morghen 
Heb ick uytgeloopen otn voor \irlieden te kleisen 

en ie horghen. 
Voor kletsen^ d. i. met een kletsend geluid slaan 
of werpen, b. v. Schutte, Nag. Ged. 167: 
— fUj schetst ten fraaije schilderij 
Mét kladden op 't paneel te kletsen, 
zeide men ook klitsen; Vondel, Poèzy, II. 485: 

— die de teedre harssen 
Van Babels zuigeling op rotsen klitst, en slaet. 
Zie voorts Weil. op Klits. 

Kletteren*— Eletten. 

Kletteren komt bij Kil voor in den zin van *t 
hoogd, klettem, d. i. klimmen, klauteren. In het 
vlaamsch bij Schuermans heeft kledderen en in het 
drenthsche taaieigen kladderen dez. beteeken is ; zie 
Dr. Volksalm. 1846; en Bilderdijk zong, Ovidius 
Gedaantverw. 181: 

— daar hy 's hemels hoogte onzinnig dorst be- 

kletteren. 

Het primit. kletten komt in *t hoogd. in verschil- 
lende dialecten voor; zie, behalve Adeiung, Stalder 
en Kaindl, IV. 8, en beteekent haken, zich vast- 
haken. Wij zeggen daarvoor klitten of klitsen; 
Schermers Poézy, 110: 

Het saamgeklitste hair verbeelde H slangenhooft, 
Zeeus, Overgebl. Ged. 149: 

Als gy haer pruik^ die zy met goutdraet plagt 

te snoeren, 
Nu zaegt in een geklitst — 

Hoogvliet, Ovid. Feestd. 104: 

— Dido, mei bebloede in een geklitste lokken. 
Meest echter, met uitlating der <, klissen; Smyters 
Fab. n*. 37: 

Want hy haer hadde vast gheklisset aen syn been. 
Aid. nV 50: 

Maer ais sy op den rugh haer nag?iels in de wol 

Gheklisset hcuide vast — 
Vondel, Poèzy, II. 9 : 

Hoe zien we nu de grijsheit zijner hairen 
Geverftj geklist van zijn doorluchtigh bloet. 
D. i. aaneengekleefd; dus ook bij denz. Virgil. (in 
Ondicht), 128: zyn boert' hing morssigh, het hair 
u)as geklist van bloet. Gamphuysen, Stichtel. Rij- 
men, 44: 

Wordt oude schuldig hoe dicht op een geklist. 

Door boei en be'e geboet eH uytgewischt. 



Nog bij Van Duyse, De Spellingsoorlog, 76: 
Ik heb ontdekt waerin de Büderdyken missen. 
O, die zyn veel te groen, om ons daeraen te 

klistien. 
Verklissen heeft gelijke bet. M. G. Tengnagels Frik 
in H Veurhuys, 46: 

— vermids het tydverslytent Jüffergedacht 
So niet mitje verklyst is als 'tplach — 
Men vindt daarvoor ook kUssen; De Harduyn, 
Uitgel. Dichtst. 12: 
Mijn haecken, die in 't mergh van David stUlen 

klossen. 
Van der Gruycen, De Spreeckv^. van Sal. 603: 
Maer mits hy is gheklest aen 't grof, en aertsch 

plaisier. 
Zooals het gewone nw. klit, klits of klis ook klef 
luidt bij Kil. en Goornhert, Od. L 31: 

Ondermengt met wHdemis, als braem, netels en 

dessen. 
£n klas, bij Sluiter, Vreugd- en Liefdez. 14: 
Siet men niet, hoe 't snoo g^>oeft 
Aen malkander hangt cUs klassen. 
En vroeger reeds bij onze Ouden ; zie het . Gloss. 
op Der Minnen Loep; die ook den vorm klal bad- 
den, by Kil. kladde, hoogd. kUtte; zie Dr. Verwijs, 
Wap. Mart. 170. 



Kleuteren— Kleuten. 

Den wortel van dit kleuten leest men in De Ge- 
waande Weuwenaar, III. 73: 

Als ik hier wat te zeggen had, zou ik je kleut 

In plaats van Medicamenten en Drank geven, je 

spot met de Gooden. 
D. i. klop of slaag. Het ww. luidt bij Stalder 
kluten, in 't eng? to clout, herstellen, lappen, eig. 
knutselwerk maken, waarbij kloppen te pas komt. 

Vandaar kleuteren, klateren, bij Kil. slaan, klop- 
pen, battre d petits coups, bij Van der Schueren 
cloeteren, timmeren; in de verwante dialecten /;^ü- 
tem, volg. Stalder en Schambach allen harden 
n^echanischen arbeid verrichten, zonder dat geleerd 
te hebben; bij Strodtmann klöttem in denz. zin; 
volgens Herrigs Archiv, VUL 350, is klütem in 
Oldenburg allerlei huishoudelijke kleinigheden ver^ 
richten, en bij Muller en Weitz klötere, langzaam 
en angstvallig-nauwgezet arbeiden. 

Overeenkomstig met de vermelde beteekenissen 
treft men het frequent, kleuteren aan in het Alg. 
VI. Idiot. van Schuermans, en bij onze schrijvers ; 
Jorissen, Gonst. Huygens, I. 377, in een* brief van 
H jaar 1624: totdat ick deur al mtjfi moyt {moeite) 
ben van timmeren en van kleuteren. Ogier, De 
Seven Hooftsonden, 107: 



253 



KLEUTEREN. 



254 



H Isem Timmermana^cist die f onaenf quam om iet 

Te cleuteren — 

Aid. 33 (waar de knecht zegt): 

— idi hielp loat klauteren, en dat ginck my soo 

wel ter handen 

Dat Juffrou heel familiaer werL — 
Volgens De Navorscher, VIII. bl. 183, is kleuteren 
in de plattelandstaal van Noordholland klaar krij- 
gen, b. V. hij zal het wel kleuteren. Elders zegt 
men in dien zin knutselen En volgens Willems, 
Belg. Mns. I. 290, zegt men nog zijn tijd verkleu' 
teren, voor verspelen, beter voor: verbeu zei en, aan 
beuzelingen besteden. In het overijselsch is klut- 
teren langzaam slenteren ; zie Halb. Wdb. Zoo 
bezigt de antwerpsche dichter Hansen rofidkleute- 
ren voor rondslenteren, zich al rondloopende met 
geringe zaken bezighouden; in de pi. aangeh. in 
het Bibliogr. Album van het Leeskabinet, 1868, 
n*- 3, bl. 74: 

Meester, die kleuterde rond, 
en gaf den*paerden te drinken. 

De nederl. vorm van. het prim. kleuten is eigen- 
lijk klutsen, bij Kil. niet zeer juist vertolkt door 
tquatere, concutere" ; 't woord zegt kloppen, tim- 
meren ; zie Weil. en het Wdb. des Inst. op Hooft. 
Vandaar nog eijeren klutsen voor kloppen of slaan, 
▼roeger ook kloieren; dus Horae Belgicae, VI. 101: 

m (d. i.io en) koste in eenre maent ghecrighen 

van mire blare coe eneghe botere, 

wat ie chitae of wat ie clotere, 

het es al te male om niet. 
Van de Venne, Sinnemal, 86: 

Wanneer die [eieren} zijn gheklutst, geklotert 

en ghèbroocken. 
Uondius, Monfeschans, 213: 

— een sause die gebotert 
Met asyn is opgeklotert. 
Ook voor het timmeren van schepen; Bodecheer 
Benningh, Leydsche Oorlof daghen, 11: 
Wie zouw vnllen schepen klutsen 
Om te voeren over *tmeyr? 
De Bo geeft als vlaamsch Modderen en klutteren 
Toor schudden of butsen ; mij dunkt dat ook deze 
wwD. tot klutsen behooren wegens de schuddende 
beweging, daaraan verbonden* 

Als afleidingen der gemelde wn. ontmoeten we 
bij Ricbey klöterey, klöterkn^m, kleinigheden, 
beozelingen ; bij Schambach Müterie, klein, beuzel- 
achtig W6i^; clout,hi] Halliwell stuk of fragment; 
kluttigy in 't Brem. Nieders. Wtb. langzaam, traag, 
klittjey ongeschikt, onhandig vrouwspersoon. Bij 
ODS beUien wij kleutergeld, kleingeld; Alewijn, De 
Puitenr. Helleveeg, 55: 



Noch hebben wy wat snuistery. 
En vry uxit kleutergeld daar by. 
Daar boven in een kast gevonden. 
Bij Kil. ook klotergeld; kleuter* of kloierboek, ad- 
versaria, d. i. boek, waarin kleinigheden worden 
opgeteekend enz. Voorts kleuter voor klein mensch 
of kind; door Bild. Aantt. op Hooft, III. 184, Wil- 
lems, Belg. Mus. t. a. p. en De Vries, Hoofts Ware- 
nar, 217, te onrecht afgeleid van kloteren, d. i. 
kaatsen. Dus Van Swaanenburg, Arleq. Distel. 54: 
By ons zingt zomtyts een kleuter van zestien jaa- 
ren al brandende minnewzerzen, Aid. 104: de re- 
den van Arlequin, die^ reets zo lang heeft droog 
geslapen, doet thans haar dingen^ als een kleuter, 
dat' dekens bevogt, Krook, Krispyn, Barbier enz. 
28: Jy lui jonge kleuters iveet niet waije beet is. 
Dez. De Theezieke Juffers, 8: die jonge kleuters 
weeten, als ze verliefd zyn, honderd duizend kut- 
gen te bedanken. De Denker,. IV. 179: lA tooa een 
kleuter, die eerst in de weereld kwam kyken, — 
Als afleiding hiervan leest men bij £. Bekker, Adele 
en Theodoor, III. 178; de kleuteragtigheid, de 
lompheid enz. — De dichter Ten Kate heeft klui- 
ter, Dichtw. VII. 234: 

Ons groeiden door Gods zegen 
De kluiters boven H hoofd. 
Minder op de kleinheid van den persoon, dan op 
zijne onhandigheid ziende, zeide men bij onsA/u/a; 
dus Gats' Wercken, L fol. 60: 
Noyt kond^ ick gunstigh woordt van Rosemont 

gewinnen, 
Tot Floor, een rechte Kluts, haer eens bestont te 

minnen. 
En fol. 428: 

Sedert noemt gy my een loer... 

En een klimten, en een kluts. 
Bodecheer Benningh, Leydsche Oorlofdaghen, 85: 
Eer dat een reedlijck dier zouw dienen gheene Goden, 
Wilt 't liever kluts, of steen, of hond, of kalf 

vergoden. 

Eleveren— Klevea 

Bij Kil. beteekent kleveren klimmen, 't welk Ten 
Kate, II. 235, te recht afleidt van kleven. Stalder 
heeft lUebem^ kldbem, in denzelfden zin, dat hij ver* 
moedt van'thoogd /cZe6enaf tekomen. Bij Scham- 
bach is het klewemj van '(bij hem almede voor- 
komende klewen. Het eng. bij Halliwell heeft den 
nederl. frequent.- vorm overgenomen in to clever, 
klimmen, opklauteren. 

Weiland vermeldt niet, dat kleven ook weder- 
keerig voorkomt, bij Feith, Verlust, en Eenzaam- 
heid, 150 (Eiken): 

Om wier bemesten stam zich kamperfoelie kleefde. 



355 



KLIJSTEREN. 



9S6 



Klitsteren— Elitsen. 

Dit frequent, komt bij herhaling voor in een 
tractaatje van de helft der i4e eeuw, doorWillems 
meegedeeld in zijn Belg. Mus. III. 234: Die de 
stemme groet of lude clijsterende heeftn bediedet 
clappende enz.... Cl ijst rende stemme bediedet nide- 
cheit. . Die de stemme heeft claef\ sonder clijstren, 
betekent sot, — Dr. Snellaert, die dit stukje, D. X. 
285, andermaal geeft, verklaart het ww. door 
kletteren, klateren enz. De zin schijnt zoodanigen 
zin te eischen, en het prim. is dan, door eene niet 
ongewone letterverplaatsing, klitsen^ hetzelfde als 
kletsen^ dat wij voor verschillende geluidnabootsin- 
gen, ook van de menschelijke stem, kennen. Het 
hoogd. klatschen^ snappen, heeft bij Schroeller de 
frequentt. klattem^ snappen, babbelen, en klittem^ 
vertellen, fiij Halliwell is clish-dash ijdel gesnap. 

Klikkeren— Klikken. 

Beide wwn. heeft bet vlaamsch in DeBo'sIdiot. 
voor een geluid tiets minder en scheller dan klak- 
ken;** zie Klakkeren. Onze dichter H. Meijer Jr. 
bezigde het w. . voor het klapperen der uitwaaijende 
vlaggen, in de Dichterl. Gedenkrolle van 1813, bl. 123: 

Zoo vdok gij hoort haar plooijen klikkeren. 
Yon Klein heeft mede klickem; maar in den zin 
van bevlekken, besmeren; nederl. een kliek voor 
een spat van slijk, kalk of dergel. en klieken, daar- 
mede werpen of bezoedelen. 

Het geluidnabootsende klikken heeft het eng. in 
to diek voor het tikken van een uurwerk; Ver- 
snaeijen voor zeker geluid met de tong tegen het 
gehemelte. Lange Jan, 22: Hij klikte met de tong, 
de hoefijzers van het paard sloegen vuur en de 
wagen rolde daavrend langs den steenweg. — Wij 
kennen klikken en verklikken voor klappen en ver- 
klappen. Het laatste bij Krul, Pamp. Wereld, III. 6 : 
*t Gevogelt in de boomen^ 
Noch stomme waterstromen^ 
Verklikken nimmer Hzoet^ 
Dat liefde^ lievert^ doet. 
Van het eerste heeft Weil. klikspaan voor iemand 
die klikt of klapt; men voege daarbij klikspil en 
lUikkooi ; Vfolwchnien^ De Doodt vermaskert, 41: 
dese dertele klickspille, naer dat sy d^m heelen 
morghen besieh hadde gheweest enz. Antw. Spe- 
len van Sinne, 993: 

Comt ooek sonder toeven ghy lichte clickoykens. 

Die vrolijek hippelen cUs ionghe vloykens. 

En 588: 

Klickoykens fraey, die om een gaey 

Somtij ts Slichten en weenen. 

Verg. klakkooi op Klakkeren. Klikkers en klikker^ 

tjes zijn muilen of sloffen, dus genoemd om bet 



geluid dat zij maken; zie OudMoaos* Wdb. op 

Bredere, en Berkhey, Nat. Hist. van Holland, III. 

574. Vandaar als scheldnaam, Krul, Minnespiegel, 

I. 187 : 
Sy overdenkt in 't hert, en isser dan geen roet. 
Dat desen houten kliek van liefde my antslaetf 

Eene andere bet heeft bet naamw. Van Ryswyck, 

Poet. Luimen, 24: 

Hy hield zich met geen rym'laers op, 
Hy was niet van de klik. 

D. i. van de bende, fr. cliqucy evenzeer geluidna- 

bootsend als claque; zie Scheler. 
Voor klikkeren zegt het vlaamsch ook klakeren. 

Klinkeren— Klinken. 

Klinkeren en klenkeren is bij De Bo een freq. 
van klinken, kienken, ter aanduiding van zekere 
geluiden, zooals van den donder, van den zweep- 
slag enz. Klinkern is ook silezisch, volgens Wein- 
hold. De vorm klenketi is roiddelhd en komt mede 
in sommige dialecten voor, zooals bij Schmeller, 
Staldei' en Schöpf. Zie voorts de nauw verwante 
Klangelen en Klingelen. 

Klipperen— Klippen. 

^Klippen of kUpperen (zegt Oudemans* Wdb. 
op Bredere, 180) zeide men vroeger, waarvoor men 
nn kleppen, klepperen en klapperen zegt.** Het 
frequent, is mij alleen voorgekomen in de samen- 
stelling klippertanden, die behalve btj Bredero, 
voorkomt bij Focquenbroch, Werken, II. 4.S.6: my 
te zien leggen, in myn kooi gedoken, klippertanden 
van kou. Vondel, Poêzy, II. 135: 

Zy klippertant, en zit met naekie scheenen. 
Dez. Gysbr. van Aemstel, 28: 

— ick ben nat, en klippertant van kou 
Westerbaen, Ged. II. 88: 

Hierom ontsien s' hoer niet te sitten klipper- 
tanden. 
Het prim. klippen beeft Van Veltbem voor H 
kleppen des ooijevaars, fol. 226' 

Die Odevare en acht 'es niet, 
Ende leide 't hovet in den necke, 
Ende ginc dippen metten becke» 
Huygens voor 't klapperen van koude, Korenbl. 1.482: 
Laetse lipp en Tanden klippen 
Mette dippen In de schouw. 
Beklippen is verklappen; Van Beverwijck, Vande 
Uitnementb. des Vrouw. Gresl. 544: Maer sy eiende, 
datse beklipt was., bekende datse vergif toege/maecki 
hadde. — Grelijk het subs^ klip gebezigd werd voor 
knip, b. V. Smijters Fabelen, n*. 83: 
— {hy) heeft het hooft ghevat 
En in de kli^ghevaen, die ander vooudevcutghen. 



257 



KLIPPÈREN 



258 



Schatte, Stichie). Gez. III. 124: 

— ^t vogeltje, dat flus in banden. 
Of de enge kooi gevangen zat. 
En pas bevrijd de klip vergaf. 
Zoo beteekende beJUippen ook beknippen, d. i. van- 
gen; Van Velthem, fol. 384: 

Want also alsi liepen scumen... 
In orlogen, so worden si 
Som beclipt. 
HoDwaert, Lasth. der Maechden, II. 327: 
— zoo zoen als sy V huys gekomen was, 
Heeft sy de guackel beklipt op den neste. 
Den Nederd. Helicon, 312 : 

Door liefde groot beklipt in droefheyts strick. 
Maniix, (1580) Ps. 12, vs. 4: 
Hy sal te recht deess^ tonghen. al beclippen 
üie spreken hooch met seer groot onverstant. 
Levens van Plat. fol. 547 verso : sulcx dat de an- 
dere ter aerden vielen eer sy by dien conden ge- 
raken dien sy wilden beclippen. — Af klippen is 
afknippen of afslaan bij Poirters, Duyfken in de 
Steenrotse, 350: die op den boom sit,en besich is 
door synen aerbeyt de vruchten af te klippen. 

Kloddoren, zie Klotteren. 
Eloesteren, zie Koesteren 
Kloe'ereji, zie Klooteren. 
Elokeren— Kloeken 

Het WW. klokeren komt voor in een' brief van 
Christ. Huygens (des groeten Dichters vader), in 
1623 geschreven aan Suzanna van Baerle, door den 
beer Alberdingk Thijm medegedeeld in De Gids 
van 1871, D. I. waar men bl. 285 leest: in ons 
huys, daer vaeder ende moeder, bruer en zusters 
u allen eere, vruntschap, dienst zouden bewtjsen^ 
trakteren ende klokeren, zoo veel ja meer als in 
eenich ander huys of familie — De hoogl. Jorissen, 
die in zijn Gonstantin Huygens, I. den zelfden brief 
opnam, stelde bl. 133 in plaats van het w. een 
vraagteeken, vermoedelijk om de onleesbaarheid 
van de vreemde uitdrukking. Er zal wel van af- 
komen het ylaamsche onbeklokerd^ dat De Bo ons 
doet kennen voor ^onfatsoenlijk, onbetamelijk," en 
dat mij voorkwam bij Despars, Grontjcke van Vlaen- 
deren, I. 105: die herten der menschen, diewelcke 
eerst zo onbeclokert ende onbesneden waren, dat 
ly met dan wilde wouters ende onherede volen en 
schenen ie wezene, D. III. 389: onbeclokerde t(;oor- 
den ende onverdraghélicke injurien. En IV. 322 : 
teel merckende dat metten upgheroerden onbeclo- 
kerden ghemeente... gheen spit te wendene en was. 

De heer Alberdingk Thijm toekende bij het w. 
aan: ikoesteren?" en die gissing geeft de juiste 



verklaring. De wortel des werkwoords is klau, 
in verschillende hoogd. dialecten bekend in de 
uitdr. es thut ihm klau, voor het doet hem goed ; 
zie Reinwald, Von Klein en Kehrein. De laatste 
omschrijft het w. klau door glad, aangenaam, goed, 
wel, lauw of zacht warm, hoogd. glau, helder, zoo- 
wel van het licht als van het verstand, middelhd. 
(bij Lexer) gluche, glan/end, glau^ glou, kloek, 
omzichtig, oudhd. glaw, goth. glaggv, angels, gleaw. 
Als primitief stel ik kloeken, van ons kloek, dat 
Weil. (mij dunkt te recht) brengt tot het hoogd. 
glau, eig. helder, d. i. dus helder en voorts ver- 
standig maken. Klokeren is dan (als gezegd is) 
koesteren, goed doen ; en onbeklokerd eig. onaan- 
genaam, onbevallig, en voorts onbehouwen, onge- 
manierd, onvoegzaam. — Of klökn, bij Ueberfelder 
genoeg zijn, voldoen, er toe behoort, durf ik niet 
uitmaken. 

Klommeren— Kloomen. 

Het WW. klommeren heeft De Wit, De ingeb. 
Edelman (Amst. 1700), 51:* 

— Spel jij geen klommers op myn mouw? 
waarop het antwoord luidt: 

*/c Meen ik u klommeren zal. — 

Het hier gebezigde subst. klommer voor uitvlucht 

of leugen, dat ook Halma en Weil. kennen, komt 

meer voor; b. v. De Gewaande Weuwenaar, 1. 31 : 

Me niH ophouden. Sus, of geen klommers wijs 

moMken, 
Het is hier geen korswijl, maar het zijti zaaken 
Van belang — 
Apollo's Marsdrager, I. 152 : 

En hy kreeg papieren geld : 
Zie, dit zijn de rechte klommers 
Van een goeyen Advocaat. 
Bij Tuinman, Rymlust, 6, leest men: 
Hier geld geen dubben, noch geen kloomen. 
Hier baat geen lappen noch geen zoomen. 
Vermits Hblanketsel is benomen. 
Daar dit kloomen, naar H verband te oordeelen, 
misleiden of uitvluchten zoeken moet beteekenen, 
stel ik het als het prim van klommeren. Weil. 
brengt klommer tot het grieksche xXéfjigicc. 

Klomperen— Klompen. 

De bet. dezer wn. is tot een klomp worden, zich 
tot een klomp zetten. Het primit. heeft men in 
het middelhd. klümpen, in Lexers Handwtb.; bij 
Fulda, Idiotikensamml. klumpen ; en het frequente 
dat De Bq vermeldt, in bet hoogd. klümpem. 

Klonderen, zie Klonteren. 
Klonteren— Klonten. 

KUmt, in het neders. kluni^ etymologisch ver- 

8 



250 



KLCttïTEEEN. 



260 



want aan klomp, kluit^ kloot enz. heeft in den 
Bijbel van 1477 de bet. van een ineengedrongen 
hoop visschen; £zech. 29, vs. 4: ie sal aen enen 
clont vergaderen aen dijtien vinnen die visschen 
van dijneti rivieren. Van Beverwijck, Heelkonst, 
38: eenen Woni vleysctk. — Hooft bezigt op gelijke 
wijze kloot, doch van soldaten gezegd, Tacit. Jaarb. 
fol. 42: de geene die zich aen een kloot verzaa- 
melt hadden. D. i. ronden hoop. — Van kl&nt is bet 
WW. klonten, te vinden bij Trip, Tydwinst, 221: 

— waterkegels, 
In hei stookhuis van Natuur 
Naar de alwyze scheppingsregels 
Saamgeklont uit zoet en zuur 
Meer gewoon echter is het frequent, klonteren, d. 
i. tot klonters worden of maken, in 't eng. bij Hal- 
liwell to clunter in denz zin ; in *t platduitsch bij 
Dahnert klüntern, vloeistoffen, b. v. melk en water, 
ondereengieten ; bij Strodtinann kluntetm, vlas of 
garen in de war, tot dotten maken, 't Woord komt 
reeds bij onze Ouden voor ; Die Dietsche Doctr 52 : 
Dat selve dat die herte can 
Vernemen, dat hringi hoer an 
Die oren ende die oghen met. 
Ende soe clon teren s% qhemeen 
Ende werden twee alsoe een, 
D. i. zegt de variant: kleven zij. Leven van Sinte 
Ghristina, vs. 526: 

— als hoer lede weder quamen, 
ende hoer ierste vorme namen, 
die als een igel waren in een 
gecluntert, alst aen hoer wel sceen. 
Voorts Oudaans Poëzy, II. 21 : 

Een wrong, die klontert om de speer. 
Berkhey, Bat Atheene, 5: 

Ja gy had al uw wol door \ klonteren verlooren, 
Ypermans, Traite de Méd. Prat. 123: so gaef ter 
camere die zieke, ende dats onderwilen vele ende puur 
naturlyc, ende onderwilen clon terende. Aid. lager : 
geclontert bloet. Betkhey, Nat. Hist. van Holland, 
Vni. lOó: dat het zweet tusschen het oude haar 
hetzelve niet doet klonteren D. IX. 389: zoodra 
die (botei^) begon te stollen of te klonteren. Sta- 
tenbijb. Randt, op Levit. 3, vs. 17: het vet, dat . 
door koude klonterende, hart ende brekelick wort. 
Op Job 36, VS. 27 : in de lucht, alwaer sy (de dam^ 
pen) in een klonteren, ende woleken worden Aid. 
op Gap. 2Ü, VS. 8: de dampen der aet^de . in de 
lucht soo V samen clon teren, datse schijften in sac- 
ken gebonden te zijn. Berkhey, aangeh. werk, 
Vlil 47 : een zoogenaamde wen, veeltijds met ver- 
hard vet als zaamgeklonterd. Oudaan, Agrippa, 
370: die de welstand en geaontheiddermenschen... 



bind aan eenige V zaamgeUoote/de mmswiftighe' 
den. Halbertsma, Aantt. op Iberl. Inl. 37: elke 
taal, waar de vormen afgesleten en de lettergre- 
pen zamen^MonXerd zijn. — Berkhey, a. w. IX.3ü: 
het aanbakken en aanklonteren van drek en imi(. 
Aid. 252: de staarten op te houden, en tebeUtlen 
dat dezelve niet aanklonteren. Aid. VIII. 101: het 
haar der koei/en, dat, als aaneen klonterende, ver- 
ilapt en uitvalt. — Beklonteren is bezoedelen, zegt 
Weil. Het is ook met klonters bedekken ; Lublink, 
Verhandd. 1. 98: zulke morssige, béklonierde koeijen. 
Het WW. is mede gebezigd voor sdoor klonters 
heenwaden*'; Dickens, Het verlaten Huis, door C. 

M. Mensing, 388: tot aan zijne natte knieën {door 
♦ 

eene kof*sl natte sneeuw) heen plassende en klon- 
terende. 

Men vindt voorts verkUmteren, in Die Ciruipe 
van mr. Jan Ypermans, 271 : waer bi dat bloet.. 
vercout ende verdict, ende verclontert. Dez. Traite 
de Méd. Prat. 123: ^ro moet (het bloet) verclonte- 
ren biden couden leden da^rt in comt. 

Voor ons naamw. klonters, dat meu leest De 
Stoppelaer, Ged. 19: 

Geen plekjen gronds, daar spade en ploeg 
De vette klonters niet doorbooren! 
heeft Stürenburg klunters en klunders, en die ver- 
zachting der t treft men mede aan in ons werkw. 
Bredere, Lucelle, 53: 

Komt onder-aartsch ghedroght bekloodert van 

het ^jek. 
Zoo leest men in den druk van 1644, welke voor 
mij ligt, en volgens Oudemans' Wdb. (31) ook in 
dien van 1638; de vroegere uitgave van ltj22 beefl 
beklontert; doch de allereerste, door Oudemans ge- 
bezigd: beklautert. De laatste lezing zal wel als 
eene misstelling te verwerpeu zijn : zij levert trou- 
wens geen goeden zin; klauteren gelijk aan klon- 
teren te stellen, zooals de heer Oudemans doet, 
gaat niet aan. En dat klonderen neyens klonteren 
bestond, bewijst één der varianten op de plaats, 
boven uit Die Dietsche Doctr. aangehaald, waar 
men vindt: alsoe dondert si, £n zoo vindt men 
ook beklonderen; Jan Klaasz of Gre waande Dienstm 4: 
— hier leid myn onderrok en Saartjea braite 

bouwen. 
Noch nauwlyks angeraakt, en bei noch even be- 

klonterd en bespat. 
Dat Bredere, Roddr. en Alph. 55, beklenterd 
heeft, is om het rijm: 

Hy heeft soo seer ge-enterty 
H Velt klonterigh beklentert, 
Met nat, zwart., purper bloedt 
Van het Maraans gebroet. 



461 



KLONTEREN. 



962 



AJit afleiding heeft St urenburg kluntrig voor plomp, 
onbeschaafd, 't'vvelk bij Halliwell clunterly luidt. 
Zie KUateren. De samenstelling klonte>^0€tig is 
gebexifrd van lieden, die niet op hunne beenen 
kunnen staan, als hadden zij klonters aan de voe- 
ten; Valentijn, Werken van Ovid. I. 54: de Brui- 
gona, door sterken drank klontervoetig. 

Elooteren — Klooten. 

In de Aantt. op Hoofts Cred. 111. 184, zegt Bil- 
derdijk, dat nkloleren kaatsen is." Zooveel althans 
is zeker, dat klooten oudtijds zulk een ^pel aan- 
duidde. Dus in eene oude Ordonnantie bij Van 
Bleyswijck, Beschr. van Delft, I. 3'*.8: Voert en 
moet niemandt upten Kerchove Kaedsen^ Cloten, 
CMen noch scieten mitten Boghen. Antw. Spelen 
van Sinne, 277: 

Ja armoede menich ander listen verciert 

Die schandeltjck waren om vermonden hier^ 

Dobbelen en botten heeft se yhevonden schie^\ 

Quaerten. Keghelen. clooten tt*^r grooter schande. 
In bet Leven van Sinte Christina beteekeiit het w. 
omwentelen, ronddraaijen ; vs. 1143: 

Doen Umghe alsus de maghet rene 

was geclotel cnde gerindelt, 

omgekeert dicke ende geuuindelt, 

:to dat ken van stuerheiden dies kerens doekte 

dat si verginc — 
Voor klooien in den zin van kaatsen heefl Kil. 
mede bollen, een woord van gelijke vorming. Bij 
Scbambach heet een dei^eltjk spel, bij hem »met 
aardhalletjes werpen" genoemd, kluten, klüijen ; 
naar zulk eene vreemde uitspraak schijnt kloete- 
ren gehoord te worden in de waierlandsche volks- 
taal voor knikkeren; zie De Taalgids, VI. 309. 
Volgens Halb. zegt men in Gelderland kloeten voor 
oudtijds ronde turven. 

Klotteren— Elotten 

Bij Kil. is klotte hetzelfde als klottie^ en klotte- 
r&i als klanteren. Het naamw leest men bij Van 
Beverwijck, üeelkonsta, 24: vette vochtigheydt ,in 
(freynen, ende klotten ghestijft Houwaert, Lusth. 
der Ibechden, I. 816: 

Agatodis dochter die heeft metten viere 

Die cUdereerste potten ghehacken^ 

En heeft daer toe ghebesicht dotten en tacken. 
EnD. U. 747: 

Doode lichamen en zijn maer eerden klotten. 
l'demans, Verkeerde Werelt, 11 : 

Dit kleyne klotjen Aerd\ uyt Niet oock eerst 

geschapen. 
Volgens Hoeuffts Wdb. is klot voor klomp, en 
klotje voor klompje of klontje in Breda nog ge- 



bruikelijk. Het eng. zegt dod^ bij Halliwell dot^ 
cloude en clodge, voor kluit en klonter; cloddy 
voor kluitig,' klonterig, en bij Halliwell, benevens 
clodgy, voor dik, plomp ; en het friesch bij Outzen 
klt4d, kluth, voor klont of kluit. 

Het WW. klotten is mij bij ons niet voorgeko- 
men, doch het wordt aangetroiTen in het eng. to 
clod, tot kluit worden, klonteren; bij Halliwell is 
toclody toclot en toclat aardklonten breken, even- 
als in 't neders. kluten kluiten aan stukken slaan 
beteeken t. 

Met ons frequent, klotteren komt overeen het 
neders. klutem, klonteren; en als naamw. het eng. 
clutter, bij Halliwell bloedklonter. Laat-stgemelde 
heeft mede to clodder, voor klonteren of stremmen, 
en met dien vorm komt wederom overeen hét fre- 
quent kloddereh, voorkomende bij Van Lennep, 
(ied. zoo O. als N. 208 (van het water der Dusse) : 
— hupplend en druppelend 
En klodd'rend en flodderend. 
En bij Hofdijk, Ons Voorgeslacht, IV. 3.2: eer zy 
(d. i. de wasschende vrouw) het (linnen) klodde- 
rend dooj)t en dompelt en als met vinnige handen 
tegen elkander wrijft. — Alsmede beklodderen ; 
Alb. Tbijm, Het Voorgeborchte, 8ü: een der be- 
langrijkste monumenten . is,, met pleister beklod- 
derd. — Het ovenjselsche klodder voor klonter; zie 
N Ned. Taaimag. III. 219 De heer Buser brengt 
daarbij te pas het in onze volkstaal bekende klod- 
der voor borrel, zoopje; langs wat weg, is niet 
duidelijk. Het kan zijn, dat het w. in laatstgem. 
zin, in .welken mij ook klottertje vooi kwam, Herst. 
Uitgelez. Ged. 243: 

Myn vrek heeft noyt half zoo müdadig 
U op een klottertje genood. 
doch waarvoor hetz. werk ook klodder heeft, 292: 

Daar zy haar alle daag zoo vol zuipt als een 

verken, 

In sterke klodder, en in bameveltjes luijn. 
genomen is wegens het dooreenmengen hetzij van 
verschillende dranken, hetzij van suikerklontjes in 
het vocht. Het ww. klodderen, van het naamw in 
dezen bijzonderen zin afgeleid, is dan niet als een 
frequent, te beschouwen. Dat het w. van loddsren. 
sluimeren, slapen, zou afkomen, zooals Tuinman, 
Spreekw. II. 50, vermoedde, zal wel niemand aan- 
nemen. 

Elouteren, zie Klauteren. 
Kluisteren— Kluizen 

Van het znw. kluis, d. i. afgeslotene, afgezon- 
derde plaats of verblijf hoogd. ktause, middelhd. 

klus, kluse, klose^ oudhd. chlutSa, middeleeuwsch 

9* 



263 



KLUISTEREN, 



264 



lat. clusa, oudfr. en eng. (bij 'Halliwell) close, is 
het WW. kluizen, in afzondering leven of wonen ; 
Thirsis Minnewit, I. 21: 

De Man stond geheel verstomt, 
En zeydC wat haat het naare kluyzen. 
Kil. kende dit ww. niet, doch het middelhd. had 
reeds geklusen en verklusen voor opsluiten (in 
eene kluis). Bij ons vindt men daarvoor opMui- 
zen; Rodenburgh, Jacoba, 37: 

Soo dees* Juffrou nu vlucht: sy doet mijns oor- 

deels wel. 
En kluyst haer selven op in een vergeten Cel, 
Gabeljau, Tréurbrieven, 134: 

Ik zit hier opgekluyst, gehoeyd, omringd met 

hoeders. 
Van dit ww. vindt men het frequent, bij Rabus, 
Vermakelijkh. der Taalkunde, 59: 

De heerlijkheid der Grieksche taal verdween, 
d* Aalovdheid of vervoert, of opgekluistert, 
En d'edHe Zon, die eertijds uit Atheen 
Ons toeblonk, als voor eeuwig wierd verduistert, 
Rodenburgh, a. w. 24, heeft hiervoor opkloosteren : 
Hoe ick besloten ben gantsch van de werld te 

scheyden. 
En kloosteren my op, om dienen daer mijn Heer. 
Doch, als van het subst. klooster, lat. claustrum, 
afgeleid, kan dit w. niet als frequent, aangemerkt 
worden. Evenmin is dit het geval met kluisteren, 
een' kluister aandoen, waarvan omkluisteren in 
het Wdb. d. Ned. Taal. Frequentatief is het ww. 
in Vlaerd. Redenrijckb. 104: Nu cluystert u, rriijn 
mont. 

Elummeren— Kleumen 

In het drenthsch is verklummeren verkleumen : 
zie Dr. Volksalm. 1846. Stalder heeft hetzelfde 
frequent, en wel onpersoonlijk: es klummert en 
klammert mich, d. i. de vingers bevriezen mij. 

Het primit. kleumen (zie Weiland) bezigen wij 
meestal in verkleumen, bij Kil. ook verkloemen, 
verklomen, neders. verklamen, verklommen, ver- 
klam men. 

De Teuthonista heeft heclummen van kelde, ver- 
stijfd van koude, en dien deelwoordsvorm ontmoet 
ik mede bij den vlaming De Swaen, Leven en Dood 
van Je.'. Christus, II. 62: 

H Ts eenen grooten Godt^ wiens handen staen 

verklommen, 

Terwyl de sondaers hem tot hunne straf ver- 
dommen. 
Op twee andere plaatsen spelt dez Schrijver ver- 
klonnen, te vreemder, daar het rijm telkens ver- 
klommen eischt; ald. 105: 



Indien hun blinde daed ded^ vu)en mond ver- 
stommen^ 

Hoe word uw tonge niet door myn hedryf ver- 

klonnen ? 
En D. I. Opdr. 2: 

7 Gesicht van uwen glans en seldsaem eygen^ 

dommen, 

Maekt 't hert in myne borst, 't bloed in myn hert 

verklonnen. 
Intusschen, ook bij den anderen deelwoordsvorm 
verkleumd gaat de m tot n over; Van Hoogstra- 
ten, Haegaenveld. 95: z^n vriend, die door de 
koude en reghen van de vorige na^ght verkleunt 
wa^. De firune, Zinnew. 102: Alle zijn leden zijn 
gelijck verkleunt en stijf van koude. Ald. 156: 
Het verstand,., light blind, en verkleunt door de 
koude van de aerdsche vochtigheyd, Gats, Wercken, 
n. fol. 212: 

Ick roepe dat ick kug, en dat het aartrijck dreunt^ 

En al dees grooten hoop die staat gelijck verkleunt. 
Ja, Van de Venne bezigt denzelfden vorm in den 
tegenw. tijd der aant. wijs; Sinnevonck, 25r de 
dorre quaekel -vorst, die stromen sluyt .. en handen 
kleundt. — En 't friesch bij Japicx heefl als infi- 
nitieven voor ons kleumen, zoowel kluynjen als 
klomjen, 

Eluudaren— Kleunen. 

Volgens Laurman, 37, is klunderen in 'tgn>- 
ningsch razen, stommelen ; Kil. geeft het de bel. 
van slaan, stoeten, en Plantijn stelt buysschen^ klo- 
nen en klunderen bijeen met de verklaring «coigner, 
frapper, buquer." De laatste wijst dus tevens als 
primitief aan klonen, ook kleunen, beiden bij Kil. 
in dez. bet. Kleunen, welks afleiding Weil. aan- 
wijst, komt bij onze schrijvers meermalen voor; 
Vondel, Toon. des Mensch. Levens, 137: 

De slagen, H.ongemak, en honger neemt geen end" 
Daar meê hy werd besuxiart, nu kleunt tnen hem 

met stokken. 
Starter, Friesche Lusth. 188 (den vijand): 

Dien hy klopt, dien hy kleunt, dien hy ploegt, 

dien hy weerde 
Van de Venne, Bel. Werelt, 127: 

Hey, die moet ten eersten swijmen^ 
As ick hem maar soetjes kleun. 
Franssoons Giertje Wouters, 18: 
Dat ick jongh was, ick kleunde jou tnit dese 

Vuysten wel en bet. 
Overbeke, Rijmw. 135: 

Soo Jupiter sijn Blincken 
En Donder neerwaerts kleunt — 
Dus nog bij De Bo, Ged. 47: 



265 



KLUNDEREN. 



266 



Aeen, kloekgeapierde Smidj 't is uit dat ge u 

vermoeit 
En kleunt en ijzer kneedt dat op het aanbeeld 

gloeit. 

Zie voorts ook Ouderoant»* Wdb. op Bredero. Men 

vindt het zelfst. nw. kleun^ misschien voor ge- 

kleun; J. Soet, Jocbem Jool, 11: 

En 900je weer komt ick selje hyloo groete 

Met kleun van vuysten, nar, en trappeje met voete, 

Elutteren, zie Kleuteren. 
Knapperen— Knappen. 

Het frequent, is mij alleen bij fiilderdvjk voor- 
gekomen; Geschied, des Vaderl. XIII. 42: 
Maar die Duitsche lepelschrapperen, 

Door hun distelvoer verhit. 
Als zij met de tanden knapperen, 
Knaauwen slechts op H ezelshit, 
Krekelz. II. 121 : 

— dees onstuimige eeuw^ 
Die niemand lust noch rust vergunt, 
By 'fknapprend uilgeschreeuw. 
Hij kan het w. zelf gemaakt oi ook overgenomen 
hebben uit het nedersaksisch, waarin het voorkomt. 
Het zweedsch heeft knappra, en het friesch bij | 
Ootzen kndbbre, kndbbre^ voor 't klepperen des 
ooijevaars. 

Het vuurvirerk dat wij klappertje noemen, heet 
knappert je. De Denker, XII. 291. 

Knaraeren— Knarsen 

Het WW. knarsen heeft in bet vlaamsch, behalve 
de gewone klanknabootsing (waarover zie Knar- 
zelen) ook den zin van knorren, gemelijk zqn, en 
bij uitbreiding gierig zijn ; vandaar in hetz. dialect 
bet freq. knarzeren voor > baatzuchtig en hardnek- 
kig dingen, en traag zijn in 't geven." Ook bij 
Fulda, Idiotikensamml. is knarsen zoowel vknir- 
schen" als imurren," en wordt daaraan gelijkge- 
steld knarfen en knarpen, welk laatste ook bij ons 
bel vlaamsche spraakgebruik bevestigt. In Van 
Effens Uoll. Speet. lY. 385, leest men: dat hy, en 
niemand anders, haar wayer, snuifdoosje, of Eau 
de la Reine-flesje geknarpt heeft. D. i. hebzuchtig 
afhandig gemaakt, beter nog uitgedrukt door ont- 
knarpen of ontknerpen, d. i. al knerpende ontne- 
men; De bekeerde Alchymist (door Nil vol. ard.), 29 : 
( Hy heeft) overal het volk met list 
Haar geld ontknerpt, en weer verkwist enz. 
Kinker, Parodie op De Alrik en Aspasia, 7: 

AWze... 

Op ieder bloempje een traantje wierp. 

En dan — dat traantje aan 't steeltje ontknierp. ' 



Het eng. zegt to gnar en to gnarl voor grau- 
wen, snauwen; bij flalliwell ook krakeelen. 

Knasperen— Knaspen 

Beiden in het Westvl. Idiot. voor «knapperen, 
iets eten dat kraakt of ruischt onder den tand." 
Bij Weinhold heeft knaspem, ook knuspem, knis- 
pem, dergelijke bet; doch bij Kehrein wordt dat 
frequent, ook toegepast op eenigen arbeid, die niet 
vlot van de hand wil Zie wijders Knaspelen en 
Knosperen. 

Knatteren, zie Knetteren'. 
Kneisteren, zie Knisteren. 
Knetteren'— Knetten. 

Het frequent, knetteren dient ter nabootsing van 
een geluid; vooreerst van een brandend voorwerp; 
Jan Zoet, Werken, 138: 

De Teerton knettert op de Vyver, heet van vonken, 
ToUens, Romancen, 47: 

Hij knapt en knettert reeds in d' oven. 
Van der Hoop, Hugo en Elvire, 105: 

De vlam sla knettrend uit de dichtgesloten huizen. 
Waarvan het nw. knettering bij denz Leyden 
Ontzet, 74: 

Een breede vuurgloed. . 

— paart zijn knettring aan 't onstuimig golven- 

suizen. 
Hiel, Lucifer, 12, bezigt in dezen zin knatteren: 
Knatterende stronken, met bang gekraak. 
Storten jamrend in mijnen helschen gloed. 
Ook in proza; Bouman, Gesch. der Geld. Hoogesch. 
I. 145: het knetteren der vuurwerken en eere- 
schoten. — Bedrijvend is het ww. gebezigd door 
H. Maronier, Ged. 68: 

Onder 't smeulend puin... 
Daar de vlam nog vonken knettert. 
Vervolgens van het knersen der tanden ; Bilderdijk, 
Ond. der Eerste War. 127: 

Wat nog de leden krimpt of met de tanden 

knettert. 
Van Duyse, Vad. Poëzy, I. 85: 

De woeste moor, die op de tanden knettert. 
Ten Kate, Tassoos Jerez. II. 263: 

Hoort ! hoe hij met de tanden knerst en knettert. 
Doch voorts ook wel op ander geluid toegepast; 
Van Duyse, a. w. III. 188: Het raedrentuig knet- 
tert. Bilderdijk, Sprokkel. 161: 

Ik hoor van alle kant de donderslagen knetteren. 
Da Costa, Kompl. Dichtw. II. 362: hagelsteenge- 
knetter. D. III. 423: geknetter van 't musket. - 
Het naamw. geknitter; Bild. Krekelz. II. 69: 
— 'i ijzergeknitter van grendels en slot. 



207 



KNETTEREN. 



268 



is van den vorm knitteren^ dien men aantreft in den 
Frieseben Volksalm. 1841, bl. 84: 

Al knitterde de Ivchl ook zoo; 
Een kleumhak die hier zwicht. 
Het boogd. zegt knittem, knaller n^ bij Schultze 
knaetere^ en in 't neders. ook kneteren en gneteren. 
Van dit laatste is gekneler^ Porpbyre en Gyprine, 
fol. 66: 

lek sweer u dat ick u aal aoo in u (kiert gaen sien 
En spotten met u Const en allen u gekneter. 
Het is de Nijd, die bier tot Mars spreekt, in ant- 
woord op diens felle dreigementen ; 't woord moet 
dus beteekenen : gebulder, geraas, getier. In Bre- 
deroof Jerolimo, b% leest men: 

— om dat ick een Edelman heb qualayck af-, 

genomen 
Dat hy mijn niet eerst reverentelijck heeft gegroet^ 
Wanneer mijn simptueuse parsonagie hem quam. 

te moet, 
Hy salueerde my wel^ ma^r met te langen knee- 

teringb. 
Oudemans verklaart dit kneetering door ^draling, 
aarzeling," en dit strookt wel met het verband, 
doch boe *t woord dit beteekenen kan, blijkt niet. 
Indien dit naamw. tot kneteren behoort — 't geen 
ik niet durf bepalen — dan zou het mompeling, 
morring, kunnen aanduiden, ziende op de gemelijk- 
beid des Edelmans, die onwillig scheen te groeten. 
Als ongewone afl. vermeld ik, Van den Bergb, 
Heden en Verleden, 88: 

— de smookj 
Uitknettrend onder Hkankrend s^neulen, 
Den ooi*8prong van knetteren^ knitteretiy knalle- 
ren, kneteren, vinden wij in knitten, door Epkenia 
op Japicx, 177, genoemd als één der verwantscbapte 
termen, anders knetaen^ als in Ciemers Anna Rooze, 
II. 10: een nachtpitje dat m zijn laatste vet staat 
te knotsen. — Den wortel van dit ww leest men 
ald 11: Het lichtje vlamt sterker — nog één kneXs, 
en — nu is 'tuit, — Of ook knitsen^ Snellaert, Ne- 
derl. Ged. 278 : 

Dwijf mach oeconlanghe zwighen, 
Maer cnitsen, scelden ende crighen, 
Daer toe steel altoes hoer moet. 
D. i. preutelen (uit ontevredenheid). — En voorts 
in den wortel gnat, door Tiling, II. 822, aangevoerd, 
en die gekraak, geraas, te kennen geelt. 

Knetteren*— Enedan. 

Het freqiient. beteekent in dezen /Au samend ruk- 
ken, waarvoor Sturenburg knitten* heeft ; in 't ne- 
ders. bij Dahnert is knettem en brj Tiling knid- 
dern het kreuken of vouwen van papier of an- 
deie stof. 



Het naderl. kneden, dat als primit'te beschou- 
wen is, beeft in de verwante talen de t; bet oudd. 
luidt knetany middelhoogd. kuiten^ kneten, boogd. 
kneten^ friesch knettjen en knellen. Onze zachtere 
vorm, die met bet angels cnaedan en 't noordscbe 
hnoda overeenstemt, zoil als frequent, knederen of 
knedderen vereiscben; doch knetteren is met zoo 
menig ander niet naar ons taaieigen gesmeed, maar 
uit naburige dialecten ovei^^enomen. Bilderdijk 
gebruikt bet ww. voor aan stukken stoeten, Na- 
jaarabl II. 53: 

Wat baat me een boot vijf zes, geknetterd tegen 

't strand? 
En verknetteren voor kneuzen. Taal- en Dichtk. 
Verscheid. III. 195: zoo schreien de kuideren en 
verknetteren de rijpe druif die zy in den mond 
wiUen steken. — Dezelfde bet. beeft te (d. i. ver) 
knoteren, in Van Vlotens Nederl. Proza, bl. 87: 
een ape... die mijn mont ende lippen ende tanden 
te knotert. — Vooraf gaat het verhaal dat een aap 
voor de boeteling stond »ende sloecb met eenstien 
to stucken hoer mont ende hoer tanden.** 

Kneuteren— Enutten. 

Kneuteren, ook knoteren, wordt bij Kil. verklaard 
door neuriën, kirren, snappen als een kraai, bab- 
belen; voorts morren, brommen, mompelen, pre- 
velen Het komt mij voor, dat hier tweederlei be- 
teekenis ten grondslag ligt, ten eerste een geluid 
van meerder of mindere vroolijkheid; vandaar de 
vogelnaam kneu, kneuter of knoter voor den vlas- 
vink, bij Bilderdijk vermeld, «Nieuwe Dichtscbak. 
II. 64: 

De blijde leeuwrik zingt het schaatrefid mor^ 

genlied ; 

Hei kneutertj' antwoat*dt uit het riet. 

Kneuteren en knoteren voor zingen der vogels; 
Vondel, Poêzy, II. 124: 

Mtiseh en knoter tjilpt en kneutert. 
De Uarduyn, Uitgel. Dichtst. 115 (van »de voghel- 
keBs") : 

— elek naer lijnen aerd, hier knotert en ciaer fluit 
Berkhey, Oud Holl. Viiendscbap, 29 btj *tkneo- 
tren der karkiet. — Door Oudaan niet zeer fi*aai 
toegepast op 'tgekrijscb der Jonge raven, Uytbr. 
over Job, 188: 

— hoe de ongepluymde raven. . 
Van honger kneuterden en schreeuwdefi al hun best, 

In 'thulpelooze nest. 
Tot kpieutereti in dezen zin zal behooren het zelfst. 
nw. knul. in de gemeenzame spreektaal gebezigd 
voor vroolijkheid, pret; en het ww. zich ve^'knnt- 
teren voor zich vermaken ; Humor. Album, 18t>7. 
bl. 36: 



269 



KNEÜTEREN. 



270 



De xhutters gcutn uit schuttren. 
Wat drukte op straat^ Hoezee! 
De jeugd mag zich verknuttren 
En loopt met moeder meê. 
Anders lich verkneuieren; Busken HueU Schetsen 
en Verhalen, 11. 258: {hij) verkneuterde zich in 
(iê gedachten enz. — Zoo hoort inen ook wel ze^- 
^en: iemand opkneuierm^ voor: opvroolijken. Van- 
d««r kiiutterig voor genoeglijk; De Veer, Trou- 
i-iiigb, lOT) samen heel knatterig over den ouden 
lijd te praten. Halbertsma, Overijss. Wdb. heeft 
knutteren^ hel alleen verklarende door vkneukelen." 
Bij gemis van de opheldering van dit kneukelen^ 
merk ik alleen op, dat ook verkneukelen in bet. 
met verknutteren overeenkomt; zie Kneukeien. 
Moet bij kneukeien gedacht worden aan iemand 
pijn doen door hem met of op de kneukels te 
slaan, dan zou men aan een primiU knetten kan- 
nen denken, waarvan zie op Knetteren^. 

Ten tweede beteeken t het w een geluid van 
ontevredenheid of gemelijkheid, anders door /mar- 
den uitgedrukt, H welk etymologisch van denzelf- 
den oorsprong is, als zijnde eene samentr. van 
ktKhe-'ren, freq. van kno-en. Dus Dryderley Re- 
fereynen (Rott 1614), 72: 
Twijf dit hoorende is uyt het bedde ghesteghen, 
En heeft hem al knoterende inghelaten^ 
Zegghende : Ey dronckaert wanneer zuldy be- 

solen? 
Yan der Gruycen, De Spreeckw. van Sal. töl : 

— gheknoter, en gfiekyf, 
Dat schynt haer eyghen ampt, en hoeren tijt- 

verdrijf, 
Gheschier, Proefsteen, 100: 

In het Ihd'huys hoort^men tieren 
Dvoaeee menschen als de dieren; 
D* eene kneutert, d* ander prolt. 
Orangien Lel y hof, 43: 
Hy heeft gesucht, gesieerU^ gemimmert^ of ge- 

kneutert. 
Ondaan, Poêzy, II. 237: 

— kan het u behagen^ 
Dat zich Apollo quyt met kneu teren, en klagen ! 
Zie meer voorbb. in mijre Lat. Verscheid. 271. 
Vandaar beAmeu^eren, beknorren; Van de Venne, 
Bel. Werelt. aO: 

Noyt en quam ick oyt soo vord* 
Daarme dus bekneutert wort. 
Meugje mijn niet langer veelenf 
'k Geloof niet, dat Van Merwede het w. verstond, 
toen hij in den Uytheemsen Oorlog, M, zong: 
Daer sfaet den Stuerman mei het roer beteutert, 
Duer sie ik al den heelen bras verkneutert. 



D. i. naar 't schijnt : verknold, bedorven, verloren ; 
eene bet. derhalve, die niet met kneuteren is over- 
een te brengen. 

Andere bij ons voorkomende vormen, altijd in 
den zin van knorren,* mompelen, zijn knoiteren en 
gnutteren; het eerste wordt in De Toekomst, XII. 
389, genoemd een vlaamsch gewestwoord voor 
»kneuteren, mompelen, knorren.'' Men leest het 
bij Van Rusting, Gehoornde Duvel, enz. 111 : 
Apollyon dee H eerst sijn waffel 
Op: maar, wijl hy sijn gadt vol hadt^ 
Verslond geen Duvel sijn geroffel. 
Men wist niet, of ^t sijn snats^ of gadt 
WaSj dat so miaiijk knottren konde. 
Dez. Duvels Leven, 186: 

— d' ander knettert, als een besjen, 
Van al de rest het zelve lesjen. 
Dez. De Kat in 't Vagevuur, 86: 

In 'tkort^ al 't gene, wat men hier 
In *t Boek der Schepping van kan lezen . 
Heeft hy het volk eerst voor geknot tert, 
En doe in 'theylig Boek gestelt, 
D. i. voorgepraveld. Bekker en Deken, Sara Bur- 
gerhart, I. 271: ik ben geen knarrepot, die altyd 
legt te gnokken, en te gnutteren op Jongelui. 

Zooals gnutteren één is met knutteren, is bij Kil. 
knorren ook in ouderen vorm gnorren;' neders 
gnarren en gnurren; dus Constth. Juweel, 172: 
Wy en hebben ons daer oen gheenssints willen 

stooren 
Noch acht slaen op haer grim-spijtich gnorren 

oft twisten. 
Goomherts Wercken, I. fol. 493: 

Roertmense aan, men vintse fel, 
Gnorren en knorren is haar spel. 
Westerbaen, Ged. I. 11 : 
Ve Zaelen wierden stil : den een begon te morren 
En op den anderen al mommende te gnorren. 
Ërasmus, Colloq. Famil. 2ü0: Sy gnorden ick en 
weet niet wat van enz. Levens van Flut. fol. 455 
(van een jachthond) : een weynich gnorrende Wolff 
en Deken, Sara Burgerhart, II. 819: een onguur 
gnorren d varken. — Hiervan de afleidingen gnor- 
rer en qnorrig; Bredere, Angeniet, 31 : 

Een gnorrer, een suurmuyl, en een jaloersche loer. 
Focquenbroch, Werken, I. 473: 

Doch, ik mach nu met recht wél vraagen. 
Waarom gy dus gnorrig zyt? 
Hier\an nagnorren; De Denker, I. 74: dat Par- 
menio zyne goede Vrienden . vervrolijkte, door 
Varkens na te gnorren. — Hooft bezigt, met in- 
voeging der t, gnarten, zie het Wdb. des Inst 
en zoo leest men ook bij Erasmus, a. w. 50: daer 



271 



KNEUTEREN. 



272 



8O0 veel Verekens tegen ons gnorten, daer sooveel 
Esels tegen gieren, — En Bredero gnortig; zie 
Oudemans, i. v. Ook gnarren komt voor bij Oudaan, 
Agrippa, Opdr. 2: dat ik. .in een Hond verandert 
ben, en.,, niet en kan^ dan bijten^ aanbassen, gnar- 
ren, en schelden. 

Altf samenstellingen of afleidingen» kwamen mij, 
behalve knotering bij Kil., voor kneutervaAr^ bij 
Heemskerk, in de Versch.Ged. (door Groebe), II. 177: 

Kneutervaer, ghy sufty ghy suft. 
Wijders kneuterig en gneuterig; De Brune, Ban- 
cketw. n. 354: H En is niet vremd, dat den ouder' 
dom kneuterigh en ghemelick is. — Volgens Hoeuffts 
Idiot. is dit adj. in Breda in denz. zin nog gang- 
baar, en knötterig evenzeer in 'tdrenthsch, volg. 
Dr. Volksalm. 1847. Van Dans, Thyrsis Minne- 
wit, I. 76: 

La£t het gneuterighe k^ven 
Zijn alleen voor oude wijven. 
Voorts kneuter voor gekneuter; Poirters, Masker 
van de Werelt, 102: 

— in den ouden krommen dagh^ 
Is H kreunen^ kneuter en geklagh. 
Alleen in de tweede der vermelde beteekenissen 
treft men het frequent, in de verwante dialecten 
aan. Bij Gangier is knóteren knorren, brommen, 
en knóterer bronuner; bij Stalder, Reinwald, 
Schmidt, Kehrein en Lexer knottern^ knuttem, knor- 
ren, toornig «of gemelijk zijn, beknottem bekijven, 
knotterer een gemelijke, knötterig gemelijk, ver- 
drietig, bij Stürenburg knüttrig, knöttrig; bij Scham- 
bach gnattem, gnaddem, gemelijk zijn, schreijen, 
gnötterig, gnadderig, gemelijk; en bij Halliwell to 
gnatter knorren, kijven. 

Het prim. van kneuteren, knóteren, zou kneuten 
en knutten moeten luiden, met den boven vermel- 
den wortel knut; Van Rusting heeft het in knot- 
ten, De Kat in 't Vagevuur, 179 : 

- zidke zotten, 
Als gy, by wyzen, munten uit: 
Hun zotheyt hoort men maller knotten: 
Haar gantze wezen, en getuit. 
Vertoont zich maller, by de wyzen. 
D. i. vroolijkheid bedrijven, aardig uit den hoek 
komen. Vandaar het Sid}. knoddig ; VandeVenne, 
Belacch. Werelt. 73: 

Lacche moet ick mit geschater. 
Om dit knoddigh tongh-getater. 
Van Beverwijck, Schat der Gesonth. 177: c^éknod- 
dige Doctor Rabelais. Harrebomée, Spreekwoor- 
denb. III. Voorw. 290: Toen de vermaarde schil- 
der Droogsloot, in eene boerenkermis, zeker boet^ 
tje mismaakt had afgemaaid, vroeg men hem, hoe 



hij dat menschje zoo knoddig ?uid kunnen beden- 
ken. Valentijn, Werken van Ovid. III. 176: Daar 
sijn mijn digten . dikwijl in u bijwesen knoddig 
beaapt. Aid. 30: een oude fabel vol knoddigheids. 
— Vandaar ook knodderij bij denz. I 182: Insulk 
geselschap moogt gij knodderijtjes uiteenw^nkltid 
op tafel schrijven, wcuir uit s\j lese, dat sij u 
matres is. — Alsmede knudderig; Schimp- en He- 
keld. (Hoorn, 1718), 251 (van Anacreons dulQe) : 

{Het) was zoo listig en zoo koen. 

Dat het, op zyn gezwinde veder. 
Bootschappen voor zyn heer liep doen 

En dat zoo knuddrig, en zoo aardig enz. 
Ik zou in bedenking geven of van het gem. knod- 
dig, door uitlating der n, niet aikomt koddig, dat 
volmaakt denzelfden zin heeft, en is afgeleid door 
Weil. van kodde, coleus, testiculus, en door Bil- 
derdijk, niet minder vreemd, van het spaansche 
coda, fr. coude, elleboog, zie Verscheid. IL 110. 
Verlangt men een ander voorb. van zoodanige ait- 
stooting der n, ik wijs op kudse voor knodse; 
Moerman, De Gléyn Werelt, 77: 
Eens op den middach ginc Diogenes deur die stede 
Met licht, et) met een kudse, dies elck daerom 

loech. 

Van Ghistele, Heroid. Epist. 25: 

Metter kudsen vermoorde hy mynen broeder 

deerlyc* 

In 't hamb. vindt men als verwanten van het prim. 
met de eerste bet. gnadden, het brommen of knor- 
ran van honden; zie Fulda's Wurzelwörter, 159, 
bij Richey gnauen en bij Strodtmann gnauwen^ 
verdrietig en boos zijn. 

Enieteren— Knieden. 

Volgens Oudemans' Wdb. op Bredero, 183, leeft 
het WW. knieteren en knieterig zijn in de volks- 
taal voor »karig zijn, iets noode afstaan." Het 
prim. knieden vindt men in het eng. to gnede,he- 
hoeven, ontbreken, partic. of adj. gnede, karig, zoi- 
nig; zie Halliwe 1; het angelsaks. gnethen, matig, 
gnednes, matigheid, gebrek, gnethelice, karig. Ik 
acht de wn. verwant aan ons kniezen; althans bij 
Stürenburg is knieser en kniesoor niet alleen een 
ontevraden, maar ook een gierig mensch, evenals 
knieper en knikker, 't laatste van 't gewone hoogd. 
knicketi, bij Adelung nauw en op een inhalige wijze 
dingen, waarvan in 't gemelde dialect wederom het 
frequent. kniKkern, gierig zijn, knikker, gierigaard, 
en knikkerig, gierig. 

Knipperen— Knippen. 

Knipperen, anders knippelen, is bij Weil. »met 
het knipperspel spelen." Bij Schambach zegt het 
w. schrapen, gierig zijn, van kniepen (zie Kniete- 



273 



KNIPPEREN. 



274 



ren) ; en bij Tiling het knappen eener kaars, wel- 
ker lemmet vochtig is. Te onzent werd het oud- 
tijds van het klappen der tanden gezegd; vandaar 
knipperingj bij Heyns, Baftaa* Wercken, I. i. 108: 
— even als de kou met knipperingh der tanden, 
De ?UH* met sweeten medenkorteigenheranden. 
En de suneneieWing knippertanden ; Dietsche Wa- 
rande, VI. 225 : 

Daer stoet den gast en knipper-tant, 
Al ist dat hy van binnen brant, 
Poirters, Masker van de Were)t, 277 : 
Daer sat den koelen Jan, en bleef soo knipper- 
tanden. 
En 349: 

Een Vryer... 

Die dickwils sat heel nachten lanck, 
Bevrosen op een steene banck. 
En knippertande voor de deur, 
Udemans, Geest. Grebouw, 145 : 

— door vele Noordsche vlagen 
Hébben wy geknipper-tandt. 
In eene andere samenstelling heeft Heyns knippen, 
a. w. L II. 109: 
Hy ryelt, schud en beeft, behyselt is zijn baert, 
Hy knippe-knerssel-tand — 
Als het is gelijk Bilderdqk zegt in zijne Gesl. 
L 56, dan beteekent de geslachtsnaam van het be- 
kende hoofd der wederdoopers Bemard Knipper- 
dcUing -veen knipmes." Dollen, waarvan ons dolk, 
is treffen, wonden; waarvan ook het friesche dol- 
Itnga, zie Epkema op Japicx en Yon Richthofen, 689. 
Wat wil Hoogstraten in zijn Geslachtlijst (van 
den tweeden druk af aan) op het art. FoWmn met 
de uitdrukking: »Waerom dan ook niet, het Tem- 
pel, e-ven als zekere Yriesche Knipperdolling schrijft, 
het brief f ^ Is Knipperdolling hier een Schrijver, 
of is 't woord als appellatief genomen voor her- 
dooperf 'k Denk het laatste; in den derden en 
vierdoi dmk heeft het w. geen hoofdletter. 

In een schotschrifje van Nomsz, get. Bedenking 
over het Zotte en last. Vaers enz. lees ik bl. 13: 
een trommel Delfse Knipperdolletjes, beschuitjes, 
kraekelingetjes, bestelletjes enz. — Het w. schijnt 
een gebakje aan te doiden ; thans spi*eekt men van 
deifeche jaapmaatjes. Gremer heeft een ww. voor 
toeknippen, toevallen; Anna Rooze, I. 31: de oog- 
leden begonnen te knipperdollen. — Verg. het be- 
kende knikkeboUen 

Wat het vermelde w. knipmes betreft, d. i. een 

mee, hetwelk eene veer doet toeknippen: in de 

hoogd. dialecten heet dat knip en knipper; zie 

Folda's IdiotikensammL en Von Klein. 

Op knipy bi] Schuermans en De Bo op de knip, 



is eene bijwoordelijke uitdr. voor op het nippertje, 
op het punt van toe te knippen; Van derGroycen, 
Spreeckw. van Salomon, 13: 

Als ghy sult zijn op knip, te braecken uwen geest 
De volkstaal past het w. knip toe op den toe- 
stand van den beschonkene; Van Effen, Holl. Speet. 
VI. 144: naar ik merken kon, was het gansche 
gezelschap reeds in eene verheuging, die naar een 
knip begon te lyken. Aid. 400: g^eurt het niet 
dat de Wyn hen al weg heeft, eerze het eens mer- 
ken? en H geen ze met verzagte uitdrukking ver- 
heuging noemen, is dat niet wel nu en dan een 
stevige knip ? D. II. 377 : Zyn CJuiracter is eigent- 
lyk eene natuurlyke dronkenschap, hy is met een 
knip ter waereld gekomen, en die zal hem bybly- 
ven. — Waarvan de volgende spreekwijzen, ald. I. 
467: ik héb maar iens of tweemaal van me leven 
een schoone knip ehad. D. II. 128: Ik wou niet 
garen een knip krygen terwyl een ander nugter 
zou blyven. De Denker, IV; 1C2: Sophronius vaart 
altyd vreeslyk uit tegen de dronkenschap. Een 
man, die eens een knip weg gehad heeft, is by 
hem. voor altoos, zyne agting kwyt, D. VI. 87: 
zo zy .. zich buitens huis gedivef*teert, en een kleine 
knip weg hebben. — Hiervan het bnw. knips; E. 
WolfiT, bij Frijlink, Eliz. Wolff, geb. Bekker en Ag. 
Deken, Bijv. 19: Ik ben knips van blijdschap dat 
ik u weergevonden héb, — Bij Vil mar is knipsch 
flink, net, geschikt, en komt dus overeen met het 
nederl. knap, 

Enisteren— Knisaohen 

Knisschen is bij Kil. hetzelfde als wat Adelung 
het oude knissen noemt, een krakend of knappend 
geluid geven, en 't welk deze als primitief aanwijst 
van 'thoogd. knistem, welk frequent, volgens De 
Nederl. Taal, I. 194, in het groninger dialect voor- 
komt, evenals gnisteren, dat insgelijks bij Kil. ver- 
meld staat. De genoemde frequentatieven beteeke- 
nen in Groningen het knappen of kraken van zand 
tusschen de tanden. 

Het oldenburgsch zegt gniestem, volgens Herrigs 
Archiv, VIII. 351 ; en Benecke zoowel als Stalder 
hebben geneisten, gneisten, voor het knappen van 
vonken of vlammen, en het is van dezen primitief- 
vorm dat Bilderdijk, hier, gelijk zoo menigwerf 
elders, den vorm van het nederlandsche achter- 
stellende aan het anders door hem zoo verfoeide 
hoogduitsch, zijn frequent, kneisteren smeedde, 
dat — men moet het erkennen — de eerste maal 
bij hem in het rijm paste; Mengel. II. 38: 

Wanneer de schrikbre vlam door loof en takken 

kneistert 



275 



KNISTEREN. 



276 



Sprokkel. 119: 't kneistrend overnehot win 't leven. 
En N. Dicbtschak. II. fVi : 

Ziin fakkel klatert reeds van kneisterende vonken. 
De meest gebruikelijke nederl. vorm van knis- 
schen of knissen is eigenlijk knispen, dat in deri 
zin van kraken of doen kraken meermalen bij onze 
schrijvers voorkomt; dus Vondel, Hecuba, 54: 
De 8waer te- 
Heeft al de leen geknispt, en vliegen doen om \yeer. 
Oudaan, Uytbr. over Job 7: 
H Gezelschap legt bestolpt op 7 vrolijk vreug^ 

demaaiy 
Gemortelty en geknispt, men hoortse deerlijk 

kar men. 
Dez. Tooneelp. 283: 

Dcuir knispen hein de leden uyt malkaar^ 
En rib en rug\ het harst 'er al te gaar 
Dez. Eoomsche Mogenih. 243: toen Simon de Sa- 
maritaan,., ter aarde stortte, da^ At/ knispte, enz — 
En dit knispen is het primit van knispemy dat 
Weinhold voor vknitteiii, knappem" heeft, gelijk 
Kiliaans knaspeti het is van knaspem^ bij denzelf- 
de te vinden. Voor het gewone eng. to gnash^ 
knarstanden, heeft Halliwelt to gnaste en togna^spe. 

Enitteren, zie Knetteren*. 
Knoeperen— Enoopen 

In Beets' Gam. Obsc. (5e druk), hl. 264, leest 
men: Klachten^ loopende over geruusch^ znzelingen 
en drüligheden in det\ kop^ knoeperingen in den 
hals. — Dit w waarmede de gewrichtsongesteld- 
heid zal bedoeld worden, die anders de ongelsche 
ziekte heet, onderstelt een ww. knoeperen^ dat in 
één onzer dialecten kan voorkomen voor het nederl. 
knooperen^ zooals het zal moeten luiden als fre- 
quent, van knoopen^ hoogd. knüpfen^ dat Schmel- 
Ier heeft voor het ongesteld zijn van kleine kinde- 
ren, in de vorming hunner hals-, hand- of voet- 
gewrichten. Het fransch heet insgelijks het ongesteld 
zijn se nouer, en de ziekte la nonure. 

Eno8i>eren— Enospen 

In De Bo's Westvl. Idiot. hetzelfde als knaspen, 
knaspereti. Men vindt het w. gebezigd door den 
Schr. in zijne Ged. 101 (van een eekhoorn): 
Het knosperde applen uit mijn handen 
Waarvan opknosperen; ald 99: 

Wie knospert nu mijne applen op? 
Zie voorts Knasperen. 

Enoteren, zie Eneuteren. 
Knutaeren— Nussen. 

Knuiseren^ dat in bet met knutselen overeen- 
komt, leeftt Rken in De Tijdspiegel van 1861, n*.i, 
bl. 54: dan kunstelt en knutsert ze (d i. zijne 



Muze) met moeite 6yee»i, doet wH *i gebouw ver- 
rijzen^ maar vol naden en hoeken. — Zie de af- 
leiding van *t w. op Nusseleny waar blijkt, dat de 
frequentatief-uitgang van knutseren voorkomt in 
Knostem bij Schmidt. 

Enutteren, zie Eneuteren. 
Eoderen, zie Eoeteren 
Eoekeren—Eoeken . 

Het frequent, koekeren leest men bij Beets,Gam. 
Obs. (5e dr.), 264: draaixnghen van 't hart, water 
over hetzelve hart loopende, watergal, koekeren van 
vnnden en wat dies meer zij. — Blijkbaar bootst 
dit woord het geluid na der winden in de darmen, 
en dan komt het prim. koeken overeen met kuchen, 
sterk ademen bij Stal der, chuchen bij Von Schmid, 
kugen^ kogen bij Strodtmann ; hoogd. hauchen. 
Vandaar hebben ook Richey en Schambach het 
frequent, kuchelen, een herhaald hoesten. 

Eoeneren— Eoenen. 

Het werkw. verkoeneren komt tweemaal voor in 
Maerlants Rymbybel, vs. 28829: 

Maer die Romeyne vercoenerden weder^ 
So dat si den ram, die daer neder 
Gheveliet was, na den middach 
Weder rechten daer hi lachm 
En VS. 28842: 

Maer als hem ghebonden umu sijn voety 
So vercoenerden s^n moet^ 
D. i. zoo verkoenerde hem. Dus luiden de beide 
pil naar de variant; de tekst heeft op de eerste plaats: 

Ma£r die Romeyne vercoenden weder. 
En op de laatste: 

Boe vercoende hem sijn moet. 
Men heeft dus hier zoowel het primit. als het 
frequent, werkwoord. De bet. is duidelijk. Ver- 
koenen is koen worden. Men treft dit w. meer- 
malen bij onze Ouden aan; b. v. Meijer, Nalez. 106 
Die Keyser en es niet so bloet, 
Dat hi heeft onser gijten noet. 
Geven wise onsen maten baroenen. 
Dier nu cume van vercoenen, 
Ende vor ons wagen hoer leven. 
Zie wijders de Glossaria op Der Leken Spieghel 
en op Ka rel de Groot e, uit welke blijkt dat bet 
w. ook koen maken beteekende. Kil. kende het 
niet meer. 

Eoesteren— Eoetaen. 

Tuinman gaf de ware afleiding van dit w. i^Kcea- 
teren (zegt hij) schijnt te willen aeggen koeizeren, 
van koetze, een bedstede, waarvan Kóetaen is lig- 
gen H Zoude dan eigentlyk syn, ymand op %jn 
bedde gemakkelyk beaorgen, ak een Kraamvroow. * 



277 



KOESTEREN. 



278 



Het oude Idiot Prussicum van Bock beeft reeds 
kutschen voor te bed liggen; sich einkuschen^ zicb 
te bed inwikkelen ; Weinhold beeft hetzelfde, doch 
daarbij: kusdiem, einkuschem^ iemand doen in- 
slapen, en in 't algemeen teer en zorgvuldig behan- 
delen. Ook Stürenburg heeft, nog nader aan den 
nederl. vorm: kustern^ v^aimen, bakeren. Elders 
beeft het frequent, de l; bij Kehrwn ktUseheln^ in 
't bed warm toedekken, en Gangier kutschelen, dor- 
loter. Hei fi*anBche coucher, naar of van 't welk 
ons koetsen on het hoogd. kuisch&n genomen zijn, 
zie men verklaard bij Diez, Etym Wtb. I. 134, 
en 't verdient opmerking, dat, zooals daar wordt 
meegedeeld, reeds het romanische eolgar^ waarvan 
't fr. coucheTj oudfr. colehiery afkomt, reeds de bet. 
had van toedekken, bij voorb. planten met aarde. 
Uit Weil. blijkt, dat het ww. koetsen bij ons ge- 
bniiklijk is in de papierfabrieken, waar 't betee- 
kent >gef)chepte vellen op vilten doeken leggen." 
Overigens is het w., en was het reeds ten tijde 
van Kil., bij ons verouderd. Het kwam mij voor 
bij Van Swaanenburg, De Vervi*ol. Momus, iO: 
blaft (de Deuqt) tegens het Onregt^ zoo word ze 
MM^ meer geknuppeit^ dan dat ze koetst, en zwigt 
D. L gaat liggen (als eon hond). Aid. 64: die 
knorrige Grieten., koetsen daar als Fidelletjes, 
Zeens, €red. öd : 

— (zy) streelt den Leeu^ bevryt van bandeti, 
Die quispeUtaerty en koetst en lekt haer handen. 
Eigenaardig wordt koesteren^ dat, zooals Weil. 

opmerkt en aantoont, beteekent »door eene aange- 
name warmte troetelen, verkwikken," enz. toege- 
past bij Mourentorf, Twee Boecken van Lipsius, 
18i: Meynt ghy dat onse (oeffenaer) de syne.. 
eoestert met alle leckemyen ende wellust? — Het 
wordt bij ons zeer fig. gebezigd voor de belangen 
van iets voorstaan of de werking bevorderen; 
Vondel, Poêsy, I. 203: 

Daer koestert zy de burgerl^cke zeden, 
T. w. Koningin Ghristina in Zweden. Aid. 218: 

— dit gestamt. . 

— koestert nu den zanglust, en de Min. 
Uoeufft, AiMkr Ges. 25: 

Maar hoe grooier nog is 't minvuur^ 
Dat mijn hijgend har^e koestert! 
Van Gappeile, Nag. Bijdr. tot de Nat 239: dan de 
vijanden een voorgevoel koestei'en uit de eerste 
bedrijven. Berkhey, Natuurl. Hist. van Holland, 
IIL 427 : een magtig ryk Volk, dat den Koophan» 
dd koeetert. — Wij zouden hier kunnen zeggen 
aankweekt of bevordert. In dergel. zin leest men 
bet snw. koestering^ bij Dermout, Nieuwe Leerred. 
1. 77: de koestering en uitoefening van ondeugd- 



zaamheid. — En zoo ook de samenstelling koester* 
plaats voor kweekplaats, bij denz. a. w. I. 234: 
vermits God het is, die de koesterplaats van het 
menschelijk leven opent of sluit. 

Opmerking verdient ook 't wederkeerig gebruik 
des woords voor zich voeden; ZweertsSemiramis.18: 

Dat ik de wraek dien\ die zich koestert tn onze 

aderen. 

Oudaan, waarschijnlijk gedachtig a«n de afl. van 
koetsen, schreef bestendig koetsteren; Roomsche 
Mog. 150 : een schaap. . 't geen. . haar ZoogeUngen 
met de tong lekte en koets terde. Aid. ibi idaarze 
van de Wolvin gevonden en gekoetstert wierden. 
Uytbr. der Ps. I. 108: 

Tot dat de nUlde Zon gerezeru 
Al uxit het Aardrijk voed, en baarty 
Verquikty en koetstert in zijn wezen. 
Toneelp. 29: 

Dus koetstert men het volk in fabelen en groUen 
Poézy, I. 82 : 

O vleiende bed^chHykheid^ 
Om zich te koe' en in zyn zonden 
In De Brunes Bancketv 1. 112, lezende: dezonde^ 
door ghewoonte, ghes* .;. of gekloestert, en door 
hals-starrigheyd verh- <,t. — hield ik dit gekloes" 
tert voor een drukfout. Ik vind echter in het 
Nieuw Ned. Taaimag. II. 225, dat in Zuidbeveland, 
en in De Bo's Idiot. dat in West Vlaanderen kloes- 
teren in zwang is voor »zacht, beleefdelijk en warm 
behandelen der kinderen," en moet besluiten dat 
deze vreemde invoeging der^ eene eigenaardigheid 
is van een zeeuwsch dialect. 

Weil. vermeldt de afl. koesteraxir; hij had er bij 
kunnen voegen, dat het vrouwelijke hiervan luidt 
koesteraarster of koestetxtres, doch geenszins koeS' 
tereSy zooals de anders nauwkeurige Pater heeft 
Nagel. Poêzy, 33: 

Koeeteres van twaar genoegen! 
Plant ij n heeft koesterersse, eene oude woordvorming, 
die met koestereres of koesterares overeenkomt, en 
door mrj behandeld werd Lat. Verscheid. 219. 

Met voorzetsels heeft men aankoesteren, in 
het Wdb. der Ned- Taal niet opgenomen; J. de 
Uaes, Leven van G. Brandt, 30: gemeenzaemheit, 
die zy van tijt tot tijt wederzijts aenkoesterde. 
Berkhey, Wintersche Tegenzang, 9 

— His natuur die nieuvoe kragl in d' adren 

Aankoesterd op het veld., en 't golvensiuitend Duin, 
Higt, Ged. 319: weetetischap en Konst Aankoeete- 
ren. Kist, Verhandd. en Redev. 174: Koesterde hy 
ook verkeerde denkbeelden van den Godsdienst aan. 

Doorkoes teren; Rau, Dicht- en Zedek. Stu- 
diën,. 14: 



279 



KOESTEREN. 



280 



Zon die ten leven wekt^ dcorlioesiev m\i het hart ! 

Opkoesteren; Van Gbistele, Torent. Andria, 
bl. Cv verso: 

Ah tkint gheboren ware, datment ter voeateren 

Sou heschichen^ en wel opcoes teren. 
Vondel, Poëzy, II. 198 : 

— uw voèstervroUy die elk 

Gebaekert heeft, en opgekoestert met haermelk. 

Yerkoesteren;Gabe^au, Treurbr. vanOvid. 72: 
Het Bootsvolk en de Vloot vereyscht noch wat te zitten 
Ter Haven daarze nu maar half verkoesXerd staan^ 
En voortkoesteren: Brender è Brandis' Ka- 
binet, I. 68: Hy moet het vuur dat zynen boezem 
blaaJity door verschelde kundigheden en denkbeel- 
den kunnen voordkoesteren en aan den gang fiouden. 

Eoeteren— Kouten. 

Koeteren is gebroken, gebrekkig, slecht of ver- 
ward spreken. Dus Mauricius, Onled. Ouderdom, 
1. 56: een onbeschaafde Hollandernoemthet Fi^ansch 
spreeken koeteren. De Verwaande HoU. Fransch- 
man, 96, waar Fran^ois zegt: 

»Mais je te peyerai" 
en Jacomijn antwoordt: 

Wat koeterje, wat macdjef 
Bemagie, De Debauchant (1686), bl. 38: 

Ik kan noch een beetje koeteren. 
D. i. fransch spreken. De Ontrouwe Kantoorkn. 34 : 
Wat of die rottige waal wel mag meenenf 
Dat onze Juffrouw lust heefty een half uur met 

hem te koeteren. 
Van der Gruyssen, Ezopus, 85: 

Kunt gy wel koet' ren als zy spreeken altemaal? 
Bekker en Deken, Gom. Wildschut, III. 74: men 
moet met zulke lui meè koeteren, enmeê lagchen, 
Aid. 178: de vreemdelingen iioeieren hun Deensch, 
Noordsch en Engelsch onder elkander. Dezz. Will. 
Loevend, I. 257 : al héb ik niet op H Fransche 
iychool gegaan... om te k« eteren, dat hond noch 
kat het verstaan kunnen. Fokke, Boertige Reis, 
I. 115: daar gingen ze aan 't koeteren en parle- 
vinken^ datje hooren en zien verging Stuart, Nag. 
Redev. II. 122: otn de koeterende tongen aldaar te 
buigen naar de schoone en rijke Nederlandsche 
taal. Lulofs, De Declamatie, 19: die de Neder- 
landsche woorden op zijn Fransch, Engelsch of 
Hoogduitsch koetert en verkromtongt. 

Men vindt het w. ook met de spelling couteren; 
zie de Bijdrage van Oudemans. De afl. coyting 
vindt men (zoo de lezing juist is) in de Stemmen 
uit den Voortijd, door Van Iterson, 155: mit al ie 
vrohker medesprake ende onderlinghe coytinghe 
ontheffet Hi se van den arbeit des weghes, 

In den Teuthonista is koteren, koderen (ook 



kudren, zie op Crancken), kallen, spreken, kozen. 
Men leest dit in den Theophilus, Niederd. Schau- 
spiel, VS. 241: 

Hei nemet vor vruntschop ofte vor hén, 
Hei meint, mit koderen ayt gót ddn. 
D. i. met babbelen, praten, is het goed gedaan. 
Volgens Adelung heeft de hoogd. spreektaal hau- 
dem voor onduidelijk spreken ; bij Richey en Strodt- 
mann is köddem snappen ; bij Von Schmidt kudem 
snel en onverstaanbaar spreken; en bij Kehrein 
kodem het eerste stamelen van een kind. 

De oorsprong van het frequent ligt, wat den 
vorm betreft, in ons kouten, dat van een gemeen- 
zaam aangenaam onderhoud gebezigd wordt, doch 
wel één woord zal zijn met köden, keden, middel- 
hoogd. quiden {quat, gequeden), angels. cwUhan, 
eng. bij Halliwell to quethe (waarvan he quoth,h)\ 
zeide), goth. quithait, allen in de bet. van spreken. 
De omschrijving van het werkw. door »aUesdoor- 
eenhalen," van De Groot c. s. in hunne Nederl. 
Letterkunde (Gron. 1874), bl. 280, is alzoo onjuist 

Samenstellingen van koeteren zijn koeterfoeteren, 
in De Gewaande Weuwenaar, III. 81 : 

Ik hieuw my voor die tijd caché, want ik zou 

H met coeterfoeteren 

Toch niet goed gemaakt hM>en, — 
Koeterwalen; De Verwaande Holl. Fransman, 56: 

Michiel, wel hebtge u nu in alle bey de taaien 

Geoefend, zult gy die u>W Aïunnen koeterwaaien ? 
Asselijn, De Spilpenning, 23: 

— zy diende voel, heel op zyn West frans, te koe- 
terwaaien. 
Langendijk, Ged. II. 161: 

— Je praat van koeterwaaien ; 

'k Kan dat natuurlyk als een povre savojaard. 
Pieruon, in De Gids, 1873, D. L 427: Een Hollan- 
der is een wezen dat met veel moeite zijne spraak- 
kunst leert, het boek sluit, en dan er op los koe- 
terwaalt, juist alsof hij geen spraakkunst bezat. 

Volgens Weil. zegt dit w. »gebroken nederduitsch 
spreken van eenen waal of franschman." Het nw. 
koetervoaal heeft Bredere; zie Oudemans Wdb. 
Vandaar bij Stürenburg kutertjoaalsk, hoogde kau- 
derwalsch, van 't welk Adelung eene andere ver- 
klaring van Fris^ch bijbrengt en voof staat Men 
vergelijke echter daarmede Schmeller, IV. 70. Dat 
het w. koeterwaalsch reeds in het jaar 1379 be- 
stond, blijkt uit Haupts Zeitschrifl, IV. 578. 

Als men in De Gewaande Weuwenaar, III. 31, leest: 

K'tetertje koet, zey Jan van Spanjen. Ik ben 

voor haar niet bang. 

Of ze zuur ziet, en of ze zoet ziet, wy gaan 

onze gang. 



281 



KOETEREN. 



282 



hebben we daar niet te denken aan 't ww. koete- 
nn, maar aan eene verbantering van 't fr. coüte 
que coute; zie Harrebomées Spreekwdb. I. 428. 
De bijvoeging zey Jan van Spanjen. die mijn* 
rriend nog. niet schijnt voorgekomen te zijn, doet 
denken aan een' Spanjaard, die ondersteld wordt 
het fransch te rftbraken. 

Kokkeren'— Kokken. 

Volgens De Navorscher, XV. 45, is kokkeren in 
bet dialect van Westfriesland het klokken van eene 
kip, en dns hetzelfde als kokkelen; zie dit w 

Kokkeren*— Koken. 

Volgens De Navorscher, t. a. p. is kokkeren in 
hetzelfde dialect »voor kok s|;felen, eten gereed* 
maken.'* Ik acht dit w. niet afgeleid van het nw. 
kok; maar eene verhoogduitschte uitspraak van 
kokeren^ freq. van koken. Immers bij Stalder is 
kóchelen op dergelijke wijze het diminutief van 
kochen; en bij Schmeller köcheln koken in ver- 
achtehjken zin, en ook heimelijk voor zich zei ven 
betere spijzen gereedmaken dan voor de huisge- 
nooten. 

Kolderen— Kollen. 

Kolderen is wat Weil. noemt aden kolder in den 
kop hebben, van koeijen of paarden gezegd," d. i. 
in een toestand van dolheid of woede zijn. Dus 
Berkhey, Nat. Hist. van Holl. V. 147: wanneer 
deze (aderen) verstopt zi/n, kwijnt de Koe^ en 
raakt aan het kolderen. Max Havelaar, I. 106: 
vxi/ drommel zie dat paard eens springen, ik ge" 
loof dat hei koldert — Het hoogd. heeft koller en 
koUem in denzelfden zin. Doch zoowel in die taal 
als bij ons is het werkw. tevens gezegd van een 
mensch, die onzinnig is; zoo haalt Adelung uit 
Luthers bijbelvert. 1 Sam. 21, vs. 13, aan: David 
kollerte unter ihren Handen. — waar onze Sta- 
tenoverz. heeft: maeckte hem selven geck. Dus 
bij ons, Berkhey, a. w. V 70: eene dichterlijke 
vrijheid... den Dichter aangewreven, als of hij 
kolderde of misébolde. De Denker, VII. 179: De 
Karel is zot, Hy koldert Fokke, Boertige Reis, I. 
\\\'. Wei, mijn goede man! je koldert! De Thee-, 
zieke Juffers, 13: 

— Maar al die kold'ren, zyn die dan gek f 
Aid. 14: 

— daar zyn ^er weinig te vinden, die niet koldVen. 
Waar ook Usubst. kolderaar voorkomt: 

— wou jy niet wel, dat je zo een kold*raartje 

al had? 
ImmeneeK Voor Opgemimden, 51: 

— Ik vraag H geen kolderend poèet. 

Die niets van noten weet, 

BUderdijk, Krekels. U. 116: 



— stoor u niet aan *t ouden mans gekolder. 
D. i. geraaskal. Berkhey en Bilderdijk nemen kol- 
len, het prim. van kolleren of kolderen in den zin 
van doodslaan, eig. voor de kol van den kop slaan; 
zie des eersten Nat. Hist. van Holl. IV f. 207, en 
des tweeden Verkl. Geslachtl. II. 103. Zoo leest 
men bij Berkhey, t. a. p. 79: Deeze kol is wyders 
de plaats, daar de Vilders de Paarden kollen of 
doodslaan, — Volgens Adelung en Kaltschmidt is 
de bet. van kollen een woest, onzinnig geraas of 
geschreeuw maken, en behoort er toe heteng. coti, 
geraas, gestommel. Die bet. vindt men terug in 
kollem, koltern, bij Kehrein en Schmeller. chol- 
dera bij Tobler, enz. 

Wat beteekent gekoldert in Van Hovens Leedige 
Uuren, 92: 

— Doch 't mocht weezen 
Dat een, die bviten dienst des krygs was, zich 

daarvan 
En over zulk geweld beklcMgen dorst; die man 
Zal straks een ruuw en grof gekoldert Rechter 

krygen. 
Die hem de vierschaar spatid — 
Ik denk geharnast, in fig. zin, van kolder, rok of 
kleed, dat het bovenlijf bedekt, inzonderheid van 
soldaten ; dus Staring, Ged. I. 65 : 

— een witte roos, cUs Leus 
Op 'a kolders bruin gehecht. 
Zulk een rok zal ook bedoeld zijn door Berkhey, 
Zeetriumph, I. 53: 
Als de Oostenwind Eool smakt uit zijn bergspe- 
lonken. 
Op ons Batavisch stratui, waar onze helden 

pronken. 
En met een koljert cuin, nog kampen met de 

orkaan. 
Elders koljer gespeld, bij denz. Oud Holl. Vriend- 
schap, 10: 

Wat zijn, door u bezield, aan strand geen stoere 

knapen. 
Die in den koljer oan den zeerob zijn geschapen. 
D. i. in dat kleed als geboren, van jongs af daarin 
gewikkeld. Dit w. heeft overeenkomst met het 
deensche koUert, lederen rok zonder mouwen, om 
rug en borst te bedekken. Vandaar ook maliën^ 
kolder, zie mijne Handl. tot de Statenoverz. 66. 

Bij Bredere, Schynheyligh, 15, leest men (de 
knecht spreekt, die uitgestuurd was om voor een 
pond vlaamsch Civet met Amber vermengd te ha- 
len, waarmee een brief moest welriekend gemaakt 
worden) : 
Mijn Heer daer ist parfuym. Meester Boudain 

dit seyde 



«83 



KOLDEREN. 



984 



Dat hêt van 't selfds was daer hy mede bereide 
De kolder van de Palts, daer ia so veel a^n wicht. 
Wat 18 de kolder van de Palts f Oudemans Wdb. 
heeft de uitdrukking niet opgenomen. Heeft men 
te denken aan paltrok bij Weil en Kil., doch palttt- 
rok bij Halma, nede'-s. paltrok^ oudfr. paüetocq^ 
eng. pall^ bij Halliweil paUe^ een kleed, een fijn 
bisschopsgewaad, vroeger kleed om een lijk of een 
doodkist? En werd dit ook met muskus of amber 
doortrokken? Ik kan het niet bewijzen, doch de 
pi. van Bredere zou dan verstaanbaar zijn. 

Kolveren— Kolven. 

Kalveren of kolferen wordt door Van Bleyswijck, 
Beschrijv. van Delft, II. 645, (renoemd een spreek- 
woord, dat volgens hem den oorsprong heeft van 
een gild, aldaar bestaande, en geheeten Sint Nico- 
laes Colve, en tot merk hebbende twee kolven 
kruiswijs over elkhnder ligge de sTe sitten coif- 
feren, hier te Delft (zegt hij) is soo veel te seggen, 
als in gezelschap, onder benefitie van een glaesje, 
den tyd te korten, gelijck de Broeders van de Golf 
van ouds gewoon waren." Kiliaan, naar H schijnt 
van den oorsprong dezes woord s onkundig, spelt 
het kolleféren en vertolkt het door een tusschenmaal- 
tijd houden. Mede naar *t schijnt met den bas- 
terduitgang treft men hetzelfde w. aan in Vlaerd. 
Redenrijckb. 412: 

Zijn wy geen grote Maèts? hoe^ 't schijnt ghy 

my niet en kent, 

Wy plegen doch wel V saem een bierken te kol- 

veren : 

Dan alle apreeuw'ry af, en zeght, 't is mijn be- 

geeren, enz. 

Kommereu—Euimea. 

In navolging van Adelung gal Weil. aan bekom- 
meren, naarmate van ^e verschillende bet eekenis 
diens woords, tweederlei afleiding: in Heene ge- 
val van een verouderd kamen, dat nemen beduidt 
en van welke het ww. in beslag nemen zegt; en 
in *t andere van het oude kuimen, zuchten, dat 
aanleiding gaf tot de bet van in nood of druk zijn. 
Jacob Grimm was lang omtrent den oorsprong van 
het w. in het onzekere. In het tweede Deel der 
Grammatik ( 1826) zegt hij, S. 59, dat het mid- 
delhd. kumber, nieuwhd. kummer (dolor), hem 
uitheemsch (fransch encombre, comble) toeschijnt; 
in het derde Deel (1831) noemt hij beide gemelde 
woorden, S. 510, »welligt onduitsch." Het vermoe- 
den van Grimm had reeds onze Huydecoper in 
1772 geuit; in zijne Aantt. op M. Stoke, ill. ^1, 
zegt hij, dat het fransche encombrer^ van combre, 
grpote overeenkomst heeft met ons bekommeren 



en kommer. Het Wtb. van Benecke sprak in 1854 
eenigszins stelliger; bij Kumber in al zijne betee- 
ken issen wijst het op de romaansche woorden, 
waartoe het fr encombrer behoort, en aan het ww. 
kumen geeft het eene afzonderlijke plaats. Ook 
Diez in zijn Etym. Wtb. (1801), I. 134, acht het 
hoogd. kummer uit het romaansch ontstaan En 
laatstelijk schijnt ook Grimm de zaak voor uit{^- 
maakt te houden, want in het Deutsches W5rter- 
buch wordt bekümmem een onduitsch woord ge- 
noemd, gevormd naar 't fransche encombrer. 

Indien werkelijk ons bekommeren rechtstreeb 
uit encombrer is ontstaan, dan is het geen fre- 
quentatief, en behoort, als overgenomen uit den 
vreemde, niet te dezer plaatse. Doch ik zie dat 
nog niet zoo duidelijk in. Dat de genoemde wwn. 
verwantschap hebben, schiint zeker; maar hoe en 
langs welken weg, dit is de vraag, die door Diez 
niet zeer bepaald is beantwoord. Om van het 
subst. colmo, van \ welk hij uitgaat, tot bet fi-an- 
sche décombres en daardoor tot het hoogd. Nummer 
te komen, wordt de redeneering door een «wenig- 
stens" en ivielleicht" verzwakt; en waarom i^ 
daar niet gewaagd van het oudfr. ww. comber, 
dat bij Roquefort evenzeer als combrer vermeld is 
voor met de hand vatten, met geweld nemen, en 
als een primitief kan worden aangemerkt, toet bet 
bij Adelung onderstelde kamen, in denzelfden zin. 
van de frequentt. combrer, kommeren? Daarenbo- 
ven, waartoe behoort dan het middelhd. kumep, 
dat in vorm en bet. zooveel overeenkom.st beeft 
met kummer? Benecke schijnt dan ook niet alle 
verwantschap van die beide woorden te loochenen: 
hij zegt alleen bij kumber of kummer^ dat de af- 
leiding van kumen onvoldoende is. Hildebrand. 
die Grimms Wtb. voortzette, leidt hel ww. küm- 
mem, kummem, af van het znw. kummer en acht 
dit voor 't naast een germaansch woord, welks eer- 
ste bet. in den waterbouw of het krijgswezen te 
zoeken is, in verband met het portugeesche cotn- 
bro, aardhooging, cómaro^ dijk of dam. Tot zeker- 
heid is de zaak dus nog niet gebracht Inmiddels 
veroorloof ik mij, in kommeren nog een nederl. 
frequent, te zien, verwant niet alleen aan de duit- 
sche, maar ook aan de romaansche wn. van o?er- 
eenkomstigen vorm en zin. Fuida bracht de meeste 
hoofdleden dier familie reeds bijeen in zijne Germ. 
Wurzelwörter, 230. 

Kuimen, middelned. kumen, is bij Kil. stenen, 
klagen; dus Lancelot, B. IL vs. 40U19: 

— ten selven stonden 
Daden ai keyen sitten op, 
Daer si mede hüden sere Ik/oer scop. 



KOMMEReN. 



z8o 



Omdat hi aoe cuemde ende êteinde, 
Atgine tnelten handen gereinden. 
D. i. als sij hem met de handen aanraakten. Van 
Velthein, fol. 257: 

Ontfamtelike ginc hi cumen: 
Dat hem *tfolc du8 toas ontlopen, 
iKermen" zegt Le Long. Maerl. Epis. nit de Hist. 
van Troyen (door Dr. Verdam), 84: 

Die helme cloneken van den slaghen 
Yéie Griecken daden ei der cumen 
Ende menghen den sadel rumen 
Antw. Spelen van Sinne, 260 : 
Adiu nichiey iek laet u op tcuaaen kuymen ; 
lek ml hier achter de gordijnen siuymen. 
De Harduyn, Goddel. Wenschen, 30 r 

Och! Och f ick kuym, ie kuech\ ie kertne. 
Aid. 277: 

Ick kroch\ ick kuym\ ick kuch\ ie 8téen\ 
'Ken kan ghedueren in m^ leen, 
Dez. Uitgel. Dichtst. 61 : 
Siet my tnijn lichaam cranck langhs deser aerde 

strijcken, 
En vroeten cUs een heegt al kuy mende naer 't graf. . 
Dautzenbeng bezigt het w. nog in De Toekomat, 
1867, bl. 90 (van eene pas verloste moeder): 
Denkt, hoe ze waardig de liefde vergelde der 

kumende helpetren. 
D. i. kuumvrouwen^ buurvrouwen bij de geboorte 
tegenwoordig (volg. de aant. des Dichters). Zoo 
ook Hiel, Nieuwe Liedekens, 54: 

— nieuwere kuimt er droef gezucht^ 
deehte louter vreugdgeachal. 
Het middelhd. kumen is ziek of ellendig zijn, sich 
kumen^ zich bemoeijen of bekommeren ; het oud- 
boogd. kumjany kuntun, eih kun^an^ treurig zijn, 
klagen, gedrukt zijn, zich bezwaren; zie Graff, IV. 
396. Deze heeft ook bichumjan, beklagen, bij ons 
zich becumen^ Der Leken Spieghel, I 147: 
Hi moeeter tparadije omme rumen. 
Dies wi ons allen noch becumen. 
En lU. 129: 

— die oec dat vereumen. 
Wet dat» hen becumen 
Die zielen, daer ei staen 
In dat vaghevier ghevaen. 
De eig. bet. des woords is, naar ik meen, in het 
naaw zijn, benauwd of gedrukt zijn, benauwen of 
drukken; vandaar bij Kil. het bijw. kuim, kumsy 
nanweliiks, ternauwernood, met moeite; hoogd. 
kaunkj middelhd. kum, oudhd. chumo. Dus Gas- 
sianus, Der Ouder Vader GoUacie, fol. 14 recto: sij 
gheprijsdent seere aat sommiglie met twee broede- 
f^en» ghededen^ daer de twee kume een pont we- 



gens afhadden. Delfsche Bijbel, Gen. 27, va. 90 : 
Gume hadde ysaac dese reden voldoen, so qtMm 
esau. En Gap. 33, vs. 11: Gume mit sijns broeders 
dwange ontfUic hijt — Zie wijders Hu yd. op Stoke, 
n. 186, Kil en Weil. 

Ook het oudhd. adj. kum, zwak, krank, bij Stel- 
der kumy kumig, komt bij ons voor met den vorm 
kiem, dien we lager ook in *tnw. zullen aantt effen; 
Van ófi Venne, Belacch. Werelt, 105: 

Wordje krom, en stijf, en diibbigh; 
Wordje kiem, en drits, eti dorr'f 
in ongewonen zin komt kommer bij ons voor; 
Blommaert, Oudvl. Ged. II. 7:* 

Doe si den vissche ontvaren, 
Ende wech zaylende waren. 
Om te ziene meer wonder, 
Saghen si een eyselic comroer 
Vp dwater voer hem gaen. 
En bl. 23: 

Latet tedp al sachte gaen 
Uier in desen vliete. 
Dat ons niet en sdetp 
Dit eyselike commer. 
D. i. naar ik acht, gevaai*te, klomp, portog* eomotv, 
combro, aardhoop, lat. oumulus. 

Eene der oude beteekenissen van ons bekomme- 
ren is, voornamelijk in gerechtelijke stukken, de 
hand of beslag op iets of iemand leggen, welke 
handeling beschreven wordt door (nu wijlen) Mr. 
A. Noiiier, Bijdr. tot de Kennis van bet burg. Proces 
enz. bl. 24. Dus in Serrures Vad. Mus. IV. 838: 
Int eerste becommeric alle mine leene, die ie hou- 
dende ben, iii jaer lanc de bladinghe, omme mede 
te vuldoene ende te gheldene mijn testament La- 
ger 'Inw. in dezen zin: dat WiUein vor8eit,omme 
de commere ende laste, die hem bliven zullen na 
mi, dat hi behoude alle de bladinghen tsinen live. 
Evenals bij Van Goor, Beschr. van Breda, fol. 311: 
er f ven... medepant wesende van eenighen eomner 
daer 't verkochte goet mede beltist waere. Nijheffs 
Gredenkwaardigh. 1. 237 : soe en mach s\i nyemant 
bynnen onsen landen besetten oft becommei'en, 
om schuit. Van AJkemade, Beschr. van Briele,II. 
fol. 61 : 900 en aai die ghene, die recht spreeekt, 
den anderen, dien hy toespreeckt, binnen oneer 
Stede niet mqghen becoro meren om der schuit 
wille, Fol. 211: verbiedende aen allen,„dievoors, 
persoenen, ofte hare goederen binnen den voors, 
tyd te bekommeren, beletten of arresteren. Van 
Bleyswijck Beschr. van Delft, I. 83: dat mefi hem- 
luiden.. mach arresteren, besetten, noc/ï becomme- 
ren van schulden, D. II. 660: dat op deselfde 
{Jaermarcten) niemand om eenige civile schulden 



387 



KOMMEREN. 



288 



bekommert of gearresteert mcLg werden. Wagenaar. 
Vad. Hist. III. 33: Ook stwU hytoe, dat de Koning 
van Engelandf de Graaf van Vlcumderen en de 
Hertog van Brabant hem. . bekommeren en aan- 
tasten mogen^ tot dat het verdrag voldaan zy. D. 
IV. 289: Eenige Steden, immers Hoorn was zo 
zeer ten agteren geraakt, dat de Poorters... om de 
schulden der Stad, bekommerd werden; en naauw- 
lyks ergens, dan op de vrye jaarmarkten, verschy^ 
nen durfden. Bredere, Moortje, 77 : 

Soo tyen sy nae 't huys hier van Gerrit den Dief, 
En huuren daer een kleedt, of lossent uyt de 

Lommert, 

Ofnaerde Schoyer, of daer 't goetjen is bekommert 

D. i. verpand. Overbeke, Rijmw. 46 (van de kleêren) : 

*s Winters staense in de Lommert, 

En tot Jan Oom vast bekommeit. 
Zie wijders Oudemans' Wdb. op Bredere, en het 
Wdb. des Inst. op Hooft. Deze bet. welke zich uit 
die van benauwen, nauw bezetten of insluiten ver- 
klaren laat, komt ook voor in 'tmiddelhd. ver- 
kummem, verkumbem. £én voorbeeld van be- 
kommeren is mij voorgekomen voor het bezetten 
of innemen van de grenzen van een land ; Delfsche 
Bijbel, Judith 2, vs. 15: hi becommerde die ter- 
mine van dien lande van cilicien tot die einden 
van iaphet En een ander in denz. Bijbel, Ëxod. 
6, V8. 11 en 29: Hoe sal m^ pharao horen son- 
derlinghe om dat ie becommert &vt inden lippen? — 
Sich ie bin becommert van lippen. — Hier schijnt 
men te moeten denken aan «geprangd, belem- 
merd"; eene hoogd. vertaling heeft vverstopft.'* 
Zoo ook Levens van Plut. fol. 377 verso en 381: 
een becommerde spraeck. Bij Wagenaar, Amst. II 
foL 512, leest men: Volgens eene Ordonnantie., 
moet, by bestoeten of bekommerd toater, dubbele 
vragt, in de Koeschuiten, betcuüd worden. — ; Dat 
zal zijn: belemmerd (door ijs). 

De andere meest gewone bet. van het ww. is 
mede een arresteeren of verpanden, doch in ande- 
ren zin opgevat. Zich met, in of door iets bekom- 
meren is zich daarmede bezighouden, er door 
vervald zijn, zoodat ons gemoed, onze aandacht 
daaraan verbonden, verpand of in beslag genomen 
is. Dus N. Reeks van Werken der L. Maatsch. 
VÜ. St. I. 38: 

So, dat onze herte worde rene, 

Ende van allen sonden vri, 

Daer si mede becommert si. 
Die Dietsche Warande, III. 161: 

so dat hi hem becommerde alneen 

met harcj om haer te done vrede. 
Der Minnen Loep, I. 271: 



Hier sijn u deynoden ende juwden. 
Dese gaff si my dus an deelen 
Ende hietse my u weder bringhen. 
Want si en woude mit uwen dinghen 
Niet becommert sijn voert oen. 
Het Gloss. zegt hier: «belemmeren, hinderen"; lie- 
ver zou ik bekommerd zijn verklaren door zich 
inlaten of bemoeijen. De Dietsche Warande, III. 310: 
en es geen tijt dat ie mi nu 
met uwer welden becummeren moet. 
En lager: 

— becommert haer herte met u. 

* 

D. i. vervul haar hart van u. Aid. nog lager: 
dat si nyen woude met geestleken saken 
haer so becummeren noch onledech maken. 
Maerl. Alex. Geesten, IL 142: 

Wat sal di tgoet, dat emmer doet 
Bekummert wesen dinen moetf 
D. i. dat altijd uw hart vervult. Leven van Sinte 
Christina, vs. 170: 

(si) vuegdent also, dat doudste van desen 
met haren gebede becommert soud wesen. 
Belg. Mus. YI. 159: als sy mochte was sy bekom- 
mert met lesen oft bidden. Passionael Winterst. 
fol. 62 verso: Doe sinte barhara die reine maget 
mit desen... gleden aendachtich ende becommert 
was Aid. fol. 170 verso : Boven dit was hi altoes 
in orloghen ende striden becommert. Het Leven 
van Marcus Aurelius, 23 verso: Doet hem aitijt in 
deuchdelijcke wercken becommert zijn. Aid. 49: 
Men sal den wel becommerden mensch altijt voor 
goet houden. B. i. den bezigen, werkzamen; want 
er volgt : ende sonder verder te bevragen^ moetmen 
den ledighen veroordeelen voor boos en quaet. Aid. 
54 recto: als sy hun cracht niet en becommeren 
in goede wercken. Levens van Plut. fol. 144 recto : 
Pausanias becommerde hem hierentusschen met 
den Goden te offeren. Aid. fol. 149 verso: een 
lichte saeck . daermen hem niet als by maniere 
van tijtcortinghe met behoordt te becommeren. De 
Harduyn, Goddel. Wenschen, 517: ten zy dat sy 
hun oeffenen, ende bekommeren met groeten ar^ 
beyt. Houwaert, De vier Wterste, 219: 

— becommert u vlytich nachten en daghen 
In Godes dienst met diligentie. 

Vondel, Poêzy, II. 510 : 

De weereltsche, bedommeri 
Als Marta af en oen. 

Met huiszorgh zich bekommert. 
Westerbaen, Ged II. 316: 

— hebt ghy H huys so weynig wercks, dat ghy 
't So ledigh hebt dat ghy u selven moeyt met my 
En kunt bekommeren met ander luyden saeckenf 



289 



KOMMEREN. 



290 



Wanneer de zaak, die ons bezighoudt, ons niet 
aangenaam is, of wanneer zij ons te sterk inneemt, 
wordt zij tot last en ■ zij kwelt of hindert ons 
eenigermate; vandaar is zich bekommeren van lie- 
verlede overgegaan tot de bet van bezorgd zijn, 
zicii kwellen. Als men reeds in Maerl. Rymbybel, 
VS. mió leest: 

— daer quam 
.ƒ. 8iec wijf^ aUict vernam. 
Die hadde ghecommert ..rmi;. jaer 
Die quade gheest. — 
ligt thans natuurlijk de opvatting voor de hand 
dat de kwade geest de vrouw achttien jaar had 
gekweld; ondertusschen kan men hier ook denken 
aan vasthouden; want de Statenoverz. zegt Luc. 
i% v8. i6, dat de Satan de vrouw gebonden had. 
De spreekwijze van eene ziekte bekommerd zijn 
kwam vroeger meermalen voor, blijkens de aantt. 
van Steen winkel op Maerl. Spieg. Hist. (8vo) III. 40. 
Hoewel wij nu, naar ons spraakgebruik, dit door 
gekweld zouden verklaren, is het meer in overeen- 
komst met vroeger gebruik, evenals Bild. t. a. p. 
bel woord door »bezet, benauwd" uit te leggen. 

Bij de tegenwoordige bet. van zich bekommeren, 
waarvoor Vrouwe fiilderdijk de vrijheid nam zich 
kommeren te zeggen, Ged 91 : 

ó MarthcL, {sprak de Heer haar toe), 

Wat zorgt gy overbodig, 
En kommert u om vele^^leif 
is het merkwaardig, dat zij weder eenigszins terug- 
voert tot het eerste begrip van ligchaams- of ziels- 
aandoening van pijnlijken of onaangenamen aard, 
dat in ons kuimen en het middelbd. kum^m heerscht. 
Intusschen had sich Kumen eines dings volgens 
Beneckes Wtb. ook reeds den meer onverschilligen 
zin van zich met iets bemoeijen of inlaten. 

Het tegendeel van kommeren of bekommeren is 
(mikommeren, losmaken, ontslaan, ontlasten, be- 
vrijden, helpen; een thans geheel verouderd, doch 
vroeger niet zeldzaam woord. Men zeide zoowel 
iemaTid of iets ontkommeren en ontkommerd zijn, 
als zich ontkommeren. Dus, om met het laatste te 
beginnen, Lancelot, B. II. vs 12186: 

Mi dttnct wel, woudic, dat ie mi 
Wel hier of getrecken mochte 
Ende dar af onteommeren sochte, 
Belg. Mus. HL 207: 

Om datter de mensce bi soude leeren 
Hoe hi hem ontcombreo soude 
Van sinen sonden, alsi woude. 
Gassianus, Der Ouder Vader C!ollacie, fol. 28: ten 
séj dat hi hem van aüen desen... pine te onteom- 
meren. Delfsche Bijbel, 2 Sam. 24, vs. 13: iVu 



hier om ontcómmer di : en besich (d. i. bezie) it>at 
reden dat ie hem antwoerden sal die mi gheson- 
den heeft, — De profeet spreekt dus tot David, na- 
dat hij hem de keus heeft gedaan uit drie plagen. 
De Statenoverz. heeft: merckt nu, dat ontcómmer 
di hier weinig opheldert. Op dezelfde wijze zegt 
in Rarel de Groote, 201, Karel tot Garijn, wanneer 
deze te kiezen heeft tusschen oorlog en vrede: 

Nu gaet ende ontcommert u dan. 
Dr. Jonckbloet verklaart dit door »den kommer 
laten varen, onbezorgd zijn," wat echter met het 
oude taalgebruik zoo min strookt als met het ver- 
band. Op beide pil. verklaar ik de gebiedende 
wijs door: wees vrij (in uwe keus), reken u door 
niets gebonden. 

Voorts als bedrijvend ww. Serrure, Vaderl. Mus. 
11.404: 

Ontcommert ntt, Here, van allen dien, 
die ghenoechle es in mijn messchien. 
D. i. verlos mij van al degenen, die zich in mijn 
ongeluk verblijden. Meijer, Leven van Jezus, 97 : 
Ontkommer dat wyf. want si roept na ons. Seve- 
rijns Mengel. IL 36: 

Sonder dat gy u gedagten 
Kunt ontkommeren van druk, 
Huygens, Korenbl. I. 83: 
Onkommert uw gemoed.. 

Schudt pack en baJlasi uyt, ghy die op V vlic' 

gen staet. 
D. i. ontlast u (se. van de zorg voor uwe goede- 
ren). On voor ont is afwijking van het goede 
gebruik. 

Vanwaar dan de lijdende vorm. De Dietsche Wa- 
rande, IIL 162: 

— tehant met dien 
dat si hem bat so emsteleke, 
wart hi ontcommert volcomeleke. 
De bede, die voorafging, was: 

ocht verloost den minsche nu. 
Van Velthem, fol. 28 : 

Make di diere gracie mi 
Dat ie altoes mach sijn bi di.,. 
Ende ie doe dat beha^e oec dij 
So dat mine Ziele ontcommert sy. 
Gassianus, Der Ouder Vad. Goll. fol. 29 verso: hoe 
soude hi vander eenre passien ontcommert mogen 
werden. Aid fol. 57 verso: als un onse herten 
van... der sorchvoudicheit onteommeren. — Vandaar 
ook het znw ontkommerinq, ald. fol. 47 verso: 
eene ruste ende een ontcommeringhe van aUen 
quaden. — Ont- en Itekommeren worden tegenover 
elkander gesteld in eene hollandsche Rekening van 

1419, door Meerman medegedeeld in de Verhandd. 

10 



QM 



KOMMEREN. 



der leidsche Maatscfa. I. 187: ?ieynéieba8tairt^éie 
noch die lokene van leyden niet ontcommert en 
hadde, die hii becommert hadde. Aid. 18^ : dal ki 
ontkommerde een deel goets, dat hii becommert 
hadde, toebehoerende weeskinderen van leyden. 

In onze oude dieven taal is verkimmeren verkoo* 
pen ; zie Hist. ofte Practyke der Dieven (Utr. 1668), 
660, en Belg. Mus. V. 75; in Grolmans Wtb. der 
Spitzbuben-Spr. I. 73, verkünmiem en kümmem, 
koopen. Zoo '\% bij Benecke ^erkumhem in de 
macht van anderen brengen, hetsij door verpanding 
of door verkoop, verkummem (ook bij Schröer) 
verkoopen. Den t-klank, die reeds boven in het 
adj. kiem voorkwam, vindt men ook in het zweed- 
sche hekymmer en bet gallische cymmwy (Bax- 
hora, Ortg. Ga'L 2i ), beiden voor 't oederl. kommer; 
en in 't ww. verkimmeln, bij Kehrein hetz. als ve»^ 
kümmeln. 

Ril. heeft verkommelen, als leeuwsche uitdruk- 
king voor verkouden; dit wordt opgehelderd door 
het eng. cumhly-coUiU bij Ualliwell zeer koud, ver- 
stijfd van koude, eig. overweldigd, aangetast van 
koude, van cumhl^., fr. comhle, volle maat, eng. 
cumbledy gedrukt, bekneld, en ook vei'kleumd van 
koude. Verkommeld van koude is dus hetz. als 
bekommerd van koude, doch bet w. genotnen in 
den zin van prangen, drukken, knellen. 

Koonderen— Eoonen. 

Volgens De Navorscher, 4871, n^ 40, bl. 533, 
bezigt men in Noordhulland de wwn. opkoone^. en 
opkoonderen voor »er beter, frisscher, gezonder 
uitzien," ook van gunstig wordend weder gezegd. 
De wn worden aldaar afgeleid van koon, wang. 
Het WW. koonen, opkoonen, zal dan beteeken en : 
koonen krijgen, dikker van koonen worden. 

Vanwaar komt het znw. koon? Ten Kate, 1. 310 
en Weil. zeggen er niets van, en Bilderdijk zooveel 
als niets. Tuinman bracht het tot het grieksche 
Aüt'€iif, kussen, en Terwen tot kin. Dr. Te Win- 
kel in den eersten druk zijner Nederl. Spelling, acht 
mede het w verwant aan kin, in den tweeden en 
derden druk aan kin en canebeen en spe^t op dien 
grond het meervoud: kónen; doch in den vierden 
druk wordt die verwantschap niet vermeld, maar 
daarentegen gewezen op hel oudnoordsche kaun^ 
en om die reden het meervoud koonen aangeno- 
men, zooals dal trouwens reeds door Ten Kate ge- 
schied was Mij komt koon voor, eene .samentrek- 
king te wezen van koden, Dij Scha ra ba ch wang, 
imderkin, bj Schmeller kodei* en goder, bij Tiling 
ködder. 



Eooflaaven^KoMn. 

Het frequent, komt voor bq Bredero,6riaiw,48: 
Hoy meyneetHge Vty)uw; ay tnyn, iek raee! mmu 

rmeif 
De gemeente kooeeert niel dan etm fnyn eckent 

en enrnrt. 
Zoo leest men 't w. althans volgens OudenuiBs in 
den eersten druk; de latere (van 1622, 16.18 en 
ook van 1644) hebben koeeeert, dat eene misstel- 
ling schijnt; went de tijd vea oe-szeo uit te spre- 
ken was in de zeventiende eeuw voorbij. De zin 
bij Bredero laat wel niet anders toe den te denkan 
ean praten, babbelen, en dos kooe$eren gezegd ta 
achten voor koteren van koien, pniten, waarvan 
ook kotelen; zie Kotelen^ 'k Moet hier echter bij- 
voegen, dat het freqiierit. op r geetaafd wordt 
door hot hennebergsche kuesern^ dat 8ehr5er uit 
fVommann opgeeft. 

Kopperen* - Koppen. 

Kopperen is bij Kil. vroolijk feestvieren. Men 
leest dit ww. bij Bredero, Angeniet, 10: 
De armen vinden kunst en raaly 
Sy schrandriseren vroegh en laat 
AIh den Paf-sack weyd^li^ck koppert, 
En smetst^ en smulty en slempt, en slaapt. 
De heer Oudemans haalt nog eene tweede pi. aan 
uit de Poêmata, doch dit is dezelfde. Weydlijck 
is wat wij nu weidsch noemen, d. i groot sch, prach- 
tig. Verschillende verklaringen van dit woord, 
van 't welk de bekende koppermaandag den naam 
heeft, kan men vinden in Alkem. en Van der Schel- 
lings Displegt. I. 162 — 16i>; onder anderen leidde 
men 't w. af van kop^ drinknap. Volgens Bilder- 
dijk is kopperen van koppen, d. i. koppen zetten, 
bloedlaten ; Huyg. Korenbl. I. 137 : 
Een chii^rgijn in 't gros, die 't al geneest met koppen. 
Dit koppen was vroeger zeer in zwang en ge- 
schiedde in de. badstoven der barbiers. Enkele 
dagen in 't jaar hadden de koppers vierdagen en 
inzonderheid was de maandag na Driekoningendag, 
nog door de boekdrukkers gevierd, hun feestdag, 
dien zij in vroolykheid doorbrachten; zie Bilderd. 
Verkl Geslachtl. II. 11Ó. Van dit koppen- of kop- 
per feest zou dan het ww. kopperen ontstaan zijn. 

Kopperea*~KQiKpen. 

Volgens De Navorscher van 18&8, n^. i(K Bijhiad, 
bl. 147, is kopperen to Siuis watekbrs heet »kruis 
of munt spelen." De benaming ia ontleeod van den 
kop van het muntstuk. De centen, die, op den 
grond gevallen zijnde, met dea Aop [of naamlelier] 
naar boven liggen, komen den omheogwerper toe, 
de andei'e den tweeden speler. 



J 



EORTERSN 



204 



KortoTon — ^KortBn. 

Den freq. Torm af karteren ontmoet men bij Van 
Doorninck en Nanninga Uitterd. Bijdr. tot de Gresch. 
▼an Overijseel, I. 1(X5: vmt van de slaep... af geYor- 
tert Aan worden^ behoort altemael geêmployeert te 
worden. (In een stuk van omstreeks 1611). — En 
verkorteren in een geldersch document van om- 
streeks 1484, N. Reeks van Werken der leidsche 
Maatscfa. X. 232: dat tmj .. dairmede hoven Got^ 
recht ind reden onreefUicken heezvoeert^verechfert, 
ind verkortert werden, D. i. verkort, zooals men 
ald. 906 leest : onvereehtert, onverkurt ende onver- 
mynrei. — Het frequent, komt echter in verschil- 
lende verwante dialecten voor; Stalder heeft ab- 
verkünem^ afkorten, Von Schmid kürzem^ korter 
worden, en het middel hd. bij Benecke kürzeren^ 
korter maken, /ie Frisch, en vooral het nauwkeu- 
rige artikel van Hildebrand. 

EoBteren^— Kozen. 

Kil. heeft kosteren voor mon-en, tegenpruttelen, 
en Huydec. Proeve, II. 472. plaatftt het op zijne 
lijst der frequentatieven. Het w. schijnt van éénen 
oorsprong met kosslen, malle dingen praten, bij 
Bock, en dan van kozen^ praten, waarvan zie op 
Kozelen en Koosseren; of anders van kaussen^ 
kay^chen^ bij Schmeller voor twisten, krakeelen. 

Kostereu*— Kozen. 

In het overijselsch dialect is kosteren loopen, kui- 
jeren;ziehet Nieuw Ned. Taaimag. III. 224. Dit 
w. kan verwautschap hebben met kösen^ bij Schöpf 
rondloopen, waarvan ook de frequentt. kesseln ald. 
vermeld, küseltt bij Richey en köteim bij Danneil 
in gelijke beteeken is. 

Koteren'— Koten 

Aoteren^ ook /cetOuren, is bij Kil. h«tz. als pote- 
m, peuteren, an inaonderheid gexegd van het peu- 
teren in of tosschen de tanden, om ze te reinigen, 
anders stoken of wroeten genoemd. Dus reeds bij 
Kansler, Denkm. II. 246 : 

— ai mochtiit proeuen al 
Met goeder orconden^ dat loghen ware^ 
Nookian 90udijt houden openbare^ 
Ende meer sine tonde coteren mede^ 
Dan hi te voren dede — 
De sf reekw. sine tande coteren is hier spreek- 
woordelijk voor xich schoonmaken of zuiveren. 
Ia den eig. srin is bet bij Goetman, Spyec^bel der 
Jongfaere, va. 396: 

— wUt niet spreken een dorper woert 
Noeh niet veel coderen oen u tande, 
Poirtera, MaskBf van de Wei elt, 211 : op de atraet 
koterdeo hy egn tanden^ seggende^ dalter de pa- 



trijsbeenijens noch tusschen saten. — Figuurlijk bij 
Six van Chand. Poêsy, 40: 

— op dcU geen jeukerige tanden 
Sich kootren, ons ten hoon^ op H snappen van 

de pars. 
Ald. 313: 

Dit is een bekje^ om kokodrüle tanden 
Schoontjes te kootren — 
Voor steken of stoeten leest men bet w. in Wil- 
lems' berijming van Reinaert de Vos, 31: 

Vuilmaert scharpöog, een der slooren. . 

Koterde ook al naer zyn oog^ 

Met een lange scherpe stave. 
Prudens van Duyse heeft opkoteren. De Spellings- 
oorlog, 93: 

Als ik zijn schriften leeSy dan sUiap ik en met een^ 

En diende wel eens opgekoterd. 
D. i. opgepord. In De Brunes Bancketw. II 213, 
leest men : 7 gaet zoo ghemeenelick, dat de koteringh 
van den boomgaert meer weerdt i*, als de volle 
pluck van 't ooft — Weil. brengt dit znw. tot kote- 
reny doch wijst de bet. niet aan. Het w. zal por- 
ring, aanstooting, moeten beduiden. 

Het prim. koten is het hoogd. kutten^ graven, 
waaVvan auskutten, orograven, doorzoeken. Schul- 
ler heeft daarvan kottem^ ijverig zoeken, woelen, 
wroeten, welk w. dus met ons Koteren^ keuteren^ 
overeenkomt. 

Koteren,* zie Koeteren. 
Kouderen— Kouden. 

In den Spectator van 1874, n"*. 25, leest men 
bl. 207 (van een in De Gids geplaatst opstel van 
prof. Veth) : dit verouderd en verkouderd verslag 
van Veth. — Flanor smeedde dit w. zeker wel om 
den wil van het voorafgaande verouderd. De fre- 
quent, vorm intusschen is niet geheel nieuw; ook 
Von Schmid heeft in zijn Schwab. Idiot. kdltem, 
koud worden, onpers. es koldert. 

Het WW. verkouden zie men bij Weil. ; doch al- 
daar ontbreekt het wederk zich verkouwen^ ver- 
kouwen worden; E. Bekker, Adele en Theodoor, I. 
109: ik dank den Hemel, dat ik nu niet lyerpligt 
ben^ my op de straten van Parys^ of op den weg 
naar Versailles te verkou wen. 

Kruideren— Kruiden. 

Bij Weil is kruideren »een stuk nieswortel op. 
de borst van een paard leggen, om het van eenig 
ongemak te genezen.'' Kruiden heeft de meeral- 
gemeene bet. van »met kruid of specerij bestrooi- 
jen of vermengen." In de verwante dialecten is 
'de frequentatief vorm niet geheel vreemd In het 
neders. is verkrüed en verkrüederd wat naar krui- 



295 



KRUIDEREN. 



296 



derij of specerij smaakt. Bij Stalder en Schmeller 
vindt men in die bet. krauteln^ *t welk bij den laat- 
ste tevens rapen ontbladeren is. Kruden en krüW' 
wen is daarentegen in 't neders. kruiden verzame- 
len of lezen. Dat het meerv. van ons subst. kruid 
voorheen ook kruideren was, zie men in mijne 
Lat. Vet^ch. 274. Bij Weil. mist men doorkruiden, 
dat gelezen woi'dt bij Lesturgeon, Verstrooi! ingen, 2 : 

Waar de gedienstige tochtjens van H Zuiden. 

— heel de luchtkreite tnet geuren doprkruiden. 

Kudderen— Kudden. 

Kudderen is in onze volkstaal een voorwerp af- 
wasschen of schoonmaken, doch op eene ruwe of 
achtelooze wijze. Men zegt ook iets afkudderen. 
Den doek, dien men daarbij gebruikt, anders vaat- 
doek of afneemdoek geheeten. noemt men wel 
een kudder. Een kuddeman is gezegd van iemand, 
die onzindelijk is, zich niet behoorlijk wascht; 
Van Teylinghen, Parad, der Wellust. 105 : doet 
niet ghelijck die van Dardanien.. die moer dry- 
maela in als (d. i. alles) ghewasschen wierden... 
ghy soudt segghen, niet datse menschen waren, 
maer kuddemans. — Het w. is van kodden bij Ti- 
ling, met de daarvan saamgestelde en afgeleide kod- 
dein, uutkoddeln en kodde-waschen, voorkomende 
in den zin van 9in haast en luchtig linnengoed 
wasschen." Schambach omschrijft koddeln door 
»een kleine wasch doen, in welke niet veel stuk- 
ken en dezen niet met de gewone zorg gereinigd 
worden." Over den oorsprong van kodden geeft 
Tiling eenige gevoelens; wellicht behoort er toe 
kuder, grondsop, en verkudem, grondsop oproeren, 
troebel maken, bij Schmeller opgeteekend. 

Euideren— Euij en 

De Teuthonista heeft cuydren en cudren voor 
ziek zijn. sukkelen, kwijnen. Het w. komt over- 
een met kuvem, bij Richey ziek of zwak zijn, en 
met kudeln, bij D&hnert ziekelijk zijn, nooit ge- 
heel gezond worden, waarvan bij dezen kudely, 
bestendige ziekelijkheid. De afwisseling, die men 
hier aantreft van de d en v, doet vermoeden, dat 
die consonant is ingevoegd, en dat het prim ww. 
ku-en, kujen^ nederl. kuijen, zijn zal. Fulda, 74, 
brengt het hamb. kuvern tot €en vf oriel ku f of kut, 
die duisternis, slaap, vermoeidheid, beteekeni, en 
waaraan hij het angels, scydan, overschaduwen enz. 
zelfs het nederl. Aooi/(;n, gaan slapen, verwant acht. 

Kiii j eren'— Kuiden. 

Bij Kil. 'iskuijeren spelen, schertsen, kouten; bij 
Plantijn kortswijlen, en bij Van der Schueren (die 
op (.lallen ncoeijet^en' heeft) kallen. Zoo leest men 
in M. G. Tengnagels Aemsterd. Lindebladen, 40: 



— ik kan niet meerder wenschen 
Als met jouy mijn keizerin, 

Afgezondert van de menschen. 
Dus te kuiren van de min» 
Die bet. leeft nog in bet geldersch dialect; zie mijn 
Taalk. Mag. H. 413 en III. 47. Men leest hekuije- 
ren voor bespreken, bepraten, in den Geld. Volks- 
alm. 1802, bl. 95: dat zal komnten dd'k die dinge 
nog al ens bekuujere met den ien of ander. 

De oorsprong van dit frequent, werd het eerst 
door Siegenbeek aangewezen. In mijn aangeh. Mig. 
III 296, vermoedde hij, dat kuijerenj in den ge- 
melden zin, in verband staat met kuiden^ bij Kil 
voorkomende, voor knauwen of kauwen; eene af- 
leiding, die later door Van den Helm, Proeven v«n 
Woordgr. I. 22, werd bevestigd. Ook bij Schöpf 
vindt men kuien, kojen, kuid^n^ en bij Von Schmid 
kuijen voor kauwen ; bij den laatste einkuijen voor 
licht en duidelijk maken, als brij instrijken, dat ik 
opvat als door veel praten iets duidelijk maken, 
iemand iets inpraten. Men zie ook Keuvelen, met 
welk w. kuijeren in oorsprong en bet. nauw ver* 
want is. 



Kuijeren*—] 

Kuijeren beteekent ook, en deed dit reeds ten 
tijde van Kil., wandelen; b. v. Valentijn, Werken 
van Ovid. II. 41: soo ik langs strand na mijn ge- 
woonte op 't sand keuier. Fokke, Vei*zam. der 
Werken, X. 127: wanneer de wolf naast het lam 
zal kuijeren. De Gort, Liederen, 235: 

Ik kuier langs het groene bosch. 
Het w. is gemeenzamer en minder edel dan wan- 
delen. Sommigen achten het w. in dien zin één 
met kuijeren, praten; zie Van den Helm, Proeven 
van Woordgronding, I. 22, en — hoewel langs 
een anderen weg — ook Halbertsma, Overijss. Wdb. 
Die verwantschap, of liever, die éénheid, is mij 
nog niet duidelijk. Kuijeren. voor wandelen, waar- 
aan Kil. het denkbeeld verbindt van zich te veiv 
lustigen, en 't welk in 't holsteinsch kaiem, en in 
't helgolandsch bij Oelrichs, 45, keuere luidt, acht 
ik verwant aan het hamb. kueln, wentelen, rollen, 
het nassausch (bij Kehrein) kauwen, keuwelnj 
kaweln, kuweln, eenig voorwerp voortrollen, of ook 
(van kinderen gezegd) zich ergens laten afwente- 
len. Kuijeren is eig. zich voortbewegen of zich 
beweging geven uit vermaak, en het prim. ww. 
ligt in ku-en, kuwen, nederl. kuijen, hetxelfde, wat 
Bild. kogen noemt, waarvan ons kogel, hoogd. ku- 
gel, en (zonder de g) zweedsch kuUL^ boheemsch 
kaule, kule enz, als voorwerp dat gerond is. Met 
invoeging der s in plaats der y, heeft men hiei^ 



2Ö7 



KUUEREN. 



298 



Tan koicity bij Schöpf omloopen, rondloopen, van 
't welk het frequent, ktueln bij Schambach voor- 
komt voor in een kring ronddraatjen. 

Aan gissingen aangaande de afl. van ons ww. 
kuijeren heeft het niet ontbroken. De Tael- en 
Dichtk. Bijdragen, II. 296 u, leidden het w. af van 
gieren; Weiland van keeren; Bild. vanmetde/:eu 
of hui drijven, Geslachtl. II. 142; Halbertsma van 
queue^ staart, Overijss. Wdb. ; en Brill van tijeren^ 
frequent van t(/en, gaan, Uoll Spraakl. 467. 
Hooft bezigde kuijeren bedrijvend, Ged. fol. 225; 
Daer was *er die H beleidl van stip tot stip^ naa 

reeden 
Van staat gekuijeH... opwoegen haven al. 
Ned. Hist fol. 777 : '/ waameemen der weeghen, 
waar door de dingen gekuyert loarden. — In 't 
eerste doser voorbeelden verklaarde Weil. hetww. 
door kouten; het Wdb. des Inst. legt op beide 
plaatsen gekuijerd te recht uit door: gevoerd, 
geleid. 

Het werkw. komt met verschillende voorzetsels 
voor; aankuijeren, in het Wdb. der Ned. Taal 
alleen vermeld; Fokke, Boert. Reis, III. 146: De 
Turken^ hen (de Christenen) daar zoo eenvoudig 
en ongewapend ziende aankuijeren, wisten zelve 
niet enz. — Afkuij<)ren, langzaam afgaan, bij 
Hooft; zie het Wdb. des Inst. — Bekuijeren; 
Valentijn, a. w. 205: terwijl (Cyane) de kromme 
hogten van haar vaders stroomdijken bekeuierde. — 
Doorkuijeren: Sprankhnisen, Geestel. Bataille, 
2: De derde neemt sijnen lust in het doorkeu ye- 
reo van de onmetelijcke lancMouwen en lieffelijck' 
heden des Hemels. Fokke, Verzam. der Werken, 
in. 5: dat hy.. al de kundigheden van een groot 
generaal doorgekuijerd had. — Inkuijeren; Fokke, 
Boert Reis, III. 185:twiar»ta hij... met zijne vrouw 
onder den amv, de stad inkuijerde. Dez. Verzam. 
van Spreekw. 177: daar komt... een man.., de 
Kramen inkuijeren. — Nakuijeren komt meer- 
malen bij Uooft voor; zie Weil. en het Wdb. des 
bst — Om kuijeren; Fokke, Boert. Reis, II. 86: 
deU hij *8 anderen daags reis een buitensingeltje 
omkaijeren moest. Dez. Verzam. van Spreekw. 
175: die (man en vrouw) ztUlen mciar reis om* 
kuijeren, om reis rond te kijken. — Opkuijeren; 
Fokke, Verzam. der Werken, VI. 21 : Me dunkt, 
nu moesten we maar weer opkuijeren. D. IX. 76: 
Kom^ mijnheer! laten wij maar opkuijeren. — 
Elden figuurlijk; dez. Boert Reis, II. 247: toen 
fuj deze zijne eerste vrome vrotito, omdat ze hem 
wU al te veel naging^ had laten opkuijeren. — 
Thans zeggen we in dien zin: oprukken. — Over- 
k Dijeren; Valentijn, a. w. I. 137: Dan had mij 



de weg, al most ik rillende de winderige Alpen 
overkeujeran, makkelijk gevallen. — Rondkuije- 
ren ; Fokke, Boertige Reis, II. 166: xk wü reis.,, 
met je in Phrygie wat rondkurjeren. — Uitkuije- 
ren; ald. 282: dat het (begrip van den toehoor* 
de»*) tegen dien sprong wel degelijk opziet en He* 
ver de naaste deur der gehoorzaal langzcuim uit- 
kuijert — Verkuijeren; Fokke, Verzam. van 
Spreekw. 178: die man komt slechts zijn' ledigen 
tijd, zonder bedoeling, zoo wat verkuijeren. — V o o r- 
brjkuijeren; Fokke, Boert. Reis, IV. 14 : zie dan 
moMr regt uit, dan zult ge uwe zonen zien voorbij 
kuijeren. 

Het znw. kuijer is even gemeenzaam als het 
WW.; Berkhey, Eerbare Proefkusjes, 86: deze kui- 
jer heeft mij dorst verwekt. 

Euiperen— Kuipen. 

Het frequent, heeft Wolsschaten, in den gewo- 
nen zin van kuipen; De Doodt vermaskert, 9: 
Een teyl of nieuw ghecuypert vat 
Rieckt naer het inghegooten nat. 
Dus ook Gonstantinus (Amst 1637 4to), 33: 
— hy kuypert uyt de vuyst: 

't Is weetje niet, van die die ouwe duygen krijten. 
Men kent den fig. zin, aan kuipen en bekuipen toe- 
gekend; in de Koddige Opschriften (1690) wordt 
daarop gedoeld, IV. 5: 

Ging het met onze kuipery als H wel met and- 
ren doet. 

Onze kuipery had vry wat meerder voorspoed. 
Dus in een werk van den zelfden tijd, Toetsteen 
van de Werelt, 394: Henrik Graye Marquis van 
Dorcester was door het kuypen van Dudley Her- 
tog van Suffolk gemaekt. Huyg. Korenbl. II. 510: 

Jan is van slecht Soldaet, door Vrienden, Geld 

en Magen, 

Tot op den hooghsten trap gekuypt, gekruyt, ge- 
dragen. 
Men heeft deze bet willen afleiden van Starters 
hekeldicht 9de kuiper"; doch prof. Fruin heeft 
aangetoond, dat de spreekwijs reeds bestond vóór 
dat gedicht; zie De Ned. Spectator, 1864, n''. 25. 
Zij laat zich dan ook evenals andere gelijksoortige 
uitdrukkingen als: iemand voortkrutj'm,eerïe zaak 
bedisselen, gereedelijk afleiden uit den aard van 
het handwerk des kuipers, zoo» Is dit reeds meer- 
malen is opgemerkt ; zie bij voorb. Winschootens 
Seeman op Kuipen; Burmans Aanmerkk. I. 22, en 
Tuinmans Spreekw. I. 252. 

Kuiteren— Euiden 

Te Zoutelande is kuiteren gebruikelijk voor het 
verzuimen der school; zie mijp Arch. III. 400. 



%9 



KUITEREN. 



aüO 



Aangaande de afleiding des woords kan ik alleen 
gissen, dat het primit. te zoeken is in kuiden^ in 
den Teuthon. voor ruilen, kwanselen; bij Strodt- 
mann kütken^ bij Tiling kuten^ katiten en kuden. 
Het voornaamste begrip dezes woords is dan iets 
verborgens of ongeoorloofs doen, waarvan dan bij 
Schmeller het frequent, kaudem, tusschenhandel 
drijven, makelen, niet alleen, maar ook bij Kehrein 
kuUcheln^ heimelijk verkoopen, alsmede (in het 
spel) bedriegen, knoeijen; alles dus ziende op eenig 
min eerlijk bedrijf. 

Euiveren— Kuiven. 

Kil. heeft beide wn. voor huiveren, met welk w. 
zij etymologisch één zijn. Men vergelijke het op 
Huivefen aangevoerde, en voege daarbij de opmer- 
king dat het eng. bij Halliwell quew heeft voor koud. 

Kwaderen— Kwaden 

Het frequent, ontmoet men met den vorm be- 
kwajeren bij Valentijn, Werken van Ovid. I. 226: 
eet geschikt met drie vingers, en bequajert den 
mont niet met vette vingeren. — Het w. komt over- 
een met quadem bij Schambach, die het heeft in 
drie beteeken issen ; het uitloopen van den etter uit 
eene buil, het pruisen van den geeuwhongerige en 
veel in water bezig zijn of morsen. Hetz. dialect 
heeft quader voor droppelend smerig vocht, qua-' 
deraer, iemand die in vuil water morst, quadèrie, 
zulke morserij, en quaderig, vuil water opgevend 
zooals op slijkige straten. De oorsprong ligt in 
het znw. quat, in het middelhd. beneven kat en 
kot, hoogd. koth, d. i. slijk, drek. Benecke heeft 
daarva . desamenst. quatkever, quntsac, mestkever, 
drekzak Het daarvan afgeleide ww. dat bij ons 
kwaden zou luiden, heeft het hoogd. in kothen, 
met drek of slijk bedekken. 

Het door Valentijn gebezigde frequent, heeft den 
zin van bezoedelen, besmeren. Halbertsma, in 
zijn Lexicon Frisicum, 747, brengt tot het ver- 
melde kothen en kwade?i het nederl. ww. bekaden, 
gewone uitspraak hekamjen, waarvan -dan de be- 
kende uitdrukking hij komt er bekaaid af\ volgens 
hem: hij komt hij er bestront af. 

In zooverre acht ik deze opmerking juist, als 
onze taal een ww. bekaaijen bezit, dat den opge- 
nóemden zin heeft, en werkelijk leest men dat in 
Bormeesters Zijtje Fobers, 30: Hefp sinte Satuv- 
nus, of ick bekaay myn hielen. — Doch overigens 
meen ik, dat de spreekwijs hij komt er bekaaid 
af daartoe evenmin behoort als lot begaden, or- 
nare, waartoe Dr. Van Heiten haar brengtin zijne 
Proeven van Woordveikl. 9, maar dat zij een an- 
deren oorsprong heeft. Onze taalkundigen, en daar- 



onder V^inschooten het eerst, leiden dit hekoüid 
af van het znw. kaai; het woord (zegt hij) »werd 
eigendUjk gesegt van Vis, die soo lang op de Aooi, 
of Wal gestaan heeft, dat sij begint te sterven, soo 
seidmen De Bruin 142, de Vis is bekaaid: maar 
in de volgende spreekwoorden hij komt 'er b^taaü 
af, hij stond bekaaid, beteekend bekaajen : schande 
behalen, dewijl bekaaide Vis voor een slegt ont^ 
haai bij ons gehouden werd, en den Hliiswaard 
gants geen eer daar raeede komt in te leggen, of 
te behaalen." Tuinman, in het Vervolg op de 
Fakkel, denkt mede aan kaai, doch vraagt of de 
benaming bekaaid van yisch gezegd >zoude zyn, 
om dat zy dan naar de kaai of kant zwemt, en 
zich zo laet grypen." In de Fakkel zeli, hl. i&&, 
schijnt hij den oorsprong des woords in ^ te 
zoeken, zooals ook Hoeufft deed in zijn Bred. 
Taaieigen 

Winschooten heeft goed gezien, dat bekaaid in 
de eerste plaats van de visch gezegd wordt, doch 
met het znw. kaai heeft het w. niets gemeen. 

Door genoegzaam alle duitsche dialecten heen 
vindt men een ww keyen. keien, ja zelfs daarbui- 
ten in den vorm kia (zie Adelongs Mithrid. I. 76) 
in verschillende beteekenissen. Stalder en Lexer 
hebben dat het best opgehelderd. Onder de vor- 
men keyen, g'heyen, ge-heyen, kain^ g*hain^ giheienj 
zegt het w , dat ook met verschillende voorzetsels 
wordt aangedaan, in bedrijvenden zin, werpen, doch 
onzijdig vallen, op den grond vallen, inzonderheid 
(van dieren gezegd) dood gaan, hoogd. verrecken, 
gemeene nederl. volkstaal verre/üien (Stalder, IL 31 \ 
'kHaal alleen nog aan Von Kleins Provinzialw. 
keien, vallen, storten; en Fulda's IdiotikensammL 
vKeien, Holl. Kaien, stinkend werden." Zoowel 
deze hollandsch genoemde vorm als de uitlegging 
er van wijzen aan, dat ons bekaaid van keijen is; 
onze uitdrukkingen de visch is bekaaid en deviaeh 
is stinkend zijn synoniem. Onder onze Diction- 
nnires onderscheidt zich wederom het Ned.^Eeg. 
van Holtix>p, dat bekaaijen uitlegt door bezwijmen, 
in onmacht vallen, als visch, en volgens De Taai- 
en Letterbode, V. 11)2, zegt men te Sliedrecbt be- 
kaai jen voor «bekeeuwen van stank." Die bet. 
van in levensgevaar zijn, op het gijpen zijn, van 
meui^chen en dieren, straalt op onderscheidene pU. 
bij onze schrijvers door. Dus Gat», Wercken, I. 
fol. 5(>: 

De Meen is in de klem, de Meeu die is gegrepen^ 

De voget is bekayt, de voget is betiepen. 
De verklaring, die in den 8vo druk (II. 34) wordt 
gegevens » verlegen" is te zwak. — Valentijn, Wer- 
ken van Ovid. II. 33: De zcekaiveren drijven be- 



aoi 



KWADEREN. 



30» 



kaait op detf rug bow». D. I. töi: Do^n ver- 
domde üj uü schrik, . en beka«ide <Ü8 een hloe." 
delooê iighaaan, D. I. 104: Sy stont bekait en 
haturvem cU$ een doode. D. il. 143: Medeaselfs 
tkmt bekaait, en besturf. D. III. 44 {sij) door- 
stiet sig eetoe &p staande voet de borst en viel 
in haar bloed voor vtuiers voeten neer. Nu reeds 
bekaaift, <iroeg sü nog serge om niet in *t vaUen 
ergens blooi te leggen. Lager aldaar: Ter selver 
ure quem Bruéua inspringen, die. H gehegtte lem- 
meruU'i tekaail lighaam rukte. D. II. 125 : Waar 
onder Ismen us • een sehigi in de borst krifgi, ai 
mi reepij den toom bakaait uit de hand laat glip* 
]MR. SpraaUiuisen) Geestal. Trinmpbe, 63: ghe- 
lifek de koele Windt een bekaeyt Mensohe ver- 
wetscntm 

Bet spreekt als \sai zalf, dat de verlegen- 
heid, als waarin ee& stervende of in onmacbt ge- 
vallene verkeert, in vergelijking gebracht wordt 
met eiken anderen verlefsen of verwarden toestand, 
«aarin personen en lelfs zaken of voorwerpen 
kumoD geraken^ Vandaar bij toepassing uitdruk- 
kingea als de volgende; Vlaerd. Redenrijckb. 138: 
ie^ Joj 't is by gantsch macht wel beschickt en 

bekaeyty 
De Duyvei die heeft hier onkruyt in denacker 

geaaeyt. 

Valentijn, a w. li. 2M: Ven stuerman selfs stont 

bekaait, en sei ront uit, dat hü niet en wist hoe 

H stont. Vondel, Jos. in Dothan, 49: 

Ja schaam u, om ,uw moer, aèa *t uitvaèt too 

beka^it. 
Vao der Gruycen, De Spreeckw. van Sal. 337 : 

-*- leoar het stier mancquiert daer is het al bekaey t. 
Krook, De triomf. Medem. 44: 
Ik spykerde dit werk zo hecht, zo vast en trouwy 
Dat hy b^aaid zou staan die H weer veran^ 

dren wou. 
Sckis^ en Hekeld. (Hoorn, 1718). 903: 
Met rede staat myn hM vertel, en vry bekayt 
hi ayn gedroomd geluk te sohielf/k hem ontvlogen. 
Pere, Bellerophon, 262: 

Waer heen loept deoh het end. 
Als een hel mallen van uw sotheyd wort bekent f 
Daer stady dan bekaeyt. 
De Honigbije, IV. 3 : 

Kwakzalvers staan in 't end bekaaid. 
Willinks AnMt Tempe, 52: 

Waar Moeder spint Hgeen Vader draait^ 
Daar is nooit huiegstin bekaatt. 
Peirters, Het Duyfken in de Steanr. 244: 
— met een wrmdeken dat voaeyt 
Light giy en Ski uw eer bekaayt 



Van Beverwijck, Yerv. van de Heelk. 34: sulcks 
niet kennende gheschieUen^ soa is 't bekaeyt werck. 
Brouêrias van Niedek, Zinneb der Tonge, 71 : dat 
haastigheidt meerendeels bekaaidt werk maakt 
Dietsche War. VI. 216: als het selve voor de ooghen 
moet komen van wijse lieden, dan komt het al^ 
bekaeyt uit. Ogier. De Seven Hoofts. 105: het 
iHser cd becaeyt, Het isser aengebrant Sprank- 
huysen, a. w. 20: Rijekdom, die door ongeval van 
brandt. . kan bekaydt worden. D. i. bedorven. 
Gats, Wercken, I. fol. 273: 

Indien hy maer een punt verset. 
Of slechts een letter omme draeyt, 
Uw gants beleyt dat is bekaeyt. 
Fol. 275: 

Dat vreemde woort, hier in gedraeyt. 
Dat maeckt het gantse stuck bekaeyt. 
Fol. 317 : 

Met oorlof, wie het raeckt, het syn bekaeyde 

streken. 

Die van liet oude recht sijn byster afgeweken. 
En fol. 368: 

Te drijven sijnen unl, te staven sijn gezag, 

Maer^ vrienden^ met verlof^ dat sijn bekaeyde 

slagen. 
In deze en enkele andere pil. kan bekaaid ver- 
wisseld worden met verkeerd, eene bet. die Bil- 
derdijk (Verkl Geslacht!. II. 22) opmerkt, dat 
voorkomt in de amsterdamsche spreekwijs bekaaid 
uitkomen, en die hij dan (vernuftig genoeg!) daar- 
aan toeschrijft, dat kaai eig. keer beteekent, als 
koerende zij het water. Met meer grond zou men 
hier kunnen denken aan eene andere zegging, die 
wel niet alleen b'j het gemeen van Amsterdam 
zal bekend zijn, t. w bescheten uitkomen, en zoo 
zou dan daarop toepasselijk zijn de verklaring, bo- 
ven uit bet Lexicon van Dr. Halbot tsma aange- 
haald en gestaafd. Dan, ofschoon dit toegevende, 
meende ik dat de gedachtengang: dood gaande — 
op het gijpen — in zwijm — in hangen nood — ver- 
legen — verward — verkeerd, te geleidelijk is, om 
bij voorkeur aan de meest onbehoorlijke der twee 
beteekenissen van bekaaijen te denken. 

De Zeemanswoordenboeken van De Flines en 
Lantsheer leei*en ons, dat een bekaaid schip gezegd 
wordt van een bedorven of ontredderd vaaituig, 
in het fransch largue, 't welk Romme, Dict. de la 
Marine Franc* verklaart als een toestand, waariti 
de doelen van het schip losgeraakt zijn, hetzij we- 
gens langdurigen dienst, hetzij door harde zeeén. 
Van hout, van de motten doorknaagd, zegt Vau der 
Gi*uycen, a. w. 604: 
Da t hout dat is bekaeyt, men wystet van de ?iant. 



303 



KWADEREN. 



304 



De bet. ^an bedriegen, die Weil. aan bekaaijen 
toekent, is uit de pi. van Six. van Ghandelier: dat 
u nooit de bankrotiers bekaaijen — niet voldoende 
bewezen. Men kan daar ook aan »in verlegenheid 
brengen*' denken. 

• Hoeufft, t. a. p. vermoedt, dat de brabandsche 
of vlaamsche tongval van bekaaijen is bekeijen. 
Dit is in zooverre meer dan een vermoeden, dat 
die klank werkelijk voorkomt. Vlaamsch schijnt 
hij niet te zijn, want het Idiot. van De Bo, dat 
talrijke voorbeelden van bekaaid aanvoert, geeft 
hem nergens. Gelijk trouwens de aai- en ei klan- 
ken oudtijds dikwerf elkander afwisselden, vindt 
men ook, in overstemming tevens met den hoogd. 
tongval, bekeijen; Bredero, Groote Bron der Min- 
nen, 101: 

Door H onderscheyt Van waerheyt en van loghen^ 

Ben ick bekeyt En vind my selfs bedroghen. 
Het Nieuwe Hoomse Speel werck, 54: 

Dat maekt een valsche toon^ en H gantsche werk 

bekeyt. 
Krul, Minnesp. 195 (buiten het rrjm) : 

Hier is het heel békeyi^hy wot^tals wt syn sinnen. 
Niemand zal in één dezer gevallen licht aan iets 
anders denken dan aan bekaaijen. Welnu! in 
Hoofts Ged. (uitg. van Leendertz), 1.91, leest men: 

Of lust het u in 't net hoer weder te bekeyen, 

Soo sluit haer dan soo wist dat sij niet connen 

scheyen 

Op haer bestemde tijdty enz. 
Bilderdijk, Aantt. op Uoofts Ged. 111. 272, verklaarde 
dit door ^bekooien, in een kooi besluiten." Leen- 
dertz door »ten spot maken." Oudemans, Wdb. 
op Hooft, dit laatste denkbeeld uitwerkende, door 
»tot key^ tot dwaas maken, bespotten; verlegen, 
onthutst doen staan." — We zullen wel te denken 
hebben aan het gewone bekeijen, in den zin van 
verwarren, verward houden. In een tnet" bespot 
men niet, maar verwart men iemand. De zin is, 
ook in zijn verband, volkomen duidelijk. 

Zoo ik wél zie, is met dit bekeijen en bekaaijen 
tevens een ander moeijelijk woord opgehelderd : ik 
bedoel bekeeuwen. De meeste onzer woordenboe- 
ken hebben — om v/elke reden toch? — dit ww. 
niet ; maar in de spreektaal is het des te meer be- 
kend. Het wordt gebezigd in de eerste plaats van 
visch, voorts van andere dieren, die dreigen óm'te 
komen. Bekeeuwde visch wordt nog meer gehoord 
dan bekaaide- visch. Zoo leest men bij Rabus, 
Rijmoeff. 3 (van eene slang) : 

Die van de kou schier hallef dood 
Bekeeuwt lag, en alle oogenblik 
Zieltoogde na zijn laatsten snik. 



Mijn vriend Oudemans dacht — en dit lag inder- 
daad voor de hand — bij dit w. aan de kieuwen 
der visschen «waardoor zij ademhalen, en welke 
zij, buiten hun element zijnde, sterk bewegen." 
Zie het Wdb. op Bredero, 165. Ik meende, dat 
de bekeeuwde visch de kieuwen juist niet meer 
bewoog en dat de toestand der kieuwen een ken- 
teeken was van het meer of minder bekeeuwd zijn. 
Hoe dit zij, het ww. kieuwen zou kunnen betee- 
kenen de kieuwen bewegen, kieuwen krijgen of zoo 
iets, doch hoe nu met het voorz. be het ww. de 
bet. hebben zou van flauw worden, schijnt niet 
duidelijk. Bij bek eeuweti denk ik derhal ve«an een 
wissel vorm van bekeijen; vooreerst omdat die klan- 
ken meer wisselen, b. v. schreeuwen z^. schreijen^ 
fleeuwen ziz vleijen; ten andera, omdat Lexer, die 
ons het ww. keijen vooral leerde kenneo, als dia- 
lectvorm daarvan S. 137 ook keuen heeft 

Tot bekeeuwen brengt de heer Oudemans, t a. p. 
deze pi. uit Bredero's Griane: 

Schaemt jou ! dat jy hier lecht en Tabackt, en 

quyUf en rooeki, 

Denckt dat ien angder vande bange lucht schier 

kaeut en kooektf 
De opvatting kan juist zijn; bekauwen voor be- 
keeuwen intusschen is nog niet bekend, en kaeut 
zou kunnen doen denken aan een mondgebaar van 
dengene, die uit onpasselijkheid dreigt te gaan 
braken. Zie Kauwden. 

Ewakeren—Kwaken. 

Dit frequent komt voor bij Van Swaanenbui'g, 
Arleq. Distel. 128: 

Die oudf en traag, cUs Gvsewyn, dog kwakert 

Van 't jeugdige vermaak, dat Venu» geeft, 
Aid. 261: Ik zouw hier geen kleintje van xoeeten 
te kwakeren, had ik de eer niet enz. Dus ook 
Berkhey, Eerbare Proefkusjes, 249: A^t kwaakrend 
eentje. D. i. kakelen, snappen, van het priuL A^toa- 
ken, oorspronkelijk van vogels gezegd (zie op Kwa- 
kelen); doch ook op den mensch toegepast; Bil- 
derdijk, Poêzy, 1. 5: 

Waar Dwang den naam voert van vermaken. 

De Liefdegloed.in i^del kwaken, 
De deugd in ongevoel bestaat. 
Dez. Krekelzangen, II. 81: 

Laat het dwaze suffersgild 
Afgezaagde spreukjens kwaken! 

Kwakkeren— Kwakken. 

Bij De Bo, op Kweggelen, vindt men een voorb. 
van kwakkeren voor kwakkelen, d. i. eene wankele 
gezondheid hebben; zie Kwakkelend 



SOb 



KWALSTEREN. 



306 



Kwalsteren— Kwallen. 

Kwal is taaije, dikke slijm, waarvan de zeekwal 
den naam heeft; en kwallen bij Kehrein met een 
bollen mond kwijlen of spuwen: bij Kaindl, IV. 
47^, opzetten of opdringen van opborrelend water ; 
eng. to quaüy dik worden, van melk of ander vocht. 
Van Swaanenbnrg heeft uitkwallen; Arleq. Dis- 
tel. »3: 

Ze kwallen zwavel uit tM *t aanzien van den dag, 

En hoesten met verlof, in traanen, en geklag. 
Vandaar kwalsier, opgebrachte slijm, en het ww. 
kwalsteren, slijm opbrengen. Berkhey, Nat. Hist. 
van Holl. V. 407: ook gaat dit kwijlen o/" kwalste- 
ren der koeijen wel over tot een gebrek, — Bilder- 
dijk heeft verkwdlsieren voor tot kwal overgaan ; 
Krekeb. L 454: 

Moest mensehenhart en long in mensehenborst en 

ribben 

Met bloed en stem en al, verkwalstren en ver- 
slibben. 
Bij SJehrÓer is qualstem op eene onhebbelijke wijze 
rpreken ; en volgens Halbertsma, Wdb., Te Winkels 
N. Ned. Taaimag. IV. 255, wordt kwalsteren in 
het overijselsch en twentsch dialect omgezet tot 
klavosteren, 

Sturenburg en andd. brengen kwalsteren tot het 
angels geolster, etter, welk woord Bosworth van 
geolo, d. i. geel, eng. yeUow, afleidt. Indien deze 
afleiding juist is, meen ik dat ons kwalster daar- 
toe niet behoort. 

Bij Kil. is kwalster ook een haveresch of lijster- 

* 

bessenboom ; vandaar leest men in het Poet. Men- 

gelw. door Rh. Feith, 262: 

Wanneer de graage lijster vliegt. 
Die hij met kwalster-aas bedriegt. 

Ewedderen— Kwedden. 

Kwedderen is in Overijsel gebruiklijk voor »kneu- 
zen. door vingerdi'ukking de vruchten kwetsen," 
zie Halb. Wdb. — Weil. beeft kwetteren in gelij- 
ken zin, dat mij onzijdig voorkwam bij fierkhey, 
Nat. Hist van Holland, IX. 32: dat ook het graan 
daarop (t w. op steenen vloeren) te sterk gebeukt 
wordt, en, zoo zij zeggen, quettert. — Het prim. 
kweddepi en kwetten heeft Strodtmann in gelijke 
bet In den fig. zin van sleepende ziekte of tering 
heeft het drenthsch kwedderij, en kwedderachtig 
voor teringachtig; zie Dr. Volksalm. van 1839, 
bL 194, en 1846, bl. 260. Uit deze wn. blijkt, dat de 
d daarin, althans in de dialecten, op de t de bo- 
venhand heeft Kwedden is met minder kracht 
dnikken of schenden dan kwetten of kwetsen. Het 
naamw. kweU is eene gekneusde vrucht, en ook- 



de kneuzing zelve; dus Spieghel, Hertsp. enz. 246: 
ook de dieren, ja '/ gewas der aerden zijn ghe- 
neicht. . quets te ontwijken. — Ook fig. voor druk ; 
Verhandd. van de leidscbe Maatsch. II. St. i. 184: 
om nu de landen met de minste quets te beswa- 
ren, — Zie mede het Wdb. des Inst. op Hooft 

Kwekkeren— Kwekken. 

Kwekken is bij Weil. kakelen, kwaken, en zoo 
leest men bij Mevr. Bosboom Toussaint, De Delft- 
sche Wonderdokter, I. 115: het was juist zaak de 
gans te plukken, zonder dat ze kwekte. — Kil. 
heeft daarvoor kweken, dat men leest bij Era8mus, 
Lingua, 26: De vorsschen beginnen spade inden 
avont te queken. De Brune, Jok en Ernst, 24: 
toen {de vrouwen) al f zaam door lacehen en quee- 
ken {gelijk cUs) afgemat waren, terwijl elk een, 
van stüswijgentheit oversc?Mduwt, woordeloos, en in 
gedachten stont. — Bij HaJliwell is to quek het 
kwaken der ganzen, en to quack het kraken eener 
noot. Berkhey maakte het frequent, kwekkeren^ 
van eendvogels gezegd; in de Werken van het 
Gen. Kunst woidt door arbeid verki*egen, I. 40: 

{Daar) U Waardje zijn paartje snelztoemmend 

vermaakt. 

Daar H naakende, kwaakende, kwekrende kwaakt. 
Zie voorts Kwakeren en Kwakelen. 

Kwelsteren— Kwellen. 

Kwelsteren is in het Vlaamsch Idiot van DeBo 
kwijnen, en gevormd van kwellen, dat in dien tong- 
val dezelfde bet heeft, en onderscheiden moet wor- 
den van het tegenwoordig nederl. kwellen, klagen, 
pijnigen ; het laatste is het causatief van het eer- 
ste en dus eig. doen kwijnen. In het middelhd. 
zeide men voor kwijnen, inwendig pijn lijden, quil- 
len {qual, gequolen) ; middelned. kwelen, insgelijks 
sterk; Maerl. Spieg. Hist. II. 187: 

Snachts, daer hi water halen soude, 

Slouch hine met eenen stave 

Lptie lendine^ dat hi daer ave 

Bleef liggende uptie stede... 

Daer hi af qual aldus. 
BI. 328: 

— omme dat hi gheme wonne, 

Daer hi mede mochte onthalen 

Die aerme, die van hongre qualen. 
Bl. 345: 

,lxx. daghen voer sine doot 

Qual hi in siecheden groot, 
Bl. 376: 

Daer na wart coninc Gyldebrecht 

Quelende nader nalueren recht. 
Bi. 406: 



307 



KWETSTKREK. 



308 



Die keyeer Jtêst^n die qual 

Lange an sine voeten al 
fil 412: 

Moer daer na^ doe' hem hei waert^ 

Worden sine kindere heswaert 

Ende voorden quelende tier aiont. 
Van Velthem, fol. 117: 

Dus werd hi sieCy ende ongesont^ 

Ende qual al gaende een wile. 
Leven van Sinte Amand, L 35: 

Te hiddene Gode^ Onsen Heere^ 

Over eenen persoon^ die zeere 

Lach ende qual van ziecheden groot. 
Hor. Belg. V. 30: 

uxmt mi tiie sifU vroochde en bequam 

dat ie die edel gaerde verloos, 

sint heb ie g hequo4en altoos* 

Episoden uit Maer). Hist. van Tróyen (door Dr. 

Verdam), vs. 7896: 

-i- den iwow, die inden moet 
Al verert is ende verwoei, 
Ende bequolen van siecheden. 

De klank van kwelen werd reeds verhard tot kwel- 
len; Maerl. Sp. Hist. II. 353: 

Dat. aoe btoehte eenen anderen sone, 

Dien soe oee ten doepsele brochte, 

Entie wart quellende onsochle. 

Doe sprae die coninc: Dese moet mede 

Sterven alse dander dede. 
En 363: 

Alse Clodoveve van Vrankerike 

Glieregneert hadde . 

Wart hi quellende enz. 

In het volgende tijdvak hebben onze schrijvers be- 
stendig kwelen; Goornheris Wercken, I. fol. 245 
verso: een ghestadigh treuren^ quelen, verdwimen 
ende sterven. Fol. 24(> verso : een quelende, qulj- 
nende ende gh&ftadige bilterheyt. En fol. 52b verso : 
Ist zoo dat ick grondliek d*oorsaack dy$ire zieckte 
kenne: soo queehUi door de h erts tochteeni Croon, 
Moy-al, 37 : hy magh u in voorspoet laten verheu' 
gen, oft in tegenspeel laten quelen, al gelijck het 
hem belieft. De Harduyn, üoddel. Wenschen, 321 : 
laetende de (siele) haecken, quelen. ende suchten. 
Gamphuysen, Stichtel. Rijmen, 358: Tlfert... queelt 
invoendigh. Vlaerd Redenrijckb. 459: 

Of 'tlijf kan niet besiaen, maer leeft in staech 

gequeel. 
Zie meer voorbb. bij Huydecoper, Proeve, II. 456 
en volgg. Een andere vorm van het ww. is kwe- 
nen bij Kil., die niet dikwerf voorkomt; Vlaerd. 
Redenrijckb. 459: 






Daerom ó GodUjck toet mU t»ek «Mcr liaem 

Met uwe Overheyt, loet stadts U^f met maer 

queeaen, 

Soeeki het gemeene best na recht enbiUieheyU 
Bredere, Lucelle, 27: 

•^ ick kender heden eene 

Die om u liefde lang en bitter heeft gequenen. 
In Oudemans' Wdb. wordt dil w. gemist — Het 
WW. kwelen moge in het vlaaiasch dialect inoeUen 
werden uitgesproken^ David behield toch de eerst* 
uitspraak, Vad. Hist. IX. 372: hy verreisde mH 
zyne gemalin^ die sedert een geruimen tyd kveelde, 
naer Aken om de waters te nemen^ — WeilaoBd 
brengt, en mij dunkt met recht, tot dit ww. ket 
zuw. kweeltje voor gebrek, vlek, smet ; ik trof dit 
w. aan hij Immerzeel, Voor Opgemimden, 10: 

Een meid als melk en bloed : geen kweeltje voos 

er aan. 
Dat ons kuxial uit het imperf. van kwelen is ont- 
staan, behoeft geene aanwijzing. 

Eweteren— Eweden. 

Kweden, bij Kil. kwaden, is spreken, praten, üel 
frequent, kweteren hebben onze schrijvers in ge- 
lijken zin; Antw. Spelen van Sinne, 235: 
Wilt niet quoteren, 

Want hy sol als de rijpe gherste beteren, 
Aid. 609 : 

Wij sullen Suermuylen leeren quoteren. 
Houwaert, Lusthof der Maechden, I. 261 : 
Al dat ghy ghebiet, zonder teghen quoteren. 
Dat zal ick volbrenghen naer myn macht fijn. 
Vandaar kwetering, gepraat, gesnap; Der Minnen 
Loep, I. 187: 

Dat U)y segghen van reynen dinghen 
Houden sij voer queteringheo. 
Voor kweteren zegt men ook kwetelen. Zie wijders 
Kwedelen en Kwetteren^. 

Kwetteren'— Kwetten. 

Kwetteren is bij Kil. snappen, snateren ; dos De 
Brune, Bancketw. L 3ö6: diekleynéomweteiinghm 
van *t Latijnsche land quetteren en êmaieren, als 
(ie snellebeken, vermoeyende al de weerMl, mei 
hoer gesnap. Huygens, Korenbl. I. 390: 

Van *t prttohtige Metdridsck, of in hei Engelsch 

qneit'reD, 
De Tael van alle Tael, die nergens Vhuys en hoort. 
Alb. Thijm, Het Voorgeborchte, 54: 
' KoerantnieuwSy fondsenkoers, of wat de Kamers 

kwettren 
Oudaan bezigt het w. van de vogelea, Uytbr. der 
PealnMn, U. i04: 



309 



KWETTEREN. 



310 



Al wat zich kommerloos met pluymgewaden dekt .. 
Vervult hier tak, en telg^ met qoetteren, en 

8(^tateren. 
Alsmede Nolei de Brauwere, Ged. I. 166: 

H Gewelf êel juicht van zoet gekwetter. 
Hiel, Nieuwe Liedekens, 8: 

— waar Hvinkjen kwettrend fluit 
Yin den Bergk van de zwaluwen, Longfellows 
Ged. 37: 
De zwaluw kwettert luid bij *t rustlooê dartiend 

acheren. 
De Gort, Liederen, 239: 

Wijl kwetterend 
En schetterend 
Het voffelUjn naar zijn nestje snelt. 
Dei. heefi kwitteren, ald. 227: 

De vlugge zwaluw kwittert. 
als rijmwoord op schittert En Potgieter van de 
kikvorschen, in De Gids, 1890, II. 160: De gulden 
eeuw der kikvorschen scheen gekomen; uit sloot 
bij sloot kwaakte en kwetterde het in het ronde, 
— Jonctijs maakte van kwetteren en snateren een 
bijv. naamw. Toon. der Jal. I. 562: dat de wroU" 
Mxn van nahtren zeer jaloers, en quettersnaterig tijn. 
Kil. zelf leidt kwettere^i af van kwetten^ kwaden, 
oodtijda spreken; waarvan zie op Kwedelen, Dit 
kwetten vindt men mede in het goth. qithan, spre- 
ken, zeggen, angels cwethan, eng. to quethe, bij 
Halliwell zeggen, verklaren, waarvan nog het im- 
perf. quoth, vroeger quod, als in Rowley. Poems, 46 : 
Fm come, quod fiee, unto your grcux 
To move your clemencye. 
Thenne quod the kynge: Youre tale speke out etc. 
en van 't welk ook nog to bequeath, vermaken (bij 
uitersten wil), eigenlijk bespreken. Zie wijders 
Ypeij, Gesch der Ned. Taal, L 180 en de Schatk. 
der Taaien, 421 Van kwetteren heeft men ook 
kauwetteren en klawrtteren ; zie dezen. 

Kwetteren*, zie Ewedderen. 
Kwikkeren— Kwikken. 

Kmkkeren heeft Kil, in verkwikkeren, bij hem 
het/elfde als verkwikken. Over kwikken zie men 
Kwikkeien, 'k Voeg daarbij de opmerking, dat voor 
vtrkxcikken Plantijn en KW. ook bekwikken hebben; 
zoo heeft de delfsche Bijbel, Judith 7, vs. 10: 
Sochian waren fonteynen niet verre vanden mue- 
ren daer die. poorters scenen te sceppen heymelijc 
'«iterc; meer (om) hem daer mede te bequeckene,* 
fian om te drinckene. — Huygens heeft het w. in 
^n zin van opschikken, schikken, bestellen; Ko- 
renbL II. 4: 



Door my by een getracht; 

Maer niet door my te schieken: 

Dat loet ick hem bequicken. 

Die lust in onlust vindt. 
Zich kwikken en zich opkwikken is zich schikken 
of opsieren; Valentijn. Werken van Ovid. I. 14: 
Weg met jongmans die sig quikken nis wijven. 
BI. 91: Voor wie, og arm! sou ik mij opquikken ? 
wien sou ik soeken te behagen? BI. 250: gij uyilt 
u geurig hair met streel (d. i. eene kam) enkrul 
opquikken. Smits, Nagel. Ged. I 78 (van Dicht- 
nimfen) : 

Die kwikte haren boezem op, 
IHe hare blonde tuitjes. 
Ja ook het subst. kwik was opschik ; Valentijn, a. w. 
249 : Leert j deerns, van mij, met wat quik, en op wat 
uyijse gij H aansigt opluisteren moet. D. IIL 74 : 
De min .. leerde (den mensch) tooi en quik- 

Kwisteren— Kwisten. 

In den zin van kwisten. verkwisten, d. i. over- 
dadig verteren of doorbrengen, heeft Van Ruys- 
broek het frequent kwisteren, Belg. Mus. IX. 173: 
Die wel quysteren can en veel bejaecht hi es wel 
ontfaen. — In het oostfriescb komt dezelfde vorm 
voor en Stürenburg zegt zelfs, dat in dit dialect 
quiestem en verquiestem meer gebruikt worden dan 
quiesten, 

Kwitteren, zie Kwetteren' 



Labberen'— Labben. 

Bij Kil. zoowel als bij Adelung in de volksspraak 
is tabberen snappen, babbelen. In die beteeke- 
nis is het woord buiten samenstelling mij alleen 
voorgekomen bij Valentijn, Werken van Ovid. I. 
52: In 't kussen staakt de tong., haar praat; die 
soete toeving smeert dat lil om des te gladder te 
labberen — Labbertong^ bij Van Paffenrode, Gred. 
191, kan zooveel zijn als tong die snapt: 
Zoo veel als Ajax geld in aanloop, storm ofslag^ 
Zoo veel Ulysses mclsyn labbertong vermag {*). 



(*) Ooii labbsrlot kan bierloe behooren. Berltbey bezlgt.<Ut 
w. In zijn Feestvierend Leyden In Zes Lierzangen (1793), bl. 4.5: 

Dit driewerf afgevuurde schot 

Gaf van des Füandt Laberlot, 
In fFiUenuted, een klide fMsre. 
en teekent bl. «1 daarop aan, dat nen er »een dreevig lot" door 
verstaat, met aanh. der pi. uit bet Geuzen LIedenboek -. 

Hy tot te Woerden op het Slot 

Daer peinst A# op t§n Laberlot. 
Well. verklaart het door «plog, straatscbeoder." Siurenburg. 
die het mede heeft, en door loUe babbelaar, onverstandige 
vrouw, verklaart, vergelQkt bet w. naar 't mH voorkomt te recht 
met bet boogd. lottertube van loddem, d. I. maypm (tü 



311 



LABBEREN. 



812 



Doch het w. kan ook een anderen zin hebben, 
waarvan op het volgende artikel. Dat het prim. 
WW. lahhen den gemelden zin heeft, is minder 
twijfelachtig. Leven van Mare. Aurel. 78 verso: 
Een man maeckt hem door verstandelijck dichten .. 
vermoert: moer een vrouwe en weet met waer mede 
dan alleen met labben en callen. Visscher, Brab- 
belingh, i^: En niet daer op a/ihten wat dat sy 
labben. M. G. Tengnagel, Frik in *t Voorhuis 
(Amst. 1731), 20: Ik loof datje an mekaer hangt 
van prateny van labben en van kallen. Van Rus- 
ting, Ovidius, 89: 

Of MomuSf en Sint Jeun wat snaatren, en wat 

labben, 

Men acht die mackers niet : sy zijn daat*voor bekent. 
Aid. 207: 

Daar valt by nacht^ gelijk gy weet^ niet veel ^e labben, 
Ten zy wen krols is — 
Krul,.Noodsak. Wereldhaten, 52: 

Met een gevalschte tongh van labben en gekal. 
Lottooneel van Holland, I. 136: 

Hoe staan die verbruide Jongens en Wyven 

Te labben en te kyven. 
H. van Halmael, Overdaad en Gierigheid, 30: 

Zy lapt, eti kaakelt my te veel adrs by de buureti. 
De Gelyke Twélingen, 5: 

Als jy loopt labben by je konkelmoèrs, loop ik 

je dan na? 

Higt, Ged. 269: 

— Het labben van '£ gepeupel .. 

Alsof '« Lands ondergang niet lange konde ont' 

staan enz. 



Adelung). Het woord leest men by onze scbryvers meerma- 
len In loodanlgen zin ; H. van Halmael De Ongel. Broeders, 38: 

De tugtroê zou de Guit daar makkelyk uit üaan. 

'A Zou hem verleenn zoo den Laberlot te tpeelen. 
Krispijn, JafTrouw en Notaris, 10: 

Het was een groole Laberlot, die niet als quaad en dee. 
Rosseau, Medea, 47: 

Laat my tlegts wandalen in het Pietercüie groen 

Bv labberlotten, die heel graag, je weet coe< bakken, 
Hoffbam, Nagel. Gescbr. 48: 

Zei jy niet altoos, dat hi was 'en deugeniet ? 

'En laberlot? dal hi veul maisjes in 't verdriet 

Gelnragt had — 

Ooeb labberM Is ook een vaartuig, vermeld bQ Berkbey, 

Zeelr. H. ti3: 

— zifne laberlot 

Doorschooten, hoopt men in een sloepje nog op God. 

waarop de Dicbter aanteekent^ dat dit denkelUk eeoe soort 

van groote boot Is. Van Lennep beeft bet w. mede, docb 

voegt er alleen bQ: «Naam van eene der sloepen." Twents 

Zeemans Wdb. vertaalt bet w. door >certain canot Hollan- 

dais." Heeft de boot den naam van baren llcblen, waggelen 

den vorm? 't Is mQ onbekend; docb duidelQk is bet, dat de 

zeeterm labberlottig, dien Van Lennop met beUUfberd geiykstelt, 

van bet gew. labberlot afkomt, zooals men wel boort spreken 

Vin Hsd^rti^ weer. 



Vandaar de znw. labbey gelab en lobster; bet eer- 
ste van het werktuig, de tong, zelf; De Brune, 
Zinnewerck, 350 (van iemar'1, die een ijzeren pomp- 
slinger staat te lekken): 
T was lUuchtigh om te zien xijn labbe zoo ie 

recken. 
Van der Veens Zinneb. 219 : 

Door 't gelab der TotebeUen., 
Splijt bykans mijn onderlijf^ 
En mijn hooft loopt schier op stelten. 
Eliz. Wolff, geb Bekker, Mengelp. II. 45: 

Fy is een labster: in wat vtjtnig ding is Griet! 
Alsmede het bijv. naamw. lobbig^ ook IMig en 
leppig; Bredere, Griane, 38: 
Sie deuse labbige hoopj die lachender hed 

scheels om. 
Zeeusche Nachteg. III. 16 : 

Om dat mijn vyant spijtich^ 
boo lebbigh, dreuts^ verw\jtich 
En schamper my bektcht. 
Asselijn, Gusman d'Alfarache, 24 : 

— hy geeft maar lebbig en norts bescheid. 
U. van Halmael, Grispyn Weezenplaag, 35: 

Zy weeten daar raad voor een lebbige tong 
Botgans, Poêzy, 646: 
Men noemt ze mooje Klaar, ó "t is een leb- 
big dier! 
M. Tydeman, in Briefwissel. met Mr. W. Bild. 1. 
64: Loeke spreekt lebbig over dedichlkonsL Wes- 
terbaen, Ged. 1. 416: 

Waer souw het Vosje stof tot leppigh schempen 

haelenf 
Huygens, Korenbl. II. 121 : 
Soo leppigh spreeckt hy staegh van vrienden en 

gébu&ren. 
Ampzing, Bibels Tresoor, 155: 

Hier klaegd de Kerke Gods van *t leppig vinnig 

praten. 
Dez De Saturnalia van Scriverius, 7: 
*k Sie Momus^ dat gy vast mijn arbeyd denkt 

te steken^ 
En leppig van mijn werk nae dijnen aerd ie 

spreken. 

In de volkstaal leeft l^>big nog, evenals labbekak; 

Van Teylingben, Paradijs der Wellust. 350: ds 

snatet^ende labbe-kacken. Asselijn, Melchior, 23: 

Jou labbekak, wat heb je dan den hielen ochtent 

bedreevenf 
De Vakantie (Amst. 1707), bl 40: 

— die drie labbekakken. 
Die vihytpelsen van vrouwluiy die my laast een 

pots h^)ben gebakken. 
Nieuwe Honigbije, I. 23: 



i 



313 



LAB6ER]0r. 



314 



Hiertoe is aüe iyi een Labbekak bekwaam;.. 

By geUii slegts door zyn tong ; zyn handwerk is 

bedriegen. 
Rotgans^ t. a. p.: 

Hier zhoeeg de labbekak, en (/us vinp d'and^ïr aan. 
Zie meer voorbb. hiervan bij Oudemans op Bre- 
dere, waar ook labbekaak voorkomt, welke vorm, 
zooals djiar te recht wordt opgemerkt, aan eene 
samenstelling roet kaak^ van kaken, snappen, moet 
doen denken, in overeenstemming met de verkla- 
ring, van het w. gegeven door Bilderdijk, Verki. 
Geslaclitl. II. 156 en Stürenburg: en waardoor de 
ineenin^ van Weil. dat kak »aGhter'' zou beteeke- 
nen, vervalt Ook Tuinman vatte in zijne Fakkel 
het w. dus op; doch in 't Vervolg op dat werk 
denkt liij roede aan labbekaak, welken vorm men 
ook vindt bij Alewijn, Latona, 9: 

Fikton. . die tyn snoet er zei roeren, as Lóbbetje 

Labbekaek. 
Van het nw. labbekak heeft men een ww. gesmeed ; 
Asseliin, De Stief vaar, 7: 

Ik zelje dat labbekakken aan de deiir noch eens 

zo heerlyk betalen. 
De Denker, X. 360: dingen, waarover men in 
Koffyhuizen en op de Beurs labbekakt. — Strodt- 
mann: labbekakken, ungereimt verliebt thun. 
En een ander subst.; G. van Spaan, Gelukzoeker, 
U6: de labbekakkeryen win zulke, die qitalyk we^ 
ten. ofze dryven of zinden. — Men heeft ook ge-r 
smeed de samenstelling labbekaüen; ¥lersi.\Ji\géi, 
Ged. 283: 

Ziet hoe zy met de vent . weer labbekald. 

Het w, lebbe was een scheldnaam van vrij al- 
gemeene bet; Moons, Sedel. Vei*maecktonneel,214: 

Gy txfenscht u moeder doot, gy bly sijt, stouten 

lebben, 

Om dat gy naer hoer doot de krib alleen sout 

hebben. 
iy^&Vy De Seven Uooflsonden, 24: 

Treekt hem den boert uyt sijn backhuys, dien 

Lebben. 
Elene snapachtige vrouw heette labbei (een w. van 
dezelfde vorming als Idappei, waarvan zie op Klap- 
peren}; Bekker en Deken, Econom Liedjes, 294: 
En hou me ook geen bezoekjes aan 
Met Klungels en Labeyen. 
I>e Denker, IV. 411: dat onze Meid eene der olyk- 
9ie I.«aJ>beien is, die 'er uit kan koomen. Van Ef- 
fen, Holl. Speet. L 568: Dat zoort van gevaarlijke 
Vrtn€U9luideny die al werken ze niet^ wel een for- 
fuintje maken, is hekend onder den naam van La- 
beyen. — Ed dit naamw. gaf het ww. labbeijen of 
UtbbtMdJÜjen; aangeh. w. IV. 903: Toen kon Myn 



Hier .. de vrouwen haar labyen betaalt zetten met 
hartige mannepi*aat. Schotel, Letterk. Bijdr. tot 
de Greschied. van deu Tabak enz. Oj : Hier inzaten 
goè burgerlui, terwyl 't vrouwvolk aan de thee- of 
koffypot iabbaayden.'* — Volgens Willems, in zijn 
Belg. Mus. I. 316, was labbayen seen samenkomen 
van jongman 8 en jonge dochters in herbergen, om 
te praten en te drinken, en was dit door verschil- 
lende geestelyke verordeningen op het allerstreng- 
ste verboden." Zie ook Kil. 

Van l^xbben had men wijders, behalve het nw. 
tobberij. Van der Veens Raetselen, 97: 
Labbery noch licht get^el; 
Hoerdery noch overspel. 
het WW. belabben, d. i. bepraten, in ongunstige» 
zin, en alzoo kwaadspreken, belasteren; Bi^ero, 
Griane, 76: 

Hierom 't Heromnes, ist niet vremtf 
Den ander schots belabt, beschempt, 
Beschelt, belieght^ bekcUt beseffen. 
Westerbaen, Ged. II. 289: 

— Wie sult ghy noch belabben ? 
Ghy tovenaersterf — 
Huygens heeft daarvoor belebben, imperf. (om het 
rijm) belepte, Rorenbl. 1. 444: 

Die t' uwen ondiemtt noch sijn' tonge noyt en repte, 

Die met gedachten u noch d" uwe noyt belepte. 
Hinlopen, in de Verhandd. van de leidsche Maatsch. 
D. II. St. I 252, kon met dit woord niette recht; 
en in de Pantheons-uitgave, III. 90, verklaart Dr. 
Van Vloten dit belepte kwalijk door ^bevuilde." 
Westerbaen, Ged. I. 413, heeft het deelw. belipt: 

lek wierd van yder een besproocken en belipt. 
Huygens, a w. 607: 

Je ginght al stctegh je coers . 

Daer je je vrouwtje toch soo diekwHs om be- 
lipt heit. 
Bij Roemer Visscher is onbelabt onbelasterd, Sin- 
nepoppen, 135: die {Heeren) zijn nimmermeer on- 
belabt, onbesproocken noch onbehijdt. — Hier schijnt 
te behooren labzoet, van »een Venus-dier" gebezigd 
bij Udemans, De Waekende Ooge, 158: 

Dat die labsoete dan hoer hovaerdy loet weten. 
Van lobben of lappen is ook uitlappen, ten 
monde uitslaan ; zie Weil. Dus De Denker. 1. 173 : 
dot zy wel driehonderd moUigheden uitlappen ^e- 
gen eene uitdrukking, die men inderdaad geestig 
mag noemen. H. van Halmael, Waarheid en Loo- 
gen, 59: 

Dat fiiemond mag denken, durft hy 'er uitlappen. 
Dez. De Edelmoedige Vrinden, 16: 

— myn Raasengel is gebooren om te snappen, 

Al stontermyn bederf op, zy zou *t 'er uitlappen. 



316 



LABBBREN. 



316 



Vollediger gezegd uit den hek 'lappen; dez. De 
Gezwoore Bedrieger bedroogen, 12: 

Dal 18 een visteef^ wat of ze nog uit 'er bek znl 

lappen ? 

Kil. beeft een ww. belabberen en stelt dat gelijk 
met belammeren; zoo ook Danneil (misschien in 
navolging van Kil.), die beldmmert en belabhert 
voor één adjectief verklaart. De verwisseling der 
labiale b en m sou wel geen bezwaar hebben, doch 
ik meen dat zij niet aangenomen behoeft te wor- 
den. Belabt kwam ons voor in den zin van be- 
lasterd, beschuldigd ; wie dat ondergaat, is daar- 
door belast, bezwaard, en nu meen ik, dat deze 
beteeken is van belast of bezwaard te zijn, ook op 
andere wijze dan door lastering, licht kan overgaan 
op het frequent, deelw. belaöbeixi Zoo leest men 
bij Van Beverwijck, Van de Wtnementh. d. Vrou- 
wel. Geslachte, 32i: (rfc vrouwen) zijn meesten- 
deel belabhert ntet ydele, ende slechte zorgh. D. i. 
bezwaard, belast. Hoffenis heeft Poem. 390: . 

Die met aijn eyghen vee sljn et^hen land kan 

bouwen^ 

End* hem voor al van schuld kan onbelabbert 

houwen enz. 
D. i. onbezwaard, onbelast, vrij. Bij verdere uit- 
breiding is belabberd als adjectief toegepast op al 
wat lastig en onaangenaam is, wat een ongunstigen 
indruk maakt, wat afkeui«nswaardig of gebrekkig 
is. Dus Nolet de Brauwere, Ged. III. 230: 
Gelijk men soms professors treft^ 
Veelwetend^ — ja, -^ maar hoogst belabberd. 
En zoo spreken wij van belabberd weder, een be- 
labberd gevoel, belabberde gezondheid, ee« belab- 
berd wat niet al? b. v. Fokke, Boert Reis, U.3C9: 
dan was het ten minste nog wai^ maar wat komt 
dat toch nu ellendig belabberd uit, — Belabberd 
sprekea is bij Westerbaen gebrekkig spreken, Ged. 
U. 720: 

Dies dwingen zy hoer tonct tot een belabhert 

spreecken^ 

En leeren achterwaerts in plaet van voort te gaen. 
Dus ook bij Van Beverwijck, Verv. van de Heel- 
konet, 45: men bevindt oock, dat de gene, die tan- 
deloos zijn^ belabhert spreken. Udemans, Ver- 
keerde Werelt, 32 (van de babelsche torenbouwers) : 

Hier Uondt dU boose Volck met hare Tong be* 

labbert. 
En belabberde paarden, bij Stürenburg gebrekkige 
paarden. 

Dat belabberd, zooala Van Lenneps Zeemens- 
Woordeb. zegt, zou afkoiflen van het maleische 
palabber^ vergadering, omdat die langzaam toegaat, 
zal wel niemand aannemen. 



Labboren*— Labbeo. 

Evenals in het vorige artikel is dit lobben de 
uitdrukking eener beweging, en wel der lippen of 
tong. {Lippe is bij Adelung in de volkstaal labbe.) 
Déar was het een beweging om te praten; hier 
om te lekken of te slurpen. Voor 't laatste zegl 
onze taal leppen of lapen (zie Ijepperen), doch het 
neders. lobben, bij Weinhold lappen. Bij I>e Bo 
is labben slabben, likken Het fransch zegt in denz. 
zin laper, als in de bekende fabel van den vos en 
den oo.jevaar: Ie dréle ent lapé Ie tout en un mo- 
ment. Het eng. to lap^ angels, lapian, lappüxn. 

Vandaar spreekt Bild. Verkl. Geslachtl. I. Voorw. 
43, van : de daad van uitsteken (der tong), en : het 
labbei*en daarmee. — Bij Danneil is labbem lekken : 
bij Weinhold lappem lekken en drinken; bij Ual- 
liwell to lobber baden, wasscben, ook beapiitten, 
beplassen; in Brockeits Glossary labbering bewe- 
ging of worsteling in 't water En in Van der 
Schuerens Teuihonista lobberen smetten, bezoede- 
len, bekladden (ook met drek); in het Idiot. van 
De Bo slobberen, opslurpen. 

Vandaar ook bij Weinhold au«to/>p6ry},uit]ekken« 
uitslurpen ; verlappem, lekkende uitslurpan, en bij 
overdracht geld of andere zaken verdoen, nederi. 
geld of goed door de keel lappen; waarvan ook 
ondereen lappen, bij Van Beverwijck, Schel der 
Ges. 109: alsmen onder een lapt dick en etun .. 
dat swaer en licht om te verteeren is, — En ook 
belappem, bedruipen, begieten; waartoe behooren 
zal i>belabben met een vlek," d. i bezoedelen: Va- 
lentijn,* Werken van Ovid. III. 321 : valsee duiders 
hitsen 't volk tegen mij op, en belabben tmijne 
digten met een nieuwe vlek, — En eindel^k hetab- 
beren, in den Reinaert, vs. 6552: 

Si lagen daer int vule hoL, 
Dat hoer urijn hadde bewr€uU. 
Si waren belabhert ende becact 
Ten oren toe^ van haers selfs drec. 
Welk woord, in verband met het voorafgaande 
»urijn" geen nadere verklaring zal behoeven. Wil- 
lems liet «het w. onopgeheMerd, en Lvlofs Hand- 
boek, 380, sloeg zoo wat in 't wild met i^jrmiX be- 
klonterd, bemorst en zwaddertg." 

Labl}en wordt in da verwante dialecten vooral 
gezegd van het l«rken der kinderen aaa de moe- 
derborst, en in dezen zm heeft Bara labbertomg^ 
Hemel en Hel, 19: 

Och! hadmen my het breyn in '< baren door^ 

geeiek^n! 
Of met vuyl addergif den labber^toitg bestreekcn ! 
Eylacen ! hadmen hem^ die nu ten vlammen dwoaait^ 
By stukken^ metdenhtuik^deUjftneêruytgehatUt! 



«7 



LABBEBm. 



S48 



Uit iMt verband blijkt duklelijlL, dut hior de tong 
eens xuigelings wortll bedoeld, en niet die een« 
sMppei'S, zooals «klers; zie het vorife artikel. 

Eene andere eamensteJIing ïb labbermuilen^ d. i. 
met den muil of mond lokken; Tspel vanden Heil 
Sacraiuente, door Dr. Verwijs, 73: 

Laedt owf deen donder labbermolen, 
£nd€ daer mei vergeven 4dle ons alagen. 
Hiertoe behoort de platte uitdr. de wrije tabee 
hdiheih, d. i. de vrije slemp; Paffenrode, Ged. 100: 
De Ud loeren hedemdamgs &p de slem .. 
Sn daar de vrye labea t>, itaar loopt alderhande 

elag wxn volk na toe 
Krook, De Nederl. der Seine, 36: 

— (ik) ging my éoen aan Gentielke verhangen^ 
Waar hy ik, om de vry labes, de vryery maakte: — 
Lentfrinck, Uovaardye in Armoede, 21 : 
2o 'khem vry labes gaf^ trompette flux de faam 
Myn grooie daaden uü. — 
Men vindt daarvoor ook vrij lapis, M. 6. Tengne* 
gel, Frik in 'tVoorbub (Amst. 1791), 32: 
Ik heb *er ook al voet menigmael vry lapis 

deur ehad. 

Labber0a*~Trfibben> 

Als derde het van Icdfben komt voer die van 
bewegen in het algemeen Dus is lappen bij SchmeU 
Ier slingerea, Rohommelen; vandaar bij Kehrein 
lappem^ heen en wcêrgaan; bij Huppel labbrigen 
bij Bock lablnrich^ siet vast, los, nedMi. lobberig. 

Van dit lappen of lobben is ons zeemanswoord 
lobberen, bij *t welk Winechooten te recht opmerkt, 
dst het »slingersn" beteekent De uitdr »het is 
eene Udtbere koelte" wil volgens hem zeggen, 
>daar is soo vweinig winde, dat de seiloR niet stijf 
gespannen staan: maai* heen en weer wapperen." 
Zoo spreekt Krul, Min neapiegel, 78, van «d'aesems 
labre wint." D«im, MeageUangen, 376: 

Ai! labber wintje, hoor^ verkoor myn zuchten. 
Baardt heeft UMerig in denzelüden zin, Deugden- 
spoor, 345 : 

De lahberige KsUmt^ uyt 'tzuyen opgedreven. 
A. M. Moens, Dicht. Proeve, 16: 

Een labbrig koeltje streelt der eiken hooge toppen. 
Het WW. komt bij onze eehrij vers meermalen voor; 
Berthey. Zeetriumph, II. 294: 

he Jonker»., zeilt ooort labbrend tian op zijde 

Der etaetlijke barkas — 
Wiliinks Amsterd. Buitens. 67: 

De speelschuit in het stille vsater 
Op 't lahbreo van de riemen glydL 
Bigt, Ged. 199: 

Terwijl een zwoeU urind ons lebberde te moet, 
Dichtoeff. van Stud. Scient. Gen. II. 238: 



Zwijgt, Zefirs, ei blaeet niet, 

Noch lebbert door 't groen. 

Tollens, Ged. HL 63: 

(IMe) den wind te kluistren weet 

En laat labbren in zijn zeilen. 

Bilderdijk, Najaafsbl. I. 5: 

Klonk mooqlijk wel, van de Echo opgenomen., 

Een toontjen zoet door 'i labbren van uw stroomen. 

Dez. Ziekte der Gel. Mi: 

— V hulkjen loeve of lenz* in 't labbren op den 

vloed. 
Dez. Rotsgalmen, I. 200: * 

— 't labbrend vischjen in dek vloed. 
Van Ryswyck, Balladen, 34 (van een gedrocht): 

Mef zyn labberende vUmmen 
Zeer overdrachtig zingt Van Alphen, Dichtw. III. 329: 
Gü (Godsdienet) voet^ geen storm, of hageibui- 

jen aan; 

Maar labbert tachtkenA, ais de zmdewind. 

Van het ww heelt men de subst geleAibor en 

labbering; Roden bui^gh, Rodomont en leebella, 32 : 

Wat waent ghy, Rodomont, dat iek uw drey- 

gietgh aehtf 
By d^ Hemel niet meer o/s 't ghelabber vande 

winden. 
Bilderdük,' Ondei^. dei* Eersie V^areld, 155: 
{De wind) strookt dien U voorhoofd laauw, die 

in zijn labbring ru»(. 
En Nieuwe Dichtschak. I. l4sS: 
Een labbring uU hot West., deti %9cktend voor- 
getreden. 
Voorts als samenstelling toMierfoGAf/OeUonigbije, 
UI. 103 ^van een' zuidenwind): 
Die door een labfoerto^tje het Zomerzmoei verkoelt, 

Laohteren— Lakan. 

Reeds Kil. plaatste deze beide wn. als gelijkbe- 
teekenend naast olkander. Laken is het goih leiian, 
ottdhd. Idhan^ angels, leon., lehan (zie Graff, If . 97), 
berispen, afkeuren, smaden; eng. bij UalliweU to 
laek, to blame. Onze middelned. schrijvers bezige 
den laken weinig, wellicht omdat dit ww. bij hen 
oek andere beteekenisxen had; zie prof De Vries, 
in mijn Archief, II. 118 en volgg. Evenwel, in 
een stuk uit de veertiende eeuw, door Willems 
in 't Belg. Mus uitgegeven, leest men D. V. 79: 
Vader, eest dat ghi vrouvoen laect, 
Soe sidi van vrqetsoapen naeet. 
Het w. laeot kan hier niet anders dan in den le- 
genwoordigen zin worden opgevat; want de vader 
antwooiHit: 

Sone, ie wille vrouwen loven, 
Want M comien droef heU roven ; 
Moer den wijn prisic daer hooen. 



319 



lAdFTEREN. 



3flD 



Des te meer ontmoet men het frequent, lachteren. 
Dus Melis Stoke, III. 353: 

De quade wil niet ghelachtert s'/n. 
D. i. wil niet berispt zijn, zooals Huyd. ald. 425, 
aantoont. Blaerl. Sp. Hist. H. 255: 

Dies scamen si hem in haer gedachte^ 
DcUs sulc een man vulbrochte^ 
Ende hebben lievere Ie lachterne cUen^ 
Dan haer selves sonden bezien. 
Hetz. yr. Tweede Paertie, 200: 

Omme dat dese beariegere quaet 
So lachtert onzer gode staet, enz. 
Alexandei*s Geesten, I. 2: 

Ans mi God, ie saelt valleesten^ 
Al lach teren sijt diet niet en volstaen. 
Ald. 158 : 

Bedie gave ie eem die varde^ 
So lachterdic mi selven harde, 
D. i. zoo schandvlekte ik mij zelven zeer. Van 
Velthem, fol. 105: 

— irecti achter oec van desen, 
Ie sai u I achteren in allen hove. 
D. i. ik zal schande van u spreken. Lancelot, fi. 
III. irs. 2892: 

'Bedie heeft hi u vor desen 
Milder dan anderen lieden gevoesen^ 
Dies suldi hem danken nu; 
Want men sol dat iachteren an u. 
D. i. ten kwade duiden; ald. ^s. 5762: 

Vielic weder in sonden nu mere^ 
Het ware mi te lachterne sere. 
Karel de Groote, 183: 

Ie hare hier Iachteren harde sere 
Den getrouwen grave Gelloene. 
D. i. benadeelen, lasteren; delfsche Bijbel, Num. 
13, VS. 32: si lachterden voerden kinderen van is- 
rahel dat ktnt datsi ghesien hadden. Gap. 14, vs. 
11: Hoe langhe sal mi dit volc lachteran? Gas- 
sianus, Der Ouder Vader Gollacie, fol. 41 verso: 
So lachterden wi Gode. Belg. Mus. 1. 279:- De gode 
lachtert soe cUtemale. — Ook voor de bet. van schel- 
den, aangeh. Bijbel, Num. 23, vs. 8: mit wat re- 
dene S€U icken Iachteren, dien die heer niet en 
lachtert? — Elders in hetz. werk voor berispen, 
Job 6, VS. 25: Waerom hebdi ghelachtert die 
woerden der waerheit: als niemant van u luden 
en is die mi berispen mach? 

Deselfde beteekenissen heeft het ww in 't on- 
middellijk volgende tijdvak. Goomherts Wercken, 
IL fol. 130 verso: moetmen niet schandelijck Iach- 
teren al dese self'loopende Kerck-oprechters. Sam- 
bucius. Emblemata, 10: 

Te vergeefs sal hem dies Momus dan quellen 



En ZoüuSj om dit werck te Iachteren fiere, 
Antw. Spelen van Sinne, 470: 

Ghy en weet op ses mijlen naa waer ghygaet; 
Blijft by ons, soo en sal u niemant lachteran. 
Bredero, Roddnck en Alphonsus, 73: 
Doch elck hoe nauw hy 7 quaadt bemerckt 
Eerder lachtert dan beter werckt. 
De Uarduyn, Goddel. Wenschen, 66: die onghe- 
luckighe aerde heeft haer verstout te Iachteren 
de vingheren van haeren Potbackere. 

Het subst. lachter^ overeenkomende met het 
angels, leahtor, leahter, werd bij ons, inzonderheid 
voor schande, veel gebruikt ; Lancel. B. II. vs. 43845 : 

Men doet mi lach ter onverdient. 
D. i. men doet mij onverdiend schande aan. Ald. 
VS. 43874: 

c sal haér doen dor uwen toren 
Lachters meer dan te voren, 
Lachter geschieden is schande overkomen (aan 
iemand); ald. vs. 44698: 

Mi ware leet gescide u lachter. 
Maerl. Spieg. Hist. II. 264: 

Hem en soude dinken in desen 
Dattem lachter gesciede indten 
Dattene die maget niet wilde sienf 
Belg. Mus. VI. 186: 

Al selken vrient en achtic niet 
Daer mi lachter bi gfaescieL 
Lachter spreken is schande spreken; Lancelot, B. 
UI. VS. 7582: 

Gevalt mi dat ie bederve 
Sonder uwe hulpe, ende sterve^ 
Wet wel, datmen u daer of over al 
Euwelijk lachter spreken saL 
Maerl. Spieg. Hist. L 75: 

— lachter, diemen hem sprac. 
En wildi niet, datmen wrac, 
Karel de Groote, vs. 1596: 

-^ oec soude die coninc Yoen 
Node sijn geleide breken, 
W^ant men souts hem lachter spreken. 
En Bredero, Griane, 61: 

— een lasterlijcke kloek 
Door 's menschen oordeel, die de dorheydt van 

een taek 
Den heelen vruchtbaer boom totschandt efil^ch' 

ter spreken. 
Dus' ook in verschillende andere spreekwijzen; 
Lancelot, B. II. vs. 43830: 

Ma>er Walewein ne uxis niet vroei 
Oftet uxis dore tridders goet 
Dat si heme dus volgeden achter, 
Soet U)as om sinen lachter. 



391 



LAGHTBREN. 



332 



D. i. tpt zijne oneer of schande. Belg. Mus. IV. 359 : 
Mochiic sonder niinen lachter, 
üxü deset* noot sijn ontslagen, 
D. i. zonder schande voor mij. Maeii. Sp. Uist. 
1.415: 

Bettu van sinne staerc ende atout, 
Al dedemen di enech ghewout^ 
Dune 8out8 di niet te lach ter leggen. 
D. i. tot schande rekenen. Aid. 39' 

Wie 90 hem oec dies trake achter^ 
Hi bleve altoos inden lach ter. 
D. n. 402: 
Doe sooeren hem die LunüxJterele van achter^ 
Dattem nu sonde dinken lachter, 
Den nolle toten halse neder. 
Spieghels Uertsp. B I. vs. 19: 
Vergeefs ik vrientschap^ jonsl^ of sin-ghelijkheid 

wensche. 
Verachting^ lach ter, /toon, verwacht ik. anders niet 
Vondel, Eoripidefi' Fenic. 39: 
Wcier ikme wende of keer^ tal doorgaans my 

een lachter 
En vuile naklank van hloohartigheit van achter 
Savolgen, — 
Bredero, Roddr. en Alphonsus* 44: 
De Reden^ de Natuur, en 't oordeel die hesluytmi^ 
Dat ick tot orber van de Alderltefste mijn. 
Hem eerelijek versoeck, wat lachter kandet* 

spruyten f 
Met allen geen: het sal een nutte sake sijn. 
Nog Bilderdijk, in den Voorzang zijner Btoemtjens : 
Zeg dan den schimper of verachter 
In antwoord op zijn smaad of lachter: enz. 
D. L in den tegen woordigen zin van hoon of laster. 
Voorts zie men zoowel van lachter als van lach' 
teren meer voorbb. bij Huyd. op Stoke, III. 425, 
Qignett, Bijdr. 86 en volgg., Van Wijn, Aantt. op 
Van Heelu, 194 en de Gloss. op Reinaert de Vos, 
De Dietsche Doctr., Maerl. Rymb. en andd. 

Diefenbach, II. 122, brengt behalve lachter ook 
tot bet goth. Uxian het oudeng lake (vituperium, 
Titium), en het westerw. laek, dat Sehmidt heelt 
voor gebrek, ook fout of misstap. Hij had daarbij 
moeten voegen het middelned. lae, dat dezelfde 
beteekenisaen in zich vereenigt. Bilderdijk ver- 
klaarde dit selfst nvr. door smet of vlek, vanloA- 
/een of laken j d. i. smetten ; en ook prof. De Vries 
meent dat dit laken het tegenwoordige in den zin 
▼an hooneu, beriapen, heeft doen ontstaan ; zie mijn 
Archief IL 124. 't Komt mij intusschen voor, dat 
zoowel lak als laken, nevens andere vormen bij 
Diefenbacfa varmeld, rechtstreeks uil het golbisch 
ontstaan zijn. De identiteit van lak en lachter 



blijkt uit verschillende spreekwijzen; lak zeggen 
is hetzelfde als het bovenvermelde lachter spre- 
ken, d. i. schande (van iets) spreken; Taalk. Mag. 
IV. 36: 

— Die vader sprac 

Ende seide hem menich lac. 

Dat hi sinen wiUe onwaerd. 

D. i. de vader sprak zeer tot schande van hem 

(zijnen zoon) omdat deze zijnen wil verachtte. 

Maerl. Spieg. Hist. II. 339 : 

^tont een Romein daer ter stede 
Ende seide: die Bertoene 
Sijn stadere van worden, cranc van doene, 
Wah'wein antworde ende sprac: 
» Wat segheotu den Bertoenen lac ? 
Sie, of si doen dorren ende sprefcen.*' 
Mettien worde hevet hi gfiesteken 
Sijn swerl den Romein dort lijf. 
Van Velthero, fol. 307: 

Ui ne hot*de noyt man verbolgen. 
Dat te nie op dichten sprac, 
Tot deser tijt, oft seide lac. 
En fol. M4: . 

— Daer ne versprac 
Myn Her Lodewyc, ende seide la6, 
Des Graven Robbreehts sone. 
Des balch hem die Herioge. — 
Halliweli haalt uit een oudengslichen dichter aan 
with^wten lac, en vertolkt dit door »withoul fault*' 
De onzen hadden dezelfde uitdrukking; Van Velt- 
hem, fol. 308: 

— oec di warde^ die hi sprac 
Meindi in 't herte, sonder lac. 
Le Long toekent aan izonder acJitardocht'*; juiatMr: 
zonder den toeleg om ta laken of een blaam te 
werpen. Kaualer, Denkm. 1. 162: 

Maer daer tusschen men so sprac. 
Dat die princen sonder lac 
Worden ghesteUt in goeden aecorde. 
Aid. 279: 

De grave van Artoys ende sijn stme. 
Een ionghelinc vailiant ende socste, 
De grave van Boenen, aondar lae, 
Ende de grave van Eermenjae. 
D. i zonder blaam. Belg. Mne. V. 78: 
Al sijn vroutoen sonder Jm, 
Vanden wine hebbic gemae» 
Aid. VIL 229: 

Reine vrouwen zonder lac, 
Schemel ende van seonen eeden» 
D. IX. 85, denkt men aan »gebrek": 

{De tac) sal op groyen aondar lac» 

Ende werden een boem êcoe».êm aroeL 

U 



323 



LACHTBRBN. 



324 



Miierl. Spieg. Uist; I. 195: 

(Hi) seide tainen wive: Twij 
Ne liaddi geaeit tote mi^ 
Dat mi dese lac anelaghe ? 
Ie hadt gebetert in enen daghe. 
D. i. dit gebrek aankleefde. Doch bij denz. is lac 
wederom schande, oneer, ald. 111: 
Omberecht volc te bescedene 
Ende in orioghen te leedene: 
Daers meer lacs an dan vromen. 
Voor blaam of beschuldiging leest men 't woord 
nog in Vlissings Red. Lusthof, 298: 
Joseph verwon de valsche lack 
Die 'tvalsche wijf Potiphars sprack. 
En zoo vindt men het ook uit lateren bij Weiland. 

De latere vorm van lak is laak; De Haes, Nagel. 
Ged. 4 v^van de Bekoring): 

Wa£r zy geheel ontbreekt^ ontbreken laek en lof. 
Koenen, Gesch. der Joden, 364: bereid^ de onkun- 
dige Joden met laak en laster te overladen. Ver- 
volg op Wagenaar, I. 311 : De ptys- of laakwaar- 
digheid zyns Vertoogs. 

Onze Ouden hadden het bijw. lachterlijk voor 
schandelijk, berispelijk; zie de Gloss. op Karel de 
Groote en Der Minnen Loep. Dus nog bij Coom- 
hert, Wercken, L fol. 85: Strecken aUe sulcke... 
8aken... toMachterlijcke vermtncimn^/ie der {Godi- 
l^cke Eere). — - Anna Bijns heeft daarvoor /acA^,^, 
Ref. IIL 35: 

Mijn vyanden- zijn vele^ en zijn eeer iachtigh.,. 

...al vallet} sy teghen my Iachtigh, 

Ghy zijt mijn toevlucht in alle tentatien. 
Zie voorts op Lasteren, — Bq Wagenaar, Amster- 
dam, IIL 130, leest men in eene Resolutie van 
1678: Hooge Dyek^Heemraden op de naer-keure^ 
naerschouwe, ende belaeckinghe van het voorschreve 
Aerdewerck.-^WAi is hier belakingf Hooft heeft 
het werkw. zoowel als de afl. Ned. Hist. fol. 30: 
' T getuighenia aileen.., wort hem gemelty geensins 
de getuighen. Maar, zoo hy waant eenighe vyan^ 
den te hebben^ magh daar naa slaany eti, hen, treft 
hy 't, belaaken. Zoo der echter eenighe meer zyn, 
die hy niet raadt, oft zoo de belaaking verworpen 
wordt, hun getuighenis blyft bandigh, — Het Wdb. 
des Inst. verklaart het ww. door »af keuren, bijzon- 
der van getuigen, die, als partijdig, gewraakt wor- 
den" — Belahing bij Wagenaar kan dan zijn af- 
keuring (van het dijkwerk). Wellicht echter heeft 
men hierbij te denken aan het nedersaksische lak- 
schauen, belakschauen, met berispend oog beschou- 
wen ; zie Tiling. Bij Strodtmann is lacksctwjer 
iemand, die een ieder ongunstig beoordeelt. In 
den algemeMieii zin van afkeuren toch leest men 



het woord bij Hofferus, Poëmata, Voorzang : 
Men seght wel in een Woord dat niemand moet 

beiaken enz. 

Lammeren\ zie Lemmeren. 
Lammeren*— Lammen. 

Kil. en Ten Kate, II. 654, hebben lammen voor 
lammeren werpen. Dus bij Goomhert, Wercken, 
I. fol. 14 vei^so : soo biedt de Oye ghelamt M- 
bende, haar Lammeken de mam. Mamix, Bien- 
corf, 11 5a: hoort slechts toe ende merckt, want 
hier sal een Oye lammen. — Weil. heeft in dezen 
zin het frequent, lammeren, dat intusschen reeds 
in den Statenbijbel voorkomt. Gen. 31, vs.8: Wan- 
neer hy aldus seyde: De ghespickelde sullen utoen 
loon zijn, so lammerden aile de kudden gespickel- 
de: en wanneer hy alsoo seyde. De gesprenckelde 
sullen uwen loon zijn, so lammerden alle de kud' 
den gesprenckelde. Zoo roede Hoogvliet, Abraham 
de Aartsv. 131 : de kudde lammert staag. Kantelaar, 
Verband, over het Herdersdicht, 57: Herder en 
landman weten... hoe dikwijls de kudden gelam- 
merd hebben. Bilderdijk, Mengel. II. 145: 

— H Schouxpjen met dien toon van weemoed daar 

'tmeê lammert. 
Het hoogd. heeft lamrneti, doch (zegt Adeiung) in 
sommige streken lammem. Stalder heeft het freq. 
lammem, en bovendien lammeln. 

Six van Gh andelier, Poësy, 234, bezigde omlam' 
merd voor »door lammeren omgeven" : 
Hoe heur de harders koosen 

Omlammert in het veld, omkranst van groen en 

roosen. 
Voor den gewonen meervoudsvorm lammeren heeft 
Vondel als rijmwoord lammen, Davids Uarpz.286: 
De heuvels dansten in hun dal, 

Gelijek een kudde en koy van z€Ute lammen. 
Nagevolgd door Van Lodensteyn, Uytsp. 69: 
Wat maackten u de sware voet 
Te ligten, als de ligte Lammen, 
Te buyt'len als de dertle Rammen? 
En lammertjes voor 't gewone lammetjes bezigde 
Smits, Intreereden van Pieter Burman, 31. 

Langeren— Langen. 

Voor 't gewone verlengen, d. i. langer maken, 
heeft Weil. ook verlangen, en werkelijk komt die 
vorm bij vroegere en latere schrijvers voor. Amp- 
zing, Bibels Trezoor, 88: 
Hiskias doodlijk krank bid God met rou bevangen, 
Die hem belofte doet sijn dagen te verlangen. 
Schadtkiste der Philos. fol. 277 : 
Haer gevende de borst uyt wille goedertieren, 
Waerdeur sy gewissHijck haer leven gingh ver- 
langen. 



325 



LANCEREN. 



326 



Levens van Plut. fol. 345: souden ay doen ver- 
luigben vjn gouvernement voor noch soo veel tijt 
als hy het zelve ghehadt hadde, Goomhert, Wer- 
eken, I. fol. 240 verso: Nochtans en mach nye- 
mandt sijn leven verlanghen. Vervolgd op Wagenaar, 
XYI. 42 : zouden zy den tyd^ om hunne zaak voort 
te zetten^ eenige weinige dagen verlangen. D. XXV. 
212: den ivd ie verlangen tot den eersten mn Len- 
temaand. D. XXXVIII. ü2: die deezen rampzali- 
gen staat wenschen te verlangen. Berkhey, Nat. 
Hist van Holland, V. 276: borstelige haartjes^ die. . 
in eenen geregelden rei staan^ en in. het midden 
allengs verlangende. Bilderdijk, Nieuvire Mengel. 
I. 203: zijn leven een etmaal verlangen misschien. 
Dez, Verscbeidenh. IV. 161: Van ouds luid men 
aan de duitletters een verlangde gedaante gegeven. 
Aid. 165: w het klaarblijkelijk noodig de i <e ver- 
langen. 

Hel frequent verlangeren^ naar 'l hoogd. verltin- 
gern gevormd, komt driemaal bij Bilderdijk voor; 
zie de pil. in mijne Proeve over dien Dichter, 123. 
Evenwel, 't was vóór hem reeds gebruikt door de 
Overzetters van onzen Statenbijbel, die in hunne 
Kantteekening op Jeg. 48, vs. 9, als variant van 
•langer uytstelien' opgeven »verlangeren, ver- 
trecken." Zie ook Lengereti, 

Lanteren, zie Lenteren. 
LanterfiBtnteren— Lant erfknten 

Volgens De Bo komt dit frequent, in het west- 
vlaamsch voor met de bet. van «lanterfanten, Ie- 
digloopen, den luijaard spelen.'' Het prim wv^* 
is in het nederl. niet onbekend; Huygens, Korenbl. 
1.411: 

— gy Dan ten en gy quanten^ 
Die met als om 't Voorhout en weet te lanter- 
fanten. 
Trip, Tyd winst, Voorr. 10: Dwazen mogen ydel 
lanterfanten aan een klappende merkt met de Athe- 
nienzeren . Wyzen hadden ter merkt te gaan om 
koophandel in den tyd te doen. Gras, Nagel. Ver- 
handel. I. 370: ^s namiddags hier of daar eens^e- 
lanterfant^ vervolgens fiaar het concert enz. Bil- 
derdijk, Rotsg. I. 175: 

Oeh^ UMt valt het leven hang. 
AU men niet kan lanterfanten, 
BoekzeuUs lezen of kouranten enz. 
Zie ook het V^db. des Inst. op Hooft. — Het ww. 
is gdinaakt van het znw. lanterfant^ lediglooper; 
Aotw. Spelen van Sinne, 68(;: 
Au gaet dat ghy moet worden een dief ghereet 
In u neiringhe^ ick salder toe helpen . 
Ofi eenen lanterfant, behanghen met schelpen. 



Rodenburgh, Poet. Borstw. 387: 

Ick klauter rotzen op wijl lanterfanten dromen. 
Cats, Wercken, I. fol. 421 : 
En kies geen jongen laf^ in weelden uytgelateny 
Die voor een lanterfant gcuU proncken achter 

straten. 
Het N. Hoomse Speel werck, 5: 

— den lanterfant, die altijdt sit te gapen. 
Schonck, Het Masker der Waereld, 20: 
Als uw^ jonge lanterfanten 
Gaan, als de eerste hofpedanten, 
Naar den nieuwsten zwier, gekleed. 
De oorsprong van dit w. is, mijns inziens, nog niet 
genoeg opgehelderd. Kil. spelt landtrefant, land^ 
tref anten, en zoo ook Six van Ghand. Poésy, 119. 
Dit bewijst dat men er eene afl. of samenst van 
land in zag, waartoe de bet. van landloopen moest 
brengen Kil. houdt landtrefant voor land-trou- 
want, zijnde trouwant^ thans trawant, bij hem een 
wachter of .satellieten voo:Hs bijlooper, rond]oo()er 
enz. Bilderd.jk is van dezelfde meening; zie zijne 
Geslachtl. op Trawant, en Aan tl. op Huygens, V. 
293. Voor trawant zegt de volksuitspraak trewant, 
ja ook terwant, als men leest bij Willink, Amstell. 
Arkad. I. 153: zulk een bedelaar, terwant of spek» 
^laalder. — De overgang van dit tot (land)-terfant 
was niet moeijelijk en het w. komt dan overeen 
met het hoogd. trabant, door Adelung van traben, 
nederl. draven^ afgeleid. 

Daar, intusschen, een ww. lanteren bestaat voor 
langzaam handelen, talmen (zie Lenteren), schijnt 
het niet onaannemelijk, het w. lanterfant hiermede 
in verband te brengen; en Bilderdijk was ook van 
die gedachte niet vreemd, toen hij op eene andei*e 
pi. (Aantt. op Hooft, 114) lanterfanleti verwant 
achtte aan lunderen, tenderen, otiari, en fant ver- 
klaarde door »voetknecht." Dit laatste is wel wat 
vreemd en door niet« gestaafd, en zoolang die laat- 
ste helft der samenstelling niet beter is aangewe- 
zen, zal het best zijn de uitlegging van Kil. te be- 
houden. Lanterfanten kan dan vergeleken worden 
met afleidingen in verwante tongvallen, die hetzelfde 
beteekenen; b. v. /terum^ar? t^c/feu bij Schöpf, waar- 
van lantsch, een zwervende vrouw; trébandeln bij 
Adelung, als mecklenburgsch opgegeven voor om- 
loopen. Het fransche truant, eng. truant, schijnt 
van anderen oorsprong. 

Ik vermeld hier nog een tweetal afleidingen ; bij 
Rodenbui-gh eenen vrouwelijken vorm van lanter- 
fanter, Melibea, I. 13: 

— twpe voedt de hoop, en hope is onzeker, 
Dievegghe onze»* tyd, een wreede lierte-breker. 
Een beuzelaerster-mom, een lanterfantster u^ic/it. 



327 



LANTERFANTEREN. 



328 



en in de Levens van Pint. een bij^. lanterfantig, 
fol. 534 verso: sy hoereren ghestadelljcky lanter- 
fantich ende slaperich alsmen moet atheydet}» 

Lasteren— Lasten. 

Etymologisch zijn deze vni. één met lachten^ 
lachteren (zie dit art.). Het oudhoogd. Idhan gaf 
reeds in diezelfde taal lahster en lastar^ in 't raid- 
delhd. en middelned. laster, voor (zooals Benecke 
het uitdrukt) »wat de eer krenkt." De bet. van 
ondeugd, misdaad, in 't hoogduitsch en deensch 
bekend, is van later tijd: zie Diefenbach, II. 121 
Het prim. lasten doet zich voor in het oudnoord- 
sche WW. lasta^ deensch laste, calumniari. 

Gelijk het middelned. lachter zeide voor laster, 
had het ook lachteren voor lasteren; deze laatste 
vorm komt echter ook een enkele maal voor; Lan- 
celot, B. III. VS. 2841 : 

^Acharme Keytijf! Layse wats mi! 
Ay Gody here, nu ten stonden 
Bliken oppenbare wel min sonden 
Ende min quade leven medé\.. 
Dus lasterde hem selven Lanceloet 
Ende hadde droef heit herde groet. 
D. i. dus beschuldigde Lancelot zich zei ven. 
Episoden uit Maerl. Hist. van Troyen (door Dr. 
Verdam), vs. 7786: 

Her Ayax, lastert ghyt my so, 
Dat ie den orloghe ontvlo? 
Lager ald. vs. 7792: 

Ghy haddet ghelastert alle die heren. 
En het subst. vs. 7809: 

Wert uwen laster al ghemeen? 
Dus heeft ook het Passionael Winterstuck meer- 
malen de uitdrukking die rijcheit lasteren voor 
taken, afkeuren; zie de pil. aangeh. bij Ypeij, Taalk. 
Aanm. 48. Achterlasteren is kwaadspreken in het 
Somerstuck, fol. 124 : op een tijt doe sommige bis- 
scoppen.,. begonsten achter te lasteren, doe betmspte 
hise so seer enz. — In den Statenbijbel en elders 
in de 17e eeuw heeft lasteren nog den zin van la- 
ken, berispen; zie mijne Taalk. Handl. in voce; 
dus mede Van Nievelt, Discoursen van Machiavel, 
405: vindende Lande in al de Ckxsteelen luyden die 
hem seyden dat sy van de partye van Marrocco 
wa,eren, lasterde hy seer dese deylinghe. — Opmer- 
king verdient de bijeenvoeging van laken en las- 
teren ; Lev. van Flut. fol. 410 verso: te schouwen het 
ghene dat sy laken ende lasteren. — En het subst. 
laster geldt voor ondeugd, misdaad ; zie de genoemde 
Handl. Dus Vondel, Lucifer, 49: 

— och, of voor rf' alziende Zon, 
Het aldowxlripgende oogh, ick deze lastren kon 
Bedecken, '-^ 



Jeptha, 55: 

Wat hébbe ick een groot lasterstuck bedreven f 
Vondel gebruikt meermalen het ww. verlasteren, 
dat Weil. verklaart door belasteren; de bet. in- 
tusschen komt mij voor sterker dan dit te zijn en 
te naderen tot die van vloeken of vervloeken ; 
Salomon, 8: 
— is uw glans van 't licht, daer ghy uw majesteit 
Van licht en glans uit schepte, alree zoo 'wijt 

verbastert^ 
Dat ghy met deizen niet dees gruwelkelck ver- 
lastert t 
Maria Styiart, 27: 
Naer dien ghy dan den raet der wijze Godtge- 

leep^den 
Verlastert en verworpt — 
Hercules in Trachin, 25: 

Verlasterende 'uw echt, te smertelijk bezuutH. 
Poëzy, I. 479: 

Hoe kan Hgeloey der Schfiftgeleerde stieren^ 

Dat vloeken, dat verlasteren uwe Faem 
Verdoovenf — 
En D. n. 131 : 

Hetzy Arrius tong de Godtheit dw*8t verlasteren. 
Op 't spoor van Ebion; — 
Waarvan verlastering, vloek, bij denz. Salomon, 24 : 
Ghy rekent dit tot eere, en roem: moer hier te 

lande 
Gedijt het u tot haet, verlasteringe, en schande, 
In de zwakkere bet. van laken of beschuldigen 
leest men 't w. bij Oudaan, Roomsche Mogentheid, 
302 : de Egiptenaren zijn min te verlasteren in 
haareblindheyd. dan de tegenwoordige Roomschen. 
— Dit WW. doet aan 'thoogd. zerldstem denken, 
en inderdaad heeft dit bij Schmeller de bet. van 
smaden, hoonen; doch de gewone bet. is die van 
bederven, en Diefenbach stelt de verwantschap er 
van met het gew. lastem onzeker. 

Dat voor het oude lachterlijk, schandelijk, be- 
rispelijk, daarna en nog tegenwoordig lasterUjk 
gezegd wordt, is bekend. Dus b. v. Vondel, Sal- 
moneus, 4: 

— ge^n burgers trecken ntii 
Uit lasterlijcke pracht, gewoon de lucht te iergen. 
Camphuysen, Uytbr. der Ps. 86: 

Als sy met lasterlijck verwijten.. 
My van veel tongen sien besmijten. 
Doch Kil. heeft in dergelijken zin ook lasterig^ 
't welk minder voorkomt. *k Trof het aan bij De 
Harduyn, Uitgel. Dichtst. 40 (waar God van Saul 
zegt): 

— tot dat ick brack zijn lasterigh ghentoedty 
En dat hy Gelboë besprinckelde niet bloedt. 



329 



LASTEREN. 



aso 



Wij souden hier zeggen laaierzuüitigoï zoo iets. 

Der Minnen Loep, L 34, heeft: 

Hoe si hoer aelven hadde gheschent 
Ende so laste! ie wem voirdoerty enz. 

wur de variant heeft vlachterlijck"; ik denk hier 

aan eene misstelling voor laaterlic. 

Lateren— Latten 

In Breda is lateren i»de pannen van het dak van 
onderen met riet bezetten" Ook elders schijnt 
dit w. in zwang te zijn, want ik lees in de Rot- 
terd. Courant van 22 Maart 1856 van vriet om te 
dekken of te lateren." Hoeufft, in zijn Proeve 
van Bred. Taaieigen, leidt het w. rechtstreeks af 
van 'tiatijnsche latare^ een dak met latten beslaan. 
Niets belet echter het w. als een frequent, te ver- 
klaren van het ww latten^ bij Weil i>de daklatten 
op de sparren vastspijkeren," anders ook belatten 
genoemd; van het znw. /a^, hoogd. latte^ middelhd. 
late. Het oudfr. heeft daarvan lateur voor den 
werkman, die het huis (met latten) dekt. In het 
middelned was lat juist niet altijd, zooals in het 
tegenwoordige, een lang, dun hout; maar ook dak- 
tegel ; dus Maerl. Sp. Hist. L 289 : 

Doe lietmen eenen. juchtegen neder 

Dordie latten voer sine voetc. 
En Rymbybel, L 479: 

Boven clommen ai uppe thuus^ 

Ende lietene voor die voete Jfiesus 

Neven den latten nederward. 
Nevens ons frequent, lateren, welks lange klank 
met dien van het middelhd. late overeenstemt, 
konnen twee andere voimen geplaatst worden: 
lattnen bij Schmeller voor vmet latten voorzien", 
en Idttlen bij SchÖpf aden wijnberg met latten 
voorzien." 

Lauteren, zie Lauweren. 
Lauweren— Lauwen. 

Bij De Bo ie verlauweren lauw worden, hetzij 
met te verkoelen, hetzij met te verwarmen, al naar- 
mate het voorwerp heet of koud is. Het primit. 
in dien zin leest men bij Gassianus, Der Ouder 
Vader Gollacie, fol 101 die minne (hegan) te ver- 
couho&i ende te verlaeuwen. Aid. fol. 94 verso: 
inden stoet des verlaeuwden levens te vallen. Van 
Iterson, Stemmen uit den Voortijd, 88: Mer ver* 
lauwen wi van goeder hegheerten, soe bliven toi in 
passién. — Het freq. luidt bij De Bo mede verlauw- 
teren en zal ook wel bedoeld zijn door lauteren^ 
dat Halma en Weil. hebben voor tabberen. Het 
frequent, is van lauwen, anders lutven, ook wel 
louwen uitgesproken. Dus Valentijn, Werken van 
Ovid. L l2b: SU dreigde... *taansigt op te krabben* 



Maar. . mijn kloeke armen slabakten. . Toen k>u- 
den % sij lagte, en kuste mij soo hartelijk enz. — 
Weil omschrijft dit luwen door »mmder winderig 
zijn" ; H woord komt mede voor in den zin van zach- 
telijk waaijen, dien ook lobberen heeft, zie dit (in 
de 3e bet.) Dus Bild. Poêzy, I. 26 : 

Zijn hair ontmoet den wind^ die uit zijn bos- 

schen luwt 
Ten Kate, Dichtw. VI. 301 : 

{Waar) Hwindjen zacht door elzentakken luwde. 
Aid. 301 : 

(Die) den heiligschennende* adem... 
Rond laat luwen door de snaren* 
Vandaar is luwte eene door zachte koelte aange- 
name plaats of ook die koelte zelve, en voorts 
fig. bescherming of bedekking; zie Weil. Doch 
deze merkt niet op, dat het subst. ook 2uu< of touto 
is; dus Westerbaen, Ged. III. 136: 

7 Geruysch sich hooren loet door tacken, en door 

bladren 

Die sich beneen in *t louw met meenigte ver* 

gadren. 
SUring, Ged. II. 28 : 

In H luw van Hedels popeldreven. 
En hetz. w. ontmoet men bij Oats, Werck. I. fol. 323: 

Sy is aan haren man en al het huys^ sy is 

Gelijck een sachte lauw ontrent de siecke vis. 
De hoogl. De Vries, in de uitg. bij Ter Gunne 
(D. III. 172), dacht hier dus te onrecht aan Louto* 
madnd. — Luwing, Ten Kate, Dichtw. L 80 : 

— zij (de rust) daalt : 'k voel ze op heur vleuglen 

zu)eveny 

Hun luwing schenkt me een kalmte wéér. 
Evenzeer een midden tusschen warm en koud, 
doch anders toegepast, is lauw of Umuw, ook louw 
uitgesproken, en in dezen zin heeft men te Maas- 
tricht het frequent, louteren (d. i. lauwteren of 
lauteren) voor eene kleine warmte aanbrengen, 
lichtelijk koken: zie mijn Archief, III. 371. De 
Harduyn bezigde lauw maken niet zeer gelukkig, 
Uitgel. Dichtst. 83: 

Den mensche die syn oogW van traenen maeckte 

louw. 
Zie wijders Weil. op Laauw, waarbij *k nog opmerk 
dat Bredere de adj. lauw en luw niet onaardig 
bijeenvoegt. Het daget uyt den Oosten, 6 : 

Siet de stock-^tille windt, van 't laeuw en luwe 

zuyen. 

En houd niet langer stcU, moer raest en blaesi 

by buyen. 
Dat de woorden nauwe verwantschap hebben is. 
meen ik, te recht door Bilderdijk opgemerkt, Verh. 
over de Gesl. 308. 



331 



LEBBEREN. 



332 



Lebberen— Lebben. 

Lebben leest men Dietsche Warande, X. 124: 
Want droncken Tenoer en werct niet gaeren 
Dan in die tavem^ wanneer hy mach lebben. 
Van ^8 morgens tot '« avonte altljt vry lach hebben. 
En lebberen bij Stuart, Nagel. Redev. II. 77: on- 
derscheidene drinkglazen eentoonig te maken door 
het telkens uitlebberen en toevoegen van eenigen 
wijn, — De wn. beteekenen drinken, slurpen, en 
zijn eene verzachte uitspraak van het gewone lep- 
pen^ lepperen; zie dit w. 

Leeveren'— Leeven. 

Volgens De Bo zegt het westvlaamsch leeveren 
of leeferen voor ispijs overlaten, resten laten aan 
de tafel." Iemand die spijs overlaat of traag eet, 
heet een leeveraar. Hetzelfde taaieigen zegt voor 
dez. zaak ook bleeven en dit geeft ons het primitief 
aan de hand. Bleeven is be^leeven en levett is bij 
Ten Kate, II. 12&, lijven {leef, geleven), waarvan 
ons be-lijven (contr. blijven) laten, o verlaten ;goth. 
leiban, bilail^jan, oudhd liban, biliban, middelhd. 
liben, beliben, angels, lifan, laefan, eng. to leave^ 
bij Halliwell to lefe, to leve. 

Voor overschot heeft het westvlaamsch bleeve^ 
bij Ten Kate, 11. 127, leve, overeenkomende roet 
het gothische laiba ; voor bleeveling, bij Kil. bleve- 
ling, ook bij denz. (als basterds) releve^ releef, re- 
lief, fransch relief, eng. bij Halliwell relef. Dus 
in het middelned. Reinaert, vs. 4475: 

— doe hi sat gegeten was, Lampre^, 
Quam m^n jonxsle soon Rosseel 
Ende woude wech doen dat relief. 
Maerlant, Spieg. Hist. II. 245: 

Dan 80 stont soe voer de dure 
Ende ontbeidde toter 'ure 
Dal hi sine tafle afhief 
Ende hi hare gaf sijn relief. 
Dez. Rymbybel, II 682: 

Hi (U voor hem al daer ter stede, 
Ende sijn relief gaf hi hem voort. 
D. UI. 317: 

^<^' dreegdense, si soudse doot slaen, 
Hen ware dat soe der spise hem gave... 
Mettien soe dat decsel up hoef\ 
Ende loogden haers kints relief. 
Nederl. Ged. (door Dr Snellaert), 347: 
Van A), broden sal hi saden 
. K"». mensehen, dat es waer. 
Te relieve salmen opdoen daer ' 
^vii, corve, min no mee. 
De Uitgever verstond deze pi. geheel verkeerd. 
Het Gloss. zegt: j)7V relieve, bij het opstaan van 



tafel." De Dichter bedoelt: tot overschot, als rest 
van de broeden, zal men bijeendoen (verzamelen) 
twaalf korven.—- Moll, Joh Brugman, 11.260: Doe 
vergaderden ende vervulden si xij corven reliëfs 
van vijf garstenbroede ende twie visschen, — Men 
vindt ook relif en relijf; Leven van Jezus (door 
Meijer), 106: alse die maeltyt was ghedaen, so 
ginghen sine yongreti ende ghederden dsLÏ reW f dat 
daer over bleven was. BI. 240 : alse hi gheten haaide 
vor hen, so nam hi dat relif ende gaft hen. Die 
Dietsche Doctrinale, 39: 

Nochtan bleven over daer 
Relijfs .xii. coerve^ dals uxier. 
De varianten hebben reliëfs en verliefs. Van den 
laatsten vorm brengt De Bo (bl. 145) ook een 
voorbeeld bij uit Maerlant: 

Nochtan bleven ruweren ginder 

xij. corven verlief aldaer. 
welks lezing ik niet kan beoordeelen, daar de aan- 
wijzing, waar zij voorkomt, ontbreekt. 

Leeveren*— Leffen 

De Bo heeft leeveren met deszelfs afleidingen 
achterleeveren en tegenleevercn, voor »ratelen, bab 
beien, klappen en snappen,'' en verwijst er bij 
naar Kiliaans ww. leffen, klappen, garrire^ loqui- 
tari. Zoo men dit leffen ais het prim. aanneemt — 
waarte^^en, dunkt mij, met het oog op beseven z= 
beseffen, heven zzz fieffen, tevens = te ffens enz. geen 
zwarigheid is — dan is leeveren, welks bestaan 
mij eldeis niet bleek, hetzelfde als het frequent. 
leffelen, van betzelfde leffen afgeleid; zie dit -w. 

Legeren— Legen. 

Gelijk zetelen {zier dit w.) een bestendig zeten 
of zitten is, is legeren een bestendig legen of liggett ; 
zie dit lagepi bij Ten Kate, II. 271. Dien zin heeft 
legeren in den Statenbijbel, Deuteron. 1, V9. 33 : 
om u de plaetse uyt te sien, daer ghy soud^H Ie- 
gheren. \ Sam 13, vs. Iti: de Phüistijnen uxxren 
te Michmas gelegerd. Aid. 17, vs. 2: Doch 2Saui 
en de mannett Israels .. legerden in het eyckendai^ 
— Doch evenzeer was de bet. bedrijvend en dus 
veen bestendig doen liggen"; Hoogl. 1, vs. 7 : 
waer tjhy de kudde legert. Ezech. 34, vs. 15 : lek 
sal myne schapen weyden, ende ick salse legeren. 
Ps. I<4, VS. 8: De Engel des Heeren legert sicJi, 
rontsom de ghene, die hem vreesen. Num. 1, vs. 51 : 
wanneer de Tabernakel sich legeren sal. 

Dat onze oude schrijvers voor ons belegere^z 
zoowel beleggen als beliggen bezigden, is door tal 
\an voorbeelden aangetoond in Huyd. Proeve, II. 
379 en volgg. Dit kan niet vreemd gevonden wor- 
den als men bedenkt, dat men nog thans de wwn. 



333 



LEGEREN 



334 



lefjgen en liggen in de spreektaal dikwijls vermengt. 
Huydecoper merkte, bl. 386, op, dat het voorvoeg- 
sel he onzijdige werkwoorden bedrijvend maakt^ 
zooals loopen en beloopen^ Ictgchen en helagcheft^ 
en dus dan ook van liggen het bedrijvende heiig- 
gen. Dan, dit geldt niet voor alle beteekenissen. 
Van het onz. zitten heeft men een bedr. bezitten^ 
maar dit sluit niet uit, dat men ook bezetten zegt. 
hmmd bezit een plaats, wanneer hij — debet. van 
in eigendom hebben nu daargelaten — er zelf 
op gaat zitteti ; doch hij bezet dien, wanneer hij 
hem door eenig ander voorwerp doet innemen of 
omringen. Bilderdijk zegt daarom, in zijne Aantt. 
op Hoyd. 101, te recht ^het leger beligt^ d. i. ligt 
om de stad, maar de vyand belegt de stad met 
een leger." Verg. zijne Verscheidenh. IV. 139. 
Naar deze onderscheiding zou men dus de aange- 
voerde voorbeelden moeten beoordeelen. 

Hooft bezigde meermalen belegger voor belege- 
raar, zie het Wdb des Inst: ik voeg daarbij, dat 
het w. later bij anderen voorkomt; Feitama, Hen- 
rik de Groote, 112: 

Zie fluks beleggers en belegerden ten doel 
Van '( vliegend lood en vuur ; — 
Wagenaar, Vad. Hist. III. 49: Niet lang hierna, 
kreeg men berigt^ dat Graaf Floria... genaderd 
UMW, met oogmerk, om .. Mitidelburg te ontzetten. 
Toen zakte de moed der Beleggeren. D. IV. 2^ : 
Ook zondt de Bisschop van Utrecht den belegge- 
geren twee groote Bussen toe. Mortieren genoemd. 

Leiferen, zie LuijereD. 
Lemmeren— Lemmen. 

De oudere vorm van lemmen is lemen of lee- 
men; dus Lancelot, B. II. vs. 44044: 

Doe gingen si slaen ende nemen, 
Ende deen den anderen lemen 
Met groten slagen ende sure. 
D. i. kwetsen, verminken; Belg^ Mus. VL 449: 
iSf antworde: hare ende beteemde 
Hem te houden eenige woert, 
Want si hoer ere daer in leemde. 
D. i. krenkte, en niet »verslijkte, bemorste," zoo- 
als Willems aanteekende. Archieven van Amster- 
dam, 61: UMer dat sake dat een mensche den 
nnderen leemde, die waers op vijf pond. . en ware 
of hene leemde te vollen alse van ene oghe uyi of 
voet of hand oZ o/, die waers txen pond. — Het w. 
is van het oudd. leme, bij Schilter laesio, mutila- 
tie; bij Ten Rate, II. 654, leme, lame, laamte, 
lemte, tempte, thans nog leemte. Het Leven van 
St. Amand heeft meermalen lem, D. I. 74: 
Hi seide: Helich man, sonder lem. 



D. i. zonder gebrek. Aid. 94: 

Ma£r si hebben een groot lem, 
Bi dat si sijn van Abrahams gheslaohte. 
Aid. 107 : 

— sine quaetheit wert betaelt 
Met pinen van den duvel, die in hem 
Drivende wert dat meeste lem, 
Dat noynt te voren wan ghesien. 
D. II. 82 : 

Segghen niet uwe boucke, sonder lem, 
Van der Scriftueren enz. 
Nog bij Huygens, Korenbl. I. 153: 

Het bloedige geluek van een doomagelt hem 
Magh and're voor altijd doen sohroomen voor 

mipt' lem. 
Van de Venne, Sinnemal, 21, heeft lemp: 
Hadd' ick pochen, lem pen, zeeren 
Onder zy^setyne Meeren. 
M. G. Tengnagel, Frik in *t Voorhuis, 17: 
— de ongezonde, die mit pochen^ of lempen zgn 

belaen. 
Rosseau, Aran en Titus, 9: 

— >I>t6 op myn ampt wil sdiempen. 
Wens ik syn poortefles vol pokken en vol leMpen. 
Elders tempte; Houw. Lusth. der Maechden, II. 965 : 
Zoo quam daer Ct/nna een mismaeete dochter 

terstent 
Die zoo vol tempten was en vol pooken env. 
Sprankhuisen, Van Blijschap, 8: ChrisH Rechl' 
veerdigheydt, die aUe onse lempten en zeeren deekt. 
— Hiervan had men het adj. lempig; Goombert, 
Wercken, I. fol. 471* verso: die was een papen- 
hoer, dese UMS pockich ende lempich. Huygens, 
Korenbl. II. 196: 
De Ziel die in dit l^f begonnen hadd te sweven, 
Sa{f dat het lempigh was — 
De Herst. Uitgelez. Ged. 177: 

Door ingevalle neus, of lempige arm, of been. 
Anders lemptig; Werken van Rabelais, II. 284: 
soo schurfd, zoo lemptig, en van de vuyle pokketi 
zoo vervreten. Aid. 310: gelijk gy, lem^iif^ lieden, 
lang voor heenen aan uw gigtige beenen. en schou- 
deren gewaar word, wat er op handen is van 
reegen enz. De Brune, Jok en Ernst, 34: Wat 
kan., zijn natuur niet lemptigh en verminkt we- 
zen. En 181 : Een overgegevenen, eerloozen, lempti- 
gen boozwicht, — Elders vindt men hiervoor Isem- 
tig; Coornhert, Wercken, I. fol. 321 verso: een 
sinneloos, of een arm, of blint, of \eemiig mensche. 
Vondel, Poëzy, I. 152: 
Die d* eertKterheit . zach schenden voor zijn oogen. 
En leemtigh schuim een handvol overschots 
Verkrachten en schoffeereA met veel spots. 



336 



LEMMEREN. 



336 



Het tegendeel van leemtig of lemtig is lemteloas^ 
dat Huygens heeft. Koranbl. I. 246 : 

— • het lemteloos gebruyck 

Van gejonde Ziel en leden. 

Het WW. lemmen komt meermalen voor in de 

» 

Levens van Plut. fol. 85 verso: Daer beneven 
warden al de, . heelden ende ghedaenten van Mer» 
curius.., op een nacht by na cU te samen ghelemt 
ende geschent bevonden, in eonderheyt in d' aen" 
siehten, Fol. 134 verso: worden zy (de soldaten) 
van allen zijden ghequetêt. . sulcx dat daer noch 
veel ghelemt, ende veel van hen schepen in stücken 
qestoaten worden, Fol. t£45: verscheurden zy hen 
wonden dies te meer, ende vervolghens verdorven 
ende lemden hem sétven. Fol. 229: de gewrichten 
van de leden die ontheupt ofte gheleropt z^ En 
fol. 309 verso : de siecken, ende ^élemde, die eenich 
lidtmaedt in het oorloch verlooren hadden. Dos 
ook Valentijn, Werken van Ovid. I. 5: 'k Liet nog 
onteind u gelemde vloot kalf aten D. III. 144: 
mijn bootje, eens door een swaren storm gelemt. 
BI 190: Ook beti ik niet gesender aan zielyalscuin 
lighaamj maar bei de deelen s^jn even krank en 
gelemt. 

Met het vo rvoegsel ver heeft Kil. verlemmen, 
vertemen, verlempen, mutilare, truncare. Dus de 
Statenbijbel, Josua 11, vs 6: hare peerden sult 
ghy verlemmen, ende hare wagenen mei den vyere 
vertnunden, 't Banket der Ghoden, 44 : 'k weet niet 
wie hem zó verlemt heeft, hy heeft benen nocht 
huepen» Gats, Wercken, II. fol. 60: niet te doen 
verlemmen en fUneu worden dien sonderlingen 
treek, lust en begeerte, D. i. in de fig. bet. van 
kracht of sterkte benemen. Six van Ghand. Poesy, 183 : 

Opdat de kanker, van de goedren 

Gesneeden, suivren mocht de leeden der ge- 

moedren. 

Zoo dit verlempen ons genas. 
Vondel, Virgilius, 206: de helt niet verleemt nochte 
verschriekt van dien val Dez De Gebroeders, 38: 

Een wees, een teeder kinU in *s voesters arm ge» 

dragen. 

En door de vlugt verleemt, toen Grootvaér lagh 

verslagen. 
Nagevolgd door Bilderdiik, Nieuwe Mengel. 11.210: 

Verleemden, werpt uw kruk blijmoedig van u weg. 
Hiervan onverleemd bij Vondel. Brieven der Heil. 
Maegfaden, 71 : 

Zoo schelde ick onverleemt tot tweemael uit het 

zant. 

Zoo bleef ick ongeschent V€m stieren en van 

slangen. 

Met het voorvoegsel be verkrijgt men belemen. 



belemmen, bij Graff, II. 220, bilemjan. Zoo leest 
men reeds in de Evangeliën van Otfried, Lib. 1. 
Gap. IV. VS. 151 (van Zacharias): 

Theru spracha er biiemit uuas 
utuxnt er giloubig ni uuas. 
Gelijk wij nog zeggen van iemand die gebrekkig 
spreekt: hij is belemmerd in zijne spraak. Inden 
zin van belemmeren schijnt belemen ook te ver- 
staan zijn in het Orangien Lielyhof, 30, waar op 
de vraag, of het voor Keizer Karel raadzaam was, 
door Duitschland te trekken om uit Spanje naai 
Gent te komen, geantwoord wordt: 

— (daar) wast onklaer, mits tLuterjaenêont- 

vremen. 
Tlagh daef* soo swijngelswaeyt, hem duchte voort 

belemen. 
In het Archief voor Vaderl. en Vriesche Geschied, 
van Visser en Amersfooi*dt, III. 370, leest men : 
dye Snekers belemden die Ghellerschen by Ueert- 
wert in een camp kmts. Dit wordt, ald. in de 
aant bl. 200, verklaard door »in verwarring bren- 
gen, groote hindernis veroorzaken." 

In dit belemmen zien wij derhalve de oorspron- 
kelijke bet. van verminken, bederven, schenden, 
overgegaan tot die van het meer algemeene tschade 
of hinder veroorzaken," welke in het frequent <»e- 
lemmeren heerscht. Men vindt voor dit laatste bij 
Kil. ook belammeren; en voorbeelden daarvan le- 
veren Heyns, Bartas' Wercken, I. ii. 32: 

Belemmert ((oor c^n Woef van een soo diepen zee. 
Smyters, Fabelen, n . 50: 

Den onbedachten zot hem zelven niet én. kent, 

Belemmert hem zoo langh tot dat hy op het ent 

Beschaemt ophouden moet, oft hem brenght in 

de pranghen. 

Het WW. verlammen kennen wij nog tegenwoor- 
dig, behalve in den eig. zin van lam maken, in 
den overdrachtigen van verzwakken, van kracht 
berooven ; zie. Weil. Bildeixlijk bezigt daarvoor 
lammen; Mac-Benac, 239: Daardoor dat de Vrij- 
metselary zoo vele wcUikere mannen tot Leden., 
maakt, lamt zy de braafste Voorstanders enz. En 
in dezen dichtregel, die het primit. en frequent 
vereenigt. Ziekte der Gel. 36: 

Uw reden lammen en belemm'i'en in haar plicht. 
Gelijk wij vaak het bijv. nw. lam toepassen op 
hetgeen slecht in zijne soort is, had men vroeger 
het znw. lammer ij, voor ellendige Leuzelingen ; zie 
Ouderoans' Wdb. op Bredere, en voej; daar deze 
pi. bij uit Oudaans Ged. 115 (waar van den auteur 
van een nietsbeteekenend boek gezegd wordt): 
Echter mocht men lievet* lyen 
Zyn onnoos'le lammeryen enz 



337 



LEMMEREN. 



338 



Jlet eene andere toepassing van hetzelfde denk- 
beeld zegt de volkstaal te Berlijn bMmmern voor 
bedriegen, bepaaldelijk eene koopwaar voor slecht 
uitmaken, met het doel om ze zich goedkoop aan 
te schaffen; zie Trachsel. In Grimms Wtb. wordt 
bdemmemy impedire, vergeleken met helemmeln^ 
belammelny vuil zijn, behammeln, bevlekken, sich 
beUmmem^ zich bezoedelen. 

Lengeren— Lengen. 

Beide wwn. heeft Plantijn voor valonger." Het 
frequent, lengern heeft het middel hd. voor langer 
maken; zie ook voorbeelden bij Stalder, in zijne 
Schweiz. Dialectol. 181; zoo leest menindenRoo- 
sengaert van den bevruchten Vrouwen (1599), bl. 
i2: oft gdieurde^ dat hem dat Kint niet welcome- 
lijck ten wtgange geneyght hadde^ ende hem ve}'- 
tragen oft verlengeren iville. — In Schmellers 
Cimbr. Wtb. is sich lengern zich nederleggen of 
uitstrekken. Zie op Langeren 

Van lengen vindt men een subst. lengenis; Schip- 
per, Tomas Morus, 73: 
Dat gy een middel koost ^oHengnis uwei* dagen. 
Voor verlengen zeide het middelned. tingen; zie 
het Gloss. op Der Leken Spieghel. Zoo mede ver- 
tingen voor verlangen bij de Rederijkers; Antw. 
Spelen van Sinne, 157: 
Maer crijcht daer den prijs door^ d^er na elck 

verlingt. 
£n 466: 

Ach vocter naer beghin ick te verlinghene. 
Het tegendeel van verlengen is verkorten ; vandaar 
in den laatsten zin ontlingen bij Van Velthem, 
fol. 328: 

Ay Broeder! (sprac hi herde saen) 
Dat ghi dus binnen scoten ginct! 
Dat u leven mi ontlinct, 
Dies binnic vele droever man 
Dan ie yemen geseggen can, 
Le Long verklaart het w. door »beroofl is," en 
Oudemans' Bijdrage noemt het ww. verkeerdelijk: 
Ont linken. 

Lenkeren— Lenken. 

Het vlaamsch bij De Bo heeft verlenket*en voor 
verslenzen^, verwelken. Het primit. lenken hebben 
wij in slenken^ slinken^ slanken^ waarvan zie op 
^^lankere»K De wortel is het eng. ton^ slap, rank, 
angels, hlanc; bij Halliwell lennock^ slap, buigzaam. 
In 't hoogd. is lenken buigen, richten, wenden, en 
200 leest men bij ons, Feith. De Eenz. en De Wer. 
\18aö), bl. 190: 

De hoogste Wijsheid blijft het roer der wereld 

lenken. 



Als frequent, vormen in de hoogd. dialecten wi)8 
ik op lankelny bij Von Schmid en Schöpf de leden 
krachteloos laten hangen, traag zijn, anders ook 
schlankeln; en lanzeln^ lui en ledig omslenteren. 

Lenteren— Lenten 

Lenteren is bij Kil. langzaam en traag te werk 
gaan, talmen In dien zin leest men 't woord bij 
Spanbeim, m de Lyckredenen op Fred. Henr. 52: 
Onze Fabius scheen by d^onweetenden^ ja by vriendt 
en vyant. . te lenteren. Van Elsland, Gesangen, 74; 
— Dat loopen en slenfren^ 
En lent'ren, daar hieltze niet van 
Vandaar lenteraar^ bij Kil. lenterer^ cunctator; 
De Brune, Bancketw. I. 332: die zijn boden te veel 
toegheefty maeekt vaddighe lenteraers, en zwijnige 
sletzen, — Voor lenteren vind ik Umieren in Pers' 
Lucretia, aangeh. in het tijdschrift Neder la nd« 1853, 
n*. 4, bl. 264: 

H Huys is der Vroukens schild om naerstelick te 

sorgen. 

Bekommert voor H gesvn^ bekommert voor den 

morgen : 

Moet besigh sijn by 't haer en nimmer op de 

straetj 

Noch lantren by de buurt met malle en sotte 

praet. 
Uier toe behoort slapten ter voor iemand die sleepen de 
leutert; Kristal. Bril van Jan Klaasen, 8: vxit 
dunckt u van. . sulcken sly pienter, 9ialf blanks 
Juffrou. Aid. 10: Wat dunkt u Buervrouw slijp- 
lenter. — Voorts lunderen en lun teren, van welke 
'teei*8te mede bij Kil. voorkomt in denzelfden zin. 
Bredere, Griane, 52: 

W^at gemeiijcke sin heeft u goetheyt gheplundert. 

Dat ghy tot 's naastens hulp^ so traachlijck vod" 

sich lundert? 
Oudaan, Poezy, I. 251: 

Uy nechtig^ in bericht^ en kutidsdiap af te zenden. 

Gedoogt de Vaadren niet te \u nd Ven, port , en raadj 

Tot tyd'ge wapening; — 
Dez. Ged. 258: 

't Geen and' ren,.. 

Om 't voordeel zagjes me dee lundVen in die 

schuld. 
Gats, Wercken, I. fol. 81 : ingeoalle hy door soo' 
danigh ontfiaal vet^lokt wesende, sijn reyse ginck 
staken, en bleef ter selver plaatse lunderende. — 
Een onzer latere dichters nam dit w. over; De 
Thouars, Zriny, 114: 

— Mijn zoon, mijn uitverkoren... 

Zal uw stijfhoofdigheid^ uw lunderen doorboren. 
Vandaar lundering^ bij Kil. cunctatio; Ned. Hist. 



339 



LENTEREN. 



340 



fol. 848: Mttar men spoeye: geen' fundering lydt 
een toeleg^ die enz. ^^ Deze Schrijver spelde ook 
lunterefi en luti tering^ zie de voorbb. in het Wdb. 
de8 Inst 

De frequent (enteren, lanteren, lunteren en lun- 
deren vindt men verklaard bq Weinhold. Hij 
heeft lendern, landern^ slenteran, langzaam gaan 
en komen, met den bijvorm luntern, en vergelijkt 
die ond. and. met het middelhoogd. lendern, bij 
Benecke langzaam gaan; met ons lenteren, en het 
deenscbe lente en lunte, d. i. talmen, dralen. De/e 
laatste wwn. geven ons dus een primitief lenten 
aan de hand, dat verwant zal zijn aan het lat. 
lentus en 't fr. lenl. Ook 't fr. lanterner voor 
dralen, talmen, kai> van lenteren zijn ; althans Sche- 
ler vermoedt verwantschap tusschen die woorden. 

Lepperen— Leppen. 

Voor leppen heeft het vroeger taalgebruik ook 
lapen, hoewel Kil. dit niet kende. Maerl. Rymb. 
I. 337: 

Die twater lapen cds die honi, 
Dez. Naturen Bloeme (door Dr. Verwijs), I. 30: 
Si (de dieren) lapen met der tonghen in 
Twater^ dit leert hem hoer sin. 
Van Velthem, fol. 256: 

Tot hem selve ende twee siere cnapcn, 
Daer mochten honde ut lapen 
Van den toonden diese ontvingen. 
Coornhert, Wercken, I. fol. 512: 
Zoo quetst die ghesonde Wijn den gulsigen 

huycken 
Alteen deurt onmatelijck inzwelghen en lapen. 
Zie ook Oudemans op Bredere. Gepaster dan voor 
het gulzig drinken van Coornhert heeft Strodtmann 
lapen voor 't eten van hem, wien de soep niet 
smaakt en die daarom den lepel langzaam hanteert. 
In plaats van leppen heeft Kil. lepsen, dat mij bij 
onze schrijvers niet voorkwam; alleen vond ik bij 
Van de Venne 't adj. lepse voor leppende, dat 
mij een woord van eigen maaksel toeschijnt ; Be- 
lacchende Werelt, 237: 

Soetje, mitje lepse lipjes. 
Op welke wijze onze dichters het ww. leppen, dat 
eig. zacht of zuigend drinken uf (van de dieren 
gezegd) slorpen aanduidt, plegen aan te wenden, 
is bekend, b. v. uit Vondel, Poezy, I. 634: 
— dat d' Aemstelbie de tippen 
En H uiterste genaekt van uwe roode lippen. 
En zoeten hemeldauw en milden nectar lept. 
Brender è Brandis' Kabinet, VI. 356: 
Zou, zou ik, ó nijvre Bijen! 

U henijén 
Wen ge uit roosjes honig lept ? 



Zie voorts Weiland. Voor leppen vindt men ook 
lippen ; -Van S waanenbut^. De Vervrol. Momus, 90 : 
Rooden en witten Wyn, die 'er... gelipt wierd. 

Lepperen is een aanhoudend langzaam drinken ; 
dus Starter, Friesche Lusthof, 421: 

Wat, wat, ghy leppert al ie langh. 
Had ick 't, ick ging een ander gangk» 
Waltes Klucht van Bol-Backers-Jan (Amst i660), 7 : 
Stopper je Neus tn, soo ist toe, drink uyty u>a4 

gebruy is dal f 
Hier te sitten lepperen; avous Stijn! — 
Valentijn, Werken van Ovid. I. 67: dan neemt gij 
't glas voor mij weg, en lerkt a>an den ranl daar 
ik geleppert heb. {Lerken is lurken bij Weil. eng. 
to lurcK dat echter in bet. eenigszins verschilt.) 
Fokke, Verzam der Werken. XII. 100: Ondertus' 
schen zat hij al voort te lepperen, en kreeg, al zoo 
langzamerhand, zoo wat eene stijvtgheid in zijne 
tong. Leerred van Bern Bosch, aangeh. door J. 
Hartog, Geschied, van de Predikkunde in Neder- 
land, 329: het kleine wicht, dal zorgeloos cutn de 
voedetide borst zijns moeders leppert. Dez. in 
Brender a Brandis' a. w. IV. 352: 

Maar het knaapjen heeft geen dorst. 
't Leppert, tuurt en stt^ookt met 'thandj^n^ 
Voorts van dieren; Hoogvliet, Mengeld. I. 66: 
Het leppert slegts aan 't gras, en kieskaauwi^ 

onder 't eeten. 
Ook in bedrijvende bet.; Van Someren, 6 ed. II. 98: 
Toen hei wichtje d' eerste toog 
Lepperde uit uw vollen boezem 
Dichterlijk is het werkw. voor zuigen; Van Huls, 
Ged. 94: 

— door het klemmen van een paar 
Verliefde en lepperen de lipjes. 
Bredere spelt leperen, waarin dus dezelfde klank 
voorkomt als in lepel, 't welk een ww. Iepen, doet 
onderstellen; Roddr. en Alphonsus, 14: 

Hoe meer men koude vocht al leperend instort, 
Hoe men van Vrouwe-lust wert hittigher gheport. 
Men zegt mede lebben en lebberen ; zie dit w. Ook in 
verwante dialecten ontbreken de freq. vormen niet ; 
Schmeller heeft leppem en leppelen voor elorpen, als 
een hond; en Kehrein Idppeln, dikwijls, doch iveï- 
nig te gelijk drinken. Bij -Schultze is leppere 
lekken, en ook lust hebben naar iets, waarmee 
men onze uitdr. vinger en duim naar iets lekken 
kan vergelijken. 

Leuoheren— Leugen 

Leucheren is bij De Bo hetzelfde als toocheften. 
Het is dus een frequent, van leugen, evenseer een 
andere vorm van liegen^ als logen dit is, yan het- 



341 



LEUCHEREN. 



342 



welk looeh&fen afkomt. Zie wijders dat artikel. — 
Voor logensiraffeti vind ik leugensiraffeti^ en dan 
scheidbaar vervoegd, bij Strick van en tol Linacho- 
ten, Ged. 42: 

De ondervinding straft hen leugen. 

Leukeren— Leuken. 

De bet. dezer beide wn. is leuk, d. i. lauw ma- 
ken. Hel primitief heeft Scriverius, in zijne Sa- 
turnalia, ii: 

— datter meen ge pijp van 'tstink-kruyd word 

gedronken^ 

En meen*ge kanne biers geleukt, e^i uylgeklonken. 
En het frequent. Bredere, Moortje, 68: 

lek leydender huye nochtent in een hachje van 

aerhalf ponckt! 

Mei moyé ses Bier^ het was so fray geleukert 

van passen tia mijn monckt, 
Oudeoians maakt hierbij de opmerking, dal er be- 
doeld wordt, met suiker en kruiden aangemengd 
en verwarmd, zooals in Brabant nog veel gebruikt 
wordt. 

t Woord leuk, dal te onderscheiden is van het 
subst 't welk gat of hol beteekent, anders loch; 
Van Zevecote, Ged. 204: 

Terwyle schuylt het dier in eenig hol of leuck. 
is bij ons slechts bij gissing verklaard. Weiland 
vermoedt, dat het tot luiken^ d. i. sluiten, behoort; 
en Bilderdijk, Nieuwe Verscheid. IV. 83, acht het 
één met laauw. Schmeller, II. 432, wijst te recht 
op het angels, vide, of beter vjUieCy tepidus, waar- 
van in zijn dialect lack^ mat, flauw, zoowel van 
vloeistoffen als van personen, neders. (oa/c, eng. luke. 

Leuteren, zie Loteren'. 
Lidderen— 'Lidden. 

In Noordholland is lidderen lillen, trillen, beven ; 
«ie De Navorscher, VI 332, en Bouuians Volks- 
taal, 63. Ik acht het w. ontleend aan de engel- 
scbe volkstaal. Bij Halliwell is lidder hetzelfde 
aL« Iithe9\ d. i. week, buigzaam, welk ady. ook 
tittre heet met dezelfde beteeken is. Van dit adj. 
i$ bij Halliwell het werkw to lithe, angels liihian, 
Week of buigzaam maken of worden, d. i. dus in 
een lillenden toestand brengen. De nederl. vorm 
van dit ww. zou dan lidden zijn, waarvan het 
frequent, lidderen, beantwoordende aan hel eng. 
'o lither (zoo dit bestaai), van het adj. lUher af- 
geleid. 

Lymeren ~I4jmen. 

Het WW. helijmeren, voor het anders niet onbe- 
kende belijmen, d. i. met lijm bestrijken, is door 
ionctijs gesmeed, en gebezigd in den fig. zin van 
besmeren of bedekken; Tponeel der Jal. I. 642: 



De oudbejiiarde zijn de koortzige niet ongelijk 
Want gelijk dezer mond, met. dikke damppen 6c- 
slijmert en belijmert, zelfs de aangenaamste spijze 
zonder smaak neemt, enz. 

Lijperen— Idjpen. 

In het Idiot. van Schuermans is lijfteren of lei-- 
peren «gezegd van hel bier, wanneer het bij 't 
schenken, dik en olieachtig schijnt geworden te 
zijn, in het Fransch filer,'' d. i. dus eigenlijk draads- 
gewijze neerhangen zooals dikke vloeistoffen bij hel 
schenken doen. Hel prim. lijpen of leipen heeft 
aldaar dez. bet. t. w. «lellen of hangen van dik 
bier*' enz. en voorts ook die van rekbaar zijn, uit- 
eengaan van stoffen als zijde, katoen, bij De Bo 
breedvoerig omschreven als hel hangen van een 
eind stof, dat uitgerekt is of in verkeerde plooijen 
geraakt. Lijpeind, luipeind, leepeind, lijpereind, 
leipereind is wat elders rekeind heel Hel adj. 
lijp bij De Bo en lijb bij Schuermans beteekent 
»in scheeve plooijen neerhangende of doorzakkende." 

Blijkbaai* vindt men in deze vlaamsche woorden 
hel WW. lijpen terug, d. i. druipen, bij Kil. leepen. 
dat inzonderheid van de oogen gezegd werd en bij 
hem verklaard wordt door druipoogen. Zoo leest 
men bij Orisandt, Democritus, 34 : Haer oogen zijn 
in H gemeen soo erbarmelijck gestelt, <ia^ «vleepen 
en loopen op 'taensien enz. Van der Cru veen. De 
Spreeckw. van Salomon, 559: rood' èn leepend* 
ooghen» — Vandaar b»j Kil. leepe oogen, d. i. drui- 
pende of loopende, bij Van der Schueren lypoich, 
bij Muller en Weitz leppooge; hel ww. lypogen is 
bij Van der Schueren druipende . oogen hebben. 
De bet. van ons nog bekende adj. leep was oorspron- 
kelijk druipende of druipoogende, zie Kil. Ver- 
volgens zag het ook op andere gebraken van dat 
orgaan; Delfsche Bijbel, Genesis 29, vs. 17: lya 
was leep milten oghen. Ën Levit. 21, vs. 20: 
heeft hi den bulte of is hi leep of heeft hi wit 
int oghe. — De Roomsch-Kath. Overzetting van Gas- 
par UI enbei^ heeft op beide pil. «trieffende Augen.'* 
In de pi. uit Gen. heeft de Staten vert. «teedere 
oogen," in de Randt, verklaard door «swackeende 
gebreckelicke," Hamelsveld «zwakke oogen" en Van 
der Palm «kleine oogen." In die uil Levit. hebben 
de bijbels van Vorsterraan en Van Liesvelt «een 
vel over de oogen," Hamelsveld en Van der Palm 
«een vlies over het oog." Toetsteen van de We- 
reld, 60: dat het (Kindl) nochtc de tegenwoordige, 
nochie de toekomende dingen en siet, dan alleen 
op die wijse, op dewelke de btjsienders ende de 
leepe eeti voorworpsel aenschouwen, dat is onvol- 
maecktelijck. — Zulk een gebrek der oogen heeft, 



{ 



343 



LIJPEREN. 



344 



zooals Brniningy Synon. I. 49, opmerkt, ten ge- 
volge, dat men hei oog ten halve sluit, en alzoo 
het voorkomen krijgt van iets mei insfMinning te 
beloeien, waaraan zich dan hei denkbeeld hecht 
van jaloerachheid, wangunst en sluw overleg. 
Korter zegt Bilderdijk hetzelfde, Aantt. op Huygens, 
V. 24: een toegenepen oog is de sluwheid eigen. 
— Dus bij Yan der Schueren lijpen voor oogen- 
wenken, oogluiken in het algemeen ; doch in on- 
gunstigen zin bij Visscher, Sinnepoppen, 63: daer 
men mei averdaedt niemandt wil overlasten^ noch 
door onghelijcke deelinghe een leep oogh maken. 
Tuinman, Hengelst. van Gez. 380: 

Dat zy haar 's Naasten Heilzofi ziet^ 
Kan 'Hepig oog niet lijden. 
Van der Gruycen, a. w. 558: 

Wie vallet*? wort ghewontf of kryghter leep 

ghesichte ? 
Vondel, Pascha, 10: 
(d' IraeUjtsche mannen) met een ghesichte leep, 
Die steeds ons otivemoecht voortkUUert met syn 

sweep. 
Aid. 22 (op paarden toegepast): 

De paerden zagen nau oock d' onioeers stor- 

men leep. 
Van Lennep (I. 74) brengt leep^ mijns inziens min- 
der juist, tot de >stormen,'* zoodat de zin van het 
w. dan is longunstig, donker, draigend uitziende." 
Uit deze bet. vloeide die van loos, slim, schran- 
der, welke leep tegenwoordig nog heeft, bij Ëpkema 
Ijeap^ liep. Reeds Kil. kende leep voor loos, en 
voor schrander heeft het Huygens, Korenbl. 1. 27: 
Kan de gissingh 'overwegen 
Van de leeper letter-lien. 

De bet. van slap hangend, die vooral in het 
vlaamsch heerscbt, heeft lijp bij Ga is, Wercken, 
1. fol. 415 : 

Mijn hooft dat schudde -bolt, mijn lenden han- 
gen lijp. 
En die van scheef, ald fol. (M3: 

Soo doende wort de kaas aan alle kant geen eden 

Dan soo het niet en dient, en dan eens na de 

reden. 

Dan weder lijp 6/t scheef^ of ick en weet niet hoe. 
Die van gebrekkig, zwak, eindelijk, ontmoet men 
in het overijselsch bij Halbertsma: lepe, slecht, 
haveloos; bij Stürenburg: /«ep, schlecht, schlimm; 
schwach, krank; bij Tiling leep vee, schlechtes, 
verkommenes Vieh 

Dat het adj. leep van lijpen, leepen, afkomt, zal 
wel duidelijk zijn, en werd dan ook beweei'd door 
Bilderdijk, Geslachtl. II. 109 en Aantt. op Huy- 
gens, VI. 90, en prof. De Vries, Dicht w. van J. 



Gats, IV. 64. Tuinman gaf de keus tusschen loa^ 
pen, lat. lippue en lepidus. Dr. Te Winkel, Ne- 
derl. Spelling, eerste en tweede druk, dacht aan 
lippus mét, en derde en vierde druk, zonder een 
vraagt eeken. 

Lindereii— Lindeii- 

Het adj. lind is in Houdhd. bij Graff, II. 239, 
zacht, lenig, cimbrisch linne; evenzoo in 't mid- 
delhd. bij Benecke, en in 't middelned. Dus Der 
Minnen Loep, I. 59: 

Die zee was smolt, dat weder was linde. 
En 130: 

Hier binnen wert dat wcUer linde 
En tweder stiUede vanden winde. 
Bij Velthem gelinde, fol. 369 (waar aan een kind, 
dat verhaald had): 

Dese scone man, dese goedertieren 
Heeft mi genesen — 
wordt gevraagd: 

— oft hem yet bekinde 
Wort metten goeden man gel inde. 
Vandaar het ww. linden in 't middelhd. en lindjtui 
in 't oudhd. voor verzachten, en voorts het in 't 
hoogd. bekende frequent, lindem, cimbrisch Itn- 
nafm, ook bij onze vroegere schrijvers linderen, 
't welk Kil. als verouderd vermeldt. Dus leest 
men in Mamix Biencorf, 120 verso : om de arme 
sielkens. eenicfisins te laven ende te vercoelen, 
ende hare pijnen te linderen Huygens, Korenbl. 
I. 83 : breeckt suchten, lindert klachten Sis van 
Ghandelier, Poesy, 7 1 : 

Wie ztUken Winter klemmen voelt 
En lindren kan enz. 
die mede het subsi, lindering heeft, ald. 53 (waar 
van de zwaluw gezegd wordt, dat zij)' 

Verspiedde al vroegh de linderingh 
Van 't warme weer 
Grous, Jos. Droev' en bly-einde Spel, I. 101 : 

Tog alles is vergeevs* H En linderd niet mijn smert. 
Een bijwoord linderlijk heeft Baardt, Deugden- 
spoor, 30: 

Wanneer tnen, voor, een Etnkael schelt. 
En achter, H Poortjen open stelt, 
Hoe linderlijcker datse treet, 

Iiipperen— Lippen 

Het WW. lippen heeft bij on^ zoowel als in het 
neders. de bet. van: de lip laten hangen of uit- 
steken, ten teeken van gemelijkheid of schimp; 
zie Oudemans' V^db. op Lredero, en het Brem. 
Nieders. W^tb. Dus met den vorm lijpen. Van 
Vrouwen enz. (door Dr. Vei-wijs), 77: 

Hi knort altoes ende grijnst ende lijpt. 



345 



LIPPEREN. 



346 



Bij ons echter ook als een gebaar van eetlust; Van 
Swaanenburg, Aiieq. Distel. 42: 
Maar zagt xoat ^adUf de maats die bruijen hun- 
nen lepel .. 
Reets op de bardefi neér^ terwyl dat ieder lipt, 
Naar het belooft gebraat^ als paarden naar een 

schepel. 
Bij Halliwell echter is to lip kuFsen, en in dezen 
zin vind ik het frequent, in Duims Mengelz. 243: 
De Mai-kers^ liefelyk van smaak^ 
Is ryp^ en nodigt u tot plukken^ 
Om teder *t oppervlies te drukketi 
Met uwen mond: geen aardsch vermaak 
Zo groot, dan 't lippren, door 't hesproeyen 
Des NectarSy die uit haar koomt vloeyen. 

Lobberen— Lobben 

Het znw. lob duidt iels aan dat slap is; vandaar 
IMe of lubbe voor »siappe, nederhangende hals* 
kraag" bij Weil. (*). Dus ook Van Swaanenburg, 
Arleq. Distel. 234: een gouden bel aan den lob te 
draagen, — Een lóboot' voor een hond of ander 
dier met nederhangende ooren, toegepast op een 
mensch, Focquenbroch, Werken, I. 298: 

Met rechty ó Nise, gaat gy deze loboor trouwen, 
H. van Halmael, De Schynheilig, 24: 

— die Lob-oor, onder die zeedige termen^ 

Voer voort met zyn hek als een Roeland te 

schermen. 
Dez. De Edelmoedige Viinden, 16: 

— hoe is een verstandige vrouw^ met een malle 

Loboor gebruitf 
Waarvan Icboorig; Rotgans, Poêzy, 654: 

Hy was een oude ruin van viermaal zeven jaaren^ 

Loboorig, stekeblindf^ bedekt met gryze haareti. 
Voorts een lobbes voor zulk een hond ; Bilderdijk, 
Verlustiging, 40: 

Mijn Lobbes, ^k stel dees kudde in uw getrouwe 

hoede, 
Mengelp. L 329: 

De goede lobbes blaft^ en klingelt flux naar zee, 
N. Oprakel. 69 : 

(*) Lok komt ook voor Id de bet van een stuk geld ; H. 
▼au Halmael. de Gev. Kwaaker, 111. 43 : 

f9H de winxt 1MM die tu>ee ^outoe lobben 
Doar kam ik myn wAle huid nog voor schrobben. 
Lager: 

Ik solt gaai het toei, nog meer lobben beecharen, 

AU. It: 

Ee» Zoldaat voor vyf stuivert moet tchildre en trampen, 

En ik win lobben, mei zuipen en dampen. 
OeL De verHeHe Gryzaard betrapt, i7: 

Al deeze toestel koop ik voor een lob of tien, 
Oit w. Is voor lobman, anders kraagman, naam van den du- 
Utoa, op welken een gekraagd of gelobd man voorkomt; 
lie WeO. 



— Hou daar,, mijn goede lobbes, 
Ja, gy bent een brave hond! 
Ingen, 6ed. 17 (van een hondje): 

Hoor dat Lobbisjen eens krijten. 
Nomsz, Vertelsels, IIL 48: een' lobbes of melk-^ 
muily die ryk is, H. van Halmael, De Verliefde 
Gryzaard betrapt, 49: 

Kom, myn lobbesje, dat ik u eetis in myn 

artne druk. 
En bij overdracht voor een sul. onhandig, dom 
mensch, eng. (bij Halliwell) a loby looby, lubber, 
lubberd en lubberhead; dus H. van Halmael, De 
Zedemeester en Kantoorknecbt, 18: 
Die jonge lobbes zal ontydig onze deur komen 

plagen. 

Niet te verwarren met lubbeling, bij Bredero, 

Griane, 64, dat gelubde beteekent en dus in Oude- 

mans* Wdb. minder juist is of^evat: 

lek waer een bloode guyU soo ickt niet staen^ 

den hiel 
Tegen een lubbelingh, een vooght van li^te 

Vrouwen, 
Vondel heeft het w in denselfden zin, Horatius' 
Lierzangen, 81 : Een Romain^ vervooght van een 
vrou,.. kan den verschrompelden lubbelingen (lat. 
spadonüms) ten dienst staen. 

Het WW. lobbeti zegt dus eig. een slappe bewe- 
ging maken, eng. to lob, bij Halliwell slap hangen; 
to lob ahmg, tragelijk daarhenen slenteren. 

Het frequent, lobberen is door onze schrijvers 
der zeventiende eeuw gebezigd voor het heenwa-« 
den door een weeken grond of waterplas, en komt 
in bet. alzoo nabij aan slobberen^ doch sluit niet 
gelijk dit het denkbeeld van ruwheid of roorsig- 
heid in. Dus Rodenbu'^h, Batavierse, 3: 
— op d" Amat^kant int gras, 
Alwaer mijn lieve Symph in H water lobb'- 

rend was. 
Starter, Friesche Lusthof, 132: v 
V Was vreemt dat Tethys en wat Amphitrite dee 
Met haer Gespelen in de spoot'elooee zeCy 
Hoe zoet sy lobberden, handbacktenf s/peelden^ 

mmgen. 
Vondel, Poözy, IL 542: 
Aen de Beek. . 

Op wiens oever, goodes moedtSy 
Nymfen lobbren barrevoets. 
Dez. Leeuwendalers, 35: 

Zoo dra de hinde quam, en lobberde in dit wedt, 
Le Jeune, Volkszangen, 197: 

De huisman raast, en tiert, en bast 
En ziet zijn beestjes lobbren. 
Aid. 270: 



347 



LOBBEREN. 



348 



Mogt ikf o zwaarUjenl eens neoens u baden^ 
Al8 gij zoo lobberend zwiert hij de strand. 
Six van Ghandelier, Poesy, 184: 

Syn eenden lobbren langhs Hgesaaide, 
Gl. Bniin, Kleefsch en Zuidh. Arkadia^ 95: 

Wat wierden wij daar mild met zuiver nat he- 

gooten 
O! welk een vreugd, elk liep gezwind naar V 

Konings huis, 
Toen ^t al vermaak was, tot het lobberen in kluis. 
Gysbert Japicx, in den Frieschen Volk6alin 1837, 
bl. 44: 

*t Sy dat ge oock gaet .. 
Of lobbert op 't vloey-krystalyn 
Van Duytschen Donau, Elve en Ryn. 
Uier denkt men aan de waggelende beweging van 
een vaartuig. Men sie wijders de pil. aangeb. bij 
Huydec. Proeve, II. 128; het Wdb. des Inst. op 
Hooft; en dat van Oudemans op Bredere. Fraai 
bezigden in de vorige eeuw Smits het woord, Nag. 
Ged. IL 264: 

Juist daer de Vechtnajaden, 
In 't lobberen en waden. 
De Bisschoplyke Stat 
Besproeijen, kussdien, groeten. 
En Huisinga Bakker, Poêzy, I. 79: 
De onnoosle kinderstoet^ onkundig van hei kwaed, 
Speelt met den vyand nog, al lobbrende in de 

stroomen, 
En dartelt met den plas, dien wyzer zinnen 
^ schroomen. 

Dus ook in den prozastijl bij Wag. Vad. Hist. VII. 
71: cUs de Spaanschen, niet verder dan tot de 
knieën, door H water lobberden. Aid. 482: De 
Hertog zelf, lobberende tot aan de schouders door 
den stroom. — Bilderd^k gebruikte het ww. twee- 
maal, doch met eenig verschil in de be teekenis. 
In de Mengelingen, IV. bi, voor schommelen, varen : 
Op een eiken' plank te lobberen. 
Op de baren rond te dobberen, 
ó. Dit had een' beter zwier. 
En in De Voet in 't Graf, 58, voor schuddend of 
hangend bewegen: 

De lever, lobbrende als verstoken van zijn schraag. 

Hooft heeft doorlóbberen voor doorwaden; zie het 

Wdb. des Inst. Jan Vos oplobberen, Ged. I. 340: 

De godt vati d' Amntel komt oplobbren uit de 

baaren. 
Aid. 690, waar de Vecht spreekt: 

— hoe, is de mondt gestopt 
Die my zoo meenigmael van onder op deedt 

lobbren ? 
Zeer eigenaardig is dit gebruik niet; de Poëet be- I 



doelde waarschijnlijk opborrelen of opbobbeUm^ 
welke den hier vereischten zin hadden. 
Bij Focquenbrocb, I. 513, leest men: 
Zyn kin, wel dik met vet belobbert. 
D. i. met kwabben vet behangen. Bij Störenburg 
zijn lobben hangende vleesch- of vetklompen. Bij 
hem is ook lobbig, bij Weil. lobberig, gezegd van 
dikke vloeistof of eetwaar, wegens de schuddende 
of lillende beweging, daaraan eigen. Anders toe- 
gepast vindt men lubberig; Gremer, Anna Rooze, 
I. 56: lubberige slaphangende plooisels aan de 
lianden. 
In Brederoos Griane, 74, leest men : 
Ay stoet wat Landtsknecht. Neeltje knap veeght 

jou toot o(^ 
En volqht mijn stricx-stracx mit jou Lobberich 

in 't Hof. 
De heer Oudemans erkent, dat hom dit w. Lebbe- 
rich duister is. Een weinig booger echter, in H 
zelfde tooneelstuk, blijkt dat het een eigennaam, 
en wel een vrouwennaam is: bl. 73: 

Dus segghese alle moghelijcke moei, mijn suster- 

lingh hettet al of eleyi^ 
Myn Wijf wist van stuckje tot beetje het rechte 

bescheyt ! 
Lobrich seide Lammert most veurgaen, myn wijf 

sey Uis niet wae»\ 
Lammert komt van sijn Wijfs tvegheti, myn Ma» 

moet daer gaen. 
Uier is Lobrich het wijf van Lammert. Dus ook 
in de Kluchten van denz. 63: 

Bylo, doen ick jongh was, ick konde wel atiders 

opsittefi. 
O lijden, hoe lustigh lagh icK mit lobberigh in 

't klavef^vl4xck, 
Ick bicktender op as ien krey op ien krenglt, 

as ien geyt op ien haver^sack. 
De bedoeling dezer regels is uit het verband dui- 
delijk; met lobberigh, alschoon met een kleine 
letter geschreven, wordt eene vrouw of meid be- 
doeld. Ook komt die naam elders voor. In het 
Kluchtspel De Boerekermis (Amst. 1709), is één 
der Vertooners Lobberig, als meid van den boer 
Bouwen. En bij H. van Halmael, De onberaaden 
Minnaar, 7, leest men: 

Onze Lobbrig, die een schielyke flaauwte kreeg^ 
Datze veel slapper als een vaatdoek ter aarde zeeg. 
Héb ik op staande voet met drie d vier slokjes 

geneezen. 
Duim, Mengelzangen, 2il : 

Joris ging 'et* henen stryken. 
Met zyn Lobberig op zy. 
Wassenbergh, Taalk. Bijdr. II. 118, heeft den frie- 



349 



LOBBEREN. 



350 



scheo naam Luhng^ als het vrouwelijke van Lvhbe^ 
en dexe sal wel verwant zijn aan Lubbert, vroeger 
een bij ons zeer gewone, en ook in Brederoos 
Griane, 72, voorkomende naam. Men zie bij Har- 
relwinée, II. 38, de spreekwijzen, van dezen Lub- 
bert ontleend. Ganzler, Die Deutschen Vomamen 
IL Zun. 171, vermeldt Lubhe, Lübbers en Luhekey 
en acht die verbasterd van Leopold, Zou men niet 
eerder te denken hebben aan het nederl. lebhes, 
eng. lubberd^ enz. ? of aan den in de twaalfde eeuw 
voorkómenden oud-nederlandschen voornaam Lub- 
herlu» (zie mijn Taalk. Mag. IV 571)? 

Lodcteren— Loden. 

Het zow. lodder is in het middel ned. bekend 
voor een liederlijk, lui, laag, verachtelijk mensch, 
zooals ik toonde in mijne Lat. VerBcheid. 146 — 8 (*). 
Bij de daar aangevoerde plaatsen is nog te voegen, 
Maerl Spieg. Hist. III. 348:. 

Lodders wijf van cranken love 
Vólgeden des coninx hove, 
izoodat (luidt het vervolg) het hof van Engeland 
als een bordeel bekend werd.*' Hor. Belg. VI. 137 : 

ghi dunct mi een recht lodder wesen. 
wat vroeger ald. heótte : 

ghi stoet als een cockijn. 
Aid. 97: 
~ die lodder gaf mi te verstaen 
dat ie soude scaon werden ende wel singhen. 
En 98: 

Je sach den lodder op u legghen. 
Van Vrouwen enz. (door Dr. Verwijs), 100 : 
Zerovers of verraders swaer, 
Boerssniders ende alle lodders meede, 
Die quade fauten hebhen onder hoer leden. 
In de twee laatste pil. is lodder van den man ge- 
zegd, wat wij nu nog met toepassing op de vrouw 
een lodder heeten, reeds in de glossen van Hra- 
banus Maurus, en dus in de 9e eeuw, ludra. H. 
Tan Halmael, De Schynheilige, 20: 

— fn}fii Meester speelt wel. 
'k Zie daar volkj verwagt van my ook geen lod- 
der in 'tspei, 
Dei. Grispyn Bedrieger, 54: 
V Is een Lodderhond, voor het minste, de GcUey 

waardig. 
Welke is de afleiding van dit woord? Zijne 
verwantschap met ludem, bij Von Schmid voor 
boitensporig leYen, lüderlich (nederl. liederlijk), 
losbandig; lotter, bij Schmeller een liederlijk mensch ; 
iueder, bij SchÖpf eene hoer, luedem, een hoeren- 

'1 la de aaBhallng bl. 147 ald. olt den Lancelot, Is een 
^nikfmt tagesiopen. Men leze daar vs. 4M3, In plaata van 



leven leiden; valt in het oog. En dan kan men 
denken aan het ww. lodeh, luden of loijen, dat 
in den hedendaagschen zin van ons lodderen voor- 
komt in Den Nederd. Helicon, 237: 
Zijn bed^henoodijen hlijft nieMoyen lang oUeen, 
Maar trotsende de sloep, springht luchtigh op de been, 
£n 't welk niet alleen bij Stalder lodelen, lödelen, 
los of bewegelijk zijn, maar ook het hoogd. Uh 
dem oplevert, dat eig. zooals Adelung zegt, een 
snel heen en weer bewegen aanduidt, en inzonder- 
heid op de vuurvlam wordt toegepast^ en in dezen 
zin heeft Schröer niet alleen ludem, maar ook 
den primitiefvorm luden; het hoogd. loden, dat 
Adelung aanvoert, en door hem als de oorsprong 
van lodem wordt opgegeven, wordt van het uit- 
schieten of spruiten van boomen gezegd. Met dit 
lodeti is kennelijk verwant ons gloed, gloeijen, 
loeren en lonken, zooals de lager te melden bet ee- 
kenissen van ons lodderen zullen bevestigen. Onze 
wn. lodder en loeder hebben dus de eig. bet. van 
wuft, losbandig, met toepassing inzonderheid op 
de geslachtsdrift. Daaraan knoopte zich reeds 
vroeg die van verlokking of verleiding; zie mijne 
aangeh. Verscheid. 147; waar bij de voorbb. van 
het znw. loeder voor lokaas kan gevoegd worden, 
Kauslers Denkm. III. 71: 

Niet sprac te hem der salicheit spoeder,., 
Newaer ten tween keerdi die scouder 
Ende warp hem lieden sinen loeder. 
Bat was der passyen bant. 
S. 427 althans verklaart dit door sesca." De pi. 
wil dan zeggen dat Jezus aan de moeder van Ze- 
bedeus geen antwoord op hare vraag gaf, maar 
zich tot hare zonen keerde en hun eene vraag 
voorhield, welke een antwoord moest uillokken, 
en die hunne drift of eerzucht beteugelde. Die 
beteekenis blijkt ook uit ludem, bij Fulda, Idioti- 
kens. lokaas uitleggen; luederny ludem, bijSchöpf 
en Von Schmid lokken; voorts met weglating der 
d bij onzen Kil loe\jer^n, trahere, attrahere; bij 
samentrekking loren* leuren ; in 't eng. to lure, to 
aUure, fransch leurrer, lokken (*). 

(*) Onbekend Is mQ het w. loeüertje, 'T Nieuwe Hoorns 
Speel werck, 146: 

— ais ick en myu tuyckerde hertj9 
Lest eens reden, soo vonden toy niet 
HGene waer door men veel vreughde geniet: 
Maer ten lesten doe rolden mf n Kartje 
Deer het vol swarte Loeyertjee waer. 
Ja keéte dotüntjes by malkaêr. 
Onopgehelderd blUft, ook na het aangevoerde bU Van Lenaep 
(11. 5i7, Nal. 3ln het kinderspel bU Vondel, Pottzy, II. 59 
(van het docblerke): 

{dat) htippelde in het reitje 
Om 't lieve lodderaiye. 



964 



LODDEREN 



Dat het w. lueder ook wél in eenen goeden, 
niet beleedigenden zin gebruikt wordt, zooals 
Schöpf opmerkt, kan niet krachtiger bewezen wor- 
den dan door de toepassing er van op de maagd 
Maria, zie mijne aant. t. a. p. Doch dezelfde op- 
merking geldt ook van het nederl. ww. lodderen. 
Het hoofddenkbeeld in zijne bet. is iets wellustige, 
doch op verschillende wijze toegepast. In het Belg. 
Mus. II. 107, zegt de man : 

AU ie buten hen hebbic eenich idijt; 

Moer oUs ie thuis ben leyt mijn herte qhehanden. 

Zo minnelic ben ie gheleverl den honden. 

Mijn wijfy zy loddert zy bouft^ 

Dan es mijn herte zo zeere bedrouft! 
Willems toekent daarop aan »zy speelt de hoer,*' 
en 'k geloof, dat dit juist is. Doch doorgaans is 
de zin zoo slecht niet. Zich in de lust lodderen 
is bij Bredere een wellustig genoegen hebben, 
Aend. Liedtb. 24: 

Want my verleyt en vleyt het vleyschelijck ver- 

kiesen. 

Als ick na wensch en wil my lodder in de lust. 
Dus Rodenburgh, Keyser Otto, 225: 

— Wat pijn wurght nu mijn hert. 

Als ick denck dat... 

.. uw verweende mond, tooet* lodderden mijn lust, 

^iet van uw Tyter^ moer van een ander werdt 

ghekust 
Dez. Poêtens Borstw. 388: 

IHe noyi geen tegenheyt in *t minste is ghemoet^ 

Die immer lodderden in Taegse gouden vloet 
D. i. zich verlustigde, en dus tamelijk onschuldig. 
Elders is het minnelonken geven; Bredere, Bron 
der Minnen, 25: 
Speelnootjens bly van gheest^ ay loddert eens terzy i 
Met u ooghjens lief en schoon. 
Ook zich koesteren; Werken van Rabelais, I. 72: 
Daarna lodderde, woelde en wentelde hy een wyl 
in *tbed. De Decker, Rymoeff. I. 148: 

{Die) staeg lui en ledig ligt en loddert in de zon. 
En eindelijk indommelen, bij Bild. Krekelz. IL 133: 
7 Verstand viel €Mn't lodderen, 't Geweten in slaap. 
In den zin van beloeren of belonken heeft Huyg. 
belodderen^ Korenbl. I. 461 : 
Lonoken die — 
— belodderen de sijn! 
Om van hun belonckt te zijn. 
En De Brune, Wetsteen, I. 15: veel Gods geleerde 
zelfj hébben nootsakeHik^ door het belodderen van 
Joffers., zoo yetwes moeten voelen. — Bij Valentijn 
beduidt hetz. ww. lodderig of sluimerig maken, 
doen lodderen of sluimeren; Werken van Ovid. I. 
4/6: Ik. heb 't gloe^jende gedgt des draaks met 



mijn kruidéren beloddert. BI. 48: Ik versoek ti 
nu niet om stieren., aart^soidaten en schHdwagt- 
draak te hevegten en heXoéAeren. BI. 222: Sdioon 
hond^irt oogen u gaaioegen... gij sultse belodderen. 
D. III. 39: Als nu de vogtige nagt d oogen sol 
belodderan. — Doch onzijdig voor sluimerig worden; 
ald. I. 202: als haar d* oogen belodderen. 

Het WW. veiHodderen leest men bij prof. David, 
in de door prof. Willems uitgeg. Nederl. Ged enz 
439: men ziet den hoogmoed^ de verwaendheid 
door de scheuren van zyn verlodderden tdbbaerl. — 
De uitdr. ziet op den Stoicijn >in 't onaanzienlijk 
kleed," en wordt opgehelderd door Schiiermans' 
Idioticon, 't welk zegt dat lodder in het vlaamsch 
gebezigd wordt van tiemand die slordig is van 
kleeding." Verlodderd is dan verslodderd^ tdordig. 

Bij de samenstellingen, door Weil. aangevoerd, 
behooren nog als znwn. lodderkoets (bij Kil. lod- 
derbeddeken), lodderketeiing^ lodderkiap en lod- 
derboef (bij Birlinger lotterbube); bij Bredero, 
Griane, 59: 

— t*wijl dat sy haer lijdt en Boelery besteel 

Op Lodder-koetsen schoon^ en lichtCy sachie veeren. 
Vondel, De Helden Godes, 21: 

Die troetel Venus^ met haar lodderketel ingen 

Was oorzaeck dat wy ofis en God vergeten gingen. 
Roden b. Batavierse, 21 : 

Voor 't eersty zoo moet ghy al de loddreklap* 

pen mijen^ 

Tot dat zy vast ghelooft ghy deughdzaem zijt 

van aeri. 
De Decker, t. a. p.: 

Een' doeniet, bedelbrocky een* vuilen lodderboef. 
En als werkw. lodderlagehen; Bilderdtjk, Na vonk. 
L 128: 

Die scheel ziet^ pinkt maar waty of lonkt enlo^ 

derlacht 
Lodderlispen; Rodenb. Gasandra, 46: 

De stamelende tong dienoemtzy(i.w.delit^de) 

lodderlispen. 

Niet minder dan de samenstellingen, bevestigen 
de afleidingen de aangewezen beteekenissen van 
lodderen. Bij Kil. is loddege als snw. eene hoer; 
dus bij Despars, Gronijcke van Vlaend. II. 423: 
valsehaers, hoeren ende loddeghen. — Lodderig^ dat 
wij nog bezigen voor dommelig of aJuimerig. b. v. 
Schenk, Nachtged» L 4: 

Zoo verr' de loome slaap het loddrig oog be- 

zuKuurde. 
voegde men oudtijds bij ohkuisch; Passioneel So- 
merstuck, fol. 91: antoniiu die lodderich ende 
oncuysch was doe hi octcunaens suster gh^enomen 
hadde teenen wive. Ald. fol. 92: een monick 9eer 



353 



LODDEREN. 



354 



Ucht van seden ende lodderic ende oncuysch, — 
Onschuldiger is het wat later, 't Nieuwe Hoorns 
Speel werck, 146: 

Drinckter eens hartigh.. 
'tSoenen dat êcUje dan heter bevallen; 
Want als rf' oogen wat lodderigh s/aen, 
Siêt men toel vaten voor swar ten oen. 
H. van Halmael, Vervolg van DeGev. Kwaaker, 43: 
Hy ziet my al wat lodderig aan uit zyn gakten. 
Het adj. verliest den uitgang bij Krul, Diana, 43: 
AM lod're winlje koel quam door de Bootnpjes 

ruyschen 
Hel adj. lodderlijk geeft juist niet altijd, zooals 
Weil. zegt, teedei-e minnedrift te kennen; Ho?*. 
Belg. VI. 127, wordt ^lodderlijc leven" toegeschre- 
ven aan hen: 

— die hebben verteert 
haer gheldekijn in die taveime^ enz. 
Op het tooneel in Vlaerd. Reden r 381. zegt »Haet 
en N^jt" van aTwist en Stiijt": 
Daer komt hy^ ziet doch eens^ utt niet ten lod- 

derlijck quant ? 
D. i. loKse, aardige kwant. Pa^sion. Somerst. fol. 
107 (van een heilige en een naakt wijf): hoe hi 
xtatxkeliker wederstont^ hoe si hem lodderliker 
aoiginc ende op hem viel — Gemakkelijker kwam 
een andere heilige er af, van wien het Winterst. 
fel. 148 verso spreekt: doe hoer (d. t. zekere vrouw) 
gri'yoriwt nader wissen gods lichaem gheven wilde . 
«o lachede dat wijf loddeilick. D. i op een spot- 
tende wijze. Voor liefelijk lonkend leest men bij 
Heinsius, Poeiu. 10: 

— (zy) wierp op hein twee oogen ^ 
Nn> lodderlick soo soet, dat hy tot aen de grondt 
Van zijn manaflic/t hert geraeckt wiert en ge- 

U)ondt, 
Vondel, Poëzy, I l>56: 
Gy kunt ook . speelen met twee tortsen^ 
Ontoonkenze aen U gezicht d<fr lodder I ij ke Bruit^ enz. 
Bij Huygens is de toepaseing wederom anders, Ko- 
renbl. 1 105*- 

Daer jy dichgies Caeght ekropen 
In de lodderlicke Yeer. 
Er zrjn nog twee andere, door Kil zoomin als 
Weil vermelde afleidingen, nam. lodderij en tod- 
dertiij. Passionael, Somerst lol. 118, waar Sinte 
Bemaert de ridders : Init dal si hen in die heilighe 
tiden wilden ophouden van haer ydelheit ende lod- 
derien. Rodenb. Melibea, II. 45: 
lek beny onlanghs verleden eens ter feest gheweest^ 
Waer edelluyden en veel jonghe Joffren waren: 
'kZach zo veel loddery, en wat my is eriHirefi 
Om eer» wil ick uerzwijgh, en niet en openbaer. 



Hier kan men niet anders dan aan ongeoorloofde 
minnarij denken. Passioneel, V^Tinterst. fol. 91 : 
een vrou wt engdant die van loddernie begheerde 
ie hebben schoon ogen, Aid. fol. 129verao: In die 
oghen is die hegheerlicheitj in die tonge ende in 
die oren loddernie. 

Ii06ijeren% zie Lodderen. 



Bij Kil. is loeiieren^ ook luijeren^ binden, vast- 
maken. In het Idiot. van Schuerraans is lu^jeren 
trekken, gedurig trekken Het primit. ww. vindt 
men in het oudfr. loyet\ loiei% binden, hechten, 
thans lier, subst loienj thans Hen^ band, oudfr 
loiettes, kousebanden Kil. heeft daarvan loe^er^ 
luijer ^kinderbindsel," bij samentr. luur; mid- 
delned. luder; Moll, Joh. Bragmans, II. 305: die 
bandekens der luderen. Maerl. Spieg. Hist. II. 180 : 

— men mi ginven mede sal 

Met gébedetie luderen al. 
D. i. men zal mij begraven met een gebedeld dood 
kleed, als kleed, waarin het lijk gewonden werd; 
zie Halb. op Maerl. 84. Hiertoe behoort ook het 
scheepsw. lording of loerding, neders. lurden^ lur» 
dings^ een touw dat om de kabels gewonden wordt. 

Ifoeveren— Loeven 

Van het frequent, loevcren spreekt fiilderdijk, 

Verkl. GesL II. 191, als van een bestaand woord. 

Kil. eii Ten Kate, II. 661, hebben loevéren^ met 

'dezelfde uitspraak als wij laveeren zeggen. Melis 

Stoke heeft laveren, III. 94: 

Ic wane, God wüde van hemeltnke^ 

De Vloei ghinge; ende at giiamen, 

iAet haren scepen alte samen. 

Leverende recht in den wint 

Ic wane, noyt eer noch sint 

Oyt )nan gheloveren sach 

So menich scip op eneti daeh 

In so nauwen onreynen diepe. 

Ook hier zal men aan den basterduitgang en niet 

aan een frequent, te Jenken hebben Hoe dit zijn 

moge, het frequent, loeveren is regelmatig af te 

leid'en van het ww. loeven, in de zeemanstaai zeer 

bekend voor ttegen den wind inkrimpen, scherp 

bij den wind zetten '; Vlaerd. Redenrijckb. 14: 

Sy loufden na 't Umdt toe, ick dat ziende teegh 

aen 't vluchten. 

Huygens, Korenbl. I. 297: 

* — tot dat m' in H lieve lest 

Verzeilt en bijster *s weeghs met loeven eti la' 

veren enz. 

Nieuwe Honigbije, I. 134 (van vliegende vogels) - 

12 



355 



LOEVEREN. 



356 



Zy krygen^ na veel werks, en kunetig loeiren, 

Een' ouden pynboams top — 
Anders aanloeven; Meermans Gom. VetuB, 41 : hcui 
hy gevreest, dat het f sijnent op V lant sou vocieyen, 
en kad hy daer tegen cU hy tyds aen gheloeft. 
Aid. 106: toen het soo laegh ebde.,, was het hals 
toe,, en loef aen. — Zie wijders H Wdb. der. Ned. Taal. 

Het WW. loeven^ eng! to loof^ fo luff^ fransch lof- 
fer^ is van het subst. loef^ eng. loof^ fransch lof. 
Ook laveeren, ofschoon met eenigszins andei's toe- 
gepaste beteeken is, zal wel tot dit loef en loeven 
behooren, blijkens het fr. louvoyer^ eng. to laver^ 
deensch lovere. 

Bq Weil. mis ik het ww. oploeven; Brender è 
Brandis, Proeven van Cresch. en Lett. Oeff. 334: 
zo dat wij,,, wel genoodzaakt uxiren den ganschen 
weg over te laveeren. Des niet te min hadden wij 
reeds tot het gezicht der haven opgeloefd. (Men 
bemerkt, dat oploeven hier meilaveeren verwisseld 
wordt.) (Eerste) Vervolg op Wag. II. 71 : deeze 
{vyand)^ die toerusting en het onverzaagd inwag- 
ten (van Schipper Jan Dekker) ziende^ hadt geen 
lust zyne kragten te beproeven,., deinsde hy af, en 
loefde op. Nierstrasz, Frans Naerebout, .59 (van 
»de kielen") : 

Zy loeven op, met tragen vaart, en voet voor voet, 

Bild. t. a. p. heeft het subst. loever^ wellicht 
ontleend aan Gats, bij wien men Wercken, I. fol. 
637, leest: 

Te louver, man te roer, te louver, lieve maet. 
En zooals men in Winschootens Seeman vindt te- 
loever leggen, d. i. boven den wind leggen; doch 
ik acht dit te loever gezegd voor te loevert, gelijk 
men bij. De Flines en Van Lennep ook de uitdruk- 
king aantreft, en dit te loevert wederom voor te 
loefwert of loef waart ; want dus is, naar ik meen, 
eigenlijk de spreekwijze. Zoo b. v. Meermans a. w. 
19: De keyser.., hing (de vcUreep) f allen onge- 
luck, te loefwaert uyt, Aid. bl. 49: a^ en wist hy 
niet meer als dat hy te Loefwaert over boort moet 
pissen, — En ook Winschooten zelf verklaart te 
loever leggen door "bloefwaarts van iemand afleg- 
gen," in tegenoverstelling van lijwaarts. Men denkt 
hier aan Huygens'- Korenbl. II. 148: 
Daer allerlèy gevaren 
Te Loefwaert en in Ly 
Mijn gangen wedervaren, 
en aan Tollens' N. Ged. I. 10 j: 

Slaan loef- en lijwaarts otn, aan duizend noo^ 

den prijs. 
Een znw. loever is derhalve nog niet voldoende ge- 
bleken te bestaan: 

Van het znw. loef had men in de iüde eeuw 



het bij w. eensloefp voor in ééne richting, recht toe 
recht aan (als wij zeggen) ; Meerman, a. w. ii5: 
Met het opgaen vande Son renden wy eensioefs 
na Delft toe. Hooft, Ned. Hist. fol. 218: Hy werpt 
zyn' kappoot wegh, streeft eens loefs naa Hhooft^ 
springt in een pink. (Nog twee and. pIL zie men 
in het Wdb. des Inst.) Sprankhuisen. Geestel. 
Bataille, 23: om met {syn makker) eens-loefs te 
ga^n in een Herberge of Danschool. Vondel, Vir- 
gilius, 369: hier op vlieden de Trojanen eens- 
loefs met vollen ren te rugge Brief van Gom. de 
Witt van 23 Junij 1667 aan Hunne Hoogmogenden 
(medeged. in de Rott. Gourant van 25 Junij 4867) : 
omtretU een musquet schoot van de selve {vyandt) 
af synde, heeft hy {Van Brakel) hem de laghe 
ghegeven*, ende soo eens loefs met een voomnnt 
aengeklampt hebbende, heeft hem in een moment 
verovert. Van Hoogstraten, Haegaenveld, 328: iets 
horende dat hem prikkelde, natn (hy) voor eens 
loefs daer heen te rennen. — De uitdrukking eens- 
loefs komt in bet. geheel overeen met de foij Kil. 
voorkomende eenswegs en eensgangs, eadem via^ 
protinus. 't Laatste kwam mij voor bij Vondel, 
Herschepp. van Ovidius, 141: 

Zweeft Citnus en Giaer, ter rechte hant gelegen y 

Voorby, en kiest eens^sn^, noitommevliegens mae^ 

De reisbaen overzee — 
En 't zelfde wohrd zal men ook wel te lezen heb- 
ben bij Gamphuysen, Sticht. Rijmen, I. 114: 

Wanneer ghy dan we* erom zult komen vawi den 

tocht,-,. 

Zal *t heyr, van bend aen bend, vercierlijck in 

H gewaedt,... 

Na Godts geheylight Huys eensgans die voeten 

spoén. 
Men bezigde ook, almede in denzelfden zin, eens- 
loops; dus de Levens van Plut. fol. 156; in, de 
plaets van eensloops recht tegen de Achaeiensen 
aen te vallen.,, vergat hy hem sdven, — Indien 
de afleiding van Tuinman, volgens welke loeven 
verwant is aan loopen, hoogd. laufen^ oudd. lofett^ 
louphan, juist is, dan zouden eensioefs en eens- 
loops in allen deele overeenkomen. Ook Kaltschmidt 
acht het hoogd. ww. laviren verwant aan laufen, 

Lombarderen— Lombarden. 

Weil. heeft het ww. lombarden voor woekeren ; 
eig. zal de bet. wel zijn lombard houden. In dezen 
zin lees ik lombaarderen bij Goornhert, Werclten^ 
I. fol. 297: dat hy immers voor al- mijde, ja ver- 
late alle handtwerck ofneringhCy diehat^(je\ etzde 
onrecht zy, als lombaarderen, woekeren en anderepi. 
— Dit kan de frequent* vorm zijn; wellicht ooit de 



357 



LOMBARDEREN. 



358 



basterduitgang eeren. Uit de ééne mij voorgeko- 
men pi. is hier niet te beslissen. Een ww. lom- 
barder schijnt het fransch niet te kennen. 

Longeren— Langen. 

Hel frequent, longeren wordt aangetroffen in de 
Nieuwe Honigbije, II. 55: 
Wanty zo gy weêt*keert eer uw wortden zyn ge- 

sloten^ 
Zal 't wederspannig wigt op nieuws de mees- 
ter zyn; 
Met 9chtylen, mnniger, om uwe vlugt, geschoten, 
In 't longerend gemoet vermeerderen de pyn. 
Blijkbaar zegt dit woord : hakend, sterk verlangend, 
en komt het overeen met het neders. lungem, bij 
Tiling »doen blijken, dat men iets gaarne heeft, 
zijne begeerte dooi smeekend gebaar te kennen 
geven/' in het pruisisch bij Bock lunkerfi Bdoor 
onbeschaamd bidden op iets aandringen" ; bij Ri- 
chey lungem, minder juist omschreven door floe- 
ren op iets, wat men gaaine heeft." 

Hel primitief is, wat den vorm aangaat, het eng. 
to long, verlangen, einstig begeeren, neder I. 2an- 
gett, nog over in verlangen, doch vroeger gebrui- 
kelijk, en wel in den onpersoonlijken vorm. Dus 
Cngnett, fiijdr. 305 : 

Een vos sach .%. beste hanghen, 
Ende hem hegonster omme langhen. 
Maerlanl, Spieg. Hist. I. 444 : 

Wi unllen ende ons langhter na. 
Dat die tijl come ende gha. 
Walewein, vs. 5773: 

Om hem te siene langhet mi sere. 
Dü8 nog (doch persoonlijk) bij Van Nyveld, Sou- 
terlied. Ps. 4i : 

Reehl als een hart langt na een fonteyne. 
Dat bet w. afkomt van het adj. lang, en dus eig. 
legt zich uitstrekken, reiken, valt in het oog. Zoo 
leest men in den Statenb. Randt, op Ezech 24, vs. 
25: gélijck men om hooge nae yets reyckt ende 
langt, datmen geerne soude bereycken ende hebben, 
— Ons erlangen is verkrijgen door het te bereiken, 
en men leest daarvoor langen bij Huisinga Bakker, 
Poêiy, I 161: 

I^iet uw welspreekendheid en melody myn zangen, 
Vol schoone Poêzy! den besten luister langen ! 

Ja ook in het eng. bij Halliwell is to long to reach, 

d-i. reiken. 

lioovaren— liooven. 

Het prim. looven, d. i. fnet loof of groen bedek* 
ken, is mij bij onze schrijvers alleen voorgekomen 
ïnel om saamgesteld; Boddaert Jun. Ged. (1827) 
bL 54: 



— ras zij dit krijgssieraad 
Met lauwerhlaan omloofd. 
En 76: 

Nadat zijn hand zijn kelk met roosjes had omloofd. 
Da Costa, Kompl. Dichtw. I. 439: 

— der ondeugd schaamtloos hoofd 
Met het lauwerhlad omloofd. 

Van den Bergh, Longfellows Ged. WI : 

— den boom, die met zijn takken 
Heel den omtrek had omloofd. 

Ten Kate, Dichtw. I. 31 : 

— duizend bosschen 
Van winger(d)8tammen, dicht omloofd. 
Van der Hoop, Poëzij, 45: 

Ontvlieden 't zonlicht in de dichtomloofde twijgen. 
Het hoógd. zegt lauhen voor loof krijgen, groen 
worden, in sommige streken ook voor »van loof 
berooven of ontdoen," en dus voor entlattben ; zie 
Adelung. Vooral in *t oud- en middelhd. ip Umben, 
belouben en verlouben bekend ; zie Benecke Onze 
Ouden daarentegen bezigden het frequent, looveren; 
Beatrijs, vs. 339: 

Daar stonden vele rechte bome 
Die ghelovert uxiren rike. 
Parthonopeus (door filommaert) 115: 

Onder enen appelboom, dxe daer stoet 
Scone ghelovert ende ghebloet. 
Maerlants Nat. Bloeme, II. 108 (van den boom »ag- 
nus castus"): 

In den lentin en lovert hi niet, 
Als andre houts meeste pliet. 
Aid. I. 110: 

Dat die wolf neemt wilgenrise 
Ghelovert in sinen mont. 
Van Velthem, fol. 35: 

So sach men daer alse vollike staen 

Enen wijngaerd wél gedaen. 

Geleverd, ende met besten mede, 
Le Long toekende hierop te recht aan »mel lof 
voorzien.*' Minder gelukkig was eene veel latere 
uitlegging in de N. Reeks der Werken van de leid- 
sche Maatsch. VII. St. I. 130: 

Doe ginc hi in ten foreeste.,. 
Het UHis daer gelovert wel. 
waarbij men leest: ^Geprezen, misschien van het 
Fransche louer." Maerl. Rymbybel, vs. 5844: 

Voor Gode leide hi die roede saen. 

Tsanders daegs, bi Gods ghemoede, 

Vondsi gheloverd Aarons roede, 

Ende noten ooc ghewassen daer an. 
Deze plaats maakt duidelijk, wat men bij denzelf- 
den dichter, Spieg. Hist. III. 189, leest van chris- 

tenridders, die hunne aperen voor hunne paviljbe- 

12' 



359 



I/)OVEREN 



360 



nen gestoken hadden : 

Des ander doges hebsi mettien 
Hare soachte gelovert gesien^ 
Alder gheerre^ sonder waeriy 
Die maertelie souden ontfaen enz. 
Dus ook meermalen in den Bijbel van 1477. b. v 
Jerem. 2, vs. 20: op eiken hoghen berch ende on- 
dei* eiken gel(»verden boem so laechstu neder. 
Ezech. G, VS. 13: onder elc bosch hout^ ende onder 
cUle gheloverde eyke. 

Bij Van der Hoop, Warschau, lOü, leest men: 
De borst ontgloeiend van den strijdbren Arabier 
„Mnts eeuwen om zijn heldenmoed geleverd. 
D. i. met zegeloof bedekt, anders omlooveren; dez. 
Golumbu.-*, 29: 

Hy moet de jonge kroon omloveren * 
Met goudloof van een nieuwe zon! 
De Thouars, Zriny, 38: 

Ik keer in zegepraal., met d' eikenkrans omloverd. 
Bogaers, Gez. Dichtw. I. 194: 

't Woudy ontdaan van lommerpracht^ 
Heeft hij flink in éénen naciit 
Tak en twijgen versch omlooverd. 
Oudaan smeedde daarvoo** nog een nndore samen- 
stelling, Agrippa, 438: dat hij daar niet te doen 
heeft met gelaurlo verden en schoolgeleerden voor 
*t gestoelte, 

In overeenstemming met bet boven vermelde 
middelhd. belouben, vindt men bij ons belooveren; 
Bloemkrans, 137: 

O! ufie kan de krans belovVen, 
Van 't metalen hart van Delf, 
Die bereikt het blaauw gewelf enz. 
VoUenhoves Poêzy, 413: 

Men vlechte een' bloemKranSy schoon belovert. 
Brender è Brandis' Kabinet, V. ÖO: de ranken der 
digtbeloverde stammen. — En voor entlauben het 
frequent, ontlooveren; Dautzenbei-g, Verspr. en 
Nagel. Ged. 7: de all esontloov rende herfst. 

Frequentatieven op ren zijn mij van dit w. niet 
in de verwante dialecten voorgekomen: wel op 
len, Stalder heeft laübelnj met goudloovertjes be- 
dekken, en jong loof van den wijnstok «fplukken; 
en Schmeller Iduberhiy met loof spelen en loof 
eten, ablduherlny het loof afplukken. 

Dat wij het subst. loof als collectief gebruiken, 
is bekend; vroeger evenwel beteekende het ook 
een enkel blaadje; dus Don Quichot, i. 349: ik 
besta te beven als een looi. Ogier.DeSeven Hooft- 
sonden, 37: 

— sonder te beven als een loof op den boom. 
Zoo ook de ontkenning niet een /oo/*; zie mijne ImU- 
VMtcb* 95. 






Loteren'— Lutaen. 

Lutsen is de nederlandsche vorm voor het prim. 
van loteren of leuteren, in het vlaamscb bij de Bo 
lutteren. Kil. reeds stelde dat door hem vlaamsch 
genoemde w. gelijk met het frequent, en het Alg. 
VI. Idiot. bevestigt die gelijkheid. Lutiien kwam 
mij voor in Meijers Oude Nederl. Spreuken, 87: 
Ten valt niet al, dat lutst D. i. alles valt niet 
yfRi waggelt oflosis. De Harduyn, üitgel. Dichtst. 72: 
Ach! siet mijn tichaem eens yheblutst., 

En overgoten heel met wondeti. 
Ach! siet hoe mijn ghebeente lutst 
Door uwe gramschap, en mijn sonden. 
Janssen en Van Dale, Bijdr. VI. 331 : 

— Te min sult ghy lutsen 
Den elleboghe onder goede gheselleti. 
De aant. hierop zegt Dbedriegelijk hanteei-en" ; mis- 
schien te vergelijken met ons »de hand lichten 
met iemand." In eene oude keur, bij Van Bleys- 
wijck, Beschrijv. van Delft, I. 1^8, werd ond. and. 
verboden : fe druhbelen, met stocken springen, te 
ludsen. — Het w. komt overeen met lotsdi^n,, bij 
Stalder wankelen, en to lotch, bij Halliwell kreu- 
pel gaan of hinken ; voorts met to loute, bij Halli- 
well leuteren, talmen, lotten^ bij Fulda, Oerm. 
Wurzelw. 81 voorkomende voor vat elders »flut- 
teren, fladern,'* nederl. flodderen, heet. Deze laat- 
ste vorm, die bij ons loteti zou luiden, geeft ons 
het primitief volkomen. Als verwante adjectieven 
heeft Höfer loder, los, gezegd b. \. van een riem, 
een band, kousen, spijkers in den muur en tan- 
den in den mond; Schmeller loder, lot ter., los: 
Kehrein en Reinwald lotter, lotterig, los; Stalder 
lotschig, slap. 

Als frequent, hebben de verwante dialecten iot- 
tetm, fladderen; lodelen, lödclen, niet behoorlijk 
vast, licht bewegelijk zijn, l^j Stalder; lattera., 
wankelen, bij Tobler; lottern, wankelen, bij Schmel- 
ler, en oms tenteren bij Von Schmid, welk laatste 
bij Stalder umelödelen heet. Het eng. zegt to ioi- 
ter voor talmen, loiterer voor treuzelaar, bij Hal- 
liwell loitersacke. 

Deze verschillende beteekenissen vindt men ins- 
gelijks in ons loteren of leuteren. Dus vooreerst 
in den zin van los of bewegelijk zijn; Huygens^ 
Korenbl. II. 87 : 

— H peuteren 
Van voor of achternfeur, om grendels ie dotft* 

leuteren . 

Apollo*s Marsdrager, I. 160: 

Geruste Tytier grypt zyn /luU van leu trend ruvi 

Met was aan een gekleeft, en speelt fiet vreede^Ue^M . 

üoüft heeft daarvoor: leutet^gh rietj zie het W«lb. 



361 



LOTEREN. 



362 



des lust. Van Beverwijck, Schat der Onges. II. 32 : 
een scheyjw vachiigheydt op de wortels van de Tan- 
detiy die deselve doei lea teren. Dietsche Warande, 
VI. 342 : Hoe sal men dé tanden ?wuden f Suyver 
ende reyti; want ime aulcke versuymt, dietoorden 
de tanden van slijme loterende ende verderven, 
Uonwaert, Lusth der Maechden, II. 325: 

Sy was rnagher, mismaeci van lichaem en handen^ 

En van den slijme loterden htur de tanden. 
Vondel, UippoJytus, 41: 

Hy trotse hengsten fltix heeft in 't garreel ge- 

slagen^ 

En toomt hun monden met het leuterend gebit, 
Oudaan, Poêzy, I. 27: 

Schoon 't (Hoofdgebouw) schyn' te wank'len, noch 

te leuteren 
Berkhey, Nat Uist. van Holland, II. 1193: Buiten 
fiat leuteren de Laaden gemeenlyk in zulke ver- 
maakte Kassen. Meerman, Gom. Vet 105. soo wy 
f Overschie op de strate quamen, daar vlogen de 
Lensen uyt de Waghen^ ende de geck leuterde los 
dat de paerden voor heenliepen. — Dit losleuteren 
is al wiggelende losgaan. Zoo ook Valentijn, Wer- 
ken van Ovidius, II. 256 : Au hegost gehint en voeg 
los te leuteren. Vondel, Virgilius, 391- d' Oude 
man... leutert te vergeefs om het punt met zijne 
hant uit te trecken. — Hier beteeken t het w. het 
wiggelen van de hand, die den pijl uit de wond 
tracht te halen. 

Ten andere is de bet. figuurlijk, en dan verschil- 
lend toegepast. Hooft, Nederl. Hist. fol. 73: dat 
hun lyf en goed t leuterde, als den Kardinaal van 
Granvelle... slechts lustte daarop,., eenen aanslagh 
te maaken. D. i. wankelbaar of onzeker was. 
Vondel, Hippolytus, 24: 

— wie noch saechachtigh vraeght en leutert, 
Leert weigren: — 
D. i. hapert, niet vrijmoedig doorspreekt. Pers, 
Bellerophon, 132: 

Schipper héniy 't dan verpeutert^ ' 
Hébdy hier en daer geleutert, 
Hehdy cUm u Schip verhoomt? 
D. i. gehaperd, verkeerd gehandeld. Zie voorts het 
Wdb. des Inst. op Hooft, waar ook de bet. van 
talmen, dralea, voorkomt, die samenhangt met de 
nog gebruikelijke van beuzelen, beuzelend praten ; 
das Bttsken Huet, Schetsen en Verhalen, II. 290: 
De oude man. . leuterde. . iets van Onze Lieve 
Heertje enz. — Zulk praten noemt de gemeenzame 
taal leuterprcuU» 

De bet van los zijn werd mede toegepast op het 
verstand, op hetgeen men anders malen in H hoofd 
noemt Dus Westerbaen, Ged. U. 139: 



Sottinne, dit en is moer leuteren en droomen; 
Van een verkeerde sin sijt ghy hier ingenoomen, 
Huydec. Hekeld. 96: 

— wien het anderszins mag leutrén in 'I verstand. 
De Haes, Verloren Zoon, 56: 

Zyn zinnen leuteren, of moeien spelevaren* 
Fokke, Boert. Reis, III. 214: de koning.. die{n) 
het eigenlijk wat in 't hoofd begon te leuteren. 

Vandaar het subst. loterbol, voor iemand wien het 
in *t hoofd schort^ Moons, Sed. Vermaeckspieg. 289 : 

Als Jupiter aenhoori dees jonghe loterboUen^ 

Hy schijnt om hun request van gramschap op- 

geswoUen. 
En ald. 291 : 

Gaet henen malle maetSj gaef henen Loterbollen. 
Inzonderheid was aangaande zulk een loterbol l^et 
zeggen gewoon, dat hem de kei lotef^de of leuterde^ 
vermoedelijk ontstaan door verbinding of opzette- 
lijke verwarring van den ouden zotsnaam Kei mei 
den keisteen; zie daarover de aant van prof. De 
Vries op Hoofts Warenar, 190 — 192. *kMoet ech- 
ter doen opmerken, dat de daar vermelde afleiding 
des woords kei van den keizemaam Cajus reeds 
vóór Tuinman is gegeven, t w. door Jonctijs in 
zijn Toon. der Jal. II. 94. Zij is even onwaar- 
schijnlijk als die, volgens welke leuteren eig. zou 
zijn luiteren van het adj. lui; zie Halbertsma's 
Woordenb. van het Overijsselsch. De spreekwijs 
is bij ons vrij oud; Hor. Belg. XI. 8: 

Eens ter weecken lotert haer de keye. 
Antw. Spelen van Sinne, 165: 

lek cansCy die na tstof vander muelen haken 

Daer de keye maer lotert aen den eenen cant. 
Ald. 167: 

Patroon, van bly schap ghevoelen wy die keyen 

Duer kracht van u salve alree daer loteren. 
En 370: 

lek hoor wel dat is als de keye int hooft steect 

En hangt en lotert voof en tallen sijden, 
Dryderley Refereynen (Rott 1614), 80: 

Maer 'tzijn van de zotten die op 't hooft draghen 

veeren... 

En de key lotert haer — 
Bredere, Bron der Minnen, 64: 

Ghy waeH so quaet doen ie sey. 

Dat de key 
V achter 't oor leyd en lettert 
Deze vorm lotteren kwam boven in verschillende 
dialecten voor. Van zijne zotheid te geneien heette 
»van de kei gesneden te worden"; dus de Antw. 
Spelen van Sinne, 370: 

Voor al moet ghy u vander keyen doen snijden. 
Nog duidelijker bij Vondel, Hekeld. 63: 



963 



LOTEREN. 



364 



Wel zijnze oen de blaeuwe steen 
Niet van de leuterkaei gesneen? 
Dit leuterkei werd ook als scheldwoord gebezigd, 
Van de Venne, Sinnemal 81 : 

Al roepje somtifts leuter-key, 

En plompen botte-muyl; 
Wy 8egg}ien^ dat dees aUebey 
Te gaer zijn even vuyl. 
Hei onsamengestelde kei gold mede voor sol, zie 
Oudemans Wdh. op firedero ; en dit werd tevens als 
adjectief gebezigd, Van Beaumont, Tijtsnipp. 14: 
Ghy Roel en Griet^ de wijl ghy bey 
Syt even aot end' even key, 
En hey hoe langer word hoe gecker. 
Van ons kei heeft hét beijersch dialect bij Schmel- 
ler das Kei treiben voor (met iemand) den spot 
drijven. De groote Geleerde, met ons taalgebruik 
in dit opzicht onbekend, wist de spreekwijs niet 
te verklaren. 

Van Meren heeft men gesmeed ontloieren voor 
los of vrij worden; inMeulewels Misanthropos, 15: 

— nu bemerck 
lok dat d' ontschroefde eiel ontlotert van 't ge- 
voelen 
Der reden — 

£n van leuteren de samenst. leuterheenen ; Valen- 
tijn, V^Terken van Ovid. II. 347: Eindlijk komt de 
oude koude winter . al rillende en leuterbeenende 
aandrentelen, — En het vlaamsche lutterspeekt, 
los van sporten ; De Bo, Ged. 133: een lutterspeek^ 
ten stoel. 

Voor leuteren, in den zin van onvast zijn in *t 
verstand enz. zeide men ook reutelen; zie dit w. 

Loteren*— Loten. 

Volgens HoeuflTt, Bred. Taaleig. is te Breda en in 
Zuidbrabant loteren in gebruik voor loten. Ook 
in andere gewesten heeft dit gebruik plaats ; althans 
in de Rotterd. Courant van 15 Sept. 1860 lees ik 
dat te Oudbeijerland koek loteren beteekent koek 
verloten. 

In den zin van lot, aandeel, leest men loting, 
H welk anders de daad van loten aanduidt, in de 
Levens van Plut. fol. 8 verso: van de welcke Amtt- 
lius als het aent deelen quam, twee lotinghen 
maeckte van alle hoer goederen, stellende voor den 
eenen het Coninckrijck, ende voor den anderen alle 
*tghereet qout ende silver. 

Louteren, zie Lauweren. 
Luohteren— Luohten. 

Dat luchten oulings bij ons gebruikt werd voor 
lichten^ d. i. licht geven, zie men op het woord. 
Het frequent, daarvan trof ik aan in het tooneel- 
stuk Margrietje (Amst. 1689), 23: 



Weligh nachje, donckert niet, 
Blinckt, Diana, luchtert henen, 
Leydt u dartele Margariet enz. 

Luiléren— Lubben 

Van luifet*en geefi De Bo een voorb. met den 
vorm luferen uit De Dene: 

Wellust tsvleeschs van den gheluferde gh^ioet. 
D. i. van den gelubde. Luferen, luiferen, is alzoo 
door eene verwisseling der lipconsonanten bet fre- 
quent, van lubben, castrare, neders. insgelijks /tf6- 
ben, eng. to lib. Lexers Handwörterb. heeft het 
middelhd. luppen in dezelfde bet. die de Schrijver 
evenwel niet schijnt te kennen. 

Kil. heeft het subst. loyffer voor ruin of gesneden 
paard; het w. lutfer m het vlaamsch (evenals 
lubber in het nederl. volgens Oudemans' Bijdrage) 
wordt bij toepassing gezegd van personen, die on- 
handig, lummelachtig of ondeugend zijn. Voor 
den booze leest men het w. bij Croon, Gocus Bo- 
nus, II. 205: 

Want wy moeten seker weten 

Dat de luyifer van de hél 
Ons aX dicmaels taerten V eten 
. Geeft met soeticheyt en spel. 
Van dit nw. heeft het vlaamsch bij De Bo het 
denominatieve ww. verluiferen, door luiferij be- 
driegen, verschalken. 

Luieren— Luijen. 

Het WW. luijen is thans verouderd Dus bij Hooft; 

Ged. fol. 63: 

De zon, om deez' lijdt ^sjaars is niet gewoon te 

luijen 
En fol. 78: 

Hel is 'er drang, en drok, en nergens ziet men 

luijen 

Coster, Isabella, 56: 

Op, op Jan Hen, op, lotU soume by daach du» 

legghetx luyen. 

Vandaar ook verluijen bij Poot, Ged. I. 173: 

Marre ik^ entlyk traeg gekeert. 

Nimmer zal mijn min verluien. 

Ook verloeijen ; Gonstth. Juw. 441 : 

*t Is ai verloreti wcU hem totten bedel gaet 

schicken^ 

Sy verloeyen, verleckeren groot metten cleene. 

De tegenwoordige, vooral gemeenzame taal zegt 

luijeren en verluijereti, die, ook vroeger, in den 

gewonen, zelfs in den dichterlijken stijl niet vreemd 

waren; Hooft, Ged. fol. 55: 

Elk onderzaat is op de wet gewent te luijeren. 

Bogaers, Grez. Dicbtw. II. 1 : 

Hij luijert nog in dons en deken. 

Brester, Verspr. en Nag. Ged. 199: 



365 



LülJEREN. 



366 



— Het liefst is ons 
Te luijren tusscheti dek en dons. 
Aid. 174: 7 werkvolk luijert. Statenbijbel, Rand- 
teek. op Spraucken 6, vs. 10: terwijle ghy u vast 
tot het slapen^ ende luyeren begeeft^ so sal de 
armoede u overvallen. Boet. a Bolswert, Duyfkens 
ende Willem. Pefgrimage, 47: Och Suster laet ons 
voort haesten, ende niet loyeren te komen tot onsen 
weet^igen liefhebber. Fokke, Boert. Reis, III. 38 : 
(hij) bleef nog wat in zijn stoel zitten luijeren, 
en ziet, h{j gercuikte zoo vast in slaap enz. Mevr. 
Bosboom Toussaint. De Delflsche Wonderdokter, 
III 233: als ik zoo wat luijerend heen en weer 
trmtteL 
De Decker, RymoefT. II. 302: 
Die H (gevnn) aen den disch noch in de veeren 
NoU heeft verluiert noch verbrast 
Bekker en Deken, Will. Loevend, II. 314: zynen 
tnng te verluijereo, zytt verstand te verkunsten. 
Elliot Boswel, In één Bandje, iOO: 

Vóór wordt steeds gepoetst en geschuijerd; 
En achter^ de dagen verluijerd. 
Dit verluijeren is ook onzijdig met de beteekenis 
▼an lui worden; S. van Hoogstraten. Den Eerl. Jon- 
geling, 15: 

De Hasewint en fiere Brak 

Verluyert in den haart^ 
Den Huyshont krijgt in ongemak, 
Ter jacht^ een Jagers aart. 
Minder gewoon is uiiluijeren; Fokke, Boert. Reis, 
III. 100: diU hij,., maar wat zou gaan liggen uit- 
luijeren, een klein uiltje vangen. — Niet minder 
luijaardeeren ; Van der Gruycen, De Spreeckw. van 
Sal. 477: 

— wie hier luyaerdeert, en nau eens sou verterden. 
{Vertereen is vertreden, den voet verzetten). 

Weil. leidt luijen en luijeren van het adj. lui 
jif, en niets schijnt ook meer voor de hand te lig- 
gen. Dan, daar de oorsprong van dit lui door 
hem zoomin als door anderen is aangewezen, geeft 
die afleiding geen volkomen licht aangaande de bet. 
^&c woorden. Als men bedenkt, dat de vormen 
modderen en todderen staan nevens muijeren en 
luijeren^ dan rijst het vermoeden dat luijeren één 
is met lodderen^ en het gebruik dezer woorden be- 
vestigt dit. De uitdrukkingen lop het bed liggen 
lodderen en luijeren" worden in denzelfden zin ge- 
bezigd, en dat luijeren somwijlen ook eene andere 
uitspraak heeft of had, blijkt uit loyeren, dat bo- 
ven voorkwam, en uit loeijeren bij Kil. in één der 
beteekenissen van todder^n voorkomende. Zie wij- 
ders op dit w. Ons woord lui is dan nauw verwant 
aan de primitiefvormen, die op Lodderen zijn aan- 



gevoerd. De vorm lei, dien Kil. naast lui stelt, 
verklaart het ww. leyem, leiem, dat veelduitsche 
tongvallen voor luijeren hebben ; Schmidt b. v. ver- 
klaart het door langzaam arbeiden, traag zijn. Zie 
ook Huppel, Von Schmid, Bemdt e. a. Schöpf 
heefl er van müszig herumleim, faut daherleim. 
Van dit leijeren is wellicht leiferen, volgens Oude- 
mans' Bijdrage voorkomende bij Van Vaemewijck, 
Hist. van Belgis, fol. 8i: Den Bedelaers en sal 
door tlant te leyfTeren niet toegelaten worden. — 
Outzen heeft loi, loay, het neders. lei, en het akensch 
lau, waarvan lauere, langzaam of traag zijn, blijk- 
baar naar ons luieren gevormd en gebrekkig weer- 
gegeven. Kehrein heeft lojem voor lui zijn, luije- 
ren, en het adj. luidt bij onzen Goofnhert^^oi/ en 
loey; Wercken, II. fol. 82 verso: Z\jn zy te loy 
onder heur Ckming Chryfto tp strijden. Fol. 134 
verso: heur loeye rust. 

Weil. geeft eenige samenstellingen met lui uit 
de volkstaal.' '1 Voeg' daarbij dat luibak voorkomt 
bij Berkhey, Nat. Hist. van Holland, III. 922: zti/- 
ken, die zig zelven door ledigheid tot Armoede ge- 
bragt hebben; hoedanige Luibakken hier bovenal 
in de hoogste veragting zyn. — Voorts dat luilak, 
in welks laatste lid ik een blooten uitgang zie, 
luilok heet bij Immerzeel, Voor Opgeruimden, 20: 

Drie maanden verder werd haar man... 

Een luilok, slemper en hoereerder. 
Eindelijk, dat voor luibuis ook luiwammes gezegd 
wordt; Spatsier, De Deserteur uit Kinderliefde, 43 : 
Dat kan een lompe Luiwammes wel! 

Luimeren'— Luimen. 

Weil. zegt: »Het voortdurend werkw. luimeren 
is, eigenlijk, langzamerhand de oogen vemaauwen, 
dikmaals het hoofd buigen, en dus zachtelijk in 
eenen ligten slaap vallen. Wij zetten er eene s 
voor, en zeggen, thands, sluimeren." Of al wat 
hier wordt aangevoerd, werkelijk in de bet. van 
luimeren ligt, zou ik niet durven verzekeren en het is 
ook niet gemakkelijk uit het gebruik op te maken; 
want Weil. voert van 't w. niet één voorbeeld aan, 
en ook ik moet bekennen, het bij geen onzer 
schrijvers te hebben aangetroffen en alleen uit Kil. 
te leeren kennen, die het gelijkstelt met sluime- 
ren. Weil. heeft zich dan ook bij zijne omschrij- 
ving slechts het beeld van een sluimerende voor- 
gesteld. 

Luimen, ofschoon nu verouderd, komt zooveel 
te meer voor. Vooreerat in de bet. van sluimeren 
of te bed liggen uit lust of luiheid, hetzelfde dus 
wat ook door lodderen en luijeren wordt aange- 
duid; Van de Venne, Wijsmal, 11: 



« h 



367 



LÜIMEREN 



368 



Ey! loet iek {aeyt hy) noch een lutje leggen 

luymen, 
Die niet te veel verlet^ hoe kan die veel ver- 

suymenf 
Rosseau, De helsche Kermis, 18: 

•^ hy heeft hem by me zooien 
Weder in het hooi vet^schoolen, 
Luimden, zonder kreuk, n4>g pyn^ 
Toi Aurora met haar strooien^ 
Vee, en menschen aam doet haaien. 
Van Elsland, Gesangen, 189: 

Een pypje doet ons luimen, 
In het hoekje van den haart. 
Alewijn, Beslikte Swaantje^ 61 : 

— 'kwaa daer zo zoet 
En mooy geraekt zo voat aen 't luimen. 
En droomde juist van rype pruimen. 
Verluimen is hetzelfde als verluijeren ; Van de 
Venne, Belacch. Werelt, 224: 

Laate we geen tijdt vern^ymen. 
Of verleuren, of verluymen. 
Inzonderheid is luimen bij het lodderen of luijeren 
een oog in Hzeil houden, op iets loeren; Vlaerd. 
Redenrijckb 162: 

Waer sal cT ongehoorsaemheyt dan Uggen luymen ? 
Houwaert, Lusthof der Maechden, L 67: 

Als hy fiaer haer plach ligghen te luymen 
Om haer te ontschaken, zoomen ghelooft. 
Van de Venne, a. w. 12: 

Datter mennigh Beurse-snyer 
tiluypt deur Vrijster, luymt detr Vryer. 
Aid 244: 

— wanneerje statigh pronckt^ 
En wanneerje mijn helonekt 
Set ick onder 't Moetje luime. 
GHt8, Wercken, L fol. 223: 

Ick weet soodanig volk sal eeuwig sitlen luymen, 
En maken dat de vróu wel haest sal moeten 

ruymen, 
Moons, Sed. Vermaeck-Tonneel 50: 

Als g^u te waepenen versuymt, 
Den vyant op u schade luymt 
Croon, Gocus Bonus, IL 265: 

(Hy) setit Spillioenen op de jacht. 
Om op de ziel te luymen. 
Camphuysen, Uitbr. der Ps 23<h 

^u ghy slechs op uw' lusten luymt. 
En stout verdertelt in uw' tnjymt 
David, Vad. Hist. IV. 230: hy luimde zelfs op de 
kroon van Engeland. — Beluimen is beloeren, be- 
lonken, Huyg. Korenbt. L 318: 
Soo doen mijn' liruyntjens oeck, mijn Wijfjens 

uyi het vooud: 



Besiet hoe vriendelick sy my staen en be\\ï^tmn'. 

Als seiden sy enz. 
Vandaar onheluimd; Willems' berijming van den 
Reinaert, 35: 

Eenzaam zittende^ onheluimd 
De boven voorkomende spreekwijs liggen luimeN 
is ook verwisseld met op zijn luimeti liggen ; Por- 
phyre en Cyprine, fol. 68: 

Al houd ick my wat stil, dinckt vry^ '^lich op 

mijn lui] men. 
Vondel, Noah, 12: 

Een^ onder schijn van dwaes^ kon op zijn lui- 
men leg^D, 

En naer regeering staen. wat valt 'er op te 

zeggen f 
Luimen is hier de onbep. wijs als zelfst. gebruikt ; 
den wortel des werkwoords gebruikt men op de- 
zelfde manier; Luiken, Bykorf des Gemoeds, 72: 
Terwvl de voeten slend'ren ningen^ 
Maar misgimst leide op zynen luim. 
Zoo zegt men ook op de loer liggen. Minder goed 
heeft men daarvan gemaakt op zijne luimen ^ waarbij 
men aan een ander subst denkt; A. van Halmael 
Jun. Mathilda en Struensee, 71 : 

Wanneer hij niet^ om des te strenger om te 

straffen... 

Op zijne luimen ligt — 
En dat men werkelijk zoo gedacht heeA, blijkt uil 
Brender è Brandis' Proeven van Geschied- en Let- 
terk. OefTeningen, waar hl. 309 de uitdr. hij ligi 
op zijne luim n onjuist wordt gezegd 9 van iemand, 
van welken men iets eigenaartigs verwacht," en 
wat het znw ' betreft, gelijkgesteld met hij heeft 
zijne luimen wan iemand, die tegen verwachting 
somtijds vrolijk is." 

Westerbaen heeft op zijn luipen liggen^ Ged. 
III. 717: 

Eerst quam van Inqen, die langh op sijn luy- 

pen lagh. 
Een subst. luip^ dat Weil. opnam, is mij niet voor- 
gekomen. Beluipen is hetzelfde als beluimen; 
Van de Venne, a. w. 104* 

Waarom quaarnie mijn bekruypen. 
En van nfter stil beluypen? 
Ook het Wdb des Inst. op Hooft, en Weil. (i v 
Luipen) kennen dit woord 

Gelijk het lioogd. laune, veranderlijk gemoed^^- 
gestel, bij ons tot luim werd (zie het volg. art.) 
heeft diezelfde taal \'oov luimen, dal hier is behan- 
deld, denzeltden vorm met n. B'j Schmeller is 
launcn^ launschen, met het frequent. launeln,s\9- 
perig zijn, sluimeren; bij denzelfde, Cimbr. Wtb. 
launeg^ zwak, treurig, launegen, bedroefd, neer- 



369 



LUIMEREN 



370 



slachtig zijn ; bij Von Schmid laumchen^ lundscfien, 
lawidlen^ lundlen, lui staan, zitten of zich neer- 
leggen; waarvan het eng. io lounge, bij Halliwelt 
to lundge^ lui ledigloopen; bij Höfer launelh^ slui- 
meren) launig, rustig, kalm, waarvan op het weder 
toegepast, niet koud of winderig. Dit laatste ver^ 
klaart lumig weder, tn de luinte, heluinen, zachter 
worden, vermeld in De Vrije Fries, IV. 341. 

Luimerên'— Luimen 

De Bc heeft verluimd en verluimerd, en noemt 
die als bijv. nwn. gebruikte verleden deelwoorden 
van het ongebruikte verluimenen verluimeren, d i. 
zijnen luim of lust op iets zetten, verlekkeien. 

Van den frequent, vorm zijn mij elders geen 
spenen voorgekomen, doch het prim. luimen ver- 
toont zich in het hoogd. Iau7ieii, bij Schmeller 
verdrietig zijn, bij Tiling en Richey Innen in kwa- 
den luim zijn, boos zien. In het nederl. zegt men : 
'joed of kwaad geluimd zijn. 

De wortel luim is van het hoogd. laune, mid- 
deJhd. lune, en het w. komt van het lat. luna, 
maan. Adelung vond die afleiding, cJoorFrisch en 
Ihre gegeven, gedwongen en zonderling; zij is ech- 
ter later door Grimm en anderen bevestigd ; zie 
Benecke Lune, namelijk, kreeg van maan de bet. 
van 'stand der maan, voorts veranderlijkheid, ge- 
lriks verandering, en eindelijk veranderlijke gemoeds- 
stemming. 

Van iemand, die in geen' goeden luim is, vind 
ik het w. uitluimig gebezigd door Oudemans, 
Wdb. op Bredere, 239: Bouwen, uitluimig zijnde, 
dat zijne vrouw van een dood kind bevallen was, 
noemt haar weersoordig 

Luisteren'— Luisohen . 

Kil. heeft twee primitiefvormen vanons werkw. 
tuigteren in den zin van met aandacht hooren; 
vooreerst lozen in dezelfde bet., en ten andere lm- 
'>chen, in den zin van schuilen ook met bet doel 
om te beluisteren, en du? heimelijk luisteren, 
etymologisch zijn deze beide wn. één, zooals ook 
bet hoogd. lauschen zoowel luisteren als schuilen 
in zich vereenigt; doch luiachen stemt in wortel- 
klank met luisteren overeen, en komt — wat zoo- 
ver ik weet met lozen H geval niet is — bij onze 
schrijvers voor. In 't middelned. namelijk ontmoet 
raen luusschen meermalen, zooals prof. De Viies 
been aangetoond in mijn Archief, II. 127 en volgg. 
Bij de daar gegeven voorbeelden voeg ik de vol- 
gende; Maerl. Sp. Hist. III. 26ó: 

Donstaen peinsde in sinen zin, 

Daermoenx gepeins luuste m; 

Der magtden zone enz. 



Aid. D II. 51 (naar de variant): 

Die wart recht te rade aldus. 
Dal hi selve luseben soude 
Buten det* vesten in enen woude 
Daer hu daer si waren geleghen. 
Blommaert, Oudvl. Ged III. 97: 

In wat manieren datmen de sonden 
Bekinnen sal, die men doet dicke, 
Ende elc soude op haren siicke 
Gheset ende op haren groet. 
Hoe datter in mach luschen quaet. 
Maerl. Alexanders Geesten, II. 139: 

Die wondere^ die in woude luschen. 
Van het oud- en middelhd. losen, dat steeds den 
zin had van ons luisteren, zie men tal van pil. bij 
Graff, IV. 1102en,volgg. en benecke. Het vertoont 
zich nog in verschillende hoogd. dialecten, zooals 
bij Schmeller, Stalder, Tobler, Von Schmid, Schmidt 
en SchÖpf is te zien. Lexer heeft lous'n, Schmel- 
ler lusen en Von Schmid belausen. De t, die zich 
in ons luisteren voordoet, trett men mede aan in 
het angels, hlgslan^ oudn. hlusta en het eng. to 
listen. Bij Haliiwell is lihtlq rad in 't hooren, en 
bij Bee listefier het ooi' 

Ons luisteren is bij Schmeller, Schmidt, Kebrein 
en SchÖpf laustem ; bij Schmeller, Stalder. Richey, 
Schambach en elders lustem, liistem. Andere 
frequentatiefvormen zijn lösseln bij Stalder en 
Tobler; lauseln bij Von Schmid ; lusenen bij 
Schmeller; en laue^m (nederl loefden) bij Kebrein. 
Zie voorts nog verschillende andere vormen bij 
Diefenbach, II .j67, en eene juiste afleiding van 
luisteren bij onzen Ypeij, Gesch. d. Ned. Taal, II. 264. 
Diefenbach merkt t a p. te recht^ op, dat het 
nieuwnederl. en het zwitsersch luistereti niet al- 
leen bezigen voor aandachtig hooren ; maar ook 
voor inblazen, raunen, middelned. runfri ; zie voor 
het zwitsersch Staldei', Il 187. Ons gebruik te 
dezen aarizien moge uit de volgende pil. blijken ; 
Vondel, Poêzy, I. 148: 

— eèn geest my luistert in mijne ooren 
Dat d' eerste Zeeman is van H schuim der zee 

geboren. 
Aid. 700: 

— een galm van 't heyligh ket*kgewelf 
iSchijnt hem, alleen en stil, te luisteren in 

d'ooren; enz. 
Dez. Zungchin, 14: 

Wie kan verneemen u)al men haer in d'ooren luistert. 
Coster, De Rijcke Man, 28: 

Komt loet ick u myn naem eens luystren in u oor. 
Van Effen, Holl. Spectator, II. 480: neemt een zyner 
vrienden de vryheid van hem in H oor te luisteren. 



371 



LUISTEREN. 



372 



Bij verkoping werd deze uitdrukking inluisteren; 
Goster, Polyxena, 27: 

Ghy luysiert het hem in, dat niemant het en 

mercke. 
Vondel, Elektra, 51 : 
*T zal goed zijn^ dat men hem inluister deze 

maeren, 
Dez. Altaergeh. 10: 

lek smaeck vet^geefs^ en kan noch niet verstaen 

Wat *« hemels tclck den stammen in «nV lujsteren. 
Dez. Virgil Wercken, 11: 

O winden, luistert hier de Goden tel oan in. 
Krispijn, Barbier enz. (Amst. 1729), 53: 

— Wat leg je malkaar daar in te luisteren? 

Jy moet spreekèn, dat ik het hoor en kan y o ik 

hou niet van dat fluisteren. 
Ockerse, Lijkrede aan het graf van Nap. 32: alles, 
wat liefde of haat mij overdrevens zouden kunnen 
inluisteren. — Op gelijke wijze vindt men toeluiste' 
ren gebezigd; Sprankhuisen, Geestel. Triumphe, 
48 : de welcke (Apostel) nae een breed verhael van 
de Vaderen des ouden Testaments.,. hoer dit troos- 
telijcke besluyt soetgens in de ooren toeluystert: 
Godt en heeft enz. Vondel, Adonias, 25: 

Wat hy u fieimelijck toeluislerde in uwe ooren. 
Doch ook wel luisteren zonder voorzetsel; 6. Brandt, 
Poëzy, m. 37: 

De Kuisheit tradt voor aan, en luisterde aan de 

Bruü 

De plichten die de schaamte in nacht gordynen 

sluit, 
P. Moens, Joh. van Oldenb. 316: 

Het {geestendom) luistert zachte kalmte in H 

moêgefolterd hart. 

Men kan vragen, of dit gebruik taalkundig goed 
zij. De eerste bet. van ons luisteren en van zijn 
prim. het oude losen^ pleit tegen die van fluiste- 
ren; terwijl dit w. daarentegen door zijn voorop- 
gaande lipletter bij uitnemendheid geschikt is om 
het inblazen van woorden aan een ander aan te 
duiden. Huydecoper, Proeve, IL 7, verkiest dan 
ook fluisteren boven het in 't oor luisteren 
van Vondel. Zijn aanteekenaar, Van Lelyveld, 
schijnt in die voorkeur niet te deelen; doch 
Bilderdijk, Korte Aanm. 51, keurt Vondels uit- 
drukking sterk af met de opmerking: ^Luisteren 
is naar een geluid aandachtelijk hooren; maar 
fluisteren drukt de inblazing van H mommelend ge- 
luid des sprekers in H oor des hoorders uit ; en de 
fl heeft er de zelfde kracht als de vl in vloeien, 
vlage, oi fl in 't Lat. fluere enz" Intusschen, al 
gaat men niet zoo ver als Weil. die, bij zijne be- 
handeling van 't woord, van de bedrijvende bet. 



van luisteren uitgaat, als ware deze de eerste en 
eigenlijke; moet toch erkend worden, dat de aflei- 
ding van 't gen. ww. niet zoo bepaald en uitslui- 
tend de bet. van aandachtig hooren medebrengt 
In 't hoogd. lauschen zoowel als in 't nederl. lu- 
échen ligt als hoofdbeteekenis een heimelijke toe- 
leg, doch die zich op verachillende wijze openbaart, 
hetzij door aandachtig of heimelijk toe te hooren, 
hetzij door zich te verschuilen, op de leer te liggen, 
zacht aan te sluipen en derg. Mij dunkt, de op- 
vatting van zachtkens iemand iets in 'toor tebla-^ 
zen is daarmede niet in strijd, en eenmaal in zwang 
gekomen, behoeft zij nietje worden gewraakt; al 
moge men overigens, om den wil van de duidelijk- 
heid en van de eigenaardige vorming van luisteren 
en fluisteren, hei wenschelijk achten, dat men bet 
eene niet voor het andere gebruike. 

Bedenkelijker is het goed te keuren, dat schrij- 
vers der 17e eeuw het onzijdige luisteren bedrij- 
vend bezigen; zie de pi. uit Hooft in mijn Ardiief, 

I. 222; doch zoo ook Heyns, Bartas' Wercken, 

II. I. 68: 

Simon u broeder is wijs, dien luystert als een 
^ Vader. 

Vondel, Bespiegelingen, 38: 

— daer wort geen ziel verduistert 

Door ^slichaems damp, en wolk. daer spreekt ze 

God, en luistert 

Geheimenissen van natuure nooit verstaen. 
Wij hebben in bedrijvenden zin beluisterenj anders 
afluisteren; Meerman, Gom. Vet. 131: moer de 
woorden uyt sijn motidt afgheluystert rcerdenm — 
En Jonctijs onderluisteren, Tooneel der Jal. II. 333: 
die zoo lang van huis loopt, dient niet te naau 
zijns wijfs lusten t' onderluisteren. 

Mijn Taalk. Mag. I. 317, vermeldt als geldersch 
dialect het ww. luisteren in de uitdrukking het 
waer steet te luustertn, als het noch vriest, noch 
dooit. Dit zal op te vatten zijn »zich in 't onzekere 
schuil of stil houden," om te zien naar wat sijde 
het weder zal overslaan. 

Er bestaat nog een ander fig. gebruik van luis' 
teren, dat Weil onvermeld laat, namelijk in den 
zin van scherp aankomen; dat luistert nauw zegt 
men van zaken of voorwerpen, die juist aan of in 
elkander moeten passen en niet de minste afwij- 
king in vorm of uitgebreidheid kunnen toelaten, 
b. V. de sleutel in het werk van een slot. Zoo 
leest men bij Fokke, Verzam. der Werken, XIL 24: 
wij moeten die (tranen) zoo voorzigiig uit de groote 
flesschen laten druipen... even of men druppeltjes 
medicijnen vnl innemeti, en nog Inisteil hel veel 
nauwkeuriger. — Hiertoe behoort de samenstelling, 



373 



LUISTEREN 



374 



in Vlaerdings Redenrijckberg, 96: 

Hout het Schip uyt de ly^ 

Wiau nau luysterich roer u handen weri bevolen. 

Bij de samenstellingen, door Weil. op dit w. ver- 
meld, is te voegen luisterseharden, waarvan zie op 
ikherdden. Van het ww. luiateroinken traf ik 
een voorbeeld aan bij Grous, Josephs Droev' en 
Bly-einde Spel, L 'ii : 

'k Sie ginds hcuir... 

Staan luistervinken en te knikken mee de kop. 

Luisteren*— Luaen. 

Ons WW. luisteren, bij Kil. ook lustèreny in den 
lin van blinken, glanzen, schijnt wel eene overne- 
ming van het lat. luslrare; doch het w. heeft in 
de duitsche talen verwanten genoeg, om op zich 
zelve te staan, of liever die verwanten zijn met de 
latijnsche en romaansche vormen van eene gemeen- 
schappelijke familie. Diefenbach merkt op, dat 
bij luisteren de bet. zoowel betrekking heeft op 
het zintuig des gezichte als op dat des gehoors, en 
(Ut daardoor b. v. het friesche lOstem voor mon- 
steren door Outzen met het lat. lustrare gelijkge- 
steld is. Daaruit zou volgen, dat van ons tweede 
luisteren het primitief ffelqk is met dat van het 
eerste, en ook Bild. Verkl. Geslachtl. II. 200, schijnt 
dit in te zien, hoewel zijne voorstelling aldaar wat 
verward is; doch in den diepsten grond moge dit 
waar zijn : gelijk de beteeken issen, zoo hebben zich 
ook de vormen, die ze uitdrukken, van elkander 
onderscheiden, en van dit luisteren laat zich zoo- 
wel als van het vorige, den oorspronkelijken vorm 
aanwijzen. Het blijkt al dadelijk verwant aan het 
nederl. glijstercft (zie dit w.), en het prim. ver- 
toont zich dus in glijzenj raiddelhd. glizen, d. i. 
ge-lizen. Daarmede komt overeen het oudnoordsch 
lysa, lichten, bretonsch luicha, lucha, lichten, blin- 
ken, lat. lucere, en andere vormen, zie Diefenbach, 
II. 147 en 148. AJs nederlandsch primitief geef 
ik derhalve luzen^ dat met invoeging der t luus' 
teren of htstereré en voorts luisteren geeft. 

IHt fi'equent voor blinken is wat verouderd. 
Men leest het in Vlaerd. Redenrijckb. 239: 

Daer is een Koninck noch die onsen glants ver- 

duystert. 

En een bepeerlden staf die herelicker luystert. 
Vondel, Poèiy, II. 615: 

— * cMerklaerst ten toon 
De gouden zanne luistert. 
Dez. Pascha, 56: 

— wanneer de Sonne luysteii, 
't Manen-zilver werf verduystert. 
Zie wijdens Uuydec. Proeve, II. 538. Ontluisteren 



komt wederkeerig voor bij Vondel, Poëzy,' II. 623 : 
De blaeuwe hemel zich ontluistert al meteenen. 
en het anders gewone bedrijvende opluisterden on- 
zijdig bij Beets, Cam. Obsc. (5e druk), 52: zijne 
grijze oogen luisterden eerst op, — Met opluisteren 
komt in bet overeen doorluistet*en^ dat mij voor- 
kwam in den Nederd. Helicon, 113: een soo uytet^ 
maten schoone Kercke, dat al konde men eene ma- 
ken van 'talderlouterste gout, endfi die doorluys- 
teren met d* alderdierbaerste edelghesteenten, enz. 
— Omluisteren, dat ik bij Weil. mis, heeft Beefoo, 
Toon- en Mengelp. 21: 

Een edle majesteit omluistert al z^jn daan. 
Uit de verwante dialecten zijn hier te vermel- 
den de frequentt. HMtem, uplüstem, in het Bram. 
Nied. Wtb. en bij Danneil opsieren ; en^au^eran, 
bij Schambach opvlammen. 

Lokkeren— Lokken 

Volgens Epkema, op Japicx, 281, wordt het fre- 
quent, lukkeren in Noordholland nog vaak gehoord 
voor telkens verlangen, hunkeran, trek hebben; 
van het friesche luwcken, dat ond. and. almede be- 
teeken t ttrak hebben naar iets, verlangen, begee- 
ren." Dit luwcken nu büsantwoordt aan het neders. 
luken, trekken, hij het haar brj voorb., nederl. io/^ 
ken, dat eig. een trekken of aantrekken is. In het 
zwabisch is lückem, verliickem, een heimelijk voor- 
nemen ontdekken, ablückem, atiüückem, een ge- 
heim uitlokken. Het hoogd. lockem, ahlockem, is 
aftroggelen, bij Schambach luckem. 

LunderenS zie Lenteren. 
Lunderen*— Luiden. 

Lunderen, ook londeren, is in De Bo*s Idiot. 
weerklinken, weergalmen, zooals het gehuil van 
wilde dieren of donderslagen in de bosschen, en 
wordt aldaar genoemd een fi*equentatief van lui- 
den, met de ingeschovene n, van welke inschui- 
ving aldaar gehandeld wordt bl 7:24 en 725. De 
Schr. bezigt het w. zelf in zijne Ged. 29: 

Het lunderend gebrom van den triomfklokdonder. 
£n bl. 49: gelunder Van f eestklaroenen, — Ik weet 
ook geen ander primitief aan te wijzen, maar meen 
ter bevestiging van de gegevene verklaring te kun- 
nen aanvoeren, dat in verwante vormen van het 
WW. luideft zelf de n wordt aangetroffen, t. w. in 
het angelsaksisch. Van hlyd, geluid, klank, heeft 
die taal het ww. hlydan, hlydnian, hlynati, hlyn- 
sian, klinken, galmen, enz. Volgens Diefenbach, 
II. 567, zegt het oudnoordsch als subst. hlunkr, 
weergalm, en hlunka, weergalmen, hol klinken. 

Lunteren, zie Lenteren. 
Lusteren, zie Luisteren*. 



375 



MADDFiREN 



376 



Madderen— Hadden 

Volgens De Navorscher van 1^71, nMO, bl. 532, 
is madderen in Noordholland vtobben, sukkelen, 
met alle inspanning aan iets of ter bereiking van 
tets werken, zonder het doel te naderen." Het 
prirait. daarvan, maddoi^ heeft Dahnert, die dit 
verklaatl door «onhandig te werk gaan," en de 
afleidingen madderig en madderij heeft voor on- 
handig, ongeschikte handeling. De bet. van het 
frequent, wordt in andere dialecten gewijzigd; bij 
Huppel maddern^ zich bezighouden, vooral roet 
smerige zaken; bij Danneil in water of modder 
woelen; bij Vilmar waddeln^ smerig maken; bij 
Von Klein maddem, eene zaak bederven door te 
veel aanraken ; bij Fulda spijs met handen aanra- 
ken on zich daarmede bezoedelen; bij Danneil 
maddeln^ jonge vogels of ook vleesch door te veel 
behandelen bederven ; bij Schambach niaddplny 
maddem, dikwijls dieren betasten, pijnigen, marte- 
len; bij Ri'hey maddeln^ pijnigen, kwellen. — 
Deze laats'te bet. doet door sommigen der genoem- 
den het w. beschouwen als vei*basterd uit martem^ 
martelen. Deze bet intusschen schijnt overdrach- 
tig en afgeleid nit die, welke Dahnert aan madden 
toekent. 

Mangeren— Mangen. 

Kil. en Ten Ka te, II. 071, hebben mangeren voor 
ruiten, handelen, hetzelfde woord derhalve met 
Ma//öre/éf«*, zie dit woord. De r vertoont zich mede 
in het middelhoogd manger, handelaar, waarvan 
nog bij Von Schmid /leischmanger^ vleeschhande- 
laar, hühnermenge}\ fischmenger enz. In de Wer- 
ken van Rabelais, II. iCK^, leest men van een' kleer- 
maker, die al zijne stoffen voi'sneden had, dat h.j: 
wierd ver weegen door 't Gerecht om alle die ver* 
sfieeden stoffen aan aijn mengers weder te betaa- 
len Het ooi*spronkelijke heeft hier: ckalans. — 
Bekend is het eng. monger^ thans alleen in samen- 
stellingen (cheesemonger. ironmonger enz.) gebe- 
zigd, doch bij Halliwell afzonderlijk voorkomende 
voor koopman of handelaar, alsmede voor een 
klein handelsvaartuig. 

Kil. acht mangereti het eigenlijke woord, waar- 
voorom de euphonie mangeleti gezegd is. Clarisse 
verklaart de reden hiervan niet te bevatten; zie 
Brender k Brandis' Mag. IV. 91. 'k Vermoed, dat 
Kil. daarbij zal gedacht hebben aan de vormen met 
r in de verwante talen. 

Maskeren— Maskeu 

Maaken, dat overeenkomt met het fr masquer, 
eng. to mask, komt bij ons voor in de afleidingen 
ontmasken en vermasketi^ in denzelfden zin gebe- 



zigd als het gewone ofitmaskeren en vermaêkeren. 
Dus 't Banket der Ghoden, (i^: de Mommers'tspd 
te grabbel ziende^ ghingen zich ODtmasken, om 
hoofdt voor hoof dt te spreken. Rodenburgh, Poëet. 
Borst weringh, 426: 

Vermomt, vermaskt zv spelen schuyU'Vinkxken 

schuyl 
Over den oorsprong dezes woords is zeer uitvoe- 
rig Schelers Dict. Etymol. 

Ook het subst. mask voor masker, fr. masqué^ 
eng. mask, komt bij ons voor; Hoof^ Ned. Hist. fo). 
709 : verduistren van den eighendoom der waaren^ 
onder masken van looze namen, Fab. Vert. en 
Leerd. (Haag, 1805), bl. 91: 

Geen kleed kan onse schande dekken. 

Maar in dit leven sLegts verstrekken. 
Als maske op, ^taardsche schouwtoneel. 

Voor ontmaskeren heeft Hooft ontmasschereft, 
Henr. de Groote, fol. 30: Margarine, Henrix ge- 
mcMlin, verhaalt, dat zy .. met hare staatdochten. 
zonder die V ontmasscheren, eetien van de gevange- 
nen wel behendelijk in vrouwengewcuuU hadde we- 
ten uit te helpen, — De zonderlinge spelling schijnt 
in verband te staan met den vorm masche, dien 
Kil. voor mascke Iheeft, op grond van de door 
hem aangenomen verwantschap of identiteit van 
mask of masker met maas (van een net), als zijnde 
masker eig. iemand, die zich onder een net ver- 
bergt, anders bij hem een nethoeve, netrabbaudf 
bij Ypeij en Dermout, Gresch. der Ned. Herv. Kerk, 
I. Aantt. 61, verklaard door teen nachtlooper, die 
een net over het hoofd had hangen, om door de 
masken (lees mazen; masken is neders. of deenscb) 
of gaten te kunnen zien, maar zelf van anderen 
niet gezien, ten minste niet gekend te kunnen wor- 
den." Over deze en andere afleidingen van masker 
is breedvoerig gehandeld door Diez, 1. 268, en 
Scbelei-, i. v. Het Wdb. des Inst. op Hooft ver- 
klaart ontmasscheren door ontmaskeren^ met ver- 
wijzing nuar Masche^ en op Masche vindt men dit 
verklaard door »vlek." Dit geeft niet veel licht. 

Masscheren— Massohen. 

Beiden bij Kil. voor bevlekken, bezoedelen. Mas- 
sdieren is ook masschelen, zie derhalve de verdere 
verklaring op dit woord. Bemasschereny door Kil. 
mede in denzelfden zin opgegeven en door Van 
Hasselt nader gestaafd, komt reeds voor in de Reis 
van Sinte Brandane, BlomroaertsOudvl. Ged. II. U: 
J^ec' hadden hem die helsche vianden 
Ghewreven an lijf ende an baert; 
Die huut loas hem ter voert 
Swart bemasschert ende berompeit. 



377 



MASSCHEREN. 



378 



Das ook Van der Cru y een. De Spreeckw. van Sa- 
lomo, 409: 
is>o siaen op lof en eet\ dat ky het noyt vergheeft, 
Ah iemant fiem misschien sijn eet* bemasschei't 

heeft. 
De Harduyn, Goddel. Wenschen. 202: ó vuyle 
tfleckeny tvaer toe zijl ghyliedeti soo lanyhen tijdt 
beiuaschi*ende mijn aenschijn? 

Hasurkeren— Mazurken. 

In De Gids van 1857, D. 11. 435, leest men : zette 
zich een Napolitaansche uitgewekene aan de piano 
en ging aan het mazurkeren en polkeren. — Dit 
wvf. moet beschouwd worden als een frequent, van 
tmzurkeny d. i. de poolsche dansmuziek uitvoeren, 
bekend onder den naam van mazurka fransch 
masurk, masourka. Een fr. masurker vond ik nog 
niet. Verg. Polkeren 

Meerderen— Meeren . 

Gelijk de telwoorden meer en meerder alleen in 
zooverre verschillen, dat het laatste nadrukkelijker 
is dan het eerste, zooals trouwens de vorm van den 
vergrootenden trap meebrengt, kan het ww. meer- 
deren geacht worden sterker in bet. te zijn dan 
meeren. Van dit laatste zie men in het Wdb des 
Inst. een paar voorbeelden uit Hooft. 

Van Hasselt geeft op Kil. en Oudemans i^i zijne 
Bijdrage eenige voorbb. van het ww meerren voor 
meerderen : ik moet echter doen opmerken, dat dit 
meetTen niet geli^jkstaat met meeren, maar, naar 't 
gebruik onzer Ouden, geschreven werd voor mee- 
I-eren^ 't welk dus met Invoeging der d \ zelfde is 
als ons meerderen. Zoo leest men — om slechts 
de^e één e plaats aan te voeren — Passion ael, Win- 
terstuck, fol. 160: Om vier saken (d. i. oorzaken 
of redenen) hootscaple die engel maria dat sin te 
etizabeth een kint droech. Die eerste is om die 
Uiseup te meerren. — Men zeide ook in hetzelfde 
tijdperk reeds onverschillig ver meeren en vermeer- 
deren; Vaderb. fol. 34: op dat si sinen name niet 
en souden vermeerderen... doe riep dye duvel al- 
tijt meer ende meet* etide vermeerde beide sijn 
name ende sijn lant, — Anders pleegt ver meeren 
in gebonden stijl gebruikt te worden, en in proza 
als bij uitzondering, b. v. Goornhert, Wercken, I. 
fol. 211: soo dat met het vermeeren mijnre jaren^ 
mijn zonden vermeerden. Vondel, Ovid. Heidinnebr. 
bl: de vrees zelf \ermeerde de liefde. Hooft, Ned 
HisL fol. 805: driehonclert dienaars vermeerden de 
sleep, — Zoo ook vermeetnng; Goornhert, a. w. 
lol. 9: tot haar verderven ende sermeev'm^he fiaars 
oerdoemelijct. wroeghen. 

Minder uit zucht tot regelmatigheid, dan wel uit 



de gewoonte om achter de r een e s in te voegen, 
schrijft De Harduyn meerste voor meeste, Uitgel. 
Dichtst. 105: 
Alt ijl hun meerste vreught was die. hun meerst 

beswaerde. 
De Vlamingen schoven die s ook in de wwn wee- 
ren en vermeeren ; Janssen en Van Dale, Bijdragen, 
VT. lOS: alle dese vors cueren ende ordonnantiën 
zullen staen te minderne ende te meersene bi sce- 
penen van Brugghe. Aid .\^9: altoos' behouden det* 
eerlicheyl van scepenen dal te moghen minderen 
ende meersen. Belg. Mus. Vil. 204: alle de voor- 
noemde pointen ende artijclet^ meughen dckin ende 
officiers., vermeei'sen ofte verminderen, Despar.":, 
Gronijcke van Vlaend. IV. 19: blijtscepe,.. welcke 
bovendien noch veraugmenteerde ende vermeer^de, 
deufxlieti enz. 

Mekeren, zie Mekkeren- 
Mekkeren— Mekken. 

In het Tijdschrift De Nederl. Taal, III. 37, ves- 
tigt de hr. Buser de aandai-ht op eene staalverrrj- 
king," bestaande in de overneming van het hoogd. 
meckern door een onzer dichters, in den Alm. v. 
h. Schoone en Goede, 1855, bl. 107- 

^t Geitjen mekkert onder 't afdak 
Achter Harmlijk woonvertrek. 
'k Moet intu-sschen doen opmerken, dat die over 
neming reeds in de vorige eeuw was geschied door 
Berkhey, Eerbare Proefkusjes, 243: Het teder Lam 
en 't mekkrend Ooi. Aid. 345: gehjk een teder 
Lam al mekkerende de stemme der zooglievende 
Oojen erkent- — En dat ook prof. Lulofs in de 
eerste uitgave (1823) zijner Nederl. Spraakkunst, 
346, mekeren opnam als in onze taal een dierlijk 
geluid nabootsende. Daarna sprak dezelfde Ge- 
leerde in zijn Reistogtje naar Hamburg, I. 323, 
van het ^mekeren van geiten en schapen." 

Het primit. mekken gebruikte Berkhey, Nat. His- 
torie van Holland, IV ii. 1.'>9: het mekken der 
geiten. Bijzonderh. der Voi'sten (Vertellingen, D. 
II.) 20: 

Van 't poesje maeuwy 't gekrol en 't snorren; 
Het mekken van het scfiaepje blae. 
Adelung kende den primitiefvorm niet; in het na 
diens dood uitgekomen Idiotikon van Stalder komt 
hij voor, onder den vorm van meken, meeggen, 
daarna bij ^chöpf meggen. Dit meken en meeggen 
bewijst dat de lange e in de spelling bij Lulofs 
niet zonder allen grond is. Bij overdracht is me- 
keren bij Schi*öer en g'mékeln, gmékern, bij Schmel- 
ler lagchen ; meckern bij Von Schmid weenen, wee* 
klagen, en meckeln bij denz. als een bok of geil 



379 



MEKKEREN. 



380 



rieken. Andere afgeleide wwn. zi^nmdggden^nid' 
kelen^ bij Stalder; mékezen^ gmékezen^ bij Sch meiier; 
en meggez'n bij Schöpf voor geluid maken, van 
dieren en menschen gezegd. 

Metteren— Meten. 

De Bo heeft metteren voor »beramen, gedurig 
bezig zijn met iets te overleggen, zijn vernuft in- 
spannen om een geheim te kennen, eene moeije- 
I ijkheid te overwinnen." — Als primitief stel ik het 
gewone nederl. meten^ vooreerst om het overeen- 
komstige in de bet. van dit w. en die van beramen. 
Voorts omdat, volgens De Bo, de uitspraak van het 
frequent, ook mèteren is, overeenkomende dus m'^t 
die van het fransche mètre^ nederl. meter. Ook 
de engelsche volkstaal zegt voor to mete^ meten, 
kortaf to met^ zie Halliweli. — Het verdient wellicht 
mede opmerking, dat de taal van Wales en Gom- 
wallis voor meten meer dan één frequent, vorm 
bezit, t. w. meidroy maat, regel, of grens van iets 
bepalen; madra^ iets in overweging nemen, zich 
op iets toeleggen; mec/ra, beschouwen, enz. in welke 
beteekenissen evenzeer eene uitbreiding van die van 
meten wordt aangetroffen als bij het vlaamsche 
metteren; zie Diefenbach, II. 78. 

Mjj meren — Mij men. 

Dit w. is van duisteren oorsprong. Het schijnt 
bij ons in de eerste helft der zeventiende eeuw in 
zwang gekomen te zijn, voor zwaarmoedig of in- 
getrokken peinzen, ook suffen, dutten, raaskallen. 
Het Brem. N ieders. Wtb. heeft mimern en ver- 
klaart dat door »verward in 't hoofd zijn, verward 
denken en spreken, en diep over eenige ramp na< 
denken." Richey denkt daarbij aan het ijlen van 
den kranke. Strodtmann verklaart het door diep 
in gedachten gaan. De hoogl. David geeft als bet. 
op »in stilte over iets nadenken, op iets droomen; 
zie Nederl. Ged. door prof. Willems uitgeg. 274. 

Dat in de vermelde beteekenissen mijmeren bij 
de nederl. schrijvers steeds voorkomt, kan door 
eenige voorbeelden uit vroegereu en lateren tijd 
blijken. Het oudste mij bekend is ontleend aan 
Despars, Gron van Vlaend. II. 361 : daer viel di- 
verwhe goede lieden van eeren buytermaten diver- 
scheUck of spraken^ murmureerden ende mymer- 
den, niet zonder groote jalousie. D. i. op ontevre- 
den wijze peinsden. Krul, Pamp. Wereld, I. 28Ö: 

Zy suft waer dat zy gaet^ zy mijmerd in de zinnen. 
Dez. Ueleua, 4: 

lek myraer daer ick stae, dwael selver in mijn reen, 
J. 6. Tengnagel, Verwoestingh der St. Naerden,5: 

En vreest niet voor ^txs tijdt; want vrees doet 

mijm'rent quijnen. 



Nomsz, Soliman, 17: 

Hoor toe^ mynheer! gy schynt te mymren, of te 

slapen! 
Riemsnijder, Proeven van Dichtl. Kleinigh. 15: 

— raymerend gedroom van sterk verhitte kranken 
Bekker en Deken, Ad. en Theod. II. dGS: Hy is 
droefgeestig; en als men van de Hertogin spreekt, 
dan mymert en zucht hy. Lublink, Tbomsons 
Jaarg. 61: Wanneer hy vervolgens op het ledikant 
zich mymerende nederwerpt^ dan ontvliedt de slaap 
zyn hoofdpeuluw. Fokke, Verzam. der Werken, 
IV. 142: hij lag den geheelen nacht.,, /e mijmeren, 
hoe hij het aanleggen zou. D. IX. 147: Tantalus .. 
lag cd den tijd... bij zich zelven te mijmeren en te 
malen, D. XII. 3: Ik... geraakte... welhaast cuin 
het mijmeren, en eindelijk aan het droomen. Lu- 
lofs, Louise, .199: Moet dan een geestelijk Heer 
zich altijd de hersenefi bt^ken en mijmeren ? Hal- 
bertsma. Het Geslacht der Van Harens, 113: iveet 
zij ook allertederal te mijmei^en, met een wijsgerig 
oogje in nacht en eeuwigheid op te blikken. Bil- 
derdijk. Brieven, IV. 241 : eenig ijlhoofdig mijme- 
ren. BI. 321 : dit woelig mijmeren der ontstelde 
hersenen. Dez. Affodillen, 1. 13: ik zuyoegeen hij ge 
in mijmerende lust. David, Vaderl. Hist. UI. 584: 
vond hy geraden hem op te sluiten^ en liet hem 
inderdaed een jaer mymeren in het slot Ten 
Kate, Dichtw. V. 107: 

Daar zat ik neer en mijmerde en daar niel 
Een sluimring op mijn oogtn — 
Aid. 229: 

— Zij ook, zij minde in H dwalen 
En mijmeren in de eenzaamheid. — 
Dezelfde dichter heeft de beheersching mei tMin; 
Aid. II. 165: 

Nooit mijmert hij weer van zijn lentébegin. 
Oudemans in zijn Wdb. op Bredere, 504, wijst op 
het transitief gebruik van mijmeren. Dat komt 
ook elders voor; Bekker, Bet. Weereld, III. 64: 

hooit iet so sottelyk gemymerd en gedrootneL, 

Of 't dwase Jodendom verkoopt het onbe- 
schroomd. 
Bilderdijk, Na vonk II. 106: 

Werd dan de wareld kindsch, en mijmert ze in 

heur grijsheid. 

Dat onverstand en waan en onbedrevenheui 

In alles wetten geeft? — 
Loots, Nieuwe Ged. 60: 

— zij kust^ kust andermaal 

Het kind, en legt het neer, en mijmert deze 

tatü: ene. 
In het Orangien Lelyhuf vind ik mimmeren ge* 
speld, 43: 



38i 



MIJMEREN. 



'382 



Al sprctckmen hem veel goets j hy vreesde val- 

schen waen^ 
Hy heeft gesticht^ gesteente geroimmeri, of ge- 

kneutert. 
Dat zal zijn : zwaarmoedig gepeinsd. Zoo ook .in 
Van der Veens Zinneb. 228: 

Hoe venoaerloost hy sijn iijdi 

Ueaen Dichter, desen dutter; 

Waer Uniei beteVy waer 't niet nutter^ 

Dat hy in de vysel stiet?,.. 

Voor dit schrijven^ voor dit mimm*iien, 

Sou hy Peperhuysen ttntm'ren, 

JDat vxier seker wel soo goet. 
1d Van Manders Bethlehem, 34, leest men het fre- 
quent, met len: 

Siaep^ die uyt t* hooft veel mijmelens verdrijf 
waar de bet. almede lastig en zwaar peinzen is. — 
Adelung gewaagt, III. 307, van een hulL w. mijmer, 
donker, 't welk mij onbekend is; alleen vind ik in 
Brender è Brandis' Kabinet, III 14, dat Garpentier 
aan Mimus het vermogen tofdschrijfl van »te ver- 
donkeren." 

De ^wortel van het w. ligt waarschijnlijk in het 
eng. ady. mtm, volgens Halliwell »gemaakt stil,' 
en volgens Brockett «gemaakt in manieran, vooral 
op vrouwen toegepast"; de eeistgemelde voegt daar 
met gelijken zin de allitereerende uitdrukking mtm- 
rniny primminy bij. Wright heeft ook nog een 
adj. tnimping (dat op een ww. mimp terugwijst) 
voor gemaakt sprekende of gaande. Grimm denkt 
aan eene verwantschap met het angels, minior, 
gemimoTy memoriter notus, mimerian, memoria to- 
nere (D. Myth. 1835, S. 222). En Diefenbach (II. 
29) aan het goth. fitaminjom, spotten, een spotach- 
tig gezicht zetten, waarmede overeenkomt het bei- 
jersche tnemmezen, memmelfi, herhaald bewegen 
der lippen, yacht spreken, ook een verdrietig ge- 
zicht zetten. 

Onze Hooft bezigt het ww. hemijmeren, Ned. 
Hist. foL 473: De eenzaamheit der pUuttse, 'tbe- 
mjmeren haars ongevcUe, haarde de jongste mis- 
trooetigheü. D. i. het somber bepeinzen. — In de 
aant. op deze pi. (uitg. van Siegenbeek, c. s ) III. 
40ÖI, wordt herinnerd, dat in de noordsche mytho- 
Icgie Mimers bron in den staat der afgescheiden- 
heid de bron is van nadenken en gejammer. 
't Kmnt mij voor, dat die aanwijzing de strekking 
heeft om bet vrw. mijmeren van dien godennaam af 
te leiden. Liever hebbe men met Grimm, t. a. p 
ie denken aan een ouden vorm, die mimmen, mi- 
"men^ tnijmen, zou luiden, waaruit zoowel mijmeren 
ahs Mimer en andere verwante noordsche godenna- 
men zijn gesproten. 



Met een ander voorzetsel heeft Tollens, N. Ged 
I. 100: 

Hij waakt zijn nachten door, doormijmert gan- 

sche dagen. 
De afgel. zelfst. en bijv. nwn. geeft Weil.; *kgeef 
daarvan enkele voorbb. Büderdijk, Brieven, IV. 
316: dit gemijmer van een zieke naar geest en ,- 
lichaam. Focquenbroch, Werken,!. 225: Vol nare 
roy roering gedurig te droomen. BI. 328: De Didi- 
ter zingt de mymeryen Van Gallus. Huygens, 
Korenbl. I. 297: Hgeiieim van 'tmijmerigh gesegh. 
Immerzeeli Ged. I. 5: '^mijmrig brein. Oudaan. 
Aand. Treurigh. 75: '< mijmerachtig trentelen. — 
De samenst. mijmerziek hebben Bilderdijk, Kre- 
kelz. I. 4ö, en Ten Kate, Dichtw. V. 228. 

Mijteren— Mijten. 

Van het bekende insekt de mijt heeft Weiland 
ver mijlen »door mijten verteerd worden"; liever 
zou ik zeggen »tot mijten overgaan, mijten wor- 
den." Onder onze schrijvers kwam mij dit ww. voor 
bij Blatfius, Dubbel en Enkkei (Amst.l670),bl.li : 
Hy leit hachlijk al vermijt 
lewers onder een Sark gesmeeten. 

Meer vindt men het frequent, in dezelfde bet. Van 
Bleyswijck, Beschryv. van Delft, I. Nareden, bl.^5: 
Papieren tnin voorleden eeuwen... in vermyterde 
kistenen kassen gelijck als verstickt enversmoordt 
leggende. Oudaan, Voorschad. 29: 

— niet alleen het leem vermijterten vermoeit. 

Maar ook het ijzer word vermorzelt en vermeden. 
Aid. 63: 

O beendren — 

Hoe zeer gy zijt verdort, vermijtert, en vergaan. 
Dez. Uytbr. over het Boek der Ps. II. 107: 

Hun wezen, en gestel, ontmcMxelt, en vervallen. 

Vermijtert, valt tot stef, vergaat tbt niet met allen. 
Aid. 231 : 

— hun rif van vlees en benen. . 
Moet vermijt Ven, en verslenssen. 
H. Dullaert, Ged. 119: 

De Zegetekenen... 

Die tyd nog onderqang vermytren nog bederven. 
Dez. heeft ook mijteren; ald. 112 (op het graf van 
Seneka) : 

Hier mytert Seneka wiens deucht de dood vei^ 

schoonde. 

Miksteren — Miasotaen. 

Miksteren ontmoet men in Die Girurgie van mr. 
Jan Yperman, 265: cUs die materie es ghedigereert 
met siropen diere toe hoeren ghemixtert met aq. 
fumun terre ofte andere water, — 't Is een naar 
het lat. mixtum of fr. mixte gesmeed frequent. 



383 



üfIKSTEREN 






voor het bij Kil. voorkomende mvtscheleti. van 
misschen (oiidhd. mutcjan) mengen; zie op dit w. 

Milderen— Milden. 

Een WW. milden biedt reeds het oudhd. miltjan^ 
Gniff. II. 72l); middelhd. milleiK zich over iemand 
erbarmen, in 't gemoed veizachten en zoo verzach- 
ten in *t algemeen. Vandaar ook nog bij Stalder 
milden^ milten^ zacht worden; bij Von Schmid un- 
milden^ onbarmhartig zijn. 

Evenals *t hoogd heeft ook Kil hel frequent. 
miMetim voor verzachten Nogtans komt dit w. 
met uitzondering der vlaamsche schrijvers, in onze 
taal weinig of niet vooi*. De reden hiervan is 
wellicht daarin gelegen, dat het adj. mild bij ons 
minder den zin van zacht of week had, dan dien 
van goedgeefs, mededeel zaam, nauw in verband 
staande roet de aloude bet. van barmhartig. Men 
leest het w. bij Bormans, Parthonopeus, 203: cU 
wordt {de uitdrukking) nog door het bijgevoegde .. 
gemilderd. Uiel, Ged. (Arnh. 18t58), bl. 80: 

Het klonk zoo tooverachtig zoet^ 

En milderde mijn gemoed. 
Meer echter met het voorzetsel oer; Gonscience, 
Jacob van Arte velde, III. 80: Ueedit tuaren zyne 
gedachten doof^ nieuwere uitziglen zeer vermilderd. 
Dez. Moeder Job, 107: m*n kon echter oen zijne 
eenigzins vermilderde uitdrukking bemerken dat 
de brief van Hugo hem diep had getroffen. Dez. 
Arme Edelman, 7: zyn blik vermilderde en tiam 
den helderen glans der tevredenheid aan. — De afl. 
mildering, bij denz. Jacob van Artevelde, 11. 12ö: 
de steden eenige mildering in de uitoefening van 
hoer regt te doen brengen. Van Beers, Levensb. 74 : 

Om mildering te brengen in zijn lot. 
Het straks vermelde zwabische wimilden doet ver- 
staan, wat de rederijker bedoelt, in de Schadtkiste 
der Philosophen, fol. 299: 

Dies bid hy d' Hemel slechts om een kleyn maet- 

lijck goedt. 
Want d' overvloedigheyd verqierieght en om- 
mildert, 
Daer tegen maetlijckheyd gesegg' lijck wesen doet. 
T. w. on-mildert^ d i onmild of onbarmhartig maakt. 

Milversn— Milven. 

In het Alg. VI. Idioticon h vermilveren heizelfde 
wat bij ons vermijteren heet (zie Mijteren). De 
mijt no«9mt men in 't hoogd. mede mübe ; vandaar 
bij Stalder milbig, door de mijt opgevreten; bij 
Schmeller zermilbm, door de mijt verteerd worden. 
Van dit milben, door eene gewone letterwisseling 
milven, is milveren, vermilveren, vermüferen, ver- 
mutferen; zie voorts De Middelaer, II. 292. 



In *t middelhd. is milwe ook stof, bij Schnaeller 
me/, melb, melw, en milwen, milben, tot stof laror- 
den of maken; nederl. mul, mulm, melm^ meiuw^ 
meel, enz. Ik kan niet denken, dat deze wn ver- 
schillend zijn van de vorige. Uet insekt kan den 
naam verkregen hebben van zijne kleinheid of van 
den toestand, tol welken het de voorwerpen brengt. 
De woorden stammen allen af van (ver)maleny fljn 
maken. 

Bfimmeran, zie Mijmeren. 
Minderen— Miiuien. 

Dit minne»! komt btj onze oude schrijvers vrer- 
keltjk voor; Grimbergsche Oorlog. II. '275: 
iVant sere gemint was hoer conrooi 
Men vincse daer by vier, by viven. 
De variant heefi ghemindert. Maerlant in Wil- 
lems' Mengel. 57: 

Su fiet of hi niet val ende minde, 
iJie Godsscape noyt en kinde. 
Ook in minderen vindt men niet altijd bij hen de 
ingevoegde d; Pas.sion. Wiuterstuck, fol 78 verso* 
Hier en binnen alst goei m'mrede ende ment deelde 
so quaemt luciën brudegom te weten. En lager 
aldaar: dat sy enidi goet mini'eóe. Sonierst. fol. 15^ 
verso: omdat si (t. w. die engelen) die queliist€fhe 
vercoelen ende minran Tnnnicius (ui tg van Uoff- 
mann), AM: Als de spyse minnert, so vormfhri sfik 
de hunger. — Dus ook het znw. minnetnnf/ ; Cas- 
sianus, Der Oud. Vad. Collacie, fol 141 verso : rlt> 
miiMieringhe des goets 

Modderen— Modden. 

Modden is bij Kil in modder wroeten, en bij 
Bouman, De Volkstaal in Noord hol land, » kladden. 
morsen, vuilmaken.' Het frequent in den eersten 
zin heeft Dannetl. Bij Weil is modcteret9 eene 
gracht uitbaggeren, eig. derhalve ontmoddeir^spty en 
dat komt werkelijk voor; Wagenaar, Amsterdam, 
II. fol. 65: Het modderen van by zondere pcraoo- 
nen in der Stede graften, undk, dikwils, onttfdig 
geschiedde, is... verbooden geweest — Het ophalen 
van den modder gaf aanleiding tot de fig. fc>et. van 
opwaarts brengen, niet alleen in to mud, bij Ualli- 
well 9to bring up," maar ook m het frequent, btj 
Hooft, Ned Hist. fol. iH: de zaaken tviU^99€i» tr 
verbrodden, om stof tot straf heit . uit tiert «jrottf/f 
te moddei*en. — Met eene andere toepassing^ belee- 
kent het w. in den moddei- vast raken; Bilderdijk.» 
Ziekte der Gel. 5: 

Niet slechts bedriegt men zicli in 't kie^z^pi vom 

zijn. sir^e'k^ 

Verzaakt den ankeryrond, en moddert ia eept kt'^tfk 



385 



MODDERBN 



3oD 



Bij H. van Halmael is het w. misschien baggeren, 
De Edelmoedige Vrinden, 16: 
^at zou jy geweest zyn^ had je my niet ge- 

kreegen f 
Zo wat staan moddren, of wat schoen zitten 

veegen f 
Doormodder waden. Ten Kate, Dicht w IL 175: 
Dan weer moddert zij door 't water, 
Waar de Waard haar meé omplascht. 
Het is vreemd, dat Kil. dezen frequent, vorm niet 
kende. Men vindt toch bemodderd of bemoederd 
bij Maerlant, Leven van St. Franc, vs 8166: 
(Als) hi bekennen niene mach 
Van den voeten ooc de wonden, 
Om dat si bemoedert stonden, 
Seide Fransogs te hem met moeten: 
Vaeh de muedre van minen voeten, 
D. i. met modder of slijk bedekt. Evenzeer eig. 
is de bet. bij Fokke, De Vrouw is de Baas, IL 36: 
daar het voorzeker zindelijke Vrouwen hard moet 
tfoUen. . door de slordigheid der Mannen.., hare 
gronden bemodderd... te zien. — Eenigszins fig. in 
den Statenbijbel, Job 16, vs. 16: Mijn aengesichte 
ii gantseh bemoddert van weenen — Eindelijk heb- 
ben wij vermodderen onzijdig voor tot modder of 
troebel worden; Bilderdijk, Kerkred. van Merle 
d' Aubigné, 150 De stroomen . staan ihands in de 
laagten te vermodderen. Da Costa, Kompl Dichtw. 
lü 112: 
— d&i stroom des bloede.. 
Bevriezen laten of vermoddren in zijn buizei^. 
En bedrijvend voor tot modder maken, troebel 
maken; Bilderdijk, Vaderl. Oranjez. 150: 
Alleen zijn dorst en li4St aan ^t heldre water 

boeten, 
En *tovrig nijdiglijk vermoddren met de voeten. 
Zie ook den Statenb.jbel,i Ezechiel 32, vs. 2: Cap. 
34, VS. 18 en 19. 

lil het dagelijksche leven zegt men eene zaak 
modderen, d. i. schikken, regelen; in dezen zin 
^hijnt hel woord genomen voor 't lat. moderari 
Onzes inziens intnsschen laat modderen in dezen 
zin zich verklaren uit dien van modderig of troe- 
bel maken; waarvan zie nader op Muijeren. 

Bij de talrijke samenst. bij VVeil. voorkomende, 
ontbreekt nwddergang, dat Ten Kate bezigt, Dichtw. 
I. 145. Men 2ie voorts ook Moddelen. 

Moey eren— Moeiten. 

In den roman van Walewein leest men vs. 9616 : 
Die sonne sceen utermaten hete, 
So datsi temoyert van swete 
Waren, — 



En VS. 10417: 

Alse dit horde die castelein 
Sprac hi te minen here Walewein: 
Ne temayert ju in ghere maniere! 
lo sol heden utesenden sciere 
Bede om vriende ende om maghen, 
In hedendaagschen vorm zou de eerste pi. luiden' 
vermoeijerd van zweet; en de tweede: vermoeijert 
u, en in beide kan men denken aan een frequent. 
vermoeijeren, afkomende van vermoeijen, in denz. 
roman vermogen gespeld, vs. 9621: 
Dat si nieuwer te ghere stede 
Teneghen bome mochten comen, 
Ende voeren. cUsic hébbe vernomen, 
Also vermoyt tote over noene. 
Zoo leest men b. v. ook in Der Leken Spieghel, 
IIL 153: 

Weet ooc dattie arbeit 
Die oen die scrifture leit 
Moeyet alle des menschen leden. 
waar een der varianten heefl Moyt, d. i vermoeit, 
afmat. • 

Op het frequent, vermoeijeren valt intusschen 
eene bedenking te maken. In de verzen onzer 
Ouden mocht men dikwerf in woorden van drie en 
meer lettergrepen eene verplaatsing van den toon 
in acht nemen; zie Jonckbloet, Midden n. Ep. Vers- 
bouw, 71. In het aangeh vs. 9616 uit den Wale- 
wein valt het accent op de derde lettergreep, en 
moet de vraag rijzen of de Dichter ook temoyeert 
bedoeld hebbe, waarbij men dus aan een basterd- 
uitgang en niet aan een frequentatief te denken 
'heeft. Die bedenking wordt ondersteund door de 
omstandigheid dat in hetzelfde ww. elders inder- 
daad een basterduitgang wordt aangetroffen. Zoo 
leest men in den roman van Lancelot, B. IL vs. 

Walewein was tem ay heer t sere, 
Ende hi was vermoyt so onsochte. 
Dat hi thoeft niet op heffen machte. 

Aid VS. 4248: 

Ma4ir vander tale temayhierde 

Walewein doe herde sere, 

Ende toonde bliscepeti mere 

Dan hem sine herte gaf ende sijn sin. 

Vs. 10541 : 

Nu vareti wi uut,, lieve here, 

Ende laet ons hen oplopen sere 

Dat si daer bi temayeren, 

Bedi in andren manieren 

Ne stUlen wise niet moegen doen vlien. 

En VS. 19350 (van eene vrouw, die ontboden was 

om des ridders wond te genezen): 

ia 



38^ 



MOEIJEREN. 



388 



— aln sijn evel vernam 
Sine woudene niet temayeren, 
Alse die niet kinde sine maniei*en. 
Hier wordt men belet, een fi*equeni. ww. aan te 
nemen. In de aangeh. pU. intusschen loopen de 
normen des woords zeer uiteen, zoodat men aan 
misverstand of slordigheid te denken heeft. Nog 
verder van 't spoor gaat B.' III. vs. 8391 : 
— Hen quant daemaer 
Ene donkerhede^ dat ti van dien 
Deen den anderen niet conde gesien^ 
Ende si worden temayrt das. 
D. i. zij werden dit moede. De schrijfwijze in den 
Walewein is zonder twijfel de regel ma tigste, en 
al neemt men aldaar in temoyert en temayeft eene 
.verplaatsing van den accent aan, dan behoeft men 
daarom nog niet aan een uitgang eert te denken; 
even weinig b. v. ais aan een ww. vercoeveeren of 
prikélleny wanneer vercoeverden door Jonckbloet 
(t. a. p.) en gheprikelt door Bormans (zie Leven 
van Sin te Christ. 318) op de derde greep worden 
geaccentueerd. 

Molferen, zie Molsteren. 
Molsteren— Molton. 

Volgens den heer Buser is molsteren iu Overijsel 
het scheppen uit den zak van een gedeelte van 
het gemalen graan, tot loon voor den molenaar; 
zie het Nieuw Nederl. Taaimag. III 242. Het ww. 
k>vam mij voor in een Besluit van Koning Lode- 
wijk. gegeven te Haarlem, 28 Sept. 1809, en waar- 
van het eerste Artikel dus aanvangt: Het molste- 
ren of scheppen der Granen... door hel geheele 
Rijk zijnde afgeschaft geworden^ om,., in Gelde te 
worden vervangen^ bepalen Wij enz. — Het subst. 
molster is gemeld raaalloon; dus NijhofT, Gedenk- 
waardigh. uit de Gesch. van Greld. I. 380: dat 
{koem) scUmen ons ende onsen erfnamen opter 
moeien voer der borgh malen, um niet^ sundei* 
enigerhande molster daer af te nemen Aid. 433: 
dat sij den luden genoich van gemaill sullen doen, 
ind sullen molsster nemen daemae. Van Hasselt, 
Geldersche Maalt. 161 : den Moeien mit allen synen 
toebehoireti syne Majesteit overgevende ofte densel- 
ven hem ende die synen Erven in Erfpacht toe 
laeten voer.,, hehoudelyk dat hy schuldich sal syn 
die Genutynte te gerieven ende niet meet van mol- 
ster ofte loen toe • tiemen, dan men... gewoentlick 
is. Dez. Geldersch Maandw. I. 577: dat alle die 
moelens van nu voirtaen nyet meer neemen off 
heysschefi suUen dan halve molster. Huygens bezigt 
het w. eenigszins andei*s, Korenbi. II. 409 : 



Loet ick die steenen leegh, sy breken aiV hoer'' 

kracht 

Ueen op den anderen, en moeten sich verd^ftsn : 

Soo hoefter Molster toe, daer in sy mogen bijten. 
dat niet anders beteekenen kan dan maalsiol, graan 
om te malen. 

Nevens molster plaatst Kil. molter en dit schijnt 
in de vei*wante talen de gewone vorm geweest te 
zijn. Benecke heeft muiter, Schmeller midter en 
mvUter, Kehrein molter, Halliwell moiier. Hun Ier 
App. moolter. Brockett mooter^ mouter, en Von 
Schmid milter. allen in den zin van een maalloon, 
bestaande in zeker gedeelte (de laatste ze^t een 
zestiende, een twintigste of een vierentwintigste) 
van het te malen graan, of ook voor het re'^ht, om 
dat loon te heffen, in 't fransch mouture, oudfr. 
moulture, bij Schil ter multura, molzer en mulzer. 
Als frequent, ww. hiervan heeft Brockett to mou^ 
ter, Kehrein en Schmidt moltem en Von Schmid 
vermiltem, benevens molzem en mulsem, het hef- 
fen van maalloon op den voorschreven voet in 
't oudfr. moulturer. 

Ons WW. molsteren is dus, met invoeging van s., 
ontstaan van molteren en dit is regelmatig af te 
leiden van een ww. motten, welks wortel aan te 
wijzen is in het oudhd. molta bij Schitter, maal- 
loon, oudfr. molte of moutte, waarvan het laatste 
bij Roquefort het recht tot het nemen van maal- 
loon aanduidt, doch het eerstede meer uitgebreide 
bet. van »droit seigneurial sur les productions de 
la terre, et qui se payoit en nature." 

Ook de l in het ww. die we reeds in muisem 
zagen wegvallen, maakte voor een andet^n mede- 
klinker plaats, t. w. voor de v of f. Vandaar mis- 
schien bij Benecke mulve, mulvane, muMJie^ ald. 
»dunkle" genoemd en nergens thuis gebracht, doch 
vergeleken met mulzer; zekerder mo2/erf, te Breda 
en omstreken nog hetzelfde als molster^ in den 
Teut honist a iNo// (er, zie Hoeuffts Taaieigen. Van- 
hier wederom, met weglating der t, molferen^ vol- 
gens Buser, t. a. p. in Gelderland en naar onder 
mij berustende schriftel. aant- ook te Deventer ge- 
bruikelijk voor het overijselsche molsteren^ 

Mommeren— Mommen. 

Het frequent, is (om het rijm) gesmeed door J. 
David (Donaes Idinau), Lot van Wysheyd ende 
Goedgeluck enz. i05 : 

{Die) de phantasien te veel ghelooftj 
En de weecke hersenen te luttel om-4onimiert^ 
Die gheckeUjck spreekt, seer wijselijck mommert. 
Het prim. mommm^ is zich maskeren, een maske- 
rade vertoonen; dos Anna Bijns, Refer* II. 45: 



389 



MOMMEREN. 



300 



ïst deught voor *t Sacrament storten de lampen? 

En achter straten met tortsen loopen mommen, 

In geettel^cke habijten met fluyten^ met bommen f 
Zie Kil., Uuydec. Proeve, I. 475, en Oudemans op 
Bredere. Men vindt hei w. (althans bij Huydec.) 
verward roet een ander mommen^ dat zeker dob- 
belspel aanduidt, van 't welk ik handelde in De 
Taalgids, II. 57. In dien zin kwitm mij sedert het 
w. nog voor in Serrures Vad. Mus. IIL 1SS6: dat 
enech geselle... speelde met teerlingen^ 'tsy dóèbe- 
len^ passen oft mommen, oft enich ander tnysche- 
rye hedrene. — Bij de gegeven voorbeelden van 
inotmnekans voeg ik nog dit uit Ogier, De Seven 
Hoofisonden, 156: 

Misselijck is misschien dat waer een momme-cans ; 

JC en sou die avontuer al evenwel niet wagen. 
En van het werkw. daarvan gemaakt, Goornhert, 
Wercken, I. fol. 395* verso: O schielijcke veran- 
deringhe^ dats waerlijck onstadighe mommecansen 
mn ^tghehick, 

Monderen— Monden. 

Vermonderen is hetzelfde als vermonden^ d. i. 
vermelden; Despars, Gron. van Vlaenderen, 11.29: 
zo dat noyt man van dierghelijcke ongheregelthede 
ende rudesse der zelver riviere (d. i. Seine) en 
hoorde vermonderen. — Zie voorts over vermonden 
op Mondigen, 

Monkeren — Monken. 

In het vlaamsch hetz. als monkelen^ d. i. prui- 
len, grimlagchen ; zie de Idiot. van De Bo en 
Schuermans, en voorts Monkelen. 

Moorderen— Moorden. 

Het frequent, moorderen ontmoet men eenige 
malen in Maerlants Spieg. Hipt. t. w. I. 342: 
Nachts so stont up die keitive^ 
Daer soe sliep ende dat kint mede^ 
Dat hare up getrotiwechede 
Bevolen was^ ende morderde tkint. 

Aid- 353: 

Die Juedsche wijfy die bi hare saten^ 
Horden dien name, dien si haten, 
Ende wildense morderne om dat wort. 

Aid. 384: 

Aiso sere ontsach hi tleven^ 
Dat hi trike up wüde gheven; 
Want hi emmer wanen woude, 
Datmenne daer omme mordren soude. 

D. m. 78: 

Daer en halp en gheen verdinc, 
Hine morderdene of dedene slaen, 

Aid. 417: 



ThotCj die sente Lambrechte 

Morderen dede buten rechte. 
En 364: 

Want si there wereloes saghen 

Haer volc morderen ende jagen. 
Insgelijks in den roman van Wa Ie wein, vs. 10591 : 

Al hebbi minen helm durbroken^ 

Mijn lieve kint sol sijn ghewroken. 

Dat ghi morderei jammerlike. 
Dus ook vermoorderen in Maerl. aang. vr. 11.364: 

Dat si den cloester storen souden 

Ende si den abt vermorderen wouden. 
D. IIL 102: 

Want daer na quam in CyeÜe 

Constantfjn met vele, scepen, 

Ende hevet Mesentius begrepen 

Entie vermorderden sinen vader. 
Aid. 274: 

Keyser Otte heeftene ghevaen 

Ende in enen kaerker ghedaen, 

Daer hine vermorderen dede. 
BI. 278: 

Edelfrijt die was sijn moeder, 

Die Edewaerde vermordren dede. 
En 311: 

Die den mordere sparet iet, 

Hi vermordert tonnosele diet. 
Deze frequent, vorm vertoont zich reeds in het 
goth. maurthrjan, angels, myrdhrian, en het mid- 
del hd. ermurderen en vermürdetm; hij leeft nog 
.in het dialect, mördern (bij Schöpf), ermördem, 
dermürdem (bij Schmeller) en in 't eng. to murder. 

Mopperen*— Moppen. 

In het Nieuw Ned. Taaimag. III. 243, virordt 
mopperen gebracht tot het overijselsch dialect; in 
Zuidholland is het w., althans in den laatsten tijd, 
insgelijks in zwang voor pruilen, mokken, prutte- 
len (uit ontevredenheid). Dus ook bij Gremer, 
Anna Rooze, III. 201: ondertusschen zat die stak- 
ker... onschuldig te mopperen op een kantoor. — 
Als eene soort van stop- of vloekwoord leest men 
ald. 247: Wel afgemopperd pots zoo kort uit het 
klooster I 

Het primit. ww. heeft Weil. in dez. bet. en men 
leest het bij schrijvers uit de voiige eeuw;Lent- 
frinck, Hovaardye in Armoede, 39: 

Gy mopt nog om den hoon, u heden aangedaan, 

Ga naar uw kamer, laat de v)raak op my maar 

staan. 
Alewijn., De Puiterveensche Helleveeg, 59: 
— Ei, wil niet langer moppen, 
Hy zal Hniet meer doen. — 

ld' 



391 



MOPPEREN 



393 



Poet. Mengelst. van Kunstl. spaart geen Vlijt, IX. 228: 

Geen raad geen voorbeeld van zijn meêgevangen 

baaien^ 
Die^ meer bezadigd in zijn leed^ 

Den tijd al meppende versleet. 
De Regts Mengeld. 81 : 

(Dat) 'er geen katten 
Ten huizen uitspatten 
Met beiilingeny dat 'er om wordt gemopt. 
Men zeide ook op iemand moppen; Valentijn, Wer- 
ken van Ovid. II. 69: Daarom moptense alle op 
my, en 'theele gros mompelde. — Weii. ontleent 
het w. van den hondennaam mop. Liever denk 
ik aan dit w. in den zin van mond, bij Weinhold 
moppe, muppe; mopsig^ mupsig^ knorrig, ontevre- 
den, mupsen^ pruilen. In 't eng. is mop een scheeve 
mond, en to mop zulk een* mond trekken. — Bij 
Halliwell is to mop zich bedekken, zich inbakeren, 
en dit verklaart ons bemoppen; Hooft, Ned. Hist. 
fol. 231: by licht van toortsen^ om te ^oon, bemopt 
om H hooft, en in lange kleederen. Rodenb. Poeel. 
Borstweringh, 378: 
De iijts alwerckingh heeft de moedicheyt vemeert^ 
En 't oude hooft bemopt met witte, gryse hoeren, 
Oudaans Poözy, I. 309: 

Een kaal gerimpelt vel bemopt met muts eti doeken. 
Hiervan zal de mopmuts wel haren naam hebben, 
als die, meer dan andere mutsen, het hoofd be- 
dekt; Weil. meent dat zij dus heet »om de gelijk- 
heid" met den hond (1). Voor een hoofdbedeksel 
heeft OndhKïi bemopself Uytbr. over Job, 114: 
Hy maakt zich op by avond^schemering^ 
Daar hy om *t hoofd een vreemd bemopsel hing. 

Mopperen*— Moppen 

In Gremers Anna Rooze, I. 321, leest men : Ah 
ik m'n zin mocht volgen dan moest een kleine of 
groote honderd pop de lucht in.,. We vermoppe- 
ran soms wel wat meer voor vuurwerK in Rot- 
terda}K, en zoo'n arme drommel van een vuunverk- 
maker moet ook leven, — De zin van dit vermop- 
peren is blijkbaar: geld besteden, en het w. zal 
zijn van het znw. mop, in de gemeenzame spreek- 
taal voor geldstuk niet ongewoon, en op de aang. 
bl. voorkomende: Je wilt nu maar eerst eens we^ 
ten of er moppen ziit^m. 

Morteren— Morten 

In plaats van fnortelen^ d. i. klein maken (zie 
dit w.) vindt men morteren en vermorteren bij 
Goornhert, Odyssea, I. 58: 

Tbreyn sprong op daerde^ en tbloet droop wt 

de ghemorterde wonden. 
Dez. Wercken, I. fol. Ó7 verso, schrickelijcke bon- 
derslayhen van de doodtslaande Wet^ om sijn stt^e- 



nen Herte te morteren. Fol. 195: dese vporden 
met grouwelijcke Donderslagen strengelijck, ^he- 
mortert. Fol. 297 verso: daar tuee harde silenen 
V samen stooten^ daar morteren sy malkantieren. 
Fol. 72 verso: dat hy ghekomen is om den ^he- 
morterden van Herten te ghenesen. Fol. t£1 9 : ghe- 
morterde Aerde. D. II. fol. 38: hy besluyi seinen 
vyanden^ mortert'/iaer stalen muyeren. D. I. fol. 
173 verso: f' Hooft vertreden^ vermorteren ende 
vernielen. — Vandaar mortering; ald. fol Ö: noo- 
digh tot morteringhe vander hardtneckighen Zon-- 
daren. 

Volgens mij verstrekte schriftelijke aantt. is 
morteren in het vlaamsch nog in zwang. Voor 
mortel heeft Kil. nwrter^ eng. mortar^ fr. rmnriier, 
lat mortarium^ bet neders. marter^ en ook dit znw. 
heeft Goornhert, Odyssea, I. 45: 

fAaer wtgaende docht my een golf aeti morters 

te Ufrijvei^., 

Tegens een scherpe roots^ daer de baren op brvüwn 
En in zijne Wercken, 11. fol. 85 verso: itich jtelf... 
altijt wede^^ te stooten tot morteren, aen eert selve 
steen. 

Motoren— Modden. 

In Maerlants Rymbybel leest men vs. 3I35Ö: 

Het waren witte marberslene 

Ghepoliciert^ dicke cubitus viwe, 

Ende x. breet.. 

So suptilike ghemotert c/uó, 

Dat, daer die stene quamen te aavnewi^ 

Die liede altoos niet vemameny 

Elk tor ne dochte ,i, steen weseti. 
De bedoeling is duidelijk : de marmeren tegels '«ra- 
rèn gepolijst en zoo kunstig saamgevoegd, dat men 
niet kon bespeuren waar zij aan elkander sloten; 
men hield eiken toren slechts voor éénen steen. 
Prof. David toekent op ghemotert aan »geiDorteldL 
met mortel vervoegd." Dichter bij ware no^ ge- 
morterd, met mortei^ verbonden; zie Morteren. 
In ieder geval valt bij die verklaring de r uit bet 
WW. weg. Juister wellicht ware het te daoken aan 
moteren, met hjm of klei bestrijken, van vnotev*^ btj 
Benecke slijkachtig lijm, hoogd. moder^ nederl. 
modder, bij Schmeller motter^ neders. mutt^r^ slt|k. 
De uitgangs-r in deze wn. behoort niet tot den 
wortel, blijkens het eng. mud, hambuiigsch tntM^id^^ 
akensch mutt, pruisisch en Ujflandsch mott^ en 
men mag dus een nederl. ww. modden aannemen^ 
voor met slijk bestrijken, hetwelk beantwoordt aan 
het eng. to mudy bemodderen. 

Motteren— Motsen. 

Motteren is »stofregenen" in Boumans Volkstaal 



a93 



MOTTEREN 



384 



van Noordh. Hef primitief motten is bij Weil. 
misten, nevelen, van mot, ald. heel fijne regen, mist, 
nevel. Dus bij Oudaan, Uytbr. over Job, 177: 
De wolken, op zijn wijzen raad, 
Ontdaan in mot en d^jzig weder, enz. 
Hiervan ook het adj. mottig; Vondel, Horatius' 
Lierc 20: Jupijn schept mottige unnters, — Verg. 
Mottelen. 

Mouteren— Mouten. 

Het WW. mouten is hier niet te nemen in den 
zin, dien het w. bij ons heefl, t. w. (zegt Weil.) 
•het bier met mout wel ver/ien"; beten dunkt mij, 
ihet grann door weeking in een staat van gisting 
brengen": maar in de oorspronkelijke bet. van 
week of lenig maken in het algemeen, eng. to 
melt, angels, meitan, mütan. Voor ons ww mou- 
len beeft het hoogd bij Schmeller malzen en mei- 
:m, en Weil. heefl melter voor mouter, melterü 
voor mouterij, en meltbak voor moutbak. Dat ons 
adj. malsch, en voorts smalt, smout, smelten enz. 
hiertoe behooren, behoeft geen aanwijzing ; zie Ten 
Kate, n. :^92. 

Vandaar bij Kil. monteren, door hem gelijkge- 
steld met muiken, thans meuken, d. i. zacht, lenig 
maken, weeken, stoven, welk ww. mij in over- 
drachtigen zin voorkwam bij Oudaan, Voorschad. 
V. h. Zegepr. Rijk onzes Hoeren, 2ó: 
Tot dat het Heilig volk, versmijdigt en gemoutert. 
En in dien oven rein gezuivert, en doorloutert. 
Eens tot een eeuwig Rijk vergadert worden zal, 

Muüeren — Muijen. 

Het komt mij voor, dat de eig. bet. van ons mui- 
jeren is verwarren, vermengen; zoo zeggen 'wij in 
het dagelijkscb leven koopwaren muijeren, d. i. 
verschillende soorten dooroen mengen, waarin het 
denkbeeld van aniet zuiver houden" ligt opgeslo- 
ten. Zoo heett Valentijn, Werken van Ovid II. 2: 
een onlatêoenlijk gevaart, waer in tweedraglig saad.,. 
gemujert was. D. III. 316: Boven dien is dese see 
«ie/ regt zeegroen.,, maar gemuiert van verf, — 
Ook met voorzetsels; a. w. I. i86: dat in dese 
neUgentheid vuil en schoon vermujert is. Oudaan, 
Agrippa, 44^: Sehoolêche Godgeleerdheidy die.., uit 
*U goddelijke spraakgebruiken en de wijsgeerige 
redenen. . saamgemeuiert is. — Met toepassing op 
andere zaken gaat de bet. over tot die van plooi- 
jea» schikken, redderen met een overleg, dat niet 
si te eerlijk behoeft te zijn, en daarom liefst be- 
dekt of in *t verboiigen geschiedt. Weil. noemt 
dit niet oneigenaardig >knoeijen.'' Dus Bredere, 
Boertig laedib. 8: 



Mach 't met Brechje niet geschien, 
Of en keunjet soo niet meuy'ren 
'k Sou niet meer na heur om sien, 
In ick sou na Stee gaen keuy'ren. 
Westerbaen, Ged. II. 361 : 

Ghy mooght het meuijeren so als ghy 't best 

verêtaet. 
Maer ick begeer van u dat ghy m" er 6uy- 

ten loet. 
Starters Jan Seetekau, 13: 

Ick moet het tnoeytjes overlegghen, en sien hoe 

icket met mijn moertje meuyer. 
W. D. Hoofts Ki. van Stijve Piet, 21: 
Ja, 't is fraeytjes, as sy'tsoo wel kenne muyeren. 
Maer ick vrees, sy sulle noch lusiigh iens raken 

in de luyeren. 
Noozeman, Beroyde Student, 10: 
Als ick dat droncke kint geleyt heb in sijn 

luyeren. 
Dan sullen wy *t, qelijck wy plegen, aerdich 

muyeren. 
Hooft, Ged. fol. 263: 
De bruit, de bruit te worden^ en z^ is op het 

uiterste zwaer. 
Nu zie ik 'er gien muyeren langer an mit 

mekaêr. 
Weil. verklaart dit door «verhelen, bedekken," en 
het Wdb. des Inst. neemt die verklaring over. 
Kwalijk; 't is hier, gelijk op de voorgaande pil. red- 
deren, schikken. In Oudaans Ged. 82 leest men: 

— hier kent men geen gemeujer 
Om zulk een Opperknecht te zetten boven aan. 
D. i. (naar hetgeen voorafgaat) toeleg om door 
uiterlijk vertoon anderen te misleiden; wij zouden 
dat geknutsel of geknoei kunnen noemen. En ald. 
50, ziende op de vredesonderhandelingen tusschen 
Frankrijk en Spanje: 

— voorzeeker heeft hy 't oog 
Op Vrankryks meuyerwerk en handeling geslagetx^ 
En twyffelt of de sprong in 't Noorden sta te 

wagen. 
De bet. van muijeren is dus overal genoegzaam 
duidelijk, doch van waar is het w. afgeleid? Bij 
prof. De Vries, op den Warenar, 129, kan men 
eenige gissingen vermeld vinden. Onder deze komt 
de afleiding van het lat. moderari zeker nog wel 
het aannemelijkst voor; het lat. w. kon bij ons 
licht tot modderen en dit wederom tot muijeren 
overgaan. Doch de eenzelvigheid van modderefi 
en muijeren aangenomen zijnde, die dan ook trou- 
wens voldoend^) blijkt, denk ik liefst aan het nederl. 
modderen, d. i. in slijk wroeten, troebel maken, en 
soo dooreenwarren, vermengen; beteekenisaen al- 



395 



MUIJEREN 



396 



zoo, welke met die van mutjeren overeenkomen. 
Duidelijk blijkt die overeenkomst uit eene plaats 
bij Oudaan, Agiippa, 433: dus de wetten bij te 
brengen dat de bülikheid onderyraoen, dus een 
ontsaglijkheid van uitlegselen op te meuijeren, dat 
de zin des wetSy en 't oogwit van den wetgever ge- 
heel verdraait worde. — Dit opmu<;>re/i drukt blijk- 
baar dez. figuur uit, welke we aantreffen bij Hpoft: 
stof tot strafheit. . uit den grondt te modderen, 
t w. uit den grond opbrengen of' ophalen, eng. to 
mud. Zie Modderen. Behalve de frequentt. mui- 
jeren en modderen heeft onze taal nog een derde, 
dat er mede gelijkstaat, t. w. moeren^ bij Kil. be- 
wegen, roeren, het water troebel maken, in het 
akensch müre^ en wijders bij Weil. mengen, ver- 
mengen, waartoe behoort het znw. moer^ in de 
verschillend toegepaste, doch nauw verwante bet. 
die men bij Weil. vinden kan. 

Hel prim. muiien^ waaruit muijeren regelmatig 
kan worden afgeleid, is derhalve alleen eenandere 
vorm van modden, eng. to mud. De overgang van 
modden, mudden^ muden, mujen^ muijen^ is niet 
iwaar of vreemd. 

Muisteren— MuisBen. 

Muisteren is bij Kil. voor onderzoeken, naspeu- 
ren, als vlaamsch opgegeven; en tevens vei'meldt 
hij muizen voor heimelijk en in stilte onderzoek 
doen^ en leidt dit laatste met Becanus (Uermathena, 
fol. 36, 150) van» den diernaam muis af. Volgens 
het Alg. VI. Idiot. is muizen in Limburg snaar iets 
zoeken." Bij Stalder is musen in zwaarmoedige 
gedachten verzonken zijn, en to muse in Heng. 
zwaar denken, peinzen. Vandaar ongemuisterd en 
ongemuisterdheid voor onbedachtzaam, onbedacht- 
zaamheid, dolligheid; Van Vaernewijck, aangeh. in 
Oudemans Bijdrage : dat het ghemeynte (t' welck 
dikunls seer onghemuystert, onverstandich ende 
ondiscreet is) haer met den met moeyden Des- 
pars, Gronijcke 'van Vlaend. IV. 499: die rijve van 
St. Lieven, daer mede zy in omsprekelikker dul- 
licheit ende verwoetheit tHoutem waert liepen... 
keerende tsanderendaechs weder, in ghelijcker on- 
ghemuystertheit ende uytzinnicheit. — In den laat- 
sten zin hebben wij vsn muizen hei znvf. muizenis; 
Six van Chand. Poësy, 486: 

Och! dorst ik schelden, hoe zou Baldus^ hoe zou 

Bariel 
Aanhouden, die uw hoofd vol muiseniswe broén ? 
waarvan men, in den trant van Becanus, muizenest 
gemaakt heeft; Vlaerd. Redenrijckb. 411: 

Ghy schijnt een dromich quandt, van vreugaen 

gaer berooft f 



Of hebt ghij dees of die muys' nesten xuer w 

't hooft' 
Cruus, Jos. Droev* en Bly-eindespei, I. 70: 

— Wat hebt Gi/ muise nesten 
In uw sorgvuMig hooft! — 
Nog duidelijker bij Focquenbroch, Werken, II, 387: 

Wierd myn hoofd een nest van muizen. 
Zie verder daarover Van Has^selt op Kil. 

Multeren— Muilen. 

Volgens De Bo is multeren in het westvl. >kn 
openvallen, sprekende van land.'* Het prim. beelt 
Weil. in mulleti, tin kleine kluitjes vallen", bij 
De Bo stof maken, 'stuiven, in poeder openvaUen. 
oudhd. muljan, middelhd. mtülen^ zermüUeiu b; 
Dahnert mullert, mulschetiy Lezer mulVn, denmUCn. 
cimbr. muln, eng bij Halliwell to mtiU. Deo wor- 
tel mul heeft mede Weil. Hij beteekent het gruis 
of stof, waarin kluiten van aarde, turf of andete 
voorwerpen gevallen zijn. Dus Maerlant, Spie^ 
Hist. II. 125: 

Entie afgoden cU openbare 
Die wreef hi rechts al te mulle. 
Aid. 258: 

Al ghemeene datter was 
Quamen na ons gelopen den pas... 
Mesbarende recht als die duUe, 
Hem bestuvende met mulle 
Ogen, anschijn ende mont. 
Dez Rymbybel, I. 170: 

Sech Aaron dat hi tmul sla, 
Daei* sullen mesien C) ute comen. 
Aid. 575: 

Doe warp hi mul in sijn aensiehte 
Dat menne niet ne kende lichte. 
Statenbijbel, Randt, op Nehem. 4, vs. 10: Daer 
resteert noch veel te dragen, van mul, ste^engmy». 
ende aerde, van den gebrokenen ende vervaUencn 
muer. Huygens, Korenbl. I. 122: kruymelmul ra/) 
torven — Voor dit w. waarvoor Halliwell muii 
heelt, is bij Kil. ook gemul, bij Weinhold en Von 
Schmid gtmülle; dus delfsche Bijbel, Gen. 3, \> 
19: Want du biste ghemul, ende du sels wedet- 
keren in gheraul. Gap. 13, vs. 16: ie sal dijn sar 
maken als ghemul der aerde. Gap. 18, vs. ^7 
so sal ie spreken tot minen here al bin ie ghemul 
ende assche Exod. 8. vs. 16: slach dat gheiunl 
vander aerde: ende het wordeti muesien m al tUmt 



(*) D. i. muggen. De delfscbe Bijbel (zle lager) bef tl 
miLesieti. Kil meuHe en mosie, welker laktste voorkoml b; 
Van Veltbem, fol. Ii5: 

Selen si vlieden inder lacht, 
Gelifc moüleu' vort sjin ttrocM 
Jn heten weder ende tn seonem. 



397 



MULTEREN. 






mi etfipten. Num. 23, vs 10: Wie aal moghen 
ghetellen uicobs ghemul? (De latere overzettingen 
hebben het stof Jacobs.) Passionae), Winterst. fol. 
29 vereo: du venvottcet^d die duerhare ornamenten^ 
dye wesen sullen als ghemul van den wint — 
Voor mul was de vorm echter vooral moude ; Epis. 
uit Maeri. Hist. van Troyen (door Dr. Verdam), 231 : 

Meneeh doode lach op die moude. 
Maerl Spieg. Hist. I. 125: 

(ie) vruchie^ waersfu onder moude, 
DtLt hier een aerger comen soude. 
D. i. onder de aarde. D. II. 7i : 

Dat hi dien Jode hekeren soude^ 
Eer dat hi voere onder moude. 
Züo ook boven de aarde: Van Velthem, fol. 423: 
Dat sceeti dat hy H al dwingen simde 
Dat leefde doen hoven moude. 
Le Long meent »boven moede, hoogmoedig." Aid. 
fol. 256 : 

Uierste die ne bescudden woude^ 
Was geslagen optie moude 
D. i. werd ter aarde geveld; Le Long: »0p den 
mondt." Zeker om het eng. motUh. Zooals Blom- 
roaert op Der Vrouwen Heimel. vs. ISKK): 
Sd men dwijf ter nederstorlen 
Metter rechter ziden neder ter erden... 
Ende sol ophouden 
Die slinke side van der mouden. 
aanteekent: »Mouden, mond, eng. mouth." Mou- 
den is hetzelfde als erden in den voorgaanden re- 
gel, zooals uit het verband, dat ik hier liefst niet 
mededeel, duidelijk is. In de verklaring, die Bil- 
derdijk van het w. geeft, N. Verscheid. I. 142: 
Hare orsse sullen si besoriden, 
Ende met Rt, aren haren riden 
Ten cloester waert op die moude. 
D.i. op de vlakte (bl. 150) juist is, dan zal ver- 
staan moeten worden: op de mulle, aard- vlakte. 
Zie over moude wijders Huydec. op Stoke, II. 
41^-420, en Ciignettb Bijdr. 38. Het w. is ont- 
staan uit de versmelting der l in molde, eng. bij 
Halliwell mokL bij Schmetler molt, molter. De Bo 
mAter, waarvan bij Bernd multrig, verrot, ver- 
molmd enz. 
Bij Schotel, Geschied, der Reder. II. 4, leest men : 
Loet dit vólck weder scheyden. 
Off ons dingen, die worden vermout. 
Dit zal zijn vermolmd, bedorven, fr. vermoulu, van 
hel oudfr. moulir, vermoulir, later se vermouler, 
vermolmen (door de wormen), waarvan vermou- 
i»re, stof, molm. Hiervan misschien ook vermoe- 
^, voor vergaan, verteren, Blommaert, Oudvl. 
GedUI. 20: 



Ter minnacht quam hi ter werelt in 
Om te verclaren *s menschen sin^ 
Die in die deemsterheden verdoelde, 
Ende in die zwaren sonden vermoeide» 
De tegenwoordig meest bekende afl. van mul is 
molm, ook mulm, hoogd. mulm^ bij Schambach 
mvUm, melm, bij Wiarda ma^m; voorts nio2«em enz. 
Vandaar ook de diemaam mol, eig. mol- of mold» 
diet\ dier dat de aarde opwerpt, hoogd. maulwurf^ 
eng. bij Halliwell moldwarp, zoowel mol als mols- 
hoop; bij Schambach multworp en multworment. 

Marmeren— Murren. 

Murren is het bekende morren, d. i. uit onte- 
vredenheid mompelen. In dien zin hebben onze 
Ouden murmeren, dat met tusschenvoeging of her- 
haling der m van murren komt, evenals het ver- 
wante murmelen ontstaan is. Zie dit w. Dus 
Meijers Leven van Jezus, 91 : Hoe die joeden mur- 
merden van dien dat hi seide enz. Lager: Dêe 
hegonsten de yoden te murmerne onder hen van 
dien dat hi ghesegt iiadde enz. MaerU Sp. Hist. 
II. 195: 

Hare hovet want soe in doeken, 
Ende was hem allen onderdoen. 
Noch om spreken, noch om slaen^ 
Ne dede soe niemen qiiaet no voer, 
Noch selfs en murmerde daer naer, 
D. i. zij morde zelfs daarotn nieL Dez. Rymb. 
VS. 9510: 

Daeir hi ten sinen weder quam, 
Murmerden si ende waren gram. 
Dus naar één der HSS. Andere lezingen hebben 
hier murmeerden, murmurdeti, murmureerden, 
zelfs mormende; indien de laatste te vertrouwen 
ware, hadden we hier een primitiefvorm naar 
wensch. Aid. vs. 23648: 

Maer hi murmerde utermate 
Stillekine onder sine tande. 
Doch al wederom naar ééne lezing; twee andere 
hebben murmeerde en murmurde. Zoo leest men 
ook Spieg. Hist. IIL 326: 

So dat tvolc murmurren began 
üp Wülemme den Norman. 
Zoo vindt men nog in de achttiende eeuw; De 
Uonigbije, II. 39: 

— binnensmondts wat murmuren, en knorren. 
De verwarring van het nederl. murmeren met het 
lat. murmurare, waarnaar ook de Franschen hun 
murmurer, de Engelschen hun to murmur, de 
Spanjaarden hun murmurar en de Italianen hun 
mof*morare smeedden, dagteekent dus al vroeg, en 
steeg ten top in morme^jeren^ dat ik aantrof in 



309 



MURMEREN. 



400 



prof. Molls Joh. Brugman, I. 224: Doe mormeijer- 
den s{j tegen God ende seiden: en mach God niet 
een tafel bereyden in der wostynenf — Krul heeft 
gemurmureer in goeden ernst voor gemunnel^ 
Minnel Sanghrijmpjes, 134: 

Tuyght stomme Beeckjes door u «oat gemurmureer. 
Vlaerdinghs Redenrijckhergh ^ras trouwens voor- 
gegaan, 141 : 't murmurerend Meyr. — De Over- 
zetters van den Statenbijbel maakten aan dat ge- 
haspel een einde door, terwijl de meeste hoogd. 
vertalingen van hunnen tijd murren bezigden, steeds 
murmureeren te gebruiken, dat hun wellicht plech- 
tiger of nadrukkelijker toescheen dan morren, in 
welk gebruik trouvven's de delfsche Bijbel van 1477 
hun was voorgegaan, en sedert is het w. met den 
basterduitgang het gewone woord gebleven. 

Het WW. murmeren is ook in anderen zin ge- 
bruikt; Berkhey, Eerb. Proefk. 47: de krekels, die 
in de wijnranken murmerden. Aid. 142 hel ge- 
kabbel der gekleinsde golf jes murmeii, lieflijk Dez. 
Nat. Hist van Holland, IV. ii. 275: 2elfs reiken 
deze forsche Dieren al blatende of murmerende 
den muil toe aan het jongske... om geklaauwd te 
worden. P. L. van de Kasteele, Gez. 112: 
tHoe duldt het de Godheid f" zoo murmert ons hart. 

Moskeren— Musken 

Het WW. tnusken komt overeen met het fransche 
musquer, d. i. van muskus doortrekken, welk riw. 
muskus bij Kil. musk luidt, fi'. fnusc, lat. muscus. 
Dus bij Vondel, Poëzy, 1.275: De hantschoen rieckt 
van musk. — Het ww. musken bezigt Bilderdijk, 
in gemuskt, ter vertaling van het fr. musqué; Verkl. 
Geslachtl. U. 263. 

Het frequent, muskeren komi voor in doormus' 
keren, in de pi. uit De Brune, aangeh. bij Oude- 
mans, Bijdrage, H 117: die Indische dooimuskerde 
peereboomen, welkers vruchten wel van een zeer 
lieffeliken reuk en een aangenamen smaak zijn, enz. 



Naarderen— Naren. 

De frequent, vorm naarderen was vroeger niet 
ongewoon; Levens van Plut. fol. 507 verso: dat 
de Hooftman hem naerderde in gramschap om hem 
te slaen. Aid. fol. 50l): nieumaren hebbende dat 
Himilco naerderde. Aid. fol 528 verso: te naer- 
deren by groot e Heeren. Fol. 534: onbeschaemde- 
lijck tot Agnppina genaerdert te tiebben. En fol. 
543 : hy naerderde de mueren. Hooft, Tacitus, fol. 
28: Arminius hebbende den zynen gebooden zich 
te sluiten, en de bosschen te naarderen, keerde 
schielyk om. — Weiland noemt dit » verkeerdelijk" 
gezegd. Evenwel kan het w. beschouwd worden 



als de frequent, vorm van ndren^ samentr. van 
naderen, dat mede bij Hooft voorkomt, Ged. fol. 28 : 

— Hy naèrt, ik gaa beneên hem tetfen. 
Dus ook Heyns, Bartas' Wercken, U. i. 8: 

Des hy, ontset^ hoer riep, Gods knechten katnl 

ons naren- 
Aid. 12: 

Verwijlen dit groot volck aen adlekttntef maerde. 
Van dit naren heeft Kil. als vlaamsch ncuzrsen. 
Bij hem is ook naarder gelijkgesteld met nader^ 
en dus leest men in den Statenbijbel, Inhoud van 
Gen. 2 : Naerder verhael vande scheppinge des men- 
schen. En Randteek. ald. op vs. 16: naerdere 
verklaringe ofte opmerkinge. Levens van Flut. fol 
527 vei*80 : om daer naerder te bekennen het oude 
regiment, 

Naderen—Naden. 

Naden, gewoonlijk bij ons onder den vorm rui- 
ken bekend, vindt men waarschijnlijk bij Jan ZoeL, 
Jochem Jool (ló;n), 7: 

Hy naed, ygut hoe kan hy leven. 

In naken zoowel als in naderen is een conso- 
nant ingeschoven. Naken, van na, is eig no-e», in 
H hoogd. van alle tijdperken nahen. De keelletter 
vindt men reeds eenigszins in 't hoogd. nach^ vol- 
gens Adelung in M oppei duitsch ndcher, en volko- 
men in het angels neahlaecan en het zweedsche 
ncUkas, naderen. Dat in naderen de d is inge- 
voegd, blijkt uit na, nadt^r^ naast. Ook in dit 
trequent. is het hoogd. nahem het regel noattgst 
gebleven. Vergel. voorts Ten Rate, II. ^243, an Bil- 
derdijk, Nieuwe Verscheidenh iV. JO. Dat bij ons> 
naken van ouds voor naderen gebezigd werd. moge 
uit een enkel werk geslaafd worden; Het Leven 
van Jezus, door Meijer uitgeg 118: Ende aise hi 
thuswert ghinc ende hus nakde, so hoerde hi de 
symphonie ende den dans. BI- 181: Nu naektcCoi 
ordeel van der werelt. En 232: Alst den avonde 
naekde, so (fuam een rike man en een etiel. 

Voor naderen heeft Dahnert een* anderen freqaent. 
vorm, t. w. nalen, d. i. tiore^len; men leest dien 
bij Hoefer, Denkm. Nied. Spr. und Lit. I. 21): 
Hebbe ik himdert gulden* gestolen^ 
Wil tk mit twintigen dem pdweste niklen. 
Zie de aant. hierop S. ^)t, waar meer voorbb. wor- 
den aangehaald. 

Opmerking verdient de uitdrukking zich vema- 
deren bij David, Vaderl. Uist. X. 387: naernuMte 
(tal het volk een dieperen afkeer opvatte tetfen de 
spaenschc heerschappy .. ver naderde het zich itH 
den prins van Oranje 

Bij Hooft is nar/er^iv eene soort van loopgi-aaf, fr. 
approche; zie het Wdb. des Inst. Ook nog bij 



401 



NADFREN. 



402 



Wageoaar, Vad. Hist. XVII. 343 : De Loopgraaven 
werden geopend^ de naademissen voortgezet En 
in De Gids, 1851, D. II. 335: gif) gen de Munater- 
sdien en K^ulenaars in twee nadernissen ntmr 
Groningen vooruit. 

Verouderd is mede naderheid, voor verwantschap, 
bij Kil. ook naderachap; Van Beverwijck, Schal 
der Ges. 119: uyt de naderheydt van dese materie 
(t. w. van het vleesch met het bloed) kan mede 
de gelijckheyt van de ghematigkeyt besloten wer- 
den. — haren is een bnw. voor naderen, buiging 
van nader; Van der Gruycen, De Spreeckw. van 
Salomo, 646: 
Een Maeghy een naeren Buer bethoon ick liefd\ 

en eer. 
Wij zeggen nu: een naasten btiur. 

Ongewoon is henacteren, in den door Weil. niet 
vermeiden eig. zin van naderbij brengen; Willinks 
Arast Arkadia, II. 222 : dat die van de stadt.. de 
einden van de gronden lyner heerlykheden ver- 
minderden^ door f iet benaderen en bebouwen der 
zelve met muuren enz. — Alsmede het ww. zich 
benaderen; Gampbuysen, Uytbr. der Ps. 07: 
Heeft misschien mijn brossche jeught 
Sich benadert tot het boose, 
Eo de afl. benadering in concreeten zin; Willinks 
a. w. II. 69: werkende ieder om 'tyverigst aan 
hunne benaderingen en schermwcUlen (t. w. bij het 
beleg eener stad; het fransche approches), — In 
abstracten zin is dit znw. aanzichtrakking, toe- 
eigening; De Jaarget. van Saint^Lambert, 59: 
Dien roof vervloekende, die goudbenaderingen, 
Door vrekken loos bedoeld by onderhandelingen. 

Nederen — Neden. 

Het prim. ww. neden heeft Benecke onder den 
vorm van niden, zinken, nederwaarts gaan, en de 
wortel van dit ww. vertoont zich in het angels. 
neothe, eng. be-neath, deensch en zweedsch ned, 
bij Stalder nid. Of de uitgang die zich in neder, 
hoogd. nieder, oudd. nidar enz. voordoet, een tee- 
ken van den comparatief is, dan wel van eene an- 
dere buiging, zooals in be-neden, sch'jnt niet uit- 
gemaakt; zie Graff, II. 986, en Grimms Gramm. 
III. 260, 6.:5. Zoo het een comparatief is, dan is 
de bet. daarvan verloren gegaan, blijkens ons ne- 
derst. Opmerkelijk is dat in het dialect van de 
Opper-Lausnitz hel wortelw. nihe luidt, waarvan 
ook niMg^ beneden waarts^: zie Anton, n\ X. 

Het zooeven gemelde adj. nederst is thans ver- 
ooderd; meu leest het b. v. Maerl. Spieg. Hist. 1. 18: 

So hout soe (t. w. die erde) die nederste stede 

Vanden viere elemetiten mede. 
Blommaert, Oudvl. Ged. III. 16: 



Doe wort Adaem sonderlinge 
Die nederste cdre dingen. 
Die d' opperste uxis te voren. 
Wolsschaten, De Doodt vermaskert, 87 : dat den 
ghene die tot het opperste gheclommen scheen te 
wesen, tot het nederste ghedaelt is. — Ook het adj. 
neder komt voor; Maerl Spieg. Hist. II. 238: 
Een neder coetkijn, indier gebare 
Alse oft een scip gewelvet ware. 
Aid. 240 (van een kerkje): 

So neder waert dat nieman conde 
Rechte gestaen daer in ter stonde. 
N. Reeks van Werken der L. M. III 161: 
Oec hoert dat uwe wandelinge 
Niet en si te sonderlinghe 
Met onwerden nedren Heden. 
En D. VU. St. I. 151 : 

Ne ware die minne cUtoes weiect 
Ende menegen bloeden coene moed, 
Ende meer den nedren hoge doet minnen. 
In de laatste voorbeelden krijgt het w. de over-^ 
drachtige bet. van gering; vandaar nederheid voor 
geringheid, lage staat; Poiiters, Heyligh Hof van 
Theodosius, 196: 

— tot een maeght van nederheyt 
Daelt met uw groote Majesteyt 

Zie wijders mijne Handl. tot de Staten-Overz. 70. 
Het WW. nederen kennen wij alleen met het voor- 
zetsel ver. Reeds Kil nam het niet op Doch 

Maerlant, Sp Hist. I. 84: 

Die coninc was ende niet te vuile 
Over Assyria, want macht ende ere 
Was ghenedert harde sere. 

D. II. 193: 

Die heileghe liede ten selven stondeti 
Hebbene gevaen ende gronden . 
Omme dat sine hoverdichede 
Ghenedert soude sijn daer mede. 

Aid. 281 : 

(Si) willen aHe kerstine itwingen, 
Nederon ende oec destruweren. 

Melis Stoke, I. 12: 

In sinen tiden uMren si ghetoghen^ 
De Neder Zassen, ende wilden poghen 
Te nederne de Roomsche ghewelt. 

Dus nog bij Wtenhove, Hond Ps. Dav. 94: 

— de dalen nedei'den hueren kop. 
Zonderling acht ik hel gebruik van benederd bij 
Coornhert, Odyssea, II 1M: 

— daer sy Ulyssem vont by, de doode cout, 
Beneedert van stof, bloet — 
De Dichter heeft misschien door dit w. het denk- 
beeld van »bedekt onder" willen uitdrukken. 



403 



NEERDEREN. 



404 



Neerderen — Neêren 

Het WW. t>emeerderen komt voor in den zin van 
vernederen^ d. i. verlagen; Levens van Plul. 429: 
nae dat de Lacedenioniensen de slacht van Leuctra 
verlooren hadden^ seer vemeerdert zijnde^ en de 
ghelt ghebreck hebbende^ enz. Aid. fol 490 verso: 
te bedwingen ende te verneerderen de raserny ende 
stouticheyi van eencleyn ghetal luyden. 

In den vorm kan het aangemerkt worden als het 
frequent, van vemeéren^ vroeger en later bekend 
voor vernederen ; zie Weil. 

Neuteren—Neuten 

In HofDiams Nagel. Geschr. 6, leest men: 
Wel^ Baria^ maid^ wat bin jy op'et^*aeliedy 
'Estrikty 'ekwikt, *eneuterd en 'efaelied! 
De bet. van deze boeren-uitdrukking neuteren weet 
ik alleen bij gissing te bepalen. In het oostfriesch 
bij Stürenbui^ is nötken een gestikte naad in kou- 
sen enz. Geneuterd zou dus kunnen beteekenen 
veel van zulke naden voorzien, eene bet. die bij 
bel voorafgaande gestrikt en gekwikt niet kwalijk 
voegen zou. 

Nieuwerea— Nieuwen 

Het frequent, ver-nieuweren leest men in Die 
Girurgio van mr. Jan Ypermans, 240: als dit warm 
wordt soe vernieuwert met kouden olie ende aisijn. 
En iii de Lev. v. Plut fol. 276 verso: eenighe oorsaeck 
om de (uytgeroeyde partye) te vernieu weren. — 
Deze vorm komt overeen niet alleen met het hoogd. 
erneuerny maar ook met het middelhd. niuwcren^ 
nieuw maken en worden Bij Hoefer, Denkm. II. 
139, leest men: 

PtHs si di, o Got, hilliger gêst^ 
De du unse herte vornijem dèst 

Nüferen— Nüfen. 

Dit frequent, komt voor in het vlaamsch dialect. 
Schuermans omschrijft het door Dniets kunnen ge- 
rust laten, altijd met iets bezig zijn, met een mes 
snipperen enz.'* De Bo door «Altijd bezig zijn met 
het een of ander te verzinnen en te knutselen, dat, 
hoewel van kleene weerde en belang in zichzelven 
nogtans werkzaam vernuft en schranderheid te 
kennen geeft." De eerste brengt het w. tot nijfe- 
len (zie dit w.); de laatste tot nijver^ IjvefHg. De 
verwantschap met nijfelen acht ik het waarschijn- 
lijkst De bet. van nijferen schijnt eig. te zijn ' 
met de handen kleinigheden verrichten; welnu, bij 
nijfelen^ kleinigheden stelen, vei*schilt alleen de 
toepassing, en het ald. aangevoerde prim. nij/en of 
niffen^ bij Schmeller wrijven, is bij Stalder «bij kleine 
zaken met nauwgezetheid te werk gaan,'* eene bet. 



die de omschrijving van De Bo nabtjkomt. Hier- 
toe zal ook behooren nivekot, wrijving, en niven 
abe^ zich ten nutte maken, beiden in het Gimbr. 
Wtb. van Schmeller. 

Nooijeren— Nooijen 

Bij de middelned. schrijvers vindt tnen de vol- 
gende plaatsen. Maerl. Spieg. Uist. I. 217: 
Uptie heidinen liet hi sijn striden 
Ende slouch die Jueden vemoyert. 
Het rijmwoord is: visiert, D. II. 109: 

Tfolc riep up hem ende geboerde: 
Verradre pape / moenc vernoyert ! 
Het rijmwoord is: vergiert. Ald. 118: 
Snachts quamen daer int graf 
Duvelen ende wildene bringen daer af^ 
Ende riepen: Wat doestu daer in? 
Vernoyert man in dinen zin! 
Een hier medegedeelde variant heeft: vemoifi. 
En 120: 

Wapene haddi gedraghen 
Onder den jongen Constant^jn; 
Daer naer onder den neve sijn^ 
Den vernoyerden Juliaen, 
Dez. Rymbybel, vs. 23478: 

Doe dat Hke hadde ontfaen 
Die vemoyeerde Juliaen. 
Niet minder dan vier andere Handschr. bebben 
vernoierde. Kausler, Denkmaler, III. 214: 
Heeft een rudder of een knecht 
De wapine met eeren gheantiert^ 
Ende ghehouden strijt ende ghevecht 
Up die heydine vernoyert. 
Melis Stoke, I. 425: 

— hets een vernoiert quaety 

Hi hevet met Heidinen ghesproken. 
En 430 (van den graat van Tripoli, dien men be- 
sneden waande) : 

Dies mochtement weten te bet^ 

Dat hi hem hadde vernoiert. 
Het rijmwoord is: ghevisiert. Karel de Groote,76: 

Hoe hi quam ane Agulande^ 

Die hem ere dede menegerande^ 

Ende hem vernoyerde mety 

Ende liet die Gods wet, 
Ald 91: 

Met luder stemmen so riep hi: 

Keert w, 'vemoyert pajin! 
En 101 : 

— alshi wedet* op gerde 
Quam een vernoyert paijn 
Ende staken dor therte sijn. 

Snellaert, Ned. Ged. 431 : 



405 



NOOIJEREN. 



406 



/o, gheestelijc ende ander met 
Sol vernoeyeren van sire wet^ 
Om den anxt vanden live. 
Die Dietsche Doclrinale, 242: 

— die hoeverdeghe mensche es 
Van Gode te male venioyeeii ; 
Want sijn herte en ghekeert 
Van Gode in al sijn doen. 

Der Leken Spieghel, II. 174: 

— rfese, die met hem spreken^ 
Sijn vernoyeert allegadere^ 

Want hare moedere ende hare vadere 
Ende hare maghe wareti heydijn^ 
Al ist datsi nu Joden sijn. 
Aid. 175: 

Dese spraken al ongheviert: 

Wine sijn niet ▼enioyiert. 

Bijbel van 1477, Exod. 34, vs. 15: a/s «i vernoyeert 

sijn mit haren afgoden. En vs. 16: 7ia dien dat 

fi vernoyeert sullen wesen, niet en doen dijnen 

9onen vemoyeren in haren goden. Ezechiel 6, vs. 

9: Want ie hebbe bedroeft haer noeyerer.de herte 

ende dat van mi wech gaet, ende ha^r vemoeye- 

rende oghen na haer afgoden —In deze pil. drukt 

het w. uit vrat in latere overzettingen genoemd 

wordt: de afgoden nahoereeren. De eigenl. bet. 

van het ww. is (God) verloochenen, van het (cbris- 

teliik) geloof afvallen. En dezelfde bet. had het 

w. in het middelhd. waar het onder de beide vor- 

men vemoieren en vemogieren voorkomt. Zegt 

Beoecke, dat bet w. zonder voorzetsel niet schijnt 

▼oor te komen : in ééne der aanhalingen boven uit 

deo Bijbel van 1477 gedaan, treft men zoodanig 

▼oorbeeld aan. 

O^er de afleiding van het w. is verschillend ge- 
dacht. Von der Hagen in zijn GIoss. op Der Ni- 
belungen Notb verklaart het door vemeugieren^ 
d. L uit afkeer van het oude naar wat nieuws 
staan; werkelijk bestaat er ook een ww. vemeu- 
geren^ sich vemeugemeny doch in een geheel an- 
deren zin, (. w. zich zat gevoelen door 't genot 
▼an 't geen men verlangde; zie Scbmeller. Hal- 
bertsma hield vemoyeren voor het frequent, van 
het middelned. vemoyen, d. i. verdrieten, doch 
achtte het liever onmiddellijk genomen uit het 
oudfr. noyer; Naoogst, 20. Prof. De Vries, Gloss. 
op I^r Lek. Sp. waarschuwde tegen de verwarring 
van vemoyeren met vemoy^ verdriet, en leidde het 
eerste af van het lat. negare. Zoo had Grimm 
reeds lang te voren tegen de verwarring gewaar- 
schuwd van verniugem met vemogieren^ en dit 
laatste als vundeutsch*' door reneqare verklaard; 
Graonm. II. 670. Beneckes Wtb; acht dan te recht 



het WW. verwant aan het lat. renegare^ oudfr. re- 
wot6r, renier^ doch voegt daar te onrecht bij het 
ital. Piojarsi en het fr. ennuyer^ die tot vet^noyen 
behooren. Moge men nu al in één der boven ver- 
melde plaatsen dit laatste met vemoyeren gelijkge- 
steld of daarmede verwisseld hebben, zooals men 
eenmaal vemooidheid voor vemooijerdheid aantreft 
in den delfschen Bijbel, Num. 14, vs. 33: uwe 
hinder... sullen dragen uwe vemoyheit. (D i. hoe- 
rerijen) — die verwarring was, wegens de gelijk- 
heid in vorm, mogelijk, en heft het wezenlijk on- 
derscheid in bet. en afkomst niet op. Als prim. 
werkw is op gi*ond van het aangevoei*de gesteld 
nooijen, letterlijk het oudfr. noter, bij Roquefort 
en anderen te vinden, in lateren vorm nier^ waar- 
van renier^ dat in bet. met vemoo\jeren gelijkstaat. 
De medegedeelde voorbeelden uit onze schrijvers 
doen zien, dat het ww. bij hen niet frequentatief 
is gebleven, maar later den basterduitgang eeren 
of ieren heeft aangenomen. Verreweg de meeste 
en oudste plaatsen pleiten voor eene verlenging 
van den uitgang in den trant van een ftequenta- 
tief, en dat men aanvankelijk in het w. geen bas- 
terdwoord zag, blijkt uit de schrijfwijze van ver- 
noiert, ook dan standvastig in acht genomen, wan- 
neer het rijm vemoyiert zou geèischt hebben Daar 
de voetmaat der verzen meebracht, dat de uitgang 
ert wel eens een* toon kreeg, kon dit lichtelijk aan- 
leiding geven tot de uitspraak van vemoieert en 
vervolgens van vemoyiert. Zie het opgemerkte 
hierover op Moeijeren. Dat men steeds den ver- 
lengden vorm koos boven dien van het pinm. ver- 
nooijen, was zeer natuurlijk; men kende en bezigde 
dezen reeds in eene andere beteekenis; waarvan 
zie op Nosteren. 

Nosteren— Nooaen. 

Bij Weil. is nosteren »een morrend geluid maken 
door den neus, in eene vlaag van ontevredenheid.*' 
De bijvoeging aldoor den neus" is waarschijnlijk 
alleen te danken aan eene vermeende verwant- 
schap van dit w. met noster^ in Groningen voor 
neus gebruikelijk. In het borgoensch is nosteren 
spreken; Belg. Mus. 1. 4h1 : Tein veendigen den bol 
en nosterden hem kiwig. D. i. toen kwam de vader 
en sprak hem schoon. -De bet. »nit ontevreden- 
heid morren" straalt ook door in het overijselsche 
nosteren, dat Halbertsma door »prevelen*' verklaart. 
Voorts is in het drenthsch noosterig knorrig, ver- 
drietig; zie Dr. Volksalm. 1846; en in het zaan- 
landsch nooselijk sprjtig; zie mijn N. Archief, 470. 

Ter laatst aangeh. pi. blijkt, dat in hetzelfde 
dialect het ww. nooien in zwang is voor spijten 



407 



NOSTEREN 



408 



en volgens De Taalgids, Vl. 310, in het waterlandsch 
voor hinderen, leed doen. Hoewel Kil het ww. 
alleen door nocere^ schaden, verklaart, is deifte 
laatst verm. bet. van hinderen, leed of verdriet 
aandoen, kwellen, plagen, de van ouds gewone. 
Dus in den Walewein, vs. 3580: 

WcU mach der scoanre jancfrouwen nosen ? 
N. Werken der L. Maatsch. V. ii. 91 : 

Sy sach haet* kint iteer ghenoet»t, 

Ontfermelijc sterven ende onghetroest. 
D. i. niet «beschadigd, gekwetst'* ; maar «gekweld '' 
Ën zoo versta ik het w. ook Theophilus, vs 924: 

Wie sal mi daer moghen vrometi^ 

aen wien aal ie daer soeken troost^ 

of mi God^ moeder noest; 

Gods moeder^ ja God selve mede^ 

si sijti op mi verMghen bede 
Het is geen ongewone voorstelling, dat God en de 
hier met hem gelijkgestelde moeder Gods den zon- 
daar om zijne zonden »plaagt of kwelt." Prof. 
Jonckbloet verklaart het w. hier door «aanklagen, 
beschuldigen," zie zijn Dietsce Gatoen, 41 ; eene 
beteekenis, naar ik meen, aan het w. geheel vr'eemd- 
Maerlant, Spieg. Hist. I. 277: 

Goede cruden ende oec die nosen 

Wassen te gadet^ — 
Hier heeft n:en de algem bet. van schaden; doch 
wederom voor leed doen, verdrieten, hindei-en, 
ald. 300: 

Mij noset sere dijn ongemac 
De variant heeft vemoyt En III. 249: 

— alle die ghene die wilden nosen 

Met gewelde den paues Formosen^ 

Daer hi mochte^ dedi vaen. 
Blommaert, Oudvi Ged. III 7!: 

— een kerstijn 

Mach dor houwen 't sonnesch^n 

Dat hem deert of nose. 
Snellaert, Ned. Ged. uit de veert. Eeuw, 8: 

Also de motte die cledere knaget, 

Ende die worme dat hout doer et^ 

Also ghelijc noest ende let 

Droefheyt des menschen herte. 
Leven van St. Amand, L 37: 

Helich vader^ goeden troost 

Hotddic te doene^ want mi noost 

Groote saken in dit leven. 
Belg. MuB. IX. 9ii : 

Dies syt mi gutistich van dat mi noest 
Hor. Belg. lU. 81: 

d€Utie hliaui ghelijc was den rosen 

entie nature minst soude nosen. 
Marieken van Nijmegen, 13: 



MariOj daer ie na heet^ dat is cU mijn troost^ 
En mijn hope; want als my iet grieft of noost, 
Roep ie terstont op hoer — 
D. i deert of hindert. Meer in den zin van be- 
schadigen of leed doen is het in den delfschen 
Bijbel, Dan. Ü, vs. 23: hij hevet der leeuwen mon- 
den besloten ende si en hebben mi niet geneest. 
Gonstthoon. Juweel, 503: 

Ghedenckt aenden verdruckten swaer 
Als meed' verdruckt, verstooten^ 
Daerom u arme leden troost^ 
Dat hen ghébreck u mede noost. 
Goornhert, Odyss. I. 82 verso: 

— Doe lieeft my heurder ontbermten ghenoost 
Bodecheer Benningh, Leydsche Oorlofdaghen, 78: 
't Is recht dat dese dood u op het hooghste nooet. 
BI. 13Ör 

Somtijts wanhoop^ somtijts troost^ 
Wiens verstooringhe my noost. 
Oudaan, Ged. 206: 
Het nozende gemoed nioet ook zyn troost ge- 
beuren. 
D. i- leedgevoelende. Dez. dichter heeft een subst 
nozing voor leedgevoel, Poêzy, I. 319: 

Wadit, Schilder, wacht u wel, met Hdd De WUt 

te maleny 
lel van zyn levenslot te toanen in 't verschiet; 
7 Zy 't Haagsche foltertuig, of Chattams zege- 
pralen: 
Want d%t gedoogt de Nyd, 'en dat de Nozing niet. 
Dit nozing komt bij Kil. niet voor; evenmin bet 
WW. vemoozen voor leed gevoelen, zich ontfermen, 
dat ik aantrof in het Gonstth. Juweel, 64: 

Dus gae ick neder sitten in desen Kercker ge- 
scholen. 

Misschien wie hem myn^ arme oude mcut^ ver- 

noost 

Ald. 79: 

Ick worde seer beweecht,., 
Maer in sonderheyt in dien mijn van desen man 

vemoost 

Wel heeft Kil., en in denz. zin als noozen^ bet ww. 
t/enoozen; H welk reeds voorkomt in de Brab. Vees- 
ten, II. 34: 

{Ghi) baedt hem begherlike 
Beide om htUpe ende om troest 
Ende om succoers; want ghi benoost 
Ende belast waert seere in desen. 
Voorts herhaaldelijk bij de rederijkers; Antw. Spe- 
len van Sinne, 320: 

Uwen naem unit ons segghen openbaerlijck 
Midts dat wy eenpaerlyck tsamen zijn benoost 
Van Rijssele, Spieg. der Minnen, 80 verso: 



400 



NOSTEREN. 



410 



Den benoosden in Venus 8tric ghetoghen. 
Aid. 110: 
fJodUer^ roept oen den almoghenden Godty 
Die noyt zcndare en liet benoost. 
Uoawaert, De vier Wtersta, 52: 
Gomt ick 9al u hulpen spreeckt ( God) totten be- 
noosten. 
Aid. 56: 

Moer doen wert ick van den twijfel benoost. 
Dex. Lusthof der Maechden, I. 190: 

Vree$e en hope doen veel Minntiet^» ben oost leven. 
En IL 138: 
Dies ick bednu>kt^ benoost, vol desperatie 
. Ben, eUs eene die hert, moet, noch zin en heeft. 
De wortel van noozen is nooze, welk subst. bij 
onse Ouden in meer dan ééne bet. voorkomt; dus 
Van Velthem, fol. 124: 

Want hi daer over sonder dere 
O ft sonder enige nose reet. 
D. i. hij trok over het water zonder leed of hinder. 
Evenioo Taalk Mag. IH. 189: 

— want doe ie die roee 
Pluchen waende sonder nose, enz. 
Nose hebben is verdriet, leed hebben; Vermeulen, 
Vanden Lev. ons Heren, vs 1280: 

Langhen tiji hadden deae noese, 
Die vcUêche joden ende die géboee, 
Dat sine en mochten betrapen niet. 
In noee kotnen is in leed geraken ; Van Velthem, 
fol. 236: 

Hi was op ten Coninc al te stout, 
Ende was leitsman van den Franaoysen^ 
Hier om quam hi in dese noysen. 
In die mme brengen is m het leed storten; ald. 
foL 240: 

So geviel een grote daett 
Den Vlaminge tegen die Fransoyse; 
Want menige bracht si in die noyse, 
Die d€ur bUdelike quamen. 
Hor. Belg. XI. 2: 

Ghi waert die eerste glose 
die mi brochte in nose. 
Sose maken is schade aanrichten; Van Velthem, 
foL 230: 

Die Coninc beocU... 
{Dat) hi met hem name Fransoyse, 
Ende daer met Vlaendren dade noyse. 
En nose doen verdriet veroorzaken; De Gasteleyn, 
Div. Liedekens* 48: 

Mocht ick hoer zelf doen een vertreck, 
Ick waer ghenesen: 
Alleen dit regaerdt ' 
Doet my veel nosen. 



Zooals ook nose beteekent leed, verdriet of |)ijn; 
Blommaert, Oudvl. Ged. U. 17: 
Hi leet wel groete nozen; 
Ap d' een zyde was hi vervrosen 
Dor vleesch ende been e; 
Up d" antier zyde van den steen e 
Verbrande hi vcm hitten dan. 
Jan Praet, Speghel der Wijsheit, 6: 
Helpt ons hier uut desen noze, 
dat wi daer boven moeten comen. 
Dr Verwijs. Goede Boerden, 32: 

Vrouwen gunst, hoer lieflic zien 
Doet vergheten menighen nose. 
Dan, nooze beteekent bij Kil. ook twist, gekra- 
keel, fr. noise, en vooiis geraas, in den Lancelot, 
B. IL VS. 389(5 : 

Si maecten sulke nose doe 
Ende sulc geruusch onder hen oUlen, 
Dat sceen dat dat paleys soude vallen. 
En B. IIL vs. 7154: 

— hi horde omtrent hem daer 
Soe groten luut ende nose daer naer, 
Ofter die duvle vander hellen al 
Waren — 
Zie voorts het Gloss. op Der Leken Spiegh. en andd. 
Aan het ww. noozen is \erwikni noozen, noemen, 
bij Kil. schaden, benadeelen, verhinderen, leed aan- 
doen, meer gewoon vernoegen, vernoegen; dus 
Lancelot, B. II. vs. 1900: 

WcUewein sprac: En waendic u niet moyen 
Ende u niet en wilde vemoyen, 
Ic soude u vragen enz. 
Maerl. Sp. Uist. I. 261 : 

Noyt vemoyede hare des aermen. 
Ald. lager: 

Die nidech es hine caent gedecken. 
Hem ne vemoyet in sinen moet 
Dat een ander hevet goet. 
En 456: 

Ghenouget hem diet maken hiet, 
Sone vemoyet mi der pinen niet. 
Kausler, Denkm. III. 215: 

Hoe wel hi leeft ofte hoe redéUke, 
Of hoe eersam hi es becant. 
Men salse vinclen diet vernoyen, 
Mids datsi zijn der duecht contraer. 
Numan, Strijt des Gemoets, 48 verso: 

— Lancmoedicheyt die haer niet hoest en vernoey t 
De Harduyn, Goddel. Wenschen, 248: 

Dxs al het ghen* u mocht vernoeyen 
Soud^ ick bepoogiien uyt te roeyen. 
Hou waert. Lusthof der Maechden, II. 340: 
Meer daer af te schrijven zou my vernoeyen. 



Mi 



NOSTEREN. 



4i2 



Van der Gruycen, De Spreeciw. van Salomo, 651 : 

De aolders al verrot, en heel liet huys heklat; 

Waer van de weirt vernoeyt, loopt woonen in de 

kelder. 
Van Teylinghen, Paradijs der Wellust. 155: di>en 
vernoeyde het Jonas meer, dat hy teghen den sin 
van sijnen Oversten hem gheneghen ghetoont hadde 
om den boom te behouden, — Op de meeste der 
aangeh. pil. zouden wij het w. vervangen door 
verdrieten, vervelen, en vemooijen is dan ook 
één met het fr. etinuyer, oudfr ennoier, dat even- 
zeer schaden, benadeelen beteekende als ongedul- 
dig worden; eng. to annoy, hinderen, kwellen. 

Met het fr. subst. ennui, oudfr. annuy, anoi, 
eng. annoy, komt overeen bet nederl. vemooi; Maerl. 
Spieg. Hist I. 55 (muggen): 
Die lieden ende beesten 
Pine, vemoy ende vele scaden. 
Bilderdijk, Taal- en Dichtk. Versch. I\. 131 : 
So dicken hebdi mi beradepi 
Suaer vernoy ende scaden, 
Blommaert, Oudvl. Gred. II. 33: O Christus... hoe 
groot vemooy hebdi mi geopenbaert ende ghetoocht.., 
ghi hrbt mi weder brocht van den afgronde van 
der hellen. Sin te Fmnciscus Sou ter, 132 : ghi ver- 
drijft alle vemoy en ghi vernielt die doot. Delf- 
sche Bijbel, Gen. 10, vs. 11 : du suist e sinen noem 
heeten ysmahel: om dat god dijn vemoy gehoert 
heeft. (De Statenoverz. heeft hier » verdrukking''). 
Gap. 31, vs. 42'. Mer god aensach mijn vemoy 
ende diepine mijnre handen. (Statenov. velende"). 
Gap. 35, VS. 3 : den here... die mi ghehoerde inden 
daghemijns vernoys ( 9 mijner benaauwdheid";. Exod. 
2, VS ii : so ghinc wt tot sinen broederen^ ende sach 
hoer vemoy (»hare lasten"). Job 5, vs. 19: Hi sal 
di verlossen van ses vernoeyen (»benaauwdheden"). 
Everaert, Politica van Justus Lipsius, 234: Veel 
oorlogen... sijn deur vernoey ende dralinghen ver- 
dwijnt gheweest. BI. 253: wat verwacht ghy an- 
ders dan vernoey uyt de verlengingef Van der 
Gruycen, a. w. 327: Hy sit gheduerich f huys, en 
sit daer met vernoeyen. — Vandaar bij denz. 246* 
hét on vernoey igh wercken. 

Het znw. vemoeitsel in den zin van K.iliaans 
vemoei hebben de Antw. Spelen van Sinne, 303: 
— Bhetorica die elcK gheeft voeytsele 
Sonder vernoey tsele, weerdich om prijsen. 

De verwantschap van nooijen met noozen blijkt 
uit benooid, dat voorkomt in den zin van het boven 
meermalen aangeh. benoosd, d. i. benauwd, ver- 
drukt; D. Wai*ande, IV. 1.52' 

Op dien doch Godt almachtich 
Tgebedt zijns volcks benoyt 



Aenhoorendj heeft seer kraehtich 
Dees groot Armey verstroyt. 
Doch onze '-ederijkers kenden benevens benooijen 
en benoozen, nog een' anderen vorm, die hetzelfde 
beteekent, hoewel ik dien nergens vermeld vind, 
t. w. benogen; dus De Gasteleyn, Div. Liedek.22: 

Midts haer bruyn oghen Moet ick ghedoghen 

Door tswaer benoghen, druck ende pyne. 
Dez. Konst van Rethor. 135: 

Oorlof, schoon Lief, ghy waert eens mine 

Eens, mach ick veel segghen duer tswaer be- 
noghen. 

Want vuertijts haddick d' opsien dijnder oghen 
Aid. 90: 

Och Adam, eerste vader verstandich, wys, noch 

vroet, 

Ghy die voor allen mannen waert verhooght. 

Hebt ons allen zeer benooght. 
Gonstth. Juweel, 3«1 : 

den armen nootdruftighen al is hy benooght, 

vercoopen H caf voor coome — 
Aid. 380: 

Den benoochden deelt milde, spaert geit noch gout. 
En Van Mander, Oiijfbergh, 113: 

Maer als u noot of commer heeft benoocht, 

U toevlucht was tot my van gantscher herten. 

Nuddaren, zie Nusselen. 



Oohtereu— Ochten. 

Ochteren is in Schuermans' Idiot. tden avond 
koutend doorbrengen btj zijnen buurman." Hen 
is genoopt hier te denken aan een frequent, van 
ochtetx, een door Bilderdijk aangenomen werkw. 
waarvan ochtend of uchtend het deelw. is; zie de 
Verkl. Geslachtl. 11. 286. Voorts wete men, dat 
uchte in het osnabnigsch en ditmarsch dialect, niet 
alleen den morgen, maar ook den avonsiond aan- 
duidt; zie Strodtmann, en vooral Outzen op Ochtem. 
Het vlaamsche ochteren zegt dan zooveel als auon- 
dtn, bekend in kortavonden^ d. i. den avond door 
een bezoek korten. 

Oekeren— Oekea. 

Oeken (welks wortel wij in ons voegw ook heb- 
ben) is in 't lat. augere, goth. aukan, oudhoogd. 
auhhon, middelhd. oucheti, nedera. (bij Tiling, V. 
433) oken, angels, eacan, zweedsch oka, eng. to 
eke, allen in de bet. van vermeerderen. Van oeken 
vindt men een voorb. bij Van Hasselt op Kil. en 
een ander bij Weil. Zoo leest men ook bij Oudaan, 
Roomsche Mog. 45: de Duytsche keyteren^ welke 
schreven Altijds ookende, welk werkwoord nu by 
ons uyt het gebruyk geraakt is. — De Teuthonista 



413 



OEKEREN 



414 



heefl okken, en Kil. oeker voor woeker, dat ook 
bij De Bo voorkomt 

Het frequent, oekeren koml alleen voor in Mei- 
jers Woordenschat; Kil. kende het zoo min als 
Ten Kate, II. 670. Het w. komt intusschen in het 
«estvl. dikwerf voor met den zin van sterk en 
spoedig vermeerderen, met velerlei toepassing; dus 
lee-t men b^ De Bo, Ged. 143: 

'f Plankiet ook ligt van kruiden groen 
Die oekren zonder zaaien» 
Zie het Idiot van De Bo, 't welk ook de afl. oeker^ 
(lekeraar en o^kerij vermeldt. De Bo en Schuer- 
mans beiden hebben aanoekeren en de eerste mede 
own toekeren^ voor toenemen, vermenigvuldigen. De 
laatste vernaeldt ook do vormen noekeren en fioeke^ 
ren^ waartoe behoort hoeker^ bij Kil. woeker, doch 
tevens woekeraar of uitventer, eig. huckster. Zie 
voorts Woekeren. 

Oorkonderen— Oorkonden. 

Dit frequent, leest men in een pamflet over Al- 
vaas belasting van den tienden penning, in den 
Messager des Sciences Uistor. 1848, p. 291: 

Den XXIIIen^ noyt zulcke unmderen! 

Leide die stadi brouwen — hoirt myn orcon- 

deren! — 

Tot acht steden^ aldaert die heeren begeerden. 
Het WW. oorkonden was vroeger algemeen in ge- 
broik voor bekend maken, getuigen; zie Kil. en 
Weil. Daarom slechts enkele voorbb.; Passionael, 
Someratuck, fol. 72: want die predicaren oercon- 
den dat sy sagen nedercomen licht vanden hemel 
Hoofts Ged. fol. 30o : 

Daghtverkf dat^ in weenigh stonden^ 
Komt kompas en streek oorkonden, 
Chn te doen beJumde reis. 
De Groot, Bewijs van den waren Godsd. enz. 29: 

Jae sy beroepen hoer seer vry met open monden 

Wel op vijfhondert luy^ die sulx met haer oor- 
konden. 
En 2:66: 

Wy hebben 't selfs aenschout, hetwelk wy ook 

oorkonden. 
Vandaar ook beoorkonden^ dat men in het geldersch 
dialect aantreft bij Tadama, in de N. Reeks van 
Werken der leidsche Maatsch. X. 220: Dyt ge- 
schach aiêomen bynnen Borhen... dar by weren 
Herman (enz.) de dyt medegeseen unde gehoirt 
hedden^ dar an de twee vryen... dat beoerkundet 
bedden. — Het znw. oorkonde is getuigenis; Pass. 
Som. fol. 87: sy brochten tvingei*linck ende den 
enen hantsehoen weder ende die coster hielt den 
anderen tot oerconden van desen dinge. En fol. 
139 verso: tioet haer dat dienstwijf brenghen die 



si seit dat oerconde is van die misdoet — Zoo ook 
oorkondschap; Pass. Winterst. fol. 162: iohannes 
seit: Du geves oerconschap van diselven ende dijn 
oerconschap en is niet waer, — Oorkonder is 
iemand die getuigenis aflegt, Vtaerd. Redenr. 81: 

Och Reden! ick gevoelt al wel zo gy zijt oor- 
konder, 

En bevinde al u woorden wel te wezen waer 

Voor oorkonden zei men vroeger dikwerf ar* 
konden^ zie ond. and. Glignetts Bijdragen, bl. 24 
en volgende. Vandaar het bijna onherkenbare o»*- 
kenen ; Van Velthem, fol. 1 : 

Want u wel georkent es^ 
Dat enz. 
Waar Le Long te recht aanteekent: bekendt is ge- 
maakt. De afleiding oorkondschap vordt orcond* 
scape, Belg. Mus. VI. 297 ; oreonsscap^ D. V. 97; 
orconscepe^ Halbertsma, Aantt. op Maerlart, Inl. 
bl. 126. En eindelijk orkenschap^ Serrures Mus. 
D. II. 425. 

Men heeft, in goeden ernst, oorkonde afgeleid 
van het trekken bij de ooren, dat in stede van de 
latere schriftelijke overdracht, plaats had bij den 
verkoop van onroerende goederen; zie Van Bleys- 
wijck, Beschryv. van Delft, 752, en De Rooy, 
Taal-, Oudheid- en Oordeelk. Mengelstukjes, 30. 
Tuinman achtte oorkonde te zijn overkonde, d. i. 
een groot en gewichtig getuigenis. BUderdijk, 
Verh. o. d. Gesl. 371, hield oorkonde voor waar- 
konde^ d. i. konde ter waarschuwing; doch later 
voor verkonde^ welke laatste verklaring met die 
van Adelung en Weil. overeenstemt. Het voor- 
voegsel oor is een partikel dat in 't goth. us, oudhd. 
ar^ er, ir^ middelhd er luidt en in 'thoogd. en 
nederl. met er en ver verwisseld wordt; zie Grimm, 
Gramm. Il 787, en Meyer, Die Vor- und Nachsyl- 
ben der hochd. Sprache, 43 en 106. 

OoBteren— Oosten. 

Volgens Weil. is oosteren veen woord der zee- 
lieden: het kompas oostert. wanneer de naald, on- 
der sommige hemelstreken, niet vlak het noorden 
wijst, maar eenige streken oostwaarts afwijkt." In 
de mij bekende Zeemans woordenboeken komt de 
uitdrukking niet voor De vorm van het woord 
heeft niets onregelroatigs; van het znw. oost kan 
men zich een ww. oosten denken, en van dit een 
frequent, oosteren^ dat hier het denkbeeld van ver- 
kleining schijnt in te sluiten: een weinig oost- 
waarts gaan. 

Opperen— Oppen. 

oppen wordt door Bilderdijk »een verouderd of 
verloren werkwoord" genoemd, Nieuwe Verschei- 



415 



OPPEREN. 



416 



denh. JV. 31. In de verwante talen komt het on- 
der verschillende vormen voor. Het eng. heeft to 
op en to oppy^ bij Halliwell voor verheffen, op- 
lichten; het angels, uppian, oprijzen, oudhoogd 
ufoit, middelhoogd. ufen^ in de hoogte brengen, 
opwaarts voeren, ophoopen, hoogd. au f en. Zie 
Grimms Wtb. Bij Von Schmid is auffen vermeer- 
deren, doen gedijen. 

Van dit aufen of auffen is bij Schmeller du/fem, 
tot beteren staat opvoeren en bij Stalder dufnen 
in dezelfde bet doch ook vermeerderan, ophoopen 
(schatten bij voorb.). Ons frequent opperen wordt 
gebezigd voor eene zaak opwerpen, ophalen, te 
berde brengen; De Denker, Vl. 100: het opperen 
ffan zwarigheden, Aid. 138: dat ik., een denkbeeld 
opper. Brender k Brandis', Magazijn, I. i(tö: In- 
tueschen zyn 'ei* verscheide zvoaarigheden.-. geop- 
pert. Van der Palm, Al de Leetred. XIII. 273: 
daar niemand eene vrcmg durfde opperen. Stuart, 
Vad. Hist. III. 345 : eenige zwarigheden te opperen. 
Van Oosterzee, Gedachtenis, 101 : het opperen van 
zulk eene vraag. — Zie Weil ; ook wel voor uiten ; 
Van Hengel, Leerred. III. 323 : Wie slechte de waar- 
heid lief heeft^ tcU geene klagten meet* opperen. — 
En voor op hoopen zetten; Den Nederd Helicon, 
230: het lange groene gras af mc^en^ ende dat 
ordentl^ek by regels afleggen om ^leelve in dorre 
hoy te doen veranderen... ende dat drooghe z^jndey 
dat opperen, op den waghen laden, fierkhey. Nat. 
Hist. van Holland, IX. 196: De hoerenmeiden en 
jongelingen herkepi of halen het drooge hooi. . bij- 
een, en leggen het op hoopen^ hetwelk zij opperen 
noemen. — Volgens De NaYorscher X. 379 en 380, 
is in Zuidbeveland opperen en veropperen »er bo- 
ven op komen in kleéren, geld enz." In Noord- 
holland is blijkens Boumans Volkstaal enz. opperen 
•beteren, winnen, vorderen." In de omstreken van 
Axel is veropperen «vooruitgaan, zoowel in gezond- 
heid als in tijdelijk vermogen"; zie mijn Archief, 
II. 194. Hooft bezigt aanopperen voor aanbrengen 
op eene plaats; zie het Wdb. der Ned. Taal, i. v. 

Orderea— Orden. 

In plaats van het gewone ordenen bezigt Berk- 
hey, in navolging van het eng. to order^ orderen; 
Zeetriumph, II. 454. 

— gijyó Heeren! dat uw gunst de plicht hetracht^ 

Die uw Raadsheerlij kheid in Stoeten name vordert; 

Beschik toch^ mij tei* gunst, dat alles zij geordert. 
Bilderdijk volgde dit na in verorderen; Ovidius' 
Gedaantverw. 47: 

Uu) lat is sterflijk; maar onsterflijk H geen gy 

vordert^ 



Ja meer dan 7 Godendom door *t noodlot werd 

verorderd. 
Zelfs leest men bij hem in proza onordering; Redev. 
van Ghrysostomus, 5: onze beschouwing en rede- 
kaveling^ die schoon zy duizendwerf het genot van 
de orde heeft, zoo lang zy de onordering en ver- 
warring in haar zelve niet te recht brengt, van 

■ 

die orde der dingen geen genot hebben kan — 
Ja ook het ww. komt in proza voor bij Glarisse, 
Voor Jongel. II. 45: den Mensch^ die tot edeler be- 
stemming., verorderd is. 

Wij onderscheiden orde van order, hoewel Bil- 
derdijk ze gelijkstelde, Gesl. II. 30b, en om het 
rijm het laatste voor het eerste bezigde, De 
Mensch, 84: 

Des Hemels eerste Wet is regelmaat en order. 
Spiegh Hartsp. 67: 

Het minste wijk^ voor 't meest naar aUer din- 
gen order. 
Deze ^orm komt overeen met het fr. ordre en het 
eng. order De r schijnt bij orde in- of aangevoe^rd. 

Een primit. ww. orden zie men op Ordenen. 

Ouderen— Ouden. 

Kil. heeft het ww. ouden en Weil. geeft daar 
van een voorbeeld, in den zin van oud worden. 
Halliwell heeft to elde voor oud worden en oud 
maken, en het hoogd. alten voor oud worden. Ge- 
woonlijk bezigen wij het ww. met ver; Statenb. 
Jes. 51, VS. 6: de aerde sal als een Ac/eel verouden. 
Luc. 12, VS. 33: buydels die nte/ verouden. Enis- 
raus, GoHoq. Famil. 276: het ghene dat., door een 
langdurigh gébruyck bevestight zijnde, veroudet. 
en als in de nature verandert is. Vondel, Lu- 
cifer, 11 : 

— wy verouden 

In onzen duur; ghy nimmermeer. 
De Haes, Stichtel. Ged. 12: 

Myn vleesch is bar en droog, myn huid geheel 

veroudt. 
U. H. Klijn, Nagel. Ged. 43: 

Ja, wij juichen in een' zegen, 

Wien geen zwaai des tijds veroudt. 
Ten Kate, Dichtw V. 315: 

Die dingen vonden in mijne oogen nooit genade : 
Ze zijn geen mode meer, ze zijn totaal veroad. 
De frequent, vorm zonder ver, zooals men dien 
in het hoogd. altem, oud woiden, en dltem, oud 
maken, aantreft, is mij voorgekomen bij Trip, Tyd- 
winst, 43: 7 kort verloop der ouderende waerM 
Van Alphen, Dichtw. I. 25: 

— de rimpels gelijken. 
Die *t gladde van *t ouderende aanzigt doen wijken 



417 



OUDEREN. 



M8 



Mat bat voorzetsel is hij de meest gebiniikelijke 
van alle, b. v. Kausler, Denkm. IL 575: 
AUt evel wtui «o soude went weeren 
Ini he^ifif eer het nuush deeren; 
Want en wert ment niet bi tide, 
Ende het verboudert bi langhe bide, enz. 
Statenb. Job 14^ v8. 8: Indien sijn wortel in der 
aerde veroudert. Ps. 3% ys. 3: Doe iek sweegK, 
vntrden mijne beenderen veroudert Levens van 
Plul fül. 255 verso: Aufidins... de welcke ., ver- 
ouderde ut een veracht dorp. Poot, Ged. L 23: 
Zyfn bloeiend ryk zal noit verdorren^ noit ver- 
ouderen. 
Men vindt bel ww. ook in bedrijvenden zin, an- 
ders oud maken; Berkhey, Nat Hist van Holl. IV. 
I. 174: Zulks maakt de paarden wél schoon,., maar 
het veroudert ze tevens vroegtijdig. Mina Krose- 
man, £en Huwelijk in Indiê, 90: wit satijn met 
itdU... tiet gij — dat veroudert. 

Opmerking verdient de uitdr. ingeouderdy die 
ik aantref in Van Nievelts vert. van Macbia veile, 
Prince, 52: gestij ft door de ingheouderde wetten 
wn de Chrisitemcke Religie — Andere afleidingen, 
bij Weil. niet voorkomende, ontmoet men. Ten 
Kate, Dichtw. I. 52: 

'k Blijf oDverouderd als mijn smarte. 
Van Vloten, Bekn. Geschied, der Ned. Letteren 
(2e druk), 388: Met on verouderde en onverouder- 
^n frischheid. 

Een andere bij ons onbekende frequent, vorm 
is het hoogd. alteln, oudhd. altilon^ middelboogd. 
eUeien; zie Grimms Wtb., bij SchApf alteen. 



Paderen— F^uien. 

Men ontmoet dit frequent in Thirsis Minnewit, 



II, 

Laat ons te zomen vergaderen^ 
Daar het kruyd Moeeldrvg groeyd; 
Ach! 4Mch! komt laat ons paderen, 
Daar het gras weeldrig groeyd 
Hoewel het woord als rijmwoord voorkomt, i^ het 
nogtans om dat rijm niet gemaakt. Het bestond 
in meer dan één verwant dialect. Bij Kehrein is 
f«cfem, padehem, patchem. op- en nedergaan en 
xoo iets plat treden; verpadem, plat treden. Bij 
Schmidt heotipeuiem^pahdem en verpadem dez. bet. 
Het primit. paden komt voor in het neders ped- 
den, met voeten treden: bij StOrenburg ook pad- 
den; eng. to padj zacht gaan, bij Ualliwell topath^ 
een pad volgen. 

Een ander frequent is paddeln, bij Danneil her- 
bjaldetijk op of in iets treden; eng. bij Halliwell 



to paddie, met de voeten stampen, anders gewoon- 
lijk, bij uitbreiding, met voeten of handen in 't wa- 
ter plassen. 

Pamperen— Fampen. 

Bij Schuermans en De Bo is pamperen kwee- 
ken, voedsteren, koesteren, teederlijk bezorgen; 
wat ook het eng. to pamper aanduidt, voor H welk 
Halliwell mede to pamp heeft. Zie wijders Pam" 
pelen. Ghambers verklaart het eng. w. te recht 
door op pap te wijzen. 

Paiueren, zie Fangelen. 
Parleflauteren— Farlesanten. 

In De Navorscher, IV. 331. wordt parlechante- 
ren eene »zeer gemeenzame uitdrukking*' genoemd. 
Zij is aan te merken als het frequent, van het niet 
onbekende parlesantenj d. i. vloeken, zweren, ge- 
smeed naarde spaansche uitroeping /Kirto^aontof/ 
d. i. bij de heiligen. Men leest dit bij Focquen- 
broch, Werken, I 2(M : 

Bevond ik my te schelms bedroegen, 
Mids ik myn vrou daar niet en vond; 
Hoe teeg ik niet aan 't parlesjanten ? 
Wat maakten ik niet al misbaar? 
In het blijspel De Malle Wedding of Gierige 
Greeraard, 53: 
Ik parlesjante flus^ en streek je lustig deur; 
Maar ekskuzeer me, ^tis myn schuld — 
De Gelyke Twelingen, 70: 
Hy vloekte^ en parlesjante, en raasde als een' 

sehotsche trommel. 
Van Effen, Holl. Spectator, VI. 57 : het was een 
klucht al die Wacdinnetjes»,, onder en tegen mal- 
kander te hooren parlecfaanten om de praeferentie. 
Bildeitlijk, Nigaarsbl. I. 163: 
— of Tante Parlesantte Als men cuxn haar kof- 
fer kwam; 
Uitgeheven, En versteven^ Ligt zy als een schaap 

zoo tam. 
De Dichter doet, ald. itVS, opmerken, dat de ver- 
franschte uitspraak parlechanten verkeerd is. 

Eene verkorting van parlesanteren kan zijn san- 
teren, senteren, dat het Alg. VI. Idiot heeft voor 
vflauwen praat vertellen, razen;" doch in dat ge- 
val is de bet van » razen" gepaster dan die van 
»flauwen praat vertellen"; bet eerste toch wordt 
vaak met » vloeken" saamgevoegd. 

Parteren— Parten. 

Het frequent, parteren leest men bij Goornhert, 

vert. der Odyssee, II. 123: 

Ulysses werdt in 't deelen, met hun ghelijck ghe- 

parterd, 

Sulcx was des Telemacfii, zijns lieven soons gebodt. 

14 



41« 



PARTBBEN. 



490 



D. i. bedeeld, toebedeeld. Het ww. part&n is bij 
Weil. in gemeenzamen stijl bedrij vend: iets ver- 
deelen, en onzijdig: aan iets deel hebben. Kil 
spelt pcierten^ het eng. to part<,heimidde\hd, par- 
tieren, overeenkomende n^t het oudfr. partir^ nog 
over in départiry uitdeelen, verdeelen 

Pauteren, zie Foteren. 
Pa veren— Paven 

In het Belg. Mus. VIL 92, leest men : de broe- 
dere ende de zuatre hébhen houde finnerie ende 
nieuwe^ ende dormen (d. i. slaapsteden) ende reeftre 
(eetzalen),' end» at datier toehehofyi^ ghepavert, 
beneden ende boven^ ende met glaeaveinstre. — Dit 
ÏH het deelw. van paveren^ bij Kil. pavenen ^ pla» 
veijen^ met vloersteenen beleggen, die voor pavei- 
steen ook als vhiamsch paversteen opgeeft. Het 
primit. paven hebben het fransch in pavet^ en het 
eng. in io pave. 

Voor plavei heeft De Brune plavija^ 't welk Kil. 
niet kent, Bancketw. II. 305: dat ick hem, met het 
herte, op de plavijsen leggen zal, en hacken hem 
zoo kleyny als pastey-vleesoh. 

Feinsteren, zie Peisteren. 
Peisteren— PeisBen 

Slechts in één dialect is mij het primit. wiv. 
peizen voorgekomen, t. w. in het osnabrugsch bij 
Strodtmann, die verpeisen en verpasien heeft voor 
»het vee te veel voeder geven," d. i. zooals vtrij 
zouden zeggen, meervoeren. Peizen, pazen^ is blijk- 
baar van het lat. poseere, waarvoor het öudfr. 
pastre, paistre, nu paitre heeft, hetwelk met ons 
peisteren overeenkomt. Dit t>eteekent, evenals het 
lat. pascere, in de eerste plaats weiden; Lancelot, 
B. II. VS 23595: 

Hi beette neder vanden perde 
Ende ginc liggen op die erde 
Ombe resten, alse die moede was, 
Ende liet sijn pert peysteren int gras. 
B. III. VS. ii624: 

Hi beette var enen popelier daet*, 
Ende liet sijn poert peisteren daer naer 
Vervolgens voeden in het algemeen, zoowel van 
menschen als van dieren; a. w. B. II. vs. 18800: 

^den vulen slangen. 
Die mijn vlescn hebben bevangen 
Hen Ie peysteme daer mede. 
Kauttlei., Denkmaler, UI. 58: 

6'ome gaen messe horeriy 
Dan ioepeti si, 4Ü9 wikte dieren, 
Haci' vlvesdi peysteren ende aysiereèi, 
bmte Fianci^cus bouter» 136: ie coem lot u als 



een soaep tot sinen herder, here, weghei (d. i. leid) 
mi ende peistert mi. 

Bij overdracht kreeg peisteren de bet. van zich 

ontspannen, verpoozen; dus Huyg. Korenbl. 11.220: 

Vei^leeght uu' besigheitomhierwatuyt tespannm, 

Gespannen hersenen, die door de Boecken t*eui... 

'i Is hier goei peisteren : — 

Van Beers, Gevoel en Leven, 7i : 't Spook, dat.. 

waar H peistert, zgn spoor afteekent. De Bo, 

Ged. 87: 

'k Draag m^jn biezen korfken mede., 
En wij peistren op het strand. 
Zie meer voorbb. hiervan bij Huyd. Proeve, Ü.^. 
Vondel past vet^eisteren toe op het verpoozen of 
laten rusten van een levenloos voorwerp; Hieni$. 
Verw. 9: 

De stormbock blutzens moê, verpaistert wat zijn 

hoornen. 

Gelijk wij nevens de wwn. peizen en veizen de 

vormen peinzen en veinzen bezitten, zoo zeide men 

in het middelned peinsteren voor fteist ^rm ; Rom. 

van Walewein, ^s. 9635: 

Hi liet trosside up die waerde 
Gaen peinst ren ende mjn Gringolet, 
Gringolette is het paard van Walewein. Nieuwe 
Reeks van Werken d. L M. li. 86 : 

bes avonts doent doncker mcu 
Beeti van den orsse int gras 
Ende liet hi hem peinstren cUier. 
Nog een anderen vorm van peisteren hebben «ij, 
door invoeging der /, in pleisteren. Hij komt reeds 
eene enkele maal in het middelned. voor; Blom- 
maert, Oudvl. Ged. III. 9ü: 

— die mensch set sijn ged4>chte 
Alleene om te sine versaet: 
Dat hem die spise wedersiaety 
Dan heeft hi ghenoech gheten. 
Wine connen anders gheen mate weie%\; 
Dus play stèren wy ons telker ure, 
Ende ala verladen es nature 
Datsi die spise niet en mach verdraghen, 
(jomen daer af vele plaghen. 
Naar het verband, waarin de uitdrukking zich 
pleisteren hier voorkomt, kan z^ niet anders be- 
teekenen dan zich voeden. Elders echter in het- 
zelfde gedicht leest men ald. ^ waar sprake is 
van den rechter, die de in behandeling zijnde n- 
ken op de lange baan schuift: 

Wil hi ^d. L de cliënt) dan metten rechtevoert, 

iSoe es sijn reden qualic yhehoert; 

Die rechter nemet op sinen danc 

Sijti beraet, ende settel op lome 

In vorsten., dat fiem des- U^ns verdriet^ 



4ftt 



PEISTEREM. 



4SS 



Ende heeft liever half reeht dan niet ; 

Soo gaet men plaMteren ende maken. 
D. i. naar het mij voorkomt, »zich ophouden, rus- 
ten," en alzoo deielfde bet. die pleisteren steeds 
had en nog tegenwoordig heeft. In Van Nievelts 
vert. van Machiavel leest men, Prince, 10 : Daer- 
enb(men en is het landt niet soo onderworpen 
ghaplaisteri te worden van de Officiers^ die ghy 
aUaer gheeteU hebt. D. i. tot verblijfplaats (pleis- 
terplaats) te dienen. Bilderdijk, Mengelp.'Il. 214: 
De Paadje huppeU^ viieqt^ en rent. 
En rust of pleisteil niet. 
D. i. veiloeft, verpoost niet, houdt zich nergens op 

Willink in aiine Amst. Arkadia, l. 147, meende 

« 

pleiiteren voor rosten het best te kunnen afleiden 
van iplaaster, of pleister, die men gewoon is op 
een plaats te leggen, daar men pijn of nmart ge* 
voelt, omdat, voor de sniarte der vermoeidheid en 
de ongemakken van het reisen. geen beter plaas- 
ter ter genezing is dan de rust" 

PleUteren, plaasteren^ heeft Bild. door plaatseren 
verklaard, d. i. van plaats veranderen, en peisteren 
afgeleid van peis^ i*ust; zie Aantt. op Uuyg. V. 
3^ en Aantt op Hnyd. 53 De eerate bet. dezer 
WB. staat die afleiding in den weg Zie voorts 
Peizelen^ en mijne Lat. Verscheid. 323, waar enkele 
pU. zijn aangevoerd, die ik hel noodig oordeelde, 
liier te herhalen. 

PonterenS ne Punteren. 
Ponteren*— Fenten. 

Volgens Sefaultz Jacobi's NederI Doodendans, 11, 
is penieren in den kleinhandel in gebruik voor af- 
dingen, afknibbelen. iemand zooveel mogelijk af- 
halen. Hel primitief komt vermoedelijk voor in 
inpenten voor beknibbelen, bij Burlage, Acad. 
Tafer 76: 
O! trachUe niet die zwerm van kreegle recen- 
senten,.. 
Die tmpeUis soms inlepenten... 

De drukkerif stond nimmer stil. 
In de Voorr. bl. O, wordt gezegd, dat het w. geen 
boHandach ie en alleen uit den zin moet opgemaakt 
worden. Er kan aan verwant zijn i}enzen., in bet 
beiferKh iemand lastig vallen door aanhoudend 
bedelen; xie SchmeUer en Delling. In bet angels. 
IA henaimn Jbiiiden, vlei jen, van ben, eng. bij Balli- 
weU bene» bede. Bij Roquefort is pofiner, jxxnnéir, 
pand neaen, beslag leggen; joannir berooven, weg- 
namen, afkorten; pannissour een deurwaarder, 
waarbij opcaerkïng verdient, dat Bilderdijk pander 
in dent. sin bezigt; zie mijne Proeve over dien 
Dichter; en det in het drenthscfa dialect het eigen 
woord vroeger een geretJitsdienaar, en nog eem bode 



en uitroeper bij openbare verkoopingen beduidt; 
zie Dr. Volksaim. 1847, bl. 189. Bij Ril. is pander 
iemand die pand neemt, van panden^ pand geven 
en pand nemen. Het spel de pentertjes, welks be- 
naming wijlen mijn vriend Schultz Jacobi t. a. p. 
met zooveel ijver na verachte, zou dus zooveel kun- 
nen xeggen als pandspel. 

Volgens De Navorscher, XI. 376, is in het taai- 
eigen van Zuidbeveland pentet*en wachten. Hoe 
die bet. met de vermelde samenhangt, is zonder 
nadere omschrijving niet uit te maken; wellicht 
heeft men te denken aan het dralen of talmen, 
waarmede het beknibbelen van een koopprijs kan 
vergezeld gaan. 

Peteren, zie Pieperen. 
Petteren'— Petten. 

Volgens De Navorscher, XV. 177, zijn in het dia- 
lect van Westfriesland petteren en petten gebrui- 
kelijk voor drinken, waarvan aldaar petterig toe- 
gepast wordt op iemand die aan den di*ank is. De 
wn. zijn door eene bekende klankwisseling één 
met putten, putteren. Kil. vermeldt pet voor put 
(in de volksspraak pit), petten voor putten^ en 
pethaak, dat iu Zuidholland nog dikwerf gehoord 
wordt, voor putltaak. Zie wijders Putteren. 

Petteren*— Petten. 

Bij Kil is petieren herhaalden stoelgang of buik- 
loop hebben, tevens met de afleidingen pettering 
en p^terer Zeer eigenaardig is het ww. een fre- 
quent, van petten, dat Kil wel niet heeft, maar 
dat het fransch bezit in peter, veesten, welk w., 
zooals Scheler opmerkt, ontstaat uit het sobst. 
pet, ital péto. een veest. Het lat*jn heeft pecitlum 
van pedere, in dezelfde bet. 

Peaeren, zie Pooileren*. 
Peuteren, zie Poteren. 
Pienderen— Beenen. 

Volgens De Navorscher, VI. 332, zegt men te 
Krommenie pietid*ren voor hard loopen. Ik acht 
dat w eene verscherpte uits|>raak van bienderen, 
frequent, van bienen, amsterdamsch dialect voor 
beenen, d. i. loopen; zie het Wdb. der Ned Taal 
op Aanbeenen. Op gelijke w^ze heeft Kehrein 
beinerrt voor ijlen, de beenen snel bewegen, en 
Stalder beineln, beindeln, voor met korte doch haas- 
tige schreden gaan 

Piensteren— Pinaen. 

Volgens De Taal- en liOtterbode, VI. 40, is in 

het dialect van Urk oppiensteren zich beet laten 

nemen; tiet zal zijn van pinsen, bij Kil. vlaanisch 

genoemd voor plukken, knüueii, /rjinscb pinser 

14- 



483 



nfiNSTEREN. 



434 



eng. to. pinch» Dus Van der Gruycen, Spreeckw. 
van Sal. 380 (\éan .Jezus' aangezicht): 

Wiert dat niet blauw ghepinsi. wiert dcU niet 
i vuyl beapouwen? 

BJ. 584: 
Syn wanghen blau ghepinst, bMoet tot in de 

tanden, 
In dezelfde bet. heeft Schmidt pinsen^ pinzen^ 
doch Reinwald en Kebrein pitschen^ pfitzen, pfit- 
scheny en ook Kil. noemt pinsen =z pitsen. Dit 
laatste, hoewel bij Weil. gemist, is zeer gewoon 
bij onze schrijvers; Menie wels, Timon Misantr. 8: 
Gy {Croden) doet,,, 

...pitsen bloem en fruyt deur d' onghenades 

scheiren. 
Aïd. 15: 

— ""ken voel >ioyt droef heyts pitsen 
Deur ongheval : \a self trots ick de scharpe flit- 
sen enz. 
Zeeusche' Nachteg. III. 49: 

Neen^ Moeder^ hola, neen ! Gods geest piU>t u aen 

d'ooren^ 
En gheeft wel andet* roet, zoo ghy hem slechts 

wiU hooren 
Van de Venne, Belacch. Werelt, 1i4: 

Eer dat het Heerschop heyt gepeuselt 
En gepitst, gevroet, gemeuselt. 
Croon, Moy-al, i9: Gy en sult niet meer aen het 
Deegh pitsen, nuier het Broodt zijn recht gewicht 
loeten, — Het znvir.pits is een (afgeknepen) stuk (') ; 
Ogier, De Seven Hoofts. 254: 

Dat en is moer een deyn pitsken achant voor my. 
Bij Kil. is pitse, behalve de daad van knijpen, 
streek, stoute of moedwillige trek, wat men ook 
wel stuk noemt, waarvan bij Plantijn de ultdr. 
van quade pitsen, malicieux, malignus Van Has- 
selt geeft daarvan een voorb. op Kil. Zoo ook De 
Gasteleyn, De Konst van Rethoriken, 139: 

O wantruwich rat ! vol quader pitsen ! 
Moons, Sedel. Vermaeck-Tonneel, 116: 

Die den wijn te veel ghebruycken 
Sijn van quade pitsen vol. 
BI. 223; sy komen maer om u meer tot quaet op 
te hitsen met hun quade pitsen. En 411 : <iat sy 
hun om hun quade pitsen en perten hebben ghe- 
straft, — Zie ook het Wdb. des Inst. op Hooft. 

Hieraan schijnt verwant het znw. pitsier, bij 
Kil. en Plantijn onbekend; doch bij ons in de 17e 
eeuw bekend voor stempel, -zegel; Van Nievelt, 
Disc. van Machiavel, 331 : midts dal ter geen bewijs 



(') Zou tot frits kunnen behoorea bet fr. piéce, waarmede 
men jloo weinig raad weel ? /.ie de Wdbb. van Hoeuffl en 
Scbeler, beneveu Diefenbacb. 1. 816. 



leghen u zy van schrift ende pitsier. Levens van 

Flut. fol. 321: hy nam sijn pitsierrinck. Wester- 

baen, Ged. III. 646 : 

Al is hier 't zegeltje van H Land niet opgeslaegen^ 

Noch hoop ick dat het u voldoen sal en behaeghsn 

Wanneer ghy myn pitzier hier onder zuU zien 

stam. 

m 

Het hoogd. zegt petschier^ pitschier. volgens Ade- 
lung wellicht petscher, »ein Ding, womit manauf- 
druckt." Men leidt het w. intnaechen af van het 
boheemsch of slavoonsch; zie Frisch en Lexer 
(Mittelhd. Handwtb.^ II. 219 Doch Zamcke weer- 
spreekt die afl zonder eene andere aan de hand 
te doen. Het boven vermelde eng. to pineh be- 
teekent bij Halliwell (linnen) plooijen of voowen 
en in dien zelfden zin vindt men pineen bij ons; 
De Brane, Bancketw. I. 463: steelsw^ze mijn man- 
tel te pinasen, om mijn aengesicht eenighsins af 
te wenden. 

Pieperen— Pidpen. 

Het frequent pieperen vindt men in verpiepetd 
btj Bekker en Deken, Willem Loevend, IV. 15:: 
dat gy met zo een verpieperden Baron, mo moaije 
geld,, verkwist hebt, — De bet. van dit w. komt 
overeen met die van pieperig, in het dagelijksch 
leven gebruikelijk voor zwak, mager, schraal, b.T. 
hij ziet er pieperig uit. Schütze heeft hetz. w. 
voor ziekelijk, klagende, kreunende, benevens de 
subst. piepgoosy pieperlauke, voor een weekeling. 
Dahnert beeft piperig^ al te gevoelig voor lichte 
pijn, piptg, ziekelijk, kreunend, piperlepup, schimp- 
naam voor kreunende kinderen en ziekelijke men- 
schen. Bij Gangier is pipeg klagend, zwak, zie- 
kelijk; bij Huppel piperiing een zwak mensch of 
iemand die zich inbeeldt het te zijn; terwijl bij 
Weinhold hetz. w. een weekeling en pipicht wee- 
keiijk is. Bij onzen Kil. is pippe, pipse, eene 
beenderziekte, waarvan het ady. pipeig, anders 
doorgaans pips; dus Van Swaanenburg, ArL Distel. 
286 : een pipse Hcum, — Ook pippig bij denz. a. w. 
299: wat is uw„ Kapoen haanig! pippig! anattvg] 
— Het denkbeeld van zwak en teer gaiit wel eens 
over tot dat van klein, en zoo hoort men in onze 
volkstaal een klein voorwerp een jnepeW/e noemen, 
en heeft Reinwald pipperig voor klein, lief. Een 
andere frequent, vorm van piep€>ren is piepeln, 
bij Bock voor klagen, waarvan piepUchj swak, van 
kuikens gezegd, die zorgvuldig moeten behandeld 
worden. 

Het primtt. ww. is piepen ^ genomen in den zin 
van klagen, steunen of kreunen zooals een kranke, 
dien het heeft bij Dahnert, het Brem. Nied. Wtb. 



b I 



425 



PIEPEREN. 



426 



en Weinbold, en de wortel van dit ww. is de on- 
willekeurige kreet van wie pijn gevoelt, waarvan 
de aitdmkking: iemand knijpen tot hij piep zegt. 
Verbasteringen van verpieperd zijn verpieterd, 
verpeterd en verpeuterd; Bekker en Deken, Will. 
Leevend, I. 220: t^ zou zulk een verpieterde op^ 
gekonkelde Petitmaitre niet willen heihen. Dez. 
Corn. Wildschut, II. 55: er beter uitzien dan de 
meeste verpieterde Heertjens^ die.,, verdronken zijn 
vóór zij toater kenden en te mager en te schraal 
zijn enz. — Aid. 212. leest men het w. in over- 
dnichtigen zin: alle korstjens van het brood te snij' 
den en de krttim te verpieteren. D i. klein te ma- 
ken, van kracht en waarde te berooven. Dub ook 
Oudaan, Agrippa, 3b8: droguen.., die in H schip 
wrttikl, of in 'f ruim dooru)aterij of door ouderdom 
verpijtert... z{jn. D. i. krachteloos geworden. Van 
Beverwijck, Inl. tot de Holl. Geneesmidd. 8: Manna, 
aU hy verpietert, en krachteloos geworden is, — 
Ais vlaamsch heeft De Bo verpieteren voor »zijne 
weerde verhezen, b v. van kleedingstoifen,'' alsmede 
yieter voor koopwaar, die hare waarde verloren 
heeft of geschonden is, uitschot; bij Tiling is pietje 
eene onvolwassen vrucht, afval. Het dergelijke 
toepassing leest men verpeterd, (Asselijn) Krista- 
lynen Bril van JanKlaasen, 8 : sulke moye sla, die 
so verrot en verpetert is. Baardt, Deugdensp. 216 : 
De Waren z^n, gelijck ghy siet, 
Verpetert en verlegen^ Vrient! 
Ogier, De Seven Hooftsonden, 286: 

Hei goei bepeetert, duf, en rot, en gansch be- 
dorven. 
Ook Ridiey heeft verpetert, dat hij verklaaii door 
verkleurd, verschoten, en met salpeter in verband 
brengt. — H. van fIalmael,De Gestrafte Pasquin, 32: 

Dal verpeuterde Dwergje, vryd na myn eigen 

Matres. 

Als eene samenl rekking van pt€i/>m^, in den zin 
van kreunend, klagend, vindt men pierig; Bekker 
en Deken, Willem Leevend, IV. 223: de kleine 
lirygi tandjes, en is zo pierig en zo onrustig. 

Pieteren, zie Pieperen 
Ptiperen— Pijpen 

Men leest pijperen in De Gids van 1867, IV. 330: 
Zoo pijperde onze kindervriendin hare lessen van 
fatsoenlijkheid in de ooren dezer jeugdigen van 
/<*ren. — De bet. is blijkbaar inblazen, van pijpen, 
hoogd. pfeifen, middelhd. phifen, neders pipen, 
eng. to pipe, fr. piper, d. i. op eene pijp of fluit 
bUzen ; zie Kil. en Weil. Dus de Statenb. 1 Gon. 
I. VS. 40: het volck pijpte met pijpen. — Dit ww. 
Wi8 niet altijd gelijk vloeijend; de liósveltsche Bij^- 



bel heeft t. a. p. : dat volck peep met pijpen. Le- 
vens van Plut. fol. 8Ö verso: een soo heerlick pij- 
per dat hy .. de noot peep, na wdck geluyt de 
gcUeyboeven hen riemen sloegen. — Het ww. is dus 
niet alleen onzijdig, zooals Weil. opgeeft, maar 
ook bedrijvend. Vondel bezigt het w. voor drinken 
(als door een pijp), Virgil. Wercken, 17: met zijn 
aderen nog vol wijns, dien hy *s daeghs te vore 
gepepen had. — Zie Fijfelen. 

Fikkeren— Pil£ken. 

Het WW. pikkeren leest men in Don Quichot, 
II. 53: vloeckt hy en piekert hy, ik salder tegen 
vloeken en piekeren, dat sweer ik., so lang tot ik 
het gewonnen héb. — Het blijkt, dat er zekere ma- 
nier van vloeken door bedoeld wordt, en dan zal 
men te denken hebben aan het zweren bij d^ pik- 
ken, d. i. den duivel. Zoo leest men bij Laogen- 
dijk, Ged. U. 74: 

U Is Symen langdarm^ of de pikken uit de hel. 
AÏd. 340 : 

— H Zyn voerlui ! wel de pikken moet ze schennen! 
De Vakantie (Amst. 1707) 32: 

Wel, de pikkenj docht ik het niet welf 
De Wit, De Ingeb. Edelman, 29: Dat u de pikken 
schen! — Misschien heeft de Booze dezen naam 
van zijne zwartheid. Ook wordt hij met den naam 
van Heintje pik bestempeld; Van der Hoeven, De 
Schrandere Tooneelsp. 7: 

Ik wensch dat Heintje pik myn mag deKopaf- 

zaagen. 

Indien ik immer de geda>diten hebben zou, enz. 
(L. Meijer), 't Spoockend Weeuwtje, Amst. 1697, 
bl. 26: 

Hier leyt een brief. Ik denck van Heyntjepick 

geschreveti. 
Van Rusting, Werken, I. 12: 

— Plutoos Marketefiter, 
Zyn eigen naam was Heintje pik.^ 
De drie gebroeders Medeminnaars, 3^: 

— Pikheintje mag men slepen 

Op zyn Oostinjesvadrs, door lucht en wolken heefi. 

Zo ik er iets van weet, — 

Plaaijeren', zie Pladereu*. 
Plaaileren*, zie Pladeren^. 
Plaasteren, zie Peisteren 
Pladeren'— Pladen. 

Bij Kil. is pladeren snappen, babbelen, eii het 
w. is blijkbaar de nederl. vorm van Hgelijkbetee- 
kenende hoogd. plaudem, en het prim. hiervan, 
dat bij ons pladen of plaaijen zou moeten luiden, 
vind ik in ploden, als oud w. bij Schmeller en 
Höfer vermeld voor dissolvere; want, zooals Ade- 



437 



PL ADEREN 



428 



long te recht opmerkt, het losgaan, de beweging 
der tong is het hoofddenkbeeld der bet in plati^ 
dertiy Eooals in flapperen de beweging der lippen 
de hoofdzaak is. Pladeren^ plaudem, luiden in 
het neders. pladdemy plaUm^ in het siwitsersch 
bkuiem^ in 'tbe^ersch plodereit, in Opper Lans- 
nitz (Anton, n . XI) ptuderfi. Ut. hUUerare. 

Siegenbeek zegt, in mijn Taalk Ma^;. III. 300, 
dat piauderen in onze gemeenzame taal wel eens 
voorkomt Geplauder kwam mij voor bij Bekker 
en Deken, Gornelia Wildschut, VI. 103: men moei 
zoetigheid in de ingewanden van een Leeuw wee- 
ten te trinden^, om onder haar geplauder, niet alle 
gedtUd te verliezen — Eene navolging van pltidern 
is ploeteren^ dat in het overijselsch dialect gezegd 
wordt voor brommen, grommen; en naar het oor- 
deel van den heer Buser het hoogd. plaudem is ; 
zie N. Ned: Taaimag. IV. 1244. En ook in schriftel. 
aanteekeningen, onder mij berustende, vind ik dat 
ploeteren te Deventer bekend is voor grauwen, 
uitvaren; en ploeterdier voor »iemand die zeer 
winderig en bulderig is in het spreken." In zulk 
een zin zal het w. ook op te vatten zijn in het 
blijspel De Gewaande Weuwtnaar (zonder jaar of 
plaats), IlI. 81 : 
*k Loof^ dat jy vander Nation bent, je begint te 

ploeteren. 
Als eene samentrekking van geploderd of gepleu- 
derd heeft men gepleurd; Belg. Mus. IX. 77: 

Tes verloren veel gemaut 

Ocht gepluert. — 
En als eene samentrekking van pladeringy ter zelf- 
der pi. plaring: 

— teit al plaringe 
Dat ghier tegen te seggen moegt weten. 
Blijkens Herrigs Archiv, XIV. 139, heeft pladei^e ' 
in het westpruisisch dialect nog dez. bel als pla- 
deren bij Kil. En volgens onder mij berustende 
schriftelijke aanteekeningen zegt men in de om- 
streken van Deventer in denz. zin pletteren. 

Pladeren* - Pleiten . 

Van pleiten, volg. Ten Kate, II. 312. in tgel- 
dersch plegten^ in 't f riesch p/oc/it/e^ fransch ptoi- 
der^ eng. to plead^ heeft Kil. de frequent! . pt ade- 
ren en plaaijeren^ bij Schmidt en Kehrein p/d- 
dern. Dus Van Ghistele, Terentius, Phormio, bl. Ivi : 

Orso: al is mi ongelijc gebeurt : hoort intaluyten 

Liever dan ick sou playeren o ft dinghen , enz. 
Houwaert schrijft daarvoor pleddeven. Lusthof der 
Maechden, I. 90: 
' Die zaken pledderen is den naem ghegheven 

Van Orateur — 



De samentrekking plaren komt bij denz Schrijver 
voor in De vier Wterste, 90: 

Wat willen wy veel kijven, vechten en smijten? 

W(U wUlen wy dinghen, plaren en maken ghe- 

êchalf 
Aid. 102: 

Ja^ de vrecke s^n dickwils cauee door 't vergaren. 
Dat d'erfghenamen langhe dinghen en plaren. 
Alsmede bij Bredere, Griane, 54: 

De juyste reden is : de oordelaer wm V recht. 
Die plaeil met d" uytspraeck van 't gHyekformigh 

sin^gevechi. 
Maerl. heeft het ww. met den basterduitgang ieren^ 
Spieg. Hist. I. 116: 

Die goede sprekere Pyetagoras^ 
Die eenen jongelinc te leeme nam 
Playdiei*en, dinghen — 
Aid. III. 105: 

iVu laten wi dit plaidieren staen. 
Zoo ook Kausler, Denkm. I. 100: 

Die den aermen onrecht daden, 
Ende up die aermen pleidierden. 
En ook de Teuthonista heeft pledieren 

Pladeren'— Pleijen < 

Kil. heeft pladeren, plaa^ieren, voor spelen, 
schertsen. Vandaar verplaa^eren in de Levens 
van Plut. fol. WS: hoe wel hy cMe daghe niet dede 
als toeslaen ende vercoopen de rijcste huyeen, ende 
die met geit best voorsien waren binnen de stadt; 
ma£r dit bedroech niet by het ghene dat hy aUe 
dagen verplaierde. ende syn bootsmakers ende oor- 
btasers toeworp. 

Het prim. pleijen^ dat Kil. niet kent, komt bij 
de middelned. schrijvers meermalen voor. Melis 
Stoke, III. 372: 

— die te vo^en ghinqhen screyen, 
Si ghinghen nu singhen ende pleyen. 
Vad. Museuro, I. 327: 

— hoe die liede meer pipen ende screien^ 
hoe si meer daer omme pleien 
Van Velthem, fol. 195: 

Hierombe pleyden sere die Stede 
Ende waren blide, ende dansten ae>'e, 
Ende sprongen, ende songen daer syn ere, 
Maerl. Spieg. Hist. IIL 2(V2: 

Hi sach den duvel vor hem pleven 
Ende hem met groter feesten meye*t. 
D. i ja, spelen, doch dit woord genomen in den 
zin van dansen, dien het oudtijds had, zooals Ypeij 
heeft aangetoond in zijne Taalk. Aanm. over veroud. 
Woorden in de Staaten-Overz des Bijbels, i07. 
Die bet. blijkt ook nader uit de beide volgende 
pil. bij Maerlant, a. w II. 85: 



429 



PLADEREN. 



430 



Thaer qelu enten croocy 
Met vingerlinen verciert ooc: 
Si gacfi reditx of si pleyen souden, 
D. i. £ti gaun zoo luchtig, alsof zi] dansen moesten. 
En RymbyheK vs. 11487: 

Hare voeten kilden si of si pleyden. 
De variant dezer pt heeft speelden. 

Dit fUe^fen komt overeen met het angels, ple- 
(foiiy pleigan, spelen ; eng. to play^ spelen, korts- 
wijlen, spotten, dartelen; ouóir, platder^ plaidievy 
met dez. beteeken issen; lat. ptoc69*e, behagen, aan* 
genaam zijn, van 't welk ook het fr. pldire is voor 
behagen. Zoo heeft Uouwaert een ww. plaren^ 
bij samentrekking van pladeren voor zich behage- 
lijk voordoen, vleijen; Lusth, der Maechden, II. 818 : 
D'erfgenamen zuüen i{)n goet zaen minderen^ 
Sy beginneti daer aireet om te plaren. 
In deiigelijken zin heeft Bi edero het subst. geplaaf\ 
Moortje, 7 : 

— i9y) loopt hoer weder smeechen 
Met lieffeUjck geplaer van woorden suycker-soet. 
Men weet dat smeeken vleijen beteekent. 

Tot plaren en het fr. plaire behoort ook ons 
pkudank, btj Kil. playsdanck gespeld, een woord, 
bij ons wel eens misverstaan. Plaisdank werd 
eeniplaasdank; Houwaert, a w II. 635: 
(Uy) is by Livias' Keysers huysvrouwe ghegaen 
Meynende eenen groolen plaesdanck V ontfaen. 
\ttsQ\%^mplasdank; Vondel, War. der Dieren 3 
— H geselschap der loftuyters,.. 
[Hens eetiigh do^^wit is den plasdank van hoer 

Meeren, 
Westerbaen, Ged. II. 330: 

— wacht u wel van my 
Om plasdanck te hegaen yet in de hand te steken, 
Fokke, Yerzam. der Werken, IV. 54: anderen^ die 
gaarne om een plasdankje bij de Musa te verdie- 
nen^ wat vele., berigten tvillen inzenden, — Tuin- 
man verstond zoowel de afleiding als de beteeke- 
nis, toen hij schreef: :»Plasdank is plaeysdanck^ 
van 't Latynsche placere, behagen. Zo behaalt men 
een plasdank^ als men zich schikt naar ymands 
sinnelykheid, om hem te gelieven, gelyk menschen- 
bebagers plegen." Halma dacht aan een dank, 
zoo gioot als een plas^ misschien wel op grond 
van Uuygens* woordspeling, Korenbl. II. 338: 
lek stiel een* drotickaert in een plas: 
Hy danckte my geduld ich: 
My dunckt het geen* onreden was; 
Hy was m*een* plas^danck schitldigh. 
Zoo leeRt men ook bij Riemsnijder, Dicht. Rhaps. 132 : 
GeUik een plas van dank de onlesohbre dorst 

verMod, 



Bilderdijk dacht aan f^laatsdamky d. i. dank in ruil » 
zie Verkl. Geslachtl. II. 358 en Aantt. op Huyg. \, 
110, doch verg. VI. 291; en Weiland, hoewel de 
juiste afleiding vermeldende, vatte de bet. van het 
w. niet, toen hij het omschreef door »een dank, 
waarmede men bew^t, dat men in het verrichte 
of geschonkene behagen schept, daarover wel vol- 
daan is." Zóó opgevat, zou plasdank een goeden 
zin hebben; neen, een plasdank blagen is een 
dienst doen óm te behagen, uit vleijertj, en heeft 
dus altijd een ongunstigen zin. — 'k Voeg hier nog 
bij, dat het subst. plasdanking mij voorkwam in 
de By V. op Wag. Vad. Hist. X. 87 : hoe zeer men 
't verhaal,., als ter verdiening eener plasdanking, 
verzonnen ctanzag. 

Pladeren^— naden. 

Ofschoon Kil. dit vierde pladeren niet heeft en 
het mij bij onze schrijvers niet is voorgekomen, 
moet ik het ww. opnemen, om de vormen, die er 
van bestaan. In Poirters Masker van de Werelt 
leest men 323: het plaeyeren in het watery daer 
(f een (der kinderen) grover mede te werck gongh 
als d^ ander, — Te Dordrecht wordt, volgens De 
Navorscher, 1872, bl. 301, piekeren gezegd voor 
keilen. Dit w. is eene verzachte uitspraak van 
pladeren^ bij Schmidt en Kehrein plademyB.\chey 
en andd. pladdemy plattem^ bij Stalder pldderny 
pldtt^m^ allen beteekenende in of met waterplas- 
sen. Schröer heeft pledem voor aeene vloeistof 
onvoorzichtig uitgieten," en Tobler plddera in ge- 
lijke bet. en onpersoonl. voor piasregenen; wij 
hebben daarvoor pieteren in denzelfden zin als 
boven plaaijeren; Hor. Belg. II. 2: 

Dat kindeken pieterden metter hanif 
dattet water uten beeken spranc. 
En ook het zoo even gemelde zwitsersche pldttem 
komt bij ons voor onder den vorm pletteren ; 
Dorbeck in De Recensent, Alg. Letterl. Maandschr. 
1852, n'. 3, bl. 160: 

Het kindtjen pletterde met de hand, 
Het water spatte lange den rofui, 
Eene samentrekking van pladeren is plaren, dat 
niet alleen het akensch dialect heeft, maar ook het 
geldersch, zie Taalk. Mag. III. 63; en waarvan </e- 
plaar bij Sluiter, üuys- en Winterloven, 25: 
Waer toe 't gewwch^ geplasohj geplaer ? 
Het prim. pladen vindt men met versterkten 
vorm in 't hoogd. platschen, neders. plaskeny nederl. 
plassen, eng. to pUxsh Van platschen en plassen 
heeft men de frequentt. pldtschem en plastem^ 
van welke het eerste in 't hoogd. en het tweede 
in het platduitsch bij Danneil hetzelfde beteekent 
als pladeren. 



431 



PLADEREN. 



432 



Voor piatschen hoeft de ▼erialing van Gessners 
Werken pUtsehen^ D I. ST'G : Zoo zongen de Nym^ 
fen en Zeegoden, onder eenen pletRchenden cUins, 
rondom de êchuit. D. III 52: ik hoor iste plet- 
Bchen, nelijk golven^ die tegen een bootje aenekum. 
Waarvan D. I. 221: het water dtU, met hMere 
droppen^ en cuingepiaam gepletsch ter neder viel. 
D. III. 182: aan mijne zijde p\étschXe ?iet water tif 

Flaggeren— Plaggen. 

In het Idiot. van Schuermans ie plaggei^en be- 
zoedelen, onordelijk behandelen, alsmede » vruch- 
teloos geneesmiddels gebruiken." In de eerste bet. 
heeft men als primit. plaggen^ bij Kil. ook plak- 
ken^ bezoedelen, bevlekken, dat mede voor schilde- 
ren moet gebruikt zijn, blijkens de benaming jvJo^- 
ger voor schilder, door Van Hasselt aldaar aange- 
wezen. Uetznw.pJa^^e isbedeksel otlap, en van- 
daar de tweede bet. die volgens Schuermans ook 
pUuisteren luidt. De zin is dan een lap of plaas- 
ter opleggen. De bet. van lap gaat ook over tot 
die van lomp of vod, en zoo leest men, Jorissen, 
Gonst. Huygens, I. 375: Gfuj verbribbelde werck- 
maeker als ghy eijt^ wat hebt ghij plaggen en re- 
dements^ men weet {niet) waer met al de eynden 
{te) blijven, 

Plammoteran— Plammoten. 

Plamtnoteren is eene gewestelijke uitdrukking 
voor plammoten. Zie op Plammotelen. De afl. 
plamotter heef! Loots, Nag. Ged. II. 167: 
Plamotters tot mijn achterburen? 
Die schennis ware een schimp voor Hrijk! 

Plamoesteren— Plamoessen. 

Beide vormen heeft De Bo voor «bekladden, met 
kladdlen bevuilen." Zij luiden aldaar ook pla- 
maasteren^ plakaasteren^ en bij Schuei*mans plam- 
meuêteren, plammuisteren en plammodderen. Zie 
voorts Plammatelen. 

Flapperen— Plappen 

Het WW. plapperen werd, naar ik meen, bij ons 
het eerst gebruikt door Bilderdijk, Mengel. II. 61: 
y\ren Min door mijn gevangenis 

Op vrije vleugels wappert, 
En *t liefste Meisjen dat ik weet 
Voor mijne tralie plappert. 
D. i. snapt of praat, van 't hoogd. plappem^ neders. 
blabbem^ eng. to blabber, gezegd van het gesnap 
van kleine kinderen en voorts van het veelvuldig 
of nutteloos geklap of gebabbel in H algemeen. 
Later bezigde dezelfde Dichter het w. in een an- 
deren zin, Muis- en Kikvorschkrijg, 30: 



* — Die rept de vlugge voeten^ 

Schoon bloedende cum zijn wond, en plappert 

door zijn poel. 
D. i. plompt neder, eene bet. die aan het w. niet 
zeer schijnt te voegen Wel zegt Adelung, dat 
plapperen in eenige opperduits'*he streken gebruikt 
wordt voor klapperen, b. v. m een kinderspel met 
platte steentjes, en zoo neemt Beets het voor »door 
den wind bewogen worden" van een vlag of ander 
voqrwei*p, wapperen of klapperen geheeten; De 
Aurora van 1865, bl. 2: 

— V lied des roetet^s op uw stroomen. 
By ^t plappren van 7 Helvetiesch kruis! 
Alm. voor Holl Blijgeestigen, 1875, bl. 93: 
Haalt neer die vlag; 
Zij zwateU en plappert 
Slei^ts wee en ach. 
En Gam. Obscura (5e druk) 240: den wind, die 
de strikken van haar hoed deed plapperen tegen 
het luifel. — Nolet de Brauwere bezigt het woord 
van de raderen eener stoomboot, Ged. I. 168: 

— de rappe wielen 
Die plappren door de golvenbaen. 
Het primit. plappen hebben Tobier en Stalden 
en wel b'.j den eerste van het geluid, dat eene 
vloeistof maakt, die, in schommelende beweging 
gebracht, tegen den wand van het vat aankletst; 
voorts dergelijke beweging van een vleezig ligchaam, 
die wij kwabben zouden kunnen noemen; en bij 
den laatste ook van iemand, die waggelend daar- 
he^ngaat en eindelijk neders tort, met een geluid, 
dat wij kwakken heeten. Men vindt bok p^epp^n ; 
Hoefer, Denkm. II. 63: 

Wat hefstu bóve hir tó ploppen ? 
Waarvan S. 64: 

Sldt düssen plopper up de*\ munt. 
In plappen en plapperen ligt alzoo het denkbeeld 
van eene beweging die een klappend of snappend 
geluid veroorzaakt, en Adelung merkt te recht op, 
dat de lipletters van het w. het geschikt maken 
ter aanduiding van het geluid der lippen ; het eng. 
to blah houdt zich dan ook daarbij, en onze schrij- 
vers, zoo zij dan al behoefte gevoelden het hoogd. 
plappem over te nemen, hadden dit insgelijks 
moeten doen. 

Flauderen, zie Pladeren' 
Pledderen, zie Fladeren*. 
Pleiieren, zie Pladeren^. 
Pleisteren, zie Peisteren 
Plenkeren— Plenken. 

In het vlaamsch is plenkeren «veel hier en daar 
rondloopen," somwijlen met de bijbeteekenis van 



438 



PLENKEREN. 



434 



»bij verschillende personen gaan om genezen te 
raken" ens. Zie het Idiot. Tan Schuermans 

Het prim. plenken is bi] Kil. dolen, dwalen, en 
100 leest men bij Bogaert, Ged. 21 : 

W\m9 voorzctat plenkende in die felle staatsge- 

schillen,,, 

'sLantstrouioe Voorspraak,», dreef het slagzwaari 

door den strot 
Doch in Terscbillende streken is hel w. nog gang- 
baar voor rondloopende de school ver2uimen ; zie 
Schuermans a. w. en mijn Archief, \l\. ^11 en 399. 

Pietereu, zie Pladeren^ 
Pletteren'— Pletten. 

Pletten is plat maken; letterlijk in gouddraad 
pletten bij Weil. en mede voor platdrukken, van 
een' hoed nanaelijk, Antw. Spelen van Sinne, 36 : 

Ja can teken dan diep ghenoech int hooft ghesetten 

En een lutsken pletten — 
Voor effen maken, bij Westerman, Ged. III. 147 : 
vp dien weg de oneffenheid te pletten. — En dan 
ook fig. toegepast, Vlaerd. Redenrijckb. 496 

[Sy) grypen 'f zweert in handig by haer sy on- 
rust pletten. 
Vondel, Poëzy, II. 446: 

Tot dat de springvloet... 
Uw hoogheit pletten quam — 
Heest echter geldt het w. voor met minder of meer 
kracht of geweld iets drukken, soodat het bezwijkt; 
Van Swaanenburg, Arleq. Distil. 260: Reuzen Too- 
rens tot platte gronden pletten. — Inzonderheid 
van het menschelijk of dierlijk hoofd* Everart, 
Politica van Jastus Lipsius, 81 : De hoofden vande 
t^Jknstdicke Ghemetfnte worden tegen mcUcander 
(replettet Ban, Galteno en Alimene, 20 : 
Dat my een sware slag van donderbuien 't hooft 
tot gruis van heen en bloedt aan duizendt stuk- 

ken plette. 
Nomsz, Amosis, 53; 
My, als een pest van 7 ryk moorddadig *t hoofd 

te pletten. 
Van 's Graven weert. Verspr. Lettervr. 173: 
*- helsche kunstnarij om Neérlands hoofd te 

pletten, 
^harp, in de Gedenkzuil van 1788, bl. 12: 
God, die u paaien wist te zetten. 
Wiens dondervuur u dreeg te pletten, enz. 
De Buil, Verspr Ged. 146 : 

Om den slang den kop te pletten. 
Die onze oudren bragt ten val. 
Het voorvoegsel ver wijzigt de bet. niet bijzonder 
veel; Ten Kate, Dicht w. II. 194: 

Geen hoef van woeste krijgsgenetten 
Zal HU onze oogsten meer verpletten. 



Glarisse, Ged. 5: 

Heeft niet zijn vuist steeds zulk eeti' rebel verplet ? 
Bilderdijk, Ond. d. E. War. 54: 

Verplet Gods wraak me, en u, ziel gy my tm- 

mer wéér f 
Verv. op Wag. XXVIII. 116: Het is in de magt 
der Franschen^ U^ met alle uwe Landgenoofen, te 
verpletten D. XXXIV. 354: Dat deeze nieuwe 
Alddes, met zyne sterkgespierde vuisten, de Stad^^ 
houdersgezinden en Regeeringloosheid.,. bedwinge 
en verplette. Van Gappelle, Nag. Bijdr. tot Nat. 
en Gesch. 255: eenen nanvcU, die den eenen tegen- 
stander dreigt te verpletten. Dermout, Nieuwe 
Leerred. II. 347: het kwade zal ons niet schadeti 
noch verpletten. Schrant, Redev. en Verhandd. I. 
196: de aanvallers te treffen of te verpletten. Ten 
Kate, Bichtw V. 134: 

Zij zullen *t arme volk verpletten 
Met lasten, gruwziuim uitgedacht. 
Engelen, Poêzy, 215: 

— nu wijkt al dit vreugd 
Voor een heir van verplettende zorgen 
Met andere voorzetsels heeft men inpletten, in- 
drukken, bij Van 'sGravenw. De Ilias, II. 206: 

Hij voelt dimi scherpen steen zijn krijgshelmet 

verscheuren ; 

Zijn hoofd wordt ingeplet; — 
En nederpletten, dat wel wat tautologisch schijnt ; 
P. de Groot, Uitbr. der Pss. 237 : de sterkte,.. Heeft 
hy ter neer geplet. Vrouwe Bi ld. N. Dichtsch. II. 4 : 

— wordt hy neêi'geplet door steeds vernieuwde 

rampen. 
Een woord als pletten heelt meer eigenaardig 
dan eenig ander den frequent. -vorm, die dan ook 
vooral voorkomt. Van Beverwljck, Verv. van de 
Ueelkonste, 27 : dat de koghel^ door sijn groot ge- 
welt, al plettert ende morselt. Den Nederd. He- 
licon, SM : 

— 'twater hem ontsonck, alsoo dat f cUs zijn kiel 
iitiet teghen harden grondt^ geplettert bleef in 

stucken. 
David, Vad. Hint. VII. 273: (zy) smaktett.,. stukketi 
van rotsen om huizen onder te pletteren. Van 
's Graven weert. De Ilias, III. 187: 

Die hoed, geplette rd door zijne onweersttuinbre 

speer. 
Vrouwe Bild. N. Dichtschak. II. 117: 
Die nacht, wcuxrin.., 
...'( lot de laatste bloem zal pletteren. 
Consience, De Geldduivel, II. 130: De maegd... 
scheen met inzigt het prachtig huwelykskleed te 
pletteren. D. i. plat te duwen, eene toepassing, 
die wat ongewoon is, evenals die op de toetsen, 



435 



PLETTEREN. 



436 



bij Alb. Thijm, Het Voorgeb. 54: LUlzU piano^ 
pletteren. - Meer gewoon is hel w. ten aanxien van 
het menschelijk ligchaam ot' zijne dealen; Van 
'tjGravenw. Verspr. Lett. 105: 

(Altijd 2al) Theseus zijtien- zoan zien plettren 

dooi* de kar. 
Willink, Anist. Arkadia, 1. 294: De oude Balea^ 
rièr* . ktieunden en pletterden het vleench er» de 
beenderen der doden. David, Vad. Hist. 1 105: 
ivanneer zy zicfi... hei hoofd voetden pletteren 
Bogaert, De Roomsche Mon. 58 : (hy) plettert ar^ 
meny beenen En bekkeneelen... tot gruis. 

Verzwegen wordt het voorwerp bij Van ^s Gra- 
ven weert, a. w. 67: 

Nu lieersefit de bleeke ilood en plettei't van zijn' 

troon. 
Klrjn, Montigni, 44: Uw bliksems plettren met f — 
Doch werkelijk onzijdig is het w elders; Don 
Quichot, II. 93: vermits de koes door het gewicht 
6<;^o»/((i pletteen. Beeloo, Tooneel- enMengelp. 53: 

— het huilend klotsen 

Des toegevloeiden yolfs die plettert op de rotsen. 
Bilderdijk, Winterbl. II. 56: 

(Ooft) dat noch hand verlokt noch mond^ 

En nutloos plettert op den grondy 
Wen stormgewetd de kruin doet schokken. 

In verpletteren y in den prozastijl het meest ge- 
wone woord, wordt de bet. door bet voorzetsel 
ajleen vei-sterkt ; b v. Vondel, Poëzy, II. 415: 
— wat Godtheit heeft u heden,,. 

't Gebeent verplettert, en geslingert over 't velt? 
Verv. op Wag. XXVI. il.2: De hel/t der Huizen 
was) verpletterd. D. XX VIL 22.'{: met éénen slag 
al het vermogen der Republiek te verpletteren. 
Beets, Sticht. Ui*en, III 189: hy de conscientiên 
onder het gewicht eener ontzachelijke beschuldiging 
verpletterde. Loots, Nag. Ged. II. 21 1 : Verplet- 
trend denkbeeld! 

Benecke voert (I. 203) deze pi. aan- 
dó man defi brief gelasj 
ez erplatert wip und man, 
und sahen vaste ein ander an. 
De geleerde Schrijver, zoowel als zi)n Na werker 
Lexei (I. Ó16; weten dit ww., dat zij in erblatern 
veranderen, niet te recht te brengen. Het komt 
geheel met het nederl. verpletteren overeen; de 
inhoud des briefs verpletterde vrouw en man. 

Almede komt, hoewel alleen bij de lateren, ne- 
derpletteren voor; Vr. Bild. Rodrigo de Goth,Il. 128 : 

Bonst alU's uit de hoogte op 7 onontwijkbre dal 

Met daverend gedruiscii en alverdovend ktiettet^eti. 

Om in één oogenblik de Mooren neer te pletteren. 
Ten Kate, Dichtw. VUL 421 ; 



Wien de sirijdkolf nederpletter', 
ü\i blijft de ijzren rots geluk. 
D. i. bedrijvend; doch ook onzijdig; Tollens, Ged. 
L 141: 

Steile bergetiy zwaar als lood^ 
Plettren neör Min uit hun naven! 
En Beeloo, in de Werken der lloll Maatsch. VII. 183: 
Den bulderend" orkaan^ in sneeuw en hageljagl 
Gehuld^ neérplettrend op de bergkruin; — 
De all. gepletter in abstr. zin heelt UuygeiK, 
Korenbl. I. ^M 

My zy dan de kanst betrouwt 
Van gemengh., geplenghy gepletter 
Van den Indiaenschen Etter. 
Verpletteraar heeft Da Costa, Kompl. Dichtw. 11. 
225, waar »Emmanuel" ondei anderen genoemd 
wordt: Verpletteraar der hel. 

De wortel van pletteren wordt gebruikt in de 
bijwoordelijke uitdr. te pletter^ zooals men andei> 
zegt: te mortel en te gruizel; zie Bomhoffs Wdb. 
Focquenbroch, Werken, I. 6: 

Mits hem een balk Kwam op de kop, 
Die zyn Heimet heel sloeg te pletter. 
H. Meijer Jr. in de Dicht. GredenkroUe van 181^ 
bl. 29: 

Eer storV paleis en stulp te pletter. 
Gessnera Werken, L 160 : wormen^ wier helft op 
eenen stern te pletter getreden is. — In de uit- 
spraak te pletterej zooals men ook leest bij Hooft, 
zie het Wdb. des Inst. en bij Vondel, Joannes de 
Boetg. 40: 
— de berghsteen treft^ en klinckt met eenen aUagh 
Dat heerelijcke beelt te plettere en te mortel. 
En Davids Hai*pz. 115: 

Gy ztUtze^ die een Koning wederstaen. 
Te plettre treén^ en uit den velde slaen. 
Dus de quarto druk van 1723, en niet andetv de 
duodecimo uitgave van 1657. Nogtans heeft V«n 
Lennep (VII 286): te plette treén, en Oudemans' 
Bijdrage neemt die verkeerde lezing op. Weiland 
heeft, insgelijks onjuist, te pletterenj en Ten Kate 
volgt dat na, Dichtw. V. 173: 
Gdijk we bij (Jiarybdis baar bij baar 
Op de andren zich te pletteren zien springen. 
Platten is in het middelned. slaan, en jilat een 
slag; zie Glignetts Bijdr. 189, en Halb. Aantt. op 
Maerl 328. Verplatten evenwel is verpletten of 
verpletteren; delfsche Bijbel, 1 Gon. 3, vs. 19: 
Ende snachts so starf d&t wijfs kint. Want at 
slapende soe verplatte sijt. 
Het znw. plet leest men bij Kausler, Denkm. 1. 305- 
Maer si ne vernamen plet no deel^ 
Dotter lieden binnen waren 



437 



PLETTKREN. 



438 



En S. 340: 

Moer en machte hcU&i niet^ 

DaUi wonnen plet ofte yet, 
D. i. een stuk, bij Kil. plets 

Pletteren*, zie Pladeren' 
Pletteren^ zie Pladeren^. 
Flodderen— Plodden 

Het freqnant werd gebezigd door Van den Bergh, 
Longfellows Ged. 204- 

K^den moeit ze, geUjk een vorstin, 

en door dik en door dun niet 

Ploddren zoocds een boerin, — 
D. i. piassen, waden. Het Idiot. van Schuermant: 
heeft bet w. met de omschrijving »in 't water be- 
lig sijn, het hoen en wéér roeren." 'Bij Schultze 
is piuddere water uitgieten of spreiden. Men kan 
hier denken aan eene verwisseling der lipletters 
/)6o/, want mede flodderen heeit de bet. die hier 
past Zie o. h. w. Het ww. laat sich echter ook 
afleiden van plodden, in 't eng. bij Halliwell to 
plodffey door siijk of water heenwaden, en is ver- 
want aan plodernj pluttem, bluttem, in 't water 
plassen, waarvan zie Ploeteren^; alsmede aan 
hiotter, bij Von Schmid dikke vloeistof, slijkige 
Uei. — Brockett leidt to plodge van hei neder). 
ploegen af(!). 

Ploeterea'— Ploeten. 

Ploeteren is verwant aan pladeren in den zin 
van plassen ; zie Pladeren*; doch 't laati>te is meer 
lich btootelijk in het water bewegen, terwijl het 
sente vocnral gezegd wordt van het woelen in troe- 
bel water, slijk of andere stoffen, en dus ook meer 
iospanning vereischt. In het groningsch dialect 
U ploeteren »in het water plassen, zooals b. v. de 
eeiiden doen"; zie Taalk. Mag. 11.339; in het over- 
ijselsch imet ruim sop frisch af wasschen, eigenlijk 
met de handen in het water omplassen"; zie 
Haibertsma's Wdb. Men leest het w. bij onze la- 
tere schrijvers meermalen, dus Fokke, De Vrouw 
is de Baas, l. 172: cUs ze met hunne morsige 
xhoenen op den schoonen grond komen ploeteren. 
D. IL 38: daar ze van den ochtend tot den avond 
^robty schuurt en ploetert. Dez. Verzam. der 
Werken, XII. 116: Wordt dal goed in dien trog 
ifegoten^ daoir ze (de menschen) daar verder zoo 
in ploeteren ? Van Lennep, Ferd. Huyck, II. 95 : 
Het was geen gemakkelijk noch aangenaam werk, 
fdzoo door den modder Ie ploeteren. Dez. Onze 
Voorouders, IIL 132: die knapen, die hier en ginds 
»oy in hel moeras liggen te ploeteren Kneppel- 
bottt, Geschr. X. 143: neem haar waar op hare 



sdiuity ploeterende in de waschkuip. Van den 
Broek, Nagel en Verspr. Ged. 209: 

Die AagjCy in haar groot beslag, 
In 't melkhuis bijster ploetren za^. 

Vandaar omjo^teren; Halbertsma,Lappekorf, door 
Goevemeur, II. 65: kon ik soms wel uren achter- 
een in de vaarten en meren onder water omploe- 
teren. De Gids, 18G6, 1. 419: het zelfbehagen, 
waarmede gij omploetert in den modderpoel der 
laagste... roerselen van menschelijke daden. — In 
overdrachtigen zin leest men het w. in De Tijd» 
spiegel, 1862, n^ 7, bl. 32: Om hem 't Grieksch 
van het N. T.„. te loeren verstaan^ laat men hem 
jaren lang ploeteren in e.en gansch ander Griekseh. 
De Veer, Frans Holster, III. 385: Hier in Europa 
zitten ze jaren achtereen te wurmen en te ploete- 
ren, aUeen om aan 't eind, als ze oud en stram 
zijn geworden, in een koets te kunnen rijden, 
Dickens, Het verlaten Huis, doorC. M. Mensing. 58: 
eerst ploeteren met die boeken en instrumenten, 
en dan als een wildeman voort in galop enz. — 
Alsmede voortpioeteren ; DeKeyser, Sprokkel. 188: 
Met niet meer dan middelmatige gaven toegerust, 
blijft hij voortpioeteren in zijn beperkten kring 

Het adj. ploeterig komt vooi' in den zin van 
bezoedeld, bemorst ; Fokke, Verzam der Werken^ 
VIL 17 : Dat is nu wel somtijds zoo unit een mor- 
sig gekokkerd, maar dat is niemendal; al zien 
wü er altemet reis zoo wat ploeterig uit, iUs we 
maar bleven leven en zamen pret kunnen hebben. 
— Voor zeepsop bezigde men ploetersop; zie N. 
Ned. Taaimag. IV. 245. 

Het WW. ploeteren, vóór Fokke bij onze schrij- 
vers niet bekend, is gevormd naar de dialectspraak 
onzer naburen. Stalder heeft blüttem, blüdet^ 
pflüdem, pflüttern, fludem, flüttern, .s\\wi in de 
bet. van zich in slijk of andere dikke vloeistof be- 
wegen ; en Schöpf pludern^ plodem en blultem, 
in 't water plassen. 

Het piim. dat bij ons ploeten zou moeten lui- 
den, is plutschen, bij Schambach zich met handen 
en voeten in 't water bewegen, nauw verwant aan 
ploden, waarvan zie op Pladertn^. 

Ploeteren*, zie Pladeren'. 
Plonderen, zie Plunderen. 
Pluisteren— PluiJien 

Kil. heeft pluisteren voor nazoeken, navorschen^ 
en in dien /in zeggen wij nog napluizvn en uit- 
pluizen, eene bet. ontleend aan de welbekende be- 
zigheid der vogelen, die gezegd worden zich te 
pluizetu In dezen zin moet het frequent, niet zeer 
gebruikelijk zijn geweest; althans het kwam mij 



439 



FLUISTEREN 



440 



bij geen onzer schrijvers voor. Zooveel te meer 
in de andere door Kil. vermelde bet van plunde- 
ren; De Gastele yn. De Konst van Rethoriken, 196 : 
— Niet stelxck ghelfjck den wolve: 

Ie en pluustere niemants lochting^ te minen 

gewinne. 
Loehting is hof, tuin. Antw. Sp. van Sinne, 582: 

Hoe seer etck had den poot^ ghereet om plu y stèren. 
Anna Bijns, Refer. II 28: 

*Tgoet is gemeene^ hier deur elck pluystert. 
Belg. Mus. VI. 57 - 

Binnen dat ghy laecht in slaeps verduustere»}^ 

Te wijlen ghinghic w hnerse pluusteren. 
Bredere, Moortje, 13 (van een schip): 

— verowri^ en geplonderty 

Gepluystert, en qeplockt, van geit en kotftUjckhe'en, 
Levens van Plut. fol. 53: een seer heerlicke caste- 
licke, ende rijekelicke tent,., (die) men behoorde 
te scheuren^ ende te pluysteren. Fol. 56 verso: 
Zijnde also de gheheele stadt ghepluystert ende 
gheplondert. Fol. 63: welck.,. de landen... door- 
liejyen ende pluysteiden. Fol. ii6 'verso: zijnde 
de ovef*winners weynich mt ghetal om de dood en 
te pluysteren die in groote menichte waren. — In 
gelijken zin vindt men uitpluisteren en hepluiste- 
ren ; a. w. fol. 219 verso : in gheen plaetse langher 
vertoevende, als dat st; deselve uyighepXuysieri ende 
gheplondeH hadden. Bredero, Roddr. en Alph. 32: 

Voorts geef ick m verlof, haar gantsch te schud' 

den uyt, 

En '/ Leger nae u sin der Mooren te bepluyst'ren. 
Een anderen zin evenwel heeft dit laatste bij De 
Bie, Faems Weergalm, 99: 

Die geroepen wordt moet luystreti 
En sijn ooren nofft bepluystren 
Met des werelts vleyery. 
Uier denk ik aan bepluizen, met pluis watten vul- 
len, en dns stoppen. 

Voor een pluistetxuxr vind ik pluistenaar; Dis- 
coursen van Machiavel, .40: de gruwelijcke vyanden 
des geloofs, de wrede tyrannen ende pluystenaers 
win steden ende platte landeti. — Vergelijk woe- 
kenaar en woekeraar. 

In den zin van wol plukken en in pluisjes los- 
gaan heefl De Bo's Idioticon niet alleen pluisteren, 
maar ook pluizelen. 

Met den oe-klank in deti wortel vindt men het 
fre^. in een brief van 15(>8, in het geldersch dialect 
geschreven; N. Werken der leidscbe Maatsch. VI. 
16: {de soldaten) ploesteren aüe die huysluiden, 
die sy bekomen mogen daer sy lighen 

Het prim. pluizen, dat men eigenlijk aantreft 
b. v. Brender & Brandis' Kabinet, IV. 217 (terwijl) : 



De blanke zwaan de veders pluist, 
heeft genoegzaam denzelfden zin in de reeds bij 
Kil. voorkomende uitdrukking?: de beurs fduizen; 
Hondius' Moufeschans, 296: 

En dan lacht hij in de vuysi 
Dickmaels, die de beurse pluyst. 
Zoo ook bij H. van Ualmael, De Panlikker, 10: 
De spotters meenen, sy z^n aan de beste koop. 
Dog niemand geeft my een bokkeny of sy ktüt 

hem een stoop; 
En tot die prifs, laat sy my er wat vereeren, 
Ik weetse op haar tijd, weer te pluysen, en k 

scheeren. 
Aid. 13: 

Viel *er voor jouw niet te pluysen, dan hadje 

geen brood. 
En 34: 

Hy sal met geen vertrouwde sleutels meer ander- 
mans wijn steden i 
Mijn Kabinet sal hy ook niet meet* pluysen, «)'n 

kunst is uit. 
De afleiding afpluizen heeft Baardt, Deugden- 
spoor, 26: 

Hoe menichma^ heb ick mijn Peet^ 
Haer Sondaegs Buydel uyl^gehiysi^ 
En ruygste Veeren aff-gepluyst ! 
Doorpluizen; Van der Gruycen, Spr. van Sal. 255: 
— die H al doorpluyst, wat in de ziel gheschiel 
En 319: 

Elck woort wort nauw' doorpluyst, eer dat 'i 

eens uyt sal breketu 
Uitpluizen; De Denker, II. 86: de diepzinnige 
Godgeleerdheid niet uit te pluizen. Beeloo, Ged. 
166: zoo'n uitgepluisd beschrijven, — En verptux- 
zen; D. J. vanLennep in Kantelaar en Siegenbeeb 
Euterpe, II. 35: dat men nu de Godentaai der 
Socratische wijsheid... als verpluisd en versnipperd 
zag in de beuzelende brieven enz. 

Een anderen zin, nam. dien van peuzelende eten, 
heefl dit w. in Rabelais' Werken, L 82: hy haalde 
ook,., sijn drinkebreurtjes zeer geeme te gast, waar 
mee hy dan rousemousde, en poyde en pluisde. 

Een SU hst. pluister vindt men bij Spieghel, 
Hertsp. 56: 

Of u kaal watmer dekt, of pluyster-rijk flmceel, 
Vlaming toekent daarop aan: *ryk van opstaende 
pool (neders. polle^ kuif of vederbosch ?) zynde de 
draden doorgesneden, en als zo veel pluisters.*' 

De wwn plusen en plustrrn hebben in het ne- 
ders. verschillende toegepaste beteekenissen ; zie 
Ddhneit, Brem. Nied. Wtb., Schutze e. a. 

Pluis, als adj. genomen en wel eens verkeeiil 
afgeleid, is van pluizen, in den zin van scbooo- 



UA 



FLUISTEREN. 



442 



makan, reinigen. Men eipluche" als de Kil. auctus 
zegt; zie ook Ten Kate, II. 314. Meestal hoort 
men het w. met de ontkenning: het is niet pluis. 
Van der Cruycen, a. w. 117 : 

— (die) pryst al wat ghy doety 
Al is hel niet te pluys, en niet te byater goei. 
Aid. 669: een niet Ie pluys gemoet, H. van Hal- 
mael, De Zedem. en Kantoorkn. 21 : 
Maar V is daar ook niet, als men meenty zo pluis 

te vinden. 
Krook, De Nederlag (sic) der Seine, 36: 
— (tf met SnoeveVy en myn Wyf niet als te 

pluis. 
Fokie, Verzaro. der Werken, XI. 30 : een meistjej 
dat juist niet al te pluis was. — Zonder de ont- 
kenning ia het bij Westerbaen, Ockenburgh, 108* 
— hoer verlaeten dee kerok. land, en hof en huys 
Om 't gene dat haer dacht te wesen reyn en 

piuys. 

Plunderen— Plannen. 

Gnmm noemt dit woord wortelloos, en gist, dat 
bet verwant zij aan woorden, die ▼ermengen, ver- 
warren, beteekenen, aie bet Wtb. i. v. Blunder, 
Wat daarvan zij, een ww. plunnen laat zich even 
regelmatig aannemen van plun^ als plunderen van 
plunder. Uet subst. plun is in Hneders. lap of 
iomp, meerv. plunnen^ plünneny plunden^ oude 
kleéren en slecht huisraad, dimin. plunnken. Voor 
dit laatste is bij ons zeer gewoon- |i<tt»i;e; Wil- 
links Amsterd. Arkad. II. 145: om dat hy... zeer 
dendig in de plunje was. Vervolg op Wag. XXXII. 
324: de noodige penningen, zo tot inkoopen van 
Zeeplanje, oZa ter voldoening hunner Slaapbaazen. 
Immerzeel, De Moederliefde, 55: 't varschend oog 
op wand en plunje slaan. Nierstrasz, De Verlos- 
ser enz. 62: 

De enood meédoogenlooze vrek. 
Die in de plunje van H gebrek, 
Z^n* broeder niet herkent. 
De Gort, Liederen, 150 : 

— zij mijne plukje ook wat grover. 
Prof. David spelt ^onje, Vad. Hist. VI. 385: dal 
de Officieren... de heide gemelde kleuren*., op hunne 
p/oDJe oerfoondeti — Bij Westerbaeh pjund/e, Ged. 
I. :«3: 
Men schud syn ka,erels uyt, so onlanx fors en bars: 
Haer plondje wert ten danck geoffert op oen Mars. 
Aid. 470: 

De plundje was voor de Soldaten. 
En la 371: 
lek sal êijn wapenen en dese plimdjen oen 
Uw eyken hangen op — 
D. i. pakkage. Doch ook het on verkleinde w. komt 



bij ons voor; Bekker en Deken, Econ. Liedjes, 294: 

— rcuikt de Plun vet^sleten. 

De naait en draad, myn lieve kind. 

Moet jy niet lacden vcMren. 

D. i. de kleedei*en. — En in het meervoud, Baardt, 

Deugdeuspoor, 83: 

Dat HuyS'-gesin kan niet een Jaer 
De Plunnen houden by malckaer. 
En ald. 301: daer-je by Nacht moet schampen 
gaen, vermits ghy van u P lui men berooft, des dae^s 
u scha-emt op straet te comen. — Van dit plun of 
plund is het collectieve znw. plundery in de ver- 
wante dialecten onder de vormen plunder, &i«<ii- 
der en plunner voorkomende met de bet. van huis- 
raad, kleét-en, pakkage, zoowel in gewonen zin als 
met minachting gesproken. Bij ons leest men het 
w. in Gooi-nherts Wercken, I. fol. 3d5* : die post- 
poerden zijn bestelt, mijn dinghen zijn ghereedt, 
mijn pionder is al in mün liefstens handt. Dez. 
Odyssea, I. 73: 

Maer Neleus en wilde syn schoondochter niemant 

geven 
Dan die schoon swarte koeyen bracht tot een 

pionder. 
D. i. have. Büderdijk, Krekelz. I 66: 
— zoo '/ iets meer mag z^n, *t is oude beedlaars 

pionder, 
Omhangen met het ordeslint. 
Dez. Vaderl. Uitboez. 127: 

Gy ziet die zege zich met elke stand verwijderen, 
Waaraan gy al uw hoop op roof en plunder 

hecht. 
uier kan men het w. nemen voor de daad van 
plunderen, of de plundering; zooals bij Vrouwe 
Bilderdijk, Wit en Rood, U. 77: 

— Hy, ten pionder toegerust. 
Spande ras de voUe zeilen, vloog haar na met 

dollen spoed. 
Voor dit plunder, en dan wederom in de gewone 
bet. van plunje* heeft V^esterbaen plunder^, Ged. 
III. 390: 

Van desen dag stdt gy.„ 

Eneas hooft en die bebloede plundery. 

Verwinner dragen weg — 
En ald. 469: 

— Sijn lijf, sijn plundery 

S^jn wapens, sijn geweer ziin in der Frygen 

handen. 
Vondel heeft plmideraedje. zie Weil. — Bij denz. 
Dichter, Poézy. II. 216, heeft men als samen- 
stelling : 

De waar heit is oprecht: zij hoeft geen plon- 

deiigrijns. 



443 



PLUNDEREN. 



444 



In Van Lenneps uitgave (III. i15) leest men bij 
deze uitdrukking: »d. i. bedekkende, verbergende 
grijnst, plonder^ pion je en plunje is H zelfde." Hoe 
bet subst. pionder, «bedekkende" kan beteekenen, 
is niet duidelijk Ik versta: geroofd of ontleend 
masker Pionderen is, ook bij Vondel, meerma- 
len voor rooven genomen, en als roof goed voor ge- 
roofd goed, is pionder grijnit eene grijns, die ge- 
roofd, van elders ontleend is. 

Het frequent, plunderen, plondeiren, is bij ons, 
zpoals Weil. naar ik meen juist, zegt: >van klee- 
deren, huisraad en andere roerende goederen be- 
rooven." Er had kunnen bijgevoegd worden, dat 
het vooral van soldaten gezegd wordt. In de ver> 
wanie dialecten evenwel treft men nog andere be* 
teekenissen aan ; bij Schmeller en Sch5pf die van 
(zooals wij zeggen) zijn biezen pakken, en bij Stal- 
der verhuiaen en zijn boedel uit den brand red- 
den ; bij Nicolai zijn' boedel van de ééne kamer 
of verdieping naar de andere overbrengen, of er 
eene nieuwe woning mede betrekken. 

Bilderdijk, Geslachtl. II. d58, maakt de opmer- 
king, dat plonderon eigenlijk voor ontplonderen is, 
als van pionder berooven; sommige onzer vader- 
landscfae dichters hebben dien wenk gevolgd; De 
Thouara, Zriny, 137: 

De voorbod van mijn komst^ die U krank kasteel 

ontplonderL 
Blieck, Mengelp. II 54: 

Uw grootsehe doek-- en marmerwonderen 
Zal u de grage iyd ontplonderen. 
D. HL 7: 

Geen schoone boom Uyft schoon, vmn de eedle 

kroon ontplonderd. 

Dat pionderen bij omzetting zou komen van pnm* 
delen^ zooals Halbertsma op Maerl. 11, schijnt te 
meenen, kan, met het oog op het aangevoerde, 
niet aannemelijk geacht v orden. 

In onze Woordenboeken mist men het ww. af- 
plonderen, dat Anttmides heeft, Ged. 454: 

De êchightige Eridaen vloeit trager door het 

bloety 

En legt met baret en buik op 't afgeplondert goet. 
Hoogvliet, Abraham de Aartsv. 1^: 

— (UV de schatten, doot* de woedende oorlogêlién 

Hun alge^aniert — 
Valentijn, Werken van Ovid. I. 255: om dat dan 
de v^nd mij geen buit heeft af te plunderen. 
Burlage, Aead. Tafer. Voorw. 2: vóór dat het (vM) 
door een êêouter en dtchterUjker hand totaal alfo- 
plunderd was. 

Bij den dichter Nierstrasz vind ik verplondereti , 
Frans Naereboul, t) (van banken in de zee): 



— Helaas! dan, blank gestroomd^ 
Verbergen zij het graf voor de arme zeegezellen. 
En tassen kief bij kiel, verplonderd, ut hat^ 

wellen! 
Het w. komt mij voor in bet overeen te komen 
met het gewone uitplunderen, hoogd. ausplündem^ 
dat van menschen en van gebouwen gezegd wordt ; 
b. V. Statenoverz. des Bijbels, Ps 74, vs. 8: Laeiee 
ons te samen uytplunderen. Amos *ó, vs. 11: uwe 
palleysen sullen uytgeplundert worden. — Van 
Lennep bezigde u}egplunderenf Rom. Werken, XXI. 
184: dat men bij zijne overheden den boel weg- 
plundert. — En Van lyeren platplonderen, Obstójn 
opgeh. 1t>: 

— dat dwingelanden.. 
Ter poort e insioimn, liepen branden. 
Platplondren, aUes overmanden. 

Poenderen— Poenten. 

De Bo heeft poenderen en verklaart dat door 
ipuntwerk verrichten, peuteren," en enkele andere 
meer overdrachtige beieekeniseen. Het w. punt- 
werk is door den Schr. juist gekozen; dat wijst 
op het primit. punten, in onze oude taal ookpoeit- 
ten, een woord, met verschillende to^MSsing voor- 
komende, doch steeds van de punt ontleend. Van 
Velthem, fol. 53: 

Int leste werd gepoent aleoe, 
Datsi Heinrike bevalen doe 
Die Monborie haren neve. 
D. i. werd befMiald« vastgesteld, als punt aan^no- 
men. Aid. fol. 04: 

Die Marograve quam oec van der side 
Om dit te ponteiie, €lai hi can, 
Le Long zegt niet kwalijk: »ie beslissen." Der 
Leken Spieghei, III. 148: 

— die dichtre die de woert 
Ende den sin vandier materien 
Scone can setten ende scerien (d. L scharen). 
Te rechte poenten ende spellen, 
D. i op de rechte plaats stellen, zóó plaatsen of 
schikken als H behoort. Dus ook Die Uiat. van 
Seghelijn, HS. vs. 97: 

Crod die alle dinck punten can. 
Heeften herwert ghesent 
Om ie bieren den torment. 
Der Minnen Loep, U. 47 : 

Soe bid ie vriendeUe dien ende dese»t. 
Dat Bijt mlêo heymeUc schicken^. 
Maer punctet, off ghi mueciit, daerbg 
Dattet eender sonde si, 
D. i. schikt het, als gij kunt zóó* N. ReelLR van 
Weiiien der L. Ifaaisch. 11. !d4)5: 



446 



POENDERFN 



4M 



Wcmt cléin cameren ende sialle 

Poenten si die kerken cUle. 
»Maken" segt het GloMMrium. Eig. zij bestemdp^i 
al de kerken tot kamer»> en stallen. D lil. W: 

Loet ons hier oomen noch hedeti^ 

Dat wi Echites den coninc 

Gherne helpen poen ten sin e dinc. 
D. i. regelen, in vaf^te orde brengen. Karet de 
Groote, &2: 

IkU skeysers sone Lodewijc... 

Yoen woude 

Geoen van Lerein tlani,, 

Ende Coelne mede die stat ; 

Want si den keyser poente bat,.. 

Dan enegen keyser te voren. 
D. i. beter te pas kwam, iroegde, schikte. Belg, 
Mus. I. 31: 

Sit hier noch, ende ie sal gaen 
Besien wat si hébben yedaen 
Die ie over die effeninge liet, 
Ie solt pointen, wats gesciet. 
D. i. regelen, in orde brengen. Delfsche Bijbel, 
Prologhe van Ezechiöl: leest denen boeck oec na 
onse iranslatie; want omdat hi ghepunt ende bi 
diHincMn dats anderseheideUje ghescreven is, so 
gheeft hi apenbaerliker sin denghenen dien lesen. 
D. i. (naar ik ver8ta) punctueel, nauwkeurig 
vertaald. 

Poeperen— Poepen* 

Naar bet getuigenis van Berkhey, Nat. Hist. van 
UoUand, III. 143, is »hij poepert van angst" eene 
bekende uitdrukking. Hij leidt het ww. dan ook 
heel natuurlijk van het niet minder bekende pri- 
mitief af. Zie ook Poepelen. Van het prim. ww. 
heeft meu een subst. afgeleid, Het Nieuwe Uoornse 
Speel werck, 306: 

Soo s'haer poepert eenmael sluyt, 

'k Seght recht uyt, 

*k Slae niet weder sulck een moei an. 
Duim, Mengelxangen, 227; 

Als *< touw eens brak. 

Dan leyze met 'er poepert wis om hoog. 
Ook in fig. zin ; Krook, De Wispeituurige Minn. 41 : 

— Och! 'k beklaag dien armen poeper. 
In Van Rustings Werken, I. 4li0, leest men: 
Neptuyn! kunt gy dat zien, en poepert u de 

nMars niet. 
Uier zou men het w. ook kunnen opvatten al8 eene 
andere uitspraak van poperen; zie dit beneden. 

Pokeren— Poken. 

Van het bekende nederl. poken, d. i. niet een 
pon tig ijzer in het kolen vuur aleken en i-oeron 



om dat op te stoken, heeft het wefttvlaanisch, en 
(naar ik heb kunnen nagaan) die tongv»! alleen, 
het fi*equent pokeren, met dezelfde beteekenis. 
Zie De Bo In het png. is lo poke niet alleen in 
het vuur, manr ook met de handen wroeten, waar- 
van poker y nedet'l. pook^ en bij Til ing poken eene 
wonde steken. Pook^ voor dolk of rapier, is bij 
onze dichters bekend. Nier zeer dichterlijk \9 bij 
Van Nyveld, Souterlied. Ps 34: 

Ghy siet wel Heer^ hoe dat sy poken. 

Polderen— Pollen. 

Het WW. polderen heeft VJissings Redens Lust- 
hof, 24: 

Oft dronckaerts tuyssciters zijn^ en poldren al- 

temet. 
De bet. is hier niet met zekerheid te bepalen. 
Men kan denken aan het hoogd. poliem^ razen, 
in drift opstuiven, bij Sch^^pfook pcldem, en dan 
is het prim. pdleti n= bollen, waarvan zie op Bol- 
deren. Pollen zou ook boelen kunnen zijn, van 
boel of pol, d. i. ontuchtig mensch ; hoogd. bahlen, 
bij Schmeller bueten; middelhoogd. buolen. Het 
een zoowel als het ander komt bij den dronkaard 
te pas. 

Polljsteren— Polijsten. 

Kil. heeft alleen het frequent, dat dan ook vroe- 
ger in zwang was; Gheschier. Proefsteen, 42: 

— gaen met een hoofs^gelaet 

Ghepolijstert achter straei. 
Everaert, Politica van Lipsius, Voorw. 2: dat alle 
de saken... binnen ons eewe soo seere ghepolystert 
ende versubtyiet zijn. Poiilers, Masker van de 
Werelt, 58: dat die (pedagoge) hem in alle goede 
manieren, zeden en k&nsten sou polijsteren. Dez. 
Het Duyfken in de Steenrotse, 45: Soo wist gy 
die rouwe onbeleeftheden, en vyandtschappen te 
polysteren. Statenvert. des Bijbels, 1 Gon. 1, vs. 
45: al van gepolijstert koper. De Brune, Wet- 
steen, I. 84: worden er de gemoederen wonderlijk 
gepolystert. Dez. Jok en Ernst, 201 : het vernuft 
schijnt daar door eenigsins aangewakkert en ge- 
polijstert te worden. Ti*ip, Tyd winst, 33: 

_ ■ 

Geen gouden erts, van goud door kunstwerk 

gepolysterd. 

Afleidingen zijn ongepolijsterd en gepolijsterd- 
heid; Moons. Sedel. Vermaeck-Tonneel, 4: dat ick 
vele onghepollijsterde, en oneyghen woordefi hier 
en daer heb ingeschoten. Schippers Onvergel. 
Ariane, Opdr. : dewyl de gepolystert heit van 7 een 
aan 'tandet* niet hindert. — Opmerking verdient 
geplijst voor gepolijst; Levens van Plut. M. \hS: 
niet te vraghen na roeken in purper gheverwet. 



447 



PQUJSTE»EN. 



448 



noch na huysen met heatreecken ende gheplijste 
mueren — En pollzen voor poUfulen; Boddaert, 
Levensgesch. en Portef. 94 : Neem ook de roode 
tuigen^ en polijs de gespen en besUigen platen. — 
MiBschien dacht de Schr. aan het eng. io polish 
of het fransche polieeant^ polisaonSy poUaneur enz. 
De vorm palijatereny dien Kil. heeft, kwam mij 
bij onze schrijvei*s niet voor. 

Polkeren— Polken. 

Polkeren zie men in de pi. uit De Gids aangeh. 
op Mazurkeren, De poolsche dans is bij ons be- 
kend onder den naam van polka. Het ww. polken 
komt overeen met het fr. polker^ de polka dansen, 
waarvan de afleidd. polkeur ^ polkeuse. Zie Kramers. 

Poisteren— Polsen. 

Volgens Bouman, Volkstaal in Noordbolland, is 
in dat gewest poUteren gebruikelijk voor >in bet 
water spartelen." Het w. is één met polieren^ dat 
volgens Weil. (i. v. Onderjdompen) voorkomt in 
onderpoiteren^ in Groningen imet klotsend gespoel 
onder het water douwen." Kil. beeft po/^e?», stoe- 
ten, duwen, en polsen in 't loater^ d. i. met een 
stok in 't water ploffen In polsen vindt men de 
s van H lat. pulsare, en in polieren de t van pul- 
tare, beiden stoeten, slaan enz., hoogd. poUem, 
neders. pultem. Het eng. frequent, to polier, bij 
Halliwell met een stok in *t water slaan, heeft de 
s noch de t, zooals het eng. ook pole zegt voor 
ons pols. 

Polteren, zie Poisteren. 
Ponderen— Ponden. 

Ponderen is bij Kil hetzelfde als pondelen, we- 
gen, in evenwicht brengen, en komt overeen met 
het fr. pondérer en het eng. to punder bij Halli- 
well. Het eng zegt topond en to ponder, beiden 
voor overwegen, in den fig. zin van overdenken. 
Zoo kent ook het overijselsch dialect punderen 
voor wegen, volgens Halb. V^db. ; en het geldersch 
voor iemand »polsen," dat misschien beter uitge- 
drukt wordt door »wegen, onderzoeken hoe zwaar 
iemand weegt,' in kunde bij voorb. ; zie Taalk. 
Mag. I. 321. Toi ponden, ponderen, zegt Weil. te 
behooren de benaming verponding, voor het aan- 
deel (in ponden) dat iemand bij schatting moet 
betalen. Verponden is dan in ponden aanslaan, 
en inderdaad leest men dit ww. Informacie, 160: 
(zy) verpaditen en verponden te 7 jaeren twee- 
werf, ende sullen de schotponden ie ket*smisse, als 
men verpond t, merckelicke vermindert toorden'i — 
Zie wijders Pondelen. 

Pooijeren'— PooUen. 

Pooien is drinken, stei'k drinken bij Kil. Dus 



De Gasteleyn, Hist. van Pyramus ende Thitbe, 44: 
Hadd' ick een proykin 
lek sehoyde eeïi schoykin 
Nae taverne om poyen een poykin. 
Aid 45: 

Maech, icK voedtC u om een vane biers^ 
Diet verliest zal voor zyn ghelt poyen. 
Goomhert, Odyssea, I. 31 verso : 
Daer al zijn volc verdranc door veel soui wa- 
ters te poyan. 
Vondel, Toonneel des Menach. Levens, 19: 
O Bacche! drinkt eens om, en laat ons ook 

amayen, {') 
H Vat is . niei haÜef leeg ; wy mogen nog wel 

poyen. 
Heinsius, Lofsanck van Baccbus, bl. 5ö der Wt- 
legginhe: Cratintts.. als hy ghepoeyt heulde, seyde 
dat de wijn het peert was van de Poèten, Six 
van Ghandelier, Poësy, 113: 
De mnagh, met oovervloed van *l killend nol te 

pooijen, 
Verkoudt, — 
De Regts Mengeld. 146: 

O bloemenhcarten! twu cum '(pooijea. 
Fokke, Verzam. der Werken, XJI. 96: die zalen 
daar zoo te pooijen, je leven zoo niet; ik kon ze 
maar niet wegkrijgen, vó&r het heele vaatje schoon 
leeg was. Brender è Brandis' Kabinet, I. 371: Al 
heeft hy flessen vol gepooit. — Men vindt ook uit- 
pooijen; Huygens, Korenbl. IL 430: 

Hy tnost den bitteren Kroes uytpoyen dick en veel. 
En verpooijen; H. van Halmael, De Onberaaden 
Minnaar, 11: 
Haar zuipen verveelt my, ik ben kaal en berooid. 
Zy zelf heeft haar hembd onlangs verpooid. 
Het frequent, komt voor bij Van Lennep, Ferd. 
Huycky L 345: als het op poieren cuinkomt, dau 
ben ik nog niet bang; ik héb een bast, die kan 
er tegen. 

Poojjeren*— PooUen. 

Pooijen, po-jen, is de verzachte vorm ym paden ^ 
d. i. het eng. to bait, angels bcUan, d. i. lokaxeo, 
waarvan ook het neders. pödder, lokaas, inzonder- 
heid om aal te vangen, poddem, aal visschen of 
vangen; zie Richey en Schutze. Vandaar bij Ril. 



(*) De twee voorafgaaode rebels luldea : 

ff ter til de to$n-God self, met zijnen platten kroes. 
Op tün gezadelt Ros, en speelt alvast avoes! 
Dit avoes van het fraoscbe d ooim .' verilaartlietwv 
als ittnde van d moi ' De Bitgavt van Van Laaaei», gevolgd 
naar een anderen druk dan den myaeivan IMI) aeefl I. 171 : 
a moeifen en poeyeny stellig minder goed, cooal? ook de tegen- 
overstaande plaat gebeel anders en minder passend is lm bei 
gedicbl. Het -vat" by voorli. Is er niet op te tien. 



440 



POOIJEREN. 



460 



pootjeren (po-jeren bij verzachting van poderen)^ 
aal of paling vangen. Vandaar pooijeraar bij Van 
Lennep^ Rom. Werken, XXIII. 105: Ik heb dien 
pooieraar meer gezien — Wij zeggeh daarvoor peu- 
ren^ verkort van peu-ere»?, dat men werkelijk leest 
bij Elliot. In één Bandje, iOO: 

Vóór wordt steeds gepoetst en geschui^erd; 

En achter^ de dagen verluijerd,.. 

En links^ naar een erfnis gepeuerd. 
Ook is vde Leydsche peuëraar' van Hildebrand 
bekend. Kil. verklaarde peuren door pieren^ van 
wege de pieren of wormen, bij 't visschen gebruikt; 
Weil. denkt aan verwantschap met beuren. Door 
eene gewone klaiik verwisseling zal peu-eren wel 
voor po-jeren^ poderen^ gezegd zijn. 'kTrof dit 
frequent, aan in De Dietscho Warande, VI. 352: 
men sol,, loachten (d. i zorg dragen) dat hy (de 
jongen) in den schotel niet en roere oft en poyere, 
aU oft hy in eenen vischput ware, — Wellicht ook 
in Meulewels Misanthropos, 30: 

lek wordende gewaet* dat de^e guygelaers 

Soa poyerden naer my — 
D. i. zoo hun best deden, om mij te vangen. Be- 
halve ons peuren heeft men ook de samentrekking 
parm in het Brem: Nieders. Wtb. en poeren bij 
Halb Overijas. Wdb. 

Pooöeren*, zie Poteren. 
Poperen— Popen. 

Poperen is hetz. als popelen^ d. i. beven, klop- 
pen (van angst); dus Alb. Thijm, Legenden en 
Fantaiziên, 58: 

{Hij) zat een wijly met pooprend hart.,. 
In 'taadlijk leungestoelf. 
Van Rusting maakt den klank bard, Werken, 1. 606 : 
Doe popperde my 't gat, en *t klopte me in myn 

lenden^ 
Om 't grote prykel dat aan deze landing hing. 
Zoo ook Imroerzeel, Ged. II. 111: 

Men raadpleegt^ deftig, uren lang^ 
Met popprend hart en 't wezen bang. 
Zoo hebben ook H ww. Schmeller, Stalder en Von 
Srhmid; bovendien pöppem, bobbern en popper- 
(en; het Brem. Nied. Wtb. heelt puppem. Zie 
toorts Popelen. 

Poteren — ^Poten. 

Wat poteren, thans peuteren, beteekent, wordt 
door Schambach, naar ik meen, juist omschraven; 
nam. met den vinger, de hand, den stok of eenig 
ander voorwerp in iets wroeten of woelen ; en voorts 
bij overdracht aan eene zaak arbeiden, zonder veel 
oit Ie richten. Fulda's Idiotikensamml. heeft bo- 
tem, tmet een spits voorwerp graven" en Muller 



en Weitz bötele, pöiteln, met de vingers in iets 
steken of uitholen En de afleiding van het w. 
geeft Stürenburg, als hij zegt dat poteren, peuteren, 
eigenlijk is, met den poot betasten of in iets wroe- 
ten Het woord is dus in oorsprong laag van be- 
teekenis, hetzij men poot opvatte als benaming 
van de menschelijke hand, of aan een dierenpoot 
denkt. 

Een WW. poten zoekt men niet te vergeefs. In 
het dialect van Lijf- en Ehstland is pothen een 
lage volksuitdrukking voor insteken of duwen ; bij 
Ualliwell to pote met de voeten stoeten, schop- 
pen, en volgene Hunter in het dialect van Hal- 
la mshire to pote het onrustig bewegen der voeten 
van eenen te bed liggenden zieke. 

De vormen poteren, en bij Kil. pootjeren, zijn 
verouderd, en komen zoo weinig bij onze schrijvers 
voor, dat ik er niet één voorbeeld van weet bij te 
brengen. Dat al voor een paar eeuwen peuteren 
gezegd werd, blijkt uit Van Beverwijck, Schat der 
Onges. II. 29: door te veel in de Tanden^ inson- 
derheyt, met een Spel Ie peuteren. Erasmus, 
Golioq. Famil. 374: peutert uu)e ooren niet. Bek- 
ker, Bet Weereld, IV. 197 : In de onderkeuken 
hadde men gemerkt, dat iemant aan het vuur ge- 
peuterd hadde; anders was Hvuur.,. uitgegaan, 
Huygens, Korenbl. I. 326: 

— liever in een' warme koy gekrouwt. 

Dan dus van onderen gepeutert in sijn' veeren. 
D. II. 87 : 

— aen '(peuteren 

Van voor of achter-deur, om grendels te doen 

leuteren. 
Oudaans Poêzy, I. 27: 

Gy hebt, o Sandis! wel gezocht 
Eeti weinig aan dat Kleed te peuteran, enz. 
Zoo ook in de vorige eeuw; Berkhey, Vad. Af- 
scheid, 92: 

LcMt Vosmaar... 

Met spichte vingers tmn de kleene motjes peuiren. 
En later Fardon, Nagel. Redev. II. 216: den kies- 
kaauwef}den Franschman, die uit de schotels.,, 
een' champignon pikt... terwijl hij daaraan peu- 
tert enz. Van Walré, Heksluiting, 183: 

— dat de knekelvorst 
Nooit aan zijn' leef draad peutren dorst. 
Figuurlijk wordt de bet. b, v. bij Bekker, a. w. I. 
3: dat onse Schriftgeleerdheid... so tederlijk ge- 
handelt word, dafmen daar aan op 't minst niet 
peuteren magh, of men is aanstonds van onreght- 
sinnigheidverdachi. Werken derleidsche Maatsch. 
I. 70: door redeneeringen daar aan te willen peu- 
teren, is de onzekerheia invoi*t^en. — Eene samen- 

16 



461 



POTEREN. 



458 



trekking Tan het w. is peuren ; Belg. Mus. VI. 66 : 

Esaer tuseehen ulieden iet secreeU ghd>ueri^ 

Sijt te mreden^ ende niet en puert 

In ele anders meedoet^ groot noch dene, 
Willems yerklaart dit te recht door koteren, met 
bijvoeging der uitdrukking: kotert in geen kwade 
wonde I Men segt evenzoo: een wonde of zeer 
openkrabben. 

Met ons poteren komt overeen het eng. to pot- 
tery brj Brockett in het vuur poken, en door hem 
van on» peuteren afgeleid. Volgens Hunter is het 
eigen frequent, gebruikelijk voor den toestand van 
iemand, die in verlegenheid is, omdat hij eenige 
zaak wel aanvat, maar geen kracht genoeg heeft 
om door te tasten; hij peutert er dus slechts aan. 
Langs dien weg kreeg to potter de bet. van lui en 
slecht werken, lanterfanten ; zie Halliwell. — Voorts 
zal hiertoe behooren petem^ bij Trachsel nutteloos 
in de olielamp stoken. 

Door te lang aan eene zaak te peuteren wordt 
s:ij menigmaal bedorven ; vandaar verpeuteren voor 
bederven, eene bij Ril. en onze schrijvers zeer be- 
kende uitdrukking; Meermans Ck>m. Vet 76: voy 
die het met den rooden Afgodt.,, zoo verpeutert 
hébben, dcU wy hem^ eoo te seggen^ een rechtvoer- 
dighe straffe schuldigh zijn. Erasmus, Lingua, 
115: Do^r hadde iet terstoni verpeuXerty ickhadde 
by hem wty noch hy en loofde m^jn boecken niet 
meer. Valentijn, Werken van Ovid. II. 159: Si/... 
haatte, om dats* het met mij verpeutert had, alle 
stag van manvolk, Cioster, Tijsken v. d. Schilde, i5 : 

Soo sou 't verpeutert «(/n, en met aen baxis heet 

onklaer. 
Westerbaen, Ged. I. 490: 

De Staten die hébben Hgeweldich verpeutert. 
Van der Veens Zinneb. 37: 

Dan ist verpeutert attemaal^ 
Dan zijnse in haat van haeren Heer 
M. G. Tengnagels Aemsterd. Lindebladen, 46: 
Maer wat is Hf Wat zal ik zeggen? 

'k Zorg dat moer het ruiken zou ; 
En dan toas het heel verpeutert. 
Pers, Bellerophon, 132: 

Schipper^ hebdy *tdan verpeutert, 
Hébdy hier en daar geleutert. 
Van Rusting, Ovidius, 82: 

*k Heb onvoorsiens gedwcuUt. Ik weet, ik heb 7 

verpeutert. 
H. van Halmael, De bedrooge Gessionant, 15: 

Maar myn verpeutert wyfy wie of haar mag doen 

draalen? 
Zie ook Oudemans Wdb. op Bredero, en mijn Taalk. 
Mag. II. 343 



Bij Oudaan, Poézy, I. 157, leest men: 

H Zy wie dat wichtig werk bepaut*ren 
Op 't eind^lyk treffen week van fnoed^ 
Dat schrikt geen oprecht Hollands bloed, 
DcU tegens klippen op zou ktauteren. 
Ik acht dit bepatUeren om het rijm gezegd voor 
beptuteren, in den zin van bewerken, bearbeidsD, 
verrichten. De wortelklank van peuteren, poteren, 
wordt bij Danneil aangeduid door paöêem, 

Potteren'— Potten. 

Het WW. potteren trof ik aan bij Sprankbaisen, 
Geestel. Bataille, 26: Neemt dat yemandt schip- 
breucke gheleden hebbende, midden in de hoüp 
Zee lagh en dreef... soude heni in dien stoet isel 
lusten te potteren en te gabberen? En Wester- 
baen, Ged. II. 251 : 

lek moet met desen boef wat potteren en moUlen. 
Uit het verband blijkt de bet. te zijn gekschernu 
schertsen. En het primit potten vindt men bij 
Godewijck, Wittebroodskinderen (uitg. van Dr. 
Schoten. 2: 

Verlaet het vuyl gespuys, en loet het potten siaen 

En schicht u tot de deught, en treedt de rechte 

boen. 
D. i. zooals lager gezegd wordt: 

Verlaet dit kinderspel, en al dit malle jocken. 
Het eng. heeft to poU bij Halliwell iemand voor 
den gek houden, een scheef gezicht tegen iemand 
trekken. 

Vandaar bij onze schrijvers het znw. poUerij 
voor scherts, grap, guiterij; Sprankhuisen, Geestel. 
Triumphe, 83: sy springen op van vreu^hde^voan- 
neer sy eenighe snoode schandeHJcke, godtloose per- 
ten mogen oenrechten; ende wanneer sy van haere 
Potteryen, dertelheden, ondeugden moghen roemen, 
Vlaerd. Redenrijckb. 412: 

— /lebt ghy dees of die muys'nesten weer ut 't 

hooflf 

Wat dicht doch uwen geest ? WcU ist voor pottery *? 
Ik ben niet vreemd van de gedachte, dat hier 'm 
'tw. eene schimpende zinspeling ligt op poèterij: 
want eenandere rederijker antwoordt: a'kbenvel 
gewoon u spotten" ; en die speling was niet zeld- 
zaam; dus Bredero, Roddrick, 3: de Ghemeente 
en *t slechte (d. i. geringe) Volck, die tneestendeel 
meer met boefachtige pottemyen, als met Geestige 
Poëteryen zijn vermaackt. En De Brune, Bancketiv. 
I. 36: Poétery ia nu poiVery gheworden. D.i. ijdel 
spel. — Ook Hooft speelt met bet w. als hij in de 
Voorreden van den »Ware-nar met sijnen pot," 
Ged. fol. 256, zegt: Dit spel zal Pottery heeten. En 
Bilderdtjk vergist zich, Aantt. op Hooft, Hl. 139, 
als hij meent, dat de Dichter hier »eeii nieuw 



tS3 



POTTEREN 



464 



woord opwerpt" *t Woord bestond, maar in de 
toepaeeing op de klucht van den Pot lag het on- 
gewone^ Men ontmoet voorts het w. bij Bredero, 
Jerolimo, 68: 

— daer zijn wel looëe guyten^ 
Die anders zijn in H hert ais sy schijnen van 

byiyten^ 
Het is een argen scheUck vol slimme pottery. 
D. i. gaiterij, gaitenstreken; zooals ook het dimi- 
nutief, aki. 90: 
Met dat het firuylofs volck over hoop quamen 

uytlcopen, 
Soo villen^ en gingen sy (V een den ander inde 

moster doopen:.. 
En süleke potterijtjes die metense melkaer met 

schepels toe, 
Dei. Schijnheyiigh, 54: 

— Hebt ghy nu eenige potter ye bedacht^ 
Die ghy men op tvoud laden dat iek sou hebben 

gewrocht? 
Brono, Mengelmoes, 196: 
In *t bedd^ heeft selfs Jupijn sijn donder afgeleyt. 
Genumtptl^ potterij, schamp-^sehootjes^ luyster^ 

oortjes^ 
Geen bitse bytery^ bequaemejockeS'Woortjes,en%. 
De biïgebrachte pil. doen zien, dat de bet. van 
tschelmerij, schelmstuk," die de hougl. De Vries, 
AantU op Warenar, 88, aan 'tw. toekent, wat te 
ongunstig opgevat is. Overeenkomstig met het 
WW. potteren beteekent potter^ bloot grap, klucht, 
guiterij, en beeft op de meeste plaatsen niets mis- 
dadige in zich. Ook potterachtig is onschuldig van 
zin; Valentijn. Werken van Ovid. III 90: Haar 
goon hoae m sijn kintse jaren, twaalf jaar oud 
stjndey dartel en potteragtig. 

Zoo iB het ook met potter, dat meermalen ver- 
keerdaliik is afgeleid van het »potten van geld" 
en 4as door vrek verklaard ; zie het Wdb. des Inst. 
op Hooft, en Tideman op de Ged. van Beaumont, 
Sê. Pmiter is eig. zooals Kil. polboef omschrijft, 
een landlooper, die de feesten en plattelandsker- 
missecB bezoekt en daar voor bootsemaker speelt. 
Doidei^k blqkt die bet. uit Vlaerd Redenrtjckb. 18 
lek was lestent op het trommelslaoh te Vlaar- 

dvngh gaan seulen, 
DaoTy êooh ick, haanse (d. i. badden ze) pottren 

toeghemaackt met naackte leen, 
Die^r houwe kosten, al haanse alder leven ebeen 

(d. i. gebedeld), 
Sy hadden dieeen dit der stelende uyt saghen, 
LandÜoopers met schootsvellen, die na werck 

vraghen, enz. 
D. L lieden, die bedelaars nabootsten, 't Spreekt 



van zelf, dat zulk een woord verschillend vrerd 
toegepast. Gats bezigt bet voor een guit, die min- 
nepijlen schiet, Wercken, II. fol. 179: 
Als Chloris dit vernam, en voeit haar aansicht 

sweüen 
En dat den boksvoet Pan ook quam den potter 

stellen 
En schoot haar guigjens toe^ doen wertse gansch 

ontstelt 
»Den potter stellen" is »den potter maken," d. i. 
zich als een potter aanstellen. Ook Hooft, Ged. 
fol. 159 (en niet 169, zooals Groebe en Oudemans 
opgeven), waar van Valkenoogl^, haren »vryer 
boksvoet" toesprekende, gezegd wordt : 

Pottert (*), riep haar helle keeUjeny 
Hoort uw hart alleen dan myf 
Bilderdqk, Aantt. III. 227, zegt dat pottert verbas 
terd is ys^ïipuitef, d. i. sloot- of moerasbewoner (I) 
Bredere, Roddrick, 12: 

Nu \ Potter^e my heeft ghewondt, 
Nu biedt het my s^n lieve mondt 
Verscheidene Ged. (door Groebe) I. 12: 
Neen^ pottertje, hoes-op, myn lust nu niet te 

nuUlen, 
Eens op een ander tijt. — 
Niet zoo lief is de bet. bij Westerbaen, Ged. II. 196 : 
WcU rijdt my dese schelm f wat komt my at te 

vooren I 
Wat difigen moet ick van den siimmen pottert 

hooren! 
Van Beaumont, Ged. (uitg. van Tideman), 59: 
Jas, ghy geeft u voor kluchtigh uyt. 
Maar ghy en sijt niet als een guyt, 
Onguyr, en vuyl, een rechte potter. 
En ald. 87 : 

— tot uwen grooten stoet 
Gherasckt een pottert wel, die bedelt langhs de 

straet. 
Men heeft hier aan een zwerver of landlooper te 
denken. Zoo althans neemt Spiegbel het, Hertsp. 29: 

Zo zietmen potters sno een eighentale maken. 
En Coster, ald. door Vlaming aangehaald: 

Want de kntkeelen groejender als in een potters 

kleed de luxzenesten. 
Men ziet, het guitige, dat de hoofdzaak uitmaakte, 
is uit de bet. verdwenen en alleen het landloopige 
is gebleven. 

Als samenstelling heeft Kil. potboef, dat hij on- 
gelukkiglijk tot pot brengt, en dan als potlikker 



{*) Uier en op meer pil. vlodt men ffotter in de attgpraak 
versterkt door de t, zooaU by Yeel woorden van dleo uit- 
gang, vooral in den gemeenzamen spreektrant, plaats bad, en 
waaruit, by meerderen aadnik, és uitgaag oafii ootstaaa ie- 

16* 



455 



POTTERBN. 



466 



opvat. Haima, verstandiger, verklaart het door 
schalk, en het \v. zegt dan ook niet veel anders 
dan pottet* zelf. Vergelijk spotboef en spotter. Men 
leest het bij Paffenrode, Ged. 187 : 

We mogen dien ouden wel laten loopen,.. 

Maar in desen jongen potteboef zou de vrees nog 

wel wat goeds werken misschien. 
Vanhier wederom potboeverij. hetz. als potterij^ 
en door Oudemans te recht door vguiterij, schalk- 
sche handeling" verklaard; Bredero, Moortje, 28: 

— ghy hebt al wat in de WeereU mach wesen ; 

Van schalckheyt, achterklap^ en van pot -boe ver y. 
Potridder was een schimpnaam : zekere schaapher- 
der op de Veluwe werd voor 2 gl. beboet, omdat 
»hi seyde tot eenre Vrouwen, sy had hoer Kynden 
Pol-Bidder gemaickt." Zie Van Hasselts Geld. 
Maand w. II. 284. Intusschen zou potridder van 
een ander pot kunnen gezegd zijn, en beteekenen 
een arme of verloopen ridder. Zoo zegt ons ge- 
meen >hij gaat*' of «is op de pof' van iemand, 
wiens geldzaken in een slechten toestand zijn, die 
zijne schulden niet betalen kan, blijkbaar van het 
eng. to go lo pot, in de eerste plaats in den pot 
verslonden worden, doch voorts bij uitbreiding 
zijne zaken zien te niet gaan. Gone to pot ver- 
klaart Halliwell door »ruined.'* 

Dat met de behandelde wwn. potten en potteren 
ons spotten »eig. boerten, schertsen, en voorts 
smadelijk schertsen*' geen verwantschap hebben 
zou, acht ik niet denkbaar; veeleer houd ik voor 
zeer mogelijk, dat spotten van potten door voorvoe- 
ging der s ontstaan zij. 

Potteren*— Pooten. 

Pooien is hier genomen in den zin van gaan, 
van poot, voet of been, waarvan aanpooten^ in het 
Wdb. der Ned Taal »snel voortgaan." 

Het frequent, heeft Schuermans voor »het eerste 
loopen der kleine kinderen met korte stappen." 
Volkomen is zoowel de vorm als de bet. hiervan 
opgehelderd bij Halliwell, die heeft: pod, voet, 
gewoonlijk de voet van een kind, en vandaar het 
WW. to pod, voor »als een kmd met korte schre- 
den gaan." Het neders. bij Tiling heeft put jen, 
met korte schreden loopen, en in 't algemeen pecf- 
den voor gaan, treden. 

Pragcheren— ÜPragohen. 

Pragctieren vindt men bij Kil. in denzelfden zin 
als pragchen. Hij verklaart het door spaarzaam 
en zuinig leven, waarbq de Kil. auctus nog naar 
Plantijn voegt : zeer gierig zijn. Men mag twijfe- 
len, uf deze opgaven wel geheel juist zijn. Al- 
thans in de talrijke voorbeelden van pragchen^ door 



Huydec. Proeve, IL 110 — li&, bijeengebracht, heefl 
het w. nergens ééne der veimelde beteekeninen. 
Het WW pragchen beteekende, evenals hetiwoed- 
sche pracka,' bedelen, met sterken drang iets vra- 
gen ; van kinderen gezegd, om iets dwingen, ook 
af pragchen genoemd, en diezelfde bet. had in het 
platduitsch en nedersaksisch het frequent prachem, 
*t welk Kil. schijnt te hebben overigenomen; zie 
Ricbey, het Brem. Nied. Wtb., Dahnert, Schötie, 
Huppel, Schambach, Bernd en Trachsel, welke lat- 
ste mede abprachem heeft; alleen Stürenburig 
heeft de omschrijving dus: »door woeker verkrij- 
gen, bijeenschrapen ; ook door bedelen bijeenbren- 
gen," doch daar deze Schrijver dik werf nederiand- 
sche bronnen heeft geraadpleegd, kan hq zijne 
verklaring gedeeltelijk uit Kil. geput hebben, en 
de wijze, waarop het bijeen schrapen en het bedelen 
door hem in verband worden gebracht, is vemaf- 
tig. Intusschen, de afleiding van het w. /mu^cAe», 
als zijnde nauw verwant aan prangen, d. i. drin- 
gen, pleit er voor, dat de eerste bet. des woords 
niet is die van bijeenbrengen, maar van afpersen. 
Men zie voorts Huydec. t. a. p. die echter verzoimt 
aan te wijzen, dat de beheersching van pragchen 
in hel gebruik der door hem aangevoerde schrij- 
vers verschilt. Doorgaans zdggen zq, zooalsWeil. 
ook alleen heeft, om iets pragct^en ; somwijlen ieti 
pragchen, eene enkele maal ook pragchen, zonder 
eenige beheersching. 

Nevens het vrouwelijke prachster uit Vondel, 
had Huydecoper kunnen aanvoeren hetmannelqke 
pragche»*, bedelaar, uit Bredero, Poem. 7: 
Die Landtloopers en Prachers unldt. 
Van 'tswerven brenght in rust en sOU. 
Eene andere door Huydec. gestaafde, doch bij 
Kil. en andd. niet voorkomende bet van projgdien. 
bij eenige onzer vroegere schrijvers is die van 
pralen, pronken, prijken. Huydecoper ziet daarin 
eene verwarring met praehten, dat Kil. in zooda- 
nigen zin kent. Zie dit w. beneden. Duidelijk 
blijkt die bet. b. v. uit Zincgreven, Ouytsehe 
Apophthegm 218: Wy, die op onse Ad^jcke af- 
komst prachen en pralen; wy, diemeenen beter te 
zyn als andere. Rau, Alcestis, 52: 

Die kringen pragchende met vrouwl^k schoon. 
Daartoe behoort de samenstelling prachhans^ het- 
zelfde wat anders pochhans heet, bij Van Niedek, 
Zinneb. der Tonge (4764), hl. 65, waar van snoe- 
vers en snorkers sprake is : aardigh scherste Dunte- 
nes,., met deeze prach-hanzen, enz. 

Pramperen— Prampen. 

Van der Schueren heeft |>ram/7eren zonder eenige 



457 



PRAMPEREN. 



458 



vertaling of verklaring. Wellicht is hei w. een 
frequent van prampen^ in het Brem. Nied. Wtb. 
betieifdtt als prammetL, d i. stoppen, volstoppen, 
bij Schütze pram8&i,, bij Danneil prampen^ pramp- 
sm^ al te vast ineenpakken. Doch deze heeft ook 
een ww. prampér'n voor onophoudelijk en met 
oiwtaimigheid om iets bedelen, bij Schütze pram^ 
peeretij hrantbeeren^ alarm maken. In ieder geval 
zou de oorsprong des woords kunnen liggen in 
pramen^ sterk drukken. 

Pronderen— Pronden. 

Halbertsma, Aantt. op Maerl. 11, voert een deelw. 
gheprandert aan uit den Reinaert, vs. 1475 en 
waarvan de variant gheprijni is. Bij het aangeh. 
vers komt noch gepronden noch geprijnt te pas, 
en de variant geprijnt^ die vs. 399 voorkomt, staat 
voor gepranderiy zoodat hier in de aanhaling eene 
veigissing moet plaats hebben. Zoo geprondertis 
gebezigd, kan dit van pronden afgeleid worden, 
ontstaan uit den onv. verl. tijd van prinden (imp. 
prantf pronden^ part. gepronden)^ lat. prehendere^ 
fransch prendre, een in het middelned. bekend 
WW.; zie Melis Stoke, II. 347, Meijer, Lev. van Je- 
zus, 362, en elders. 

Poflérea— Paffen. 

in Sehoermans' Idiotikon wordt pufferen ver- 
klaard door iniet willen branden (van het vuur), 
ook praiteD.** Dit laatste w. doet denken aan het 
mak«n van zeker geluid, verooi'zaakt door het niet 
doorbranden van het vuur. En dan komt het w. 
overeen met pu/fem, huffem, bij Stalder een dof 
(dompig) geluid geven, van puffen^ bij Tiling een 
dof^ dompig geluid geven door een slag of stoot ; 
misschien hetz. als poefen^ bij De Bo »met eenen 
poef loe- of openspringen: dat brandhout poeft in 
den heerd." — Puffen^ in de bekende bet. van bla- 
zec, onderscheid ik hiervan. 

Polkeran —Pulken. 

Ofschoon onze Woordenboeken^ het ww. pulken 
niet hebben, is het toch in de gemeenzame taal 
zeer bekend. Het beteekent met den vinger kleine 
gedeelten losmaken; men pulkt aan den roof eener 
wonde, in den neus, aan het brood enz. Schuer- 
mans eo De Bo vermelden beiden het woord en 
hebben daarvan het frequent, pulkeren in gelijke 
bet In de verwante dialecten vind ik polk*n^ 
pöüCfL, bij Danneil; pulken^ püleken^ bij Tiling, bij 
wien deielfde handeling puien heet, eng. to puUy 
trekken, plukken, angels, pullian. 

Punteren— Punten. 

Volgens De Flines Zeemanswoordenb. is puntS' 
rtHj ook perUerenj aanhechten, aanhaken van tou- 



wen of haken aan een ring; Winschooten zegt 
»een anker op sij'setten," wat minder nauwkeurig 
schijnt. Vandaar punterhaak of penterhaak, vol- 
gens Van Lennep een haak om den ring van het 
anker te vatten. In De Jongen Gescli. van het Zee- 
wezen, IV. St. II. 215, leest men van : het puntaal 
van St. SebaêticMn; en volgens Weil. Kunstwoor- 
denb. (Supplement) is puntale »in eenige spaan- 
sche havens de plaats, alwaar de schepen aanlan- 
den en liggen; maar eigenlijk de ijzeren hakenen 
ringen, waaraan zij vastgelegd werden." In het 
oostfriesch bij Stürenbuig is punter een zwaar 
touw, onder anderen dienende om den boom.j^un- 
ierboom geheeten, boven op eenen met hooi ge- 
laden wagen vast te binden, welk werk puntem 
genoemd wordt. 

Punteren kan dus zijn van een ww. pwUen^ in 
den zin van steken, insteken, dat ook het lat. 
pwngere beteekent, vanwege het insteken der 
punt van den haak in den ' ring. Höfer noemt 
punzen een oud woord, dat steken, meteen pun- 
tig werktuig stooten, beduidt.. Men vindt het dan 
ook reeds in het middelhoogd. punten bij Benecke, 
en bij Halliwell heeft to painten dezelfde bet. Met 
eene geheel andere toepassing, maar toch mede uit 
hoofde van het insteken van een werktuig, zeide 
men ook punten voor het peilen eener wonde: 
zie Van Hasselt op Kil. 

Putteren— Putten. 

Van puiten, in de volkstaal zeer bekend voor 
het drinken, inzonderheid van geestrijk vocht, 
heeft men gemaakt het frequent, putteren. Zoo 
leest men in De Navorscher, XVI. 146: u)e zullen 
er een ganzenwijntje bij putteren. 



Baderen*— Baden. 

In het Belg. Mus. IX. 117, bezigt Willems het 
frequent, raderen voor het fransche rayonner, d. i. 
stralen, stralen schieten. Bij onze vroegere schrij- 
vers is het primit. ntaijen, oudfransch rayer, in 
dien zin niet zeldzaam. Numan, Strijt des 6e- 
moets, 51 verso: 

— dat godlijck Woort dwelck int alderhoochate 

raeyt. 
Vondel, Hierus. verwoest, 33: 

Den volckren,,. 

Die op Pactolus atrand het goud in d^oogen raeit 
Ook den vorm raden meen ik te vinden bij Ghe- 
schier. Proefsteen, 116: 

'T 18 den reuck van dit ghébraedt 
Die u van de epijee raedt. 
D. i. toestraalt. Het subst. raai voor straal komt 



4se 



RADERSN 



460 



insgelijks voor; Bijbel van 1477, Ecclésiastus, 43, 
VS. 4: die aanne verhemende die herghen: wtbla» 
aende nyerighe raeyen, ende bUnckende: in haren 
raeyen verblint n die oghen. Passionaet Win- 
terstuck, fo]. 157 verso : hi mch dcU alle die tiw- 
reU vergadert ukm, ende voer hem gebrocht ah 
onder een raye der wnnen, Gheschier, a. w. 42: 

— uyt cf ooghen schieten raeyen 

AU die echoone sterre plagh. 
Aki. 48: 

Denekt dat ay u aoeekt te paeyen 

Met hedrieghel^cke raeyen, 

Ikier af niemandt oyt ter deegh 

Lichty oft ware lugeter creegh. 
Kil. noemt »raeyen, radien. radnare" vlaamsch. 
Zoo had hij ook kunnen noemen raaisel^ dat De 
Uarduyn besigde, Uitgel. Dichtst 38: 
Jae selfe die giUde 8onn\ wiens raeysel ick doe 

hlindien. 

Radaren*— Baden. 

Het lat. rotatus wordt in Wellekens en Vlamings 
Dichtliev. Uitspann. 42, vertaald door ngeraderd, 
of gerabraakt;" en zoo leest men dan ook ald. 02, 
van Gerard van Velzen, dat hij: 
Moest sneuvelen door *t woeden van het volky 
Geraderd — 
Dtts mede Willems, in zijne berijming van Reinaert 
de Vos, 21: 

Dat hy u, door macht gepraemd^ 
Zal doen raderen en breken, 
H Woord is eene navolging van hét hoogd. rofiertt, 
en verdiende wel bij ons opgenomen te worden 
in plaats van het niet fraai klinkende radbraken. 
Het primit. ww. raden kent reeds bet middelned. ; 
Reinaert, vs. 531, ter pi. door Willems nagevolgd 
en boven aangeh.: 

Hi doet u breken ende raden. 
Snellaert, Nederl. Ged. 154: 

. Want daden nu die ionghe 
In haren yrsten spronghe 
DtU si wilen eer daden, 
Men soudse blenden ende raden. 
D. i. op het rad liggen of radbraken; het middel- 
hoogd. heeft het w. voor draaijen als een rad; zie 
Benecke. 

Het znw. rad heeft twee meervoudsvormen : ra^ 
deren en raden. Weil. vermeldt beiden, doch geeft 
van den laatste geen voorbeeld. Hij komt dan 
ook als bij uitzondering voor, b. v. Vondel, Eurip. 
Peniciaensche, 43 : 
AmfiaraüSy een waerzegger^ tuk en snoot. 
Voerde offervee mei zich. op zijne hooge raden 
Jan Vos, Ged. 1. 610: 



— men zoekt het Landt vol ra^n, 
y^urgpalen, galgen, mik en moordtgeweer u 

brengen. 
Schermers Poözy, 131 : 

Terwyl *tverwonne rot navolgt de gulde raden, 
t w. van de »met krygstrofeen belaaden zege- 
koets." Men ziet, de afwijking van den gewonen 
vorm is om des rijms wille. Onder de latere 
dichters nam ook Bilderdijk haar over, Verspr. 
Ged. U. 31 : 

— een oorlog,. 
Die de wondre kunsttuigra&n 
Van het heerlijk Godsgtéouw 
In een' oogwenk sloopen zou. 
Na zulk een voorgang nam Van Loghem de vrij- 
heid, het w. ook buiten het rijm te gebruiken, 
Mengeld. (1809), hl. 39: 
— sterke spanning wringt de raden zelfs in 

stukken. 
Bilderdijk bezigde den deelwoordvorm ooerradard; 
Kallim. 5: 

De Melas zag zijn rug met wagens overraderd. 

Bantanteren— Bantannen. 

Volgens mijn Archief, U. 182, is in het dialect 
der boeren van het zeeuwsche district Axel roit- 
tanteren in gebruik voor «iemand onder handen 
nemen." Zij hebben het w. aan het engelsch 
dialect van Gloucester ontleend, want daaiin zegt 
men, volgens Ualliwell, to rantan voor iemand 
slaag geven, afrossen; vermoedelijk, looals daar 
wordt opgemei'kt, van rantan^ dat door een aldaar 
aangeh. engelschen s"hrijver is gebezigd voor bet 
geluid van den hamei-enden ketelboeter^ 

Rasperen— Baspen. 

Van raspen, fr rdper, oudfr. rasper, eng. to nuji, 
is rasperen, welks verl. deelw. Bilderdijk als adj. 
gebruikte. Krekels. H. 131 : 

De Vriend, ongébeden, of deftig genood. 
Vond peper en zout by 't geraspeixle brood. 
Het hoogd. heeft als frequent, raspeln. Niet on- 
aardig is het fig. gebruik van raspen, in Vlaerd 
Redenrijckb. 458: 

— so wort de gemeent geraspt en uytgesopen^ 
En daer U profijt aen is de grote Heeren lopen 
Udemans, De Waekende Ooge, 28 (van de wereld): 
Siet hoe sy yder M^msch geduyrigh raspen doeL 
Soo datter ondef* 'tjock al mepneh suchten moet. 
Anders is de toepassing in af raspen; Valentijn, 
Werken van Ovidius, UI. 276: Naso.., send u^ 
Rufus,dit werk, dat h^ in *tkert heeft afgeraspt. 
om te toonen^ dat ik,„ nog om u denke. 

Van raspen is de benaming roap/iiiia voor tucht- 



461 



RASPEREN. 



46e 



buis van gevangenen, dewijl, zooals Smits zingt in 
zijn' Rottestroom il3: 

Ikier de rasp de weelde temt^ 
Daer de booswicht aUe doffen 
*f Hard Brazylaehe hout moet zagen 
£h ut '< zweet zyns aenachyns zwemt, 
Weil. omschrijft het werktuig, als bestaande uit 
•eeuige aan elkander vastgeklonkene zagen." Van 
Awp, hoofrd. raepeLf zou kunnen zijn rcapeeiy bij 
Despare, Cron. van Vlaend. IV. 153: Ooc wierter 
aUdoen een jonck raspeel... duer zijn tonghe ghe- 
steken ende ghebannen. D. i. volgens de aant. 
Men boef.*' Ril. hoeft respeel^ een deugniet. Beide 
vormen zijn nog vlaamsch volgens De Bo, die er 
mede vergelijkt raspalie^ dat bij Schuermans eene 
gelijke bet. beeft en ook prof. David, Vad. Hist. 
Vui. 387, noemt raspeel »een man van 't ftupo^'e.** 
Kil. beefl raepcUie^ gemeen volk, bij Hooft rajsa^je, 
zie het Wdb. des Inst 

Raflteren—Rasten. 

Weil. beeft omrasteren voor met rasterwerk^ d. i. 
staketwerk, omringen. Zoo leest men bij H. Meijer 
Jr. in de Dicbterl. GedenkroUe van Ned Verl. in 
i8ia» bl. i2: 

Z€» werd 's lands fiere maagd gelasterd^ 
En heel haar erf^ hoe sterk omrasterd, 
Vertrapt door dier üerradren voet. 
Het Wdb. der Ned. Taal heeft ook afrasteren^ 
doch zonder voorbeeld uit een schrijver. Men 
verstaat door rasterwerk houten latten of ijzeren 
staven, kniiseling door elkaAr gevlochten en ter 
afahiiting dienende. In den vorm heeft zulk werk 
overeenkomst met een rooster. Kramers noemt 

ook roosterwerk^ en Bilderdijk dacht 
aan de verwantschap of eenzelvigheid ywa 
beide wn ; zie zijne Verkl. €lesl. II. 404. Ik acht 
liet woord van romaanschen oorsprong en ont- 
leend aan het lat. raster^ rastruSy rastrumj een 
of ander met tanden voorzien werktuig, fr. 
oadfr. rastel^ bij Plantijn rcuteel^ voorts 
lat. rosfetfuffi, fr. ratelier^ ruif, een met traliën 
vooraene etensbak. 

Routeren is dus eig. geen frequent. ; doch men 
heeft een primitief gemaakt in herasten, by Wei- 
lees, Vermaeck der Jeucht, 13: 

Want Mars dte light nu vast 
Ghébanden, en berast 
Door Pax, die hem oom dwinghen 
D. L naar ik versta (als door traliewerk) ingesloten 
Het vermelde raderen is te onderscheiden van 
het middelned rasteren (rasieeren), waarover zie 
de Bijdr. van Oudemans. 



Redderen— Bedden. 

Redderen is vooreerst, wat wij gewoonlijk red- 
den noemen, hoogd. retten, middelhd. retten, re- 
ten, oudhoogd. retjan, angels, retan, eng. to nd, 
bij Halliwell to ridde, to red, d. i. uit gevaar hel- 
pen, in veiligheid brengen, bevrijden, verlossen. 
Dus Goornhert, Wercken, I. tol. 358: Hoemooghdy 
dan nu ontkennen dat ghy * tonrecht laet, nadien 
ghy^tuyt tw\jfele laet f mooghdy u daer ooek uyt 
redderen? D. II. fol. 347 verso: Reddert u nu, 
kondy, uyt dese uwe eygen verwerringhen. Von- 
del, Warande der Dieren, 87: Alsoo hébben et" 
lijcke Soldaten in de Stadt Petüia hoer tiidèlijck 
gereddert. Gats, Wercken, II. fol. 331 : 

ï>aar juicht doen Jacobs huys, soo dat 'et aart" 

rijk heeft. 

Vermits Godt al het heyr soo wél gereddert heeft, 
Huygens, Korenbl. II. 271 : 

{Dirck) heeft hoer vriendelick een soopje too' 

gébrticht 

Om hoer te redderen van wat te langen leven. 
Westerbaen, Ged. III. 504: 

De Leeuw wierd van een muys gereddert uyt 

het 9(»ren, 
Aid. 590: 

— Hy is noch in 't leven 
Die u gereddert heeft in al u tegenspoed, 
Antonides, €red. 190 (van Amsterdam) : 

Dan most het uit den dwang gereddert - 
Siz van Ghandelier, Ps. 119, vs. 75: 
— » maak dat ik, uit myn plaagen. 
Na al uw recht, gereddert leeven mag. 
Van Hoogstraten, Haegaenveld, 96!2: dat den jon^ 
ghelingh, die van ieder was deurgeschreven, dus 
onverwagt was gereddert. Bekker en Deken, Wil- 
lem Loevend, VIII. 233: Wy zyn hestemd, om de 
mannen uit het hederf te redderen, of daarvoor 
te hewaaren. 

Vervolgens heeft redderen, beredderen en op- 
redderen, den zin van in orde brengen, beschikken, 
verzorgen; dus Don Quicbot, I. 121: reddert my 
een weynig dese stegelreepen. Fokke, Boert. Reis, 
II. 216: om een bedorven huishouden... te redde- 
ren. D. III. 2ü6: dat zullen we wel gaauw red- 
deren. Huygens, Korenbl. I. 443: 
Mijn' kielen gae te doen, m^jn' anekertand te 

hechten, 
Mijn roer te redderen, mijn haren-baen te slechien. 
Westerman, Ged. IV. 27: 

Don voint gij, 'achter rots en klip, 
In stiller wtxter vaster Schip, 
En reddert al 't geschonden. 
Met Toonetseli; Huygens, a. w. U. 471: 



463 



REDDEREN. 



464 



Dat Mannen aUijd baett 's^Lands miken na 

hoer' kop 

Alleen beredderen, en Vrouwen dender op. 
Waarvan Fokke, Boert Rei», I. 47: Deze maakte 
daarop eene groote bereddering en omslag Dez 
Verzam. der Werken, XII. 34: toen hij vertrokken 
waSy en ik den boel weer voat opredderde. 

Inzonderheid werd hei prim redden in dezen zin 
van het haar gezegd; Gat8* Wercken, I fol. 658: 

Want hy, wiens hooft en fiert eens wel gered- 
del zijnj 

Al kemt hy menigmaelj hy kemt hem sonder pijn, 
Witsen Geysbeek, in zijne uitgave van Gats, 1.539, 
las hier gereddert en zoo sloop deze misstelling 
ook in die bij Ter Gunne, I. 326. De lezing ge- 
reddet wordt bevestigd door den afzonderlijken 
druk van den Spiegel van den O. en N. Tijdt, 
Amst. 1690, bl. 305. Zoo leest men ook bij Sprank- 
huisen, Geestel. Bataille, 36 : Hoe dat een Vrouwe 
de haeyren van hoer hoofdt langer loet verwarren^ 
sonder deselve te kemmen, met dies te grooter 
moeyte en pyne moetse die naderhandt redden en 
wederom in ordre brenghen. — En het eng. bij 
Ualliwell heeft to red^ niet alleen voor »in orde 
brengen, schoonmaken," maar ook voor »het haar 
kammen." 

In de vermelde bet. van in orde brengen zegt 
men, althans in sommige streken, ridderen en be* 
ridderen. Zoo Fokke, Boert. Reis, 1. 95 : alle din- 
gen ridderen zich zelven. Het Tael verbond, III. 50: 
al wist onz' Marianne heur huishouden goed te 
schikken en te beridderen. — Het ww. ridderen 
werd vroeger toegepast op eene bijzondere wijze 
van huishouden, namelijk zijn vermaak nemen, 
een vroolijk leven leiden ; dus W. D. Hoofis Klucht 
van Stijve Piet, 15: 

Wil hy dan altemet iens 's nachts uyt ridderen 

gaen, 

Dat mach hy dan vry doen van sijn jaet^Ujekse 

blaen, 
Blaefi IR interest. Haat en Nydt ( Amst. 1699), 14 : 

— sey hy niet dat hy sou met mijn uyt ridde- 
ren gaan.,. 

En dat hy my honderi pond tot een voorwaet^ 

sou mctkenf 
Bemagie, Het Huwelyksluyten (Amst. 1685), 15: 

Die stroo Jonkertjes^ wat weeten die van de kost 

te winnen f 

Als 'er wat te verteeren, te gcutt te gaan^ of zo 

uit te ridderen is^ dan zynze gaauw. 

Dit uittndderen zal hetzelfde zijn als uit ridderen 

gaan in de vorige pil. Van der Veen heeft ver- 

riddereti als bedrijvend ww. voor verdoen, verspiN 



len, Zin neb. 86: 

Die alles wat hy heeft vergaart^ 

Verriddert ende geeft ten besten^ 

En deur berooytheyt moet wederom van laait. 
Het tegengestelde van redderen is ontredderen, 
d. i. derhalve in de war brengen, verwarren, ont- 
stellen; dus Bredere, Griane, 32: 

H Alderspitste kloeck opeet hy belet, 
En ontreddert veel aenslaghen 
Tollens, Nieuwe Ged. I. 103: 

*t Ontredderd schip hersteld en derwaarts inge- 

loopen! 
Voor dit ontredderd vindt men ontred in Brender 
& Brandis' Kabinet, III. 107: 

Daar dringt de Ruitery de ontredde stad reeds in. 
Alsmede ongered in Schippers Onvergel. Ariane 
(Amst. 1646), 76: 

— hoe nu de zaken leggen. 

Te weten ongered. Het huys is vol krcüieel. 
Anders on geredderd ; Berkhey, Nat. Historie vaii 
Holland, IV. ii. 248: naeikl^ ongeredderd, aU een 
schamel wijf, Nomsz, Mijne Uitspanningen, 1.70: 
hoe ongeredderd het uxut zü^ door eene ziekte te 
hebben laten verrassen. Fokke, Verzam. van Spreekw. 
85 : daar ligt een ongeredderde boel van.,, oude 
vuile papieren en schuldbrieven. 

Eene andere kracht heeft ont in ontredden, bij 
Kil. hetzelfde als redden zelf, t. w. bevrijden, ver- 
lossen. Dus bij Hooft, Ged. fol. 220: 

Arm^ die mijn' poeslen arm zoo dikwijls h^l 

ontredt. 
Zie ook Weil. i. v. Hetzelfde werd roede uitgedrukt 
door beredden; Camphuysen, Ps. 4d, vs. 1: 

Te»' quader tijdty als 't lot ten trimpe neyght 

En alles onheyl dreyght^ 

Beredt hem Godt^ enz. 
Fokke, De Vrouw is de Baas, I. 187: te zorgen dat 
aUes naar regt bered worde. — Dit heeft Kil. niet; 
doch het middelhd. had reeds beretten in denz. zin, 
en Bilderdijk zong nog, in zijn Radagijs (Muzenalm. 
1819) bl. 18: 

Sus., sus! 't loopt mooglijk niet zoo sUm^ 

Ga wélgemoed naar bed. 
Nog vecht ge met een bloote schim; 
't Wordt alles licht bered. 
Vergel. mijne Proeve over dezen Dichter, bl. i^- 

Bederea— Reden. 

Beide wn. heeft Kil. voor ziften. Hij brengt ze 
tot den ^aksischen en gelderschen tongval, en zij 
zijn dan ook bloot gevormd naar het hoogd. raden 
en raderti; zie Adelung en verg. Ten Ka te, II. 330. 

Ook reitereny dat Kil. uit dezelfde dialecten in 



465 



REDEREN. 



466 



gelijke bet. heeft op^teekend, hoogd. reitertiy mid- 
deibd. ritsm, riiterti en reutem^ oudhoogd. rita- 
rWy bij Scbmeller riaeln^ is alleen een andere 
vorm van rddem. Zie Adelung. De eng..wn. ridUej 
een grove seef, bij Ualliwell ridder^ en to riddle^ 
xifleo, angels hriddel en hridder, een zeef, en 
Aru/rion, siften, toonen verwantschap met rede^ 
ren^ radem en reiteren. Ook Halliwells to rid«, 
bewegen, splijten, afzonderen, kan er toe behooren