Skip to main content

Full text of "Idioticon van het Antwepsch dialect (stad Antwerpen en Antwepsche Kempen)"

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



i 



IDIOTICON 



VAN HKT 



ANTWERPSCH DIALECT 



v.3 



XOSINKLUKE VUAHSCHE AOiDEHIE VOOB TAAL- <■ LETTEMUNDK 



IDIOTICON 

VAN HET 

ANTWERPSCH DIALECT 

(STAD ANTWERPEN EN ANTWERPSCHE KEMPEN) 

OPGESTELD DOOK 

P. JOZEF CORNELISSEN, 

GBMEENTEONDER.WIJZSR TE SIKT-ANTONIUS (BKECKT) 



J.-B. VERVLIET, 

LETTBEKUMDIGE TE ANTWEKFE 



Bekroond door de Koninklijke Ylaanischo Academie i 
TbbI- en Letterkunde. 



DERDE DEEL 

M— S ^ 




1903 



TOENEWTORK , 

PFBUC UBRARY 1 

881023A 

A8TOR,1,EMOX*J,D 



» • 



\1. 



MAAG. znw., V, — Fr, cstomac, 

— Spr, Da{f) zal hem koud of zwaar op zijn maag vallen, dat 
zal hein niet aanstaan, dat zal hem onaangenaam zijn te vernemen. T., R. 

— Het blijft op mijn maag liggen y zegt men wanneer de spijs- 
vertering niet goed werkt. 

MAAGBITTERE'N, znw., m. — Maagbitter, Fr. elixir^ amer 
stomachique. 

MAAGT, znw , v. — Wordt door sommigen gezcid voor Maag, 
Fr. estomac. Pijn hebben aan de maagt. 

MAAI, znw., V, — Made, worm, Fr. ver, V. D. vermeldt dien 
vorm als gewest. 

— Verg. Zoo arm als 'en maai, zeer arm. 

— Arm maai, arme mensch; wordt gebruikt met een denkbeeld 
van medelijden. Frans werkt en wruüt, en hij blijft toch maar altgd 
dezelfde arm maai. 

— Wordt collectief gebezigd. De maai is aan de* porrei. Daar is 
dees jaar vcul maai in *t fruit. 

— Spr. Iemand de maai afdoen, hem te slim zijn, (Z.-W. der K.) 

MAAI, znw., V. — Klets, (A.) Ik zal oe wa* maaien geven, as 
ge me nie* gerust en laat. 

M AAIBAAR, MEIBAAR, bvw. — Bekwaam om gemaaid te 
worden. Zou da* gers nog nic* haast maaibaar zijn ? 

MAAIBEEN, MEIBEEN, znw., o. — Maaivoet, been dat buiten- 
waarts eenen boog beschrijft in *t gaan. D. B. Hij hec* maaibeenen. 

MAAIBEENEN, MEIBEENEN, w., o. — Met de bcenen 
maaien bij *t gaan, maaivoeten, 

MAAIBLOOT, bvw. — Naakt, gezeid van vogels die nog geenc 
vederen hebben. Die vogelen zijn nog maaibloot. Ook Paddebloot. 

MAAIGAT, znw., o. — Gat door eene made geboord. Dat hout 
deugt niet ; *t is vol maaigatcn. 

MAAIKE(N, ZQW., o. — Verkleinvorm van Maria, doch enkel 
in het rijm : 

Mieke, Micke, Maaiken, 
rk weet 'ne' vogelenest 
Al in ons moeders schapraaiken. 
Ik heb er is (eens) in gewest (gcwccsi). 



i.ni'ttcv». >'i 



^^// ' * ^* < ffH C^ > a6/ 



— 786 — 

MAAISTEËK, znw., m. — Wormstcek in appelen of peren. 
Dicën appel is vol maaisteken. 

— Bij Sch. is maaisteek een bvw. 

MAAK, znw., m. en niet v. 

— In de{n) maak, besteld om gemaakt te worden. T„ KI. -Br. 
Mijne frak is in de' maak. 

MAAKSEL, znw., o, — Meisje, verachtender wijze. (A.) Gij leelijk 
maaksel, ik zal oe aframmelen. 

MAALBAAR, bvw. — Kunnende gemalen worden, spr. van graan. 
'Et koren is decs jaar nie' maalbaar. 

MAALGAST, znw., m, — Muldersknecht. 

M AALIJZER, znw., o. — Fig. Wordt gczeid van iemand die 
altijd maalt, zaagt, onte>Teden is. Ge zijt *en echt maalijzer. 

MAALKANT, znw., m. — Bij mulders. De kant van den kerf 
eens molensteens, die het graan maalt. 

MAALKANTEN, w., b. — Bij mulders. De maalkantcn van 
de kerven eens molensteens scherpen. 

MAALTIJD, znw., v. en niet m. J. 

MAAN, znw., v. — Fr. lune. 

— Spr. E gezicht hebben gelijk *en volle tnaan^ een vet en bolrond 
aangezicht. T., R. 

— De maan schijnty zegt men spottend, wanneer ecu kaalhoofdige 
zich het hoofd ontbloot. 

— In de maan gebakken, wordt gezcid van brood of paimekoek 
die zeer bleek gebakken is. 

— Als de maan dr ij toten heeft, zegt men schertsend om te beteekenen, 
dat iels nooit zal gebeuren. In denzelfden zin zegt men ook : als Pas(ch)en 
op *ne(n) Vrijdag komt. 

— Zooveiil meugelijk als met de handen aan de maan te reiken, 
volstrekt onmogelijk. 

— Hy hee{J')t in de maan gepist ^ zegt men van iemand die ecne 
weeroog heeft. 

— Einde van de Mcèrtschc maan, stcèrtje van den winter, 

— De roste maan, de maan van Meert. De rosse maan is 'en 
kwa(d)e maan. 

— Bij mulders. De maan in eenen windmolen is eene ronde ijzeren 
plaat, die rust op het nol van den standaard. D. B. 

MAAN B ASSER, znw., m. — Hond die op de maan bast, bij- 
zonder als ze in zijn kot schijnt. 

MAAN DRACHT, znw., v, — Valsche zwangerschap. Zij h6ct 
*en maandracht gehad. Ook Molledracht en Pèèrdedracht. 

MAANDROOSKEN, znw., o. — Soort van kleine roos, die heel 
den zomer door bloeit. 



— 78? - 

MAAR, in 't N. der Kemp. MAR en MER, vgw. en bw. — 
Z. Wrdb. 

— Tw. Wel. Maar, jongen, watda* ge zegt ! Maar God toch ! Maar 
kom voort ! 

— Maar ja y maar neen, wel ja, wel neen. Met den klemtoon op maar 
drukt het eciste ecne sterke bevestiging, hel tweede eene sterke ont- 
kenning uit. T., R. Zal ek nie* te Iaat komen ? Maar neen ! ge hèt nog 
twee uren tijd. 

— Maar toe (klemt, op toe), volop. Het is maar toe aan 't regenen. 
Hij drinkt aliijd maar toe. 

— Maar toch (klemt, op maar), uitroep van verbazing. Maar toch ! 
wie had da* gepeisd. Ook maar God toch / maar Heere toch ! maar 
tncnsch toch / enz. 

— Maar^maar ! uilroep van blijde verwondering. Maar-maar ! hoe 
schoon toch ! 

— Maar op komt ter versterking in den 2" pers. enk. der Gebiedende 
wijze achter ww. die niet met op samengesteld zijn. T. Ga maar op! 
Speelt maar op ! Rijd maar op ! 

— Maar res, z. RES. 

— Er maar op aan, z. AAN. 

— Spr. Daar is *ne maar hif\ 't hangt af van eene voorwaarde, 
er is een beletsel aan. Hij zou wel trouwen, maar daar is 'ne maar 
bij : hij mag niet. 

MAAR, znw., v. — Nachtmerrie, Fr. cauchemar. 

— Van de maar bere{d)en zijn, de nachtmerrie hebben. D. B. (Ook 
in O.-VI., Brab. en Limb., z. Sch.) Ik ben dezen nacht van de maar 
bere(d)en. » Eh, Smet, wat gaat u over ? Wordt gij van de maar bereden 
of zijl gij van uwe zinnen ? » (CoNSClENCE. Het Geluk van rijk te zijn, lo.) 

MAASGAT, znw., o. — Bij metsers. Ieder van de gaten in 
eenen muur, ^aar de maasbonten eener stelling in steken. 

M AASHOUT, znw., o. — Bij metsers. Elkeen van de d warshouten, 
die de planken van eene stelling ondersteunen en met het eene einde 
in den muur zitten en met het andere op het veerhoul rusten, bij Kram. 
bunsem en korteling en bij D. B, buhterhout geheeten, Fr. boulin, 

MAAS NAALD, znw., v. — Eene naald om te mazen. D. B. 

MACHIBN, znw., o. en niet v. — Fr. machine. 

MACHOÉCHEL, MACHOCHEL (klemt, op de 2« lettergreep), 
ZDW., V. - Dikke, zwaarlijvige vrouw, zwaar en log vrouwmensch, bij 
D. B. machoche, machochel, Wa' veur 'en dikke machoêchel komt ginder 
aan ? Ook Masjoëfel. 

— Bij Kil. bet. machache^ machachel lui, slordig, mismaakt vrouws- 
persoon. 

MACHT, znw., v. — Fr. forcc. 

— Verg. Macht hebhen t^elijk e pècrd^ e natiep^u^rd^ 'nen reus ; 
— gel^'k *ne pier, *ne vors{ch) (scherts). 



- 788 - 

— Met de machte io overvloed, Fr. en abondance, D, B., T., R^ 
Kl.-Br. Daar was volk met de macht. Dees jaar zuUendcr appelen zijn 
roet de macht. Hij hèe* geld met de macht. 

MADAM, znw., v. — Titel voor eene getrouwde burgersvrouw. 

Z. MEVROUW. 

MADERISTES, MADERITJES (klemt, op de derde leltcrgr), 
tw. — Mijdspreuk voor Maria. Is altijd voorafgegaan door Seeses (Jezus), 
Seezes Maderistes ! wa* zalder nog gebeuren ! Seezes van Maderitjes ! 
wat is er nu weer gaande ! 

MAP, znw., m. — Iemand die maf, traag en vadsig is. Hij zit 
daar gelijk 'nc maf. 

MAFKOEI, znw., v. — Dik, log wijf. 

MAPZAK, znw., m. — Traag en vadsig mensch. 

MAGALEN (klemt, op^^a), znw., o. — Naar Magalen zijn^ ver- 
sleten, kapot, te rest. ( A.) Waar is oewe strooien hoed ? Och ! dieën 
is al lank naar Magalen. 

MAGER, bvw. — Fr. matgre, 

— Verg. Zoo mager als 'en graat ^ als *en kreft, als brood ^ als 
de Grèèf van Ilalfvastcn^ als *en specht^ als 'en hottt, als 'ne sprink- 
haan, als 'nen boonstaaky als *ne stek^ als 'en Jret^ als 'ne reiger 
op zijn schenen ; hy is zoo mager dat hij uit *en jles(ch) zou etcn^ 
da{t) ge 'm me{t) V« spelzoudt doodsteken ^ dat hij brandt^ dat hy breekt, 

— Onvruchtbaar, schraal, sprek. van grond. Magere grond. Dieö 
grond is zoo mager dat hij schreeuwt, 

— Magere soep, soep gekookt van water, groenten, eoz., zonder 
vleesch. 

— Magere dag^ z. MAGERDAG. 

— Spr. V Is er e mager beestje mee^ het beteekent niet veel. Hij 
hee* geërfd, ja, maar 't is er e mager beestje mee. 

MAGERDAG, znw., m. — Dag waarop men vleesch moet derven, 
Fr, jour 77iaigrc^ jour d'abstinence, 

MAGERIGHEID, znw., v. — Magerheid, Fr. maigreur, 

— Spr. Zwart zien van tnagerigheid, buitengewoon mager zijn, 

MAGERHAL, ziiw., o. — Scheitsendc benaming voor het dorp 
Halle bij Zandhoven. De grond is er zoo mager, vertelt men spotsgewijze, 
dat men er maar een enkelen pier gevonden heeft, die met eene ijzeren 
ketting gebonden ligt in den hof van den pastoor. 

— Spr. '/ Is *nen heer van Mager hal, een kaalaard, een arme 
drommel, die toch voor iemand voornaams wil doorgaan. 

MAX EN, w., b. — Maaien. 

^ MAKAGE, znw., v. — c Making, Fr. legs, » 
vSch, geeft dil w. voor Anlw. 



- 789 - 

MAKAK (klemt, op kak)^ zn>»., m. — Onbeduidende persoon, 
voddeman, (A.) Gij en uw bruur zijn twee makakkcn bijeen. 

MAKANDBR, vrnw. — Malkander. Doe inakander gce(n) kwaad. 
We hebben makanderen in geen eeuwigheid gezien. 

MAKELÈÈR, znw., m. -~ Bij timmerl. De paal of standboom 
waarop de twee vleugels van cene deur of venster sluiten. D. B. 

— Latje dat genageld wordt op den middenstijl waar eene deur 
of venster tegenslaat. 

MAKEN, w., b. — Z. Wrd... 

— Vermaken bij testament, Fr. leguer, D. B., Dr. Hij heet alles 
aan ze' kozijn gemaakt. Zij is drij duzend frang gemaakt. 

— Bij *t gemeen Telen, voortbrengen, Fr. procréer. 

— Herstellen, verstellen, Fr. raccommoder. T., R. Oe' broek moet 
gemaakt wörren, eerda* ge ze kunt aandoen. Da' kleed kan nie' meer 
gemaakt würren, omdat 'et zoo versleten is. 

— Maken van^ geld ontvangen, inbeuren, sprek. van iets dat men 
verkocht heeft. T., R. Ik heb nog tweehonderd frang van mijn koei 
gemaakt. Verle(d}en week maakten ek op de mert zestig eens van mijn 
boter en nu zeventig. 

— Geld maketiy iets verkoopen om geld te hebben. T., R. *k Moet 
zien da' 'k tegen Bamis wa' geld maak, want ik moet m'n pacht betalen. 

— Het kort ol lank maken^ y/^iing of veel tijd vertoeven, werken, 
leven, enz. D. B., R. Hij heet hier geweest, maar hij heget ci nie* 
lank gemaakt. Maak 'et kort, want 'k heb geenen tijd. De zieke zul 'et 
nie' lank meer maken. 

Ook Trekken. 

— Iemand er aan maken^ hem doen verliezen in 't spel. D, B. 

— levers iet uit maken t er gevoelig aan zijn, er iets om geven. 
T. Dieë jongen maakt veul uit de dood van ze' vader. Gij hèt nu zooveul 
geld verloren, en 't schijnt da' ge er nog nie' veul uit en maakt. 

— Dingen maken in iet, z. DINGEN. 

— Gemaakte mannekenSj veinzerij, valsche voorwendsels, gemaakt 
spel. Het zijn gemaakte mannekens, zegt men b. v. van iemand die zich 
ziek veinst om niet te moeten werken, enz. 

MAL, znw., V. — Bij timmerl., enz. Elke afbeelding in papier, 
hout, zink, enz. van het te geven profiel, aan het stuk hout dat men 
bewerkt, Fr. patron^ modèle, 

— Bi; plafon neerders. Metalen of houten vorm om moluren en lijsten 
te trekken, bij D. B. malde, molde^ malle, molle , 

MALBROEK. znw., m. — Soort van kar met zeer breede wielen. 

MALEGIJS, znw., m. — Iemand die gedurig zanikt of maalt. 
'Ne malegijs van 'ne' vent. Da' kind is toch 'ne malegijs : het zaagt 
en entert heel den dag. 



MALEM, znw., m, — Melde, Fr. ^rro^A<r, Lat. AtrïpUx horUnsfsL, 

— Hi'Ue malem^ een onkruid, Fr. hastée. Lat. AtripUx hasiata L. 

— Men geeft dien naam ook aan den Ganzcnvoet, Lat. Chenopo- 
di'um album L. 

MALEN, w., b. — Fr. moudre. Z. VVrdb. 

— Fig. Knauwen, vaneenbijten. Ou* mens(ch)en kunnen maar moeilijk 
hun eten meer malen. Mijne meulen maalt nie* goe* ne meer (ik kan niet 
goed meer bijten). 

— Gemalen worden. Dieë koffie maalt slecht, 

MALIËN, zinv., v., mrv. — Bij timmerl. Poreusheid in vlok hout. 

MALLASTIGHEID (klemt, op de 2* lettergr.), znw., v, — Last, 
moeilijkheid. (A.) Mal lastigheid verkoopen. Iemand mallastigheid aandoen. 

MALS;CH), bvw. — Z. Wrdb. 

— Verg. Zoo inals{ch) als boter, als *en raap. 

MAM, znw., V. — Moeder en Grootmoeder in de kindertaal. (A.) 

— Kil. Mamme, mammeken, memme, meramekcn, mater, nutrix, 

MAN, znw., m. — Z. Wrdb. 

— De mindere man, de gemeine man, de geringe menschen, de 
menschen zonder fortuin. Dat is e logement veur de* mindere' man. 

— Gemeenzaam, vriendelijk toevoegsel, in de samenspraak van mans- 
personen en kinderen, [a, man, dat is erg. Neen, man, dat doen ek niet. 

Z. ook JONGEN, KIND, MEISKEN, MENSCH, SCHAAP, WICHT. 

— Plaatsvervanger voor den krijgsdienst, Yx, revipla^ant, D. B. Hij 
hée' gestort om veur zijne' zeun 'ne' man te koopen. 

— Maat, spcelmakker. Me zouwen willen gaan kruisjassen, maar 
me komen nog 'ne' man te kort. Ook de kinderen zeggen : wij zyn 
al fne{t) mannen genoeg, 

— Iemands man zijn^ tegen iemand moeten vechten. Ge zij' mijne 
man, schiet oewe' frak maar uit (maak u maar gereed, want ik ga 
legen u vechten.) 

— Mannetje der vogels. Ik heb 'en ekster gevangen, en 't is 'ne man. 

— In 't mrv. wordt man gebruikt om knapen en manspersonen 
te noemen. Waar zijn die mannen naartoe gegaan? AHa ! mannen, 
kom voort ! 

— Mannelijke huisgenooten. Ons mannen zijn nie' thuis. Gaat ons 
mannen is roepen in 't veld. 

— Geen man, niemand. Hflt. Ik heb gee(n) man gezien. Daar 
was gee' man . 

— Klein mannen, kinderen. As ek ievers naartoe gaan, dan moet 
ek altijd wa' meebrengen veur mijn klein mannen. Hij had twee van 
zgn klein mannen bij. 

— Gep. w. Man noch maagd, niemand. Ik heb man noch maagd 
gezien. 



- 791 — 

— Spr. Het van de(n) man maken^ woest, onbetamelijk te werk 
gaan, razen, tieren, kijven en schelden, enz., te Anlw. het van den man 
brengen. Die zatlappen hebben *et gisteren avend leelijk van de* man 
gemaakt. Hij is weggejaagd in *t collegie, omdat hij *t er zoo van de* 
man maakte. 

— Ee(n) man zijn^ in iets goeds of kwaads uitmunten. Mijne gebuur 
dat is nogal e man : hij doe^ nie* as drinken en vechten. 

— Zijne{ri) man staan, bekwaam zijn om zich desnoods te verdedigen, 
in staat zijn om iets te doen, zoo goed als een ander. T., R. Zij nie* 
ongerust over mij, ik zal mijne' man wel staan. 

— De[n) /este{n) man de(n) zak of de hot opgeven^ in eene herberg 
of elders blijven zitten, totdat al de anderen weg zijn. D. B. 

— Onder lie man konten^ onder de man ztfn, ruchtbaar zijn of 
worden. R. *t Is onder de man dat hij gaat trouwen. Dat daar gebeurd 
is, zal gauw onder de man komen. 

Z. verder mann£Ke(n. 

MAN, MANDUS, znw., m. — Verkorting van Amandus. 

MAND, znw., v. — Fr. panter, 

— Spr. Deur de mand vallen^ mislukken, Fr. e'chouer. D. B. (Ook 
in Brab. en Limb., z. Sch.) Hij meende zeker van die plaats te hebben, 
maar hij is deur de mand gevallen. As ge nie* beter wordt studeeren, 
dan vrees ek da* ge bij uw exaam deur de mand zult vallen. 

— Af et iet in de mand liggen^ mislukt zijn, Fr, avoir échoue\ 

MANDEL, znw., m. — Een hoop graan van 15 tot 17 schooven, 
die tegeneen rechtgesteld staan op den akker om te drogen, Hgd. Mandel, 
(Z. der K.) (Ook in *t L. v. A. en *t Hag., z. D. B. en Sch.) Het koren 
in mandels zetten. Hoeveul heet uw koren per mandel geschoten ? Een 
mandel is grooter dan een hoop of stuik, want deze • telt maar 7 of 8 
schooven. Z, ook hok, stok en stuik. 

MANB, znw., ro. — Verkorting van Emmanuël. 

MANEWATER, znw., o. — Soort van waterzucht in het hoofd 
of den buik, die af* en toeneemt volgens de maan. Van iemand die een 
dik, blinkend gezicht heef^, veroorzaakt door het drinken, zegt men ook 
dat hij het manewater heeft. 

MANGEL, znw., m,, Fr. calandre, is v. te Antwerpen. 

MANGELÈÈR, znw., m. — Mangel, Fr. calandre. 

MANGELEN, w., b. en o. — Ruilen, verwisselen, Fr. troquer. 
Hfft. (Ook in Limb.) Gij hèt e schoo(n) mes : wilde mangelen tegen 
*t mijn ? Mangeldegij oe* pèèrd tegen *l mijn ? t Hij mangelt zijne zijde 
en zijn kottoene waren, t (Vondel, VII, 142.) « Hoe Melpomens Treur- 
poëet mangelt al de pracht van *t hof voor een stulp en ackerstof. » 
(Vondel, XIV, 148.) 

— Kil. Manghelen, mutare^ commutare, permutare, — Kram. zegt 
dat dit w. weinig of niet gebruikt wordt. In de prov. Antw. wordt het 
dagelijks gebezigd. 



— 79-" - 

MANIPSL < klemt, op ni\ zr.w., m. — Sïcraa-! dal de priesters, 
dfc diakens en S'iijdiakcns aan den linkerarm drag-rn ^cJarendc de mis, 
Fr. mnnipuU, 

MANKEEREN, w„ b. en o. — Letten, deren, hinderen, eenige 
ongesteldheid of een lichamelijk gebrek hebben. R. \Va' mankeert oe, 
da' ge zoo gebrekkei ijk gaat ? Ik mankeer al eenige dagen <ik ben al 
eenige dagen onpasselijk). 

— Ontbreken, Fr. manqiter. 't Is *ct geld dat hem mankeert. Frans 
mankeert dikkels op z'ne' winkel. 

— Mijisen, Fr. manquer. Ik heb gisteren den trein gemankeerd. 
Da* kan nie' inankeeren. 

MANKEMENT, znw., o. — Lichamelijk cebrck, verminking. 
D. B., K, Hij heet e mankement (b. v. ecne breuk.) Da* pèèrd heet e 
mankement aan z'n been. 

— Iets dat niet wel in den haak zit, dat niet goe^i gemaakt is, 
Fr, dt'faut. Daar is e mankement aan da* slot : *t draait nie* meer open 
of loc. 

— Tegenslag, ongeluk. Diecn boer heet e leelijk mankement gehad 
mè* ze' ])èêrd : *t hee* z*n been gebroken. 

MANKEN, w., o. — Mank gaan, hinken, Fr. boiler, D. B. (Ook 
in Brab., z. Sch.) Da* pcérd mankt. Hij mankten aan zijne' rechtevoet. 
Kil. Manckcn, clauJtcare. 

MANNEKEfN, Kemp. ook MANNEKE'N, MENNEKE(N, 
znw., o. — Verkleinwoord van Man. 

— Verg. E manneken gelijk 'en viieg^ een klein, leer manneken. 

— Wordt gebruikt om mei eenigen wrevel iemand toe te spreken. 
Wacht maar, manneken, ik zal oe wel krijgen ! Manneken ! wat heddegij 
gedaan ! 

— I'rintje, plaatje. 'Nen lx)ck vol mannekens. Mannekens teekenen. 

— 1'oslzcgel, Plakt e manneken op den brief. 

— ifet zwart manneken^ de duivel. Hij ga* met 't zwart manne- 
ken om. 

— I/t't manneken uit de maan, het mcnschenbeeld dat men in 
de ma;ui meent te onderscheiden. 

— /Je mannekens, de wetboden, Fr. les gamisaires. Hedde't al 
gehoord ? De mannekens liggen bij den börgemeesler. 

— .Spr. Dat is 't manneken, dat is juist wal men verlangt. As 
ek dat huis kost koopen veur dieö* prijs, da' zou 't manneken zijn ! 
As Jan met da' mciske kost getrouwd geraken, da' was 'l manneken ! 

— levers '/ manneken zijn, er veel te zeggen hebben. Hij is 't manne- 
ken bij den burgemeester, hij kan der nie' misdoen. 

— Iemand e manneken minder maken, hem om 't leven brengen. 
T., R. 

— Iemand e klein manneken maken, hem vernederen of ten onder 
brengen. R. 

— Het schoon manneken komen spelen, zich komen verschoonen 
of verontschuldigen. As em heel de week den deugeniet uitgehangen heet, 
dan komt em 's Zondags schoon manneke spelen. 



— 793 — 

— Gemaakte mannekens^ z. onder MAKEN. 

— IJzeren mannekens maken. Een klein kind, dat de vuistjes wringt 
en ze vooruitsteekt en te gclijker tijd de opeengeklemde tanden laat zien, 
maakt ijzeren mannekens. (A.) 

MANNEKEN-HAAK, znw., o. ^ Een watergeest die de kinderen, 
welke te dicht bij het water komen, met eeneu haak er in trekt en 
ze verdrinkt. Komt niet te dicht bij 't water, kind 1 Manneken-haak 
zaldcr oe intrekken. 

MANNEKENSBLAD, MANNEKENSPAPIER, znw., o. — 
Een blad nici gekleurde of ongekleurde hout sneeplaatjes, die een vertelsel 
of iets anders voorstellen en waar de kinderen mee spelen. De mannekens- 
blaren worden vooral te Turnhout gedrukt. 

MANNEKENSPIOEN, znw., v. — Soort van enkele pioen, 
met groot zwart zaad. 

MANNEMENS(CH), znw., m. — Z. mansmensch. 

* MANNEN, w., b. — « Overmannen, overwinnen, meester geraken, 
kunnen binnenspelen. Ik zal die schotel wel mannen, t 

Volgens Sch. zou dat w. in Brab. en Antw, gebruikt worden. 

MANNEVOLK, znw., o. — Z. mansvolk. 

MANSAGGER, znw., m. — Bij blokmakers. Agger of boor voor 
mansblokken. 

MANSKÈREL, znw., m. — Manspersoon. (Ook in Limb. en 
Brab., z. Sch.) V. D. vermeldt bet w. als gewest. 

MANSKLOON, znw., m. — Blok of klomp voor mannen. (K.) 
£ paar mauskloueu. 

MANSKLOOSTER, znw., o. ~ Manneklooster. 

MANSLIE, znw., m., mrv. — Manlieden, manluiden. 

MANSMENS(CH), znw., m. — Manspersoon, manskerel, T., R., 
te Antw. ook MANNEMENS(CH). 

MANSSTEM, znw., v. ~ Mannestem. 

MANSVOLK, znw., o. — Manslieden. R., te Antw. en in 't N. 
der Kemp. ook MANNEVOLK. 

MANUAAR (klemt, op aar)^ znw., m. — Oorlogsschip. (A.) Van 
*t Eng. man of war. 

MANUS, znw., m. — Verkorting van Germanus. 

MAR, vgw. en tw. — Z. maar. 

MARANTA, MARANTEKA, MARANTELA (klemt, op de 
tweede leltergr.), tw. — Mijdspreuk voor Maria. Uitroep van verwondering. 
Wel Deezes Maranta ! Maranteka toch ! Z. ook maderistes, maderiijbs. 



— 794 - 

MAREN, vv., o, — Aanhoadend \Tagen en zagen. R. Dieë %*cnt 
kan toch mareu ! Hij doe* nic* as zagen en maren. 

— Afl. Gemaar. 

MARBBL, MERBEL, znw.,m. en niet o. — Nfarmer,Fr. marhre. 
Daar is marbel van ailekoleuren. Witte, roo{d)e, grijze merbel. (Ook m. bijj.) 
Z. VERD. IV, 1152. 

MARBELÉEREN, MERBELÉEREN. w., b. - Marmeren, 
in marmer schilderen, Fr. marbrer. 'Ne* muur marbeleeren. 

MARBEL EN, MERBELEN, bvw. — Marmeren, van marmer. 
'En merbele' schouw. E marbelen beid. 

MARB ELVEN, znw., o. — Naam van een ven in de Brechtsche 
heide. 

MARBOL, znw., m. — Z. marrebol. 

MARBOL, znw., m. — Z. marbeu 

MAREL, znw., v. — Z. morel. 

MARIABLO E MEN, znw., v., mrv. — Z. gevonden heiugen. 

MARK, znw., m. — Z. merk. M. 

MARK, znw., v, — Riviertje dat zijnen oorsprong neemt ten 
N. van Turnhout, tusschen Ravels en Merxplas, nevens Hoogstraten, 
Meir en Meerle loopt en in het Hollandsch Diep vloeit. 

MARMBOL, znw., m. ~ Z. marrebol. 

MARMIN, MERMIN, znw., v. — Hetzelfde als Meermin, Fr. 
helle de mer^ sirene. 

MARMITTEGOUD. znw., o. — Schertsende benaming voor 
Koper. Die keting is van marmittegoud. 

MARMITTENOORLOG, znw., m. — Feit uit de geschiedenis 
van België. 

MARODE, znw., v. — Fr, maraude, 

— Op marode gaan^ op strooptocht uitgaan, uil stelen gaan, Fr. 
maratider^ courir a la picoree, 

MAROL (klemt, op rol), znw., o. — Taal der Marollen. Hij spreekt 
Ma rol. 

MAROLLEKÈÈS, ziiw., m. — Soort van kaas, waar de Marollen 
mee leuren. 

MAROLLEN, znw., v., mrv. — Zekere nonnen, die anders ook 
Mar kollen heeten, in *t Lat. Marüolcr, 

— M. Inwoners van zekere wijk te Brussel, die eene mengeltaal 
van Fransch en Vlaamsch spreken. 

MAROLLETAAL, znw., v. — Mengeltaal van Fransch en 
Vlaanisch, gesproken door de Marollen te Brussel. 



— 795 - 

MAROTSELGAT, znw., o. — Term in een kinderrijm. Z, dat 
w. onder derven. 

MARREBOL, MARREN BOL, MERREBOL, MERREN- 
BOL, znw., m. — Marbol, marmeren of glazen bolletje waar de kinde- 
ren mee speleu, 

MARREBOLLEN, MERREBOLLEN. w., o. — Met de 

marbollen spelen. 

MARSEPEIN, MASSEPEIN, znw., m.en niet o. — Z. Widb. 

MART, znw., v. — Z. mert. 

MARTELÈÈR, MERTELÈÈR (Kemp. ook mdttelcèr\ znw,, 
m. — Martelaar, Kr. martyr. 

— Iemand die met grooten tegenspoed, veel moeite en pijnlijke 
pogingen doet om door de wereld te geraken. D. B. Hij heet alle ze' 
léven 'ne martelèèr geweest, 

— Fig. Knoeier, iemand die z^n ambacht slecht verstaat. 

— Spr, In elkdf^ stiel zijn veel martelêèrs en weinig apostelen. 

— De martelêèrs komen zoowel in den hemel als de apostelen^ 
de knoeiers bereiken ook hun doel, 

MARTELEN, MERTELEN, w., o. — Sukkelen, tegen moeilijk- 
heden worstelen, met lastige pogingen en moeite iets verrichten. D. B. 
(Ook in Brab, en Limb., z, Sch. — V, D. geelt het als gewest, op.) As 
H zoo blijft rebenen, dan zullen me martelen om den oo(g)st droog binnen 
te krijgen. Hij hée' lang aan zijn oogen gemerteld, maar nu is hij genezen. 

— Afl, Martelèèr f gemartel, 

MARTIKO, MERTIKO, znw,, m. — Soort van kleinen aap. 

— Scheldwoord voor eenen leelijken mensch. \Va' leelijke mertiko ! 

. MARTINGAALSTOK, znw., m. — Stok of ijzeren staaf op 
de zeeschepen te midden van den boegspriet geplaatst, en waar al de 
touwen aan vast zijn die tot den boegspriet behooren, (A.) 

MARUS (uitspr. Maor9s\ znw., m. — Verkorting van Gommarus, 

MASEUR, znw., v. — Schoonzuster, R., Kl.-Br, Ze' maseur is 
gisteren aangekomen. 

MASJOEFEL, znw., v. — Hetzelfde ab Machoéchel, zwaar, 
diklijvig vrouwmcnsch. 

— Naam dien spelende meisjes in het volgende rijdanslied gebruiken : 

c Van waar komt gij getreden, 
Masjoëfeltje, Masjoëfeltje ? 
Van waar komt gij getreden, 
Masjoëfeltje ! 



- 70 - 

— Wij komen getreden uit Xlaanderen, enz. 

— Wat bedde daar weest haien ? e=z. 

— Een mandeken met roozcn, enz. 

— Aan wie zukiegij dat ge\-en ? enz. 

— Aan mijn naaste gebiiren, enz. 

— Wie zijn uw naaste gebaren? enz. 

— Een minneken en een muisken, enz. 

— Wat zulde ze Ie eten geven r enz. 

— Zutcmclk en wittenbrood, 

Masjoefeltje, Masjoefcltje, 
Zutemelk en wittenbrood, 
Masjoêfeitje ! 

MASJOÊFELTJE, znw., o. — KJeine anjelier, Lat. Dianthus 
dtarus, 

MASSEL, znw., v. — Rochel, groote fluim. Ook Mossel. 

MASSBPEIN, znw., m. — Marsepein. 

MAST, znw., m. — Den, Fr. saptn, 

— Fijrtf mast^ Lat, Pica sylv^stris L. 

— Grove mast, Lat. Pica maritima L. 

— Zwarte mast. Lat. Pica excelsa L. Ook pinboom en pinmast, 

MAST, znw., m. — Op de soldij van iederen soldaat worden er 
dagelijks ecnige centiemen afgehouden tot betaling van zijne klcedij, 
zijn schoeisel en zijne wapens : de som van die afgehouden centiemen 
noemt men den mast^ Fr. la masse, D. B. 

MAST, znw., m. — Zeker getal strenen garen. 

MASTBRAK, znw., m. — Roodachtig insect met wit- en zwarte 
dek vleugels, dat op het dennenhout te vinden is. 

MAST EL (klemt, op el)^ znw., v. — Rond koekje van tarwe- 
bloem gebakken, met een kuiltje of putje in 't midden. D, B., bij Delf. 
383, wastelle, Z. ook Sch. 

MASTELUIN, znw., m. en niet o. 

MASTEN, bvw, — Dennen, Fr. cU sapin. 'En maste' plank. 
Masten hout. 

MASTENDOP, MASTENTOP, znw., m. — Denappel, Fr. 
pomme de sapin, 

— Spotnaam dien de Antwerpenaars de Kempische buitenlieden 
naar *t hoofd werpen. 

MASTENDOPPELAND, MASTENTOPPELAND, znw., 
o — Brecht en omblrekca. (A.) Boeien uil het Masleuloppeland. 

MASTJE(N, znw., o. — Streentje garen. E mastje garen. 

MASTPRUIM, znw., v. — Damastpruim, Fr. /rim^ ^ Z)amaj. 



- 797 

MASTSTROP, znw.y v. — Soort van strik of strop, dien men in 
ecne koord legt, om ze ergens vast aan te binden. 

MAT, znw., V. — Kezeling of samengeronnen deeltje van gekabbelde 
of geschifte melk. Een zuigend kind dat het zuur heeA, spouwt louter 
matten. U. B,, T., R. 

— De witte pellekens die op bier en andere gegiste dranken liggen, 
anders ook Bekwaam en Bekaamsel genaamd, heeten ook matten, 
'Et bier deuj»t nie' meer, daar liggen matten op. 

MAT, bvw. — Bij landb. Week, vlok gewassen, sprek. van stroo. 
Mat stroo deugt nie* veur te dekken. Da* koren is zoo mat gewassen. 

MAT, znw., V. — De uit stroo of biezen gevlochten zit van eenen 
stoel. D. B. 

MAT£KB(N, znw., o. — Woord, waarmede men een klein meisje 
toespreekt. Kom is hier, mateken. 

— Is dit hel vrklw. van maat of van maart ? 

MATER, znw., m. — Moedcrkruid, Fr. matricaire^ L. Chrysart' 
themum matricaria L, (Ook in Kl.-Br., z. Sch. — D. B. maakt het 
w. onz.) 

MATERIE (uitspr. materrie^ materr»)^ znw., v. — Etter, dracht 
van eenc wonde of zwerage. Daar is vcul materie uit de woud gekomen, 

MATERKBNSZALF, znw,, v. Hetgeen de vrouwen innemen 
voor de moederkwaal. 

MATERPILLEN, znw., v., miv. — Pillen voor de vrouwen, 
die ongesteld zijn door *t keeren der jaren. 

MATSEN, w., o. — Zeker kaartspel, ook mits-mats genaamd. 

MATTEN, w., b. — Eenen stoel van eenc mat voorzien, in de 
Kemp. Luiken. Hij verdient zijn brood mè' stoelen te matten. 

MATTEN, w., o., met zijn^ — Samenschieten, scheiden, kczelen, 
kabbelen, schiften, sprek. van kokende melk, Fr. se cailier, T. *Et 
melk is gematten. 

MAZEN, M*., b. en o. — Een breiwerk herstellen met de laatste 
goede steken of mazen op te vatten en voort te werken, de steken 
namakende, zoodat het stuk, dat zoo vermaakt is, geenszins van uitzicht 
met het overige van 't breiwerk verschilt, Fr. remailler. (Niet ia Kram.) 
Kousen mazen. Mazen is niet hetzelfde als stoppen. 

MAZIERGAT, znw., o. — Drie- of vijf hoekige nis, in de boeren- 
huizen naast den hcerd in den muur gemetst, en waarin men pijpen, 
solferstekken, speelkaarten en andere kleine voorwerpen legt, ook Veuster 
of Vuister ^eheelen. (K.) Z. Sch. en Kil., en verd, i. v, masieregat. 

MAZURKA, znw., m., niet v, — Soort van dans. Z. Wrdb. 

ME (toonl.), vrnw. — Wordt altijd gebruikt voor wy\ wc, Fr. nous^ 
wanneer men op het vrnw. niet steunt of wanneer het enclitisch voorkomt. 
B, .Me zullen zien. Waar game (gaan me) nu naartoe ? Me weten er 
niemendallc van. Da* zuUe-me zien ! 



- 795 - 

— Wordt ^^bruikt TOGf nut, Fr. :.t, wanneer er ocairddell^ een 
medeklinker op *oI^. Me weet er af te sprekec Me kLipt al en me 
zweeg beter. 

— Bvvr. Worit get-rzi^d in pli^L» via wt*. w) vVt de meeste mede- 
klinker-, wanr.'.-er rcitr. oz> he: b!*.. w. r.iet steuct. Me vader. Me ziister. 
Me M:h''>o.i hais. 

ME helder-; tf). v^w. — Wordt algemeen gebruikt voor Met, Fr. crvec. 
2jt waren m*: ach:er.. Brood mé boter. Ga mee mè mij. 

*MEDEDOEN, w., b. — « Mcdecemm, medepakken. Hij h«ft 
cene goei \Tacht n-.eegelaan. Hij doei aües mee wat onder zijne handen 
▼alt. » 

Sch. geeft dit w. voor Brab., Antv. en VI. Dat het in W. bekend 
is, weet ik, d'^ch hier heb ik het in dien zin nergens gehoord. 

MEDEENEN, bw. — Z. b£Deene.v. 

MEE, bw. -— In sommige samenstellingen betcekent mee In *t voor- 
dcel en di'.-nt als tejjendeel van tegen. Van zulken aar.l zijn meegaan^ 
methebhen^ meeklappen^ meekrijgen^ mee lukken^ meesla^tt:^ mt esp reken, 
meeiallen^ mee-u-erken^ mce'^'illen. Zie T. 

— Iemand in iet mee ztfn^ hem gocJkeuren om iels, gelijk geven. 
Da' ge *cn ander pèèrd wilt koopen, daar ben ik oe in mee. Nu nog 
trouwen in zijnen ouwen dag, nee, daar ben ik *em nie* in mee. 

MEE /zachte r), vrklw. meke{n, — Oude vrouw. 'En oü mee, 
'Kn oud Tiieken. 

— Gr^y^tmoe Ier. Ons mekcn is al in heur tachtig. 

— In gemeenzame taal wordt meken ook gebruikt voor Moeder. 
Ons meken is hi«.r. Hij krijgt gee(n) geld meer van ze' meken. 

MEE, znw., m. en niet v. — Mede, honingdrank. J. 

MEEDOEN, w.. o. — Deelnemen, Fr. prendre part, D. B. Me 
gaan kaarten : wie doet er mee.' Ik zou geren meedoen, maar 'k heb 
gcencn tijd. 

— Onp. Geoorloofd, toegelaten zijn in 't spel. De kaarten laten zien 
doe* nie' me^. 

MEEGAAN, w., o. — Medevallen, goed lukken, gunstig uitvallen, 
't Gaat 'em mee dat em ze' pèèrd nog zoo dier hée' kunnen verkoopen. 
Er zijn mcnschen wie alles mecgial in de wereld. 

— Medcspelen in 't kaartspel. Pastegij ? Neen, ik gaan mee. 

— V(ynldurci), dienst doen, «-prek, van kleedingstukkcn. As ge oewen 
hoed wa' wilt gaslagcn, dan kan i nog lank meegaan. 

MEEGANK, znw., m, — In 'i kaartspel gebruikt voor: kunnen 
meedoen. Ik heb *ne' meegank, d, i, ik kan meegaan. » 

MÈÈ'G)DBKEiN, MÈÈRDBKE(N, znw., o. —Jong meisje, 
in 't wit gekleed en dikwijls met cencn bloemenkrans op hel hoofd, 
dat cene processie of andere plechtigheid opluistert. R. (Ook in Brab. 
eu KI.-Br., z. Sch. en R.) 




— 790 — 

MÈÈ(G)DBKBNSBERG, MÈÈRDEKENSBERG, znw., m. 
— Groote hoop maagdekens samengeschaard en gereed om in de processie 
te gaan, of ze afwachtende om een geschenk te ofTeren. (A.) 

MÈÈ(GjDEMEISKE;N, znw„ o. — Meisje, opgenomen in het 
AIcè{q)denhuis of stedelijk weezengesticht voor meisjes. (A.) 

MÈÈ(G)DENHUIS, znw., o. — Stedelijk gesticht voor wees- 
meisjes te Antwerpen, 

MEEGEVEN, w., b. — Iemand wat tneegeveUy hem bekijven, 
streng berispen. Hij hée* zijne* zoon wel wa* meegegeven, omdat em 
's Zondags zoo laat blijft uitzitten. 

MEEHEBBEN, MEEHEMMEN. w., b. — Medegenomen 
hebben. De dieven hebben alles mee. Hée* Fransken zijn boeken mee 
naar de school ? 

— Bekeven worden. Gij zult wa* meehebben van vader, dcugeniet! 
Hij hee' wel wa* meegehad van de* meester. 

Ook Meekrijgen. 

— Op zijnen kant hebben. Hij heet al de groote mannen van *t dorp 
mee. Dieë kandidaat zal zeker gekozen wörren, want hij hóe* bijna al 
de kiezers mee. 

MEEKELEN, w., o. — Veel geweld doen om aardappelen of iets 
anders met spade of riek uit den grond te krijgen. (Z. der K) Ik heb 
fel moeten meekelen om mijn pataten uit den harde' grond te krijgen. 

— Langzaam vorderen aan iets. (Z, der K.) Ge moet u wa* meer 
spoelen, ge meekelt den eenen tijd aan den anderen. *t Is *nen heele 
goeie werkman, maar hij meekelt te lank, 

— Afl, Mcekelèèr, gemeekel. 

MEEKLAPPEN, w., b. — In iemands voordeel spreken. T,, R. 
Ik weet uie* hoeda* ge zoo *ne* kerel kunt meeklappen. 

— Medepraten. Hij kan over alles meeklappen. 

MEEKRAP, znw., m, en niet v. — Fr. garance, 

MEEKRIJGEN, w., b. — Krijgen, ontvangen om mede te dragen. 
Ik kreeg tien frang mee om e paar schoenen te koopen. Ze heet tien 
duzend frang meegekregen veur heur bruidstuk, 

— Overhalen om mede te gaan. Ge zult mij nie' naar dat huis 
meekrijgen. Ik kan den hond nie* meekrijgen, hij loopt altijd terug, 

— Kijven krijgen. Hij kreeg wel wa* mee, omdat em ze' werk nie* 
gemaakt had. Dieën deugeniet zal wa* meekrijgen as em thuis komt. 

MÈÈL. znw., o. — Meel, Fr. farine. G. 

— In W.-Vl. wordt het ook in veel streken met zware e uitgesproken. 
(Z. D. B.) 

— Spr. Het mèèl laten ou(d)en, 

Het brood laten kou(d)en, 
Da(t) schilt 'ne(n) man in huis te hou(d)en. 

{Kempen.) 



— 8oo — 

— Bij brouwers. Gemalen mout, Fr. drêche^ orge moulue. D. B. 

MEEL (zachte e), znw., m. — Kort hardhouten plankje om pikken 
en zeisens te wetten (N. en W. der K.), in 't Z. Streek genaamd. 

MEEL (scherpe <r), znw., o. — Meerle, een dorp in de Kempen. 

MÈÈLBAK, znw., m. — Bak of kist waar de winkeliers het 
meel in bewaren dat zij verkoopen. 

— Bij mulders. Kist waar het meel in neervalt uit de meelgoot, 
Fr. huchc, D. B. 

MÈÈLGOOT, znw., y. — Bij mulders. Soort van houten kanaal 
of trechter, waar langs het meel van tusschen de stccnen neervalt in den 
meelbak. D. B. 

MÈÈLKIST, znw., v. — Z. mi?:êlbak. 

MEELOKKEN, w., b. — Verlokken om mede te gaan. T., R., 
Kl.-Br. Hij hée' mij meegelokt naar de kermis. E kind mcelokken. 

MÈÈLPÈÈR, znw.. v, — Hrogc, meelachtige poer, zonder sap. 

MEELUKKEN, w.. o., met «yw. — ^[eevallen, lukken. T., 
Kl.-Br. De verkens die 'k gekocht heb, lukken fel mee. As die vrucht 
wil mcelukken, brengt ze veul op. 

MÈÈLZAK, znw., m. — Z. mMlpèkr. 

MEEN (zachte <»), znw,, v. — Verkorting van Philomena. 

MEENEMEN, w., b. — Z. Wrdb. 

— Fig. Zich ten nutte maken. T., R., Kl.-Br., bij M. mitnetnen. 
Ge moet die kans meenemen. 

ME EP AART EN, w., o. — Mcdedcelen. Hier zijn tien centen, 
maar ge moet mcepaartcn (ieder zijn deel geven). 

— Mede zijn deel krijgen. Na 't spel wier' er 'ne frang verdeeld, 
maar 'k mocht nic' meepaarten. 

MEEPAKKEN, w., b. — Medenemen, As ge naar huis gaat, 
pakt dan die kleeren is mee. 

— Fig. Zich ten nutte maken. T., R., Kl.-Br. As ek in oe' plaats 
was, ik zou da' kansken maar meepakken. 

— 0„ met zijn. Gunstig uitvallen. As die zaak wilt meepakken, 
dan zal ek er nogal wat aan verdienen. 

MEER, znw., v. — Merrie, Fr. jument^ bij Jong. mccjry mern^ 
bij M, meer^ mcre^ Drentsch tncrc, Oostfri. nuïre^ niCir^ Hgd. Mdhrc^ 
Ohgd. merrhty IJsl. //WA-r, Noorlfii. mt)r^ Dce. /«.i>, Kng. mare^ 'Av:, 
macr, tnarrr^ Ang. tnear^ meare^ Mdnl. mecr^ incrc^ enz., z. VERD., IV, 
1437. (K.) 'Kr» grijze, 'en zwarte m«>cr. Spant de mèèr maar in. Vrglk. maar. 

MÈÈRDEK£(N. znw., o. — Z. mkk(g)i>eke(n. 

MÈÈRDEKENSBERG, znw., m, — Z, .mi^è(g)dekknsber(i. 



— 8oi — 

MEEREN, vrnw., mrv. — Me{t) meeren, met meer personen. 
Mee' boeveul waren ze?,„ Met tienen?... Nee, ze waren mè' meeren. 

MEERKAT, znw., v. — Een gestreepte visch die van gedaante 
eenigszins op eenen paling gelijkt. De meerkat dient aan de boeren tot 
barometer. 

— Eindje gevlochten koord met knoopen, vroeger dienende om de 
matrozen aan boord hunner schepen te tuchtigen. De schuldigen werden 
namelijk met de meerkat op den blooten rug een zeker aantal slagen 
toegebracht. 

MÈÈRT (Kemp. ook Mièèt\ znw., m. ^ Hetzelfde als het Holl. 
Maart, Fr. mars. G., M. 

— Spr. 'Nen drooge Mèèrt is geld wêèrd, als *t in April maar 
regenen vtil of en *ne natten April is den boer zijne wil, 

— Mcèrt pakt te met de(n) steert en April pakt ze met den hiL 

— Half'Mèèrt vier en licht of het spinnewiel van den hèèrd^ 
ook : de grispotten van den hèèrd, Z. ORISPOT. 

— Mèèrt hee{ft) kuren (of knepen) in zifne(n) stèèrt. 

MEESCHARREN, w., b. — Medenemen, met een denkbeeld 
van schraapzucht of begeerlijkheid. Dieë gierige vrek schart alles mee» 
dat em maar krijgen kan. 

MEESLAGEN, w., o., mei zijn, — Medevallen, lukken, gunstig 
uitvallen, bij D. B., T. en R. medeslaan, E verken mesten kan meeslagen 
en tegenslagen. Da' pèèrd is me vandeeg meegeslagen. 

MEESPREKEN, w., b. — In iemands voordeel spreken. Ik kan 
oe daar nie' in meespreken. 

MEESTENS, bw, — Meestentijds, Fr. U plus souvent, (Ook 
in Brab. en Limb., z. Sch.) 

MEESTER (in sommige streken der Kemp. mester), znw., m. 
Z. Wrdb. 

— Spr. Meester is meester, en de knecht doet dat h^ wilt, 

— Beter kleine meester als grooie knecht, 

— Veearts, peerdemeester, Fr. vétérinaire. 

— Iemand of iet meester kunnen^ worden, zyn^ enz., kunnen 
overwinnen. T. Zie baas, 

MEESTE(R)S(E), znw., v. — Meesteres, onderwijzeres, Fr. 
mattresse, institutrice, 

— Vrouw van eenen onderwijzer. 

MEET (scherpe e), znw., v. — Kerf, groef, die ergens in gevijld 
of gesneden is. Vijlt daar is 'en meet in. De groef, waarmee men eenen 
pijl op de boogpees zet, is eene meet. 

Kil. Meete. j. kerf, crena. 



Idutiê^n 53 




— 8o2 - 

MEET ^zachte r), znw., v. — Gctcekende schreef, waar men den 
voet of tie hand moet houden om het spel te beginnen. 

— Meet je schieten^ een spel waarbij de jongens met geldstukken 
werpen naar eeiic op den grond gelrokken schreef. D. B., ook schreefken 
schieten en schreepken heulen genaamd. Meetje schieten heet ook : 
naar de meet doen^ te Antw. : naar de meet billen^ naar de meet 
brillen, naar '/ schreef ke doen^ billen of brillen, Z. BILLEN, BRILLEN. 

ME ET EEN EN, w., o. — Meegaan, iemand volgen. (A.) As 
moeder naar boven gaat, tecnen de kinderen mee. 

♦MEETEN, w., o. — « De voren tusschcn de graanbedden met 
de schup schuins uitsteken of uitschieten, als het graan gezaaid is. » 
Sch. geeft dat w. voor de piov. Antw. 

MEETREIFELEN, w., b. — Mcdetroonen, medelekken, met 
list bewegen om mede te gaan. T. Hij treifelt altijd klein kinderen mee. 

MEETRUGGELEN, w., b. — Z. meetreifelen. 

MEETST, bvw. — Meest. (Z. der K.) Hij komt meetst met den 
avend. Ge zij' meetst altijd zat. 

MEEVAL, znw., m. — Goeden uitval, Fr. bonne rcussite. Ik heb 
met die zaak meeval gehad; in plaats van te verlieren, win ik er nog 
wat aan. 

MEGGELEN, MEKKELEN, w., o. — Wroet r, mozeo in 
't slijk. (Z. der K) Dice jong zit altijd in 't slijk te mcggelcn. 

— Afl. Gemeggel^ gemekkel, meggelci)r, mekkelccr, 

^MEGGEREN, w., o. — < Sukkelen, talmen. » 
Sch. kent dat w. toe aan de Kemp. 

MEI, znw., m. — De maand Mei. 

— Spr. Afei koel en nat^ veel koren vult het vat. 

— Te Mei hee{J)t iedere vogel e nestjen of \n ei, behalve de 
kwakkel en de spr iet y die timmeren te Mei nog niet. 

— Bladeirijkc tak, Fr. branche feuilluc, mai. D. B. De kinderen 
droegen allemaal meikens in de hand. Hij snee' 'ne' mei van 'nen boom. 
Men steekt cenen mei op het dak van een nieuw huis. 

— Raadsel : 

Van onder rond gelijk 'en ei, 
Van boven lijk 'ne koele mei. 

(Eene raap,) 

MEIEN, w., b. — De straten en huizen versieren. (K.) As de 
processie uitgaat, dnn wordt er gemei<l. Morgen wordt den burgemeester 
ingehaald ; me zullen moeten meien. 

MEIEN. MÈJEN, w., b. en o. - Maaien, Fr./a7/r^<rr, bij G. mèjen. 
(Ook in 't Mdnl., z. VERi>., IV, 957.) 




— 8o3 — 

MEIKBNSKERMIS, znw., v. — Kermis die voorheen den 
l» Zondaj» in Mei te St-Antonius gevierd werd. 

MEINEN, w., b. — Meenen, Hgd. meinen. Hfft. Meint hij da' ? 
Ik mein wat ek zeg. Dat is nie' gemeind. let lachens zeggen en meinens 
doen. 

MEINENS. Verbogen vorm van Meinen, meenen. V h' meinens ^ 
*t is gemeend. Jan en Frans zijn aan 't vechten, en 't is meinens. 

M EISEN, znw., o. — Dienstmeid, Fr, servante. Het meisen van 
den börgemeester. Ik heb 'en ander meisen gehuiurd. lïij heet tegen- 
woordig twee meisens. 

— Het mrv. :neisens wordt overal gebruikt. 
Kil. Meydsen, meyssen, ancilia, famula, 

MEISKEN (Kemp. mdsk^in^ Antw. masky(n), znw., o. — Meisje, 
Fr, jeune fille. 

— Meid. Me* meisken is uit. Me' meisken is in heur 14 dagen. 

— Verg. E meiskén gelijk ^en bloem op *t veld, gel^k *en blad, 
'en roos, 'en held, schoon; gelijk 'en wolk^ dik en struisch. 

— Gemeenzaam, vriendelijk toevoegsel in de samenspraak van meisjes 
en vrouwen. Ja, meisken, dat is zoo. 

— Spr. Fluitende metskenSy kraaiende kinnen en brullende koeP 
zijnder zelden goei, — Z. eene variante onder HIN en KOEI* 

— Meiskens die minnen^ hebben geen zinnen, 

MEISKENSDRANK, znw., o. — Zoete drank. Ik drink geenen 
anijs, dat is meiskesdrank. 

MEISKENSZOT, ztrw., m. ~ Meisjesgek. 

— Spotrijm : 

Meiskenszot, 
De deur in 't slot, 
De grendel er veur: 
Adju, Monsieur ! 

MEIVIS(CH), znw., m. — Een zeevisch die in de stroomen 
opkomt en dus ook riviervisch is, Fr. fintey Lat, Alosa finta, D. B. 

— De meivisch is geboren, zegt men wanneer het voor de eerste 
maal dondert. 

MEIZUUT, znw., v. — Madelieije, ¥x, marguerite, pdquerette^ 
Lat. Bellis f erennis L. (Z. der K.), bij Sch. meezoei en bij G. meizöntjen^ 
V. D. geeft meizoetje als gewest, op. Meizuutjes plukken. In die wei 
staan veel meizuten. 

MÈJEN, w., b. en o. — Z. meien. 

MEKKELEN, w.. o. — Z. meggelen. 

MEKE(N, znw., o. — Z. mee. 




— 8o4 — 

MELDEN, w., b. — Bij kaartsp. Rcem aaokondigen. Ik heb 
*nen derde van iroevenaas gemeld. Wa* meidegij ? Te Antw, Opwijsen. 

— Spr. Nieij) gcmeliy nieit) geteld» De roem dien men niet meldt 
(in 't kaartspel), geldt niet. 

MELK (uitspr. mell^k), znw., o. en niet v, — Fr. lait. Het onz. 
gesl. komt ook in 't MdnI. voor. Z. ^^ERD., IV, 1360. 

— Melksken drinken. Men neemt een kind met zijne kin tusschen 
duim, wijs- en middenvinger en beweegt ze zacht op en neer, zoodat 
de mond o[>en- en toegaat. Dat heet men melMsken drinken, (A.) 

— Verg. Gel^'k melk en brood. Ne jongen, e meiske gelijk melk 
en brood (net van voorkomen en vriendel^k, aangenaam van spraak 
en omgang.) 

— Spr. In itj{n) melk liggen^ wordt gezeid van 't gezaaide graan, 
waarvan het zaad wit in vloeibaren toestand is overgegaan. D. B. As 
't zaad in ze* melk leet, dan bevriezet. 

— • Hel melk doopen^ de melk met water aanlengen. D. B. 
Volgens Sch. zegt men te Antw. melk geeseUn^ melk blauwen^ melk 
met de pint halen. 

— In *t melk U brokken hebben^ fortuin bezitten. T, Hij hee' nie' 
veul in ze' melk te brokken. 

— Van zij{n) melk staan of van zifn melk af zyn, uit zijn lood 
geslagen, onthutst zgn, niet meer weten wat zeggen. Hij stond van ze' 
melk, as em hoorde da' 'k alles wist. 

— Zi/{n) melk optrekken^ achteruittrekken, niet doen wat men beloofd 
heeft. T. Hij zou me' mij meegaan, maar as 't er op aankwam, trok 
em ze' melk op. 

— '/ Melk kruipt in de horens^ zeg^ men van eene koe die begint 
te verdrogen, waarvan het melk geven vermindert. 

MELKACHTIG, bvw. — Van melk houdende. Ik ben nie' melk- 
achtig (ik houd van geene melk.) 

MELKAKER, znw., m. — Koperen emmer, voorzien vac eenen 
toot, waar men de koeien in melkt. 

MELKEN (uitspr. mell^kany w,, o. — Fig. Talmen, sammelen. 
Spoeid oe wa' ! Ligt daar zoo niet te melken. 

— Wordt gezeid van insekten, vooral meikevers, die alvorens op 
te vliegen, de vleugels op- en neer bewegen. 

MELKERIJ, znw., v. — Melkinrichting, boter- en kaasfabriek, 
Fr* laiterie» 

— Melkspijzen. Ik ben veur geen melkerij. 

MELKLEUT, znw., v. — Boerin, inz. jonge boerin, die in de 
stad melk rondbrengt. (A.; Vrglk. leerleut. 

MELKSTOEL, znw., m. — Laag stoeltje met drie of vier pikkels, 
waar de koeimeid op zit, terw^l ze melkt. D. B. 



- 8o5 - 

MBLKTEIL, znw., v. — Diepe aarden schotel, waarin men de 
verschgemolkeo melk doet om ze te laten rnnnen. 

MELOEN, znw.y v. en niet m. 

MEM (Kemp. ook tndm), zow., v. — Moederborst. G. E kind 
de mem geveo. Aao de mem liggen. 

— Zoogmoeder, min, Fr. nourrice. Ze dient venr mem. 

— In N.-HoU. bet. het Moeder. (Z. Bouman, 67.) Z. ook mam 
en MEMSiXR. 

Kil. Mamm'e, memme, nutrtx. 

MEMEL, znw., m., zonder mrv. — Mijt die in het hout zit, 
meluw. Dees hout zit vol memel. In dat hout komt de memel nooit. 

— Allerlei bladluizen, Fr. pucerom* Deroozen wörren nogaMikwijls 
aangedaan van de' memel. De memel is aan de kooien. 

— Spr. De memel komt er in^ de memel zit er m, zegt men van 
oude lieden die min of meer kindsch worden. 

MEMLOTSEN, w., o. — Aan de moederborst zuigen. (Z. der K.) 
Da' kiud doe* nie' as memlotsen. Z. lotsen. 

MEMLOTSER. znw., o. — Die aan de moederborst zuigt. 

MEMMEKENS, znw., o., mrv. —De bloemen der wilde Kamper- 
foelie of Geitenblad. 

MEMMEMANTEL, znw,, m. — Lange, wijde mantel van ééne 
kleur en gedragen door de memmen of zoogminnen. 

MEMMEMUTS, znw., v. — Muts in de ronde met linten bezet 
en waarvan twee der uiteinden rechts en links langs den rug tot bijna 
tegen den grond hangen. Deze muts wordt gedragen door de memmen. 

MEMSTER, znw., v. — Zoogmoeder, min, Fr. nourrice. Zij 
gaat in de stad veur memster dienen. 'En memster huren. Z. mem. 

MENDER, znw., m. — Werkman die met gespan uit werken 
gaat. (K.) 

MENOELÈÈR, znw., m. — Bij borstelmakers. Werkman, die 
het haar mengelt. 

MENGELEN, w., b. — Bij borstelmakers. Het haar waarvan 
men eenen borstel maken wil, door den kratsel halen om te zuiveren 
en de verschillende kleuren te mengelen, 

MENIE, znw., m., niet v. — Z. Wrdb. 

MENIGTE, Kemp. MENNIGTE, bvw. — Menig, veel, Fr. 
maint, nombreux, D. B. Hoe menigte keeren heb ek oe nie* vermaand 1 
Daar zijn menigte menschen verongelukt. Da' zal u menigte frangs 
kotten. 

MENKEN, znw., o. — Koozevorm van Amandus en Germanus. 
(Hnlahout.) 




-. 8o6 — 

MBNNBGAT, znw., o. — Bij landb. De openiog of toegang 
door eenen dam, houtkan t of eenc gracht, waar men van de baan op 
hel land of den akker rijdt, bok Slop geheeten. D. B., Sch., HflFt. Ook 
in 't MdnI., z. verd., IV, 1422. — V. D. vermeldt het als gewest. 

MENNEN, w., b. — Bij landbouwers. Den oogst ter schuur 
voeren. (N. der K.) (Ook in W.-Vl., N.- en Z.-Holl.en Gron., z. D. B., 
B., Oppr. en M.) Het koren, den oost mennen. — V. D. geelt het als 
gewest, op. 

MENNIO, bvw. — Menig, Fr. tnaint, heaucoup cU, (K.) HfFt., 
G., Jong., B., M. (Ook in 't Nedersaks.) Mennige mens(ch). Ik heb *et 
oe mennige keeren gezeed, maar ge woudt nie' luisteren. 

Ik kwam veiu-bij 'en deur ; 
Daar hing *ne zak me(t) zemelen veur. 
Tjqo mennige zemel, zoo mennige luis : 
Daar zit 'en gierige pin (of: 'ne gierigen duvel) in huis, 

{^Kinderliedje. ) 

— De vorm mennich komt ook voorin 't Mdnl., z. verd,, IV, 1394. 

MENNIGTEfZnw., v, — Menigte, Fr. grand nomhre^ mulHtude^ 
foule, (K.) 'En mennigle volk. 'En groote mennigte. 

— Bvw, Z. MENIGTE, Mennigte mens(ch)en. Mennigte pèèrden* 

MENOT (klemt, op not\ znw., v. — Wol, kemp, katoen, io 
drie strengen door elkander gekeperd en zoo in de balen gepakt. (A.) 

MENS(CH), znw., m. — Z. Wrdb. 

— Man, echtgenoot, Fr. mari. (Z, der K) Heure mensch is zïek. 
Ze is me' heure' mens(ch^ hier geweest. 

— Gemeenzaam, vriendelijk toevoegsel, in de samenspraak van mannen 
en vrouwen. M. Ja, mens(ch), zoo ben ek daar gevaren. Wel mens(ch) 
lief, wa' kan ik er aan doen ? 

— Men gebruikt dikwijls mens(ch) of mens{ch)cn als uitroep van 
verwondering, medelijden of verslagenheid. D. B. Wel mens(ch) ! wat 
heb ek afgezien ! Wel mens(ch)en toch ! wie zou da' gepeisd hebben ! 
Mcns(ch) ! dat is erg ! 

— Gee{n) mens{ch), niemand. Daar is gee' mens(ch) te zien. 

— Een niens{ch) (*ne mensch) wordt veel gebruikt voor het onbep. 
men, iemand, D. B. Ne mens(ch) moet al veul doen om 'ne' stuiver 
te verdienen. Hij zou 'ne' mens(ch) uit ze' vel doen springen. As 'ne 
mens(ch) ziek is, dan heet cm geren hulp. 

— De mens{ch)en^ men, Fr. on. De mens(ch)en zeggen zooveul 
da* gelogen is. 

— Geene mens{ch) meer zijny geene mens{ch) gewys zijn, wordt 
gezeid van iemand die door dronkenschap of wangedrag den naam van 
mensch ooweerdig is. D. B. As hij wa' gedronken heet, dan is hij geene 
mens(cb) ne meer. Hij was geene mens(ch) ne meer gewijs. 

— Ook van iemand die door tegenspoed zoo ontmoedigd is, dat 
hij er 't verstand bij verliest, die zoo ziek is, dat hij niet meer uit de 
voeten kan, enz, D* B., R. 



— 8o7 — 

— Mins(ch) genoeg ztjn, hoort men dikwijls zeggen van lieden, die 
hulp of bijstand geboden zijnde, voor antwoord geven, dat zij zonder 
die kunnen klaar komen en doen hetgeen zij voornemens zijn. 

— - Stuiken van mens[ch)en kosten^ peperduur zijn. R. Het vlees(ch) 
kost tegenwoordig stukken van raens(ch)en. 

— Mens{ch), o., vrkiw. fncns{ch)ke{n^ vrouw die deernis verwekt, 
T., R. Daar is hier 'en arm mens(ch) aan de deur geweest. *En ongeluk- 
kig mens(cb). *t Mens(ch)ken had nie* om of aan. 

MENS(CH)ACHTIO, bvw. — Gene^jen om bij de menschen 
te zijn, sprek. van dieren. (Ook in Brab. en *t Hag., z. Sch.) Dieên 
hond is nie' meni>(ch)achtig. Som nige kaltcn zijn menschachtig. 

MENS(CH;ELIJK, bvw. — Menschelijk opzicht^ z. opzicht. 

MENSrCH)£NBEDRIEGBR, znw., m. — Versterking van 
Bedrieger. Groote, onbeschaamde bedrieger. 

MENUET, znw., m., niet v. — Soort van dans. Z. Wrdb. 

MER en MAR, vgw. en tw. — Maar, Fr. mais. (N. der K.) B, 
(Ook in 't Mdnl., z. VERD., IV, 997.) Ik weet 'et nie', mer ik geloof 'et. 
Doe mar voort. Mer toch ! 

MERBEL znw., m. — Z. marbel. 

MERBELEBRBN, w., b. — Z. marbeleeren. 

MERBLAAS, znw., o. — Gewestelijke uitspr. van Merxplas. 

MERDE, ^nw., v. — Iels dat onaangenaam is. 't Is 'en merde 
alle dagen met dicën regen en 't hooi nie' kunnen droog krijgen ! 

MEREL, znw., m. — Zoo heel, in 't N. der Kemp., de Manne- 
lijke honingüie, Vx.faiix-boiiriion^ die elders Ater, Broedbie en Nèèr 
genaamd wordt. 

MÈRELHOREN, znw., m. — Mcrelhaan, manneken der merel. 
(N. der K.) Z. horen. 

MERGEN (uitspr. mdrr^^9n), bw. — Morgen, Fr. demain, (K.) 
B, Mergen is 't te laat. Hij ga' mergen op reis. (Ook in 't Mdnl., z. verd., 
IV, 1936 op morgen.) 

MBRGEND (uitspr. marregfd)^ znw., m. — Morgen, ochtend, 
Fr. mat in, (K.) Dat is deze' mergeud gebeurd. 'Ne schoone mergend. 

MERINOS, znw., m., niet o. — Zekere stof. 

MERK, Anlw. MARK (uitspr. mdrr'k^ marrok), znw., o. en m. 
— Merg, Fr. moé'l/e, Hgd. Mark, bij D. B. wfaryt . Bedorven zijn tot in 
't merk van zijn beenen. 

— Sam. Merkbeen^ merkp^'p^ merkstralen, enz. 

MERKATON, znw., m. — Groote gele perzik die rijp is op 
't einde van den herfst, Fr. mirlicoton, bij D. B. meUkaton^ melocoton. 



— 8o8 — 

MBR(K;T, znw^ ▼. — Z. mkrt. 

*MBRLO£N, zov. (ge&Ucfat ?>. — c De bofstwcriog tussdien twee 
•ciiietg^eiL » 

Sch. geeft dit w. voor Antw. 

MBRMIN, znw., v. — Z. MAUcnc. 

MBRRBBOL, MBRRBNBOL, zaw., m. — Z. maU£BQL. 

MBRT (Kemp. ook md/), te Antw. MART, zqw., v. — Markt, 
Fr. marché. 

— Spr. Alt^d 'en mert of 'en reis hebben, altgd ergens luartoe 
gaan. Hij is 's Zondags nooit niet thuis : hij heet altgd 'en mert of 
'en reis. 

— Het onder de mert nie{t) keööen, het zeer lastig hd>ben, het 
Jmir moeten verantwoorden. T. Toen hij daar woonde, had hg 'et er 
onder de mert niet. Op mgn reis heb ek 'et onder de mert nie' gehad 
mee* al dicén regen. 

— . Op *t leste van de mert op het laatste oogenblik. 

— Op '/ scheen van de mert^ op 't einde van de rekening, Fr. 
au bout du compte. Schertsend ook : op 7 scheten van de mert, 

— Weten waar het mert is^ bestraft worden. As vader thuis komt, 
dan zulde weten waar 'et mert is. 

— Van de mert geraken^ getrouwd geraken. Sch., R. Z9 is ook 
eindelqk van de mert geraakt. Z. ook straat. 

— Een goei mert hebben, kragen, een goeden prijs voor zijne 
waren. T. 

MBRTBLÈÈR, znw., m. — Z. martelèêr. 

MERTELBN, w., o. — Z. martelen. 

MBRTEN, w., b. en o, — Markten. Z. Wrdb. 

— Tegen iemand nie{t) kunnen merten^ eene waar niet zoo goed- 
koop kunnen geven als hij. 

MBRTEN, znw., m, — Maarten, Fr, Martin. 

— Lekkere Merten^ z. LEKKER. 

— Spr. De pyp aan Merten geven ^ z. PIJP, 

MBRTGOBD, znw., o. — Goed, stoffen die men op de merkt 
verkoopt. 

MERTIKO, znw., m. — Z. martiko. 

MBRTKORF, znw., m. — Korf om boter, eieren, fruit, enz. 
ter merkt te dragen. T., R., KI. -Br. 

MERTPATBNT, znw., o, — Een patent dat de kramers moeten 
hebben, om met hunne waren op de merkten te staan. 

^MÈS, znw. (gesl, ?), — « Rug. Op de mès hangen. » 
Sch. geeft dit w. voor de Kemp. en Gheel. 



— 8o9 — 

MBS, ZQW., o. — Fr. couteau, 

— Verg. E fnes gel^k 'en vlim^ een zeer scherp mes. 

— Spr. Aan *t mes steken^ niet meer te genezen zijn. 

— Aan V mes moeten^ moeten sterven, sprek. van dieren die 
geslacht worden. Ons verken moet morgen aan 't mes. 

— Wordt ook üg. gezeid van iemand die met of tegen dank iets 
moet doen, b. v. trakteeren. * 

— Iemand hei mes op de kèèl zetten^ hem dwingen om hem iets 
te doen doen. 

— Htf zou nte{t) zwijgen ^ al zette 'm e mes op de kèèl^ hij zwijgt 
voor niemand. 

— Daar sntf\d)en geen messen meer op^ wordt gezeid van iemand 
die naar geene vermaningen noch berispingen meer luisteren wil, die 
onverbeterlijk is. 

— V/j e mesken da{t) langs twee kanten snydt^ zegt men van 
een dubbelzinnigen, valschen mensch. 

MBS, in 't N. der Kemp. ook MIS, znw., o. — Mest, Yx.fumier, 
engrais, (K.) Het mes uit de' stal trekken. Het mes naar 't land voeren. 

MBSORÈÈP,MBSTORÈÈP, MISGREEP, MISTORÈÈP. 
znw., V. — Z. GRÈÈF. 

MBSHAAK, MBSTHAAK, znw., m. — Drietandige, omgebogen 
haak om het mest uit den stal of van de kar te trekken. 

MBSHOOP, MISKOOP, zow., m. — Mesthoop, Fr. tas de 
fumier, 

MB8KAR, MIS KAR, znw., v. — Kar om mest te vervoeren. 

MBSPACHT, MBSTPACHT, znw., v. _ De reinigheidsdienst 
van de straten eener stad. De mestpacht doet de straten reinigen en 
verkoopt het straatvuil als mest. 

MBSSING, MBSSIB, znw., m. — De opene plaats, de put of poel, 
nevens of vóór het huis, bestemd om er den mest te leggen. (Z. der K.) 

— Bg uitbreiding beteekent het de Binnenplaats vóór de woning, 
de stallingen en schuren eener boerderg, in 't N. en W. der Kemp. 
Werft en Vörft geheeten. Z. ook ve&d., IV, 1480. 

MBSSTIK, MBST8TIK, znw., v. — Groote en breede drie- 
kantige schup om lang mest door te steken en klein te maken, in 't N. 
der Kemp. Qrèèf genaamd. 

MBST, ook MBS en in 't N. der Kemp. MIST en MIS, 
znw., o. en niet m. -^ Fr. engrais, fumier, J. (Het w. was ook o. 
in 't Mdnl. en de vorm mes waa er mede bekend. Z. verd., IV, 1480.) 

MBSTBR, znw., m. — Wordt in veel streken der Kemp. gehoord 
voor Meester, Fr. maStre^ Dee. mester^ Eng. master. De mester is 
daar. 'k Zal 't tegen de' mester zeggen. 



— 8io - 

ME(T), vrz. — Fr. avec, 

— In uitdrukkingen als Een zak met appelen, eenc beurs met 
geld, eenc mand met eieren, enz., dient het vrz. met om enkel aan 
te duiden dat er appelen in den zak, geld in de beurs, eieren in de 
mand zijn, hetzg dat de maat vol is of niet; maar laat men het vz. met 
weg, dan is Een zak appelen, eene beurs geld, eene mand eieren de 
vi.ilc maat van cenen zak, eene beurs of eene mand. D. B. 

— Men gebruikt met om een voorwerp aan te duiden dat ergens 
aan gevormd of gemaakt wordt. D. B. *En letter schrijven mè* 'ne* krol. 
E loofwerk schilderen mee *en bloem, 

MEiT)ALDERBBRE, bw. — Z. aldkreere. T., R. 

METDAT, vgw. — Aangezien, mitsdien, omdat, Fr, vu que^ 
puisque^ comme^ parce que, D. B., M. ^Ook in 't kant* Axel en in Brab., 
z. Sch.) Ik kost nie' komen, metdat ek geenen tijd en had. Metdat em 
ziek is, moet em te bed blijven. 

ME^T)EEN. bw. — Met elkander. Z. verder, 

ME(T)EENDOEN, w., o. — De eene in overeenstemming met 
den andere handelen, gemeenlijk met het gedacht om winst of verlies 
Ie deelen. Die twee kooplie doen me(t)ecn. 

ME(T^EENGAAN, w., o* — Verkeeren, vrijen. Dieë jongen en 
da* meisken gaan al veul jaren me(t)een. 

ME(T;EENLOOPEN, w., o. — Vrijen, verkeeren. Dieë jongen 
en da* meisken loopen al zeven jaar me(t)een. 

— Afe(t)eenU)open verschilt van me{t)eengaan hierin, dat het eerste 
op minder gepaste wijze geschiedt dan het tweede. 

ME(T)EENSPANNEN, w., o. — Met elkander aanspannen. 
Da' volk spant allemaal me(t)ecn, daar is niet tuss(ch)en te komen. 

METSEN (Kemp. matsen), w., b. — Hetzelfde als het Holl. 
Metselen, Fr. mafonner, D. B., Sch., 'Ne' muur metsen. Ze zijn volop 
aan *t metsen, c Metst van beroockte steen een graf voor d'Ydelheid. » 
(Vondel, III, 1 19.) Z, verd., IV, 1522. — V. D. heet metsen verouderd ! 

Kil. Metsen; struere, exstture muros, 

METSENDIENDER, znw., m. — Z. metserdiender. 

METSER (Kemp. mdtspr)^ znw., m. — Metselaar, Fr. maf on. 
D, B., Hfft. De metsers waren al aan *t werk. 
Kil. Metser, structor^ faher murarius, 

METSERDIENDBR, znw., m. — Knaap of diender van eenen 
metser. 

METSERIJ, znw., v. — Metselwerk, Fr. mofonnerie, 

METSERSBAAS, znw., m. — Metselaarsbaas, Fr. maitre-mafon, 
D.B. 

METSBRSCOONAC, znw., m. — Klare jenever. Hij drinkt 
'^re » » - >-rscogna c. 



— 8ii — 

MBTSBRSDRAAD, znw., m. — Dunne koord, zoo genaamd 
omdat de metsers ze gebruiken om er het schietlood aan te hangen. 

METSERSGERIBF, znw., o., zonder mrv. — De gereedschappen 
van eenen metser. 

METSERSKNOOP, znw., m. — Naam van ecne bijzondere soort 
van knoop. D. B., R. 

METSERSSTIBL, znw., m. — Het ambacht, de stiel van 
den metser* 

METSERSSTRENQ, znw., v. — Streng of touw, waarmede 
de metsers de palen der stellingen bijeenbinden. 

METSKALK, znw., m. — Metselkalk. 

METSTRUWEEL, znw., o. — Bij metsers. Groot truweel om 
den mortel tusschcn en op de steenen te leggen en open te breiden. D. B. 

METSWBRK, znw., o. — Metselwerk, Fr. magonnage^ maf on- 
nerie, 

METTEN, znw., v., mrv. — Fr. mattfus. 

— Donkere metten. *s Woensdags, Donderdags en Vrijdags der 
Goede Week wordt tegen den avond in veel kerken het nachtofficie 
plechtig gezongen; dit officie noemt men donkere metten^ omdat het 
eertgds en nu nog in de kloosters, in den nacht met weinig licht geschiedde. 

— Fij». Wordt gezeid van duister, overtrokken weder, in den winter, 
wanneer de avond vroeg invalt, 't Zijn vandaag weer donkere metten* 

MEUG, znw., v. — Smaak, Fr. gout, Z. Wrdb. 

— Spr. Ieder zijn meug, zee *t ventje, en 't had 'ne(n) mol op 
zijn brood liggen, 

— Spr. Ieder zyn meug, zee den boer, en hij at v^'gen uit zijne{n) zak, 

MEUGELIJK en MEUGENTLIJK. bvw., en bw. — Mogelijk, 
¥x. possüfle^ probablementy peut-ét re, 

MEUGEN, w., b. -• Hetzelfde als Mogen. D. B., Hfft., Sch. 
Gij meugt da' nie' doen. Ik heb nie' gemeugen. 

— Meugen van, verlof hebben van. B. Ik mag van vader *en koppel 
duiven koop)en. Hij mag van ze* wijf nie* uit de deur komen. 

— Kunnen eten, geenen afkeer hebben van eenige spijs of eenigen 
drank. D. B., Hfft. 'Èi zijn mens(ch)en die alles meugen. Ik mag gee(n) 
fruit. Ge moet alles leeren meugen. Hij mag ze (hij is liefhebber van 
den drank). 

— Spr. Als ^e 't nie{t) en meugt ^ legt er dan uwe(n) kop maar by\ 
zegt men tot de kinderen aan tafel, ais zij eenige spijs niet lusten. 

— Wordt soms gebruikt voor Moeten. Hij zal meugen oppassen ! 
Zegt dat em mag veurzichtig zijn. Manneke, waarom hedde gisteren nie* 
>n de school geweest ? Ik mocht thuis blgven van ons moeder, meester, 
(d. i. ik moest.) Ik mocht lachen, as em mij da* vertelde. Z. over dit 
gebruik in 't Mdnl. VERD. IV, 1850, en vrglk. moetbn. 



— 8l2 — 

MEUKEN, znw,, o. — Oude inhoudsraaat, het achtste van eenen 
zak en het vierde van eene veertel, in 't N. der Kemp. Loopen. E 
meuken mèèl. £ meuken appelen. 

— Spr. ZTy zal daar geen meuken zout eten^ hg zal er niet lang 
wonen. 

Kil. Meucken, moken, modtolus, 

M£UKENS(CH), bvw. — Een meuken groot. Meukens(ch)e maat. 
Meukens(ch)e mand (eeoe mand die een meuken inhoudt.) 

MEUKES, znw., m. — Sukkelaar, sul, snul. (Z.-W. der K.) 'Ne 
meukes van 'ne' jongen. 

MEULDENÈÈR, MEULDENTBÈR, znw^ m. —Meikever, 
Fr. hanneton^ Lat. Scarabeus melolontha. (K.) 

MEULDER, znw., m. — Molenaar, mulder, Fr. tneunier, 
•— Meikever, Fr. hanneton. 

— Spr. Iet God en de{n) tneülder laten scheen^ eene verwikkelde 
zaak laten gelgk zij is, er zich niet mee bemoeien, er geen oordeel 
over vclleo, D, B. 

— Zyne{n) Pas{ch)en hou{d)en met de meülders, op Beloken Paschen. 

M EU LD ERIN, zow., v. — De vrouw eens molenaars. 

— Meüldertnnekent kleine, witte meikever. 

MEULDERSBLOED, znw., o. — Wanneer men zich snijdt, 
steekt, enz. dat het bloed te voorschijn komt, dan zegt men: ik heb 
rood bloed, 'k heb geen meüldersbloed, want da' zie* wit. (A.) 

MEULEKE(N, znw., o. — Vrklw. van Meulen, Fr. moulinet^ 
petit moulin. 

— Spr. Meulekens maken^ gevaarlijke kuren doen. Let op, dieë 
voerman ga' meulekens maken mè' ze' pèèrd. 

— Bij schoenmakers, z. rolet. 

MEULEKENSMUTS, MEULENKAP, zdw., v. — Soort 

van kap of vrouwenmuts, waarin de kleine pijpkens, niet met een 
pijpijzer noch met eene tang worden geplooid, maar met een molentje, 
waar twee getande cilinders, van binnen met een gloeiend ijzer heet 
gemaakt, opeenrollen en de pijpkens makeo. (K.) 

MEULEKENSNOOT, znw., v. — Soort van groote okkernoot, 
met zeer harde schelpen. 

— Fig. Dwaas, wispelturig meisje, zottin. Die Mie is precies 'en 
meulekensnoot. 

MEULEN, znw., m. — Molen, Fr. moulin, 

— Fig. De tanden, het gebit. Mijne meulen draait nie' meer (ik 
kan maar slecht meer bijten). 

— Iemand die niet stil kan zitten, die gedurig in beweging is. 
Dieë meulen kan nie' stilzitten. Dieê jongen is 'nen eerste meulen: 
h^ zit geenen oogenblik stil. 



-813- 

— Spr, *Ne{n) slag van (ü{n) meuUn weghebben^ min of meer in 
*t hoofd geraakt zijn, zijn volle verstand niet hebben, Fr, être toqué^ 
avoir un coup de hacfu, 

— De meulen is deur de prangt de zaak is te verre gekomen , 
er is geen verhelpen meer aan. 

MEULBNBIND, MBULBNBND, znw., o. -^ Molenwiek 
zonder de borst. 

MBULENHBKKBN, znw., o. — Het latwerk eener molenwiek. 

MEULBNKAP, znw., ▼. — Z. meulekensmüts. 

MBULBNKOT» znw., o. — Beweegbaar deel des molens, waar- 
binnen men maalt en werkt. 

MBULBNNAOBL, znw., m. — Soort van taaien platten nagel 
met grooten kop, gebruikt door de molenmakers. 

MBULBNROBI, znw., v. — Molenwiek, Fr. aile de moulin. 

MBULBNTRAP, znw., m. — De trap om in eenen molen te 
klimmen. 

MBULBNVÈÈR, znw., v. — Z. meulsnrgei. 

MEURBN, w. b. — Troebel maken, het grondsop roeren. D. B. 
(Z. der K.)» elders Mooren. 'Et water meuren. 

— O., met zifn. Troebel worden. Het water meurt. 

— Betrekken, sprek. van het weder, De locht meurt : 't zal gaan 
regenen. 

MBUTBLEN, MEUTBRBN, w., b. en o. ^ Peuteren, bij 
kleine brokjes afpikken of afpeutcren. Ge zit altijd in oe' tanden te 
meutelen. Die kiekens zitten overal aan te meuteren. Meutelt da' nie' kapot. 

— Werken, allerlei werk verrichten* (A.) Ik heb den heelen dag 
gemeuterd. Ik ben muug (moede) gemeuterd. 

MBUTTEN, MOTTEN, znw., m. — Jong kalf, bij D. E. 
muiten, 'Ne nuchtere meuiten. Nen motten verkoopen. Vlees(ch) van 'ne' 
platte' meStten. (Z. plat.) 

— Fig. Luie, lompe jongen, doodgoede sul. 'Ne meütten van 'ne' 
jongen. 

MBUZBLBN, w., b. en o. — Peuzelen, langzamerhand, met 
kleine beetjes eten. D. B., bij boüman, 71, tnui'zelen. Die kinderen 
meuzelen den heelen dag. Wa' zit Jan daar altijd te meuzelen ? 

— Afl. Meuzelêêr, gemeutel, 

— Kram. heet dit w. veroud. 

Kil. Meuselen, clam degustare paulatitn. 

MEVROUW, znw., v. — Wordt enkel gebruikt als tittl voor 
eene gehuwde edel vrouw. R., Kl.-Br. De mevrouw van 't hof is dood. 
Mevrouw de gravin. De mevrouw van den baron. 

— Voor eene gehuwde vrouw die niet van adel is, zegt men alt^d 
fnadatn» 

MIDDEL, znw., m. en niet o. — Fr. moyen, J. 




— 8i4 — 

MIDDEL, bvw. — In mtddeUn tijd, middclerwijl, inmiddels, io- 
tusschentijd, Fr. sur ces entrefaites^ enz. Ik ging 'nen oogenblik buiten, 
en in middelen tijd gebeurden 'et ongeluk. In dieën middelen tgd^ in 
dien tusschentijd. 

Kil. Middeler tijd, interim ^ interea. Z. ook VERD., IV, 1534. 

MIDDELLIJST, znw., v. — Bij mulders. De middellijsten in 
eenen houten windmolen zijn stukken hout die, horizontaal op den 
steenbalk liggende, de stijlen van de romp verbinden. D. B. 

MIDDEN, znw., o. en m. — Fr. milieu, In de' midden (in 't middel- 
punt.) 

MIDDENBEUK, znw., m* ~ De groote beuk in eene kerk, 
Fr. nef du milieu, 

MIDDENSTIJL, znw., m. — Bij timmerl. Het rechtstaande 
stuk van een kruisraam. 

— Bij mulders. Ieder van de vier opwaartsgaande stijlen, waarvan 
twee in 't midden van elke zijde, die de uiteinden van den steenbalk 
insluiten. 

MIÈÈT, znw., m. — Kemp. uitspraak van Meert, Fr. mars. 

MIEK. Tweede hoofdvorm van Maken. (Z. der K.) 

MIEKEN, znw., o., MIEKEGEIT, v. — Geit in de kindertaal. 

— Mieken dient om eene geit aan te spreken of te roepen, 

MIEN, znw., V, — Verkorting van Philomena. 

MIEREN, w., o. — Mikken, aanleggen alvorens te schieten, Fr. 
mirer, viser. (K.) (Ook in Brab. en O.- VI.. z. Sch.) Miert zooiank 
niet ! Eerst mieren ecrda' ge schiet. 

— Scherp toekijken naar een bepaald punt, loeren. (K.) Hoe zitte daar 
te mieren ? Vrglk. mirken. 

— Afl. Mierder, gemier, 

MIÈREL, MJÈREL, znw., v. — Kemp. uitspraak van Merel, 
Fr. merle, 

MIERKE(N, znw., o. — Term in het raadsel op de raap: 

Het eerste is e mierken^ 
Het tweede is e pierken, 
Het derde is *en eiken, 
Het vierde is e loovermeiken. 

MIERUS, znw., m. .— Casimier, Casimirus. 

MIETER, znw., m, — Geene{n) mieter , volstrekt niets. (Ook in 
Gron. en Z.-Holl., z. M. en Oppr., 72.) Ge krijgt geene* mieter. Daar 
is geene' mieter. Ik geef er geene' mieter om. 

MIEZEN, znw., m. — Verkorting van Remigius. (Z. der K.) 




- 8i5 - 

MIBZER, te Antw. MIEZERIG, bvw. ~ Bedrukt, treurig, 
ziekelijk. Hij zag er zoo miezer uit. Gij trekt zoo e miczcr gezicht. 
Ze knn zoo miczeiig zien. 

Z. ook Sch., die het w. door ^rA//// vertaalt. Bij B. htU miezerig, 
sl«chtgestemd, humeurig, stuursch. 

MIJ, vrnw. — Wordt veel overbodig gebruikt. Z. spraakkunst. 
Wat is me da* nu ? *t Is mij *t manneken ! 

— Bvw. Mijn, Mij kind. Mij vader. Z. SPRAAKKUNST, 

MIJL, znw., V. — De mijl op zeven ^aan, eenen omweg maken. 
Dat is de mijl op zeven (dat is een groote omweg), bij Kram. dat is 
of dat gaat van mijl op zeven. 

MIJN, bvw. — Z. Wrdb. Te St-Antonius ook men (heldere e) 
uitgesproken. Dat is mennen boek. Dees is 't men en dat is 't auw 
(uw). — Zoo ook ;«y, pers. vrnw. Da' geld is van mè. Geef 'et aan 
mè. — Heeft mijn den nadruk niet, dan wordt het toonloos uitgesproken. 
Me kind. Me pèèrd. M'n huis. M'ne stal. 

MIJN, znw., V. — De plaats waar de aangekomen visch uitge- 
mijnd, d. i. in kleine koopen verkocht wordt. (A-) Z. ook botermijn 
en VISCHMIJN. 

MIJNEN, w., b. — De visch op de vischmerkt in kleine koopen 
ter veiling oproepen. 

MIJNHEEREN, w., o. — Iemand gedurig « Mijnheer » noemen. 
D. B. Hij kan iet doen van mijnheeren, as em tegen iemand spreekt 
die wa' meer is, 

MIK, znw., m. en v. — GafFclvormig hout, Yx,fourche debois. 
'Nen boom me' 'ne* mik. De putligger rust in 'en mik. De ploegers 
hebben eene mik, waarmee ze de aarde van 't ploegijzer aisteken. 

— Gekloven stok, stok met eene spleet in, waarmede de kinderen 
voorwerpen uit de keldergaten halen, die er in gevallen zijn. 

— Het deel van het lichaam waar de dijen aan het onderlijf komen. 
Hij stond tot aan zijne' mik in 't water. 

— Schertsend voor Neus. Hij draagt 'nen bril op zijne' mik. 

MIK, znw., V. — Brood van tarwebloem, wit brood. (Z. der K.) 
Jong. 'En vers(ch)e mik aansnijen. 'En groote mik. 

— Als stofnaam is het w. m. Wij hebben goeie' mik gebakken. 
Onze mik is nie' gegaan. 

— In de Wrdb, beteek. mik brood van roggebloem. Doch zie kra- 

MICH, KRAMIK, 

MIKKEN, w.. o. — Z, Wrdb. 

— Het op iemand gemikt hebhen of op iemand gemikt zijn, het 
op iemand gemunt hebben. Hij hcget fel op mij gemikt. 

MIKKEN, w., b. — Met eene mik (z, mik 2") ophalen. (A.) 
Ik 'ne' marbol uit de' kelder gemikt. 




— 8i6 — 

MIKMAK, znw., m. — GekoDkel, Fr, intriguey micmac^ tripotage, 
D. B. (Ook in Limb., Brab. eo *t Hag., z. Sch.) 't Is altijd derelfde 
mikmak. Ik kan met dieê' mikmak nie' om. 

MIKSLEUTBL, znw., m. — Bij smeden. Moersleutel met ééne 
groef, enkele moersleutel, Fr. clef a écrou simpU. 

MIL, znw., m. — Verkorting van Emil. 

MILLED, MINNED, znw., m. -^ Midden, middelpunt. 

MILTZAAD, znw., o. — Vogelgierst, Fr. sétaire d'Italü, Lat. 
Setaria italica L, 

MIN, bvw. — Klein. Komt maar als gezegde voor. Die pataten 
zijn te min om te verkoopen. Dieë jongen is nog wa* min om gaan te 
dienen. 

MIN, znw., m. — Verkorting van Dominicus. 

MINDER, bvw. — Z. Wrdb. 

— Spr. Iemand e tnanneken minder maAen, z. MANNEKEN. 

MINDEREN, w., o. — Missen, falen, in vragende en loochende 
wendingen. (Ook in Brab., z. Sch.) Hij ga* van jaar tol jaar meer en 
meer achteruit, maar hoe kan da* minderen ? Hij werkt nie* en hij verteert 
maar. Ge zij' van eene' pas ziek, maar da* kan nie* minderen : ge slaagt 
oe ook nie' gaê. 

MINNED, znw., m. — Z. milleo. 

MINNEKECN, znw., o., MINNEKEPOES, v. — Naam dien 
men aan eene kat geeft, üionekepoes is daar. Hij speelt er mee gelijk 
minneken met de muis. Ook Poezeminneken. 

— Om eene kat te roepen, zegt men ook mtn / min / min / of 
mtnneken / minneken f minneken / 

MINNEZÉEREN, te Antw. MINNESJÉEREN w., o., met 
«y«. -- Minderen, verminderen, Fr. diminuer, T. (Ook in N.-Holl., 
z. BouM., 68.) Mij* geld begint vandeeg te minnezéeren. 

MINUUT, znw., m. en niet v. — Fr. minute, J. 

MINUUTPIJP, znw, v. — Bij horlogemakers. De minuutpijp 
is een buisje met tanden of kammen, hetwelk op het groot wiel zit 
en waar de groote wijzer op steekt. 

MIPSEL, znw., v. — Mispel, Fr. nêfle. 

MIPSELÈÈR, znw., m. — Z. mispeleer. 

MIRKEN, M IRRIKEN (uitspr. m/rr')&p«), w., o. — Scherp loeren, 
de oogen half toeknijpen om scherper te kunnen zien. (A.) (Ook in 
Kl.-Br., z. Sch.) Wa* zitte daar te mirkcn ? Mirkt is goed. Ik moet 
vandeeg mirken om dieë* kleinen druk te lezen. 

— Bij B. en BouMAN bet. miereken turen naar een bepaald punt, 
strak kijken naar iets dat moeilijk te onderscheiden is. Vrglk. MIEREN 
en z. ook pieren. 

— Afl. Mirker^ gemirk. 



-8i7 - 

MIRPS (iiitspr. fnirr»ps)^ znw., m. — Marbol. Vcur mirpsen 
speleo. *Ne jjlaze* mirps. 

MIRRIKBN, w., o. — Z. mirken. 

MIS, zow., V, — Fr. messe. 

— Zingende mts, gezongen mis. Lezende mis, gelezen mis. Zwarte 
mis, mis van Requiem voor eenen overledene. 

— Spr. 't Is 'en zingende mts of V« zingende mis me{t) e steertje, 
wordt gezeid van iets dat lang duurt. As gij iel moet doen, is 't altijd 
*en zingende mis. 

— Ik doen geen twee missen veur éé{tC) geld^ ik zeg niet tweemaal 
hetzelfde. T., R, 

MIS, bvw. — Niet getroffen, Fr. manqué. Dat is mis. 

— Bedrogen, in abuis, in vergissing, Fr. trompé. Gij zij* mis, Fr. 
vous vous trompez, vous n*y êtes pas. 

— De Bo zegt in zijn Westvlaamsch Idioticon : * Wegens mis, 
samengesteld meteen werkw., zeggen de Taalkundigen i** dat dit voor- 
voegsel afscheidb.iar is en den klemtoon voert, telkens het in een stoffe- 
lijken zin genomen wordt, hetzij A) met de beleekenis van niet raak^ 
ir, manquc\ non atteint, b. v. hij schoot mis, hij bolde mis, fr. ;'/ 
n'atteignit point Ie hut : hetzij b) met de beteekenis van verkeerd^ kwalijk, 
b. V. hij schiet mis, fr. // tire mal, il manie mal are et flèche. 2* Dat 
dit voorvoe^'sel onafscheidbaar is en zonder klemtoon, wanneer het io 
eenen zedelijken, in eenen overdrachtelijken zin genomen wordt, b, v. 
ik misbruikte, ik mishandelde, ik mislukte, enz. — Hier valt aan te 
merken dat hel voorvoegsel mis in den stoffelijken zin van V een voor 
'/ ander, verkeerd oï kwalijk, bij ons ook en ja gemeenlijk onafscheidbaar 
is en zonder klemtoon, b. v. gij misbolt, fr. vous jouez mal votrc boule, 
Hadt gij niet misbold, gij zoudt niet misgebold hebben, fr. vous n*avez 
pas atteint U hut, parce que vous avcz mal joue' votre boule, enz. » 

Hetzelfde dal D. B. hier voor West- Vlaanderen opmerkt, geldt voor 
de prov. Antwerpen, 

MIS, znw., o, — Mest, Fr. engrais, fumier, (N. der K.) (Ook 
in N.-Br., N.-Holl., Zeel. en Groningen, z. B. en M.) 

MISACHTEN, w., b. — Minachten. Wordt, volgens Kram. en 
V. D., w^einig of niet gebruikt. Hier wordt het veel gebezigd. 

MISANTWOORDEN, w., o., schb. (klemt, op mis). - Kwalijk 
of verkeerd antw^oorden. D. B. Ik antwoordde mis op die vraag. Gij 
hèt misgeantwoord. 

MISBAK, anw., m. en niet o. — Z. Wrdb. 

MISBINDEN, Kemp. MISBIJNEN, w., b., onschb. (klemt 
op binden). — Kwalijk binden. Die schooven zijn misbonden. 

MISBOUWEN, w,, b., onschb. (klemt, op bouwen). — Kwalijk 
bouwen. D. B. Ik vrees dat hij zijn huis zal misbouwcn. Dieë stal is 
heelegans(ch) misbouwd. 



ldtotic0n 54 




— 8i8 — 

MISBREIEN, w., b , onschb. en schb. (klemt op örg/en en ook 
op M/s). — KMalijk breien. Ziet toe da* ge iiie' mis en breit. Die 
kousen zijn misbre(<i)en. 

MISDAG, znw., m. — Dag dat men gehouden is naar de mis 
te gaan. *t Ts morden weeral misdag. 

MISDEELEN, Kemp. ook MISDEILEN, w., b., onschb. 
(klemt, op tfit'/en). — In *t kaartspel. Kwalijk deelen, Fr. mcdonner^ 
maïdonncr. D. B. Lel op da' ge nie' misdeelt. De kaarten zijn misdeild. 

— Niet misdeeld zijn^ talent hebben. D. B. Ditë jongen is nie* 
mihdeeki, maar hij moest meer studeeren. 

MISDÈGER, te Antw. MISDÈDIGE, znw., m. — Misdadiger, 
bij T. misdrjrt'f. Hij stond daar gelijk 'ne misdèger. 

MISDÈRIG, bvw. — Bedrukt, droevig. (K) Hij had zoo e mis- 
dèrig gezicht. Ge staat daar zoo misdèrig te zien, wat is er gebeurd ? 

MISDIENDER, MISSENDIENDER, znw., m. — Koorknaap 
die de mis dient, Fr. acolvthe. 

MISDRUK, znw., m. en niet o. — Z. Wrdb. 

MISERIE, znw., v. — Fr. misère. 

— Misbaar. Maakt toch zoo 'n miserie niet veur die arm* tien centen. 

— Miserie gaan^ in 't whistspel. Geenen enkelen slag halen. Ik 
moet miserie gaan. 

MISERIEBOOMKE(N, znw., o. —Een boompje, in 't Fr. *ö« 
gentil en in de wetenschap Daphnc miseritifn genaamd. 

MISGEDACHT, znw., o. — Verkeerde opvatting, valsche meening, 
dwaling, Fr. opinion crronee^ erreur^ bij D. B. misdutiken. Gij denkt 
dat 'et ver)e(d)en jaar over gebeurd is, maar dat is e misgedacht van 
u : 't is veule langer gele(d)en. 

MISGEVEN, w., b., onschb. en schb. (klemt, opgeven of opm«). 
— Kwalijk, verkeerd geven. Gij hèt de kaarten misgeven. 

MISGEWAAD, znw., o. — Het gewaad, dat de priester draagt 
als hij mis doet. 

— Kram. vertaalt het door chastiblef doch dat is de kasuifel^ een 
deel van 't misgewaad. 

MISGRA(D,EN, w., o., schb. (klemt, op mis), — Verkeerd raden, 
Fr. dcviner mal. Ik graadde mis. 

MISGREEP, znw., v. — Z, mesgrèèf. 

MISGREEP, znw.. v. en niet m. — Z. Wrdb. J. 

MISHAAK, znw., m. — Z. meshaak. 

^MISHAND, znw,, o. — «Hinder, verhindering, letsel. Kris 
geen mishaiui aan. » 

Sch. geeft dit w. voor Antw, 



— 8i9 - 

MISHANDEN, w., o., onschb. (k\emt, op ha mf^n), — Hinder- 
nis veroorzaken, belemmeren, Ft, irjcommoJer^ gcner, D. B. Die schoenen 
mishanJen mij van<lceg. 'Et mishamit *ne' incns(ch) as ge in zoo e 
gcwuul komt. Die schup mishandt me geweldig : ik en kandei nie* mee 
werken. 

— Volgens V. D. is dit w. veroud. 

MISHOOP, znw., m. — Z. meshoop. 

« 

*MISJE, znw., o, — c Miskraam. » 

Sch. gcefi dit w. voor Antw. Indien het er gebruikt werd, dan 
zou het mfskfUj niet misje^ luiden. 

MISKAR, 7nw., v. — Z. MESKaR. 

MISKEUTEREN, w., b., onschb. (klemt, op kntiercn). — Mis- 
doen. Wat n.ng hij daar nu weer miskeuterd hebben? (lij hèt iet mis- 
keuterd, want 'k zien *et aan oe' manieren. Z. ook kkkuischen, MIS» 
KUIS(CH)EN, MISPEUTEREN cn MISPIKKELEN. 

MISKLAPPEN, w., wdrk., onschb. (klemt, op klappen\ — 
Uit onvoorzirhtiühcid of onbescheidenheid meer zeegen dan men zou 
mogcp. n. R., T., KI. -Br. Hij heet *om daarleelijk misklapt! Pas op da» 
ge oe nie* en misklnpt. Daar is geen nood dat hij *em zal misklappen 
(hij zwijijt altijd). 

MISKOMEN, w., o., onschb., met zijn (kl^mt. op komen). — 
Iels kwaads of nadeclig<* overkomen, ge<leerd, gehinderd worden. (Ook 
in 't Mdnl., z. verd., ïV, 1683. V. D. geeft hel als veroud. op.) De 
oude Jacob wilde Benjamin niet mee naar Egypte laten vertrekken, 
uil vrees dat het kind onderwege iets mocht miskomen. Ik zal oe mijn 
horlogo lecncn, maar as er iet aan mi<'komt, dan znlde ze betalen. 
Let wel op dat rr aan die boeken niks en miskomt. * Is er iets aan 
uw paard of aan uw rijtuig miskomen ? » (CoNSClENCE. Vaientijn, 67.) 
€ Ach, moest er iets aan ons kind miskomen^ mijn man zou zeker sterven 
van verdriet. » (CoNSC. Het ivassen Berld^ 3.) 

Kil. Mi«-konien, male evnire^ infeiiciter cedere^ sinistre accidere, 

MISKUIS(CH^BN, w.. b. — Z. miskeuteren. 

MISLA(D)EN, w., b., onschb. en «chb. (klemt, op laden en op 
mis). — Verkeerd, kwalijk laden. D. R., T., KI. -Br. Dicö wagen hooi 
is misla(d)en. Zie toe dat ge niet mis en laadt. 

MISLEGGEN, w., b. — /. Wrdb. 

— Dit werkw. is ook onschb. en heeft den klemtoon op lejs^js^en. 
Ik heb mijn geldbeurs verloren. Zuukt maar is goe*!, ge zult ze misleed 
hebben. 

MISLEZEN, w., b., onschb. en schb. (klemt, op lezen en op 
mis). — Verkeerd, kwalijk lezen. D, B. Leest opnieuw, ge hèt misgelezen. 
E woord da' misiczcn is. 



— 820 — 

MISLEZER, znw., m. — Priester zonder vaste bediening, die 
ergens mis leest. 

MISLOOPEN, w., \(drk., onschb. (klemt, op loopen), — Zich 
laten misleiden, ?prek. van eene jongedochter. T,, Kl.-Br. Da* meisken 
heet heur misloopen. 

MISLUKKEN, w., o., onschb., met zi/n (klemt, op lukken). — 
Niet gelukken, niet slagen, met eenen persoonsnaam als onderwerp, 
Fr. echouer^ ne pas rcussir, D. B. As dieë student nie' beter studeert, 
dan zal hij mislukken in z*n exaam. 

MISMEESTEREN, w., b., onschb. (klemt, op meesteren). — 
Verkeerd, kwalijk meesteren. Den doktoor heet de* zieke heelemaal mis- 
meesterd. Mijne voet is mismeesterd en hij zal nooit nie' goe* meer 
genezen. 

MISN AAIEN, w., b., onschb. en schb. (klemt, op /kjaiItm of op 
mis), — Verkeerd of kwalijk naaien. D. B. Oe* kleed is heelemaal 
misnaaid. Let op da* ge nie' mis en naait. 

MISNAAMD, verl. dlw. van het ongebruikte Misnamen, verkeerd 
noemen, een verkeerden naam geven. T., R. Zij heeten 'cm pinnekendun 
en daar is hij nie* aan misnaamd, want 't is *ne gierigaard. 

MISNIETEN, w., b., onschb. (klemt, op nieten). — Beroofd 
zijn van het genot van iets, derven, misgelden, bezuren, voor iets boeten. 
T,, R, (Ook in Linib., z. Sch. en in 't Mdnl., z. verd., IV, ióqS.^ 
De koster van A. was vruger ook orgelist, maar ze ontnamen *em dat 
ambt om 'et aan 'nen andere te geven dicë beter spelen kost. Nu moet 
diee koster de 300 frang misnieten, die hij eertijds veur 't bespelen van 
de orgel trok. De goei moeten 'et dikwijls met de kwaai misnieten. 

MISNOÉMD, MISNUÜMD, verl. dlw. van het ongebruikte 
Misnoemen, een verkeerden naam geven. Z. misnaamd, T., R., Kl.-Br. 
Ze noemen u de flierefluiter, en ge zijt er nie' aan misnoémd. 

MISPAKKEN, w., b., onschb. (klemt, op pakken), — Kwalijk 
of verkeerd vastnenien. D. B. Hij hce' zijn hand verstuikt mee' iet te 
mispakken. 

— Ook wdrk. T. Hij mispakien *em aan de leen en hij rolde 
van al de trappen. 

— O. Mislukken. De pataten mispakken nogal dikwijls op dieë 
grond. Die verf is leelijk mispakt. 

— Ook het mispakken^ niet slagen, het niet treffen. Hij heget leelijk 
mispakt met deur zoo e weer op reis te gaan. 

MISPELEER, MIPSELÈÈR, znw., m. — Mispelboom, Fr. 
nèflier, 

— Wandelstok van mispelaren hout. R. De veckooplie hebben 
gewoonlijk 'nen mispeleer bij met een leercn liemken. 

MISPELÈREN. MIPSELÈREN, bvw. - Van mispelhout. 
Mispelèren hout. 




— 821 — 

MISPEUTEREN, w., b., onschb. (klemt, o^ peuteren\, — Mis- 
doen. Hij beet daar iet mispeuterd. Den deugeniet kreeg straf, omdat 
em iet mispeuterd had Ook Miskeuteren, Miskuisfch^en en Mis- 
pikkelen. 

Kil. Mis-peutereo (fland.) i. ver-peuteren. 

MISPIKKELEN, w., b., onschb. (klemt, op pikkelen), — Mis- 
doen, misdrijven. D. B., Sch. Wa' mag i nu weer mispikkeld hebben ? 
Ge moet iet mispikkeld hebben, anders zoude nie' gestraft zijn. Ook 
Miskeuteren, Miskui8(ch,en en Mispeuteren. 

MISREKENEN, w.. b. — Z. Wrdb. 

— Worde ook onschb., zoowel o. als wdrk. gebruikt. T., R. Hij 
hée' misrekend. Gij misrekent oe altoos. 

MISRIJ(D)EN, w., b., schb. en onschb. (klemt, op mts en op 
r^den), — Verkeerd, kwalijk ploegen. T. Die voor is misre(d)en. Gij 
hèt die voor leclijk misgere(d)en. 

— O. Een gesp.in verkeerd leiden. T. De koetsier ree' drij, vier 
straten mis. 

MISSAAL, znw., m. en niet o. — Z. Wrdb. J. 

— Spr. '/ Zt/n schoon woorden^ zee den duvel, en hy'zag in de{n) 
missaal, z. DUVEL. 

MISSCHIENS en MISSCHIENST, bw. — Misschien, Fr. 
peut'être. R. (Ook in N.-Br. en Limb., z. Sch.) *t Is misschiens nie* 
waar. Hg hée* misse hienst geenen tijd. 

MISSCH RIJVEN, w., b„ onschb. en pchb. (klemt, op schryvtn 
of op mis)% — Kwalijk of onnauwkeurig neerschrijven, Fr. mal c'crirc. 
Heel da' blad is misschrcven. Gij schrijft al oe' letters mis. 

MISSEN, w., b. — Niet hebben, niet treffen, sprek. van iemand 
die te laat komt om met den trein, de diligentie, de boot, enz. te 
vertrekken, Fr. manquer, D. B. Hij heet de' lesten trein gemist en hij 
is moeten overrachten. As ge nie' rapper en zijt, zulde den boot missen. 

— Voor het Fr. trouver qu*il manque, s*apercevoir de Vahsence 
dty zegt men Qemissen. Z. ald. 

MISSENDIENDER, znw., m. ~ Z. misdiender. 

MISSIEKRUIS, znw., o. — Een groot kruis, dat ter gelegen- 
heid eener missie in de kerk gewijd wordt door de paters, die de zending 
komen prediken. Het missiekruis hangt tegen den muur in de kerk, 
en de geloovigen bidden er voor na de goddelijke diensten. 

MISSING, znw., v. — Misslag, ¥x. faute^ méprise, erreur.T», 
Kl.-Br. Hij heet daar 'en leelijke missing gedaan in *t rekenen. Ge hèt 
'en groote missing begaan met da' pèèrd te koopen. 




— 822 -- 

MISSPELEN, \v., o., schh.cn onschb. (klemt, op ;/i/> en ook 
op s/rl lij. -- X'cil.cercI, kwalijk spelen. Gij speelt aliijd mis. Iet beter 
op. Hij zajT dat cm misspeëKi had. 

— Xi'et fnïsspt'lt'ti (klemt, op mis)^ niet links vallen, niet pluis zijn. 
Past op veur dieë' kerel, want hij speelt nie' mis. Jan is 'ne groote 
vechtersbaas, maar Piet speelt ook nic' mis, 

MISSPREUK. znw., v. — Verkeerd gezegde. Ge hèt 'en mis- 

spreuk gedaan. 

MISTEEKENEN, w., b. en o., schb. en onschb. (klemt, op 
mis ol op tickencn). — Kwalijk teekenen. Die bloemen zijn misteekend, 
misgeteckend. 

MISTRAPPEN, w,, o. — Z. Wrdb. 

— Woidt ook ojischb,, zoowel wdrk, als o, gebezigd. Hij mistrapte 
en hij viel van de leer. As ge naar bene(d)en komt, ziet da* ge oe 
nie' en mistrapt. 

MISTRE(D)EN, w., o. — Z. Wrdb. 

— Wordt, c\eiu.U 't voorgaande, onschb., *tzij o,, 'tzij wdrk. ge- 
bruikt. Ik heb mijne' voet verzeerd met te mistre(d)en. Hij mistrecddcn 
'em en hij viel uit den boom, 

MISTREFFEN, w., onp., onschb. (klemt, op treffen). — Hij 
docht dat cui ni de stad 'en goei plaats zou ge har] hemmen, maar hij 
heget leelijk mistroflen, mistrett. 

MISVAL, znw., m. — Miskraam, Fr. ƒ<2;/JJ<7 töwrA^. Ze hee* ne* 
misval j;chaJ. 

— Kram. en V. D. achten dit w. verouderd, hoewel het overal 
gebezigd wordt blijkens D. B,, T. en R, 

— Tegenslag, (Volgeus V. D. veroud.) Ik heb 'ne' leclijke* misval 
mè' me' pèèrd, 't is dempig. 

MISVALLEN, w., onp. — Mislukken. Hij meende die plaats te 
hebben, maar 't is hem leelijk misvallen, 

MISVERSTAAN, znw., o, — Misverstand, Fr. mal-entcndu. 
D. B. I'^ niisvcrstaau uil de' weg ruimen. De ruzie was aangekomen 
deur e misverstaan. 

MISV^AS, znw., m. en niet o. — Z, Wnlb. 

MIS WEG, znw., m. — Voet weg die door de velden kerkwaarts 
leidt. (K.) 

MISZEGGEN , w., b.,or.schb. (klemt. op zrjr^en). — Door woorden 
misdoen, ilL, zc*:iioii dat bclecdi^ciid is. D. B. \^OoU in 't Mdul., z. VERD,, 
IV, 1721,) Ik heb 'cm gee(n) woonl miszeed en toch is eni kwaad op mij. 
Zie toe dn' ge diec men^(ch) niks n)i.szegt. Hij héc' mij nooit iet miszeed. 

Kil. Mis-scgghen, ma/e logui alicui. 



- 823 - 

MISZIEN, w.. b„ onschb. (Ulernt, op zïen). — Eenij; gebrek, 
iets naMccli^s in iemand of iets opmerken. Ik weet nie' wat ek aan 
dieC' jonjjen miszag : hij zag er zoo bleek en zoo droevig uit. Miszicdegij 
iet aan da' póèrd ? 

MISZINGEN, w., b.,schb. (klemt, o^ mis). — Verkeerd, kwalijk 
zingen. D. B. Ge hèt da* Hêkcn misgezongcn. 

MITS-MATS, znw„ m, — Naam van zeker kaartspel, ook Matsen 
genaamd. 

MOD, znw., V. — Vuil, slordig vrouwmensch, Fr. salope^ bij Kram. 
ntodde, *£n vuil mod van e wijf. 

— Vrouw die alleen woont en onderhouden wordt door cenen man, 
met wicn zij ongeoorloofde betrekkingen heeft. 

MODDELEN en MODDEN, w., o. — Al zoekende dooreen- 
werpen, bij T. moJiieUn, Wa' zitie daar in die kas te moddelen ? lïij 
is in *i koffer aan *t modden. Alles overhoop modden. 

Kil. Modden, senttan) perscrtitari. 

— Afl. Moddelèèr^ modder ^ gemoddel^ gemod, 

MODDER, znw., m. en niet v. — Z. Wrdb. T., R. G. Ook m, 
in 't Mdnl., z. VERD., IV, 1765. 

MODDERVET, bvw. — Buitenmate vet. T., R., Kl.Br., M. 
(Ook in Oosi-Fiiesl., z. M.) Da' verken is moddcrvet. 

MODEPRINTJE, znw., o. — Pronker, modeheerken, modezot, 
modepop, 'i Is precies c modeprintje, dieë jongen. 

MOECHT Tweede hoofivorm van Mengen, (W. der K.) 

MOED, znw., m. — Hert, Fr. rav/r, in de uitdrukking mijne moed 
schiet voly mijn hert wordt bewogci^ ik ben tot wecnens toe ontroerd. 
Toen ik die ellende zag, ichoot mijcie moed vol. 

MOEDER, znw., v. — Fr. mêre, 

— Wegens het verschil tusschcn moeder en moier^ z. moier. 

— Er bestaat een verschil tusbchen het taaieigen der stad Antwerpen 
en dat der Kempen in het gebruik van het bezitlelijk bijv. w. vóór 
de woorden vader en moeder. Te /\nt werpen zal een kind, dat van 
zijne ouders spreekt, het bezitt. bijv. w. in 't enkelv. gebruiken en 
zeggen : my\n) vader, '"^C'») moeder ; in de Kempen daarentegen in 
*t meerv. : onze vader, ons moeder, zelfs als de spreker geene broeders 
noch zusters heeft. Wanneer een vreemde tot een kind over diens ouders 
spreekt, dan zal hij, zoo hij een Antwerpenaar is, zeggen : uw vader, 
uw moeder : maar is hij een Kempenaar, dan zegt hij : ulie vader, 
ulie moeder. Spreken broeders en zusters onder elkander van hunnen 
vader of hunne moeder, spreekt cene moeder tot hare kinderen van 




— 824 — 

* 

hunnen va^ler of omjjekeercl, dan valt het bezitt. bijv. w. weg, In de 
Kempen nochtans gebruikt men in dat geval zDOwel onze vaJtr, ons 
moeder^ als het enkele vader ^ moeder, lietzelfde heeft plaats met 
grootvader^ grootmoeder^ oom {nonkel) en moetje (tant.) 

— Spr. Eerst zorgen veur zij{n) moeders kind^ eeist oompje en 
dan oompjes kinderen, Fr. charitc' bien ordonne'e commence par soi-méme, 

MOEDERHUIS, znw., o. — Stamklooster. Het moederhuis van 
die nonnen is te Brussel. 

MOEDERKENSZAK, znw., m. — Hetzelfde als Lörzak, eene 
tesch die de vrouwen onder hun bovenkleed dragen. (A.) 

MOEDERKENSZALF, znw., v. — Speeksel, in de kindertaal. 
Kom, kind, me zullen wu' moederkeoszalf aan oe* vingerke doen, en 
dan zal 't wel genezen. 

— Soort van zalf, die gebruikt wordt om zwerende wonden te genezen. 

MOEDERKLOOSTER, znw., o. — Z. moederhuis. 

MOEDERKOREN, znw., o. — Zwarte korrels in de rogge, Fr. 
ergot dn seïgle^ Lat. Claviceps purpurea Kühn. 

MOEDERMENS(CH)-ALLEEN en MOEDERZIEL-AL- 
LEEN, bw. — Gansch alleen. Hij woont daar moedermeüs(ch)-alleen. 
Nu zat hij daar moederziel-alleen, c Ik wil tien jaar moedermensch alleen 
hier rondloopen. » (Conscience. Het Goudland, 40.) 

MOEDIG, bvw. — Fier, trotscb. (K.) Wa' kan ze daar moedig 
hennen gaan ! 

MOEDWILLIQAARD, znw., m. ~ Moedwillige, baldadige 
menscb. (Ook in VI., z. Sch.) 

MOEF, znw., m. — Onvriendelijk mensch, pniiler, Fr. botuUur, 
Dieö moét spreekt geen enkel woord. Hij zit daar gelijk 'ne moëf. *Ne 
moëf van c meisken. 

— Geelvink, Fr. bruantj Lat. Emberiza citrinella. De moéfen 
worden geleeid op eene kruk. Een moëf heet te Lier Qèèlaard. 

— Scheldnaam der Duitschers. 't Is 'ne moëf. 'Nen Duils(ch)e moëf. 

MOÉFACHTIQ, bvw. — Genegen om te moëfen, te pruilen. 

MOEFEL, znw., v. — Handmof, Fr. manchon. 'En pelsen moefel. 
c Een moffel ^ een hoed met pluymage. ^ (A. Poirtf.rs, II. Hof van 
Théodosïus,) V. D. zegt dat moffel veroud. is. 

MOEFELBN, w., o. — Knauwen gelijk iemand die geene tanden 
meer heeft, de kakebeenen gedurig bewegen. Ou(de; menschen moëfelen 
bij 't eten. Moëfelt zoo niet. 

— Hij BoUMAN ( Volkstaal in A'oord~ Hol la nd)betcekeni het «knabbe- 
len op taai vleesch of broodkorstcn, van iemand die een slecht gebit 
heeft. * en bij Jong. « met eenen vollen mond cien. » 

— Afl. Moffelt' èr^ gemoH/el, 

Kil. Moffelen, i. maffelen, buccas movere. 



- 825 - 

MOBPBN, w., o. — Pruilen, de lip laten hangen, stom loopen; 
Fr. botider. (Ook in Brab., *t Hag. en te Maastricht, z, Sch.) Hij hée* 
van den heden dag nie* gedaan as gemoëft. Ze kan drij dagen aan c 
stuk inoefen en zuur zien. 'El moëfen is e leei^k gebrek. 

— Afl. Aloefer^ g^f^off^ moS/achtig. 

MO£PKB(N, znw., o. — Soort van want met halve vingers, 
bij M. moffen, Neders. müffkens, WoUc' moefkens. Ze draagt moefkens 
in plaats van handschoenen. 

MOBPRÈQBN, znw., m. — Motregen, stofregen. 

MOEITE, znw., v. — Fr. peine, effort, Z. Wrdb. 

— Motite doen^ pogingen doen, trachten, Fr. faire des efforts, D. B. 
Ge moet raoei'.e doen om beter te leeren. Hij doe' moeiten om 'en 
plaats te krggen. Ik heb veul moeite gedaan om die vrucht te winnen, 
maar 't is mispakt. 

— Moeite hebben^ moeilijkheid, last, zwarigheid hebben. D, B. De 
meester hée' veul moeite met dieë' jongen. Ik heb daar nooit geen 
moeite mee gehad. 

— Het is de moeite niet, Fr. cela ne vaut pas la peinc, D. B, 
Hedde veul geërfd? Ba neen ik, 't is de moeite niet. WUdegij mee- 
rii(d)en ? Ik dank u, 't is de moeite niet, ik heb maar e stapken meer 
te gaan. 

MOBK, znw., v. — i** Dikke vrouw. 2" Dikke luis (Rupelstreek.) 

MOBL, MOBLIB, MUL, MULLIB, MULT, znw., m. — 
Bakirog, de bak waarin het brood gekneed wordt, ¥x,pétrin. 
Kil. Moelie, moeide, back-troch, mactra, alveus pistorius, 

MOBLIEVRIJBR, MULLIBVRIJBR. znw., m. — Iemand 
die schijnt te komen vr^en met de dochter, maar het niet meent en 
enkel komt om te eten en te drinken. (K.) (Ook in Brab., z. Sch.) 

Kil. Moelie- vrijer, parasitus. 

MOBNB, znw., v. ~ Moeder, in de kindertaal. Z. vsrd., IV, 1 798. 

MOER, znw., m. — Slijkachtige turf. (K.) Moer steken. In die 
vennen zit veul moer. De boeren stoken moer en heischadden, > 

MOER, znw., m. — Muur, een onkruid, Fr. mouron. (Z.-O. der K.) 

MOERAS, znw., m. en o. — Z. Wrdb. Ook m. bij R. 

MOBRBEBS, in sommige streken MOORBEBS (scherpe 0), 
znw., V. — Zwarte aalbes, de vrucht van den Riöes nigrum L. (K.) 
T. Moerbezen worden op jenever gezet. 

MOBRBBZENBOS, znw., m. — Zwarte-aalbessenstruik. (K.) 

MOEREN, w., o. — Moer, turf uithalen en bewerken. (K.) We 
zijn aan 't moeren in 't Moerven, 



- 826 — 

MOBRKIL, znw., v. — Insprong van eene rivier io het land, 
kieiue goit', liie met hooge tij vol water komt en met lage tij gansch 
ledigloopt. Z. KIL. 

MOBRROEI, znw., v. — IJzeren roede, waarmede men den moer, 
wanneer bij beklagen is, in vierkante klompjes verdeelt. (K.) 

MOBRTÖRP, znw., m. — Z. moer. 

MOBRZBIK, znw., v. — Mier, Fr. fourmi. Ik ben gebeten 
van 'en nioerzeik. Daar zqn grijze, zwarte, gele en vosse mocrzeiken. 
Kil. Mier-seycke, formica. 

MOBSKOP, znw., m. — Pruiler, ¥t, hotideur, (K.) Doel oewe' 
mond open, ieeÜjke moeskop ! 

MOBSKOPPBN, w.,o. — Heuelfde als Moezen, monkcn, pruilen. 
Hij kan daar 'en heel uur zitten moeskoppen. 

MOBSZAKKBN, znw., m., mrv. — Spotnaam op de inwoners 
van Loenhout, kanton Rrecht. Deze heeten ook de Pexerikken. 

MOBT, znw., m. en niet o. — Z. Wrdb. T., R., J. 

MOÉT en MUT, znw., v. — Moei, Fr. tanU. (K.) Het w. 
is altyd voorafgegaan van eenen eigennaam. Annemoèt, Trezemut, Triene- 
mut. Lienemoet is dood. Zonder eigennaam bezigt men het vrklw. 
tnoitje^ mutje, 

— Volgens Winkler's Dialecticon zegt men te Ems, op het eiland 
Schokland (Overijsel), meute voor moei, 

MOBTEN, w., o. — Fr. devoir. 

— Wordt dikwQls gebruikt met een voorzetsel en met onderdrukking 
van gaartt loopen^ treden^ vliegen^ zwemmen, enz. D. B. Den bode 
moet deur alle weer. Ik moet 'et water over. Hij moet 'cl kot in. Gij 
moet den huizen uit. 

— Er deur moeten^ voor geene hinderpalen terugwijken. D. B. 
Ik heb besloien e werk te schrijven, en 't moet er deur. We staander 
veur en we moeten er deur. 

— Moeten stelt de daad voor, soms als zeer waarschijnlijk, soms 
als zeer zeker, 't Moet nu omtrent acht uren zijn. Dat is e gedicht, 
da* Vondel moet geschreven hebben. 

— Wordt ook gebezigd om iets voorwaardelijks uit te drukken. 
Moest hij nu komen, wa* zou em staan zien ! Maar gij moest zoo is 
ziek wörren ! Zij maar veurzichlig met die petrollamp; as ge er moet 
mee vallen, dan schiette in brand. Ik moet den reuk van den hèring 
maar rieken, dan heb ik al genoeg, 

— Drukt ook een verlangen, een verzoek uit. Gij moest mij da* 
plezier eens doen ! 

— De onvol m. verl. tijd wordt in sommige streken gebezigd voor 
dien van meugen. Hij meinde naar de kermis te gaan, maar hij moest 
nie' (hij mocht niet.) 




— 827 - 

— Spr. Moeten is dwank en schreeuwen ïs kinderzank, 

— Moetcns, uit dwang, verplicht. T. Hij hée' zijn koei verkocht, 
maar 't was moetcns, want hij kost anders zijn huur nie* betalen. Ze 
gaat trouwen, maar *t is moelens (ze is zwanger). 

^MOETIQ. bvw. — « Kier, trotsch. Wat is die dochter moelig 
op beur liicc:cii! Wat moelige jongen is dat!» 

Sch. kent dat w. toe aan Brab. en Antw. Z. moedig. 

MOÊTJE(N, MUTJEiN, znw., o. — Vrklw. van moet, mut^ 
moei, Fr. tanic, b;j Hfft. motje en mutje, bijOPPR., 72, meutje {tneuth'e) ^ 
(Z. MOëT). Die oü vrouw is zeker uw moetje ? Ze* moeder zaliger was 
mijn eigen mutje. 

MOEZEL, znw.. m. — Moes, gepletterde aardappelen, enz. Ik eet 
van dieë' moezel nie*. 

MOEZELEN, w., b. — Tol moes maken, pletteren. D. B. Pataten 
moezelen. Klciu kinderen moezelen geren. Wat is ze daar in dieë* 
pot aan 't moezelen ? 

— Afl. Afoezelèètf gentoezel, 

MOEZBLMAN, znw., m. — Savooiaard (A.) Daatsta* *ne moezel* 
man aan de deur. 

MOEZELPOT, znw., m. — Hutsepot, pot waar verschillende 
spijzen oudcrcengemoezeld zijn. Ik eet nie' van zoo 'ne' moezelpot. 

MOEZELVOETEN, znw., m., mrv. — Groote voeten, vooral 
als ze slecht geschoeid zijn. (A.) 

MOEZELZAK, znw., m. — Doedelzak. — Volgens V. D. veroud. 

MOEZEN, w., o. — Monken, pruilen, Fr. houder. (JU,) Staat daar 
zoo niet te moezen. Hij kan gemakkelqk 'nen heelen dag daar zitten 
moezen. 

MOEZEN, w., b. — - Z. moezelen. 

MOEZJENÉEREN, w., o. — Z. duizenéeren (A.), bij Kil. 
ffiuysetieren, 

•MOFFELS of*MOFFELBOONEN zijn, tzegt Sch., in Noord. 
Brab. cu <le Kemp. de bocrenboofun^ ook boerenwanten^ ook nog 
genoemd labboonen^ platte boonen, boerenteenen, ¥x./êves de marais, » 

MOIELIJK, bvw. — Moeilijk, Fr. dtfficiU. (K.) 

MOIER, znw., v. — Samengetrokken uit Moeder. Wordt, van 
menschcn gczeid, maar gebruikt om met verachting of misprijzen te 
spreken. Eene ontaarde moeder, Fr. mardtre^ is eene moier. Een 
zoon of eene dochter, van of tot hunne moeder sprekende, zullen haar 
nooit moier h;eten. Die moier laat heur kinderen honger Iij(d)en. Ze* 
moier is dood. Hij hóe' zijn eigen moier derven slagen. *Ën oü moier, 

— Den duvel en zé* moier^ z. DUYEU 




-^ 828 — 

— Wordt veel gebruikt voor het wijfje van een zoogdier, dat jongeil 
heef>. De jonge katten loopen heur moier overal van achterna. 

— Moer, schroefmoer, Fr. écrou. De moier van 'en vijs aandraaien. 

— Bij brouwers. Het zaksel dat op een afgedragen pikardijn of 
rhumstuk bl^ft. 

MOIBRBOUT, znw., m. — Moerbout, Fr. boulon a écrou . 

MCIBRBUIS, znw., v. — Groote buis, waar kleinere buizen in 
uitkomen. Het waier van een gedraineerden grond loopt in buizen, die 
in de moierbuis uilkomen. De moierbuis voert het water af in eene beek. 

MOIERBN, w., o. — Jongen, jongen werpen. Ons kat hée* gisteren 
gemoierd. 

MOIBRHOND, znw., m. — Wijfjeshond, teef, Fr. chienne. 

MOIERIJZBR, znw., o. — Bij smeden. Eene plaat, waarmede 
metalen draad beschroeid wordt, Fr. filièrt, 

MOIERKAT, znw., v. — Kattin, Fr. chatte. 

MO ierkwaal, znw., v. — Moederkwaal, Fr. hysterie, 

MOIBRNAAKS, bvw. — Moedernaakt, Fr. tout nu. Hij was 
moiernaaks. 'Et kind liep moiemaaks de straat op. 

MOIBRRIOOL, znw., v, — De onderaardsche hoofdriool, waar 
de zijriolen in uitloopen, Fr. e'gotU colUcteur, 

MOIERSLBUTBL, znw., m. ~ Bij smeden. Eene tang om 
moeren aan te draaien en vast te zetten, Fr. cU/ a écrous» 

MOIBRTAP, znw., m. — Bij smeden. Geschroefde stalen spil, 
waarmede men eenen draad in de moeren kan trekken, Fr. taraud, 

MOK, bvw. — Gebroken, geschonden, sprek. van stroo. 

— Znw., o. Gebroken, geschonden stroo. Z. mot. 

MOK, znw. (gesl. ?). — Komt voor in de vergelijking zoo rot als 
mok, zeer rot. Die appelen zijn zoo rot as mok. 
Is dat w. het voorgaande mok f 

MOKBBBNBN, znw., o., mrv. — Beenen, die onder aan de 
voeten dik en gezwollen zijn. Hij hee* rookbeenen. 

MOKKEN, w.. o. — Pruilen, Z. Wrdb. 

— Wordt ook gezeid van regenachtig, mistig of overtrokken weder. 
*Et weer mokt. 

MOKLOCHT, MOKLOBCHT, znw., v. — Nevelachtige, over- 
trokken, regenachtige lucht. 

MOL, znw., m. — Fr. taupe. Zoo blind as *ne mol. Wruten gelijk 
'ne mol. 

— Naam dien men goeft aan kleine, zwartharige honden. 




— 829 — 

MOL, bw. — Mol »yw, alles verspeeld hebben in 't spel. Ik ben 
mol. Z. ook TROT. 

MOLBBRD, zDw., o. — Bij landb. Vierkant getuig van hout 
en ijzer, zonder wielen, plat van boven, en voorzien van onder met 
eenen ijzeten schepbak of een schepberd, dienstig om te mollen, Fr. ravale^ 
bij D. B. molbtrd^ molUbard, Het molberd wordt in de Kempen niet 
veel gebruikt. De molberden worden getrokken door één of meer peerden 
en zijn voorzien van eenen steel of stcert, waarmede de knecht het 
molberd bestuurt om hier de aarde op te scheppen en ze daar te laten 
uitglijden. Als men b. v. eene heide omgeploegd heeft, die nog vol 
hoogten en zonken ligt, rijdt men er met het molberd over, om de 
aarde van de hoogten op te scheppen en in de zonken te brengen. 

Z. MOLLEN. 

MOLLBDRACHT, znw., v. — Valsche zwangerschap. Die vrouw 
heet 'en molledracht gehad. Ook Maandracht en Pèèrdedracht. 

MOLL£KB(N, znw., o. — Troetelnaam voor een klein mollig 
kind. R. 

MOLLBKLBM, znw., v. — Val om mollen tevangen, Fr. taupière. 

MOLLBKOBK, znw., m. — Soort van langwerpigen koek, van 
6jne tarwebloem gebakken. (Z. der K.) 

MOLLBMAN, znw., m. — Ronde aarden pot, in de Kemp. 
gebruikt, om eten naar de werklieden te dragen. 

MOLLBN, w., b, — Bij landb. Eenen grond effen leggen met 
het molberd. D. B. (Ook in N.-Holl., z, bouman, 70.) Het mollen 
geschiedt op de volgende wijze : Eén of meer peerden trekken het molberd 
voort; de knecht houdt den steert van 't molberd vast; zoolang het 
molberd geene aarde moet afhalen, duwt de knecht den steett neder, 
zoodat het molberd opwaarts rijzende, voortglijdt zonder aarde op te 
scheppen ; maar als men aan eene hoogte komt die moet afgevoerd worden, 
dan heft de knecht den steert opwaarts, zoodat het molberd in den 
grond dringt en voortvarende de aarde afschept, totdat het vol is : dan 
duwt de knecht weder op den steert en rijdt met de afgeschepte aarde 
tot aan eene zonk : daar slaat hij den steert voorwaarts over, zoodat het 
molberd 't onderste boven keert en de opgeschepte aarde daar uitstort. 
Men herhaalt die werking totdat alles effen en plat ligt. 'Ne' grond mollen. 
Wij moeten morgen gaan mollen. Het mollen is geen gemakkelijk werk. 

MOLOOQBN, znw., v , mrv. — Kleine, halfgesloten oogen. 
Dieê vent hée' moloogen. 

MOLPLOBG, znw., v. — Bij landb. Soort van ploeg met dubbel 
ploegijzer, dienende om de aarde langs weerskanten in ruggen te ploegen. 

MOLSALAAD, znw., m. — Het loof van de wilde suikerij, 
Fr. pissenlit^ salade de taupe^ Lat, Taraxacum officinaU VVigg. Mol- 
$alaad steken. De molsalaad groeit veel in de weiden. D. B, 




- 830 - 

MOLSHEUVEL, znw., m. — Hoopje aarde door eencn mol 
omhoog gewroet, molshoop, Fr. tanpinee^ taupinicre. De molsheuvels 
breken (uiteenspreiden), 

MOLSTER, MONSTER, /nw., o. — Maalloon, de hoeveelheid 
meel die de mulder neemt tot loon voor zijnen arbeid, bij T., R. en 
Sch. molster^ bij G. maolster en bij D. B. muiter. 

Kil. Molster, molter,/r^//«w tnolarhim : certa farina' poiio quam 
tnolitor mercedis loco sibi sutni, Z, VERD., IV, 1877» 

MOMBAKKES (in 't Z. en W. mo^mbakkjs), znw., o. — NFasker, 
mom, Fr. masqué, (Ook in Limb., Brab. en O. -VI., z. Sch.) Hij moet 
gee(n) mombakkes dragen : hij is leelijk genoeg. 

MOMBER (in 't Z. en W. moemb.fr) in 't Z. ook MOMBOIR, 
znw., m. — Voogd, Fr. tuteur. Hij is momber over die kinderen. Ze 
zou geren trouwen, maar ze mag nie' van heure' momber. 

— V. D. en Kram. heeten dit w. verouderd ! Wij kennen geen 
ander. 

MOMBERES (in 't Z. en \V. moemb?res), in 't Z. ook MOM- 
BOIRES, znw., v. — Voogdes, Fr. tutrice, 

MGMBERSCHAP (in 't Z. en Vf . mo'ëmb^rschap), in 't Z. ook 
MOMBOIRSCHAP, znw., v. — Voogdijschap, Fr. tutelle, 

MOMENT, znw., m. en niel o. — Z. Wrdb. J. 

MON, znw., m. — Verkorting van Edmond. 

MOND, znw., m. — Fr. bouche, 

— Spr. Iemand de pap in de[n) mond gei'en^ hem iets zoo te 
verstaan geven, dat hij gemakkelijk kan antwoorden of raden wat men 
bedoelt. Ik gaf 'em de pap in de' mond en hij kost nog nie' antwoorden. 

— Iemands mond openbreken^ hem dwingen te spreken. Breekt 
mijne' mond nie' open (doe me niet spreken.) 

— Iemand den mond rooven^ onderbreken, in de rede vallen. Ik 
mag gce' woord spreken, of ik wör' de' mond geroofd, 't Is 'en passie 
bij hem van altijd de' mond te rooven. Ik spreek nie' meer, want gij 
rooft mij altijd de' mond. 

— In de(n) mond zyn^ ruchtbaar zijn. 't Is in de' mond dat hij 
zijn huis ga' verkoopen. 't Is al lank in de' mond da' ze gaat trouwen. 

— lerers z^'ne{n) mond nte(t) van opendoen, er niet van spreken. R. 

— Uit df(n) mond leeren, gezeid van talen die men leert door ze 
te hooren spreken. Hij hée' ze' frans(ch) uit de' mond geleerd. 

— Geene{n) mond van spreken hebben ^ niet mogen spreken, geen 
recht van spreken meer hebben. T., R. Mee' al z'n deugenielestreken 
héct em geene' mond van spreken meer. 

— Iet mtt open mond verte/len^ gejaagd zijn om hetgeen men 
verneemt, voorl te vertellen. Vrglk. bakkes. 

— V Is de{n) mond gekrèt^ z. KRETEN. 



- 831 - 

— Lachemie tnondekens zijn bijtende hondekens^ mcnschen die over- 
dreven vriendelijk zijn, zijn niet te betrouwen. 

— Al da{t) ge spaart uit uwen mond, is veur de kat of veur 
den hond^ z, KAT. 

— Bij stecnb. De monden van eenen oven zijn de openingen waar- 
door de vlam stijgt en speelt en de steenen bakt. 

MONDBKEN (klemt, op dé), znw., m. — Persoon van wien 
men spreekt in min of meer ongunstigen zin. Ik belde bij hem aan, 
maar mondéken was niet thuis. 

Z. Sch. en T. i. v. deken. 

MONDEKENSMAAT, znw., v. — Maar nauwelijks eten genoeg 
om te kunnen leven. Wa' willen ze nog 'nen hond houwen ? Ze 
hemmen zelf niks as mondekensmaat. Vrglk. D. B. 

MONDELlNGS;CH),bvw. — Mondeling, Fr. verbal.^^vi monde- 
lingsch exaam. Hij hée* mij dji' mondelings gezced. 

MONDROOVEN, znw., o., MONDROOVERIJ, v. — Het 

in de rede vallen. Z. onder MOND. As grootc menschcn spieken, moeten 
klein kinderen zwijgen, met da* mondrooven ahijd ! 

MONDROOVER, znw., m. — Iemand die een ander ten onpas 
in de rede valt. 

MONDSTEEN, znw., m. — Bij steeiib. Hardgebakken en dik- 
wijls verglaasde steen. 

MONDSVOL, znw., ro. — Mondvol, Fr. bouchée, 

MONICA, znw., v. — Haimonica, accordeon. Hij ga* langst de 
deuren mee' *en monica. 

*MONKEFOOIEN, w., o. — « Aanhoudend pruilen. » 
Sch. kent dat w. toe aan Antw. 

MONKELEN (uitspr. moenk?hn), w., o. — Mcesmuilen, glim- 
la<:hen. D. B. (A.) Toen ik 'em daarover aansprak, monkelden cm *ne* 
keer. Hij monkelde van blijdschap. Ze zat daar te monkelen. 

— Afl. Monkelèèr^ gemonkel. 

MO N KEN (in 't Z. en W. moenk^n), w,, o. — Pi uilen, moefen, 
Fr. bonder. D. H, (Ook in O.-Vl,, Biab. en Limb. z. Sch.) Zij doe* 
nie' as monken, Hoe zit te daar ie monken ? 

— Gep, w, Monken en /ronken^ gedurig pruilen. 

— Wordt gezeid van nevelachtig, overtrokken weder. Het weer 
monkt. 

— Afl. Monken^ gemonk. 

Kil. Monckcn, obnubilare vultum^ induere vultum se^'erum, nubi- 
iare, 

MÖNNEKE',N,MONNEKE(N, znw.. o. — Vrklw. van Mond. 

— Kus, Fr. baiser. Kind, geeft moeder is e mönnekcn, 




- 832 - 

MONSTER, znw,, o. — Z. molster. 

MOOK (scherpe o), znw.. m. — De eerste maag der herkauwers, 
Fr. panse, R., Kl.-Br. (Ook in *t Hag. en Brab., z. Sch.) 

— Kil, Moocke, moock-sack, venier animalium^ ventriculus. 

MOOK (scherpe 0), znw., v, — Hetzelfde als Moot, snede visch. 
'Ne' vis(ch) in mooken snij(d)en. 

MOOK, znw., V. — Dik wijf. (K.) Die Mie is *en rechte mook. 
MOON (zachte 0), znw., v. — Verkorting van Monica. 
MOON£(N, znw,, m, — Naam van den duivel. 

MOONTJEPEK, znw., o. — De duivel, de booze geest. 

— Mestkever, drekkever, Fr, housier, 

MOOR, znw., m. — Neger. Z. Wrdb. 

— Naam dien men geeft aan eenen zwarten hond of een zwart 
peerd. 

MOOR (scherpe 0), znw,, m. — Bolronde of wijdgebuikle koperen 
of ijzeren waterketel, met hengsel en toot, waar men het water voor 
den koffie in kookt, Fr. coquemar, D. B., T., R., Jong. (Ook in Brab. 
en Limb., z. Sch.) 

MOORBEES, znw., v. — Z. moerbees. 

MOORD, znw., v. en niet m. — Fr. meurtre, D. B., T., R,, J, 
(Ook V. in 't Mdnl, z. verd., IV, 1954.) 

MOORE , w., o. — Roeren, wroeten, bij Sch. en Kil. moeren^ 
bij D. B. meuren^ In 't slijk mooren. Hij is in zijn eten aan 't mooren. 

— Drabbig maken Mè* 'ne* stok in 't water mooren. Ook Meuren, 

MOORKENSHAAR, znw., o. — Afgevallen bloeisel der Knde- 
boomen. 

— Donkergekleurde, zeer fijn gesneden tabak. 

— Zwart peerdshaar, waarmede men kussens, enz. opvult, 

MOOS (zachte 0), znw., v. — Achterplaats in de boerenhuizen, 
waar het huis- en eelgerief afgewasschen wordt. (K.) Hflfl. 

— Spr, Zoo *nen heer ^zoo *n madam , enz.) kan ik zweeten op 
*en kou moos, als die heer speelt, dan kan iedereen het doen; hij is 
er de irensch niet naar om zoo schoon gekleed te gaan. 

MOOS (zachte 0), znw., m. — Modder, slijk, Fr. boue (Z. der K), 
bij D. B. moze^ mooze^ Mdnl. moze. Deur de* moos loopen. Oe* kleed 
hangt vol moos. 

Kil. Mose, i. slijck, lutum. 

MOOSBANK, znw., v. — Gemetste bank op de moos, waarop 
men het afgewasschen keukengerief zet. (K.) 

MOOSÈÈRD, znw., o. (uitspr. mosjêêr), — Aarde, slijk uit eenen 
moosput. (K*) 



- 833 - 

MOOSJBMAK, znw.y m. — Joodsche mar^ kramer. (A-) 

MOOSKUIL (uilspr. moikta'i), znw,, m. — Open kuil achter het 
huis, waar bet vuil water in loopt en waar men allerhande afval in 
werpt. (K.) 

MOOSMBIBR, znw., m. — Voerman der karren, die het straatvuil 
opladen. (A.) Die man is vergezeld van het vuilniswijf, dat de vuilnis 
rond de vuiliiishoopcn bijeenkeert. De moosmeier schept de vuilnis in de 
kar, gehol|>en door het vuilnis wijf, 

— Bij Sch. en Kil. bet. het de opperste dergenen die het straat\'uil 
ruimen. 

MOOSPUT (uitspr. mosput), znw., m. — Z. mooskuil. 

MOOSSLIJK (uilspr. mosslifk), znw., o. — Slijk uit een en moos- 
kuil. (K.) 

MOOSWATER (uitspr. moswat?r)^ znw., o. — Water uit eenen 
moosput. (K. ) 

MOOZEN, w., o. — Morsen, plassen, wroeten in nat of vuilnis, 
bij D. B. mooschrn (A.)f elders Mossen, Smossen. Mei *teten moozen. 
In 't slijk moozen. Dieë jongen moost mè* ze* geld. 

MOREL, MARBL (klemt, op <*/), znw., v. — Soort van kleine 
zwarte en zure kriek. De morellen zijn kleiner dan de Noordsche krieken. 
Van mnreilen maakt men gelei. Morellen worden ook op jenever gezet. 

— Sch. zegt : t In Brab. en Antw. verstaan wij door marelUn of 
morellen de zwarte, vleeschachtige en zoete kersen. » Dat is mis, voor 
wat de Kemp. aangaat. De kersen, waarvan Sch. spreekt, hecten aldaar 
vleeschkerzen en verschillen veel van de morellen. Bij V, D, is de morel 
ecne groote bruine kers. 

MÖRF(T, MÖRK (uitspi. m5rr^f\t^ marrok), znw., m. — Vrek, 
gierigaard, (K.) Van zoo 'ne* mörft zulde nie' veul bekomen. *Ne mörft, 
*ne gierige mörk van *ne* vent. 

— Mond, bij Kram. en B. murf. Hij steekt alles in zijne' mörft. 

— Loquela, N' I, '93, hlfz. 6, boekt smurf t en smurcht in den- 
zelfden zin voor Mechelen. 

— Grolpot, knorrige mensch, iemand die zelden tevreden is. (K.) 
'Ne mörf van *ne* vent. 

— Hoofd. Ik weet nie' wat em in zijne' mörA heet. Hij hèe' weer 
iet in zijne' mörft. 

MORQ (uitspr, mdrr^ch),, bvw. — Murw, gaar, genoeg gezoden 
of gebraden. (Ook in Brab. en Limb., z. Sch.) 'Et vleescb is mörg. 'Ne 
morgen appel. Zet de pataten af, ze zijn mörg genoeg. 

MÖRQ, MÖRQT (uitspr. m5rr»ch{t\ znw., m. — Hoofd, kop, 
(A.) Ik \\ eet nie' wat em in z'ne* mörg heet. De ruzie van eergisteren 
zit nog altijd in z'ne' mörgt. 



Iaie:ic0t(. 55 



— 834 - 

MORGEN, Kemp. MERQEN, bw. — Fr. demam, 

— Morgen oj overvtorgetty eerlang. R. Da' zal morgen of over- 
morgen gebeuren. 

— Spr. Morgen is er nog 'nen dag {daar de muizen nog niet 
aangezeten hebben)^ het heeft geen haast om het vandaag nog ie 
verrichten. R. 

— Ja ! worgen brengen / Z. BRENGEN. 

— Kom ik er vandaag niet^ dan kom ik er morgen^ spreuk, toe- 
gepast op oenen tragen, vadsigen mensch. 

MORGBND, Kemp. MBRGBND, znw., m. — Ochtend, Fr. 
matin. Deze' morgcnd. Gisteren mergend. Sch., Hfft. 

— Vandaar morgendeten^ morgendgebed, morgend7verk^ enz. 

— Morgen en morgend verschillen zooveel van elkander als hel 
Fr. demain van matin, 

— Te morgend ^ dezen ochtend, Fr. ce matin, *t Was Ie morgend 
koud. 't Heet te mergend wa* geregend. 

MÖRK, znw., m. — Z. mörft. 

MÖRKELEN, MÖRKEN, w., o. — Pruttelen, knorren, zgne 
ontevredenheid laten blijken. (K.) Hij mörkelt altijd. Gij zit daar gedurig 
te mörken. 

— Loquela heeft daar mutkeUny mutken voor. Die uitspraak heb ik 
nog niet gehoord. 

— Op iet mörken^ inwendig op iels broeien, langzaam en heimelijk 
iets bij zich zei ven bciamen. (A.) Ge moet 'em nie' aanspreken, want 
hq zit weer !e mörken. 

MORREN ci) MÖRZEN, w., o. — Steike krievelingen of trek- 
kingen veroorzaken, sprek. van de pijn, bij R. maren. Mijnen tand 
begint Ic morren. Die wond aan mijn been mör?;t weer. 

MORTEL, znw., m. en niet v. — Mortel. Z. Wrdb. T., R., J" 
(Ook ni. in 'i MdnI., z. verd., IV, 1962,) 

MÖRTELGIETER, znw., m. — Bij plafonneerders. Die den 
mortel bereidt om de muren te bezetten, bij D. B. moortelgieter, 

MORTELMAKER, znw., m. — Bij metsers. Die den mortel 
maakt om te melsen, bij D, B, moortelmaker. 

MÖRVEN, W., o. — Z. MÖRKEN. 

MORZEL, znw.. m. — Fr. miette. Z. Wrdb. — Geen morzel^ niets. 
Gij krijgt geene' morzel. Ik heS gee' morzel honger. 

MÖRZEN, W., o. — Z. MORREN. 

MOS, znw., o. en m. — Fr, mousse. Ook m. bij T. en R. 

• MOSBIB, znw., v. — « Horzel, hommel, groote wesp die in *t mos 
nestelt, Fr. frélon, » Sch. geeft hel w. voor Brab. en Antiv, 

— Dal is blijkbaar eene vergissing, want de horzel, Fr. frêlon^ 
nestelt in 't mos niet. Hier zal waarschijnlijk de Rosse hommel bedoeld 
worden, te Antw. en in do Kemp. Moshommel genaamd. 



- 835 - 

MOSHOMMEL (in 't Z. en W. moihoemmU), znw., v. — Ros- 
achtige hommel, die haar nest in het mos maakt. De moshommels 
verschillen van de grondhommels, die witachtig zijn. Z. grondhommel. 

MOSSEL, znw., v. — Fr. monie, 

— Spr. Ge moet geen mosseïen roepen (oi kraaien) eerdat ze aan 
de kaai (of aan kont) »ijn^ men moet de huid van den beer niet verkoopen, 
voordat hij geschoten is. 

— Men roept zoolang mosselen totdat ze aan de kaai z^'n, men 
spreekt zoolang van eene zaak, totdat ze eindelijk gebeurt. 

— Fig. Dik vrouwmensch. *£n dikke mossel van e wijf. 

— Oor veeg, lap. Iemand 'en mossel geven. Hij kreeg daar ecnige 
mosselen om zijn ooren. 

MOSSEL, znw., v, — Fluim, rochel. Mossels uitworpen. Pas op, 
daar leet 'en mossel. 

Kil. Mosschel, crassior oris pituita : finguis^ densa ac crassa saliva, 

MOSSELBAK, znw., m. — Hand wagen, waarmede de mossel- 
verkoopsters hunne waar rond vemen. 

MOSSELBOER, znw., m. — Mosselman, een man die met 
mosselen leurt. (K.) 

MOSSELEN, w., o. — Freq. van Mossen, in eenige vloeistof 
plassen, met de handen plonsen. Klein meiskens doen nie* liever as in 
't water mosselen. Zij wascht en zij mosselt den heelen dag. 

— Afl. Mosselêêr^ ge mossel, 

MOSSELHENGST, znw., m. — Mosselschuit. (A. en elders 
langs den waterkant.) 

^MOSSELKENS, znw., o., mrv. ~ « SafTraanblocm, krokuèbloem, 
Fr. crocHs. ^ Sch. geeft dat w, voor Antw. 

MOSSEN, w., o. — Hetzelfde als Mosselen, plassen, plonsen, 
morsen. In 't water mossen. Mè' zijn eten mossen. 

— Afl. Mosser, gemos, 

MOST. Tweede hoofdvorm van Moeten. (N. der K.) 

MOSTAARD, znw., m. — Fr. moutarde. 

— Spr, Weten waar Bert zifne(n) mostaard haalt ^ z. BERT. 

MOT, Kemp. ook MOTS, znw., v. — Oorveeg, lap, slag. Sch. 
Hij kreeg daar 'en mot om zijn ooren. As ge nie' en zwijgt, dan geef 
ek oe 'en mots. Gij zult wel wa' motten krijgen. 

MOT, znw., V. — Aardhoopje, aard heuveltje, waarop bloemen 
gezaaid of geplant worden, Fr. motte, 

MOT, znw.. V. — Vuil, sloidig vrouwnienscli, bij Hffl. modde^ 
moddekcn. 'En vuil mof. 'Jin mot van e uiciskcn. Z. ook MOI). 

Ook Klainot en Klamos. 




- 836 - 

MOT, bvw. — Gebroken, geschonden, spiek, van stroo. Hel stroo 
is mot. Mot siroo. 

— Znw., o. üobioken, geschonden stroo. Schud *et mot er uit, en 
maakt er motlmssclen van. Ook Mok. 

MOT, znw., V. — /<►/ of iemand in de mot hebben {kri/gen), ia 
*t gezicht, in 't oog hebben, raden waar iemand heen wil, zijn doel 
of inzicht doorgronden, Sch., Hfft. Hij zocht mij te foppen, den bedrieger, 
maar 'k had 'em gauw in de mot. Gaat daar weg, want as de meester 
oe in de mot krijgt, dan wördde gestraft. Ik had 'et lijk in de mot, 
dat hij oe zocht mee te lokken. As den boer 'et in de mot krijgt, da' 
zijne knecht met de meid verkeert, dan jaagt hij 'em weg. 

MOT, bw. — Mot {af) zyn^ bij 't spel alles verloren hebben. 

MOTBERD. znw., o. — Z. slagbank. 

MOTBUSSEL, znw., v. — Bussel kort, gebroken stroo. (K.) 
Ook Krombussel en Brokbussel. 

MOTHOOP, znw., m. — Hoop kleeren, vodden, papieren, enz., 
die ordeloos op elkander liggen. (K.) 

MOTS, znw., V. — Z. mot. i). 

MOTSEN, W., o. — Z. MOTTEN 20. 

MOTSKOP, znw., m. — Vrouw met omgekamde haren. (K.) 
Wa* nc motskop is die Mie ! 

MOTTEN, w., o. — Moeten. (N. der K.) Wa' mottegij hebben ? 
Waar mot-i naartoe? Ge zult motten loopen, om er nog in tijds te zijn. 

MOTTEN, Kemp. ook MOTSEN, w., o. — Motten geven, 
slaan. Zij pakten den deugeniet vast en ze motten er is goed over. 

MOTTIG, bvw. — Vuil, onzindelijk, walgelijk, Fr. sale^ mal- 
propre^ Hgd. schmutzig. Dat is daar e mottig huishouwen. Hij zag 
er zoo mottig uit. Mottig gekleed zijn. Vuil en mottig. 

— Men zegt van het weder dat het mottig is, wanneer het aan- 
houdend motregent. E mottig weer. 

— Onpasselijk, ongesteUi, geneigd om over te geven. Enkel als 
gezegde gebezigd. (Ook in Brab., z. Sch.) Ik wier' zoo mottig. Sommige 
men''(ch)en wonen mottig van vet eten. Dieën reuk zou iemand mottig 
maken. 

MOTTIGAARD, znw., m. — Morsige, onzindelijke persoon. T. 

MOTTIGHEID, znw,, v. — Walgelijke onreinheid, verregaande 
onzindelijkheid. 

— Onpasselijkheid, braaklust. (Ook in Brab. en 't Hag., z. Sch.) 

MOTTING, znw., v. — Pak slagen, Fr. raclée. Iemand 'en motting 
geven. 'Kn motting krijgen. 



-037 - 

MOUT, zuw , V. — Mijt of stapel mutsaard, stroo, enz. (Z.-O. der K.) 

MOUTPUT, znw,, m. — Bij brouwers. Groote wijde bak, waar- 
in men de gerat te weeken legt om ze dan op den moutvloer te brengen. 

MOUTRIEK, znw., m. — Bij brouwers. Soort van groote schup, 
die de gedaante lieeft van eenen rooster, en dient om het mout te roeren 
in de brouwkuip, Fr. fourquet^ 

MOUTVLOER, znw., m. — Bij brouwers. Een ondiepe kelder, 
waarin op deu gioud de natte gerst die uit den moutput komt, gelegd 
wordt om te kiemen, Fr. germoir, 

MOUW, znw., V. — Fr. manche. D. B. 

— Spr. Iemand de mouw vègen^ hem vleien, flikflooien, Fr, Jlafier, 
flagorner, D. B. 

— Het achter de mouw hebben^ valsch en dubbelzinnig zgn, niet 
te betrouwen zijn. 

— Iemand iet op de mouw speten^ hetzelfde als het HoU, Iemand 
iets op de mouw spelden, hem leugens wijsmaken. 

— Iemand blauw* blo'êmekens op de mouw speten^ z. BLAUW. 

— Het in zyn mouw zitten hebben^ den schijnheilige spelen. 

— Da{t) tal ik in mijn mouw steken^ zegt men dreigender wijze 
voor Ik zal het onthouden, gij zult het bekoopen. T. 

MOUWVEGER, znw., m. — Pluimstrijker, flikflooier, vleier. 

MOZBGAT, znw., o. — Kleine opening onder in den muur van 
waschhuizen, kameis, enz., langs waar het vuil water afloopt. (Ook in 
Brab, en Kl.-Br., z. Sch.) 

MOZEOOOT, znw., v. — Goot langs waar het water, dat uit 
den huize door het mozegat loopt, naar den mooskuil vloeit. 

*MOZEL, znw., m. — « Stofregen, motregen, % 

^MOZELEN, w., o. — « Stofregenen, motregenen. % 

Sch. geeft beide w, voor Limb. en de {Antwerpsche f) Kemp. 

MOZEN, w., o, -- Roeren en wroeten in iets dat vuil en nat 
is. In 't slijk mozen. 

MOZESTEEN, znw., m. — Steen op de moos, waar men het 
keukengerief op afwascht. 

MUOIOHEID, znw., v, — Vermoeidheid. Ik ben aan *t end 
van mugigheid. 

MUOQENBLUSS(CH)ERS, znw., m., mrv. — Spotnaam der 
Tomhouters. 

MOULUURSCHAAP, znw., v. — Bij schrijnw. Schaaf om 
mouluren, versieringen te schaven. 



- 838 - 

MUIK, zuw., V. — De plaats waar fruit te muiken ligt. Z. muikek. 

— Zekere hoeveelheid fruit, bestemd om gemuikt te worden. 'En 
muik appelen. Ik heb *en goei muik peren gekregen. 

MUIKEN, w., o., met zyn. — Hetzelfde als het Holl. Meuken, 
fruit wegleggen en bewaren, opdat het malsch zou worden. Sch., T., 
R. Ge moet die appelen laten muiken. Die peren zijn genoeg gemuikt. 

Kil. Muycken, i. mouteren, mollire, emollire^ nutigare, 

MUILBAND, znw., m. — Bij mulders. Een ijzeren band, die 
tegen den kop der molenas rond de borst en het roeieinde ingekeept 
ligt en met vijzen toegehaald woidt om ze vast aan elkander te klemmen. 
Vermits er vier roeieinden zijn, zoo zijn er ook vier muilbanden. D. B. 

— Bij wagenmakers. IJzeren band, rond of hoekig, dienende om 
twee of meer stukken krachtig aaneen te prangen en aaneen geprangd 
te houden met moeren en vijzen. 

MUILKORF, znw., m. — Wissen mandje of korfje, dat men 
de hoornbeesten voorbindt, opdat ze, na het kalven of lammen, de 
nageboorte niet zouden opeten. 

MUILPLAAG, znw,, v. — Ontsteking van het slijmvlies des 
muils bij hoornbeesten, Fr. stoma tite aphtetisc, D. B. 

MUIS, znw., V. — Fr. soun's, 

— Verg. Zoo siil oh 'en muis^ zoo stil da{t) ge e muisken kunt 
hooren loopen^ zeer slil. Zijn eigen stil hou{d)en gelijk *en muis in V mêèl, 

— Gei'angen ztjn gelijk *en muis in de val, langs alle kanten 
ingesloten zijn. 

— Spr. Als de kat van huis />, dansen de muizen op tafel ^ z. KAT. 

— De muizen liggen er dood in de schapraai^ er is daar groote 
armoede, men lijdt er honger. 

— Met iemand sfelen gelijk de kat met de mitis^ iemand wille- 
keurig behandelen. T , Kl.-Br. 

— Bij plafonncerders. Klontje haar dat, in den mortel geroerd, 
niet opengegaan is. D. B. 

— Vrouwelijke schamelhcid. 

MUISOOGEN, znw., v., mrv. — Kleine, hiif geloken oogcn. 
Zij hec* muisoogen. 

MUIZEKOST, znw., m. — Eten zonder drinken. T., KI.-Br. 
Brengt wa' bier bij mijnen boterham, want zoo 'ne* muizekost kan ek 
deur mijn kèèl nie' krijgen. 

MUIZELINO, znw., m. — Hoos die men aan een zwerenden 
duim doet. (Lier.) 

MUIZEN, w., o. — Muizen vangen. Z. Wrdb. 

— Spr. Als de kat veur heur eigen muist^ dan muist ze nauw^ 
men beherligl zorgvuldig zijne eigen belangen. 

— Er uit muizen^ er van deur muizen^ er stillekens van door 
trekken. Den dief maakte gebruik van 'nen oogenblik dat hij nie* bewaakt 
wiei' en hij muisde der stillekens van deur. 



— 839 — 

MUI2BNESTEN, znw., m., mrv. — Muizenisseo, ijdele bekom- 
mernisscn, gcwctenstwijfel, beuzelachtige denkbeelden die onzen geest 
bezighouden. D, B. Ge moet die muizenesten uit uw hoofd doen. Hij 
hée' zijne' kop vol muizenesten. 

MUIZEN TRAP, znw., m. — Twee strookjes papier, heen en 
weer op elkander gevouwen, zoodat deze den vorm van een trapken 
hebben, noemen de kinderen te Antw, eenen muizentrap. 

MUL, znw.. o., zonder mrv. — Schecpslerm. [ïetgcnc dient om 
te muilen. Z. mullen. 

MUL, MULLIB, znw., v. — Z. moelie. 

MULLEN, w., b. — Z. afmullen. 

MULLBN, w., b. en o. — Scheepsterm. Een klein gat stoppen 
in den kiel, de zijde, enz. van een vaartuig. Het muilen gebeurt als 
volgt : Wanneer men een klein gat of lek aan een vaartuig gevonden 
heeft, neemt men eene niand gevuld met hooizaad; men houdt de mand 
tegen de gevonden opening en daar deze immer zuigt, dringt het mul, 
d. i. het hooizaad, in de opening en wel zoodanig dat deze spoedig gevuld 
en gestopt is. 

MULT, znw., v. — Baklrog, Fr. p/trïn^ Mdnl. moud^y mout^ 
malde^ molde,, molt^ Mhd. muldf^ Hgd. mulde. Ook Moelie, Moei, 
Mul, Mullie. 

MULT HEULEN. Soort van knikkerspel. De kinderen trekken 
eene meet op den grond en maken op eenigen afstand van daar een 
kuiltje of pulje en daarachter een groefje. Daarna rollen zij, elk op beurt, 
van de meet met knikkers of marbels naar hel putje. De knikkers, 
die in het groefje tollen, blijven er in en zijn voor dengenc die zijnen 
knikker in het puije rolt. (St-Anlonius.) 

MULTEN, znw., v., mrv. — J/f(/) multen, in groote hoeveel- 
heid, in menigte. (K.) De appelen zijn er dees jaar mè* multen. De 
paling zit daar op dicë* vijver mè* multen. 

MUNNEKEt N, znw., o.— Kusje, in de kindertaal. (A.)Z. mönne- 
KEN. Toe, transke, geef tantepeeljen e munneke. Nu hoort men dit 
w. nog uiterst zelden, en dan nog meestal van bejaarde menseben. 

MUNT, znw., m. en niet v. — Fr. menthe, 

MUNTBOL, MUNTENBOL, znw.,m. — Babbelaar, bolleken 
van suiker en munt. £ paksken muntboilen. 

MUNTIG, bvw. — Niet bc\Tucht, niet drachtig, sprek. van koeien 
en geilen. HfTt. (Ook in Brab., O.- VI. en 't Hag., z. Sch.) 'En muntige 
koei. Ik heb twee volle koeien en één muntige. 'En geil muntig hou(d)en. 

Kil. Muntighe koe, vacca lactan'a a tauro non im'ta. Bij D. B. 
bet. munte ccne koe die reeds gekalfd heeft, maar die niet meer aan- 
veerden wil, onvruchtbaar geworden koe die geene melk meer geeft. 



i 



— 840 - 

MUS, znw., m, — Verkorting van Guielmus, Fr. GuiUianme, 

MUS.CH), znw., v. — Fr. moineau. Zoo zot as *cn musch. 

— Spr. Iemand blif maken met *en doó mus(ch), iemand zonder 
reden blij maken. 

— Fig. Boek van weinig weerde. (A.) Hij hee* veul boeken, maar 
't zijn veul muss(ch)en. 

MUSKUS, znw., m. en niet v. — Fr. musc. 

— P.ene plant, in de wetenschap Mimulus moschatus Dougl. geheeten. 

MUSQUBTAIRE, znw., m. — Zoo noemde men eertijds eenea 
vilten bolhoed. (K.) 

— Te Antw, gaf men dien naam aan een vilten hoed met breedc 
randen, zooals de muskettiers er eenen droegen. 

MUSS(CH;BBEKK£N, znw., m., mrv. — Soort van kleine, 
kromgetopte erwten. De muss(ch)ebekken zijn kleinder as de krombekken. 

— Zeer kleine koitnaren. T. Me* koren sta' nogal schoon, maar 
daar zijn nogal veul mus.s(cli)ebckken in. 

— Soort van kleine nagels zonder kop. (Lier.^ Z. GRUISKENS. 

MUSS(CH)BGRI£L, znw., m., zonder mrv. — Musschenhagel, 
klein zaad om musschen te schieten, Fr. eendree^ menutse^ menuisailU, 
bij D. B, musschekriel, 

MUSS^CH)EGULD, znw., v. — Eene gilde, die St-Huibrecht 
voor patroon heeft en waarvan de leden maandelijks een zeker getal 
musschenkoppen en mollepoolea moeten inleveren. (K.) 

MUSS(CH)BPOT, znw., m. — Soort van steenen pot, dien men 
aan eenen muur of in eenen boom hangt, opdat de musschen er zouden 
komen in wonen. 

MUSTERD, znw., m. — Mutsaard, Vi. fagot. (K.) Daarnevens 
mutserd en mutsaard, 

MUT, znw., V. — Z. MOëT. 

MUTJE(N, znw., o. — Z. MOëTfE(N. 

MUTS, znw., V. — Hoofddeksel voor vrouwen, Fr. bonnet, 

— Spr. Zijn goei of zijn slechte kwaai muis ophebben^ goed of 
slecht gezind zijn, Z^'n zotte muts ophebben^ eene vroolijke bui hebben. 

— Zi/n muts staat verkeerd^ hij is kwalijk geluimd. 

— De tweede maag bij herkauwers, Fr. bonnet^ bij Weil. huif, 
D. B. 

— Tó'rks(ch)e muts, z. TöRKS(CH), 

MUUO, bvw. — Moede, vermoeid, Fr. ias, fatig^ic'. Ik ben 
zoo muug. Muge beenen hebben. Muug gegaan zijn. 

— Verg. Zoo muug als 'nen hond, zeer vermoeid. 

— Beu. Iemand zoo muug zijn as koü pap. 

— Schertsend voor Dronken. Waardegij ziek gisteren avend ? Nee, 
ik was 'en bitje muug. 



— 841 - 

MUUGTE, znw.y v. — Vermoeidheid. Ik kost nie' meegaan van 
muugte. De muugte zit in mijn becnen. 

MUUR, znw., m, en niet v. — Fr. mouron, J. 

MUUR, znw., m. — Fr. mur^ muratlle, Z. Wrdb. 

— Spr. Dat kunde aan de muren tasten, men kan gemakkelijk 
voelen dat het niet waar is. 

— Veitr de muren spreken, spreken zonder toehoorders of te 
midden van de a]gemeeuc onoplettendheid. 

MUURAOB, znw., v. — Muurwerk. T., R. En huis mee' *en 
sterke muurage. Die muurages moeten afgebroken wörren. 

MUURBRBKBR, znw., m. — Woelige jongen, knaap die niet 
stil kan zitten. 

MUURPLAAT, znw., v. ^ Bij timmerl. Houten balk die heel 
en gansch boven op eenen muur ligt en waarop de gebinten van het 
dak rusten, Fr. plate^forme, sablière, D. B, 

MUUR2EIKBR, znw., m. — Mier, Fr, /ourmï {A.), in de 
Kemp. Moerzeik, v. 

MUZIEK, znw., o. en niet v. — Fr. musique. D. B., T., R„ J., M, 

MUZIEKMIS, znw., v. — Eene mis, die in geen Gregoriaansch 
miuiek getoonzet is. 



IV. 



N-N, H-N {n als zuiveren neusklank uitgespr.), tw. — Ja, « oe 
luie ja tf zooals men zegt. 

-* De enkele neusklank is ook navragend voor Wat zeidet gy ? 

NA, NAAR, bvw., nacUr^ naast. — Fr. proche, 

— Het naaste bij\ het dichtst bij. Ga maar naar de winkel, dieën 
het naaste bij is. 

— Na {naar) familie^ bloedverwantschap in de eerste graden. T., R. 

— De deur na(ar) doen^ 7ia(ar) stooten^ na{ar) trekken^ half toe- 
doen, — stoolen, — trekken. 

— *t Spr. 't Hemdeken is nader als de rok^ z. HEMD. 

— Het naaste gelijk van^ de weergade. Oe' kleed is 'et naaste 
geiyk van 't geen dat ik gekocht heb. 

— Beter 'ne naê gebuur als *ne wij{d)e vrind. T., R. 

NA, vz. — Wordt in een gedeelte der Kemp., vooral in 't Z. 
en 't Z,-0. altijd gebruikt voor naar, Fr. a, en^ vers, enz. Ik gaan 
na huis. Hij is na Antwerpen. Zij ging na de kerk, 

— Vz. van tijd, Fr. après. Dat w. is Ie Antwerpen en in 't N. 
der provincie volstrekt onbekend ; altijd zegt men er naar. In 't Z. der 
Kemp, en elders hoort men wel na, maar insgelijks in de beteekcnisscn, 
waar de schrijftaal naar bezigt, 't Is daar trouwens een gewoon ver- 
schijnsel dat de r aan het einde van veel eenlettergrepige woorden wegvalt. 
Zoo hoort men in die streken da, hic^ ina^ wa, enz, voor daar^ hier, 
maar, waar. 

NA (zuivere d), bw. — Nu, Fr. maintenant. Ik zal dat na doen. 
Gaat er na naartoe. 

Elders Nau, Nè en Nou. 

NAAD, NAAT, znw,, m,, vrklw. naaike{n; mrv. naaien en naten, 
Z. Wrdb. 

— Het naaien, de naaistiel, Fr, la couture, D. B., Sch., T. Die 
vrouw hèe' veul naad (veel te naaien). E meisken op den naad doen. 
Den naad leeren. 

— Naaiwerk. Ik heb nog veul naad liggen. Is uwe naad al af? 

— Spr. Zie een spreekw. op draad. 

NAADZBTTER, znw*, m. — Bij schoenmakers. Een werktuig 
met eene groef in, dat men eertijds over den Utiad deed glijden, om dezen 
recht te krijgen. Nudat de schoenen met de machine genaaid worden, 
wordt dit werktuig weinig of niet meer gebruikt. 



- 843 - 

NAAIEN, w., b. en o. — Z. Wrdb. 

— Bij 't gemeen vooi f utue re, coir e. {OoV in 't MdnU, z. VERD., 
IV, 2087.) 

NAAI£(R)S(B, znw., v. — Naaister, Fr. couturtère, (Z. der K) 
(Ook in Brab., z. Sch.) 

NAAISTIBL, znw., m. — Het naaien. De' naaistiel leeren. Ze 
gaat op de' naaistiel. 

NAAKS, bvw. — Z. moiernaaks. 

NAAKTE MADAMMEN of NAAKTE BEGIJNEN, znw., 
V., mrv. — Eene hofbloem, in de wetemchap Colchicum autumnaUy 
Fr, colchique d'auiomne^ cnl^tout'nti, ttu-chien. 

NAALD (uitspr. ndóld^ nöldy nald^ "^'fl, znw., v. — Fr, aiguilUt 

— Spr. Iel vertellen van 't naaldeken tot *t draaiken^ iets in 
't wijd en 't breed uitcendoen met al zijne omstandigheden. R. (Ook 
in Brab. en 't Hag., z. Sch.) 

— Hij heeft veur elk naaldeken *en draaiken, hij weet op elke 
opwerping een antwoord. 

— Door de oog van 'en naald gekropen zijn, aan een groot gevaar 
ontsnapt zijn. R. (Ook in Brab. en VI., z. Sch.) 

— De naald in *i spek (of in '/ dak) steken, er uitscheiden met 
werken, aan de dagtaak een einde maken ; met zijn bedrijf uitscheiden 
en op zijne renten gaan leven. (K.) Dr., M. 

— Bij mulders. Een stuk hout dat rechtstaat in 't midden van 't storm- 
eind, en dient tot steun. 

NAAM. Tweede hoofdvorm van Nemen. (N. en N.-O. der K.) 

NAAM, znw., m. — Fr. nom. 

— Bij geworpen naam, toegeworpen naam^ toenaam , spotnaam, 
Fr. sobriquet^ surnom. Ze zeggen tegen hem Jan Kolossnal, maar dat 
is 'nen byge worpen naam. Heet zy Lauwers ? Nee' ze heet Smolders : 
Lauwers is 'nen toegeworpen naam. 

— Spr. Het kind moet toch *nen naam hebben, z. KIND. 

— Den naam nie{t) willen hebben dat,,, niet willen bekennen. R. 

— 't Is beter den naam als de daad, 

— Die den naam hee{fi) van vruugop te staan, mag lang slapen, 
die een goeden naam heefc, mag al eens iets misdoen, Fr. a beau se 
lever tard, qui a bruit de se lever matin. 

•— Z^'nen naam zetten, z. zetten. 

— Iemand kennen met naam en toenaam, zeer goed. 

— '/ Heeft geenen naam, zegt men van iets, dat men overdreven, 
belachelijk of schandelijk vindt. Da' 'nc mens(ch) 's 2k)ndags al is e 
pintjen drinkt, da' 's tot daar toe, maar zoo alle dagen zat loopen gelijk 
gij doet, dat hee' geene' naam ! 't Hee' geene' naam, gelijk die modepop 
heur in de week opkleedt ! Wat dunkt oe van zoo' ne' zeun, dieé z'n 
eigen vader derft afslagen ?.,. 't Hee* geene' naam ! 




- 844 - 

NAAM-DES-VADERS, znw., m. — Voorhoofd. Hij kreeg 'ne* 
slag op zijnen naam-des- vaders, dat hij allemaal suizebolde. 

NAAR, znw., m. — Verkorting van Bernard en van Leonard. 

NAAR, vz. en bw. — Wordt in 'l N. en W. der provincie, en 
!e Antw. altijd gehoord voor «a, Fr. après^ prés. Gij zij* naar mij binnen- 
gekomen. Hij komt altijd naar de uur. Hij heet al zijn pèèrden verkocht, 
op één nuar. Z. NA. 

— Naar ztjn^ ergens naargegaan zijn. (Z. NAARGAAN). D. B. Ik heb 
bij mijne' vriend is naar geweest. 

NAAROAAN, w., o., met zyn. — Hetzelfde als het Holl. Aangaan, 
aanloopen, ergens even binnengaan, op zijnen weg voor eene wijl een 
huis binnentreden, *t zij om er iets te gebruiken, om er wat te rusten, 
enz. D, B., Sch., R., Kl.-Br. Wacht 'nen oogenblik, ik moet hier is 
naargaan. Hij ging in alle herbergen naar. Wij zullen in c De Kroon » 
is naargaan. 

NAAROANK, znw., m. — Te naargank komene juist van pas 
aankomen dat iets begint of geschiedt, er toevallig, zonder inzicht, bij 
komen D. B. (K.) Den burgemeester kwam zjust te naargank, as ze 
volop aan 't vechten waren. Gelukkig dat er iemand te naargank kwam die 
'et vuur in de' stal zag, anders was alles afgebrand, 

— V. D, vermeldt die uitdr. als veroud. en gewest* 

NAARKOMEN, w., o,, met zifn. — In 't voorbijgaan vooreene 
korte wijl ergens binnenkomen. D. B., Sch., R. As ge hier in 't dorp 
komt, dan moette naarkomen. Hij komt bij ons altijd naar, as em hier 
veurbijgaat. 

NAARRAAT, vz. — Naar gelang, in verhouding, in evenredig- 
heid, Fr. d Vavenant. T., R., bij M, noa geroaden. Hij is wel groot, 
maar naarraat zoo sterk niet. Ge zuU beloond wörren naariaat da' ge 
't zult verdiend hebben. Mijne jongen doe' goe' zijn best, en tcch leert 
hij naarraat niet. 

NAARRIJiD;EN, w.. o., met zijn, — In 't voorbijrijden ergens 
binnengaan om er een weinig te vertoeven. Ik ben in dat durp maar 
in één herberg naargere(d)en. As i ergerans naartoe rijdt, din rqdt 
i overal naar en komt dan stomzat thuis. 

NAARROEPEN, w., b. — • Een voorbijgaanden persoon verzoeken 
eens binnen te komen. D. B. As ge Jan zie' veurbijgaan, roept 'em 
dan is naar: ik moet 'em is efkens spreken. 

MAARWENKEN, w,, b. — Op een voorbijgaanden persoon 
wenken, opdat hij zou binnenkomen. Ik wier' bij den börgemeester 
naargewenkt. 

NAAT, znw., m. — Verkorting van Donatus. 

NAAT, znw., m. — Z. naad. 



- 845 - 

NABICHT, NAARBICHT, znw., v. — Een kort formulier dat 
men na de belijdenis opzegt om vergiffenis te vragen over zijne zonden. 
D. B., R. Vrglk. veurbicht. 

NABOBTSBN, NAARBOBTSEN, w., b. — Nabootsen. D. B- 
Dieën aap boëtst alles na. 

NACHTBROAAL en ACHTBROAAL, znw., m. — Nachtegaal, 
Fr. rosst^noiy Deen. nattergal, Zw. naekiergal. 

NACHTKOT, znw., o. — Kroeg, herberg, waar men 's nachts 
openhoudt. R. Die heiberg is e nachtkot. 

NACHTLICHTJE(N, znw., o. — Fig. Iemand met een mager 
en bleek gezicht. 

NACHTMAAR, znw.,v. — Nachtmerrie, Fr. cauchemar, Z. maar. 

NACHTUIL, znw., m. — Fig. Iemand die 's nachts laiat uitblijft. 

NACHTVLINDBR, znw., m. — Fig. Lichtekooi, die *s avonds 
langs de straten loopt. (A) Langs de < boulevards » komdc 's avonds 
dikkes nachtvlinders tegen. 

NACOMMUNIB, znw., v. — Tweede communie. De communie 
die de communicanten van 'i vorig jaar met de eerste-communicanten doen. 

NADATUM, NAARDATÜM (klemt, op da\, bw. — Nadien, 
naderhand, later. Ik zal da' nadatum wel is doen. Hij zal korts nadatum 
hier zijn. '£d bitje naardatum kwam ze af. 

NADEN, znw., m. — Ignatius. (A.) 

NADEREN, w., onp., met zijn, — Helpen, baten, in vragende 
en loochenende wendingen. Werkt oe eigen dood, 't is niks genaderd. 
Wat is 't genaderd da* ge'm geld geeft, hij drinkt ommers toch alles op ? 

NADIEN, NAARDIEN, bw. — Daarna, naderhand. D. B., Sch. 
Hij zal 'et nadien wel welen. Dat is lank naardien gebeurd. 

NAGEL, znw., m. — Fr. clou. 

— Geenen nagel^ niets. Hg bezit geenen nagel. 

— Spr. Den nagel op dc{ti) kop slagen ^ iets juist treffen, b. v. 
in het beantwoorden eener vraag, in 't voorstellen van een denkbeeld, 
in 't weerleggen van eene opwerping, in 't beoordeelen van eenen toestand, 
enz. D. B. 

— Nagels me{t) koppen slagen, doorslaande bewijzen leveren. 

— Geenen nagel hebben om zij{n) gat te krabben, zeer arm zijn. 

— *Nen nagel in de kerk hebben, eene bediening hebben in de 
kerk. R. 

— Hebt ge 'nen nagel, hij weet e gat, wordt gezeid van iemand 
die voor alles raad weet of iedere opwerping op gepaste wijze weet 
te wederleggen. 

NAGELBANDJE, znw., o. — Lijnwaden band die op den navel, 
lond het lijf van een klein kind wordt gespeld. 




- 846 - 

NAGELBOOR, znw., v. — Spijkerboor, Fr. vilehrequin. 
NAGELBUIK, znw., m. — Navel, Fr. nombril. 

NAGELIJZER, znw., o. — Bij smedeo. Stuk ijzer met ronde 
en vierkante jiaicn, waarin men ile pinnen der nagels steekt om er 
eenen kop aan te slaan, Fr. ciouvière, 

NAGELPIJN, znw., v. — Z. nagelrand. (A) 

NAGELPOEIER, NAGELPOIER, znw., o. — Gemalen kruid- 
nagels. 

NAGELRAND, znw., m., zonder mrv. — Verzwering aan de 
nagels der vingeren, soort van lichte vijt, D. B., bij T, enR. nagelrang, 

NAGEVEN, NAARQEVEN, w., b. — Iemand iet nageven, 
hem van iels verdenken, hem bekwaam achten tot iets (in loochende 
wendingen). K. (Ook in Brab., z. Sch.), te Antw. ook Aangeven. 
Is dieö jongen zoo 'ne groote geleeide ? Ge zou' *et 'em nie* nageven 
as ge'm ziet, Fr. d Ie voir on ne dirait pas qii*ih,, 

NAIL, znw., v. — Naald, Fr. aiguille^ Zw. «a/, JJsl. nah 
(Z.-O. der K.) 

NAKERMIS, NAARKERMIS, znw., v. — De Zondag na de 
kermis. 

NAKWÈKEN, NAARKWÈKEN, w.. b. - Op kwakenden 
toon iemands woorden herhalen. Ditë jongen kwèèkt mij altijd na. 

NALETTEN, NAARLETTEN, w.. b. — Met deoogen volgen, 
nazien, nas] ieden. T., R., KI.- Br. Let is na, waar dieë kerel blijft. Hij 
bleef mij naarlettcn op de straat, totdat ik aan den omdraai gckomco 
was. De apostelen letten Jezus na, toen hij ten hemel klom. 

NAMEN. Op den buiten worden de lieden, in 't algemeen, zelden 
bij hunnen familienaam genoemd. Een der gebruikelijkste wijzen bestaat 
in het noemen van den voornaam, waarbij dan ter verduidelijking de 
voornaam gevoegd wordt van den vader of de moeder, ook wel v.in 
den man of de vrouw, of den meester van den betrokken persoon, steeds 
in verbogen vorm. Eenige voorbeelden : Net van Dre'è'n (Andreas), Jef 
van Pieten t Sus van Net ten ^ Door van Kezen, Fien van Ti/zen^ Mie 
van Maruzen^ Lits van JaantjeSy Mie van Pietjes ^ Jan van Trientjes^ 
Frans van JtUlekes^ Stans van Lienekes^ Peer van Mertekes, Mie van 
RikskeSf Giist van Tistjes^ Mie van Jan van Pieten, Jef van fan van 
Pietjes, Jef van Lo van Tijskes, enz. 

Die wijze van personen te noemen bestaat ook in N.-Holl. Z. BOEKEN- 
OOGEN, bl. CVI. 

NAMElN, znw., m. — Naam, doch enkel in de uitdr. in God- 
s{ch)en nafne{nf in Godsnaam. 

NAMETEN, NAARMETEN, w., b. — Z. Wrdb. 
— Spr, //q is aan *t name ten wat hij gedronken heeft, hij is 
aan 't overgeven (van eeneo dronkaard). 



- 847 - 

NAMP. Tweede hoofdvorm van Nemen. Hflft. 

NANT en NANTE, znw., m. — Verkorting van Ferdinand. 

NAPOÊTSEN, NAARPOÊTSEN, w., b. — Nabootsen, na- 
doen, Fr. />«/7^r. D. B., T., R., KI. -Br. Apen poetsen alles na. Iemands 
manieren naarpoëtsen. Ook Naboetsen. 

Napoleon, znw., m. — Goudstuk van 20 frank. 

NAPOLEONNEN, w., o. — Soort van kaartspel. 

NAR, NARDUS, znw., m. — Bernard. 

NAS, znw., m. — Verkorting v^n Alhauasius. 

NASCHEUT, NAARSCHEUT, znw., m. — Bij 't knikkerspel. 
De laatste scheut dien men doen mag, nadat men al de knikkers uit 
de o geschoten heeft. Die den laatsten knikker uitgeschoten heeft, wint 
het spel en mng den nascheut doen naar die welke er met hem nog 
aanbleven : raakt hij iemands marbol, die jongen moet het zaad afgeven 
dat hij uit de o schoot, en 't spel is uit. 

NASI E, znw., m. — Donatus, Fr. Donat, (K.) 

NASNABBEN, NAARSNABBEN, NASNABBEREN, 
NASNEBBEREN, w., b. — Op snappenden toon iemand woorden 
nazeggen. Dieë franke joegen dierf mij nasnabben, nasnebberen. 

NASNASSELEN, NAARSNASSELEN, w., b. - Hetzelfde 
als 't voorgaande. 

NASPORZEN. NAARSPÖRZEN, w., b. - Driftig naloopen, 
bij T. nasporren, (K.) Al de jonge verkens spörsden de zocg naar. 

NASSEN, NASS(CH)EN, w., b. -- Droog voedsel, bijzonder 
graan eten, buiten het gewoon etensuur. (K.) De verkens hemmen niks 
te nassen. De verkens wat te nassen geven. 

NAT, bvw. — Z. Wrdb. 

— Verg. Zoo nat als mest^ als stront^ als *ne visch^ als *ne water' 
hond, 

— Spr. Nog nat zijn achter de ooren^ nog jong en onervaren zijn. 
R. Zie ook drooo, geel en gruun, 

— Ze zijn alUhei even nat^ ze zijn allebei even plichtig, ze zijn 
beiden met hetzelfde sop overgoten. 

NAT, znw., o. — Z. Wrdb. 

— Kort nat, z. KORT. 

— Noch nat noch droog over zyn lippen gehad hebben, noch spijs 
noch drank genuttigd hebben. 

— Hy mag zijn nat en zyn droog goed, hij kan goed eten en 
drinken. 




— 848 — 

NATIE, znw., v. — Genootschap, wier leden zich uitsluitend met 
hetzelfde werk bezighouden. De naties verrichten het werk aan de schepen, 
zij lossen en laden de koopwaren, vervoeren ze naar de magazijnen, 
enz. (A.) Z. Sch. 

— Spr. Er IS werk aan de natte, er is veel werk. 

NAT I EB AAS. znw., in. — Aandeelhouder in eene natie. 
NATIEGAST, znw., m. — Werkman bij eene natie. 

NATIEPÈÈRD, znw., o. — Zwaar peerd, dat in de natiewagens 
gespannen wordt. 

NATIESTOKKBN, znw., m., mrv. — Zware dennen houten, 
die bij het werk aan eene natie gebruikt worden. 

NATIBWAOEN, znw., m. — Platte wagen, waarmede de naties 
de koopwaren vervoeren. 

NATIEWBRK, znw., o. — Het werk dat door de naties verricht 
wordt. 

NATIEWERKER, znw., m. — Z. natiegast. 

NATI JKELÉEREN, NAARTIJKELÉEREN, w., b. — Over- 
wegen, diepzinnig nadenken. Ik tijkeleer daar al 'en heel week op na. 

NATTIGHEID, znw., v. — Regen, sneeuw, stofregen. R. (Ook 
in Brab., z. Sch.) Daar is deze' zomer veul nattigheid gevallen. Die 
nattigheid zal veul kwaad doen aan de veldvruchten. 

NATUUR, znw., m. en niet v. — Aard. Z, Wrdb. 

— 1, evenskracht. T, Daar zit geene goeie natuur in die plant. 

— Teelvocht, zaadvocht, Fr. sperttie, K., D. B. (Ook in Brab., z, Sch. 
Insgelijks in 't Mdnl., z. verd, IV, 2201.) 

NAU, bw. — Nu, Fr. matntenant^ a présent. Z, NA, 

NAUW, bvw. — Z. 'Wrdb. 

— Het nauw zuken, alles scherp nagaan. T, 

— Nauw steken^ er nauw op aankomen. T., R., Kl.-Br. *t Steekt 
SCO nauw niet. 

— Iet nauw opnemen^ gauw gestoord zijn. 

— Zoo nauw als V vècsde (of ruurde), 't scheelde weinig. T. Zoo 
nauw as 't vèèsde, of hij viel in de gracht. 

— Iemand nauw zetten, hem weinig geld geven. R. Ik moet m'ne* 
zeun gaan nauw zetten, want hij verteert te veul. 

— Het zoo nauw doen als men katt^ zeer zuinig leven. R. 

— De nauwste prt/s, de laagste prijs van iets dat men verkoopt. 
D. B., T., R. Dat is de nauwste prijs, daar ik 'et veur geven kan : ge 
moet nie* afdjangelen. 

— Eene koopwaar zoo nauw zetten als men kan, ze voor den 
laagst mogcl ijken prijs verkoopen. 

— Spr. Waar z^^o nauw gezien wordt, is de vriendschap klein. 




- 849 - 

NAUWEN, w., onp. — Nijpen, gevaarlijk worden, als de nooti 
aan den man komt, als het er ernslij; begint uit te zien. (Ook in 't Mdnl., 
z. VERD., IV, 2221.; Hij is er altijd op uit om ruzie te stoken, maar 
as *t er begint te nauwen, dan maakt em dat em de gaten uit is. Hij 
moest gaan loopeo, omdat hjt er nauwdc. 

NAVENANT, bw. — Naar cvenredigbcid, naar gelang, Fr, a 
l'avenant, proportionmllement, M. (Ook bij VERD., IV, 2225.) Geeft 
aalmoezen navenant uwen rijkdom. Ge moet léven navenant uw inkomsten. 
Hij is goe' geleerd, en toch kan hij navenant nie* schrijven. De rijkste 
mens(ch)cn zijn navenant de gelukkigste niet. Al is *et weer stikkend 
heet, toch donder* 'et navenant nie* veul. Z. ook Naarraat. 

NAWEI, NAARWEI, znw., v. — Het gras in de weide, nadat 
het eens afgemaaid is, toemaatweidc. 

NAZWERM, NAARZWERM, znw., m. — Bij biemans. Ieder 
van de zwermen, die na den eersten uit eenen korf vliegen. 

NÈ, bw. — Nu, thans. (Z. der K.) Z. NA. 

NE, NEN (toonl. f), onb. bvw. — Een, Fr. iin^ vóór een maon. 
znw. Ne mens(ch). Ne goeie jongen. Ne kleine w.igen. 

— Begint het onmiddellijk volgende w. met d, </, A, r, / of eenen 
klinker, dan bezigt men ncn, Nen heer. Nen dikken boom. Nen boer. 
Nen rink. Z. spraakkunst, 

NE (toonl. r), bw. — Niet, en. Wordt gehoord iu ne vieer (niet 
meer) en ne waar (niet waar). 

NE (uilspr. gelijk het Fr. tCest en ook tid)^ tw, — Daar, neem 
aan, Fr. ienez^ voilo^ Lat. acci'pe^ bij D. B. nevi en nt\ Ne ! daar is 
'oen appel. Ne ! ge krijgt iet van mij. Ne ! neem 'et maar aan. 

— Uitroep van verwondering. Ne ! daar komt Jan aan ! 

— Dat ue is eene verkorting van het oude w^//, gebied, wijze 
enk. van nemen, 

NEE (scherpe é*, doch te Antw, «tv), bw. — Neen, Fr. non, G. 

NEEK (scherpe é). — Samentrekking van neen ik. (K.) 
NEEL, znw., m. — Verkorting van Cornelis. 

NEENE, bvw. — Geene, b. v. in neenen duvel, neene klooien, 
niets. Ge krijgt neenen duvel. Hij bezit ncene klooteü (volstrekt niets). 

NEENE. — Samentrekking van neen hij, (K.) 

NEE(N)WEL, bw. — Het tegenovergestelde \zxi jawel, in *t geheel 
niet, gansch niet, omnino non, Hfft. (Ook in Brab., z. Sch.) Gij hét 
da' gedaan, en niemand anders. Neen wel ! ik heb *ct nie* gedaan. ^ 

NEET, NEETE. — Samentrekking van neen het, (K.) 

NEEP, znw., ra. en niet v. — Z. Wrdb. 

— Bij mulders. Stukje hout, dat tegen eene uitholling van den 
molenwand past en dient om den klauwreep te houden. 



Idioticon 56 




— 850 — 

NÈÈR, znw., m, — Mannelijke hooingbie, Fr. faux-bourdon, 
(Z, lier K.) Z. ook ater, bkoedbie en merel. 

NEERDÖRPEN, znw., o., inrv. — Zoo hteten de Kempenaars 
van 't N. en N.-W. de dorpen die meer zuidwestelijk liggen, zooals 
Broechem, Ranst, Vreinde, enz. Hij weünl ievcrans iu de Neerdörpen. 
Hij ga' mergen naar de Neerdörpen om e pèèrd te koopen. 

Die streek noemt men ook de Neerzij. In de neerzij wörren de 
beste pr. laten gewonnen. De gronden zijn in de Neerzij veule beter 
as in de Kempen. 

NEERKAPPEN, w., b. — Z, neekstulpen. 

NEERLEGGEN, w.. b. — Z. Wrdb. 

— Spr. Zijn hoofd neerleggen^ sterven. 

— Nederschieten. De jager hee' vandaag vier hazen neergeleed. 

NEERSTEKER, ztnv., m. — Bij landb. Z, keutermik, 

NEERSTULPEN, w., b, — Nederstooten, nederstotten, sprek. 
van aarde, mest, voeder, enz., dat op eene kar geladen is (N. der K.), 
in 't W. Neerkappen. Stulp 'et baksel maar neer in de' stal. 

NEERWAARTS, bw. — Z. Wrdb. 

— Spr. Van den tas neerwaarts lèven^ z, TAS. 

NEERZIJ, znw., v. — Z. onder neerdörpen. 
N EFFEN, vz. — Z. neven. 

NEGEN, telw. - Z. Wrdb. 

— In de goei negen gevallen zijn, een gelukkigen uitslag gehad 
hebben, van geluk mogen snreken. 

— In de kwa{d)e negen staan, iu iemands gunst niet staan. 

NEGENDRAAD, znw., m. — Koord uit negen draden gevlochten. 

NEGENHOEKEN, w., o. — Een spel dat gespeeld wordt met 
twee peisonen die elk drie legpenningen hebben, waar- abc 
van zij beurtelings eenen neerleggen op den eenen of 
anderen hoek van een vierkant. Die eerst zijne drie de f 

penningen in eene recliie rij krijgt, b, v. van a naar c 
of naar g^ oi van b naar A, f^wL.y is winner. Dat spel 
heet bij D. B. keukeien. De liguur die men schrijft in 
vier perken of vierkanten, zooals hiernevens, wordt S ^ ^ 
te Antwerpen rooster genaamd. 

NEGENMAN, znw., m. — In 't kegelspel. De groote kegel die 
te midden van de andere staat. D. B., T., Kl.-Br. 

NEGENMANNEKE(N, znw., o. — Oud muntstukje,het negende 
van eenen stuiver. T., R. (Ook in Brab. en N.-Br., z. Sch.) 



e 




- 851 - 

NEGENMANNEKENSLINT, znw., o. — Lint dat ccn negen- 
manneken de el kostte. 

NEGENOOGER, zn\v.,m. - Hetzelfde als Negenoog in de Wrdb., 
soort van gevaarlijken bloedzwecr, Vr, /uroncie. Lat. Murenula nono- 
cuiata, 

NEGEN URBNLIJK, znw., o. - Lijkdienst die te 9 uren plaats 
heeft. 

NEGENURENMIS, znw., v. — Mis die te 9 uren begint. 

NEGENWEEKS(CH)EN, znw., m., mrv. — Witte aardappel, 
die vroeg volgroeid is. M., bij D, B. negenvoek-^rs, 

NEI. Term in een kinderrijm. Z. tikke-tikke-tanneke. 

NEK, znw., m. — Fr. nuque. 

-• Den nek kraken^ hetzelfde als Den nek breken, Fr. casser U cou. 
Hij is den nek gekraakt. 

— Verg, ^Nen nek hebben gelijk V« gans, g^^Ü^ *»^» ^^^g^^% een 
langen hals. 

— Spr. Iemand in zijnen nek ichuppen of zien^ hem bedriegen, te 
veel doen betalen, slechte waar leveren. M. Den beenhouwer hée* mij 
in mijnen nek geschupt mè* ze* vlecs(ch). — Bij D. B. bet. die uitdruk* 
king: met iemand spotten. 

— Iet van zijnen nek schudden^ een lastig werk op iemand schuiven, 
eene moeilijke zaak van zich afweren. D. B., Sch., R. 

— Iemand zijnen nek vol schijten^ hem uitlachen, Fr. se moquer 
de quelqti'un, 

— Op iemands nek zitten, bij iemand verblijven en hem tot last 
dienen. Sch. 't Is tijd dat dieë luiaard er uit trekt x hij hée' nu lank 
geuoeg op mijnen nek gezeten. 

— Iemand op zijnen nek hebben, geplaagd zijn met iemand, hem 
den kost moeten geven. R. Ik heb dieë' kerel *en half jaar lank op 
mijnen nek gehad. 

— Dc{n) schelm in den nek hebben, z, SCHELM. 

— Bij mulders. De nek van eene molenas is het deol tusschen 
den grooten hals en den kop. D. B. 

— Bij timmerl. De nek van den bankhaak, z. HALS. 

NEKBAND^ znw., m. — Bij mulders. IJzeren band die rond 
den nek van de molenas ligt. D. B. 

^NEKKEN, w., b, — c Eene zware vracht dragen, smokkelen. » 
Sch. geeft dat w. voor de Kemp. 

NEKKER, znw., m. — Jonge geit. (N. der K.) 

NEL, znw., v. — Verkorting van Petronella. 

NELLIS, NELLES, znw., m. — Nelis, verkorting van Cornelis. 

— De geslachtsnaam Co melissen wordt ook Cornellissen uiigefipTokeB, 

— Fig. Boerejongen, (K.) *t Ziet er zoo 'ne nellis uit. 



— 852 — 

N£M, znw., ni. — Lekkernij in de kindertaal. R. Dat is ncra. 
HicT is nem-ncm. 

— Tw. Hoc lekker. Nem ! ncm ! dal is goed ! 

NEMEER, bw. — Niet meer. Ik bezit niks nemeer. Z. VERD. op 
nem mee, 

NEMEN, w., b. — Z. Wrdb. 

— Spr. Ge moet kunnen ge^'en en nemen ^ men moet inschikke- 
lijk zijn. R. 

NÈRE(N, ÈRE(N, /nw., m. — Vloer, voorplaats van het huis, 
Mdnl. eren^^Yi^di. dhren. (Z. der K.) Den neren opkuischen. Hij mag 
gccne' voet meer op mijnen nère zetten, Z, verd., IV, 2337. 

— Doischvloer, Fr. aire, (Z. der K.) D, B., R. 
Kil. Aere, ere, nere, pavimentum, 

NERFT, znw., m., niet v. — Nerf, Fr. /rrai'n du cut'r, 

NERGERANS, bw. — Nergens, Fr. nul/e part. (N. der K.) 
Hfft, Ik kan ncr^erans den boek nie' vijnen, dicc' ge mij gevraagd hèt. 
Ik heb u ncrgerans gezien. Z. ook nieverans en nievers. 

NEST, znw., m. — Verkorting van Elmest. 

NEST, znw., m. en niet o. — Fr. nid, D, B., Sch., T., J. 

— Xest dragen^ wordt gezeid van vogels, die bouwstoffen aanbrengen 
om hun nest te bouwen. 

— Neit hebben^ een nest aan 't bouwen zijn of gebouwd hebben, 
sprck. van vogels. 

— Vollen nest hebben^ wordt gezeid van vogelen, die hun nest 
hebben voltooid, maai nog geene eieren hebben. 

— ^Xe nest kinderen of *ne nest Jong wordt met verachting gezeid 
van een huishouden waar veel kleine kinderen zijn. Ik zou nie* geren 
in zoo 'nen nest kinileren zitten. 

— Xest toe f bevel tot ecnen hond, die in zijn nest moet gaan liggen. 

— Spr. Zijn hand op 'ne(n) levgen nest leggen^ meen en dat men 
voordeel gedaan heeft en zich bedrogen vinden. 

— Zijn eieren in een andermans nest leggen^ overspel bedrijven. 

— In nesten zitten^ in moeilijkheden, in eenen neteligen toestand 
zijn. D. B. 

— Xesten zuken, twist, ruzie, moeilijkheden, oneenighedcn zoeken. 
Ge moet hier geen nesten komen zukeu. 

NESTEL, ook NISTEL, znw., m. — Veter, Fr. lacet. Z. Wrdb. 

— Zonder mrv. Soort van lint om kleedingstukken te boorden of 
te beleggen. Eenige ellen nestel, Zij(d)en nestel. 

— De lange worlelpezen van het Hondsgras, Fr. chiendent, worden 
ook nestels grhceten. 

NESTELPAIEN, NESTELPEIEN, NESTELPUINEN, 
znw., V., mrv. — Hondsgras, Fr, chiendent, met zeer lange wortels. 



- «53 - 

NET, znw., V, — Verkorting van Antonetta, Joannelta, Trienette. 

NET, znw., o. — Fr. fiUt, 

— Spr. Detir alU netten gevlogen zifn^ listig, doortrapt zijn, van 
alle merkten thuis gekomen zijn. (Ook in Brab., z. Sch.) 

NETBÖiRiSTEL znw., m. — Bij bakkers. Platte borstel om 
het brood te neitcn. 

NETEL, znw., m. en niet v. — Fr. orti'e, D. B., T., R. (Ook 
in *t Mdni., z. VERD., IV, 2364.) 

NETELDOEK, znw., m. en niet o. — Z. Wrdb. T., R., J. 

NETELEN, w., wdrk. — Zich branden, zich kwetsen aan netelen. 
Ik heb mij geneteld. 

NETTEN, w., b. — Bij bakkers. Brood, eer bet in den oven 
gaat, bestrijken met water, koffie, melk of een ei, opdat het eene 
schoone bruine korst zou bakken. R. 

NETZAK, znw., m. — Gebreide zak om kiekens, enz. in te 
dragen. D. B., Sch. 

NEUK, znw., m. — Stomp of stoot, heimelijk toegebracht. (A.) 
Hij heet 'em daar 'ne' neuk gegeven, dicë' *k veur geen vijf frang zou willen. 

NEUKEN, w., b. — Bedriegen, foppen. T., R. Dieën bedrieger 
hée' mij Icelijk geneukt. Hij is j.eneükt met *t pèèrd dat hij gekocht 
heet. As 't blijft regenen, dan zijn wij geneukt mee* onzen oost. Z. ook 

VERNEUKEN. 

— Neuken aan^ knutselen, knr>eicn, frutselen. Wa* neukte daar 
allemaal aan da' slot ? Ge zult zooiank aan die horlogie neuken, da* 
ge zult knpot neuken. 

— Kijven, grollen. (K.) Ze zuilen vandeeg neuken, omdat ik zoo 
laat thuis kom. Laat ze maar neuken ! 

— Telen, Fr. procréer^m de uitdrukking vör« de ratten geneukt 
syn, z. RAT, 

— Afl. Neuker^ geneitk, 

NEUKES. znw., m. — Bedrieger. (Z -W. der K.) Pas op veur 
dieë' neukes ! 

NEUKING, ziiw., v. — Schu ld*ng. Iemand 'en neuking geven. 

NEUS, znw., m., doch v. in sommige streken. — Fr. nez, 

— Veig. *Nen neus hthbin icelijk ^ ne kapstok^ *nen domper ^ *nen 
domphoren^ ne kèèrsdomper, *en pin^ 

— Spr. 7 Is deur den neus geboord of V verken is deur den neus 
geboord, zegt men van iets dat lang te voren heimelijk beraamd of beslist 
is. *t Was al lauk deur den neus gehoor 1 dat hij die plaats hebben zou. 

— Deur den neus geboord zijn of *ne(n) steek deur den neus 
hebben y dronken zijn. 

— /et in den nrus of in V neusken hebben^ weten of raden waar 
iemand heen wil, wat hij vanzin is, wat er gaat gebeuren, enz. 'k Had 
*et al lank in de' neus, dat em nie' meer uit de voeten kost en bankroet 
zou gaan. 



— 854 - 

— Van iemand die een wipneusje heeft of wiens neus omkrult, 
zegt nnen te Antw. : hij (of zy) trekt z'ne* neus (of heuré* neus) op 
veur V klodder en. 

— Iemands neus iusschen twee ooren zetten^ hem bestraffen. *t Is 
eenc bedreiging tot kinderen. As ge er nie' gaat uitscheen met da' lawijt, 
dan zal ek oewe' neus is tuss(ch)en twee ooren zetten ! 

— Zijnen neus vnirby klappen^ meer zeggen dan men zeggen mag. 

— leners zijnen neus in steken^ nieuwsgierig iets bekijken of er 
zich mee bemoeien, Fr. y fourrer son nez. D. B. Hij steekt overal 
zijnen neus in. Gij steekt oewen neus in zaken die oe nie' aangaan. 

— Van zijnen neus maken, beslag maken, Yx, faire de Vembarrets, 
As ge nog wa* van oewe' neus maakt, dan zet ek oe buiten. 

— De kiem op den neus hebben ^ z. KLEM. 

— Geen voeiering in zijnen neus hebben^ gemakkelijk niezen. 

— Iet aan iemands neus hangen^ hem iets zeggen dat hij nieuws- 
gierig trachtte te welen, bij D. B. iets aan iemands neuze knopen. Da* 
zijn geen dingen om ze aan 'en andermans neus te hangen. 

— Uwe neus is geene kapstok^ zegt men tot iemand die nieuws, 
gierig is en vragen slelt die men niet verlangt te beantwoorden. 

— Iemand 'ne{n) pier uit zijnen neus zuken ie halen, z, PIER. 

— Die *nen neus heeft ^ kan rieken, wie 't schoentje past, trekke 
het aan. 

— Hij stond op de veurste rij (of hij was er by), als Onze Lici'e 
Heer de neuzen uitdeelde, zegt men van iemand die een geweldigen 
neus heeft. 

— Tegen uiven netts of neven uwen neus, zegt men tegen iemand 
om te bcteekenen dat hij niets zal bekomen, (kt hij niet slagen zal. 

— Iemand iet op den neus geven^ hem iels onder den neus wrijven. 

— Zijne neus krolt, hij is lier en verheugd. Ge moest z'nen neus 
is zien krollen hebben, toen ze 'm Mijnheer noemden, 

— - De neus van eene traptrede is de afgeronde rand aan den voorkant, 
Fr. nez, 

— De neus van ecne dakpan is de klamp waaraan de pan op 
de latten vastgelegd wordt. D. B. 

— De neus van eene brandende sigaar is de assche die er aan zit. 

— De neus van eenen lepelagger of eene lepelboor is het omgebogen 
uiteinde. 

NEUSBRANDERKE(N, znw., o. — Kort, aarden pijpje. Ook 
B aardbranderken. 

NEUSDOEK, znw., m. — Omslagdoek, doek dien de vrouwen 
over rug en schouders dragen. 

— Geit eken neusdoek, omslagdoek van fijne wol, waar bloemen in 
gewerkt zijn. 

NEUT, znw., v. — Noot, Fr. noix. (Z.-O. der K.) V. D. vermeldt 
dien vorm als gewest. 



- 855 - 

^NEUTEL, znw., v., vrklw. neutelken, neutellje, — « Vrouwken 
dat j»ecn gioot verstand heeft, waar niet veel in zit, sukkel, taffelerp, » 
Sch. kent dat w. toe aan de Kemp. en N.-Br. 

NEUTER, bvw. — Ziin cigcfi nenter honden^ zich stil, zich 
koes houden, niets durven of mojjen zeegen of doen. Houdt oe maar 
*en bitje neuter, manneken, of ge krijgt 'en mm meling, Vtuger had eni 
veul praat, maar nu moet cm zijn eigen neutcr houwen, — *t Is het 
Fr. ni'iitre. 

NEUTEREN, w., o. — Frutselen, knutselen, Fr. chipotcr. \Va' 
zittc daar te neuteren ? Ncuiert zoo nie*. 

— Aft. Ncutercèr^ geneiiter, 

NEUZEL, EUZEL,znw.,m. — Het onderste deel van een strooien 
of pannen dak, hetwelk over den muur hangt en het regenwater voor- 
waarts, van den muur weg, afwerpt, Fr. cgout, bij D. B. euzie en bij 
Kil. öö»r, ooiif, (K.) De neuzels lekken als 't regent. Tn den winter 
hangen er ij>kegels aan de neuzels. Onder den euzel van *i dak staan. 

NEUZELDRUP, EUZELDRUP, znw , m. — De water- 
druppels die van ilen neuzel afvallen, als 't regent, bij D. B. euziedrup^ 
HfFi. (K.) Onder den ncuzeldrup staan (onder den lek van 't dak). 

NEUZELEN, w., o. — Frutselen, knutselen, zich met kleinig- 
heden bezighouden, Fr. chipotcr. D, B. (Ook in O. -VI., Kl.-Br. en 
Bral)., z. Sch.) \Va' mag hij nu weer aan 't.neuzelen zijn? Werken 
doet hij niet, maar /oo 'en bitje neuzcicn, 

— B. en o. l\ux(lcn, smakelijk en met kleine beetjes eten. (A.) 
(Ook in Kl.-Br., z. Sih.) Wa' neu/el ie gij daai .^ Dieë kleine jongen 
neuzell njaar aliij»! a:.n. « Rik zal zich met zijne vrouw vervelen, zoo 
zij uitts te iicuzfhn htbb«n. » (Zettkrnam. Voor twee centen minder ^ 26.) 

— Afl. Neuzelccr^ geneuzel. 

NEUZELWERK, znw., o. — Be.jzeUerk, frulselweik. 

NEUZEWARMERKE;N, znw., o. — Z. neusbranderken. 

NEUZEWIJZER, znw., m, — Neuswijs. Dieë neuzewijzer weet 
op alles wal af te keuren. 

NEVELKAR, znw., v. — Met de nevelkar vertrekken^ met de 
noorderzon verliekken, heimelijk *s nachts vertrekken, zonder zijne 
huishuur te betalen, F. faire un trou d la iune, mettre la c lef sous 
la porte, 

NEVEN Qn NEFFEN, vz. — Hetzelfde als Nevens, Fr. ^ cóié 
dcy prés de. Jlij woont hier neven de deur. Ik kwam neffen zijn4iuis. 

— Er nèvtn zijn^ mis zijn. Fr. se t tomper, être dans l*erreur, 

— Dat is er neven, dat is mis, dat is verkeerd. Nu nog trouwen 
in zijnen ouwen dag, nee, dat is er nèvcn. 

— Er niet neven kunnen, er niet buiten kunnen, verplicht zijn 
het te doen. Ge moet ook wa' geven in da' goe' werk, ge kunt er 
nie* neven. 

— Er neven slagen, misslaan, iig* raaskallen. De zieke slaagt er 
somi^ds neven. 




- 856 — 

NEWAAR, l)w. — Niet waar, fton verum? Ge ga' vertrekkeiiv 
ncwaar 't 

NI, NIE, bw. — Wordt meest altijd gebruikt voor Niet, Fr, ne pas. 
Dat is ni waar. Ik en heb het ni gezien. Dat is nie aan te oemexi. 

— 't Is «/>, 't i» niet waar. Zoo ook '/ ü wel. 

NIEMENDALLE(N, vrnw. — Niemendal, niets, Fr. ritn du tout, 

— /nw., m. Vcur *nen niemendallen verkoop ik da' niet. 

— Vt'ur 'nen niks en 'nen niemendalUn^ voor eenen niet, voor 
'^cnc kleinijjhcid, Fr. pour un nen, Vcur *nen niks en 'nen niemendallen 
maakt hij ruzie. 

Ook Niksmendallen. 

NIEF, bvw. — Uitspraak van Nieuw, Fr. nouveau, neuf. 'En 
ni<:f kleed. 'Ne nicve frak, K nicf huis. 

NIES, /. NIEUWS. 

NIESKRUID, znw,, o. — Z. Wrdb. 

— Spr. /rwffWi/ «/rjXrrw/ü ^é*2;<r/i, hem iets onaangenaams toebrengen 
of en pak hiaat; geven. ^A.) 

NIET, bw. — Wordt zeer veel bij een ander ontkennend w. gevoegd, 
om de ontU<-nning Ic versterken. (Z. spraakkunst.) Ik heb da* nooit 
ni gfrwclcn. Ik heb oe nicverans nie' gezien. 

— Znw., ni, en niet o. — Fr. rien^ néant, 

— Vfur *nen niet en *nen niemendallen^ z. NIOIENDALLEN. 

— Vein 'nen ijlen niety voor eenc beuzeling, Fr. pour un rien. 
Jlij '\% i»M»l'x»rd vcur 'nen ijlen niet. 

NIETELÈÈR, znw., m. — Haarkliever, zifter, Fr. chicaneur, 

NIETELEN, w., o. — Haarklievcn, ziften, pluizen, Fr. chtcaner, 
(K«) Ik l>cgnjp niet, lioeda* ge zoo nietclen kunt. Hij moet altijd 

— Ad. O'inietel, nieteltVr, 

NIEUW, uilnpr. NIEF, in 't N. NOEW, NOEWT, bvw. — 
Z. Wrdb. 

- Op r nieuw, op te nieuw, op te nieiiwi, op ter nieuwt (uitspr. 
op e nie/^ of) te nief^ op te nieft, op ter nieft), opnieuw, Fr, de nouveau. 
Op c i,M'l b»»ginnon. Doet dal op te nieft. 

— Nieuwe rijke, Fr. parvenu. De nief rijken zijn de lastigste om 
dltn«rn. 

— Nieuwe ^rond^ nieuw land, grond die nieuwelings ontgonnen is. 

NIEUWBAKKEN, NIEFBAKKEN, in 't N. NOEBAK- 
KEN, bvw. — Z. Wrdb. 

— I)«* klf nitodu in nieuwbakken en oudbakken is, evenals bij D. B., 
op <!<• <<rrhl«: Icltcigr. ; bij Kram. op de tweede. 

NIEUWJAAR, NIEVEJAAR, in 't N. NOEJAAR, znw., m. 

en i.i' l ". — Nicuwjaar»ilaj^, Fr. Ie jour de Van, T., R. 

— NicniwjaarRgift, l''r. ét rennes. Iemand 'nen nievejaar geven, 'Nen 
nicvcjaar krijgen. 



-857 - 

— Meer bepaaldelijk Een langwerpige koek van tarwedeeg met 
krullen versierd en met een of meer geverfde plaasteren figuurtjes in 
gebakken. 

— Nieuwjaar zingen, op oudejaarsdag langs de buizen gaan zingen 
om giften in te zamelen, een gebruik dat onder de dorpsjeugd nog volop 
in zwang is. 

— Nievejaarken^ o. Men zegt dat een busselkind in een nievejaarken 
gedaan is, wanneer men het kind eenen doek over de borst bindt. Die 
doek, als een band gevouwen, wordt op den rug vastgeknoopt en over* 
dekt de armen van het kind, om te beletten dat het de armen zou bewegen 
tijdens zijnen slaap, en ze breken of bezeeren. (A.) 

NIBUWJAARSLIÈKE(N, NIEVEJAARSLIÈKB(N, 
NOEWJAARSLIÈKE(N, znw„ o. — Lied dat de kinderen aan 
de huizen zingen, wanneer zij op oudejaarsdag giften gaan inzamelen. 

NIBUWJAARSMAAND, znw., v. — Januari. 

NIEUWS, uiispr. NIEFS, NIFS, in 't Z. NIES, in 't N. 
NOEWS, znw., o.— Z. Wrdb. 

— Spr, Aliyd wat nieuws en zelden wat goeds, R. 

— Geen nieuws^ ^oed nieuws. 

— Beter geen nieuws als slecht, T. 

— Dat is geen nieuws^ dat is algemeen bekend, dat gebeurt dikwgls. 
R. Dat hij zat loopt, dat is geen niefs t hij heet alle Zondagen e stuk 
in zijne' kraag. 

— Dat is oud nieuws , dat is reeds lang bekend. R. 

NIEUWSGEZIND, NIBPSGEZIND, NIESGBZIND, 
NOEWSGEZIND, bvw, — Begeerig naar uieuwighedeu, naar verande- 
ringen, bij D. B. nieuwloopte en nieu7vsteertig, Die€ mens(ch) is danig 
nieuwsgezind ; vandaag wilt em dit en morgen dat. Ge meugt zoo nieuws- 
gezind nie' zijn. 

NIEUWSGEZINDHEID, NIEFSGBZINDHEID, NIES- 
GEZINDHEID. NOEWSGEZINDHEID, znw., v. —De hoedanig- 
heid van iciuand die nieuwsgezind is. 

NIEVERANS, bw. — Nergens, Fr. nulU part. D. B., T., R. 
bij Hfft. nieverhands. Waar hedde geweest ? Nieverans nie'. Z. ook 

NEROERANS en NIEVERS. 

NIEVERS. bw. — Nergens, Fr. nulU part, D. B. 

♦NIFS, z. *NUFS. 

NIJG, bvw. en bw, — Moedig, werkzaam, driftig, geweldig, fel. 
(Ook in Brab., Kl.-Br., en 't Hasp., z. Sch. en R.) E nijg pèèrd. 'Ne 
nijge werkman. 'Et zal te nacht nijg vriezen. Loopt zoo nijg nie'. 'Et 
waait nijg. 't Is nijg koud. 

NI J NAGEL, znw., m. — Nijdnagel, Fr. envie. 

— Fig. Nijdigaard, nijdige mensch. 'Ne nijnagel van 'ne' vent. Die€ 
nijoagel kan niks verdragen. 




- 858 - 

NtJNÊKBiK, znw., o. — Wieg in de kindertaal, bij M. nainje. 

In 't ntjncken liggen. 

NIJNEKINDJE DOEN, NIJNEKINNEKEN DQEN, u.. 

o. — Slapen in de wieg, sprek. tot de kleine kinderen. Miekea is wijs, 
2C ga* nijnekindje doen. 

KIJNEN, w., b. — Wiegen in de kindertaal, bij M. nainjen^ 
nannen. 't Kindje moet genijnd wörren. Nij-nij ! kinneken ! 

NIJPEN, w., b. - Z. Wrdb. 

— l^ig. Iemand nijpen, hem te veel doen betalen. (Ook in Brab., 
z, Sch.) Die avokaten kunnen *ne* mcns(ch) nijpen ! 

— Straffen, doen uitboeten. Ik zal diee* nijpen ! Ge moet dieé' 
kerel maar is wel nijpen. 

NIJPER, znw., m. — Nijdigaard, heimelgke persoon. Jan ziet 
er maar *ne nijper uit. Ditë nijper van 'ne' jongen is nijtig op ze' 
zusterken. 

— Neusnijper, bril dien men op den neus knijpt, Fr. pince^nez, 
Sch„ T. 

NIJTIG, bvw. — Nijdig, Fr. envieux^jaloux, 'Nenijiige mens(ch). 
Kaïn was nijtig op Abel. 

— Bijtend koud. 'Ne nijtige wind. 't Vriest nijtig. 

NIJTIGAARD, znw., m. — Nijdigaard, Fr. envieux^jaloux. 

NIKKEL, znw., m., bij sommigen IKKEL, znw.,m. — Fr. nickel, 

— Nikkelen geldstuk. Er zijn nikkels van 5. van 10 en van 20 cen- 
tiemen. 'Ne nikkel van 5 eens. Nikkels van 10 centen. 

NIKKEL, znw., m. — Bij scljoen makers. Houten ])inneije, waar- 
mede zij de zolen aan de schoenen vastmaken. (Z. der K.) Z, ook PEG. 

NIKS, vrnw. vrklw. nïkske{n. — Wordt overal j;ebruikt voor Niels, 
Fr. rien^ Hgd. nichts, Platd. nix, G., Hffi. Jong., M. (Ook in Drenthe, 
Overbctuwe, Oost-Friesl., Neders., Holst, en Westf.) Ik weet daar niks 
af. Dat is niks. Wat hedde daar in oe' hand ? Niksken. 

— Volstrekt niet, Fr. nullement^ ahsolument pas. T., Hfft., M. (Ook 
in Brab,, z. Sch.) 't Is vandaag niks koud. Ik heb niksken honger. 
Hij was niks goe' gezind. Die pen schrijft niks. 

— Ofniks^ of niets van dat. Ze hee' geen meid of niks: ik weet 
nie' hoeda' z* heur werk kan gedaan krijgen. Waarom wilde zoo hard 
werken ? Ge zij' rijk en ge hèt geen kinderen of niks. 

NIKSMENDALLE(N, vrnw, — Niemendal, volstrekt niets. (Ook 
in Brab. en VI., z, Sch.) 

NIMMER, bw. — Wordt veel gebruikt voor Niet meer, Fr. nepluSn 
bg D« B. niemer. Ik zal 'et nimmer doen. 



— 859 - 

NIP, bvw., en bw. — Nauw, spannende, niet ruim genoeg. Die 
mouwen zijn veul te nip. Ge meugt die kous zoo nip nie* breien» 

— Fig. Nauw, gierig. E nip wijf. Hij is zoo nauw en zoo nip ! 
Daar wordt alles nip en nauw gewogen. 

— Bw, Op 't uiterste punlje, op den uitersten boord. (Ook in Brab., 
en KI, -Br, z. Sch.) Dieë koffiepot sta' zoo nip op de tafel, dat em 
er gemakkelijk kan afvallen. Zit zoo nip nie' op oewe' stoel. 

NIPPEN, w., o. — Nauwen, nijpen, prangen, als de nood aan 
den man komt. B. 't Begint er te nippen, 't Zal er gaan nippen. 

— Op het nippen^ op het uiterste oogenblik. Hij komt hier altijd 
aan op 't nippen. Ik had den trein nog, maar 't was op M nippen. 

NIPPIG, NIPSiCH), bvw. — Nauw, gierig. Z. nip, 

— Lichtgeraakt, gauw gestoord. (Ook in N.-Brab,, z, Sch,) 't Is zoo 
'n nippig dink, da' meisken. 

NIRK (uitspr. nirr»k\ znw., m. — De nirk zit vast, zeggen de 
landbouwers van eene koe die niet herkauwen kan, (K.) Z, nikken. 

— Zgnen nirk laten loopen^ onvermoeid babbelen. (Z, der K.) 

NIRKEN, NIRRIKEN, w., o, — Hetzelfde als Hirken, Irriken, 
herkauwen, Fr, ruminer. (Ook in Limb., z. Sch.) Koeien en giiten nirken. 
Die koei nirrikt nie' meer, ze is ziek. 

— Afl. Genirk, 

NISTEL, znw,, m. — Nestel, Fr. lacet, Z. nestel. 

NOBBELEWITJE(N, OBLEWITJE(N, znw., o, —Klein 
rond koekje van bloem en suiker, op eeu papier geplakt. De nobbele* 
witjes worden op de kramen verkocht, 'En blad oblewitjes, 

NOBBELEDOBBBLE, NOBBELEDOMME, NOBBE- 
LBKROMME, NOBBELESJENG, NOBBBLETWBE, tw. ~ 

SuGrt van vioekachiige uiidiukkiugeu. 

"^NOBBELING, znw., v. — c Het grofste van 't vlas, dienende 
om er zakken, enz. van te maken, > 

Sch. geeft dat w. voor de Kemp, en 't Hagel. 

NOBIS, Z. KERNOBIS. 

NOEN, znw,, m. — Wordt overal gebruikt voor Middag, Fr midi, 
D. B. Kram. zegt nochtans, dat dit w. en zijne samenst. weinig gebruikt 
worden. 

— Over noen en over al^ noen over a/, z. AL. 

^ Noenmaal, middagmaal^ Fr. midi. Ik gaan mijnen noen nemen. 
Ik heb nog geeoen noen gehad. 

— *5 NoenenSf 's middags. Hij is 's noenens nooit aan tafel. 

— Te noenend, dezen middag, Fr. ce midi, R., KI. «Br. Kom te 
noenend eens. 



— Ö6o — 

NOBNEKB(N, znw., o. — Rietpijpje waarvan beide uiteinden 
met een vlies overspannen zijn en dat voorzien is van twee gaten, het 
eene om er in te blazen en het andere om er den klank uit te laten, 
Fr. mirliton. 

— Pijpje van schors, waar de kinderen op blazen. Een noeneken 
maken van den bast van jong hout. 

NOBNEN, w., o. — Op een noeneken blazen. 

NOENEND, znw., m. — Z. onder noen. 

NOEN SLAAP, znw., m. — Een poos slapens na het middagmaal. 

NOENZON, /.üw., V. — Middagzon. 

NOEW, NOEWT, bvw. - Nieuw, Fr. nouveauy neuf. (N.der K.) 

NOBWS, NOES, znw., o, — Nieuws, Fr. nouvelU. (N. der K.) 

NOG, bvw. — Fr. encore. Z. Wrdb. 

— Wordt gebruikt voor ten minste^ Fr. chi moins^ in wenschende 
of voorwaardelijke zinnen. D. B., R. Dat hij nog *nc' goeiendag zee ! 
(hij behoorde ten minste *nen goedendag te zeggen.) As ge nog 'en 
half uur gewacht hadt ! Ik zou er niks van zeggen, as ge mij nog 
maar bedankt hadt, maar nee ! Da* ge'm nu nog *ne' cent gegeven hadt ! 

— In uitdrukkingen als : ik docht het nog^ ik vreesde V nog^ enz, 
beteeken t nog zooveel als half en half eenigszins. D. B. Ik heb *et 
nog gedocht dat 'em *en ongeluk zou overkomen. Ik peisde 't nog da' 
ge zoudt te laat komen. 

— Bij nog voegt men dikwijls eenigszins^ fialf halveling, enz. 
Ik vreesde nog hal vel ing dat hij mij nie' zou betalen. 

— Ook in den zin van nochtans, D. B. Ik heb 'em nog vermaand, 
maar hij wou nie' luisteren. Ik heb oe nog geroepen, maar gij woudt 
nie' hooren. 

— Dan nog, echter eene stellige wending, beteekent wat meer iSy 
desniettegenstaande f Fr. malgré cela^ outre cela, 't Is nog nie' genoeg 
dat hij overal kwaad gesproken hée' van mij, hij moet mij dan nog 
in mijn eigen huis komen uitschelden. Iedereen zegt da' ge misdaan 
hèt, en dan meende nog da' ge groot gelijk hèt. 

— In eene voorwaardelijke wending heeft dan nog de beteekenis 
van ten minste. As ge dan nog gehoorzaam waart, dan zou *k oe geren 
vergeven. Hij leert moeilijk, en dat hij dan nog wa' moeite deed, 
maar nee. 

— Naar nog wordt achter eenige werkwoorden elliptisch gebniikt 
voor: om te krijgen^ om nog te ontvangen^ enz., bij D. B. om nog, 
Dieë wijn smaakt naar nog (d. i. smaakt zoo wel, dat men er nog 
van zou willen). 

— Nog toe^ toevoeging bij eenen uitroep van verbazing. M. God 
nog toe ! Wel Jan nog toe ! ge zie' gelijk zoo bleek ! 



— 86i — 

NOK, znw., V. — Bij mulders. De top, bet bovenste uiteinde van 
den standaard, waarop de steenbalk rust en draait, Fr. sommet de 
^'attaché. D. B. Ook Not, o, 

— Ook de top, het opperste deel van den hals, waar de rijn op 
rust. D. B. 

NOKGAT, znw., m. — Bij mulders. Gat of kuil in den steenbalk^ 
waar de nok van den standaard in past. D. B. 

NOL, znw., m. — Verkorting van Arnold. 

N OMBER (in *t Z. en W. nohnbsr), znw., m. en niet o. — 
Nummer, nommer, Fr. numero. 

NOMBERWIELj znw., o. — Bij horlogemakers. Z. verdeel. 

WIEL. 

NON, znw., V. — Gedraaide arm van een spinnewiel. (Door V. D. 
als gewest, vermeld.) 

NON, znw., V. — Draaitol, diaailop, Fr. toupie. Met de non 
spelen. Er zijn verschillige soorten van nonnen. — In N.-HoU. bet. het 
den top van den tot. (Z. bouman. 78.) 

Kil. Nonne, top, turbo ^ turben, trochus, 

NONDEDEKKE. NONDEDOMME, NONDEKEU, 
NONDEKROMME, NONDESJENG. NONDETWEE, tw. — 

Vloekachtige uitdrukkingen. 

NONK, znw., m. — Nonkel, oom in de kindertaal. 

NONKEL (in H Z. en W. nolênk?!)^ znw., m. — Oom, onkel, 
Fr. oftcle, 

— Wordt gebruikt om iemand gemeenzaam toe te spreken. Ewel ! 
nonkel, hoc is 't er mee? 

NONNEKE(N, znw., o. — Vensterzwaluw, huiszwaluw, Fr. 
hirondelle des fenctres^ Lat. Hirundo urbica. Ook Witgatje. 

NONNEN, w., o. — Met eene non, eenen draaitol spelen, Fr. 
jouer a la toupie, 

NONNENTIJD, znw.. m. — De tijd dat de kinderen met de 
non spelen. 

NONNESPEL, znw., o. — Het spel met de non. 

NOO, bw, — Noode, Fr. a regret^ a contrC'Cceur. 

— Woordenspel, Noo (Noë) loas ook *ne gr 00 ten heilige , Noo hee(ft) 
negenhonderd jaar gelee/d en geren (gaarne), antwoordt men iemand 
die zegt dat hij iets noode verricht. Men zegt ook : Noo gedaan is 
Ook gedaan» 

NOOD, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Nood doen^ z. DOEM. Z. OUD,, IV, 6ai. 

— Hebt geen nood^ vrees niet, geloof het niet. T. Hèt geen nood, 
dat hij komen zal. 't Zal nie' regenen^ hèt geen nood. 



— 862 — 

NOODDRUFT, znw. m. en niet v. — Noodig levensonderhoud. 

NOODIG, bvw. — Z. Wrdb. 

— Verj;. Zoo noodig als brood (in de schapraai^ volstrekt onmisbaar; 
als '/ vijfde wiel aan ^ne{n) wagen^ goed kunnende gemist worden. 

— Het noodig hebben, behoeftig zijn. T., KI.- Br. Die roens(ch)en 
hebben 'et groot noodig. 

NOOIT, bw. — Z. Wrdb. 

— Nooit des icerelds^ nooit of nooit , nooit des nooits, sterke ont- 
kenning. Nooit des werelds zal ek daar in toestemmen. Nooit des nooits 
mag hij nog in mijn huls komen. 

— Nooit (zonder nadruk) wordt door velen gebruikt voor ooit. Ik heb 
nooit geweten dat de Schelde te Antwerpen toelag. (Zoo ook in 't Mdnl. 
Z. VERD,, IV, 2495.) 

NOOITGEDBUGBN, znw., m, — Iemand die nooit gcdeugen 
heeft, ï., bij D. B. nooitgedeugd. *t Is 'ne nooit gedeugen, en hij wordt 
alle dagen erger. 

NOOR. znw., v, — Verkorting van Eleonora. 

NOORDEN, znw., o., doch m. in sommige streken, Fr. U Nord, 

NOORDKRIBK, znw., v. — Groote zwarte kriek, zuur van smaak, 
ook Noordsche kriek genaamd. 

NOORDS(CH), bvw. — Z. Wrdb. 

— Noordsch hout^ greinen en dennen hout dat uit het Noorden, 
uit Rusland en Scandinavië komt. 

— Noordsche krieken^ z. NOOkDKRiEK, 

— Fig. Groot, zwaar, zonderling. Wa* noors(ch)e kerel is da* ! 

— Stuur, stroef, norsch. Hij is vandaag zoo noords(ch) gezind (kwalijk 
gezind, slecht geluimd.) 

NOOSBLIJK, bvw. en bw. — Deerlijk, treurig, deerniswekkend, 
jammerlijk, spijtig. B. (Ook in Brab., z. Sch.) Hij ziet er zoo nooselijk 
uit, Nooselijk zien. 'Et kind grees zoo nooselijk. 'i Was nooselijk om 
te zien, *t Is nooselijk geld veur zoo 'en vod. 

— Veur "en nooselijk zien^ voor ecnen kleinen prijs, Fr. a vil prLx, 
Ik heb da* veur e nooselijk zien gekocht. 

— V. D. vermeldt nooslijk als gew. en veroud, Vrglk. verü,, IV, 
2551, en OUD., IV, 632. 

NOOT, znw., V. — Fr. noix. 

— Verg. Noten gelijk amandelen^ lekkere noten. 

— M, Notelaren hout. Die kas is van noot. Noot is schoon hout. 

— Spr. Ik zal nog wel met uw beenen noten kluppelen^ z. BEEN. 

— Fr. note, Spr. Veel noten op zijne(n) zank hebben^ veel beslag 
over zich hebben, veel praat maken. Hij heet te veul noten op zijne' 
zank, dieë kale mijnheer. 



- 863 — 

— Bij timmert., enz. Blokje arduin aan eiken kant van den dorpel, 
waarop de deurposten rusten. Men zet de houten deurstijlen op noten 
om het verrotten te beletten. D. B, 

— Arduinsteen of uitstekend stuk hout in den muur, waar een 
balk op rust. D. B. 

— Een stuk hout in het lijf van een e schouw gemetst om den schouw- 
balk te ondersteunen. D. B. 

— De vereeniging van twee stukken hout, waarvan *t eene voegt 
en sluit in eene halve cirkelvormige groef van *t ander, heet noot, Fr. noix, 
D.B. 

NOOTSCHAAP, zuw., v. — Bij tlmmerl. Eene schaaf om noten 
te schaven, b. v. in een vensterraam. 

NOP, znw., V. — Hetzelfde als Mop, rond koekje van peper- 
koekdeeg gebakken. 

— Het mrv. bet. ook Geld. Ik heb geen noppen meer. Hij zou 
wel bouwen, maar z^n noppen zijn op. 

NÖRK, znw., m. — Z, hork. 

NOT, znw., o. — Bij mulders. Blokje hout dat in den ijzer balk 
uit en in kan, en dient om het staakijzer in den ijzerbalk te doen vast- 
zitten, 

— Wordt ook gebruikt voor Nok. Z. nok. 

NOTRNBLAD, znw., o. — Soort van aardappelen, waarvan 
het loof op notebladeren gelijkt. 

NOTESLOESTER, NOTESNOESTER, znw., m. — De 
groeue bolster van eene okkernoot. Z. sloester. 

NOU, bw. — Nu, Fr. maintenant, a présent (N. der K.), elders 
Na, Nau en Nè. 

NUCHTEREN, bvw. — Hetzelfde als Nuchter: r a jeune ; 2® niet 
dronken; 3® pasgeboren, bij G. nïichtern, Hgd. nüchtern. 

— Ongemest, T., R., KI.- Br. Haver nuchteren zaaien. Hij hée* 
zijn pataten nuchteren geplant. 

NUPPELEN, w., b. — Verkrijgen, opdoen. (Z. der K.) Daar 
valt hier niks te nuffelen. Ik heb daar niks genuffeld. 

♦NUPS, »NIPS, bvw. — Wordt, volgens Sch., te Antw., en 
omstreken gebezigd voor noesch^ nuusch ^ schuins. Wij hebben dit w. 
nooit gehoord. 

NUGGER, bvw. — Vlijtig, wakker, werkzaam. £ nugger mcisken. 
Dat kind ziet er nugger uit. 

— Verg. Zoo nugger als 'en bieken, 

NUITS, znw., m. — Z. HöRTS. 

NUITSEN, w., b. — Z. hörtsen. 

NU MEN, w., b. — Noemen, Fr. nommer. Ge moet m'ne' naam 
numen. 



— 864 - 

NUMERO, znw., m. — Nummer, J. 

— Spr. Dat is van mifrun numero niet^ dat gaadt, dat voegt mij niet. 

"NUS, z. *NUUS. 

NUS(CH)BN, w., o. — Noesch, in schuinsche richting loopen. 
Z. NUUSCH. De straat nuuscht hier 'en bitje. 

*NUUS voor: nieuws (Brab., Antw. en elders), te Anlw. nus. 
Wat nus is er ? ^ Aizoo Sch, 

— De uitspraak r/uus hebben wij in de prov, Antw. nog nergens 
gehoord, lenzij te Antw. in de vnag : ntks nuus ? = geen nieuws ? 
*t Is eene verbastering van het Engelsch no new% ? dat uitgesproken 
wordt no nioes (met toonlooze /). Dat men te Antw. nus zegt, dit 
moeten wij volstrekt ontkennen. Meest overal spreekt men niefs, nies^ 
nifs uit, doch in 't N. der Kemp. noes^ noeTt's, 

NUUS(CH), bvw. — Schuinsch, Fr. oöitgue. T., R., Kl.-Br.. bij 
D. B. en Hfft. noesch. 'En nus(ch)e lijn. Dicö weg loopt 'en bitje nuus(ch). 
Ge snijdt die stof te nuus(ch). Ga maar nuus(ch) over 't veld. 

— Gep. w. Nuus{ch) en dwèêrs, z. DWÈÈRS. 

— Ovtr nutts[ch), in schuinsche richting, Fi. obljquenunt. Hij liep 
over nuus(ch) over 't veld. Die tafel sta' wat over uuus(ch). Zet oewen 
hoed recht, hij staat over nuus(ch). 

— A^uus{ch) over^ schuins over, aan den overkant in schuinsche 
richting. Hij woout hier nuus(ch) over. Hier nuus(ch) over de straat 
is 'ne winkel, daar ze messen verkoopen. 

Kil. Noesch, nuesch, oblii/uus, 

NU VEREN, w., o. — Verlangend zitten of staan kijken om iels 
te bekomen, (K.) Geeft den hond e stuk brood, hij zit daar ai zooiank 
te nuveren ! Ook Uvcrcn. 

Kil. Nuvercii, Jlagiiare^ appeierc; Uveren, avere^ concnpiscere. 



o. 



o, znw., V. — Hetzelfde als Nul, Fr, zéro, 

— Spr, ^En o zijn in 't cijfer of in *t cyferen^ een onbeduidend 
persoon, iemand zonder gezag of invloed, in de Wrdb. eene nul in 
7 c^fer zijn^ Fr. être un zéro en chiffre, 

— Ronde die de kinderen op den grond trekken, en waar zij hunne 
knikkers in zetten of met de non in kappen. 

— Spr. Iemand in de o zetten of hou{d)en, hem voor den aap 
houden, hem bespotten. 

— Z^'ne leste knikker staat in de o^ hij is ten onder gebracht, 
Fr, // est ruiné. 

— Alles in de o zetten^ alles wagen, zijn geheel fortuin op 't spel 
zetten. 

— Aarsgat, opening van den aarsdarm, podex^ anus. 

OBLEWITJE'.N, znw., o. — Z, nobbelewitje(n. 

OBSTINAAT, bvw. — Hardnekkig, stijfhoofdig, Fr. obstiné. D.B., 
R. '£n obstinaat kind. Hij is obstinaat in de boosheid. 

OCH, vgw. — Of. (K.) T., R. (Ook in O.-Vl., Brab. en Limb., 
z. Sch. en in *t Mdnl., z, verd., V, 5.) Ik och gij. Den eenen och den 
anderen dag kom ik. Hij och 'en ander. 

— Noch, Fr. m\ Daar is lezen och bidden veur. Hij kan rusten 
och 4uren. 

Ook of. 

OCH, tw. — Ach. Och! wa' ben ik ongelukkig! Och! wat doet 
da* zeer ! 

OCHDAT» vgw. — Ofdat, Fr. si. (K.) Ik weet nie* ochdat ck zal 
vertrekken. Ochda' ge bidt och smeekt, ge zult niks bekomen. 

— Alsof, Fr. comme si. Hij liep, ochdat em den duvel gezien had. 

OCHERMBN, tw. — Ocharm, ocharme. (Volgens V. D. min of 
meer veroud.) 

— Spr. In den ochermen staan ^ beklaagd worden, het medelijden 
opwekken van rijke lieden en aldus geholpen worden. (A.) As er te 
krijgen valt, is ze er altijd bij, want ze staat in den ocharmen. 

OCHTE, vgw. — Z. OFTE. 

OCTAAF, znw., o., niet v. — Achtdaagsche kerkfcestvicring. Het 
octaaf van Allerzielen, van het H. Sacrament, erz. 



Idtoiifpn 57 



- 866 — 

— Fip. Tijdperk van 7-8 dagen, gedurende hetwelk een dronkaard 
op slcmperij gaat. Jan is aan 't drinken : *t zal weer 'en octaaf duren. 
As em 's Zondags begint te drinken, dan maakt em er altijd 'en octaaf van. 

— In octaaf gaan^ beginnen te slempen voor eenige dagen. 

— '/ h 'en octaaf met *cn zingende mts, zegt men van een werk, 
dat weinig tijd vordert en toch lang duurt. (A.) 

OCTROOI, znw., m., niet o. — Stedelijk accijns op eetwaren. 
De octrooien zijn afgeschaft. 

-- Plaatselijke belasting. Ik moet 6 fr. octrooi betalen. 

OCTUS, znw., m. — Naam van eenen ingebeelden heilige. 

— Verg. E gezicht trekken gelijk den H, Octus, een treurig, 
bedrukt gezicht. 

OB, pers. vmw. — U, Fr. vous^ toi. Ik heb oe daar gezien. Spoeid 
oe watte. Wa' heet em oe geschreven ? Zie veur oe ! 

^ Wanneer men op het vrnw. steunt, zegt men niet oe, maar tm 
of a (lang), in 't N. ou en in 't Z. è, 

— Bez. bvw. Uw, Fr. votre^ tien. Oe vader. Oe huis. Oe€ stok. 
Oeén hond. Ook Oew. Steunt meA op het bvw., dan gebruikt men 
auWf a, ouw, è, èèw, 

OE, tw, — Uitroep van verbazing. Oe ! hoe groot ! Oe ! wat is 
dat toch wijd 1 

— Uitroep van pijn. Oe ! dat doe* zeer ! 

OECHTER, bw. — Versterking van achter^ in de samenstelling 
ginder oechivr^ ginder heel verre. (K.) Hij komt ginderoechter aan. 

OEI, tw, — Kreet van pijn, van teleurstelling, verwondering, spgt, 
schrik of afgrijzen. T., Kl.-Br. Oei ! dat doe' zeer ! Oei-oei ! dat is schoon ! 
Oei 1 da' 's spijtig ! Oei ! oei ! wa' Icelijke beest ! 

— Spr. Oei ! oei! schoon dochters^ maar leelijke koei^ gezeid van 
eenen boer met schoone dochters, maar met eenen armen stal. 

OEIÈÈ(R)S, znw., m. — Touter, schommel, Fr. balanfoir, escar- 
polette, (Oelegem.) 

OEIÈÈ.R)ZEN, w., o. — Touteren, schommelen. (Oelegem.) 

OEIS, tw. — Z. GES. 

OEKEREN, cok HOEKEREN, w., o., met zijn, ^ Sterken 
spoedig vermenigvuldigen, vermeerderen, aangroeien, Fr. s^accroitrerapide- 
ment, pululUr. D. B. Zie aanoekeren. De puinen oekeren in da' land. 
De muizen oekeren in de schuren. Dat arm volk oekert gelijk de padde- 
stoelen. 

— Onp. Het oekert daar gelijk de moerzeiken (mieren). Het oekert 
van konijnen in die boss(ch)en. Het oekert in dat huis van 't ongediert. 

O EP, vrz. — Op, Fr. sur. Oëp de tafel. De vogel zat oep den tak* 

O ERTS, znw., m. — Z. horst. (N. der K). 



-" 867 — 

OES en OEIS, tw. — Kreet van pijn. D. B., R. Oes ! mijne vinjjer! 
Oeis ! dat doe' zeer ! Ook Oei. 

OEST, znw., m. — Z. hörts. (N. der K.) IKTt. 

OÉTS, znw., m. — Z. iiörts. (N. der K.) 

OEW, bvw. — Uw, Z. OE. Ocwcn hof. Oew huis. 

OF, vgw., Fr. ö«, si\ enz., ook OCH. — Z. Wrdb. 

— Anderszins, zoo niet, Fr. autrement. D. B. Ge zult doen wat 
ek zeg, of ge zul* 'et oe beklagen. Hij moet beter leeren, of hij wordt 
gebuisd. Gij moet die bloemen begieten, och ze sterven allemaal. 

— Wordt veel gebruikt in de plaats van noch, Fr. nt\ Daar was 
vier of vonk in den heerd. Hij bezit kruis of duit. Hij kan nie' lezen 
och schrijven. 

— Wordt in *t N. der Kemp. gebezigd voor het vergelijkend voeg- 
woord oU. D. B, Ik ben zoo groot of gij. Mijn peerd is zoo sterk of 
't zijn. Zoo lomp of *en half hout. 't Is beter gcëten of 't bed versleten. 

— Men gebruikt of om iets met kracht te bevestigen in deze en 
dergelijke antwoorden : Gadegij naar de kermis ? Antw. Of ek gaan ! 
certainement j^y vais, Haddegij zoo 'nen dorst ? Antw, Of ik dorst had ! 

— Soms antwoordt men enkel door of ik, of hy\ of wrj\ enz. Hij 
zal daar zeker wel naartoe gaan ? Of hij ! Hée' ze weer e nief kleed ? 
Of ze ! 

Ook bij D. B. 

— 0/ wordt dikwijls weggelaten in deze en dergelijke zegswijzen : 
*nen frank drij vier ; dat kan vijf Zfs dagen gele{d)en zyn ; over vier 
vijfhonderd jaar, enz, D. B. 

OFDAT, ook OCHDAT, vgw. — Of, Fr. si. Ik weet nie', ofdat 
ck wel den tijd zal hebben. 

— Alsof, Fr. comme si. 't Is e weer, ofdat de zee zou uitdroogen. 
Hij schreeuwde, ofdat i vermoord wier', — In 't Mdnl. komt of met die 
bet. voor, Z. verd., V, 26, 

OFFER, znw., m. — OfTering in de kerk lijdens eenen lijkdienst. 

— Jlet geld dat door de aanwezigen in cencn lijkdienst geofferd 
wordt. Den offer is vciir de' pastoor. De pastoor hée* vandaag *nc' grooten 
offer gehad. 

— Hetgeen de geloovigen offeren in de kerk, 't zij in geld of in natuur. 

— Ten offere gaan^ gaan offeren in eenen lijkdienst. (Ook in 't Hasp, 
en KI.- Br,, z. R.) 't Is het gebruik dat de naaste bloedverwanten eerst 
ten offere gaan. In sommige kerken gaat men drij keeren, in andere maar 
twee keeren of eenen keer ten offere. Bij den lijkdienst van een lid 
eener gilde, gaan in de Kempen, de gildebroeders eerst van al ten ofïere. 

Het ÏVbordenb, der Nederl, taal heet die uitdrukking ten onrechte 
verouderd. 

OFFERBLOK, znw., m, — Houten kistje in de kerken tegen 
eenen pilaar hangende of op een blok staande, bestemd om de oflergiften 
te ontvangen. 



— 868 — 

OFFEREN, w., b. — Een kind op zijn achterste slaan. Wacht, 
ik zal oe is offeren. Wanneer de kinderen iemand offeren, zeggen ze : 

Ofifer, offer, 

Den uil is dood. 
En al die nie(t) geofferd en is. 
Die zal geofiisrd worden. 

— 'En kat offeren^ ze ver van huis dragen en ze daar nederzetten, 
zoodat ze den weg niet meer vindt. (K.) 

OFFERMIS, znw., v. — Êene mis voor overledenen, waarvoor 
de priester niets ontvangt dan den offer, die onder den dienst gedaan 
wordt. Zulke missen hebben gewoonlijk plaats voor de afgestorven leden 
eener gilde. 

OFPICIERKE(N, znw., o. — Schertsende benaming voor Kleine 
borrel. (A.) 'En offiderke drinken. 

OFTE, ook OCHTE, vgw. — Of, Fr. ou. Wordt nog gebmikt 
met niet, Doede *t ofte niet ? Gade mee, ja ochte niet ? 

OJIEF, znw., o. — Bij schrijnw. Eene Igst gedeeltelijk hol en 
gedeeltelgk bol, Fr. cynaise. Een ojief schaven aan een deurpaneel. 

OJIEFSCHAAF, znw., v, — Schaaf dienende om het ojief te 
schaven, Fr. doucine, 

OK, bw. — Ook, Fr. aussi\ Zvr. ok^ och, IJsl. oc^ og, (K.) T., 
G., B. Da's waar ok. Da' kan ek ok. 

OKENBRIS(CH). — Okenhtisch doen^ een spel met de non of 
den draaitop, hierin bestaande dat de jongens hunne non zetten in eene 
op den grond geteekende o of ronde, en ze laten draaien totdat ze er 
vanzelf uithrischt. Z. brisschen, 

OKENRIJDEN, w., o. — Z. okentrek. 

O KEN TREK. — Okentrek doen, een kinderspel. Men schrgft een 
zeker getal ekens kegcigewijs nevens elkander. De speler moet, op 
aanwijzing van zijnen makker, al de o's met lijnen aan elkander verbinden, 
zonder ooit eene neergeschreven lijn te mogen raken. 

O KEN VANG. — Okenvang doen, zeker spel met den draaitol. 
Ieder speler kapt op zijne beurt met zijnen top in eene o, en tracht 
zijne non met de koord te vangen en uit de o te trekken. 

OKER, znw,, m. en niet v. — Z. Wrdb. 

OKKENOOT, znw., v. — Okkernoot, Fr. noix, 

OKSEL, znw., v. en niet m. — Fr. atsselU, D. B. 

ÖLF (uitspr. ölUf), telw. — Elf. (Z.-O. der K.) 



— 869 — 

OLIE, zQw., V., Ft, hut/e, is soms m., 'te weten in den zin vaü 
de H. Olie, die de zieke in het H. Oliesel ontvangt. De zieken heet den 
heiligen olie gehad. 

— Ffff$£ olü, olijfolie, Fr. huïlg d*olives, 

— Vuile olie^ petrol. 

— Spr. Dat is olie in z^n lamp, dat slaat hem aan, dat is koorn 
op zijnen molen. 

— Olie drijft boven, de waarheid zegeviert. 

— 't Is 'en olie, zegt men van iets dat zeer goed is en veel voldoening 
verschaft. D. B. Wij hebben gelachen en plezier gehad op die feest ; 
jongen, da' was 'en olie ! As me da' reisken is kosten doen, da* zoa 
'en olie zijn ! 

OLIEBOON, znw., v. — Soort van vetachtige boon, die aan 
den koffie eenen vuilen gear en smaak geeft* De olieboonen zgn geene 
koffieboonen. 

OLIEJAKKER, znw., m. — Gepekte mantel. Voerlieden dragen 
oliejakkcrs om zich tegen den regen te bevrijden. 

OLIEKIT, znw., v. -^ Blikken stoop, voorzien van eenen heis 
en een scheel, om olie in te doen. 

OLIENOOT, znw., v. — Slechte okker-, hazel- of beukenoot, 
die ccoeu olieachtigen smaak heeft. 

OLIEPLAK, OLIEPLEK,znw., v. — Olievlek, Fr. tache d*huiU. 

OLIESTAANDBR, znw., m. — Blikken of houten vat, voorzien 
van ecu scheel, waar men olie in bewaart. 

OLIESTOOP, znw., m. — Stoop om olie in te doen. 
ÖLLIE, ÖLLE(N, vmw. en bvw. ~ Z. UUE. 

OLM (uitspr. oll^m), znw., m., zonder mrv. — Bederfin 't brood, 
hierin bestaande dat het spint of draadjes vormt, wanneer men het breekt. 
(K.) '£t brood deugt nie' : den olm is er in. 

OM (in 't Z. en W. o}hn), vz. en bw. — Z. Wrdb, 

— Voor het Fr. autour de bezigen de Noord-Nederlanders dikwgls 
om, welk gebruik hier weinig of niet bekend is, evenmin als in W.-VI. 
(Zie D. B.) Wij gebruiken rond, Z. rond. 

— De uitdrukkingen om Paschen, om den middag, enz. zijn hier 
onbekend ; men zegt immer rond Paschen, rond den middag, enz. 

— Om negen uren, enz. bet. bij ons nooit ongeveer negen uren , 
maar te negen uren, op klokslag van negen uren. Voor ongeveer negen 
uren zeggen wij rond negen uren. 

— In plaats van : h^' is om de 60 jaar oud, ik heb nog om de 
2S eieren f zeggen wij : Ay is rond de 60 jaar oud, ik heb nog rond 
de 2$ eieren, 

— In stede van : om de twee uren, om de drjf dagen, enz* gebruiken 
wq: alle twee uren^ alle dry dagen^ enz. Z. ai.. 



A 



— In plaats van //•, Fr. »>, tusscben sommige bvw. en ecne onbepaalde 
wijze be/igl men dikwijls cw. D. B. 't Was schrikkelijk om hoeren en 
deerlijk om zien. Z. inleiding, bl. 88, § 25. 2^oo ook oudtijds. « ... Caïns 
nijt, quaet om versaden.» (Anna Bijns. Rffereinhotk, 21,) «Al vint 
men veel pijnen SMaer otn verdraeghen. > (ld., Ibid., 16.) 

— In uitdrukkingen als ziek om te sterven^ drinken om ie bersten^ 
enz. bet. om zooveel als f^enoeg om, op het punt 7'an, Fr. stifisamment 
pour, au point de, D. B. 

— Om beterswil, om bestwil. 'En leugen om beterswil. 

— Om dieswilf omdat, Fr. parce qiie. Ik kost nie* komeo, om 
dieswil dat ek geenen tijd en had. 

— Om dientwil, daarom, om die reden. Hij won daar maar 'en 
klein huur, en om dieëntwil is em er vertrokken. 

— Om redenswil, omdat, uit die oorzaak, Fr. parce que. Ik betrouw 
'em nie', om redenswil dat hij *nc leugeuèèr is. 

— Om reden dat^ omdat, om redenswil. Den baas hee' zijne* knecht 
deurgestuurd, om reden dat hij nie' eerlijk en was. 

— Men hoort altijd om ter hardste^ om ter gauwste^ om ter schoonste^ 
enz. voor hel geijkte om het hardst y om het gauw st, om het schoonst^ enz. 

— Omgeploegd of omgespit zijn. Me' land is om van gisteren. Is 
den hof al om ? 

7a>o ook om moeten» 

— Van messen en andere snij tuigen. Bot, Fr, e'mousse', 'Et mes 
is om, ik kander nie' mee snijen. 

OM — . Wordt veel gebruikt voor het voorvoegsel 0», wanneer 
het stamw. met A, m oï p begint. Ombermhertig, ommeugelifk, ompaar. 

OMBEULEN, w., b. — Beulen, met de beulploeg omploegen. 
Z. beulen. 

OMBLBKKBN, te Antw. OMBLIKKEREN, w., b. — Bij 
kaartsp. Het bovenste kaarteblad omkeeien en blootleggen. Z. BLEKKEN. 
Blekt de kaart om. Welke kaart blikkert em daar om ? 

OMBOOGEN, w., b — Ombuigen. Boogt dieën tak om. 'Nen 
boom omboogen. 

OMBRENGEN, w., b. — Eene tijdruimte ten einde brengen, 
doorbrengen. (Volgens V. D. veroud.) Hoe hedde oewen avend om- 
gebrocht ? 

OMBUTEN, w., b. — Den grond omwroeten, omwoelen met 
eenen riek. De' grond ombuten. 

OMDABBEN, w., b. — Al dabbende omwerpen, (K.) De kiekens 
dabben den huf heclemaal om. Den hond heet 'en ertbed in den hof 
omgedabd. 

OMDAT, vgw. — Wordt altijd gebezigd voor Opdat, Fr. ajin que, 
dat niet bekend is. D, B. (Ook in 't Mdnl., z. VERD., V, 113.) Doet 
oc best, jongen, omda' ge later 'ne geleerde zoudt wörren. 



-871 - 

OMDIENTWIL, vgw. — Z. onder OM. 

OMDIESWIL, vgw. — Z. onder om. 

OMDOEN, w., b. — Omploegen of omspitten. D. B. (Ook in 
Brab. en Limb., z. Sch. Door V. D. nis gewest, vermeld.) Land omdoen. 
Den hof moet morgen omgedaan wörren. 

OMDRAAI, znw., m. — De draai of kromte eener straat of 
eens waterloops. Ik kwam hem tegen aan den omdraai van de straat. 

OMDRAAIEN, w., b. — Z. Wrdb. 

— Zi/n hand veur iet nidj) omdraaien^ zich volstrekt onverschillig 
houden nopens eene zaak. 't Is morgen kermis, maar ik draai er nog 
mijn hand nie' veur om. 

OMGAAN, w., o. met zgn. 

— Uit den weg gaan. Gaat om, of ik rij u omver. 

— Fig. Wijken, zwichten. Hij ga* veur niemand om. As ge recht 
in oe' schoenen staat, dan moette veur niemand nie' omgaan. 

— Door snijden of kappen bot worden. Da' mes gaat om, as ek 
er mee snij. Die bijl is omgegaan. 

— De{n) weg omgaan^ al biddende een bepaalden weg afleggen 
voor zieken of overledenen, door verscheidene personen te zamen. Ze gaan 
morgen de' weg om veur X. In vroeger jaren ging men te Antwerpen 
den weg om op Goeden Vrijdag. 

— Omgeploegd of omgespit worden. Wanneer gaat oe' land om ? 

OMGERAKBN, w., o. met «ijr'n. ^ Omraken. Hoe zal dieë ver- 
velende Zondag omgeraken ? 

OMGOEIEN, w., o. — Meteenen cent omhoogwerpen, kop of 
letter, om te weten wie hem heeft, wie eerst moet spelen, enz. 

OMHALEN, w., b. — Overhalen, ¥x. persuader. Ik had 'em 
geren meegekregen, maar ik kost 'em nie' omhalen. Ze hebben 'em 
omgehaald om te blijven. 

— Eene collecte doen, giften inzamelen aan de huizen of in een 
gezelschap. (Weinig gebruikt ; men zegt meer RONDHA.LEN. Z. dit w.) 

OMHALING; znw., v. — Het inzamelen van giften aan de huizen 
of in een gezelschap, b. v. in de kerk. Men zegt meer rondhaling. 
Daar zal morgen eene omhaling in de kerk gedaan worden voor de 
Afrikaansche missiën. 

OMHOOG, bw. — De wind is omhoog^ hij komt uit het Noorden 
of Noord-Oosten. (Ook in Z.-Holl., z. opp., 74.) Vrglk. omleeo. 

OMHULLEN, w., b., scbb. (Iclemt. op om), — . Bij landb. Den 
grond omspitten op eene diepte van 3 tot 4 centimeters. De' grond 
omhullen. Ik zal da' pleksken maar wat omhullen. (K.) 

OMKAMPEN, w., b. — Omkantelen, omslaan. Kampt dieë' 
pot nie' om. 

— Ook o«, met zyn. De stoel kampten om en ik viel. Den bloempot 
s omgekampt en gevallen. 



— 872 — 

OMKANTEN, znw., m., mrv. — Omstreken, Fr. environs. Hij 
woont aan de omkanten van Turnhout. Da* moet gebeurd zijn aan de 
omkanten van Brussel. 

OMKANTEN, w., b. en o. — Hetzelfde als Omkantelen, Fr. 
renverser, se renverser. Ik heb 'et zoutvat omgekant. ]>e stoel kantten om. 

OMKAPPEN, w., b. — Doen omslaan, sprek. van de lading eener 
kar, 'En kar mest omkappen. 

— O., met zijn. Omslaan, sprek. van eene aardkar. De kar kapte om, 
is omgekapt. 

OMKLAPPEN, w., b. — Door klappen van voornemen doen 
veranderen. T., R., Kl.-Br. Sommige mens(ch)en zijn gauw omgeklapt. 
Ge zult mij nie' omklappen. Hij laat 'em van niemand nie' omklappen. 

OMKLINKEN, w., b. en o. — Omslaan, omvallen, omkantelen. 
T., R. Zijne' voet omklinken. De kar is omgeklonken en de as gebroken. 

OMKROLLEN, w., b. en o. — Omkrullen. Z. Wrdb. 

OMLABEUREN, w., b. ^ Omploegen en bemesten. Hij heet 
'en bunder hei omgelabeurd. 

OMLEEG (scherpe e\ bw. — Omlaag. Z. Wrdb. 

— De wind is omleeg^ hij komt uit het Zuiden of Zuid- Westen. 
(Ook in Z.-Holl., z. oppr., 74.) Vrglk. omhoog. 

OMLIGGEN, w., o. — Uit den weg, op zijde, aan den anderen 
kant liggen. Ligt wat om, ik heb geen plaats genoeg. De koei wilde 
nie' gaan omliggen. 

OMLOOP, znw., m. — Bij wagenmakers. De omloop van een 
wiel zijn de vellingen die te zamen het wiel uitmaken. 

— Heerschende ziekte, ziekte die velen terzelfder tijd aandoet en 
schijnt voort te loopen. R. Daar is 'nen heelen omloop onder de kinderen : 
ze krijgen allemaal brand. Ook Overgank. 

OM ME, tw. — Roepwoord om eene koe te doen omstaan. (K.) 
R. (Ook in 't Hag., z. Sch.) 

OMMERS, OMMES, OEMMERS, OEMMES, bw. — Het- 
zelfde als Immers in de Wrdb., Fr. pourtant^ n^est'Ce pas ? D. B., Sch., 
Hfft., B. Zie ook VERD., V, 162, Ik heb 'et oe ommers gezeid I 't Is 
ommcs nog tijd genoeg ? Ik kost er oemmers niet aandoen ? 

— Doch immers verschilt hier van ommers» Wegens het verschil 
tusschen beide w., z. IMMERS. 

OMMOBTEN, w., o. — < Moeten omgeploegd of omgespit worden. 
Mijn land moet vandaag nog om. 

OMNEER, bw. — Nederwaarts, omlaag, naar beneden. Buigt 
dicên tak omneer. 'En koor(d) omneer trekken. 

OMNIBUS, znw., v. en m. — Z. Wrdb. 



-1873 - 

OMRBDBNSWIL, vgw. — Z. onder ov. 

OMRIJ(D)EN, w., b. — Bij landb. Omploegen. R., Hfft., Sch. 
Het laud omrij(d)en. De knecht moet nog vier gewenten orarij(d)en. Is 
uw veld al omgere(d)en ? 

OMSCHARRBN, w., b. ~ Al scharrelende, al krabbende om- 
werpen. De kiekens scharren alles om in den hof. 

OM SCHAVEN, w., b. — Al schavende de schaaf bot maken. 
Dieë leergast schaaft de schaven allemaal om. 

OMSCHROEBBN, w., b. — Omscharrelen, omkrabben. De 
kiekens hebben 'et koren omgeschroébd . 

OMSCHUPPBN, w., b. — Omschoppen. 

OMSLAG, znw., m. — Bij kleerm. De omgevouwcn kant van 
een kleedingstuk op de borst, Fr. revers d^un hdbit^ bij D. B. omleg 
genaamd. 

OMSLAGEN, w., b. — Omslaan. Z. Wrdb. 

— De{^) voet omslagen^ hem verzeeren of verwringen door een en 
scheeven tred. 

OMSPA'P)EN, OMSPAAIEN, w.,b. — Omspitten, Fr. bêcher. 
(Volgens het Wrdb, der Neder L Taal is dit w. weinig gebruikelijk. 
Hier is omspitten zoo goed als onbekend.) 

OMSPRES, bw. — Z, ESPRES. 

OMSPRINGEN, w., o. — Fig. Zich generen, zich behelpen, 
Fr. se contenter de. Dat is te weinig om daarmee om te springen. 
Met twintig frang moet hij 'en maand lank omspringen. 

Ook Opspringen. 

OMSTAAN, w., o. — Uit den weg staan. Staat om, want daar 
komt e gerij aan. 

— Fig. Zwichten, wijken, Fr. ceder. Ik staan veur niemand om. 
In 't opstellen moet hij veur den beste nie' omstaan. 

Ook Omgaan. 

OMSTAMPEN, w., b. — Omschoppen, Fr. renverser d coups 
de pied. Dieë kwajongen hèe' mijn melkkruik omgestampt. 

OMSTEKEN, w., b. — Ondiep omspitten. De' grond omsteken 
op 'en diepte van eenige centimeters. 

OM STULP EN, w., b. — Doen omslaan, sprek. van de lading 
eener kar. (N.-O. der K.) '£n kar zavel om stulpen. 

OMTUIMBLEN, w., o., met zyn, — Fig. Van partij of godsdienst 
veranderen. Dieë kandidaat is al drij keeren omgetuimeld. 

OMVALLEN, w., o., met «y«. — Fig. Van meening veranderen* 
Gij houdt nu aao uw gedacht, omda' ge meent dat 'et goed is, maar 
ge zult later wel omvallen* 



- 874 - 

— Zoude nu nie{f\ omvallen {van lachen)^ zegt men bij 't zien 
of het hooren van iets, dat belachelgk is of afkeuring verdient. Dieé kleine 
snotneus gaat al op zijn pinten gelgk 'oe groote : zoude nu toch nie* 
omvallen ? Dieë kale mijnheer spreekt van e kasteel te koopen en h^ 
zit tot over de ooren in de schuld : zoude toch nie' omvallen van lachen ? 

OMVERSCHIBTBN, w., b. — Doodschieten. Ze zeggen dat 
em van ze' léven 'ne* mensc(h) omvergeschoten heeft. 

Oa>4 VERSTEKEN, w., b. — Doodsteken. R. Hij is tot levens- 
langen dwankarbeid veroordeeld, om 'ne' mensch omvergesteken te hebben. 

OMWIJNEN, w., b. — Omwinden. fK.) 

— Wordt ook gebruikt voor Omwenden, keeren. *Et hooi omwgneo. 

OMWROOKEN (ook omwruëk9n\ w., b. — Omwringen, ver- 
wringen. (K.) Gij hèt de* sleutel omgewrookt. 

OMWRUTEN. w., b. — Omwroeten. 
OMWULEN, w., b. — Omwoelen. 

OMZENDBRIEF, znw., m. — Openbare, gedrukte brief, die 
wordt rondgezonden, Fr. circulaire. 

OMZETTEN, w., b. — Wisselen. Hfft. Geld omzetten. Kunde 
me gee(n) stuk van vijf frang omzetten ? 

OMZIEN, w., o. — Z. Wrdb. 

— Spr. Ge kunt nie{i) r^\d)en en ontzien^ men kan geen twee werken 
te gelijk verrichten, 

— Met zyn. Wordt gezeid van iemand dien men vernachtte en 
die niet komt (in loochenende en vragende wendingen). Den beenhouwer 
zie' aie' om mè' ze' vlees(ch). Ik heb oe gisteren verwacht, maar ge 
zij' nie' omgezien. Hij hée' mij beloofd te komen, maar hij zal weer 
nie' omzien. 

— Naar iet of iemand omzien^ er naar vernemen, er op waken, 
er naar uitzien. Die moeder zie' nie' naar heur kinderen om. Hij zie' 
weinig naar ze' lief om. Ziet is naar 't melk om, dat *et nie' overkookt. 
Ik moet kost wa' kost naar die erfenis omzien. Ge moet daar nie' 
naar omzien. 

— levers geen omziens naar hebben^ er zich niet over te bekomme- 
ren hebben. Ik zend me' kind naar de bewaarschool, dan heb ek er 
geen omziens naar. 

— Daar is geen omziens naar, er hoeft niet naar omgezien te worden. 
Die schuur is sterk gebouwd : daar is in lange jaren geen omziens naar. 

OMZWIKKEN, w., b. — Omzwenken. T. E kind omzwikken 
(met eenen zwenk omdraaien.) 

ONBEHANGEN, bvw. — Slordig gekleed, Fr. négligemment 
vétu. (Lier.) Da' zijn toch on behangen kinderen ! 

ON BEJAARD, bvw. — Minderjarig, onmondig, Fr, mineur, Zg 
is nog oni)ejaard. *Nen onbejaarde jongen. 

Kil. Oo'bejaerd, immaturus annis, minor annis, impubes. 



— 875 - 

# 

^ONBEKWAAM, znw., o. — < Kaamsel, bekwaamsel, kaam, 
kaan. Het onbekwaam van 't bier. > 

Loquela '93, hlfz. 21, geeft dat w, voor Antw. Z. BEKWAAM. 

ONBELEEFDERIK, znw., m. — Onbeleefd mcnsch. D. B., Sch. 

ONBBSAAPD, bvw. — Ruw, woest, dwaas. (K.) 'Nen onbesaafdc 
kerel. Onbesaafd te werk gaan. Ook Onversaafd. 

ONBBSCHAAMDERIK, znw., m. — Onbeschaamde kerel, 
schaamteloos ineusch. T., R., Kl.-Br. (Ook in Brab. en O.- VI., z. Sch.) 

ONBESCHOEPT, bvw. — Onbeschoft. 

ONBESCHOFTE RIK, znw., m. — Onbeschoft mensch. 

ONBESNUTST, bvw. — Frank, vrijpostig, onbeschaamd. (Z. der 
K.) 't Sta' leelijk van zoo onbesnutst te z^n. Jan is 'nen onbesnulste 
vent : hg doet overal ofdat em thuis is. 

ONBEVROZEN, bvw. en bw. — Vrijmoedig. T., Kl.-Brab. Ze 
is onbevrozen genoeg om oe dat op oe' brood te geven. Iemand onbevrozeo 
de waarheid zeggen. 

ONBEZOUWIG, bw. — Zonder bezou, zonder goede manier 
▼an doen (Z. bezou). (K.) Gij gaat altijd zoo onbezouwig te werk. 
Onbezouwig eten en drinken. 

ONDER, vz. en bw. — Z. Wrdb. 

— Onder of hoven, vc^n of meer, sprek. van een getal. D. B., R. 
Dieé zak zal onder of boven de honderd kilo wegen. Da' kan zeven 
jaar gele\d)en zijn, onder of boven. 

— S)pr. Onder of boven altgd koek, z. koek. 

— Onder kerkerechten liggen, z. KEBXERECUTEN. 

— Er onder liggen, dood en begraven zgn. Hij lèèt er ook al lank 
onder. 

— Onder de man komen, z. MAN. 

— Onder hun, onder elkander. Ze hebben dat onder hun zoo beslist. 

— Ten onderen, Fr. ruiné. Die mens(ch)en zijn deur slechte zaken 
heelegansch ten ondere geraakt. 

Volgens het ÏVrdb. der Nederig Taal zijn de drie laatste uitdruk- 
kingen verouderd. Hier niet, evenmin als in 't Hasp., z. R. 

— Z^'n eigen ten onderen geven, zich onderwerpen. DieS koppigaard 
zal 'em wel moeten ten ondere geven. 

ONDERARMS, bw. — Het tegenovergestelde van Bovenarms. 
Met eene beweging van den arm van onder naar boven. (Ook in Limb • 
bg OPPR., 74, ondersarmsm) Bovenarms of onderarms gooien. Sommige 
nonnen of toppen worden onderarms gezet. 

ONDERBED, znw., o. — Kaf- of strooizak, waar de matras 
in een bed op ligt. D. B. 

ONDERBLAD, znw., o. — Het onderste blad van een snaartuig, 
Fr. tabU inférieure, dos de violon. D. B. 



- 876 - 

ONDBRBLIJVELING, zqw., m. -^ Een kind dat in zijnen 
groei IS biijvea siekeu. Zijn twee oudste zonen zijn kloeke jongens, maar 
de jongsten is maar 'nen onderblijveling, 

ONDERBLIJVBN, w., o., onschb. met zyn (klemt, op bleven). 
— Achterwege blijvcu, niet geschieden. Hfft. Jans houwel^k is onder- 
bleven. Ik denk dat die feest zal onderblijven. Ik meende vandaag uit 
te gaan, maar 't is onderbleven. < Gij hoopt of verlangt evenwel niet 
dat uv»r huwelijk onderhl^vef » (CONSCIKNCE, Geld en Adel^ 32.) 

— Verg. '/ Is onderbUven (of opgeslagen) gel^k de mer(k)t van 
Sichem. Die spreuk zinspeelt op het volgende sf>ot vertelsel : De inwoners 
van de stad Sichem vroegen eens aan de Stateo van Brabant de toelating 
om eene merkt te mogen houden. Hun verzoek luidde : 

Wij Edellieden verzoeken aan Ulieden 
Dat gij ons een merkt zoudt doen geschieden* 

Waarop hun echter geantwoord wierd : 

Als Wij zijn Lieden en gij z^t Edellieden, 
Dan zal u nooit geen merkt geschieden, 

— In zijnen groei blijven steken. De kinderen van onzen gebuur 
onderblijven allemaal. In den eerste groeide da* verken nogal, maar nu 
schijn' 'et te onderblijven. ^ Het Wrdb, der Nederig Taal geeft het w. 
in die bet., doch schb. 

— Schb. met zyn (klemt, op onder). Onder water blijven. Den 
duikelèèr bleef twee minuten onder. 

ONDERDABBEN, w.,b., schb. (klemt, op ^n^i^fr). — Al dabbende 
onderdekken. (K.) De kiekens hebben het zaais^ ondergeJabd. 

ONDERDOEPELEN, w., b., schb. (klemt, op onder), — Warm 
onderdekken. T., K., KJ.-Br. E kind onderdoefelen. Ik ben nie* geren 
zoo dik ondergedoêfeld. 

ONDERDUIKELEN, w., o., schb. (klemt, op onder). — Onder 
water duikeieu. 

ONDERDUIMS. bw. — Onder den duim, in 't geheim. (Ook 
in VI. eu Brab., z. Sch.) Onderduims te werk gaan. 

Ook Achterduims . 

ONDEREEN, bw. — Wordt altijd gebruikt in de plaats van 
Ouder clkaudci, ouderling. T., R., Kl.-Br. Ondereen leven gelijk de 
verkens. Zij vechten daar ondereen gelijk de wilde beesten. 

— • Komt voor in eene menigte samengestelde werkwoorden, die in 
de Wrdb. niet te vinden zijn. Wij laten de bijzonderste volgen. 

ONDEREENBABBELEN, w., b. — Verschillende zaken in 
het babbeieu verwarren. Ik kan uit oe' gepraat nie' uit, ge babbelt 
alles ondereen. 

ONDRRRRNBRAQGRLEN, w., b. ^ Ondereenmengen, sprek. 
van koevoeder in den koeketel. (K*) 



- 877 - 

ONDEREBNBRANDEN, w., b. ~ Onder elkander branden. 
T., KI. Br. Twee soorten koffie ondereenbranden. 

ONDEREENBRASSEN, w., b. — Ondereenbraggeleo. 

ONDEREEN DOEN, w., b. — Vermengen. T. Doet da* klaver- 
zaad maar ondereen. 

ONDEREENDRINKBN, w., b. — Onder elkander drinken. 
T. Wijn en bier ondereendrinken. 

ONDEREENETEN, w., b. — Door malkander eten. T. Ge 
zult ziek wörren mè' zoo alles ondereen te eten. 

ONDEREENGAAN, w,, o., met z^'n. — Vermengd geraken. 
T. Pas op dat da* koren nie* ondereengaat. 

ONDEREENGERAKEN,w.,o.,met ztfn, — Vermengd geraken. 
T., Kl.-Br. Ik weet nie' hoedat da' bloêmzaad ondereengeraakt is. 

ONDEREENGIETEN, w., b. — Onder elkander gieten. T., 
Kl.-Br. Giet die twee eemers melk maar ondereen. 

— Fig. Door elkander drinken. Dieë zatlap giet maar alles ondereen. 

ONDEREENGOEIEN, ONDEREENROEIEN w., b. — 
Door malkander goeien. Gij mcugt oe' kleeren zoo nie* ondereengoeien. 

ONDEREENJAGEN, w., b. — Door elkander jagen. T. Ziet 
toe, dat ge de koeien nie* ondereenjaagt. 

ONDEREENKAPPEN, w., b. — Onder malkander kappen. T. 
Verschillige groenten ondereenkappen om er kruidkoek van te bakken. 

ONDEREENKLASSEN, w., b. — Al klassende vermengen. 
Water en zeepsop ondereenklassen. 

ONDEREEN KLETSEN, w., b. -^ Onder elkander smijten. Hij 
heget raapzaad en *t koolzaad ondereeng^kletst. 

ONDEREENKNE(D;EN, w., b. — Al knedende vermengen. 
T. Deeg en boter ODdereenkne(d)en. 

ONDEREENKOKEN, ONDEREENZOIEN, w., b. — 

Onder elkander koken. Die verschillige stoffen moeten goed ondereen- 
gekoÖkt wörren. (Volgens het Wrdb, der Nederl. Taal is ondereenkoken 
weinig in gebruik ; hier wordt het veel gebezigd.) 

ONDEREENKOMEN, w., o., met zijn, — Zich vermengen. T. 
Ziet dat die twee soorten haver nie* ondereenkomen. 

ONDEREENKRIJGEN, w., b. — Onder elkander gemengd 
krijgen. T. Ik kan die verf en die olie nie* ondereenkrijgen. 

ONDEREENLOOPEN, w., o., met z^n, — AI loopende zich 
vermengen. T., Kl.-Br. Jongens en meiskens liepen ondereen. 

ONDEREENMENGELEN, w., b. — Vermengen. Schudt die 
twee soorten haver bijeen en mengelt ze goed ondereen. 




— 878 — 

ONDBRBBN MOEZELEN, w., b. — Al moezelende, al plette- 
rende vermengen. Boonen en pataten ondereenmoezelen. 

ONDEREENROEIBN. w., b. — Z. ondereengoeien. 

ONDEREENROMMBLEN, w., b. ~ Al rommelende vermen- 
gen. Rommelt de patatten maar goed ondereen. 

ON DEREEN RU REN, w., b. >- Onder elkander roeren. Doe 
wa* siroop in de pap en ruur' *et goed ondereen. 

ONDEREENRUTSBLEN, w., b. — Al hutselende vermengen. 
Ge doet die poeiers in wa' water, en ge rutselt alles goed ondereen. 

ONDEREENSCHUDDEN, w,, b. <- Onder elkander schudden, 
al schuddende vermengen. Schuiit die twee soorten boonen goed ondereen. 

ONDEREENSJAUWELEN, w., b. — Z. ondbreenbabbelen, 

ONDEREENSLAGEN, w., b. — Z. onoereenbabbelen. 

ONDEREENSMOSSEN, w., b. ^ Eenige vloeistoffen onzinde- 
lijk vermengen. Dieë jongen smost bier en water ondereen. 

ONDEREENSNlJ(D)EN, w., b. — Al snijdende vermengen. 
T., KI. -Br. Peeën en gruuntcn ondereensnij(d)en vem* de soep. 

ONDEREENSTEKEN, w., b. — Z. deureensteken. 

ONDEREENSTOVEN, w.,b. — Onder elkander stoven. Pataten 
en kooien ondereenstoven. 

ONDEREENVALLEN, w., o., met ztjn. — Al vallende zich 
vermengen. T., Kl.-Brab. In dieë* korf waren verschillige soorten van 
winkciwaren eu ze zijn allemaal onderecngevallen. 

ONDEREENVOEtD)EREN (Kemp. ond^reenvoi9rjn^^ w., b. 
— Onder elkander voederen. Wij voieren ruggemèèl en lijzemèèl ondereen. 

ONDEREEN WERKEN, w., b. — Door malkander kneden, 
al knedende vermengen. T. Ziet da' ge de koren ten en de bloem goed 
ondercenwerkt. 

ONDEREENZAAIEN, w., b. -— Al zaaiende vermengen. T. 
Ajuin en prei ondereenzaaien. 

ONDEREENZOIEN, w., b. — Z. ondereenkoken. 

ONDEREIND, znw., o. — Stukje kletskoord ouder aan den 
slag eener zweep, dat men later kan ver\angen door een ander, vermits 
er een oogje aan is. 

ONDEREN, bw. — Z. onder. 

ONDERGERS, znw., o. — De kleinere voederplantcn, zooals 
klis- en steenklaver, die tusschen het gras der weiden groeien. (K.) Eene 
wei waar veel ondergers in staat, brengt veel hooi op. 



- 879 - 

ONDERGEVBN, w., wdrk.schb. (klemt, op omUr.) — Zich onder- 
werpen. (Ook in *t Mdnl., z. VERD., V, 350.) Ik zou me nie* geren onder- 
geven. Ook ten onderen geven. 

ONDERHAAF cu ONDERHAAG, znw., m. — Een kruid, dat 
in *t Fr. lierre terrestre en in de wetenschap GUchoma hederacea L. 
genaamd wordt, bij D. B. onder have, 

^ONDERHALEN, w., b. — c Achterhalen, inhalen. % Sch. geeft 
dit w. voor de Kemp. 

ONDERHALF, bvw. — Anderhalf, Fr. un et demi, (Ook in 
Brab. en Limb., z. Sch. Evenzoo in 't Mdnl., z. verd., V, 354.) Onder- 
halve frang. Onderhalve meter. 

ONDERHAND ^lemt. op hand), bw. — Binnen kort, aanstonds. 
Wij gaan onderhand vertrekken. Da* werk zal onderhand gedaan zijn. 

ONDERHOOREN, w., b., onschb. ^klemt, op hoeren). — Ver- 
hooren, ondervragen. HflPt. (Ook in *t Mdnl. z. VEiiD., V, 358.) De 
getuigen onderhooren. De rechter hée' mij vandaag onderhoord. 

ONDERHOUD, znw., m. en niet o. — Fr, entretien. R.,J. 

ONDERJOK, znw., m. — Naam van het aas in een kaartspel^ 
dat jokken heet. 

ONDERKELDEREN, w., b. onschb. (klemt, op kelderen). *- 
Eenen kelder maken onder een gebouw, ondermijnen. D. B. Dat huis 
is heelegans(ch) onderkelderd. 

ONDERKLOPPEN, w., o., schb., (klemt, op onder). — Onder- 
doen voor iemand, Fr, Ie ce'Jer a. Hij klopt veur niemand onder. Ge 
hèt altijd den eerste geweest van oe' klas, maar deze' keer hedde veur 
mij moeten onderkloppen. 

ONDERKOMEN, w., o., onschb., met zijn (klemt, op komen). 
— Vervallen. Wordt enkel in de onb. wijze en 't verl. dlw. gebruikt. 
HfTt., T«, R.', Kl.-Br. (Ook in Limb., z. Sch.) Hij laat zijn huis leelijk 
onderkomen. Oe' pèèrd is sedert eenigen tijd fel onderkomen. 

ONDERKOOPEN, w., o., schb. (klemt, op onder). — Bij kaart- 
spelers. Eene troefkaart uitspelen die lager is dan die een ander reeds 
gelegd heeft. D. B. Ik heb den heer uitgespeeld en gij de vrouw : 
gij hèt ondergekocht. 

ONDERLATEREN, w., b., onschb. (klemt, op tateren). — Een 
dak tusschen de kepers of sparren met riet of stroo aanvullen, alvorens 
er de pannen op te leggen, bij Hfft. tateren. 'En dak onderlateren. 'En 
onderlaterd dak. 

ONDERLOOPER, znw., m. — Bij wevers. Een boom in het 
getouw, waarop men het lijnwaad windt, naarmate het geweven wordt, 
Fr. déchargeoir. 




— 88o — 

ONDBRRIJ(D)EN, w., b., schb. (klemt, op rifden), — Onder* 
ploegen. (Ook in Brab., z. Sch.) Mest onderrij(d)en. 

ONDERROMMELEN (in 't Z. en W. ond^rrolfmnufhn), w., b., 
onschb. (klemt, op rommelen), — Dooreen mengen, roeren. Oodenrommelt 
die krieken niet te veul, of ze rotten. 

ONDERRUREN, w., b., onschb. (klemt, op ruren), — Om- 
roeren. T., R. Onderruurt de pap goed. *Et water van den b^rrepat 
is gelijk onderruurd. 

ONDERRUTSELEN, w., b., onschb. (klemt, op rutselgn). -^ 
Al schuddende vermengen. (Ook in Brab., z. Sch.) Eerda' ge van dieSn 
drank inneemt, moeite de fles(ch) is goed onderrutselen. 

ONDERSCHEED, znw., o. — Hetzelfde als Onderscheid, Fr. 
dijfértnce, D. B., Hfit. (Ook in Brab., z. Sch.) 

ONDERSCHEE(D)EN, w., b. — Onderscheiden, Fr. distinguer, 
D.B. 

ONDERSCHIETEN, w., b., onschb. (klemt, op schieten), — Bg 
landb. Met de schup aarde werpen over het gezaaide graan. 'Et koren 
onderschieten. Is de haver onderschoten ? 

— O., schb., met zyn (klemt, op onder). Onder water schieten, 
overstroomen. As den dijk moest doorbreken, heel onzen bemd schoot 
onder. 

ONDERSCHUDDEN, w., b., onschb. (klemt, op schudden). — 
Al schuddende vermengen. T, Geneesdranken moeten goed onderschud 
wörren, eerda* ge ze inneemt. 

ONDERSLAG, znw., m. — Kreupelhout, dat tusschen de boomen 
groeit in een bosch. (K.) 

ONDERSLAGEN, w., b., onschb. (klemt, op slagen), — De 
zolen van klompen met leder beslaan. Klonen mè* leer onderslagen. 

ONDERSPREKBN, w., b., onschb. (klemt, op spreken). — 
Bespreken, bestellen, Fr. commander, (Z. der K.) D. B. (Ook in Brab., 
z. Sch.) Ik gaan naar den beenhouwer om vlees(cb) te onderspreken tegen 
de kermis. 

ONDERSTAAN, w., b., onschb. (klemt, op staan), — Lijden, 
verduren, uitstaan, Fr. souffrir. D. B., Hfft. (Ook in Brab. en Limb., 
z. Sch.) Ik heb in me* léven veul onderstaan. De martelèèrs onder- 
stonden de schrikkelijkste pijnen zonder één klacht te laten hooren. 

— O., schb. (klemt, op onder). Onder water staan, overstroora4 
liggen. D. B. Ons bemden staan heelegans(ch) onder. 

ONDERSTEKEN, w., b., onschb. (klemt, op steken), — De 
kaarten ondersteken^ mengelen, Fr, miler les cartes, D. B. (Ook in 
^imb.) Ondersteêkt de kaarten goed, eerda' ge ze geeft. Ook Pevirsteken* 



— 88i — 

ONDBRTUSS(CH)BN,bw. — SoinwijleD,nu endan, Fr. quelqut- 
fois. D, B., R. Hij komt mij oodertuss(ch)en is bezuken. 

ONDERVEST, znw., v., niet o.— Fr. pUt.'i. 

ONDERVINDSEL8, znw., o., mrv. — Ondervinding. Gij gelooft 
aan geen tooverij? Als ge er, lijk ik, de ondervindsels van hadt, ge 
zoudt er wel aan gelooven. 

ONDERVLIEQEN, w., o., met «y«, (onschb., klemt. o\t vliegen), 
— Eene ondervlogentheid opdoen. Ik ben onderv logen met deur de kou 
te loopen. Ik ben bang van deur dieö' wind te loopen, ik vrees da' 'k zal 
ondervliegen. 

ONDERVLOGENTHEID, znw., v. « Ziekte der borst, die 

met pijn en hoesten gepaard gaat. 't Kan eene hevige longontsteking 

{bronchitis) zijn, of eene lichte longontsteking {pneumonie) of eene 
longvliesontsteking {pleure'sie), 

ONDERWEGEN, bw. — Onderweg. 

ONDERZIP, ONDERZJIÏ>, znw., v. —Ondervest, Fr. ^V^/. (K.) 

ONDERZUKEN, w., b. — Onderzoeken. 

ONDERZUL en ONDERZULT, znw., v. — De onderste balk 
in eenen koestal, waar de stalreipels in steken. Z. zul, zult. 

ONDEU(Q)DIG, bvw. — Vuil, morsig, onzindelijk, sprek. van 
personen. (K.) 'En ondeugd ig wijf, Fr. une salope. Dat is daar *en 
ondeugdig huishouwen. 

— Ontuchtig, onkuisch. 'En ondeugdig vrouwmens(ch). 

ONDEU(G)DIGAARD. znw., m. — Morsige, onzindelijke mensch. 

— Onkuischaard, ontuchtige persoon. 

0NDEU(G;DIGHEID, znw., v. — Morsigbeid, onreinheid. 

— Onkuiscfahéid, ontucht. In ondeugdigheid leven. 

ONEFFEN, bvw. — Z. Wrdb. 

— Verg, Zoo oneffen als *en rasp, 

'•ONGALIJK, bvw. — c Ongelijk, oneffen. » 
Sch. geeft dit w. voor VI., Brab. en Antw. 

ONGEBUTST, bvw. — Niet geblutst, niet gekneusd, sprek. van 
appelen, peren, enz. (Ook in Brab., z. Sch.) Zuukt er de ongebutste 
appelen maar wat uit. 

ONGEDEERD, bvw. — Ongehinderd, zonder schade of nadeel 
geleden te hebben. D. B. Hij kwam ongedeerd uit 'et gevecht, 

ONGEDURIG, bvw. — Niet stil, woelig, ongeduldig, Fr. agiU, 
remuant, impatient. D. B. (Ook in Brab. en 't L. v, W., z. Sch.) 
'Nen ongedurige jongen. Wanneer kinderen in de school zonder bezigheid 
zitten, dan worden ze ongedurig en beginnen te klappen en te spelen. 

ONGEKASSEID, bvw. — Onbestraat, Fr. non pavé, 'En onge- 
kasseide straat. Dieë weg is ongekasseid. 



fdiftif^n 58 



— 884 -- 

ONTRENT, OW. en vz. — Wordt altijd gebruikt voor Omtrent, 
Fr. environ^ pres de^ au sujet de^ enz, (Ook in *t MdnI., z, OUD., V, 314.) 
't Is ontient twee uren. Ik woon ontrent de kerk. < Blgft al ontrent 
den staf van uwen trouwen herder. > (Vondel, I, 39.) 

— Bijna, Fr. prcsque. Hij viel ontrent in de beek. Ik kwam ontrent 
te laat in de mis. 

— Aan noch ontrent^ daar of ontrent^ z. AAN en DAAR. 

ONTRIEVEN, w., b. — Van iets berooven dat men min of 
meer noodig heelt. D. B. Ik zou da' geren aannemen, maar ik vrees van 
oe te ontrieven. Ik ben me' mes verloren, en ik zijnder leel^k mee 
ontriefd. 

ONTRIGGELEN, w., o., met zijn, — Ontsporen, uit het spoor 
raken, Fr, dérailler. Den trein is te B. ontriggeld. 

ONTRITSEN, w., o., met zijn. — Ontsnappen. T., Kl.-Br. De 
vogel ontritstcn aan m'n hand. Da' 'k 'em vastkrijg, hij zal me nie 
ontritsen. 

ONTRUREN, w., b. — Omroeren. T. Ge moet die verf goed 
ontruren, anders zinkt ze neer. 

— Troebel maken. Dieë kwajongen heget water heelemaal ontruurd. 

ONTSLIBBEREN, w., o., met zijn, — Ontslippen, ontsnappen. 
Den dief wist aan de handen van de gendarmen te ontslibberen. De 
paling is mij ontslibberd. 

ONTSTALLIG, bvw. — Ontstemd. (A.) De feest van morgen zal 
waarschijnlijk mislukken, met da' slecht weer. Och! kom, maakt me 
toch nic' ontstallig ! « 

ONTSTEKEN, w., b. — Een vat bier ontsteken, er de kraan in 
slaan om er beginnen van te tappen. 

ON TT UI EREN, w., b. — Van den tuier losmaken. De beesten 
onttuieren en naar de' stal leien. 

ONTUCHTIGAARD, znw., m. — Onkuischaard, ontuchtig 
mensch. 

ONTVANGEN, w., b. — Z. Wrdb. 

— Verg. Ontvangen worden gelijk *nen hond in e kegelspel of in 
*nen beenhouwer swinkel, zeer slecht onthaald worden. 

ONTVANGER, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Spr. Naar den ontvanger gaan^ schertsend voor Naar *t gemak 
gaan. 

ONVERDULDIG, bvw. — Ongeduldig, Fr. impatient, M. 'Nen 
onvcrduldige mensch. 

ONTWARKAM, znw., m. — Grove kam om 't haar te ont- 
warren. T. 



- Ö85 - 

ONTWOON, bvw. — Ontwend. T., Kl.-Br. Ik was vruger gewoon 
vao laat op te blijven, maar nu ben ik 'et heelemaal ontwoon. Hij 
kan den drank nie' ontwoon geraken. 

ONTZAG, znw., o. — Z. Wrdb. 

— Wordt ook gebezigd in den zin van Gezag, Fr. autorite, *Ne 
meester moet ontzag hebben over ^ijn leerlingen. 

ONTZIEN, w.. b. -. Z. Wrdb. 

— Zgn eigen ontzien van^ noode doen, zich de moeite niet kunnen 
getroosten om iets te doen. D. B. As ck mij van de moeite nie' ontzag, 
ik ging er is naartoe. Hij ontziet 'em van da' werk. 

ONTZINKEN, w., o., met 2y>t. — Dunner worden, sprek. van 
een gezwel. T., R., Kl.*Br. Mijn hand was gisteren heel dik, maar nu 
is ze al 'en bitjen ontzonken. 

ONVERLATEN, bw. — Uit der mate, geweldig. Hij was gisteren 
onverlaten zat. Het is onverlaten heet. Hij kan zoo onverlaten vloeken. 
Onverlaten zot. 

ONVERLET, bw. — Zonder tijdverlies, zonder verlet. Ge kunt 
dat onverlet doen. 

— Bvw. Iet onverlet laten, iets tegenwoordig onaangeroerd laten 
en verschuiven, totdat men het heter en gemakkelijker kan doen. D. B. 
Verbetert eerst de taalfouten in uw werk; de fouten tegen de zins- 
scheiding laat ge maar onverlet. Ik zal eerst de franks optellen en de 
centiemen onverlet laten. As ge met da' werk nie' goe* zoudt uit de 
voeten kunnen, laat 'et dan maar onverlet totdat ik kom. 

ONVERMEUQEN (klemt op meu), bvw. — Ontzenuwd, krachte- 
loos van eene te groote hoeveelheid spijs gecten te hebben. D. B. Ik ben 
zoo dik en zoo onvermeugen. Roo' kooien gelijken mij nie', ik wör' er 
seffens zoo onvermeugen af. 

ONVERMEUGENTHEID, znw., v. — Toestand van iemand 
die onvermeugen is. 

ONVERSAAFD, bvw. — Onversaagd. 'Nen onversaafde kerel. 

— Wild, ruw. Onversaafd te werk gaan. Z. onbesaafd. 

ONVERSCHILLIG, bw. (klemt, op schil), — Zonder verschil. 
De duiven zijn onverschillig opgelaten. De voerlie zijn onverschillig ver- 
trokken (alle gelijk). 

— Met den klemt, op on beteekent het Met verschil, niet gelijk. 
De pataten komen heel onverschillig uit. 

ONVERZICHTIG, bvw. — Onvoorzichtig, Fr. imprudent. D. B. 

ONVERZICHTIGAARD, znw., m. — Onvoorzichtige mensch. 

ONWEÈREN, w., onp. — Donderen en bliksemen, 't Heet den 
heelen nacht geonweerd. 



OVZEGGSLIJK, if^. — 0=3=c«;r-kafk- Ik ^ 

OXZ^LIEVZ^VROUWE-BEDSTROO, nv.. ou — Eea 

kruZf :=. 1.* •e'jK.'Jccjp Hyp'crui-ikm. prrfzTj:::»M^ L, 

— Ook «s,^ aiiiïr» Tarifeer- Htp^rzsum 

OlfZE-LIBVE-VROUW'HALFOO G ST, 

Lifr»€'Vrvi'»Tl*rs*-.iaarr, Fr. )t Ajiz-m^zic-m, R, 

ONZE VADER. &w.. a:- en ii-t o. — Fr. (niüam Jam£nkmle. 

OKZIENOELIJK, brw. — ArnfhVifk, KcLjk, niet om au te 
/,«ra. Het <u;<: «u z.>o 'iéa'.i^i verbr2r.d, da: be£ orr'miVtjk vs. 

OOD. mw^ w. — Z. ooiD. 

OOG, z^w^ T. eo nKt o. — Fr. <?:/ «Drenl in Zsid-XederL) 

gelijk marb-.rjtn^ f^-?* ^-^z^n i^iun^ gel^i pi^'.^len^ schineresde oogeo, 
geitfk 'yoré'étitr,::*n, ^r A:e c/ü^en. 

— Spr. //y £:-?/ <//ttr ^<m andfr zcg<n a.V... regt men van iemaiid 
A\t msikr oer.ict en Lini-r.: vo'^en» ern anier. D. B. DiaCa heer liet 
d'ruf gt^r, a'.r:*:T oogtn as 'ieur d:e *an zijce' knecliL 

— Cti z^n oog€n mn^ r\. /^-.e h>*ie ^ga, met voorzichtigfaekl 
te werk ^aar;. D. B., R. As ge vxkel hoaii, dan moette goed nit oev 
oogen zi';ri. Hij «órdt dikwijls bedrcgen, omdat cm nie* nit rijn oogen 
en ziet. 

— Sit t) uit li/n 00 ^en zien van de{n) vaak, ion kopp^n^ enx,^ 
gewei'iii^en va-'^c, •^ty^tAig^i Locfsipijo hebben. 

— '/e lui z^'n dat men uit zijn oogen ziet, uitnemende lui zqn. 

— /et ten oc^en uit zien, kl^iar eo duidelijk zieo. Ge ziet ten oogen 
uit, dat ':m nie' me«rr •^'zv.tjjta kan. Ik Z2.g teo oogen uit, da' ze ziek was. 

— 't Zal in wuc oogen druppen^ dat zult ge mg bekoopen, dat 
zult gij \iïf)*z\':u bczareo, ik zal er mij over wreken. 

— Dat /. 'nen doren in zijn oog^ hij is er zeer nijdig om. R. 
'£t geiik van zijne* gebuur is 'nen doren in Jannes oog. 

— Zooveel all in mijn oogen steekt , volstrekt niets. R. Hg bedt 
zooveul as in mijn oogen steekt. 

— SckèU oogen maken^ nijl, afgunst verwekken. 

— ^En scheel oog op iemand trekken ^ hem met afgunst beschouwen. 

— E ichèèl oogiken op e mei%ken zetten, met een meisje geeme 
verkecrc-n, doch ze uict duiven aan.opreken. 

— IJ ij zal zijn oogen nog wel met warm water wasschen^ hg zal 
later nog wecnen en verdriet hebben. R. 

— Vremde oogen dwingen (<jf vremde oogen doen gedcogen), vreem- 
den hebben meer gezag dan eigen volk, 

— (Jeen hand veur z^n oogen zien, volstrekt niets zien door de 
dulkternis. 

— Uit der oogen^ uit der herten^ in Noord-Nederl. : uit het oog, 
uit het hart. 



— 88? — 

— Geen goei oog in iemand hebben, denkeo dat het er slecht mèe 
afloopen zal. R. 

— *En oog op iemand of tet slagen of hebben ^ er naar trachteo. R. 
Filip de Schoone had een oog op het schoooe eo rijke Vlaanderen 
geslagen. Hij heet 'en oogsken op oe' zuster. 

— Geen oog slapen^ geen oog toedoen^ niet kunnen slapen. R, 

— Da{fy steekt hem de oogen uit, hij verlangt vurig het te bezitten. 
'EU geld steekt 'em de oogen uit. Al da* maar blinkt, steekt de oogen 
van de wilden uit. 

— Onu^ny Lieven' Heer de oogen uitsteken^ zonder nood of reden 
klagen. 

— Zyn oogen opentrekken, oogen zetten^ e koppel oogen trekken 
of zetten^ verbaasd of gram de oogen opentrekken. 

— Zijn oogen zijn grooter als zijnen buik, z. BUIK. 

— Zijn oogskens worden klein, zegt men van iemand die zich met 
moeite kan wakker houden. 

— Zijn ooj^en gaan uitvallen, zegt men van iemand wiens oogen 
uit zijn hoofd puilen. 

, — Iet op de oog zien, het aanstonds bemerken. R. Ik zien op de 
oog dat dieê stok veul te lank is. 

— Met geen oogen meer zien, niet meer vinden. Ik zien mijnen 
boek mè' geen oogen meer. 

— Ale{t) geen oogen meer te zien zijn, zich niet meer vertoonen, 
zich niet meer laten vinden. Jan is mè* geen oogen meer te zien, sedert 
dat hij wa' bekuis(ch)t heet. 

— Ziender oogen, op eene in 't oog vallende wijze, Fr. a vue d^mil, 
R« Die mens(ch)en gaan ziender oogen achtciuit. 

— De oogen ver kleren, z. VERKLÈREN. 

— Ale{t) haken en oogen aaneenhangen^ z. HAAK. 

— Veur de oog van de mens{ch)en, uil menschelijk opzicht. Hij 
ga' naar de kerk, ja, maar 't is veur de oog van de mens(ch)en. 

— Iemand naar de oogen zien, niets durven doen zonder zijne 
toestemming. 

— Schoon uitzicht, uiterlgke gedaante die behaagt, ¥r, belle appa~ 
rence, D. B. (Ook in Biab., z. Sch.) Dat huis zou meer oog hebben, 
as 'et wat hooger was. Die appelen hebben geen oog, om da' ze zoo 
klein zijn. 

*OOGDIENEN, w., o, — • Iels uit menschelijk opzicht doen, 
1, servire ad oculos. Vanhier oogdiener, oogdienerij. » 
Sch, geeft die w. voor Brab., Antw. en Limb. 

OOGEN BLIK, znw., m., nooit o. — Z. Wrdb, 

OOGIJZER, zuw., o. — Bij smeden. Trekker waarmede men den 
blaasbalg in beweging biengt. 

OOGLBE, znw., v, — Eene lee of deurhengsel met een oog^ 

OOGMEESTER, znw., m. — Oogarts, Fr. oculiste. 

OOGPINK, znw., m. — Oogwenk, oogenblik, Fr. clin d'ail, (K.) 
D, B. 't Was op 'nen oogpiok gedaan. 



— 888 — 

ÖOGSCHEBL, zow., o. — Ooglid, Fr« paupüre, Mdnl. oge-^ 
schedel^ ogescfmel, Hffit. 

00(G)ST, znw., m, — Fr. moisson» 

— Spr. Zynen oo(,g)st opdoen^ eene goede gelegenheid waamemeo 
om een goeden voorraad op te doen. D. B. (Ook in Brab. en 't L« v. W., 
z. Sch.) Hij hée* zijnen oost opgedaan aan tafel (goed geêten). 

00(,G STAP PEL, znw., m. — Soort van vroegrijpe appel. 

00(G)STBN, w., b. en o. — De achtergebleven korenaren op- 
rapen van den akker, Fr. glarur. D. B., T., K. (Ook in Brab., N.-Br. 
en Lirab., z. Sch. In *t Mdnl. heeft oesten ook die bet. Z. VE&D., V, 20.) 
De arm mens(ch)en laten oosten op den akker. Ik heb al twintig zangen 
geoost. 

00(G)STFOOI, znw. v. — Feestmaal bg de boeren op den dag 
dat de graanoogst ingehaald is. D. B. 

00\G)STGRIT8BL, znw., v. — Z. oo(g)steijf. 

00(G)STMAAND, znw., v. -^ Augustus, ¥i. U mots d*a4nU. 

OOCGjSTRIJF, znw., v. « Groote houten rijf, waarmede men 
de achtergebleven koornaien op den akker D^eenrijft. 

00(G;STSCHEPEL, znw., m. — Groote houten schop, voorzien 
van eeoen langen bieei eu dienende om granen, aardappelen, enz. om 
te zetten en op te scheppen (N. der K.), elders Schoep genaamd. 

OOGVIJS, znw., V. — Vijs met een oog aan, Fr. piton, 

OOIEVAARD, znw,, m. — Ooievaar, Fr. cigogne. 

OOK, Kemp. OK, bw. — Fr, anssi, 

— Wordt ter bevestiging of bekrachtiging bij iets gevoegd, in den 
zin van ten volie^ volkomen^ voorzeker, Hfft, Dat is waar ook, Gg 
hèt gelijk ook. Dat is ook nie' waar. 

OOKEN, UÈKEN, w., o. — Jeuken. (K,) Z. hookkn. 

OOM EN, znw,, m. — Oom, Fr, oncle, 

— Spr. Er 'nen oomen aan dood doen, iets doen waar men geen 
verstand van heef), (K,) Ge gaat oc' huis schilderen ?..• Ge zult er 'nen 
oomen aan dood doen! 

OOR, znw., V. en niet o. — Fr. oreille. (Overal in Zuid-Nederl.) 

— Spr. Da{() gQ(at) bij hem de eene oor in en de andere uit^ 
zegt men van iemand die alle vermaningen seffens vergeet. 

— Achter zijn ooren krabben^ neerstige pogingen doen. Hg zal 
achter zijn ooren mcugen krabben om gedaan te krijgen. 

— Hij zal hem over zijn ooren nie{t) laten scharren, hij zal zich 
niet laten verdringen, hij weet zich desnoods te verdedigen. 

— Naar iet z^'n ooren niet laten hangen, er niet naar luisteren, 

— Iemand de ooren afzagen^ hem vervelen door gezanik. 



— 889 — 

— Peel om z^'n ooren ftebben, veel werk, veel beslommeringen 
hebben. R« 

^ Op alUhei zifn ooren slapen, ergens gerust in zgn. 

— H^ moet altgd me{t) zifn ooren getrokken worden, hij moet 
altijd aangezet worden. 

-^ Nog nic{t) droog zyn (uhter zijn ooren^ nog jong en onervaren zijn. 
^ Iemand ooren aannaaien, hem wat wijsmaken, hem bedotten. M. 

— Op ééne oor na^ in *t geheel niet. Ge meent nog geld te krijgen : 
op één oor na. 

OORBEL, znw., v., vrklw. oorbelleke{n, — Oorsieraad in den 
vurm vAii ccn belleken, dat met eenen ring in de ooren gehangen wordt ; 
ook welkdanige oorhanger, Fr. pendant d*oreilU, Gouwe' oorbellen. 
Zilveren oorbcllekens. (Ook in Brab., Hag. en Limb., z. Sch.) 

OORD, znw., o., mrv. oorden, vrklw. oordje{rt, — Oort, Fr, Hard. 

— Het mrv. oorden wordt gebruikt voor Geld. Hij hée' geen oorden 
meer. Da' kost oorden. 

— Spr. Die veur 't oordje geboren is, zal tot de{n] stuiver nü{t) 
geraken, die arm geboren is, sterft gewoonlijk arm. 

— y^f oordfes veur *ne{n) stuiver geven, den duursten prijs betalen. 

— '/ Zgn die vyf oordjes niet^ 't is die reden eigenlijk niet, gij 
geeft eene schijnreden op om de ware te verduiken. 

— Ieder oordje (of iedere stuiver) brengt z^'n gierigheid mee, hoe 
r^ker men wordt» hoe gieriger men is. (Ook in Brab. en VI., z. Sch.) 

— Het oordjen hebben^ een schoonen spaarpot hebben. H^ zit met 
de' slechten tijd niks in, hij heet toch het oordje. 

OORDEEL, znw., o. — Groot, verward, onstuimig gerucht, 't Ging 
daar gelijk 'en oordeel. E léven gelijk 'en oordeel. Da' was daar 'en 
oordeel 1 M. 

OORDJENDOOD, znw., o. — Vrek, gierigaard. (Ook in Brab., 
z. Sch.) 

OORDJBSBROÖKEvN,znw.,o. — Broodje, dat een oortje kostte. 

OORDJ£SKÈÈRSKE(N, znw., o. ~ Roeten keersje dat een 
oort kostte. 

— Fig. Iemand met een mager en bleek gezicht. 

OORDJE8PANNEKE(N, znw., o. — Aarden panneken dat 
een oort kostte. 

OORDJESPOTTEKE(N, znw., o. — Potje van een oort. 

OORDJESSCHOOL, znw., v. — Klein-kinderschool, waar men 
lederen dag eeu oortje betaalde. 

OORDJE-ZEKER, znw., o. — Iemand die niets waagt, die niets 
doet zonder zeker vau zijne zaak te zijn. 

-^ Ook iemand die traag spreekt of handelt, alsof h^ elk woord 
overweegt, eer h^ het uitspreekt. 

*- Oordje^zeker spelen, niets geven of leenen zonder goede waarborg 
of onderpAod* 



-3,0- 



X.-ano. 9 je 




», 3v. -^ .jK jar Mt^^^ 31 jaiUDcaCy op 
(•look in L.mn.1 üsar a jk ji Jui i Ljg f L iv skt ^;ned en i 
«r in xirvefe xifn - 



^3w« n. sL Tier ▼. — Zfia-iXbDE <>]k in Limb., 
H4 IS «iiiiaac :a ies r^osc. D& saip w mmki auic^es oaar den OotlU 

OOST. znw» 31. — Tfxgsc Fr. innsant. G. OcÏL in t 3CinL is 



OOSTAPPBU OOSTSH. QOSTFOOI, «sz^Z.ooiG>8STAnKL, 



OOSTEL* rsw^ }. — VrsificEtini^ ^an «Jq sogJo o» een gdiacht 
en parochie cmier •3lieei. 

OOSTBL, dv^ 31. — CoaCy RjnKuxsdte aalaa^ b§ Ofpm^ 74» 
bister, iyjk» ^iier K.i 

OOSTEN, ^w., o. en 31. — Fr. 70r:mnt^ 

OOSTER idkape ji^ inw« ▼. — Oesner, Fr. kmürt. "Ook in 

OOSTERS CH. JTw. — Van t Oosten. * 

— *joi^r^^ 4^ u^i/\ miA<e iail\ btysdidw:^ Fr. È€g€om nuiBAfr. 

«OOSTWESTER. znv^ m. — * Hoed der kooUxa^gosL > 
Sdi. geeft OAC v. toot Ancv. 

OOTSEL (oicspr. JcsjC)^ znw^ m. — HeCzei£ic als Oostel, onsei* 
(Z. der K.) 

OP (in 't Z. en W. j?/>, tx. en bw. — Z. Wnib. 

— Men gebruikt op tnsschen twee xnw. cm eene onmklde&jke 
opTolging van Toorwerpeo derzeifde soort aan te duiien. O. Bw, R«, b§ 
de Holl. aan. Slag op ^hg. Dag op via^. ]i^i op jxar. 

— Wordt, vóór eene 00b. wg^e, gebezigd oa eeoe oomiJdell^ke 
toekomst ait te drukken. Op tr':;iwe : sulic. Die bl:eni staat op *i open> 
komen. Op sterven liggen. Dat kuis staat op 't invallen. 

— Worit ook gebmikt voor m. Op da' water zit venl Tis(ch), 
Paling op 'nc' vijver zetten. F.r is echter verschil tnsschen o^ *t veld 
en in U veld^ in 7 veaUr eo op V -xoUr, op den bemd en in den hemd^ 
op stal en in den stal, enz. Men zegt: in \ vekl wandelen, doch: 
op 't f ekl werken. De koeien gaan in de wei, wanneer men se gorcgekl 



— 891 — 

tkois haalt; anders gaan zij op den klaver, op de spurrie; men zet ié 
op de wei, om ze te laten vet worden. Men zet eene koei^ eene geit, 
een schaap in den stal, maar een peerd op stal. Men zegt : er staat 
of ligt veel hooi op dien bemd, doch : daar is veel graan in 't veld, 
voordat het gepikt is; maar daarna : daar staat veel graan op \ veld, enz. 

— Op 'en ander^ z. ANDER, 

— Op den hutten, z. BUITEN. 

— Op iet bie{d)en, z. bie(D)£N. 

— Zingen op een muziekinstrument^ zingen met begeleiding van 
een muziekinstrument, in Noord-Nederl. b^\ H^ zingt op de piano, 

— ^ flfsschen aftrekken^ trekken^ in flesschen aftappen. Wijn 
wordt op flesschen getrokken. Bier op stoopkens aftrekken. 

— Iemand op stiel^ op een amb<icht doen, hem een ambacht laten 
leeren. Op wa' stiel is oe* bruur ? Hij is op 't schoenmaken. 

— Komen op^ z. komen. 

— Een huis^ eene straat^ enz* op zijnen rechter- of linkerkant 
laten liggen. Ge laat 'et stadhnis op oewe' rechte' kant liggen, en ge 
slaagt links af. — Ook met hand. Ik liet de kerk op mijn slinke hand 
liggen, en ik sloeg rechts af. 

— Wordt gebruikt, nevens naar, bij luisteren. Ik heb lank op da' 
muziek staan luisteien. 

— Op den hani liggen^ aan den band, sprek. van honden. 

— Wordt gebruikt als voorz. van richting. Dat is hier de baan op 
Brecht. Dieé voerman rqdt op Antwerpen. Den booi (bode) van Westmal 
op Turnhout. 

— Op.„ in, op„, aan, in de richting van. Hij ging op Schil' in. 
Den dief liep op Westmal' aan. 

— Men zegt ook : Zij liep naar huis op in. 

— Het op iemand hebhen, z. HEBBEN. 

— Het op iemand gela{d)en hebben, z. GELADEN. 

— Op ie tnand gemikt zyn^ het op iemand gemikt hebben, z. GEMIKT. 

— Het op iemand of op iet steken^ z. STEKEN. 

— Op klokslag van,,,, op 't sla^ van,,,^ juist als het genoemde 
uur slaat. Hij was hier op 't slag van één uur. De school begint op 
klokslag van negen uren. 

— Gedurende de genoemde tijdruimte. Ik kan da' werk nog op 
geen vier weken afmaken. Hij kan dieë' weg op vijf uren gaan. Op 
hoeveel tijd kan ze dat doen ? 

— Op *nen omzien, in een ommezien, 't Was op 'nen omzien gedaan. 

— Op één, twee, dry, in zooveel tijd als er noodig is om tot 
drie te tellen. Óp één, twee, drg was zij' pak gemaakt. 

— > Na verloop van zekere tijdruimte. Op den tijd van drij weken 
was hij deerlijk vermagerd. 

— Op e kort, in den loop van een korten tijd. Wordt gebruikt 
voor een verleden en een toekom, tijd. (Volgen.s het Wrdb, der Neder l. 
Taal veroud.) Ik zal op e kort is komen. Ik heb op e kort al vier 
keeren te Antwerpen geweest. 

— 0/ syn renten léven, hetzelfde als het NoordnederU van ijfn 
renten leven. 











TC Sm. * i s- a ai 

n^ iiaa -v-sT' Tie Jt:*xn s" mi Jr m 

-^ ^9 ^Vi« Tigyai •iiif?."i nsszrsL. zs .jrnBUÓe Tipr. 

> IQ. 

— C^ ^'v jr.-f«>x z=^=i£c. icxs waneau inw i urawl 
3»-*:ier- 1^ srr J^nai^ »azsri iterziarf», Ik JTT üIb 
1 '*'jy» -raxT ^ SL mAsïs zü. re -xêpL. 

TBf^easu Hx a "^ axe: ie aak. Si. s «smbtsa - ? xisiBer. ju» ^aapC 

— Op Ie èatm i^sex^ r. KIV. 

— Irmamd jp lij^péex: ir^iitx^ x. srac*. 

— <^ éir»s-f lami zz^zex, x. y%\rK 

— Gep. V. 0^ «m/ j>^ -rrry, rp €x :a^ gpoaca op. ASis is op 
«oh! 0^. 

— TfeaeauaL fQ go^ki xc' x^ia op ski Qp« 

— 6/ ia laiiKnrteiEngec b«€adcest : i' Xaar de hsc^» : ^pdraxatn, 
opgaan^ ofhalen^ ^phelpeiL, ^memem^ ^pü^I)en^ jjL*ia/r«, ^pfmssem^ 
tnx. ; 2* Wvmoióem^, sleet, ▼«ayrrng : sfd^xmtM^ oftirznitn, ^Éii:rj{ckïeu, 
apeUn^ épnaaien^ ofTKupem, ofickr^rx, öp^taiem .bfaaist:t\ apsM^d)em, 
optmo&ren^ oftiö^d)nen^ ofrwoi^ckyn^ c-p^iasien^ cai.; J' Vexfnanogy 
l^tthtUmgZ »pbSrtUUn, opeggem, opgrjv^n^ ^pgrztxUn^ cpkèrex, op- 
iUHdyn, apnemen^ opzamden, opxetUn^ enx. ; 4^ Voortgaan met l Op èé r t m , 
opMrtUUn, opdéklun^ opdórj{chfnt, opgeven, opgitUn, «pkaUtL, 4^ 
maaün, optckr^ven, toz,; f^* B^eeo : opbimUtL, opm^Um, optasstn^ enx. ; 
(/ HmmtÊkiÊg t oplappen^ opmaken^ opr e pareer eiL, eiu. Z. mede T. eo R. 



— 893 - 

OPBABBELBN, w., b. — Smakelijk opeten. (K.) Wij zullen 
die lekker wafeltjes is opbabbelen. — Ook Kababbelen. 

OPBIJNBN, w.» b. — Opbinden. (K.) Hout opbqnen. Koren 
opbijnea. 

OPBINDEN, w., b. — Z. Wrdb. 

— Spr, Iemand wat opbinden, hem wat wijsmaken. 

OPBOBFEN, w., b. — Te veel spijzen doen eten, bij Sch. ophöffen. 
£ kind opboêfen mè' pap en potagie. 

OPBOEIENi w., b. — Iemand opboeien^ hem opwinden. Ge 
moet 'eni zoo wat opboeien, dan begint em te stoéfen. 

— Zich in gramschap stellen. *t Is nie' goed van oe zoo op te 
boeien. Ge meugt oe zoo nie' opboeien veur 'en kleinigheid. 

OPBOEREN, w., b. — Verboeren, door boeren verteren. Hij 
hée' zijn heel fortuun opgeboerd. 

OPBOLLEN, w., b. — Bij smeden. Effen slaan of verharden met 
den haroer, Fr. plant r, 

OPBOOMEN, w., b. — B^ wevers. De ketting om den garen- 
boom winden. Het garen moet vast opgeboomd worden, 

OPBRA(D;EN, w,, b. — Vleesch, enz. een weinig braden, opdat 
men het langer zou kunnen bewaren. D. B. (Ook in Brab., z. Sch.) Ge 
moet da' vlees(ch) wat opbra(d)en, anders bedervet nog. 

OPBREIEN, w., b. — Opsmeren, bestrqken met boter, vet, 
enz. Ik zal uwen boterham wel opbreien. 

— Verbruiken met te breien. Al ons boter is opgebree€n. 

OPBRENGEN, w., b. — Iemand op iet opbrengen, hem iets in 
't geheugen terugbrengen. Ik was den naam vergeten, maar Frans brocht 
er mij op. 

OPBRENGEN, w., b. — Grootbrengen, opvoeden, Fr. éUver, 
Z, Wrdb. (Volgens V. D. wordt dit w. weinig gebruikt; hier hoort 
men het dagel^ks.) 

OPBRENGST, /.nw., v. en m. — Z. Wrdb. 

OPBROËBELEN, w., o., met zyn, — Opborrelen. Kokend 
water broëbelt op. 

OPBROEIEN, w., b. — Opstoken, ophitsen tot het kwaad. (Z. 
der K.) Ze hemmen dieê' jong' opgebroeid om da' kwaad te doen. 

OPCENTIEMEN, znw., m., mrv, — Verhooging van het oor- 
spronkel^k vastgestelde bedrag eener rijksbelasting met een of meer per- 
<^nten, ten voordeele van de gemeente, de provincie, enz. 

-^ Z. ONGELD. 

OPDABBEN, w., b. —Al dabbende opwerpen. (K.) I^ bonden 
hebben mijn heel bloembed opgedabd* 



. 1. 







^i«r M- I^Ê^,»^^ ~^K «> ■* 












OPEEKDOUWEN: ▼. t. — 5a3i«crr«^, T. K:..Br. Ge 



K^^fS*, /**rï C»' loot .» f.^*xitir:zafs, '. 



OPEENGEPAKT, ver;, fhr — Vsk icges elkaaia gq^ai^d. 



OPEEN LOOPEN, v., o., met x^V ~ Op cLkaDd^ loopcn, 
'AkMfA^ I'. 'It »aurt '/Rtmott^D. Twee treiofen z^a opeen2ck>opeii. 

OPEENNAAIEN, v,b. ' H<^. era op bet ander naüoi. T^ R. 

OPEEN PERSEN, v., b. — Op elkander perseo, saxnenpenen. 
'l 0t Kï^'iif, We «iti^n daar opeeogeperst gelgk hériog ia 'en ben. 

OPEENKIJ'0;EN, w., o., met z^n. ~ Al rgdende op elkander 
\*tif\itiu, A« twee treinen in volle vaart opeenrijen, ge kont denken boe 
Mbrikk^lijk dat da' m^iet doen. 

OPEENSPETl^N, w., b. ^ Op elkander spelden. Ik aü die 
la)/|Mri f/|)«'en»pi!ten. 

0PEEN8TBKBN, w., b. — Het een op bet ander steken. T., 
KUtH« Httéki da' ((nao maar opeen. 



— «95 - 

OPBBN8TOOTBN, w., b. — Op elkander stooteo. T., Kl.-Br. 
Zavel opeenstooten» 

0PBBNTAS8EN, w., b. — Op elkander tassen. T., Kl.-Br. 
Tast de haver en de rouwevie maar opeen. 

OPBENVALLBN, w., o., met zgn. - Op elkander vallen. T., 
KJ«-Br. Geen appelen afschudden, want as ze opeenvallen, dan butsen ze. 

OPBENVURBN, w., b. ^ Op elkander voeren. T., Kl.-Br. Mest 
opeenvuren. 

OPEBNVOLQEN, w., o., met z^n. — Op elkander volgen. T., R. 
Ze volgen kort opeen» 

OPEBNZBTTBN, w., b. — Het een op het ander zetten. Zet 
die doozen maar opeen. 

— Fig. Af€ns{ck)en opeenzeitefit kwaad vuur stoken, de oorzaak 
z^o van oneenigheid tusschen personen. 

OPBENZITTBN, w., o. — Op elkander gedrongen zitten. T., 
Kl.*Br» We zaten in die zaal zoo dicht opeen, da' me ons nauwelijks 
kosten ruren. (roeren). 

OPBGQBN, w., b. — Losmaken door te eggen. Dieë grond zou 
is locbtjes moeten opgeëgd wörren. 

OPBN, bvw. en bw. — Z. Wrdb. 

— > Wordt gezeid van het weder in den winter, zoolang het zonder 
vorst blijft, 't Heet heel de maand open weer geweest. As 't open weer 
bl^ft, dan moette die boomen uitdoen en verplanten. 

OPBNBRBKBN, w., b. — - Gers^ hooi^ enz, openbreken^ afgemaaid 
gras, nog niet gansch droog hooi openspreiden. T., Kl.-Br. 

— *En mijt openbreken^ eene stroo-, graan- of houtmijt beginnen 
weg te doen. T., Kl.-Br. 

— Breekt tnghe(n) mond niet open^ z. MOND. 

— O», met zijn. Opengaan, sprek. van een gezwel. T., R,, Kl.-Br. 
Dieé zwèèr zal gauw openbreken. 

OPEN*BN-TOB, znw., m. — Harmonica, Fr. accordeon. De 
lotelingen doorliepen 'et dorp mè' 'nen open*en-toe. Z. ook teekökoel. 

OPENGAAN, w., o. — Z. Wrdb. 

— De dagen gaan maar open en toe^ zegt men van de korte winter- 
dagen. 

— Ik weet niet langs toaar hij opengaat^ ik heb zijne taal nog 
niet gehoord, h^ heeft mg nóg niet aangesproken. 

OPENHEBBEN, OPENHEMMEN, w., b. — Opengedaan 
hebben. D. B. Ik heb de deur open. 

— Iets hebben dat openstaat. D. B. Ik heb vier roozen en vijf lelies 
opeo. 



— 896 — 

OPENHOU D EN, w., b. — Z. Wrdbw 

— ^»k o. Met dt kerm» hon ven de herfocrgien later open as op 
de {sewooo Zondagen. In dïe herberg hebben xe gbleren den hecien 
nacht opengefaoQven. 

OPEHIGHEID, zr.w^ ▼. — Opening, ¥1. OMVtrfure, Er is kier 
en daar 'en openigheid in de haag. 

OPENKOld EN, V., o., met 1^. — Zich openen, sprek. van 
bk)emen, Fr. i'/clore. De roozen en vitte lelies komen open. 

OPENLUI DjBM, Jir., o^ met x^n, ~ Het luiden dat des morgens 
het openen der kerk aankondigt. In den zomer Inidt de kerk om vff 
tiren open en in den winter om zes. De kerk is vandaag vrnng opengehód. 

OPENSCHORPEN, v., b. — Openscheuren, openrgten met de 
horen». Z. scH/iRpEN. (K.) De koei hée zijnen buik opengeschörpt. 

OPENTAif PEN, v., o., — Hetzelfde ak Openhiiden. Z. aU. 
|Z. der K.) T. 

OPENTLIJK, bw. — Openiqk. 

OPENVIER, OPENVUUR. znw., o. — Eene ijzeren kachel 
die enkel tot verwarming dient, met eenen rooster langs buiten, en waarvan 
het vuur zichtbaar is, Yx.feu ouvert, ckeminte, D. B. 

OPENWROOKEN (ook op9fvmruïk9n\ w., b. — Openwringen, 
met moeite opendraaien, bij fv:h. openvrreeken, (K.) E slot openwrooken. 

» 

OPFLIKKEN, w., b. — Opschikken, opsmukken, fraai aankleeden. 
(Ook in Brab. en N.-Br^ z* Sch.) Da' meisken houdt er van, van heur 
op te flikken. 

— > Verstellen, Fr. raccommoder. Ik zal zien dat ek da* kleed nog 
wat opflik. 

OPFOOIEN, w., b. — Geven om op Ic drinken. Hg hée' gisteren 
twee frang opgefooid. As hij wa' bij drank is, dan zou hg gemakkelgk 
al ze' geld opfooien. 

OPFRÈTBN, vir., b. — Opvreten, gulzig verslinden. Dieë gulzigaard 
heet alles opgefrèt. 

— Zi/n eigen opfrèten^ zijne gezondheid krenken door gramschap 
of hertzeer. Ge zoudt oe eigen opfrèten van colère, as ge die deu genieten 
bezig ziet. 

OPGAAN, w., o., met zijn, — Bij kegelaars, biljartspelers, enz. 
Het spel beginnen. D. B. Gij moet opgaan. Heulen om te zien wie- 
dat er moet opgaan. 

— Soldaat worden, naar het leger gaan. D. B. (Ook in Brab. en 
Limb., z. Sch.) As ek geene' man kan krijgen, dan moet ek opgaan. 
Hij is veur ze' lol opgegaan. 

— Verhiuikt worden, Fr. se consommer^ s'e'puiser, D. B. Me' geld 
begint stillekens op te gaan. Ons kolen gaan op. 



- 897 - 

— Opvliegen, in gramschap schieten. Ge hadt *em is moeten hooren 
opgaan, as ek 'em vroeg dat hij mij zou belalen. Zij ging op gelijk 
vier en vlam, as ek heur daarover aansprak. 

— Zjè gaat de vlieger {o{ de ba/on) nie{t) op^ z. VLIEGER. 

— Opgaande werk^ wetk dat gaande en staande verricht wordt. 

OPGEKROPT, bvw. — Opgepropt, gansch opgevuld, zoo vol dat 
er geene plaats meer overschiet» De zaal was opgekropt van 't volk. 

OPGBRAKEN, w., o., met «^r'w. — Opraken, ¥x. se consommer. 
Oe' geld zal gemakkelijk opgeraken, as ge 't zoo breed blijft aanleggen. 

— Kunnen opstaan. Den ouwe viel en hij kost alleen nie' meer 
opgeraken. 

OPGEVEN, w., b. — Z. Wrdb. 

— Spr. De{n) leste{ n) man de{n) zak (of de hot) opgeven^ de laatste 
io de herberg blijven. 

— Door de keel gieten, ingeven, sprek. van dieren, wie men eenen 
geoeesdrank toedient. D. B., T., R. Hedde *t pèèrd den drank opgegeven? 

— Aangeven, P'r. donner. Den toon opgeven. 

— Geven totdat iets op is. T., R, Ik kan oe geenen Loterham 
geven : al ons brood is opgegeven. 

— Meer betalen, toegeven. T., R. Ik zal oe twee frang opgeven. 
As ge oe* koei wilt vermangelen tegen de mijn, dan zal ik 50 fr. opgeven. 

OPGEZET, bvw. — Opgetooid, opgesmukt. *En opgezette mode- 
pop. Z. OPZETTEN. 

— Met iet of met iemand opgezet zijn, er mede in zijnen schik 
xijn, er zeer over voldaan, er mee ingenomen zijn. T. (Ook in Brab., 
Limb. en VI., z. Sch.) Ik ben mè' zijne' praat nie* opgezet. Ge moet 
*em wa* prijzen : daar is em geweldig mee opgezet. Ik begrijp nie* 
hoeda* ge mè* zoo *ne' flauwe' vent kunt opgezet zijn. 

— Me{t) opgezetie{n) lüii^ met opzet, Fr. a dessein, D. B. Hij 
héct oe mee* opgezette* wil bedrogen, 

OPGIETEN, w., b. — Ecneu geneesdrank aan het vee toedienen. 
Z. OPGEVEN. T. 

— Koffie opgieieny hetzelfde alshetHoll. Koffie zetten, Fr. /a/rtf 
du cafe\ Ook Op schenken. 

OPGOEIEN, w., b. — Opgooien. Z. Wrdb. 

OPGRAVEN, w., b. — Lichtjes omgraven, losspitten. T., R. Dicö' 
grond moet nog wat opgegraven wörren, 

OPGRIT8ELEN, w., b. — Den grond oplichten door hem te 
gritselen. (Z. der K.) T. Dieë grond leet te vast, ge moet *em wat 
opgritselen. 

— Eenen weg, een perk, enz. een fraaier uitzicht geven door te 
gritselen. (Z. der K.) T. De hofpa(d)en opgritselen. 



ld»0ti€9n 59 



- 898 — 

OPHAALDER, znw., in. — Bij smeden. Holle doorslag, dienende 
om regelmatige kopjes aan de klinknagels te slaan, ¥t, poinfon crenx. 

— Stamp om de koppen aan de nagels te slaan, Fr. clouère^clouière^ 
clouiière. 

OPH AALKRAAN, znw., v. — Kraan, dienende om goederen op 
te halen, niet af te laten. Zij rust op een houten vloer, die meer lang 
is dan breed en van wieltjes voorzien is, zoodat het heele gestel kan 
geplaatst worden waar men wil. Op het voetstuk rust eene buis, zooals 
een kanon op zijn affuit; in die buis zit eene andere, die men naar 
believen in- en uitschuiven kan, zooals aan de schuiftrompet of piston. 
Daarom heet zij ook pïstonkr aan. Men noemt ze ook handkraan^ omdat 
men ze met de hand in werking kan stellen, terwijl de andere kranen 
alleen met waterkracht werken. Deze kan ook door waterdrukking in 
beweging gesteld worden. Andere namen zijn 'ojigger^ djingel en duvel, 

Jigger is, zegt men, Engelsch; op zijn Engelsch uitgesproken, is H 
dsjigger^ wat verbasterd is tot djingel en zoo tot duvel. Men merke 
nochtans op, dat de j van jigger aan de dokken uitgesproken wordt 
gelijk de/ van/a, janken^ enz. en dat hetzelfde plaats heeft bij djingel, (A.) 

OPHAKKENy w., b. — Met eene hak den grond opUchten, 
(Ook in Brab., z. Sch.) De grond moet dikwijls opgehakt wörren, 

OPHALEN, w., b. - - Hetzelfde als het Holl. Van iets ophalen, 
Fr. remettre quelque chose sur Ie iapis. Dat em vruger knecht bg den 
baron geweest heet, dat haalt em nog altijd op. 

— Bovenhalen, opbrengen, opdisschen. Haal *et eten maar op. 

— Uit het bed halen, sprek. van kinderen. R. Haalt de' kleinen is op. 

— Zoolang halen totdat iets op is. T., R., Kl.-Br. Ze' geld stond 
by den notaris, maar 't is bijkanst al opgehaald. 

— Bij iemand iets halen, koopen, tegen 't geld dat men van hem 
te goed heeft. Een timmerman b. v. die voor eenen winkelier gewerkt 
heeft, kan bij dezen zijnen loon in winkelwaren ophalen. Ze levert 
in dieë' winkel boter en eieren, maar ze moet er alles ophalen. Ook 
Opnemen. 

— E liêken ophalen^ een lied aanheffen, T,, R., Kl.-Br. 

— Bij smeden . De koppen aan de nagels slaan, door middel van 
den ophaalder. 

OPHEBBEN, OPHEMMEN, w., b. — Fig. Dronken zijn. 
D. B. Hij heet te veel op. 

— Verteerd, verkwist hebben. Dieën dronkaard hée' ze' geld al op. 

— Iemand of iet ophebben^ weten wat iemand in zijn s<;hild voert, 
zijn inzicht doorgronden, iets verstaan hebben. (Ook in Brab., z. Sch.) 
Hy zee nie* dat em om geld kwam, maar ik had 'em seffens op. c Ha, 
ik heb liet op : de moeder wil Lisa met den zoon van den Secretaris 
doen trouwen. » (Conscience. Eene Gekkemoereld^ 15.) 

OPHELPEN, in 't Z. ook OPHÖLPEN, w., b. — Verteren, 
verkwisten. T., R. Hij zal ze' fortuun schoon ekes ophelpen. 






- 899 - 

— Ten onder brengen, Fr. ruiner, Dieê jongen zal zijn ouwers nog 
heelegans(ch) ophelpen. 

— Iemand op iet ophelpen, bet bem berinneren. Hij beet, bij heet... 
toe ! belpt er mij is op ! Wacbt ! ik zalder oe opbelpen. 

OPHIFPELEN, w., b. — Opscbudden met de band of met den 
riek, sprek. van stroo, mest, baksel, enz. (K.) 

OPHOU(D)EN, w., b, — Opkweeken, grootbrengen, Fr. e'lever, 
sprek. van dieren. T., R. (Ook in Limb. en firab., z. Scb.) E kalf op- 
honwen. Gade oe' veulen verkoopen ? Nee, ik boü *et op. 

— *En streen saai ophouden, ze op beide banden uitstrekken om 
ze te laten afwinden. 

— - Z^'n eigen ophouden met, omgaan, verkeeren, Yi. frequenter. 
Ik wil me met dieê' kerel nie* opbouwen. Hij boudt nie' op as mè' 
slecht volk. 

OPHU88EN, w., b. — Ophitsen. 'Nen hond ophussen. 

OP JACHTEN, w., b. — Aanzetten, aansporen, Fr. exciter. (Z. der 
K.) Dieê jongen moet wat opgejacht wörren, anders werkt en nie'. 

— De marbols opnemen en er mede gaan loopen (Z. der K.)» 
te Antw. Opstarren. 

0PJAN8ELEN, w., b. — Hetzelfde als Opjachten. (Z. der K.) 
Ge moet me zoo nie' opjanseien, 't werk zal wel op tijd gedaan zijn. 

OP KALKEN, w., b. — Met krijt opschrijven. Kalkt die rekening 
op veur *t vergeten. 

OPKAPPEN, w., b. — Eene aard- oi stortkar doen achter- 
overslaan om ze te ontladen. 'En kar mest, zavel, enz. opkappen. 

— Ook o. De kar kapten op, omdat de voerman ze nie* vast- 
gemaakt had. 

OPKARREN, w.y b. — Ophoogen met er aarde, steengruis, enz. 
op te voeren. De weg zou hier wel wa' meugen opgekard wörren. 

OPKÈREN, w., b. -- Door keren een fraaier uitzicht geven. T. 
De' vloer opkèren. 'Et huis was schoon opgekèèrd. 

— Wegkeren, door keren verwijderen. Kèèrt die vuiligheid op. 

OPKBUTEREN, w., b. — Al kenterende doen opstaan. Kentert 
dieê' luiaard is op. 

OPKI88EN, w., b. — Z. ophussen. (A.) 

OPKLAPEREN, w., o., met zyn, — Opklauteren. Hij klaferde 
den boom op. 



S81023A 



— 900 — 

OPKLEE(D}EN, w., b. — Opschikken, fraai aankleeden. (Ook 
in Brab., z. Sch.) Ik gnan mij opkIee(d)en veur de feest. Zij is alle 
Zondagen schoon opgekleed. 

OPKLEFFEREN, OPKREFFELEN, w., o., met zyn. — 
Opklauteren, opklimmen. De kat klefferde den boom op* 

OPKLÈREN, w., o. — Opklaren. *Et weer klèèrt op. 

OPKNABBELEN, w., b. — Al knabbelende opeten. £ stuk 
brood opknabbelen. 

OPKNOÊFELEN, OPKNUFFELEN, w., b. — Al knoëfe- 
lende opeten. 'En taai niggebrooilkörst opknoêfelen. Hij knufifelt zgnen 
boterham droog op. Z. KNOéFELEN. 

OPKNOÈFEN, OPKNUFFEN. w., b. — Z. opknoêfelen. 

OPKNIJZEN, w., b. — Al knijzende opeten. 'Nenappel opknijzen. 

Z. KNIJZEN. 

OPKOMEN, w., o. — Laten opkomen^ vleesch, enz. een weinig 
laten braden, niet om het op te dienen, maar om het langer te kuooen 
bewaren. Ge moet die worsten wa' laten opkomen, anders houdde ze 
nio* goed. 

— Spr. Da\t) zal u opkomen, dat zal u berouwen, dat zult gq 
bezuren. D. B., R. (Ook in Limb., Hag. en Brab., z. Sch.) Ge hèt mij 
uitgelachen en heleedigd, maar da' zal oe opkomen ! 

OPKORTEN, w., onp. — Afkorten, verminderen, sprek. van den 
tgd. Nog vijf dagen, en dan is 't vacantie : 't begint toch al op te korten. 

OPKRABBEN, w., o^^mti zyn, — Opkramen, vertrekken, Fr. 
décatnper^ déguerpir, (Ook in Brab., z. Sch.) Hij is gisteren, tegen 
avend, opgekrabd. 

OPKREFFELEN, w., b. — Z. opklefferen. 

OPKRIJGEN, w., b. — Opgeëten, verteerd krijgen. Ik kan dat 
eten nie' opkrijgen.Dieë verkwister zal ze' fortuuntje gemakkelijk opkrggen. 

— Opgerecht krijgen. De zatlap lag op de' grond, en ze kosten 
'em met tweeën nog maar moeilijk opkrijgen. 

OPKROPPEN, w., b. — Opproppen, Fr. gorger^ se gorger, Dieë 
gulzigaard kropt zijn eigen op. 

— Opgekropt vol^ z. OPGEKROPT. 

OPKRUIFELEN, w., o., met zijn. — Al kruifelende beklim- 
men. Den trap opkniifelen. 

— O., met zyn» Zich al kruifelende oprichten. *£t kind kruifelden 
lUleen op. Z. kkuifelen 



— QOI — 

OPKUIS(CH)EN, w., b. — Fraai opvegen, schooomaken. Dé 
kamers opkuis(ch)en. De vloer moei no{{ wat opgekuis(ch)t wörreo. c Hg 
gaat den tuin laten opkuischen. % (Conscience. Si'mon Turchi^ 19.) 

— Wegnemen door te kuis(ch)en. Kuis(cb)t da* stroo en die vuilig- 
heid wat op. 

— Fig. Opeten, zonder dat er iets overblijft. Den hond heet alles 
schoon opgekuis(ch)t. 

OPKWIKKEN, w., b. — Opkweeken. H^ kwikt al zijn bonden op. 

OPLAiD)EN, w., b. — Z. Wrdb. 

— Spr. Iemand wat opla{d)eny hem wat wijsmaken, "Fx, faire accrotre 
quelque chose d quelqu*un. (Ook in Brab., z. Sch.) 

OPLAPPEN, w., b. — Verstellen, Fr. raccommoder . Z. Wrdb. 

— Ook üg. van zieke menschen. Den doktoor kan 'em nog wel 
wat oplappen, maar genezen nie' meer. 

OPLAPPEN, w., b. — Iemand oplappen j htm. verloren spelen, 
hem ongemerkt verlaten. Ik ben mee* hem naar Santhoven kermis geweest, 
maar onderwegen heet em mij opgelapt. Ik wier* gewaar dat ek last 
mee' *em zou krijgen, en daarom heb ek *em stillekens opgelapt. 

— Laten vliegen. Ik heb al mijn duiven opgelapt. 

— 0« Oprispen, opwerpen, sprek. van de maag. Mijn maag lapt op. 

OPLEG, znw., m. — Hetgeen men meer betaalt of toegeeft. D. B. 
Ik heb hem vijf frang opleg betaald. 

OPLEGGEN, w., b. — Meer betalen, toegeven. D. B. (Ook in 
Brab., 2. Sch.) As hij nog *en half stuk opleet, dan krijgt em mij* kalf. 
Ik boo* *em • tien frang en, had ik nog *ne* frang willen opleggen, ik 
had *et meubel gehad. 

— Hetzelfde als het Holl. Inmaken, inleggen, sprek. van visch, 
groenten, vruchten, enz., Fr, saUr^ martner^ confire, conserver, R, (Ook 
in Brab., z. Sch.) Snijboonen opleggen. *Ne* pot prinsessen opleggen. 
Opgeleed fruit. Opgelede vis(ch). 

-- Van boter sprek. zegt men niet opleggen^ maar opsteken, 

— Zeker meisjesspel met spelden. 

— E vat opleggen^ een vat dat al wat geloopen heeft, oplichten 
en wat voorover leggen met er iets onder te steken, opdat het goed 
zou loopen. *t Vat is al af, en *t is nog nie* opgeleed. 

OPLBGLAT, znw., v. — Bij timmerl. Lat die bovenopeene 
vergering wordt aangebracht, om eene voeg te dekken. 

OPLEGLIJ8T, znw., v. — Bij timmerl. Lgst die boven op eene 
vergering wordt genageld, om een bevallig uitzicht aan *t getimmerte 
te geven. 

OPLEGPOT, znw., m. — Hooge aarden pot, waar men boonen, 
enz. in oplegt. 



— 0O2 — 

OPLEG STUK. znw-, :. — Bq s-nai'»:. Sak hoat, dat boven 
op **!-* v-rr^^r.r.4 ** :r::c ^-ïri:^* i. 

OPLBI D EN. w.. b. — Word: sezeii van kinderen die het 
vorig jvar nunae eer§ce comm:in:e ^^dun h^bendf, nn dienen om de 
nieavï comr&onicanten vas k;i::ne plaats caar de communiebank te 
geieid^s. H*t opi-tiec besuai c:et overal. 

Wacceer cec hcweiqk piaau beeft, dan leidt de vader der bmid 
of, in diens afwezigheid, de bmid ten stadhoize en ter troawzaaL Dat 
beet men dt hruid cpU^dyem, (A.) 

OPLBI DiER, zaw^ m. — Jongen die eenen eerste-commonicant 
opleidt, Dg HffL geleider ^ 

OPLEVEN, V., b. — Verbruiken om op te leven. D. B. (Ook 
in Brab., z. Sch.) Ze' geld opièveiu Heor lortnontje zal ganv opgeleefd zqn. 

OPLIT8EN, v.y b. — Een vroawenkleed opsdiorten met de 
litsen die onder aan het kleed genaaid zgn, aan de daartoe bestemde 
knoppen te haken. Die mode bestaat thans niet meer. De vroawen litsten 
hnn kleed op om den zoom niet te bevnilen. 

OPLOOPENDHEID, znw., v. — Bg veeartsen. Opzwelling van 
hoombeesten, ten gevoige van de gassen die zich in de pens ontwikkelen, 
vanneer de herkauwing niet goed gebeurt. 

OPLOOPIO, bvw. — Opkwpend, Uchtgenakt. Hg is opk)opig 
van aard. 'Nen oploopige mensch. 

OPLUIBN, w., b. — Zakken doormiddel van eene lui opbijschen. 
^jraan opiuien. 

OPMAKEN, w., b. — Aanhitsen, Fr. exciter. Ze hebben 'em 
opgemaakt oni zoo te handelen* Hij zou da' nie' gedaan hebben, as 
ze *m nie' opgemaakt en hadden. 

V. D. heet het w. verouderd en Kram. zegt dat hel in dien zin 
weinig gebruikt wordt. In de prov. Antw. is het zeer gemeen, evenals 
in 't Hag., 't Hasp. en in W.-Vl. Zie T., R. en D. B. i. v. opmaker, 

— Opgemaakt spel oi opgemaakt werk, vooraf beraamde zaak. R. 

— Herstellen, verstellen, Fr. reparer, raccommod^r, T., R. Hg is zgn 
huis aan 't opmaken. Die kleeren kunnen nog wat opgemaakt wörren. 

— Boter opmaken, ze in klompen of vormen kneden. De boter 
is bijkans gereed : ze moet nog opgemaakt wonen. 

0PMET8BN (Kemp. opmSts9n), w., b. — Opmelselcn. D. B. 
'Ne* muur opmetsen. 

OPMBUZBLEN, w., b. — Oppeuzelen, traagzaam, bij kleine 
beetjes opeten. D. B. Z. meüzelen. De kinderen meuzelden hunnen 
boterham op. 

OPMOBFBLEK, w., b. — Al moëfelende opeten. — Z. MOeFELSN. 




OPNEEMDOBK, zqw., m. — Z. opneemvod. 

OPNEEMVOD, znw., v. — Doek of vod waar men den natten 
vloer meeopnéemt, dweil, Fr.iorshon. (Ook inBrab. en 't L, v. W., z.Sch.) 

OPNEMEN, w., b, — Opschrijven, opteekenen, Fr. annoter^ 
inventorier, D. B. (Ook in Brab. en Limb., z. Sch.) De meubelen 
opnemen van 'en hais. Da' woord zoudde moeten opnemen, 

— Waardeeren, schatten. T., R., Kl.-Br. Eerdat ek naar dieë* koop- 
dag gaan, moet ek de koopen opnemen. Graan, land, huizen opnemen. 

— Bij iemand iets halen, koopen, tegen 't geld dat men van hem 
te goed heeft. Z. ophalen. Z^ne werkman moet zijne' loon in winkelwaar 
opnemen, 

OPNBUKER, znw., m. — Lap,oo(veeg. M. Iemand 'nen opnenker 
geven. 

— Stomp onder den neus. Hij gaf 'em 'nen opneuker, dat 'et bloed 
spoot 

OPNBUZELEN, w., b. — OpsmuUen, smakelijk opeten. De 

kinderen waren hun lekker aan 't opneuzelen. «Dat is zoo nogal een 

vroolijk partijtje, en we kunnen ons nog verheugen lederen keer dat 

we de beloofde giften opneuzelen, » (Zetternam. Voor twee centen 
minder y lo.) 

OPPAS, ^nw,, m,, zonder mrv. — Oppassing, verzorging, Fr, som. 
D. B., M. (Ook in Brab., z. Sch.) Die jonge vogelen vragen veul oppas. 
DieCn ouwe vent heet daar zijnen oppas nie' gelijk 'et behoort. 

OPPASSEN, w., b. en o. — Z. Wrdb. 

— Spr. Oppassen is de boodichap^ Z, BOODSCHAP. 

— E meisken oppassen, wordt schertsend gezeid voor Met een meisje 
▼erkeeren, ze vrijen. 

*OPPEKKEN| w., b. — « Opsmukken, opschikken. Dit meisken 
pekt zich te veel op voor haren stand. » 
Sch. geeft dat w. voor Antw. 

OPPER, bw, — Opwaarts. Hij gong den berg opper. 

— Inde richting van. Waar ging hij naartoe? Hij ging naar Schil 
opper. 

OPPER, znw., o. — In V opper véren, scheepsterm. Tegen den 
wal en tegen wind, maar met de tij varen. 

OPPERDEKBN, znw., ra. — Eerste deken in eene gilde. 

OPPERGELD, znw., o. — Het bedrag, waarmede de kooppr^s 
wordt verhoogd bij openbare veilingen. 

OPPERVOGEL, znw., m. -— De opperste, de hoogste vogel 
op eene wip. Z. wip. Den oppervogel afschieten. 



— yy^ — 



OPPIJPEM, OPPIXKEX. w^ 2. — Eeas ?qp- oc 

re pij,«rt« :/ ;;i«^jit£i £ï-~£3l: «r i^ ik» i^cK^ec» ■ ■ i' ■ iiiw ■ _ die 

OPPIXXEN, w., i — 3^ ti-i-i^^.tkfri. Waa 










OPPLAKKEX, V., ix — D.CC p^akjKs vrrarsikn: T., R. De 

OPPOÉFEX, »-, o, 3*ïi if>- — Bx gm, sprek. vaa 
R. Ot* aieed poéft op oodcr'ie aocvcc. 

OPPOPPEX im'lLts. W. :^ffoêf^/Jm), w-, b. — Ak< 

fwp '^^^jyts^ Uê," zDieak*fi p«3pc besr tcoI *s veal of>. Ze is opgspopt 
dat 't ftcaaad h. 

OPRAMAS8EEREX, v., b. — <:>pApe9, opiasKtea. RAousMert 
aï d>e papieren op ea «egt ze veg. 

OPRAPEK, w., b. — Z. Wrib. 

— Iemand van de itraa: zpr^pem^ si: de axaoede opbeipen. Ik 
b«ti 'een rax: ie s:raat op^enap:. 

— /f/ oprapen^ bedrogen w-ocier. sprek. vaa eene joagcdochter. 
Da' messken beet daar wa: opgeraapi. 

OPREPAREEREX, t., b. — Heratelec, in behoorlqken toestand 
brengen. T. Uai niui £ou wa* moeten «^gerepareerd w Gr ien. Kleeren 
oprepareeren. 

OPRIJ^D BX, w., o., nset x^Vr, — Heenr^den, wegreden. De 
voerman ia ac^c' morgecd om drii aren opgere\d/ec. R^d maar op! 

— Fig. Vertrekken, zich oiL de roeten maken. Ge hadt *em moeten 
zien oprijeny as de gendarmen kwamen ! 

— R^d op, maak u weg. Rgdt op, leel^ke straatrIegeU ! 

OPRIJVEK, w., b. — Z. oPGUrsELES. (V. D. Tenneldt het 

w« als gewest.; 

OPROBIEX, w., b. — Opgooien. (K.) 

OPROEP, znw., m. — Beroep, Fr. appel. D. B. (Ook in Bnb. 
en Limb., z. Sch.; 'Nen oproep a.tn de erfgenamen. 'Xen oproep doen 
aan de kiezers. 

OPROKKEN, w., b. — Oprakelen. Lank ver\'logen dingen op- 
rokkeri. 

OPROKKBN, w., b. — Oprokkenen, op het spinrokken winden. 

— Spr. (je mengt niet mier oprokken alidat ge kunt afspinnen^ 
men rnag niet meer aanvatten dan men kan voleinden. 



— 905 — 

OPROS8(CH)EN, OPROESrCHjEN, 0PRU88(CH)BN, 

w., b. — Met rosscheu, graszoden ophoogen. 'Ne' weg, 'ne* pad op- 
ross(ch)en, 

OPRUREN, w., b. — Oproeren. Z. Wrdb. 

OPRUUR, rnw,, m. en niet o. — Oproer, Fr. révolte^ R-i J» 

OP8CHARREN, b., w. — Al scharrende opnemen. Schart da' 
geld maar op, 't is 'et auw. Hij is hier alles komen opscharren. 

— Aanhouden, in hechtenis nemen. De gendarmen hebben den dief 
opgeschard. cja maar, jongen, men schapi u dan op^ omdat gij bedelt. » 
(Zetternam. Voor twee centen minder , 33.) 

— let opscharren^ bedrogen worden, sprek. van eene jongedochter. 
Ze heet ieverans iet opgeschard . 

— Eene verkoudheid opdoen. Ik heb wat opgeschard met deur de 
kou te loopen. 

OP8CHENKEN, w., b. ~ Koffie opschenken, hetzelfde als het 
Holl. Koffie zetten. 

OPSCHEPPEN, in 't Z. OPSCHOPPEN, w., b. — Opdisschen, 
opdienen. H£ic. Ze scheppen daar goed op. Schept maar op, ik heb honger ! 

— > Iemand opsckeppen,?Lakn\iO}i^e.n^\ïi hechtenis nemen. Den deugeniet 
is van de policie opgeschept. 

— Iemands have en goed verkoopen voor schuld. Ze hemmen alles 
opgeschept bij Jan S. De meulder van W. is opgeschept (men heeft 
alles by hem aangeslagen en openbaar verkocht») 

— Het is er mee opgeschept ^ het is er mee gedaan, 't Is er mee 
opgeschept met dieë' koopman (hij is ten onderen, hy is failliet.) 

— Spr. Iemand zijn peeën opscheppen^ hem duchtig bekijven, hem 
harde waarheden zeggen. 

OPSCHEREN, w., b. — Bij berdzagers. De gezaagde planken 
in eene scheer zetten. Z. sCHJiÈR. Berd opscheren. 

OPSCHIETEN, w., b. — Verschieten, schieten totdat iets op is. 
T., R. Al me' zaad is opgeschoten. Ze' poeier opschieten. 

— Door schieten verteren. Hij schiet al ze' geld op. 

— Omhoog werpen. Ge moet da' graan is helpen opschieten. 

— O., met zijn. In gramschap schieten, driftig worden. Moette nu 
veur zoo'n kleinigheid zoo opschieten ? 

OPSCHILDEREN, w., b. — Verfraaien door te schilderen. Oe' 
huis zou is moeten opgeschilderd wörren. As die meubels opgeschilderd 
zyn, dan zyn ze weer zoo schoon as eerst. 

OPSCHOEFELEN, w., b. — Uit gulzigheid of begeerlijkheid 
opeten of nemen. Hij komt hier alles opschoefelen. Hij heet daar heel 
de erfenis opgeschoefeld . 

OPSCHOEPEN, w., b. — Met eene schoep of eene schoéfel 
opscheppen. Graan opschoepen. Vuilnis opschoepen. 




-^' . ^ M* ^t**J»»?fc IC. . 



*.«fV 














*W» *t ^0»C^*.^. 



L. 3. — Jb. 



'><i^«> >^ ««ir i^i^t»*? ?wss ..'^.fissu 



^ W:avr:^rt ^ ■ — ■"■ — ^^ i^w ■«■ dPP Y 



-ï^r *► < .11 Vrwr: zrt -rs^ txrs, vut .'.■«..^■r ite.j^- 

.'•1 VMÜC. *^«a £i^ ly^KKT' B iJ W H RJiK TTimtC 

- > •f-j^ ' tl y>Z^ 'X^»nc /<-T/ ü* ld a r 7'aa Jurikrw, 3 



— 907 - 

OPSMEREN, w., b. — Besmeren, met boter, vet, enz. bestrijkeo, 
M, 'Neo boterham opsmeren, 

— Verteren door goeden sier te maken. Geld gelakt *em niet, want 
hij smèèr* 'et allemaal op. 

OPSMIKKBLEN, w., b. ~ Opsmullen, lustig opeten, B. Hq 
had honger en hij smikkelden alles op. 

OPSMOORBN, w., b. — Verbruiken door te rooken. 'En sigaar 
opsmooren. Hij smoort alle weken e vierendeel toebak op. 

OPSNIJ(D)EN, w., b. — Versnijden, snijden totdat iets op is. 
'£n brood, 'en hesp opsnijen. Mij' potlood is opgesne(d)en . 

— Bij blokmakers. De scherpe kanten, de snee van eenen blok 
afsnijden. Die klonen moeten nog wat opge8ne(d)en wörren. 

OPSNIJ(D)ER. znw., m. — Bij blokmakers. Soort van mes, waar 
men de scherpe kanten van de blokken mee afsngdt. 

OPSNIPPERBN, w., b. — Versnipperen. 'En heel blad papier 
opsnipperen. 

OPSNOEBBLEN, OP8NOBBBN, w., b. — Opsmullen, op- 
snoepen. Janneken heet al ze' lekker al opgesnoebeld. 

— Versnoepen. Z. opsnoepen. 

OP8NOEIBN, w., b. — De onderste takken van fruitboomen 
wat uitsnoeien. 'En boomken opsnoeien. 

OPSNOEPEN, w., b. — Versnoepen. Da' kind heet tien centen 
opgesnoept, lu plaats van oe' geld op te snoepen, was 'et schoonder 
da* ge 't spaarde. 

OPSOLPBREN, w., b, — Iemand üt opsolferen, hem bedrieg- 
Igk iets opdringen. Hfft., Sch. Dieën bedrieger zocht mg z'n slechte 
waar op te solferen, maar ik was wel wgzer. 

OPSPANNEN, w., o. — In gramschap over iets uitvaren. (Ook 
in Brab., z. Sch.) De meester spanden op, omdat de kinderen te laat 
kwamen in de school. Hij begost tegen mij op te spannen. De man 
spanden op tegen ze' wgf, omdat 'et eten nie' gereed en was. 

OPSPELEN, w., o. — Opspannen, in gramschap uitvaren. D. B ., 
B., M, (Ook in Brab. en N.-Br., z. Sch.) Den huisbaas speelde tegen 
zgnen huurder op, omdat em ile huur nie' wilde betalen. Onze pastoor 
hée' verleden Zondag vandeeg opgespeeld tegen de zatlappen. 

OP SP ET EN, w., b, — Opspelden. Speet oe' kleed wat op. 

— Fig. Iemand wat opspeten^ hem wat wijsmaken* 

OPSPIEÊN, w., b. — Met spieën vastzetten of aansluiten, Fr. 
chevüUr, T., R. 

OPSPÖRZBN, w., o., met zgn. — Driftig naar boven loopen, 
bij T. opipoircn, (K.) Den trap opspörzen. 

— Zich al sporzende verwgderen. De kinderen spörsden op, as ze 
mij zagen. 





rïc 



»■— - 





«•<*i^ "^ jrt ikaaa Ut 
— ^U ar xTdKéii'isL 



— 909 - 

OPSTIJGEN, w., o., met zijn, — Oploopen, opzwellen, sprek. 
van menschen en dieren. Ik ben zoo dik opgestegen dat ik geene' weg 
en kan. Van gruunten s^ijg ik altijd op« De koei is leelqk opgestegen. 

OPSTIJGEREN, w.,b. — Bij vinkenvangers. Sterk opspannen. 
De netten opstijgeren. 

OPSTOKEN, w.. b. — Ophitsen. Z. Wrdb. 

— Ook Influisteren, het antwoord ingeven, Fr, souffUr^ snggérer^ 
De meester wilt nie*dat de kinderen opstoken. Ge meugtjan nie' opstoken 
in de' catechismus, want de pastoor zal kijven. 

OPSTOMPBN (in H Z. en W. oêpstóifnp9n), w., b. — Overmatig 
veel spijs doen nemen, volproppen. Gij voeiert oe' verken niet, ge stomp* 
*et op. 

OPSTOOK, znw., m. — Opstoking, aansporing tot het kwaad, 
't Is deur zijnen opstook dat ik hier moet vertrekken. 

OPSTOOTEN, w., o., met zijn, — Oprispen, keeren, sprek. van 
de maag. Mijn maag stoot op. 't Is soms goed dat de maag is opstoot. 

OPSTOPPER, znw., m, — Stomp of duw met de gesloten vuist 
onder den neus. Iemand 'nen opstopper geven. 

OPSTOVEN, w., b. — Iemand iet opstoven^ hem wat wijsmaken, 
Fr. faire accroire quelque chose d qtielqu^un, 

OPSTROOIEN (Antw. óêpstroiifn^ Kemp. ófpstroeën en dip- 
struên)j w., b. — Al strooiende versieren. De* weg opstrooien, dieë* 
de processie moet gaan. De vloer was schoon opgestrooid. 

— Strooien totdat het op is. Al me* zand is opgestrooid. 

— De{n) stal opsirooien, stroo of ander strooisel in den stal onder 
de dieren werpen. 

OPSTUIKEN, w., b. — Bij smeden. Een stuk gloeiend ijzer 
door stuiken of hameren doen verdikken, Fr. renfler, 

OPTIJGEN, w,, b. — Ophalen, wederom ter spraak brengen, 
Fr. remettre quelque chose sur Ie tapis. Dat is al zooiank gele(d)en, 
en nog tijgt hij *et altijd op. 

OPTOPPEN (Antw. oeptoepp9n\ w., b. — Hoog opladen, zoodat 
er overmaat is. Die boerin geeft goei maat, hcui mand is altijd opgetopt. 

— Opgetopt vol, top vol. *En mand opgetopt vol la(d)en. 

OPTREKKEN, w., o., met syn. — Heengaan, vertrekken. Diec 
vervelende zageman trok eindelijk op. Ge waart lijk stillekens opgetrokken? 

— Naar *t leger vertrekken. Morgen moet zijne zoon optrekken. 
Daar zijn er in ons dorp zes, die moeten optrekken. 

OPTREKKER, znw., m. — Bij schoenmakers. Een stuk leder 
dat gebruikt wordt om den leest in den schoen te trekken, gelijk wij 
deo Bchoenhoren gebruiken om den voet in den schoen te krijgen. 



i 













.irf IC A, r. •'.'•JC r 2o£:- ^ " .•m?,- i» S"T,. ^fc -'-.C 5<.'p ; i ieJCfiB 



tytraicA '»is tfc ie -iese=i. u£. ^st irm ixxn m 



2;|n rnrrma s 'PstrirRa. T-rxip^ "ma^i'ir r::e vnxkes j>7ed. naai in x 



^erMvt^ïr *x *TjïXis -rwD^ tx-— ü - ^ ii ■ .li- . Sui oad -nit ie insaxis^B 
vi€mrne:<l «an z'sen icn : -vaar zen sn lie 3iigqTr*>E2i aeóoea ? £k jfDf 



OPVCJKEM, -V. 3. ' Fffim jpimi jcixca^ex. snee s. 
^ 'e wsr». "!>» B. (' jck 'Ji Boe— 2. Scn.' 'Ne' -veg, 'im 'am w gu mi 

OFWAI^LEV, w., o^ sec x7«t. — Scileqes rckckso. Laat de 
€9Un nt/;^ »aar vaC '^pvatleo. «i iet ze lan 2L. 

OFWAVDELEN, v-. ^.y mee «KÓócnc ea m. — Wandeleode 

OFWAMlfEiC. V., ':j. — Beoocr.qk vannen. X. Dm' zaad zon 

rwj$( w mo^ftn op^rvaod varren. 

OFWAS CH « znw«, m. ~ Afwasdi. De meid moec den opwaa(di) 

OPWASS/^CH.EN, w,, b. ~ AfwasKlien. De teOooren en sdMeb 

- Al wajHchende irerbniiken. T. De meid bée' meer as *en half 
jy/o4 r^^ <^^ewaM/diien. 

OPWAS CH;WATER, znw., o. — Z. .\rwASCHWATE*. 

OPWERKEN, w„ b. — Botrr opvtrken^ ze met zout vermengen 
tn kM(iefi, om er de wei uit (e halen en ze tegen bet sterk worden te 

b«WM«D, 



— gil — 

OPWIJNEN, w.. b. — Opwinden. (K.) 

OPWIJZEN, W., b. — Z. MELDEN. 

OPWINDKROON, znw., v Bij horlogemakers. De gekartelde 

k(^ of bol aan een remontoir-uurwerk, om het op te winden. 

OPWI8SEN, w., b. — Bij blokmakers. De blokken opwissen is 
ze in paren aan eenen wis rijgen. 

OPWÖRPEN, w., b. — Opwerpen. Z. Wrdb. 

— O. Oprispen, terug in den mond komen, sprek. van spijzen. 
Mijn maag wörpt altijd op. De roökoolen die ik geëten Lc-1>, worpen op. 

— Vochtig uitslaan. T., R. De steenen worpen op, dat is e veurteeken 
van regen. 

OPWÖRTEN, w., b. — Opwerpen. (N.-O. der K.) 

OPWRUTEN, w., b. — Al wroetende oplichten. De mol hée* 
mgn ajuinbed opgewruüt. 

OPZAAIEN, w., b. — Bezaaien. Da' .stuk land moet nog opgezaaid 
wörren. Ik zal da' stukske grond omdoen en opzaaien. 

— Al zaaiende verbruiken. Ik heb zjust e meuken koren opgezaaid. 

OPZALVEN, w., b. — Eenen zieke het H. Oliesel toedienen. 
(Z« der K.) De pastoor is V. gisteren komen opzalven. 

OPZANDEN, w., b. ~ Fraai met zand bestrooien. '£t huis 
opzanden. De vloer was nettekens opgezand. 

OPZAVELEN, w., b. — Ophoogen met er zavel over te voeren. 
'Ne* weg opza velen. 

— Bij T. heeft het de beteekenis van ons opzanden, 

OPZBILEN, w., b, — Bij mulders. De zeilen aan de molenroedcn 
vastleggen of ze over de roeden openslaan. 

OPZET, znw., m., niet o. — Z. Wrdb. J. 

OPZETTEN, w.,b. —Opschikken, opsmukken, Fr. parer, D. B., 
T. Sommige moeders zetten hun kinderen te veul op. Die juffrouw is 
opgezet boven heuren stand. 

— Een dier aankoopen om het te vetten, bij D. B. opsteken. E 
kalf opzetten. Ik gaan tegen de' winter twee vetkens opzetten. 

— Op den oliesteen wetten. T. (Ook in Limb., z. Sch.) E mes opzetten. 
Da' schaars (scheermes) zou is moeten opgezet wörren. 

— Op het vuur zetten, sprek. van spijzen. D. B. Zet de pap maar 
op. Hedde't 't vlees(ch) al opgezet? Vrgik. afzetten. 

— Met iet of iemand opgezet zgn, z. opgezet. 

— Met opgczetten wil^ z. OPGEZET. 

— Bij landbouwers. De graauschooven in hoopen, in hokken, in 
stuiken, in stokken zetten. Koren opzetten. Wij hebben gisteren den 
heelen achternoen opgezet 

— Iemand opzetten^ hem bestoffen, grootelijks loven. Hij is geren 
opgezet* 



A 



— gi2 — 

OPZETTOOM, ZDW,, m. — Toom, voorzien van eenen riem die 
van den kop des peerds naar 't gareel gaat, om den kop achteruit te 
houden. 

OPZICHT, znw„ o. — Opslag der oogen. Bij *t eersten opzicht, 
Fr. d première vue, d*aborc/^ au premier moment, D. B. Ik kenden 
»em bij 't eersten opzicht nie'. 

— Uitzicht, voorkomen, Fr. air, Dieë jongen heget opzicht van *ne* 
vals(ch)aard. « Drie leeuwen, even groot van lichaem, even fel van opzicht^ 
en gebit. •» (Vondel, X, 80,) Z. oud., V, 454. 

— Ontzag, eerbied, Fr. e' gard ^ respect, T. Daar is geen opzicht 
onder de kinderen meer. Dieë jongen hee* geen opzicht veur z*n ouwers 
of z'ne* meester. 

— Mens(ch)eiijk opzicht, vrees voor het oordeel der menschen, Fr. 
respect humain, D. B. Uit mens(ch|elijk opzicht iet doen of laten. Hij 
derft da' nie' doen uit mens(ch)elijk opzicht. 

Kil. Op-sicht, vultits; — suspectus, 

OPZICHTIG, bvw. — Opzichtig zijn veur iemand, iets doen 
of laten uit achting of ontzag voor iemand of uit menschelijk opzicht. Hij 
derft da' nie' goed doen, omdat hij opzichtig is veur de mens(ch)en. 

ORDER (ook oddjr uitgespr.), znw., o. — Orde. D. B„ Hfft. Daar 
is weinig order in dat huishouwen. Ge moest die zaak is in order 
brengen. Hij is onder 't order van de Witheeren. Is alles inodder? 

ORDINAAL (klemt, op naai), znw., m. — Bolvormige waterflesch, 
waarbij de kant werksters 's avonds arbeiden. 

ORDINAIRLIJK« bw. — Gewoonlijk. Fr. ordinairement. D. B. 
Da' gebeurt 01 linairlijk zoo. 

ORDINARIS (uilspr. ornörr^s)^ bw. — Gewoonlgk, gemeenlijk, 
Fr. ordinairement. (K.) D. B., R., Kil. 't Is ordinans zoo. Hij gaat 
ordinaris Donderdags uit. 

OREMUS, znw., m. — Langdurig gezaag, vervelend gezanik, R. 
(Ook in Brab., z. Sch.) 't Is altijd dezelfden oremus, c Gij hebt nu al 
zoolang aan mijne ooren liggen zagen met dal zelfde oremus. *(Co'SSClKfiCE^ 
Hoe men schilder 'wordt») 

ORGEL (uitspr, örr^g^l)^ znw., Fr. orgue, is meest overal v„ doch 
op sommige plaatsen o. of m. (Ook v. bij J.) 

ORGELIST, znw,, m. — Organist, degene die in de kerk het orgel 
bespeelt, Yx^organiste» G., B., M. (Kram. zegt dat organist meei gebruikt 
wordt. Hier niet.) 

ÖRK, znw., m. — Z. UÖRK. 
ORKAAN, znw., o. en niet m. — Fr. ouragan, 

ORLEANCIE, znw., v. — Verkeerde uitspraak van alliancie, (K.) 
Z. dat w. 



- 913 — 

OS, znw^ m. — Fr* bosuf, 

— Fig. Zure, onvriendelijke, sluursche persoon. Hij is 'nen os. 
'Ne zuren os. 

^- Spr. Den os is vet, zegt men als er, tegen de gewoonte, twee 
of meer lichten in dezelfde plaats staan te branden. 

— Als U lukt, dan kalft den os, z. LUKKEN. 

— 'Alen os ts e gepros^ maar e pèèrdis gelduoèèrd^ beter peerdsboer 
dan ossenboer. 

OS, vmw. en bvw. — Ons, Fr. nous, notre, Westvl. oes (z. D. B.), 
Fri. uuSy üSf Eng. us, Zw. en IJsl. osz, Deen. en Noorw. os, Gron. 
uzes, Drent, oes, Ang. üs, Oudsaks. üsa^ bij T. en R. oos, aus, bij B. uis. 
(Z.*0. der K.) Kom bij os. Dat huis is van os. Os kind. Os moeder. 
Ozze vader. Ozzen hof. 

OSSEBOERDERIJ, znw., v. — Boerderij, waar men eenen os 
in plaats van een peerd houdt. 

OSSEBOLLEKB(N, znw., o. — Zeer kleine mees met langen 
steert, in de Wrdb. Staartmees, Fr. mésange a longue queue^ Lat. 
Parus caudatus, (W. der K.) 

OSSEKAR, znw., v. — Kar waar een os in gespannen wordt. 
OSSEKEUT, znw., m. — Ossenboer, kenter. (K.) Z. ossenboer. 

OSSEKNIEÈN, znw., v., mrv. — Binnenw'aarts gegroeide knieën, 
Lat. genu valgum, Fr. étre cagneux, avoir les genoux tournéi en dedans, 
Dieë mens(ch) heet osseknieën. 

OSSEKOP, znw., m. ^- Fig. Stroeve, onvriendelijke mensch. *Nen 
ossekop van 'ne* vent. 

ÖSSEL, EUSEL, zdw., m. — Unster, Romeinsche balans. 

OSSELIP, znw., v. — Dikke lip. Hij heet osselippen. 

OSSENBOER, znw., m., mrv. osseboeren, — Landbouwer die 
zijn land bewerkt en zijn gespan voert mei eenen os, in plaats van met 
een peerd. Hfft., R. (Ook in Brab., Ha^. en Limb., z. Sch.) Z. ook 
KEXTTER en OSSEKEUT. 

— Spr. Osseboeren wa{t) z^'de gekuld: kromme beenen en 'nen bult. 

OSSENBOLLEKE(N, zow., o. — > Z. ossEfiOLLEK£(N. 

OSSENTUIK, znw., m. — Eene grassoort, die in de wetenschap 
Nardus stricta L. heef. 

OSSEPLAATSKEiN, OSSEPLAKSKElN, OSSEPLEK- 
SKE(N, znw., o. — Hoef ken waar men eenen os in stede van een 
peerd houdt, bij D. B. ossepUk, Hij zit op *en ossepleksken. 'En 
osseplaatsken huren. 

OTTER, znw., m. — Fr. loutre. Zoo schèèlas'nen otter. — Schelen 
oiter, iemand die scheel ziet. 

— Otters jagen, hetzelfde te Heist-op-den-Berg als elders den bef 
jagen, Z. BEF» 



Idioticon 00 



— 914 — 

* OU. Sch. /f:gt in zijn IdïoCicoa : c De woordui mei au 
ipr^kt het vrAk in 't f (ageland, Brabant, Antwerpen, KexxifKii 
uit alü a, b, ▼. bout, kond, smous, A^io/, Ioa/, iJinxtXjr. • 

r>at kft waar voor het zoidergerleelte der proT. Antw. (hoewet &. 
klank ^ in v>mmige itreken ook anders luidt;, maar in 't X. en W. 
wor^t o^zhawen av uitgesproken. Hout^ koud, smaus^ bo u wen kfmkra 
er furmt, kawd^ imowi, bowwen, ofwel hawt, karmtL, smaws^ ö oj Ê muu 
Z, I5LJUW50. 

OU, vmw. — U. (N. der K.) Dat is van on. Ik beb 'et tegcB on 
gezeed, Z, ook a, au^ o€ tn ê, 

OUD, bvw. — Z. Wrdb. 

— Verg, Zoo oud als AfathuzaUm, als de straat j als 't Gèlebre&^ 
zttï oxui, 

— Oud vuil, oad nieuws, iets dat men al lang weet. T., R. Da' 
ge daar vertelt, is oud vuil. 

— Op 'en oud spelen. Bij kaartspelers. In de jasspelen beteekent 
die uitdrnkking : voortspelen totdat iemand honderd haalL 

— Ou{dy wijven, soort van groote granwe erwten met bbowe 
bk>emcn. (K.) 

— Ook een slag van doorlevende groene kooien. (Z. der K.) 

— Spr. Men is nooit te oud om te leer en (maar altgd te jong om 
te hangen). R . 

— ' Als V/« oü schuur aan 't branden geraakt, is er geen bluss{cA)em 
aan^ als een oud man het in 't hoofd krijgt te trouwen, is er geen 
tegenhouden aan. R. 

— Oud zot is kwaad zot, in zijnen ouden dag mallen, is erg mallen. T. 

— Ou(de) bokken hebben st^ve horens^ oude menschen zijn dikwqls 
stijf hoofdig. M. 

OU(D)BAKKBN, bvw. — Z. Wrdb. 

<— De klemt, ligt hier op de eerste lettergreep, evenals bij D, B., 
en bij Kram. op de tweede. 

OU(DjB, znw., m. — Wordt in de gemeenzame spraak gezekl 
voor Vader. D. B«, R. Hij krijgt gee(n) geld meer van zqnen ouwe. 

OU(D;£MAN, znw.,m. — Kwijnende toestand van kleine kinderen, 

die door slechte voeding of slechte spijsvertering, bij gebrek aan zorgen 

of door ziekte, zeer vermajjeren en dikwijls sterven, Fr. marasme, atrepsie. 

Het mager, gerimpeld gezichtje doet het kind op een oud maimeken 

gelijken. Da' kind hóet den ouweman. Van denouweman besmet zqn. 

Z. ook D, B., die het w. vertaalt door chartre, marasme d la suite 
de Ventdrite chronique» 

— Wordt ook gczcid van gewassen die hunnen groei verliezen 
en allcngskcns verkwijnen. D. B. Die kooien hebben den ouweman. 
Den ouweman is aan die boomkens. 



- 915 — 

OU(D ER, znw., m. — Ouderdom, leeftijd, Fr. dge^ Hgd. Alter ^ 
Mecklemb. <7//rr, Giooingsch en Geld. blder^ Zvi, alder^ Angtis. ylde, 
Westv). oude f elde, HfTt. Hij is van mijnen ouwer. Welk is uwen 
ouwer ? Ze is gestorven in den ouwer van 30 jaar. Tachtig jaar is *ne 
schooneD ouwer. 

Ouder verschilt van ouderdom ; want ouderdom beteekent ook het 
Fr. vieillesse^ terwijl ouder maar alleen het Fr. dge beduidt. Men zegt 
dus : sterven van ouderdom, Fr. mourir de vieillesse^ maai nooit : sterven 
van ou(d)er. 

Kil. Ouder, atas^ senectus^ vetustas. 

OUDERMAN, znw., m. ^- Het oudste lid in eene gilde. Hfft. 
De ouderman is van rechtswege de raadgever der gilde en de rechter 
io de geschillen, die tusschen de gildebroeders oprezen. 

OUDSTE, züw., m, — Wordt, evenals oude^ in de gemeenzame 
spraak gezeid voor Vader. R. Ik zal *et is aan onzen oudste vragen. 
Is uwen oudsten al thuis? 

«OUDVADER en «OUDMOEDBR worden, volgens Sch., veel 
in Brab., de Kemp, en N.«Br. gezegd voor Grootvader, Gr >otmoeder. 
Ik heb die ww. nog niet gehoord. 

OUKEiN, znw., o. — Oudje. Ons oüken is ginder. De oükens 
brengen èès aan hun jonkskens. 

OUTAAR, znw., m. en niet o. — Z. autaar, J. 

OUW, bvw. — Uw. (N. der K.) Ouwe vrind. Ouw kind. Deze 
schrijfboek is de mijne en dendieën is den ouwe. 

OUWEL, znw., v. en niet m. — Z, Wrdb. 

OVEN, znw., m. — Fr. four» 

— Spr. Da(J) gaapt gelifk 'nen overig dal is tastbaar, dat is zonne- 
klaar, dal spreekt vanzelf, Fr. c'est évident. D. B. (Ook in Brab., z. Sch.) 

OVENBAKKES, znw., o. — O^cnraond, ovengat. 

OVENBEEST, znw., v. — Soort van zwarte kever die veel in 
bakkerijen aangetroffen wordt, kakkerlak, Fr. blatte^ cafard^ Lat Peri- 
planeta. D. B. (Ook in Brab., z. Sch.) 

OVENBUUR, znw., m. — Huisje dat alleen staat en waar de oven 
is om Ie bakken. (W. en N. der K.)D. B. Zie ook bakhuis, bakkeet 
en bakkot. Den ovenbuur is afgebrand. Hij woont in 'nen ovenbuur. 

OVENDBKKER, znw., m. — Een vogeltje, dat in de Wrdb. 
Ovenmakertje, pannemakcrtje geheeten wordt, Fr. pouillot stffleur, in 
de wetenschap Ficedula sibilatrix. 

OVENPAAL, znw., m. — Platte houten schop om het brood, 
in den oven te steken, Yx.pellc afour. Eng. oven-peel. Bij D. B. is het w. v 

OVENSCHEEL, znw., o. — Deksel om het ovengat te sluiten 



— 9o8 — 

OPSPRINGEN, w., o. — Zich behelpen. D. B., T., Kl.-Br. Die 
arm schapen van kinderen moeten 's morgens met één boterbammeken 
opspringen. Mee* elfhonderd fraog moet hij e jaar lank opspringen. 

OPSTAAN, w., o. — Op het vuur staan, sprek. van spijzen. Sch., 
D. B. Staat de soep al op ? Da' vlees(ch) moet lank opstaan, eerdat 'et' 
genoeg is. 

— Spr, Opgestaan is plaats ver gaan ^ neergezeten is wel gedaan^ 
zegt II. on schertsend tot iemand wiens plaats men ingenomen heeft. 

OPSTAL, znw«, m. — • levers zifnen opstal hebben, in een huis, 
dat geene herberg is, veel verblijven, gewoonlijk in ongunst igen zin. T., 
R., KI.- Br. Hij hée' zijnen opstal hiernevens. Waar mag ze nu heuren 
r)pstal hemmen ? Al de zatte wijven uit de gebuurt hebben hunnen 
opstal bij K. 

Kil. Op-stal, receptaciilum, latibulum, conciHabuhtm^ 

OPSTARREN, w., b. — Z. opjachten 2». (A.) 

OPSTEEK, znw., m. — Opslag in den prijs der koopwaren, Fr. 
hausse. Daar is opsteek in 't koren. Ze spreken van 'nen opsteek in de' 
koffie en den rijs'. 

OPSTEKEN, w., b. — Opslaan, sprek. van den prijs van koop- 
waren, den loon der werklieden, de pacht van iets, enz., Fr. hausser, 
augmenter, Z. OUD., V, 457. De bakkers hebben hun brood opgesteken. 
Den beenhouwer gaget vlees(ch) vgf centen per pond opsteken. Den 
heer hée' zijne' pachter opgesteken (zijne pacht verhoogd). 

— Ook o., met sy>f. Het graan steekt op. As de koffie zoo blgft 
opsteken, dan kunnen wij er geene' meer drinken. 

Kil. Op-steken den loon, den tol, augere, mercedem^ pretiumy 
vectigaL 

— Inleggen, inmaken, sprek. van boter. R. (Ook in Brab. en Limb., 
z. Sch.) Boter opsteken. 

— O., met «jr'w. Toenemen, vermeerderen, verergeren. De wind 
steekt op. In plaats dat em den drank zou laten, steek' 'et nog op 
mee' hem (hij begint nog meer te drinken). 

— Er uit trekken, vluchten. Hij is gisteren nacht stillekens op- 
gesteken. De klerk van de' notaris is opgesteken met 't geld van ze* 
meester. Hg is mee' 'en ander wijf opgesteken. Mee' e meisken opsteken 
(ze schaken), c De arme wijven begonnen zich in te beelden, dat hare 
gezellin met eene buitengewone gift der cdelvrouw opgesteken was. » 
(Zktternam. Eene tonderlinge Bedelares.) 

— Met hebben. Opstoken, het antwoord influisteren, 't Is verbo(d)en 
van op te steken. 

— B. Een breiwerk aanzetten, beginnen. 'Nen brei opsteken. Steekt 
die kous is op. 

OPSTEL, znw., ra. en niet o. — Z. Wrdb. R., J. 

OPSTELLEN, w., b. — Oprichten. Hij ga* 'ne' winkel opstellen. 
Ik heb te Antwerpen e magazqn van gemaakte kleeren opgesteld. 



— 909 - 

OPSTIJGEN, w., o., met zyn^ — Oploopen, opzwellen, sprek. 
van menschen en dieren. Ik ben zoo dik opgestegen dat ik geene' weg 
en kan. Van gruunten s^ijg ik altijd op. De koei is leelijk opgestegen. 

OPSTIJQEREN, w., b. — Bij vinkenvangers. Sterk opspannen. 
De netten opstijgeren. 

OPSTOKEN, w.. b. — Ophitsen. Z. Wrdb. 

— Ook Influisteren, het antwoord ingeven, Fr. sotiffler^ suggcrer^ 
De meester wilt nie'dat de kinderen opstoken. Ge meugtjan nie* opstoken 
in de' catechismus, want de pastoor zal kijven. 

OPSTOMPEN (in 't Z. en W. oêpslóêmp9fi), w., b. — Overmatig 
veel spijs doen nemen, volproppen. Gij voeiert oe' verken niet, ge stomp* 
'et op. 

OPSTOOK, znw., m. — Opstoking, aansporing tot het kwaad, 
't Is deur zijnen opstook dat ik hier moet vertrekken. 

OPSTOOTEN, w., o., met zgn, — Oprispen, keeren, sprek. van 
de maag. M^n maag stoot op. 't Is soms goed dat de maag is opstoot. 

OPSTOPPER, znw., m. — Stomp of duw met de gesloten vuist 
onder den neus. Iemand 'nen opstopper geven. 

OPSTOVEN, w,, b. — Iemand iet opstoven^ hem wat wijsmaken, 
Fr. faire accroire quelque chose a quelqu^un. 

OPSTROOIEN (Antw, oêpstroHi^n, Kemp, ofpstroeën en oip- 
struen), w., b. — Al strooiende versieren. De' weg opstrooien, dieê' 
de processie moet gaan. De vloer was schoon opgestrooid. 

— Strooien totdat het op is. Al me' zand is opgestrooid. 

— De{n) stal opstrooien, stroo of ander strooisel in den stal onder 
de dieren werpen. 

OPSTUIKEN, w., b, — Bij smeden. Een stuk gloeiend ijzer 
door stuiken of hameren doen verdikken, Fr. renfler, 

OPTIJGEN, w,, b. — Ophalen, wederom ter spraak brengen, 
Fr. rentettre quelque chose sur Ie tapis. Dat is al zooiank gele(d)en, 
en nog tijgt hij 'et altijd op. 

OPTOPPEN (Antw. oléptoepp^n), w., b. — Hoog opladen, zoodat 
er overmaat is. Die boerin geeft goei maat, hcui mand is altijd opgetopt. 

— Opgetopt vol, topvol. 'En mand opgetopt vol la(d)en. 

OPTREKKEN, w., o., met zyn, — Heengaim, vertrekken. Diec 
vervelende zageman trok eindelijk op. Ge waart lijk stillekens opgetrokken? 

— Naar 't leger vertrekken. Morgen moet zijne zoon optrekken. 
Daar zijn er in ons dorp zes, die moeten optrekken. 

OPTREKKER, znw., m. — Bij schoenmakers. Een stuk leder 
dat gebruikt wordt om den leest in den schoen te trekken, gelqk wij 
den schoenhoren gebruiken om den voet in den schoen te krijgen. 



— 9ïo — 

OPTROSSBN, Wm b. — Overdreven opschikken. Ge hadt is 
moeten zien hoeda' ze opgetrost was. 

— Optrekken, opheffen, opschorten, sprek. van kleedcren. Trost 
oe' rokken op, as ge deur de plassen gaat. Daar zit geen schaamte meer 
in da* masken (meisje), ziet is hoeda* ze heur rokken optrost. 

OPVEREN, w., b. en o. — Opvaren. Z. Wrdb. 

OP VERVEN, w., b. — Z. opschilderen. 

OPVIJZEN, w,, b. — Met eene of meer vijzen vastdraaien. 

— Iemand ietopvtfzen^ hem wat wijsmaken, op de mouw speten. D. B. 

OPVOE(D)EREN, w.,b. — Een voeder zoolang toedienen, totdat 
het op is. T. (Ook in Brab. en Limb., z. Sch.) Me voeieren de klein 
pataten op aan de verkens. Ik heb m^n hooi al bijkanst opgevoierd. 

OPVOUWEN, w., b. — Fig. Ergens een einde aan stellen, er 
mee gedaan maken. (Ook in Brab. en Hag., z. Sch.) Me zullen da' 
werk maar opvouwen veur vandaag. 

— 7 Is er tnee opgevouwen^ 't is er mede gedaan, zijne gezondheid, 
zijn fortuin is verloren. Vrugcr draaide z'ne winkel goed, maar nu is 
*t er mee opgevouwen. T., R., Kl.-Br. 

OPVRIJEN, w., b. — E meisken opvrijen^ er toevallig kennis 
mee maken op eene kermis, eene jaarmerkt, enz. en er kermis mee houden, 
zonder er echter ernstig mee te verkeeren. Sus had met de kermis *en 
boeremeid aan z'nen arm : waar zou em die opgevrecn hebben ? Ik ging 
naar Hal kermis, en 'k vree er 'en schoon juffrouw op. 

OPVUREN, w., b. ~ Eenen grond ophoogen, met er aarde 
op te voeren. D, B. (Ook in Brab», z. Sch.) 'Ne' weg, 'nen bouwgrond 
opvuren. 

OP WALLEN, w., o., met z^n, — Stilletjes opkoken. Laat de 
erten nog maar wat opwallen, en zet ze dan af. 

OPWANDELEN, w., o., met hehhen en zyn, — Wandelende 
inslaan. We zullen diefi* weg opwandelen. 

OPWANNEN. w., b. — Behoorlijk wannen. T. Da' zaad zou 
nog is moeten opgewand wörren. 

OPWAS^CH), znw., m. — Afwasch. De meid moet den opwas(ch) 
nog doen. 

OPWASS(CH)EN, w., b. — Afwasschen. De tellooren en schotels 
opwass(ch)en. 

— Al wasschende verbruiken. T, De meid hée' meer as 'en half 
pond zeep opgewass(ch)en. 

OPWAS(CH)WATER, znw., o. — Z. afwaschwater. 

OPWERKEN, w., b. — Boter opwerken^ ze met zout vermenj.en 
en kneden, om er de wei uit te halen en ze tegen het sterk worden te 
bewaren. 



— 911 — 

OPWIJNEN, w., b. — Opwinden. (K,) 

OP WIJZEN, W., b. — Z. MELDEN. 

OPWINDKROON, znw., v Bij horlogemakers. De gekartelde 

kop of bol aan een remontotr-uurwerk» om het op te winden. 

OP WISS EN, w., b. — Bij blokmakers. De blokken opwissen is 
ze in paren aan eenen wis rijgen. 

OPWÖRPEN, w., b. — Opwerpen. Z. Wrdb. 

— O. Oprispen, terug in den mond komen, sprek. van spijzen. 
Mtjo maag wörpt altijd op. De roökoolen die ik geëten liC-^, worpen op. 

— Vochtig uitslaan. T., R. De steenen worpen op, dat is e veurteeken 
vao regen. 

OPWÖRTEN, w., b. — Opwerpen. (N.-O. der K.) 

OPWRUTEN, w., b. — Al wroetende oplichten. De mol hée* 
mqn ajuinbed opgewruüt. 

OPZAAIEN, w., b. — Bezaaien. Da' stuk land moet nog opgezaaid 
wörren. Ik zal da' stukske grond omdoen en opzaaien. 

— Al zaaiende verbruiken. Ik heb zjust e meuken koren opgezaaid. 

OPZALVEN, w., b. — Eenen zieke het H. Oliesel toedienen. 
(Z* der K.) De pastoor is V. gisteren komen opzalven. 

OPZANDEN, w., b. — Fraai met zand bestrooien. '£t huis 
opzanden. De vloer was nettekens opgezand. 

OPZAVELBN, w., b. — Ophoogen met er zavel over te voeren. 
'Ne' weg opza velen. 

— Bij T. heeft het de beteekenis van ons opzanden, 

OPZEILEN, w., b, — > Bij mulders. De zeilen aan de molenroeden 
vastleggen of ze over de roeden openslaan. 

OPZET, znw., m., niet o. — Z. Wrdb. J. 

OPZETTEN, w.,b. — Opschikken, opsmukken, ¥r, parer. D. B., 
T. Sommige moeders zetten hun kinderen te veul op. Die jufTix>uw is 
opgezet boven heuren stand. 

— Een dier aankoopen om het te vetten, bij D* B. opsteken. £ 
kalf opzetten. Ik gaan tegen de' winter twee verkens opzetten. 

— Op den oliesteen wetten. T. (Ook in Limb., z. Sch.) E mes opzetten. 
Da' schaars (scheermes) zou is moeten opgezet wörren. 

— Op het vuur zetten, sprek. van spijzen. D. B, Zet de pap maar 
op. Hedde't 't vlees(ch) al opgezet? Vrgik. afzetten. 

— Met iet of iemand opgezet zijn, z. opgezet. 

— Met opgezet ten wil, z. OPGEZET. 

— Bij landbouwers. De graauschooven in hoopen, in hokken, in 
fttuikeo, in stokken zetten. Koren opzetten. Wij hebben gisteren den 
heelea achternoen opgezet 

— Iemand opzetten, hem bestoffen, grootelijks loven. Hij is geren 
opgezet* 



— gi2 — 

OPZETTOOM, znw,, m. — Toom, voorzien van eenen riem die 
van den kop des peerds naar 't gareel gaat, om den kop achteruit te 
houden. 

OPZICHT, znw., o. — Opslag der oogen. Bij 't eersten opzicht, 
Fr. d première vtie^ d^abord^ au premier moment, D. B. Ik kenden 
»em bij 't eersten opzicht nie'. 

— Uitzicht, voorkomen, Fr. air. Dieë jongen heget opzicht van 'ne* 
vals(ch)aard. « Drie leeuwen, even groot van lichaem, even fel van opzicht^ 
en gebit. •» (Vondel, X, 80,) Z, oud., V, 454. 

— Ontzag, eerbied, Fr. égard ^ respect, T. Daar is geen opzicht 
onder de kinderen meer. DieS jongen hee* geen opzicht veur z'n ouwers 
of z'ne' meester. 

— Mens(ch)eiijk opzicht^ viees voor het oordeel der menschen, Fr. 
respect humain, D. B. Uit mens(ch)elijk opzicht iet doen of laten. Hij 
derft da' nie' doen uit mens(ch)elijk opzicht. 

Kil. Op-sicht, vultus; — suspectus, 

OPZICHTIG, bvw. — Opzichtig zijn veur iemand^ iets doen 
of laten uit achting of ontzag voor iemand of uit menschelijk opzicht. Hij 
derft da' nie' goed doen, omdat hij opzichtig is veur de mens(ch)en. 

ORDER (ook odd9r uitgespr.), znw., o. — Orde. D. B„ HfFt. Daar 
is weinig order in dat huishouwen. Ge moest die zaak is in order 
brengen. Hij is onder 't order van de Witheeren. Is alles in odder ? 

ORDINAAL (klemt, op naai), znw., m. — Bolvormige waterflesch, 
waarbij de kantwerksters 's avonds arbeiden. 

ORDINAIRLIJK« bw. — Gewoonlijk, Fr. ordinair ement, D. B. 
Da' gebeurt 01 linairlijk zoo. 

ORDINARIS (uitspr. ornörrjs)^ bw. — Gewoonlijk, gemeenlijk, 
Fr. ordinair ement. (K.) D. B., R., Kil. 't Is ordinaris zoo. Hij gaat 
ordinaris Donderdags uit. 

OREMUS, znw., m. — langdurig gezaag, vervelend gezanik, R. 
(Ook in Brab., z. Sch.) 't Is altijd dezelfden oremus, c Gij hebt nu al 
zoolang aan mijne ooren liggen zagen met dal /elfde £>r^mttj. »(CoNSCiENCE, 
Hoe men schilder wordt,) 

ORGEL (uitspr, örr^g^l)^ znw., Fr. orgue, is meest overal v„ doch 
op sommige plaatsen o. of m. (Ook v. bij J.) 

ORGELIST, znw., m. — Organist, degene die in de kerk het orgel 
bespeelt, Yx, organisten G., B., M. (Kram. zegt dat organist meer gebruikt 
wordt. Hier niet.) 

ÖRK, znw., m. — Z. hork. 
ORKAAN, znw., o. en niet m. — Fr. ouragan. 

ORLEANCIE, znw., v. — Verkeerde uitspraak van alliancie, (K.) 
Z. dat w. 



- 913 — 

OS, zQw., m. — Fr. bosuf, 

— Fig. Zure, onvriendelijke, stuursche persoon. Hij is 'nen os. 
'Ne zuren os. 

— Spr. Dtn es ïs vet, zegt men als er, tegen de gewoonle, twee 
of meer lichten in dezelfde plaats staan te branden. 

— Ais U lukt, dan kalft den os, z. LUKKEN. 

— *Nen os is e gepros^ maar e pèèrd is gelduoèèrd, beter peerdsboer 
dan ossenboer. 

OS, vmw. en bvw. — Ons, Fr. nous, notre, Westvl. oes (z. D. B.), 
Fri. ««J, «ï, Eng, us, Zw. en IJsl. osz, Deen. en Noorw. os, Gron. 
uzes^ Drent, oes, Ang. üs, Oudsaks. üsa^ bij T. en R. oos, aus, bij B. nis. 
(Z.*0. der K.) Kom bij os. Dat huis is van os. Os kind. Os moeder. 
Ozze vader. Ozzen hof. 

OSSBBOERDBRIJ, znw., v. — Boerder^, waar men eenen os 
in plaats van een peerd houdt. 

OSS£BOLLBKB(N, znw., o. — Zeer kleine mees met langen 
steert, in de Wrdb. Staartmees, Fr. me'sange a longue queue, Lat. 
Parus caudatus^ QN, der K.) 

OSSBKAR, znw., v. — Kar waar een os in gespannen wordt. 
OSSBKEUT, znw., m. — Ossenboer, kenter. (K.) Z. ossenboer. 

OSSEKNIBÈN, znw., v., mrv. — Blnnenwaarts gegroeide koiecn, 
Lat. genu valgutn, Fr. être cagneux, avoir les genoux tournéi en dedans, 
Dieê mens(ch) heet osseknieën. 

OSSEKOP, znw., m. ^- Fig. Stroeve, onvriendelijke mensch. *Nen 
ossekop van 'ne* vent. 

ÖSSEL, EUSBL, znw., m. — Unster, Romeinsche balans. 

OSSELIP, znw., v. — Dikke lip. Hij heet osselippeo. 

OSSENBOER, znw., m., mrv. osseboeren* — Landbouwer die 
zijn land bewerkt en zijn gespan voert mei eenen os, in plaats van met 
een peerd. Hfft., R. (Ook in Brab., Hn^. en Limb., z. Sch.) Z. ook 
KEITTER en OSSEKEUT. 

— Spr. Osseboeren wa{t) z^ de gekuld : kromme beenen en 'nen bult, 

OSSENBOLLEKE(N, znw., o. — > Z. ossEfiOLL£K£(N. 

OSSENTUIK, znw., m. — Eene grassoort, die in de wetenschap 
Nardus stricta L. heef. 

OSSEPLAATSKE(N, OSSEPLAKSKElN, OSSEPLEK- 
SKE(N, znw., o. — Hoef ken waar men eenen os in stede van een 
peerd houdt, bij D. B. ossepUk, Hij zit op *en ossepleksken. 'En 
osseplaatsken huren. 

OTTER, znw., m. — Fr. loutre. Zoo schèèlas'nen otter. — Schelen 
otter, iemand die scheel ziet. 

— Otters jagen, hetzelfde te Heist-op-den-Berg als elders den bef 
jcLgen, Z. BEF» 



Idioticon 00 



— 9*4 — 

"^OU. Sch, zegt in zijn Idioticon : t De woorden met ou geschreven, 
spreekt het volk in 't I Ingeland, Brabant, Antwerpen, Kempen en elders 
uit als a, b. v. hout, koud, smous, haat^ kaad^ smaas, » 

Dat is waar voor het zuidergedeelte der prov. Antw. (hoewel die 
klank er in sommige streken ook anders luidt), maar in 't N. en W. 
wordt £>» als<7z&en aw uitgesproken. Hout^ koudj smous, bouwen klinken 
er howf, kowd, smowsy boitrwen, ofwel hawt, Jdawd, smaws, bavrwen, 
Z. INLEIDING. 

OU, vrnw. — U. (N. der K.) Dat is van ou. Ik heb *et tegen ou 
gezeed. Z. ook a, au, oe en ê^ 

OUD, bvw. — Z. Wrdb. 

— Verg, Zoo oud als MathuzaUm^ als de straat^ als 't Gèlebroek, 
zeer oud. 

— Oud vuil^ oud nieuws, iets dat men al lang weet. T,, R. Da' 
ge daar vertelt, is oud vuil. 

— Op 'en oud spelen. Rij kaartspelers. In de jasspelen beteekent 
die uitdrukking : voortspelen totdat iemand honderd haalt. 

— Ou{d)e wijven^ soort van groote grauwe erwten met blauwe 
bloemen. (K.) 

— Ook een slag van doorlevende groene kooien. (Z. der K.) 

— Spr. Men is nooit te oud om te leeren (maar altyd t€ jong om 
te hangen), R . 

— Als *en oü schuur aan *t branden qerctakt^ is er geen bluss(ch)en 
aan, als een oud man het in 't hoofd krijgt te trouwen, is er geen 
tegenhouden aan. R. 

— Oud zot is kwaad zot, in zijnen ouden dag mallen, is erg mallen. T. 

— Ou(de) bokken hebben st^'ve horens, oude menschen zijn dikwgls 
stijfhoofdig. M. 

OU(D)BAKKEN, bvw. — Z. Wrdb. 

— De klemt, ligt hier op de eerste lettergreep, evenals bij D, B., 
en bij Kram. op de tweede. 

OU(DjB, znw., m. — Wordt in de gemeenzame spraak gezeid 
voor Vader. D. B., R. Hij krijgt gee(n) geld meer van zijnen ouwe. 

OU(D)BMAN, znw.,m. — Kwijnende toestand van kleine kinderen, 

die door slechte voeding of slechte spijsvertering, bij gebrek aan zorgen 

of door ziekte, zeer vermageren en dikwijls sterven, Fr. marasme, atrepsie. 

Het mager, gerimpeld gezichtje doet het kind op een oud manneken 

gelijken. Da' kind heet den ouweman. Van den ouweman besmet z^n. 

Z. ook D. B., die het w. vertaalt door chartre^ marasme a la suite 
de V ent é rite chronique, 

— Wordt ook gezeid van gewassen die hunnen groei verliezen 
en allengskcns verkwijnen. D. B. Die kooien hebben den ouweman. 
Den ouweman is aan die boomkens. 



— 915 — 

OU(D.£R, znw., m. — Ouderdom, leeftijd, Fr. dge^ Hgd. Alter ^ 
Mecklemb. <7//rr, Gioningsch en Geld. blder^ Z^. alder^ Angith, ylde, 
WcstvJ. oiuU, elde. HfR. Hij is van mijnen ouwer. Welk is uwen 
ouwer ? Ze is gestorven in den ouwer van 30 jaar. Tachtig jaar is 'ne 
schoenen ouwer. 

Ouder verschilt van ouderdom ; want ouderdom beteekent ook het 
Fr. vteïliesse, terwijl ouder maar alleen het Fr. dge beduidt. Men zegt 
dus : sterven van ouderdom, Fr. mourtr de vüillesse^ maai nooit : sterven 
van ou(d)er. 

Kil. Ouder, tetas, senectus^ vetustas, 

OUDBRMAN, znw., m. ^ Het oudste lid in eene gilde. Hfft. 
De onderman is van rechtswege de raadgever der gilde en de rechter 
in de geschillen, die tusschen de gildebroeders oprqzen. 

OUDSTE, znw., m. — Wordt, evenals oude^ in de gemeenzame 
spraak gezeid voor Vader. R. Ik zal 'et is aan onzen oudste vragen. 
Is uwen oudsten al thuis? 

'OUDVADER en «OUDMOEDER worden, volgens Sch., veel 
in Brab., de Kemp, en N.«Br. gezegd voor Grootvader, Gr totmoeder. 
Ik heb die ww. nog niet gehoord. 

OUKEi^N, znw., o. — Oudje. Ons oüken is ginder. De oükens 
brengen èès aan him jonkskens. 

OUTAAR, znw., m. en niet o. — Z. autaar. J. 

DUW, bvw. — Uw. (N. der K*) Ouwe vrind. Ouw kind. Deze 
schrijfboek is de mijne en dendieën is den ouwe. 

OUWEL, znw., v. en niet m. — Z. Wrdb. 

OVEN, znw., m. — Fr. four, 

— Spr. Da{t) gaapt gelijk *nen oven, dat is tastbaar, dat is zonne- 
klaar, dat spreekt vanzelf, Fr. c'est évident, D. B. (Ook in Brab., z. Sch.) 

OVENBAKKES, znw., o. — Ovcnraond, ovengat. 

OVENBEEST, znw., v. — Soort van zwarte kever die veel in 
bakkerijen aangetroffen wordt, kakkerlak, Fr. b latte ^ cafard^ Lat. Peri- 
planeta, D. B. (Ook in Brab., z. Sch.) 

OVBNBUUR, znw., m. — Huisje dat alleen staat en waar de oven 
is om te bakken. (W. en N. der K.)D. B. Zie ook bakhuis, bakkeet 
en BAKKOT. Den ovenbuur is afgebrand. Hij woont in 'nen ovenbuur. 

OVENDBKKER, znw., m. — Een vogeltje, dat in de Wrdb. 
Ovenmakertje, pannemakertje geheeten wordt, Fr. pouillot siffleur, in 
de wetenschap Ficedula sibilatrix. 

OVENPAAL, znw., m. — Platte houten schop om het brood, 
in den oven te steken, YLpelie dfour^ Eng. oven-peel. Bij D. B. is het w. v 

OVENSCHEEL, znw., o. — Deksel om het ovengat te sluiten 



— gi6 — 

OVBNSTBEN, znw., m. — Groote baksteen, waarmede bakkers- 
ovens gemetseld worden. 

OVER, vrz. — Z. Wrdb. 

— Over hem hebben^ in zijn karakter, in zijne doen wijze hebbeo. 
D. B. Dieë mens(ch) heet aardige loeten over hem. Zij hée' wonderlijke 
manieren over heur. 

— Komt voor in uitdrukkingen als de volgende: Hij is pctercn 
over mij. Ze* zuster is peetjen over mij geweest. M. 

— Langs, L. per. D, B, Die kinderen loopen heelder dagen over 
de straat. Over bergen en dalen. 

— Over huis komen, naar huis komen. Komt eerst is over huis 
om 'nen boterham te eten en daarna kunde weer uitgaan. 

— Over noen en over al^ z. AL. 

— Als vrz. van tijd wordt over gebruikt nu eens in den zin van 
«a, Fr. aprêsj en dan weer in den zin van vóór, Fr. avant^ hetgeen 
men uit het verband moet opmaken. Dus: 

Over /yV/ beteekent i" vóór cenigen tgd, z. OVERTIJD, maar 2» over 
den tijd, na den tijd. Verle{d)en week over^ de week die was vóór 
de laatste; het naaste jaar over, het jaar dat komt na het volgende. 

Over 'nen dag, over V« week^ over dr ij maanden, over twee jaar, 
beteekent hier, evenals in W.-Vl. en *t Hasp. (z, D. B. en R.) vóór 
eenen dag, vóór eene week, vóór dr^ maanden^ vóór twee jaar, Fr. 
il y a un jour^ une semainc, trois mois, deux ans^ enz. 

Bij de Holl. wil dit juist het tegenovergestelde zeggen, te weten : 
na éénen dag, na eene week^ na drie maanden^ na twee jaar, Fr. 
d^ici d une semaine, dans un mois, enz. Doch daarvoor zeggen wij 
binnen 'nen da^, binnen 'en week^ binnen dr ij maanden^ enz. Z. BINNEN. 
Toch wordt over in den zin van vóór, \jaX, ante, in N.-Br., de Zaanstreek 
en elders in Holland wel gebruikt. Z. Hfft. B., en OPPK. Vondel kent het 
ook in die beteekenis. Zoo zegt hij (I, 77) : c Ghebeel opt oud ghebruyc 
van orver vele jaren t, en (XIV, 175): « Toen over menigh jaer het 
oosteint van ons keick verbrande, t Ook in 't Mdnl. had over die 
beteekenis. (Z. oüD., V, 487.) 

— Over dood, bijna dood, zoo goed als dood. D. B. Hij lag over 
dood op de' grond. Ze hebben 'em over dood geslagen. 

— Over dood luien, de klok luiden over eenen overledene. D. B. 
Het luidt over dood, er zal morgen 'en begrafenis zijn. 

— Kans zien over iemand of over iet^ gelooven dat men hem zal 
kunnen overwinnen, dat men eenige moeilijkheid zal te boven komen, 
bij D. B. macht zien over iemand, over iets. Ik zou wel tegen hem 
vechten dat ek er kans over zag. Kunde da' werk vandaag nog afkrijgen ? 
Ik ziender geen kans over. 

— Over ander, z. OVERANDER. 

— Over nuusch, z. NUUSCH. 

— Over stier, z. OVERSTIER. 

— Gep. w. Over end weer^ weg en weder. Hij wandelde over end 
weer op de straat. Ge doe' maar niks as over end weer loopen. 



— 917 — 

— Eventjes, een oogenblik. Hij heet hier maar over end weer in 
huis geweest. Ik moet is over end weer uitgaan : ik koom seffens terug. 

— Over end over (uitspr. over ent over)^ geheel over. Het regende 
dat 't goot en de straten liepen over end over. 

— Bw. levers nie(i) over kunnen^ het moeilijk kunnen begrijpen. 
Dat hij nu zooveul geld uitgeeft en vruger zoo gierig was, daar kan ik 
nie' over. Ik kander nie* over, da* ge zoo onveurzichtig te werk gaat, 

— Over zijn^ overschieten. Daar zijn nog twee frang over. 

— Voorbij zijn, gedaan zijn. Den regen is over. De pijn is over. 
Zijn colère is over. Is oe* loet nog nie* over? 

— Over de meet zijn, in *t spel. Ik ben over (ik ben over de meet 
geloopen, ik heb mijnen marbol over de meet geschoten). 

— In twee stukken, gebroken. De stok is over. De koor(d) was over, 

— Over in samengestelde ww. beteekent i** In twee stukken, 
gebroken: overbijUn^ overdreven, over buigen^ overgaan , overgoeien, 
overkappen, overslagen^ oversnij{d)eny oversiampen, oversteken, over» 
trekken, enz. ; 2^ Over het geheele voorwerp heen : overb^ten, over- 
dabben^ overdó'rs(ch)en, overdouwen, overeggen, overgaan, overgapen, 
overgrttselen,overloopen^ overschilderen^ overlasten, overwruten, enz. ; 
3" Te veel : overeten {zich)^ overgaan (zt'ch), o verjagen \zicK), overloopen 
{zich), overschatten, overvoe{d)eren, overvragen, enz.; 4* Overig : over^ 
bl^ven^ overschieten, enz. Z. mede T. en R. 

— Volgens Kram. zijn de werkw.,raet ot/^r samengesteld, scheidbaar, 
wanneer over c opnieuw » beteekent, zooals : overboorden^ o verbor stelen ^ 
ojftrdoen^ overdorschen^ overeggen, over kammen, over kneden, overleeren^ 
overlezen, overloopen^ overmesten^ over metsen^ overnaaien^ overplaas^ 
teren^ overploegen, overschaven, overschilderen, overschrobben ^ over- 
schuren^ overslapen, oversmeren, overstrgken, over strooien, over tellen, 
oiververven, overuijlcn, overwitten, overzaaien^ overzien. 

Dergelijke werkwoorden zijn bij ons altijd onscheidbaar, 

OVERAL, znw., m. — Overjas, jas, die men over zijne andere 
kleederen aantrekt, Fr. surtout, 

OVERAN DER (klemt, op an), bvw. — HeUelfde als het Holl. om 
den anderen, beurtelings een van twee, Fr. de deux l'un, alternativement, 
D* B., R., Hag., KI, -Br. Hij gaat overander week naar de stad. Mijne 
vriend komt mij overander jaar bezuken. Dieën boom draagt maar 
overander jaar. 

Kil. Over^ander, alternus, 

^OVERBAFFEN, w., wdrk. — Z. oVERBOeFEN. 
Sch. geeft dat w, voor Brab. en Antw. 

OVERBEE(D}EN, z. overbif.(d)en. 

OVERBÈREN, w., b., onschb, (klemt, op over). — Met beer over- 
gieten. (Ook in brab., z. Sch.) Ik zal me' weiken nog is overbèren. Hij 
hee* zfnen hof overbèèrd. 



— 9i8 — 

OVBRBBULBN, w., b., onschb. (klemt, op over), — Bij landb. 
Bij het ploegen aan weerskanten van een bed of gewent cene voor naar 
het midden rgden, zoodat deze beide voren het gebcele gewent dekken. 

Z. BEULEN. (K.) 

OV£RBIB(D)BN, OVBRBBB(DjBN, w., b., schb. (klemt, op 
over). — Boven de weerde bieden. (Ook in Brab. £n Limb., z. Sch.) 
Ge moet zien da' ge nie' over en biedt. 

OVERBI JTEN, w„ b., schb. (klemt, op over), — In twee stukken 
bijten. T., R. Hij heget mondstuk van z'n pijp o vergebeten. 

— Onschb. (klemt, op byten). Over het gansche voorwerp bqten. 
T., R. Me' gezicht is heelegans(ch) o verbeten van de muggen. 

OVERBLIJVEN, w.,o.,schb., met z^'nen /iebben(k\emU opover). 
— Ergens uitslapen, er den nacht overbrengen. D. B. (Ook in Brab., 
z. Sch.) Ik ben twee dagen bij mijne' vriend overgebleven. As 'et te 
laat is om naar huis te komen, dan blijf ek over. 

— Onp. Niet meer regenen, sneeuwen, enz. (Ook in Brab. en Limb., 
z. Sch.) As 't vandaag overblijft, dan gaan me wandelen, 't Is gisteren 
den heelen dag goed overgebleven. 

OVBRBLINKBN, w., b., onschb. (klemt, op blinken). ^ Nog- 
maals blinken, opnieuw poetsen. Ge moet mijn schoenen nog is overblinken, 
want ze zijn al wat doof gewörren. Ik heb al twee paar schoenen over- 
blonken. 

OVERBOEPEN, OVERBUFFEN, w.,wdrk., onschb. (klemt, 
op bóifen). — Zich overeten. (Ook iu Brab. en VI., z. Sch.) Dieê gulzig- 
aard overboeft zijn eigen altijd. 

— Ook zijn eigen overbo^/t eten, 

OVERBOKEN, w., b,, onschb. {VXeraU op boken). — Over het 
gansche voorwerp boken, slaan. (Z. der K.) T. Ze moesten dieê' kèrel is 
goed overboken, dan zou em zooveul van z'ne* neus nie' meer maken. 

OVERBOOGBN, w., b., schb. (klemt, op over), — Al buigende 
breken. T. Eenen stok overboogen. 

OVERBÖRSTELEN, w., b., onschb. (klemt, op 't ww.). — Af- 
rammelen. Ze hemmen em goed overbörsteld. 

OVERBREKEN, w., b., schb. (klemt, op over), — In twee 
stukken breken. (Ook in Brab. en Limb., z. Sch.) Wie hée' mijne' 
stok overgebroken ? Probeert is om dieën tak over te breken. 

OVERBRENGEN, w., b., schb. (klemt, op over). — Door- 
brengen, l^r. passer. De' nacht op 'en ander overbrengen. Ik breng den 
avend over mè' schrijven en studeeren. 

— Eens laten meedrinken om bescheid te laten doen, (Ook in Brab., 
z. Sch.) Brengt oe* glas is over. 

— Ook o. Brengt is over aan oe* buurvrouw. Met de kermis b 
t de mode van over te brengen. 



OVBRBRBNGWIBL; znw., o. — Bij horlogemakers. Wieltje 
waarmede men de wijzers van ecnen remontoir in beweging brengt, als 
men met den nagel van den duim het wipstuk indrukt. 

OVBRBUFFBLBN, w., b., onschb. (klemt, op buffelen), — Ruw 
bejegenen, Fr, rudoyer, T, (Ook in Brab., z, Sch.) Hij ovcrbuffell mij 
altijd. 

OVERBUFFEN, w., wdrk.j onschb. — Z, overbocfen. 

OVERBUIKEN, w., wdrk., onschb. (klemt, op biaken), — Zich 
overeten. Dieë gulzigaard overbuikt 'em altijd. 

OVERDABBEN, w., b., onschb. (klemt, op dabben). — Over het 
geheele voorwerp dabben. (K.) T. De honden hebben mijn bloembed 
heelemaal overdabd. 

«OVERDEKKERKEN, znw., o. — Z. ovendekkerken. 
Sch. geeft dat w. voor de Kemp. 

OVERDEMMELEN, w., b., onschb. (klemt, op demmelen), — 
Iets geheel ontschikken, platdrukken ofverkreuken meter op te liggen, 
en met de handen op te duwen. (Z. der K.) Ge hét nie* weinig liggen 
wulen: heel 'et bed is overdemmeld. Fransken heget bloemperk over- 
demmeld. 

OVERDENKEN, w., wdrk., ooschb. (klemt, op denken), — Zich 
bedenken, nadenken. Overdenkt oe is goed. 

OVERDOEFEN, w., b., onschb. (klemt, op doifen), — Er over 
doffen. T. Hij overdoéft z'n kinderen den heelen dag. 

OVERDOEN, w., b., onschb. (klemt, op doen), — Z. Wrdb. 

— Overschilderen, oververven, overwitten. Als ge de* muur nog is 
overdaan hét, dan zal em schoon zijn. 

— Ze MulUn hem niet overdoen^ men zal hem niet bedotten, hij 
xal den kaas niet van zijn brood laten nemen. 

OVBRDÖRSiCHjEN, w., b., schb. (klemt, op over), — In twee 
stukken dorschen. T. Ik heb mijne' vlegel overgedörs(ch)en. 

— Onschb. (klemt, op dó'rschen). Over het geheele voorwerp dorschen. 
T, Da* koren zou nog *ne* keer moeten overdürs(ch)en wörren. 

OVERDRAGEN, bvw. — 'En overdragen fleur is ^ eene ver- 
waarloosde pleuris. T. 

OVERDRAGEN, w., o., schb. (klemt, op tyver), -. Voortzetten, 
sprek. van ziekten. Die ziekte draagt over. 

OVERDRAGERI J, znw., v. — Verklikking, Fr. délation, dénon- 
ciation, D. B. 

OVERDUVELEN, w., b., onschb. (klemt, op duvelen). — Over- 
bluffen, overschreeuwen. (Ook in Brab. en Limb., z. Sch.) Hij overduvelt 
iedereen mè' ze* leelijk lawijt. 




— 920 — 

OVEREEN, bw, — Over elkander. Z. Wrdb. 

— Komt in veel samengestelde ww., die in de Wrdb, niet staan. 
Overeengaaitf overeenhangen^ overeenhou{d)en^ overeenknopptn, over^' 
eenkr^gen^ ove reen leggen ^ overeenioopen, overeenstaan, OTereenzetten, 
enz. 

— Met de armen overeen zitten^ ledig zitten. 

OVEREENKOMEN, w., o. — Z. Wrdb. 

— » Verg. Overeenkomen gelgk twee moiselschelpen^ gelijk kat en kond* 

OVEREENUITKOMEN, w., o. met «jrw. — Op hetzelfde uit- 
komen, \^t^ revenir au méme. D. B., T., R., Kl.-Br., M. Da' komt 
overeenuit. Of ge schrijft of nie* en schrijft, 't komt overeenuit. 

Ook ten eenen uitkomen, 

OVEREGGEN, w., b., onschb. (klemt, op eggen), — Over het 
heele voorwerp eggen. T. Die stoppelen moeten nog 'ne keer overegd 
wörren. 

OVEREIND, OVEREND, bw. — Z. Wrdb. 

— In opschudding, overhoop, in wanorde. (Ook in Brab. en O.- VI., 
z. Sch.) Heel de straat stond overeind. Alles lag in dat huis overend. 

OVERETENTHEID, znw., v. — Maagoverlading, Fr. indigeS' 
tion» 

OVERFRAK, znw., m. — Overjas, Fr,pardessus, surtout, 

OVERFRÈTEN, w., wdrk., onschb. (klemt, op/rêten), — In de 
gemcene taal gebezigd voor Zich overeten, te veel eten. 

OVERGAAN, w., b. onschb. (klemt, op gaan), — Overstrijken, 
overschilderen, enz. Ik zal die deur nog is wat overgaan (overschilderen). 
De metser moet de* muur nog is overgaan mè' mortel (overstrijken). 

— Aframmelen, afrossen. D. B., T. Ge moet dieën deugeniet maar 
'ne keer goed overgaan. Hij overging z*ne' zeun mè* 'nen dikke' slok. 

— Over het gansche voorwerp gaan. T. E stuk land overgaan om 
'et te onderzuken. 

— Ergens overheen gaan. T. 'En brug overgaan. '£n straat overgaan. 

— Wrdrk. Zich afmatten door te gaan. T. Ik heb mij gisteren wat 
overgaan. Hij overgaat 'em altijd. 

— O., schb., met zj/n (klemt, op over), In twee stukken gebroken 
worden. T. Die pijp is overgegaan mè' ze in m'ne' zak te steken. 

— Van het eene naar het andere gaan. T. Naar de' vijand overgaan. 

— Ophouden. T. Den regen gaat over. De pijn zal wel overgaan. 

— Enkel met wat tot onderwerp en eenen persoon tot voorwerp. 
Gebeuren, overkomen. Ik weet nie' wat oe overgaat van oe' huis zoo 
goeiekoop weg te geven. Wat gaat 'cm over van nu nog te trouwen 
in zijnen ouwen dag. 

— Met hebben. Wordt gezeid van eene bekalfde koe die haar kalf 
later werpt dan men gerekend had. D. B. Ons witte koei gaat altijd 'aen 
dag of twee over. 



— 921 — 

OVBROANK, znw., m. — Heerschende ziekte, waardoor er velen 
te geüjker ciji worden aangetast. (K.) Sch., T., Hfft. Daar is 'nen heelen 
overgank onder de kinderen. 

Kil. Over-ganck, morbus epicUmius* 

OVBROAPEN, w., b., onschb. (klemt, op gapen), — Over het 
geheele voorwerp gapen, 'Nen boterham zoo dik, da' ge'm nie' overgapen 
en kunt, 

OVERGEHAALD, bvw. — Gekruist, door twee dieren van ver- 
schillend ras geteeld, Fr. hybride, 'Nen overgehaalde kropper (soort van 
duif)* Dieën dog is overgehaald. 

OVBRGBPSBN, w., b., onschb. (klemt, o^ gepsen). — Afrossen, 
bq T« overge^pen. Ge moet dieS' schelm maar is goed overgepsen. 

OVERGERAKEN, w., o., schb., met z^'n (klemt, op over). . 
Eindigen met ergens over te komen. Wij zullen den berg nie' over geraken. 

— Overgaan, ophouden. Den regen is eindelijk overgeraakt. Mijn 
tandpijn geraakt nie' over. 

— Over de meet geraken (in kinderspelen). Ik geraak nie' over. 

OVERGEVEN, w., wdrk., schb. (klemt, op over). — Zich aan- 
geven. De ioieiiugen moeten hun morgen gaan overgeven. 

— Ook b. Aangifte doen, Fr. déclarer. E kind overgeven, Yr, faire 
Ufu déelaration de naissance. Sommige artikelen moeten aan de grenzen 
overgegeven worden. Hij hée' zijn huis te hoog overgegeven aan de 
verzekeringsmaatschappij. 

O VERGOEIEN, w., b., schb. (klemt, op over), — In twee stukken 
werpen. Hij nam z'n pijp en h^ goeide ze over. 

OVERGRIBBEN, OVERGRUBBEN, w., b., onschb. (klemt. 
op grtóöen), ^ Van gtibbeu, vau greppels voorzien. 'En wei overgribben, 
overgrubben. 

OVERGRITSELEN, w., b., onschb. (klemt, op gritseUn), — 
Over hel gaubche voorwerp gritselen. (Z. der K.) T. Da' pleksken zou 
nog is moeten overgritseld wörren. 

OVERGRUBBEN, w., b. — Z. overgribben. 

OVERHALEN, w., b., schb. (klemt, op over), — Eenen nieuwen 
gebuur uit zijne oude woning plechtig naar zijne nieuwe overbrengen. 
(K.) 'Nen boer overhalen. Mergen gaan me onze' nieve' gebuur overhalen. 
Als een boer overgehaald wordt, zit zijn huisgezin in eene schoon versierde 
huifkar. 

OVERHAND (klemt, op hartd)^ bw. — Beurtelings, Fr. alter- 
nativcmeni. D. 13. (Z. ook OUD., V, 506.) Ik en mijn bruur waken over- 
hand bg de' zieke. Ge kunt da' werk overhand doen . 

— Spr. Overhand gelgk Jan Marus honden basten, en hij had 
er maar éénen. 



^ 922 — 

ÖVBRHANDSVOLLBN, w., b., onschb. (klemt, op het ww.). — 
Met in de handen ie nemen, bederven, bij T. overhandvelen. Ge meugt 
die appelkokken zoo nie' overhandsvollen, of ze zullen rotten. 

OVERHANGEN, w., b., schb. (klemt, op oroer), — Over het 
vuur hangen. D. B. Hangt de' ketel maar over. 

— Ook o. De pot hing over. Hangt de soep al over ? 

OVRRHEFFEN, w., wdrk., onschb. (klemt, op heffen), — Zqn 
lichaam i.indcr doen met te veel te heffen. D. B. Zij maar veurzichtig 
da* ge oe nie' overhefi. Hg hee* zijn eigen overhoffen, 

OVERHOOP (klemt, op hoops^ bw, — In overvloed, Fr. en ahon^ 
dance. Daar is dees jaar fruit overhoop. Hij hée' geld overhoop. 

— Znw., m. Daar was 'nen overhoop van volk. Hedde nogal veul 
pat aten gewonnei: ? *t Is geenen overhoop. 

O VERHOOZEN,w.,b., onschb. (klemt. op Ao(7s^ff). — AI hoozende 
overgieten. Ge moest 'et lijverd nog wat overhoozen. 

OVERJAARSiCH) (klemt, op de tweede lettergr.), bvw. - Over- 
jaiig, meer dau een jaar oud. D.B. '£n overjaars(ch) verken. Da' zijn 
nog oveijaars(ch)e noten. 

OVERJAGBN, w., wdrk., onschb. (klemt, omjagen), — Zich over- 
haasten. T. Ge moet oe zoo nie' oveijagen, want ge hèt al den tgd. 

OVERKAMMBN, w., b., onschb. (klemt, op kammen), — Nog- 
maals kammen. Overkamt oe' haar nog eens, want 't is in de war. 

— Bij Kram. is dit ww. schb. 

OVERKAPPEN, w., b., schb. (klemt, op over), — In twee stukken 
kappen. T. Hij hée' zijn been half overgekapt. 'Ne' wortel overkappen. 

OVERKARREN, w., b., onschb. (klemt, op karren). — Met de 
kar korte vette over eene weide voeren. 'En wei overkarren. Da' bemdeken 
zou nog wel *ne keer overkard meugen wörren. 

OVERKÈREN, w., b., onschb. (klemt, omkeren), — Nogmaals 
keren. Ge muet de' vloer van de zaal nog is overkèren. 

OVERKERVEN, w„ b., onschb. (klemt, op kerven), — Over de 
gansche oppervlakte kerven. Tafels en stoelen waren heelegansch overkerf d. 

OVERKIJVEN, w., b., onschb. (klemt, op k^'ven), — Bekijven, 
T. Ik wör nie' geren den heelen dag overkeven. 

OVERKLAPPEN, w., b., onschb. (klemt, op klappen), — Door 
het klappen over audere zaken vergeten wat men voornemens was te 
zeggen. Ik meinden over die zaak te spreken, maar toen wier' 'et overklapt 
en ik heb er nie' meer op gedocht. 

— 't Is over klapt f er is genoeg over gepraat. Ge moet daar nie' 
meer over klappen : 't is :\\ genoeg overklapt. 



i 



— 923 — 

OVERKLBTSEN, w., b., onschb. (klemt, op kletsen), — Afklet 
seOy overal kletsen geven. T. Ze moesten dieën deugeniet is goed over- 
kletsen, daa zou em beteren. 

OVERKLOPPEN, w., b., onschb. (klemt, op kloppen), — Af- 
rammelen. T. Iemand is goed overkloppen. 

OVERKNABBELEN, w., b., onschb. (klemt, op knabbelen), — 
Over het geheele voorwerp knabbelen. T., R., Kl.-Br. De muizen hebben 
'et brood heelemaal overknabbeld. 

— Fig. Overlezen, ten einde lezen. Heddegij dieën boek haast over- 
knabbeld ? 

— Overpeinzen. Ik heb 'em goe' zijn zaligheid gezeed, dat em da' 
nu maar is overknabbell. 

^- Schb. (klemt op over). — In twee stukken knabbelen. De muizen 
hebben 't zeel overgeknabbeld. 

OVERKNAGEN, w., b., onschb. (klemt, op knagen), — Aan iets 
aan alle zijden knagen. T. De muizen hebben 't brood heelemaal overkuaagd. 

— Fig. Met smert overwegen. T. Ht) meint dat em misdaan heet, 
en da' zit em daar nu gedurig te overknagen. 

— Schb. (klemt, op over), In twee stukken knagen. De ratten hadden 
't zeel overgeknaagd. 

OVERKNAUWEN, w., b., onschb. (klemt, op knauuen). — 
pver het gansche voorwerp knauwen. T., Kl.-fir. Ziet is hoedat em 
dieë' koek overknauwd heet. 

— Fig. Aandachtig overlezen. Hij was de gazet aan 't overknauwen* 

— Overdenken, overpeinzen, Fr. m/((///^r. Overknauwt mijn woorden 
maar eens goed .(Ook big ly'^'-eeuwsche schrijvers, z.oud., V, 512.) 

— Schb. (klemt op over), In twee stukken knauwen. De ratten 
hebbeo 'et zeel overgeknauwd. 

OVERKOMEN, w., o., met z^n^ onschb. (klemt, op komen). — 
Overeenkomen, Fr. s'(ucorder, (K.) Hfft. Hij kan mè' niemand nie' over- 
komen. Overkomdegij goed mee' oewe' nieve' gebuur ? Ik kander moeilijk 
mee overkomen. 

Kil. O ver-komen, convenire, componere, 

— O., schb., met zijn (klemt, op over). — Zich naar de meening 
van een ander voegen, Fr. ceder. D. B. Ik heb moeite genoeg gedaan 
om hem tot ander gedachten te brengen, maar hij kwam toch nie' over. 
As ge't 'em nog is in fatsoen zegt, dan zal em wel overkomen. 

OVERKOTEN, w., wdrk., onschb. (klemt, op koten). — Soort 
van verstuiking bij hoombeesten, bij Kram. overkooten. (K.) De koei heet 
heur overkoot mee' over 'en gracht te springen. Ons koei is overkoot. 

Z. ook SPRINKKOOT. 

OVERKRIJOEN, w., b., schb. (klemt, op over), — In twee 
stukken gebroken, getrokken, enz. krijgen. Dieë slok is zoo taai, dat 
ek 'em nie' kaa overkrijgen* 



t 

f 

I 



"- 924 — 

OVERKUIS(CH)EN, w., b., onschb. (klemt, op kutschen), — Nog. 
roaals kuischen. Overkuischt de tafel nog eens, want ze is nog nie' zuiver. 

OVBRLANK (klemt, op lank)^ bw. — Lang geleden. (Ook in 
*t Mdnl., z. OUD., V, 513.) Hij is overlank vertrokken. 

OVERLBBREN, w., b., onschb. (klemt, op keren), — Overzien 
om te leeren. Hij hee' z'n les al drij keeren overlecrd, en hij k.in ze nog niet. 

— Bij Kram. is dit ww. schb. 

OVERLEQ, znw., m. en niet o. — Z. Wrdb. 

— Spr. Den overleg is V werk^ zee Brodder^ en hy zette de{n) lap 
neven *t gat. 

OVERLEST (klemt, op.lest)^ bw. — Onlangs, Fr. derniêrement^ 
bij D. B. ovtr laatst^ ouerlaatsten. Ik heb heur överlest nog gezien. Hg 
heet overlest hici geweest. 

OVERLEVEN, w., b., onschb. (klemt, op léven), — Beleven. 
Wij overleven al aardige tij(d)en. Ik heb al veul overleefd. 

OVERLEZEN, w., b., onschb. (klemt, op lezen). — Belezen, eene 
bezweeifuiniuul over iets lezen. 'En brandwond overlezen. Er woont daar 
*en oud manneken, die betooverde koeien overleest. 

— Vluchtig doorlezen, nogmaals lezen. Ik gaan met de gauwte m*n 
les nog is overlezen. Hedde uwen brief al overlezen ? 

— Kram. heeft ook dit ww. in de 2« bet., doch schb., met den klemt* 
op over, 

OVERLOOP, znw., m. — Heerschende ziekte, die velen te gelijk 
treft. Ook Omloop en Overgank. Daar is 'nen heelen overloop onder 
de kinderen. 

OVERLOOPEN, w., b., onschb. (klemt, op hopen), — In alle 
richtingen doorloopen. T. Ziet is ho'sdat de honden da' salaadbed over- 
loopen hebben ! 

•^ In der haast overzien, overlezen. T. 'Nen brief overloopen. Ik 
heb dieën boek met de gauwten is overloopen. 

— Wrdrk. Zich afmatten door te loopen. T. Hij heet 'em overloopen. 

— Spr. Het spoor overloopen^ z. SPOOR. 

— Het werk overloopt hem niet, er is niet veel werk. 

— O., met zi/n. Overtrekken, betrekken, Fr. se couvrir de nuages, 
T. De lochl overloopt, 't Overloopt, 't zal wörren regenen. 

— Schb., o., met zi/n. Besmetten, sprek. van ziekten. Die ziekte loopt 
leelijk over. Den typhus is 'en overloopende ziekte. 

OVERMERQEN, bw. — Overmorgen. (K.) 

OVER METEN, w., b., onschb. (klemt, op meten)^ — Langs alle 
kanten meten. T. De kleermaker heet da' stuk genoeg o vermeten, maar 
hij kander toch geen broek uit krijgen. 

OVERMBTSEN, w», b., onschb. (klemt, op metsen). — Overheen 
metaeien, overwelven, 'Ea riool overmetien. 



— 925 - 

OVERNEMEN, w., b., onschb. (klemt, op nemen), — Omvatten, 
'tzg met de hand, 'tzij met de armen. T. (Ook in Brab., z. Sch.) 
KoDdegij mijnen arm overnemen ? *Nen boom, zoo dik, da* ge *m nie* 
overnemen en kant. 

Kil. Over- nemen, manu complecU', 

OVERNUUSlCH) (klemt, op nuusch), bw. — Overschuins. Z. 
NUUS(CH). Hg liep ovèmuusch over *t veld. 

OVBRPEEZEN, w., b., onschb. (klemt, op perzen). — Z. over- 
KLETSEN. Ze moesten oe is goed overpeezen, mee* oewm ambras ! 

OVERPEIZEN, w., b. — Overpeinzen. 

— Wrdk. Ernstig nadenken, Fr. réfléchir, Weetle 't nie' meer? 
Overpeist oe is goed. Laat me nog 'nen dag, om me te overi)eizcn. 

OVERPRATEN, w., b. — Z. overklappen. 

OVERPRIEGELEN, w., b., onschb. (klemt, op het ww.) — Al- 
priegelen. T. Ze hebben 'em daar goed overpriegeld. 

OVERRAMMELEN, w., b., onschb. (klemt, op het ww.) — Af- 
rossen. T. Overrammelt 'em maar is goed : hij Verdienet. 

OVERRANSELEN, w., b., onschb. (klemt, op het ww.). — 

Z. OVEERAMMELEN. T. 

OVERRANSEN, w., b., onschb. (k'lemt. op ramen). — Bij kleer- 
makers. Bijzondere manier om eenen zoom te naaien, hierin bestaande 
dat men, bg eiken steek, den draad over den zoom toehaalt. Ook 
Pernjlen, Profijlen. 

OVERRAZBN, w., b., onschb. (klemt, op razen), — Overschreeu- 
wen. Hij laat 'ne' mens(,ch) nie' spreken, hij overraast oe altijd. 

OVERRIJVEN, w., b., onschb. (klemt, op rgven), — Z. OVER- 
GRITSELEN. 

OVERRO SPELEN, w., b., onschb. (klemt, op het ww.). — Af- 
rossen. T. 

O VERRUG (klemt, op rug), bw. -- Achterover. (Ook in 't Mdnl., 
z. OUD., V, 492, 907.) Hij viel ovenug van zijne' stoel. Ge meugt zoo 
overrug nie' liggen. 

OVERRUISvCHjEN, w., b., onschb. (Ulemt. op ruü(ch)^f:). — 
Over het gebeele voorwerp wrijven. Ge moet da' koper maar t;v>cd 
ovemiis(ch)en mè' krijt en 'ne wolle* lap, dat 'et blinkt. 

OVERSCHARREN, w., b., onschb. (klemt, op scharren). — 
0?er het ganschc voorwerp scharren. Ik hem mijn hand beelegans(ch) 
overschard met die dorens. Ziet is hoedat de kiekens de bloembedden 
Qverschard hemmen. 



/ 



— gié — 

OVERSCHAVEN, w., b., onschb. (klemt, op schaven). — Over 
eene j;checle oppervlakte schaven, noj^aals schaven. Die planken moeten 
nog is overschaafd wörren, 

— Bij Kram. is het ww. schb. en heeft den klemt, op over, 

OVERSCHERRELEN, w., b., onschb. (klemt, op scherrelen). 
— Ergens overheen schrijden. (K.) Kundegij die gracht overscherrelen ? 

OVERSCHIETEN, w., b., onschb. (klemt, op schieten), — Bij 
landb. Een korenveld met aarde ovcrspreiden, die men uit de voren 
steekt en over de bedden werpt met de schup. D. B. Koren overschieten. 
Het land overschieten. 

OVERSCHIP. Naam van een kinderspel. Aan de twee uiteinden 
der speelplaats is eene meet getrokken en hij, die duor *t lot aangewezen 
is en c overschip > genoemd wordt, plaatst zich te midden der twee lijnen. 
Alle medespelers komen dansende voorbij < overschip > geloopen en zingen : 
< Veur mijnen eerste(n) keer ! Veur mijnen eerstc(n) keer ! » Allen mogen 
voorbij. Zij keeren terug met : c Veur mijnen tweede(n) keer ! Veur mijnen 
tweedc(n) keer ! » Ditmaal vangt t overschip » eenen jongen in de armen, 
houdt hem zoo stevig vast dat hij zich niet meer kan verplaatsen eo 
klopt hem driemaal op den rug, zeggende : Eén, twee, drij ! overschip ! » 
Deze is er aan. Als er twee door c overschip » gepakt zijn, is hij er af en 
mag hij met den hoop medeloopen. De laatst overgeblevene der vrge 
loopers, die door den tweede niet is gepakt, is voor het volgende spel 
c overschip » of mag er eenen anderen kiezen. Vrglk* katteken en 

HAAR- EN KLEIN' BEESTJES. 

OVERSCHOÈPELEN, w., b., onschb. (klemt, op schoefeUn),— 
Uit begeerlijK'^etd of gulzigheid maken dat iemand geen voedsel genoeg 
heeft. Da* v» liccn overschoëfelt de ander, ik zal 'et moeten alleen zetten. 
Dieë gulzigi jongen overschoëfelt zijn bruurkens aan tafel. 

OVERSCHOOT (zachte o), znw., m, — Wordt door sommigen 
gezeid voor Overschot. 

OVERSCHOT, znw., m. en niet o. — Fr. reste, D. B., Sch., 

T., R-, J. 

— Geenen overschot hebben^ nauwelijks genoeg hebben. Ik verdien 
mijne* kost, maar ik heb toch geenen overschot. Steek *et brood nog 
maar wat terug in den oven, 't hée* nog geenen overschot ('t is nog niet 
genoeg doorbakken). 

— Overschot van gely'k hebben^ groot gelijk hebben. 

— Op den overschot zitten, doodgedeeld worden, niets krijgen, er 
overschieten bij de verdeeling. Alleman heet e stuk, behalven ikke ; ik 
zit alweer op den overschot. 

OVERSCHRIJVEN, w., b., schb. (klemt, oi^over), — Schriftelijk 
aanklagen. i<. Ze hemmen onze' veldwachter overgeschreven, omdat hij 
zijnen dienst verzuimt. 'Ne' pastoor overschrijven naar 't bisdom. Onze 
schoolmeester is overgeschreven. 



— 9^7 — 

OVBRSCHRIKKELEN, w., b., schb. (klemt, op over). — Over- 
slaao, achterlaten, Fr. passer^ négliger^ omettre. D. B. (Ook Id Brab., 
z. Sch. bq Kil. over ' se krieken). As hij op zwier is, schrikkelt hij geen enkel' 
herberg over. Ik meende vandaag te gaan, maar 'k zal nog maai 'nen 
dag overschrikkelen. Ik schrikkel nooit 'en enkel misken óver. « Coleta 
heeft, van toen ze verscheen op het bal, geen enkelen dans nog over- 
geschrikkeld, > (J. VAN Beers, Gevoel en Leven,) 

OVBRSCHROBBEN, w., b., onschb. (klemt, op schrobben), — 
Over het gansche voorwerp schrobben, nogmaals schrobben. T. Ge moet 
de' vloer overal goed overschiobben. 

OVBRSCHROÊBBN, w., b., onschb. {\i\emU op schrobben), — 
Over het geheele voorwerp schroeben. (K.) 't Is deerlijk gelijk die kiekens 
mgoen hof overschroëbd hebben. 

OVBRSCHROMMELEN (in 't Z. en W. ov^rsehroemmpien), 
w., b., onschb. — Hetzelfde als Overschrobben. 

OVBRSCHUDDEN, w., b., schb. (klemt, op over). — Van hel 
eene in het andere schudden. (Ook in Brab., Hag. en Umb., z. Sch.) 
Schud die pataten in deze' zak over. 

OVBRSJAUWELEN, w., b., onschb. (klemt, op sjatiwelen). — 

Z. OVKRKLAFPEN. 

OVBR8LAGEN, w., b. — Overslaan. Z. Wrdb. 

«• In twee stukken slaan. T., Kl.-Br. Slaagt dieë' stok maar nie' over. 

OVBRSLAPBN, w., wdrk. onschb. (klemt, op slapen), — Zich 
verslapen, te lang slapen. D. B. Ik hem mij deze' roorgend overslapen. 
Ga maar intijds naar oe' bed, anders overslaapte oe morgen weer. 

OVBRSMOORBN, w., wdrk.,onsch. (klemt, op smooren), — Zijne 
gezondheid hinderen met te veel te rooken. Htjhèe' zijn eigen oversmoord 
en daarom heet den doktoor hem de pijp verbo(d)en. 

OVBRSMOSSBN, w., b., onschb. (klemt, op smossen). — Langs 
alle kanten aan iets zeevetachtig knabbelen, bij T. oversmoesen. Ik zou 
daar nie* geren van eten, want ge hèt 'et heelemaal oversmost. 

OVERSNIJ(,D;EN, w., b., schb. (klemt, op over), — In twee 
stukken snijden. T., Kl.-Br. Wie heet dieë' stok overgesne(d)en ? 

— O., met zi/'n. Snel ergens overheen loopen. T. Den haas snee* 
'et veld over gelijk 'ne wccrlicht. 

OVBRSNOEFELEN. z. oversnuffelen. 

OVERSNOKKEN, OVERSNUKKEN, w., b. schb. (klemt. 
op over). — Met eenen snok in twee stukken trekken. Hij snuktc zuo 
herd met 't zeel, dat em 'et oversnukte. 

OVBRSNOLLEN, w., b., onschb. (klemt, op snollen), — Nieuws- 
gierig oversnuffelen. (Z. der K.) Hij heet al m'n papieren en printen 

OVCIBUOkU 



— 9^8 — 

OVERSNUFFELEN, OVERSNOBFELEN, w., b., onschb. 
(klemt, op snuffelen). — Snuffelende geheel onderzoeken. D, B. (Ook in 
Brab.y z. Sch.) Hij komt hier alles oversnuffelen. Den hond heet heel 'et 
veld oversnuffeld, maar 't wild nie* gevonden. 

OVERSNUISTEREN, w., b.. onschb. (klemt, op 't ww.). — 
Oversnuffelen. Gij moet hier alles nie* komen oversnuistcren. 

OVERS NUKKEN, z. oversnokken. 

OVERSNUREN, w,, b., onschb. (klemt, o^snuren), — Nieuws, 
gierig oversnuffelen. (K.) Hij komt hier alles ovcrsnuren. Hij ovcrsnuurde 
alles dat in de kas lag. 

OVERSPÖRZEN, w., b., onschb. (klemt, op spörzen). — Al 
spörzcnde over iets loopen in zijne geheele uitgestrektheid (z. SPöRZEN), 
(K.), bij T. oversporren. De kinderen hemmen den bemd heelemaal 
oversp<)rsd. 

OVERSPRONG, znw., m. — Bij landb. Plaats bezijden den dorach- 
vloer, waar het graan getast wordt. T., R., Kl.-Br. Z. ook stallei. 

OVERSTAMPEN, w., b., schb. (klemt op over). — In twee 
stukken stampen. T. Iemand de been overstampen. 

OVERSTEEK, znw., m. — Bij timmerl. Oversteken zijn planken, 
aan het uiteinde van een dak genageld, om de pannen tegen den wind 
te beschutten. Ook Windvèèr. 

— Het onderste deel eens daks, dat over den muur afhangt en het 
regenwater voorwaarts van den muur afwerpt. 

OVERSTEKEN, w., b., onschb. (klemt, op f/^/^^/i). — Overal 
steken. T. D»; wespen hebben heel zijne' kop oversteken. 

— Kous> n oversteken^ met sajet overnaaien* T. 

— Schb. (klemt, op over), In twee stukken steken. T. Ik heb 'nc* 
spilwötni overgesteken mè' m'n schup. 

— Niet willen oversteken tegen iemand^ niet willen ruilen met hem, 
niet in zijne plaats willen zgn. Mgnheer S. is zoo rijk as 't water diep 
is, maar ik zou nog nie' willen oversteken tegen hem. 

OVERSTIER, OVERSTIEL, OVERSTUUR (klemt, op de 
tweede Icttergr.J, bw. — Na den tijd, te laat. D. B. (Ook in Brab., z. Sch.) 
Gij komt 'en uur overstier. Den trein is lo minuten overstiel. Den brief 
is drij dagen overstuur gebleven. 

OVERSTOPPEN, w„ b., onschb. (klemt, op stoppen). — Kousen 
overstoppen^ met sajet overnaaien. 

OVERSTREEK (klemt, op streek), bw. — Z. overstier. (K.) 

OVERSTREEPEN, w., b., onschb. (klemt, op streepen). — Af- 
rossen. T. Ze moesten diec' kerel maar is te goei overstreepen. 

OVERSTRIJ(D;EN, w., b., onschb. (klemt, op streden). — Af- 
strijden, loochenen. Hg overstrijdt al da' 'k zeg. 



— 929 - 

OVERSTUIKEN, w., o., schb. (klemt, op over), — Ovcrtuimelcn. 
Yx. faire des culbutes. Hij ging op z*nc' kop staan en hij stuikten over. 

OVERSWIJL, bw. — Z. overwijlen. 

OVERTAFFELEN, w., b., onschb. (klemt, op taffelen), — Af- 
rossen. T. Ze hebben hem goed overtaflfeld, en 't was wel besteed. 

OVERTASSEN, w., b., onschb. (klemt, op tassen). — Overheen 
tassen. T. De dieven hadden het gestolen goed mè* stroo overtast. 

OVERTASTEN (Kemp. overtassen), w., b., onschb. (klemt, op 
tasten). — Overal betasten. D. B., T., Kl.-R». Ik hem al mijn zakken 
overtast om mijne' sleutel te vinden. Ze overtasiten de' kerel om te zien 
ofdat hij nie' gestolen en had. 'En koei overtasten om ze te keuten. 

OVERTEL, znw., m. — Van overtel zif'n^ niet geteld, slecht 
gezien worden, (K.) Hij is daar van overtel in dat huis. Den ouwe vader is 
naar 't gasthuis gegaan, omdat hij bij zijne' zeun van overtel was. 

OVERTELLEN, w., b., onschb. (klemt, op tellen), — - Natellen, 
alles tellen. T. Ik weet nie* hocveul geld da' 'k heb; ik h':»m \\ nog nie* 
overteld. 

— Bij Kram. is dit ww. schb. 

OVERTELLIG, bvw, — Van geenen tel, niet geacht of geteld. 
Hij is daar zoo wat overtellig, Vrglk. overtel. 

O VERTIJD (klemt, op tyd\ bw. — Over eenigen tijd, eenigen tijd 
geleden. D. B., T., R., Sch. Hfft, Hij heet overtijd hier geweest. Ik 
hem heur overtijd gezien. Dat is overtijd gebeurd. 

OVERTREK, znw., m. en niet o. — Z. Widb.J. 

OVERTREKKEN, w., b„ schb. (klemt, op over), — In twee 
stukken trekken. T., R. Den hond hée' zijnen band overgetrokken. 

— O., met zyn. Naar eene anlere woning trekken, verhuizen. 
Wanneer trektegij over ? Boer Jan is aan 't overtrekken (aan 't verhuizen). 

— Onschb., o., met z^'n (klemt, op //-«•/• ^^«). Betrekken, bewolken, 
Fr. se couvrtr de ntinges, D. B., T., R., Hfft. De locht overtrekt. 'En 
overtrokken weer. Het weer zal veranderen, want 't overtrekt. 

Kil. Over-trecken, obnubilare, nuhilo obtenebrare. 

OVERTROEVEN, w., b., onschb. (klemt, op troeven). — Afros- 
sen. T. Overtroeft dieën deugeniet maar eens goed ! 

OVERTUIKELEN, w., o., schb., met z^'n (klemt, oi^ over). — 
Overbuitelen, Fr. culbuter. Op zijne* kop gaan staan en overtuikelen. 
De kinderen vermaken hun in de wei mee' over te tuikelen. 

*OVERTULLIG, bvw. — Sch. beweert, dat men in 't N. der 
prov. Antw. overtullig 7.e^i y oor overtellig, Z. Sch, i. v, overtellig, 

OVERUUR, znw., v. — Uur dat men werkt boven de verplichte 
werkuren. Ik heb twee dagen en twee overuren gewerkt. De werkman 
moet nog betaald wörren vear zgn overuren. 



idtoitcor. 01 



— 930 — 

OVERVAART (klemt, op vaakt)^ bvw. — Zoodanig door den vaak 
overmeesterd, dat men niet kan wakker blgven. (Ook in Brab., z. Sch.) 
Wordt enkel als gezegde gebezigd. Da' kind is overvaakt, leg 'et slapen. 

OVERVAL, znw,, m, — Beroerte, Fr. apoplexie. G. Loopt is gauw 
naar de' pastoor : vader hée' 'nen overval gekregen. 

OVERWELLEN, w., b., onschb. (klemt, op welUn\ — Bij landb. 
Met de wel of rol, Fr. rouleau^ over het gansche stuk rijden. T., Kl.-Br. 
De spörrie zou nog is moeten overwcld wörren. 

OVERWERK, znw., o. — Overwerkuren, Fr. heures d'extra, 
Den baas moet mij nog vier frang betalen veur mgn overwerk. 

OVERWIJL, O VERWIJLEN, OVERSWIJL (klemt, op de 
tweede lettergr.), bw. — Overtijd, vóór eenigen tqd, Fr. ily a quelque 
temps. Ik ben hem overwijl tegengekomen. Ik hem oe overswijl nog 
gezien. Mijne vrind is mij overwijlen komen bezuken. 

OVERWÖRPEN, w.,b.,schb. (klemt, op <w^r). — Z. overgoeien. 

OVERWRINGEN, w., b. schb. (klemt, op over), — Al wringende 
in twee stukken breken. Mee' al ze' wringen heet em 'et zeel overgèwrongcn. 

OVERWRUTEN, w., b. onschb. (klemt, op wruten), — Over 
de gansche oppervlakte wroeten. De mol overwruüt heel mijnen hof. 

OVERZET, znw., m. — Veer, plaats waar men, in een boot of eene 
veerpont, over een water overzet. D. B., B. 

OVERZETTEN, w„ o., schb. — Van den eenen oever naar den 
anderen overgaan. D. B. Ik kwam aan den oever en ik zetten over in 'en 
bootje. 

— Zich voortzetten, sprek. van ziekten. D. B. (Ook in Brab. en 
N.-Br., z. Sch.) Die ziekte zet over van vader tot zcun. De typhus is 
'en ziekte die gemakkelijk overzet. 

OVERZETTER, znw., m. — Overzetboot. 

OVERZIEN, w., b., onschb. (klemt, op zien\, — Vluchtig overlezen; 
lezen om van buiten te leeren ; nazien om te verbeteren. Overziet oe' 
les nog 'ne' keer. Ik heb de drukproef overzien en geen fouten meer 
gevonden. 

— Bij Kram. heeft dit ww. den klemt, op over en is schb. 

OVERZIJ (klemt, op zij)^ bw. — Zijlings heen. (Z. OUD., V, 493.) 
Ze kreeg 'en appelflauwte en ze viel overzij van hcure' stoel. 

OVERZJAKKEN, w.,b., onschb. (klemt, op zjakken). — Afrossen. 
Ze pakten 'em vast en ze overzjakten 'em is goed. De voerman over- 
zjakte ze' pèèrd. 

OVERZUKEN, w., b., onschb. (klemt, op znken), — Langs alle 
zijden zoeken. T. Ik hem alles overzocht om dieën boek te vinden, 
maar te vergeefs. 

—> Bij Kram. heeft dit ww. den klemt, op over en is schb. 



PAAIEN, w., o. — Het paren der visschen. De visschen zijn aan 
't paaien, t Is nu 't seizoen van 't paaien. 

PAAITIJD, znw., m. «— De paartijd der visschen. 

PAALPLANK, znw., v. — Z. damplank. 

PAAN, znw., V. — Z. het mrv. panen. 

PAANBOER, znw., m. — Z. puinboer. 

PAAPKE^N, znw., o. — Houten blokje of kurken stop, waarde 
kinderen centen op leggen, als zg paapken schieten. iK.) 

— Paapken schieten oï paapken heulen, etn spel hierin bestaande, 
dat men van eene meet een blokje of korter», stop, paapken geheetcn, 
waar centeii op liggen, tracht om te werpen met een grooter muntstuk 
of eene ijzeren bolleket. 

— Naam van zeker vogeltje, tot het geslacht der vinken behoorende. 

PAAPSTEBN, znw., m. — Hoofdbenaming vanden rooden steen, 
die te Boom en 't omliggende gebakken wordt. 

PAART, znw., o. — Hetzelfde als Part, aandeel, Fr. part. B. Ze* 
paart krijgen. Iemand ze' paart geven. 

PAARTBN, w., b. en o. — Deelen, verdeelen, Fr, /ar/rt^r. Wij 
moeten gedrijen die som paar ten. 
Kil, Paerten, partiri, dividere, 

PAAS(CH)BLOEM, PAASiCH)BLOM. znw., v. — Gele tijloos, 
eene hofbloem, in de wetenschap Narcissus Pseudo- Narcissus L. 

PAAS(CH)KÈÈRS, znw,, v. — Groote keers, die op Paaschavond 
gewijd wordt en gedurende de hoogmis brandt tot Ons-Heer-Hemelvaart, 
Fr. cierge pascal. 

PAAS(CH)KROONTJE, znw., o. — Kransje van gemaakte 
bloemen, dat op Paaschavond gewijd wordt in de kerk, en aan het kind 
wordt gegeven, dat het eerst gedoopt wordt na de wijding der vont. 
Vrglk. sinksenkroontje. 

PAAS(CH;NAG£L, znw., m. — In de paaschkeers steken, in 
den vorm van een kruis, vijf nagelen van wierook, die dikwijls nog 
in wassen nagels gesloten zijn. Met heet ze paaschnagels. Een paaschnagel 
is heiligdom. (Z. heiligdom.) 



— 932 - 

PACE (uitspr. /a^r, op zijn Nederl.), znw., v, — Kunstig bewerkt 
blad van metaal, hout of been, dat de ptiester aan den autaar kust na het 
Agnus Dei, bij D. B. paais, o. De pace kussen. 

PACHOOI (klemt, op chooi)^ znw., v, — Oud wijf, (K.) *En oü 
pachooi. 

PACHTBvRjS(Bj, znw., v. — Vrouw eens pachters; titel dien 
men aan eene boerin geeft. 

PAD, znw,, V. — Fr. crapaud. 

— Fig. Dikke, korte persoon. '£n dikke pad. '£n pad van 'ne' vent. 

PAD, znw., V. — Bij slotm. IJzeren plaatje in den rauur, waar 
de tong van een slot in schuift, wanneer dit gesloten wordt, Fr. gache. 
Kil. Padde van 't slot, serae latihalum, 

PAD, znw,, m. en niet o., vrklw. paddeken tnpaaiken, — Voetweg, 
Fr, rentier. Hfft.,J., Oppr. 

— Gep. w. Pad noch spoor ^ geenen weg. Ik vond in da* bos(ch) 
pad of spoor. Hij wa^ vcrloicn geloopenen hij zag nieverans pad of spoor. 

— Spr. /ijnein) pad schoonmaken, zich verontschuldigen. As hij iet 
misdaan heet, dan weet hij altijd zijne' pad schoon te maken. 

— Dc'{n) pad openhou{d)en, de betrekkingen blijven onderhouden, 
die men met iemand heeft. 

PAD, znw., v. — Klep die over de zijzakken van een vest, enz, 
hangt. (A.) 

PADDEBLOOT, bvw. — Naakt, vooral gezeid van vogels die 
nog gceuc vcdcicn hebben. (Ook in Brab, en N.-Br., z. Sch.) De jongskens 
van die mees waren nog paddebloot. 

Kil, Padde-blood, deplumis, nudus instar busoms, 

PADDEGERAK, znw., o. — Kikvorscheieren, (K.) Heel de 
gracht Ice' vol paddegerak. 

Kil. Padden-gherack, ova ranarum, 

PADDEKOETER, zaw., m. — Zeer bot mes. (Heist-op-dea-Berg.) 
Da' mes is 'ue rechte padde koe ter. 

PADDEKULLEKEN, znw., o. — Kikvorschenlarve, dikkop, 
Fr. ((fiard. (K.) 

PADDEN, w.t o. — Gaan, met eenen bgzin van moeite of 
onbehendigheid, (K.) Ik heb lank deur 't slijk moeten padden. Deur 
de* sneeuw padden. 

— Op handen, knieën en voeten kruipen. Klein kinderen die nog 
niet kunnen loopeu, gaan niet, maar padden. 

— Het Neders. pedden beteeken t Met voeten treden, en het Eng. to 
pad Zacht gaan, zegt D' de Jager. 

PADDEN HAAR, znw., o. — Z. duvelshaar. 

PADDEPOÊF, znw., v. — Dik, opgedrongen vrouwspersoon. 
*En paddepoéf van e wijf. 

Sch, heeft daar patapof voor. 



- 933 - 

PADDESTOEL, znw., m. — Soort van draaitol met platte klos, 
(K.), te Antw. Pleit genaamd. 

PADDBVERGIF, znw., o. — Iets dat zeer slecht of walgelijk 
smaakt. (Ook iii W,-V1,, z, Sch.) Wa* veur paddevergif hcdde me nu 
gereedgemaakt ? Da' bier is precies paddevergif. « Kom mij niet aan het 
lijf met dit patftfenverji> (f, of ikh&a\ ude oogen uit den kop ! » (Conscience, 
De Podagrist^ 41.) 

PADDEVILDER, znw., m. — Zeer bot mes. T., R., bij B. 

paddevilUrtjc. 'L. ook VÖRS(CH)EVILDER, PADDEKOETER en VILDER. 

PADDEVIS(CH)KE(N, znw.. o. — Z. potskop. 

PADDEZAKKEN, zuw., m., mrv. — Zakken in eenen j.is, enz. 
die voorzien zijn van eene pad of klep. (A.) Z. pad. 

PAF, bw, — Wordt gebruikt met staan^ om eene schielijke en 
geweldige ontsteltenis of verbaasdheid uit te drukken, Fr. stupéfait, 
D. B. (Ook in Brab. en O.-Vl,, z, Sch.) Toen ik *em da' niefs vertelde, 
stond hij paf. Ik staan der paf van. 

PAFFE LEN, w., o, — Met geweld aan eene sigaar of overstople 
pgp trekken. Aan 'en sigaar paffelen. Hij paffelt den heelen dag. 

— Wordt ook gebruikt voor Taffelen, sukkelen. Hij zal paflelen 
met da* werk. Ik zal moeten pafTelen om gedaan te krijgen. 

— Gep. w. Smoor en en paffelen^ veel rooken. 

— Afl. Paffelèèr, gepaffel, 

PAFFEN, w., o. — Geweldig rooken, bij M. paf ken. Hij doet 
iet van paffen. Smooren en paffen. 

— Verg. Paffen gelijk ^nen Törk. 

PAGADDER (klemt, op de 2» leltergr.), znw., m. — Kleine jongen, 
klein manneken. R. 'Ne kleine pagadder. 'Ne pagadder van e manneken. 
— Z. verder Sch. 

— Kind dat begint te loopen. 

PAQGELEN, w., o. — Lastig en onbehendig gaan. D. B. Deur 
't slijk paggelen. Ziet em paggelen. 

— Afl. Paqgelèèr^ g^Poggel, 

PAIEN, znw., V., mrv. — Z. peien. 

PAK, znw., m. — Lukslag, voordeelige koop, hazaard. T., R. 
levers 'ne* pak aan doen. Gij het 'ne' goeie' pak gedaan aan dat huis. 
Op dieë' koopdag zullen pakken te doen zijn. 

— Zekere hebbelijkheid van iets, handigheid, wijze van iets aan te 
pakken. Hfft. Gij hèt er de' pak van weg (gij weet nu hoe gij het 
moet doen, aanleggen). Dieë jongen heet de' pak nog nie' eweg van te 
maaien en te pikken. 

— Grijp, vat, Fr. prise. Hij is te arm om te betalen : ik heb er 
gcene' pak op, as ek 'em aandoen. 

PAKBAAR, bvw. — Kunnende gepakt, d. i. aangehouden of in 
de boet geslagen worden. R« Ge zij' pakbaar, as ge dat doet* 



— 934 — 

PAKDRAGER, ziiw., m. — Een leurder in ellcgocd, die zijne 
waren in een pak op den rug draagt. 

— Iemand die, in dienst van eenen smokkelaar, gesmokkelde waren 
over de grenzen draagt. 

PAKKBBOL, PAKKBNBOL, znw., m. — Bal, kaatsbal, Fr. 
balie. (K.) 

PAKKEBOLLBN, w., o. — Met den pakkebol spelen, den bal 
opwerpen en in de hand opvallen. (K.) 

PAKKEMAN, znw., m. — Boeman, doezeman, bietebauw, Fr. 
croquemitaine. K. De pakkeman neemt de kinderen mee die 's avonds 
te laat op straat loopen. 

— Gendarm. Pas op, de pakkemannen zijn daar. 

PAKKEN, w.,b. — Treffen, raken, bewegen, ontroeren, Fr. toucher. 
D. B., T., Ki.-Hr. De dood van ze* vader heet 'em geweldig gepakt. 
As ge zoo 'n armoei en verdriet ziet, da' pakt 'ne' mens(ch). 

— Onaangenaam aandoen. Dieê smoor pakt mij. De vuile reuk 
van die bloemen hee' mij gepakt. 

— Wegnemen, stelen, Fr. déroher, D. B. 'Nen dief pakt alles dat 
em krijgen kan* Hij heet daar wa' gepakt. 

— Proces- verbaal tegen iemand opmaken, hem in de boet slaan. 
T., R., Kl.-Br. Den bos(ch)wachter hee' 'ne' strooper gepakt. As ge 
nog over me' land derft gaan, dan pak ek oe. De policte hee' gisteren 
drij herbergiers gepakt, omda' ze na de uur openhielden* 

— Betrappen, vatten. '£n kou pakken. Ik heb 'en valling gepakt 
mee' in den trek te staan. 

— Een glas bier of eenen borrel drinken. Pakt er nog eentje, 'k Heb 
er al drij gepakt; 'k heb genoeg. Hij pakt er te veul, 

— O., met hebben en zijn, — Vasthechten, aankleven. D. 'B., T., 
Kl.-Br. Dieên ink pakt nie' op dees papier. Eene verf pakt, wanneer 
ze wel vastkleeft. 

— Zijn uitwerksel hebben, lukken, Yx, faire de Veffet^ réussir, D. B., 
T., R., Kl.-Br. Al ze' schoon geklap pakt bij mij nie' meer. Zijne winkel 
pakt niet. Gij hèt 'et gepakt met da' schoon weer op uw reis. Het 
graan is goe' gepakt dees jaar. Uw onderneming zal nie' pakken. 

PAKKENBOL, z. pakkebol. 

PAKKOOR(D), znw., v., zonder mrv. — Koord om iets in te 
pakken, Fr. corde d*emballage, 

PAKOOI (klemt, op kooi)^ znw., v. — Lui wijf. (Z. der K.) Da' wijf 
is 'en eeste pakooi. 'En pakooi van e wijf. 

^ P AKZAK, znw., m. — < Pafzak of log zwaarlijvig mensch. * Sch. 
geeft dat w. voor Brab., Kemp, en Antw, Ik heb het nog niet gehoord. 

Z. PAPZAK. 

PAL, znw., V. — Bij mulders. IJzeren klink die in de kammen 
van het kam wiel valt om bet verkeerd draaien te beletten. 




— 935 - 

PALATIE, znw., v. — Hetgeen dient om te paleeren. Met den 
regen is de palatie nat gewörren en bedorven. 

PALÈEREN, w., b. — De straten of huizen versieren, Fr. ^ar^r, 
orner, D. B. De straten worden gepaleerd als de processie uitgaat. Al 
de huizen waren gepaleerd met de inhaling van den burgemeester. 

— Opsmukken, versieren, tooien. Ze was gepaleerd me* lintjes en 
strikskens. Als een boer verhuist in de Kempen, dan wordt hij met 
zijn huisgezin overgehaald in eene schoon gepaleerde huifkar. 

— Volgens Kram. en V. D. wordt dit w. weinig gebruikt. Hier 
bezigt men geen ander. 

PALEERINO, znw., v. — Versiering der huizen en straten bij 
feestelijke gelegenheden. 

— Fig. Ruzie. As ge thuis komt, zulde geen klein paleering krijgen. 

PALEBRSEL, znw., o. — Hetgene waarmede men de huizen 
en straten paleert of versiert. 

PALING, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Spr. 'Ne{n) paling vangen, in 't water vallen, zich nat maken. 

PALLAS (klemt, o^ pal), znw., m. — Vierkant kartonnen deksel 
met lijnwaad overtrokken, liggende op den kelk in de mis. Lat. palla. D. B. 

PALLEPOOTEN, w., o. — Aan iets duwen met de hand, 
met de vingeren veel betasten en beduwen, beduimelen, bederven of 
bevlekken met er onzindelijk aan te raken, in de hand te nemen, enz. 
Dieë jongen zit altijd overal aan te pallepooten. Klein kinderen pallepooten 
geren aan iet. 

— Plonsen, zich bewegen in *t water. (Z.-W. der K.) Gij kunt 
oie' zwemmen, ge doe' nie' as pallepooten. 

— Afl, PalUpooter, gepalUpoot, 

PALLESAAT (klemt, op saat), znw., m. — Mager, lang opge- 
schoten mensch. 'Ne pallesaat van e meisken. 'Ne lange pallesaat. 

— Van 't Fr. palissade, 

^PALLODDBR, PALLOEDER, znw., m. — « Bedrieger ». 
Sch. geeft dit w. voor Brab. en de Kemp, Z. paloeter. 

^PALLODDEREN, w., b. (?). — Wordt, volgens Sch., nogal 
veel in de Kemp. gebruikt met eene tamelijk onbestendige beteekenis ; 
het beduidt : vleien, flodderen. 

PALM, znw., m. en niet v. — Fr. huis% 

PALMEN (uitspr. /a/Z'/npff), w., b. en o. — Palmtakjes die op 
Palmenzondag in de kerk gewijd zijn, op de hoeken der bezaaide velden 
of tusschen de wassende vruchten steken. (K.) T. Het koren palmen. 
Na 't Lof gaan wij palmen. 

PALMSLAO, znw., m. — Z. handslag. 

PALOETER, znw., m. (klemt, op toe), — Bedrieger, Betrouwt 
dieë' paloeter nie'. 

— Tragerik, luiaard, lammerik. 'Ne luie paloeter. 



— 936 — 

PALOBTBRBN, w., b. — Bedriegen, foppen. Ge zult mij nie* 
paloetrren ! 

PALRAD, znw., o. — Bij horlo;;iemakers. Het rad in een zak- 
uurweik, dat de veer opgewor.dcii houdt. 

PALRBEP, znw., m. — Bij mulders. Hel touw, waarmede de pal 
van het muien wiel wordt weggetrokken. 

PALTO (klemt, op pal)^ znw., m. — Een kleedingstuk dat in 
*i Fr. paletot heel. 

PALUL (klemt, op /»/}, znw., m. — Dronkaard, zatlap. *Ne zatte 
palul. Ginder komen de paluUen aan. 

— Nictsweerdige mensch, voddeman, luiaard. Wa* kunde mè' zoo 
'ne' pnlul aanvangen ! 

PALULLBN (klemt, op /«/), w., b. — Foppen, beetnemen. Ge 
zult me nie' palul len. Hg zocht mij te pal uilen, maar hij was er nog 
nie' half. 

PALUT (klemt, op /m/), znw., v. — Dwaas, halfgek vrouwmensch. 
*£n zotte pal ut. Die Trees is toch 'en palut ! Z. ook balluit, ballut, 

KALUT en LUÏ. 

PALVÈBR, znw., v« — Bij horlogiem&kers. Veer die het palrad 
in zijnen opgewonden staat houdt, daar dit rad op de groote veer werkt. 

PAMPIBR, znw., o. — Papier. D. B., G., B., M. 

PAMPIBRBN, bvw. — Papieren. Een pampieren zak. 

PAN, znw., V., vrklw./tf««^/&^/i. Kemp. pdnneken^penneken, — 
Z. VVrdb. 

— Uitgehold stuk ijzer of koper, waar de spoor van eene lee in 
draait, Fr. crapaudine. 

— Bij mulders. Stuk ijzer dat van onder aan den steenbalk is, 
daar waar de steenbalk op de nok van den standaard draait. 

— */ Panneken van '/ gat^ het aars- of steertbeen. Hij is van den 
trap gevallen en hij hee' ze' panneken (of: 't panneken van ze' gal) 
gebroken. 

— Spr. Daar is iet in de pan^ daar is iets ophanden. Daar is iet 
in de pan bij Boer Lauwers. 

— Hij staat daar precies alsof hij e panneken gebroken had^ zegt 
men van iemand die daar bedrukt en onnoozel slaat te kijken. 

— Van de pan gaan^ gemakkelijk gaan, goed vorderen. Alles is 
gereed : nu zal 'et van de pan gaan. 

— De pan fnet de{n) steel hebben, een goeden onderpand hebben, 
zoodat er geene vrees bestaat om te verliezen. R. (Ook in Biab. en 
't Hag., z, Scb.) 

— 7 Is panneken met de(n) lange(n) steel, zegt men wanneer iets 
lang duurt. 

— '/ Js 't steeltje met *t panneken, ze zijn van ceoderen aard. 




— 937 — 

— Veur V« pan eieren^ voor een kleinen prijs. T. Hij heet die 
boomen gekocht veur 'en pan eieren. 

—^*tls *en pan^ 't i's er *en pan meet 't is mislukt, *t is er maar 
stillekens, 't gaat er slecht mede. (Ook in Brab., 't Hag. en VI., z. Sch.) 
't Is 'en pan geweest met de feest. Hoe gagel met de' zieke ? 't Is er 'en 
pan mee. 

— V Is er maar 'en half pan mee, 't is mislukt, 't is niet naar 
wensch afgeloopen. 

— Fan de pan krggen^ slaag krijgen, gestraft worden. (Ook in 
Brab.y z. Sch.) As ge thuis komt, deugeniet, zulde van de pan krijgen ! 

— '/ Is panneken vei^ er is overvloed, er is eien volop. *t Was 
gisteren avend panneken vet bij Jan. 

— */ Is panneken aan, zegt men van twee menschen die goed overeen- 
komen, die elkander veel vriendschap betoonen. 

— * t h pannektn af, hunne vriendschap is verbroken, ze zijn vijanden. 

— '/ Is panneken aan 't steeltje^ gezeid van een minnend paar, 
dat elkander veel liefde betoont. 

PANAPPEL, znw., m. — Roodachtige, groote, vlokke appel. 

PAND, iüw., m. en niet o. — Z. Wrdb. D. B,J. 

— Terende pand^ iemand die niets wint voor 't huishouden en leeft 
van 'tgeen de anderen verdienen. Fians is 'nen terende pand : hij werkt 
nie' en zijn bruurs moeten veur hem de' kost winnen, 

— £eu tamelijk breed stuk grond, tusschen twee rechte voren. Een 
pand is geen gewent. 'Ne pand klaver, aardappelen, enz. £ stuk land 
in panden leggen. De mastboss(ch)en liggen gewoonlijk in panden. 

— Galerij rondom de binnenplaats van een klooster. D. B. Een 
klooster met 'nen breeden pand. De paters wandelden in den pand. 

— Breedte van eene kleerstof. Kr gaan drij panden in dieën rok. 

— Pand overhalen^ krijgertje spelen, Fr, jouer aux barres» 

PANDEN, w., b. — Ge mcugt u eigen nieit) panden, men mag 
zelf bi) zijnen schuldenaar niets in pand gaan nemen zonder zijne 
toestemming. 

PANDOERING, znw., v. — Klopping, pak slagen. D. B. (Ook 
in Brab.» z. Sch.) Iemand 'en pandoering geven. 

PANDOES (klemt, op </ö«), znw., m. — Panharing. (A.) 

PANEELDEUR, znw,, v. — Eene deur met pancelen. 

PANEN, znw., v,, mrv. — ilond-jgras, Vt. chien^dent (N. der K.), 
Hlft., elders Peien. Paien, Puinen en Pessemen genaamd. Da' land 
is Yergeven van de panen. 

PANIEREN (klemt, op nie)^ w., b. — De banen en wegen zuiveren 
en etieu leggen. (K.) Ze zijn in die straat aan 't panieren. Y^^i banen 
panieren. 

PANLAT, znw., v. — Ieder van ile latten die op de kepers geslagen 
worden om er de pannen op te leggen, bij D. B. pannelatte. 
— Fig. Lange, magere mensch. 



- 938 - 

PANNBLBPELy znw., m. — Bij steenb. Groote koperen lepel, 
dienende om de gevormde pannen van den vorm in de schappen te leggen. 

PANNEMAKER, znw., m. — Bij steenb. Werkman die de pannen 
maakt in den pannevorm* 

PANNENBAK, znw., m. — Bij steenb. Bak met water, waarin 
de plaan, vóór het afstrijken van iedere pan, wordt nat gemaakt. 

PANNENBLOK, znw., m. — Bij steenb. Vierkant stuk hout dat 
op do tafel ligt en waarop men den pannevorm plaatst. 

PANNEPLEKKERy znw., m. — Vlinder met schoon gekleurde 
vlerken. (Kupelstreck.) 

PANNESCHAP, znw., o. — Bij steenb. Ieder der schappen, 
w.i.irop men de üovomule pannen l.iat drogen. 

PANNESTBBN, znw., m. — Bij timmerl., smeden, enz. Groote 
strcn of arduinen blok waar de dook in gesoldeerd is, daar de deur 
op draait. D. B. 

PANNESTRIJKER, znw., m.— Bij metsers. Een truweel omtrent 
twee vingeren breed en eene span lang om, tusschen de dakpannen in, 
mortel te strijken. 

PANNEVORM, znw., m. — Bij steenb. De vorm, waarin men 
dakpannen maakt. 

PAN RINK, znw., m. — Houten ring waar men de pan op zet 
om de tafel niet te bekruizen. 

PANTOEPEL, znw., m. en niet v. — Pantoffel, Fr. pantoufie. 

— Spr. Onder de(n) pantoifel liggen ^ onder het gezag staan van 
de vrouw. 

— Van de{n) pantoifel kr^'gen^ ruzie krijgen van zijne vrouw. Hij 
is blijven plakken; hij zal nie' weinig van de' pantoëfel krijgen. 

PANVÈOER, znw., m. — Een lapje aan een stokje gebonden, 
waarmede men de pan smeert als men koeken bakt. 

PANVIS(CH), znw., m. — Panharing. (Z. der K.) 

PAO (a en o afzonderlijk uitgespr.), znw., m. — Pauw, Fr. paon, 

'PKP^ znw., V. — Z. Wrdb. 

— Botermelks{fh)e pap^ zutemelks{ch)e pap^ pap van karnemelk, 
van zoetemelk. 

— Spr. Iemand pap aan den baard smeren^ z. BAARD. 

— Iemand de pap in de{n) mond geven ^ hem op eene middellijke, 
doch vatbare wijze zeggen wat hij moet antwoorden. D. B. (Ook in Brab., 
z. Sch.) Ik geef oe de pap in de' mond, en nog kunde nie' antwoorden. 

— Geen pap meer kunnen zeggen ^ zoo vermoeid zgn, dat men 
niet spreken kan. 

— De pap is gestort ^ *t is te laat beklaagd, 

— Het MOUt in m^'h pap nie{f) verdienen^ z. ZOUT* 



— 939 — 

— Iet zoo heu zgn als kou pap^ er tot walgcns toe vao verzadigd zgn. 
—' *t Is zoo al pap^ zee dt jongen^ onze vader eet ze, maar den 

hond mag ze niet, 

— Aan kiodereo die vragen hoe Iaat het is, antwoordt men schertsend : 
'/ Js half pap, *t zal seffens brokken luien, 

PAPBOER, znw., m. — Iemand met een dik gezicht en een 
log voorkomen. Hij is persies 'ue papboer. Wa' papbocr van 'ne* vent ! 

PAPBUIK, znw.» m. — Iemand met een dikken zwadderbuik. 
-« Soort van visch, op den boling gelijkende, doch met breedcr 
middenlijf. (A.) 

PAPBQAAIBNBEKy znw., m. — Bij schrijnw.,enz. De afgeronde 
zijkant eener plank of ander stak hout aan meubels, enz. De papegaaien • 
bek wordt met eene paleeschaaf gemaakt. 

PAPEGAAIENBUS, znw., m. — Grebochelde neus, bij Kram. 
papegaaisneus 9 

PAPBGAAISBBK, znw., m. — Bij schrijnw. Soort van lijst, in 
't Fr. hec-de<orbin, 

PAPBKULLBKE(N en PAPEPULLEKE<N, znw., o. — De 
vracht van den witten- of haagdoorn. (Ook in 't Hag., z. Scb.) 

— Men geeft dien naam ook aan den zaadbol van den egelteer 
of de hondsroos, in de Wrdb. Rozebottel, Fr. gratte^cul» 

PAPBLUL, znw., m. — Z. potskop. • 
PAPEPULLEKBN, z. papekulleken. 

PAPIER, znwn o. -^ Z. Wrdb. 

— Spr. Het papier is verduldig^ men moet niet alles gelooven 
wat gedrukt wordt. 

— Papier op zolder^ uitroep bij *t zeeltje springen, wanneer het 
touw den grond niet raakt. T. 

PAP PER, znw., m. — Meikever, die traag in 't kruipen en in 
't opvliegen is. 

PAPPERIJ, znw., v„ zonder mrv. — Pap, melkspijzen. Ik ben 
veur geen papperij. 's Avends eten wij wa* papperij. 

PAPSCHOOL, znw , v. — Minachtende benaming voor Kleine- 
kinderschool, bewaarschool, Fr. écoU gardienne, Dieé jongen ga' nog 
naar de papschool. 

PAP2AK, znw., m. —Dikke, logge, zwaarlijvige mensch. (Ook 
in Brab., z. Sch.) 

— Vreesachtige mensch, Wa' papzak : hij is van 'en hondje bang ! 

PARAGRAAF, znw., m. en niet o. — Yx.paragraphe, J. 

PARAPLU, znw., m. en niet v. — Fr. parapluie. J. 

Vierkant ijzer, waaraan vier kettingen, met twee haken elk, gevestigd 

zijn, om vier vaatjes ineens op te halen. (A.) 



PARASOL, ziuv., m, en niet v. — Zonnescherm. J. 

PARDAP, PARDAFFEL, PARDOBF, PARDOBFBL 

(klemt. o\) de iweede leUeigr), iw. — Nabootsing van eenen harden sla^, 
bij D. B. pardaf, pardaaf^ pardoef. Pardaf ! daar viel em op de* grond ! 
Pardoëfel ! daar leget (ligt het) ! 

PARDAF (klemt, op daf)^ znw., m. — Slappe koffie. Ge hèt weer 
pardat npgescbonken. 

PAREN, w., b. — Bij limmerl. en schrijnw. Bij het maken van 
vergeringeii worden de regels en stijlen, nadat ze gevlakt en gereed zijn, 
naast elkander gelegd zooals zij in de deur, het raam, enz. zullen geplaatst 
worden. Daarna trekt men er, met een potlood, lijnen over om later 
te kunnen zien, hoe mon deze stukken len opzichte van elkander aan- 
brengen moet. I) bewerking heet paren, Fr. établir Ie hois, 

PARETTEN (klemt, op ret)^ znw., v., mrv. — Parten, grillen, 
kuren. Zijn pareiteu spelen. Zij hee' vandaag heur parelt*»n weer gehad. 

— *In den zin van poet^^ snakery\ zooals Sch. het opgeeft voor 
Brab. en Antw., heb ik het nog niet gehoord. 

PARING, znw., v. — Bij limmerl. De lijnen die met het potlood 
op het hout zijn afgeschreven, wanneer men hel houi paart. Z. PAREN. 

PARLESANTEN (klemt, op 5é7«), w., o. — Redetwisten, luid- 
ruchtig en luci vcol gebaren spreken. D. B., Sch. Ze zijn wel 'en uur 
me* malkander aan 't parlesanten geweest. Tegen wie waarde daar aan 
*t parlesanten ? Eerst nog *nen tijd geklapt en geparlesant, eerdat hij 
gereed was. 

PARMANTELIJK, PARMBNTELIJK, PROMANTE- 
LIJK, PROMENTELIJK (klemt, op de tweede lettergr.), bw. — 
Duidelijk, bescheelijk, stellig, zekerlijk, Fr, clairemen/^ pertinemment^ 
énndemmftit. Ik meinde parmantel ijk dat ek *et hoorde luien, maar *k zal 
mij bedrogen hebben. Ik heb *et parmentelijk zien wcerlichten. 

— Deftig, statig, bij M. permantig, parmantig. Hij ging piomante- 
lijk over de straat. Ziet is hoe parmentelijk da' ze daar hennen gaat ! 

Kil. Parmaatelick, magnificè, 

PARRETÉEREN, w., o. — Sierlijk voorkomen, bevallig staan, 
prijken. Die bloemen parreteeren schoon in den hof. Da* kleed parreteert 
nie*. Ze parreteert nie* zonder hoed. 

PARTIJK, Aniw. PRATIJK (klemt, op tijk)^ znw., o. — Slimheid, 
loosheid, ii»c, looze treken, Fu artifice. Hij zit vol partijk en slimme 
streken. *£t pratijk van die9n deugeniet is te groot. 

Kil. Practijke, artifUium, 

PARTIJKIQ Antw. PRATIJKIQ. bvw. — Listig, loos. slim, 
arglistig, door trapt, Fr. artificietix, 'Ne partijkige ««rhelm. Ge zult *em 
nie* betrappen, hij is veul te pratijkig. 

Vrglk. D. B. i. v. prat^kig. 



- 94» — 

PAS, znw., m. en niet o. — Z. Wrdb. 

— Op zif'n^n) pas^ op zijn gemak. Gaat daar is op oewe' pas 
naaitoe. Hij wilt alles op zijne' pas hebben. 

— Van ééne{n) pas, dikwijls, gedurig aan. Da* gebeurt zoo van 
ééne* pas. Ge zij' van ééne' pas ziek. Ik hoor zeggen dat hij van ééne* pas 
zat is. 

— Jan van pas, de verwachte en verlangde bruidegom. Als een 
meisje zegt dat ze nooit zal trouwen, dan antwoordt men haar: als Jan 
VAD pas komt, dan zulde wel trouwen. 

— Verg. Te pas komen gelijk 'en haar in de so' ^^ scherts. Da* 
ge daar vertelt, komt hier zooveul te pas as 'en haar m de soep. 

PASBLOK, ziiw , m. — Bij mulders. Blok hout die in de pasbrug 
sit en moet kunnen om en weer schuiven, om de steenen ovral op 
deozelfden afstand van malkander te houden. 

PASBRUG, zuw., V. — Bij mulders. Een balk die op den ezel 
rust en de spoor pan bevat, waarin de hals draait, Fr. braie, D. B. 

PAS(CH)EN, znw., m. en niet v. — Fr. Pdques, D. B., T., K., J. 

— jDe(n) Pas(ch)en dragen naar *ne{n) tieke^ hem de Paaschcommie 
thuis bezorgen. De priesters brengen de' Pas(ch)en thuis aan de mens(ch)en 
die Die' naar de kerk kunnen komen. 

— Ais Pas{ch)en op 'ne{n) Vrifdag komt^ of als Pas(ch)cn en Sinksen 
op èe'ne{n) {Zon)dag komt^ nooit. Ge zult da' krijgen, as Pas(ch)en nog 
is op *ne* Vrijdag komt. 

PAS(CH)£N, w,, o. — Zijnen Paschen houden, Fr. faire ses 
Pdques, (K.) Ik gaan morgen pas(ch)en. Heddegij al gepaas(ch)t? 

PASMES, znw., o. — Rij brouwers. Soort van kapmes, scherp 
aan de snee, dik aan den rug en spie vorm ig aan den top, dienende 
om de hommen te knopen en ze in *t bomgat te slaan of er uit te heffen. 

PASPLANK, znw., v. — Bij blokmakers. Plankje waar men de 
blokken op zet om ze te ])aren, te koppelen, te zien welke blokken 
een goed paar zullen zijn. 

PASSEMAAT, znw., v„ vrklw. passemaatje, — Juist gepaste 
maat. As ek daar om 'ne* liter melk gaan, *t is altijd passemaatje : de 
boerin ziet op eenigc druppels. 

PASSEN, w., b. — Z. Widb. 

— Verg. Passen gelijk 'en tang op e verketi^ hoegenaamd niet 
passen, sprek. van kleederen; gelijk 'en bus, goed passen. Diet Irak 
staat oe geschilderd ; hij past gelijk 'en bus. 

— Spr. Afe{t) passen en meten wórdt den tijd versleten, 

— Me(t) passen en meten komt den timmerman aan 't eten. 

— Met gepast geld betalen. Metdat ek 'et nic* passen en kost, 
moest ek *ne* vijffrang laten wisselen. 

PASTENAAK, znw., v. — Pastinak, Pastinaca sativa. 



--r -X, — « rn -.r :2 



'VSi 






5- v*'^'* l»*^ • -- 



:c:Ti«:f 






y^^arrzn 



=- — I. WJET. 



ril /-flSï :.: ». t . r ü ii 



^ATA^^SC:^ PATAT2CL. =rr- n. — lüaiaccei ^an 

?'ATAAT70C: PATATFOC:, =•». t. — Z-a iesne iac 
P-ATAATOStOJTD PATATGRCJTD. si-r .-n. — I-rzBc ^eacaikr 
P'ATAATjAaSefi, PATATJASSSE. raw^ x. — M^e sm 
P'ATAATKKürD, PATATKRUID mir, :. - Viriord jard- 
FATAATLAND, PATATLAND, in:r, -. — Ur-i waar aard- 
^ATAATPLAK, PATATPLAK -PLEK, zn».. v. — Plek 
PATAATftCHBLDER, PATATSCHELDER, z. pat.v.\t. 



— 943 — 

PATAATWIPPER, PATATWIPPER, znw., m. — Een man 
die bq de boeren pataten wipt. Z. wippen. 

*PATAPOF, Z. PADDKPOëF. 

PATAPPEL (klemt, op appel), znw., m. — Aardappel, patat, Fr. 
fomme de terre, (Z.-W. der K.) 

PATATEKLOS, znw., v. — Bij landb. Wanneer de aardappelen 
uit zijn, dan geeft de boer aan zijn werkvolk cene « fooi ». De boerin 
bakt koeken en voor de patateklos wordt er een ^cbnkken met garen 
of verward vlas in. De patateklos is hij of zij die op het veld den 
laatsten struik aardappelen uitgestoken heeft. 

PATATEN-BOVEN-*T JÈÈR. znw., m., mrv. — Ilelianthus 
bulbosus L. 

PATATTEKLOK, znw., v. — De klok die op de dorpen 's middags 
of rond den middag geluid wordt, om de werklieden aan te kondigen 
dat het tijd is om het werk te eindigen en het noenmaal te gaan nemen. 

PATEE, znw., v. — Taartje, pasteitje, Fr. pdté, 
^ Fig. Oorveeg, muilpeer. (Ook in VI. en Brab., z. Sch.) Iemand 
'en patee om zijn ooren geven. 

PATEESCHAAP, znw., v. — Bij schrijnw. Kleine schaaf om 
de groeven of sponningen te steken in de rabatten van een venster, 
Fr. petite- rainotre^ guillaume» 

PATENT, znw., o. — Z. Wrdb. 

— Spr. H^' hee{ft) patent van liegen^ zegt men van een onbe- 
schaamden leugenaar. 

PATER-KLETS-AP, z. batsen. (A.) 

PATERNOSTER, znw., m., niet o. — Z. Wrdb. J. 

— Zff'nein) Frans(ch)e(n) paternoster aflezen ^ vloeken. 

— Fig. Ruggegraat. R. 

PATERNOSTERBOLLEKEN, znw., o. — Paternobterkraal, 
Fr. grain de chapelet, 

PATER8KAP, znw., v. . — Ecne vergiftige plant met blauwe 
bloemen, die in de hoven gekweekt wordt en in de Wrdb. Monnikskap 
heet, Fr. aconïte, napel ^ Lat. Aconitiim napellus. D. B. 

PATET (klemt, op tet\ znw., v. — Aardappel, Fr. pommede ,\ • re. 
(Z.-0. der K.) 

PATRAS iklemt. op tras), znw., m. — Aardappel, Fr. pomme de 
terre% (N.-O. der K.) Palrassen planten. 'Ne zak pa trassen. 

Bij D, B. beteekent patras Beetraap, Fr. bet ter ave. In 't Fr. is 
patraque een soort van aardappel. 

PATRASSENBOER, znw., m. — De boer op wiens land een 
burger van Turnhout zijne aardappelen plant. 




— 944 — 

PATRIJS, znw., v. en niet m. — Fr, perdr/x. K., K\,-Bt.,J. 

PATRIOTTENTIJD, znw., m. — Tijdperk der Brabantsche 
Omwenteling tegen Jozef II. 

PATROON, znw., m. en niet v. — Model. Z. Wrdb. De ö is 
scherp]. (Ook m. bij J.) 

PAUW, znw., V. en niet m. — Fr, paon. 

PAUWSTÈÈRT, znw., m. — Sooit van duif die beuren steert 
waaiervormig kan openspreiden op de wijze eener pauw. D, B. 

PBDDEN, znw., m. — Bij landb. Wanneer men het laatste graan 
dorscht, wordt er gedrohd^ d. w. z. dat al de dorschers te gelijk met 
den vlegel op den dorschvlocr slaan. Die de leste slaat, sfoxdt pedden 
genoemd. Men maakt 's avonds boekweitkoeken gereed, en voor pedden 
wordt er een gebakken mei de vod in, waarmede nv-'n geheel den avond 
de pan heeft gesmeerd. (Z. der K.) Z. ook looi en patateklos, 

PRE (zachte <r), znw,, v. — Wortel, peen, Fr. carotte. Lat. Daucus 
carota. Peeën zaaien. 

— Heete feekens^ vroege roode wortelen, klein en zoet, die in den 
tuin gekweekt worden. 

— Ifolland<{cJi)e peei'n^ soort van groote roode wortelen. 

— Samenstellingen : peegrond^ peeloof^ peezaad^ enz. 

— Spr. *t Sluit met *en pee gelijk de poorten van Herenthals^ 
*t sluit volstrekt niet, 

— Iemand zijn peeën opscheppen^ hem duchtig bekijven, hem den 
bol wasschen, hem zijn zaligheid geven. 

— Nu z'u *t ^oed zi/n om peeën te zaaien^ zegt men als iedereen 
in 't gezeUchrip zwijgt. 

PEE (/ chte é"), znw., m., vrklw. peken, — Oude man. *Nen ouwe 
pee. De pekens uit 't gasthuis. 

— Het vrklw. peken wordt gebruikt voor Grootvader. Ze' peken is 
negentig jaar gewörren. 

— Verkorting \?i.\\ pere^ voor Vader. 'A.) « Als mijne /^^ 't schoene- 
maken dee », enz. (uit een straatliedje.) 

PEEDAS, znw., m. — Brood, opgewerkt met moes van peeën 
of wortelen (Heist-op-den-Berg), te Tongerloo Péehomperd. 

PEEËN (zachte ^), w., o. — Zeker kaartspel. 

PEEËN (zachte ir), znw., v., mrv. — Gebrande en gemalen chïcorei* 
wortels. Een half pond peeën. Ge hèt te veul peeën bij de' koffie gedaan. 

Z. BITTER PEE. 

— Hondsgras. Z. peien. 
PÉEHOMPERD, znw., m. — Z. pi^.EDAS. 
PÈÈNBIER, znw., o. — Z. penbier. 



— 945 — 

PEEPEN, w., o, — Piepen, een piepend j;cluid geven, Fr. pc pier ^ 

piauUr^ clapir^ piailler. (K.j De jonge kiekens peepen. De deur peept as 

de harren nie' gesmeerd zijn. Den asem van iemand dieë bevangen is, peept. 

. — Verg. Pee pen gelijk *en tnosselj gezeid van iemand wiens adem 

geweldig peept. 

— Afl. Peeper, gepeep. 

PEEPER, znw., m. — Weekelijke, ziekelijke mensch. (K.) Onze 
Jan is maar *nc peeper : hij is alle botten ziek. 'Ne peeper van e kind. 

— Een vogel die ook Pijpeling heet. Z. pijpfxing. 

PÈÈR, znvir., v. — Fr. poire. 

— Verg. Peren gelijk wgn, zoete, sappige peren. 

— Spr. *En pèèr aanhebben , beschonken zijn. 

— Het in zijn pèèr hebben, fier, hoogmoedig zijn. Sedert dat em 
klerk op 't stadhuis is, heet em 'et nic' weinig in zijn pèèr. 

— De pèèr is rijp, zegt men, wanneer iemand, na lang genoeg 
kwaad bedreven te hebben, eindelijk zijne welverdiende straf ontvangt. 

— Fig. Oorveeg, muilpeer. D. B., R., B., M. (Ook in Bral» tn Limb., 
z. Sch.) Iemand *en pèèr in ze* gezicht geven. 

PEER (scherpl. e)^ znw., m., vrkiw. Peerke{n, — Verkorting van 
Pietcr of Petrus, Fr. Pierre. Hffl. 

— Kleine blikken of koperen lamp n.el eenen toot, waar de wiek 
doorsteekt. Steek 'et peerken aan, In dat huis brandt *s avcnJs nog *ne peer. 

PÈÈRD (Kemp. ook />/«'<•</ en pedd), \\V\\\.perJjt(n,pjedje(n en 
pèèrdeke{rt, pjèreke{n; mrv. pjèèr, in de Kemp. - Taard, Fr. chcuaLlX,, B. 

— Verg. Eten^ goan, loopen^ stampen^ trekken, '-verkefi^ wruten, 
zweeten gelijk e pèèrd, geweldig eten, gaan, loopen, enz. 

— De korts hebben gelijk e pèèrd, eene geweldige koorts hebben. 
Zoo lomp als 't pèèrd van Christus, zeer dom. 

— Spr. Gauw op zij{n) pèèrd zijn^ lichtgeraakt, gauw gestoord zijn. 

— Iemand op cyl[«) pèèrd zetten, iemand kwaad maken. 

— De{n) wagen veur de pèèrden jagen of spanncfj, te haastig en 
zonder overleg te werk gaan, gauwer gaan dan mogelijk is. 

— Waar naartoe met da{t) blind pèèrd, wat aangevangen ? T., R. 

— '/ Is verloren gfjloten^ als V pèèrd niii^t) pissen en wil, men 
besteedt te vergeefs zijne moeiic aan eenen koppigaard. (K.) T., R. 

— '/ fs beter 'en oud pèèrd den nek afgere{dyn {o( gekraakt) als 
e jong de been kapot, er is meer gelegen aan iels dal jong of nieuw 
is dan aan iets dat oud en versleten is. Er is meer gelegen aan een 
jongen mensch die sterft, dan aan een ouden versleten mensch die toch 
sterven moet. 

— Het beste pèèrd kan wel eens st runkeien ^ iedereen kan missen. 

— E pèèrd kan misstappen, ^ne mensch kan misklapptn, 

— E pèèrd mistreedt hem wel 'ne keer, en dat is zoo'n groote beest, 
zegt men om zich te verontschuldigen, als men gemist heeft. Men zegt 
ook : e pèèrd mistrapt hem wel 'ne keer en dat heeft vier poolen, 
waarom zou 'ne mensch niet kunnen missen, die maar twee beenen heeft ? 



IJtOitfOfi p-2 



— 946 — 

— Da{t) kan noo ge((n) fèèrd^ en dat is soo'n groote beest, zegt 
men van iets dat men onmogelijk kan. 

— De ziekten komen te pèèrd en vertrekken te voet, men is gauw 
ziek, doch men geneest traag. 

— Spr. Die me{t) e pèèrd uitgaat, ga[at) me{t) ztj{n) meester (of 
me{t) ztjne{n) vijand) uit. 

— 7 Zyn dieven die pèèrden stelen, wordt gezeid van iemand die 
in 't groot steelt. Ze hebben te Brussel 100,000 fr. gestolen. Ja 't zijn 
dieven die pèèrden stelen. 

— yo«^ te pèèrd^ oud ie voet, die in zijne jeugd te weelderig leeft, 
lijdt armoede in zijnen ouden dag. 

— De beste pèèrden worden op stal verkocht^ goede jongedochters 
moeten niet rondloopen om getrouwd te geraken. 

— IJzeren pèèrd^ rijwiel, Fr. vélocipède, (K.) 

— I-oconiotief, irein. Ik gaan naar Brussel, met *t ijzere' pèèrd. 

— Groote misslag, 't Is geene kemel dieë' ge daar begaan hèt, 't is 
c pèèrd. 

— Soort van schraag, beslaande uit twee rechtstaande zware stukken 
hout, waarop een zwaar stuk hout ligt, en dienende om hij 't wegbrekcn 
van oenen muur de balken te ondersteunen. 

— Kindje boom, 80 cm. tot i m. lang, rustende op drie pooten. 
De blokmakers gebruiken een peerd om de klompen, klonen of blokken 
af te krammen. Z. ook zaagpÈÈrd en slagpkèrd. 

— In samenstellinjjen bezigt men in de Kemp. veel péèrds voor 
pèèrde of pèèrden. Zoo hoort men pèèrdsarbeidy pèèrdshoer, pèèrdsboon^ 
peèrdsgetuig, pèèrdshnar, fèèrdsUer, pèèrdsstal^ pèèrdsstront, enz. 
(uitgespr. pjesarbcid ^ pjesboer, pjesboon, enz.) 

PÈÈRD ACH TIG, Ijvw. — Van pcerden houdende, genegen om 
mtt peerden om te gaan. Onze knecht is nie' pèèrdachtig. 

PÈÈRDEDRACHT, znw., v. — Hetzelfde als Maandracht, Molie- 
dracht, valsche zwang n»chap. (A.) Lies heet 'en pèèrdedracht g'had. 

PÈÈRDBKE(N, znw., o. — Vrklw. van Peerd. 

— Smal strookje brood. 'Nen boterham in peerdekens snijden. 

— Pèèrdekcn schol, een stuk schol van 3, 4, 5, 6 beentjes. Een 
beentje schol is een stukje der halve schol, ter breedte van eenen vinger, 
een smal strookje schot. lA.) 

-^ Bij wevers. De peerdekens van een weefgetouw zijn houten latten, 
die uict het cenc tinile vastliggen onder aan de zijstukken, en met het 
ander einde veibonilen ziji aan de koorden, die de schemels aan den 
weefkam hechicn. 

— Wate»juffer, Fr. demoisellc, libellule, bij M. peerdmantje, blau- 
peerdjc, seespeerJjc. De peerdekens vliegen over het water. Z. ook 
BIEZENPEKRI-», ÜEE/EKENSFEERD, GLAZEMAKER, KCRENBIJTER, PEERUE- 
RIJDER en RIDDER VAN MALTHA, 



— 947 — 

PÈÈRDBKBNSMEULBNenPÈÈRDJBSMEULEN.znMr., 

nm. — Mallemolen, een draaiend gevaarte met houten pecrdjcs, dat op de 
kermissen staat en waar de kinderen op rijden. 

PÈÈRDBLBUGEN, znw., v. — Grooie, tastbare leugen. Da' 's 
'en pèèrdelcugen, die ge daar vertelt. 

PÈBRDBMAN, znw., m. — Ruiter, Fr. cavalier. 

PBBRDBMBS, in 't N. PÈÈRDEMIS, znw., o. — Paarden- 
mest. 

PÈÈRDBNATIB, znw., v. — Natie die wagens en peerden 
gebruikt. (A.) Z. natjk. 

PÈÈRDBNBBBNHOUWBR, ziiw., m. — Paardrnslachter. 

PÈÈRDBNDBKBN, znw., ni. — Natiebaas die pelast is met het 
toezicht over de peerden en de wagens. Volgens hel werk verdeelt hij 
de wagens en peerden, zendt er waar er noodig zijn voor het werk, 
neemt er weg waar er te veel zijn, ^m. (A.) Z. natie, natiebaas. 

PËÈRDBNDRANK, znw., m. — Medccijudiaul;. «iio zeer slecht 
is om innemen. D. B. Den doktoor hee' me daar 'nc' ]K>èrdcndrank 
gegeven. 

PÈÈRDBNBT, znw., o. — Vliegennet voor een pecrd. 

PÈÈRDENHBMBL, znw., m. — Wanneer een j>ccrd gestorven 
is, dan zegt men : '/ is naar (fe(n) pccrdenhemel. 

PÈËRDBPROSSBR, znw., m. — Peerdenviller, Vru-quarrisseur 
de chevaux, 

— Iemand die zijne peerden mishandelt of afbeult. 

PÈÈRDENTAND, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Spr. Pcèrdetanden en vrouwhehanien mctii^cn nooit stilstaan, 

— Soort van maïs, dienende tot V',?voedei. 

PÈÈRDBPURQATIB(iiiispr. /«Wi/t/r/^-^^A/i), znw., v. — Ecne 
straffe purgatie, gegeven aan iemand bij wie de gewone niidilelcn niclheli)en. 

PÈÈRDBRIJ(D)ER, znw., m. — Ruiter, Kr. cavalier, 

— Een insect, anders ook Peeideken, Dcezekenspeenl, enz. genaamd, 
n 't Fr, libelluUt dcmoisellc, 

PÈÈRDBSCHBET, znw., m. — Hardklinkcndc wind. 

PÈBRDBSULKER, znw., m. — Z, pkP.kdssulker. 

PÈÈRDEVLIBQ, znw., v. — Z. ik)L. (A.) 

PÈÈRDBVLOBK, znw., m. — Groolc vloek. Hij liet daar 'nc' 
pèèrdevloek. 

PÈBRDBWBRK, znw., o. — Z. pèèrdsakheid. 



- 948 - 

PÈÈRDEZWEET, znw., o. — De pellen en het stof die van 
het lijf eens peerds komen, als het (geroskamd wordt. 

PÈÈRDJESMEULEN, znw., m. — Z. pêèrdekensmeulen. 

PÈÈRDSARBEID, znw., o, — Nog meer dan gewone slafelijke 
arbeid (K), ic Antw. Pèèrdewerk. Da* werk kan ek nie*, 't is waarlijk 
pèèrdsarbeid. Zoo e stuk ijzer dragen is pèèrdsarbeid. 

Kil. Peerds-arbeyd, herculei iabores, 

PEERDSBOER, znw., m. — Landbouwer die eeo of meer peerden 
houdt, in tegenstelling van den ossenboer, die zijn werk met eenen os 
verricht. 

PÈÈRDSBOON, znw., v. — Soort van boon, diende tot voedsel 
aan het hofgevogelte. 

PÈÈRDSGETUIO, znw., o. — Het getuig van een pcerd, 

PÈÈRDSHORZEL, PÈÈRDSHURZEL, znw., v. — Horzel, 
Soortvangroole wesp, Vx.frelov^ Lat, CEstrus^ bijD. B.p^erdhurse/f'horsel. 
Kil. Pterds-horstl (fland.), vespa^ cabro» 

PÈÈRDSKNOPPEN, znw., v., nirv. — Eene purperroodc bloem 
die veel in weiden groeit, Lat. Centaurea jacea, L. Ook Börsteltjes. 

PÈÈRDSKRIB, PÈÈRDSKRUB, znw., v. — Kribbe van een 
pcerd. 

PÈÈRDSNOOT, znw., v. — Soort van j^roote okkernoot, 
mculekensnoo:. (Z. «Ier K.) 

PÈÈRDSOOG, znw., v. —Kluchtwoord om een vijfTranksluk aan 
Ic duiden, bij D. B. peerdoog, Z. ook KARREWIEL. 

PÈÈRDSREEP, znw., m. — Ruif voor een pecrd, 

PÈÈRDSSNEE, znw., v. — Snede brood voor een pecrd. 

PÈÈRDSSULKBR, PÈÈRDESULKER, znw., m. — Sooit 

van wilde zuimg die in tic weiden groeit. 

PEERKE(N, znw., o. — Z. PEER. 

— Ptfrkeit'(-f:-nojr. Wanneer een kaaisje bijna opgebrand is, dan 
zegt men : Pcerke let ft twir^ om te beteekenen dat het kaarsje op het 
uitgaan '\s. (A.) 

PÈÈRLEMOEN, znw., o. — Parelmoer, Fr. nacre, D. B. 

PÈÈRLEMOENEN. bvw. — Parelmoeren, Fr. de nacre* Peerle- 
moene' knoppen. 

PÈÈRSi^CH), bvw. — Hetzelfde als het Holl. Paars, violelkleurig. 
D. B., B. l*ècrs(ch) zien van de kou. Icmanil pèèrb(ch) en blauw slagen. 

PEES, znw., V. — Snaar van eene viool, een spinnewiel, enz. 

— Al wat naar eene pees gelijkt, zooals b. v. lange draadachtigc 
woitels. E gewas iiiè' lange pezen aan de wortels. 

— Fig. (iierigaaril, schrok. (K.) 'En pees van *ne' vent, *En gierige 
pees. 



— 949 - 

PEES (-Jthetpc ^), znw., v. — Lap, oorveeg, R, (Ook in Brab. 
en VI„ z. Sch.) Geeft *em eenige peezen. Hij kreeg 'en pees om zijn oorcn. 

PEES (scherpe e), znw., v. — Troef heer en troefvrouw in 't kaart- 
spel. R. De pees telt twintig. 

PEES (scherpe e\ znw.. v. — Perzik, Fr. pêche, (Z-O. der K.) 
Elders Pers en Spers. 

PEESCHIJF, znw., v. — Schijf die op zijn dwnis van eene pee 
gesneden is. *i Is gemakkelijk gezeed : koop 'et ! maar waarmee betalen ! 
Mè* peeschijven, zeker ? 

PEESOPKE(N, znw., o. — Een geneesmiddel, een fleschken 
zonder kracht, dat de dokter voorschrijft om den zieke te paaien. 

PEET (zachte <r), ook PÈÈT, znw., v. — Meter, petemoei, Fr. 
marraine^ Hgd. Pathe, Die vrouw is mijn peet. Oe' peeijen is dood. 

— Het vrklw. peet/e{n wordt somwijlen gebruikt voor Petekind, 
doopdochter, Yx,filleuU, 

— 'En aardige^ *cn vieze peet ^ eene zonderlinge, eene drollige vrouw, 
'en gierige peet^ een gierig wijf. 

PEETER, znw., m. — Pieter, Fr. Pierre. 

PEETERMAN, znw., m. — Soort van wit bier dat te Leuven 
gebrouwen wordt. 

PEETERSELIE en PETERSELIE, znw., m. en niet v. — 
Fr. persil. 

PEEWESP, PEEWEPS (zachte e), znw.. v. - De gewone wesp, 
Fr. gnêpe^ I^l. Vespa. 

PEEZEN, w., l). en o. — Slagen geven, afrossen. *k Zal oe peezen ! 
De vader begost op zijne* zeun te peezen. 

PEQ, znw., v. — Houten pinneken dat de schoenmakers bezigen 
om de zolen aan de schoenen vast te maken, Eng. peg^ 

— In *t Gron. bet.//j?, pigge^ stokje aan het eene einde gepunt. Zie M, 

PEGEL, znw., m. — Bepaalde maat. D. B., T., R. Vier roomers 
wijn is mijne pegel. Ge zijt .nan oewe' pegel. Ik ben al boven mijne' 
pegel. 

PEQQEN, w,, b., en o. — Van peggen voorzien, met houten pinnen 
vastmaken, Kng. to peg, E stuk leer onder 'ne* kloon peggen. De 
schoenmaker pegt de zolen aan de schoenen. 

PEGGEN, w., o. — Het bedrijf van pegger uitoefenen, in koeien 
en kalveren sjachelen. (K.) Hij pegt in koeien en kalveren. Ik heb 
eenige jaren gepegd, maar nu doen ek 'et nie' meer. Hij doeget peggen. 

— Vrglk. het Angels, bygan^ 't Goth. bugjan^ haugian en 't Zwabisch 
beugen^ ruilen, verwisselen, koopen en verkoopen. 

PEGGER, znw., m. — Schoenlapper. Draagt mijn schoenen naar 
de' pegger en zegt dat em er halflappen onder zet. 



— 942 — 

PASTER, znw., m, — Wordt door sommigen gezeid voor Passer, 
Fr. compas. 

PASTER (klemt, op ƒ oj), znw., m. — Wordt door enkelen te 
Antw. gezeid voor Pastoor. 

PASTOET (klemt, op ioet\ znw., v. — Eene hofbloem, in 't Fr. 
pas se 't out ^ Lat. Hyacint hus ortentalts, 

PASTOET (klemt, op toet), znw., v. — Klap, klets. (A.) *k Zal 
oe daar seffens is 'en pastoet op oe' kaak geven. 

PASTOOR, znw,, m. — Fr. curé. De o is scherplang. 

— Spr, De pastoor doet geen twee missen veur één geld, z. MIS, 

— De pastoor zegent zf/n zelven eerst, ieder zorgt eerst voor zijn eigen, 

^PASTOORSHULLEKENS, znw., o., mrv. — Z. papkkul- 

L£KEN. 

Scb. geeft dit w. voor de Kemp. 

PATAAT (zuivere ö), en PATAT (klemt, op de tweede lettergr.), 
znw., m., en v. op sommige plaatsen. — Aardappel, Fr. pomme de terre. 
Pataten uitdoen. Patatten planten. 

— Verg. Pataten gelt/k dooiers van eieren^ aardappelen vol bloem. 

— Spr. Hif kan patatten eten uit 'en Jlesch, zegt men van iemand 
die zeer mager is. (Lier.) 

— Lap, oorveeg. Iemand 'ne' pataat om zijn ooren geven. 

— Samenstellingen : pataathlohn^ pataathol^ pataathos^ pataat- 
grond^ pataatkruid^ pataatlandy pataatloof, pataatplak, patatveldy enz. 

PATAATBOL, PATATBOL, znw., m. — Zaadappel van den 
aardappelstraik. 

PATAATBOS, PATATBOS, znw., m. — Aardappelslruik. 

PATAATFOOI, PATATFOOI, znw., v. — Een feestje dat 
de boer aan zijn werkvolk geeft, als de aardappelen gerooid zijn. 

PATAATQROND, PATATQROND,znw.,m. — Grond geschikt 
voor de aardappelteelt. 

PATAATJASSER, PATATJASSER, znw., m. — Mesje om 
aardappelen te schillen. 

PATAATKRUID, PATATKRUID, znw., o. — Verdord aard- 
appelloof. 

PATAATLAND, PATATLAND, znw., o. — Land waar aard- 
appelen op gestaan hebben. 

PATAATPLAK, PATATPLAK, -PLEK, znw., v. — Plek 
grond met aardappelen beplant. 

PATAATSCHELDER, PATATSCHELDER, z. pataat- 

J ASSER. 



— 943 — 

PATAATWIPPER, PATATWIPPER, znw., m. — Een man 
die bg de boeren pataten wipt. Z. wippen. 

*PATAPOF, Z. PADDKPOëF. 

PATAPPEL (klemt, op appel), znw., m. — Aardappel, palat, Fr. 
fomme de terre, (Z.-W. der K.) 

PATATEKLOS, znw., v. — Bij landb. Wanneer de aardappelen 
uit zijn, dan geeft de boer aan zijn werkvolk ccne % fooi *, De boerin 
bakt koeken en voor de patateklos wordt er een gcbnkken met garen 
of verward vlas in. De patateklos is hij of zij die op het veld den 
laatsten struik aardappelen uitgestoken heeft. 

PATATEN-BOVEN-'T JÈÈR. znw.. m., mrv. — Heh'anthus 
bulbosus L. 

PATATTEKLOK, inw., v. — De klok die op de dorpen 's middags 
of rond den middag geluid wordt, om de werklieden aan te kondigen 
dat het tijd is om het werk te eindigen en het noenmaal te gaan nemen. 

PATEE, znw., v. — Taartje, pasteitje, Fr. pdte\ 
^ Fig. Oorveeg, muilpeer. (Ook in VI, en Brab., z. Sch.) Iemand 
*en patee om zijn ooren geven. 

PATEESCHAAF, znw., v. — Bij schrijnw. Kleine schaaf om 
de groeven of sponningen to steken in de rabatten van een venster, 
Fr. petite ratnoire, guillaume» 

PATENT, znw., o. — Z. Wrdb. 

— Spr. Hy hee^ft) patent van liegen, zegt men van een onbc- 
schaamden leugenaar. 

PATER-KLETS-AP, z. batsen. (A.) 

PATERNOSTER, znw., m.. niet o. — Z. Wrdb. J. 

— Zgne{rC) Frans^cK^n) paternoster aflezen, vloeken. 

— Fig. Ruggegraat. R. 

PATERNOSTERBOLLEKEN, znw., o. ~ Paternosterkraal, 
Fr. grain de ckapelet, 

PATERSKAP, znw.» v. . — Ecne vergiftige plant met blauwe 
bloemen, die in de hoven gekweekt wordt en in de Wrdh. Monnikskap 
heet, Fr. aconite, napel^ I-at. Aconitum napellus. D. B. 

PATET (klemt, op tef)^ znw., v. — Aardappel, Fr. pommcdc ,\ - re. 
(Z.-0. der K.) 

PATRAS iklemt. op tras), znw., m. — Aardappel, Fr. pomme de 
ttrre% (N.-O. der K.) Patrassen planten. 'Ne zak patrassen. 

Bij Dt B. beteekent patras Beetraap, Fr. betterave. In 't Fr. ib 
patraque een soort van aardappel. 

PATRASSEN BOER, znw., m. — De boer op wiens land een 
burger van Turnhout zijne aardappelen plant. 



- 944 — 

PATRIJS, znw., v. en niet m. — Fr. ^r</r/jr. R., Kl.-Br., J. 

PATRIOTTENTIJD, znw., m. — Tijdperk der Brabantsche 
Omwenteling tegen Jozef II. 

PATROON, znw., m. en niet v. — Model. Z. Wrdb. De o is 
scherpl. (Ook m. bij J.) 

PAUW, znw., V. en niet m. — F*r. paon. 

PAUWSTÈÈRT, znw., m. — Soort van duif die beuren steert 
waaiervormig kan openspreiden op de wijze eener pauw. D. B. 

PBDDEN, znw., m. — Bij landb. Wanneer men het laatste graan 
dorscht, wordt er gedrobd^ d. w. z. dat al de dorsrhcrs te gelijk met 
den vlegel op den dorschvioer slaan. Die de leste slaat, wordt peddtn 
genoemd. Men maakt 's avonds boekweitkoeken gereed, en voor pedden 
wordt er een gebakken met de vod in, waarmede nv_'n geheel den avond 
de pan heeft gesmeerd. (Z. der K.) Z. ook Looi en patatekiX)S, 

PRE (zachte O» znw., v. — Wortel, peen, Fr. carotte^ Lat, Daucus 
carota. Peeën zaaien. 

— Ileete feehens^ vroege roode wortelen, klein en zoet, die in den 
tuin gekweekt worden. 

— Ifollands{c?i)e peecn^ soort van groote roode wortelen. 

— Samenstellingen : pcegrondy pecloof^ peezaad^ enz. 

— Spr. '/ Sluit met *en pee gelijk de poorten van Herentkals^ 
't sluit volstrekt niet. 

— Iemand zijn peeën opscheppen^ hem duchtig bekijven, hem den 
bol wasschen, hem zijn zaligheid geven. 

— Nu z u '/ t^oed zijn om peeën te zaaien^ zegt men als iedereen 
in 't gezelschap zwijgt. 

PEE (/ .chte <r), znw., m., vrklw. peken, — Oude man. 'Nen ouwe 
pee. Dr pekens uit 't gasthuis. 

— Het vrklw. peken wordt gebruikt voor Grootvader. Ze' peken is 
negentig jaar gewörren. 

— Verkorting van pere, voor Vader. ^A.) « Als mijne/** 't schocne- 
maken dee », enz. (uit een straatliedje.) 

PEEDAS, znw., m. — Brood, opgewerkt met moes van peeën 
of wortelen (Heist-op.den-Perg), te Tongerloo Péehomperd. 

PEEËN (zachte *), w., o. — Zeker kaartspel. 

PEEËN (zachte *), znw., v., mrv. — Gebrande en gemalen chicorei- 
wortels. Een half fiond peeën. Ge hèt te veul peeën bij de' koffie gedaan. 

Z, BITTER PEE. 

— Hondsgras. Z. peien. 
PÉEHOMPERD, znw., m. — Z. p#:edas. 
PÈÈNBIER, znw., o. — Z. prnbier. 



— 945 — 

PEEPEN, w., o. — Piepen, een piepend geluid geven, Fr. pcpier^ 

piauler ^ clapir ^ piailler. (KJ De jonge kiekens peepen. De deur peept as 

de harren nie' gesmeerd zijn. Den asem van iemand dieë bevangen is, peept. 

. — Verg. Peepen gclgk 'en mossel^ gezcid van iemand wiens adem 

geweldig peepc. 

— Afl. Peeper, ge pee p. 

PEEPER, znw., m. — Weekelijke, ziekelijke mensch. (K.) Onze 
Jan is maar 'ne pecper : hij is alle botten ziek. 'Ne peeper van e kind. 

— Een vogel die ook Pijpeling heet. Z. pijpeling. 

PÈÈR, znw., V. — Yx,poire. 

— Verg. Peren gelijk wgn, zoete, sappige peren. 

— Spr. 'En pèèr aanhebben, beschonken zijn. 

— Het in zijn pèèr hebben, fier, hoogmoedig zijn. Sedert dat em 
klerk op 't stadhuis is, heet em *et nie' weinig in zijn pèèr, 

— De pèèr is rijp^ zegt men, wanneer iemand, na lang genoeg 
kwaad bedreven te hebben, eindelijk zijne welverdiende straf ontvangt. 

— Fig. Oorveeg, muilpeer. D. B., R., B., M. (Ook in Brab tn Limb., 
z. Scb.) Iemand *en pèèr in ze* gezicht geven. 

PEER (scherpl. é)^ znw., m., vrklw. Peerke(n. — Verkorting van 
Pieter of Petrus, Fr. Pierre, Hfft. 

— Kleine blikken of koperen lamp n.et eenen toot, waar de wiek 
doorsteekt. Steek 'et peerken aan. In dat huis brandt 's aven^Is nog 'ne peer. 

PÈÈRD (Kemp. ook pjèèd en pead), viklw. perdjt(n, pjedje{n en 
pèèrdeke{n,pjèrefce{n; mrv. ^«'^'/'.in de Kemp. - Paard, Fr. c-A^'r7/.M.,B. 

— Verg. Eten, gaan, loopen^ stampen^ trekken, ''verken^ ivruten, 
iweeten gelijk e pèèrd, geweldig eten, gaan, loopen, enz. 

— De korts hebben gelijk e pèèrd, eene geweldige koorts hebben. 
Zoo lomp als *t pèèrd van Christus, zeer dom. 

— Spr. Gauw op sg{n) pèèrd «y«, lichtgeraakt, gauw gestoord zijn. 

— Iemand op zif\ri\ pèèrd zetten^ iemand kwaad maken. 

— De{rt) wagen veur de pèèrden jagen o\ spannen, te haastig en 
zonder overleg te werk gaan, gauwer gaan dan mogelijk is. 

— Waar naartoe met da{t) blind pèèrd, wat aangevangen ? T., R. 

— 't Is verloren gejlotcn, als '/ pèèrd nif(t) pissen en wil, men 
besteedt te vergeefs zijne raoeiie aan eencn koppigaard. (K.) ï., R. 
• — 't Is beter *en oud pèèrd den nek afgere{dyn {of gekraakt) als 

e jong de been kapot, er is meer gelegen aan iets dat jong of nieuw 
is dan aan iets dat oud en versleten is. Er is meer gelegen aan een 
jongen mensch die sterft, dan aan een ouden versleten mensch die toch 
sterven moet. 

— Het beste pèèrd kan wel eens strunkelen^ iedereen kan missen. 

— E pèèrd kan misstappen^ *ne mensch kan mhklappen, 

— E pèèrd mistreedt hem wel *ne keer^ en dat is zoo*n groote beest, 
zegt men om zich te verontschuldigen, als men yemist heeft. Men zegt 
ook : e pèèrd mistrapt hem wel *ne keer en dat heeft vier poolen, 
waarom zou *ne mensch niet kunnen missen, die maar twee beenen heeft ? 



ldtoit^o% 



— 946 — 

— Da{t) kan tioq gc((ft) pêèrd, en dat is zoo'n groote beest ^ zegt 
men vnn iets dat nten onmogelijk kan. 

— De ziekten komen te pècrd en vertrekken te voet^ men is gauw 
ziek, doch men geneest traag. 

— Spr. Die we{t) e pèèrd uitgaat ^ g^i^^) "'^(z) t^'(n) meester (of 
me{t) stjne^n) vijand) uit, 

— 7 Zijn dieven die pèèrden stelen^ wordt gezeid van iemand die 
in *t groot steelt. Ze hebben te Brussel 100,000 fr. gestolen. Ja *t zijn 
dieven die pèèrden stelen. 

— J^^S '^ pèèrd^ oud te voet, die in zijne jeugd te weelderig leeft, 
lijdt armoede in zijnen ouden dag. 

— De beste pt^crden worden op stal verkocht y goede jongedocbters 
moeten niet rondloopen om getrouwd te geraken. 

— IJzeren pèèrdy rijwiel, Fr. vélocipède, (K.) 

— Locomotief, irem. Ik gaan naar Brussel, met 't ijzere* pèèrd. 

— Groote misslag, 't Is geene kemel die€* ge daar begaan hèt, 't is 
e pècrd. 

— Soort van schraag, bestaande uit twee rechtstaande zware stukken 
hout, waarop een zwaar stuk hout ligt, en dienende om hij 't wegbteken 
van cenen muur ile balken te ondersteunen. 

— liindje boom, 80 cm. tot i m. lang, rustende op drie pootcn. 
I>e blokmakers gebruiken een peerd om de klompen, klonen of blokken 
af te kraninicn. Z. ook ZAAGPÈÈRD en SLAGpMrd. 

— In samenstellingen bezigt men in de Kemp. veel pèèrds voor 
pvèrde o{ pèirden. Zoo hoort men pèêrdsarbeid^ pèrrdsboer^ pècrdshoon^ 
pcerdsgetuigy pècrdshnary pèèrdsleery pèèrdsstal^ pêêrdsstront, CDZ. 
(uitgespr. pjesarbcidy pjeiboer^ pjesboon^ enz.) 

PÈÈRDACHTIG, bvw. — Van peerden houdende, genegen om 
met peelden om te gaan. Onze knecht is nic* pèèrdachtig. 

PÈÈRDEDRACHT, znw.. v. — Hetzelfde als Maandracht, Mollc- 
dracht, valschc zwang rschap. (A.) Lies heet 'en pèèrdedracht g'bad. 

PÈÈRDBKE(N, znw., o. — Vrklw. van Peerd. 

— Smal stiookje brood. 'Nen boterham in peerdekens snijden. 

— Pèèrdekeu schot, een stuk schol van 3, 4, 5, 6 beentjes. Een 
beentje schol is een sluKjo der halve schol, ter breedte van eenen vinger, 
een smal strookje schol. lA.) 

— Bij wevers. De peerdekens van een weefgetouw zijn houten latten, 
die uict het cene tinde vastliggen onder aan de zijstukken, en met het 
ander einde vei bonden ziji aan de koorden, die de schemels aan den 
weefkam hechten. 

— \Vale»jufier, Fr. dtmoiseile, libelluUy bij M. peerdmantjey blau- 
peerdjt'y scespeerJjc. De peerdekens vliegeti over het water. Z. ook 
BIE/ENPKKRI>, DEE/.EKKNSFEERD, GLAZEMAKER, KORENKIJTER, PEERDE- 
RIJDER en RIDDER VAN MALTHA, 



— 947 — 

PÈÈRDBKENSMEULBNcnP££RDJBSMEULEN,znw.« 

m. — Mallemolen, een draaiend gevaarte met houten peerdjes, dat op de 
kermissen staat en waar de kinderen op rijden. 

PÈÈRDELEUGEN, znw., v. — Grooie, tastbare leugen. Da' *s 
*cn pèèrdcleugcn, die ge daar vertelt. 

PÈÈRDEMAN, znw., m. — Ruiter, Fr. cavalier, 

PÈÈRDEMES, in 't N. PÈÈRDEMIS, znw., o. — Paarden- 
mest. 

PÈÈRDENATIE, znw., v. — Natie die wagens en peerden 
gebruikt. (A.) Z. natje. 

PÈÈRDENBBBNHOUWER, znw., m. — Paardcnslachter. 

PÈÈRDBNDÉKBN, znw., m. ~ Natiebaas die pclast is met het 
toezicht over de peerden en de wagens. Volgens het werk verdeelt hij 
de wagens en pcerden, zendt er waar er noudig 7ijn voor bet werk, 
neemt er weg waar er te veel zijn, enz. (A.) Z. natie, natiebaas. 

PÈÈRDENDRANK, znw., m. — Mcdccijndiau:;, •!io zeer slecht 
is om innemen. D. B. Den doktoor bec' nic daar 'nc' ix^crdendrank 
gegeven. 

PÈÈRDENET, znw., o. — Vlicgennet voor etn peerd. 

PÈÈRDENHEMEL, znw., m. — Wanneer een pccrd gestorven 
is, dan zegt men : '/ is naar de{n) pcèrdenhemcl. 

PÈÈRDBPROSSER, znw., m. — Peerdenviller, ¥x,cquarrisseur 
de chevaux, 

— Iemand die zijne peerden mishandelt of afbeult. 

PÈÈRDBNTAND, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Spr. Pèèrdttanden en vroitwliehanien meui^cn ttooit stilstaan, 

— Soort van maïs, dienende tot v;:voeder. 

PÈÈRDEPURQATIB(uitspr. pccrdcpriij^aiii)^ znw., v. — ICcnc 
strafl'e purgatie, gegeven aan iemand bij wie de gewone nüddcicii nielbel(>cn. 

PÈÈRDERIJ(D)BR, znw., ni. — Ruittr, Fr. cavalier, 

— Een insect, anders ook Peerdeken, Dcezekeiispcerd, enz. genaamd, 
n 't Fr, lihellule^ dcmoiscllc, 

PÈÈRDESCHEET, znw., m. — Ilardklinkende wind. 

PÈÈRDESULKER, znw., ni. — Z. pkèki)s>ulkek. 

PÈBRDBVLIBG, znw., v. — Z. ix)L. (A.) 

PÈÈRDEVLOEK, znw., m. — üroote vloek. Hij liet daar 'nt' 
pèèrdevloek. 

PËÈRDEWERK, znw., o. — Z. fèèrusarheid. 



~ 948 - 

PÈÈRDEZWEET, znw., o. — De pellen en het stof die van 
het lijf eens peerds komen, als het geroskamd wordt. 

PÈÈRDJESMEULEN, znw., m. — Z. pèêrdekensmeulen. 

PÈÈRDSARBEID, znw., o. — Nog meer dan gewone slafelijke 
arbeid (K), te Antw. Pèèrdcwerk, Da' werk kan ek nie', 't is waarlijk 
pèèrdsarbeitl. Zoo e stuk ijzer dragen is pèèrdsarbeid. 

Kil. Peerds-arbeyd, hercuUi labores. 

PÈÈRDSBOER, znw., m. — Landbouwer die een of meer peerden 
houdt, in tegenstelling van den ossenboer, die zijn werk met eenen os 
verlicht. 

PEERDSBOON, znw., v. — Soort van boon, diende tot voedsel 
aan het hofgevogclte. 

PÈÈRDSOETUIG, znw., o. — Hel getuig van een j)eerd. 

PÈÈRDSHORZEL, PÈÈRDSHURZEL, znw., v. — Horzel, 
Soort van groole wesp, Fi.frelou^ Lat. CEstrus^ bij D. ^,peerdfmrscl^»horsel. 
Kil. I*ecrds-horscl (Üand.), vespa^ cabro, 

PÈÈRDSKNOPPEK, znw., v., mrv. — Eene puri>erroovle bloem 
die veel in weiden groeit, Lat. Centaurea jacea, L. Ook BÖfSteltjes. 

PÈÈRDSKRIB, PÈÈRDSKRUB, znw.. v. — Kribbe van een 
pcerd. 

PÈÈRDSNOOT, znw., v. — Soort van ^roote okkernoot, 
nieulekensnoo:. (Z. der K.) 

PÈÈRDSOOG, znw., v. —Kluchtwoord om een vijffranksluk aan 
Ie duiden, bij D, H. peerdoog, Z. ook KARREWIEL. 

PÈÈRDSREEP, znw., m. — Ruif voor een pecrd. 

PÈÈRDSSNEE, znw., v. — Snetie brood voor een peerd. 

PÈÈRDSSULKER, PÈÈRDESULKER, znw., m. — Soort 

van wilde zuinig die m ue weiden groeit. 

PEERKE(N, znw., o. — Z. peer. 

— Ptcvkelt'cfi'twg. Wanneer een kaarsje bijna opgebrand is, dan 
zegt men : Pccrke Irèft nogy om te belcekenen dat het kaarsje op het 
uitgaan i:». (A.) 

PÈÈRLEMOEN, znw., o. — Parelmoer, Fr. nacre, D. B. 

PÈÈRLEMOENEN. bvw. — Parelmoeren, Fr. de nacre. Peerle- 
moene* knoppen, 

PÈÈRSi^CH), bvw. — Hetzelfde als het Holl. Paars, violelkleurig. 
D. B., B. l*èèrs(ch) zien van de kou. Iemand pèèrs(ch) en blauw slagen. 

PEES, znw., V. — .Snaar van eene viool, een spinnewiel, enz. 

— Al wat naar eene pees gelijkt, zooals b. v. lange draadachtigu 
woilels, E gewas niè' lange pezen aan de wortels. 

— Fig. Oierigaanl, schrok. (K.) *En pees van 'ne' vent, 'Hn gierige 
pees. 



— 950 - 

PEGGER, /nw., m. — Kleine koopman of sjachelaar in koeien 
rn kalveren, iemand 'üe liooinbecbtcn op de merkten of hij de hoeren 
opkoopt om ze v(K>it te vcisjachelen. Ik heb mijn koei aan de* i>egger 
vei kocht. In dat dorp woonen vcul peggers. 

PEGGEREN, w., o, — In 't slijk peggcrcn^ in 't slijk wroeten 
on morsen. (K.) Dice vuile jongen lect altijd in *t slijk te i)eggcren. 

— All. Pes^trerètr, gepegger, 

PEIBOER, PAIBOER, PEEBOER,znw., m. — Z. pcinboer. 

PEIEN, PAIEN, PEEËN, znw., v., mrv. — Lange, pcesachtige 
wortels van hel Hondsgras ; ook het gewas zelf, Fr. chicndent^ L, 
Triticum re pens. Da* land zit vol paien. De peien uitsteken met den 
riek. Z. ook i»anen, pessemkn en puinen. 

PEILEN, w., o. — Puilen, De oogen peilen uit zijne' kop, 

PEISTEREN, PESTEREN, w.. o. — Hetzelfde als het Holl. 
lieislercn, ergens ophouden of binnentreden om er wat te rusten of iets 
te gebruiken. Gij blijft oveial peisteren. Wij hebben onderwegen twee 
Weeren» gepestcrd. Peistert zooiank nie'. 

— Afl. Peis ter i'ér, gepeister. 

PEIZEN, w., o. — Peinzen, nadenken, Fr, penser^ tnediter^ réfle- 
chir. Peist is goed. Waarover ligde nu te peizen ? 

— . Vermoeden, Fr. se douter de. Ik had 'et gepeisd dat 'cl zoo 
zou afgeloopen zijn. Wie zou dal ooit gepeisd hebben ! 

— Zich inbeelden, Fr. s'imagmer. Dieën ongelukkige zot peist dat 
hij de keuning is. 

PEK, znw., m. en niet o, — • Fr. poix, R., J. (Ook in Limb., z, Sch.) 

— Brandbare zelfstandigheid, waarmede de top|>en derfosfoorstekskens 
vooizien zijn. Daar is geene pek aan da' steksken. 

PEK, znw., m., zonder mrv. — Ransel, slagen. Iemand pek geven. 
Hij kreeg i)ek van ze' vader, 

PEKBEEST, znw., v, — MebtUcvor, drekkever, Fr. bouster, L. 
Gcotrupes, De |Xïkbeesten vliegen rond in de avondschemering en wroeten 
in drek- en meststoffen. Z. ook UUVEL, üuvei^ijeest, heintjepek, 

MOONTJEHEK en STRONTBEEST. 

PEKEL, znw,, m. en niet v. — Fr. Jrty//««r<r, T., R,, J. 
PEKELDOES, znw., m, — Pekelharing. (Z, der K.) 

PEKELHEKS, PEKELTANG. PEKELTEEK, PEKEL- 
TEEF, znw., v. — Ciierig, vrekkig wijf. 

PEKELING, znw., v. — Vr.icht slagen met ruzie en verwijlen. 
Mijne zeun is deze' nacht oni één thuis gekomen, maar ik heb 'em *en 
l)ckeling van ee(r)'»le klas gegexen. 



— 951 — 

PBKBLZOUT, bvw. — Zoo zout als pekel. Da' vlees(ch) is 
pekcizout. 

PBKB(N, znw., o. — Z. pee. 

PBKBNSHUIS, znw., o. — Toevluchtshuis voor ouderlingen, 
oude-manncnhuis. 

PBKKBN, \v., o. — Hard aan iels werken. Ik hebmcupen pekken 
om gedaan te krijgen. 

— Slaan, nfrossen. Pekt er maar is goed over, over dieën deugenict ! 

PBKKBR, znw,, m. — Schoenlapper, Fr. savciter. Draagt die 
schoenen is naar de' pekker, 

PBKKING, znw,, v. — Vracht slagen, rnmmeling, Kr. rach'c. 
Iemand 'en pekking geven. Hij kreeg 'en goei pekking, 

PBKMANNBKEN,PEKMENNEKEN,i:nw.,o. - De duivel 
in de kindertaal. (K.) Ge meet braaf zijn, of pekme.meken zal komen. 

PBKPOT, znw., m. — Soort van emmer om pek in te doen. 

— Verg. Zoö v«//, zoo zwart als *n€ p^kpot^ T. 

PBKRUUT, znw., v. — Mansslaapmuts. (N.-O. der K.) Hij had 
'en spierwitte pekruut op. 

PBL, znw., v. — Velachtig of vliezig omkleedsel van peren, pruimen, 
aardappelen, appelen, noten, enz., van graan eii zaad, van kruidachtige 
gewassen, enz. De pel van het hout is het buitenste veileken dat de 
schors bedekt. 

— De Bo merkt zeer juist op : « De pelle verschilt van de schelle 
(schil) : de pelle is maar enkel het omkleedsel, hetzij dit aan de vrucht 
nog vast is, hetzij het er van afgedaan is; maar de schel is het om- 
kleetlsel dat van de viucht afgedaan is en dat wèl met een mes zoodanig 
dat er een deelken van de vrucht aan vastkleeft : b. v. de pelle van eenen 
aardappel is het vlies dat hem bekleedt, en dat men met de vingers 
gemakkelijk afplukt als hij nieuwgegroeid of gekookt is; maar de schelle 
van eenen aardappel is het bekleedsM dat men er van iif^chroodt met 
een mes eer men hem kookt; de pelle is het werk der natuur en is 
altijd even dun; maar de schelle is het werk van den mcnsch en kan 
don of dik zijn, volgens dat men ze afschroodt. » 

Zoo ook te Antw. en in de Kemp. en wellicht overal. 

— Een evengroot verschil is er tusschen schellen en pellen. Eenen 
aardappel pellen is niet hetzelfde als eeneti aardappel schellen ; men schelt 
eenen appel, maar men pelt eene perzik. 

— Wat bij D. B. q^uq pelle op de ööi^^'heet, is in de Kemp. eei:c schel 
op de 00^^ Fr. taïe sur l'ieiL Te Antw. zegt men i.ochtaus meer eene 
pel op de oog* 

PBLDERIM, PELLBRIM, znw,, m. — Schoudermanteltje dat 
sommige geestelijken dragen; ook een soort van omslagdoek der vrouwen, 
"Px.pélcrme. 



— 952 — 

PELLEN, \v., b. — Van de pel ontdoen. Wegens het verschil 
lusschen pclUn en schellen^ z. PEU 

— Spr. Mt!{t) iemand *en eiken te peilen hebben, z, EI, 

— O. Zijne pel aflaten, gepeld worden. Gruun hout pelt gemakkelijk. 
DieCn appelsien wilt nie* pellen. 

PELLERIM, znw., m. — Z. pelderim. 

PELLETAAT (klemt. op taat)^ znw., in.— Parelhoen, l^x.ptntadc. 

PEN (Kemp. /<//i), znw., v. — Y\. phnne. 

— Spr. Met geen pennen te beschrijven zi/n^ niet kunnen gezeid 
of beschreven worden. Wat hij daar geie(d)en heet, is me' geen pennen 
te beschrijven. 

— Ze worden daar met de pen gevoeierd^ 't is er magere keuken. 
(Lier.) 

— Bij smeden. Koperen stift dienende om maten af te leekenen 
op het ijzer, Fr. ligneur, 

PENBIER, PÈÈNBIER, znw., o. — Bier, dat de herbergier 
moet geven aan don biouwcrsgast, die het bier in den kelder legt. 

PENDER, znw., m. — Groote platte vischmand. (A.) Vrglk. het 
Fr. panier. 

PENNEBUISKE^N, znw., o. — Penneschacht, Fr. tuyau de 
plume, 

PBNNBKEPIK, znw., o. — Een spel van schooljongens, in den 
tijd dal de vcOien pennen nog in zwang waren. Ieder bracht 6cne of 
meer pennen in het spel ; men stak of pikte er beurtelings naar met 
een penncmes. Wie eene pen aanpikte, won ze, 

PENNESTEEL, PENNESTOK, znw., m. — Penhouder, Fr. 
portc-pLuine, 

PENNEVERKEN, znw., o. — Slckelverken, Yi, porcépic. 

PENNING, znw., m. — Yx. denier. 

— Spi. liekend zijn gelijk 'ne kwa{'J)e penning, een zeer slechten 
naam hebben, in kwaden reuk staan, 

— Valsche penning, vaUchaard. 

— Drinken, zuipen, vloeken, enz, tegen penning zestien ^/, geweldig 
drinken, zuipen, vloeken, enz, 

— Iemand dein) penning gunnen^ bij hem iets koojien, bij D. B. 
iemand den penning junnen, 

PENS, znw., V. — Buik, Fr. panse, ventre, 

— Bij veeartsen. De eerste maag bij herkauwende dieren, Fr. panse^ 
rumen, ook Mook genaamd. D. B. 

— Bculiu^, bloedworst, Fr. boudin. Pensee koken. 

PENS(CH), bvw. — Verwelkt, verrimpeld, voddig, sprek. van 
knolvnithn n. (K.) Die rapen zijn peii-(ch). As ge patalen Ie vruug uitdoet, 
dan würron ze pens(ch). 

— In 't Z. der Kemp, bcleekent het Rot, Die rapen zijn pcns(ch) 
^rot); ge kunt er niks meer mee aanvangen. 



- 953 — 

PBNSBKRÜID, ZDw., o. — Keule, Fr. sarrittle^ zoo genaamd 
omdat men het gebruikt bij het bereiden der pensen of beulingen. (Z. der K.) 

PBNSBRIJ, znw., v. — Afval van een geslacht verken, dienende 
om pensen te maken. 

PBNSPBBST, PBNSKBRMIS, znw., v. — Een feestje dat 
de boer aan vrieuiien eu bloedverwanten geeft, wanneer hij een verken 
geslacht heeft. 

PBNSHORBN, znw., m. — Trechter om pensen te vullen. 

PBNSMUTSAARD» znw., m. — Mutsaard van geblekt eikenhout. 
(Z.-W. der K.) 

PBNWIBL, znw., o. — Bij horlogicmakers. Wiel van het slagwerk 
dat den hamer doet slaan, ook Tapwiel genaamd. 

PBPBL, znw., m. ~ Vlinder, ¥x, papillon, bij U, h, pïepelen 
bij Jong» pe'èpei. 

Kil. Pepel, papilio, 

PEPER, in 't Z. der Kemp. ook PEPER, znw., m. en niet v. — 
Fr. poivre» D. B., T., R. J. (Ook in Limb. en Brab., z. Sch.) 

— Peper' en- zout, grauw en wil. D. B., R. Hij draagt peper- en- 
zoute kousen. Mijnen baard begint peper-en-zout te wörren. 

— Peper geven, iets doen met driftig geweld, luidruchtig en met 
veel beweging dansen, zingen, springen, enz. (A.) D. B. De meiskens 
zijn veur den ee(r)sten keer uit geweest mé* Vastelavend, en ze hebben 
peper gegeven. 

— Iemand peper geven. Z. NIESKRUID. 

— Dat is andere peper ^ dat is wat anders. T,, R., Kl.-Br. De 
klemt, is op andere» Hij woont nu in e schoon huis met twee stagies» 
dat is andere peper as alle dagen hard te werken gelijk hij vruger moest doen. 

PBPBRBOL, znw., m. — Pepergraan. 

PBPBRKQOL c:i PEPERKOOR (zachte 0), znw., v. — Bruin 
vlekje in de huid niet èéii ol meer haarpijltjes er op, Fr. lache de 
naissance, grain de beauté, 

PEPERMUNT, znw., m. en niet v. — Z. Wrdb. 

PBPERZAK, znw., m. — Iemand die veel peper gebruikt. 

PEPPEREN, w., o. — Met smaak, met genot eene pijp rooken, 
(N.'O. der K.) Hij kan zoo smakelijk pepperen. Ziet dat oud ventje maar 
heelder dagen pepperen. 

— Afl. Pepperèêr, gepepper» 

PER, vz. — In een ; ten, op een, in het, met de, door, bij. R. 
Hij is per koets gekomen. Drij per honderd. Ik werk per stuk. Hij 
wint twee frang per dag. Dat is per ongeluk gebeurd. Zendt mij dieën 
boek per post. Laat 'et mij per brief weten. 



— 954 — 

PERCENT, znw., m. en niet o. — Z. Wrdb. R, 

PBRCIES, bvw. en bw. — Precies, juist. Yx, précis. Hij is altijd 
|>orcics op zijn werk. Dat is percies zijn zusier. Hij is pcrcies vertrokken. 
*t Is percies eender. Ge meugt zoo percies nie* zijn, 

PERDAF, PERDOÊF, PERDAFPEL, PERDOÉFEL, tw. 

— Z. PARDAK. 

PERDEOM, znw., ni. — Verbastering van pro Dro, voorniet, 
i»ratis, Iv *ielo<)s. Hij hci'(ft) *ne* perdeom gekregen = een c kosteloozc 
rechtspleging. 

PERDOM (klemt, op J(7w), znw., in. — Blikken kctelije, waarin 
men melk, soep, enz. naar de arbeiders in 't veld of naar eenen zieke 
dr:iagC. (K.) 

» 

PERDOMINB, znw., m. — In ééne{n) perdominc\ in eens, alles 
te gelijk, plots. D. B., .Sch., K. Ik gaan alles in ééne* perdominé vcrkoopen. 
Hij viel in éène' perdominé van al de trappen. 

PERE, znw., m. — Wordt in de gemeenzame taal gebruikt voor 
Vader, Fr. père. Zijne peren heet hier geweest. Hij zal wa* meekrijgen 
van zijne* pere, 

— Spr. Zij ne{n) pere zien^ veel uitstaan. R. Ik zal mijne' pere zien 
aan da* werk. Hij heet daar zijne' pere ge/ien, de twee jaar dat eni 
er gewoond héél. 

PÈRE JAAR, znw., o. — Een jaar dat vruchtbaar is in peren. 

PÈREL, znw., m. en niet v. — Parel, Yx.perU, D. B., J, 

— PèreL op de oog^ witte vlek op het hoornvlies van *t oog, Fr. 
ca t ar acte. D. B. 

PÈRELEQBRST, znw., m. — Parelgerst, gerst in ronde korrels, 
gelijk perels, Kr. orge perlée, 

PÈRELKRAAO, znw., v. — Een kraag met kleine glazen pereN 
benaai<], die vroeger veel door 't vrouwvolk gedragen werd. 

PÈRELTJES, znw., o., miv. — Druifhyacint, Lat. Muscari 
racemosum Mill. 

PÈREN-ONDER-*T ÈÈRD, znw., v., mrv. — Aardperen, Fr. 
topinambours, 

PEREPLUKKER, znw., m. — Een soort van scheer, bevestigd 
aan een langen stok, om |yeren te plukken, plukhaak, Fr. marotte^ jaffet, 

PERFIJLEN. PROFIJLEN (klemt, op///), w., b. — Bij kleer- 
makers. Hetzelfde als Overransen, den draad bij eiken steek over den 
zoom toehalen, om het uitrafelen te beletten. 

PERK, znw., o. — Z. uinkelperk. 



— 955 — 

PBRKHINKBL, znw,, m. — Hetzelfde te Lier als elders Hinke- 
len, \ix.joHer d la mérelU, Perkhinkel spelen. Perkhinkel doen. 

PERKHINKBLBN, w., o. — Hinkelen in een perk (Lier), te 
Tongerloo PBRKHENKELEN. De kinderen waren nan *t perk- 
hinkelen. Perkhinkelen is een vermakelijk spel. 

PERKSKB(N, znw., o. - Vrklw. van Perk. 

— E perksktn schold een sneedje schol. (Lier.) 

PERLAMÉEKBCN (klemt, op mr>, zachte e). Term in een aftel- 
rijm. Z. ANE-ÜANE-UIENE-DES. 

PBRMAFOOI, bvw. — Ziek, ziekelijk. (Enkel als ^cz.) Hij ziet 
er maar permafooi uit. *t Is mee' heur maar permafooi. (Ook te Brussel, 
z. Sch.) 

PERS (Kemp, ook/iif), znw«, v. — Perzik, Fr. pécJie^ hij D. B. 
persche% 

Vandaar pcrzeblóitn^ ptrzekjen, perzenboom^ pertesteen, enz. 
Kil, Perse, persicum, 

— In een groot gedeelte der Kemp. hoort men sfeks. 

PBRSOON, znw., m. — Fr. personne. De o is scherplang. 

PBRSVOD, znw., v. — Soort van dun kussen, waarop de kleer- 
maker hel strijkijzer afveegt eer hij er mede perst. Met een zelfde kussen 
houdt hij het persijzer vast, wanneer het handvat te heet is om het 
met de bloote hand vast te nemen. 

PBRSVODDEMAKBR, znw., m. — Scheldwoord voor Kleer- 
maker. (A.) 

PBRT, znw., v. — Hetzelfde als het Holl, Part, poets, Yi. farce, 
D. B. iemand 'en pert bakken. 

— Gril, grillige doenwijze, Fr. caprice, D. B. Zij heet aardige perten 
over heur. Hij is zijn perten weer aan 't spelen. Hij zit mè' perteu. 

— KwaGc luim, Fr. cu:cès de mauvaise humeur, D. B. Dat kind 
heet dikwijls kwaê perten. 

— Kwa{d)e perten^ tooverij, tooverkuusten. Mè* kwaê perten omgaan. 
Dieë vent kan kwaê perten. 

PBRTANG (klemt, op tang)^ bw. — Verbastering van 't Fr. pour- 
tanty nochtans. D. B. Gij gelooft mij nie', en 't is pertang de waarheid. 

PBRTBN, w., o. — Pertig zijn, zijne perten spelen, sprek. van 
onwillige kinderen die tegenstreven. (K.) Dieën deugeniet is weer aan 
't perten. Janneke lag op de' vloer Ie perten, omdat em geenc'koek en kreeg. 

PERTIG, bvw. — Gestoord, kwalijk gezind, van kwade luim. (K.) 
Hij is periig» omdat hij zijne' zin niet doen mag. Ik beu pertig, omdat 
dieC jongen nie' luistert. 

— Eigenzinnig, grillig, quinteux^ capndeux, difficile, D. B. E pertig 
wijf. Cre meugt zoo (>crtig nie' zijn. 



— 956 — 

PBSSBMBOBR, znw., m. — Z. puinboer. 

PESSBMEN, znw.. v., mrv. — Honds^ras, Fr. chiendent. (Z.-O. 
<lcr K.) In da* land zitten veul pessemen. Z. PülNEN. 

PBSSER, znw., m. — Passer, Fr. compas, R. 

PESTBNAAK, znw., m. — Z. pastenaak. 

PESTENAKEN (klemt, op na), w., o. — Hard werken. (Hcist- 
<>p-<ien-]'M rjj.) Daar zal nogal wat aan ic pestenaken vallen. 

PESTEREN, w., o. — Z. peisteren. 

PESTILENT, bvw. — Verpestend. *Nc peslilente stank. 

PET, /nw,, V. — Gekookte aardappel met eene kotst. Wanneer 
<ic aanlappclen af^ejjoten zijn en weder op hel vuur gezet worden, dan 
gcl)"urt het, dal «it* inrdappelcn die op den bo<iem van den pot liggen, 
ceiuï korst krijgen : deze noemt men petten. (A.) 

PETEMOETJE, znw., o. — Petemoei, peettante. 

PETERE(N, znw., m. — Peter, Kr. parrain, Dieë man is m^nc 
petere, Oewe peteren is hier. 

— Wordt gebruikt om iemand gemeenzaam aan te spreken. Ha ! 
peteren ! hoe is 't er mee ? 

PETEROOM, znw., m. — Peter, peetoom. (K.) 

PETIETER (klemt, op tte\ znw., m. — Kleine persoon. *Nc 
pctieter van een ventje. *Ne kleine petieter. 

— Naam van den pink of kleinen vinger in de kinderrijmkcns. 

PEUKEN, w., o. — Hard werken. (A.) Daar valt hier te peuken. 
Ik zal moeten peuken vandaag. 

PEUL, znw., m. en niet v. — Peluw, peuluw, Fr. traversïn. 

— Hij timmerl. Blok hout in ecnen muur, wfuir de kop van ecncn 
balk op rust. 

PEUL, znw., V. — Pel, schelp van eiwten of boonen, Fx.cosse, 
^oitsse. Ook POOL. 

PEULERTEN, znw., v., mrv. — Z. poolerten. 

PEULDER, POLDER, POLDER, znw., m. — De plaats in 
den stal waar de kiekens slapen, hoenderrck. (K.) (Ook in Limb. en 
't Hag., z. Sch.) 

— Slaapplaats der knechten in den stal. (K.) De knecht slaapt op 
zijne' polder. 

— Fig. Bed. Ik kruip vandaag vruug in mijne' polder. 

— Spr. Ge zult hem met geen kaf van den peuldtr lokken ^ z. KAF. 

PEUT, bw. — Peut hou{d)en. Term in het marmelspel. Zijne 
hand op de meet houden, wanneer men schiet, niet pooteren. Z. POOTE- 
REN. (A.) 

— In het biljartspel bet. die uitdrukking Goed zijn best doen om 
ait te geraken. (A.) 



- 957 — 

♦PEUTEREN, w., o. — « Bedrog in 't spel of anderszins doen. » 
Sch, geeft dat \v. voor Antw. Z. pooteren. 

PEUTEREN, w., o. — Werken, wroeten, zijn uiterste besl doen. 
(A.) Hij moet hard peuleren om aan de' kost te geraken. Aan da' werk 
zal nogal wat te peuteren vallen. 

PEUTERIG, bvw. — Nauw, gieiig, vrekkig. (A ) Weinig gebruikt. 
In groote zaken is em royaal, en in klein dingen is em zoo nauw en 
zoo peuterig dat 't schand is. 

PEUTERING, znw., v. — Rossing, pak slag.ii. Hij héei 'en 
geweldige peutering gehad. 

PEUZELEN, w.. o. — Traagzaam en met kleine beetjes eten. 
Aan 'en beentje peuzelen. Gij peuzelt den heelen dag. 

— Afl. Peuzelèèr^ g^pmtel, 

PEUZELEN, w., l». en o. — Term in het Unikkerspcl. Al de 
knikkeis die in de o staan, stillekens achter elkander uitschieten, zonder 
dat de overige medespelers* hunne schietbeurt hebben. (St-Antonius.) 
Ge peuzelt. Hij zal de knikkers allemaal uit de o i>euzclec. 

PEUZELWERK, znw., o. — Iets dat men al peuzelende eet. 
Die kleine vischkens zijn oprecht e peuzelwerk. 

PEZEN, w., o, — Hard werken. T., R. Üaar zal nogal wal aan 
Ie pezen vallen. 

PEZERIK, znw., m. — Bullepees, Fr. nerf Je ba'tif, 

— Zwarte gaan!>tok, <laarvan gemaakt, met in 't midden ecnc stalen 
roede, die hem sterkte geeft en er een geducht wapen van maakt. 

— Fig. Gierigaard. 'Xe gierige pezerik. 

— De Pezerikken van Loenhout, spotnaam op de inwoners dier 
gemeente. 

PEZEWEVER, zn A ., m. — Gierigaard die alles beknibbelt, 't Is 
zoo *ne pezewever 1 

PIASTER, znw,, m. — Nanm van eene vreemde munt. Z. Wrdb. 

— Woidt in *i meerv. gebruikt voor Geld, ( orden. Ik zou wel 
willen meedoen, maar mijn pijstcis zijn op. Hij hee' geen piasters meer. 

PIEËN, w., o. — Over 't lijfje spiingen, een kinderspel. (N.-O. 
der K) 

PIEK, bw. — Pü'k zijn^ dood zijn. (K ) Ki zoona ! of hij vas 
piek. Ik schoot, en den haas was piek. 

PIEKHEI, znw,, v. — Steekbrcm, gaspeldoorn, ginst, Ulex eti^o- 
paus, Fr. ajonc. 

PIEP, Iw. — Dat w. bezigt men, meest in de kindertaal, als nun 
ergens door kijkt. Piep ! wie is daar 1 Piep ! Jannekcn ! 

— Piep doerty piepen, eigens door kijken, in de kindertaal. 




— 958 — 

PIEP, znw., V. — Pijp, ^o\ in den grond, doch enkel in het 
schommclrijm : 

De klokken die luien me(t) vieren, me(t) vijven 
Al over Liezebeth Lijzen. 

Liezebeth Lijzen was nie* thuis. 

Waar was ze dan ? — In 't zomerhuis. 

Wa* was ze daar aan 't doen ? 

— Heur haarken ontwarren 

Met twee ivoore(n) kammekens. 
Wat dee* ze met die kammekens ? — Heur haarken ontwarren. 
Wat dee' ze met die haarkens ? — Toomekens vluchten (vlechten). 

Wat dee' ze met die toomekens? — 't Peerdeken lei(d)en. 
Wat dee' ze met die peerdekens? — 't Landeken omrij(d)en. 
Wat dee' ze met da' landeken ? - Haverken oji zaaien. 
Wat dee* ze met dat haverken? — Aan de tikskens geven. 
Wat dee' ze met die tikskens? — Eikens laten leggen. 
Wat dee* ze met die eikens ? — Aan 'nen arme' man geven. 
Wat heet dieön arme man i;itdaan ? 
— 't Schaapken te diep in 't korekcn laten gaan ; 
Zoo diep gelijk 'en pïfp. 
Zoo lank gelijk 'en plank; 
Geef 'et schaapken 'nen herten (harden) deursloot 
Me(t) kèès en brood 
En laat 'et daar mee loopcn. 
Tien, twintig, . . . enz, 

PIEP, /uw., m. — De daad van eens te piepen, 't Was er zoo 
stil, da' ge « i geene* piep en hoorde. Hij was zoo muug, dat em gecne' 
piep meer l.osi zeggen. 

PIEPELING BORGEN, w., o. — Z. piepenbökgen. (K.) 

PIEPELING, znw., ni. — Vlinder, Yx, papillon. (Z.O. der K.) 
Piepelingen vangen. Daar vliegt 'ne svhoonc pieiieling. 

PIEPELINGSKEiN, znw., o. — Iets dat klein en teer is. Die 
boomkens zijn maar piepelingskens. Wat is da' kind toch e piepelingsken : 
't zie' maar res te léven ! 

PIEPEMOLLEKE(N, z. PiEP£NHor.L£KE(N. 

PIEPEN, w., o. — Vluchtig kijken, ergens door heen kijken, 
door een gat ol'ecne spleet loeren, Eng. to p^ep, ^L Hij kwam is deur 
de deur piepen. De zon piept is even deur de wolken. Piept is deur 
de venster of hij nog nie' en komt. 

— Een kaarti«pel, anders ook Kontenten en Barreelen genaamd. 
Z. die w. 



— 959 - 

PIBPBNBÖRG, znw., m. — Hetzelfde spel dat ook Bedodden, 
Hoddebedodden en Piepeling borgen genaamd wordt, in 't Fr. jeu 
de cache-cache, (Z. bedooden.) (K.) (Ook in Brab. en Oost-Vl., z. Sch.) 

PIBPENBÖRGEN, w., o. — Piepenbörg spelen. 

PIEPBNHOLLBKB(N en PIBPEMOLLEKEiN. Naam van 
een kinderspel. De meisjes vormen eenea kri(i<; en geven eikander de 
hand. Twee meisjes worden gekozen : het eene moei binnen, het andere 
buiten den kring gaan staan. 

Dit laatste vraagt : 

* PiepenhoUeken, waar zijde? » 

Het binnen staande meisje antwoor't : 

c In mijn holleken. « 

Waarop het andere herneemt : 

« Wat doedc daar t * 

£n het antwoord luidt : 

€ Piepen en fluiten 

En deur alle hollekcns kruipen. » 

De in den kring staande meisjes houden nu de armen in de hoogte. 
Dan loopt deze die er binnen staat, weg, kruipt onder de armen der 
meihjes, om uit de ronde te komen, loopt er langs ceuen anderen kant 
terug in, kruipt er weer uit, en zoo voort. 

Die er buiten staat, moet de andere achterna zitten en juist langs 
dezelfde « hoUekens » kiuipen ais de andere. Dat duuit totdat de andere 
gepakt is, ofwel dal de andere een holleken misloopt. 

Als zij gepakt is of de andere misloo{>en is, gaan zij een weinig 
ter zijde, om twee andere meisjes te kiezen; intusschen laten de andere 
kinderen de armen zakkci, zonder de handen los te laten, en dansen 
in de ronde al zingende : 

X Als vader en moeder niet thuis en is, 
Dan zullen me rijspap eten 
Uit 'ne(n) kopere(n) ketel, 
Me(l) 'ne(n) zilvere(n) lepel 
£n den bessem in 't mozegat bleken. 
Schoep ! schoep ! schoep ! 

Daaina komen de Iwee meisjes terug, noemen ci Iwcc iuukic die 
zij gekozen hebben, en *t spel herbegint. (St-Antonius.) 

PIEPER, znw,, m. — Oog in de kindertaal. Doet oe' piepers 
eens open. 

PIEPERREEN , znw., o. — Zwak, onderkomen kindje. (A.) M. 
Da' manneken wordt nooit nie* oud, 't is zoo e pieperken. 



— góo — 

PIEPERSOOG, znw., v. — Z. piepoog. 

PIEPOOG, znw., V. — Klein, halfgesloten oog. Zij hée* piepoogen. 
Hij kan nie' zien mè* zijn piepoogskens. 

— Fig, Iemand die zulke oogen heeft. Die leelijke piepoog! 

PIEPOOGEN, w., o. — Met halfgeloken oogen zien. Hij zat 
daar te piepoogen, 

PIER, znw., m, en niet v. — Aardworm, Fr. ver cU terre^ lombric. J. 

— Spr. Macht hebben gelyk 'ne pier^ volstrekt geene macht. 

— Op iet staan zien gelijk *en kin op *ne{n) pier^ er onnoozel, 
droomerig op staan kijken. 

— Iemand ^ne{n) pier uit den neus halen^ hem een geheim ontwringen. 

— Spotnaam op de inwoners van Halle. De Pieren van Hal. *Ncn 
Hals(ch)e Fier. 

PIERELAND, znw., m. — Schertsend voor Kerkhof. D. B. Hij 
is al lank naar 't piereland. Naar 't piercland verhuizen. « Met zijne eeuwige 
historiën van stniikroovers, beren en wildemannen, vreesde ik dat wq 
na drie dagen altezamen naar het pie reuland zouden gevaren zijn. » 
(CONSCïENCE. Het Goudland, 40.) 

PIEREN, w,, o. — Pieren vangen. Sommige vogels zooals kraaien 
en eksters, pieren. De kiekens pieren op *t vcrs{ch)geploegd land. 

PIEREN, w.,o. — Met inspanning op iets staren, met de oogen 
half toegeknepen, moeite doen om scherp te zien. H ij zit heelder dagen 
in boeken te pieren. As ge zoo met den avend blijft pieren, dan zullen 
oew oogen g mw bedolven zijn. 

— In Loi/ ti'n, 1889, hifz. 7. beteekenthel Met halfgeloken oogschelen 
kijken, mei :>rgunstigheid loeren. Eng, to peer. 

^PIERIG of *PIRRIG, bvw. — * Gestoord, gram. t 
Sch. geeft het w. voor de Kemp. 

*PIET, bw. — Sch. geeft dit w. o. a. voor Antw. en de Kemp. 
in de beteek. i' van Koes, stil; 2'* van Zoor, fel, heel en gansch; 3* van 
Starlings. Wij hebban dit w. nog niet gthoord. Z. PUUT. 

PIET, znw., m., viklw. Pictje{n tn Pieteke{n, — Fr. Pierre, 

— Vogel in de kindertaal. Onze piet is gaan vliegen. Het pieteken 
eten geven. E schoo(n) pieteken. 

— Piet is ook de naam, waarmede men eenen vogel aanspreekt. 

— Hengst die niet telen kan, niet omdat hij gelubd is, maar uit 
cene natuurlijke oorzaak. Hij is hier mè' zijne' piet veurbijgere(d)en. 

— Mannelijk tcellid, roede. 

— Pier, aardworm, Fr. lombricy ver de terre. (Z.-O. der K.) De 
hinnen vangen pieten. De grond zit hier vol pieten. 

— Piet Sno/j onnoozcle hals. Staan zien gelijk Piet Snot (onr.oozel 
staan te kijken), M. 

— Pietje de Dood^ verpersoonlijking van de dood. As Pietje de 
Dood komt, dan moeten wij mee. 



— gói — 

PIETELAND, znw., m. — Z. pierelanü. (Z. der K.) 

PIETEMAN, znw.y m. — Kleine, witte riviervisch, goed gelijkende 
op eenen knorhaan, doch wat grooter. 

PIETEVOQEL, znw., m. — Vogel in de kindertaal. (Ook in 
*t L. V. W., z. Sch.) De pietevogel is dood. E schoo(n) pietevogeltje. 

PIJL, znw., m. — Haarpijl, Fr. un cfuveu^ un poil, D. B. Daar 
▼alt gee(n) pijltjen haar van ons hoofd zonder Gods toelating. Hij hée* 
gee(n) pijl haar meer op zijnen blottekop staan. 

— Ook in den zin van Halm, dun srheutje, Fr. bri'n, E pijltje gers. 
Eeo pijltje stroo. 

— Gee{n) pgl, geen zier, niets. D. B. Gq hèt gee(n) pijl verstand. 
Den bedelèèr kreeg gee(n) pijl. Ge zij' gee(n) pijl beter as diêë schelm. 

PIJLRBCHT, bvw. — Zoo recht als een pijl uit den boog vliegt. 
D. B. Hij liep pijlrecht naar huis. 'Ne pijlrechte weg. 

PIJLSTÈËRTOLIE, znw., v. — De gesmoUenc lever van den 
pijlsteert, een soort van visch. D. B. Het volk zegt gewoonlijk pypstèèrtolie. 

PIJN, ZQW., V. — Moeite, last, arbeid, Fr, peinf^ Eng. pain^ Kil. 
operOf labcr. Die oude beteekenis heeft het w. nog in de uitdrukking : 
'/ kan de pijn nü(t) l^\d)en of '/ is de pyn nieit) wrerd, Fr. il ne vaut 
pas la peine, (Ook bij D, en M.) 

PIJP, znw., V. — Fr. pipe. 

— *£n pyp toebak, zooveel tabak als men ineens in de pijp steekt. 

— Spr. Geen pijp toebak wèèrd zijn^ weinig of niets weerd zijn. 
Dieë jongen is oog geen pijp toebak wèèrd, 

— ^En 7>uil\ 'en leeli/ke pijp smooren, er aan toeleggen, het 
bezuren, kwalijk varen. 

— De pyp aan Merten geven, den moed oi>geven, ecne zaak op- 
geven, er van uitscheiden. 

— Leére{n) PyP, kluchtwoord vooi Sigaar. Hij smoort 'en leére* pijp. 

— De pijp van de schouw is het hol gemetselde bovenstuk der schouw, 
langs waar de rook opwaarts stijgt. D. B. 

— Een hol dat konijnen, vossen en eenige andere wilde dieren in 
de aarde graven om er in te schuilen. D. B. Mijnen hond heet e konijn 
uit zijn pgp gehaald. 

— Spr. De pijp uit zyn, weg zijn, ontsnapt, de gaten uit zijn. 
Toen ze den dief wilden gaan aanhouMcn, was em de pijp uit. 

— Fig. Schertsend voor Bed. Hij leet al om acht uren in zijn pijp. 
Ik zal oe is uit oe' pijp komen halen, as ge nie' opstaat. 

— Holle plooi in lijnwaad, papier, enz., Fr. godron, D. B. 'Ne* 
kraag in pijpkens .zetten. 

— De pijp van het been, Fr. l'os de la jambe, 

— B^ wevers. De gevulde klos, zooals deze in den weversspoel 
gedaan wordt. 



ld»0ti€9n 03 



— g62 — 

PIJPEHOOS (zachie o), znw., v. — Kokerom er eene pijp in 
Ic bewaren. 

PIJPEKAS, znw., v. — Houten koker, waarin de rooker zijne 
pijp sluit en in den zak draagt. D. B. 

PIJPEKEUTER, znw.. m. — Kort puntig staafje van been, ivoor, 
ijzer, hoorn of zoo iets, waarmede men de pijp uitkeutert, Fr. cure^pipe. 

PIJPEKOP, znw., m. — S[)0(naam voor eenen aanklever der 
katholieke of hehoud«-gezinde {>artij. 

PIJPELING, znw., m., zonder mrv. — Men geeft dien naam 
aan den Graspieper of Veldleeuwerik, Fr. pi pi des prés^ héguinette^ 
Lat. Ant^Hs pratcnsis^ alsmede aan den Boompieper, Lat. Anthus 
ar bo reus. De pijpeling is een trekvogel die in September veel met de 
leeuweriken gevangen wordt. Pijpeling vangen. Ook Peeper. 

PIJPEMUTSKE^N, znw.. o. — Koperen, blikken of uit koper- 
draad gevlochten huisje, pijpedopje, dat men op de pijp steekt, opdat 
er geen vuur uitvalle, Fr. convercle de pipe, 

PIJPEN, w., It. — Holle of ronde plooien maken in l^nwaad, 
enz., Fr. fraisrr^ godrouner^ tuvauter, D. B. *Ne gepijpte kraag. 
'En muts pijprn. 

PIJPENHOOSKE(N, PIJPENHOZBKEN, PIJPEN- 
HUISKE N, znw., o. — Z. i'Ijpemutsken. 

PIJPENREK, znw., o. — Uitgezaagd, getand schapken of plank- 
.sken, waarin men Hollandsche pijpen hangt langs den wand der herbergen. 
D. B. 

PIJPERSGETUIG, znw., o, — Getuig, gereedschap, meubel, enz. 
dat slecht intren/it of siv!clu vervaanligd is. (Z. der K.) 

PIJPIJZER, /nw.. o. — Soort van ijzeren staaf die, in hel vuur 
gewarmd, dient om pijpen ie maken in lijnwaad, enz. Z. ook PINIJZER. 

PIJPKENSKRAAG, znw., m. — Lijnwaden vrouwekraag met 
ronde of holle plooien. 

PIJPKENSMUTS, znw., v. — K&nten of katoenen vrouwen- 
muts met pij[)kens. De p:ji)kensmut!ien worden weinig of niet meer 
gedragen. De pijpkens in de kanten pijpkensmutsen werden er in gemaakt 
met rietjes. 

PIJPSCHÈÈR, znw., v. — Hetzelfde als Pinscheer. Z. ald. 

PIJPSTÈÈRTOLIE, znw.. v. — Z. PijLSifcÈRTOLiE. 

PIK. znw.. ni. — Suiker in de kindertaal, bij li. pikversych). Moeder, 
mag ek wa' pik op mijnen boterham doen .'' 

PIK, znw., m. — Wrok, Fr. rancune, Z. Wrdb. 
— '/ /v pik IJ pik^ er bestaat van weerskanten wrok. *t Is pik a 
pik met die twee mannen. 



— 963 - 

PIK, ZDW., o. — Gf€{n) pik^ niets. Do<ir is gee* pik verf meer 
op de deur. Gaat is naar de* meulder, want me hemmen gee' pik mèèl 
ne meer. 

PIK- znw., V. — Soort van kleine zeisen met korten krommen 
steel, waarmede men het graan pikt of afmaait, Fr. 5apc,/amhon, (Overal 
in Zuid-Nedeil. en in N.-Br.) 

Kil. Picke, falx frumentaria, 

PIKANT (klemt, op kant)^ bvw. — Bijtend. Dat is pikanten azijn. 
Pikante jenevel. Die saus is veul te pikant, 

— Een pikante beer is in 't N.-W. der Kemp. een welstellende en 
ijverige landbouwer. 

PIKANTIG, bvw. — Naijverig, afgunstig, nijdig, wrokkig, 
vynndig tegen iemar.d, bij D. B. pijkanti^^ (Ook bij Dr. en Oppr.) Sch. 
spelt verkeerdelijk pikkantig. Den eene winkelier is pikantig op den 
andere. Ge meugt zoo pikantig nie' zijn. 'Ne pikantigc mens(ch) kan nic' 
lij(d)en dat *cn ander zijn brood verdient. 

— Afl, Pikantigheid^ pikanterik^ p/kant t^aan', 

PIKARDIJN, znw., o. — Bij brouwers. Gruoie ti)n die, met bier 
gevuld, bestemd is om langen tijd in den kelder te liggen. 

PIKBAAR, bvw. — Bekwaam om gepikt te worden, sprek. van 
granen. Die haver zal haast pikbaar zijn. 

PIKHAAK, znw., m. — Bij landb. Houten steel met cenco om- 
gebogen ijzeren tand. dien de pikker in de linkerhand houdt en waar- 
mede hij de afgepikte aren verzamelt en bijeenhoudt. D. B. 

PIKIJZER, znw., o. — Bij schoenmakers. Een klein werktuig 
uit eenen steel of handhaaf met een getand ijzeren wieltje om het Ieder 
te prikken en af te steken. Z. rolet. 

PIKKEL, znw., m. — HetzelAic als Bikkel, Fr. os^elet. Er zijn 
l>eenen, looden en koperen pikkcls. AJei de pikkels s])elen. 

— Schertsend voor Been, F'r. jambe. Hij sta' nic' vast meer op 
zijn pikkels. 

— Poot van tafel of stoel. Kil. Die tafel sta' maar op drij pikkcls. 
Daar is 'ne pikkel van de' stoel gebroken. 

— Stoel zonder rugleun, waar de schoenmakets op zitten. De schoen- 
maker zat op zijne' pikkel, as ek binnenkwam. 

PIKKEL, znw., m. — Klein puistje, verm^rziiakt door brand in 
het lichaam, bij l^xzm, pukkel, petikei^ pokkei. Heel ze' gezicht sta* vol 
pikkels. Ik heb e pikkeltjc op mij' veurhoofd. 

PIKKELBEEN, znw., o. — Min ol niccr gebrekkig* been. Hij heet 
e pikkelbccn. 



— 964 — 

PIKKELBEENEN, w., o. — Min of meer gebrekkig loopen. Zij 
pikkelbeeut vandcej». 

PIKKELEN, w., o. — Met korte en rasse stappen gaan; min 
of meer gebrekkig; loopen. Hij pikkelt daar zoo aardig hennen. Ik kost 
nie' goed gaan, maar toch pikkelden ik er naartoe. 

— Afl. PikkcUrr, gepikkel. 

PIKKELEN, w., o. — Bikkelen, met de bikkels spelen, Yx.jouer 
aux osseUts. Klein meiskes pikkelen geren. E spelleken pikkelen. 

PIKKELS, znw., m.,mrv. — Groenten in*t zuur. Van *tYjig,pickle. 

PIKKEN, w., b. — Met de pik afmaaien, Fr. saper. Koren pikken. 
'£t graan stond gepikt op den akker. Is oe* haver al gepikt ? Diec 
werkman kan goe* pikken. 

PIKKEN, w., b. en o. — Hetzelfde als het Holl. Prikken, steken, 
bijten, piikkelen, Fr. piqner, B. Ik heb mij gepikt aan 'nen doren. 
Dieën drank pikt op de tong. Zout pikt in *cu wond. 

— O. Schimpen, smalen. Hij moet altijd op iemand pikken. 

PIKKEN, w., b. — Verzachte uitdrukking voor Stelen, weg- 
nemen, Fr. voler^ df'rober. R. (Ck)k in *t L. v. A., Brab. en Limb., z. Scb.) 
Hij heet daar wa* gepikt. Ik lee mijn horlogie op tafel en, as ek terug- 
kwam, was ze gepikt. 

PIKKENDONKER, bvw. — Pikdonker, 't Is buiten pikken- 
donker. 

PIKKEN DOREN, znw., m. — Doorn, in de kindertaal. 

PIKKEPOOTEN, w., b. — Heimelijk wegnemen. (It.) Wie hee' 
mij' geld gepikkepoot ? 

PIKKER, znw., m. — Doorn, stekel. E gewas, waarvan de steel 
mè' pikkers bezet is. Blijft daar af, er staan pikkers aan. 

PIKKEUTEL, znw., m. — Z. kattekkutel. (N.-O. der K.) 

PI KL AT, znw., v. — De lat of steel van den pikhaak. T., R., KI.- Br. 

PIKO, znw., m. — Z. PüG. (A.) 

PIKWERF, znw., v. — De houten handhave der pik. T., R., 
Ki.-Br., bij D. B. pikkewerf. 

PIL, znw., V. — Dik, struisch meisje, dat de kinderjaren voorbg 
is. 'En dikke pil van o meiske. Die Marie wordt toch 'en dikke pil. 

— Dikke boterham, dik stuk vleesch, kaas, enz. (Ook io Z.-Holi.y 
N.-Holl. en Gron., z. ophr., B. en M.) Hij snee' me daar 'en pil af van 
wel twee vingeren dik. 'En dikke pil vet. '£n dikke pil kèès. 



— 965 — 

— Stukje, vierkantig klompje vleesch, hesp, enz., zooals men het 
snijdt om op te eten. Steeds in den verkleinvorm pilUkcn, (Z. der K.) 
£et gij die pillekens vlcesch maar op. Daar liggen nog cenige pillekens 
op de talloor. 

— Vlies op gekookte melk. fZ. der K.) Doet de pil van 't melk. 
Daar leet 'en dikke pil op *t melk. 

•— Z. ook PILLEN. 

PILATUS, znw., m. — Fig. Valschaard. T., R. De' Pilatus spelen. 

PILÈÈR, znw., m. — Pilaar, ¥x,pütcr, 

PILLEN, znw., v., mrv. — Sooit van dunne, langwerpige aard- 
appelen. (K.) 

PILLBPOOT, znw., m. — Naam van den ringvinger in de kinder- 
rgmkens. (A.) 

PIMPEL, znw., m. — Vlinder, Fr. papillon. (Z. der K.) De 
pimpels vliegen van bloem tot bloem. 
Kil. vermeldt het w. als Leuvensch. 

PIMPELEN, w., o, — Gedurig met de oogleden knippen, pink- 
oogen. Hij pimpelt gedurig. Ge meugt zoo nie* pimpelen. 

— Afl. Pimpelèèr, gtpimpel^ 

PIMPELEPIMP, znw., m. — Iemand die gestadig met de oog- 
schelen knipt. 

PIMPELMEES, znw., v. — Fig. Mager, ziekelijk, zwak en bleek 
mans* of vrouwspersoon, bij D. B. pimptrmeeze , 
Kil. Pimpel-mecse, humuncio dehdis. 

PIMPBLOOG, PIMPOOG, znw. v. — Klein, slecht oog. d:it 
gestadig pimpelt, liij hee' pimpoogen. 

— Iemand die zulke oogjes heeft. 

— Kil, Pimp-ooghe, lucinus^ ocella : qui exiles hahct ocuUn. 

PIMPELOOGEN, PIMPOOGEN. w., o. -> llct/olfdc als 
Pimpelen. Z. ald. 

PIMPBN, W., o. — Z. PIMPELEN. 

PIMPOOG, znw., V. — Z. pimpeixxx;. 

PIMPOOGEN, W., o. — Z. PIMPELOOGEN. 

PIN, znw., V. — Puntige ijzeren spijl op een bekken orccnen 
muur. 'En hekken mee' ijzere* pinnen. 

— Bij timmerl. In 'i alg. Houten nagel, stop. 

— In *i bijz. Het bewerkt einde van een stuk hout, watirmcde het 
in *t gat van een ander sluit, Fr. tenon. Met pin en gat verbinden, 
Fr. QSiembler Ci tenons et mortaises, 

— De ijzeren punt waar een drnaitol op (jra.iit. D. B. 



— g6b — 

— Fij;. Gierigaard of gierige vrouw. R. 'En pin van e wijf. Mijne 
gcbuur is maar 'en gierige pin. 

— Spr. yienr de pinnen komcn^ te voorschijo komen, ten blakke 
komen, zooals b. v. voor \ gerecht. D, B., R. (Ook in Brab., z. Sch.) 
Hij wilt mij nie' betalen, maar 'k zal *em eens veur de pinnen doen 
komen. Die zaak komt morgen veur de pinnen. Hij moest veur de pinnen 
komen. 

— Iet aan dr pin hangen^ het overal ruchtbaar maken. 

PIN, PINBIBR, znw., o. — Bij brouwers. Licht bier dat gemaakt 
wordt van het laatste aftreksel van den draf in de brouwkuip. 

PIN BALK, znw„ m. — Bij mulders. Balk die van boven in 
»t vnnrsicdecl van den molen ligt en waar de pin der molenas in <lraait. D. B. 

PINBAND, znw., m, — Bij mulders. Balk die achter <lcn pinlxilk 
ligt. 

PINBEBL (zachte r), znw., v. ^ Bij mulders. Soort van becl of 
sclicrpharaer, die puntiger is dan de gewone bcel. 

PINBIER, znw., o. — Z. pin. 

PIN BOOM, znw., m. — Soort van pijn- of denneboom, in de 
wetenschap Pica excelsa L. genaamd. Ook Pinmast en Zwarte mast. 

PINBOOR, znw., v, — Z. wringboor. 

PINDOP, PINTOP, znw., v. — Draaitol met eene stalen pin. 

PINDRAAD, znw., m. — Z. pinnekensdraad. 

PINEGBL, znw., m. — Egel, horts, Fr. hérisson, 

*PINENT, *PINIJN. — Wordt, volgens Sch., in de Kemp. 
gezeid van iemand die gierig is. Z. Sch. i. v. pin, 

PIN HA MER, znw., m. — Bij smeden, koperslagers, enz. Hamer 
met aan weerskanten een puntigen kop om ijzer of koper te rekken of 
door te zetten. 

♦PINIJN, Z. ♦PINENT. 

PINIJZER, znw., o. — Ronde ijzeren staaf, de bovenste helft 
dunner dan de onderste. Het piuijzer dient om de c boefen > in de witte 
mutsen te maken. De < boefen * zijn een soort van vouwen of plooien 
in den vorm van kleine blaasjes, gemaakt in den kop der pinmutsen. 
Er zijn pinmutsen met platten, en andere met ronden kop. De « boefen » 
worden enkel gemaakt in de pinmutsen met ronden kop. Z. ook PiJPljZER. 

PINK, znw., m. — De daad van eens te pinken. *Ne pink van 
de oogen. 

— Oogwenk, oogpink, Fr, clin d\eii. 't Was op *ne' pink gedaan. 

PINK, znw., m. — Z. WrJb. 

— Bij de pinken zyn^ rap, behendig, bij der hand zijn. (K.) G. 
Die meid is bij de pinken. 



— 9^7 — 

♦PINKEL, *PINKER, znw., m. — . Pink (kleine vinjrer) en ook 
vinger in 't algemeen. Mijn pinkcrken doet zeer. * 
Sch. kent het w. toe aan VI. en Antw. 

♦PINKEN, znw., (gesl, ?). — r OvcTJecr, bovcnlecr, Kr. emptifrne. » 
Sch. geeft dat w. voor Lier en omstreken. 

PINKEN, w., o. - Flikkeren, glinsteren, tintelen, Vx. scintiUer, 
D. B, De sterren pinken aan den hemel. In de verte zagen wij e lichtje 
pinken. De lamp pinkten en doofden uit. 

— Pinkoogen, met de oogleden knippen, Fr. cligner des yeux. Hij 
pinkten is op mij. Dieë jongen pinkt altijd. 

Kil. Pincken, seint iliare^ mïcarr. 

PINKHAAR, znw., m. — Het haar des oogschecls, Vr. hx nis 
tfét la paupicre, D, B, 

PINLAT, znw., v. — Bij timmerl. 1-al, dienende om de pinnen 
en gaten af te leekenen, ten einde vergeringen die uit ruwe balken bestaan, 
aaneen te brengen. 

— Ook de lat, wa<irva.n de borsten hel belao]) hebben der vormen, 
die bij sommige vergeiingen worden onderscheiden ; die lat wordt op 
het stuk hout gelegd, om daar langs het beloop der af te werken lK)rstcn 
af te schrijven. 

PINMAST, znw., m. — Z. pinboom. 

PINMUTS, znw., v, — Eene witte muts met bekjes of pijpjes. 
Wanneer de pijpjes geheel het gezicht omvatten (behalve natuurlijk onder 
de kin), dan is het eene kivczeUmuts^ omdat de kwezels zulke mutsen 
dragen. 

PINNEGELUK, znw., o. — De jongens roepon: 7 ü pmnn^eluk/ 
wanneer bij *t spelen met de non of den top, de pin uit de klos vliegt. 

PINNEKBNDOOD en PINNEKENDUN, bvw., cnkrl als 
gezegde. — Uit der mate gierig. Hij is pinnekendun. 

— */ Is er maar pinnekendun^ *t is er armoedig, 't Is maar pinneken- 
dun daar, al gaan ze zoo schoon gekleed. 

— Wordt ook als o, znw. gebezigd. K pinnekendood van e ventje. 
Hier woont pinnekendun. 

PINNEKENSDRAAD, PINDRAAD, znw., m. — Uit twee 
draden gevlochien ijzeitlraad, gegalvaniseerd en met s(.-herpe punten voor- 
zien, dienende voor afsluitingen. 

*PINNEKENSHOUT of *ZWART HOUT, znw., o. — c Zoo 
genoemd », zegt Sch., « omdat men er kleine pinnekens van snijdt, met 
welke men b. v. een Ie leren lap ergens op vastmaakt. » 

Hij geeft het w. voor Brab. en de Kemp. 

PINNEMUTS, znw., m. — Mansslaapmuts. 



-^. 968 -- 

PINNEN, w,, b. — Het haar kroezelen of friseeren doormiddel 
van eene pinscheer. 

— Hetzelfde als Piji)en. Z. ook oppinnen en pinsel. 

PIN NEUS, znW., m. — Scherpe neus. Ze hee' ne' pinneus. 

PIN RAAP, znw., v. — Langwerpige raap, op eenen beetwortel 
gelijkende. 

PINSCHÈÈR, znw., v. — Soort van tang, dienende om in lijnwaad 
ronde plooien of pijpen te maken of om het haar te krullen of te 
friseeren. Z. ook pijpschèér. 

PINSEL, znw., o. — Het werk van het oppinnen ecner muts 
of eeuen kraag. (A.) Z. oppinnen. Mijn muts is opgepind : wat e lijn 
pingel, he ? 

PINSEN, w.y o. — Aanhouden, voet bij stuk houden, niet 
opgeven (een woord in gebruik aan de dokken te Antwerpen.) De natie- 
baas, wiens mannen eene kraan moeten voortduwen, of een ander werk 
verrichten, dat groote inspanning vraagt, roept tot zijn volk : pinsen I 
pinsen ! (houdt aan, mannen, duwt maar -voort !) 

PIN STEEN, znw.y m. — Bij mulders. Steen die in den pinbalk 
zit en waar de pin der molenas in draait. 

PINT, znw,, v. — Oude vochlmaat, ¥x,pinte ; glas bier, Fr. chope, 

— Gep. w. 7'tiischen pot en pint^ al drinkende. Dat is zoo besproken 
tuss(ch)en pot en pint. 

•» Pot noch pint drinken, nooit naar de herberg gaan. Hij drinkt 
van ze' leven pot of pint. 

— *En stijve pint pakken^ liefhebber zijn van een goed glas bier. 

— 'En pint uithebben^ beschonken zijn. 

— Op zijn pinten gaan^ te bier gaan, naar de herbergen gaan om 
er bier te drinken. *s Zondags gaat hij op zijn pinten. 'Ne werkende 
mens(ch) mag in de week nie' op zijn pinten gaan. 

— Z. onder PINTJESMEESTER. 

PINTELEN, w., o. — Overmatig drinken, Fr. boire copieusement, 
D. B. Die mannen hebben op hun pinten geweest en ze hemmen goe' 
gepinteld. 

PINTJESBOEK, znw., m. — Tooverboek, Fr. livre de magie, 
grtmoire, (A,) 

PINTJESGELD, znw., o. — Geld dat bestemd is om er bier 
voor te drinken. Ik heb nog 'ne' frang over, dat is pintjesgeld. 

PINTJESMEESTER, znw., m. — Soort van genezer of wonder^ 
dokter, Fr. gucnsseur, empirique^ die de pijn afnemen kan. (K.) Men 
roept de hulp van den pintjesmeester in tegen tandpijn, brandwonden, 
zweien en nmlere eiterachiige gezwellen, die dikwijls hevige pyn veroor- 
zaken. De lijder vangt in een doeksken een weinig bloed of etter op 



— 9^9 — 

uit zijne wonde of zijnen zieken land en draagt het naar den wonder- 
dokter of laat het er henen brengen. De pintjcsmecster ontvangt het 
doeksken en steekt het in ecnen pot, pint genaamd, die een mengsel 
bevat van verschillende stoB'en, waar de pintjesmcestcrs alleen het geheim 
van kennen. De pint wordt matig op het vuur tot op eenen zekeren 
graad verwarmd en, naarmate de pint warmer wordt, voelt de lijder 
zijne pijn verminderen en eindelijk ophouden. Tegenwoordig hoort men 
weinig meer van pintjesmeestcrs spreken. 

PINTOP, znw., m. — Z. pindop. 

PINWÖRTEL, znw., m. — Spilwortel. T., R. De* pinwörtel van 
'non boom uÜöuljcu. 

PINZAAQ, znw., v. — Bij timmerl. Spanzaag om de pinnen te 
zagen, die bij wijze van nagels in 't hout gedreven worden. De pinzaag 
heelt denzelfden vorm als de schorpzaag, maar is zonder topje van boven. 

PIOT, znw.« m. — Soldaat bij het voetvolk, infantcrist, Kr, piéton^ 
pion, troupier, 

PIP, znw., m. — Ktoep, keelontsteking, Fr. croup, G. 

PIPI. Ptpi doen, pissen in de kindertaal. M. 

PIPPENDOOR (klemt, op door)^ znw., m. — Verbastering van 
het ¥i,pépin d*or^ een appel met goudgele kernen. 

PIPZEKSKB^N, znw., o. — Naam van den pink in een vinger- 
rijm. (Heist-op^en-Berg.) 

*PIRRIQ, z. *PiERio. 

PIS, znw,, m. en niet v. — Fr. urine, R. (Ook m. bq J.) 

— Spr. De roei Uet in de{n) pis^ ge zult gestraft worden. Wacht 
maar manneken, totda' ge thuis komt : de roei leet in de' pis. 

— Gep. w. Pis of kakf last. *t Is altijd pis of kak mee' u (ge 
verkoopt altijd last.) 

PI8BEZIBNDER, znw., m. ^ Piskijker, dokter die op het 
water meestert, Fr. uroscope, R, 

PI8BLOBM, PISBLOM, znw., v. — De bloem van de wilde 
snikerij. Z« molsalaau. 

PISKOUS, znw., V. — Minachtende benaming voor een kind 
van 't vrouwelijk geslacht. Hij hée' zes kinderen, en 't zijn allemaal 
piskousen. 

PISPOTTEN, znw., m., mrv, — Klokskensbloemen, Fr. campa- 
nules, 

— Men geeft ook dien naam aan de bloemen van het Vingerhoedkruiil. 

PISPRAAT, znw., m. — Praat voor den v.ink. 'i Is pispriat 
<lieë* ge vertelt. 



— 970 — 

PISSEBET, iiiw., V. — Bedeesd meisje of jongen. (A.) Ge zit 
daar gelijk *en pissebet. Wat *en pissebet van e meiske ! 

PISSEN, w., o. — Z. Wrdb. 

— Spi . ^\'ie{t) weten of men kakken of pissen wil^ z. KAKKEN. 

— V /s verloren gefloten^ als ^tpèèrd nie{t) pissen en wtl^ z. PRERD. 

— Ge moet op geene{ri) vetten akker pissen^ men moet geene nutte- 
looze uitgaven doen. 

— Hy h^e{ft) op 7 kerkhof (of in de maan) gepist^ zegt men van 
iemand die i.>ne weeroog heeft. 

— Wanneer een kind zich in een gesprek tusschen bejaarde menschen 
wil mengen, dan zegt men : zwygt kind en sprc{e)kt as de kiekens pissen, 
die licbhen lange pooten. Dat bet. : zwijg nu; later, als ge oud en groot 
genoeg /ijt, moogt ge meepraten. (A.) 

PISSIJN, znw., '\ — Pisbak, Fr. urinoir, 

PI >SIJNBÓi^R)STEL, znw.. m. — Groole stijve borstel met een 
kort bandvatsel, om de pissijnen te kuischen of uit te schrobben. 

PISTOLEE (uitspr. gelijk hci Fr. pistolet), znw., m. — Lang- 
werpige koek met in *t midden cene groef. (Ook in Brab. en 't Hag.) 

PISTON KRAAN, znw., v. — Z. ophaalkraan. 

PISTONNEKE(N, znw., o. — Knalpuitroon voor kinderpistool- 
tjes. 'En dooske pistonnekens. Pistonnekens zgn kleine ronde papierkens 
met een weinig knalzuurstof in. 

PISTOOL, znw,, o,, nooit v. — Fr. pistolet, 

— Spr. Hg mag pistolen dragen, zegt men van iemand die geweldig 
lomp is, willende beduiden dat hij dengene die lomper is dan hg, mag 
om verschieten, wanneer hij hem ontmoet. (K.) 

— 0/> 7 pistool zitten. Wordt gezeid van iemand die in voorloopige 
gevangenschap zit en zijne eetmalen op zijne kosten van buiten het gevang 
laat lirengen; die dus het eten van 't gevang niet neemt. 

PISZIENDER, znw., m. — Z. pisbeziender. 

PIT. znw., m. — Korte, dikke jas. R. Hij draagt winter en zomer 
ne* pil. Hij hée' zijne' pit weer meugen aandoen. 

PITSEN, w., b. en o. — Scherp nijpen, knijpen met duim en 
wijsvinger, met de nagelen of eene tang. Fr. pincer. Hij pitsten in mgn 
been. Dieë jongen zit altijd aan 't brood te pitsen. Hij heet e stuk van 
de vlaai gepitst. 

— Nauwelijks het voedsel aanraken, zonder lust eten. Gij cët nie', 
gij zit daar maar te pitsen. 

— AÜ. Pit se r^ jpv/^ï/j, 

— Kil, Pinssen, pitsen, vellere, s urn mis digitis premere, etc. 

PITSKEN, znw., o. — Heel weinig, klein stukje. Ge geeft me 
Z(K) O klei' pilsken van uwen appel. Vrgik. niTSKF.N. 



— 971 - 

PITTELÈÈR, znw., m. — Mansjas met lange en smalle slippen. 
Van 't Fr. pet-en-Vair, 

PITTENG (klemt, op teng), znw., v. — Gierig wijf. (K.) Van 
't Fr. putaine, *En gierige pitteng. 't Is 'en echte pitleng, die Mie. 

PJÈÈD, znw,, o., vïklw. />jrdje{n en pjt'reke{n^ mrv. pjt-cr. — 
Kemp. uitspr. van Peerd, Fr, t'fie7'al, 

PLAAG, znw., v. — besmettelijke ziekte, Fr. maladie contagit'nse. 
D. B. De plai^ is aaii de pataten. De plaag is iu veiil stallen. Danr 
sterven veul menschen van die plaag. 

PLAAI, znw., V. — Dikke plank die op de zul ligt en waarboven 
de Icemen muur l>eginl. (K.) T., R. 

PLAAIEREN, w., o. — Voortdurend in ecuen ziekclijken toestand 
verkeeren. ik plaaicr al wel meer as e jaar. Hij is oprecht nooit gezond, 
hij is altijd aan 't plaaiercn. Z. ook pi^xogkre.n. 

PLAAIERZIEKTE, znw.. v. — Kwijnende ziekte. (A.) Z. 

PLAAIKKEN. 

PLAAMKOP, znw., m. — Hoofd met weinig of geen ha-ir. 
(Rnpelstreek.) 

PLAAN, znw., v. — Bij sieenb. Stuk hout, voorzien van eenen 
steel, en dienende om de overtollige klei af of weg te strijken en den 
vorm toe te strijken en effen te maken, Fr. planoir, 

PLAASTER, znw., m. en niet o. — Hetzelfde als het Holl. Pleister, 
gips, Vï.pidtre, Jong., M. 

— V, Pleister, Fr. empldtre, 'En plaaster leggen op 'en wond. 

— Spr. ^t Is *en plaaster op 'en houten been^ 't is niet doelmatig, 
het kan niet baten. 

— Fig. lemahd die zijne kleederen bevuilt en i>evlekt. 'Efi vuil 
plaaster. Die plaaster beplakt al zijn kleeren. 

PLAASTEREN, bvw. — Pleisteren. E plaasteren beid. 

PLAASTEREN, w., b. en o. — Pleisteren, vastmaken met phiaster. 

— Fig. Zijne kleederen bevlekken. Hij plaastert zijn kleeren vol. 

PLAASTERBERD, znw., o. — Bij metsen». Klein vierkant bord 
met eene huiiahauf, waarop de plaaster ligt dien zij moeten gebruiken. 

PLAAT, znw., v. — (rroot metalen blad, waarop de bakkers brood 
in dcu oven bakken, Fr. plafofid, D. B. 

— Spr. De plaat poetsen^ ontvluchten, op de vlucht gaan. D. B,, 
Jong. (Ook in Liutb., Brab. en VI., z. Sch.; De kassier hi^et de plaat 
gepoetst mee' heel de kas. Den dief poetste de plaat. 

PLAATBROOD. znw.. o. — Brood «lat op platen gebakken is. 



-_ 9?2 — ■ 

Plaats, znw., v. ^ Betrekking, post. D. B. Hij heet daar 'en 
{;oci plaats. Naar 'en ander plaats uitzien. '£n plaats zuken. Héct dieè 
knecht no(; geen plaats ? 

PLAATSÉBREN, w., b. — Plaatsen, Fr. placer. (K.) 

PLADEDDBR (Kemp. pladddd^r^ klemt, op de tweede lettergr.), 
znw., m. — Dun slijk, drek of andere vuiligheid, T., Kl.-Br. Loopt deur 
dieë' pladedder nie'. In 'nea pladedder trappen. 

PLADj^RM (klemt, op ^erm), bu*. — In zyne volle lengte. Hij 
viel pladerm op de' grond. (K.) 

PLADIJS, znw., m. en niet v. — Hetzelfde als Platdijs in de 
Wrdb., Fr. plie. (Ook m. bij J.) 

PLADOOIBN (klemt, op i/ao/), w., b. — Foppen, bedriegen. Ge 
zult me nie' pladooiorv 

PLAFON(D), znw., o. en m. — Z. Wrdb. 

PLAGGBRBN, w.. o. — Vruchteloos geneesmiddelen aanwenden, 
voortdurend ziekelijk zijn. (K.) Ilij plaggert al *en half jaar aan zijn 
been. Ik heb lauk geplaggerd, maar nu ben ek toch genezen. Z. ook 

FiAAIEREN. 

— Afl. Geplagger. 

— '*Sch. geeft het nog voor de Kemp. in den zin van Plamuisteren. 
Z. dat w. 

PLAK, znw., m. — Op de{it) plak^ op den poef, op borg, Fr. a 
crédit» Op de' plak koopen. Hij haalt bij den hakker en in de' winkel 
alles op de' plak. 

PLAK en PLEK (Kemp. ook //tf^), znw,, v. — Plaats, ruimte, 
Fr. place. (K.) D. B., Hfft. Plak maken veur 'en ander. Ge zit hier 
op mijn plek. Daar is hier plak genoeg. Van plak veranderen. Hij gn' 
gecne' voet van plek. Ik heb plak te kurt in mijn huis. 

— Spr. Niet 7'anplak ktinnen^ in verlegenheid verkeeren, in armoede 
zijn. T., R. 

— Betrekking. Hij heet 'en goei plak. Naar 'en ander plak uitzien. 

— Stuk lands van zekere uitgestrektheid. 'En plek grond van 'en 
hectare. Op die plak zaai ik koren. 'En plek klaver, haver, pataten, enz. 

— Het vrklw. plakske{n^ plekske{n wordt gebruikt om eene kleine 
boerderij zonder peerden aan te duiden. D. B. Ik heb da' pleksken 
tegen Halfmeert gehuurd. Hij is op da* plaksken geboren. Dees pleksken 
is nog te koop. 

— In (de) plak {plek) van, in (de) plaats van, Fr. ati lüu de. D. B. 
In plak van daar naartoe ie gaan, is hij thuis gebleven. Werkt, luiaard, 
in de plak van te bédelen. In plek van te leeren, versnippert hij zijnen tijd. 

— Wordt algemeen gebruikt voor Vlek, Fr. tache, margue, D, B. 
HiTt. 'En koei mè' vosse plekken. Oe* kleeren zijn vol plakken. Daar 
is 'en vettige plek in de' muur. Die plakken zijn nooit meer uit de' 
vloer te krijgen. 

Kil. Placke, pleckc, macula» 



— 973 — 

PLAK, znw., m. ~~ Kleverige zelfstandigheid, waarmede men plakt, 
Fr. colle. Doe* wa' meer plak aan *t papier, anders houdt 'et nie*. Oieë 
plak is te dun. 

PLAKAGEZAAG, znw., v. — Bij schrijn w. Kleine zaag bestaande 
uit een getand latje, vastgeschroefd op een houten blokje, uitgesneden 
in den vorm van een handvat. 

PLAKALMANAK, znw., m. — Almanak die ergens op geplakt is. 

PLAKBBRD, znw., o. — Bg metseis on 1 czetters. Vierkant 
houten bord, met een handvat, waarop de mortel ligt die gebruikt wordt 
bq het plakken, voegen, aanstrijken van pannen, enz. Fr. palette. 

PLAKBOEK, znw., m. — Een boek, waarin de winkelier aan- 
teekent wat men bij hem op borg koopt. D. R. Hij staat op de' plakboek. 

PLAKBÖ(R;8TEL, znw.. m. — Groote stijfselborstel, plat van 
vurra en lang van baar en \oorzien van cenen steel of een koithand- 
vatsel. Wordt gebruikt door de behangers en plakkaatplakkers. 

PLAKET (klemt, op J^t), znw., o. — Oud geldstuk ter weerde 
van fr. 0,33. 

Zij heeft een kleed van merinos. 
Het kost maar vijf plaketten ; 
Het is geen rood of *t is geen ros. 
Maar 't berst gedurig los. 

(Uit een oud lied,) 

PLAKHAMBR, znw., m. — Bij schrijn w. Hamer dienende om 
de lijm onder de plakage te strijken. Het eene deel is vierkantig en 
langwerpig; het dient om te kloppen, te hameren ; het achterdeel is 
plat en wordt breeder naar het uiteinde. 

PLAKIJZER, znw., o. — Bij plafonn. Soort van truweel om te 
plafonneeren. 

— Fig. Iemand die overal blijfi plakken cf toeven. Die Jan is toch 
e plak^zer, hij weet van geen naar huis gaan. 

— Iemand die in winkels of herbergen schuld maakt. Da* plakyzer 
héct in alle winkels van 't dorp wa' staan. 

PLAKKAAT, znw., v. en niet o. — Z. Wrdb. 

— Fig. Vuile, vette vlek, klad op papier of Uluederen. M. Daar 
hangt 'en plakkaat op oe' kleed. 

PLAKKAATGELD, znw., o. -— De taks die op het auhplakken 
van plakkaten geheven wordt door middel van plakkaatstempels of — 
zegels. 

PLAKKAATPLAKKER, znw., m. — Iemand wiens brood winning 
bestaat in het aanplakken van plakkaten. 

PLAKKAATSTEMPEL, znw., m. — Stempel die op de plak- 
katen gedrukt wordt tot het beloop van den taks. 



— 974 — 

PLAKKAATZEGBL, znw., m. — Zegel die op de plakkaten 
geplakt wordt tot het beloop van den taks. 

PLAKKEN, w., b. en o. — Op borg halen, op krediet koopen. 
D. B. Hij heet in dieö' winkel meer as vijftien frang geplakt. Ze ga* 
maar naar winkels daar ze plakken kan. Hij plakt in alle herbergen. 

— Blijven zitten, toeven. Hij blijft overal plakken. Jan is dezen 
nacht tot twelf uren blijven plakken. 

— Bezetten met gips, mortel, leem, enz. D. B. *Ne' muur plakken. 

PLAKKEN en PLEKKEN, w., b. — Vlekken, Fr. tackcr, bij 
D. B. pukken. (Ook 'm Z,-Holl., z. oppr., jy.) Uw kleeren zijn heele- 
gans(ch) geplekt. Ziet da* ge oewe' schrijfboek nie' en plakt. 

— O. Vlekken veroorzaken. Water plekt nie*, maar olie wel. 

PLAKKER, xnw., m. — Iemand die i<> op borg haalt, op krediet 
koopt; 2^ in de herbergen blijft zitten. 

PLAKLÈÈRKBiN,znw.,o. — Rond schijfje leder met in*t midden 
een tijn gaatje, waardoor een koordje steekt, dat met eenen knoop eindigt. 
Die knoop, als een bolleken, past oiKier op *t gaatje. Het plaklèèrken 
wordt aan de onderzijde nat gemaakt en vast op eenen steen gedrukt. 
Trekt men nu met het koordje, dan zuigt het plaklèèrken in *i midden, 
terwijl de buitenrand aan den steen vastgekleefd blijft. Zoo halen de 
jongens kasseisteenen op. (A.) 

— Fig. Iemand die altijd vuil en bemorst is. (A.) 

PLAKPLAASTER, znw., v. — Iemand die overal blijft pleisteren 
en in de herbergen blijft zitten. Hij is bekend veur 'en plakplaaster. 
Ik ben n « ' geren mè' zoo'n plakplaasters op gank. 

— X'uile, morsige persoon. Mie is *en plakplaaster, ze plakt daar 
ze staat van de vuiligheid. 'En plakplaaster van 'ne* vent. 

PLAKSPAAN, znw., o. — Bg plafonn. Houten truweel, waar- 
mede de mortel aan den muur overstreken wordt, Fr. taloche. 

PLAMADE, znw., m. — Verkeerde uitspraak van Pommade, 
Fr, pommade» 

PLAMEI, znw., m. — Verkeerde uitspraak van Pommei, appelmoes. 

*PLAMMOTTEN, w., o. — Z. plamodden. Sch. geeft dien 
vorm voor de Kemp. 

PLAMOD, znw., v. — Vuile, morsige vrouw. *En plamod van 
e wijf. *En vuil plamod, 

PLAMODDEN (klemt, op mod\ w., o. — Morsen, in slijk en 
vuilnis roeren, Fi. patauger. Klein kinderen plamc^dden geren in *t slijk. 

PLAMODDER (klemt, op mod)^ znw., m. — Slijk, modder, 
vuilnis. Loopt nie' deur diec' plamoddcr. As 'et wa' geregend héél, dan 
is 't hier in <lc sirajit 'ne plamoddcr. 



^ 975 — 

PLAMODDBR, znw., v. — Z. plamod. 

PLAMODDEREN w., o. — Freii» van riamoddcn, Yt.patauger, 
Z. PLAMODDEN. 

— B. Te veel liefkoozen, streelen. De kindere» planiodderen de kat 
en bederven ze heelemaal. 

— Met de handen of vingeren vastnemen, heen en weer draaien, 
betasten, sprek. van viscb, vleedch, enz. (A.) PlamrKldert dieë' vibch nie, 
of hij ver her i zijn vers(ch)«gheid. 

— Afl. Gtplamodder, 

PLAMOES (klemt, op mo€s\^ znw., ni. — Plamodder, dun slijk. 
Loopt deur dieë' plamoes uie\ 

PLAMOEZBN (klemt, op tnoé)^ w.. o. — Ploddercn, ploeteren in 
slijk en vuUigheid. In 't slijk plamoezci . .Jicc jongen is beioovcrd om 
io 't slijk ie plamoezen. 

PLAMOT (klemt, op mot\ znw., v. — Z. plamoij. 

PLAMUISTER, znw., v. —Slons, slordig en vuil vrouwinensch.(K.) 

PLAMUISTEREN (klemt, op muis\ w., o. — Bevlckkcu, vuil 
en smerig werk verlichten. Plamuisteren is 't liefsten dat em doet. Die 
kinderen zijn hier weer aan 't plamuisteren. 

— Afl. Geplamuisier^ plamuiiterèèr. 

PLAM UURMES, znw., o. — Mes waarmede men plamuurt. 
Z. plamuren in de Wrdb. 

PLAN, znw., o. — Z, Wrdb. 

— Zifn plan trekken^ overleggen, regelen, hoe men iets op het best 
zal verrichten. Zooiank as ge thuis blijf l, jongen, zal ik veut oe zorgen, 
maar eens da' ge getrouwd zijt, kunde maar zien hoeda' ge oe' plan trekt. 
Ge moet nie' bang zijn, ik zal me' plan wel weten te trekken. 

PLAN EN, w., b. — Bij steenb. Z. akplanen. 

PLANK, znw., v. — De planken van de voeten^ het plat van de 
voeten, Fr. la plante des pieds. (Ook in Brab. en 't L. v. A., z. Sc'h.) 

PLANT, znw., m. en v. — Fr. plante, 

PLANTEIT, bvw. — Mild, vrijgevig, Fi. h.ii^c. (K.) Ge zij' 
planteit met oe' geld. 

— Overvloedig, Fr. abondant^ B., M., MdnI. plainthcit, Kii l^lcnty. 
De pataten zijn planteit dees jaar. De ap()eleu zijn goe' geluki, maar 
daar zgnder toch zoo planteit nie' as verle(d)un jaar. 

Kil. Flanteyt, huber^ aöundans, largus. 

PLANTER, znw., lu. — Plantaardappel. 

PLANTGOED, znw., o. — Al wat dient om geplant te worden. 
(Ook in Brab. en 't Meetjesl., z. Sch.) Plantgoed van patalen, l>oonen, enz. 



- 976 - 

PLANTSOEN, znw., o. — Verkeerde uitspraak van Blazoen. 

Z. BLAZOEN. 

PLAS, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Spr. In 'ne{n) natiën) pias js V gauw geregend^ een zwak 
mensch is gauw ziek. 

PLAT, bvw. — Fr. plat, Z. Wrdb. 

— Verg. Zoo plat als V« duit^ als V« Hollands{ch)e duit^ als 
V/f vijg, 

— Zeer week, malscb, Fr. tendrcy mou. De visch is te plat gekookt. 
Plat brood. 

Kil. Plat en morwe, mollis. 

— Verg. Zoo plat als zeep, als sptfst als 'en mispel, als stront. 

— Jong, sprek. van bier. R. Da* bier zal goe* zijn, as 't wa* gelegen 
heet, maar nu is 't nog te plat. 

^ Bleek en ziekelijk. Hij is genezen, maar hij ziet er nog plat 
uit. Zij ziet er zoo'n platte uit : zou ze wel gezond zijn ? 

— Slim, geslepen, doortrokken, Fr. malin. Hij is den duvel te plat. 
Ge zult mij nie' bedodden, ik ben ilaarveur veul te plat 

— Spr. De{n) platte spelen in de klucht , zich onnoozel houden, 
zich gebaren alsof men van niets weet. 

— Ondiep. 'En platte telloor. 'En platte schotel. 

— Plat ziek, zoo ziek dal men het l>ed niet verlaten kan. Plat 
ziek zijn, Fr. rtre cloue au Ut, Ze leet al acht dagen plat ziek. Ik ben 
nog liever plat ziek als tandpijn te hebben. 

— Spr. Platte hroókens bakken^ z. BROOD. 

PLATAF, bw. — Vlakaf, rechtuit, zonder omwegen. R. Ik heb 
*cm platnl gozeed da' 'k mee' hem niks meer wil te stellen hebben. 

PLATANT (klemt, op tant\ bw. — Z. fladerm. 

PLATBROEK, znw., v. — I^fTe, karakterlooze mensch. R. Onzen 
bötgemeester is maar 'en platbroèk. 

— In denzclfden zin geeA Sch. ook platzak^ maar dat beteekent 
hier iets anders. 

PLATBROÉKERIJ, znw., v. — Handelwijze van eenen laffen, 
karakterloozen mensch. 

PLATDRAAD, znw., m. — Bij wevers. Als een afgebroken ketting- 
draad door onoplettendheid niet weder aangeknoopt wordt, dan vallen 
er, in 't weven, twee ketingdraden bijeen cu vormen in 't weefsel wal 
men eenen platdraad heet. 

PLATON, znw., o. — Peleton. D, B. 

PLATROEI, znw., v. — Bij wevers. Platte lat, liggende tusschen 
den kam en den gareiibooui, achter de Icesroeikens en dienende om de 
scheringdiaden te scheiden en te vcrdeelen eer zij door de hevels gaan 
en den beet maken. 

PLATSJIRP, znw., m. — Zeer platte neus, Fr. nez c'crase', (A.) 



- 977 - 

PLATTEKÈÈS (klemt, op /vi'j), znw., m. — Versclic kaas. T., 
R., KI. -Br. Kil. Plattekèès zetten. In de* zomer eten tle boeren plattekêès 
op hun brood. 

PLATVOS, znw., m. — Slimme, geslepene kerel. 

PLATZAK, znw., m. — Doortrapte slimmerik, platvos. Ge zult 
'em nic* foppen : *t is zoo 'ne platzak. 

— Zwak, ziekelijk kind, meijsch of dier. T,, Kl.-Br. Dieë jongen 
ziet er maar *ne platzak uit, E platzakske van e kind, van e verksken. 

— Aardappel die, gekookt zijnde, weck en zeepachtig is. Da* zijn 
platzakken van pataten. 

PLATZAK, bw. — Zonder iets geschoten of gevangen te hcbbo-i, 
sprek. van jagers en vi-ischers. Mijne gebuur héél op d.» jacht geweest, 
en hij komt weeral platzak thuis. /. G:inscheh'»'>pe:i g iuMij^e lijnvi«;5chers 
ziet men platzak van de rivier naar huis kee»fn, » {Gazet van LUr^ 
22 Febr. *9i.) 

PLAVEI, znw., m. en niet v. — Z. Wrdb. lï. }. 

PLAVUIS (klemt, op zf««), znw., m. — Plasci, .loertegel van 
klei of leem. (N. der K.) Hfft. 

PLEBAAN (klemt, op baafi\^ znw., m. — Titel van den deken 
eener kerk, waar een kapittel van kanunniken is. 

PLEBANIE, znw., v. — De parochiën staande onder het geeste- 
lijk gezag van eenen plebaan. 

PLECHT. Tweede hoofdvorm van Plegen. 

PLEEG. Tweede hoofdvorm van Plegen. 

PLEET. Tweede hoofdvorm van Pleiten. 

PLEIN, znw., v. en niet o. — Opcne ruimte. (Ook in Brab., z. Sch.) 

— Bij steenb. Plaats op den grond, wr. ir men de pasge vormde steenen 
op rijen zet, om ze te laten bakdroog worden. 

PLEIN, znw., o. — Plan, plattegrond. (K.) Het plein van 'en 
huis. Ik heb 'et plein geteekend. 

PLEIN, bw. — Tot aan den boord vol, effen vol. De mand is 
zjost plein. Doet de' korf plein vol. De gracht sta' plein met de straat. 
Kil. Pleyn, effen, planus^ aegitus, 

PLEIT, znw., V. — Draaitol met platte klos, dien men onderarms 
uitwerpt. (A.) Z. ook paddestoel. 

PLEIT, znw., y. — Soort van vaartuig, een lage lichter met 
afgeronden kop. (A.) 

PLEIT, znw., V. — Pots die van boven niet bolachtig, maar 
plat is. (A.) 



IdiêtU^n 04 



- 978 ~ 

PLEK, /nw., V. — Z. plak 2». 

PLEKKEN, w., b. — Z. plakken 2«. 

PLEZANT, bvw. — Vroolijk, vermakelijk, aangenaam, plezierig. 
In de stad is 't veul plezanter as op den buiten. *t Is hier plezant om 
Ie woonen. *En plezante kermis. Oe' bruur is *ne plezante jongen. Ik 
gaan geren mè' Piet uit, 't is zoo 'ne plezante. 

— *Ne flauwe plezante^ iemand die flauwigheden verkoopt. 

PLEZIER, züw., o. — Vermaak, Fr, plaisir. Z. Wrdb. 

— Iemand plezier doen, hem dienst bewijzen. R. Kan ek oe plezier 
doen mee' e glas bier ? Gij hèt mij al dikwijls plezier gedaan met 't een 
en 't ander, 'et betaamt dat ck oe ook 'nen dienst bewijs. 

— Spr. Ge he{b)t nje{f) meer plezier als da{t)ge u zelven aandoet, 

— Het een plezier is het ander weerd, 

PLICHT, znw., v. en niet m. — Fr. devoir. Z. Wrdb. T., Sch.,R., J. 

— Schuld, in de uitdrukking plicht hebben, R. Ik wör' daarvan 
beschuldigd, en 'k heb er geen plicht in. Hij is gestraft en hij had geen 
plicht. Jan hee' plicht, anders zou em wel derven komen. Z. oud., V, 644. 

PLICHTIG, bvw. — Schuldig, overtuigd van misdaad, Fr. coupabU, 
Volgens Kram. nog enkel gebr. in sam. 

PLINK, znw., m. — De daad van eens te plinken, d. i. met de 
oogleden te knippen. (K.) 't Was op *nc* plink van 'en oog gedaan. 

PLINKEN, w., o. — Pinkoogen, met de oogleden knippen, Fr. 
cligner des yeux, (K.) Hij plinkte 'ne keer op mij, as hij mij zag. Ik 
heb heur op u zien plinken. 

— Afl. Flinker^ geplink. 

PLOCHT (in 't W. ook ploêcht). Tweede hoofdvorm van Plegen. 
Hfft. 

PLOD, znw., V. — Goedzak, goede sul, Fr. bonasse, 'En plod 
van 'ne' jongen, 't Is 'en goei plod. 

— Trage en vadsige persoon. Onze knecht is maar 'en plod. 

— Een kind dat geerne getroeteld wordt en zelf geerne fleemt en 
streelt. Die plod zou altijd op moeders schoot willen zitten. E ploddeken 
van e kind. 

— Iemand die in de herbergen blijft zitten en aan geen naar huis 
gaan denkt. Die plod heet deze* nacht weer tot twelf uren in de 
herberg gezeten. 

— Kwapoets, jongen die anderen geerne plaagt, niet uit kwaad- 
willigheid, maar uit lichtzinnigheid. Dat is toch 'en plod van 'ne' jongen ! 
Hij kan niemand nie' gerust laten. 

— Kat die zich van iedereen laat pakken of altijd bij 't vuur zit. 

— Hetzelfde als Smots of Kwezel, eenige lappen opeengenaaid, om 
de potten en ketels van het vuur te nemen of er over te hangen. 



— 979 — 

PLODDEKBCN» znw., o. — Vrklw. van Plod. 

— Influenza. (K.) '£t ploddeken hebben. Ik heb veertien dagen 
't ploddeken gehad. Ze liggen daar gcvijven met 't ploddeken. 

PLODDEN, w., o. — Sollen, ruw behandelen, in de armen nemen 
en er mede spelen. (K.) Mee' e kind plodden. Ge zit altijd met die 
kat te plodden, laat ze loopen. 

— Hetzelfde als Flodderen. Z. ald. 

— lietzelfde als Vluggen, sprek. van hoenders. Z. vluggen. De 
hinnen liggen in 't zand te plodden. 

— Afl. Geplod. 

FLODDEREN, w., o. — Met de voeten in 't water plonsen, 
trappelen, in water of modder morsen en plassen. De jongens plodderen 
geren in 't water. Wa' zilte daar in 't slijk te plodderen ? 

— Allerlei nat en morsig werk verrichten, zooals wasschen, schuren, 
enz. De week veur de kermis wordt er nogal wa' geplodderd, 

— Hetzelfde als Plaggeren, vruchteloos geneesmiddelen gebruiken. 
Hij heet al wel twee jaar aan zijn t>een geplodderd en 't is nog nie' genezen. 

— Afl. Flodder èèr^ geplodder. 

PLODDERWEEK, znw., v. — De week die de l.crmis vooraf- 
gaat, zoo geheeten, omdat er dan veel geplodderd, d. i. mci water gegoten, 
geklast en geplast moet worden. (K.) 

PLODDERWERK, znw., o. — Werk, waarbij veel moet geklast 
en geplast worden» (K.) 

PLOEG, znw., v. en niet m. — Fr. charrue, J. (Ook in Brab. 
en Limb., z, Sch.) 

— Ploegen die in God gelooven^ spotnaam gegeven aan de buiten- 
lieden die voor de katholieke partij kiezen. 

— Spr. Ze fftoesien hem in *en ploeg spannen^ zegt men van eenen 
man, die zyne vrouw mishandelt. Voorheen werden de vrouwenslagers, 
voor hunne straf, in eenen ploeg gespannen. 

— Bij timmer). Plocgschaaf, Fr. rahot a rainures. 

— Een zeker getal werklieden, b. v. i o of 12, staande onder eenen 
man die ze beveelt en betaalt. D. B. De werkliê die aan steenwegen, 
spoorwegen, enz. werken, zijn gemeenlijk verdeeld in ploegen, 

— Wordt ook toegepast op andeie lieden, die in benden verdeeld 
en al of niet door eenen man opgeleid worden. We waren daar mee' 
e schoo(n} ploegsken bijeen. 'En ploeg zatlappen. De een ploeg ging 
rechts en de ander link«. 

PLOEGBAAS, znw., m. — De hoofdman eener ploeg werklieden. 
D.B. 

PLOEGBALK, znw.,m. — Stuk hout boven aan den ploeg, waar 
bijna al de andere deelen aan vast zijn. 

PLOEGEN, w., b. — Z. Wrdb. 

— O. Geploegd worden. Da' land ploegt slecht, as 't nat is. 
•— In 't biljartspel. Zijnen bal recht doorstooten om den carambole 

te maken, zonder den band te raken. 



— 9^0 — 

PLOEGHOOD, znw., o., PLOEGKOP, m. — Het gcdeclie van 
den ploeg dal in het diep der voor glijdt, den ploeg vastheid geeft en 
er als de basis van is. 

PLOEGIJZER, znw., o. — Soort van halve lans aan eenen ploeg, 
Fr, soc de charme. Het ploegijzer maakt de snede los van onder, terwijl 
het kouter ze zijlings af-inijdt. 

PLOEGKENNEF, znw., m. — Stuk ijzer, van galen voorzien 
vóór aan den ploeg, waar het peerd aan gespannen wordt. 

PLOEGKOP, znw., m, — Z. ploeghoou. 

PLOEGRISTBR. znw., m. — Z. rister. 

PLOBGSLEUTEL, znw., m. — Oogvijs om den ploegvoet vast 
te zetten. 

PLOEGVIJS, znw., v. — Z. ploèosleutel. 

PLOEGVOET, znw,, m. — Stuk hout in den vorm van een voetje, 
aan het voorste uiteinde van den ploegbalk, dat op en neer kan schuiven 
en de diepte der voor regelt. 

PLOEZBN, w.,o. — IMonsen, plodderen, plassen in 't water, (K.) 
In 't water ploezen. Hij viel in de gracht en we hoorden 'em ploezeo. 

— Afl. Ploezcr^ gepÏQes, 

PLOK (in 't W, cioVplon). Tweede hoofdvorm van Plukken. 

PLON, bvw. — Komt voor \\i\ plontu saai, zachte sajet of brei- 
garen. Er is lichte en donkere plonne saai. 

— Plonne rokken zijn zachte geweven wollen onderrokken. 

PLOOI, znw., V. — Fr. pit. 

— Fig. ('loede staat, behoorlijke gesteltenis. D. B., T., R,, Kl.-Br. 
De zieke is weer op zijn plooi gekomen. Da' werk is nu weer op zijn 
plooi. Het bier zal wel op zijn plooi komen, as ge 't maar wa' laat liggen. 

— Spr. Tïtsscfien de plooien vallen, van weinig belang, niet hoog 
op te nemen zijn, bij D. B. in de plooien i>allen. Dat hij nu en dan 
te laat komt, da' valt tusschen de plooien. Hij hée' mij betaald op 
éénc' frang na, maar dieö valt tuss(ch)en de plooien. 

PLOOI BANK, znw., V. — Bij smeden. Bank waarop men plaatijzcr 
plooit of buigt. 

PLOOIBERD, znw., o. — Bij strijksters. Plank met de twee 
bovenste hoeken afj^crond cii overtrokken met eenen doek, die er aan 
vastgenaaid is. Het plooibcrd dient om in fijne hemden onder de borst, 
tijdens het strijken gestoken te worden. Zoo kunnen de strijksters de 
borsten dier hemden fijn en gelijkmatig plooien en strijken. Sommige 
plooibcrdcn hebben de vier hoeken afgerond. 

PLOOIMACHIEN, znw., o. — Bij smeden. IJzeren tuig om 
wielbandcn te buigen en rond te plooien, Fr. machine d cintrer. 



— gSi — 

PLOOITANG, znw., v. — Bij smeden. TaDg om ijzeren platen 
te plooien, te buigen, te krommen, D. B. 

PLOOS. Tweede hoofdvorm van Pluizen. 

PLOTS, bw. — Plotseling, schielijk, Fr. toui-a-coup^ subitement. G. 
'Et luw ij t was plols gedaan. Hij is plots gestorven. 

— Volgens Kram. wordt dit w. weinig of niet gebruikt. 

PLUIM, znw., V. — Fr. plumr, panache. 

— Al wat naar ecne pluim gelijkt, Fr. houppe^ touffe. De pluimen 
van 't riet. De Spaans(ch)e lerf draagt 'en pluim op hcure aar. 

— Spr. Iemand van haar noch pluim kennen^ z. HAAR. 

— Haar en pluim vechten^ z* HAAR. 

— Op pluimen van zesvoet lan^oïop lange pluimen slapen^ op stroo. 

— Iemand e pluimken geven ^ hem prijzen, een complimentje geven. 

— Dat is e pluimken op zynen hoedy dat verheugt en vereert hem. 

— De pluimen maken dc(n) vogfl^ de kleedeten maken den man. 

— levers van zijn pluimen laten, er aan toeleggen, het bekoopen. 
In den oorlog van '70, hèct de Frans(ch)nian van zijn pluimen gelaten. 

— Iet doen om e pluimken te halen, om daarvoor geprezen te 
worden. Hij meenden e pluimken te halen mè' zijnen dienst aan te 
bie(d)en, maar ze hadden 'em nie' noodig. 

— E pluimken op zynen hoed steken^ zich de verdiensten van iets 
aanmatigen. 

— Iemand 'en pluim of *en veer steken, hem iets kwaads 01 
nadeeligs toebrengen. As em er de kans veur heet, hij zal nie' wachten 
om oe *en pluim te steken.- 

PLUIMBÖ'R)STEL, znw., m. — Vederstoflfer, Fr. plumeau. 
D. £f. Met de* pluimborstel de meubelen afstoffen. 

PLUIMEN, w., b. — Fig. Plunderen. D. B, De roovers pluimden 
den reiziger. Hij wier' daar gepluimd. 

PLUIMSTÈÈRT, znw., m. — - Vcderbosvormige, langharige stcert. 

— Hund die zulUen steert heeft. 

PLUIMZIEKTE, znw., v. — Ziekte van vogelen diehunne pluimen 
verliezen, niet enkel in uen tijd van het ruiven, maar geheel het jaar door. 

PLUISKENS, znw., o., mrv. — Soort van anjelier, Dianthus 
plumarius L. 

PLUIZEN, znw., v., mrv. — Eene bloem, in de wetenschap 
Eriophorum augustifolium Hoppe. 

PLUK, znw., m., zonder miv. — Pluksel, uitgerafeld of uitgeplozen 
lijnwaad, Fr. charpie. (Ook in VI., Brab. en N.-Br., z. Sch.) 

PLU KB AAR, bvw. — Bekwaam om geplukt te worden, sprek. 
van fruit. Die appelen zijn plukbaar. 



— 9^2 — 

PLUS, znw., m., zonder mrv, — Hetzelfde als Pluis, ¥t, péluche. 
Heel de vloer lee* vol plus. Raapt dieë' plus op. 

PLUSSEN, w., o. — Plus afgeven, pluizen. Fr. s*<fplucker. 
Die stof plust geweldig. 

PLUT, bw. — Plut zi/n, alles verloren hebben in *t spel. 

PLUUT, bw. — Z. PUUT. 

PLUVIER, znw., ni. en niet v. — Z. Wrdb. 

PODDOMME(N, PODDOME(N, PODDORIE, PODDO- 

ZIE (klemt, op de tweede lettergr.), tw. — Soort van bastaardvloeken. 

PODSTOOTER, znw., m. — Z. potskop. 

♦POEDEREN, * POEIEREN, w., b. — c Opzetten, vleien, 
opbeuren. Poeiert hem maar, tiij zal tevreden zijn, » 

— « Iemand onaangename dingen zeggen. > 

Volgens Sch. wordt het w. in de eerste opvatting gebruikt in Brab. 
en Antw., en in de tweede, in de Kemp. 

POECHEL, znw., m. — Rug, schoft, bochel, bij M. pokkel, bij 
W.iy.pochcL (A.) Iemand wat op zijne* poëchel geven. Vrglk. dévA^/, bult. 

POECHELTJE, znw., o. — Puistje. Heel ze' gezicht sta* vol 
poëchel tj es. 

POEF, znw., m. — Doffe slagklank, slag. D. B, Het geweer gaf 
*iie' poef. Heddc dieë' poef gehoord f De lamp gaf 'ne* poef en ze was uit. 

— Op den po^f^ op den pof, op borg, Fr, a crédit. Hij haalt 
overal op de* poef. Op do' poef koopen. Dieë winkelier geeft nie' meer 
op de' poef. 

— Tw. Hetzelfde als Pof, Fr. pouf. Poef! zee *et gewèèr. Pif! 
poef! paf! 

— Bw. Plots, Fr. tout^'Coup. Hij hiel' poef op mè' spreken, 't Is 
poef gedaan. 

— Poif uit^ geheel uit, sprek. van vuur en licht. 'Et vier is poef 
uit. Hij blaasJe de lamp poef uit. 

POEF, znw., m. — Moed, lust, bij Kram./»/". Daar zit geene* 
poef in dieë' jongen. 

— Op iet geene{n) poef hebben^ er geenen lust toe gevoelen. Ik 
heb er geene' poef op om nog zoo laat uit te gaan. 'Ne luiaard hëe' 
geene' poef om te werken. 

POEF, znw., m,y\xW^, pdPfke^n. — Puistje, bobbelije. (K.) Hg 
hée' ze' gezicht vol poefen. Daar staat e poef ken op oe veurhoofd. 

POEF, znw., V, — Zeer bolle plooi. Poefen maken in 'en mouw, e 
kleed. 

— Dik, opgeblazen vrouwmcnsch. 'En dikke poef. Wa' poef van e 
wijf is da' 1 



- 983 - 

POEF, znw., ip. — Min of meer bolvormige uitzetting vanden 
rok bij vrouwen, op den rug beneden de lenden. Om dit uitzetten of 
opblazen te bekomen, droegen de vrouwen onder het kleed een dik 
gevuld kussentje, dat in"^e lenden vastgebonden was. Andere vrouwen 
lieten den poef opzetten door middel van baleinen of ijzeren riemkens, 
die het kussentje onnoodig maakten. Die dracht is sinds een tiental 
jaren in onbruik geraakt. 

POE FEL, znw., m. — HetzelfJe als Poef, bobbel. Ze* gezicht 
sta' vol poëfels. 

FOEFELEN, w., o. — Drukt het geluid uit, dat groen of nat 
hout al brandende maakt. (K) Z. PoeFEN. 

— Afl. Gepoefel. 

POEFEN, w., b. en o. — Hetzelfde als Poffen, op borg koopen, 
"Fr, prendre a credit, B. Zg gaat overal poefen. Hier wordt nie* gepoefl. 
Dieë winkelier kan tegen *et poefen nie' tegen. « Er is geen brood 
meer, en wij mogen niet meer poffen, uit vrees van de menschen niet 
te kunnen voldoen. » (Zetternam. Mijnheer Ltichtervelde ^ 15.) 

— Wordt gezeid van het geluid, dat nat of groen hout al brandende 
maakt. Dat hout wilt nie' branden, 't leet daar maar te poefen. 

— Met eenen poef openspringen, zooals kastaniën doen, wanneer 
men ze in 't vuur braadt. 

— . Ook b. In de heete asch braden. Kastaniën poefen. Gepoëfte 
kastanies. B. 

— In zeer bolle plooien leggen. Mouwen poefen, Gepoëfte mouwen. 

— Blazen, zooals de katten doen als ze kwaad of bang zijn. De 
kat poëfte, as ze den hond zag. 

— Proesten van lachen, versmoord lachen. Ze zaten daar te poefen 
en te lachen as zottinnen. Me kosten onze' lach nie' meer inbouwen, 
en den eene begost veur, en den andere naar, te poefen. 

— Afl. Polfer, gepolêf. 

POEFER, znw., m. — Vuursteksken, lucifer, Fr. allumette chitni- 
que^ dat eenen poef geeft als men het aanwrijft. 'En doosken poëfers. 

— Papieren balletje met stukjes glas en knalpocder gevuld, dat met 
eenen knal openspringt, als men het op den grond werpt, Fr. pétard. D. B. 

— Suikergoed in gekleurd papier gewonden met een weinig knal- 
poeder, dat knalt als men 't opentrekt, Fr. bonbon casaqtie* D. B. Bij 
't nagerecht brengt men poëfers op tafel. Ook Knetser. 

POEIER, te Antw., en POIER in de Kemp., znw., o. — Poeder, 
buskruit, Fr. poudre. 

POEIERDOOS, POIERDOOS, znw., v.— Doos met buskruit. 

♦POEIEREN, Z. *POEDEREN. 

POEIERFABRIK, POIERFABRIK, znw., o. ~ Buskruit- 
fabriek. 



— q84 — 

POEIERHOREN, POIERHOREN, znw., m. — Kruithooni. 
Fr, poud/ÏLie, 

POEIERMAGAZIJN, POIERMAGAZIJN, znw., o. — 

Buskiuilinajja/ijii, 

POEIERTOREN, POIERTOREN. znw.. m. - Kruittoren, 

Fr. tour II poiiart'. 

POEIERVAT, POIERVAT, znw., o. — Kruilton, Fr. *^r// a 
poudre. 

POEKEL, z. POKKEL. 

POÉLIE, znw., V. — Z. PUL. 

POÊMEL, znw., v. — Kort, dik vrouwspersoon (K.) M. *En 
pocniel van e wijf. '£n dikke poemel. 

POBNS, znw., m. — Punch, een drank. 

POEP, znw., V. — Achterste, aais, Fr. derrière, (K.) Hij viel op 
zijn poep. £ kind wat op zijn poep geven. 

POEP, znw., V. — Uilspr. van Pop, Fr. potipe'e. Z. POP. 

POEPER, znw., m. — Spr. Wat deur den roeper kan, kan deur 
den poeper^ z. KOEI'ER. 

— Melkbaard, Fr. blanc-bec. 

— Met de poepers zitten, met angst zitten, in groote verlegenheid 
of VI ces verkeercn. Dieë student zit met de poepers : hij vreest dat i 
zal gebuisd wörren. 

POES, znw., V. — Fr. chat, 

— Spi. Van de poes, van geene of van kleine weerde, van weinig 
belang of aangelegenheid. As hij iel len beste geeft, dan is 't nie* van de [>oes. 

— Luis, Fr. pon. Hij hce* j)Oczcn op. 

— Dik, stiuibch mei^je, dut de kinderjaren voorbij is. 

— Uitblug van kalk, vlokkige schimmel. B. Daar staan poezen 
op de* muur. 

POESJE, znvv., m. — Z. poesjenellekelder. 

POÈSJENELLEKELDER, znw., m. — Een tooneel met 
poppen, Fr. theatre des manoncttes, zooals er thans nog bestaan in de 
volkswijken te Antwerpen. De vertooningen hebben plaats in eeuen kelder. 

POÈSJENELLESPEL, znw., o. -— Poppenspel, Fr. jeu de^ 
mariofiettes. 

POESKENS, znw., o., mrv. — liet wit wollig bloeisel van onder- 
scheidene wilgensoorten. 

POETS, znw.. v. — Fr. tour. Z. Wrdb. 

— IVéts icederom poVts spelen^ iemand op zijne beurt ecne poets 
bakken» 

— Snaak, een jongen die niemand kan gerust laten. 'En poets van 
'ne' jongen. Dieë jongen wordt 'en groole poets. 



— 985 - 

POETS, znw., in. — Hond in de kindertaal. (Z. der K.) Hier is 
Ue poëis. De poets zal bijten. 

POETSEN, w., b. — Toebrengen, aandoen. T, Da* 'k mijn plaats 
kwijtgeraakt ben, dat heet oc* bruur mij gepoetst, 

— Heimelijk wegnemen, T. Wie hoe' mij* geld gepoetst? 

— Vluchten. T. Hij ging poetsen. 

— Spr. De plaat poetsen^ z, PLAAT. 

POEZEMIN, znw., v. — Troetelnaam van eene kat. 

POIEL, zuw., o. — Gewestelijke uitspraak van Poederlee, een dorp 
in het arrondissement Turnhout. 

POIER, znw., o. — Z. poeier. 

POIBR, znw., m. — Tros pieren, die als lokaas aan 't einde van 
den puieisLoK vast is, om paling te vangen, in *t Z. der Kemp. POOR, 
by D. B. pture. 

POIEREN, w., b. — Paling vangen met den poier, in 't Z. der 
Kemp, POREN, bij D. B. peuren. Paling poieicn. 

— Ook viv-chen melde hcngelroede, Vi. pêcher a la ligne dormante. 
Gaan poicren. Wij hebben gi:>teren den heclcn achternoen gepoicrd. 

Kil. Poyeren, fuscina phcari, 

POIERSTOK. POORSTOK, znw., m. — Lange stok, waar 
de poier aan uaugi om paling ie vangen. 

POINTILLEN, z. pontillen. 

POK (m 't Z. poêk)^ znw., v. — Z. Wrdb. 

— Zwarte pokken^ soort van gevaarlijke pokken, Fr. varioU he'mor' 
rhigique. 

—^ De metsers noemen pokken de kleine, ongebluschte kalksteen ij es, 
die in den plaaster of mortel ziiten, waarmede men eenen muur beplakt 
en die later, opengaande, zich uitzetten op do beplaasteiiug en openbêrsten. 

POKE(N, znw., o. — Ledepop, die de kunstschilders gebruiken. 

POKKEL, POEKEL, znw., m., meest in den verkleinv. />okkeltje, 
poekcUje, — Pal^lje, pikReilje. Hij hee' ze' gezicht vol pokkeltjes staan. 
Ge hèt e poëkeltjen op oe' kaak. 

'i'POKKELING, znw., m. — Z. pokkel. 

POKSMOEL, znw., m. — Pokdalig aangezicht. 

— Iemand die van de pokken geschonden is. 

POL, znw., ra. — Verkorting van Leopold en Polydoor. 

POL, znw., m. — Hand in de kindertaal, bij D. ^, poele, polle^ 
V. (Ook in Brab. en 't L. v, W., z. Sch.) Kind, geef mij *ne' pol. 
Oe' poliekens zijn koud. *£t kind hée' ze' pollekcn verbrand. Krijgt vader 
*ne* pol? 



— 986 — 

POL, ^nw., m. — Klein brood van den overschot deeg gebakken. 
(K.; 'Ne pol is kleinder as e gewoon brood. E polleken bakken. 

— Te Antw. is een pol of een polleken een kleine pannekoek, 
ter grootte van een kinder handje. 

POLDER, POLDER, znw., ra. — Z. peülder. 
Kil. Folder, galUnarium. 

POLDERKALF, znw., o. — Z. polderkörts. 

POLOERKORTS, znw., v. — Moeraskoorts, koorts eigen aan 
de poiöeis, Fr. jièvre des maratlr, anders ook Polderkalf en Polder- 
meütten genaamd. D. B. vertaalt het door fièvre palludienne» 

POLDERMEÜTTEN, znw., m. — Z. polderkörts. 

POLEN, w., b. — Van de peul ontdoen, pellen, Fr. écosser, 
(Z. 'ier K.) T., R. (Ook in Limb. en Brab., z. Sch.) Boonen polen. Die 
crtcn moeten nog gepoold wörren. 

Kil. Polen, decor ticare. 

POLFER, bw. — Polfer verbrand^ tot pulver verbrand. 
Kil. Polffer. pulvis, 

POLFERZOT, bvw. — Heel en gansch zot. Hij wordt nog polferzot. 

POLI CE N (klemt, op //), w., b, — Des avonds de ronde doen, 
na het luiden der policieklok, om te zien of de herbergen gesloten zijn en de 
overtreders te beboeten. Den burgemeester gaat dezen avend policen. 

POLICIEKLOK, znw., v. — De klok die 's avonds geluid wordt 
en het sluiten der herbergen aankondigt. De policieklok luidt om lo uren. 

POLIEREN, w., b. — Polceren, polijsten, ¥ï, poltr. 

POLIERVIJL, znw., v. — Bij smeden. Een werktuig in den vorm 
eener vijl, maar zeer fijn geslepen en dat dient om gevijld metaal meer 
glans te geven, Fr. brunissoir^ Itssoir. 

POLITIEK, znw., o. en niet v. — ¥r, polittque, 

POLITIEK, bvw. — Min of meer dwars, wederstrevig. Ge meugt 
7.00 politiek uie' zijn. Ik ben nie* geren bij Sus, 't is zoo *ne politieke. 
As era wa* gedronken heet, dan begint em politiek te wörren. 

POLITOOREN, w., b. — Hetzelfde als Polijsten, Fr. polir, 

POLITOORSEL, znw., o. — Wat dient om te poUtooren, te 
polijsten. 

POLKA, znw., m. en niet v. — R. 

POLKEN, w., o. — Omzien. \Z. der K.) Gre meugt in de kerk 
zoo nie' polken. 

POLLEKOOF (scherpe o), znw., v. — Sint-Jansbloem, Chrysant 
the mum leucanthemum. (Z. der Ka) 



— 987 - 

POLLBVIE, znw., m. en niet v. — HeUelfde als het Holl. Pollevij, 
hiel of achterlap van eenen schoen. R., Jong. 

— Zy« pollevieën vegen aan iemand of aan /<?/, z. BOTTEN. 

POLSEN, w., o. — Diep door slijk of water waden. (Ook in 
VL, Brab. en Kl.-Br., z. Sch.) Deur 't water polsen. Hij polst overal 
maar deur. 

POMMADE, znw., m. en niet v. — Z. Wrdb. 

PO MM EL, znw., v. — Z. PoeiiEL. 

*POM MELEN, w., o. — c Wroeten, slaven. » 
Sch. geeft dat w. voor de Kemp. 

POMP (in 't Z. en W. poimp), znw., v. — Z. Wrdb. 

— Zijn pomp is a/, zgne krachten zijn uitgeput. T. 

— Hij heeft geen geld meer. 

— Z^ne goede betrekkingen zijn afgebroken. T. Hij was daar vruger 
wit, maar nu is zijn pomp daar af. 

PO M PAF, bw. — Bekaf. Ik ben pompafvan die trappen op en 
af te ]oopen« 

POMPELOEN (klemt, op loen), znw., m. — Kikvorschen-larve, 
Fr, tétardy bij Kil. popelioenken. De beek zwemt vol pompeloentjes. 
Z. ook DIKKOP en potskop. 

POMPIG, bvw. — Afgunstig, naijverig. (K.) Dieë winkelier is 
pompig, oiuda' zijne gebuur meer verkoopt. 

POMPOEN, znw., v. en niet m. — Eetbare kauwoerde. 

POMPOEN EPAP, znw,, v. — Melkpap met geraspte pompoenen 
toebereid. (K.) 

En als 't te Kastel kermis is. 
Eten de boeren lijk beesten; 
Veel beenen en weinig vleesch, 
Pompoenepap *t alder mees ten. 

i^Spotrym op de inwoners van Casierlee.) 

PONDEN EUR, znw., m. — Verbastering van 't Fr. point d'hon- 
neur. Hij houüi 'eiii op zijne' pondeneur. 

PONDS(CH), bvw, — Pondsche kèèrsen^ waskeersen die een pond 
wegen. 

PONDSGEWICHT, znw., o. — Gewicht per pond berekend, 
in tegeustelliug van kiiosgewicht. 

PONDSGEWIJS, bw. — Pondswijze, Fr. par livre. 

PONDVOD, znw., v. — Alle goed dat versleten is en in de vodden 
geworpen wordt. (A.) 



— 988 - 

PONTILLEN. POINTILLEN, zl.v., v., mrv. — Op zijn 
poiutilUn zijHf puiilig. nauwkearif^, nauwziende zijn in of om hetgeen 
men doet, Fr. tUr^ pointillenx. (Ook in Brab. en 't Hag., z. Sch.) Die 
meid is fel op heur pointillen. 

— Lichtgeraakt, gauw gestoord zijn. Hij is seffens op zijn pontillen. 

— Te Anlw. is dit w. mann. en wordt er meest in *t enkelv. gebruikt. 

POOIKE(N, /nw., o. - Pecrd in de kindertaal. 

POOK (zachte o), znw., v. — Snaak, kapoen. 'En aardige pook. 
'En pot/, van e manneken. 

— Dikke pooky zwaarlijvig vrouwspersoon. (Lier.) 

POOL, znw., m. en niet v. — Fr, póU. 

POOL (zachte 0), znw., v. — Peul, pel, de schelp van erwten en 
booiieij, Fr. cosst\ gonsde. (Z. der K.) R. Er zijn erten die me' pool 
en al geëten wöt"'". 

Kil. Pole, peule (Sicamb., Holl.), pericarpium. 

POOLBOONBN, znw., v., mrv. — Boonen die gepoold of gepeld 
worden. (Z* <ier K.) 

POOLERTEN, znw., v., mrv. — Erwten die van de doppen 
of schelpen oaidaan worden, eer men ze eet, Fr. pois a ccosser, (Z. der K.) 
T., R. 

POONT (scherpe o), znw., m. en o. — Wordt in 't Z.-O. der prov. 
Antw. gebezigd voor Punt, in den zin van het Fr. point en pointe, D. B. 

POOR (zachte 0), znw., m. — Z. poiek 2'. 

POOR (zachte o), znw., m. — Porei, prei, Fr. poireau^ L. Allium 
portNm,{^Z.'-0, c\ex K.) (Ook in Belg.- en Holl.-Limb., z. Sch.) Poor 
zaaien. 'En bed poor. R. 

— Sam. poorbed^ poor soep ^ poorzaad^ enz. 

POORSTOK, znw., m. — Z. poierstok. 

POORT, znw., v# — Fr. porte. Dat w. wordt bijna overal mei 
scherp!., ciocii in 't Z. der Kemp. met zachtl. o uitgesproken. 

— Ark, triomfboog, piaalboog, Fr. are de triomphe, (A.) 

— Aars, achUTbie, podex^ anus. Kil. Poorte (vetus, Fland.) anui. 

POORTJESBEENEN, znw., o., mrv. — Beenen met uitwaarls 
gerichte kmeën, i>€nu varum. (A.) Dieë mens(ch) hée' poortjesbeenen, 
Fr. // e:>t biincal^ il a les Jambes tortues, 

POOS, /.nw., V. — Eene wijl lijds dat men met iets bezig is. Veur 
'nen doo(d)e luidt 'et drij poozen. 't Is al twee poozen geluid. *En poos 
slapen. 

— Afe{f) [zij fi) poozen^ bij tijds, nu en dan. Het régent mè* poozen. 
't Is mè' z'n poozen schoo(n) weer. Mè' poozen is i ziek. 

— * En poos doen^ e poosken pakken^ een uiltje vangen, ecnc wijl 
slapen. Ik beu gewoon na den noen e poosken te pakken. Houd nu 
maar op mè' slapen, ge hèt al 'en god poos gedaan. 



-989 — 

POOT, znw., m. en niet v. — Plantstek, Vx. plantard, pianfon. 

— Spr. Poten worden boomen, kinderen worden mannen. 

POOT, znw., m. — Voet van dieren, Fr. patte^ pied, Z. Wrdb. 

— In gemeene taal wordt poot ook j];ebruikt voor <ie hand of den 
voet eens menschen. Hij kost op zijn pooten nic' meer staan van zattigheid. 
Ge kunt nieverans oc' pooten nie* afbouwen. 

— Met hood en poot^ z. HOOD. 

— Te poot zyn^ goed of slecht kunnen gasii. llii is slecht te poot. 

— Op zijn pooten stoan f ^oe\\ aaneenhangen, spiek, van een opstel, 
enz. Da* verhaal sta* nie' goed op zijn poolen. 

— Op zyn pooten zetten^ in behoorlijke orde en verband zetten. 
Zet dieë* volzin is wa* beter op zijn pooten. 

— Onder iemands pooten vallen, in /ij c Inndcn vallen, vastgegrepen 
worden met gevaar van mishanileliug. 

— Uit iemands pooten geraken, uit zijne handen geraken, iemands 
streng- en wreedheid ontkomen. 

— Op zijne{n) poot spelen^ in gramschap tegen iemand uitvaren. D. B. 
(Ook in Brab. eu Limb., z. Sch.) De meester speelden op zijne* poot, 
omdat de leerlingen hun les nie* en kosten. 

— Geen pooten me{t) iemand uitkunnen^ er niet mede over de baan 
kunnen, er niet mee kunnen handelen. Ge kunt er geen pooten mee 
uit mè* zoo 'ne' knecht: hij verstaat alles verkeerd. 

— */ Zal er met de pooten uithangen^ 't zal weinig schelen of het 
gebeurt niet. Kun Ie tien trein nog hemmen ? Ja, maar 't zalder met de 
pooten uithangen. Was hij er op tijd ? *t Hing er met de pooten uit. 

— Pootjes geven^*\oot vriendelijkheid en vleierij iemands gunst trachten 
te herwinnen. Over e jaar kost hg mij nie* genoeg belasteren, en nu 
komt hij pootjes geven. 

POOT (scherpe o), znw., v. - Wortel, pee, peen, Fr. carotte. 
(Z.-O. der K.) T., R. Roo(de) en gèèl* pooten. 'En bed pooten. Bij B. bet. 
poot roode beet. 

— Sam. Hof pooten^ veldpooten^ pootgrond^ pootzaad^ enz. 
Kil. Poote, poie, pee, sifer. 

POOTEREN, w., b. — Heimelijk wegnemen, stelen. Hij heet 
daar twintig frang gcpooterd. 

— O. Bedrog doen bij het spel, nr.et te ver vooruit te komen staan, 
zijnen marbol te ver vooruit te siekcn, enz. Opnieuw schieten ! Gij hét 
gepooterd ! Nic* pooleren ! 

— Afl. Pooterèer, ge pooler» 

POOTMANNEKE^N, znw., o. — Borrel rouden bitter. (A.) Geelt 
me nog e pootmanneke. 

POOTVAST (klemt, op vast), bvw., enkel ais gezegde. — Niet 
geefachtig, niet mild, die de handen gesloten houdt uit gierigheid. Pootvast 
zgn. Ge zult van dieë' vent nie' vcul bekomen, want hij is pootvast. 
Vrglk. HANDVAST cn HOUVAST. 



— 990 — 

POOTVLEES^CH), znw., o. — Gezoden rundsvleesch van de 
pooten, (lat geperst wordt. 

POOTZAKKEN, znw,, m., mrv. — Spotnaam op de inwoners 
van Vorst, een dorp in 'i kanton Westerloo. 

POOTZIEKTE, znw., v. — Zekere besmettelijke veeziekte. T. 

POP (in *i Z. en W. paêp>\^ znw., v. — Speelpop; — opgetooid 
meisje; — rupsennest. 

— Graanaar die door stuifbrand of nia<ïsel aanj^edaan is. (K.) Er 
zgn poppen in de terf. De poppen in de haver. 

— Wijfje van zingende vogels. D. B. De pop van 'en goudvink, 
nc' nachtegaal, enz. Ik heb daar 'en spreeuw gevangen, maar 't is 'en pop. 

— Flesch genever waar gence:»kruidcn op gezet zijn. D. B. 'En 
borrelijc van de pop, 

— Bij sigarenmakers. Het binnenste, de ziel van eene sigaar, waarrond 
het builcnblad gerold is. 

— Rol geldstukken, in een papier gerold, kardoes. T. 'En pop centen 
van 'ne' franp. 

— Bij metsers. Dun, langwerpig iiusseltje stnx) dat men tusschen 
de pannen en de panlalten steekt om het dak dicht te maken. 

POPPEKEUKEN, znw., v. — Verzameling van teiloortjes, 
scholcltjes, kruikjes, enz., waar de kinderen mee spelen. 

POPPEKOP (uitspr. po^pp^kop)^ znw., m. — Bij mutsen maaksters. 
Kartonnen kop met langen brecdcn hals, waarop men de zwarte mutsen 
zet, die moeten opgedaan worden. 

— Vrou w of meisje die eene overdreven zorg besteedt aan heureo 
haartooi. Dicc Icelijke poppekop ! 

POPPELAP (in 't /. en ^ . poepp9lap\ znw., m. — Lap waar de 
kleine meisj^'s kleederen voor hunne pop van maken. 

POPPEMOIER (in 't Z. en \^ . poipp9mohr)^ znw., v. — Meisje 
dat verzot is op poppen. 

POPPEN (in 't Z. en W. polSpp?n^, w., b. — Bij metsers. Poppen 
of stroobu<seltjes onder de dakpannen steken. Een dak poppen. 

— Bij *i gemeen volk voor 't Lat. coïreyfutuere. (Ook in de 17* eeuw. 
Z. OUD., V, 682.) 

— O. Zich bovenmate opschikken, zich optooien gelijk eene modepop. 
Da' meisken houdt te veul van klee(d)en en poppen. 

POPPERS, znw., m., mrv. — De poppers hebben^ krijgen ^ nut 
de poppers zitten, ■/.. POëPER. 

POPPETREES, znw., v. — Speelpop, ¥x. poupee. 

POR, znw., m. — Moed, sterkte. (A.) Hij hée' geene' pör in ze* lijf. 

PO REN, w., b. — Hetzelfde als Poieren, paling vangen met den 

poer. Z. POI£R£N. 



— 99» — 

PORREN, w., o. — Hard aan iets werken, veel moeite doen, 
zich spoeden. D. B. Daar valt nogal wat te porren aan zoo'n werk. 
Ik heb geweldig moeten porren. Ge zult ineugen porren om er te komen* 
Hard porren. Nu 't is werk af, maar 'k heb moeten pnirren, jongen ! 

Kil. Porren, «///, conari^ conferre vires, 

PORRING, znw., v. — Bij metsers. De richting waarin een strek- 
sche boog boven ramen of deuren genomen wordt. B. 

PORRINQLAAQ, znw., v. — Bij metsers. De oerste schuinsche 
steenenlaag onderaan een gewelf, ook Schalmlaag gehecien. De pörring- 
laag rn«t op den muur en het gewelf rusi op de pörringlaag. 

PORS misipr, pös)i znw., v, — Perzik. (Z. der K.) 

^PORSEN, w., b. — « Met moeit' 'nqen, torsen. » 

Sch. kent dat w. toe aan de Kemp. cii *i N. van Belg.-Limb, 

PORTIONKEL, znw., m. — De 2« Augustus. 

— Spr. Portionkel^ te acht uren donker. 

PORTRETTENTREKKER, znw., m. — Fr. photographe. 

PORTUGAL, znw., o. — Schertsend voor Gemak, Fr. lieu 
d*aisance. D. \S. Naar Portugal gaan. (Die uitdrukking vindt men ook 
bij !;• eeuw«che schrijvers. Z. oUD., V, 678.) 

PORTULAK, PORTULAKO, znw., m. — Schoone hof bloem 
van *t geslacht der porseleinachtigen, ¥x. pourpür a grandes JleurSj Lat. 
Por tu la ca grand iflora, 

PORZEN (uitspr. pözz^n), w., o. — Wordt gezeid van een vocht 
of iets weeks, dat ergens doordringt of uitspat. (Z. der K.) De spijs 
porst uit de pensen. Het bier komt deur de bom gepörsl. 

POSIE, znw., v. — Portie, Fr. portion. Ieder kreeg zijn posie. 

— Gerecht, Fr. service. 'En maaltijd van vijf posies. De tweede 
posie was gestoofden haas. 

— De hoeveelheid die er noodig is voor een gerecht. Ik geloof dat 
ek nog vier posies pataten heb. 'En posie vis(ch)koüpeu. 'En posio vlees(ch). 

— Spr. '/ Is *en posie, '/ is my *en posie, 't is al wat slecht is. T. 
't Is mij 'en posie zoo'n huishouwen : de vent alle dagen zat en altijd ruzie 
en lawijt. 

— Iemand zijn posie geven oi opscheppen , hem duchtig berispen. T. 

POST, znw., is m. in den zin van Posterij, postkantoor, postrijtuig, 
¥x, poste, doch ook v. op sommige plaatsen. (Ook in. bij J.) 

POST, znw., m. — Stam uit cene haag. 'En haag met dikke 
posten. De posten van die haag staan te wijd vaneen. 

— Gedeelte lands. Op deze' post zaai ik koren. 

— Spr. AV(«) post pakken^ slecht van eene zaak doorkomen, weg- 
gejaagd worden, vluchten, loopen. Hij meende daar goed te varen, maar 
hij heet er 'uc' post gepakt. Ge hadt den dief moeten zien 'nc* post 
pakken, as de gendarmen kwamen. Da' mijn meid thuis komt, ze zal 
'ne' post pakken ! 



— 992 — 

9 

POSTEEREN, w., o. — Smalen, biskecren, tcjicnstrevcn. T. Hij 
posteert aliij-l, as ek cm iet doen doen. 

POSTELEIN, /nw., o. — Porselein, Fr. porceïaine. B. Komme- 
kens en tassen van j^ostelein. 

— M. Eene hofplant, ook Porselein jjenaam^l, Kr. pourpi'er, 

POSTELEINEN, bvw. — Porseleinen, van porselein. 'En posle- 
leine' vaas. 

POSTELEN, w., o. — Redetwisten, kijven, stTibbelen, meest 
gebruikt in de sam. te^rn postelen. (K.) Ik heb lanj» tegen hem moeten 
poslelen, eerdat hij toegaf. Tegen wie waarde daar aan 't postelen ? 

— Afl. Gepoitel. 

POSTKAART, nw., v. — Biiefkaart, Fr, carte postale, 

POSTKOETS, POSTSEES, znw., v. — Postrijtuig, dienende 
tot het vervoer van brieven en reizigers. 

POSTPAMPIER, znw., o. — Postpapier. (K.) 

POSTTEMBER, POSTTIMBER, znw., m. — Postzegel, Fr. 
tunbre-posie. 

POSTUUR, znw., o. — Borst- of standbeeld dat geenen heilige 
verbeeldt. I). B.. T., KI. -Br. Postuuikens koopen om veur de schouw 
te zetten. Heel zijnen hof sta* vol posturen. 

— Iemand die klein of mismaakt van gestalte is. U. B., T., KI. -Br. 
Een klei(n) j)ostuur van e ventje. E vies postuur. \Va' veur *en aardig 
postuur van c manneken is da' 't 

POT, znw., m. — Z. Widb. 

— In .«^ommigc kaart- on andere spelen. Schaal of ronde met krijt 
op de tafel geschreven, waarin icdeie speler zijnen inzet of inleg zei. 
iedere maal dat men ten spel begint; al het geld dat in den pot is. D. B. 
In de jasspelcn is er geen pot, maar en boom. Veur *ne* pot spelen. 
Den heele' pot trekken, 

— IJzeren potje in het tonspcl. I»'j pot doet honderd. Hij hée' 
'ne' pot geschoten. 

— Gep. w. Tusschen pot en pint^ ittsschen pot en kan^ z. PINT, 

— Pot noch pint drinken^ z. PINT. 

— Spr. Over dc{n) pot springen^ komen om te eten als er niets 
ineer is, (K.) Hij kwam om één uur thuis, maar hij kost over de' pot 
springen. 

— Daar is geenen c'ene pot^ of daar past e schceltjen op, iedereen, 
hoe mismaakt of niet, kan eenen man of eene vrouw krijgen. 

— Daar staan ofda{()g€ c potteken gebroken hadt, onnoozel staan 
kijken. 

— Rond de(n) pot draaien^ de gestelde vragen ontwijken, niet open- 
hertig antwoorden. 



- 993 — 

— Ov€r tie(ft) pot komen ^ betalen, afdokken. Kom maar eens over 
de* pot. 

— Iemand in de{n) pot doen^ hem foppen, bedriegen. 

— In de{n) pot doefen^ bedrieglijk te werk gaan. De rekening komt 
nic* uit, hij moet in de* pot gedoëfi hebben. 

— Iemand in de\n) pot doe/en^ hem bedriegen. Hij hee* mij met 
dicë* koop leelijk in de' pot gedoëft. 

— Iet in de[n) pot doléfen^ iets doen mislukken. De zaak is in 
de' pot gedoëft. 

— Met de rapen in de(n) pot gaan^ z. RAAl'. 

— De pot verwijt de(n) ketel dat hij zwart ziet^ de cene schelm 
beschuldigt den andere. 

— De eene is pot en de andere is ketely ze deugen geen van Ueidei . 

— Ge -wordt nie{t) bekrozen als van *ne(n)vuHe{n) pot^ z. BEK RUI /.EN. 

— K'ik of geene kak, toch op de(n) pot, zegt men wanneer iemand 
gedwongen is iets tegen zijnen zin te doen. 

— Potf achter den stam van een werkwoord gevoegd, vormt mannelijke 
persoonsnamen met eene ongunstige beteekenis. Grèèfpot^ grolpot^grom- 
pot^ knorpot, rochelpot^ enz. 

— Vormt talrijke bastaardvloeken, zoo^^ potverdomme^pjtverhlo^me^ 
potverdekkey potdomme (^poddome)tPotdorie(poddore)y potlozie {poddözze\ 
enz. 

POTAGE, znw., v. — Mocskruiden. Ik win in mijnen hof veul 
potage. Wij eten *s avends potage. 

— Late potage^ laat middagmaal, 't Zal vandaag weer late potage 
zijn. 't Is daar altijd late potage. 

POTAGEHOP, znw„ m. — Moestuin, Fi.jardin potager. 

POTBAKKER, znw., m. — Pottenbakker. 

POTDICHT, bw. — Zoo dicht gesloten als een pot. Mij dee* de 
deur potdicht toe. 

POTDONKER, bvw. — Zeer donker. (Z. der K.) 't Is daar 
potdonker. 

POTÈÈRDDABBERS, znw., m., mrv. — Spolnaam op de in- 
woners van Ramsel. 

POTFLES(CH) (Kemp. potJlds{ch), znw„ v. — Wijdgcbuikie 
flcsch, eenen pot of twee pinten inhoudende. D. B. (Ook in Brab., z. Sch.) 

POTIETER, znw., m. — Z. petieïer. 

POTIETSlCH), bvw. — Bij metsers. Wordt gezcid van eenen 
steen die in zijne lengte dwars door den muur ligt, zoodanig dat de kop 
alleen in den dag komt. D.B. Potiets(ch)e steen, hx. bout isse^ pierre 
bouiisse, Poliets(ch)e laag. Potiets(ch) metsen. 

POTLOODBÖ(R)STEL, znw., m. — Zwarte handborstel om 
stoven en kachels te potlooden. 

POTMUTSAARD, znw., m. — Mutsaard met dikke kluppelen, 
die door de pottenbakkers gebezigd wordt. 



JJt'UtCOf. O; 



— 994 — 

POTRIJS (klemt, op tnji\ znw.^v. — Patrijs, Vx, />crJn.x.(K.) 

POTROOS, zinv., v. — Pioen, ¥t, pïvoinc, (Z.-O. der K.) 

POTS, ziiw., V. — Ronde mansmuts zonder klep. Manneken, doet 
oe' polsken af. I)e kleine jongens dragen gemeenlijk polsen. 

— Ook hoofddeksel dal alleen het bovenste deel van dea schedel 
bedekt, Fr. solide, 

POTSCHARDER, znw., m. — Iemand die den pot uitschart 

Z. SCHaKREN. 

— Spr. De potschardcrs komen in den hemel niet^ woordenspel. 
Door potsiharder bedoelt men hier niet den persoon, die den pot schart, 
maar den lepel waarmede hij dit werk verricht. 

POTSCHEEL, zuw , o. — Deksel van eenen pot, Fr. couvercle 
d'un pot. 

POTSKOP, znw., m. — Kikvorschenlarve, Fr. tctard. 

POTSTUK, znw., o. — Vijffranksluk of goudstuk. 

POTTEBUIS, znw., v. — Buis \3A\ gebakken aarde, dienende 
voor rooklcidiiig langs eenen muur of boven op eene schouw, Fr. tuycM 
en potterie. 

POTTEFÈÈR, znw., m. — Rondreizende kelellappcr, Fr. c/iüw- 
dronnier ambulant. 

POTTEGIES (klemt. o\i ^nes)^ znw., m. — Üieiigaard, viek. (K.) 
Diec Icclijkc j-ottcgies is te gierig dat em eet. 

POTTEGIEZEN (klemt, op ^^»/*), w., o. — Vrekkig leven. (K.) 
Hij zii daar alleen te pollegiezen. 

POTTEGIEZER, znw, m. — Oude schraper, vrek. (K.) 

POTTEKARREE, znw., m. — Potteweik, kommen, schotels, 
teljoien, bij D. \^. pottekiirie^ pottekarij. Hij zit mee' heel zijne* potte- 
kaïrec o|) s»lraat. De zaïlc bceat heet heel de' pottekarree kapot geslagen. 

POTTEKARRÉEKAR, znw., v. — De kar van iemand die met 
potten en andere bicckwaar leurt, 

POTTEKARREN, w., (^ — Ellendig, onuoozel aan huishouden, 
aardig toe leven. (K.) (Ook in Limb.) Dicën ouwe vent zit daar heel 
alleen, zonder njtisei-, te poltekarren. 

POTTEKE-MEiTj-BLAUW' OOGEN. Een kinderspel. Ecnige 
meisjes maken eenen kiin^». Zij houden mtt beide handen eene koord 
vast, waarvan do twee u lifindtn aaneengeknoopt zijn. De koord, strak 
aangeliV>kkcn, maakl eene londe; in 't midden st<iat een meisje dat er 
aan js. Een iler njei>jcs \iaagt aan dit laatste: « \Va* kiesde ? > 
En 't aniwoonl luidt: <. Potteke mè' blauw' oogen. * 
Daarop zeggen al de meisjes die buiten de koord staan, op maat : 



- 995 — 

Pütteke mè' blauw ooj;en ! 
Tikke-takke- toogen , 

Grauw papier; 
Wilde nie* werken, 
Sjart oe van hier ! 

Dan moet het meisje dat binnen de koord staat, toegrijpen en 
zoolang in den kring rondloopen, t'>tdat zij eciic harer gc/,t'llinnen vaslhcefi. 
Enkel het meisje naar wie gegrepen wordt, ma»^ de koord loslaitn om 
ze weer aanstonds vast te nemen. Is ccn der meisjes gepakt, dan neemt 
het de plaats in van hel eerste, dat buiten den kring gaat en mede 
de koord vasthoudt. (A.) 

POTTEKENSMER(K.T, znw., v. — Zoo noemt men te IJci 
en in de omstreken den eersten Zondag der Lieische jaariueikt. 

— Woidt gezeid wanneer er in een huis veel potten en pannen 
onder de voet staan, bij R. pot tckcnsjaat merkt. 

POTTEKENSOOGEN, znw., v., miv. — Groolc, uitpuilende 
cogen. (A.) 

POTTEKLANK, znw., m. — AllerKi potten en pan n^^n die men 
bezit. Zet dieë' potteklank op 'en amler plaats. Hij sloeg h 'l de* pottc- 
klank kapot. 

POTTELOOD, znw., o. — Potlood, Fr. crayon. Daarnevens 
potiooJ, 

POTTEN, w., o. Bij kaartsp. Uil^i'clen, spelen, in tegenstelling 
van />as5cn. Wat doedegij : potten of passen ? Ik pot. 

— Ook de naam van zeker kaartspel. 

POTTER, znw., m. — Kind dat begint te loopen. (K.) Wa' kleine 
potter komt daar aan ? 

POTTEREN, w., o. — Het ecrsle loopen van kleine kinderen 
met korte stappen. (K.) De kleine begint .il good aan Ic ])Ottercn. 

— Haastig gaan, sj)rck. van gioole nicnichen. (K) Ziet em eens over 
de baan potlcien ! 

— All. Potterci^r^ gepottvr. 

POTTERS, znw., m., mrv. — Bleekroode, zeer groote aard- 
appelen, die maar vier of vijf knollen aan eenen struik voortbrachten. 
Deze soort bestaat niet n^eer. 

POTVERBLOÉMEN, POTVERDEKKE N, POTVER- 
DOMME(N, POTVERDOÉMECN.POTVERDOOIEN, POT- 
VERDOZEN,POTVERKROMME.N,tw. — Sooji van vloekaditige 
uitdrukkingen. 

POT VET, znw., o, — Gesmolten reuzel in een aarden pot. 

POUS, /nw., m. — Paus, Kr. papc. (N. en W. der K.) 

POVER, bvw. — Arm, armoe«lig, Yx. pauvre. Ze was maai pover 
gekleed. Die meas{ch)cn hebben *et maar poverktn?. 



— 99^ — 

POVER, znw., ni. — Roodborstje, Fr. rouge-^rge, 

— Spr. E poverken zingt zoovel zan armoei als i'an ':t<€lJe^ de 
arme verblijdt zich z(k> wtl in zijnco bekrompen toestand ab de rijke 
in zijnen overvl<jcd. 

PRAAL, znw., ni. en niet v. — Z. Wrdb. D. B.,J. 

PRAAT, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Praat hebben veur zeven man, geweldig veel praat hebben. 

PRAAT KONT, znw», v. — Vrouw die veel praat maakL 

PRAATMAKER, znw., m. — Iemand die veel praat maakt. Jan 
is 'nen eerste praatmaker. 

PRADDER CU PRATTER, znw., m. — Stoel zonder leuning, 
Fr. tabonret. (Lier.) 

PRAKKEZEEREN, w., o. — Diepzinnig nadenken over iets, 
met een denkbeeld bezig zijn, bij D. B. prakttzeeren. T., M., B. (Ook 
in Limb.. z. Sch.) Wnaiover zijde altijd aan *t prakkczeeren ? Hij prakkc- 
zcert al verscheidene dagen op iet. Hij prakkezeert over *et verlies van 
ze' geld. 

Kil. Pr ack liséren, meditari, 

PRANG, znw., v. — Vang, rem, ¥i,/retn, 

— Iemand de prang op den neus zetten, hem dwingen, hem in 
't nauw brcn^^cn. 

— De nicnlen is deur de prang, er is geen verhelpen meer aan. 

PRANGBALK, znw., m. — Bij mulders. Het hout dat de prang 
doet werken, opent en sluit. 

PRANGDIEF, znw., m. — Ken die iemand tot stelen dwingt, 
vci heler of opktjopcr van gestolen goederen. 

— Spr. lyarcn er geen prangdieven, er waren geen hangdieven, 
waren er geen helers, er waren geen stelers. 

PRANGEN, w., o. — Z. Wrdb. 

— F tangen om deur de wereld te geraken^ veul moeten tobben 
uni zijnen kost te wninen. 

PRANGIJZËR, znw., o. — Bij mulders. Groot plat ijzer, dat 
schuins duor den piangbalk steekt en met het ander einde aan de praog 
bevestigd is. en hetwelk dient om de prang aan te trekken. 

PRATEMAN, znw., m. — Onvermoeibare prater. 

PRATEN, w., o. — Fr. babiller. 

— Vcrji, Praten gelyk "en ekster^ veel babbelen. 

— Spr. Praten zijn geen oorden^ praatjes vullen geen gaatjes. 

PRATIJK, znw., o. — Z. partijk. 

PRATIJKIG, bvw. — Z. partijkig. 
PRATTER, znw., m. — Z, pradder. 



— 997 — 

PRAZELBN. vv., o. — Hetzelfde als Frazelcn, het onduidelijk 
spreken van jonge kinderen en het kweelen van jonge vogels. Z. frazelek. 
Da* kind begint al te prazelen. Diec vogel prazelt. 

— Afl. Prazelêèr^ geprazcL 

PREE (zachte <), znw., v. en m. — Weekloon. R. (Ook in VI. 
en Brab., z, Sch.) *s Zalerdags krijg* 'et werkvolk zijn pree. Hij wint 
daar maar *en klein pree. Dieön ongelukkige zaïlap héc' zijne' piee weer 
opgedronken. 

— Bij uitbreiding ook gebezigd voor alle werkloon ; «lus ook dagloon, 
maandloon, jaarwedde. Hedde daar 'en schoon pree ? Ja, 200 fr. per 
maand. Jef hec' 3000 fr. pree per jaar. 

— Bij D. B. beteekent het soldij, 

PREEDAG, znw., m. — De dag dat de werklieden hunne pree 
ontvangen. 

PREÈKEN (zachter), w., o. — Prediken, Yx, prêcher. 

— Wordt gezcid van draaitollen die op hetzelfde punt zoo zacht 
ronddraaien, dat ze onbeweeglijk schijnen. Mijn non preekt. Zie mijnen 
dop is preêken ! 

— Wordt nog gczeid van het ronken van den meikever. Hoort mijne 
mcülder is preêken ! 

PREBKHEER, znw., m. — Monnik van het orde der Domini- 
kaneo, Fr. dominicain^ ffère précheur, 

— Kleine witachtige meikever. (Ook in Brab., z. Sch.) 

— Boterham, waarvan de ecne snede van tarwe- en de andere van 
roggebrood is. (Ook in Brab. en Belg. Limb., z. Sch.) 

PREEKSTOEL, znw., m. — Fr. chaire, 

— Spr. Van di\n) preekstoel vallen^ van den preekstoel ges^ooid 
(^e70orpen, gestampt) li/ord^n, de roepen in de kerk krijgen, wanneer 
men gaat trouwen. Jan is vandaag van de* preekstoel gevallen. 

— Men zegt ook : h^' ts van de trappen van dt{n) preekstoel gerold, 

PREEMEN, w., b. — Stelen, wegnemen (A.), bij D. B. en Sch. 
preeuwen. Wie hée* mijn horlogie gepreemd ? Iemands beurs preemen. — 
\ï^}i, flambeetn (flambceuw) en schreemen, (D. B.) 

Kil. Preeuwen, suffurari, sur rif ere, 

PREFECT, znw., m. — Oversie van eene congregatie voor jonge- 
lingen of jongedochters. 

— Fig. Iemand die zich de leiding van iets aanmatigt. Hij is overal 
de prefect van. 

PREGEL, znw., m. — Hetzelfde als Pegel. Z. ald. (A.) Me staan 
weer op onzen ouwe' pegel. 

— Leefregel, gewoonte van leven, (A.) Hij volgt altij<i dezelfde' 
pregel. Ge moet oe maar aan ocwen ouwe' pregel houwen : verandering 
is geen verbetering. 

PREI, znw., m. en niet v. — Porrei, Fr. ^ireau. 



- 998 - 

PREMIEJAGER, znw., m. — Persoon, die op de vcrkoopingen 
van ei^endomineti ie Anlwerpen, i:i de eerste zitting de hoogste bieder 
blijft oni de premie te winnen en het inzicht niet heeft (^en eigendom 
te koopen. 

PRENGEL, znw., v. — Vrouw, «iic aUij<l prengelt, alvorens te 
koopen, 

PRENGELBN, w., o. — Scheip bieden, nauw afdingen. T., 
KI. -Br. Prengelt zoo nie'. Ze kan nie' koopen, of ze moet prengelen. 

— Pnnnen, dwingen. Ze zal /.ooiank prengelen, totdat ge't t(X?staat. 

— All. Pr*^n^elcèf^ ge (>r engel. 

PRENGELKONT, znw., v. — Z. prengfx. 

PRESENT (uitspi. op zijn Nederl.), b%w. — Bij zijne zinnen, 
nuchier. R. Ik was gisterenavcnd nog goc' present, hoewel ik veul 
gedronken had. 

PRESENTJE.N, PRISENTJE(N, PRESENTNAGEL- 
TJE(N, znw,, o. — Klein nageltje mei platten kop, dienende om b. v. 
leder op de klompen te slaan.. 

PREST, zaw,, V. — Grooie menigte, hoop, Fr. pressc^ fouie, 
Daar staat 'en litel piest kindei en ;ian de deur. Hij héct 'en groote 
prest kiekens. Z. ook bres. 

^PRESTAKWESEMUS, znw., m. — Volgens Sch. in Brab. 
en Autw. gebiuiki voor * een priester zonder bediening, die maar enkel 
mis leest. > 

PREUF, ziiw,, V. — Proef, bewijs, ¥t, preuve. Gij gelooft nie' 
wat ek oe zog, maar ik heb er <le pieuven van. As ge wilt, zal ek er 
oe de preuf van geven. 

— In den zin van hel Fr. essni\ epreuve^ zegt menpruaft niet preii/, 

PREUT, znw., V. — Gierig wijf. 'En preut van e wijf. 'En gierige 
preut. 

PREUT, znw., v. — Aais, achterste, Fr. ctii, derrière, T,, R. 

^PREUTELEN, w., o. — Z. proitelen. Sch. gecfidien vorm 
voor Aniw. 

PRIEGELEN, w., b. — Z. Wrdb. 

— Verg, Crtpriegeid worden gelijk 'en Duilsich) ivijf^ ferm afgerost 
worden. 

PRIEM, znw., m. — Breinaald, Fr. aiguilU a iricoter, Hfft, 
Er zijn stalen en houten piicinen. 

— Priemken doen, om het rapst breien. (A.) 

— Bij mctscis. Stokje of spir, gesloken onder den draad langs welken 
men de sicenon logt en ychikl, tn ilienende om den dr<iad een weinig 
te virhoogin, zoodanig ilat hij Iv i leggen van de steenen niet bciemmerc. 



— 999 — 

PRIEMKE(N,znw.,o.— Vezeltje, pijltje. D. B., T.Hijhad Rce(n) 
prieinkeii vlees(ch) meer aan ze' lijf (hij was j;ehecl afgeteerd). Geen 
priemke gers staat er oog op den bleik. 

PRIBMSTIJL, ZDW., m. — Bij timmerl. Rechlstaandc stuk waar 
de nok of het kruinhout op rust, Fr. poittfOfi. 

PRIBS, znw., V. — Kleine hoeveelheid die men lusschen den duim 
en den wijsvinger neemt. T. E pricske van da' zaad is genoeg. 

— Snuifje, Fr. prise. Gcefi mij nog 'en pries. 

PRIESTERSSTOF, zmw , v. — Zwarte en blinkende stof, waar- 
van de priCbteis kleederen dragen. (Ook in Limb. en Brab., z. Sch.) 

PRIETPRAAT, znw,, m. — Flauwe praat, praatjes voor den 
vaak. 't Is prietpraat dieë' ge vertelt. Ge moet naar zijne' prietpraat 
nie* luisteren. 

PRIJKBLy znw., o. — Gevaar, Vx.pt-ril. Hij is in prijkel van 
Ic sterven. De wereld is vol prijkelen. 

PRIJKELEUS, bvw. — Gcvaarlgk, Fr. dangereiix^férillettx, 
D. B., R. Dat is 'en prijkeleuze zaak. 't Is prijkeleus van 's nachts langst 
dicö' weg te gaan. 

PRIJS, znw., m. — Fr. prix, 

— Spr, De prijzen zyn er nog van te ^even^ de uitslag is nog 
onzeker. (Ook in Brab. en 't Hag., z. Sch.) Hij meent dat em vast 
en zeker die plaats zal hebben, maar de prijzen zijnder nog van te geven, 

— Dat is 2ijne{n) prijs weerd geïijk *en broóken van V// oordje 
(of *ne cent), schetts. 

PRIJSKEGELEN, w,, o. — Voor piijs kegelen. Morgen is 't prijs- 
kegelen in « De Kioon ». 

PRIJSREGELING, znw., v. — Prijskamp op het kogelspel. 'i Is 
c Zondag groote prijs'kegeling. 

PRIJSSCHIETEN, w., o. — V(K>r prijs schieten. R. 

PRIJSSCHIETING, znw., v. — Prijskamp mei den handboog 
of het geweer. Naar de prijsschieting gaan. Prijsschieting n.iar de wip, 
op de doelen. 

PRIL, znw., m. — April. (Z.-O. der K.) 't Is vandaag den 3" Pril. 

PRINSESSEN, znw., v., mrv. — Soort van boontjes, rond of 
eirond, die groen met de schelpen geëten worden, Fr. haricot princesse, 
L. Phaseolus (nmidits, D. B. 

PRINSKENSDAG, znw., m. — Nationale feestdag. De 2i* Juli 
en de 15* November zijn prinskensdagen. Met prinskensdag is 't geen school. 

PRINT, znw., v. — Bij bakkers. Stempel waarmede zij eene letter 
of een merk op het brooi drukken, eer het in den oven g.aat. 

PRISENTJE(N, znw., o. — Z. presentje. 

PRI8TER, znw., m. — Priester. 



— tooo — 

♦PRIT, znw., m, — c Soort van turf. > 

Sch. geeft ilat w, voor de Kemp. Doch z. PRUT. 

PROBATIE, znw., v. — Proef, Kr. esiai. Ik koop die waar 
nie* zonder probatie. Op probatie, op proef, om Ie prohecren. Ik heb 
e staal van die patatcn op probaiie gevraagd. 

PROBÉEREN. w., b. — Z. Wrdb. 

— 'Je prohecren t^aan^ vó<')r de ceistc communie ccnc ongecon- 
sacreerde hostie ontvangen. 

PROCESSIE, znw., v. — Fr. procession, 

— ZMtie fttocessie^ dronken gezelschap. As die mannen samen naar 
de kermis gann, dan zal 't t*avond weer zatte processie zijn. 

— Spr. Ge kunt nie{{) luien en in de processie gaan, men kan 
g ene tw«« werken te gelijk verrichten, 

PROCESSIEJAS. PROCESSIEFRAK, znw., m. — Beste jas, 
die de buitenman enkel op plechtige feestdagen aantrekt, b. v. als de 
processie gaat. 

PROCESSIESTROOI8EL, znw., o. — Bloemen, groen, bladeren 
of snippers van gekleurd papier, die men strooit op den doortocht der 
processie. Bijgeloovigen verzamelen het processiestrooisel en werpen het 
in de schuren om de muizen en ratten te verdrijven; anderen strooien 
het met het giaan over den akker, opdat de musschen van de tarwe 
zouden blijven. 

PROCHIE, znw., v. — Parochie, Fr. paroisse, 

— De prochie van miserie^ zoo noemt men te Antw. de St. Andries- 
parochie, omdat er het meeste arme menschen wonen (meer dan in andere 
oude stadswijken.) 

PROFEET, znw., m. — Iemand die met nadruk, met juistheid 
of op cciieii luun van zekerheid spreekt. D. B. (Ook in Brab. en Limb., 
z. Sch.) Zwijgt, de profeet spreekt, 't Is 'nen eerste profeet. 

— Profeet van roggebrood, profeet die geen geloof verdient, icnumd 
die iets voorzegt dat nooit zal uitvallen. (A.) 

PROFESSEN, w., b. — Iemand, na den proeftijd, als lid van 
een klooster inwijden en zijne geloften laten doen. D. B. (Ook in Brab. 
en Limb., z. Sch.) Me* zuster wordt morgen geprofest. Den bisschop 
zelf heet 'em gisteren geprofest. 

PROFESSIE, znw., v. — Inwijding als lid van een klooster. 
Hf)t. Zijn professie doen. 

PROFETEBEES, znw., v. — Vrouw die op stelligfen toon spreekt. 
(A.) 't Is zoo'n profeiebees. 

— Peerdevijg. Fr. crottin de chcval, Profetebozen rapen. 

PROFICIAT, tw. — Dient om iemand geluk te wenschen. Hfft, 
Proficiat over uw benoeming I Ge gaat trouwen ! Proficiat ! Iemand proficiat 
wcns(ch)cn. Ik wcns(ch) oe proficiat. 

PROFIJLEN, w„ b. — Z. perfijlkn. 



— lOOl — 

PROFIJT, znw., o. — Z. Wrdb. 

«— Spr. Het naaste profijt houdt hei langsten huis. T, 

— Het prof yt (of het spek) in *nen hondsnest tuken^ voordeel zoeken 
waar geen te vinden is. T. 

PROFIJTELIJK, bvw. — Yt, profitable^avantageux, Z, Wrdb. 

— Woidt ook {;czeid vnn personen in den zin van Spaarzaam, 
geneigd om alles te benuttigen en niets te verkwisten, bij D. B. Profiftig, 
Ge moet profijtelijk zijn met 't melk, want daar is nie' veel meer. 
Da* zijn profijtelijke mcns(ch)en. Ik heb 't zoo profijtelijk aangelecd 
as ek kost, en toch ben ck veul geld kwgt. Profijtelijk lèven. Dat is 
'ne profijtelij ken boer : hij laat niks verloren gaan. 

PROFITÉEREN (uitspr. proff^tér^n), w., b. — Nutten, eten of 
drinken. T., K. ^Oolc in VI. en Brab., z. Sch.) Geeft me gauw wat 
eten, want ik heb nog niks geprofiteerd vandaag. Ik gaan mee, maar 
ik moet eerst wa' profiteeren. 

PROGRAM, znw., m. en niet o. — Fr. programme. 

PROL, znw., m. — Pap die voor den tweeden keer warm gemaakt 
is. ^K.;; ook Dikke pap, brei. B. 

PROLLEN, w., o. — Hetzelfde als Pruilen, monken, nioëfen, 
zuur zien en met spreken, Fr. houder, (K.) Zij zit daar te prollen. 
Hij heet den heelen dag geprold. 

— Afl. Prolder ^ geprol, 

PROMANTELIJK, PROMENTELIJK, bvw. — Z. par- 

MANTEUJK. 

PRONKAPPEL, znw., m« — Pompoen van min of meer ronde 
gedaante, die men op de kas of vóór de schouw zet om te pronken. 
(Ook in Brab. en VI., z. Sch.) V. D. vermeldt het als gewest. 

— Fig. Iemand met een dik, blozend gezicht. 

PF ONKEN (in 't Z. en W. pro^nk9n)^ w., o. — Pruilen, monken, 
zuur zien en stom loopen, Fr. houder, D. B. Zij zit daar in 'nen hoek 
te pronken. Zijn vrouw kan zoo drij dagen aan e stuk pronken. Pronken 
sta' zoo leelijk. 

— Afl. Pronker^ pronkster^ ge pronk* 

— Wordt ook gezeid van het weder, als de lucht overtrokken of 
bewolkt is, zonder dat het regent. D. B. 't Weer pronkt. Het heet 
al dtn heelen dag gepronkt. 

— Bij Kil. Broncken. 

— Wordt gezeid van den pauw, wanneer hij zijnen steert ten volle 
uitspreidt. De pauw pronkt. 

PRONKPÈÈR, znw., v. — Soort van pompoen, die den vorm 
heeft van eene peer. 

PRONKSTUK, znw., o. — Pronkzieke vrouw. Ziet da' pronkstuk 
daar is gaan. Hij is getrouwd mee' e pronkstuk. 

PRONSEL, znw., m. — Afval, bucht. (R«pelstreek.) 




— 1002 — 

PRONT, bvw. — Fraai, flink, groot en schoon van leest, wei- 
gemaakt van lijf en leden. D. B. (Ook in Brab. en 'l Hag., z, Skh,) 
'Ne pronte jongen. *t Is e pront meisken. 'Ne pronte kerel. Jan zal 'ne 
pronte soldaat zijn. 

— Flink, deftig, gelijk het behoort. Dat is pront gesproken. Gij 
gaaft daar e pront antwoord. Pront gehandeld ! 

— Gf zijt ^ne prontf (of Wn pronte)^ /.egt men verwijtend tol iemand, 
die reden tot klagen heeft gegeven. Ge zij' 'ne pronte, gij, van mij 
zooiank «oen te wachten. 

PROOFPOT (zachte o\ znw., m. — Om (Un proofpot gaan^ om 
den overschot van 't eten gaan. (A.) 2a gaat alle weken in eenige huizen 
om de' proofpot. Vrglk. proven. 

PROOST, znw., ni. — Z. Wrdb. 

— Verg. Daai .. •' !cn gelijk 'ne proost^ statig, irolsch zitten. T., Kl.-Br. 

PROP EL en PROPER, bvw. — Rein, zuiver, net, zindelijk, 
Fr, propre^ bij D. B. proper. Zij is altijd propel en net. Alles is daar 
om ter properste. 'En proper meid. Geeft mij 'ne* propelen handdoek. 
E proper huis. 

PROS, znw., V. — Kat die zich van iedereen laat |)akken, die 
er vuil en verwaarloosd uitziet. Doet die leelijke pros van oewe* schoot. 
Laat die kat loopen, ge zult er 'en pios van maken. 

— Slordig meisje, slons, 

PROSPECTUS, znw., m., niet o. — Z. Wrdb. J. 

PROSPUT, znw., m. - Put, waar de vilders de afgemaakte 
pccrden in sicUen, 

PROSSELBN, w., o. — Het brobbelen van kokende spijzen op 
hel vuur, ouU Prottelen en Prossen geheeten. De pap staal daar te 
prossclen op 't vier. 

PROSSEN, w., b. en o. - Villen, snijden, kerven. Peerden prossen. 
Sommige dokiuois prossen geren. Snijcn en prossen is 't liefste dal em doet. 

— Prossen met, beulen, kwellen, luw behandelen. Prost zoo niet 
met dieCn liond ! Hij zit altijd met die kat te prossen. 

— Dringend uilnoodigen, pramen. Ge moet oe nie' laten prossen. 
Ik heb 'em geprost om mee te eten, maar hij wilde nle'. 

— Martelen, sukkelen, met veel moeite aan iets bezig zijn. Gij 
denkt dat da* werk gemakkelijk zal gaan, maar ge zult er mee prossen. 
Ik heb lank geprost om 't slot open te krijgen, en eindelijk is 't gelukt. 

— Z. ook Sch. 

PROSSEN, w., o. — Wordt gezeid van kleeren, die niet wel 
passen, maar plooien en rimpelen, vooral aan de naden. (K.) T. Da' 
kleed prost onder de mouwen. Ook Börzen, Brossen en Leiperen. 

— Ook van vocht dat ergens dooulriugt of omhoog stijgt, (K.) T. 
Het bier prost deur de l>om. Ook Pörzen« 

— Hel geluid van kokende spijzen op het vuur, andns Prottelen 
en ProBSelen genaamd . 



— I003 — 

PROSSBR, znw., m. — !<> Dierenbeul; 2" Peerden viller. 

PROT, znw„ m. — Veest, Fr. pet. 

• PROT, znw., V. — Dik, struisch vrouwmensch, (Z. der K.) 'En 
dikke prot van c wijf. Die Mie is 'en dikke prot. 

PROTOKOLLEN, w., o. — Tcgcnprcutelcn, ergens ielu le^cn 
inbrenj»L'n. liij iiócl hier niemendalle te protokoilen. Daar valt hier niet 
te protokoilen. 

PROTTELEN, w., o, — Het geluid van kokende spijzen op 
het vuur, bij Kram. en te Antw. pruiUUn, R. Wa' staat daar op de stoof 
te piotteleu r Hoort de pap is prottelen. 

— Afl. Ge pro tul. 

PROTTEN, w., o. — Pratten, pruilen, hr. faire la moucy houder, 
(K.) Ge moet daar nie' ziilen prolten. Protlen sta' leelijk, 

PROTTEN, w., o. — Veesten, winden loozen, Fr. peter, 

— AH. Prot ter ^ ge prot, 

PROTVENTJE(N, znw., o. — Kleine, onbeduidende persoon, 

PROVEN, znw., v., tnrv. — Lekker dat men op oudejaarsavond 
uitdeelt aan <W. kinderen, die aan de deuren komen Nieuwjaar zingen. (Lier.) 
De proven zijn uitgedeeld. Wij hebben nog geen proven, en de kinderen 
ziJD al daar ! 

— Prove ^ provene beteekende voorheen : brood, dat als aalmoes aan 
de armen werd uitgedeeld. Z. Kil. 

PROVISIE, znw., v. — Fr. provision, 

— By of me{t) provisie^ met dat al, onJertusschen, niettemin. T., R. 
Mijne werkman kan vandaag nie* komen, omdat em ieverans moet naartoe 
gaan, maar mè' provisie blijft me' werk toch staan. Ook Met aldereere. 

PRR, tw. — Dient om vogels weg te jagen. R, 

PRUIMENTIJD, znw., in. — De lijd dat de pruimen rijp zijn. 

— In de\^n) prutmentyd, nooit. Hij zal oe betalen in de' pruimentijd. 

PRUIS, znw., m. — In 't Z. der Kemp. geeft men dien naam aan 
alle landloopers en bedelaars van verdacht voorkomen, onverschillig tot 
welke nationaliteit zij behooren, waarschijnlijk omdat er nogal veel Pruisen 
onder zijn. Daar kwamen twee pruisen aan de deur om 'en aalmoes. De 
champetter hee' ne' piuis in den hak gezet, die geen papieren en had. 

PRUIS(CH)EN, w., o. — Een bruisend geluid maken gelijk kokend 
water of brieschende peerden, proesten. Z. D. B, i. v. pruischen en 
Sch. i. v. prutsen, 

PRUISEN, znw., m., mrv. — Sooit van aardappelen. Er zijn 
witte en loode Piuisen, 

PRUISIS^CH), bw. — Het ^aat daar Pruïsts{ch), het zit daar 
niet juist, het is er op. D. B., M. (Ook in Brab, en Limb., z. Sch.) 
't Gaat daar Prui.sis(ch), as de man zat thuis komt. 't Was gisteren avend 
Prui»is(ch) in die herberg. 



•^ 1004 — 

PRUISTIO (uitspr. pröstpg), bvw. — Paardriflig, sprek. van 
zwijnen. (Ook in 't Hag. en 't Hasp., z. Sch. en R.) 

PRUL, znw., V. — Iels zonder weerde, nietigheid, beuzeling, Fr. 
agatelU. Hij houdt zijn eipen mè' prullen bezig. De horlogie die ge 
daar gekocht hèt, is maar 'en prul. Hij bezit niks as wa' prullen. Oü 
prullen van schilderijen. 

— Nieiig gezegde, ijdele praat, 't Zijn prullen die ge veilelt. Zwijgt 
niet die prullen. Allemaal prullen en bullen ! 

— Leugen, bedrieglijk gezegde. D. B. Iemand pruilen wijsmaken. 

— Slechte zaak, dwaas of mislukt werk. D. B. Die onderneming 
is *en schoon prul. 't Zal 'en prul zijn. 

PRUL, znw., m. ~ Mannelijke roede. 

PRUL, znw., m., zonder mrv. — Klap voor den vaak, niets- 
wectdige redenen, \^Z -O. der K.; Al da' ge daar vertelt is prul. Luistert 
naar zijne' prul nie'. 

— Iets zonder weerde, bocht. Dat is allemaal prul. Prul van laken 
Die stof is maar prul* 

PRULHOBD, znw., m. — Versletene of verlepte vrouwenhoed. 
Zij heet alle dagen heiu-e' prulhoed op. 

PRULLEMAN, znw., m. — Iemand die zich met beuzelarijen 
bezighoudt. D. B. Hij is 'ne pruUeman. Doet die prullen weg, prulleman ! 

— Z. PRUL 2'. 

PRULLEN, w., o. — Prullen, praat voor den vaak vertellen. 
Ligt daar uu üie' over te prullen. 

— Frutselen, frullen. (Z. die w.) Hij zit overal aan te prullen. 

PRULWERK, znw,, o. — Onbeduidende bezigheid, werk van 
geeoer weerde, bij D. B. prulUwtrk. Hij maakt niks as prulwerk. 

PRUT, bw. — iV/i^/)/rw/ 7'fl //<?«, niet pluis zijn, niet gemakkelijk 
vallen. (K.) Ze valt nie' prut, as ze 't spel meint. Pas op da' ge'iu niks 
miszegt, wani hij is nie' prut gevallen. 

— Bij Kram. bet. die uitdrukking: niet veel deugen. 

PRUT, znw., m. — Slijmerige etter, etterachtig draugsel in de 
oogen, Fr. muco-pus dans les yeux. Zijn oogen zijn altijd vol prut. 
Kuis(ch)t dieë' prul uit oew oogen. 

— Soort van turf, moer, baggerd, (Z.-O. der K.) Bij B, bet, het: 
modder, slijk. 

— Bitierpeeën, gebrande en gemalen chic<»rei (Z.-O, der K.) D. B, 
G9 hèt te veul prut in de kaffie gedaan. Bij B. en M. bet. het : kofhedik. 

PRUT, PRUTLALA, tw. — Dient om iemand uit te lachen, 
't Is zooveel »ls : Ik lach u wat uit, Fr. je m'en moqiie. Prut ! dat doen 
ek nie', doeget zelf! Prutlala ! ik gaan nie'! 

PRUTOOO, znw., v. — Oog waar slijmerige etter in gedroogd 
is, ten gevolge eener ontsteking, Fr. (Bil sécretant du muco-pus, Prut- 
oogen hebben. Da' kind heet altijd prutoogen. 

— Fig. Iemand die zulke oogen heeft. Die leelyke pmtoogl 



I005 — 

PRUTS, 2nw„ V, — Ding /onder weerde, nietigheid, beu/eling, 
Fr. bagatelU. G., OPi'R. (Dok in VI., Brab. en *i L. v, \V. z. Scli.) Hij 
koopt altijd van alle prutsen. Mc* prutsen bezig zijn. Die borlogie is 
maar 'en pruts. 

— IJdele praat, nietig gezegde. Ik kan met die prutsen nic* om. 
Zwijgt met die prutsen! 

— leugen, bediieglijk gezegde. Iemand prutsen wijsmaken. Da' ge 
vertelt* zijn allemaal piut&en. 

— Kleine, onbeduidende persoon. 'En pruts \ . : e manneken, Zoo'n 
pruts van e ventje ! 

— Tioetelnaam voor een klein meisje. Wel du klein pruls ! 

— Kleine hoeveelheid, bij T. prits, Wa* Km ek mè* zoo e prutske 
zaad aanvangen } 

— Bij duivenmelkers. Soort van kleine duif. 

FRUTSELEN, w., o. — Hetzelfde ».io frutselen. Z. dat w. Hij 
zit altijd overal aan te piul-^elcn. 

— Afl. Frutselt' èr^ gepntlse/, 

PRUTSELKONT, znw., v. — Z. fkuïselkont. 

PRUTSELWERK, znw., o. — Z, frutselwerk. 

PRUUF, znw«, V. — Proef, Fr, essait epreuve. 

PRUUFBEETJE, znw., o.— Beetje om te proeven. Geef me 
e grooier stuk; 't is maur c pruuf beetje. 

PRUUPMONDJE, znw., o. — Iemand die genegen is om aan 
alle spijzen te proeven. T. 

PRUUT, bw. — Z. PUUT. 

PRUVEN, w., b. — Proeven, Yx, goiUer, Hffl. Pruuft daar '\i 
van. Ik heb 'et gepruufd. 

— Fig. Lijden en kwellingen onderstaan, tegenspoed ondervinden. 
Ik heb in me' léven al veul gepruufd. Nu meent i dat cm niks deren 
kan, maar later zal i wel pruven. 

*PUCHELINQ, znw., ni. — Puistje.(Sch. kentdit w. toe aan Antw.) 

PUF, znw., m. — Veest, nauw hoorbare wind, sprek. tot kinderen. (A.) 

PUFFEN, w., o. — Veesten, winden laten. (A.) 

PUFFEN, w., o. — Spuwen. Hij puft don heelen dag. 

PUG, znw., v. — Harde puntslag van eenen \v rptol op eenen 
anderen <lie neerligt of draail, bij D. B. pugge (K.), ook Puuk en te 
Antw. Piko genaamd. Geefi er nog maar wa' pu,;(;cn op. Ik gaf zijnen 
top 'en pug, dat cm openspoldc. 

PUGGEN, w,, b. eo o. - Meteenen werptol puggen of krachtige 
puntslagen geven op eeren anderen die neerligt of draait. D. B. (K.) 
'Nen top puggen. Hij heet op mijn non gepugd, dat er de spollen afvlogen. 

PUILOOGEN, w., o. — Met uitpuilende oogeu kijken, puilende 
oogen hebben. D. B. Hij puiloogde van colère. 
Kil. Puyl-oogcn, oculos cxerere. 



— ioo6 — 

PUIMBN, w., b. — Met puimsteen glad wrijven, ¥x, poneer. 

PUIN, znw., o., zonder mrv. — Geld. Hij hce* puin (hij is rijk). 

— Dat w. is Barj^oensch of dieventaal. 

PUIN, znw., V. — Z. het mrv. puiNEN. 

PUIN BOEK, znw., m. — Een landbouwer wiens akkers vervuild 
zijn en vol puinen en onkruid zitten. 

PUINEN, znw„ v., mrv. — De lange wortelscheulcn van het 
Hondsgras, en het gewas zelf. Men geeft dien naam aan verschillende 
grassoorten, als aan den Aqropyrntn rt^p^nsV. B., Fr. airropyrc rampant^ 
chienJcnt^ don Ilolciis mollis L., Fr, houhjue molletw de Ai^rostis alha 
L., Fr, afroste blanchc, (K.). Hfl't. De piiincu zijn e leelijk onkruid. Ze' 
land is vergeven \an de puinen. De puinen uitbulen niè' 'nen riek. 
*t Weaielt hier van de pnii-pr. De puinen heeten o(»k, volgens de streek, 
Paien, Pelen, Panen en Pessemen. 

PUIST, znw., V. — Fr. pusiule. Z. Wrdb. 

— Fig. Drollige kei el, snaak. 'En vieze puist, 't Is 'en aardige puist 
van 'ne' jongen. Met die puist zou(M< moeten lachen. 

— Eiken stronk. (N.-O. der K.) l-ike' puisten. 

PUIT, znw., m. — Kikvoisch. (N. der K.) Kram. geeft dit w. 
voor gewest, op. 

— Bij mulders. Ieder der houten haakskens die aan 't uiteinde der 
xnolenroeden vast zijn en waar men de lit^cn der zeilen in legt, 

PU KEN, w., b, en o. — Z, puggen. 

PUL, PULLIE, POELIE, znw., v. 

— Jonge :i II. bij R, en Jong. /«/. Uit de eieren die ik laten uil- 
bru(d)en heb. ziju moest allemaal puilen gekomen. Hij hée* vier pullen 
en twee hanr i verkocht. Hedde geen pullies te koop ? 

Kil. Foelie, gaVina» 

PULLEN, ook PULKEN, w., b. en o. — Met de nagels, met 
een mesje, enz. aan icts]K'Uteien of plukken. Eng. iopull^ ^xi^^\'s„ piilliany 
bij D. l^.pnlken^ bij W, puien, Oosifri. pulken^ puUn, Noordfri./<>//i. Pull 
de verf nie' van de deur. Men pull aan (\i roof van eenc won 1, aan de 
nagels, enz. i- oei ! kind, in oewe' neus nie' pulken ! Die kwajongen héél 
de slopverf uit 'et hout gepulkt, 

— Afl. Pullier, gepitl^ pulker^ gcpulk. 

PULLIE, znw., v. — Z. pul. 

PUMMEL, znw., m. — Loer, lummel, lomperd, Fr. rustrc, 
louriiauii, G., Oppr. (Ook in HoU.-Limb., z. Sch.) 'Ne pummel van 'ne' 
jongen. 'Ne lomi)e pummel. Z. ook üOliREPUMMEL. 

^PUMMELEN, w., o. — «Slaven, wroeten.» 

Sch. zegt dat dit w. gebruikt wordt in een deel der Kemp. 

PUNNEKE(N, znw., o. — Verkleinwoord van Punt, spits, Fr. 
pointe. Daar is gee' punneken aan m'n griffel. 



— I007 — 

PUNT, znw., o, — Slip, Vr.point; — Icesteckcn, o. en niet v. — J. 

— /.yn eigen op zij{n) punt houden^ nijl toegeven, voet bij stek 
houticn. T„ KI.- Br. Ze ondervroegen 'em op alle manieren, maar hij 
hield *em op ze* punt. Ge moet oe op oe' punt houwen. 

— Als 't op zy{n) punt komt^ als het er op aankomt, op het beslissend 
oo^enblik. Gij hét altijd veul praat, maar as 't op ze' punt komt, dan 
derfde nie' spreken. 

PUNT, znw., m. en niet v. — Spits, viklw. puntjc{n en ook 
punneAt(ny Fr. pointe. 

— Daar kunt ge *ne{ri) punt aan zuii^cn^ ^'<i^'t «A/ . / '..c(n) punt aan, 
volg het na, loo j;ij kunt. Oe' bruur heet den eerste' prijs en i;ij de' 
leste' : zuigt daar 'ne' punt ium. 

— //et puntje van zijn ziel gcifcn, z. Z1£L. 

PUNTBOOR, znw.. v. A. \vk!*^.. ok. 

PUNTEN, w., o. — Met juniweik bezig zijn. D. B. Waar zilte 
nu weer a^iii te punten ? i'uiiien aan 'on hoi logo. 

— Treuzelen, veel tijd verliezen aan kleine bijzonderheden in plaats 
van zijn werk dapj>er vooit te zeilen, D. B. Ge moet zoo nie' blijven 
punten aan da' werk ; maakt da' ge gedaan hèl. 

PUNTIJZER, znw., o. — T.ij timmeil. Een korl, dik breekijzer 
ofkapbeitel met een scherpen bek aan 't een uiteinde en eenen kop aan 
't ander, waaiop men slaat mcl eenen hamer, omeene groef te kappen 
in een stuk ai duin, enz. 

PUNTJE N, znw., o. — Bij timmerl. Z. ELSEN. 

PUNTSTEEN, znw., m. — Baksteen die langs den eenen kant 
puntig uitloopt en gebezigd wordt bij het bouwen van weifsels. 

PUNTWERK, znw., o, — Weik, dat veel geduld en nauwkeurig- 
heid vrangl. D. B. 'Een horloge iiieenzellen is puntwerk. Mè' puntweik 
bezig zijn. Ik kan mè* zoo e puntwerk geene' weg ; ik krijg 'et er 
van op mijn zermwen. 

PUNTZAK, znw,, m. — Puntige papieren zak, pepcihuisje, 
waarin de winkeliers waren gelieven. Ook Tipzak. 

PURPEL, znw,, o. en bvw. — Purper, ¥ï, pourpre, E purpcl 
kleed. Purpel is e schoo(D) koleur. 

PUT, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Spi. /Hitten in de èèrde klagen, z. ÊÈRDE, 

— /n 't put o( in *t putteken van de{n) winter^ i:i hel hertje, in 
'l midden van den winter. 

— ' Nc{ti) put maken om *nen naderen te oullen^ ccne nieuwe scl..i!d 
maken om daarmede eene vroegeie ie belakn. 

— Grid, Pr. tombe. leman I in de' put heipe i (Ie oorzaak zijn 
van iemands dood.) Üitë jongen zal ze' vader nog in de' pul helpen. 

— Uiej te in t!e aardappelen, T., KI. -Br. Ei zijn witte pataten mè' 
roü en mè' blauw j>utlen. 

— Achlerüie, lot kinderen s])rekende.(A.) Ik zaloewa' kletsen op oe we' 
put geven, 'k Zal oeisondcroewe' putschuppen, as genie* wijs en zijt. 



— ioo8 — 

PUTKEEF en PUTKUIP, znw., v. — Planken afduiüng rond 
een en bornput. 

PUTLIGGER, znw., m. — Z, putzwiksie. 

PUT MIK, znw., m. — Putgalg. 

PUTRAD, PUTWIEL, znw., o. — Houten cirkel op den bodem 
van oenen put, waarop het metselwerk staat, Fr. rouet. 

PUTROL, znw., m. — Rol over eenen bornput, waar rond de 
putkctting loopt. T. 

PUTSNEP, znw., v. — IJzeren haak, waar de putemmer in 
hangt. T. 

PUTSTEEN, zriw., m. — Soort van baksteen om den wand 
van eenen bornput te metsen. T, 

PUTTEN, w„ b. — Met de goes bewerken (bij blokmakers.) 

PUTTEREN, PUTTERS, bw. — Bij spelende meisjes. Ken der 
drie bikkelstanden. 

PUTWIEL, znw., o. — Z. tutrad. 

PUTZEEL, znw., o. — Touw om te putten. T., Kl.-Br. 

PUTZWIKSIE, PUTZIKSIE, znw., v., PUTZWIKSEL, 

m. — Z. zwiKSiE. 

PUUK, znw.. V. — Z. PUG. 

PUUR, bw. — Waarlijk, gaar, om zoo te zeggen, D. B., B, Ik 
heb dezen nacht puur nie* kunnen slapen van 't lawijt. \ Is puur de 
moeite nie' meer weerd om er nu nog naartoe te gaan. Hij is puur 
versleten va;) te werken. Ik ben puur ziek. 't Is puur koud vandaag. 
Is da* nu 'ne mens(ch)? 't Is puur 'ne wilde. 

PU UT, ook PLUUT en PRUUT, bw. — Plots, siijf, eensklaps, 
met stiakke blikken. (K.) Hij bleef daar ^mut staan gapen. Fuut op iet 
staan zien. Puut blijven zitten. 

— Sch. geeft ook piet voor At'tw. en de Kemp. Dien vorm 
heb ik no^ niet gehoord. 

PYRAMIDALEN, znw., v., nuv. — Eene schoone, blauwe klok- 
vurniige bloem, Campanula pyratnidalis. 



r 



THE NEW YOPK 

PUBLIC u';rary 
881023A 

AS]C'f->. ENüX AND 
TILDEN Hl. 'JivIDATlONS 
M Ic^c}? L 

W— — ■■ ■ 



R. Syncope der R. (Zie Idiot., bl. 29.) In een gedeelte der provincie 
Antwerpen, namelijk in *t Noorden, wordt de r enkel uitgestooten vóór 
si, en dan nog maar alleen achter ó'. Zoo zegt men bostel^ kösty wöst, 
döstf wösteUftj enz. voor borstel^ korst, worst, worstelen^ enz., doch : 
gdrst, barst, hdrst^ enz. 

Te Antwerpen zqn ons geene andere voorbeelden van syncope der 
r bekend dan in bostel, kost, wöst en eest (eerst.) 

In andere streken van 't N. der Kempen en in een gedeelte van 
't W.y behoudt men de r vóór d en /, maar niet vóór de sisklanken. 
Hdrt^ wortel, mart (merkt), spdrtelen, mortel, enz. Daarentegen kas 
(kers), Ms2^/ (horzel), bast (berst), wdzzelen, vost (vorst), enz. — Nochtans, 
achter ecnen langen klank blijA r gemeenlijk staan : baors, schaars, vèèrs, 
kèèrs. 

Doch elders in 't W., in *t midden en 't Z. der Kempen, verdwijnt r 
vóór </, /, s en z, tenzij wanneer zij onmiddellijk door eenen langen 
klinker voorafgegaan is. Mdttelen (martelen), bost (borst), hdt (hert), 
jvJ/Ze-/ (wortel), ^oj/ (perst), zwdt (zwart), köt (kort), enz. — Daarentegen : 
baard, pèèrd, Mèèrt, schaors, zuurder, gehoord, enz. 

Nochtans, in 't Z, en Z.-O., in de kantons Heist-op-den-Berg, Wester- 
loo, Herenthals en voor een gedeelte in het kanton Mol, valt de r ook 
weg achter een langen klank. Baod (in 't Z.-O. bond), pèèèd, Mèèè't, 
schaos (in 't Z.-O. schoas), züdder (zuurder), gehood, enz. 

— Nopens de verandering van r \x\j in pjè?d^ stjèèt, enz., z. blz. 29. 

— Invloed der R op den voorga anden klinker. In 't Z.-O. 
der Kemp., o. a. te Vorst, Tongerloo en elders, veroorzaakt de r 
« swarabhakti > van de voorgaande lange a, e (zacht en zwaar), o (zacht) en 
eu. Men hoort er.Aflö^rvoor Aa^r^haar), wee'r voor weer^ pèè'r yoat pècr, 
spoo^r voor spoor, deu'r voor deur, enz. 

RAAD, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Het weer is om raad uit, zegt men wanneer het niet goed weet 
of het overblijven of regenen zal. 

RAAF, znw., v, — Wilde jongen, rakker, ruifel. (A.) 'En raaf 
van 'ne' jongen. 

— Domme raaf, stomme raaf, dom vrouwspersoon. 

— Fr. corbeau. Verg. Stelen gelgk de raven, gelijk Vn raaf; zoo 
dom als *en raaf, 

RAAK, znw«, m. en niet v. — Stam van Kaken. 



ld»0tic»K 06 



— lOlO — 

— Den raak hebben^ iets moeten lijden, tegenspoed ondervinden. 
T., R.y Kl.-Br. Hij hée' leclijk den raak gehad in zijne' stal met de 
ziekte. Ik heb nogal dikwijls den raak. (Ook in 't Mdnl., z. OUD., V, 759.) 

— Op den raak schieten^ werpen^ op den tref, gelijk het lukt, R. 

Zie GERAAK. 

RAAL, bvw. — Z. RÊÈL. 

RAAM, znw., v, en niet o, — Z. Wrdb. T., R., J.| B. 

RAAMIJZER, znw., o., zonder mrv. — Bij smeden, enz. Het 
ijzerwerk van een venster, waar de ruiten in vastgemaakt worden, Fr. yVr- 
a-vitre. 

RAAMPOMP, znw., v. — Venstersluiting, beslaande uit ecne 
lange ijzeren slaaf, waaraan in 't midden een handvat is, dat men op- 
en necrdraait om het venster te openen of te sluiten, Fr, espagnoUtte, 

RAAMSTOK, znw., m. — Bij mulders, leder van de twee horizon- 
tale riggels, die op de kist liggen en den graanbak dragen. 

RAAMZAAG, znw., v. — Zware zaag in een raam, dat door 
twee mannen bewogen wordt om eenen stam in planken te zagen. Ia 
plaats van de raamzaag gebruikt men nu meest de kraanzaag, die nog 
zwaarder van blad is, maar zonder raam. De lattenzagers gebruiken nog 
cene raamzaag, doch deze wordt maar door eenen man bewogen. 

RAAP, znw., V. — Fr. navet. 

— Spr, /// iemands rapen gehopen of gescheten hebben^ hem ver- 
gramd, misnoegd hebben. 

— '/ Gaat daar met de rapen in de{n) pot {pp\ zegt men van eeo 
huishouden waar men niets overhoudt van de inkomsten, maar alles 
verteert. Hij wint veul geld, maar wat help' 'et } 't Ga' met de rapen 
in de' pot. 

— Blozen gelijk 'en geschelde raap^ zeer bleek zien. 

— E gezicht hebben gelijk *en raap, een zeer bleek gezicht. 

— Fig. Groot, oud;?rwetsch zakuurwerk. Gij hèt die raap zeker 
van oe' grootvader geërfd ? 

RAAP APPEL, znw., m. — Afgevallen appel. Geeft die raap- 
appelen maar aan de kinderen. 

RAAP BEET, znw., m. — Koohraap, Fr. rutabaga, eene voeder- 
plant. 

RAAPBOTER, znw., v. — De boter die de koeien geven in dcu 
tijd dat men ze veel rapen voedert. 

RAAPBROOD, znw., o. — Raapkoek, (Z. der K.) 

RAAPSMOUT, znw., o. — Olie uit raapzaad geslagen. 
Kil. Racp-smout, oleum rapacium. 

RAAPTOL, znw., m. — Z. raapbeet. 



— ion — 

RAAPZAAD, ianw., o, — Het zaa'1 van de raap, Fr. graiiie de 
navet, 

— In Holland beteekent het Koolzaad, Fr. navette^ colza, waarvoor 
wij sloorsaad zeggen. 

RAAR, bvw. — Fr, rare, 

— Gep, w. Zelden of raar^ raar of zelden ^ zeer zelden, bijna nooil. 
Zoo iet gebeurt zelden of raar. 't Is raar of zelden dat hij hier komt 

— *Nen rare kerel, 'nen rare vogel, een vies, een kluchtig man. 

— Spr. Rare mannen hebben rare baarden^ vieze mannen hebben 
aardige manieren, 

RAAS, znw.y m. — Geschreeuw, gerucht. Maakt daar zoo *nen 
raas nie' over. Den raas is veul erger as de daad. 

RAASDIO, OERAA8DIG, bvw. — Razend, dol. 'Nen raasdigen 
hond. Hij was raasdig kwaad. De kat was geraasdig. 

Ons- Lie vrouwken trapt op 't zand, 
Zonder stok of stapel in heur hand, 
Met de zeven psalmen in heure(n) mond : 
Keert daarmee den raasdigen hond. 
Ik ben deze(n) mergend viuug opgestaan, 
Ik heb Sint-Huibrcchts kloksken hoorcn slaan : 
Raasdigen hond, sta stil. 
Want het is Sint-Huibrechts wil. 

{Bezwering tegen eenen razenden hond.) 

RAASKLOOT, znw., m. — Razer, manspersoon die veel geraas 
maakt. 

RAASKONT, znw., v. — Vrouw die bij 't spreken veel geraas 
maakt. 

RABARBEL, REBERBEL, znw., m., niet v. — Rabarber. 

RABAT (klemt, op bat), znw., o. — Bij timmerl. Groef waarin 
een raam of deur schuift, Fr. coulisse, 

— Vensterroede, Fr. croisillon. De ruiten worden in de rabatten 
roet stopveif vastgezet. 

RABAT8CHAAF, znw., v. — Bij timmerl. Sponningschaaf, boor- 
schaaf, Fr. guillaume, 

RABAUW (klemt, op bauw)y znw., m. — Schelm, deugniet, Fr. 
fripon, ribaud, vaurien, D. B., bij Kram. rabaut. Hij loopt altijd mè* 
schelmen en rabauwen, 't Is 'nen eersten rabauw. 

— Soort van laten appel, met eene grauwe schel, zuurachtig van smaak. 
De Wrdb. vertalen rabauw door capcndu, manr dat is 't niet. 

RABOE (klemt, op boe)^ znw., m, — Uitschot, bocht, Fr. rebut. 
Raboe van volk. Raboe van giaan. 



— IOI2 — 

RABOT (klemt, op öo/), znw., m. — Op rabotgaan, op zwier gaan, 
de herbergen afloopen en zich bedrinken. Fr. riboUr. D, B. Hij heet 
de heel week op rabot geweest. Mijne gebuur Iaat van eene' pas ze' 
werk staan en gaat op rabot. 

RABOTTEN, w., o. — Slempen, op rabot gaan. T. Hij héct 
heel de week gerabot. Hij doe* nie* as zuipen en rabotten. 

^RADUINEN, z. *randuinen. 

RAF| tw. — Dient om eene rasse daad uit te drukken, T., R. 
Raf ! daar leet den heelen boel op de' grond, c Raf! hij wipt ineens 
het kussen af ! ^ (Van Droogenbroeck, Zonnestralen,) 

— Bw. Spoedig. Maakt oe raf de deur uit. 

— Znw,, m. Oogwenk, *t Was op *nen raf gedaan. 

RAFELBERD, znw., o. — Berd waarop men rafelt. Op het 
rafelberd gooien. 

RAFELEN, w., o. — Met teerlingen werpen op het rafelberd. 
Op de kermissen wordt er gerafeld. Rafelen veur kluppelkoek. 

RAFELS, znw., o. — Ravels, een dorp in de Kempen. 
RAFFEL, tw. — Z. raf. 

*RAGERSHOOFD, znw., o. — c Wordt, volgens Sch., in de 
Kemp. soms gebezigd voor Raagbol, Fr. boussotr, 

RAGGEN, w., o. — Wild, onstuimig, heen en weer loopen, op 
iemands lijf gaan hangen of met zijne kleederen trekken of sleuren, sprek. 
van kinderen. (N.-W. der K.) Hfft. Dieën dwaze jongen ragt overal 
deur. Loopen en raggen. 

— Wordt ook gezeid van het wild loopen van koeien in de weide, 
die stierig zijn en op andere koeien springen. 

— Met het lichaam legen iels wrijven en schuiven, hangen, leunen. 
(N.-W. der K.) (Ook in N.-Holl., z. B.) Zit zoo niet te raggen op oewe* 
stoel. Sta* zoo niet tegen de' muur te raggen. De koei doe' niks as tegen 
heure' staak raggen. 

— Afl. Ragger^ gerag. 

RAISON NATIE, znw., v. — Redeneering, gesprek. T., R. Ze 
waren mè' raalkandeien druk in raisonnatie. Is da' nu 'en raisonnatie 
die ge vertelt ? 

RAKELEN, w., b. en o. — Met het rakelijzer de gloeiende kolen 
in den oven omroeren, Fr. remuer la braise^ bij D. B. rokelen, Den 
oven rakelen. In de ass(ch)e rakelen. Ook Reukeien, 

Kil. Raeckelen het vier, rutabulo prorvere ignem, 

RAKELIJZERj znw., o. — IJzer om den oven te rakelen. 
RAKELSTOK, znw., m. — Lange stok om den oven te rakelen. 



— IOI3 — 

RAKEN, w., b. — Z. Wrdb. 

— Fan 'en kwa{d)e hand geraakt zijn^ betooverd zijn, R. 

— *k Zal hem raken^ zegt men drcigoader wijze om te beleekenen 
dat men zich zal wreken over eenig ongelijk. Wacht maar totda* 'k *em 
zien, ik zal 'em raken, de kwdtong ! Ge hèl mij belasterd, maar 'k zal 
oe raken, kerel ! 

RAKKEN, w., o. — Woest loopen, overal doorheen loopen. (K.) 
Dieë jongen rakt overal maar deur. Over de straat rakken. Hij rakt deur 
boss(ch)en en kanten. Overal naartoe rakken. — Vrglk. raggen. 

— Gep. w. Rakken en brakken. 

— Afl. Gerakf rakker. 

RAKKER, znw., m. — Wilde jongen, woelige straatjongen* 'Nen 
rakker van *ne* jongen. 

— Ruwe, onbeschaafde kerel. Da' zijn daar rakkers in dat dorp. 
-^ De Wrdb. vertalen het door vaurien, deugniet. 

RAKKEREN, w., o. — Z. rakken. 

RAM, znw., m. — Zeker kaartspel, 'En rammeken doen. 'Nen 
ram spelen. 

RAMMEL, znw., m. «-Rammelaar, een kinderspeeltuig, Fr. hochet . 

— Vracht slagen. Rammel krijgen. Iemand rammel geven, 

RAMMEL, znw., v. — Rammelaarster, babbelaarster, Fr. cague- 
teuse. 

RAMMELEN, w., b. — Aframmelen, eene rammeling geven. 
Ik zal dieën deugeniet rammelen ! 

— Onp. Wordt gezeid van het gewone klokkenspel, dal het slaan 
der uren of halve uren voorafgaat. '£t rammelt op den toren. Het is 
vier uren gerammeld. 

RAMMBLKONT, znw., v. — Rammelaarster, wauwelaarster, 
Fr. caquetetise, 

RAMMEN, w., o. — Naam van een kaartspel. Willen me wa' 
gaao rammen ? Me hebben gisteren den heelen avend geramd. 

RAMMENANT (klemt, op nant)^ znw., m. — Uitschot, over- 
geschoten bucht. (Ook in Brab., z. Sch.) Rammenant van appelen, peren, 
enz. Daar lee' nog wa' rammenant van pataten, voeiert die aan de verkensop. 

RAM MEN ATS, znw., v. — Rammenas, Fr. raifort notr^ L. 
Raphanis niger, 

RAMMETIEK, bvw. — Z. rommetiek. 

RAM OER, znw., m. — Hetzelfde als Rumoer, gedruisch, geraas, 
Fr. tapage^ vacarme. D. B. Ik hoorde gisteren nacht *en hevig ramoer 
op de straat. Stil daar, met da' rumoer I 

Kil. Rammoer, romoer, rumor^ tnrba. 



^^^^ /(/C^uji-é 0'>^) 



— IOI4 — 

RAMOEREN en RA MOEZEN, w., o. — Rumoeren, geruch 
maken. Wat hoor ek tiaar ramoercn ? Ze zijn heel den nacht aan 
*t ramoezen geweest. 

Kil. Rammoeren, tumultuare, 

RAMPLEMENT, REPPLEMENT, znw., o. — Vermaning, 
berisping, Fr. réprimande, Ie Antw. REPPREMENT, bij Dr. rappU- 
ment^ bij M. rappehnent en bij B. rappelUment, rappUment, Iemand e 
ramplemeut geven. Hij kreeg *en repplement, omdat em zijn boodschap 
slecht had gedaan. 

RAMULT (klemt, op mult)^ znw., o. — Rumoer, gedruisch, oproer. 
Daar was veul ramult in die herberg. Te midden van *t ramult kwam 
ik binnen. Ze maakten groot ramult. 

— Bij D. B. is 't w. vr. 

RAND, znw., m. — Bij schoenmakers. Eene strook leder, die met 
den zoom van het overleer vastgenaaid wordt aan den binnenzool en dan 
aan den lapzool, in de Wrdb. Brandzool, Fr. trépointe, D. B. 

*RAND, znw., m. — « Uit den rand eten^ overvloedig eten. » 
Sch. geeft die uitdrukking voor de Kemp. 

RANDEN, RANNEN, w., b. en o. — Overslaan, verzuimen, 
achtcilaieu wal men gewoon is te doen. (K.) Ik ben gewoon van alle 
dagen naar de mis te gaan, maar vandaag zal ik is randen, 's Zondags 
'et lof randen. Hij komt alle weken naar de vergadering, maar vandaag 
heet em gerand. 

— Wordt ook gezeid van hennen die den eenen dag leggen en den 
anderen niet. Ons zwarte hin randt overanderen dag. 

Kil. Randen, supersedere opus, omittere opus. Randen, dicitur 
gailina citm intcrmittit ponere ovum ad unum ant alter um diem. 

^RANDUINEN, ♦RADUINEN, w., o. — Heeft, volgens Sch., 
te Antw. nog dezelfde beleekenis als In 't wilde rondloopen. 

Ik heb dit w., hetwelk bij Kil. staat, bij *l volk nog niet gehoord. 

RANG, znw., m. — Zwarte ring dien men soms in aardappelen 
aantreft. (K.) Ons pataten zijn vol rangen en weeren. Z, gerangd. 

RANGMAAI, znw,,v, — De made der schorskevers, Lat. Atö/ W/ite, 
een kleine wiite worm, die in de schors en in het hout der boomen 
leeft en er gangen in graaft. 

RANK, znw., m. en v. — Fr, sarrnent, vrïlle, Z. Wrdb.J. 

— De slanke stengel van erwten, boonen, hop, winde, enz, D. B. 
(Ook in Brab. en Limb., z. Sch.) 

— Naam dien men geeft aan verschillende rankende planten, zooals 
b. V. aan de Haagwinde, L, Convolvultts sepium, 

RANNEN, w., b. en o. — Z. randen. 

RANST, znw., v. — Ieder van de berderen of planken, die men 
aan den houtdok onder de stapels gezaagd hout legt, om ze tegen de 
vochtigheid van den bodem te beveiligen. (A.) 



— IOI5 — 

RAP, bvw. ^ Vlug, behendig, gauw. Z. Wrdb. 

— Verg. Zoo rap als ^nen kaas, als *nen hert, als de wind, als 
*ne weerUcht, als *ne pgl, als de blaren die waaien. 

RAP, znw., V. — Puist, vooral in het aangezicht of het hoofd. 
Z'n heel gezicht sta' vol rappen en puisten. 

RAPALIB (klemt, op/a), znw., v. — Schuim van volk, gepeupel, 
janhagel, bij Sch. rapaile, rapailje^ raspalie^ bij Kram. rapalje, Rapalie 
van volk. 

Kil. Raepalie, /ö/<r//«j. 

RAPBLINGy znw., v., zonder mrv, — Bijeengeraapt, afgevallen 
firuit. D. B., Sch., T, 

RAPEN, w., b. — Z. Wrdb. 

— Iet rapen, tot schande komen, bedrogen worden, sprek. van 
een meisje. R. 

RAP EN RÜI(0, znw., o. — Schurftig volk, slecht volk, Fr. 
canaille. (K), bij M. rap en roet, 

RAPPIGHEID, znw., v. — Gauwheid, behendigheid. T., R. 

— Spr. Alles is 'en weet, maar vlooien vangen is 'en rappigheid. 

RAS(CH), bvw. — Loslijvig, Fr. relaché^ ayant ventre Idche, 
Ras(ch) zijl) in den buik. Ik eet van die gruunte nie' meer, want ik 
wör' der veul te ras van. As de koeien te veel groen voeder krijgen, 
dan worden ze rasch. 

— Kil. Rasch in den buyck, forioliis : ciia alvo. 

— Zoo dl oog dat het breekt, sprek. van planten. (K.) T„ D. B, 
*t Hooi is zoo ras(ch) dat 'et breekt. 

RASKEDBPEU, znw., o. — Janhagcl, slecht, gemeen volk, 

RASTEEL, RESTEEL (klemt, op eel, scherpe e\ znw., o. — 
Hooueep, ruif voor de peerden, Fr. rótelier. (N. der K.) D, B. (Ook 
in Brab. en de omstreken van Bergen-op-Zoom, z. Sch.) 

RAT, znw., V. en in sommige streken o. — Fr. rat. 

— Oostindis{ch)e rat, meerzwijntje, Fr. cochon d'Inde, 

— Wakker, levendig, slim kind. Da' kind is *en rat. 'En rat van 
e kind. 

— Slimmerik, iemand die alles in 't geheim achterhaalt om er zijn 
voordeel mee te doen. 

— Frans(ch)c rat, Fransche gelukzoeker. 

— Vreemde rat, vreemde gelukzoeker. 

— Kale rat, kaulaard, arme duivel, die als iemand voornaams wil 
doorgaan. 

— Spr. Daar zitten ratten in onze(n) kèès, wij worden bestolen. 

— Van de ratten gepoetst oigeneiikt zi/n, slim, listig, doortrapt zijn . 



— ioi6 — 

RAT, RATS, bw. — Geheel en al. midden door. Wordt gebruikt 
met af^ in twetcn^ op^ over^ ttit^ enz., bij D. B. grat en rat. De pijp 
viel, en rat kapot ! Hij kapte zijne* vinger rats af. De stok brak rat deur. 
Ik trok *el zeel rats in tweeën. 

RATEL, znw., v. — Vrouw die overvloedig babbelt. *Ed ratel 
van e wijf. 

RATEL, znw., m. — Reutel, doodsreutel, Fr. rdle^ rdUment, 
D. B. Met den ratel in de kèèl liggen, 

— Spr. Den ratel in de kèèl hebben^ b^na geruïneerd zijn. 

RATELEN, w., o. — Reutelen, den doodsreutel hebben* Hg 
ratelde en stierf. 

RATELS, znw., m., mrv. — Een onkruid dat veel in sommige 
weiden aangetroffen wordt, Fr. crête-de^coq^ L. Rhinanthus minor Ehrh. 
Eene grootere variëteit treft men aan in 't koren, te weten de Rhinanthus 
major Ehrh. (Ook in Brab. en Limb., z. Sch,) Z. ook D. B. en M. 

RATS, bw. — Z. RAT. 

RATTEKE(N, znw., o. — Troetelnaam voor kleine kinderen. Kom 
hier, me* klein ratteken I 

RATTEKE(N)SMEULEN, znw., m. — Raderkensmolen, Fr. 
carrousel a vélocipèdes* (Lier.) 

RATTEKLEM, znw., v. — Eene klem of knip om ratten te vangen. 

RATTEKOP, znw., m. — Iemand wiens haar onregelmatig, met 
habben en trappen, geknipt is. 

RATTEKRUID, znw,, o. — Wilde munt die in akkers en grachten 
groeit, Lat. Mentha arvensis en Mentha aquatica L. 

RATTEN, w., b. — Heimelijk wegnemen. T., R. Hij heet daar 
wa* gerat. Ze hebben mijn geldbeurs gerat. 

KRATTEN KRUID, znw., o. ^ • Zoo slim als rattenkruid^ 
eeer slim, loos. > 

Sch. geeft die uitdr. voor de Kemp. en Antw. 

RATTEVANGER, znw., m. — Slag van kleinen hond, die ratten 
vangt. 

RATTIG, bvw. — Afzichtelijk, vuil en kaal. Hij had me zoo 'nen 
rattige* frak aan. Gij ziet er zoo rat tig uit. 

RAUW, znw., m. en niet rouw^ zooals Sch. schrijft. — Aarden 
stoofpot. (K.) Men stooft roókoolen, vleesch, enz. in 'nen rauw. 

RAVATTER (klemt, op vat)^ znw., zonder lidw. — Vracht slagen. 
Z. der K.) Ravaiter krijgen. Iemand ravatter geven. 

RAVATTEREN, w., o. — Aframmelen, slagen geven. (Z. der K.) 
Ze pakten *em vast, en ze begosten er is goed over te ravatteren. 



— IOI7 — 

RAVATTBRINO, zqw., v. — Rossingi pak slagen. 

RAVBELBN (klemt, op vee)^ w,, o. — Dwaas en wild loopea, 
ravotteo. Hij heet den heelen dag op de straat geraveeld* 

— B. Bemorsen, vei scheuren, sprek. van kleederen. R., D. B. (Ook 
n VI., z. Sch.) Wat hedde oe* kleed leelijk geraveell ! Z. Sch. ea Kil. 

RAVELLBKBN (klemt, op t/^/), znvr., o. — Straatliedje, straat- 
deuntje. (Z. der K.) Hij kan van alle ravellekens. Speelt nog is e ra veileken. 

RAVBNS, (klemt, op vens), znw„ v. — Wraak, Fr. revanche. 
Ge hèt 'em kwaad gedaan, raaar hij zal wel raveas nemen. 

RAVETS (klemt, op vets)^ znw., v. — Gremeen feestje. (Z. der K.) 
T. Da' meisken löpt alle ravetskens en kermiskens af. 

*RAVETS, znw. (gesl. ?). — Beteekent volgens Sch., te Antw. 
een straailiedje, een straaideuntje, 

RAWENS(CH), bvw. — Z. roüwaans(ch). 

RAVOT (klemt, op vot)^ znw., m. — Op ravot gaan, z. Rabot. (A.) 

RAVOTSEN, w., o. — Hetzelfde als Ravotten, wild stoeien, dwaas 
loopen en spelen. (K«) 

RAVOTTEN, w., o. — Op zwier, op rabot gaan, wallebakken, 
Fr. riboter. (A.) 

REAAJL, bvw. — Mild, vrijgevig, ruimgeefsch, Fr. large^ Itbéral, 
R«, D. B. M., te Antw. RIAAL. Gij zij' veul te reaal mee oe' geld. 'Nen 
realen heer. As hij geld heet, is hij ruim reaal genoeg. 

— Groot, ruim, wijd. E reaal huis. Ik zal reaal toekomen mè' mij' 
geld. 'Nen reale pr^s. Ik heb hier reaal plaats genoeg. '£n huis mè' 
reaal kamers. 

REBBE, RIBBB, znw., m. — Vocatief van konijn. T., R., D. B., 
KU-Br. 

— In 't Z. der Kemp. ook gebruikt als vocatief van Geit. 

RBBBRBBL, znw., m. — Z. rabarbel. 

RBBBIOBPBU, znw., o. — Janhagel, slecht volk. (Z. der K.) 

RBCHT, bvw. — Fr. droit. Z. Wrdb. 

— Verg. Zoo recht als 'en kèêrs^ als *nen bout, als 'ne p^l, als 
*en naald, als 'nen draad, 

— Recht op recht gaan, den kortsten weg nemen, geenen omweg 
maken. As ge deze' weg neemt, dan gade recht op recht. 

— Recht deur, recht veur de vuist, oprecht, niet geveinsd, Fr. sincère» 
Die€ mens(ch) is recht deur. Hij heet altijd recht veur de vuist geweest. 

<» Recht in zyn schoenen gaan, eerlijk zijn in zijnen handel en 
wandel. D. B., T. As ge recht in oe' schoenen gaat, dan moetie u 
aan 't klappen van de mens(ch)en nie' stooren. 



— ioi8 — 

— Men gebruikt recht en recht sch voor rechter. De rechts(ch)e hand. 
Mijnen rechts(ch)e voet. Zijnen rechten arm. 

Zoo ook sUnk en slinksch voor linker. 

— Ten rechte^ te recht. Den brief is nie' ten rechte gekomen. Da' 
geraakt nooit nie' meer ten rechte. 

RECHT, znw., o. — Fr. drott, 

— Spr. Kort recht spelen me{t) tet, er spoedig een einde aan maken. 
Den b:! = hée' kort recht gespeeld mee' eene van zijn gasten, en 'em 
maar scitens aan de deur gewalst. 

— Recht doen tegen iemani^ hem gerechtelijk vervolgen. 

— Riccht is recht ^ zee den hoschwachter ^ en hij sloeg ze* w^f in dt 
boet, 

— DcLar niks is^ verliert de keizer zi/n recht, die niet heeft, kan 
nirt geven. 

— Onder zijn kerkelijke rechten liggen^ de laatste HH, Sacramenten 
ontvangen hebben. Z. ook kerkerechten. 

RECHTER, znw., m. — Breede, dikke loopplank, die als een 
brugsken de vei binding vormt tusschen den kaaimuur en de schepen, 
bij den wal liggende. (A.) 

RECHTS(CH), bvw, — Z. recht. 

RECHTZETTEN, w., h.-^ Iemand rechtzetten ^ hem min of meer 
krachtdadig, uuJiukkciijk, gevoelig tot zijne plicht brengen, hem tot rede 
brengen, Fr. arranger. Hfft. Hij wilt oe nie* gehoorzamen? E wel, ik 
zal il^ 'em is rechtzetten. 

RECHTZINNIG, bvw. — Oprecht, rondborstig, eerlgk, Fr. ^mrrV^, 
franc ^probe. HtU., Sch. Ik heb 'em altijd aanzien veur *nen rechtzinnige' 
mens(ch). Rechtzinnig de waarheid zeggen. Hij is rechtzinnig bekeerd. 
God vergeeft onze zonden niet, als ons berouw niet rechtzinnig is. Hetgeen 
ik u zeg, is rechtzinnig waar, de rechtzinnige waarheid. 

Kil. Recht-sinnigh, integer^ sincerus animo^ aequus. 

REDELIJKSKENS, l>w. - Zus en zoo, niet al te best. D. B. 
Hoe gaget met de' zieke r Wel zoo maar redelijkskens. 

REDEN, znw,, v. — i" Denkvermogen, Fr. raison; 2' beweeg- 
reden, Fr. tnotif^ mrv. re{d)en en rede{n)s. iMet reden en verstand 

begaafd zijn. 

— in de reden, redelijk, tamelijk, Fr. passahlement . Hoe gaget 
met de gezondheid ? Wel zooal in de reden. 

— Alle re(d)en plaats geven, redelijk zijn, Fr. étrc raisonnable, 
'Ne mens(ch) moet alle re(d)en plaats geven. 

Jet zeggen veur zijn reden, iels zeggen om zekere redenen die 

men heeft, zijne meening te kennen geven bij iemand die min of meer 
anders denkt. D, B. Ik zeg veur mijn reden da' zoo iet l>elachelijk is 
Ik bestruftcn 'em omdat hij gisteren nie' op de vergadering nie' geweest 
had, maar hij zee veur zijn reden, dat hij geenen tijd had om er naartoe 
te komeiu 



— IOI9 — 

— 3* Woordvoering, gesprek, Fr. paroles^ propos^ discours^ mrv, 
redens. Hij heet daar 'en schoon reden uilgesproken. Slechte redens 
vertellen. 

— In de beteekenis van *l Fr. moiif ztgi men zoowel reeen (zachte *\, 
als reden en in 't mrv. reeen en redens, doch in de andere opvattingen 
van 't w. is 't altijd reden. 

RBB (zachte <?), znw., v, — Greppel. 

— Spr. Geen reeën me{t) iemand kunnen schieten, er niet mee kun- 
nen overeenkomen, hem geene rede kunnen doen verstaan, Z. ook RICHT. 

RBBK (zachter»), znw., m. — De vruchtbaarheid, de goede staat 
van eeoen akker. (K.) In of uit den reek zijn. Da' land is uit den reek 
(het is in slechten staat). 

— Men zegt ook van een huis, dat het uit den reek is, wanneer 
het overal begint te vervallen. 

— In N.-Br., zegt Hfft., bet. het hetgeen voor het bebouwen en 
bewerken, het bemesten en bezaaien van het land betaald wordt, alsook 
het mest en het zaad in het land stekende. 

RÈÈL, RAAL, REIL.bvw. — Dun en lang, rijzig, rank, Yx.grêle^ 
svelte^ éiancé, bij D. Ü. raaf. Hij is lank en rèèl. 'Nen rèle jongen. 
Kil. Rael, reel, ienuis, exilis, gracilis, 

RBBNGBNOOT (uitspr. reg9noot\ znw., m. — Dat w. wordt 
iu de Keinp., vnoraamelijk op de plakkaten der notarissen nog gebruikt 
voor Eigenaar die met zijne goederen aan die van andere paalt. Hflft., 
Jong. (Ook ia Brab., Belg.-en HolU-Limb., z. Sch.j 

Kil. Reen-ghenoot, vicimus^ confinis^ affinis in agris, 

RBEP (scherpe e\ znw., m. — Houten hoepel, Fr. cerceau, 
^ Spr, Reepen snijden^ vluchten, de plaat poetsen^ Fr. prendre la 
potidre d'escampette. Hij is gaan reepen snijen mee' 'en andermans geld. 

— Ruif waar de peerden hun hooi in hebben, Fr. rdtelier, T., R., M. 
(Ook in Belg. en Holl.-Limb., Drenthe en Neders., z. Sch. en M.) 
Bij Jong reup» 't Pèèrd hée' geen hooi meer in zijnen reep. 

— Bij slotmakers. Smal plaatje dat in de kas van een slot geplaatst 
is en in den kerf van den sleutel oast. Het dient om het opendoen 
door middel van valsche sleutels te beictten, Fr. bouterolle deserrure. D. B. 

RBEP (zachte e), znw., v. — Hetzelfde als Repel in de Wrdb., 
soort van ijzeren kam om de zaadbollen van de vlasstengels te scheiden, 
Fr, drège. D, B. (Ook in VI., West-Brab, en Limb., z, Sch.) 

Kil. Repe, instrumentum ferreutn quo lini senun stringitur. 

RBBP (scherpe é), bw. en Iw. — Weg, ontsnapt, gevlucht. De 
vogel is reep. Reep ! hij is de gaten uit \ 

RBBPBL, Kemp. ook RBIPBL, znw., m. — Smalle band of 
strook. 'Nen lecpel papier. 'En reepclije laken afsnij(d)en. 'Ne smallen 
reipel, 'Ne langen recpel. < Dit zeggende, greep hij het boek weder vast 
en ging het in reepels scheiuren. » (Zetternam. Mynheer Luchtervelde, 1 1.) 



— I020 — 

— Wordt ook gezeid van een e strook of streep grood. Ik heb daar 
nog *nen reipel grond liggen, dieën ik wil vcrkoopeo. Op da' reepeltje 
plant ek bloemen. 

REEPEKLIEVER, REEPEMAKER, znw., m. — Hoepel- 
maker, Fr. cerclier. 

REEPEN, w., o. — Hoepelen, met den reep, den hoepel spelen, 
Fr. jouer au cerceau. De kinderen reepen geren. 
Kil. Reepen, circulo Itgneo lucUre. 

REEPHOÜT, znw., o. — Hout, waaruit reepen gekloven worden. 

REEPKOOR(D), znw., v., REEPZEEL, o. — Dik touw, dienstig 
voor de reepen van mulders, brouwers, enz. 

REEPKRAM, znw., v. — Ieder van de gzeren krammen aan 
eene liuifkar, waai lic reepen in steken over welke de huif gespannen 
wordt. 

REEPZEEL, znw., o. — Z. reepkoor(d). 

REES. Tweede hoofdvorm van Reizen. 

REES EL, znw., m. — Hetzelfde als het HoU. Rist, tros, sprek. 
van dingen die in eene rij samenhangen, bq D. B. en Kil. reesem, Sch. 
(V, D, vermeldt het als gewest.) 'Nen reesel sleutels. *Nen reesel ajuin. 
De rupsen hangen mee* heelder reesels in de boomen. 

— 'Nen reesel pèèrden^ pcerden die met koorden aan toom en steert 
samengebonden, op eene rij de eene achter de andere voortgeleid worden, 
b. V. naar eene merkt. 'Nen reesel van negen pèèrden. 

REESELEN, w., b, — Tot eenen reesel samenvoegen. Reeselt 
die pèrels eens. 

— Met koorden aan toom en steert verbinden, sprek. van peerden. 
Pèèrden reeselen. 

REETEN, w., b, — Hetzelfde als Rotten of Roten in de Wrdb., 
vlas in 't water gedompeld houden gedurende eenige dagen, opdat de 
bast afscheide van den stengel, Fr, rouir^ bij V, D. reten, (K.) Vlas 
reeten in *ne' vijver. Gereet vlas. 

— Ook o. Laat 'et vlas nog maar 'nen dag of twee reeten. 
Kil, Reeten het vlas, praeparare linum in aquis, 

REETPUT, znw., m. — Put waar men vlas in reet. 

REFTER, znw., m. — Eetzaal in een klooster, eene kostschool, 
Fr, refectoire, D. B. 

REGARDE, znw., v, — lei laten uit regarde veur iemand, uit 
achting voor iemand. Van 't Fr. égard. Ik zou hem kunnen vervolgen 
deur de jwlitie, maar ik laat het uit regarde veur ze' vader. 

REGEL, znw., m. — Liniaal, Fr. règle, D. B. Mè' 'nen regel 
lijnen trekken. 

— Volgeni Kram. wordt dit w* weinig of niet gebruikt* Hier wel. 



— I02I — 

RBQELATIBy znw., v. — Overleg, Fr. arrangement. T., R., 
KJ.-Br. Gij hèt geen goei regelatie, 

REGELÉEREN, w., b. — Regelen, schikken, Fr. rêgUr. T., 
Kl.-Br., R. Regeleert da' ge' tegen drij uren gedaan hèt mee' oe* werk, 
dan kunnen me gaan wandelen, 

— Overleggen, Fr, arranger. Daar is niks meer aan te veranderen, 
't is zoo geregeleerd, 

— Bestemmen. Da* stuk land is geregeleerd veur koren. 

— In staat stellen of zijn. Dat huis is slecht geregeleerd om winkel 
te houwen. 

Ook bij T. 

REGELEN, w., b. — Langs eenen regel of eene linia.il lijnen 
trekken op papier, enz., Fr. ligner, Z. afregelen. 

REGELET (klemt, op let)^ znw., o. en v. — Regel, liniaal. 

REGELPEN, znw., v. — Potlood. (Z. der K.) T. 

REGEN en RÈGER, znw., m. — Regen, Fr. pluie. 

"^REGENBLOESEM, znw., m. — t De kleine witte wolkjes, 
waaraan de landbouwers, in den zomer, na eene lange droogte, meenen 
te voorzien dat het in 't kort zal regenen. > 

Sch, geeft dat w. voor de Kemp. 

REGENEN en REGEREN, w., onp. — Regenen, Yi.pleuvoir. 

— Spr. Als *t régent uit den Oosten^ régent het zonder vertroosten, 

— Wordt soms met ze als onderw. gebruikt. Ze regenen goed aan. 

— Ook b. 't Zou 'en goei bui moeten regeren. 

REGENOOT, zow., m. — Z. reenoenoot. 

RÈGER, znw., m. — Regen. 

— Gep, w. Deur règer en slèger^ door alle slecht, nat weder. 
De briefdragers hebben 'et onder de mer(k)t niet, zij moeten allo dagen 
deur règer en slèger. 

REGEREN, w., onp. — Z. regenen. 

REGGELOT (klemt, op lot\ znw., v. — Verbastering van 't Fr. 
reine»Claude^ soort van groene pruim. 

REGISTER, znw., m. en niet o. — Z. Wrdb. D. B., R., J. (Ook 
in Limb. en Brab., z. Sch.) 

— Spr. *Nen anderen register trekken^ op eene andere mani* r te 
werk gaan dan met tot nu toe placht. Nudat hij getrouwd is, zal em 
'nen anderen register moeten trekken. 

REI, znw., V. — Bij metsers, timmerl. en andere ambachten. Lat 
of maat die men tegen den muur houdt om te passen. B. 

REIFELEN, w., o. — Hetzelfde als Rafelen, uitralelen, Fr. s*effiler. 
Da' goed reifelt fel. 



— I022 — 

RBIGBRD, znw., m. — Wordt door sommigen gebruikt voor 
Reiger, Fr, héron, 

REIL, bvw. — Z. RÊÈL. 

REILATTBKB(N, zdw., o. — Bij timmerl. Ieder vao de twee 
latten vao 45 tot 50 cm. lengte, die men op de beide uiteinden eeoer 
plank zet bij het schaven, onï te zien of het hout recht eu van scheelte 
geschaafd is. Ook Schèèltelatteke(n. 

REI PEL, zDw., m. — Z. reepel. 

REIS, znw., V. — Z. Wrdb. 

— Van 'en kaal reis komeriy z. KAAL. 

— Altijd Vw meri of *en reis hebben^ z, MERT. 

REIS, REISKENS, REIZBKENS, RBS, RESKENS, RIS, 
RISKENS, l>w. van tijd en vau plaats. — Juist, piccies, Fr. tout juste ; 
nauwelijks, Fr. a /£'/>/<' ,• litiitjes, eventjes, Fr. légvretnent^ un peu. Het is 
meest altijd voorafgegaan van maar. Hij was nog maar reis vertrokken, as 
gij kwaamt. Ik had maar leiskeus den tii<^ 'mi 'nen boterham te eteo, en 
daarmee moest ik weeral voort. Hij héci hier reizekens binnen geweesL 
Drinkt wa' meer, ge komt maar reskens mee oe' lippen aan *t glas. 
Ik kwam maar riskens aan zij* lijf, en hij begost te grijzen, Doet diecn 
bock is reskens open. Ik gaan eens res buiten, ik kom seffens terug. 

Z, ook D. B., i. V. rechts, 

RBISCHAAP, RIJSCHAAF, znw., v. — Schaaf die langer en 
zwaarder is dan de strijkblok en dient om het hout, dat eerst met den 
strijkblok geschaafd is, verder zuiver af te werken en het geheel recht 
te SU ijken, Fr. . irlope. 

— Kram. vertaalt het door riflard^ doch dat is de Voorlooper, 
die merkelijk kleiner is dan de reischaaf. 

REIT, znw,, m, — Scirpus sylvaticus D. C. 

REIZENDE, bw. — Komt als versterking bij vol. Boordevol, 
effen vol. Ons koei geeft alle morgens 'nen eemer melk, reizende vol. 
Hij schonk zijnen roomer reizende vol. Vrglk, D, B. en Kil. i. v. reis, 

REIZÜ.NS, bw. — Z. REIS. 

REK, znw., m. — Rekbare caoutchouc, Fr. gomme élastique, 

— Rekbaarheid. In die schoenen is geenen rek meer. Den rek is er uit. 

— Fig. Slagen. Iemand rek geven. 

— IVarme rek, mengsel van gesmollen suiker, vet en bloem, waarvan 
de kramers karamellen maken. 

— O. Eind weg. Dat dorp is *en heel rek van hier. (Bij Kram, m.) 

REKEL, znw., m. — Gierigaard, vrek. 'Ne gierigen rekel. Dieén 
rekel lijdt nog armoei bij al ze* geld. 
Kil. Rekel, homo avarus. 



— I023 — 

— Moedwillige deugniet, vlegel. Mè' zoo 'nen rekel is geen richt 
te schieten. 

— Schubvleugelig insect met een dik lijf en een zeer langen zuigspriet. 
Evenals de vlinders, bezoeken de rekels de bloemen, maar gaan er nooit 
op zitten. 

REKEN KLOT, znw., m. — Klomp moerturf, die men in den 
heerd legt en met assche overdekt, om het vuur te bewaren. (K.) Z. 
rekenen in de Wrdb. 

RÈKBREN, w., o. — Wordt in sommige streken gehoord voor 
Rekenen, Fr. compter, 

REKKBDEBBKKEN, w., o. — Trekkebekken, Fr. se hecqueter. 
De duiven rekkedebekken. 

REKKEN, w., b. — Z. Wrdb. 

— Gep. w. Gerekt en geitrekt^ z. GEREKT. 

— Door rekken pijnigen of doodeu. Ze moesten hem rekken, den 
deugeniet ! E konijn rekken. 

— Ik laat my rekken^ soort van eed. Ik laat mij rekken as 't nie' 
waar en is. 

— O, Hard loopen. Hflt. Gij hadl den dief moeten zien rekken. 
Hij liep zooveul as em maar rekken en kost. 

REKPLANK, znw,, v. — Eene plank legen den muur, die voor 
rek dient. 

REKSCHOENEN, znw», m., mrv. — Schoenen met rek bezijden. 
T., Kl.-Br. 

REMEDIE-TEGEN-DE-LIEFDE, znw., v. — Zeer leelijke 
persoon. T. Jan is 'en remedie legen de liefde. 

REM M EL, znw., m. — Men geeft dien naam aan een huis, dat 
met zijne bijgebouwen en .lanhoorigheden eene tamelijk groote lengte 
beslaat. (K) Hij heet heel dieën remmel gekocht veur vier duzend frang. 
Die brouwerij is *ne geweldige grooten remmel. 

— Te Antw, beleekent het een huis, dal eenigszins in staal van 
verval is, dat bouwvallig begint te worden. 

REMONSTRANTIE, znw., v, — Zonvormige vaa», waarin het 
H. Sacrament wordt ten toon gesleld, Fr. ostensoïr. 'En gouwe* remon- 
strantie. 

REN en REN NE, znw., v. — Afsluiting van latten of ijzeicn 
staven. De wilde beesten zitten in 'en ijzerc' ren. 'En houte' ren. In 
een huis waar veel kinderen zijn, zet men eene renne rondom het vuur, 
opdat de kinderen er niet zouden invallen. De kiekens loopen in 'en ren. 

— Kram. vermeldt het w. als gewest. 

RENGAT, znw., o. — Opening in eenen houtkant, langs waar men 
op een stuk land kan gaan of rijden. ^Z. der K.) Z. ook MENNEGATcn slop. 



— I024 — 

RBNGBL, zDw., m. — Hetzelfde als Remmel r. (Z. der K.) Heel 
dieën ren gel wordt afgebroken. 

RENGBNEN, w., onp. — Regenen, Fr. pUuvoir, (N.-W. der K.) 

RENNB, znw., v. — Z. ren. 

RENNUATIE, RENNEWATIE, znw., v. — Ondergang, 
verderf, Fr, ruine, 

— Verwoesting, Fr. ravage^ cUstruction, 

RENNUÉEREN, RENNEWÉEREN (zachte e), w., b. - 
Ruineeren, in den grond helpen, Fr. ruiner, Dieë jongen hée' z*n ouwers 
heelemaal gerennueerd. 

— Verwoesten, Fr. ravager, détruire. Den hagel heet heel den 
oost gerennueerd. 

RENS(CH), bvw. — Rinsch, znurachtig. Rens(ch) fruit. Rens(ch)c 
appelen. 

RENT, znw., v, — Z. Wrdb. 

— Loopende renten^ kinderen. 

RENTIER, znw., m. — Renteuier, Fr. rentier^ capitaliste. Hfft 

RENTIERSTER, znw., v. — Rentenierster, Fr. rentière. 

REP, znw., V. — Dwaze kuur, gekke streek. (Z. der K.) Hij heet 
daar weer 'en rep aangevangen. 

REPEN, w., b. — Hetzelfde als Repelen in de Wrdb., het vlas 
door de reep trekken om de zaadbollen af te scheiden, Fr. dréger. D. B. 
Kil. Repvii, stringere senun lini, 

REP EN RURE, znw.,v. — Rep en roer. Alles stoudin rep enrure. 

REPPIG, bvw. — Slecht, gemeen. Reppig volk. 

REPPLEMENT, znw., o. — Z. ramplkment. 

REPPREMENT, znw., o. — Z. ramplement. 

REPUBLIEK, znw., v. en o. — Ook o. bij R. 

RE8, RESKEN8, bw. — Z. reis, reisksms. 

RESKATIE, RISKATIE, znw., v. — Gevaar, Fr. risque, 

— Iets gewaagds. T., Kl.-Br. Zoo iet beginnen is 'eii groote reskatie. 

RESKEEREN, RISKÉEREN, w.. b. — Wagen, Fr. risquer. 

— Hft reskeert te regenen^ *t zou gemakkelijk kunnen regenen. T. 

— Daar riskeeren dees jaar veel noten te z^n^ er zullen dit jaar 
waarschijnlijk veel noten zijn. T. 

RESOLUUT, bvw. — Mild, edelmoedig, Fr. libéral^ généreux. 
(K.) D. B., R. (Ook in Brab., z. Sch.) Gij zijl te resoluut mee' oe» geld. 
Hij is altijd resoluut. 



— I025 - 

RESP, znw., V. — Z. risp. 

RESPECT, znw., o. — Fr. respect. 

^ Z^n eigen op zgn respect hou{d\en^ zich zelven eerbiedigen, 
Tr. se respectn\ T., R. 'Nen onderwijzer moet *em op zgn respect houwen. 

RESSELING, znw., v. — Graan dat bij *t vervoeren uit de aren 
;erezen is. Kèèrt die resseling is bijeen. 

REST, znw., v. — Te rest geraken^ te rest zijn, verloren gaan, 
erlorec geraken, vergaan, te loor gaan. Dat huishouwen is hee1egans(ch) 
e rest geraakt. Al ze' goed is te rest. Gij laat al oe' bloemen te rest 
;aan. Legt die papieren goed eweg, da* ze nie* te rest geraken. 

RESTEEL, znw., o. — Z. kasteel. 

RETTEPETET, znw., m, — Iemand die heel rad ter tong of 
leel snel is in zijne bewegingen. (A.) 

RETTER, znw., m. — Winterkoninkje, Fr. roitelet, troglodyte 
rdinaire, T.. Troglodytes parvulus. (K.) 

RETTER, znw., m. — Kleine, rappe jongen. (K.) 

RETTEREN, w., o. — Rollen, glijden. Het steentje retterde van 
: dak. 

— Rap loopen. (K.) Hij retterde de deur uit. Ziet 'em is rettcren ! 

REUIG, bvw. — Tochtig, sprek. van honden. 'En reuïge teef. 

REU KELEN, w., b. — Rakelen, met hot reukelijzer omroeren, 
irek. van gloeiende asch en kolen, bij D. B. rokelen. Den oven reukeien. 

— In den heerd, in de stoof reukeien (er in roeren met den stoof haak, 
e tang, enz. om de brandstof te doen gloeien.) 

— Wrgven, ergens door rnischen. (K.) Ons kat had vuiligheid in 
ais gedaan : ik heb ze er met den neus in gereukeld. As ge kooien plant, 
loette de wortelen eerst goed deur 't slijk reukeien. 

REUKELIJZER, znw., o. — Z. rakelijzer. 

REUKELSTOK, znw., m. — Z. rakelstok. 

REUND, ROND, znw., o. — Kemp. uitspraak van Rund. Z. rund. 
'andaar rèündsvlees{cK), reÜndsvet^ enz. 

REUS, znw., m. — Fr. géant, 

— Spr. Den reus gezien hebben^ dronken zgn, (A.) 

REUSELEN, w., o. — Z. reuzelen v>. 

REUT, znw., v. — Slim, doortrapt vrouwmensch. (K.) Da' meisken 
*en eerste reut. 'En slimme reut. 

— Gierige vrouw. (K.) 'En gierige reut. 

— Kwajongen, onverbeterlijke deugniet. (A.) Da' 's toch 'en reut 
in *ne' jongen^ hij zal nog in 't kot sterven, 

— Zedeloos meisje. (A«) 



iéiptif^n 07 



— 1026 — 

REUTEL, znw., m. — Z. fertel, 

REUZEL, znw., m. en niet v. — Fr. saindoux. 

REUZELEN, w., o, — Speellerm. Den marbol zachtjes laicu 
rollen. (Ook in Kl.-Br., z. Sch.) Gij hèt gereuzeKl. Zijne* marbol laten 
reuzelen. 

— In *t kcgelspel. Den bol slepend over de baan werpen. 

REUZELEN, te Antw. ook REU8ELBN, w., o. — Zachtjes 
ruischen, ritscien, T, (Ook in Brab., Kl.-Br. en VI., z. Sch.) Ik heb daar 
iet hooren reuzelen in de blaren. Wa' reuzelt daar in 't droog kruid? 

— Daar reuzelt ;>/, daar loopen geheimzinnige geruchten. Ik heb 
daar al lank iet van hooren reuzelen. 

— All. G treuzel, 

REZELBERD, znw., o. — Het berd in eenen wanmolen, langs 
hetwelk het gezuiverd graan afrijst. (K.) T., Kl.-Br. 

RIAAL, bvw. — Z. REAAL. 

RIB en RUB, znw., v. — Fr. cóte. 

— Aan de ribben blijven hangen of plakken^ gezeid van voedsel 
dat deugd aan 't lichaam doel. 

— Niks op de ribben hebben^ mager zijn; tig. arm, onvermogend 
zijn. T., Kl.-Br. 

RIBBE, znw., m. — Z. rebbe. 

RICHEL, znw., m. en niet v. — Z. Wrdb. 

RICHT, znw., v. — Richting, Fr. direction^ bij T. richte, (K.) 
Ik weet niet in welke richt dat cm vertrokken is. Ik sloeg 'en verkeerde 
richt in en ik liep verloren. Hij kan bij 't ploegen geen richt houwen. 

— Spr. Met iemand geen richt kunnen schieten^ er niet mee uit 
de voeten kunnen. (K.) Daar is met dieë' kerel geen richt te schieten 
(er is niets mee aan te vangen). 

RIDDER, znw., m. — Ridder van Maltha^ een peesvleugelig 
insect, in de Wrdb. WateijufTer, Fr. demoiselle, libellule, 

— ♦Volgens Sch, bet. ridder in de Kemp. € Hengst die uit ceue 
natuurlijke oorzaak niet kan gelubd worden. • 

RIDDEREN DID, znw., m. — Gestold vleeschnal. lil, jeugd. (K.) 

— Te Antwerpen zijn ridderendidjes dunne, magere worsten van 
de gemeenste soort en den minsten prijs, 

RIEK, znw., m., niet v.— Drie- of viertandige vork. D. B. Hfft.(Ook 
in Brab. en Limb. z. Sch.j Er zijn platte en runde rieken. Zekere ronde 
rieken van een bijzonder maaksel worden Engelsche rieken genaamd. Met 
den platten riek doet men aardappelen uit. Met den ronden riek laadt 
men mest. 

Kil. Rieck, tridens^ furca. 



— I027 — 

RIEKBN, w., b. CD o. — Hetzelfde als het Holl. Ruiken, dat 
niet bekend is, ¥r,Jlairer, sentir, 

— Wordt bij verzachting gezeid voor Stinken. Het lijk rook al. 

— Aan iemand of aan iet nie{t) ineugen rieken^ er de vergelijking 
niet kunnen mee doorst.ian. Gij ligt allijd ie biskeeren op dieö' jongen, 
maar ge menyt er nog nie* aan lieken wegens da' zijn bekwaamheid aangaat. 

— Kan ik da{t) rieken^ kan ik het weten ? Kost ik 'et rieken, 
da* ge vanzin waart van uit te gaan ? Ik kost nie* rieken, dat hij zou 
komen. 

RIET, znw., o. — Z. ruüt. 

RIET, znw., o. — Bij wevers. Een deel van den weefkam, Fr. ros^ 
peigne de tisserand. Het riet bestaat uit eene lange rij van rietjes, d. i. 
platte rieten strookjes. 

RIETEN, w., b. — Met riet bevlechten. Stoelen rieten. 

RIETMAKER, znw., m. — Iemand die weefrieten verveordigt, 
Fr. rosetier, 

RIJ BAAR, bvw. — Kunnende bereden worden, sprek. van wegen. 
Dieë weg is hier nie* rijbaar. 

RIJCHEL, znw,, m. — Richel, houten vensterdorpcl, vensterberd, 

RIJ(D)EN, w., o. — Z. Wrdb. 

— Mt't staande kar rijidyn^ de eene kar laden, terwijl men de 
andere wegvoert. R. 

— Gep, R^'(d)en en rotsen^ z. rotsen. 

— Men zegt : dieê weg rydt hard^ diee stce{n)weg rijdt ziiut^ enz. 

— Al wroetende een spoor maken. D. B, De mol heet hier leelijk 
over die boonbedden gere(d!en, 

— Wordt ook gezeid van het loopen van insecten. D. B, Ziet die 
vliegen is over tafel rij(d)en. Daar rijdt *en beest over uwen rug. 

— Bij blokmakers. Langwerpige sneden maken op de kap van eenen 
blok. 

— Hard loopen, vluchten, verjaagd Wvirden. D. B. Ge hadt den dief 
moeten zien rij(djen, as de gendarmen kwamen. Hij zal deze' keer 
iij(d)en, as em nog in mijn huis komt. 

— Met zijn. Afgescheept, doorgezonden, afgewezen worden. Ik vroeg 
*nen dag verlof, maar ik ree. Frans mocht blijven werken, maar -ik ben 
gere(d)en. — Men zegt ook me{t) zeep aan zijnen huik r^\d)en. 

— Nu hier, dan daar liggen, op eene ongeschikte plaats liggen, Fr. 
trainer. Die boeken hebben daar 'en heel week op de kas liggen rij(d)en. 
Zijn kleeren liggen overal te rij(d)en. Hij laat al ze' gerief op tafels en 
stoelen rij(d)en. 

— Iemand naar zijne{n) kam rijden^ z. KAM, 

— Af et iemand de gans rijidyn^ z. gans. 

— B. Ploegen. Het land rij(d)en. Die voor is nie' recht gere(d)en. 
Z. ook de sam. otnrijden^ onderrijden^ enz. 

— Doen loopen, wegjagen. Ik zal dieën dcugcniet rij(d)en, as cm 
nog in mijn huis derft komen ! 



— I028 — 

RIJ-D)ER, znw., m. — Mannelijk konijn, Fr. bouquin^ T., R. 
(Ook in Brab., Kl.-Br. en VI., z. Sch.) 

RIJELEN, RIJEREN, RIJLEN, w., o. — Rillen, huiveren, 
sidderen, Fr. frisonncr^ trembUr^ bij Sch. ryeUn^ ryeren. Ik rijl van 
de kou. Hij rijelde van schrik. Rijere n van de körls. 

Kil. Rijderen, rijcren, irefnere^ palpitare^ horrtre, 

RIJFELEN, REIFELEN» w., b. en o. — Rafelen, Fr. effiUr, 
5*ejffiler, Rijfelt nog wa' goed. Die slof reifclt gemakkelijk, 

RIJGGAT, znw., o. — De rijggaten van eenen schoenen, een keurs- 
lijf, enz. zijn de gaatjes waar men den nestel doorsteekt .om toe Ie rijgen. 

RIJGLIJF, znw,, o. — Onderkleedingstuk voor vrouwen van 
stevig doek en baleinen gema^ikt en met slerk koord wordende toegeregen. 
B. Thans wordt dit kleedingstuk door het coiset vervangen. Hier is 
nog *en rijglijf van grootmoeder. 

RIJGSCHOENEN, znw., m., mrv. — Schoenen die met eenen 
nestel toegeregen worden. T. 

RIJK, bvw. — Fr. riche. 

— Verg. Zoo ryk als *t water of als de zee diep is, schatrijk. 

— Spr. fVijd van huis is altijd rijk, 

RIJKDOM (in 't Z. en \V. rijkdoem)^ znw., m. — Z. Wrdb. 

— Spr. Rijkdom in *t veld is den boer zi/\n) geld. 

RIJ KM AKERS, znw., m., mrv. — Soort van grove aardappelen 
die veel opbrengen en hoofdzakelijk als veevoeder benuttigd worden. 

RIJLEN, W., o. — Z. RIJELEN. 

RIJMEN, w., onp. — Hetzelfde als het HoU. Rijpen, dat niet 
bekend is, Fr. faire dit givre (rouwrijmen, \{\yx\^i\\ faire de la gelee 
blanche (waierrijmen). D. B., R., Sch. Het heet dezen nacht gerijrad. 

RIJN, znw.,v. — Bij mulders. Soort van ijzeren kruis, dat onderaan 
den looper of bovensten molensteen gevestigd is en in 't midden rust 
op den hals, Fr. nille^ anille, D. B., B. 

RIJN KAS, znw., v. — Groote ijzeren Rijnboot. (A.) 

RIJNTAK, znw., m. — Bij mulders, leder der vier vertakkingen 
op de hoeken der rijn. 

RIJP, bvw. — Z. Wrdb. 

— Spr, De pèèr is rijp^ z, PÈÈR. 

RIJPELS, znw., ni. — Zwuric schapenpeis of stuk leder met van 
onder oen kussen met haar gevuld, dai men op een peerd legt in plaats 
van eenen zadel, om er op te rijden. 

RIJREEP, znw., m. — Schommel, touter, Fr. escarpoUtte, 



— ió2g — 

RIJRBBPENy w., o. — Schommelen, louteren, Fr. jouer <J /'«• 
irpoUtte, (Raust.) 

RIJS, znw., m. en niet v. — Heizelfde als Rijst, Fr. r/«, Hgd. 
.Vty, Eng. rice^ Zw. en Deen, ris, J., R., Kil. E pond rijs. Rijs koken. 

— Sam. rijsbaal^ rijspap, rysmeel^ rij stoer t^ enz. 

— Rijs in */ zakskett. Men zet eenen pot op 't vuur ; in den pot 
oet men cene hoeveelheid vet, dal men laat smelten. Men neemt nu 
;n deel rijst, doet die in een dun doekje, b. v. gaas, en hangt dat 
uideltje aldus in 't vel. Het kokend vet dringt in de rijst, die aldus 
lar wordt. Dat is rijs in *t zoMsken, (A.) 

RIJSBBSSBM, znw., m. — Bezem van berkerijs. 
RIJSCHAAF, znw., v. — Z, reischaaf. 

RIJSKOBK, znw., ra. — Koekebak, waarvan de bloem met ge- 
ookte rijst gemengd is. 

RIJSKORBN, znw., o. — Koren dat uit de aren gevallen is. 
>e grond leet hier vol rijskoren. 

RIJSKRIEL, znw., m. — Zeer kleine rijst, rijslafval dienende 
)t voedering van de hoenders. 

RIJSPAP, znw., V,, doch m. in 't N, der Kemp. — Rijstebrij, 
r. bouiilie uu riz^ pdtée au riz, riz au laii, 

RIJ STAL, znw., m. — Peerdenslal in eene afspanning, waar de 
Derlieden hunne i>eerden stallen. 'Ne groote rijstal. « De pachter ontruimde 
en rijstal, » (CONSCIKNCE, De arme Edelman^ 1 1 .) 

RIJSTOERT, znw., v. — Rijsltaart, Fr. tarte au riz. 

RIJTAK, RIJTBK, znw., m. — Schommel, louter. (K) 

RIJTAKKEN, RIJTBKKBN, w., o. — Schommelen, louteren, 
'r. jouer a Vescarpoleiie, (K.) 

— Ook, aan den tak van eenen boomstronk hangende, weg en weer 
wieren. 

RIJTOOM, znw., m. — Peerden toom, enkel bij eenen ril gebruikt. 
\. Kl.-Br. 

RIJZBLÈREN HOUT, znw., o. — Berkenhout. (Z. der K.) 

RIJZELING, znw., v. — Z. rksseling. 

RIJZEN, \v„ o,, metcy;/. — Ne icrw.iarts bewegen, dalen, zachtjes 

aar beneden komen, neerwaarts glijden. Sch., T., R., Kl.-Br. (Ook in 

Mdnl., z. OUD., V, 863.) Met dicCn hevigen wind zijn er verscheidene 

annen van 't dak gerezen. Ik liet mij slillekens van den berg rijzen. 

>e blaren rijzen van de boomen . 

— Gigden. Baantje rijzen. De kinderen rijzen op 't ijs. 



- I030 — 

— Krj^'jDs af- of uitvallen, sprek. va:i graan, zaad, zand, fijn gruis, 
en/,, l»ij J). B. penzen^ rcuzthn en bij Kiam. rijselen. Snijd da' zaad 
af ccrdat 'et rijp is, anders zal '<t rijzen. 'Et koren rijst op 't landi 
as 't al te rijp is. Daar Icet hier veiil graan gerezen. *t Staat hier gelijk 
gruun, van de haver die er gerezen is. De ass(ch)e rees deur de spleten 
van de kar. 

— De kosten zijn gerezen^ de onkosten zijn gedaan. 
Kil. Rijsen, af-rijsen, labi^ delubï, dettnere^ descenJere, 

RIJZEN, w„ b. — Rijshout in den grond steken bij de opgroeiende 
erwten om de ranken te ondersteunen. R. Erten rijzen. Die erten zijn 
groot gcnoei» om gerezen te wörren. 

RIK, znw., m. — Verkorting van Hendrik, Frcderik, enz. 

RIK. Dit achtervoegsel vormt mannelijke persoonsnamen met ongun- 
stige bcteekenis. De voornaamste zijn : Bangerik^ henauivderik^ botterik^ 
dwazer ik ^ dwèèrzerik^ dommerik^ fïauwenk^ groots{ch)eriky lammer ik ^ 
lomperik^ loozerik^ luierik^ onbeleefderik^ onbeschaamder ik ^ onbeschofte- 
rik, slechterik^ slimmerik^ styverik^ stommerik^ stouterik^ vervèèrderik^ 
milder ik ^ zattetik^ zwarterik. 

— Dit achtervoegsel is nooit toonloos. 

RIKUS, znw., m. — Ilendiik. (Z. dei K.) 

RIMRAM, znw., m. — Veel woorden zonder zin noch verband, 
vcivclcuvi gepraat. D. B. Ik kan uit dicön rimram nie' uit. Hij héct 
daar 'nc* langen rimram afgelezen, 't Is allemaal rimram dieën em vertelt. 

RINGEN, w., o. — Wordt gczeid van verloofden, wanneer zij 
samen naar de stad gaan om trouwringen te koopen. (K.) Ze zullen 
in 't kort trouwen, want ze zijn vandaag gaan ringen. 

— B. Ringelen. E verken ringen. 

— Spr. Hef verken is geringd, de zaak is in 't geheim beklonken . 
T.. R. 

RINK, znw., m. — R'ng, Fr, anneau. Z. Wrdb. 

— Spr. AV rink rond de maan die kan vergaan ; ne rink rond 
de zon geeft geen pardon (of is water in de ton)^ weersvoorspelling. 

— Bij mulders. De ruimte lusschen den looper en de kuip. 

— Krijt, ruimte waarin de kampvecliters plaats nemen om te vechten. 

— In den rink komen^ komen vechten. Derfdcgij in den rink komen 
tegen mij, lafaard ? 

RINK, bvw. — Bij houtkoopl., zagers, enz. Wordt gezeid van 
eeucn boom, waarvan de lagen niet vast op elkander liggen, waarvan 
de stam van binnen bestaat uit twee, drie of meer concentrische ringen, 
die weinig of niet aan elkander gegroeid zijn. Dieen boom is rink. Een 
boom die rink is, kan niet lot berd verzaagd worden. 

— D. B. heeft rieschaalde, rieschalde^ dat misschien eenc verbastering 
is van rin^^Sirhai^dr (rin^schalig). 

RINKAANEEN, bw. — Aan een stuk, onafgebroken, zonder 
tasschcnpoos. Het heet dezen nacht rinkaaneen geregend. 



— i03t — 

RINKHOUT, znw., o, — Bij mulders. Een houten cirkel rond 
den looper. Op het rinkhout staat de kuip. D. B. 

RINKMÈÈL, znw., o. — Bij mulders. Meel dat rondom den 
steen in de kuip gevallen is. 

RIN KOVEN, znw., m. — Bij steenb. Steenoven waarin de steen 
zoowel gevormd als gebakken wordt. 

RINKSTBKEN, w., o. — Een spel dat bij kermissen en volks- 
feesten fel in zwang is, en hierin bestaat dat de medekampers met eenen 
ijzeren priem of eencn langen, puntigen stok eenen of meer ringen trachten 
te vangen, die aan eene veer bevestigd zijn. Het rinksteken geschiedt te 
peerd of met rijtuigen. 

RINKSTBKING, znw., v. — Prijskamp in het rinksteken. Met 
de kermis is 't groote rinksteking te peerd. Hij heet in de leste rinksteking 
den eerste' prijs gehad. 

RIOOL, znw,, V. en niet o. — Fr. rigole^ égout, D. B., J. 

RIP, bw. — Z. Rips. 

RIPPEN, w., b. — Onvoorzichtig aftrekken, afrukken, b. v. van 
bladeren, bloemen, enz. (K.) As cm deur den hof gaat, dan ripl cm al 
de bloemen van de stelen. 

— Vrglk. het Gron., Geldersch en O verijs. roppen^ aftrekken, uit- 
rukken, hel Oostfri. röpen^ het Nedersaks. repen^ röpen^ nikken, het 
Hgd. raufen^ rupfen^ het Oudhgd. raufjan en het Golh. raupjan^ 
plukken, trekken, hel Eng. to rip^ openrijten, alsmede ons repen, 
(Idiot., blz. 1024.) 

Kil. Ruppen, rucpen, carpere^ vellere^ retrahere, 

RIPS, znw., v. — Rups, Fr, chenille. De ripsen zitten aan de 
kooien. 

RIPS, RIP, bw. — Weg, vertrokken, verdwenen, gevlucht. Ik 
meende mijne' vogel gaan te voeieren, maar hij was rips. Ze' geld is rips. 
Den dief is rip. 

— Het w. behoort ook tol het Bargoensch. Z. teirl., 57. 

RIS, RISKENS, bw. — Z, reis, reiskens, 

RIS^CH), bvw. — Bij houtkoopl., zagers, enz. Wordt gezeid van 
eenen boom, waarvan de stam inwendig vervuurd of verduurd is, (K.) 
Die boomen zijn ri»'(vh), Dieën boom is van binnen hcolemaal ris(ch). 

RISCO-RASCO, tw. — Komt voor in ; Risco-rasco ! 'nen hangen 
boer is niks wèèrii J uiirocp in hel kaartspel, zooveel als : ik waag het. 

RISKATIE, znw., v. — Z. reskatie. 

RISKÉBRBN, w., b. — Z. reskkeren. 



— to3^ - 

RISP, RESP, znw., v. — Hetzelfde als Rups, rips, Fr. chenilU. 
(Z. O. der K.) 

Kil. Rispe, mtlUpeda. 

RIST, znw., m, — Verkorting van Evarist. 

RISTER, znw,, m. — Bij landb. Omgebogen ijzeren blad, dat 
bczijdeu aati de ploeg dient om de snede te keeren, die van onder 
afgesteken wordt door het ploegijzer en ter zijde door het kouter, in 
de Wrdb. strqkbord^ Fr. oreille^ versoir^ bij D. B. ritster. 

Kil. Ryster, rulla, 

RITPÈÈR, znw., v, — Soort van langwerpige, bruine peer, met 
een honingzoelen smaak. (N. der K.) 

RITS, bw. — Rits z^n^ alles verloren hebben in het spel. Ik 
ben rits. 

— Weg, verdwenen, gevlucht, vertrokken. Den deugeniet is rits. 
Me' geld is rits. 

RITS, znw., m. — Een onkruid, in de Wrdb. Perzikkruid, Fr. 
renouée persicairty persicaire commune^ L. Polygonutn persicaria^ bij 
D. B. retse^ rotse^ rootse en in 't Z.-O. der Kemp. ook Ritsel en Rutsel 
genaajnd. 

RITS, znw., V, — Ritsijzer, Fr. rouanne^ traceret. De brouwers 
gebruiken de rits om hunne tonnen te merken. 

— Bij blokmakers. Mes met breeden punt, hoekig en scherp van 
snee, waarmede men bloemen en figuren op de kap der blokken snijdt. 

RITS(CH), bvw. — Ritsig, bokkig, paardriftig, sprek. van eene 
geit. (Z. der K.) Ons geit is rits(ch). 

RITSEL, znw,, m. — Z. rits 2°. 

RITSEN, w., b. — Met de rits teekenen. 'En letter ritsen op 
e vat. De tonnen ritsen. De kloonmakers ritsen bloemen en andere 
figuren op de kap van de klonen. 

RITSEN, w., o. — Vlug loopen, vliegen, snel door de lucht varen. 
R., KI .-Br. De vogel ritsten uit zijn handen. De steen ritste neven mijn 
ooren. Hij kwam hier veurbij 'et huis geritst. Hij ritsten er vandeur. 

— Wordt gezeid van eenen draai tol, wanneer hij, uitgedraaid zijnde, 
ver van zijne eerste plaats rolt. Z. briss(ch)£N. 

— Schuiven, glijden. Metdat 'et zoo glattig was, ritsten ik en ik viel. 

RIVO (klemt, op ri"), bw. — Weg, vertrokken, gar. Ik meende u 
daar te vinden, maar ge waart rivo. De schelm was rivo. 

ROBBEDOBBEDOB (in 't Z. en W. raèb9doêh9doib\ tw. — 
Klanknabooisiug van 'i geroffel eener trommel. Komt voor in den deun : 



— 1033 — 

Robbedobbedob ! 

Me' geld is op; 
Ik heb 't verteerd in 't Zwaantje. 

Den boer heet Jan, 

Het wijf heet An 
En de dochter heet Arjaautje. 

ROBBER, znw., na. — Dief, Fr. voUur, 

ROBBEREN, w., b. — Stelen, Fr. voUr, Hij heet daar wa* 
gerobberd. Me' geld is gerobl>erd. Da' volk lèèft van stelen en van robberen. 

— Vrglk, het Eng, io rob, het Sp. robar^ het Fr. dérober, rapace^ 
rapt, het Ital. derubare^ ons Ndl. rooverty Hgd. rauben^ enz. 

— Afl. Robberèèr. 

ROCHELPOT, znw., m. — Iemand die gedurig rochelt en fluimen 
uitwerpt. 

ROCHUS, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Spi. \ Is gelijk Rochus me\t) zijnen hond^ zegt men van twee 
onafscheidbare kameraden. 

ROEBES, znw., m. — Ruwe, onbeschofte kerel. (K.) 

ROEF, ROEFEL, tw. en bw. — Wordt gezeid van ieU dat met 
eeneu suuk uf konen luk gebeurt, dat snel en spoedig plaats heeft. 
Roef 1 hij was de deur uit. 't Was roëfel gedaan. 

— • Znw., m. Suuk, korle ruk. Mè' 'neu roef trok hij bet zeel over. 

— Oogwenlc, oogenblik, Fr. «r/m d'it:il. Hij was op 'nen roef de 
deur uit. V>^\\ tandmeester tiok op 'nen roëfel niijtien tand uit. 

ROEF, znw., v. — Bij zinkbewerkers. Soort van overkapping over 
de naden der verschillende zinken platen op een dak, om het inregenen 
te beletten. B. 

ROEFEL, znw., m, — By timmerl. Voorlooper, eene schaaf, 
Fr. rtflard, 

ROEFEL, znw., m. — Ranimeling, vracht slagen. Roëfel krijgen. 

ROEPELEN, w., b. en o. — Aframmelen, ranselen. Roèfelt 
'em maar is gueJ. Ze begosten op den deugeniet te roefelen. 

— Bij timiiierl. Met de roefelzaag bewerken. 

ROEF ELI NQ, znw., v. — Rammeling, rossing, Fr. raclée, 

ROEFELZAAG, znw., v. — Bij timmerl. Kleine zaag, met hand- 
vat, üicncudc oin piuuen af te zagen, voor zoo ver zij in eene vergering 
vastgeslagen zijnde, daar buiten steken, Fr. scie è chevilUs, 

ROEPEN, w., b. — Z^{n) woord ro'ifen^ zijn woord terugtrekken. 
T. (Z. der K.) Hij had 'et mij vast beloofd, maar later heet em ze* 
woord geroëft. 



*- IÖ3; — 

ROEFLAT, znw., v. — Wanneer men eene zinkbedekking opeen 
dakvlak wil leggen, zoodanig dat de zink niet aan malkaar is gehecht, 
maar uit losse bladen bestaat, dan nagelt men op de houten bedekking 
zware pmlatten, die roeflatten geheeten worden. Hiertegen wordt de 
zink omgeplooid. 

ROEI, znw., V. — Schurft der katten. (Z. der K.) Ons kat heet 
de roei, ze zalder van sterven. 

ROET, znw., v. — Roede, Fr. verge. 

— S^.r. 'En roei maken veur zijn eigen ^at, iets doen, dat later 
lot uwe eigen straf of schande dienen zal, 

— De roei is van V gai^ het gevaar is voorbij. Hij heet er bijkanst 
aan geweest, maar pas was de roei van 't gat, of hij begost opnieuw 
te dtinken. 

— De roet h\rt in ^i'iin) pis^ z. PIS. 

— Er de roci jnder hou{d)en^ de kinderen op tijd kastijden en 
berispen. Ik weet nie' wat die deugenielen zouwen aanvangen, as ck 
er de roei niet onder en hiel'. 

— Bij mulders. De borst inct beide hare roeieindcn. Er is eene 
binnenroei en eene buitenroei. De binnenroei is naast het stormeind en 
de andere die tegen de binnenroei drukt, is de buitenroei. 

— Men geeft dien naam ook aan de molenwieken, Fr. les ailes 
du moulin. 

— Bij voerl. De rechterzijde van een gespau. Op ofva de roei gaan 
(wordt gezeid van 't peerd dat aan de rechterzijde gaat nevens het 
handpeerd). D. B. 

ROEIBAND, znw., m, — Bij mulders. IJzeren band ter versterking 
van de molenroede. 

ROEIBEUQEL, znw., m. — Bij mulders. IJzeren bandje, dat 
om de moienrocue wordt gelegd om te beletten dat de roeisloten losgaan. 

ROEIEND, znw., o. — Bij mulders. Een lang stuk hout van de 
molenwiek, dat vastligt aan de borst en waaraan het hekken gevestigd 
is, Fr, ante^ ente. Elke borst heeft twee roeiënden. D. B. 

ROEIEN, w., b. en o. — Smijten, werpen, gooien, Fr. jeter, 
bij D, B. rooien. Hij roeide naar 'en musch mè' 'ne' steen, maar in 
plaats van de mus(ch) te treffen, roeiden hij in de ruiten. Iemand op 
de' grond roeien. Roeit die bullen op de straat. 

— Afl, Geroei, 

Kil. Roeden, roeyen, jacere, 

ROEIHOUT, znw., o. - Uitgerooid hout van kanten of heggen. (K.) 

ROEIKANT, znw., m. — Bij voerl. Kant, zijde van den wagen, 
langs welke de wielen de stappen volgen van het roeipeeni. D. B. 

ROEIPÈÈRD, znw., o. — Bij voerl. Het peerd dat ter rechter- 
zijde van een gespan gaat, D. B. 

Kil. Roed-peerd, rocy-peerd, equus sinisterior. 



— I035 - 

ROEISLOT, znw., o. — Bij mulders. Houten spie voor eene 
molenroeiie. 

ROBIVOOR, znw., v, — In lü roeivoor staart^ wordt gezeid 
van spitters die grond omspitten, waarvoor zij per roede betaald worden. (K.) 

ROEIWIEL, znw., o. — Bij voerl. Wiel aan den roeikant, de 
roeizij van ceueu wagen. D. B. 

ROEIZIJ, znw,, V, — Bij voerl. Z. roeikant. D, B. 
ROËKBDBKOE, t\v. — Het geluid van kirrende duiven. 

ROEKEDEKOEEN, w.,o. — Het kirren der duiven, Fr, roucouUr . 

ROELEEREN, w.,o. — Rondloopen, Fr. roder, bij D. B. roUeren. 
De vastelaveuti Zullen hebben heel den nacht gerodeerd. Hij roeleert 
gedurig op straat. 

ROEP, znw., m. — Roeping, Fr. vocatton. Hij is in e klooster 
gegaan, omdat 't zijnen roep was. De ouwcrs moeten de kinderen hunnen 
roep laten volgen. 

— Afkondiging in de kerk van degenen die gaan trouwen, Fr. ban 
de manage.^ R. Hfft. (Ook in Limb., Hag., en Brab. z. Sch.) De roepen 
geschieden op den preekstoel, 's Zondags in de hoogmis. Ze hée' vandaag 
heuren eersten roep gehad. £r zijn drij roepen vóór het huwelijk. 

— Onder de roepen zijn, ondertrouw zijn. 

— Iet in den roep koopen, iets koopen op de koopdagen in de 
roepzalen en niet op de koopdagen van bijzonderen. 

ROEP DAG, znw., ni. — Koopdag, Fr. vente publique, 

ROEPEN, w., b. en o. — Z. Wrdb. 

— Veilen, bij opbod verkoopen, Fr. mettre a l*enchèrey vendre au 
plus offrani. D. B., Hffi. Eerst wieren de meubels geroepen en daarna 
de beesten. 'Et goed wordt te naaste week geroepen. 

— De roepen afkondigen in de kerk, de namen dergeiien die gaau 
trouwen. D. B., R. De pastoor zal mij e Zondag roepen. Ze gaan trouwen, 
want ze zijn gisteren geroepen. 

— Wekken, wakker maken met te loepcn. D. B. Roept mij morgen 
wa' vruger as naar gewoonte. De knecht liep mij om zes uren. 

— Wordt gezeid van 't gezang van den koekoek. D. B. 

— Op iemand of achter iemand roepen, iemand roepen, Fr. appeler 
quelqü*un. Daar riep iemand achter u. Wie heet er op mij geroepen ? 

ROEPER, znw., m. — Iemand die op eene openbare verkooping 
de koo|>t.n u.cpt en ze aan de nieestbiedenden toewijst. 

— Keel, htroi. Iemand den roeper toenijpen. ^Val deur «len loeper 
kan, kan deur de' poeper (schertsspreuk.) D. B. 

ROEPZAAL, znw., v. — Vcrkoopzaal, Fr. salie des ventes, 

ROESiCH), znw., m. - Z. Ros(cii). 

ROEST, RUST, znw., m. niet v. -- Hoenderrek, staak waarop 
de hoenders slapen, Fr. juchoir. 

Kil. Roest (Eland.), galUnarium, pertica galUnarta^ 



— 1036 — 

ROBSTPLAK, ROBSTPLBK, /.nw., v. — Roestvlek. Fr. tache 
de rouille» 

ROBTAARD, ROBTHANNBN, znw., m. — Mcerkol, Yr.geai. 
Ook Hannewuiten, Hikster en Rotzak. 

*ROBTEMOBZBN, w., o. — Roezemoezen. Sch. geeft dat w. 
voor de Kcnjp. Nooit gehoord. 

ROF-VEN. w., b. — Bij zinkbe werkers. Een dak bHeggen met 
losse zinucn platen, op wier naden roeflaten en daarover roeven gelegd 
worden. B. Zie roef en roeflat. 

ROEZEMOES, znw., m. — Dof gerucht, gesmoord lawaai. In 
die herberg was veul roezemoes. 

ROEZEMOEZEN, w., o. — Een dof gerucht maken. Wat hoor 
ek daar roezemoezci. ; Hij is op de* zolder aan 't roezemoezen. 

ROEZIQ, bvw. — Wild, onstuimig, sprek. van 't weder. (N. der K.) 
(Ook in Holl., z. Kram.) E roezig weer. 

ROG, znw., m. en v. — Rogge, Fr. seigU, 

ROG, znw., m. — Gierigaard, vTek. 'Nen rog van 'ne* vent. 'Ne 
gierigen rog. 

ROG, znw., m. — Zaad, eieren van den haring. (A.) 
Kil, Roghe, rogher, ovum piscis, 

ROK. Tweede hoofdvorm van Rekken. 

ROK, znw., m. — Bij wevers. Al de aaneeohangende hevels van den 
weefkam. De rok, met eenen drom aan 't riet gevestigd, is de kam. 

ROKET (klemt, op ket)^ znw., o. — Wit koorhemd dat de geeste- 
lijken en misdieners dragen en dat hun tot omtrent de knieën hangt, 
Fr. surpliSy rochet, 

ROKKELOOS, bvw. — Roekeloos, onvoorzichtig, zorgeloos. 'Nen 
rokkelooze mens(ch). Ge zij' veul te rokkeloos mee' oe* geld. Rokkeloos 
te werk gaan. 

ROL, znw., m. en niet v. — Z. Wrdb. 

— Soepvleesch dat tot eene rol ineengewonden is. Vraagt bij den 
beenhouwer 'nen rol van e pond of vier. Twee kilo rol. 

— E rolleken toebak^ een eindeken ineengedraaiden tabak om te 
pruimen, Fr, un róle de taboe. 

— Iet opzeggen op 'en rolleken^ snel achtereen en zonder haperen. 
Hij hée' zijn les op 'en rolleken opgezeed. 

ROLET (klemt, op lef), znw., o. — Bij schoenmakers. Gekerteld 
wieltje in eene kleine ijzeren mik om reefkens te drukken in den pollevie, 
ook Meuleken geheeten. Staat dat wieltje op zijde, dan noemt men 
het werktuig piki^zer. 



- I037 - 

ROLHOUT, znw., o. — Rond hout, houten rol die de pastei- 
en warelb<ikkers gebruiken om het deeg, en de keersenmakcrs om het 
was uiieen te rollen, Fr. rouloir^ rouUau, 

♦ROLLEPOT, znw., m. — 1 lelzelfdeals Lollepot, grispot, vuurpot. 
Sch. geefi liet w. voor de Kemp. 

ROLLEZANGER, znw., m. - Rondreizende liedjeszanger. (K.) 
(Ook in Limb.) 

ROLMETER, znw., m. — Een meter dien men oprollen kan. 
De kleermakers gebruiken oenen roimcter om de maat van een kleeding- 
stuk te nemen. 

ROLTOEBAK, znw., m. — Inecngedraaide tabak, kauwtabak, 
pruimtabak, Fr. tabac a mdcher» 

ROLWAGEN, znw., m. — Lage wagen met kleine wielen, om 
zware voorwerpen lo vervoeren. 

— Houten gestel op wieltjes, waar men de kinderen in leert looi)en. 

Ook LOOPWAGKN. 

ROMMEDOM, ROMMETOM (in 't Z. en \W. roemm^doHtn, 
roemmjtoem)^ bw. — Rondom. T., R. (Ook in Brab. en Limb., z. Sch., 
bij OPPR., 80, ropnmentom.) Da* kasteel lee' rommedom in 'l water. 'En 
open plein, lommetom mè' hoornen beplant. 

ROMMEL (in 't Z. en W. roemntjl), znw., v. — Dikke, zwaar- 
lijvige vrouw. 'En dikke rommel. 

ROMMELING (in 't Z. en W. roemmeliftg), znw., v. — Rommel, 
rommelzoo, bucht, oud getuig, versleten vodden, Fr. fatras, D. B. 
Gooit heel die rommeling op straat. Ik heb daar op zolder nog 'nen 
hoop rommeling liggen, daar ik niks mee doen kan. 

ROMMELKOT, znw., o. — Eene plaats waar men allerlei ouden 
rommel, versleten getuig, enz., zet. 

ROMMETIEK, RAMMETIEK, RUMMETIEK. RUMA- 
TIEK, bvw. — Vochtig, Fr. hnmide^ bij D. B. rtumatijk^ romatijk. 
*En rommetieke kau er. Dat huis is geweldig rammetick. Rumnietieke 
muren, 't Is daar zoo rumatiek. 

Kil. Reumatijk, udus, viiidus^ htimidus, 

ROMMETOM, bw. — Z. rommedom. 

ROMP (in 't Z. en W. roemp)^ znw., v. ën niet .n. — Fr. tronc. 
D. B., T., R. 

— Groot stuk schors (K.) 'En romp schors va»i 'nen boom aftrekken. 

ROMPEL (uitspr. roemp;*l)^ znw., m. — Rimp-l. (A.) Ze' gezicht 
sta' vol rompcis. 

ROMPELEN {yï\\^^x. rolêntp^hri), w., o. — Rim;)elen. (A.) Oc' 
kleed rompelt. 

ROM PER, znw., m. — Gioot blekmes. (K.) Z. blekken 

ROND, ZDW., o. — Z. RUND. 



- I038 - 

ROND, bvw. — Fr. rond. 

— Verg. Zoo rond als *nen hol^ als *cn ei\ als *ne kogel, 

— Vz, Hetzelfde als het IIoll. Om, rondom, Fr. autonr de, 'Et 
gezelschap zat rond de tafel. Wij wandelen rond den hof. De soldaten 
zetten 'en wacht rond het huis. (Die uitdrukkingen worden door velen 
als een anglicisme gewraakt, hoewel rond in dien zin hij Kram. en 
V. D. voorkomt.) 

— Omtrent, omstreeks, sprek. van plaats en van tijd. Hfft., R. Hij 
moet ievets rond Gent woonen. Dat is rond Antwerpen gebeurd. Ik 
zal rond Kerstmis is komen. Den trein vertrekt rond vier uren. Zie OM. 

— In samengestelde werkwoorden gebruikt men altijd rond^ nooit 
om. Het beduidt i" wijd en zijd; 2° om; 3" in den omtrek. Zoo hebben 
wij eenc menigte samenstellingen, die in de Wrdb. niet voorkomen, als : 
rondbabbelen^ rondbanzin^ rofidbeenen^rondbïrzen^ rondbrajoteltn^ rond- 
brakken^ rondbratsen^ t ondbriczen^ rondbrïss{chyf', ronddjampelen, rond- 
dragen^ ronddircpefi, rcndjlag^efen^ rond/lansen^ rond flente ren ^ rond- 
flidderen^ rond flodderen, rondgapen^ rondirui'zen^ rondhalcn^ rondjagen^ 
rondkruipeny rondlenren^ romipolken^ rondraggen, rondrakken^ rond- 
rollen^ rondschteten^ rondschobben, i ^^nd schreeuwen ^ rondichuiven^ 
rondseezen^ rondsjati7velen^ rondsnttren^ rondspörzen, rondstou7ten, 
rondstrooien^ rondt rampelen^ rondtranten^ rondtrullen^ rondvendeUn^ 
rondvèreny rondiventelen^ rondzetten^ rondzuken (rondzoeken), rond' 
zwaddereny rondzwemmen^ rondzivenderen^ rondz'vermen^ enz. 

RONDBABBELEN, w., b. — Overal voortvertellen. T., Kl.-Br. 
Hij heet overal rondgebabbeld, dat ik moet verhuizen. 

RONDBANZEN, w., o. — Rondloopen, in ongunstigen zin, 
(Z. HANZKN.) ''K.) Da' vrouwvolk banst overal rond. 

RONDBEENEN, w., o, — Rondloopen. T. Ik heb vandaag al 
wa* rondgcbeend. 

RONDBIRZEN. w., o. — Z. rondbriezen. 

RONDBRAJOTELEN, w., o. — Dwaas rondloopen. (Z. der K.) 
Dat dwaas vrouwvolk voer daar rondbraj(^telen. (Z. BRAJOTELEN, Aanh.) 

RONDBRAKKEN, w., o. — Wild rondloopen. (Z. brakken.) 
Die strüi.i.wipotnen brakken den heelcn dag rond. 

RONDBRATSEN, w.,o, — Hetzelfde als Rondbanzen.(Z. der K.) 
(Z. BRATSEN, Aanh.) 

RONDBRIEZEN. Kemp. RONDBRISS^CH)EN, ROND- 
BIRZEN, w., o. — Wild, onstuimig rondloopen. (Z. brisschen). De 
lotelingon hebben gisteren den heelen dag rondgebriesd, rondgebrischt, 

RONDDAGGELEN, w., o. — Wild rondloopen. (Z.-W. der K.) 
Dieë kwnOjongen heet den heelen dag rondgedaggeld. (Z. DAGGELEN.) 

RONDDALKEN, RONDDJALKEN, w., o. — Ronddolen. (K.) 
Ik heb 'nen halven nacht in e groot bosch rondgedjalkt. (Z. DALKEN.) 



- I039 - 

RONDDJAMPELEN,w., o. — Rond trappelen. (Z. djampelen.) 
Hij stond daar rond te djampelen van colère. 

RONDDWEPEN, RONDDWÈPEN, w., o. — Als een ver- 
sloolelinjj ronddolen. (Z. DWEPEN.) Dieë sukkeleer dweept nog altijd rond. 

RONDE, znw., v. — Cirkel, kring, Fr. cercle^ rond. D. B. In deze 
beteekenis wordt het ook m, geb'^zigd. 'En ronde tickkeu. In 'nen ronde 
dansen. Zet u in den ronde, 

— Oirftrek, Fr. pourtour^ cir conference, I). B. Diccn booin is 
meer as *ne' meter in de ronde. 

— Omtrek, omstreek, Fr, environs. Hij is uren in de ronde bekend 
veur 'nen bekwamen doktoor. 

— Een glas bier of een druppel voor iederen man van 't gezelschap, 
Fr. tournee- Hij gaf 'en londe veur al die in <le kamer waren. Bazin 
'en roHvie gersten. Die veiliert, beiaalt 'en ronde. 

— Bij timmerl. Holle schaaf om n»nd lijstwerk te steken, }^x. gorget, 

RONDFLAGGEREN, w.,o. — Rondfladderen, (Z. fl.\ggeken.) 
Diee vogel doe' nie' as rondflaggeren in zijn kevie. 

RONDFLANSEN, w„ o. — Rondslentcrcn. T. (Z. flansen.) 
Den hcelen dag rondflansen is al da* ze doet. 

RONDFLENTEREN, w., o. - Rondslentercn. (Z. flenteren.) 
(K.) il ij doet iet van rondllenteren. 

RONDFLIDDEREN, w., o, — Rondloopen om kermissen en 
feestjes bij te wonen. T. (K,) (Z. flidderen, Aanh.) Ze fliddert heelder 
Zondagen rond. 

RONDFLODDEREN, w., o. — Rondslenteren. (A.) (Z. flodde- 
ren.) Die madam zic-de den hcelen dag rond flodderen. 

RONDGAPEN, w,, o. — Nieuwsgierig rondkijken. Kinderen, ge 
meugt in de keik nie* rondgapen. 

RONDGUIZEN, w., o. — Rondslenteren. (K.) (Z, guizeh 20.) 
Die€ luiaa'-d doe' nil:«: as wa' londguizen. 

RONDHALEN, w., b, — Omhalen, inzamelen al rondgaande, 
Fr. tpiêtir. T. Geld rondhalen. Er is op die feest 50 frang rondgchaald 
veur den arme. 

RONDHALING, znw,, v. — Omhaling, inza- .ding. F>. qiu'te. 

RONDHOOREN, w., o. — In 't rond h>oren, vernemen naar 
iets. Ik zal is londhooren of ik nieverans geen zetgocd van booncn kan 
krijgen. 

RONDLEUREN, w., o. — Van deur tot deur gaan om kramcrij 
of snuisterijen, eetwaren, enz. te vcrkoopcn. T,, D. B., Sch. Ilij leurt rond 
mè' lint en saai. Daar komt er hier alle weken ecne londgeleurd me' 
bhnk en postpapier, Rondleuren mee' hèring. 

— Fig. Dringend aanbieden. T., Kl.-Br. Ge moet met dat eten zoo 
nie* roodleuren. 



~ 1040 — 

RONDLEURDER9 znw., m. — Rondreizende koopman of kramer, 
die zijne waren langs de hnizen vent, Fr. marchand ambulant^ roultur. 
D.B. 

RONDPOLKEN, w., o. — Rondgapen. (Z. der K.) 't Su' nie' 
schoon van zoo rond te polken in de kerk. 

RONDRAGGEN, w., o. - Z. rondrakken. 

RONDRAKKEN, w.. o. — Wild, onstuimig rondloopen. (Z. rak- 
ken.) (K.) Die kwajongens hebben den heelen dag in *l bos(ch) rondgerakt. 

«RONDRANDUINEN, w., o. — « Straatslijpen of langs de 
straten rondzwerven. Hij heeft al veertien dagen rondgeranduind. Over 
acht dagen randuinde hij hier nog rond. > 

Sch. geeft het w. voor Brab., Hag. en Antw» 

RONDRIJ(D;EN, w., o. — Fig. Rondloopen. Hij zal meugen 
rondrijen om -non nieve' woon te krijgen. Tegen de kiezing ziede de 
kandidaten rondrijen. 

— Rondgaan, rondverteld wordt i. sprck. van een nieuws. Da* 
niefsken rijdt rond. 

— Spottend gezeid van iemand die gedurig aan verhuist. Mij dunkt 
da* Jan goe' rondrijdt : dat is nu al 't derden buis dat hij bewoont op 
twee jaar tijd. 

— Op cene ongeschikte plaats, nu hier dan daar liggen, sprek. van 
kleedingsiukken, werktuigen, huisraad, enz. T„ Kl.-l>r. Hij laat zijn 
kleeren overal rondrijen. Die boeken liggen hier rond te rijen. As 
die papieren lii^r blijven rondrijen, dan geraken ze te rest. Ook Rij(d)en. 

RONDRINK, bw. en vz. — Rondom. T., R. Ik ging rondrink 
'et huis, maar ik zag gee(n) spoor van dieven. 

RONDSCHIETEN, w., o. — Rondloopen. T. Tegen dat *t kiezing 
wordt, zulde *m zien rondschieten. 

RONDSCHOBBEN, w., o. — Rondloopen op een drafje. tK.) 
(Z. SCHOBBEN.) Ik heb heel de stad rondg» schobd vandaag. Hij doe* nie* as 
rondschobben. 

ROND SCH UI VEN, w., o. — Rondloopen. Ik heb meugen 
rondschuivcn om die waar te vinden. 

RONDSEEZEN, w., o. — Rondloopen. (Z. seezen.) Dieë 
kandidaat seest overal rond om wa* stemmen af te bédelen. 

RONDSJAUWELEN, w., b. — Z. rondbabbelen. 

RONDSNUREN, w., o. — Nieuwsgierig rondsnuffelen. (Z, 
SNUREN.) Ik betrapte de meid, terwijl ze in de kas aan *t rondsnuren was. 

RONDSPORZEN, w., o. — Met gejaagdheid, driftig rondloopen, 
bij T. rofuhporrcn. (Z. spörzen.) Hij hée* wa* rondgespörsd om die plaats 
te krijgen. Ziet die verkons is rondspurzen. 



— 104I — 

RONDSTOUWBN, w., o. — Her- en derwaarts stouwen of 
drgven. Hij hëe' heel 'et dorp rondgestouwd mè' zijn verkens, zonder 
er één te kunnen verkoopen. 

RONDSTROOIEN, w., b. — Overal uitstrooien. T., KI.-Br. 
Hy is overal gaan rondstrooien, dat ik 'em weggejaagd heb. Die praatjes 
heddegg rondgestrooid. 

RONDTRAM PELEN, w., o. — Hetzelfde als Ronddjampelen. 
(K.) (Z. TRAMPELEN.) Hij stond daar rond te trampelen van de pijn. 

RONDTRANTEN, w., o. — Rondwandelen. (Z.-O. der K.)T. 
(Z. TRANTEN). Het veld rondtranten. 't Is nu zoo goê weer, ge moest 
'en bitje rondtranten. 

RONDTREKKEN, w., o., met »yn. — Rondgaan. T., Kl.-Br. 
De muzikanten zgn deze' vcurnocn 'et dorp rondgetrokken. 

— Rondreizen. Die Bohemers hebben geene' vaste' woon, zij trekken 
gedurig rond. 

— Spottend voor Verhuizen. Dieën boer trekt goe* rond; dat is 
nu al de derde hoef die hij bewoont. 

RONDVENDELEN, w., o. — Rondslen teren. (K.) (Z. vende- 
len.) Hg vendelt den heelen dag rond. Ik heb 'em daar strek 'et dorp 
zien rond vendelen. 

RONDZEGGEN, w., b. — Al zeggende alom bekend maken. T., 
Kl.-Br. Onze Frans moest bij allegeburen gaan rondzeggen dat de lijkdienst 
e Zaterdag om lo uren is. 

RONDZETTEN, w., b. — Iemand rondzetteviy hem doen werken, 
hem leeren vlijtig zijn. Oewe' jongen wilt nie' werken ? As 't de mijne 
was, ik zou 'em wel rondzetten ! 

RONDZUKEN, w., o. — In alle richtingen zoeken. T. Ik heb 
overal rondgezocht naar mijn pijp, maar ik kan ze nieverans nie' meer 
vinden. Zuükt nog 'ne keer goe' rond. 

RONDZWAD DEREN, w., o. — Rondzwieren, dronken rond- 
loopen. (Z. zwadderen.) Hij beet de heel week rondgezwadderd. 

RONDZWENDEREN, w., o. — Rondslen teren, lui en doelloos 
her- en derwaarts loopen. (Z. der K.)(Z. zwenderen.) Dieë luierik vaait 
daar heel den dag rondzwcnderen. 

RONK (in 't Z, en W, raênk)^ znw., m. — Rondloopend gerucht, 
bedekt gepraat. D. B. Ik heb daar al lank 'nen ronk van gehoord. 

RONKEN (in 't Z. en W. roinkgn)^ w., o. — Snorren, een gonzend 
geluid geven, Fr. bourdonner, D. B. De vliegen, bieën, meulders en 
pekbeesten ronken. 'Et spinnewiel ronkt. Ik hoorde 'ne' kever rond 
mgn ooren ronken. 'Nen draai top ronkt. 

— Sprekende van iets dat bedek telijk veiteld wordt. D. H. (Ook 
in Brab., z. Sch.) Ik heb van die zaak al lank iet hoorcn ronken. 

— In den zin van het geronk een slapers, in 'i Fr. r onfier ^ zeggen 
w^ snorken^ niet ronken. 



idioncofi °7 



— I042 — 

RONKER (in \ Z. en W. ro^nk^r), rnw., m. — Dun stuk hout 
waar eene koord doorsteekt, dat de kinderen rondzwieren en dat een 
ronkend geluid maakL 

RONSEL, znw., m. — Kam wiel, tand wiel, Fr. rotu dentée, roiu 
denUlée, 

— Bij mulders. Rad dat op 't staakijzer vastzit en door het kamnd 
in beweging gehouden wordt. 

ROOBAARD, znw., m., vrklw. rocdbaardjt(n. ~ Een Togeltje, 
anders ook Roodborstje, Fr. rouge-gorge en in de wetenschap Erithacui 
rubecula geheeten. D. B. 

ROOD, bvw. — Fr. rouge, 

— Dit w. wordt als volgt verbogen : Den roo*n appel (Kemp.), 
den rooien appel (Antw.) ; — de roó bloem (Kemp.), de rooi bloem 
(Antw.) ; — hei rood vleesch ; — de roó kooien (Kemp.), de rooi 
kooien (Antw.) ; — vermeerderende trap : róor^ rooër (Kemp.), rooier 
(Antw.). 

— Verg. Zoo rood als bloed, als 'nen haan, als 'ne kalkoeni{ch)en 
haan f als *nen oven. 

— Spr. Hood rond de zon is water in de ton ; — als de dag 
schijnt rood, dat is water in de sloot ; — ■ *s morgens rood, 's avonds 
water in de sloot; — zonneken rood^ waterken in de sloot^ weers- 
voorspellingen. 

— Znw., o. Mager van de hesp. Snijdt wa* rood van de hesp. Hij 
eet nie' as 't rood en 't wit laat hij liggen. 

— Geen roó duit, z. DUIT. 

— Rood bloed, zelden goed, sprepk op eenen rosharige. 

ROODBAARDJB, znw.. o. — Z. roóbaard. 

ROO(D;ENHOND, znw., m. — Roode koorts, roodvonk, Fr. 
scarlatine, bij B. en M, roodhond. Daar liggen in ons geburen veul 
kinderen met den roo(d)enhund. 

ROODHAAN, znw., m. — Soort van zeehaan, een visch, in 't Fr. 
rouget waarschijnlijk. 

ROODHANS, znw., m. — Iemand met rood haar, rosharige. 

ROODSEL (Kemp. fö/sjf), znw., o. — Roode oker of schuurscl 
van plaveien, waarmede men oenen stccnrn vloer rood maakt. 

— Soort van pommade, waarmede sommige vrouwen eene rozige 
tint aan hunne bleeke kaken geven. 

ROODSBLEN (Kemp. röts^hn), w., b. — Met roodsel eeneo 
steenen vloer rood maken. R. De vloer van de kamer moet nog gerood- 
seld wörren. 

ROODZUUT, znw., o. — Zekere zoete roode drank. 'En borrel 
roodzuut. Hij drinkt altijd roodzuut. 

ROOF. Tweede hoofdvorm van Ruiven. 



- I043 — 

ROOF, znw., V. — Korst op eene wonde. Z, Wrdb. Dit w. wordt 
in 't N. en W. met zachtl. o, doch in 't Z. met scherpl. o uitgesproken. 

— Korst van gekookte melk, brei, enz., bij T. m. Daar is 'en heel 
roof op de rij«:pap gekomen. 

— De wol, die jaarlijks van een schaap geschoren wordt, bij T. m. 
De schaap hebben dees jaar 'en goei roof wol gegeven. 

Kil. Roof van 't schaep, j. vlies, vellus. 

ROOGBLVINK, znw., v. — Goudvink, Fr. bouvreuïl.{Z.'V/, 
der K.) 

ROOK, znw., m. — Fr. fumée. 

— Spr, Daar gaat niks Verloren als de rook uit de schouw^ zegt 
men van een huishouden waar men zeer spaarzaam is. 

— Daar is geenen rook zonder vier^ alles heeft eene oorzaak, hoe 
klein of nietig zij ook weze. 

— Daar rook is, is vuur, zee UiUspiegel, en hij stak zyn pffP 
aan *ne{n) peerdsstront aan, 

ROOKBIL (Kemp. rökbit), znw., m. — Stuk gerookt vleesch uit 
de bil van een ruuddier. 

ROOKEN, w., b. en o. — Z. Wrdb. 

— Dit WW. wordt schier uitsluitend gebezigd in den zin van In 
den rook hangen : spek rooken, hesp rooken, gerookt vleesch. Als o. en 
onp. WW. zeggen wij meer smooren : 'et vier smoort, 'et smoort hier 
in de kamer. In de beteekenis van In rook doen opgaan, is het alt^d 
smooren : 'en pijp, 'en sigaar smooren. Z. smooren. 

ROOM EN, znw., o. — Rome, eene stad. 

— Spr. Me{t) vragen komt men te Roomen, met te vragen komt 
men overal terecht. 

— Hoe dichter hy Roomen, hoe slechter Christenen, hoe dichter 
bij de kerk, hoe minder men er heen gaat. T„ Kl.-Br. 

— AlU wegen leiden naar Roomen, men kan door verschillende 
middelen zijn doel bereiken. 

ROOM BR, znw., m. — Romer, kelkvormig drinkglas. 

ROOPUTTERS, znw., ni., mrv. — Soort van fijne, witte aard- 
appt'lni iiici roode putjes. (K.) Vrglk. blauwpuïTERS. 

ROOS, znw., V. — Verkorting van Rosa en Rosalia. 

ROOS, znw,, V. — Fr. rosé. De o is scherplang. 

— Bij doelschutters. Ronde zwarte plek in 't midden van 't blazoen. 
R006 schieten. Alle scheuten zijn geen roozen. In 't midden van de 
roos is nog een wit roudeken, dat men den gaudeamus noemt. 

— Fig. Bloemig meisje, meisje met een fleurig, blozend gelaat. 

ROOSTER, znw., m. — Z. onder negenhoeken. 

ROOSTERING (Kemp. rSsttring), znw., v. — Roosterwerk, Fr. 
grillage. De roostering van 'en riool. 



— I044 — 

ROOT (zachte ö), znw., v. — Rij, -reeks, Fr, sutte, rangée,,fiU, 
D. B., T., R. (Ook in Brab., z. Sch.) *En root boomeD. De kinderen 
stonden op 'ec root. *£n heel root huizen is afgebrand. De soldaten 
gingen op twee roten» 

^ Te root, achtereen, achter malkander. Dat is nu drij dagen te 
root, da' ge te laat komt in de school. Ik heb vier weken te root ziek 
geweest. 

Kil. Rote, ordo^ series, 

ROOT (zachte 0), znw., v. — Ruit, Fr. vitre. (Z.-O. der K.) Daar 
is 'en root in de venster gebroken. 'En root inzetten. 

ROOVBN (Kemp. ook ruévjn), w., b. — 'Ne(n) vogel rooven, 
zijn nest wegnemen of er de eieren of jongskens uithalen, Fr. dénicher 
un oiseau, D. B. (Ook in Brab., z. Sch.) 'En ekster rooven. Hg heet 
'en vink geroofifl op vier eieren. De hinnen rooven (hunne eieren uit het 
nest wepnemeD). Dieë jongen heet in ze* léven al veul vogelen geroofd. 
Ook Uitrooven en Uittrekken. 

Kil. Rooven den voghel, detrahere avem nido, 

— *Nen offerhlok rooven ^ het geld uithalen dat liefdadige personen 
er in gestort hebben, Fr. vider un tronc. D. B. Eiken avend wörren 
de offerblokken geroofd, omdat 'et geld 's nachts nie' zou gestolen wörren. 

— Den troef rooven, in zekere spelen de kaart die gekeerd is, nemen 
in verwisseling met eene kaart die men in zijne hand had. D. B. Gg 
mengt rooven. Wie heet den troef geroofd ? 

ROOZELANDSKAR, znw., v. — De met bloemen en gekletird 
papier versierde kar, met welke men de dienstboden naar hunnen nieuwen 
post overvoert. In 't W. der Kemp. Sint-Janskar. 

ROOZEMARIJN, znw., m. — Rosmarijn, Fr. romarin, 

ROOZEN, w., o. — Genist en blozend slapen, meest van kleine 
kinderen gezeid. (A.). Ziet da' kind is roozen ! Vrglk. slafengelyk *en roos. 

ROOZENHOBIKE(N, znw., o. — Vijf tientjes van de vijftien 
die tot den rozenkrans behooren, Fr. chapelet. Laat ons e roozenhoeiken 
bidden. Ze lezen daar alle avenden 'et roozenhoeiken. 

ROOZEZIP, ROOZEZJIP, znw., m. — Verbastering van 't Fr. 
rosé d* Egypte, In 't Z.-0. dei Kemp. geeft men dien naam aan de 
Reseda. R. 

ROS, bvw. — Fr. roux, 

— Verg. Zoo ros als 'ne kater, 

— Spr, Ros haar en elzenhout groeien maar op slechte{n) grond, 

— Ros bloed^ zelden goed, z. ROOD. 

ROS, bvw. en bw. — Wordt gezeid van eencn draaitop die niet 
op dezelfde plaats draait, maar onder 't draaien gedurig verspringt. (A.) 
(Z. HEKELEN.) Dieën top is ros. Mijn non draait ros. 



— \OA5 — 

ROS, znw., V. en niet o. — Slecht pcerd, Fr, masett^, rosse, D. B. 

— Fig. Slecht vrouwniensch, boosaardig vrouwspersoon. D. B., T., R. 
'En kwaê ros van e wijf. Zij is maar 'en ros. 

ROS, znw., m., zonder lidw. — Vracht slagen. Hij hée' ros gehad. 

ROSiCH), ROBS^CH), RUS.CH), znw., m. — Zode, graszode, 
afgestoken zode, YT.gazon^ motte de terre^ couverte d*herbe. Hgd. Rasen. 
HffL, SJch. bij T. resch, Ross(ch)en afsteken. 'Ne* weg ophoogen mè* rus- 
s(ch)en. Slapen gelijk *nen roês(ch) (zeer vast slapen). 

— Het vrklw. wordt ook gebruikt voor Grasbosje, struikje gras. 
De ros(ch)kens tuss(ch)en de steenen uitsteken. 

— Dingen die door menigvuldige worteltjes aaneengegroeid zijn. Da' 
land is maar éénen rus(ch) van de puinen. 't Is hier gelijk 'nen roës(ch) 
van 't onkruid. 

Kil. Rusch, cespeSf gleba, 

— Gep. w. Afet rus(ch) en rijs^ geheel engansch, met wortel en aarde. 
Ik zal die planten mè' rus{ch) en rijs uitsteken, dan zulde ze best kunnen 
verplanten. 

— Spr. Onder den ros{fh) liggen^ begraven zijn. 

ROS(CH)HAAK, znw., m. — Bij landb. Ploeghaak, een haak, 
voorzien van eenen langen stok, dien een persoon aan de ploeg houdt, 
terwijl men ploegt. (K.) 

ROSDOEK, znw., m. — Bij voerl. Een zak waarin het voeder 
voor het peerd is, en die onder aan de kar hangt. Jong..(K.) 

ROSSBKOP, znw., m. ^ Rosharig hoofd. 

— Iemand die ros haar heeft. 

BROSSEN, w., o. — c Hard aan iets werken. » 
Sch. geeft het w. voor Antw. Doch zie ruis(ch)en. 

ROT, bvw. — Z. Wrdb. 

— Verg. Zoo rot als kampernoeliey als mokt ols 'en mispel^ als 
stront, als spys, 

— Behept met koningszeer, zeer op het hoofd of venusziekte, R. 
Rot zijn. Hij is heelegans(ch) rot. 

— Wordt ook gezeid van menschen die aan tering of borstziekten 
lijden en veel hoesten en fluimen. Hij is rot van binnen. Rot gedronken zijn. 

— Onsterk. T., R. Rot garen. Die broek hée* maar rot geweest. 
Die koor(d) kan nie' dienen, zij is veul te rot. 

— Vochtig, regenachtig. R. 'En rotte kamer. Rotte muren. E rot 
weer. De locht ziet er maar rot uit. 

— Komt als versterking bij veel scheldnamen en is maar als zoodanig 
in gebruik bij 't gemeene volk. T., R. Rotte teef! Leelijke, smerige, 
rotte tang ! Rotte beest ! 

— Wordt ook gebezigd om van iets met j^fkeer te spreken. Alle 
dagen naar die rotte school, zee de jongen, 't is toch zoo droevig ! 



— 1046 — 

— Rotte schelvisch. Een spel dat meest door jongens, maar soms 

ook wel door meisjes gespeeld wordt. De jongens, in eenen kring geschaard 

houden eene koord vast, waarvan de uiteinden aaneengeknoopt zijn. Hij 

die er aan is, staat in *t midden. Hij moet er eenen vastgrijpen, doch 

het telt maar, als hij het kan, terwijl de gegrepene de koord vastheeft. 

De jongen die er aan is, heet de rotte schelvisch. Om hem moede te 

maken en hem veel spel te leveren, loopen en sleuren zijne makkers 

met de koord langs alle kanten, al roepende : c Rotte, rotte schelvisch ! > 

Gr^pt hij toe, dan belet hem dikwijls een juist van pas gegeven snuk 

aan de koord den jongen te vatten, op wien hij het gemunt had. Soms 

ook tuimelt hij 't onderste boven door het rukken, dat hem onvoorziens 

in zijnen loop stuit. Wordt hij het spel beu, dan laat hij zich op sleeptouw 

nemen, d. i. hij leunt met den rug tegen de koord en vat ze met beide 

handen, alsof hij den teugel van een gespan hield. Zoo laat hij zich voort- 

trekken en grijpt nu en dan in 't loopen, naar al die hem te dicht nabg 

komt. Die gepakt wordt, met de handen aan de koord, is er aan en 

wordt op zijne beurt « rotte schelvisch. > (A.) 

ROT, bw. — Z. RUT en trot. 

ROT, znw., o. — Naam van verschillende variëteiten van de 
Potentilla^ zooals de Potenttlla sylvestris, de Potentilla anserina en 
de Potentilla reptans, 

ROTELINGS, bw. — Te root, achtereen. (Ook in Brab., z. Sch.) 
Hij hèe' roteiings vier boterhammen opgeëten. Ze gingen rotelings over 
de straat. 

ROTSEN, w., o. — Hard rijden te wagen of te peerd; ook Hard 
loopen. D. B. (Door V. D. als gewest, vermeld.) Hij rotst overal naartoe. 
Die mannen rotsen den heelen dag. 

— Gep. w. Ry\d)en en rotsen^ loopen en rotsen. Hij doet nie' 
os rijden en rotsen # De vastenavondzotten loopen en rotsen tot laat in 
den nacht. Ik ben muug gere(d)en en gerotst. 

Kil. Rotsen, rossen, eguitare, currere, 

— Afl, Gerots, 

ROTSEN, w., b. — Bij bezetters. De steenen of het bezetsel van 
eenen buitenmuur zoodanig ruw en hobbelig maken, dat die muur, op 
zekeren afstand gezien, gevormd schijnt uit sintels, Fr. rustiquer, D. B. 

ROTTEKOP, znw., m. — Hoofd dat aangedaan is van zeer of 
haarworm. 

— Iemand die zulk hoofd heef^. 

ROTZAK, znw. — Iemand die aangedaan is van koningszeer, 
venusziekte of eene borstkwaal, die hem doet hoesten en fluimen. 

— Een vogel anders ook Roetaard, Roethannen en Hannewuiten 
en in de Wrdb. Meerkol genaamd, Fr. geai. 



- 1047 — 

ROUW, bvw. — Hetzelfde als Rauw, Fr. crü, (K.) Rouw vlees(ch). 
Ik voeier alles rouw aan de koei. Iet rouw opeten. 
Kil. Rouw, crudus, 

ROUW, bvw. — Hetzelfde als Ruw, Fr. rucU^ grossier. 'Nen 
rouwe kerel. Rouw steencn. 'En rouw weer. 

— Rouw in (U kèèl^ wat verkoud. T. Ik ben wa' rouw in mijn kèèl. 

— Uit den rouwe, ruwweg, zonder veel zorg, niet fijn afgewerkt. 
T., Kl.-Br. We zullen die planken maar wat uit den rouwe schilderen. 

— Wordt als gezegde gebruikt in den zin van Gruwelijk, uit der 
mate. R. *t Is rouw, gelijk dieë vent toch vloeken kan. 't Is rouw in 
de wereld gelijk het vlees(ch) toch dier is. 

— Sch. geeft in dien zin reWf riw voor Tessenderloo, en meent 
dat dit w. eene verbasterde uitspraak is van wreed. Dat is mis : rouw 
wordt in die streek rèêê^ rèèw uitgesproken. 

— Spr. Er met den rouwen borstel overgaan^ z. Bö(r)sT£L. 

— *t Is rouw, z€e Uilespiegel^ en hij pakte den hond bij zgn vel 
(of by zijn haar.) 

ROUW, znw., o. — Bij timmerl. Ruwheid die een gezaagd berd 
bedekt en door de tanden der zaag veroorzaakt is, ook Wol genaamd. 

ROUWAANS(CH) (klemt, op waansch), bvw. — Ruw, woest, 
wild, onsluimig. 'Nen rouwaans(ch)e kerel. 'Et weer i5rouwaans(cb). *Nen 
rouwaans(ch)e wind. Rouwaans(ch) te werk gaan. Ge moet oe' kleeren 
daar zoo rouwaans(ch) nie' hennen smijten. 

ROUWAGE, znw., v. — Ruigte, verzameling van ruwen afval. 
Hfft. Doel die rouwage weg. 
Z. Kil. i. v. rouwagie, 

ROUWDINGEN, znw., o., zonder mrv. — Rouwkleederen. Ze 
had rouwdingcn aan. 

ROUWENIS, znw., v. — Allerlei afval van hout, stroo, onkruid, 
enz. Me zullen die rouwenis opstoken. Doet die rouwenis bijeen in 'nen 
hoop. 

ROUWEREN, w., b., en o. — Wordt in sommige streken gehoord 
voor Roeien, gooien, Fr. jeter. 

ROUWEVIE, znw., v., ROUWEVER, m. — Soort van haver 
die veel in de zandige gronden der Kempen gezaaid wordt. 

ROUWIGHEID, znw., v. — Schorheid in de keel, ten gevolge 
van eene verkoudheid. 

ROUWKOOP, znw.,m. — Rouwkoop hebben^ beteekent niet enkel 
Spijt hebben over eenen gedanen koop, maar in 't algemeen Spijt gevoelen 
over iets dat men verricht heeft. 

ROUWMOES, znw., m. — Ruwharig dier. (K.) Rouwmoezen 
van verkens. Dieên hond is 'nc leelijke rouwmoes. 



— 1048 — 

ROUWRIJM, znw., m. — Witte rym, bevrozeo smoor of mist 
die aan de boonuakken blijft hangen in den vorm van sneeuw, Vx. grvre. 
(K.) D. B. (Ook in Ki.-Br. , z. Sch.), bij G. ruwtsel. De hoornen hangen 
Yol rouwrqm. Ook Hij zei. 

— De rouwrym verschilt van den waterrym^ gelgk het Fr. givre 
van gelee blcmche. Sleeckx mist dus wanneer h^ rouwrym vertaalt door 
gelee blanche, 

ROUWRIJMEN, w.y onp. — Rijmen, sprek. van nevel die aan 
de boomtakken bevriest en blijft hangen, '^x, faire du grvre ^ D. B. (K.) 
Ook Hijzelen* 

RUB, znw., V. — Ribbe, Fr. cóte, 

RUBARBEL, znw., m. en niet v. — Rabarber, Fr. rhubarhe, 

RUBARBEL8PIJS, znw., v. — Moes van de stengels van rabarber. 

RUBBEN, w.y wdrk. — Zich keeren, roeren, gewoonlijk in de 
tautologie rubben of keercn. (A.) Ik kan me nie' mbben of keeren van 
de pyn. Ge hèt hier geen plaats, ge kunt oe nie' rubben of keeren. 

RUBBEN, znw., v,, mrv. — Jong raaploof dat men als moes eeL 
(Ook in Brab., z. Sch.) Vrglk. het Hgd. rübe^ raap. 

— In 't N. der Kemp. zegt men Kelen. 
Kil. Ribe, rube, rapum, 

RUCHEL, RUGGEL, RUCHELKONT, RUGQBLKONT, 
znw., v. — Meisje dat onmatig lacht. 

RUCHBLEN, RUQGELEN, w., o. — Het hinniken der peer- 
den, Fr. hennir. (K.) Ook Hunkeren. 

— Afl, Gertuhel^ g^^^gg^l* 

Kil. Ruchelen, rochelen, rudere, 

— Fig. Giebelen, onmatig lachen, sprek. van vrouwvolk. (Z. der K.) 
Da' zot vrouwvolk staat daar te ruchelen dat 't schand is. 

RUG, znw., m. — Fr. dos, 

— *En kar te zwaar in den rug la(d)enf te veel vracht achter 
op de kar zetten. 

— Spr. /et van tynen rug schudden^ z. N£K« 

— *t Geld wast op m^'nen rug niet^ ik heb geen te veel. 

— Ik kan het van ntgnen rug nie(t) sny\d}en, zegt men tot iemand 
die iets vraagt dat men hem niet geven kan. Gg ligt daar om mgn ooren 
te zagen om e paar nief schoenen, ik kan ze toch van mgnen mg 
nie' snö(d)en. 

— 'Nen bree{d)en rug hebben, veel kunnen verdragen. 

— Bij landb. Smal bed van twee ploegsneden tusschen twee diepe 
voren. 'Nen akker in ruggen ploegen. Men ploegt het land in ruggen 
vóór den winter, om den grond goed te laten uitvriezen. 

RUGGE, znw., v. — Komt in veel samenstellingen voor in de 
plaats van Rogge, Fr. seigle. 



— 1049 — 

RUGGEBLOEM, RUGGEBLOM, znw.. v. — Roggebloem. 
RUGGEL, RUGGELKONT, znw., v. — Z. rüchel. 
RUGGELEN, w., o, — Z. rüchelen. 

RUGGBLEN, RUGGELS, bw. — Speelterm. Wordt gezeid bij 
't bikkelspel, wanneer de bikkel op den rug ligt. 

RUGGEMÈÈL, znw., o. — Roggemeel, Fr. farine de seigU. 

RUGGBNBOTERHAM, Kemp. RUGGBNBOTTERHAM, 
mw.y m. — Boterham van roggebrood. 

RUGGENBROOD, znw., o. — Roggebrood, Fr, pain de seigle. 

RUGGENBROODKBRMIS, znw., v. — Wijkkermis te Lier, 
die aan de statie, buiten de Antwerpsche poort, gevierd wordt, 

RUGGE8CHIBTBR, znw., m. — Z. rugoev£RDOMM£KE(n. 

RUGGE8TROO, znw., o. — Roggestroo, Fr, paille de seigle, 

RUGGEVERDOMMBKEiN, RUGGBVERDOEMBKE(N, 
znw., o., RUGGBSCHIETER; znw., m. — Klein roggebroodje, 
met krenten in gebakken. 

RUGGRAAT, znw., v. — Ruggegraat, Fr. ipine dorsale, 

RUGMBRK, znw., o. — Ruggemerg, Fr. moelle épinière. 

RUGVLIM, znw., v. — Rugvin, Fr, nageoire dorsaU, 

RUI, znw., V, - Vliet, gracht. Te Antwerpen waren vroeger ruien. 
Die ruien zijn nu overwelfd. Sommige straten dragen nog de namen 
▼an Ankemii, Oude Leenwennii, Suikerrui, enz. De schipper leet in de rui . 

RUIFEL, RUIFELÈÈR (ui = J), znw,, m. — Roerzieke, 
woelige jongen. Dieën ruifei verslijt al zijn kleeren. 'Nen ruifel van 
'ne' jongen. 

RUIFELEN (uitspr. röff9l9n\ w., o. en b. — Als een ruifel te 
werk gaan, woelig over den grond kruipen, al wrijvende over den grond 
zgne kleeren verslaten, in 't Hag. riffelen^ z. Sch. Over de* grond ruifelen. 
Dieë jongen hée' vandaag al wa' geruifeld. Gg ruifelt al oe' kleeren kapot. 

— Afl. Geruifel. 

RUIFTIJD, znw., m. — Ruitijd, Fr. temps de la mue. Z. ruiven. 

RUI(G, znw., o. — Soort van schurft dat de honden krijgen. 

— Gep. w. Rap en ruiXg^ z. RAP EN Rüi(o. 

RUIGAARD, znw., m. — Ruige, ruwe kerel. 

RUIGT (uitspr. röcht\ znw., v. — Uitschot, bucht, iets dat klein 
eo gering is. Ruigt van pataten. Klein ruigt van boonen. Jaagt die ruigt 
(kinderen) van de deur. 

— Allerlei afval van hout, stroo, onkruid, enz. Doet die ruigt in de' 
stal. 'Nen heelen hoop ruigt. 

— De Wrdb. vertalen dit w. door bromailles, mauvaises kerbes^ 



— to50 — 

RUIIG, bvw. — Ruig, ruw, woest. N^n ruiigen hond. Ruiig volk. 
't Ziet er zoo *nen ruiige' kerel uit. 

RUIL, znw., m. — Soort van watervogel, die veel in de heiden 
verblijft. Is het de Fulica atra ? De jager had *nen ruil geschoten. 

RUIMEN, w., b, — *En bos{ch) ruimen^ het kreupelhout wegdoen 
dat er in groeit. (K.) 

RUIS(CH) (uitspr. rös)^ znw., m. — Het werk van te wrijven te 
schuren. Daarzal nogal 'nen hcelen ruis(ch) aan dat ijzer zijn eeidat *t blinkt. 

— Fig. Hard of zwaar werk. Daar zal nogal *nen ruis(ch) aan zijn 
eerdat 't af is. 

— Slagen. Hij hee* ruis(ch) gehad. 

RUIS(CHiBEEN (uitspr. rösbieên\ znw., o. — Bij wevers. Glad 
beentje of houtje, waar uien het lijnwaad mee wrijft op hel getouw eer 
men het op den onderlooper rolt, 

RUIS(CH)EN (uitspr. rossen), w., o. — Daar ruischt iet^ er is 
daar iets op handen, er zii iets achter, er gaat daar iets gebeuren. Daar 
heet in de leste dagen zooveul geloop bij Jan geweest, daar moet iet ruis- 
(ch)en. Ik hoor zooveul lawijt in die herberg, daar zal zeker iet ruis(ch)en ? 
~ Wordt, evenals ronken^ gebruikt als men spreekt van iets dat 
bedektelijk verteld wordt. Ik heb daar al lang iet van hooren ruis(cb)en. 

— Daar zal e volksken ruis{ch)eny er zal daar veel volk bijeen- 
komen. Ik heb op die kermis geweest, maar daar ruischte nogal e 
manneken (er was veel volk). 

RUIS(CH)EN (uitspr. röss9n\ w., o. — Wrijven, schuren, Fr. 
/rotter. Hftt. (Ook in Brab., z. Sch.) M6* *ne' woile' lap over 't zilver- 
werk ruis(ch)en om 'et te doen blinken. Hij ruis(ch)te mè* zijn zwarte 
handen deur ze' gezicht. As er iet in oew oog gevlogen is, meugde 
er nie' in ruis(ch)en. 

Kil. Ruydschen, scabere^ ter er e ^ fricare, 

— Fig. Hard werken. Daar zal nog te ruis(ch)en vallen, eerdat 
't Zondag is. 

RUIS^CH)ING (uitspr. rössing)^ znw., v. — Pak slagen, Fr. raclée, 

RUIT, znw., V. — Z. Wrdb. 

— Spr. Zyn eigen ruiten uitslagen^ zijne eigen zaak roekeloos en 
moedwillig bederven. 

— 't Is 'en ruit uit e glas, er is niet veel bij verloren. 

RUITENS, znw., v. — Ruiten. Ruitens is troef. Ik heb ruitens 
uitgespeeld. 

RUITER, znw., m. — Meikever, Fr. hanneton. (N.O. der K.) 

KUITS (uitspr. röts)^ znw., m. — Soort van witvisch, plat van 
vorm en redelijk groot, Fr. able roche. Lat. Leuciscus rutilus. 



— I05I — 

RUIVEN, roof^ heb en hen geroven^ w., o. — Hetzelfde als het 
HoU. RuieOy het haar of de vederen verliezen, ontbladeren, sprek. van 
menschen, dieren, vogelen en bloemen. R. As de kanarievogeis ruiven 
dan zingen ze nie' meer. Ik ruif geweldig: ik ben al veul haar kwijt. 
Neemt de kat nie' op oewe* schoot, want ze ruift. Heet oewe* vogel 
al geroven ? De roozen hebbeu schoon gebloemd, maar nu zijn ze meest 
allemaal geroven. Jammer dat die bloemen zoo gauw ruiven* 

Kil. Ruyven, remittere pennas vel pilos mutare plumas vel pilos. 

RUIZEMUIZEN, w., o. — Snuffelen, doorzoeken in *t geheim 
en in stilte. (A.) Hij zit altijd overal in te ruizemuizen. Wa' ruizemuisde 
gij daar in die kas ? 

RUMATIBK, RUMMETIEK, bvw. — Z. rommetiek. 

RUMATIS, RUMMBTIS, znw., o. — Flerecijn, rheumatisraus, 
Fr, r^ieumatisme, 

RUMATI8PLANT, znw., v. — Plectranthus fructicosus. 

RUND, Kemp. REU ND, mrv. reünder^ znw., o. — Veerskalf 
dat men gaat aanstieren, Fr. ge'nisse. £ reünd van e jaar. £ schoon 
rund. Hij hóet drij koci' en twee reünder. 

— In de Wrdb. beteekent rund, Fr. béte d corne, 

^ In de WW» rundvlees{ch), rundsvlees{ch) en rundsvet (Kemp. 
reündvlees{ch)f reündsvlees{ch), reündsvet), is rund genomen in een en 
algemeen en zin van veers^ koet of os, 

RUNSELMAAG, zuw., v. — Kalfsmaag die hetrunsel oplevert. 

RUREN, w., b. en o. — Roeren. Z. Wrdb. Hfft. 

— Spr. Al da{t) ge ruurt, al da{t) ge meevuurt, al wat ge aanraakt, 
moet ge nemen (aan tafel). 

— Zoo nauw als *t ruurde, het scheelde weinig* T. Zoo nauw 
as 't murde, of hg viel in de beek. 

RUS^CH), znw., m. — Z. ros(ch). 

RUST, znw., m. — Z. ROëST. 

RUSTEN, w., o. — Aanroepen worden, gezeid van eenen heilige. 
R. Te Beers tust Sinte-Cornelius. 

RUT, bw. — jRut «y«, alles verloren hebben in het spel. D. B. 

RUT, znw., m. — Flauwe praat. R. Zwygt met dieë* flauwen rut. 
't Is allemaal rut dieë ge vertelt. Ik kan met die€n rut nie' om* 

— B^ D. B. beteekent ruit het praten, het babbelen. 

RUTSEL, znw., m. — Z* rits. 

RUTSELEN, w., b. en o. — Eenige vloeistof sterk schudden, 
hutseicn. (Ook iu 't Hag. en Belg.-Limb., z. Sch.) Ge moet dieën drank 
goed rutselen, eerda' ge 'm inneemt. Rutselt is met da' fleschken, maa 
niet te hard, of ge zult den drank er uit rutselen. 

— Afl. GerutseL 



RÜTTAMTUT, znw., m. — IJdele praat. Hij vertelt niks as 
ruttamtut. Zwijgt mee' oewen nittamtut ! 

RUURVOGELy znw., m. — Bij vogelvangers. Vogel op het steek 
vastgemaakt, en dienende om de andere vogels te lokken. 

RUUT, in 't Z. ook RIBT, zuw., o, — Vet, smeer, ongel, Fr, 
graisse, snif. *Et ruut Tan de kèèrs. Van schaapsruut wörren kèèrsen 
gemaakt. 

Kil. Ruet, sevum, 

RUUTACHTIG, RIETACHTIG, bvw. — Op ruut gelijkende. 
Da' vet ziet er zoo ruutachtig uit. 
Kil. Ruetachtig, sevosus. 

RUTEN, RIETEN, bvw. — Van ruut. Rut€{n) keers^ vetkaars. 
In den ouwen lijd brandden ze 's avens rute' kèèrsen. 
Kil. Ructen kv.crsse, sebacea candela, 

RUZIE, znw., v. — Ruzie krijgen^ bekeven worden. 

RUZING, znw., v. — Hetzelfde als Ruzie, twist, Fr. qturelle. R., 
Jong. (Ook iu Limb., Hag. en Brab., z. Sch.) 

— Wordt ook, evenals ruzie^ gebruikt in den zin van Kijven, 
bekijving. Hij kreeg ruzing, omdat hij te laat thuis kwam. De knecht 
kreeg ruzie van zijnen baas (hij werd bekeven). 



SAAI, znw.y m. — Wollen breigaren, sayei. Ft. /il (ü /aim. 'Nen 
draad saai. Twee strenen saai. 

— Men maakt verschil tustchen saaten wollegaren^ z. WOLLEGAREN. 

SAAIEN, bvw. — Van saai. 'Ne saaien draad. Saaie' kousen. 
Saaie* lint (soort van wollen lint, Fr. ruban de sayg). 

SAAR, znw., v. — Traag en dom vrouwmensch. Da' meisken ziet 
er 'en saar uit. '£n saar van e wijf. 

SABEL, znw., m« en niet v. — Fr. sabré» R. (Ook m. bij G.) 

SACRAMENT, znw., o. — Schertsend voor Vrouw, wederhelft, 
Fr. femnu. Hg gaat uit mè' zij' sacrament. Ze' sacrament was nie' goe' 
gezind. 

SACRISTIJN, znw.y o. — Sacristij, een deel der kerk, Fr. 
sacristie. R. 

SACRISTIJNPRIBSTER, znw., m. — Men noemt alzoo den 
priester, die gelast is met bet regelen der goddelijke diensten, het plaatsen 
der versiersels, hel verwittigen der kerk- en kapelmeesters, enz. (A.) 

SAFFELEN, w., o. — Z. schaffelen. 

SAFFRAAN, zaw«, m. en niet v. — Fr. sajfran. R., J. 

SAJET, znw., m. en niet o. — Fr. f il de laine, R. 

SAKERSTIJN, znw., o. — Z. sacristijn. 

8AKKÈE, iw. — Vloekachtige uitdrukking. 

SAKKER, znw., m. — Vloek, Yr.jutott, Hij liet daar 'nc' gewel- 
dige' sakker. 

— Vormt veel bastaardvloeken, zooals sakker dikken^ sakker dit ^ 
sakkerdomme, sakker loot , sakkernortde, sakkerstomfne, sakker twee ^ enz. 
Z. ook SAPPER. 

SAKKEREN, w., o. — Vloeken, Fr.jurer. D. B., R. Hij sakker- 
de, omdat i beetgenomen was. Hij kan geweldig sakkeren, as em kwaad is. 

— Afl. Gesakker, 

SAKKERSTIJN, znw., o. — Z. sacristijn. 
SAKKOREN (klemt, op ko^ tw. — Bastaardvloek. 



— I054 — 

SAKKORIS(CH), bvw. — Drommelsch. Die sakkoris(ch)e denge- 
nietcn ! 

8AKRIST, zDw., m. — Ooderkoster, Fr. souS'Sacristain, (A.) 

8ALAAD, ZDW., m. en niet v. — Fr. salacU. R. 

— In *t N. der Kemp. spreekt men salaai uit. 

SALDAAT, znw., m. — Z. soldaat, 

SALON, znw., v. en niet o. — Z. Wrdb. 

SALPETER, ook SALPEETER, znw., m. en niet o. — Ook 
m. bij R. en J. 

SAMEN, bw, — Z. Wnib. Men zegt ie samen en niet te tarnen, 

SAMENSTAAN, w., o. — Samengaan, overeenkomen, enkel in 
de Onbc]». wijze gebruikt. T., R. Rijk zijn en alle dagen gaan werken, 
dat kan nie' gocd samenstaan. « Dat kan immers met zijne opgeblazen- 
heid niet samenstaan ? » (Conscience, Hoe men schilder wordt.) 

SAMENSTEL, znw., m. en niei o. — Z. Wrdb. J. 

^SAMMELTJE, znw., o. — ^ Kloterspaan (?) > 
Sch. geeft het w. voor de Kemp. 

SAN DER, znw., m. — Alexandcr. 

SANT, znw., m. — Heilige, Fr. saint. 

— Van santen hebben^ aangedaan zijn van eene ziekte, voor welker 
genezing men eene bedevaart naar den cenen of anderen heilige moet 
doen. 

— De sant f n kennen ^ weten op welke plaats en ter eere van welken 
heilige men mcK't bedevaart gaan, om van zekere kwalen genezen te 
worden. 

— Spr. Gecnc sant verhe-ven in zyn lafid^ niemand is profeet in 
zijn eigen land* 

SANTÉ-GLAS, znw., o. — Kliin bierglas. T., R. 

sant:: KWANT, znw., v. — Oorveeg, Fr, morniJU. (K.) D. B. 
Ik gaf Vm *en santekwant, dat hoeren en zien 'em verging. 

SANTENBOUTIQUE,znw., m. — Sanlekraam. Heel de santen- 
boutique, heel den boel, Fr. toute la boutique. (Ook in VI. en Limb., z.Sch.) 
Hij heet heel de' santenbouticiue kap >t geslagen. 

SAP, znw., o. — Z. Wrdb. 

— Spr. Het sap schiet in zijn knoeselsy wordt gezeid van een aan- 
kometuleii jongen, wien de kinderschoenen beginnen te nijpen. 

SAPÉE, tw., vrklw. ^apckens. — Vloekachtige uitdrukking. 

SAPPER. Vormt veel bastaardvloeken, /ooals sappetuidwcren^ 
uip(>criiekkcn^ sappirJfj.tjes, sappcrdit^ saf>perloot^ sapptrlot^ sapper- 
mitle^ sapper mille- muss(ch)epooten^ sappertwee^ enz. Z. SAKKER. 



i 



- Fig. Kluchtig, Tennalieliik. (A.) 'I Is 'at uppigc 

SARADEL (klemt, op del), zaw., v. cd m. — Eeoe voedeipluit, 
bij V. D. icradtlte. Lal. Ornithopus sativus. 

SAROIE, zDw,, V. — Beddedeken, Ft. cauverlure de lil. 'En 
wollc', 'en katoeoe' swgie. 

— Spt. Onder lie gruun (gmeat) sargü lig-geir, begraven lijn. Jan 
Daems leet (li^t) ook al lank onder de gruuD sargïe. 

8AROOP, ziiw., m. — Siroop, siroop, Fr. lirofi. 

— 'En iarofie{n) Ironie, een gestepen, ooaooiel geiichl. (A.) 
SAROOPKIT, xnw., v. — Blikken sitoopstoop. 
SAROPBTRAAN, mw-, v. — Iemand die er onnoozel uitiiel, 

maai in werkelijkheid geslepen en doortrapt is. (K.) 

8AROPERHAM, znw., m. — Snede brood met ütroop besmeetd. 
SARUT (klemt, op rut), znw,, v. — Z. SAAB. (Z. der K.) 
8ASA, znw., m. — 'JVén auiee sasa, een oude vent. 
SASDEUR, znw., v, — Sluï:>deur. De sasdcucen openzetten of 



8A8PUT, znw., m. — Sluiskolk, Fi.iaiiin d'eelwe. 

SASSEN, w., b. — !□ de dok laten varen Uogs de sosdeuren. 
Wanneer een schip uil de Schelde in de dok vaart, dan wordt het gesaiL 

8ASSENIER, znw-, m, — Slubwachler, Fr. Alusier. (Ook in 
VI. en Brab., z. Sch.) 

SASWACHTBR, zdw., m. — Sluiswachter. 

SATIJN, znw., m. en niel o. — h'i. satin. R.,J. 

SAUS (in '1 N. en W. lous, in 't Z. saas), znw.. v. — Fr. sauce. 

— Fig. Bui, geweldige regenvlaag. B. We waien nog maar p>» 
venrokken, of we kregen 'en geweldige saus op ons lijr. 

— Felle berieping, rammeling. DieSn deugeniet zat saua krijgen, 
BS cm ibuïs komt. 

— Spr. ■/ /s iaiii naar 't kommeken, ze zijn alle twee van dezelfde 
soott, de eene is niel beier d;iu de anJcrc. De zeun •\ ugi zoomin as 
de vader, '[ 'n saus nanr 'i kuinmeken. 

SAUSDIBVBN, ZNW., m., mtv. — Droge, meelachligcaaidappLien 
die veel saus vragen. Ik kook van die patalen tiie' meer, 't zijn oprechte 
sausdieven. 

•8AU8BN, w., o. — Beieekent, volgens Sch., in de Kempen 
< Razen, flauwrn praat vertellen. • 



.,b. ^Met saus Ingieten Uw 
> is zulke die met iels overgoten 



— • I056 - 

8AVBB (klemt, op vee^ zachte é)^ znw., m. — Fbmwe praat, zoate- 
loozc redenen. R. Ik kan met dieë' savec niet goed om. Hij ver- 
telt flauwe' savee. 

SAVEL, znw., m. — Sabel, Fr. sabre. (K.) D. B., T., R. 'Ne 
lange sa vel. Hij had zijne* savel aan. 

SAVIE, znw., m. — Salie, Fr. iauge, R., HffL 
Kil. Savie, scUvia, 

SAVIEMELK, znw., o. — Melk waar savie in gekookt is. Hfft. 
Saviemelk drinken. 

SAVOOI, znw., V. — Savooikool, Fr. chou de Mtlan, D. B. 'En 
bed savooien. Savooien planten. 

— Fig. Lui, nalatig vrouwmensch. (Ook in Drab., z. Sch«) *En lui 
savooi. 

SCHAAP, znw., m. — Op schaaf loopen, tafelschuimeD, rondloopen 
om ergens aan 't eten te geraken. (N. der K.) Dieë gulaigaard loopt 
overal op schaaf. 

— Elders op de{n) schoefel loopcn, 

SCHAAPBLOK, znw., m. — Het hout, waar het schaalijzer in 
steekt. 

SCHAAI, znw., v. — Z. scha(d)k. 

8CHAAIEN, w., b. — Bij teekenaars. Schaduwen, Fr. omhrer, 
'En teekening schaaien. 

SCHAAK HBRD, znw., o. — Schaakbord, Fr. éMquier, 

SCHAAKSBL. SCHOKSEL, znw., o. — Onzindelijk, oneerbaar 
vrouwmensch. Ziet da' schaaksel daar is loo[)en ! Die Mie is 'en eerste 
schokseK 

SCHAAMTBSCHOBNEN, znw., m., mrv. — Spr. Zyn 
schaamteichoenen uittrekken^ dWa schaamte afleggen of ter zijde stellen, 
niet meer beschaamd zijn. Sch., T., R., FCl.-Br. 

SCHAAP, znw., o. — Fr. motiton. Z. Wrdb. 

— Dat w. heeft in de Kemp. gcenen meervoudsuitgang. 'En kooi 
(kudde) schaap. Met de schaap uitgaan. Vrglk. het Eng. sheep, 

— In samenstellingen gebruikt men in de Kemp. veel schaaps voor 
schape of schapen. Dus zc^l men schaapslèèr^ schaapslèver^ schaaps- 
mestf schaapsstaty schaapsvct^ schaapsvet^ schaapsvleesch zoowel als 
schapeleer^ schapelèvcr^ schapemest^ enz, 

— Fig. Arm, bekla^ensweerdig kind. Die arm schapen hebben gee(n) 
moeder meer. *t Arm schaap had zoo *nen bonger. Nu zit die arm vrouw 
daar alleen met heur twee schapen van kinderen. 

— Gemeenzaam, vriendelijk toevoegsel in de samenspraak van 
vrouwen. Ja, schaap, zoo l)en ek daar gevaren. Wel, schaap toch, komdegij 
al van zoo ver? 



— I057 - 

— Een zwart schaap tn kuis, tn de familie, enz. hebben^ bet, dat 
er onder de kinderen van het huisgezin een slecht kind is, 

— Spr. AU ge u eigen schaap maakt, dan worde {wordt ge) van 
de wolven opgeeten, veel te goed is half zot. 

— Zoolang als *t schaapken gers weidt, altijd. *En rent soolank 
as 't schaapke gers weidt. 

— Getelde schaapkens, geld waar niets mag afgenomen worden, dat 
bestemd is tot iets. 

— Daar is geen een kooi schaap, of daar is *en ruig onder^ 
onder alle koren is kaf. T. 

8CHAAPHEIDBR, znw., m. — Schaapherder, Fr. berger. 

SCHAAPKE(N, znw., o. — Verkleinw. van Schaap. 

— Een blinkend zwart waterkevertje. Z. kattinnekkn. 

^ Klein, wit, vlokkig wolkje in de lucht, Fr. mouton, nuage 
moutonné. De locht hangt vol schaapkcns. 

SCHAAPKEN SLOCHT, SCHAAPKENSLOÊCHT. znw.. 
v, — Lucht die vol schaapkens zit, d. i. kleine, witte, vlokkige wolkjes, 
Fr, ciel moutonné', 

SCHAAPSBOER, znw., m. — Landbouwer die schapeu kweekt, 
bij D. B. schaapboer. 

SCHAAPSHOND, znw., m. — Schaapherdershond, hond die de 
schaapskudde bewaakt, Fr. chien de berger. 

SCHAAPSKOU, znw., v. — In de maand Mei worden de schapen 
geschoren. Men heeft dan soms nog koude dagen en nachten, wat de 
geschoren schapen doet lijden van de koude, die men dan schaapskou noemt. 

SCHAAPSMES, znw., o. » Schapeumest. 

SCHAAPSRAS, znw., o. — Ras van honden die de schapen 
bewaken. 

8CHAAPSSULKER, znw., m. — Schapezuring, Fr. oseille sau- 
vage, L. Rumex acetosella, bij D. B. schaapsuiker, v. 

SCHAAR, znw., v. — Breuk of kerf in de snede van een mes 
of ander snijtuig, Fr. brêche^ bij D. B. schaar en schaard. Daar zijn 
scharen in da' mes. 'En schaar in 'nen beitel. 

SCHAARAF, bw. — Ten gronde af, sprekende van een bosck 
dat verkocht wordt. (K.) *En bos(ch) schaaraf verkoopen. Da' bos(ch) 
wordt schaaraf verkocht. 

— Znw., m. — Hout van een bosch, dat van voren af aan afgezaagd 
of afgeblaaid is. (K.) Drij koopen masten schaaraf. 

SCHAARS, znw., o. — Scheernvs, Kr. rasoir. (K.)(Ook in Brab., 
Hagel, en Limb., z. Sch.) E scherp, 'en bot schaars. Zoo scherp as e 
schaars. Die schaarsen snij(d)en nie* meer. 

Kil. Schaers, scheers, cutter rasorius. 



Idtoticom» 68 



— I058 - 

SCHAB, zinv., o. — Hetzelfde als Schap, plank tegen den muur 
of in cent' ka> om iets op ie leggen of te zetten. In 'nc* winkel zijn 
veui schabben. Den iinimer:unn moet hier tegen de' muurecnige schabben 
maken. De scliabben van 'en boekenkas. 

SCHABARING, te Antw. SCHRABARING (klemt, op ba), 
znw., V. — Duchiij^c berisping, schommeling, Fr. forte reprimande. 
Iemand 'en schabaring ge\en. De knecht kreeg 'en geweldige schabaring 
van zijnen baas. 

SCHABAUWELIJK (klemt, op bau), bvw. — Leelijk, gruwelijk, 
schromelijk, Fr. horriblc^ épouvantable^ bij D. B. schabouwlijk, *Ne 
schabauwelijke kère). 't Is e schabauwelijk weer. 't Was gisteren scha- 
bau weiijk heet. 

* SCHABBERDEBOK, znw., m. — Op schabberdebok hopen bet 
volgens Sch., ic Antw. hetzelfde als bij ons op schaaf loo pen eu op den 
SC hoef tl loopt' 71. Z. scH.\AF en SCHOeFEL. 

SCHABBERNAK (klemt, op nak)^ znw., o. — Iemand die aardig 
aangetakeld ib of wiens kieederen wonderlijk of slordig om het lijf hangen. 
Ge loopt daar gelijk e bchnbbctnuk, kleed oe wa' beter aan. Da' raeisken 
is piccies e schabbernak. 

— Mismaakt of vuil cu slordig persoon. D. B. £ vuil schabbernak. 
E schabbernak van e ventje. 

— Kajioeii, kwapoets. (A.) 't Is e schabbernak van 'ne jongen. Da' 
schabbernak iaat niks ^erubt. — In dezen zin is het w. ook in Duilsch- 
land bekend. 

— Bouwvallig huis. Hij woont daar in e schabbernak van 'en huis, 
da' nic' te goed is om af te breken. 

SCHABEELEN (klemt, op beé), w., o. — Schimpen, bcdektelijk 
verwijten, bij uUü. schabbcciiwcn, (K.) Hij schabcelt altijd op iedereen, üc 
doe* nic* as bchabcelen op oe* geburen. Ook Schaveelen. 

SCHABEL, znw., v. — Z. Wrdb. 

— Op V schabel leken sUiati^ te pronk staan ^ aan den schandpaal staan. 

SCHACHT, znw., v. en m. — Z. Wrdb. (Ook m. bij J,) 

— Kluchiigc snaak, vie^je kerel. Met die schacht zoude moeten lachen. 
Zijnen oom is *nen aardige schacht. 

— Jonge rccruut, jonge soldaat. *Ne jonge schacht. 

— Kluchtnaam voor ilen Shah van Pcrzië. De schacht heet te Parijs 
geweest. 

— Bij wevers. Eik van de vier of meer houten latten, waarop de 
rok van ecnen weefkam gevestigd is. 

SCHAD, znw., v., meest in 'i niiv. SCHADDEN. — Zoden die 
van een tiiciitbe^roeid heideveld at"g»>token worden om als turf tot brand- 
stof te dienen. (K.) HiVt. De boeien stoken lörf en bchadden. Schadden 
steken. Legt nog eenige schadden op 't vier. « Maar neen, het zijn de 
schadden^ di«' zoo hevig branden. » (CONSCIENCE. Mengelifigen, i8.) Ook 
Heischadden. 

— Schadden zijn geene vlaggen noch rosschen, Z, die w. 



- I05Q — 

SCHADDER, znw., m. — Schouwvegcr, Fr. ramoneur, (A.) 

SCHADDEVIER, SCHADDEVUUR, znw., o. — Vuur van 
schadden of gedroogde heizoden. 

SCHA'.D.E, znw., v. — Nadeel. Z. Wrdb. 

— Schade doen heeft bij ons, evenals bij D. B. twee beteekenissen : 
I* Iemand schade toebrenoen. Hij hée* mij veul scha(d)c gedaan. De slekken 
doen veul scha(d)e aan de kooien. De hagel doe' scha(d)e aan tle vruchten. 
2* Schade Hjdcn, een verlies ondergaan. Ik kan oe da' goed aan dieë' 
prijs nie' geven, want 'k zou er scha(d)e aan doen. Hij hóe* scha(d)e 
gedaan mè' zijn huis uit der hand te verkoo; lp. Laat oewe* jongen maar 
lank naar de school gaan, ge zult er 'em geen scha(d)e mee doen. 

— Spr. Ge moet leef en me{C) sc'ha(d)e of me{f) schond ^ men moet 
leereo, 't zij men door die ondervinding schade of schande lijdt. 

SCHA(D)E, SCHAAI,znw., v. — Schaduwc, ¥x.ofnbre^Q,,\lg<\. 
Scliatien^ Eng. shade^ Oudd, scade^ Fr. sJbaed, Oosllr. schudde^ Ang. sceed 
bij B. schad. (Ook in 'l Mdnl, V. D. vermeldt het als gewest.) De scha(d)e 
van dieën boom valt vlak oj) den muur. 'N'cn diefis bang van zijn eigen 
scha(d)e. Gaat uit de scha(d)e staan. Ge zit hier in de scha(d)e van de* 
muur. « Om te verlichtene deghene die sitten in demsternissen ende 
in den schaden van der doel. » {Leven van /esus, Zacharias' Loflied.) 

Kil, Schaede, schaeyc, ttmbra, 

SCHA'DjEN, w., b. — Z. schaaien. 

SCHAFFELEN.SJAFFELENci SAFFELEN, w.,o. — Met 

de voeten schuiven al gaande, slenterend voort schuiven, bij Hftt. schaffe- 
len. Den ouwe vent schafTelde voetje voor voetje deur de kamer. SjafFelt 
zoo nie* mee* oe* voeten. 

— Met moeite iels verrichtev. sukkelen. Hij meent da* me* werk 
gemakkelijk is, maar hij zou er mee >'afl*elen, as hij *t doen moest. Ik 
heb geschaffeld den eenen tijd op den anderen om *t slot open ie krijgen, 
maar *t ging niet. 

— Afl. Schaffelèèr^ sjaffelèci\ geschaffel^ a'^'V'^'^*^^' 

SCHAFFEN, w., b. — Bezorgen. Z. Wrdb. 

— Middel schaffen^ nieuwe maatregelen nemen om iets naar behooren 
te verrichten, iets te vereflenen, enz, D. B. (Ook in Brab., z. Sch.) 
Daar moet middel geschaft wörren om dicë' jongen 'en plaats te bezorgen. 
Jongen, as ge oe nie* got' gedragen en wilt, dan zal ek andere* middel 
mee oe schallen. Ik moet middel schaffen om mijn huis te laten maken, 
want zooas *t nu is, is *l onlcwoonbaar. 

SCHAFFIEREN (klemt, op //V), w., b. — Ontzien, Fr. mcnager. 
(N.-O. der K.) Ge moet *em nie' schaflieren, 

— *Sch. geeft het voor Turnhout in d( n zin van Schaffen, doen, 
maken, verrichten, opdisschen, eten. 

SCHAKEL, znw., m. en niet v. — Fr. chahion. J. 



— io6o — 

SCHAKELEN, w.. h. — Vlechten met vier draden. (K.) *En 
zweep schakelen, 

SCHAKELHANGEL, in 't N. der Kemp. SCHAKBLHAAL, 
znw., m. — Haal of hangel met tanden, Fr, crémaillière dentée, (K.) 
De schakcihangel verschilt van deo vgshangel die op en neer geschroefd 
kan worden. Z. hangel, 

^SCHALDIE, znw., v. — c Achteruit, achterplaats. » 
Sch. geeft dat w. voor Limb. en de (Antw. ?) Kemp. 

SCHALIEBERD, znw., o. — Planken dienende tot bedekking 
van een schaliëndak. 

SCHALIEDEKKER, znw.. m. — Leidekker, Fr. ardoister, 

— Spr. De schaliedekkers zitten hebben^ haarpijn hebben, hoofd- 
pijn hebben, daags nadat men veel gedronken heeft. (Ook in O.- VI., z. Sch.) 

SCHALIEZALF, znw., v. — Eene blauwe kwikzalf, Lat. Unguen- 
turn hydrargyri simplex. 

SCHALK (uitspr. j^/ta//^>&), znw., m. — Eenvoudig werktuig om 
palen in den grond te heien, om zware balken, molenassen, arduin- 
steencn, enz. op te hijschen, Fr. sonnette, ZSit de beschrijving daarvan 
bij D. B. 

SCHALM (uithpr. schalUiri)^ znw., m. — Bij houtkoopl., boom- 
velders, enz. Onischorste vlek op ecnen boom, voorzien van een cijfer, 
het nummer van den koop aanwijzende. (K.) 

SCHALMBRIEF, znw., m., SCHALMLIJST, m. en v. — 
Gedrukte lijst van eeiien boom- of houtkoopdag, die de verdeeling in 
koopen aanwijst. 

SCHALMEI, znw., v. — Toethoren van boomschors, waarop 
de jongens en voornamelijk de koewachters, gewoonlijk tot tijdverdrijf 
blazen. (K.) Hfft. 

SCHALMEN, w., b. — Bij boomkoopl., enz. Boom en teekenen, 
die bestemd zijn om vi rkocht en geveld te worden. (K«) (Ook in Brab., 
Hag., Belg.-Limb. en 't L. v. W., z. Sch.) Schalmen geschiedt met 
een weinig schors af te hakken en op de ontschorste vlek of bles met 
rood krijt de verdeeling in koopen of het nummer van den kavel te 
schrijven. Dal toeken heet schalm. Boomen schalmen. De boomen zijn 
hier nog niet geschalmd. 

— Schalmen verschilt van blessen^ want dit laatste beteekent een- 
voudig een weinig» schors van eencn boom afkappen, zonder er een cijfer 
op te zetten, ten teeken dat hij moet verkocht of geveld worden. Z. BLESSEN. 

Kil. heeft Schalmen (vetus), decor ticare. 



— io6i — 

— Fig. Door de openbare meeoing aangedaid worden om een ambt 
of eene plaats te bedienen. Wie zou er secretaris wörren ? Ze schalmen 
er de* zeun van de' koster veur. Weëttegg wiedat er veur de plaats van 
gemeenteontvanger geschalmd wordt ? 

— Bij metsers. De eerste schuinschc steenenlaag onderaan een gewelf 
metsen. 'En laag schalmen. 

SC HALM LAAG, znw., v, — Bij metsers. De eerste schuinsche 
laag üudeiaau eea gewelf. Z. PÖRRINGLAAG. 

SCHALMLIJST, znw., v. en m. — Z. schalmbrief. 

8CHAL0EN EKENS, znw., o., mrv. — Sauslook, ccbalotten, 
Fr. échaiotes, (A.) 

8CHAM, znw., v. — Kale plek of vlek in een veld, eenen beemd, 
eenen houtkan t, een jong bosch, waar de akkervruchten, het gras, het 
hout slechter wassen dan elders. (K.) Daar is 'en leelijke scham in 
dieën bemd. Ocwe klaver sta' schoon, maar der zijn veul schammen in. 

— Eilandje in een ven of eenen waterpias in de heide. (K.) 

SCHAMELIJK, bw. — Armoedig. Ze was maar scha mclijk gekleeJ. 

* SCHAM FOETER, znw., m. — Z. Sch. Men zegt sjamfoeter. 
Z. ald. 

SCHAMP, znw., v. — Schimp, zijdeliogsch verwijt. Dat em daar 
zee, was 'en schamp op u. Ik krijg altijd schampen van u. Iemand 
'en schamp geven. In die gazet staan dikwijls schampen tegen 't gemeente» 
bestuur. 

SCHAMPAVIE (klemt, op vie\ znw., v. — Schampavie spelen^ 
schampavie tijn, zich wegmaken, er ongemerkt uitsluipen, Fr. escamper^ 
fuir secrètement. D. B, (Ook in Brab., z. Sch.) De meester wilde 
mg in de school doen blijven, maar ik speelde schampavie. Den dief 
was schampavie. 

— Volgens Sch. zegt men in de Kemp. ook schamponavie en 
ichampelavie spelen. Ik heb dit eerste nooit gehoord. 

SCHAMPBRIEP, zow., m. — Brief met verwgten en schimp- 
redenen. Hij hee' me daar 'ne' schampbrief geschreven. 

SCHAMPÉEREN, w., b. — Z. schappéeren. 

SCHAM PEL AVI E, z. schampavie. 

SCHAMPEN, w., o. — Schimpen, smalen, zijdelingsche verwgtca 
doen. Gg schampt altijd op mij. Hij schampt op Jan eo alleman. In 
sommige gazetten wordt er tegenwoordig fel geschampt. (Ook in Brab. 
en Limb., z. Sch.) Kram. noemt het w. verouderd. 

— Gep. w. Schampen en schabeelen^ schampen en schaveelen^ 



— io62 — 

schimpen en schampen ^ scharren en schampen. Hij «loe* nie* as schampen 
en schabeclcn. Op ic.lercen schaircn en schamp>en. 

— All. Schamper^ [reschamp. 

Kil. Scliainpen, schimpen, /^r? //-/>/ o^^'/r, conuiiiari : insuliariy irri. 
derc^ contumrliosè in aiiquèy alitpiid diccrc vel facere, 

SCHAMPSCHEUT, znw., m. — Zijdelingsch verwijt. T. 

SCHAMPWOORD, znw., o. — Schimpwoord. 

SCHANDAAL, znw., o. — Iemand die zich schandelijk, eerloos 
gedraagt. 1^. i\. Da* wijf dient tot schandaal van heel 'et dorp. E zat 
schandaal. Ze is e schandaal. 

— Iets dat buitengewoon leelijk is. Doet da' schandaal vao 'oeo 
hoed af. Hcur kleed is e schandaal. 

SCHANDALIG, bvw, — Schandig, eerloos, ergerlijk. D. B. 
Schandalige lickciis zingen. Schandalige printen. Da* vrouwmens{ch) 
gedraagt hcur schandalig. *t Is schandalig gelijk hij mij bedrogen heet. 

— l?w. Bovenmate. Hij verkoopt zijn waren schandalig dier. 

SCH ANDELEUS, bvw. — Hetzelfde als Schandalig. D. B. Hij 
sprak scnandeleu/e wooidcii. De boter was vandaag schandeleus dier. 

SCHANDELIZÉEREN, w.,b. — Schenden, bederven, Fr. ^>r, 
abimer, 1., ]<„ B. Mijn meubelen zijn leelijk geschandelizecrd met 
*t verhuizen. As ge de doozen nie' beter inpakt, dan zullen ze geschande- 
lizeerd zijn. 

SCHAP, SCHAB, znw., o. — Plank tegen den muur ofinecne 
kas om lei?» op te leggen of te zotten. Dr. Zet de kommen maar op 
't schap. ll».'('l de muur hing vol schabben. Er is e schap ie kort in die kas, 

— Kas waar iets in bewaanl wonlt. (Z.-O. der K.) T., R. Hangt 
oc kleeren in 't schap. Het brood icet in 't schap. 

— Schapken spelen^ een spel van kleine meisjes. Z, KOKENETEN. (K.) 

— Spr. Iemand op '/ schap zetten^ hem zijn ontslag geven. De kiezers 
moeten dieö' kandivlaal bij de eerste kiezing maar op 't schap zetten. 

Kil. .Schap, promptariumy armarium» 

SCHAPEKOPPEN, znw., m.. mrv. — Spolnaam der Lierenaars. 
De Lierschc schapekoppen, 't Is 'ne schapekop. 

SCHAPENDÖRST, znw., m — Schertsend voor Honger, (A.) 
Ik heb schapeudürst. 

SCHAPPÉEREN in 't Z. ook SCHAMPÉEREN, w., o., 

met hebben cii i////. — Ontsnappen, ontwijiicn, Fr. èchapper, D. B. Hq 
hegct schoon ge^champeerd. Niemand kan de dood schappéeren. Ik ben 
gelukkig 'et gevaar geschappeerd. 

SCHAPRAAI (klemt, oj) rii<7/]), znw., v. — Eetkas, Fr. garde» 
manger. 't Kien siaat in de scha))iaai. As hij honger heet, dao gaat hij 
maar naar de schapraai. 

— Kram. zegt dat dit w. weinig gebruikt wordt en V, D. noemt hel 
vcroud. en gewest, in de prov. Antw. is het zeer gemeen, evenals in 



-- 1063 — 

W.-Vl., N.-Br., het Hag. en 't Hasp. (z. D. B., Hfft. T. en R.) Kil. 
Schap-raede, protr.ptarium^ armarintn, 

— Spr. De schapraai hangt er hoog^ zegt men van een huis, waar 
men gierig is op 't eten. 

— In Sint'Anna^s schapraai zitten of zijn^ wordt gezeiil van eene 
jongcdochter van reeds gezetten leeftijd en die dus bedreigd is van onge- 
trouwd te blijven, (Ook in Brab. en Limb., z. Sch.) Ze moet maar zien 
dat ze gauw 'ne' vent krijgt, of ze zit in Sint-Anna's schapraai. « Ja, 
hernam de maagd, ik versta u wel ; gij wilt zeggen, dat ik in Sint-Anna^ 
schapraai zal geraken. ^ (CONSCIENXE. De Lotelingy 8.) 

SCHAPULIBR {xxMspr. schapp9lier\ znw., m. — Schouderkleed 
dat veel kloosierhngen boven het habijt dragen, Fr. scapulaire. De 
Trappisten dragen een wit habijt en een zwarten schapulier. 

— Twee stukjes cener gewijde stof met lintjes aan elkander gehecht, 
die de geloovigen over de schouders onder de kl eederen dragen, Fr. 
scapulaire. 

Bij D. B. schapuliery o, 

SCHAR, znw., m, — Aanbrandsel op den bodem van eenen ijzeren 
pol, waar melkspijzen in gekookt zijn. De schar is 't beste van de 
rijs(t)pap. 

SCHAR, znw., v. — Schram, krab, Fr. e'gratignure. Hij had ze' 
geziciit vol scharren. 'En schar maken op 'en lei. Daar zijn scharren 
in da* glas. De kat gaf mij 'en schar op mijn hand. 

— Fig. Schamp, zijdelingsch verwijt. Hij geeft iedereen scharren. 
Dat em daar zee, was 'en. schiïr op u. 

SCHAR, znw,, v. — Schraapzuchtige vrouw, bij ï. schaar. Da' wg 
is 'en eerste schür. 

SCHARLING, znw., m, — Schar, het laatst overblijvende van den 
pot. Doet dicë' scharling uit de' pot. 

SCHARLINGS, bw. — Z. scherlinc;«. 
SCHARNIER, znw., v. en niet o. — ¥x. charnière. 

SCHARREN, w., b, en o. — Schrammen, krabben, Fr. e'gratigner, 
Jk heb in mijn hand geschfitd mee' 'en spel. Schiirt oe nie' aan die dorens. 

« Krabben, scharrelen, ¥x. grutter, l Igd. schar ren^ bij D. B, scharten. 

Dé kiekens scharren alles overhoop in den hof. Achter zijn ooren scharren. 

Over zijn ooren niet laten scharren, z. OOR. 

— Grijpen, vatten. T., R, Iemand bij zijne' kraag scharren. 

— Stelen. Hij schart al dat hij krijgen kan. 

Naar zich toehalen. Schart da' geld nie' van de tafel. % En hij 

scharde al het geld van de tafel in zijne tassche. ■* (CoNSCiENCE. Simon 

Turchi, 18.) 

Wordt ook gezeid van het schrapen eens gierigaards. Hfft. Dat 

hij zoo nie' geschard had in ze' léven, hij zou zoo rijk nie' zijn. * Deze 
baas Dries met weinig begonnen, had het door sparen, scharren en 
schrafelen zooverre weten te brengen... ■* (Conscience. Mengelingen, 8.) 



— 1064 — 

— Veel moeite aanwen leD, ncerstige pogingen doeD,bg D. B. schar- 
Un, Ik zal meu;;en scharren om gedaan te krijgen. I')e menf(ch)en moeten 
scharren om aan hunne' koait te geraken. 

— De r brouwen, breien, Fr. grasseytr. Sommige meiis(€fa)en 
scharren, as ze de r uitspreken. Scharren sta' leelgk. 

— Schimpen, bedektelijk verwijten. Gij zit altgd op m^ te scharren, 
Hij df>e* niks as scharren en schampen. 

Kil. Scherren, scharren, ruspari^ terram scalpere^ scabere^ radere, 

— Afl. Schdrder^ gexchar, scharling, scharseU 

8CHAR8BL. znw., o. — Z. scharung. 

SCHARTONQ, znw., v. — Soort van visch. De schaitong is 
breeder dan eene tong, doch heeft kleiner vinnen en een kleineren steert 

SCHATTATIE, znw., v. — Schatting. Dat huis is volgens mijn 
schattatie veuJ te dier. 

SCHATTE BREN, w., b. — Schatten, Hoeveul schatteerdegq 
dat huis? 

SCHATTEN, w., b. — Van meening zijn, gissen. Hfft. Uc sdiat 
dat 't nu omtrent twee uren moet zijn. Hij zal vandaag nie' komen, schat ek. 

SCHAVAK (klemt, op vak)^ znw., v, — Groot stuk, brok. T. Hij 
snee' me daar 'en scha vak van 't brood, wel twee vingeren dik. [k heb 
'en heel scha vak van mijn hand gesne(d)en. 

— Schovakken vangen^ hetzelfde als Den bef jagen, bij D. B. 
schavuiten vangen, Z. BEF. 

SCHAVAKKEN (klemt op vak\ w., o. — Wordt gezeid van 
eenen werkman die geen vast werk heeft, maar nu eens bij den eene, 
dan bij den andere arbeidt. (O. der K.) Uit schavakken gaan. Hij sdiavakt 
den heele' zomer. 

SCHAVAKKER, znw., m. — Werkman zonder vast werk, die 

nu eens bij den eene, dan bij den andere arbeidt. (O. der K.) 

SCHAVEELEN (klemt, op vee), w., b. — Schikken, regelen, in 
orde brengen, Fr. arranger. 't Zal nog lank aanloopen, eerdat alles 
behoorlijk geschaveeld is. De zaak is al half geschaveeld. 

— Wegnemen, stelen, Fr. dérober. Hij heet daar honderd frank 
geschaveeld. 

— Hetzelfde als Schabeelen, schimpen. Hij schaveelt op iederen- 
deen. Schampen en schaveelen. 

8CHAVEI (klemt, op vet), znw., v. — Wordt enkel gebruikt in 
de woord koppeling hei en schavei^ heide en onvruchtbare, woeste grond. 
(K.) In die streek ziede niks as hei en schavei. 

SCHAVEN, w., b. — Bij schoenmakers. Den zool langs de boorden 
eiTcn snijden. 

— O. Geschaafd worden. Dat hout schaaA zuut. 



— io65 — 

SCHAVERDIJN (klemt, op dijn), znw., v. — Schaats, Fr. patin. 
D. B. Op schaverdijnen rij(d)en. E paar schaverdijnen. 

SCHAVERDIJNEN, w., o. — Op schaatsen rijden, ¥\.patiner, 
D. B. Hij kan goe' schaverdijnen. Schaverdijnen is 'en aangenaam tijd- 
verdrgf. 

Kil. Schaverdynen, schuyverdynen, calapodia ferrata. 

8CHAVIES (klemt, op vies)^ znw., m. — Schoorsteenveger, Fr. 
rtunoneur. (A.) 

8CHAVIJN (klemt, op t'y«), znw., o. — Ondeugend mensch. (A.) 
Gij leelijk schavijn. E schavijn van e wijf. « Wel, gij zwart schaven / 
Wat meent gij dan wel ? (Conscience. Het Geluk van rijk te zgn^ 4.) 

SCHEE (scherpe e)^ znw., o. — Scheiding, scheilijn, grenslga, Fr. 
limite. Aan dieë' paal is 't schee van mij' land. Wij zijn hier op 't schee 
van 't dorp. 

SCHEE (scherpe ^), znw., v. — Bij timmerl., smeden, enz. Plat 
of vierkant dwarshout, ijzeren staaf of lat dienende om grootere stukken 
aan elkander te verbinden. 

— Bg mulders. Ieder van de dwarslatten in het hekken eener 
molenroede. 

~ Bij timmerl. Plat, vierkant stuk hout, dienende om twee planken 
aaneen te voegen. Met eenen beitel kapt men in elke plank een gat 
volgens de gedaante van de schee; men steekt het scheeken halfin de 
eene, half in de andere plank ; men slaat of men prangt beide planken 
toe; men boort gaten door plank en schee, en men slaat daar tappen 
in en door. 

— Bij 't gemeen volk voor Vrouwelijk schaamdeel. 

« 

SCHBB(D)BN, w., b. — Hetzelfde ab Scheiden, Fr. séparer, 
D. B., Hfft. Hl) is van zijn vrouw geschee(d)en. De veldwachter heet 
de vechters geschee(d)en. 

— Spr. Iet God en de(n) meulder laten schee{d)en, z. MBULDBK. 

— O. Eindigen. M^n land scheedt hier aan deze' paal. Waar scheedt 
uwe grond ergerans? 

— Spr. Op 't schee{d)en van de mert, z. MERT. 

— Nie{t) 7üeten waar het scheedt, niet klaar zien in eene zaak, 
niet weten hoe het met eene zaak gelegen is. D. B., Hfft. (Ook in Brab., 
z. Sch.) Ik wist nie' waar 'et scheedde, dat zgn bruur (broeder) zooiank 
wegbleef. 

— Met zif'n. Schiften, kabbelen, sprek. van melk, Fr. se cailler* 'Et 
melk is geschee(d)en. In de' zomer scheedt 'et melk nogal eens. 

Kil. Scheeden, separare. 

SCHBBDSBL, znw., o. ~ Matten, kezellngen, korreltjes in boter- 
meik of melk die gekamd is. 

— Bg timmerl. Houten afscheiding. De scheedseli van 'en meelldtt 



— io66 — 

SCHEEF, bvw. — Fr. oblique. Z. Wrdb. 

— Verg. Zoo scheef als V« krab, 

— Gestoord, dwars, misnoegd. E scheef gezicht trekkeo. lemaod e 
scheef antwoord geven. Iemand scheef bezien. 

— Gep. w. Scheef en schèèl^ geheel scheef. Die plank is scheef 
en schèèl getrokken. 

— Scheef zitten^ in onbehoorlijken toestand, niet riclitig zijn. D. B. 
*t Zat gisicren avond *en bitje scheef in 't gezelschap (men kwam niet 
goed ov leen). 't Zit scheef met die twee mannen (ze zijn geene goede 
vrienden meer.) 

— Scheef gela{d)en zijn^ scheef hangen^ zoo dronken zijn dat men 
niet recht meer gaan kan. Jan was gisteren weer scheef gela(d)en. 

SCHEEGRACHT, znw., v. — Gracht die tot grensscheiding dient. 

SCHEEHA/.3) znw., v. — Haag die twee hoven van elkander 
scheidt. 

SCHÈÈL, bvw. — Fr. lo^uhe. Z. Wrdb. 

— Verg. Zoo schèèl als 'en krab^ als 'nen otter, 

— Gep. w. Scheef en schècly z. SCHEEF. 

— Misnoegd, gestoord. Iemand schèèl bezien. Hij zag schèèl, omdat 
hij 't grootste paart nie' en kreeg. 

— Fig. Dronken. (A.) Hij zag gisteren avend leelijk schèèl. 

— Schèèl zten^ fig. Miszien, kwalijk zien, zich vergissen. Ik meende 
zeker dat 'et Frans was, maar 'k zal schèèl gezien hebben, want hij is 
ommers dood ? 

— Schèèl zien van honger^ zeer grooten honger hebben. Hg zag 
schèèl van honger. Ik heb zoo 'nen honger da' 'k schèèl zien. 

— Schele oogen rnafcen^ iemand misnoegen door anderen te begun- 
stigen. Om geen schele oogen te maken, heb ik ieder kind evenveul 
gegeven. 

— Spr, Daar is geenen eene schele^ die op heur wilt recht zien^ 
zij kan geenen vrijer krijgen. R. 

— Bij timmerl. Wordt gezcid van een stuk hout wanneer het aan 
zijne oppervlakte een ongelijk plat vlak vertoont, Fr, tors^ gauchi. Dat 
hout is schèèl getrokken. 

— Windveerdig, De roeien van 'nen windmolen zijn schèèl. 

SCHEEL (zachte e), znw., o. — Deksel, Fr. couvercle. *Et scheel 
van de stoof. Leg 'et sclieel op de' pot. 'En ijzere' scheel. 

— Groote, platte schijf, dienende tot deksel. 'Et scheel van 'en boter- 
stand, 'en meelkuip, enz. 

— Het scheel van de oog is het ooglid, ¥x. paupière» Z. OOOSCHEEL. 

— Het scheel van eenen kloon is het bovendeel, de kap van eenen 
blok of klomp. 

— Koperen bekken, waar men op slaat, Fr. cymbale. De schelen 
slagen, ¥i.jouer des cymbales. 



— loöy — 

-^ Spr. Daar is geen potteken^ of daar past e scheeltjen op^ men 
vindt allicht eenen man of cene huisvrouw, hoe mismaakt of hoe leelQk 
men ook weze. 

Kil. Schede, schele, operctiliim. Bij D. B. scheel^ schele^ v. 

SCHEELTE, znw.^ v. — Bij linimerl. Van scheelte schaven^ 
kappen^ ccnc [>lunk schaven, een balk kappen, totdat zij effen zijn, 

SCHÈÈLTELATTEKE(N, znw., o. — Bij timmerl. Z. rei- 

LATIEK^N. 

SCHEëMES, znw., o. ^ Mes dat men in eenescheede steekt. Hij 
draagt uliijvi e M:heemes in zijne' zak. 

SCHEEMUUR, znw., m. — Scheidsmuur, Fr. mur mitoyen^ 
mur Je u'paration. D. B. 

SCHEEN (zachte e\ znw., v, — Bij smeden, timmerl,, enz. Platte 
hggel oliat, gemeenlijk van metaal, anders ook lemmer geheeten, Fr. lame. 

— Bovenste, scheel van eene boterstand of karn. (Z. der K.) 

— Het voorste van *l been, z. Wrdb. 

— Spr. Da{t) zal hem tegen zgn schenen springen^ dat zal hij 
bekoopen, het zal kwalijk voor hem uitvallen, hij zal mislukken. 

SCHEENAGEL, znw., m. — Nagel met platten kop. 

SCHEENIS, <suw., v. — Scheiding, grensscheiding, Fr. limiie. 
De grixchi dieni uier tot scheenis tuss^cb)en die twee akkers. '£n scheenis 
maken tuss(chjen twee stukken grond. 

SCHEENLAP, znw., m. — Lederen lap op de schenen van een 
peerd. 

SCHEEP, znw., o. — Scheep gaan^ fig. Ten ondergaan, naar 
de dood guau, sterven. As i nog moet ziek wörren, daan gaat i scheep. 

SCHEEPDRAGEN, w., b. — Koopwaren in een schip dragen, 
Fr. embarqucr, (A.) Hij draagt scheep. Wij moeten vandaag nog twee- 
honderd ton scheepdragen. 

SCHÈÈR, zuw., V. — Hetzelfde als het Holl. Schaar, Fr, ciseaux, 
cisailles. B. 

— De twee beenderen van het kinnebakken, Fr. ganache^ bij D. B. 
schaar^ De schèèr van e peerd. 

— Bij smeden. Eene spie van plaatijzer, die door eenen bout gestoken 
wordt en dient tot sluiting, Fr. clavette, chevilU, 

— Bij berdzagers. Stapel gezaagde planken, geplaatst in den vorm 
van eene scheer. Zij bevestigen een langen, dikken staak in eenen muur, 
eene houtmijl, enz. en zetten er langs weerkanten berd tegen, kruis - 
gewijs over elkander. 

— Bg timmerl. De schèèr van een dak, z. schéèrgebint. 

— De scheer van eene ploeg is de beugel of kennef. Z. die w. 



— io68 — 

SCHÈÈRBALK, znw., m. — Bij timmerl. Dwarsbalk waarop 
de priemstijl rust in een schèèrgebint, Fr. entrait^ tirant. D. B. Ook 
Qebintbalk. 

— Niet te verwarren met de gordingspan of span^ die ook een 
dwarsbalk is in het dak, maar op de gordingen rust, zonder deel uit 
te maken Tan een schèèrgebint. 

8CHÈÈRBAND, znw., m. — Bij timmerl. Ieder van de twee 
schuinschc draagstukken, die den scheerbalk ondersteunen, Fr. aisselier, 

SCUÈÈRBANK, znw.. v. — Bij wevers. Soort van bank. waar 
de bobijnen op gezet worden. 

SCHÈERBOUT, znw., m. — Bij smeden, enz. Een bout zonder 
draad, die aangesloten wordt door eene schèèr of spie, Fr. boulon d 
clavette. Ook Spiebout. 

SCHÈÈRGEBINT, znw., o. — Bij timmerl. Vergèring van stuk- 
ken hout op wijze van cene A, die in een dak van afstand tot afstand 
geplaatst is, om de gordingen, de kepers en den vorstbalk of het kruinhout 
te dragen, ook eenvoudig Schèèr genaamd, Fr* ferme. D. B. Een zwaar 
schèèrgebint bestaat uit twee schèèr stijlen^ eenen schèèrhalk^ eeneQprtem' 
st^'l en twee steekbanden. De scheerstijlen worden dikwijls nog onder- 
steund en aan den priemstijl verbonden door twee schuinsche stukken, 
die men schèèrpooten heet. De scheerbalk wordt soms ook ondersteund 
door twee schuinschc draagstukken, schèèrhanden genaamd. 

SCHÈÈRLAP, znw., m. — Het doekje of de lap, waaraan men 
het scheermes afveegt, terwijl men zich scheert. 

8CHÈÈRLBER, znw,, v. — Dubbele ladder, vu^qf^an de twee 
deelen aan elkander gevoegd zijn door middel van eene ijzeren spil. 

8CHÈBRLÈËR, znw., o. — Scheermesriem, Fr. cuir a rasoir. 

SCHÈÈRLINQ, znw., v., zonder mrv. — Knipsel, scheersel van 
eene tuiuhaag. D. 13. 

SCHÈÈRLINGS, bw. — Rakelings. Daar vloog 'ne sleen schèèr- 
lings veurbij m'ne' neus. 

SCHÈÈRMEULEN, znw., m. — Bij wevers. ,Groote haspel, 
waarop hel garen voor de schering geschoren wordt^ lü^. ourdtssotr, 

SCHÈÈRPOOT, znw., m. — Bij timmerl. Ieder van de twee 
schuinsche stukken die de scheerstijlen ondersteunen en aan den priem- 
stijl verbinden, Fr. contr e-fiche, 

SCHÈÈRSCHOOL, znw., v. — Zaterdaagsche vergadering van 
mannen in het iiuis van eenen barbier om zich te doen scheren, bij D. B. 
barbierschooh Naar de schèèrschool gaan. Ik heb da' niefs gisteren in 
de schèèrschool hooren vertellen. 



— 1069 — 

SCHÈÈRSBL, znw.» o. — Z. PINSEL. 

SCHÈÈRSTIJL, znw., m. — Bij timmerl. Zwaar stuk hout dat 
schuins rust op de muurplaat en van boven tegen den nokbalk vast- 
gemaakt is aan «Vn pri^mstijl, Fr. jambe de force^ arbaUtrier, D. B. 

Ook Gcbintstijl. 

SCHÈÈRZOLDER, znw., m. — De hoogste zolder die in 't schèèr- 
gebint van een dak gemaakt is. D. B. 

SCHEB8TUK, znw., o. — Bij timmerl. enz. Stuk dienende tot 
afscheiding. De scheestukken van een pissijn. 

SCHEET, znw., m. en v. — Fr. pet, 

— Drek van vliegen en vlooien, Fr. chiure, D. B, 

— Nietigheid, kleinigheid, Fr. bagatelle. Wat hedde veur oe erfdeel 
getrokken ? Ba ! 'en schoon scheet, eenige arm honderden frangs. 

— Flauwe, kinderachtige mensch. Dieë Jan is *ne flauwe scheet. 

— Spr, 'En scheet geven^ verkeerd, kwalijk eindigen. Nu zijn die 
twee mannen goei vrienden, maar 't zal nog wel is 'en scheet geven, 
't ZsX zooiank duren, totdat 'et is 'en scheet geeft. 

— ^En scheet in *en Jlesch, eene mislukte zaak. Hoe is de zaak 
afgeloopen ? 't Is 'en scheet in 'en flesch geweest. 

— Van *ne(n) scheet 'nen donderslag maken ^ iets overdrijven, van 
eene kleinigheid eene groote zaak maken, Yi, faire d^un ceuf un boeitf, 

— Die lacht me{l) *ne{n) scheel^ w zotter als hy weet. 

SCHEETEN. w., b. — Stroo scheeten^ z. schooten. 
SCHEEVOOR, znw.. v. — Voor die tot grensscheiding dient. 
SCHEïrWEI, znw., v. — Wei van gestremde melk, Fr. peiit lait. 

SCHEFFELEN, w., o. — Hetzelfde als Schafielen, herhaaldelijk 
met de voeten schuiven. (A.) Scheff'elt toch zoo nie', me kunnen malkande- 
ren nie' verstaan. 

— Afl. Scheffelèèr^ gescheffel, 

SCHEL, znw., v. — Schil, afgesneden pel van aardappelen, peren, 
appelen, enz. 

— Schel op de cog, vlies op het oog, Fr. taie sur l'ail. 

SCHELD, znw., o. en niet v. — Schelde, Fr. l'Escaut. 

SCHELDE'k, znw., m. — Z. patatschelder. 

— Aardappel, die groot genoeg is om gescheld te worden. D R. 

SCHELFT, znw., m. — Zoldering gevormd door eenige houten 
of sparren, al of niet met planken belegd, boven ecnen stal of eene 
schuur, waar men hooi of stroo tast. T. (Ook in Brab, en *t L. v. W.) 

— Schertsend voor Doksaal, oksaal. Ik gaan vandaag op de' schelft 
zitten. 

— In de Wrdb. bet. schelf mijt, tas, stapel. 



— loyo — 

8CH ELFTHOUT, znw., o. — Ieder van de houten of spanen 
die men l>ovcn schuur of sul legt om eenen schelft te maken. 

SCHELLEN, w., b., — Hetzelfde als het HoU. Schillen, de 
schel afsnij'len. D. B. G. '£n pècr, 'nen appel schellen. Zijn de pataten 
gescheld ? 

— O. Geschild worden. Die pataten schellen moeilgk. 

— Wegens het verschil tusschcn feilen en schellen, Z. PELLEN* 

SCHELLEN, w., o. — Uitspraak van Schelden. Hfft. Gij doe* 
nie' as schellen. 

— Gep. w. Schellen en hellen^ z. BELLEN. 

SCHELLEVIS(CH;, znw., m. — Schelvisch. 

SCHELM (uilspr. schelltn), znw,, m. — Z. Wrdb. 

— Spr. Dein) (of het) schelm in den nek hebhen ^ niet te l)etrouwcn 
zijn, vrK)r all'^s in staat ziju. Pas op veur dieê' kerel, hij heel de* schelm 
in den nek. 

— Gep, w. Iemand opbrengen al^ chelm en dief^ hem voor het 
oog van iedereen naar de gevangenis leiden. 

SCHELP (uitspr. schell^p) in 't Z. ook SCHOLP, znw., v. — 

Fr. coqiiille, 

— Spr. Uit zijn schelp kornen^ buitcnkonn n, zijne woning verlaten, 
vooral j^c/eid van jversoiicii die bini.enzitten. Hij konU van ze' lèvcn uit 
zijn schtlp niet. Ik zien oe zoo zelden, gij komt zeker bijkanst nooit 
uit oe' schelj) niet ? 

— In zij- help kruipen, binnengaan, in zijn huis sluipen. Hij 
is slillek'^ns in /'j:i schelp gekropen. Toen ek zag da* ze zouwen gaan 
vechten, krf)' p ik algauw in mijn schelp. 

— /// zi/n schelp blyven^ zich niet cene zaak niet inlaten, er zich 
niet nicdc bemoeien. 

— Schaal van een ei of cene noot, Fr. coque^ coquille, R. 

— Dop van erwten ot boonen, Fr. cosse^ gousse, R. Daar zijn 
crten, die mè* schelp en al geeten wörreu. *t Is goe* van de plantboonen 
in de schelp» i Ie laten. 

Kil. bciielpc, putamen, 

SCHELVIS(CH)OOGEN, znw., v., mrv. — Groote, glazige, uit 
het hoofd stekende oogen. (A.) Hij hee* schelvii>(ch)oogcn. 

SCHEMEL, znw., v. — Bij wevers. Een der beide treeplanken 
of hefb(K)nien die, niet den voel in beweging gebracht, de draden der 
schering aanhalen en van elkaar doen wijken, zoodat de spoel er tusschcn 
door geworpen kan worden. 

SCHEMELBANK, znw., v. — Bij weveis. De zwaie lat, die 
de zijhlukken van 't getouw met elkaar verbindt. 



— 107 I — 

SCHEMELBNyW., o. — Hetzelfde als Schemeren. D.B.*t Schemel- 
den allemaal veur mijn oogen. Mijn oogen schemelen, ¥r, mes yeux 
sont éblouis. 

Afl. Geschemel, 

Kil. Schemelen, caligare, 

SCHEMELINQ, znw., v. — Schemering. D. B. Ik had zoo*n 
schcmeling in mijn oogen. 

SCHEP, znw., V. — Werktuig met eene korie haiidhave om te 
scheppen, *En kopere', 'en houte* schep. De winkeliers hebben blekken 
en kopere' scheppen. 

— De schep verschilt van den schepel of de schoep. Z. die ww. 

— Houten schold om melk of koeidrank te scheppen. (K.) 

— Hoeveelheid die men in eenmaal schej)!. 'En schep rijs. 'En 
schep melk. 

— Fig. Glas bier, Fi. chope. Geeft mij nog maar 'en schep. Hij 
drinkt 's Zondags 'en goei schep. 

— *En schep op- of uithebben^ dronken zijn. Ik zag dat hij 'en 
schep uithad. Sus hée* weeral 'en goei schep op. 

SCHEPBERD, znw., o. — Een stuk van het molberd. Z. molberd . 

SCHEPEL, znw., m. — Holle houten schop met ecnen langen 
steel, dienende om aardappelen, granen, enz. om te zetten en op te 
scheppen, H^d. Schau/el, Eng. shovel^ ook Oo(g)8t8Chepel, (N. der K.) 
elders Schoep genaamd. 

SCHEPER, znw,, ni, — Schaapherder, Fr. berger, bij HfTt. en 
G. scheper^ bij AI. scheper en scheiper^ Hgd, Scha/er. De scheper is 
hier veurbijgegaan mè' zijn schapen. Hij kan liegen gelijk 'ne scheper. 

— De brandende u:hèper^ de geest van eencii verd'>emden hei der, 
die, naar het volk gelooft, des nachts al brandende over de heide zweeft, 
tot straf van eenen diefstal en ecnen valscheu eed. 

— Waterlangbeen, een insect dat in de wetenschap Ilydrometra 
lacustrus genaamd woidt. De schepers loopeu met snukkcn eu bij scharen 
over de oppervlakte des waters. 

SCHÈPERSALMANAK, znw., m. — Almanak, welke den 
ongeletterden landman de tijden des jaars door teekenen aanduidt, Fr. 
almanach der bergers. Hfft. 

SCHÈPERSGELD, znw., o. — Een wal rkmid, inde weten- 
schap Raniincultis aquatalis L. 

SCHEPERSHOND, znw., m. — Herdershond, Fr. chien de 
berger, 

SCHÈPERSSCHUP, znw., v. — Herdersstaf, Fr. houlette. T., 
R., Kl.-Br. 



— 1072 — 

SCHEPPER, znw., m. — Klein ijzeren ▼oertuig op twee wieltjes 
om vrachten te vervoeren op kleine afstanden, b. v. op schepen. (A.) 

SCHEPZAK, znw., m. — Schepnet, Fr. irubU. T., Kl.-Br. 

SCHEREN, w., b. — Fr. tondre^ raser, Z. Wrdb. 

— Spr. Veiil geschreeuw en weinig wol, zee den duvel, en Ay 
schoor e verken, 

— Die e verken met 't kapmes scheert^ ^^(^g op geen haar tten, 
z. HAAR. 

— Geenen ou{d)en top scheren, niet lang leven, niet oud worden. 
D. B. Hij zal ook al geenen ouwen top scheren, want hij drinkt te 
veul borrels. 

— Op e't''ne(n) kam geschoren t^'n, z, KAM. 

— Fig. Bedriegen, te veel doen betalen. In dieë* winkel kunnen 
ze *ne' mens(ch) scheren. 

— Spr. Iemand scheren zonder zeep^ hem op eene listige w^ze 
bedriegen. 

— Geschoren zyn me{t) iemand of me{t) iet^ er mede bedrogen, 
gefopt zijn. Die mee* *en modepop trouw', ^> veur heel ze* léven geschoren. 
Ik ben nie* weinig geschoren met *i pèèrd da* *k gekocht heb. Ze is 
geschoren mè* 'ne* zatlap van *ne* vent. 

— Werpen, smijten. Scheert die bullen op de straat. As ek in oc* 
plaats was, ik scheerden *em aun de deur. 

— Bij wevers. Het garen van de klossen op den scheermeulen winden 
en zoodoende de schering gereed maken. 

— Bij mutsen plooisters. Z, PINNEN. 

— De{n) zot ff het zot met iemand scheren, z. ZOT. 

— O, Stcil. afsteken, in *t oog springen, sprek. vooral van kleederen 
(Z. der K.) tic ineugt da' kleed nie* meer aandoen, *t scheert te hard. 
Ze draagt altijd kleeren die fel scheren. 

SCHÈRESLIEP, znw., m. — Schaarslgper, Fr. gagne-petit» 

T., R., B, 

Schèresliep, 

Hadde gekomen, als ik u riep, 

Ge hadt *nen boterham gekregen 

£n nu niet ! 

{Kinder r^'mpf e.) 

SCHERFZEISEN (uitspr. schdrr^fzeissn), «nw., v. — Soort van 
zeisen, waarmede men het Mroo voor de peerden klein snijdt. (K.) 

SCHERLINGS, SCHERRELINGS, SCHARLINQ8,bw.— 
Schrijlings, Fr. <J califourchon^ d chevauchon. * De heksen t, zoo vertelt 
hel volk, rij(d)en scherlings op 'nen bessemsteel deur de locht. Scherrelings 
te pèèrd zitten. 

Zij kropen schar lings op elkaar 
£11 hinkten achtereen. 

(Th. van Ryswyck, Eppenstein.) 
Kil. Scherdelinck, divaritacus et distent is pedibus. 



— I073 - 

SCHERM znw,, m, en niet o. — Ft. paravent, ^cran,eDz, Z. Wrdb. 

SCHERMEN, w,, o. — Fig. Geweldig met iets bekommerd zijn, 
er misbaar over maken. Wordt gebruikt met over. Ge moet daar zoo 
nie* over schermen. Dat em nog in z*n nief huis nie' kan trekken, 
daar kan em geweldig over schermen. 

SCHERMINKEL, SCHRAMINKEL, znw., o. — Oud en 
mager wijf ken, *En oud scherminkel. Wa' schraminkel is da*? 

SCHERP (uilspr. schdrr^p), bvw. — Z. Wrdb. 

— Verg. Zoo scherp als e mes, als \'n vltm, als e schaars^ als 
'en naald. 

— Glad. T. Scherp ijs. E scherp baantje. 

— Grof, sprek. van zand. Scherp zand. Da' zand is zoo scherp. 

— Scherp zetten, ten ^s beslaan, sprek. van peerden. R. Ik heb 
me* pèèrd laten scherp zetten. 

— Scherp staan, ten ijs beslagen zijn. Staat uw peerd scherp? 
De steenweg is gelattig. 

— Scherp staan, grooten honger hebben. Brengt me maar gauw 
wat eten, want ik staan scherp. 

— Bw, Nauwelijks, nauw. HfR., T, 't Weegt *ne* kilo, maar scherp, 
Hl Zal scherp toekomen mè' me' geld. 

— Znw., o. Het scherp hebben, wordt gezeid van hoombeesten die 
bij 't grazen iets scherps hebben ingez wolgen. (K.) Die koei zal 'et scherp 
hebben. 

SCHERPELEUS, bvw. — Verbastering van Schrupulens, Fr, 
scrupuleux. 

SCHERPEN, w., b. — Een peerd scherpen^ scherp zetten, Fr. 
f er r er un cheval a glacé, 

SCHERPNAGEL, znw., m. — Nagel met scherpen kop, die in 
de hoefijzers geslagen wordt, opdat het peerd niet zou uitschuiven op 
het ijs en de sneeuw. D. B. 

SCHERRELEN, w., o. — Schrijden, de becnen wijd uiteen- 
zetten, Fr. écarquiller, e'carter les jambes, D. B. Kunde gq over die 
gracht scherrelen ? Het volk vertelt van Langen Wapper, dat hij over 
de hoogste gebouwen kost scherrelen. 

SCHERRELINGS, bw. — Z. scherlings. 

SCHERVEN (uitspr. schdrr^?n\ w„ b. — Stroo klein snijden 
voor de peerden. (K.) Stroo scherven. Gescherfd stroo. Zie D. B. 
Kil. Scherven, concidere minutatim, 

SCHETKONT, znw., v. — Z. schijtkont. 

SCHETS, znw., v. — Schaats, schaverdijn, Fr. patin. £ paar 
schetsen. Op schetsen rijden. 



Idioticon* ^ 



— I074 - 

SCHETS (uitspr. schdts)^ znw., v. — Schimpscheut, Fr. trait de 
satire, sarcasme. Dat cm daar zee, was *en schets op mij. Ik heb in 
dieën boek 'en schets gelezen op de mode. Die gazet staat altijd vol 
schetsen. 

SCHETSEN (uitspr. schdtS9n)^ w., o. — Bedektelijk schimpen, 
schimpscheuten geven, spotten. Hij schetst altijd op iedereen. Da' 
gazetteken schetst altijd op de grooten. Pater Poirters schetste geren 
op de mode. 

Kil. Schertsen, ItuUre. 

SCHETTER, znw., m. — Geschetter. Maakt zoo 'ne' schetter nie'. 

SCHETTER, znw., v. — Vrouw die schettert. *En schetter van e 
wijf. 

SCHETTEREN (Kemp, schdthr^n)^ w., o. — Met eene schette- 
rende slem spreken, schetterend schreeuwen. Hoort da* vrouwvolk is 
schetteren. Die binnen doen wat af van schetteren. 

— Met gedruisch zich verspreiden, Eng. to scatter^ meest gebruikt 
in de sam. uiteenschetteren. 

Kil. Schetteren, diffundere^ spargere^ düpergere cum sonitu, 

SCH ETTERKONT, znw., v. — Vrouw die op schetterenden toon 
spreekt. 

SCHEUREN, w., b. — Bij landb. 'En wei, 'nen beemd ^ 'ne{n) 
klaver groes scheuren^ omploegen om te bezaaien. D. B., M. 

SCHEUT, znw., m, — Hetzelfde als het Holl. Schot, Fr. coup» 
De scheut van e geweer, van e pistool. Hij kreeg 'ne* scheut in volle 
borst. Alle scheuten zijn geen roozen. Z. roos. 

— Bij 'i marmelspel. De daad van eens te schieten. Dat is 'ne 
schoone scheut. 

— Scheut geven^ zoo zijnen marmel schieten, dat hij die daarna 
schieten moet, gemakkelijk den marmel van zijnen voorganger raken kan. 

— Tocht. T. In de* scheut van de* wind staan. 

— Een weinig vocht, geut. Ik heb geren 'ne* scheut azijn in de saus. 
Hij goot 'ne* scheut jenevel in ze' glas water. 

— Groote borrel. Geeft mij nog 'ne' scheut. 

— Pijnlijke trek. B. Ik krijg soms scheuten in mijn tanden. 

— Opbrengst van granen (K.) T., R., bij D. B. beschot, Groote of 
kleine scheut van terf, koren, haver, enz. 

— Grooten of kleine^n) scheut geven^ of groot of klein van scheut 
zijn^ veel of weinig graan voortbrengen. Den oost is klein van scheut, 
dees jaar. De haver héc* verle(d)en jaar goeie' scheut gegeven. Z. SCHIETEN. 

— Scheut geven^ z. katoen geven. 

— Op scheut gaan, op zwier gaan, Fr. riboter. T., R. Hij heet 
de heel week op scheut geweest. 

SCHEUTIG, bvw. — Scheutig zyn op iet^ sterk belust. T., R. 
Ik ben er nie' scheutig op, om nu nog alleen deur den donkere te loopeo. 

— De Wrdb. vertalen het door prêt^ prompt. 



- »075 - 

SCHI BLOOS, bvw. — Bang, schuw, vervaard, meest gezeid van 
peerdeo. (K.) E schieloos pèèrd. Ze* pèèrd wier* schieloos en *t ging op 
de loop. 

— Bij Kil. heeft het w. den zin van Onvoorzichtig, niet vooruil- 
ziende, roekeloos. 

SCHIETEN, w.. b. en o. — Z. Wrdb. 

— Term in het marmelspel. Den marbol tusschen duim en wijs- 
vinger honden en hem met een enkel geweld van den duim voortjagen, 
ook Knipsen. Frans hée' geschoten, gij moet schieten. Hg schoot zgne' 
marbol vlak in de o. 

— *Met laaien schieten^ wordt volgens Sch. te Antw. gebruikt voor 
< liegen. > We hebben die uitdrukking nimmer gehoord. 

— Meetje schieten^ z. ME£T. 

— Schreefken schieten^ z. SCHREEF. 

— Paapken schieten^ z. PAAPKEN. 

— In zijnen haak schieten^ z. HAAK. 

— In zyn krammen schieten, z. KRAM. 

^- Richt schieten met iemand^ g^f^ reeën met iemand kunnen 
schieten, z. richt en ree. 

— Er eenen laten schieten, eenen vloek uitwerpen. 

— Opbrengen, sprek. van granen. T., R, Zie scheut. *El koren 
schiet goed, dees jaar. As de haver zoo goe* schiet as op ander jaren, 
dan zal ek *ne* goeien oost hemmen. 

— Kiemen, Fr. germer, T,, R. Als 'et wa* veul régent, dan zal 
'et koren in de aren schieten. Ik dabden is in de' grond, en *k zag 
dat *et graan geschoten was. 

— *Nen lap in een kleedingstuk schieten^ er in naaien. Ik moet 
nog *ne* lap in dat hemd schieten. 

— Mei de schup aarde werpen. T., R. Schiet wal èèrd over *t koren. 
Eèrd schieten over e stuk grond. 

— Z^n koUur schieten^ zijne kleur Verliezen, afgaan. D. B. Die 
stof schiet gemakkei ijk heur koleur. Blauw bchangselpapier schiet zijn koleur. 

— Rood worden van schaamte of gramschap. D. B. Hij schoot z*n 
koleur as ik *em da* vertelde. 

SCHIETER, znw., m. — Boekworm, boek schor pioen, een diertje 
met zilverachtigen schijn, dat men in oude boeken en papieren aantreft, 
Fr, gerce. Lat, Lepisma saccharina, D. B., bij B. schieter tje. Die boeken 
zitten vol schieters. De schieters hebben die papieren kapot gebeten. 

— Het w. staat in Sleeckx en van de Velde, maar is misselijk 
vertaald door mite. Het w. lépisme wordt er overgezet door schubben- 
springsteert. 

Kil. Schieter, blatta, tinea. 

SCHIETER, znw., m. — Bij slotm. IJzeren tong van een slot, 
die door den sleutel in- en uitgeschoven wordt, Yr.pène^ bij Kram. 
scheut en schoot en bij D. B. schof genaamd. 

— Bij smeden. Z. at^kersleutel. 

— Ruggen ichieter^ z. ruggeschieter. 



— 1076 — 

SCHIETGEBED, znw.. o. — Kort gebed, biddende verzuchting. 
Fr. pt u're jtuul'itoire, E ^chictijcbed lezen. Op dat doodsbëleken staan 
schoon j»chici^':btt:ken^. 

SCHIETGRUUN, znw., o. — Raaploof dat laat in 't jaar gezaaid 
wordt, dat overwintert op den akker om, zonder rapen voortgebracht 
te hebben, tot voeder te dienen aan het vee. (K.) 

SCHIETINQ, znw., v. — Wedstrijd, waarbij men 'tzij naar de 
wip, *t zij naar de doelen schiet. Naar de schieting gaan. 't Is morgen 
schieting op d- wij». Z. prijsschieting. 

SCHIETKÓRP (uilspr. schntkörr-*/), znw., m. — Langwerpige 
korf met een houten hengsel, waar de landbouwer het zaaigraan in heeft, 
als hij zaait. 

SCHIETLAP, znw., m. — Lederen lap dien men om den linker- 
arm bindt, als men met den handboog schiet. D. B., R. 

— Meest in *t vrklw. schietlapken. Verzameling van drie, vier of 
vijf lederen lapjes, die boven elkander genaaid zijn en waaraan een 
lederen bandje vastgemaakt is. Het scbietlapken doet dienst bij het schieten 
met marbollen. Hel beveiligt hel bovendeel der hand, onder andere 
de kneukcls, wanneer men de hand tegen den grond houdt onder 't schieten. 
Het lederen bandje is langs de binnenzijde der hand. Men maakt de 
schietlapkens van enkel ronde schijfjes ofwel van lederen lapjes, uitgebekt 
in den vorm van sterren ; in dal geval gebruikt men leder van verschillende 
kleuren : zwart, rood, geel, enz. De ledertjes worden op elkander genaaid 
in *t midden ; soms naait men er een plat knopje op. 

— Spr. Het in zt/ne{n) schietlap krijgen^ gram, gestoord worden. (A.) 

— Kil. Schiet-lap, brachiaU jaailatorium, 

SCHIETPLOEG, znw., v. — Bij landb. Soort van ploeg om 
de aarde uil de voren over ile gewenten te schieten, ook Korenploeg 
genaamd. 

SCHIETSCHUP, znw., v. — Bij landb. Spade of schup, schuinsch 
van onder, dienende om de aarde uit de voren over de bezaaide gewenten 
te schieten, ook Korenschup gehceten. 

SCHIJF, znw., V. — Bij blokmakers. Stuk afgezaagd hout, ter 
lengte van de blokken die men wil maken. 

— Mijt of stapel halfhout. (K.) 'Ilu schijf halfhout. Ook Schrank 
en Klamp. 

SCHIJN, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Gep. w. Schijn noch gedacht ^ volstrekt niets. K. Gij vertelt 
iet, daar schijn of gedacht van is. Daar is schijn of gedacht van, dat 
em ga* vertrekken. 

— Glans, Fr. lustre, E kleed mè* 'ne' grune* schijn. Sommige insecten 
hebben *nc* goudachlige* schijn. 

— Schaduw, schaduwbeeld, Fr. ovibre. Ik zag zijne* schijn op de* 
muur. Ik meinden iet te zien in 't licht van de maan, en 't was de 
schijn van 'nen bremstruik. 



— I077 — 

SCHIJN, znw., o. — Naam van twee rivieren. Het Groot Schijn 
neemt zijnen oorsprong in de heiden van Westmalle, loopt nevens Schilde 
en Wijneghem, ontvangt het Klein Schijn tusschcn Deume en Merxem 
en loopt in de Schelde. 

— Het Klein Schijn neemt zijnen oorsprong nabij St-Job-in-*t Goor, 
bespeelt *s-Gravenwezel en Wijneghem en vloeit in het Groot Schijn 
tusschen Deume en Wijneghem. 

SCHIJNHEILIGAARD, znw., m. — Schijnheilige persoon. 

SCHIJNTJE, znw., o. — Soort van houten kuipje zonder bodem, 
waarover ccii doekje gespreid wordt, dat op den boden zakt en waarin 
de zoetemelkschc plattckaas gelegd wordt. (A.) 

SCHIJNTJESKÈÈS, znw., m. — Zoetemelkschc plattekaas. (A.) 

SCHIJNTJESZIJ, znw., m. — Glanzende zijde. (A.) Zij draagt 
e kleed van schijntjeszij. 

SCHIJT, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Spr. In de(n) schijt zitten^ in nesten, in nood zitten, fel met 
iets bekommerd zijn. M., T., R. Morgen vervalt er 'ne wissel en hij kan 
*em niet betalen ; hij zit er geweldig mee in de* schijt. Te Antw. hoort 
men veel in 7 schyt zitten. 

— Van iet de(n) schijt geven ^ er den brui, den bras van geven, 
Fr. seficher de, T., R, Ik geef wel de* schijt van hem. Hij geeft de' schijt 
van te betalen. 

— O. Afgang, Fr. foire^ diarrhêe, gezeid van dieren, en spottend 
van menschen. T. *Et schijt hebben. 

— Het schijt krijgen^ fig. bang worden. 

'- — Me{t) schijt zitten^ schijt hebben^ in bange verwachting zijn, 
schrik hebben. 

SCHIJT, znw., V. — Vreesachtige vrouw. Die Mie is maar *en schijt. 

SCHIJTEN, w., o. — Z. Wrdb. 

— Veig. Schijten gelyk 'nen reiger, geweldigen afgang hebben. 

— Si)r. 0/> iemand of o/> iet schijten^ er zich niet om bekreunen, 
er den brui van geven, Fr. s*en Jicher, 

— Op zijne(n) kop laten schijtett, zich laten overrompelen, zich niet 
durven verweren uit goedheid. Ik zou me toch op mijne' kop nie' 
laten schijten. 

— Iemand schijten dragen, kwaadspreken van iemand. Ze hebben 
nie* weinig schijten gedragen van hem. 

— Deur éé{n) gat schijten, van ééne mecning zijn, goed overeen- 
komen. Die twee mannen schijten deur éè(n) gat. 

— Het schijt uren, de tijd vervliegt zoo rap. 

— Den duvel schijt bij de(n) groeten hoop, z. DUVEL. 

— Gescheten hebben, ergens niet meer welkom z^n, er niet meer 
aangetrokken worden. Vruger was em gehouwen en geslagen bij L., 
maar nu héct em gescheten. 

— Sch^'t in de ass{ch)e is een term van afkeuring, Fr. allez-vous en. 
Men zegt ook eenvoudig schfft. Ik doen da^ nie' veur u, sch^t g^. 



— I078 — 

— In iemands rapen (of boonen) gescheten hebben^ z. RAAP. 

— Hooger schijten alsdat zijn gat is, z, GAT. 

— l'an 'nen ezel over 'en half deur gescheten zijn^ z. EZEL. 

— V Is gescheten en meegedragen, zegt men, wanneer iemand iets 
doet dat niet helpen kan. Gij wilt daar nu naartoe gaan, maar 't is 
gescheten en meegedragen, want ge zult 'em toch nie' thuis vinden. 

— Dat U schijt / 't is mij onverschillig, ik geef er niet om. Ik 
zal misschien gestraft wörren as ik te laat kom, maar dat 't schijt ! Ze 
willen nie' meer in mijn huis komen, maar da' ze schijten ! 

SCHIJTER, znw., m. — Lafie, nietsweerdige mensch. 'Ne schijter 
van 'ue* vent. 'i Is maar 'ne schijter. 

-— Bange schijter, z. bangschijteb. 

— Hooveerdigaard. 'Nen hooveerdigc schijter. 

SCHIJTKONT (uitspr. schetkont), znw., v. — Verwaande vrouw, 
pronkziek meisje. 

— (Uitspr. schytkonl). Vreesachtige vrouw. T. 

SCHIJVESPEL, znw., o. — Een spel waarin men met ijzeren 
schijven naar een doel werpt. 

SCHIK, znw., m. — Z. VVrdb. 

— Ui de, de daad van iets te schikken, behoorlijk te regelen. D. B. 
Dieë mensch hec' ne' goeie* schik. Gij hèt geene' schik. 

— Geene{ji) schik hebben^ niet voegen, niet passen. Uw kleed hee* 
geene' schik. 

— Rijmspreuk : 

Kort en dik 
Hee(ft) geene(n) schik, 
Maar lank en smal 
Da(t) ga(at) nogal. 

SCHIKKELIJK, bvw. — Tamelijk. M., Hfft. 't Weer is nogal 
schikkelijk. 't Ga' nogal schikkelijk met de' zieke. 

SCHIKKEN, w., b. — Achten, tellen. Hflft. Hij schikt alles 
nogal locht. 

— Meenen, van plan, voornemens zijn. Hfft.,D. B. Ik schik van morgen 
en acht dagen te vertrekken. Wanneer schikte (schikt gij) te beginnen ? 

— Zenden, Hgd. schicken. Iemand 'nen brief schikken. 

SCHIL, znw., o. — Uitspraak van Schilde, een dorp in 't kanton 
Zandhoven. 

SCHILD, znw., v. en niet o. — Fr. bouclier^ éctisson. 

— Plaat die men aan ecne flambeeuw hangt. 

— Uur- of wijzerplaat eener horlogie, Fr, cadran, T. 

— Eeue schild lijm is een blad lijm. 

SCHILDEREER, znw., m. — Schilder, Fr. peintre. (K.) 



— 1079 — 

SCHILDEREN, w., o. en b. — Z. Wrdb. 

— Verg. Schilderen gelijk Rubens. 

SCHILDERSKAM, znw., m. — Lederen kam, dienende om 
houtdraad, vooral eik, na te bootsen. 

SCHILDWACHT j znw., m. — Menscbendrek. M. Trapt in die5* 
schildwacht nie'. 

SCHILFER, znw., m. en niet v. — Z. Wrdb. J. 

SCHILLEN, schol en schou^ gescholUn^ geschoutn ^n geschillen ^ 
w., o, — Verschillen, Fr. diff/rer, D. B., R., Hfft. (Ook in Brab., z. Sch.) 
Die twee kinderen schillen bekanst e jaar. Het schol weinig, of hij viel 
in 't water, 't Hée' weinig geschoUeo, of hij was dood. Dat hij nog 
'ne' frang of twee meer rekende, maar 't schilt te veul. Mijn horlogie 
en de kerkeklok schillen ontrent vijf minuten. Die jongen is wa' wild, 
maar 't zal schillen, as i naar 't school gaat. 

— Als onpers. ww, is schillen dikwijls vergezeld van hem, 't Schou 
'em geen haar, of hij viel van den trap. Hij is wel geenen dief, maar 
't schilt 'em toch nie' veul. 

— Schelen, aangaan. D. B., R., Hflft. 't Kan me weinig schillen 
of hij vertrekt of niet. Dat ek win of verlier, wa' schilt u da' ? 

^ Schorlen, haperen, Fr. manquer. Ik weet nie' waar 'et aan schilt, 
dat hij nie' en schrijft. Ge ziet er zoo bleek uit, wa' schilt oc? Daar 
schilt iet aan die horlogie, want ze blijft nie' in gank. 

— Afhangen, liegen aan, Fr. tenir a, de'pendre de, D. B. 't Heet 
aan u geschollen, dat de zaak nie' in orde was. 't Schol maar één stem, 
of hij was gekozen. Aan wie schou 'et, dat de zaak nie' voortging ? 

Kil. Schillen, differre, discrepare^ distare, 

— Voor schillen^ de pel afdoen, zeggen wij schellen, 

SCHIMMEL, SCHUMMEL, znw., m. en niet o. — Fr. moiiis- 
sur e, T., R. 

SCHINKEN, w., b. — Schenken, Fr. verser, D. B.. Hfft. (Ook 
in Brab., z. Sch.) 

SCHIP, znw., o. — Fig. Wolk, waaruit men eene felle regenbui 
of hagelvlaag verwacht, bij D. B. appelscheep. Komt er zulke wolk aan- 
gedreven, dan zegt men: ze zijn weer e schip aan 't la(d)en, of daar 
komt weer e schip af. 

— Onze voorouders geloofden dat de nevels, de hagel, de kwade 
wolken, een schip uitmaakten, dat de tooveraars of wedermakers konden 
doen verschijnen, tot groote schade van den oogst, die hunne prooi 
werd. De bisschop Agobcrd, die onder de regeering van Lodewijk den 
Croedigc leefde, verhief krachtdadig de stem tegen de krankzinnigheid 
(dementia) en zinneloosheid (stuUitia) van degenen die geloof hechtten 
aan dergelijke dingen, die overigens reeds in 't algemeen veroordeeld 
waren door de Kapitulariën van Karel den Groote. Onze uitdrukkingen 
te zijn weer een schip aan '/ laden of er komt weer een schip af^ 
zouden wel in verband kunnen staan met de vroegere voorstellingen en 
begrippen. 



-^ io8o — 

SCHIPPEKEMSKERMIS, ^nw.,o. — Kermis die te Lier wordt 
ge vier J, aan de Molpoort en de Werft. 

^SCHIRPEN, w., o. — Z. sjiRPEN. Sch. geeft dit w. 

SCHIT, znw., V. — Hoopje kocdrek. (K.) De wei lag vol schitten. 
Hij trapten in *en schit. 

Kil. Schilte (Holl,, Fris., Fland.), stercus bovinum sive bovillum, 
fimus vaccinus quo ficcato cespt'tum loco in focis passim utuntur. 
Ook in liet Angels, is scitta drek. 

SCHOB, znw„ v. — Z. schop. 

♦SCHOB, 'SCHOP, znw. (gesl. ?). — « Weerwolf, spook, enz., 
Fr. loup-gatou. Dier dal, zoo men zegt, de gewoonte heeft voor de 
menschen op den weg te springen, om hun het doorgaan te beletten. > 

Sch. geeft dit w. voor de omstreken van Antw. 

SCHOBBEJAK, Antw. ook 8CHOBEJAK, znw., m. — Korte 
kiel van blauw lijnwaad, dien de arbeiders welke vuil werk verrichten, 
over hunne kleederen dragen. 

SCHOBBEKE(N, znw., o. — Draije. (K.) Op e schobbeke loopen. 
E schobbcken doen. Hij loopt altijd op e schobbeken. 

SCHOBBEN, w., o., met hebben en zijn, — Gaan, loopen, met 
eenen bijzin van gedwongenheid. (K.) As er ie vers te gaan valt, ben 
ik het toch die schobben moet. Ik heb dees week drij keerennaar Antwerpen 
geschobd. Waar mag hij nu weer naartoe geschobd zijn ? 

— Ook Op een drafje loopen. (K.) Liep ze hard ? Nee*, ze schobde 
stiUekens. 

— Gep. w. Loopen en schobben, 

— Afl. Schobber^ geschob, 

SCHOBBER, znw., m. — Een borrel voor de helft Anisette eo 
voor de helft Franschen. (A.) Gencvel is te straf, geeft me nuuu- 'ne* 
schobber. 

^SCHOBBERDEBOK, znw., m. — Op schobberdebok gaan oi 
loopen is bij Sch. hetzelfde ais bij ons Op schaaf loopen, op de' schoëfel 
loopen. 

Hij kent die uitdrukking toe aan Antw. 

8CHOBEJAK, znw., m. — Z. schobbejak. 

SCHODDELEN» w., o. — Schommelen, het lichaam heen en 
weer bewegen, om door de wrijving der kleederen eenig jeuksel te ver- 
drijven. (O. der K.) (Ook in Limb., z. Sch.) Hoe stade daar te schoddelelen ? 
Hij schoddelt, ofdat i ongediert aan ze' lijf had. 

— Afl. Schoddelèèr^ geschoddeL 

*SCHODDER, znw., (gesl. ?). — € Vischeieren. ^ 

^SCHODDEREN, w.. o. — € Leggen der eieren bij de visschen.> 
Sch. geeft beide w. voor Antw, en Kl.-Br. 



— io8i — 

SCHODDERBN, w., o. — Rap gaan, schuddend loopeo. B. 
Ziet 'em schcddereo ! Waar schoddert ze nu weer naartoe ? 

— Bij T. bet. het Schudden. 
Afl. Schodderèèr^ geschodder. 

SCHOBBEN, w., o. — Hard werken. (N.-W. der K.) 't Is 'ne 
goeie post van eien en drinken, maar daar valt te schoében. 

SCHOBBBR, znw., m. — Schobbejak, schurk, schavuit, ¥x,coqutn, 
Duë leelijke schoëber ! Hij is maar 'ne schoêber. 

SCHOEP, znw., m. — Op de{n) schoef loopen^ hetzelfde als Op 
den schoëfel loopen. Z. ald. (Z. der K.) D. B. 

SCHOBPEL, znw., v. en m. — Tafelschuimer, Fr. parasite, Dieë 
schoëfel loopt overal rond om aan 't eten te geraken, 

— Begeerlijke mensch, gulzigaard of begeerlijke vrouw. Die schoëfel 
hee' nooit nie' genoeg. Z^n vrouw is 'en eerste schoëfel. 

SCHOËFEL, znw., m. — Op dé(^n) schdifel gaan oiloopen, zich 
als een tafelschuimer aanstellen, rondloopen om ergens aan 't eten te 
geraken, in 't N. der Kemp. Op schaaf loopen en bij Sch. op schoböer- 
debok loopen. Hij loopt overal op de* schoëfel. 

SCHOËFEL, znw., v. — HeUelfde als Schoffel, Fr. sarcloir. Met 
de schoëfel schoëfelt men de hofpaden af. 

SCHOEFELACHTIG. bvw. — Gulzig, begeerlijk. Ik kan nie' 
verstaan hoedat iemand zóó schoefelachtig kan zijn. 't Sta' leelijk van 
zoo schoefelachtig te zijn. 

8CHOBPBLÈÈR, znw., m. — Tafelschuimer; begeerlijke mensch* 
D. B. Ik kan geen schoéfelèèrs verdragen. Sus is maar 'ne schoefelèèr, hij 
hée* nooit nie' genoeg, 

8CHOBFBLBN, w., b. en o. — Op andermans kosten teren, 
op den schoëfel loopen, Fr. écorniJUr bij Kram. schuifelen, \^.^. Hij 
loopt overal rond, om te zien ofdat hij nieverans niks schoëfelen kan. Hij 
loopt en hij schoëfelt overal. 

^ Gulzig eten, opslokken, overmatig eten en drinken, bijzonder als 
't een ander betaalt. Ziet dieë' gulzigaard is schoëfelen ! H ij kan goe' 
schoëfelen. Ze ga' zien ofdat er niks te schoëfelen is. 

— Afl. Geschoifel, 

SCHOËFELEN, w., b. en o. — Hetzelfde als Schoffelen, met 
de schofiel werken, Fr. sarcler, 

SCHOBFELING, znw., v. — Duchtige berisping. T, Iemand 'en 
schoëfeling geven. Hij kreeg 'en goei schoëfel ing. 

8CHOEFT, znw., v. — Schoft, hooge schouder. Dieë jongen 
heet 'en leelijke schoëft. 

SCHOELJE, znw.,m. en v. — Schoelje, gemeene kerel, Fr. vaurien^ 
mauvais sujet. 



— io82 — 

SCHOBLIE, znw., v. -^ Ovenpaal, platte houten schop, waarmede 
men het brood io den oven schiet, Fr. pelU a four (N. der K.) (Ook 
in Brab., z. Sch.) 

SCHOBM. znw., v. — Z. schom. 

SCHOBMAKBR, znw., m. — Kemp. uitspraak van Schoenmaker. 

SCHOEN, ZQW., m. — Fr, souUer, 

— Spr. Recht in zt/n schoenen gaan^ z. RECHT. 

— / ' tü in zijn schoenen staan, zeker van zijn stuk zgn. Hij moet 
vast in zijn schoenen staan, anders dierf em zoo iet niet doen. 

— LooJ in zijn schoenen hebben^ traag, met loome stappen aankomen. 

— In ie min is schoenen niet willen staan, zijn voeten in iemands 
schoenen niet willen zetten^ \w zijne plaats niet willen zijn. 

— Weten wair de schoen tloiiwt (of nijpt), de oorzaak kennen 
van hetgeen ons Kt l doet. D. B. 

— Iemands schoenen vegen, z. VEGEN. 

— Ge zoudt het in uw schoenen niet willen, het is niets weerd. T. 

— Bij timinerl. Het u:iJerste buiten ieel (meest in hard hout) van 
den aanslag van een veusterraam, enz. Ook Sloêf, 

— Bij mulders. Z. g&aanblok. 

SCHOENKLOON, znw., m . — Lederen schoeisel met houten zool. 

SCHOENLAP, znw., m. — Soort van slechte, taaie deegwafeL 

SCHOENLAPPER, znw., m. — Men geeft dien naam aan onder- 
scheidene vlinders met zwarte plekken, zooals de Vanessa polychloros 
L., de V, urtica L. en de V. atalanta L. 

SCHOEN MAKERKB(N, znw., o. — Z. kattinneken. 

SCHOBNMAKBRSKONVOOI, SCHOENMAKERSVA- 
PEURKB(N, znw,, o, — Spr. Met 't schoenmakerskonvooi oi *t schoen- 
tnakersvapeurken vertrekken, schertsend voor Te voet gaan. Hoe zgde 
gekomen? Met 'l schoenmakersvapeurken. Den trein is weg, daar zit 
dan niks anders op as met 't schoeumakerskonvooi te vertrekken. 

SCHOBNPEGGER, znw., m. — Smaadnaam voorecnen Schoen- 
lapper. Z. PEGGER. 

SCHOENTJE-LAP, znw., o. — Een jongensspel dat volgen der 
wijze gespeeld wordt. De sp)elers zitten in eene ronde op den grond en 
geven elkander onder de beenea eencn schoen of eenen holleblok rond, 
onder het herhaald opzeggen van : « schoentje, schoentje-lap, lap, lap. > 
Een staat in h.'t midden vaa den kriu;; en moet trachten te ontdekken 
onder wiens beenen de schoen of de holleblok is. Vindt hij hem, dan 
is deze die den schoen verborgen hield, er aan en moet op zijne beurt 
in den kring. 

SCHOENTREKKBR, znw., m. — Schoenhoorn, aantrekker, 
Fr. ckausse-pieds, K. (Ook in VI., z, Sch.) 



— io83 — 

SCHOEP, zQW., V. — Holle houten schop, voorzien van eenen 
langen steel, en dienende om granen en aardappelen om te zetten en op 
te scheppen, ia 't N. der Kemp. Schepel genaamd. 

— De schoep verschilt i' van de schep dat eene kleine schop is 
met of zonder handhave, waarmede de winkeliers hunne waren scheppen ; 
2* van de schupy waardoor men eene Spade, Fr. béche verstaat en die 
dient om te spitten; 3* van de tro^fel^ dat eene groote, platte, ijzeren 
schop is met langen steel en dient om aarde, steengruis, kolen, enz. 
op te scheppen. 

— Zooveel als men ineens in eene schoep, op eene schup, op een 
forket, enz., kan scheppen, Fr, peilde, pelleUe^ pclierée. Een of twee 
schoepen koren. Met twee, drij schoepen van die kooien heb ik al genoeg. 

Kil. Schoepe, koren-schoepe, ru tel/u m, 

SCHOEPEN, w-, b. — Scheppen met eene schoep. G raanin zakken 
schoepen. Uit dieë' zak moet wa' koren geschoept wörren. 

— Iemand schoepen^ hem eenen schop geven, wegjagen. Ik zal dieS' 
schoepen, as em nog derft komen ! 

8CHOEREN, w., b. en o. — Schuren. (Z.-O. der K.) De vloer 
was geschoerd. Koper schoercn. 

♦SCHOEVER, znw., m. — € Schobbert. » 
Sch. geeft dit w. voor de Kemp. 

SCHOP, znw., o., zonder meervoudsuitgang. — Hetzelfde als Schoft, 
V,, in de Wrdb., het vierde van eenen werkdag, ¥x. quart de fournée. 
Ik heb bij hem twee schof gewerkt. £ schof werken. De werkman heet 
drij schof te trekken. 

— E schof doen^ een praatje voeren met iemand. 

SCHOF, znw», o., mrv. schoven, — Voor- en achterberd van eene 
kar of eenen wagen. Zet 'et schof van achter op de' wagen. De schoven 
worden op de kar gezet, als men b. v. aardappelen laadt. 

— De zijberden heeten sponnen. 

— Spr. Iemand zijn schoven opgeven^ hem zijn ontslag doen nemen. 

— Fig. Schertsend voor Halfhemd, overhemd, Fr. chemisette. Hij 
hée' ze' schof meugen aandoen. 

— Het drijven der wolken, het zwerk. D. B. In 't Westen hangt 
e zwart schof. « Er hangt ginder aan den gezichteinder in den wind 
een zwart schof. • (Conscience. Valentyn^ 20.) 

— Schutting of hek van latten, geplaatst aan 't begin van grachten, 
enz. door welke de vijvers afloopen, ten einde het wegzwemmen der 
visschen te beletten. 

SCHOK, znw., m. — Op schok gaan^ op zwier gaan, Fr. riboter. 
Hij is den heden dag op schok. Veul geld gelijkt 'em nie', want hij 
gaat er mee op schok. 

SCHOK, znw., m. — De schok van een slaguurwerk is hetzelfde 
als bij Kram. Voorslag en Klik, Fr. avant-quart, 't Zal seffens vijf 
uren slagen, *k heb de* schok gehoord. 



— 1084 — 

SCHOKÈERBN, w., b. ~ Beleedigcn, kwetsen, Fr. choquer, 
(Jok iu Biab., z. Sch.) Ge meugt nooit geen mens(ch)ea schokèereo. 
Hg schokeert iedereen, 

SCHOKGEWENT, znw., o. — Wanneer een pad of weg over 
een vcid loopt, dwai>> <»ver de gewenten, en de boer het land ploegt, 
dan ploegt hij ook dat pad om, zoodanig dat dit later onpffen ligt. Dat 
is een schokgewent. 

SCHOKKELEN en SJOKKBLEN. w., b. en o. ~ Schokkend 
rijden, h< ^^ebossen, hotsen, spiek, vun eci rijtutg, Hgd. schaukeln^ Eng. 
to jogs;1e^ Fr. cahoter^ bij R. schokkelen. Die kar schokkelt geweldig. 
Wij wieren weg en weer gesjokkcid in de* postwagen. Deur 't geweldig 
schokkelen op den louwen steenweg, vielder e pak van de kar. De 
steenweg schokkelt hier vandeeg (hij doet de voertuigen schokkelen die 
er over rijden), 

— Afl. Geschchkrl^ gesjokkel. 

SCHOKKELKAR, SJOKKELKAR, znw., v. — Kar die onder 
't rijden schok kcli. 

SCHOKKEN, w., o. — Met cenen korten stoot schudden. Ik 
mocsi lachen dat ek schokte. Hij lachte da' zijnen buik schokte. 

— Opschuiven, Fr. recuUr^ faire place. Schokt wa* meer naar 
ginder; ik kan hier nie' zitten. 

— Op schok gaan of geweest zijn. Z. schok. (A.) Ze schokken al 
drij dagen, heel de week zalder aan blijven. 

— Het voorslaan van een uurwerk. Z. schok. Hoe Iaat mag *et 
zijn ? 't Is daar seffens vijf uren geschokt. 

SCHOKKER, znw., m. — Tjalk, zekere soort van schip. (A.) 

— lemaod die op schok gaat, Fr. riboteur. 

SCHOKSCHOU(D)EREN, w., o. — De schouders ophalen, 
Fr. hausser Ls cpauUs» Toeu ik *em bescheed vroeg, schokschouwerden 
em 'ne' keer. « In stilte hield de notaris het oog op den jongeling gericht 
en schokschouderde bijwijlen met eene zonderlinge uitdrukking van mede- 
lijden op het gelaat. (CoNSClENCE, De arme Edelman.) 

— Ook Hok8chou(d)eren, Hukschou(d)eren. Hlkschou;d)eren. 

SCHOKSEL, zuw., o. — Z. schaaksel. 

SCHOL, znw., m. en v« — Gedroogde en gezouten pladijs. 

SCHOL. Tweede hoofdvorm van Schillen. 

SCHOLP (uitspr.jf/«(j//'/»),znw., V. — Schelp. (Z. der K.) Z. SCHELP. 

SCHOM, SCHOBM, znw., v. — Onvruchtbaar, hooggelegen veld. 
(K.) 'Ku kaai (kwade) schoêm. Ik gaan die schom laten vaag liggen, 
want 'k win er toch niks op. 

— M. Slechte, magere, onvruchtbare grond. Daar lee' nog veul schoëm . 
Schom van grond. 

Kil. Schom, Schomme, glabreium^ calvetum, 

SCHOMGROND, SCHOËMQROND, znw., m. — Zandige, 
onvruchtbare grond. 



- io85 - 

8CHOMMBLÈÈR luiispr. scko^mm^/c^êr), znw., m. — Voor- 
schoot dicD de vrouwlieden aaiibioden om het werk in huis en slal te 
verrichten. (Z. der K.) 

SCHOMMELEN (in 't Z. en W. schoemm^hn)^ w., o. — Zich 
schurken, zich wrijven van jeuksel. Hoe stade daar te schommelen ? 
Hij schommelt, ofdat em ongediert aan ze' lijf had. 

— Schoonmaken, reinigen, schuren en schr. bben, Fr. nettoyer, In 
'en huishouwen moet er veul geschuurd en geschommeld wörren. Die 
meid schommelt den heelen dag. 

— Afl. Geschommel, 

SCHOMMELHUIS, znw., o. — Achterplaats van een huis 
waar men het ruwste werk verricht, zooals wasschen, het keukengerief 
reinigen, enz. 

SCHOMMELING, znw., v. — Duchtige bekijving, strenge beris- 
ping. T., R. Hij kreeg daar 'en geweldige schommeling. 

SCHOMMELKOT, znw., o. — Z. schommelhüis. 

SCHOMMELMEID, znw., v. — Meid die het huiswerk verricht, 
zooals schuren en schommelen, vegen en wasschen. Dicën ouwe vent 
dient daar vciir ^chommelmeid. 

SCHOMMELWERK, znw., o. — Het grofste huiswerk. Zij doe' 
nie' as wa' naaien en breien en ze laat 'et schommelwerk aan heur 
zuster over. 

SCHOOD, znw., m., vrklw. schoóken. — Hetzelfde als Schoot, 
Fr. girortj sein, 

— Zooveel als men in zijnen voorschoot dragen kan. Hfït. (Ook 
in Brab., z. Sch.) Ne volle schoot appelen. Ne schood peren. 

— De schood of schoot van eene kar is het gedeelte tusschen de 
berriën, vóór het schof. 

Kil. Schoot, schood, gremuim, fivtis. 

SCHOOF» znw,, ▼. en m. -- Fr. gerbe. 

— Wordt in 't Z. ook gebruikt voor Bussel uilgcdorschen stroo, 
waarvoor men elders schob en bosierd zegt. 

SCHOOFZAK, znw., m. — Knapzak, een zakje van lijnwaad 
of eene andere stof, waar de werklieden hunne boterhamnu .\ in dragen. (A ) 

SCHOOK£(N, znw., o. — Bij schrijnw. Lijntje dat vastgenin.ikt 
is onder de vensterbank van een vensterkozijn, Fr. ciniaise. 

SCHOOLJONG, znw., o., mrv« — Schoolkinderen. 

SCHOOLKAS, znw., v. — Kleine lade waarin de scholieren hunne 
boeken en hun ander schoolgerief in sloten en die zij op de knieën hadden 
liggen, wanneer zij schreven. 

SCHOOLKOSTER, znw., m. — Schoolmeester, onderwijzer, Fr. 
maitre d*ecoU^ instituteur, (K.) Z. KOSTER. 



— io86 — 

SCHOOLWICHTER, zdw., o., rarv. — Schoolkinderen. (Z. O. 
der K.) 

SCHOON, bvw. — Fr. beau. Dat w., hetwelk io de Holl. volkstaal 
zoo goed als onbekend is, wordt bij ons altijd gebezigd, met uitsluiting 
van moot en fraai. 

— Verg. Zoo schoon als *nen engel, als 'en beeld, 

— Fraai gekleed, opgeschikt, wel uitgedost. HfFt. Ge zg' zoo schoon, 
me' kiod. 

— Eerlijk, welvoeglijk, Fr. honnête. D. B. Schoon manieren hebben. 
'Et sta' nie' schoon van zijn eigen te prijzen. Dat is schoon gehandeld 
van u. 

— Zuiver, Fr. propre. Schoo(n) water. E schoon hemd aandoen. 
Da* zaad is nog nie' schoon genoeg. 

— Ge zij{t) *ne schoone, zegt men tot iemand die reden tot klagen 
gegeven heeft. D, B., R. Ge zij* 'ne schoonc van mij zooiank te laten 
wachten. *t Is *ne schoone kerel van zoo *ne* mens(ch) veur den aap 
te houwen, 

— Het schoon hebben, een gem; UI», olijk leven hebben. D. B. Dieë 
knecht heget daar schoon, hij hee* bijkanst nie* te werken. 

— 't Is *ne schoone luiaard, 'ne schoone zatlap, enz., hij is oprecht 
een luiaard, een groote dronkaard, enz. 't Is *ne schoone vals(ch)aard, 
den heele Jan ! *t Is e schoo(n) voddewerk, da' ge daar gemaakt hèt. 
Hij is 'ne schoone leugenèèr. 

— Wordt dikwijls met kunnen gebruikt in den zin van Gemakkelgk, 
Fr. aisément. D. B. Ge kunt daar schoon is naartoe gaan. Hg kan schoon 
liegen. Hij zou schoon kunnen dood zijn van zoo *ne' val. 

— Konu \'oor in uitdrukkingen als de volgende : Hij beloofde mg 
van te komen, maar hij liet me wa' schoon fluiten. Dieê kerel hee' me 
schoon be^lrogen. Ze hemmen oe schoon beetgehad, he, manneken? 
Hij docht dat em van alles zou af geweest hebben, maar hij hee* schoon 
mengen betalen. 

— Wel, behoorlijk, Fr. comme il faut. D. B. Hij is schoon genezen. 
Gij hèt 'em schoon de waarheid gezecd. Hij heget daar schoon afgegeven. 

— Ook in den zin van Geheel en ai, Fr. tout a fait, M. Ik ben 
'et schof I. vergelen. 'Et verken hée' zijnen bak schoon uitgeëten. Dieë 
mens(cb) is schoon versleten. Ik ben schoon aan 't eind van 't danig 
loopen. Hij is er schoon deur geboerd, 

— Schoon spreken, met beleefde woorden smeeken. D. B. Hij moest 
schoon spreken, of ze zetten 'em in 't kot. Had ik nie' schoon gesproken 
veur hem, ze hadden 'em misschien doodgeslagen. 

— Schoon klappen, mooi praten, Fr. cajoler. 't Is *ne fijne, hg kan 
zoo schoon klappen. 

— Schoo(n) iveer spelen met, een schoon leven leiden ten koste 
van een ander. Hij speelt schoon weer mè' mijn centen, € Laat de advokaten 
of de mannen van Brussel maar schoon weer spelen met uw geld. » 
(CONSCIENCE. Het Geluk van rijk te zyn, 26.) 



— 1087 — 

— Hetschoo{n) manneken komen spelen^ zich komen verontschuldigen 
over iets of door vleierij iemands gunst trachten te herwinnen. Hij hée* 
gee' kwaad genoeg kunnen zeggen van mq, en nu komt hij 't schoo(n) 
manneken spelen. 

— Znw., o. E schoon^ eene schoone grap, 't Was e schoon, dat 
ze dieên den geniet ook is kosten foppen. 

— In '/ schoon wasschen, in *t tweede sop wasschen. T. 

— In *t schoon schrijven^ in *t net schrijver.. T. 

SCHOONBKENS, bw. — Vrklw. van Schoon. Hij hée' mij 
schoonekens laten zitten. Dieë winkel is schoooekens aan 't eind, 

SCHOONIGHBID, znw., v. — Schoonheid. D. B. Ik vind daar 
weinig schoon igheid aan. De schoonigheid is er af. 

SCHOONKLAPPER, znw., m. — Iemand die op fleemenden 
toon spreekt, vleier. Wacht oe veur de schoonklappers ! Pas op veur 
dieë' schoonklapper, want hij zal oe bedriegen. 

SCHOONMAKEN, w., b. — Opschikken, versieren, tooien, Fr. 
orner^ par er, Hfft. Wie heet oe zoo schoongemaakt, me* kind ? Als 
een boer verhuist in de Kempen, dan wordt hij met zijne vrouw en 
kinderen overgehaald in eene schoongemaakte huifkar. De huizen en 
wegen schoonmaken. 

Kil. Schoon makeu, lucorure, ornare^ adornare, honesiare. 

— Zuiveren, reinigen, kuischen, sprek. van graan en zaad, dat men 
van kaf en vuiligheid zuivert. D. B. Is 'et zaad al schoongemaakt ? 'Et 
koren schoonmaken met de* winder en de' wan, 

— In de Wrdb. heeft Schoonmaken de beteekenis van 't Fr. nettoyer, 
doch daarvoor zeggen wij Kuischen. 

SCHOOR, znw., v. — Fig. Stamp, schup, Fr. coup-de-pied, (A.) 
Iemand *en schoor onder zijn broek geven. 

SCHOORHOUT, SCHOORSEL, znw., o. — Ieder van de 
houten onder den tas in de schuur. (K.) 

SCHOORS (zachte 0), znw., o. — Brug over eene gracht of beek, 
gewoonlijk van ecnige houten gemaakt, overdekt met mutsaai ds of gras- 
zoden, en waar men met eene kar over lijden kan, (K,) Een schoors 
is dus geen vonder. È schoors leggen, 't Schoors was ingevallen. 

SCHOORSEL. /nw„ o. — Z. schcx)RHOUT. 

SCHOORSTEENBN, w., o. — Een spel met centen. Men werpt 
een geldstuk tegen de zoldering en men wint hel spel, als het geldstuk 
op eene voeg der plaveien blijft liggen. 

SCHOORSTIJL, znw., m. — Bij mulders. De schoorstijlen zijn 
stukken hout die in oveiiioesche richting de hoekstijlen aan de hangsel- 
stijlen verbinden. D. B. 

SCHOOT, znw., m. — Z. schood. 



— io88 — 

SCHOP, SCHOB, zDw., v. — Schoof uitgedorschen graan, bussel 
stroo (N. en Z.-O. der K.), io W. Bosterd genaamd. '£n schop stioo. 
Gooit nog 'en schob stroo veur de deur. 

SCHOP, SCHOB, zQw.,v. — Kleingcbouwken.houtenof leemen 
hok, waar men turf, hout, voeder, enz. in bergt, Hgd. Schoppen^ 
Schuppen. Hflft., G. (Ook in Limb., z. Sch.) 

Kil. Schop, tegumentum, 

* SCHOP, znw. — Z. *scHOB. 

SCHORENBOL, znw., m, — Iemand wiens haar zeer kort 
gesneden is. (A.) 

SCHÖRFT (uitspr. 5chörr»ff)y znw., o. en niet v. — Schurft, 
Fr. gaU. 

— M. Soort van zwarte, ondoordringbare aarde die in veel streken 
van de Kempen onder den bouwgrond zit. De' schörft bovenhalen. As 
ge de' schörfl die in oe' land zit, nie' doe' breken, dan zulde'r nooit 
niks winnen. 

SCHÖRFTACHTIQ, bvw. — Schörft bevattende, sprek. van 
grond. De grond is hier nogal hard schörftachtig. 

SCHÓRFTBANK, znw., v. — Laag schörft in den grond. Daar 
zit in me' land 'en dikke schörftbank die 'k zil moeten bovenhalen. 

SCHÖRFTGROND, znw., m. — Grond die veel schörft bevat 

SCHÖRFTIG, bvw. — Schurftig. 

— Spr. Die niet schor/tig is, moet hem niet krQbben^ die niets 
misdaan heeft, hoeft zich niets te verwijten. 

SCHÖRK (uitspr. schörr'k), znw., m. — Schurk. 

SCHÖRP, znw., m. — Scheur in de huid, in het vleesch, teweeg- 
gebracht door een puntig voorwerp of den hoorn van een runddier. Dekod 
gaf hem *ne' schörp. 

— Schörp i^ez'en, z. KATOEN GEVEN. 

SCHÖRPELING, znw., m. — IMj timmerl. Afgezaagd kantstuk 
ecncr plank. 

SCHÖRP EN (uitspr. schor r»pen)^ w., b. — Bij timmerl., enz. In 
de lengte, op zijn langs doorzagen, bij D. B. schurpen^ bij T. scherpen^ 
bij Kram. schulpen^ bij B. schilpen. 'En plank in latten schörpen. 

— Rijten, scheuren met de horens of een puntig voorwerp. (K.) De 
koei schörpte de' grond mee' beur horens. Den os heet hem leelijk geschörpt 

— Kil. Schorpen, secare^ scindere, 

SCHÖRP E NS, bw. — Schor pens er deur eggen^ eggen met de 
tanden der erg vooruit. 

SCHÖRPZAAG, znw., v. — De gewone spanzaag van den timmer 
man om hout te schörpen of op zijn langs door te zagen, bij T. scherp' 
zaagf bij B. schiipzaaij^ en bij Kram. schuipzaag. 



— 1089 — 

SCHÓRREMÓRRIEy znw., v. — Schoft, deugniet, Fr. coquin, 
(A.) 't Is 'eD schörremörrie van 'ne' jongen. 

— In de Wrdb. bet, het slecht volk, Fr. canaille. 

SCHORSENEBL, znw., v. — Schorsoueer, Fr, scorsonêre, (Ook 
in Brab. en Limb., z. Sch.) SchÖrsenelen zaaien. Gestoofde schörsenelen. 

SCHORT (in *t Z. en W. ook schot), znw., v. — Voorschoot met 
borstlap dien de ambachtslieden dragen. Z. Wrdb. 

— In 't Z. der Kemp. verstaat men daardoor een Vrouwenrok. *En 
baaie' schort. 

SCHORT, znw., v. — De houten zoom of boord der bollebaan, 
van het eene einde tot het andere. 

• • • 

SCHORTEN, w., o. — Op de bolbaan tegen eene der zijplanken 
aan spelen. Gij hèt geschort. Had mijnen bol nie* geschort, het zou raak 
geweest hebben. 

8CHÖRZELEN, w., onp. — Lichtjes vriezen, f K.) 't Zal deze' 
nacht wa' schörzelen. Heget hard gevrozen ? Neen, 'en bitje geschörzeld. 

— Afl, GeichörzeL 

SCHÖRZELTJE, znw., o. — Dun laagje ijs. (K.) Daar lag e 
schörzeltjen ijs op *t water. 

SCHOSSEM, znw., m« — Lange grassoort met vcderbosvormige 
aar, die veel in de granen groeit, in de wetenschap Apera Spica venti 
P. B. genaamd. 

SCHOT. Komt voor als uitgang in talrijke plaatsnamen. Bioemer' 
schot (onder Oostmalle), yir/r;cjrAö/ (Sint-Antonius), Hoebensc ho t {on^er 
Lichtaart) Kinschot (onder Turnhout), Jsschot (onder Itegem en onder 
Kasterlee), Kerschot (onder Rijkevorsel), Risschot (onder Zoersel), Wèd- 
schot (onder Wijnegem), enz. 

SCHOTEL, znw., v„ niet m. — Fr. plat. T., R., Sch. J. Het 
Hgd. Schussel is ook v. 

SCHOTELTJES, znw., o., mrv. — Een kruid met schotelvormige 
blaadjes, dat men aan beken en grachten en in 't water vindt, Lat. Hydro- 
cotyle vulgaris L. 

SCHOTELVOD, znw., v. — Scholeldoek, Fr. torchon. T., R. 

— Veur schotelvod dienen^ als eene asschepoester behandeld worden, 
miskend en veracht, tot alle lage diensten gebruikt worden. T. 

8CHOTS(CH), bvw. — Zonderling, vreemd, aardig, aanstootelijk. 
'Ne schots(ch)e kerel. Ze was zoo schots(ch) gekleed. Wa* veur *ne* 
schots(ch)en hoed had hij op ? Hij ziet er altijd zoo schots(ch) uit. 

— Kluchtig, snaaksch, vies. Ik moet altijd lachen mè' Piet, 't is 
zoo 'ne schols(ch)e. Hij kan zoo 'n sch<)ls(ch)e dingen vertellen, da' ge 
er oe eigen slap mee zoudt lachen. 



Idtoiieon* 70 



— logo — 

— Misselijk, onpasselijk, genegen om over te geven, enkel als gezegde. 
Ik ben zoo schots(ch). As ek dieën reuk gewaarwör\ dan zou ek schots^ch) 
wörren. 

Kil, Schots, inepUis^ incompositus . 

— De Wrdb. vertalen het door grossier^ brutal, 

SCHOTS(CH)IG, bvw. — Z. schots(ch). 

SCHOU. Tweede hoofdvorm van Schillen. (K.) Hfft., oppr., 4. 
Ook Schol. 

SCHOU(DjEN, w., b. — Met heet water wasschen en wrijven, 
Fr. échauder, (K.) D. B. De tellooren en potten schouwen. De boterstand 
moet nog geschoud wöiren. Ook Baaien, Beien. 

— In ziedend water dompelen of er mee overgieten om iets gemak- 
kelijk te kunnen schoonmaken en afkrabben, Fr. échauder* D. B« (Ook 
in Brab., z. Sch.) 'Et verken schouwen. Zijn die pooten en ooren al 
geschoud ? 

Kil. Schonden, schauden, aqua calefacere ; calida perfundere\ 
calida abluere nve abradere, 

SCHOU(D)ER, znw., m. en v. — Fr. epaule. (Ook v. bij J.) 

SCHOUW, bvw. — Hetzelfde als Schuw, ¥x,farouche^ sauvage^ 
timide. 

— Schouw zy'fi van^ bevreesd zijn, Fr. craindre, avoir peur de* 
Ik bender schouw van, van nu nog zoo laat met den donkere te loopen. 
Hij zou ^èren dieë* winkel overnemen, maar hij is er *en bitje schouw van. 

— Koddig, vies, kluchtig, Fr. dróle. 't Is 'en schouw ziel (een drollige 
kerel). Ik ben geren mee' hem op gank, 't is zoo 'ne schouwe. 

SCHOUW, znw., v. — Wordt overal gebruikt voor Schoorsteen, 
Fr. cheminée. Hfit. fV. D. vermeldt het als gewest, en Kram. zegt 
dat het w. veroud. is, maar nog leeft als gewestw. en in de taal onzer 
dichters.) 

— Spaansche schoim', lage schouw, hoedanige men er in de kamers 
en burgershuizen aantreft, in tegenstelling met de groote, open schouw 
der boerenwoningeii. 

SCHOUWBALK, znw., m. — Balk waar de schouwmantel op rust. 

SCHOUWBERD, /nw., o., SCHOUWPLANK, v. — Berd 
of plank vooraan het mantelhout van eene schouw, waarop men gemeen- 
lijk tellooren en andere voorwerpen ten toon stelt. 

SCHOUWBUIS, znw., v. — Lange buis van gebakken aarde of 
van zink, die boven op de schouwpijp staat, om den trek van 't vuur 
te vermeerderen. D, B. 

SCHOUWKETING, znw., v. — Eene ketting in de schouw 
met eenen haak, waar men potten en ketels mee over den heerd hangt. 
Ken schouwketiiig is geen hangel. 




— lOQl — 

SCHOUWKLEED, znw , o. — Een peplooidc of j^cpijptc reepel 
katoen of dergelijke stof, geruit of gebloemd, hangende onder aan het 
schouwberd, om het mantelhout te dekken, Fr. tour de chrminfe. (Ook 
in Limb., Brab. en O.- VI.. z, Sch.) 

SCHOUWMANTEL, znw., m. — Schoorsteen mantel, het gemet- 
ste deel van eene schouw beneden de zoldering, lustende op het mantel- 
hout en de stijlen, als er zijn, Fr, manteau de cheminée, 

SCHOUWNOOT, znw., v. — Elk van de twee stukken hout, 
die hoiizontaal aan beide kanten van den schoorsteen, boven in de zij- 
muren gemetseld, en met het vooreinde aan hti mantelhout vastgetimmerd 
zijn. 

SCHOUWPIJP, znw., v. — Schoorsteenpijp, het gemetste deel 
der schouw, dat boven het dak uitsteekt, Fr. tuyau de cheminée. 

— Spr. De schouw pijp zal daar nïf{t) bitjven rooken^ ze zullen 
er gauw door, ten ondere zijn. 

SCHOUWPLANK, znw., v. — Z. schouwberd. 

SCHOUWSPIEGEL, znw., m. — Schoorsteenspiegel. 

SCHOUWSTUK, znw., o. — Een raam van beschilderd papier 
of van hout, dat men voor de schouw zet, als de stoof weggenomen 
is. D. B. 

SCHOUWVÈGER, znw., m. — Schoorsteenveger, Fr. ramoneiir. 

— Een vogeltje, anders ook Huisleeuwerk en Muumachtegaal 
geheeten. Zwart roodstaartje, Fr. rouge-quetie tithys, 

8CHOUWVIJS, znw., v. — Z. vijshangel. 

SCHOVEN, w., o. — Een poosje gaan slapen, een middagslaapje 
doen. In de' zomer gaan ek altijd 'en uurkeii schoven. Bij de buiten- 
mens(ch)en is 't de gewoonte van na ótn roen wa' gaan te schoven. 

— Schoften, het werk opschorsen om te eten en te rusten. D. B. 
't Is tijd om te schoven. 

— Schaften, eten. Hij kan danig goe' schoven. Ik gaao 'en bitje 
schoven. 

SCHRAAP, znw., v. — Hetzelfde als Schraag, Fr. tre'teau. (K.) 
D. B. (Ook in Brab., z. Sch.) 'En plank op schraven leggen. 

SCHRABADB (klemt, op ba)^ znw., v. — Duchtige berisping, 
'Fr. reprimande se'vcre. Hij kreeg 'en geweldige .««chrabade. 

SCHRABARING, znw., v. — Z. schabaring. 

SCHRABHOELIE, znw., v. — Z. .schramoclif. (Lier.) 

SCHRAFEL, znw., v. — Schraapzuchii^o viouw. Z^.' wijf i^ 'en 
eetstc schrafel. 



— 1092 — 

SCHRAFBLEN, w., o. — Schrapen. Z. Wrdb. 

— Gep. w. Scharren en schrafelen, 

— Gras siiijden met de zikkel. (K.) Ik moet nog wa* gers gaan 
schrafelen veur mijn geit. De arm mens(ch)en meugen voeier schrafelen 
in Mijnheers boss(ch)en. 

— Afl. Schra/elcèr^ geschrafel. 

SCHRAMINKEL, znw., o. — Z. scherminkel. 

— Schraminkel jagen, ketelmuziek maken, een woelig gedruisch 
maken op ketels, pannen, toethorens, enz., Fr. donner un charivari 
d quelqu*un, ook belmerkt honden^ bij D. B. schominkelen genaamd, 

— Bw. Mank. T. Hij gaat daar zoo schraminkel hennen. 

SCHRAMOËLIE (klemt, op molê\ znw., v. — Uitgebrande kool- 
tjes. Ik heb hier nog 'nen heelen bak schramoëlie. Schramoelie rapen. 

SCHRANK, znw., v. — Mijt of stapel half hout. (K.) — Ook Schijf. 

SCHRANKEN, w., o., met^jr». — Uit den haak zijn. Die deur 
is geschrankt (is uit den haak, hangt niet recht meer.) 

SCHRANKKLAMP, znw., v. — Bij timmerl. Klamp die in 
schuinsche richiing op het beleg eener deur, enz. is aangebracht. 

SCHRANS, znw., v. — Lage steenen muur (K.), ook Stichel 
genaamd. De lage steenen muren rond de kerken heeten schransen. Hg 
klom over de schrans. 'En schrans bouwen. 

— HetzellUe als Schans, vierkant of langwerpig stuk grond, met of 
zonder huizing, door grachten en soms ook door aarden wallenr omgeven, 
dat vroeger als schuilplaats heeft gediend. (K,) In de Kempen bestaan 
nog veel schransen. 

SCHRANS, znw., m. — Honger. Ik heb groote' schrans, laat 
ons gaan eten. 

— Schrans is ook Bargocnsch ofdieventaal. Michels maast gr cmdigen 
schrans (ik heb groeten iionger). Z, Is. Teirlinck, Wrdb. van Barg» 

SCHRANSLOOPER, znw., m. — Soort van kapoot dien de 
priesters over hunne andere kleederen aantrekken. 

SCHRANZEN, w., b. en o. — Hetzelfde als Schransen, gretig 
eten, verslinden. Appelen en peren schranzen. Hij kan goe* schranzen. 

SCHRAP, bw. — Hetzelfde als Krap bij Kram., nauwelijks, met 
moeite, Fr. a peine, (Ook in Brab. en Kl.-Br., z. Sch.) Ik zal maar 
schrap toekomen mè' mij' geld. 

— Bekrompen, arm. D. B. Schrap zitten (gebrek hebben aan geld). 
Die mcns(ch)en zilien der maar schrap veur. 

SCHREE, znw,, m. en niet v. — Schrede, Fr. pas. 

SCHREEF, znw.. v. — Z. Wrdb. 

— Schrtt'fktn heulen oi uh ree/ken sch ie ten ^ m^ii geldstukken naar 
tene op don ^roiul geli ukken schreef werpen. 



- to93 - 

— Spr. Over de schreef gaan^ de grens der gepastheid overschrijden, 
t Is nie* verboden van plezier te maken, maar ge moet zien da' ge nooit 

over de schreef gaat. Z. büitenschreef. 

— ^En schreef aanhebben ^ dronken zijn. Hij hée* weer e schreefken 
aan. As hij 'en schreef aanhéet , dan heet cm praat veur zeven man. 

— *En schreef weghebben, niet wel wijs zijn, zijn volle verstand 
niet hebben . Sedert de dood van zijn vrouw heet em 'en schreef weg, 

SCHREEF (zachte e), znw., v. — Hetzelfde als Schreef, Fr. lignef 
traitt rattt irace, 'En schreep trekken. Schreepkens maken. 

SCHREEUWBAKKES, znw., o. — Iemand die luidkeels schreit. 

SCHREEUWEN, w., o. — Fr. crïer. Z. Wrdb. 

— Verg. Schreeuwen geij^'k *nen bezetene ^gelyk e pennever ken dat in 
'en hekel hangt, gelijk e mager verken^ alsof men hem *t vel afdee{d)f 
alsof h^ doodgedaan wter[d), 

— Spr. Moord en brand schreeuwen, uit alle macht schreeuwen. 

— Schreeuwen eerdat ge geslagen wordt^ klagen en jammeren over 
iets dat nog niet gebeurd is. Alles kan nog goe' komen, ge moet nie' 
schreeuwen eerda* ge geslagen wordt. 

— Krijten, schreien, luidkeels klagen. '£t kind schreede van de kou. 
Hij schreede van de pijn. 

— Weenen, stille tranen storten, Fr. pleurer. Dieë mens(ch) schreet 
van droefheid. Hij begost te schreeuwen van verdriet. Heure oogen 
waren roodgeschreed. 

— Men zegt gg en hg schreet^ ik schreede, geschreed^ in den zin 
van pleurer, tranen storten, en gg en hi/ schreeuwt^ ik schreeuwde, ge- 
schreeuwd in den zin van crier, tieten. 

SCHREEUWERKE(N, znw., o. — Leliehaantje, Lat. Criaceris 
merdigera. 

SCHRIFT, znw. — Met zegt het H. Schrift en m^ideH. Schrift,], 

SCHRIFTGELEERDE, znw., m, — Wordt gezeid van iemand 
die goed lezen en schiijven kan. Gij zij' maar nee ezel, maar oe' br uur 
da* 's 'nen andere klepper ; dat is *ne schriftgeleerde, die alle brieven 
ontcijferen kan. 

SCHRIJFACHTIQ, bvw. — Grenegen om te schrijven. Verwacht 
niet te veul brieven van mij, want ik ben nie' schrijfachtig. 

SCHRIJFGERIEF, znw., o., zonder mrv. — Benoodigdheden 
om te schrijven. Ik moet 'nen brief schrijven, en 'k heb gee(n) schrijfgerief. 

SCHRIJFHAAK, znw., m. — Bij timmerl. Een winkelhaak om 
daar langs ecne schreef te trekken of af te teekenen op het hout. 

SCHRIJFLAT, znw., v. — Bij timmerl. Dunne lat van onbe- 
paalde lengte, om op de te bewerken stukken hout eene rechte I^n 
af te schrijven. 



— I094 — 

SCHRIJFPUNT, znw., o. — Bij timmerl. Sulen punt of spits, 
soms in ccii houten hcchi gevat, waarmcJc men op houten voorwerpen 
de bewerkingslijnen schrijft of trekt, die de afmetingen, het beloop, enz. 
van een werkstuk aanwijzen, Fr. traceret^ trafotr. 

SCHRIJVEN, w., b. en o. — Z. Wrdb. 

— Grep. w. Schreven en wrijven^ veel schrgven. 

— Spr. Waar zullen we da{t) schreven / uitroep van verwondering 
R. Hij was vandaag in de kerk, waar zullen me da' schrgven ! 

— Da(J) sta{at) ni'everans geschrevene zegt men om te beteekenen 
dat iets geen gebod of geene verplichting is of niet moet geloofd worden. 
*l Sta' nieverans geschreven da' ge mè' Kersmis drg missen moet hooren. 
Waar staget geschreven, dat ik oc eerst moet aanspreken ? 

— A/et dobbel krijt schryven^ z. KRIJT. 

— Aanschrijven, aanrekenen, i:i rekening brengen. Hfft. Hij kan 
geweldig schrijven (geweldig veel aanrekenen). Oe' rekening is nie' zjust, 
gij hèt 'ne' f rang te veul geschreven. 

— Als kooper erkennen up eene openbare veiling. De notarissen 
willen 'em nie' meer schrijven, omdat hij niemand betaalt. 

— bij timmerl. Afteekeoen met krijt of eene ijzeren stift. 'Nen hoek 
schrijven met den winkelhaak. 

— De turf, de moer die op het legveld uitgespreid ligt en die al 
de noodige bewerkingen ondergaan heeft, met de tutfpen in vierkante 
klompen verdeelen, schrijvende van buvcn tot beneden en van den eenen 
tol den anderen kant. (O. der K.) Waar zijn de boeren het best geleerd ? 
Te Balen. Waarom ? Omdat ze daar al kunnen schrijven (namelijk turf 
schrijven met de turfpen.) 

— Men zegt : Da' papier schrijft slecht. Grof papier schrijft moeilijk. 
Dees postpapier schrijft beter en schoondcr als dat, enz. 

SCHRIJVER, znw., m. — Een vogeltje, anders ook Qrunsel 
genaamd, Fr. tariu^ verdier. (K.) 

* SCHRIK, znw., m. — « Grootc menigte, schrikkelijk veel. Daar 
was een schrik van volk. Dat zal ecncn schrik van gel 1 kosten. > 
Sch, geeft dat w. voor Brab., Antw. en VI. 

SCHRIKKELEN, w., o. — Overslaan. D. B., T. Ge moet van da' 
fles(ch)ken alle dagen nie' innemen, ge meugt al is schrikkelen. Z. ook 

OVERSCHRIKKELEN . 

SCHRIKKELIJK, bw. — Uit der mate. Hij is schrikkelijk mager. 
DieO vent kan schrikkelijk vloeken. De boter is tegenwoordig schrikkelijk 
dier. 

^SCHRIKSCHOENEN, znw., m., mrv, — « Schaatsen, schaver- 
dijnen, Hgd. Sckrittsciiufie^ Kr. patins, » 
Sch. geeft dat w. o. a. voor de Kemp. 

SCHROBBEN, w., b. — Z. scHRoëBEN. 



^ 1095 - 

SCHROBBER, znw., m. — Kleine handbezem van heide zonder 
steei, om potten en kuipen te reinigen. (Ook in Brab., N,-Brab. en 
Friesl., z. Sch.) 

— Bij Kram. bet. het Oude bezem, versleten bezem. 

SCHROBBERS, znw., m., rarv. — Zoo noemde men eertijds 
degenen die, in tijden van besmettelijke ziekten, de zieken kwamen oppassen. 

— Bij Kil. is schrobben pestzieken oppassen en dooden reinigen, 
dat volgens Tuinman dien naam heeft, c omdat zulke huurlingen doorgaans 
gewoon zijn de goederen ten roof met diefachtige handen te zamen te 
schrobben. Vandaar schrobber, ^ 

SCHROBBING. znw., v. — Harde berisping. Iemand 'en schrobbing 
geven. (Ook in Brab. en VI., z. Sch.) 

SCHROBZAAG, znw., v. — Z. scHRoëBZAAO. 

SCHROEBEN, w., o. — Zich schuren van jeuksel, schurken, 
bij D. B., G., M. en Dr. schobben. Gij staat daar te schroeben ofda* 
ge ongedicrt aan oe* lijf hadt. Schroebt toch zoo niet ! 

— Krabben, scharrelen, Yi.gratler^ Hgd. schrubben^ Eng. to scrub, 
bij B. schrobben. Uw kiekens zitten heelJer dagen in mijnen hof te 
schroeben. Ze schroeben 'et zaad uit de* grond. 

— Afl. Schrobber, geschroïb, 

— Niet te verwarren met schrobben, wrijven, schuren met eenen 
bezem, Fr. f rot ter, nettoyer. 

Kil. Schrobben, scalpere, scabere^ /rïcare, radere, 

SCHROEBZAAG, SCHROBZAAG, znw., v. - Bij timmerl., 
enz. Smalle zaag met eene handhaaf, om gaten in hout te zagen. 

— Niet te verwarren met de schörpzaag. 

SCHROEBEN en SCHROBBEN, w., b. — Bij timmerl. Met 
de schrobzaag zagen. Eeue ronde opening in eene plank schrobben. 

SCHROEIEN, SCHROOIEN, w., b. — Bij schoenmakers. Van 
voor aan den zool of van achter aan den hiel de opecngebrachte stukken 
leder gelijk snijden. 

SCHROEVEN, w., b. en o. — Wrijven, schuren, schurken. (Z. der 
K.) Ik hem *et vel van m'ne' vinger geschroefd. Zit daar zoo mee* uwe 
stoel nie* tegen de' muur te schroeven, ge zul' 'et papier er nog af schroeven. 

— Bij B. bet. het Schuiven, schuifelen. 

— Afl. Schoever, geschroef, 

SCHROK, znw., m. — Vrek, gierigaard, schraper. 'Ne gierige schrok. 
Dieë sclir«jk is nog te gierig dat hij eet. » Die schijnheilige schrok? 
Hij zou in mijn huis durven komen ? »(CoNSClENCE. De Plaag der dorpen,) 

SCHROKACHTIG, bvw. — Gierig, schraapzuchtig. Schrokachtig 
zijn. 't Zou 'ne goeie mens(ch) zijn, as em zoo schrokachtig nie* en was. 

SCHROKKEN, w., o. — Schrapen, gierig leven. Deur te schrafelen 
en te schrokken is h^ rgk geworden. 



^— 1096 — 

SCHROKKBRIJ, SCHROKKIQHEID, znw., v. — Vrekkig- 
hciii, ^ieii|{hei<i. Dat is geen spaarzanmheii<, dnt is schrokkertj. Hij ziet 
op 'iie' ceni uit schrokkighcid. 

SCHROM MELEN (in *t Z. en W. schroHmmghn), w., b. en o. — 
Schrapen, krabben, scharrelen, ¥ï» grutter, racler^ rdttsser, (K.) Wa* 
ligde daar ie schrommelen ? As er Mat te schrommelen valt, is hij er bg. 
Scbrommelt dat onkruid op 'aen hoop. De kiekens schrommelen bier 
alles overhoop. 

— Afl, Schrommelèèr, geschrommel, 

SCHROM MELING, znw., v. — HeUeifde als Schommeling, 
strenge berisping. Jan kreeg 'en goei schrom meling van de' pastoor. 

SCHRONSEL, znw., v. — Wroetster, vrouw die werkt en wroet 
uil schraapzucht. (K.) Die Mie is toch 'en schronsel ! 

SCHRONSELy znw., m. — Knobbel bevrozen slgk. (K.) 't Ga' 
moeilijk, de weg is vol schronsels. 

SCHRONSELEN, w., o. — Slafeiijk werken, wroeten. (K.) Zij 
wruüt en zij schronselt van 's mcrgens tot 's avends. 

— Onp. Gevrozen hebben, zoodat de weg vol bevrozen hobbels is. 
(K.) 't Heet deze' nacht gevrozen, 'et schronselt. 

— Afl. Sckronselêèr, gtschronsel, 

SCHROOI, znw., v. — Bij smeden. Aambeeldbeitel, wigvormig 
stuk ijzer dat boven in het aambeeld geplaatst wordt en dient om gzer 
door te kappen, bij G. schrör, 

— Blad in een boek, (Z.'O. der K.) In dien boek is een schrooi 
te kort. 

Kil. Schroode, schrooye, pagella, 

SCHROOIEN, w„ b. en o. — Bij smeden. Op de schrooi door- 
kappen. 

— Bij schoenmakers. Z. schroeien. 

SCHROOIGAT, znw., o. — Gat in een aambeeld, waar de schrooi 
in steekt. 

SCHROOM ELI JK (Kemp. ook schru€m9hk\ bvw. — Schroroe- 
Igk, Fr. horribU. 

Geweldig, uit der mate, Hfft. T., R., KI.-Br. 't Is schroomelijk 

koud. 'Et vlecs(ch) is schroomelijk dier. Hij kan schroomelijk vloeken, 
't Is *ne schroomelijke zageman. 

— *Ne schroomelijke mensch^ een mensch die zich slecht gedraagt, 
die roekeloos, opvliegend, koppig, lui of zorgeloos is, T. Jan is toch 
'ne schroomelijke mensch : alle dagen zat loopen en ihuis de beest spelen. 
Ge zijt toch 'nc schroomelijke mensch, da' ge naar geene' goeien raiul 
wilt luisteren. 



^ 1097 -^ 

dCHUD, zDw.y V. — Deugniet, Fr. cogutn, R. O! du schad ! 
*£d schud van 'ne' joogen. 

— Ook Snaak, drollige kerel. 't Is 'en aardige schud. 'En vieze schud. 
Kil. Schudde, homo vih's, 

SCHUDDEKOPPBN, w., o. — Met het hoofd schudden, ten 
teeken van afkeuring of ontkenning, Dr., M. (Ook in Oostfriesl., Neder- 
saksen en Hoistein.) Ik vroeg 'em ofdat hij daar iet van wist, maar hij 
schuddekopte. Gre moet daar nie* staan schuddekoppen. 

SCHUDDEKUL, znw., m. — Slappe koffie. D. B. (Ook in Brab., 
z. Sch.) Gij hèt schuddekul opgeschonken. Ik drink geene' schuddekul. 

SCHUDDEN, w., b, — Wordt gebruikt voor Schutten, tegen- 
houden. 

^ Spr. AlU hagen schudden wind^ een nieuw bedrijf, een nieuwe 
winkel, in de nabijheid van eenen anderen komende, vermindert den 
verkoop van dezen. 

— O., met hebben en zyn^ term in 't knikkerspel. Wordt gezeid 
van eenen marbol of eene bolleket die, geschoten zgnde, tegen den eenen 
of anderen hinderpaal botst. Oewe' marbol is geschud tegen de' muur. 
Gij hèt geschud. 

SCHUDDING, znw., v. — Klopping, rammeling. Iemand 'en 
schudding geven. 

— Berisping, hevige bekijving. R. 'En schudding kragen. 

♦SCHUFFEN, w., o. — c Rap eten, ^ 

Sch. geefl dat w. voor Antw. Doch z. scHOeFELEN. 

SCHUIF, znw., v. — Iemand die gedurig rondschuift, die overal 
rondloopt. (Z. der K.) Die schuif is daar weer. 

SCHUIF, znw., v. — Schuiflade, Fr. tiroir^ layette. De schuiven 
van 'en kas. Het geld leet in de onderste schuif. 

~ Rol waar men de kinderen in te vondeling legde, Fr. tour, (A.) 

SCHUIFACHTIG, bvw. — Glibberig, slibberig, Fr. glissant. 
Opgepast van nie' te vallen, want de weg is hier vandeeg schuifachtig . 

SCHUIPELÈÈR, znw., ro. — Bij voerl. Eene zweep met knoop- 
kens. 

SCHUIFELEN (uitspr. schöffihn)^ w., o. — Herhaaldelgk met 
de voeten schuiven. Wie leet daar zoo te schuifelen? Schuifelt nie' mee' 
oe' voeten. 

— Afl. Geschuifel. 

— B. en o. Met eene schup de bovenkorst van den grond afsteken. 
Schuifelt de èèrd wat uit de voor. Ik zal wat èèrd van de' pad 
schuifelen. 

— Schuifelen verschilt van schóifelen^ dat met eene schoefel geschiedt. 

SCHUIPGORDIJN, znw., v. — Gorden van ringen voorzien, 
di« op eeoe qzeren gard of roede venchoven wordt. 



— 1098 — 

SCHUIPIJZBR, znw., o. — Bij sni'^den, Moergzer met kussens, 
Fr. filière a coussinets, 

SCHUIPKB(N, znw., o. — Deurken dat verschoven wordt. 

— Het schuif ken krifgen^ door den biechtvader zonder absolutie 
doorgezonden worden. 

— Het schuifken geven, doorzenden zonder absolutie. 

SCHUIPPOBIER (Kemp. j^A/z/J^öwr), znw., o. — Wit poeder 
dat men in nieuwe schoenen of leerzen strooit, opdat de voet er gemakke» 
lijk zi'ii in glijden. 

■ - Spr. Iemand schuif poeier geven, hem doen verstaan dat men zgn 
bijwezen niet verlangt. Hij kreeg schuifpoeier. 

SCHUIL, znw., o. — Witte blaasjes die men op de tong en 
i]i deu iiionJ krijgt. Deze kwaal, in de Wrdb. Spruw, Fr. muguet 
genaamd, is eig« n aan kinderen en zeer kranke menichen. Da' kind heget 
scliuil. Het schuil L..jgroote menschen is dikwijls een voorteeken der dood. 

Kil. Schuyl, aphtae^ oscedo, 

SCHUIM, /nw., m. en niet o. — Fr, écunu. 

SCHUIMER, znw., m. — Havelooze kerel, landlooper, Fr. vaga- 
bond, (A.) Daar is hier 'ne vremdc schuimer aan de deur. Hg was gekleed 
gelijk 'ne schuimer. 

— Gemeene kerel, schoelje. Ik kwam *nen heelen hoop schuimers 
tegen. Zoo'n schuimers zouwen er nie' op zien om 'ne mensch aan te 
randen en uit ic plunderen. 

Z. ook SCHUIVER. 

^SCHUIMLBKKBR, znw., m. — « Fleemcr, mou w vager. > 
Sch. gcefi tlit w. voor Antw. 

SCHUIM S(CH), bv w. — Zoo wordt door sommigen het w. Schninsch 
uitgesproken . 

SCHUIT, znw., v. — Fr. bateau. 

— Spr. Zyn schuit of zijn schuitje van kant steken^ zich uit de 
voeten maken, zich heimelijk verwijderen. Toen ek zag dat er ruzie 
ging komen, stak ck me' schuitje van kant. 

— *Sch. zegl dat schuit te Geel en in de Kemp. gebruikt wordt 
voor Vrouwenrok, Dat is mis : 'l is het w. schort (uitspr. schot), dat in 
dien zin gebezigd wordt. 

SCHUIVEN, w., o., met z^'n. — Opgaan, verminderen, sprek. 
van dingen die verbruikt worden. D. B. Ik zien da' me* geld al wgd 
geschoven is. 

— Weggaan, vei trekken, vluchten. (K.) Den herbergier zou geren 
gesloten hebben, maar de gasten wilden nie' schuiven. De vgand moest 
schuiven. 

Daer wart gevochten bitterlike 
Maer die Fransoyse worden s te boven 
Entie andere weken ende scoven, 

(MA£RLANTy Spieg, htst.) 



K 






— 1099 ^ 

SCHUIVER, zaw.,ni. — Landlooper,havelooze kereU F r.vaj^omi. 
(K.) 'Ne leelijke schuiver. Daar is 'ne schuiver aan de deur om 'eo 
aalmoes. De veldwachter hëe' 'oe* schuiver gepakt die geen papieren had. 

— Gemeeoe kerel, schoelie. lu die straat woonen de schuivers. Eeoige 
schuivers hebben al de ruiten uitgegooid bij den börgemeester. 

Kil. Schuyver (vetus), scurra^ histrio. 

~ Z. ook SCHUIMER. 

SCHUIVER, znw., m. — Bij timmerl. De schuiver van de werk- 
bank Is een houten staander (doorboord met verscheidene gaten waarin 
men eenen tap of bout kan steken), die weg en weer kan schuiven in 
eene sponning terzijde van de werkbank. Wanneer de timmerman den boord 
van eene plank wil schaven of beitelen, legt hij die vast, niet boven op 
de schaafbank, maar er nevens in de bankvijs of op den tap of t>out 
die in den schuiver zit. Ook Leider. 

^SCHULLAAR {schuileer)^ znw,, m, — c Eene groote schotel. » 
Sch. zegt dat dit w. hier en daar in de Kemp. gebruikt wordt. 

SCHUMMEL, znw., m. — Schimmel, Fr. moisstssure, (K.) 

SCHUMMELEN, w., o. — HeUcIfde spel, als elders pand over- 
halen, (Z. der K.) Z* pand. 

SCHUP, znw., m. — Hetzelfde als het HoU. Schop, voetschop, 
Fr. coup de pied. Iemand 'ne' schup geven. 

SCHUP, znw., v. — Spade, Fr. bêche. 

— Spr. Met de schup op den rug gaan^ zichtbaar naar de dood 
gaan. Hij ga' met de schup op zijnen rug (hij zal niet lang meer leven). 

— Honger hebben dat men door *en schup zou b^ten^ grooten 
honger hebben. 

— Het schupken van een forket of tafel vork is het platte uiteinde 
van den steel. 

— Wegens het verschil tusschen schup, schept schoep of schepel 
en trolê/el, z, SCHOEP. 

SCHUPPEN, SCHUPPENEN, SCHUPPENS, bvw. — 
Bij kaartsp. Hetzelfde als Schoppen, Fr. piqué, Schuppenheer, schuppen- 
aas. Ik heb schuppenen uitgespeeld. Schuppens is troef. 

SCHUPPEN, w., b. en o. — Hetzelfde als het Holl. Schoppen. 
Hij hëe' mij geslagen en geschupt. Iemand uit den huize schuppen. 

— Spr. Iemand tn den nek schuppen, z. NEK. 

SCHUPPESTEBL, znw., m. — Steel eener spade. Z. schupstoel. 

SCHUPPEZOTTEN, SCHUPPENBOEREN, w.,o. - Een 
kaartspel, waarin degene er aan is, die schuppenboer ophaalt. 

SCHUPSTOEL, znw., m, — Spr. Op *ne{n) schupstoel zitten, 
in de onzekerheid zt)n of men zijne betrekking zal kunnen behouden 
of een huis zal kunnen blijven bewonen. Dr. Die in 'en huurhuis woont, 
zit op 'ne' schupstoel, want ze kunnen 'et verkoopen en dan moet hi) 
vertrekken. 

— B^ misYenUuid zeggen sommigen op 'nen schuppesteel zitten. 



«?i\SS 



— iioo — 

SCHUREN, w„ b. — Met zand wrijven om te reinigen of te 
doen blinken. D. B. Koper schuren. 'Et kopere' en tenne' keukengerief 
wordt vandaag geschuurd, 

— AMet eenen bezem of borstel en water rein wrijven of schrobben. 
D. B., Hfft. De* vloer schuren. De meid schuur' 'et huis eens per weck. 

— Ook o. Sommige vrouwen schuren 's Zaterdags, andere Vrijdags. 

— Gep, w. Schuren en schrobben^ schuren en schommelen. 

SCHURENÈRBN, znw., m. - Dorschvloer, Fr. atre, (Z.-O. 

.icr K.) 

SCHURB(R)S.E), znw., v. — Schuurster, schrobster. (Z. der K.) 

SCHUTTERSBOOM, znw., m. — Lange staak, waar bovenop 
ijzeren spillen gevestigd zijn, die elk eenen houten vogel dragen, Fr. 
perche d tirer Vot\eau, (Z.-O. der K.), elders Wip, bg HfFt. schutsboom 
en bg D. B. gaui'rrtse genaamd. 

Z. WIP. 

SCHUUR, znw., v. — Fr. grange, 

— Spr. Als 'en on schuur aan '/ branden geraakt^ is er geen 
blusschen meer aan^ z. OUD. 

— Fig. Groote, ledige zaal of kerk. 

SCH UURDEUR, znw., v. — Deur van eene schuur. 

— Als 'fcvi schuurdeur, tweede term eener vergelijking, dient om 
iets zeer groots aan te duiden. Hij bée' 'ne' mond gelijk 'en schuurdeur. 
Hij kan geen letter lezen, al was ze zoo groot as 'en schuurdeur. 

SCHUURHOUT, znw., o. — £lk van de houten in de schuur, 
waar men den tas op stapelt. 

SCIATICA, znw., o. — Heupjicht, soort van zeer pijnlijk flerecijn, 
Fr, sciattque, 

SÈ ^uitspr. gelijk het Fr, c*est) en Sly tw. — Zie, daar zie. Lat. ecce. 
Si ! wie da' me daar hebben ! Sè ! daar is Jan ! Si ! ge zij' lijk daar al. 
Si ! as ge nog te laat komt, dan nicugde nie* meer binnen. Nu sè i 
't is gedaan. Sè ! sè ! seffens breeklegij oe' been ! Si ! da' zou ek over 
mijn hert nie' krijgen, sè ! Waar is mijn peri ? Hier sè (la-^otci). Waar 
woont hij ! Daar si 1 

— Dat sèt si is de verkorting van het oude sich, geb. wgze enk. 
van zien» 

SEBBBKEN, /,nw., o. — Sukkeltje. (K.) Zgn vrouw ziet er zoo 
e sebbeken uit. E sebbeken van e wqfken. 

8EBBEN, znw., m. — Sukkelaar, snul. 't Is zoo 'ne sebben. 
< Welnu, ik zal de vrouw van zulken sebben niet blijven. > (Conscience. 
Het Geluk van rijk te z^'n, 26.) 

SBCONOy znw., m„ niet v, — Seconde. 



— HOI — 

8 EBP (zachte e), znw,, v. en m. — Welbekend wit bier, dat te 
Antwerpen en in de Kempen {gebrouwen wordt. 

SEEME, SBEMEKE(N, SEEMENI8, z. deeme, de£M£KE(n, 

DEEMENIS. 

SBES (scherpe ^), znw., v, — Rijtuig met twee wielen en met 
een peerd bespannen, van *t Fr. chaise, bij Kram. sjees. De sees inspannen. 
In e seesken uitrij(d)en. 

SEESDREEF, znw., m. — Grint- of kiezeldreef, waarop men 
met seezen en koetsen rijdt. 

SEEZEKE(N, znw., o. — Z. deez£KE(n. 

SEEZEN, w., o., met hebben en z^'n, — Snel loopen. R., B. 
Ziet den dief is seezen ! Hij seest overal naai toe. Ik zal mengen seezen 
om er nog op tijd te zijn. 

— Afl. Gesees, 

SBEZES, znw., m. — Z. deezes. 

SEFFENS (Kemp. sew^ns\ bw. — Terstond, aanstonds. D, B., 
T., R., Hflt. (Ook in Brab. en Limb., z. Sch.) Hij vertrok seffens. Wacht 
'nen oogenblik, wij gaan seffens mee. Ik kom seffens. As de meester 
u iet gebiedt, da' moette *t seffens doen. 

— Spoedig. Hfft. In de* winter, as de dagen kort zijn, is *et seffens 
donker. Spocid oe wa*, want 'et wordt seffens laat. De pijn was seffens over. 

— Ee'n seffens, enz , één met eenen keer, Fr. un a la fois, D, B., 
T., R. De kinderen mengen maar mee' één seffens binnengaan. Die 
koèkskens zijn veur u, kind, maar ge mengt er maar ééntje seffens opeten. 
Hij doet alles mee' 'en bitje seffens. Mee* éénen dag seffens wörren wij 
oud. Ge meugt mij betalen mee* vijf frang seffens (ge moogt mij voldoen 
in gedeeltelijke betalingen van 5 fr.). 

Kil. Seffens, simul^ una, pariter, 

SEG, tw. — Wordt gebruikt in deze en dergelijke zinnen: Seg ! 
luistert is hier ! Seg ! brengt mijnen boek is mee ! Seg ! vriendje, kom 
is terug. Seg ! manneken, ge verliert iet. Waar gade naartoe, sey ? Seg, 
Frans, waar zijde mè' nüj' mes gebleven ? Seg ! zegt er tegen niemand 
iet af. 

SEGENWOORDIG(uok segjworr9g)^ bw. — Te''?nwoordig, Fr. 
aujourd*hut\ a présent. D. B., T., Sch. 't Is scgerwoordig armen tijd 
veur veul mens(ch)eu. Daar is segenwoordig moeilijk geld te verdi'. . n. 
Ge hoort segenwoordig veul van moorden en branden. 

S EGO ND, znw., ni. — Seconde, Fr, seconde. 

SEKUUR (klemt, op kuur), bvw. — Wordt gezeid van dingen 
die kunstig en met juistheid en nauwkeurigheid gemaakt zijn. D. H. 
(Ook in Brab., Linib. iii 't L. v. A., z. Sch.) 'En horlogic i^ al e sekuur 
weik. De sloten van biandkassen zijn sekuur gemaakt. 



— ' 1102 — 

SELDER, /nw., m. — Hetzelfde als Selderij, Fr. afl/ri. Selder 
planten. *Nen bos selder. Selder aanèèrden. 

— Sam, Sirlderplant^ ui ier groef ^ seUUrzaad^ eiiz. 

SELDERGROEF, znw., v. — Diepe groef waar men selder iu 
plant» dien men aanaardt naarmate hij groot wordt. 

SELMUS, znw., ni. — Anselmus. 

SEMMEL (Kemp. ook jrtwmp/), znw„ m. — Vervelende praat. 
T., R. Zwijgt met dieë' semmel ! Ik kan mee' oewe* semroel nie' om. 

SEMMEL (Kemp. ook samm?t)^ znw., v. — Semmelaarster, vrouw 
die semmelt, T., R., B. 

— Te Heist-op-den-Berg bet. het Kwaadspreekster. 

SEMMELACHTIG. bvw. — Wordt gezeid v;.n iemand die gewoon 
is te semmelen of te taln'( n. Ge zij* zoo semmelachtig» spoeid oe watte. 

SEMMELEN (Kemp. ook sdmniyhtt), w., o. — Hetzelfde als 
Sammelen, leuteren, dralen, talmen, traaczaam iets veirichten, niet voor- 
waarts komen, Fr. lambintr, trainer. P. i iij blijft overal staan semmeleo. 
Semmelt toch zoo nie*. Dieë werkman semmelt te veul aan ze' werk. 

— Vervelend wauwelen, Fr. rabdcher, T., R, Ze hée* meer as 'en 
uur zitten semmelen over alle \oddcn. Da' wijf kan iet doen van semmelen. 

— Ook b. Wa' semmelt hij toch van... Fr. qu'fst-ce qu*il chante 
donc de,.. Hij semmelden iet over z*n huishr.uwen dat ek nie' verstond. 

— Preutelen, grollen, grommen, Fr. nturmurer^ g^'ogner, (Z. der 
K.) As ge dieë' jong iet gebiedt, hij semmelt altijd tegen. Kgven en 
semmelen. 

— Te Hm ; op-den-Berg bet. het Achterklap spreken, kwaadspreken 
van iemand. 

— Afl. Semmeïèèr^ semmelachtigy semmele[r)s{e)^ gtsemmeU 

SEMMELGAT, znw., o. — Z. semmelkloot en semmelkont. 

SEMMELKLOOT, znw., m. — Semmelaar. 

SEMMELKONT, znw., v. -* Semmel, semmelaarster. 

SEN/ AT, znw., o. en niet m. — Fr. Sénai. J. 

SEPPEN, znw., m. — Jozef. 

-^ Sul, onnoozele hals, T. (Ook in Brab. en Limb., z. Sch.) Dieë 
jongen ziel er zoo 'ne' seppen uit. Ook Teppcn en Sebben. 

SERKEN, SJERKEN. SIRKEN, SJIRKEN. w. o. — Het 

schreeuwen of kiijschen van hennen, kalkoenen en andere vogels, vooral 
wanneer er weersvei ander ing ophanden is. (K.) Z. ook sjiRKEN. 

— Afl. Geserkf gesirk. 

SERMOON (ï»cherpe o\ znw., o. — Preek, predikatie, Fr. sermon^ 
bij V. D. en Kram. sermoen, 

SEROOP, znw., m. — Z. SAROOP. 



— II03 — 

SERVET, znw,, v. en niet o, — Fr. serviètte, K,,J,^ Jong. 

— Spr. Iemand met de servet aan verzuken, hem te weinig tijd 
op voorband uitnoodigen. 

— Te Lier zegt men ook : iemand op de heete servet verzuken. 

— Papiertje dat gereed ligt in een bakje, of aan eenc pin of eenen 
haak hangt in 't gemak. (A.) 

SESTIG, telw. — Zestig, Fr. soixante, So^^tig irang. Twee en 
sestig keeren. 

— Spr. Hg is sestig^ hij is niet wel bg zijn verstand. (A.) 

SEVENTIG, in \ N. en W. der Kemp. SEUVENTIG, telw. 
— Zeventig, Fr. septdtile. 

8EVUS, znw., m. — Wordt in sommigestreken gezeid voor Jozef. 

8EWENS. bw. — Z. seffens. 

SHAKO, znw.y m. en niet v. 

SI, tw. — Z. sÊ. 

SIEBOT, znw., m. — Op *ne{n) siebot, op eenen oogwenk, oogen- 
blikkelijk, dadelijk. Hfi't., R. (Ook in Brab., Holl.-Limb. en 't L. v. A. 
z. Sch.) 't Was op 'ne' siebot gedaan. Wacht 'en bitje, op 'ne' siebot 
ben ek bij u. 

SIEBOTS, bw. — Op 'nen siebot, schielijk, plotseling. Hij is 
siebots gestorven, zonder bichten of berichten. Da' niefs komt zoo 
siebots en zoo onverwacht. 

*SIEPERS(CH;, bvw. — Volgens Sch. zegt men te Antw. ^^^ 
siepersche kat voor eene kat met spikkels of plekken. Z. Scb. i. v. 
gesieperd. 

SIER, znw., m. en niet v. — Z. Wrdb. 

♦SIET, znw. (gesl. ?), SIETJE, o. — € Winterkoningsken, Fr. 
roitelet, > 

Sch. geeft dit w. voor de Kemp. 

SIFFEN, w., b. — Bij schoenm. Het was dat men op den hiel 
strijkt, met een versleten lakenen lap uiteen wrijven, om den hiel te doen 
blinken. 

SIGERRE, SIGARRE, znw., v. — Sigaar, Fr. cigare, (K.) 'En 
sigerre smooren. Geeft mij is twee sigenes. 

SIGNAALKLOK, znw., v. — Z. verwittigingsklok. 

SIJS, znw., v. — Pietzelfde als Sijsje, dat in de Wrdb. staat, 
Fr. serin^ Lat, FringilLa spinus. Sijzen vangen. Hij heet 'en sijs in 
'en kevie zitten. 

^SIJZELEN, w., o. — c Onder het spel heimelijk elkander kaarten 
overgeven. % 

Sch. geeft dat w. voor de Kemp, 



— II04 — 

3IJZBN, w., o. — Flauwen praal vertelleo, zeeveren. (Tumhoat 
en omstreken). Zit daar zoo nie' te sijzen. Da' sijzen van dieé* vent 
is* vervelend. Sijst toch zoo nie*. 

— Afl. Sgzer^ g^sys, 

SIKKELAT, znw., m. — Chocolade, Fr. chocolat, (K.) 

SIKSBN, znw., v. — De boom of balk die in den patmik ligt. 
(Z. der K.) 

Z. ook ZWIKSIE. Kil. Sicksene, tollenon, 

SIM, SIMMBKEN, z. SUM. 

8IMPEN, w., o. — Z. SUMPEN. 

8INDERT, vz. — Sedert. (A.) Hg is simlert eergisteren terug. 
(Weinig gebruikt.) 

SINGEL, znw., m. — De witte koord die de priesters in de mis 
om de lenden boven de albe dragen. 

SINGEL, znw., m. — Hetzelfde als Sintel, verbrande steenkool 
die als versteend of verijzerd, is bij Kil. sengheU 

SINGEL, znw.» v. — Kerkschel, misbel, soort van bel waaraan 
verschillende schelletjes zijn, en die de koorknapen welke de mis dienen, 
bij zich hebben staan. '£n kopere' singel. Zilverc' singels. De misdien- 
ders klinken met de singel bij het begin der mis, onder de Opheffing, 
het Agnus Dei, enz. 

SINGEL EN, w., o. — Tuiten, een zingend geluid geven, tintelen, 
trillen. Wordt iJc gezeid van de krevelende pijn, die in de gestoorde 
zenuwen siddert, bij D. B. zinderen^ bij OPPR. sintelen. Mijn oor singelt. 
As oe* rechteroor singelt, dan zeggen ze goed van u, maar is 't oe* linker- 
oor, dan spreken ze kwaad. Werpt *ne' steen legen *nen telegrafdraad, 
en ge zult den draad hooren singclen. As de voeten geslapen hebben, 
dan beginnen ze te singelen. Ik heb hem zoo'n geweldige oorveeg 
gegeven, da' m'n hand er nog van singelt. Mijn vingers singelen van de kou. 

— Met de singel klinken. Aan 't Agnus Dei wordt er drij keeren 
gesingeld. Ije misdiender singelt bij 't begin van de mis. 

— ♦Sch. geeft het voor Antw. en de Kemp. ook in den zin van 
Zengen, doch daarvoor zeggen wij Zengelen. Z. ald. 

— Afl. Gtsingel. 

SINGELING, znw., v. — Trilling, siddering, zingend geluid. Ik 
heb soms singelingen in mijn ooren. As ge ocwcn elleboog stoot, dan 
wördde in den arm 'en singeling gewaar. 

SINKSEN (ook Sïrtii^s^n uitgespr.), znw., m. — Pinkster, Fr. 
PcntrcóU, 

SINKSENBLOEM, 8INKSENBL0M, znw., v. — Witte 
tijloos, in de wetensch^np Niarcïssus poeticus. 



— II05 — 

SINKSENKROONTJB, znw.. o. — Vontkroontjv. kiansje van 
gemaakte bloemen, üat op Sinkseuavond gewijd wordt in de keik en 
aan het kind wordt gegeven, dat het eerst gedoopt wordt na de wijding 
der vont. Vrglk. paaschkroontje. 

SINT, bw,, vgw. en vz. — Sedert, sinds, T. Ik heb »em sint 
e jaar nic' meer gezien. 

SINT-AMBLBBRGA, znw., v. — De lo* Juni. 

— Spr, A/t(i) Sint-Amelbgrga gaat de hetiningdeur open (dan 
beginnen de bieën voorgoed te halen). 

SINT-ANDRIBS, znw., m. — De 30» November. 

— Spr. Sint^Artdries brengt de{n) vries, 

— Sïnt'AndrieSy sporrieke piep; vandaag zien ik u nog^ maar 
morgen niet (meer)^ (dan sneeuwt de spurrie dikwijls onder.) 

SINT-ANNAKAT, znw., v. — Kat met driekleurig haar. (K.) 

SINT-ANNA'S SCHAPRAAI, znw., v. — Z. onder schapraai. 

SINT-ANNUIT (klemt, op ««//), znw.. v. — /n *t schipken van 
Sint-Annuit zitten^ wordt gezcid van jongedochters, die geenc hoop meer 
hebben om te trouwen. (A.) Vrglk. Sint- Anna* s schapraai. 

SINT-BASTJB, znw., o. — Sint-Sebastiaan (20 Januari). 

— Spr. Sint' Bast je is *en hard gastje y het vriest dan dikwijls fel, 

SINT-HUIBRBCHTSBROOD, znw., o. — Brood, dat op den 
feestdag van den H. Hubcrtus in de kerken gewijd wordt als een voor- 
behoedmiddel tegen de razernij. 

SINTB-KATRIBNEWIELTJBS, SINTB-KATRIENB- 
RAAIKBNS, znw., o., mrv. — Eene huidziekte, in 't Fr. herpes 
circine' en tonsurant, D. B. 

SINTB-MARGARIET, znw., v. — De lo» Juni. 

— Spr. Sinte' Mar gariet is de hooizcikster^ het regent dan dikwijls 
hevig en langdurig, waardoor het hooi bederft. 

SINTB-MARKOBN, znw., o. — Koningszeer, verzwerende tubcr- 
culeuse klieren in den hals, Fr. tuberculose des ganglions^ scrofulose, 
D. B., R. (Door V. D. als gewest, vermeld.) 

SINTB-MATTHIJS, znw., m. — De 14- Februari. 

— Spr. Sinie^Matth^'s maakt 0/ breekt het ijs, 

— Sinte'Matthifs gooit 'run heeten steen op *t ijs, 

SINTE-MICHIBLSZOMBR, znw., m. — Het eerste deel der 
maand October, dat gewoonlijk nog veel schoone dagen telt, Fr. ^"7/^^ 
Ste-Thérèse, D.B. 

SINTB-PBBTBR, znw., m. — Sint-Pieter, Fr. St.-Pierre. 

— Fig. Huissleutel. T., R. Ik heb Sinte-Peeter in mijne' zak. Ik 
kost nic* binnen, want ik had Sinte-Pecter nie' bij. 



/iic///t«/»i, 7X 



— iio6 — 

— Spr. 7 A die Sinle-Peeter niet^ *t is die kwestie niet, 't is ccne 
andere reilen. R. Gij z«>^^t da' j^e nic* komen kost, omdat ge geenen 
tijd en hadt, maar 'lis dicü St. Peetcr niet (d. i. gij verbergt de ware 
reden van uwe afwezijjiicid.) 

SINTE-PEETERSLETTER, znw., v. — De oude gothieke 
drukletter. D. H. Dicën bock is nog in Sintc-Peetersletlers gedrukt. Z. ook 

KATIELEITERS. 

SINTE-PEETERSPENNINQ, znw., m., zonder mrv. — Eene 
vrijwilli<.»e gift, die door de leden der R. K. Kerk wordt bijeengebracht 
ten behoeve van den Pauselijken Stoel. Veur de' Sinte-Peeterspenning 
rondgaan. De pastoor heet hier geweest veur de' Sinte-Peeterspenning. 

SINT-JANSBEES, znw., v. — Witte of roode aalbes. (Z. der K.) 
T., R. 

SINT- JANSBLOEM,SINT-JANSBLOM,znw.,v. ^ Soort 
van groote madelief die veel in de weiden groeit, ganzebloem, Lat. 
Chrysanthemum Leucanthetnum volgens L., en Pyrethriim Leucan- 
themum volgens Coss. en G. D. B. 

SINT-JANSKAR, znw,, v, — Schoon versierde huifkar, waar- 
mede men de knechten of meiden vervoert, die rond Sint-Jan naar cenen 
nieuwen boer verhuizen. (K.) 

SI NT- JOB, znw., m. — Fr. Saint-Job, 

— Spr. Sint-lob kent zy\n) volk, soort zoekt soort, Fr. qui se 
ressemblt^ s'assrmble. 

— Stnt-Job is Je boonenzetter of Sint-Job zet bootten en houdt 
nie{t) meer op, zcygen de landlieden, omdat men rond Sint-Job (lo Mei) 
de boonen begint te planten. 

SINT-JOZEFSZAAG, znw., v. — Bij timmerl. Soort van hand- 
zaag met een breed blad. 

SINTE-MEDUNKT, znw., o. — Kluchtwoord voor Eene in- 
gebeelde ziekte, giilziekte, door 't volk Hypo, Fr. hypocondre geheeten. 
Hij heget Siute-Medunkl. 

SINT-PAULUS BEKEERINQ, znw., v. — De 25- Januari. 

— Spr. Met Sint -Pau iuS'bek{Q<:nug) leet de ekster heuren eersten stek. 

SINT-TEUNIS, znw., m. — Siul-Antonis. 

— Spr. Met Sint''J'eunis (17 Jan.) en Sint-Sebastiaan (20 Jan.) 
komen de hurde koppen eerst aan, dan begint het eerst voor goed te 
vriezen. 

SINT-TEUNISBLAHEN, znw., o., mrv. — Eene plant met 
groote blaren die in de weideu groeit, Lat. Rumex optusifolius L., 
ook Weversblaren. 

SINT-TEUNISBLOEM, SINT-TEUNISBLOM, znw., 
V. — Naam van eene chrysantcem, die in de hoven gekweekt wordt. 



— II07 — 

SINT VINCENT, znw., m. — üe 19* Juli. 

— Spr. Mit Sint' Vincent pikt die kaneen met Sint-An (26 Juli) 
pikt alleman, Z. PIKKEN. 

SIPSAPPBN, w., o. — Maar eventjes met de lippen aan iets 
proeven. Drinkt 'ne* goeien teug, in plaats van zoo te sipsappen. Mijn 
bruur zit altijd te sipsappen aan tafel. 

— Afgebroken en met heel fijne stralen melken. (K.) R. Ze kan 
nie* melken, ze sipsapt. 

— Afl. Sipsapper^ gesipsap. 

SIRBBN, znw., v. — Syringa, syringabloem. Er zijn peersche en 
witte sirenen. 

SIRKBN, w., o. — Z. S£&K£N. 

— Treuren, Die hin is ziek, zij sirkt. (K.) 

♦SIRKERT, ^SIRPERT, znw., m. — « Zingende krekel. ^ 
Sch, geeft dat w. voor de Kemp. 

^SIROPBN BROODJB, znw., o. — « Ontuchtig meisje. > 
Sch. kent dat w. toe aan Antw. Doch te Antw. geeft men den naam 

van saropen brooiken aan iemand met een effen, eenvoudig, goedig gezicht, 

die echter niet te betrouwen is. 

— E gezicht trekken of zetten gelijk e saropen brooiken is : een 
treurig gezicht trekken. 

— Saropen brooiken^ in den zin van « ontuchtig meisje », wordt 
alleen gebruikt in de uitdrukking : aan da* saropen brooike mag iedereen 
lakken (lekken). 

8IRPBN. SJILPBN en SJIRPBN, w., o. — Tjilpen, het 
schreeuwen vanmusschen en andere vogels. (Ook in Brab.en Limb., z.Sch.) 
De muss(ch)en sirpen. Mijne kanarievogel is niks wèèrd, hq sjirpt gelijk 
'en miis(ch). 

— Sch. geeft ook schirpen, welke gedaante ik nog niet gehoord heb. 

— Afl. Sirper^ sjirper, gesirp^ gesjif p, 

*8IRPBRT, Z. ♦SIRKERT. 

SI8KA, SU8KA, znw., v. — Francisca. 

SJACHBLEN, w., o. — Hetzelfde als Schachcren. Hij sjachelt 
in oü pèèrden. De Joden sjachelen zoo wat in alles. 

— Afl. Sjachelèèr^ gesjacheU 

8JAFFBLBN, w., o. - Z. schaffelen. 

8JAL, znw., m. en niet v. " Sjaal, shawl. 

— Wordt in de Kemp. ook gebruikt voor Gebreide of uit wol 
geweven das, dien de manslieden om den hals dragen, en waarvoor 
men elders sjerp zegt. 

SJAMFOETER (klemt, op/ö^i znw-> "i« — Eerlooze kerel. Hij 
i» 'nen rechte sjamfoeter. Ik betrouw dieö' sjanifoeter geen haar. 



i 



— iio8 — 

SJAM MELEN, w., o. — Babbelen, sjauwelen. (K.) WVsjammelt 
em daar ? Ze blijft overal staan sjammelen. 

SJAMP ETTER, ziiw., m. — Z. ch^vmpetter. 

SJANS, znw., V. — Voorspoed, welvaart, geluk, bij D. B. sanse. 
Die mens(ch;en hebben weinig sjans. Gij hèt altijd veul sjans bij *t speL 

— S/ans is niet hetzelfde als kans, want dit laatste beteekent Hazaard, 
lukslag, Fr, ckance. 

SJARNI,SJARNINONDB,SJARNITWE£,tw. — Bastaard- 
vloeken. 

SJASSBN, Wm b. — Wegjagen, verjagen. T, Hij wier' daar aan 
de deur gesjast. Ook Jassen. 

S JAT ER, znw., v. — Babbelzieke vrouw. (K.) 

SJATER, znw., m. — Beuzelpraat, flauwe redenen. (K.) Ik kan 
mè' zijne' sjater nie* om. 

SJATEREN, w., o. — Babbelen, tateren, snappen, Fr. jaser^ 
babiiter, caqueter. (K.) As ze eens aan 't sjateren geraakt, weet ze van 
geen uitschee(d)en. Da' wijf kan iet doen van sjateren. 

— Ook b. Wat heet em daar allemaal gesjaterd ? 

— Afl. Sjaterèèr, gesjater, 

SJATER KG NT, znw., v. — Babbelzieke vrouw. (K.) 

8JATS, znw., v. — Gemeen vrouwspersoon, slet. Da* meisken 
is maar 'en sjats. '£n gemein sjats van e wijf. 

— Van 't Hgd. Schatze, 

SJAUWEL. znw., v. — Babbeiaarsler, vrouw die veel sjauwelt. 

SJAUWEL, znw., m. — Gewauwel, gepraat, Fr. caquet, habillage, 

SJAUWELEN, w., o. — Babbelen, praten, wauwelen, Fr. bahilUr, 
jaser, bij M. tjaiuln, tjoueln. Da' wijf gaat overal sjauwelen in de 
geburen. Hij blijfi overal staan sjauwelen. Daar wordt vcul gesjauweld 
da' nie' waar en is. Ik heb over die zaak al veul hooren sjauwelen. 

— Ook b. Wa* sjauwelt em daar? Hij sjauwelt overal dat em 
moet ^aan erven. 

— All, Sjaii7Vi'ii'cr, gesjauwel. 

SJAUWELKONT, znw., v. — Babbelzieke vrouw. 

SJEEMEKEiN, SJEEMENIS, z. ueeme, dëemenis. 

SJEEZES, znw., ni. — Z. DEEZES. 

SJERP (uitspr. s/arr*p)^ znw., m. en niet v. — R. Men verstaat 
daaidoor gecncii gordel of sluier, Fr. ccharpe, dien men om hel lichaam 
draagt, maar een langen smallen wollen das, gebreid of geweven, dien 
kinderen en mannen on» den bals dragen, in de Kemp. ook Sjal geheeten. 

SJILPEN, w., o. — Z. SIRPEN, 



— tioo — 

SJIRK (uitspr. sj'nr'k), znw., m. — Botcrmelksche plattekaas (A.) 

SJIRKBN, w., o, — Schreeuwen, van kleine vogels die honger 
lijden. Hoort die jonge rouschkens is sjirken, ze roepen om eten. 

— Honger lijden, van menschen gczeid. Nu verkwiste oe' geld, maar 
wacht 'en bitje, ge zult nog sjirken, en dan is 't te laat beklaagd. 

SJIRPBN, w., o. — Z. siRPEN. 

8JOBBBL, Z. HOBBEL. 

8JOEBBKB(N, znw„ o. — Troetclnaam voor een lam of eene 
jonge geil. 

SJOÊFBL, znw., v. — Vrouw die sjoëfelt. 

SJOEPBLBN, w., o. — Voetje voor voetje gaan, bij gebrek aan 
krachten. Wa' sjoëfelt hg daar traag hennen ! Grootvader sjoêfelde naar 
boven. 

— Afl. Sjoifelèèr^ gesjaèfel. 

SJOBFBN, w., o. — Hetzelfde als Sjoéfelcn. 

SJOEPBN, w., b. — Drinken, zuipen. Hij kan goe' sjoëfen. Ik 
heb daar cenige borrels gesjoêft. 

SJOBR, znw., m. — Z. SJOOR. 

SJOBTER, znw., v. — Viool. (K.) Op de sjoeter spelen. 

SJOBTERBN, SOBTBRBN, w., o. — Vedelen, op de viool 
krassen. (K.) Hij sjocicrt den heelen dag. 

— Afl. Sjoeterècr^ gesjoeter, 

SJOKKBLBN, SJOKKEN, w., b. en o. — Z. schokkelen. 

8JOL, SJOLLEKEN, znw., m. en o. — Troetelnaam voor een 
klein kind. 

SJOMPBLEN (in 't Z. en W. sjolfmp?l9n), w,, o. — Strompelen, 
struikelen. Hij sjom(>elt daar zoo aardig henen. *Nen ezel sjompelt geen 
twee keeren tegen dezelfde' steen. Hij ga' niet, maar hij sjompelt. 

— Gep. w. Hompelen en sjompelen^ z, HOMPELEN. 

— Afl. SJompelêèr, gesjompel, 

SJOMPEN (in 't Z. en \V. sjoimp^n)^ w., o. — Gaan met de 
knieën inzakkende, stootend gaan. Gij sjompt daar zoo aardig hennen. 
Ziet 'em sjoëmpen. 

Kil. Som pen, cespitare^ claudtcare, 

— Afl. Sjomper^ gesjomp. 

SJOOR (zachte 0), SJOBR, znw., m. — Opsmuk, pronk. T. Sjoer 
verkoopen. 't Is nie' as kale sjoor. Groote' sjoor maken. Da' wijfhee' 
veul sjoor. 

SJOOS (scherpe 0), znw., v. — Slordig aangeklcede vrouw. (Hcist- 
op-den-Bcrg.) Z. soos. 



— ino — 

■♦SJOREN EN SCHEREN, w., o. - t Fel pronken. Die mode- 
pop houilt niei ais van sjoreii en scheren. » 

Sch. geeft die uitdr. voor de Kemp. en Geel. 

SJORREN, w., o. — Sjouwen, zware lasten dragen, sleuren. Ik 
heb den heeien dag moeten dragen en sjorren. 

— Afl. S/order^ gesjör, 

SJOUW, znw., m. — Bq boogschutters. Sjouw hebben^ sjouw 
schieUHy sjouw zijn^ mis schieten, het doelpunt niet getroffen hebben. 
(Ook in Hag., z. Sch.) 

— Sjouw zijn, er boven op zijn, meenen dat men boven een ander 
is, dat niets u meer deren kan. Hij is sjouw, omdat em cenige honderden 
frankskens gewonnen heet. Omdat ein wa' geërfd heet, meent em dat 
hij sjouw is. 

— * Volgens Sch. zou het te Antw. gebezigd worden in den zin 
van Mis, b. v. het ding is sjouWj het is weg, het is af, hel is schuw 
of weggevlucht. 

♦SJOUWEL, ^SJOUWELEN. —Zoo spelt Sch. een woord, 
dat overal sjauwel, sjauweUn uitgesproken wordt. Z. ald. 

SJOUWEN, w., o. — Heen en weer loopen met een denkbeeld 
van afmatting. Heelder dagen loopen en sjouwen. Hij sjouwt den heeleo 
dag rond. 

SJOUWERMAN, znw.,m. — Sjouwer, scheepslader of -losser. (A.) 
Weinig gebruikt; men zegt meest sjouwer. 

SLAAF, znw., m. en v. — Fig. Iemand die zeer hard werken 
moet. R. 'Nen boer is 'ne slaaf. Gij zij* *ne slaaf bij al oe* geld. 
Die vrouw is *en rechte slaaf. 

SLAAPMUTS, znw., v. — Z. Wrdb. 

— Fig. Borreltje dat men neemt alvorens te gaan slapen. D. B. 
Ook in O.-Vl,, z. Sch.) *En borreltje drinken veur *en slaapmuts. Geeft 
mij nog e slaapmutsken. 

SLAAPZAAD, znw., o. — Heulzaad, Fr. graine de pavot, 

SLABBARIS (klemt, op da), znw., m. — Maag. Iet in zijne' slab- 
baris slagen. Hij heet die fles(ch) wijn in zijne' slabbaris geslagen. 

— Snadder, mond. Hij slaagt overal zijne' slabbaris tuss(ch)en. 
levers zijtun slabbaris in slagen^ zich ontijdig of ongewenscht 

in 't gesprek mengen. 

SLABBEKE(N, znw., o. — Deel van eene vrouweschort dat de 
borst bekleedt. 'Ne veurschoot mee' e slabbeken. 

SLABBER, znw., m. — Kwijldoek, doekje dat men kleine kinderen 
voorbindt, ojKlat zij op hunne klceren niet zouden zeeveren, Fr. bavette. 

— Bef, het doekje dat priesters en advocaten in toga onder de kin 
dragen, Fr. rabat. 

— Iemand die slabbert. 



— IIII — 

SLABBEREN, w,, o. — Spreken met eenc belemmerde tong, 
Fr. balbutter, (N.-W. der K.) Hij kan geweldig slabberen. Slabbert 
zoo nie' : spreekt verstaanbaar. Z. slammeren. 

— Hetzelfde als Slabben, leppen, met de tong drinken. Den hond 
slabbert. 

— Afl. Slahherèèr^ geslabher, 

SLABBERTONG, znw., v. — Belemmerde tong, dubbele tong. 
(N.-W. der K.) Hij spreekt mee 'en slabbeitong. 

8LABBERTONGEN, w., o. — Spreken met eene belemmerde 
tong, slammeren, doddelen. (N.-W. der K.)Ze kan geweldig slabbertongen. 

SLACHTER, znw., m. — Wegens het verschil tusschen slachter 
en beenhouwer y z. BEENHOUWER. 

SLACHTZOUT, znw., o. — Soort van grof zout, dat men gebruikt 
om vleesch te zouten. 

SLAPELIJK, bvw. — Slaafsch, hard, zwaar, sprek. van werk. 
D. B., R. (Ook in Brab. en Limb., z. Sch.) Slafelijk werk doen. Da' 
werk is slafel ijken arbeid. 

SLAG, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Spr. Ne(n) slag krygen dat het vier uit uw oogen springt, dat 
de sterren veur zijn gezicht dansen^ dat de tanden in zyneijt) mond 
rammelen, 

— Van iet de(n) slag weghebben^ het kennen. Hij heet de' slag 
weg van 't maaien, 't pikken, enz. 

— Hij hee\^t den slag van de zweep weg of hg' kent de{n) slag 
van de zweept hij weet hoe hij 't moet doen, hoc hij 't moet aanleggen. 

— Bij kaartsp. Kene hand, Fr. levée, M. Hoeveul slagen heddegij .'* 
Ik heb de' leste' slag. Ik bendcr aan, as ek geen drij slagen meer 
halen kan. 

— Geene[n) slag werken^ volstrekt niet werken. D. B. Ik werk 
geene' slag meer. Hij wilde geene' slag meer werken. 

— Kans, gelegenheid om iets te doen. D. B. Gij hèt de' slag gemist. 
Ziet da' ge oewe' slag waarneemt. Hij zal schoon zijne' slag missen, 
as i nie' oppast, 

— Zijneifi) slag thuis gehaald hebben, geslaagd zijn in zijne onder- 
neming. 

— Lukslag, voordeelige zaak. D. B. Hij héct daar 'ne' goeie' slag 
gedaan op dieë' koopdag. 

— Er *nc{n) slag deur slagen, iets bij benadering bepalen, sprek. 
van eene rekening, eene schuld, bij D. B. er eenen slag in slaan. Ik 
weet nie' zjust meer hoeveul dat de rekening bedraagt, me zuilender 
maar 'ne* slag deur slagen. 

— Vreemd, koddig of kernachtig gezegde. Hij kan er 'ne' slag 
uit slagen. Gij dcedt daar aardige slagen. Hij dec' daar 'ne' goeie' slag. 

— 'Ne{n) slag weg hebben, dronken zijn, 

— *Ne(n) slag van de{n) meulen weghebïfcn^ z. MEULEN. 



ê 



— '/ Zal 'tte(n) slag geven als 7 a/gaat^ zegt men schertsend 
van eene onderneming waarvan men niet veel goeds verwacht. H^ ga' 
*ne' groote' winkel opstellen. Zoo ! 't zal 'ne' slag geven as 't afgaat. 

— Slagen krijgen gelijk hooi^ fel afgerammeld worden, Fr. êtrL 
battu comme pldtre. 

— Bij timmerl. De slag van eene zwong is het middelste gedeelte 
dat de timmerman met de hand omvat, wanneer hij de zwong ronddraait. 

— De slag van eene zweep is het klinksnoer, Fr. clachoire. 

— Alle slag^ slag veur slag, telkens, iederen keer. H^ komt hier 
slag veur slag aan. 't Is alle slag te doen. 

— Op 'ne{n) slag en *ne(n) keer, op eenen oogwenk, 't Was op 
'ne' slag en 'ne' keer gedaan. 

— Slag hoi4(d)ent de maat houden bij *t dorschen. Dieë jongen kan 
nog niet dorschen : hij weet gecne' slag te houwen. 

— Fig. Volhouden, voet b^ stek houden, niet opgeven. Hg houdt 
slag, hij geeft de' moed nie' op. 

— Men zegt die horlogie is van *t slag (zij slaat verkeerd); 
ik ben aan '/ slag (in 't kaartspel) ; aan *t slag z^n (slaags zijn, aan 
't vechten zijn.) 

— Slagt vogelknip, Fr. trébuchet^ is m., niet o. 

SLAQBANK, znw., v. — Bij landb. Eene plank, waar men het 
graan op afslaat of baar slaagt. (K.) 
Ook Slagpèèrd en Motberd. 

SLAGBOOM, znw., m. — Slèger eener kar. (Z. der K.) Z. SLÈOER. 

SLAQDEUR, znw., v. — Kleine deur in eene grootere. 

SLAGEN. NV., b. — Wordt altijd gebruikt voor Slaan, Fr. battre, 
frapper^ Hgd. schlagen. HfFt., M. (Ook in Drenthe en Fricsl., z. M.) 

— Spr. Iemand slagen dat zijn oogen in zijnen kop draaien^ dat 
hij rolt en bolty dat hij brand en moord schreeuwt, dat hij schèèl 
ziet, dat hij zwart ziet, dat hij er drij dagen naar tast^ dat hy niet 
meer hoort of ziet, dat *t vier uit zijn oogen springt, dat zijn tanden 
knotsen, dat zijn tanden in zijnen mond rammelen, dat hij zweet ^ 
dat hij niet weet waar hij zijn zelven heet, 

— Spr, Er op slagen gelijk den duvel op Geeraard, z. DUVEL. 

— Er op slagen gelijk op stokvisch, gelijk op *nen mèclzak, gel^k 
op 'nen ka/zak, 

— Van de hand Gods geslagen zijn^ z, hand. 

— Van den hamer geslagen zijn, z. HAMER. 

— Zien ivat er geslagen of wat uur er geslagen is, zien wat er 
gaande is, wat er scheelt. As ek daar kwam, zag ek al wat er geslagen was. 

— Handen en voeten slagen, zeer verwonderd zijn. T. 

— levers zifne^n) snadder tuss(ch)en slagen, z. SNADDER. 

— Er iet uit slagen, iet uit zijn botten slagen, z. BOTTEN. 

— Naar iet slagen, er naar raden. Gij weet er niks van, gij slaagt 
er maar naar. Verg. Naar iet slagen gelijk 'nen blinde naar *en ei. 



— 1113 — 

— Iet op zijnen bil of z^'n kaak s lagen ^ z. BIL en KAAK. 

— Z^'n tong slaagt yzer^ z. TOifG. 

— In 7 goed^ in */ kwaad slagen^ z, GOED en KWAAD. 

— Een stuk hout klieven met spie<^n en hamer. *Nen boom in 
halfhout slagen. Stek slagen. (Z. stek.) 

— Slachten, Fr. tuer. £ verken slagen. Dieën beenhouwer slaagt 
alle weken 'en koei en 'uen os. Geslagen vlees(ch). 

— Treffen, aandoen. Dat hée' me geweldig geslagen. Dat ongeluk 
slaagt me. 

— Het slcuigt er deur^ het treft aan, het is gevoelig. As ge zoo'n 
duzend frangs onkosten moet gaan doen, da' slaagt er nogal deur. 

— In den zin van het Fr. réussir^ dien de Wrdb, er aan toekennen, 
wordt het nooit gebruikt. 

SLAQER, znw., m. — Grroote zware duif met cenen krop. 

SLAQHOUT, znw., o. — Bij timmerl. Stuk hout dat boven 
de opening eener deur, venster, enz. aan de binnenz^de van den muur 
wordt aangebracht, om tot draagstuk te dienen aan het daarop volgende 
metsel- of rooster werk, Fr. linteau en bois, 

SLAGLIJN, znw., m. — Bij mulders. De slaglijnen van eene 
molenwiek zijn drie geteerde koorden die, op zekeren afstand van elkander 
vastliggende aan den eenen boord van het zeil, neerhangen tot beneden, 
en dienen om het zeil uit te spannen of te korten. De andere boord 
van het zeil ligt vast aan de putten, door middel van oogen of litsen. D. B. 

8LAQLINQS, bw. — Plotseling, schielijk. D. B. (A.) Hij viel 
slaglings dood. D. B. (Ook in Brab. en VU, z. Sch.) 

SLAQMBS, znw., o. — Mes om de boomstammen te klieven eer 
men griffelt. Ook Kliefmes. 

8LAGMEULDER, znw., m. — Olieslager, Fr. huilür.(K,) (Ook 
in Brab. en Limb., z. Sch.) 

SLAGMEULEN, znw., m. — Olieslagerij, Fr. huilerie, (K.) (Ook 
in Brab. en Limb., z. Sch.) 

Kil. Slach-molen, mola olearia. 

SLAGPÈÈRD, znw., o. — Z. siaobank. 

8LAGRIEM, znw., m. — Bij voerl. Z. stulpriem. 

SLAGROEI, znw., v. — IJzeren roede om moerturf die beslagen 
is, in vierkante klompen te verdeelen. (K.) 

SLAGSCHAAF, znw., v. — Bij timmerl. Eene schaaf, wier plat 
schaafijzer overuoesch zit en dient om b. v. rechthoekige groeven te 
schaven. D. B. 

SLAGVÈÈR, znw., v. — Bij geweermakers. De slagveer van een 
geweer is de veer die den tuimelaar doet springen. 

— Bij slotmakers. Metalen strook die geplooid is op de wijze eener 
V en dient om b. v. in een nachtslot den schieter in of uit te drijven, 
Fr. ressort è cfuen. D. B« 




— III4 — 

SLAQVENSTBR, znw., v. — BuiteuMadeener venster, Fr. contre- 
vent, D. B. COok in Brab. en West-Brab., z. Sch.) De slagveosters 
sluiten. *£n huis zonder slagvcnsters. 

8LAGVLAAQ, znw., v. — Slagregen, stortvlaag, Fr. averse, ondée. 

SLAK, SLBK (Kemp. slak)^ znw., v. — Fr. limafon. 

— Verg. Zoo traag als *en sUk^ zoo vet als *en sUk, 

— Slakken stouwen^ zeer traag gaan. (K.) Kom wa* rapper voort, 
ge zij' weer aan 't slakken stouwen. 

— Bij mulders. Ieder van de twee platen in den vorm ccner slek, 
die van onder tegen de kas van den molen een weinig op den zetel dragen. 

8LAKKESTBKER, SLBKKESTBKER. znw., m. — Spot- 
naam dien men geeft aan eenè bajonet, eenen korten degen, enz. Hij 
hée' zijne' slakkesteker aan. 

8LAKKEST0UWER, 8LEKKB8TOUWER, znw., m. — 
Iemand die zeer traag gaat. (K.) 

SLAKVET, SLEKVET, bvw. — Zoo vel als ccne slak. Da' 
verken is slak vet. 

SLAMBUR (klemt, op meur), znw., m., zonder mrv. — Beslom- 
mering, last, urukte, moeite, zorg, Fr. tracas. Hfft,, Sch., D. B. o. In de' 
slamcur zitten. 'Ne slameur van 'en huishouwen. Zij is aan dieë' slameur 
nie' gewend. Zoo 'ne was(ch) is 'ne groote slameur. 

8LAMIBR (klemt, op mier), znw., o. — Klein meisje dat zich door 
zijne vlugheid en handigheid onderscheidt. (A.) 

— Bij B. bet. het : een leep, listig persoon. In Groningen is slemter^ 
slemiere een schimpwoord voor een vrouws- ook wel voor een mans- 
persoon, die niet flink, een slungel is. In de Neder-Betuwe is sUmier 
een traag, vadsig vrouwspersoon. Zie M. 

SLAM MEREN, w., o. — Spreken met eene belemmerde tong, 
doddelen, YT.balbutïer. (K.) Slammen zoo nie'. Gij slammert alles dooreen. 
De zatlap slammerde zoodanig, dat ek er gee(n) woord van verstond. 

— Ook b, Wa' slammerde ze toch allemaal ? 

— Afl. Slammerêèr, geslammer, 

8LAN GEN BALSEM, znw., m. — Soort van balsem om kappen, 
sneden en andere verwondingen te genezen. (K.) 

♦8LANGBVAT, znw., o. — t Watervat door 'twelk de slang 
of buis eener stokerij loopt, opdat de damp tot jenever zou overgaan. » 
Sch. geeft dat w. voor Brab. en Antw. 

SLAP, bvw. — Z. Wrdb. 

Verg. Zoo slap als V/i vod, als *en schotelvod^ als *ne wis{ch), 

SLAP BLIJF, znw,, o. — Hemdrok van wol of andere stof, 
¥x,camisolefh\} D.B. slaaplijf, 'En baaie' slapclijf. Hij draagt winter 
en zomer e flaaelle' slapelgf. 



— tii5 — 

SLAPEN, w., o. — Fr. dormir, 

— Verg. Slapen gelijk V« roos^ van een kind; gelijk 'nen rus{ch\ 
*fu muur, *ne steen, *en hout, *nen os, zeer vast, gelifk 'ne zalm, gerust, 
geltfk 'en muis in *t mèèl^ met de oogen een weinig open, wakker op 
't eerste gerucht. 

— Geene oog slapen, z. OOG, 

— Op iet slapen^ het uitstellen. D. B. Gij vraagt mij of ek dat 
doen zal; ik weet 'et nie', ik zalder is op slapen. 

— Met de kiekens gaan slapen, z. KIEKEN. 

— Op allebei zijn 00 ren slapen^ gerust zijn, geene voorzorgen nemen. 

— Iemand slapen leggen, hem foppen, overmeesteren of dooden. (A.) 

— Znw„ o. Nachtverblijf, Fr. logis. Is hier ergerans slapen te 
krggen ? De iandlooper vroeg slapen aan 'nen boer. Hi) kost nievers 
geen slapen krijgen en hij was verplicht in 'en schuur te vernachten. 

SLAPBRACHTIG, bvw. — Slaperig. D. B. Ik ben vandaag 
zoo siaperachtig. 's Avends wör ek slaperachtig. 

SLAPERS, znw., m., mrv. — Gredroogd vuil in de hoeken der 
oogen. D. B., oppr., 82. Slapers in de oogen hebben. Doet die slapers 
uit oew oogen. 

SLAPLIJVIQ, bvw. — Zwak, slecht, onvoldoende. (Z. der K.) 
'Ne slaplijvige mensch. Dieên hond wOrdt maar slaplijvig gevoierd. 

SLAPPIQHEID, znw., v. — Slapte, zwakheid, Fr. faibUsse, 
débilité. Hij kost schier op zijn beenen nie' staan van slappigheid. 

SLAVAAT (klemt, op vaat), znw., m. — Dunne, slappe koffie. 
Gij hèt weer slavaat opgeschonken, 

— Dunne, waterachtige pap of soep. Slavaat van botermelk. Zoo 
'ne' slavaat eet ek nie'. 

SLA VAN 8 (klemt, op vans), znw., m. — Hetzelfde als Slavaat. 
Slavans van koffie. Die soep is maar slavans. 

SLAVEDDER (Kemp. slavddd^r, klemt, op de tweede lettergr.), 
znw., v. — Slordig, lui vrouwmensch. 

SLAVENDER (klemt, op ven), znw., v. — Lui vrouwmensch, 
dat, in plaats van te werken, liever over de straat slentert. (K.) 

SLA VENDEREN (klemt, op ven), w., o. — Lui over de straat 
slenteren. (K.) Hij slavendert den heelen dag. Ik heb ze hier zien 
veorbij slavenderen. 

— Afl. Slavenderèèr, geslavender, 

SLAVETS (Kemp. ook slavdts, klemt, op de tweede lettergr.), 
znw., V. — Slordig, lui, onachtzaam vrouwmensch. D, B. (Ook in Brab. 
en KI. -Br., z. Sch.) 

SLAVETS EN (klemt, op vets), w., o. — Wordt gezeid van 
schoenen of pantoffels die in- en uitgaan, (Z. der K«) Die sloëfen zijn 
te giroot: ie ilavetieD. 




— iii6 — 

8LAVIJN (klemt, op v^'n), znw., v. — Bijna hetzelfde als Slavets, 
slordig, ualatig vrouwmensch. 'Ed slavijn van e meiskc. 'En lui slavijn. 

SLAVIN, znw,, v. — Vrouw die zeer hard werken moet. Vrgik. 
SLAAF. 'En slavin van 'en vrouw. Mie is *en rechte slavin. 

SLAVODDER (klemt. op v(7<f), znw.,v. — Slavedder, slavets, slaven, 
Fr, /emme néglitrente, T., R. 

— Slecht befaamd vrouwmensch, Fr. salope, 

SLAVOTBRBN (klemt, op vo)^ w., o. — In- en uitgaan, sprek. 
van schoeisels. (Z. der K.) Ik kan die schoenen nie* aan m'n voeten 
houden, da* ze zoo slavoteren. 

SLEB, znw«, o. — Karsmeer, nadat het aan de kar gediend heeft. 
(Z. der K.) 

SLECHT (in *t Z. ook sldcht\ bvw. — Z. Wrdb. 

— Gevaarlijk /.:ck, enkel als gez. R., M. De zieken is slecht. Vader 
is vandaag slechter as gisteren. 

— 'Ne slechte mensch bet. ook Iemand die eene slechte gezondheid 
heeft, die zeer week is. 

Bw. Nauwelijks, ter nauwernood, moeilijk, kwalijk. HfFt. Hij zal 
slecht 'en huis vinden. Ik kan da' slecht veur dieë' prijs geven. Ik kan 
da* maar slecht zeggen. Hij zal slecht gedaan krijgen. 

SLECHTERIK, znw., m. — Slechte, bedorven kerel. Hfft. (Ook 
in Brab., z. Sch.) 

SLECHTIGHEID, znw., v. —Slechtheid, bedorvenheid, ontucht. 
SLEDDER, zQw., m. — Z. sudder. 
SLEDDBRBN, w., o. — Z. sudderen. 

SLEEP (scherpe e), SLEEUW, SLOOP (scherpe o), znw., v. — 
Bij laodb. Handvatsel aan den steel eener zeisen. (K.) 

Z. ook KNA-VEL. 

SLEBKERBEBS, znw., v. — Sleepruim. de vrucht van den slee- 
doorn of wilden pruiinelaar. (Z. der K.) 

*SLEEPAARD, znw., m. — »Tuig van gevlochten latten of stokken 
dat men avcr deu ukker sleept om de klotten te breken. * 

Sch. kent dat w. toe aan Antw. en de Kemp. Z. SLEIP. 

SLEET, znw., m. en niet v. — Z. Wrdb. 

— IViJd sleet zijtiy verre versleten. Jan is wijd sleet. Mijn schoenen 
zijn wijd sleet. 

— Half sleet »gn^ half versleten. Uw schoenen zijn al half sleet, 
en ge hèt ze pas 'en maand. 

— Goeie{n) sleet doen^ wordt gezeid van kleederen die sterk en 
deugdelijk zijn en goed tegen 't verslijten kunnen. Da' laken doe' goeie' 
sleet. De schoenen die 'k hier aan heb, hebben goeie' sleet gedaan. 

— Het wollig slgtsel, dat tusscheii de voedering en de naden van 
't kleedael langs binnen vergadert 



— III7 — 

SLEETStCH)IQ, bvw. — Hetzelfde als Sleetsch in de Wrdb., 
d, i. veel kleederen verslijtende. *Neslectj»(ch)ige jongen. Ik beo sleets(ch)ig 
aan mijn voeten (ik verslijt veel kousen of schoenen). 

— Niet te verwarren met slett'g. 

SLB£T8(CH)IQAARD, znw., m. — Die sleetsch is, die veel 
kleeren verslijt. 

SLEET8(CH)IQHEID, znw., v. — SleeiM:hheid. 

SLEEUW, znw., v. — Z. sleef. 

SLEEUW, bvw. — Wordt gezeid van peerden, wier hoefijzers 
zoodanig afgesleten zijn, dat zi^ uitschuiven. T. Da' peerd sta' sleeuw. 

SLECHTEN, w., b. — Gelijken, slachten. (Lier.) 

SLEF, znw., m. — Schoen of pantoffel, die van achter uitgesneden 
is. Doet oe* sleffen uit. Hij 1oü| t altijd op sleffen. 

SLEPFEN, w., o. — Gaan alsof men sleffen aanhad, met slepende 
stappen gaan. Sleft zoo nie\ Ik hoorden 'em van verre sleffen. 

— Afl. suffer t ges lef , 

SLEGER, znw., m. — Wordt in de Kempen gebruikt voor Slager, 
slachter, Fr. boucher. 

— Bij wagenm. De slègers van cene kar zijn de twee houten, waar- 
tusschen de bodem van de kar ligt, ook Slekboomen genaamd. 

— Dikke smoor, fijne regen. Wordt maar gebruikt in de woord- 
koppeling règer (regen) en slèger. Deur règer en slèger loopen. 

SLÈGEREN, w., onp. — Mistregenen, smoorregenen. Komt maar 
voor in de woordkoppeling rcgertn en slègeren^ aanhoudend regenen 
en misten, 't Hée' vandaag deu heelen dag getègcrd en geslègerd. 

SLEIGERSVOL, bvw. — Z. sleikvol. 

SLEIK, bvw. — F.ffen, met den boord gelijk, Fr. bord d bord^ 
bij D. B. sUek. T. Het water in de gracht sta' sleik met de straat. 
'£n mand sleik vullen. Sleike maat. Sleikens vol. 

Kil. Sleyck, planus, aeguus. 

SLEIKVOL, bvw. — Boordevol. 'Et val is sleikv. 1 Hij laadde 
de mand sleikvol. Ook Sleikens vol. 

SLEIP, znw., m. — Hetzelfde als Sleep in de VVidb., Fr. queue 
d'une robe ; train; suite, 

SLEIP, znw., V. — Bij landb. Horde van gevlochten lakken, 
die men over den akker sleept um de aardkiuiten te breken. (K.) (Ook 
in 't Hag., z. Sch.) 

— Sleepnet, Fr. trainasse. Patrijzen vangen met de sleip. Visschen 
mee' 'en sleip. 

SLEIP EN, w., b. en o. — Hetzelfde als Slepen en Sleepen in de 
Wrdb., Fr. trainer, Hffl. 



— iii8 — 

— Bij landb . Met de sleip of eene omgekeerde eg oTer den akker 
gaaD. (K..* ^Et land sleipen om de klotien te breken. 

— Bg Togelvangers en wiklstioopen. Een groot sleepnet des nachts 
over h*A veld voorttrekken om vogels en wild te vangen. (K.) De stroopos 
hebben al de patr^zen gesleipt. 

— Bij metsers. Achterwaarts overhellen. Wordt gezeid van eenen 
muur die niet loodrecht opgaat, maar eene afwekende richting heeft ten 
opzichte van den kant waar men het paslood schiet, zoodanig dat het 
paslood er langs sleept en hapert. Een muur die sUxpt langs den eenen 
kant, vliegt gemeenlek langs den anderen. 

— Wordt gezeid van eene deur, een raam, enz. die, bij het open- 
of toedraaien, aan den onderkant haperen. 

SLEIPBR, znw., m. — Sleepboot, Fr. remorqueur. (A.) 

— Bij timmerl. Dakkeel, hellende inhoek tusschen twee samen- 
gevoegd f.- panden van een dak, Fr. noue^ bij D. B. en Kil. slaper, 

— Ook gebruikt voor aanvaller. Z. aanvaller. 

SLBK, znw., v. — Z. slak. 

SLEKBOOM, znw., m. — Bij wagenm. Z. SLÈOER. 

8LEKVET, bvw. — Z. slakvet. 

8LENDER, SLINDER, znw., m. — Grijze hagedis, ook Hd- 
slendcr genaamd, Lat. Lacerta muralis. (K.) 

— Sommigen gevcD dien naam ook aan den Hazelworm of de glas- 
slang Fr. orvet commun^ Lat, Angttis fragilis. 

Kil. heeft *^linier, chelydrus; serpentis genus, 

8LENDEREN, BLINDEREN, w.. b. — Met drie draden 
vlechten. *Kn koor(d) slenderen. 'Et haar slinderen. 
Verg. het Hgd. schlingen^ vlechten. 

BLENDERS, znw., m., mrv. — Draaierijen, draaiwinkels, linksche 
streken, bij Hf!>. slenters. Met slenders omgaan. « Gij denkt zeker dat 
ik u niet in de buis had met al die slenders, » (CoNSClEMCE, Hoe men 
Schilder wordt.) 

SLENG, znw,, v. — Ketting met haak om verscheidene balen 
of andere goederen in eens op te halen met de kraan, en in het schip 
te laden. (A.) 

^SLEPERS of * SLIEP ERS, znw., v. — c Slepend vrouwmensdi 
of meisje. » 

Sch. geeft dit w. voor Antw. 

SLEPUS, znw., m. — Iemand die, gelijk men zegt, het achter 
zijnen elleboog heeft, die eenvoudigheid huichelt, maar inderdaad loos 
en geslepen is. Betrouwt dieê* slepus nie*. Hij ziet er 'ne* slepus uit. 

SLERVEN, w., b. en o. — Slurpen. (Z. der K.) Hij slerfl altijd 
bij 't eten. Slerfl zoo nic' aan uw soep. Slerven is onbeleefd. 

— Afl. Slerver^ gesUrf. 



— mg — 

SLET, znw., v., mrv. sUtten. — Slede, Fr, traincau^ bij D. B. 
iUtU. Met de slet uilrij(d)cn. Er zijn vier sletten veurbijj»ere(d)en. 

— Ken houten raam of zoo iets, >K-aarop de landbouwer zijne plocjj 
of eg legt, om ze naai den akker of naar huis te voeren, Fr. trainoir, (K.) 

SLETIG, bvw. — Wal doet verslijten. R., Kl.-Br. Altijd over de 
kasseien gaan, is sletig aan de schoenen. Met een rijwiel over een nieuw 
aangelegden sintelweg rijden is sletig voor de ban 1'^n. 

SU tig is niet hetzelfde als SUets{ch)tg, Z. dat w. 

SLETS, znw., v. — Slof, muil, pantoffel. (A.) D. B. Slctsen aandoen. 
Doet die slctsen uit. 

— Hetzelfde als Slet in de Wrdb., haveloos vrouwspersoon, D. B. 

SLBUN, znw., m. — Takken die uit eenen boom gekapt zijn, 
uitgesleund hout. Eike* sleun. Ver kooping van maste' sleun. 

SLEUNEN, w., b. — Met een kapmes de overtollige takken 
uit de boomen kappen, Fr. élaguer, (Ook in Brab., z. Sch.; Boomen 
sleunen. Die eikeboomen zou wen moeten gesleund wörren. 

— Sleunen verschilt van snoeien^ dat met een mes geschiedt en 
enkel van fruitboomen gezeid wordt. 

Kil. Sleunen, sloneu, frondare^ putare arhorem, 

SLEUNSCHUPKE^N, znw., o. — Klein schupje, aan eenen 
zeer langen steel, om de zijscheuten van de boomen te sleunen. 

SLEUR, znw., m. en niet v. — Fr. routine, J. 

SLEUR, znw., v. — Z. sleip 2\ 

— Vrouw die hard en slaafs werkt. Die Mie is 'en rechte sleur. 

SLEUR, znw., m. — Fig. Sleop kinderen. Zij loopt altijd mè' 'ne' 
sleur jong over de sttaat. Die kinderen meenemen ? 't Is veul te groote sleur ! 

SLEUREN, w.. b. en o. — Z. Wrdb. 

— Gcp. w. SUureu en s leipen, 

— Bij landb. z. S leipen. 

SLEURMERiKjT, znw., v. — Gemartel, gesukkel. Da* werk 
is oprecht 'en sleurmen. 

SLEURZIEKTE, znw., v. — Slepende, langdurip utc. 

SLEUTEL, znw., m. — Z. Wrdb. 

— bij timmerl. Eene plaat, eiken of ander hard iiout, onder U i^w 
het moerbint aangebracht, waai in btandvink en steekbauden met gal cii 
korte pin en tandboisten worden ingewerkt. 

— Spie waarmede het schaafijzer in de schaaf wordt geklemd en 
vastgeslotcn, Fr. coin, 

SLEUTELPLAAT, znw., v. — IJzeren plaatje in het slot ge- 
plaatst, waardoor de sleutel moet gaan, vooraleer den schieter te bereiken, « 
Fr. foncet. 



— 1122 — 

SLINGERSAUSi znw., v. — Dikke saus vaa bloem, eieren, boter 
en azijn. In de' zjiner eten ze daar altijd salaad mee' 'en sliogersaus. 

SLINGERSTOK, znw., m. — Bij mulders. Plat stuk boven aao 
cene roede, waar de zoom van de nabijzijnde roede doorschuift, om 
alzoo meer vastheid aan de roede te geven, 

SLINGS(CH), bvw. — Z. sltnk(sch). 

SLINK, bvw. — Linker. Fr. gauche. Ik heb 'en wond aan mijne' 
slinke' voet. Zij naait mee' heur slinke hand. 

V. D. en Kram. zeggen dat dit w. verouderd is. Hier wordt het dage- 
lijks gebruikt, evenals in 't Hasp. (Zie R.) 

SLINKBPOOT, znw., m. — Iemand die slinks gehand is, die 
zijne linkerhand bczii^t om te werken. (Ook in Brab. en VI., z. Sch. 
Kil. Slinke poot, sinistra manus^ scaeva. 

SLINKS(CH;, ook SLINQS(CH). bvw. — Linksch, linker, Fr. 
gatuhe. De slinks(ch)e hand. (Volgens Kram. vcroud.) 

— Slinks gehand zijn^ z. GEHAND. 

— Nïe(J) slinks vallen^ snedig antwoorden, met behendigheid te 
werk gaan. Hij randde n.ij aan, maar ik, nie' slinks gevallen, pakten 
'eni vast en 'k gooiden 'em op de' grond. 

SLIP, znw., v, — Fr. pan. 

— Spr. Achter oï aan iemands slippen hangen^ hem overal opvolgen. 

— Met zijn slippen in andermans assche zitten, zich moeien met 
andermans zakch. 

— Niemand moet met mijn slippen trekken^ ik heb geene schulden. 

SLIP, znw., v. — Lange snede die ergens dwarsdoor gaat, zonder 
den kant door te snijden. Men snijdt eene slip door het spek en steekt 
er een wiskeu door, waarmede men het in de schouw hangt. 

— Ook diepe en tamelijk lange snede. R. Dat verkeu heet 'en 
slip in zijn oor. De snede in den bek van 'en pen is *en slip. Als men 
kooien plant, steekt men met de schup slippen in den grond en plant 
daar de kooien in. 

— Langwerpige opening in de tm bij het tonspel. De slip telt 200 
punten. 

Kil. Slippe, rr/"'/'7, incisura, 

SLIPPEKENSOOGEN, znw., v., mrv. — Gespleten, schuins 
geplaatste oogcn, zooals dic der Chineczcn. (A.) 

SLIPPEN, w., o., nicl zijn. — Wordt gezeid van eene pen, 
waarvan de punten niet recht meer ovcieenkumen. Die pennen deugen 
nie', ze slippen seflfens. Mijn pen die schrijft nie' meer, ze is geslipt. 

— B. Bij slachteis. Om de huid van een dier dal moet geslacht 
worden, niet te bederven, gccfi men een klein slipken in de keel van 
het beest, en zoekt dan de ader, die men moet doorsnijden om den dood 
te veroorzaken. Die bewerking heet slippen. 




— II23 — 

SLIPPENDI^QER, znw., m. — Fig. SIcepdrajjer, mouwveger. 

SLIP PEREN, w., o. — Slibberen, Fr. glhser. Daarnevens 
SLIBBEREN. 

SLISSEN» w„ b. — Beslechten, beslissen, Fr. d/ciJer, arranger^ 
régUr^ aplanir. De zaaR is zoo geslist. E verschil slissen. (Volgens 
Kram. ver oud.) 

— Slechten, plat leggen, Fr. platter, (A.) 'Ne* wal slissen. 

SLOB, znw., V. — Lage kous, die maar het onderste gedeelte 
van het been, een weinig boven den voel bedekt, (Z. der K.) Wolle' 
slobben. Doet oe' slobben aan. E paar slobben. 

Z. ook VEURVOET. 

SLOBMOUW, znw., v. — Mouw aan een vrouwenkleed of eenen 
jak, eng boven den elleboog en zeer breed van onder. (K.) Die dracht 
bestaat niet meer. 

SLOD, znw., V. — Rij afgekapte kapruin of sclmarli ut, dat nog 
tot mutsaard moet gebonden worden. (K.) 'En slod opbind^ . luke* sloddeo. 
EIze* slodden. Kapruin in slodden leggen. 

— Vod waarmede men de kachel afkuischt. (Z. der K.) 

— *Sch. geeft het w« in den zin van ons sUip, Z. ald. 

SLODDER, znw., v. — Slons, slordig, nalatig vrouwmensch, T. 
(Ook in Brab., z. Sch.) 'En slodder van e wijf. *En vuil slodder. 

— Gemeen meisje, loopster. (A.) Die slodder loopt altijd mè* soldaten. 

SLODDER, znw., m. — Iets dat geslodderd is. Daar lee' nog 
*nen heele' slodder koren. 

— Flard, afhangende lomp. (A.) De slodders hangen van heur kleed. 

— Fig. Aanzienlijke som. Hij heet daar *ne' goeie* slodder getrokken. 

SLODDERACHTIG, bvw. — Slotisachtig. Slodderachtig gekleed 
zgn. 

Kil. Slodderachtig, sordidus^ «<^^'i'<^'«, fiacctdus, 

SLODDERBROÉK, znw., v. — Flodderbrcek, wijde broek. 

SLODDEREN, w., b. — In *t gaan of rijden hier en daar iets 
laten vallen of storten. Gij hèt overal graan geslodderd. Houd oewc* 
zak recht, ge sloddert al ocwen rijs(t). De weg lag overal vol geslodderd 
mè' stroo. Wie heet die haver hier geslodderd ? 

— O., met zijn. Afhangen, afzakken, sprek. van kleedingslukken. 
Ge* kousen slodderen (vallen af). Wördegij nie* gewaar, dat oewen rok 
sloddert ? 

(Ook in Brab., het Hag. en Belg.-Limb., z. Sch.) 
Kil. Slodderen, flaccere, 

— Afl. Slodder èèr^ geslodder. 

SLODDBRKONT, znw., v. — Z. slodder. 




— II24 — 

SLODDERKOOL, znw., v. — Eene variëteit van groene kool 
hoog van stam, doch geenszins de sprut'ikooi, zooa\s Scb. zegt* De slodder- 
kool heeft bladeren ia plaats van spruiten op den stam. 

— Fig, Slons, slordige vrouw, slodder. *En slodderkool van e wgf. 

SLODDERKOUS, znw., v. — Eene kous die te lobbig, te wijd 
is en sloddert of afzakt. 

— Fig. Slordig wijf. Z. SLODDER. 

— Nalatige, onachtzame mensch, Fr, homme negiigent, femme négli- 
gente. 

SLOEBER, znw., m. — Scheldnaam, zooveel als Deugniet, schoA. 
Hij is maar 'nc sloeber. *Ne leelijke sloeber. Dieë sloeber héc* mj 
bedrogen. 

— 'Ne goeU slo'Sber^ een goede sul, Fr. bonasse, *l Is 'ne goeie 
sloeber van 'ne* jongen. 

— We groote sloeber ^ groote jongen, groote lummel. Dieë groote 
sloeber ga' nog naar geen school. *Ne groote sloeber dieên e kind 
mishandelde, 

SLOEBERATIE, znw., v. — Dunne, krachtelooze spijs. Ik eet 
van die slocberatie nie* : ge krijgt er niks mee in ocwen buik. 

SLOEBERDOES (klemt, op does), znw., m. — Naam dien men 
als vcrwijting geeft aan een kind, dat veel en gulzig eet, dat nooit 
genoeg heeft. 

-- Bij Kram. bet. slobberdoes morsige, onzindelijke persoon. 

SLOÊBEREN, w., o. -- Hetzelfde als Slobberen in de Wrdb., 
al slor{)ende eten. D. B. E verken sloeber t. 

— Ook van menschen. D. B. Bij 't eten sloëbercn. *t Is onbeschoft 
van zoo te sloëberen, 

— Afl. Sloebcrècr^ geslo^ber, 

SLOEP, znw., m. — Pantoffel, slof, Yx, pantoufle. Lecre* sloefcn. 
Zij hëct altijd gebloemde slucfkcns aan. 

— Bij Kram. en V. D. bet. slof versleten muil, pantoffel met 
ncergetrapte hakken, doch daarvoor zeggen wij slef en slets, 

— Spr. liet givii daar mei de(n) volle(n) slo'if^ men is er niet 
zuinig, men lecfi er op breed mi voet. 

— Fig. Goede sul, Fr. bonasse. 'Ne sloëf van 'ne* jongen, 't Is 
'ne goeie slocf. 

— Bij timmer I. Eikenhouten plaat, tusschen den zolderbalk op hel 
moergebint gclegil, en waarin de moerstijl met eene pin wordt gewerkt. 

— Ribbe die doorgaans op zijn plat, dwars over twee of drie zolder- 
balkeu tcgeti of in den muur wordt gelegd, om hierop de gebinten roet 
eene pin vast te zetten, Vx. patin, 

— Z. SCHOEN. 

SLOEP, znw., m. — Hetzelfde als Sloof, schort, voorschoot met 
borstlap, dien landbouwers en arbeidslieden bij den arbeid aanhebben. 
(K.) *Ne lijverde' (lijnwaden) sloëf. De timmerlie dragen 'ne' sloëf van 
kuiperskatoen. 



— II25 — 

SLOEPEN, \v., o. — Het op- en neerschuiven van den hiel in 
te groote schoeisels, T. Die schoenen sloëfen : legt er *ne' zool in, 

— Het gaan van iemand die te groote sloffen aanheeft. Sloëft zoo 
Die*« Hij kwam daar al sloéfende aan, 

— Afl. Sloefer, geshy, 

^SLOENSEN, w.y b. — c Sloesteren of de sloester afdoen. Okke- 
noten sloeuseu. » 

Sch. geeft dat w. voor de Kemp. 

SLOESTER, te Antw. ook SN OESTER, znw., v. — De bolster 
of de groene bast eerier okkernoot, Fr. brou* De sloesters van de noten 
afdoen. De noot zat nog in de sloester. 

— V. D. zegt dat sloester verouderd is. Wij gebruiken geen ander w. 

SLOESTEREN, te Antw. ook SNOBSTEREN, w., b. — Van 
de sloester, den bolster ontdoen, sprek. van okkernoten. Okkenoten 
sloesteren. 

SLOETER, znw., m. — Kind dat sloetert. 

SLOETEREN, w., b. — Bij spelende kinderen. Knikkers opnemen 
en er mee gaan loepen, te Antw. Opstarren. (Z. der K.) Wie hee' mijn 
knikkers gesloctcrd ? Pas op veur Jan, want hij zal uw knikkers sloeteren. 

SLOK (in 't W. ook slolêk). Tweede hoofdvorm van Slikken. 

SLOKKEBÈÈR, SLOKKENBÈÈR (in 't Z. en W, sio^kk^-, 
sloëkk^nbitru znw., m. — Bietebauw, ingebeeld wezen, waar men de 
kinderen mee verveerd maakt, Fr. croquemitaine. As ge nie* wijs en 
zijt, zal ek de' slokkebèèr is roepen. 

— Lcelijke mensch. 'Ne slokkebèèr van *ne' vent. Hij is piecies *ne 
slokkebèèr. 

SLOKKEMAN, znw., m. — HcUelfde als Slokkebèèr. 

SLOMMER (uitspr. sldétnm9r\ znw., m. — Iets dat geslomnierd, 
geslodderd ligt. (Z. der K.) Slommer van stroo. Doet dieë' slommer weg. 

*Sch. geeft het voor de Kemp. in de bet. van c bundel kort, slecht 
verdorschen stroo. 9 

SLOMMEREN (uitspr. sloimm9r9n\ w., b. — Hetzelfde als 
Slodderen, laten vallen, rondstrooien. (Z. der K.) Daar is hier overal 
stroo geslommerd. Heel de' vloer lag vol geslommerd. Ziet da* ge gee(n) 
koren slommert. 

SLOMMERINQ (uitspr. slóimmyring\ znw., v., zonder mrv. — 
Wat geslommerd is. (Z. der K.) Slommering van hooi, stroo, enz. Gritselt 
die slommering van hout wa' bijeen. 

SLOMPEN (in 't Z. en W. sloëmpdtC) w., o. — Plomp gaan. Hij 
8k>mpt daar zoo aardig hennen. 

— Afl* Stomper^ geslomp. 




— 1126 - 

SLOOF. Tweede hoofdvorm van Sluiven. 

SLOOF (scherpe o), znw,, v. — Z. SLEEF. 

SLOOIBRBN, w., o. — Hetzelfde als Sluieren. Z. dat w. (N.der K.) 

SLOOR (scherpe o), znw., v. — Goedaardig, sulacbtig, deernis- 
weerdig vrouwmensch. I). B., HfTt., R. 'En goei sloor. Die arm sloor! 
'En sloor van een wijf. Die vrouw is al *en ongelukkige sloor. 

— Ook Slons, slordig vrouwmensch, Fr. salope. *En vuil sloor. Ze* 
wijf is maar 'en sloor. 

SLOOR (scherpe 0), znw., v. - Koolzaadplant, Fr. colza^ navette, 
D. B., Hflt. (Door V. D. als gewest, vermeld.) Slooren leggen. De slooren 
zijn bcvrozen. 'En sloor uittrekken. 'En plek slooren. 

— Kil. Sloore, sloor-koole, hrassica cumana, laevis^ rubra, 

SLOORSMOUT, znw., o. — Koolzaadolie, Fr. Au/Tf de colna. 
SLOORZAAD, znw., o. — Koolzaad, Fr. graine de colza^ navette. 

SLOOTEN, w., o. — De slooten zuiveren van bet slijk en onkruid. 
(N. en O. der K.) 

SLOP, znw., o. — Doorgang door eenen houtkant over eene gracht, 
om naar cenen akker te rijden. (K.) 
Ook Mennegat. 

SLOT, znw., o. — Fr. serrure, Z. Wrdb. 

— Slot hebben ^ goed sluiten. Da' kleed hée' gee(n) slot in de lec. 

— Gep. w. Slot noch band. Aan da' kleed is slot of band (het 
is te wijd, hel past niet). 

— Spr. Geen) slot in zyne(ri) buik hebben^ wordt gezeid van iemand 
die aanstonds na het drinken w^ateren moet. 

— Zyn gat in '/ slot doen^ z. GAT. 

— Afgesloten plaats in een klooster, waar 't den vreemdelingen 
verboden is in te gaan, Fr. clóiure. D. B. 

— Eirond, open- en toegaande gouden tooisel, dat de vrouwen eertijds 
op de borst droegen of nog dragen, aan een kettingsken, een snoer of 
een lint vastgemaakt. Me' moeder zaliger droeg e gouwe' slot. 

— Bij mulders, leder van de stukken hout, die lusschen den ezel 
en de pasbrug gesloken worden. 

— Ook ieder van de houten, die dienen om den pasblok te doen 
verschuiven. 

— > Ook soort van klamp met twee gaten achter de roeden van cenen 
molen. 

SLOTHAAK, znw., m. — Gesmede ijzeren haak om een slot te 
openen, waarvan men den sleutel niet heeft, Fr. crochet. 

SLOTKAS, znw., v. — De afsluiting in plaatijzer, waarin het 
slotwerk vastzit, ¥t, palastre^ paldtre^ cloison^ botte de serrure.'D^'B, 



— 1127 — 

SLOTKLBPKE(N, znw., o. — Eene kleine scharnier met kram; 
deze kram vali in het slot en ontvangt de tong, Fr. moraülon^ auberon- 
niêre. Sloten met klepkens worden meest gebruikt aan koffers. 

SLOTPLAAT, znw., v. ~- De plaat van eene slotkas, waardoor 
men den sleutel steekt, ¥r, foncet, D.B. 

SLUIER, znw., m. — Gordelband, sjerp, Fr. écharpe. D. B, Den 
börgemeeslcr had zijne' sluier aan. 

— Zwarte gordelband der priesters, Fr. ceinture, D, B. 

SLUIEREN, in 't N. der Kemp. ook SLOOIEREN, w., o. 
— Iel laUn slut'eren^ op zijn beloop laten, er niet naar omzien, ver- 
waarloozen. D. B. (Ook in Brab., z. Sch.), bij M. sloeren. As ge 'en ziekte 
laat sluieren, dan wordt ze dikwijls ongeneesbaar. Ge zoudt met den bouw 
van oe' huis moeten beginnen, maar ge laat alles maar sluieren. « Maar 
ge moogt dit niet laten sluieren^ vriend ; wil ik dadelijk, dadelijk naar 
den doctor loopen ? » (Zetternam. Eene zonderlinge Bedelares.) 

— Wordt ook gezeid van dingen, vooral ziekten, die lang duren. 
Die ziekte slooiert al meer as e jaar. 't Is al lank, dat da' proces sluiert. 
Die zaak blijft slooieren. 

SLUIF, znw., v. — Zoom, omgenaaide land die langs weerskanten 
open is en waar een lint, eene koord, eene roede of zoo iets doorschuift. 
Aan de gordijnen is eene sluif, waar een linl of eene gard doorsteekt 
om ze te hangen. De sluif van eene beurs is de omgenaaide rand waar 
het snoer doorschuift, met hetwelk men de beurs toestropt en vastbindt. 

— Hetzelfde als het Holl. Sleuf, groef waar iets inschuift, Fr, canne- 
lure, coulisse. 

— Scheede van de roede eens peerds. T., R., bij Kil. sloove, 

SLUIM, znw., V. — Erwtpeul zonder vlies, Fr. cosse^ gousse, 
(Z. der K.) T., R., Mdnl. slume. 
Kil. Sluym, cortex , siliqua, 

SLUIM ERTEN, znw., v., mrv, — Erwten die met yieul en al 
geëten worden. (A. en Z. der K.) T., R. 

SLUIS, bw. — Komt voor in de uitdrukking sluis geraken^ te 
recht geraUcn, zijn doel bereiken. (Z. der K.) Hij moet nie' naar da' 
meiske gaan, want hij zalder toch nie' sluis geraken (hij zal ze niet krijgen). 
Ik moest loo fr. leenen en, na lank rondloopen, ben ik bij Jan sluis 
geraakt (hij heeft mij de lOO fr« geleend). 

SLUITEN, w., b. — Z. Wrdb. 

— O. Gesloten worden. De herbergen sluiten hier 's Zondags om 
10 uren. 

— Gesloten huis^ huis waar geen handel gedreven wordt. T. 

SLUITKÖRF, znw.. m. — Korf, .met één of twee deksels gesloten. 
T., Kl.-Br. 

SLUITLAAQ, znw., v. — Binnenlaag van graanschooven op eene 
mijt of eeaea Las. T., Kl.-Br. 



1 



— II28 — 

SLUITLIKKBRy znw., m. — Bg schoenmakers. IJzeren likker 
met eeiieii pUiteii uitstekenden tand id 't midden, om den zool toe te 
likken met de randen, 

SLUITPIN, znw., V., SLUITSTEK, SLUITTAP, m. — Bij 
timmer!. Groote houten spie, die men in de pin van eeue schee slaat 
om de vergèring samen te houden. 

SLUITPLANK, znw., v. — Bij timmerl. Plank waarmede de 
laatste opening in eenen planken vloer, een beleg, beschot, enz. dicht- 
gemaakt wordt. 

8LUITR0BI, znw., v. — Bij wevers. Platte lat die gevestigd 
wordt op het dromroeiken, om dit in de groef van den buikboom gesloten 
te houden, als men een stuk lijnwaad begint te weven. 

SLUITSTEK, znw., m. — Z: sluitpin. 
SLUITTAP, znw., m. — Z. sluitpin. 

SLUITWIEL, znw., o. — Bij horlogicm. 'Een wiel dat op den 
uitlichter of hefboom werkt met eene pen, om den slag te sluiten. 

SLUIVEN, w., o., met «y«. — Wordt gezeid van het afschuiven 
van de koord eens werptols. (K.) R., T. Als ge uwen dop te los opwindt, 
dan sluift de koor(d) er af. De koor(d) sloof van mijn non. Z. afsluiven. 

SLUIZEN, w., o. — Bij kelelaars. Den bol slepend over de baan 
werpen (Z. der K.), elders Reuxelen. 

SLUIZENDE, bw. — Sluizende vol, boordevol. (K.) De grachten 
staan sluizende vol water. 

8LUIZENOOT, znw., v. — Soort van groote hazelnoot, ook 
Lombaardsche noot geheeten, die in de hoven gekweekt wordt, bij 
Hffl. en Kram. s/ui'snoot, hazelnoot. (N. der K.) 

SLUM, enz., z. slim en vlg. 

SLUNS, znw., v. — Hetzelfde als Slons, Fr. salope. (Z. der K.) 

SMACHTKOP, 8MACHTLAP, znw., m. — Scheldnaam, zoo- 
veel als Smeerlap. Du leelijke smachilap ! 

SMACHTPUT, znw., m. — Sterfput, overdekte put waar het 
vuil water in loopt en versmacht. 

SMAK, znw., m. — Smertelijke gebeurtenis, 't Is 'nen harde smak 
veur die vrouw, heure' man zoo vruug ic verlieren. Hij heet tien duzend 
frang aan die onderneming verspeeld : 't is 'ne leelijke smak venr hem. 

— '*' Volgens Sch. bet. het hier en daar in de Kemp. c koord. > 

SMAKELIJK, bvw. — Z. Wrdb. 

— Wordt gezeid bij wijze van groet, wanneer ds personen bij wie 
men binnentreedt aan tafel gezeten zijn en zullen beginnen te eten of reeds 
begonnen zijn. 



— II29 — 

— ^Ne smctkelgke ! of 'ne smakelifke middag! afscheidsgroet tot 
iemand die gaat eten» 

— SmcLkelyk lachen^ hertel^k lachen. Hij kan zoo smakelijk lachen ! 

SMAKKEN, w., b. — Het werpen en opvangen, sprek. van bak- 
steenen, die door eenen werkman achtereen volgeud geworpen worden 
naar eenen anderen, die ze opvangt, bg D. B. muizen. De steenen uit 
het ichip smakken. Ze zijn bezig met steen te smakken. 

SMAL, bvw. — Zyn eigen smal hou{d)en, zich koes houden. 

SMALBBKKBN, w., o. — H«t schrap aanleggen, zuinig leven, 
het smal hebt)en. (Ook in 't Hag., z. Sch.) Ze' geld is wgd geschoven, 
hij zal moeien smalbekken. Gij hèt 'et eertijds breed gehad, maar nu 
zulde mcugen smalbekken. 

— Volgens Sch. zou men te Antw. in dencelfden zin ook sperre» 
bekken gebruiken. 

SMED, znw«, m. — Smid, Fx.forgeron, (Z. der K.) 

SMÈÈR, znw., o. — Karsmeer, wagensmeer, Fr. camöouis, 

— M. Hetgeen dient om op het brood te smeren, zooals boter, 
spekvet, enz. We zullen droog brood moeten eten, want we hebben 
geene' smèèr meer. 

— Het smeren, het smullen, Fr, bonne chêre. Veur de' smèèr zgn. 
Hij houdt van de' smèèr. 

— V., niet m. Oorveeg, lap. R. Iemand 'en smèèr omzgn ooren geven. 

— Zonder lidw. Rammeling, pak slagen. Smèèr krijgen. Iemand 
smèèr geven. 

— Spr. Om de{n) wille van het smèèr ^ lekt de kat de(n) kandelèèr, 
z. KAT. 

SMÈÈRBOS, znw., m. — Scheldwoord, bijna hetzelfde als Smeer- 
lap. Dieë leelijke smèèrbos ! 

SMÈÈRBUIK, znw., ra. — SmuUebroer, Fr. gourmand de bonne 
chère. 

SMÈÈRHOOS, znw., v. — Vuile vrouw, morsebel. (Lier.) Zoo'n 
smèèrhoos, ge zoudt ze mè* geen tang aanpakken ! 

SMEERHOUT, znw., o. — Hout dat men onder de kar zet, 
als men de as smeert. 

SMÈÈRLAPPEKEN^ znw., o. — Z. scuèèriap. 

SMEERLAPPEN, znw., m., mrv. — Dadels, de vrucht van den 
Pheenix dactylifera^ ook Engelsche v^gen genaamd. 

SMÈÈRLAPPERIJ, znw., v. — Plandel wijze van eenen smeerlap. 
(Ook iu Vl. en Limb., z. Sch.) Zoo iet doen is smèèrlapperij. 

— Vuiligheid, morsig werk. Ik lees zoo'n smèèrlapper^ nie*. Doet 
die smèèrlapperij weg. Da' werk is 'en eerste smèèrlapperij. 




SMÈÈRPARTIB, znw., v. — Smulpirtij, smulfeest. Hij houdt 
veel van 'en smèèrparde. 

SMÈÈRPOT, znw., m. — Fig. Vuile, onzindelijke vent, vetlap. 
Wa* vuile smèèrpot van *ne' vent ! 

SMÈÈRROBS (uitspr. 5merroes% znw., m. — Vuile, onzindelijke 
mensch. (K.) Zoo 'ne smèrroes ! Ge zoudt 'em mè' geen tang aanpakken. 

8MBGGBLBN, 8MBKKBLBN, w., o. — Z. meggelen. 

SMEPSBN, w., o. • Smakken, bij T. smetsen. [Z. der K.) Hoort 
'em smepsen ! Smepst zoo nie*. 

— Afl. Smepser^ gesmeps, 

*SMBRBLKBN, znw., o. — c Duif met een klein beksken. > 
Sch. geelt dit w. voor Antw. Z. SMIRREL* 

SMEREN, V .. b. — Z. Wrdb. 

— Iemand pap of siroop aan den haard smeren^ z. BAARD. 

— O. Gesmeerd worden. Die boter smèèrt slecht, ze is te hard. 

— O. Smullen, smulfeest houden, lekker eten en drinken, Yx^ faire 
honne chère. Ze doen daar nie' as smeren. Hij doe* nie* liever as smeren 
en kermis houden. 

— Gep, w. SmulUn en smeren^ téren en smeren, z. TÉREN. 

SMËRING, znw., v. — Rammcliuo, rossing, Fr. racUe. (Ook in 
VI. en Brab., z. Sch.) Hij kreeg 'en smèring die van geen stroo en was. 

SM BRT (uitspr. smdt)^ znw., o. — Ontveiling tusschen de oksels, 
den hals, den aars, enz., bij kleine kinderen. 

SMBRTBN (uitspr. smatUn)^ w., o., met zijn, — Wordt maar 
gebruikt in 't verl. dlw. gesmert. Z. ald. 

SMET, znw., v. — Bij wevers. De roode, groene ot zwarte plek 
die van afstand tot afstand in de keting gemaakt wordt, als zij op den 
scheermeulen geschoren is. 

— De ruimte of afstand tusschen twee smetten, d. i. 5 of 6 ellen. 
'En smet weven. Da' stuk is 15 smetten lank. ^Ook bij D. B.) 

SMBTDRAAD, znw., m. — Bij zagers, timmerl., enz. Koordje 
met zwaitsel of roodsel bestreken, waarmede men iets afteekent. De 
zagers gebruiken den smetdraad om eenen boomstam te smetten eer zij 
hem doorzagen. D. B. 

*SMBTS(CH), bvw. — « Flauw, zouteloos, walgachtig, walgelgk 
van smaak. Wat smaakt dat eten smetsch. » 

Sth. geeft dat w. voor Brab., KI.-Br. en Antw, 

SMETTEN, w., b. -- Bij zagers, timmerl., schilders, enz. Met 
den smetdraad alteekenen, Fr. tringUr, D. B., T., R. 'En plank, *ncn 
boomstam smetten. De smetdraad wordt aan de twee uiteinden gespannen ; 
men trekt hem in 't midden op, laat hem plotseling nederslaan en zoo 
smet men eene rechte Ign op het voorwerp. 



— II3I — 

SMID, in 't Z. SMBD, znw., m., vrklw. smeke{n^ smtdje{n en 
snudjeifiy mrv. sme{d)ers^ niet smeden. Ft. forgeron, 

SMIEK. Tweede hoofdvorm van Smaken. (Z.-O. der K.) 

SMIBRBL, znw., m. — Z. smirrel. 

SMIERUS, ZDW., m. — Iemand met een goedaardig uiterlgk, 
maar die vol valsche streken zit. (K.) 't Ziet er zoo 'ne smieros uit. 
'Nen heimelijke smienis. 

SMIJT, znw., m. — Worp, Fi, jet. (A.) Bg den eerste* smijt 
wierp bij vijf kegels om. 

— Harde slag of klets, bg D. B. smete^ sfneet^ v. (A.) Iemand 'ne' 
smijt geven. Van iemand 'ne' smijt krijgen. 

SMIJTEN, w., b. — Slaan, Fr. /rapper^ Eng. to smite, D. B. 
(Z. der K.) Aleester, hij smijt mij altijd. Ik wil nie' gesmeten zijn. Gij 
smijt en gij slaagt gedurig. 

— Werpen. Z, Wrdb. Onder de noten smijten kan beteekenen : 
I* er onder werpen; 2** er onder slaan met eenen stok. 

SMICHEL. SMIGQEL, SMIKKEL, znw., m. — Mond. Houdt 
oewe' smichel, of ik zal der op slagen. 

SMICHELEN, SMIGQELEN, SMIKKELEN, w., o. -> 
Lustig eten, smullen, bij B. smikkeUn. (Ook in Brab., z. Sch.) Wij hemmen 
daar goe' gesmikkeld. Hij houdt van te smiggelen. 

— Afl. Smikkelèèr^ gesmikkeL 

8MIKSEN, w., o. — Hetzelfde als Smichelen, smiggelen of Smik- 
kelen, bij D. B. smgkstn. Wij zullen eens lekker gaan smiksen. 

SMIKSMOELEN, w.» o. — Lekkebaardeo. (Z. der K.) Hij «mik- 
smoelde vaudeeg. 

SMILTEN, w., b. en o. — Smelten, Fr. fondre, Hflft. Die peren 
smilten in de' mond. Lood smilten. 

— Verg. Smilten gelijk meeuw veur de zon. 

8MINKEL, znw., m. — Z. SMICHEL. 

SMIRREL, ook SMIEREL, znw., m. — Soort van kleine duif 
met witten kop en hals, bij D. B. smz'erel, 

SMIS, znw., V. — Hetzelfde aU Smidse, werkplaats van eenen smid, 
Fr. for^e, (Ook in Brab., Limb. en 't kanton Axel, z« Sch.) 

— Spr. Op de{n) meulen en in de smis^ daar zyn de leugens gewis^ 
z, MEULEN. 

SMISASSCHB(N, znw., v. — Asch uit den smidsheerd, Fr. 
eendre de forge, fraisil. 

SMISBED, znw., o. — De heerd der smis, Fx, foyer deforge. 



— 113^ — 

SMODDER, ZDW., m. — Modder, slijk, dun slgk op de wegeo. 
D. H., T. De straat lee* vol smodder. 

— Smoorregen, motregen, Fr. bruine. Daar valt 'ne vuile smodder. 
Alle dagen met dieë' smodder! 

SMODDERACHTIG, bvw. — Modderig, slgkerig. 'Ne smodder- 
achtige weg. 

— Wordt gezeid van het weder, wanneer het aanhoudend motregent. 
'Et weer ziel er smodderachtig uit. 

SMODDEREN, w., o. — Morsen, in slijk en vuilnis roeren. R. 
Dieë kwajongen zit gedurig in 't slijk te smodderen. 

— Kus&en, in onganstigen zin. Kussen en smodderen. 

— Mistregenen, motregenen, Fr. bruiner* 't Heet heel den dag 
gesmodderd. 

— Afl. Smodiferêèry jresfnodder 

SMODDERRÈGBN. SMODDERRÈQER, znw., m. — Mot- 
rege.i, mistregen, Fr. bruine, 

SMODDERWEER, znw., o. — Een weder, waarbij het aan- 
houdend smoddert of motregent. £ vuil smodderweer. 

SMOEL, znw., m. en v. — Muil. Z. Wrdb. (Ook v. bijj.) 

SMOEL, znw., m., zonder lidw. — Smoel in iet hebben^ er vermaak, 
voldoening in hebben. (Ook in Holl., z. oppr.) Ik heb er smoel in, da' 
mijne jongen zoo goed leert. Hij hee' smoel in ze* verken, omdut 'et 
zoo goc' groeit. 

SMOELBAND, znw., m. — Muilband, Fr. muselière, (A.) Hij 
laat zijnen hond zonder smoelband loopen. 

SMOKEN, w.. o. — Z. Wrdb. 

— Gep. w. Koken en smoken. Altijd koken en smoken. Daar wordt 
gekookt en gesmookt. 

SMOKKELEN, w., o. — Mistregenen, motregenen, 't Heet den 
heelen dag gesmokkeld. 

8M0KKELL0CHT, znw., o. — Overtrokken lucht, waarbij het 
aanhoudend smokkelt. 

SMOKKBLRÈQEN, «nw., m. — Motregen. 

SMOKKELTJE, znw., o. — Kort aarden tabakpijpje. (K.) 

SMOKKELWEËR, znw., o. — Een weder waarbij het gestadig 
smokkelt. 

SMOOR (in 't N. en W. met scherpe, doch in 't Z. met zachte o 
uitgebpr.), znw., m. — Rook, smook, ¥x,fumée. De smoor van 't vier. 
Heel 't huis was vol smoor. 'En wolk smoor. De smoor van den toebak 
hée' me gepakt. 




— "33 — 

— Mist, damp in de lucht, Fr. hrouillard, D, B. (Ook in Brab, 
en Limb., z. Sch.) Nat zijn van deur de' smoor te gaan. Daar hangt 
'nen dikke smoor in de locht. As de smoor optrekt, dan zal 't schoo(n) 
weer zijru Nie' zien van de' smoor. 

SMOORACHTIG, bvw. — Mistig, sprek. van het weder. D, B. 
Smooiachtig weer. 

SMOORBERD, znw., o. — Horizontale plank ter zijde in den 
boezem van de breede schouwen der boerenhuizen, b.j D. B. rookherd% 

SMOORDBR, znw., m. — Rooker, Fr. ftimeur. 'Ne groote 
smoorder. 

— Steenkool die veel rook afgeeft. Die kolen zijn oprechte smoorders. 

— Halfvcrbrande houtsktiol. Pakt di<?' sinoorder uit 'et kaffoor. 

SMOOREN, in 'i Z. SMOREN, w., o. — Rooken, smoken, in 
rook opgaan, FT.fumer. 'Et smoort geweldig in dat huis. 'Kt vier smoor- 
de, da' ge nie' en zaagt van de' smoor. Die kolen branden goed, maar 
zij smooren te vcul. Ziet die lamp is smooren! In dezen zin zeggen wij 
ook rooken, 

— B. en o, Rooken (eene pijp of sigaar). D. B. Hij smoort veul te veul. 
En sigaar smoren. Hij smoort altijd zwaren toebak. In dezen zin zeggen 
wij nooit rooken, 

— Verg. Smooren gelijk *nen Turkt gelijk ^en fabriekschouv). 

— Spr. ^En leeli/'ke pt/p of 'en vuil pi/p smooren^ z. PIJP. 

— Onp. Misten, Fr. faire du brouillard, D. B. 'Et heet den heelen 
dag gesmoord. 

— Fig. Niet pluis zitten, er woelig toegaan, gekijf of gevecht zijn. 
(Ook in Brab. en O.-Vl., z. Sch.) 'Et smoort somtijds in dat huishouwen 
(men maakt er luzic). 't Zou er smooren, as de Frans(ch)aian en de 
Pruis moesten aanecngerakcn (aan 't vechten vallen). 

— In den zin van In den rook hangen, Vr.fumer^ saurer^ zeggen 
wij rooken^ niet smooren. Hespen rooken in de schouw. Gerookt spek. 

*Sch. geeft het ook voor Biab. en Antw. in den zin van Pruilen, pratten. 
Kil. Smooren, fumare^ vaporare^ exhalare. 

SMOORGERIEP, znw., o., zonder mrv. — Benoodigd heden van 
den rooker. 'Ne goeie .snioorder heet aliijd zij' smoorgeii f bij. 

SMOORKOT, znw., o. — Een huis waar hel fel tookt. Zijn huis 
is e smoorkot, ge ziet er nie' deur van de* smoor. 

SMOORLOCHT, SMOORLOECHT, znw., v. - Mir,iludii, 
Fr. air brumeux. 

SMOORRÈGEN, SMOORRÈGER, znw., m. — Misircgen, 
motregen, Fr. bruine, 

SMOORWEBR, znw., o. — Mistig weder, Kr. tempx brumeux, 
SMOREN, w., b. en o. — Z. smooren. 




- II34 - 

8 MOS, znw., V. — Vuil, slordig, onzindelijk vrouwmenscb, bg T. 
smoes. 'En smos van e wijf. '£n vuil smos. . 

— Sch. zegt dat smos de Kempiache uitspraak is van smots. Dat 
is niet zoo : smos is niet hetzelfde als smots. 

SMOS, znw., m. — Eten waar iemand in gemorst heeft, onreine 
spijs, Hgd. SchmaiiSt bij T. smoes. Hij laat z^ne' smos staan. Dieë' smos 
eet ik ook nie' uit. 

SMOSBABBELÈÈR, znw., m. — Karamel van suiker, veten 
bloem. (Z. der K.) 

SMOSKONT, znw., v. — Vrouwmensch dat gewoon is te smosseo 
of te morsen. 

SMOSPOT, znw., m. — Iemand die gedurig morst of smost. 

SMOSRËGEN, SMOSRÈGER,znw., m. — Fijne, aanklevende 
regen, smodderregen, bq Hfft. smodsregen, 

SMOSSEN, w., o. — Morsei^ met vuil, nat werk bezig zijn, 
Fr. tripoter ^ Hgd. schmutzen^ Eng. to smut^ bij T. smoesen. In 't water 
smossen. Hij smost den hcelen dag. Jongen, smost nie' in da* slijk. 

— In 't bijzonder Morsen bij 't eten, gelijk kleine kinderen doen, Hgd. 
schmausen^ bij T. smoesen, Dieë jongen smost altijd mè' zijn eten. 't Is 
vleselijk, as ge zoo in 't eten zie' smossen. 

— Afl. Smosser^ gesmos. 

— Onp, Motregenen, mistregenen, Fr. bruiner, 't Hée* vandaag den 
heelen dag ge^iinost. 

SMOSSTBK, znw., m. — Snoeperg, vervaardigd van suiker, vet 
en bloem. De smosstekken zijn lo a 12 cm. lang en in een papiertje gerold. 

SMOSWBER, znw., o. — Een weder waarbij het aanhoudend 
smost of motregent. 

SMOTS, znw., V. — Gemeen onzedelijk vrouwmensch. Z. Wrdb. 

— Verzameling opeengenaaide lappen, dienende om heete of zwarte 
voorwerpen, zooals ketels en polten van 't vuur te nemen of er over 
te hangen ^K.)» in 't N. der Kemp. en te Antw. Kwesel en in 't Z. Plod 
genaamd. 

SMOTSKE(N, znw., o. — Kon eindje kecrs. Houdt de smotskens 
bijeen, die kunnen nog is dienen. Daar sta* nog e smotskcnop de' kandelèèr. 

— Vuil, doorgerookt aarden pijpje. Hij smoort altijd uit e smotsken. 

— Bij G. is motse eene korte afgebroken pqp, vroeger een kort 
aarden pijpje. 

SMOUS, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Spotnaam der inwoners van Westmalle. 

SMOUSJAS, znw., m. — Een jasspel met de kaart, dat getweeën 
gespeeld wordt. 'Ne' smousjas doen r=s smousjassen. 




- "35 — 

8M0UT| znw., o, — Olie, uit zaad geslagen. (Ook Brab. en Belg.- 
en Holl.-Limb.y z. Sch ) E vat smout. Pataten bakken mè* smout. Smout 
slagen. Er is raapsmout, sloorsmout en lijzesmout. 

— Bij D. B. beteekent smout verkenslies, reuzel, Fr. saindoux. 

SMOUTBOL, SMOUTENBOL, znw., m. — Balletje beslag 
of deeg in smout gebakken. 

— In 't Z. der Kemp. geeft men dien naam aan •! ^ appeltjes die op de 
eikebladeren groeien. 

SMOUTMEULEN. znw., m. — Olieslagerrj. 

SMOUTPÈÈR, znw., v. — Z. Wrdb. 

— Fig. Hevige klets klap op de kaak. Ik gaf 'em 'en snioutpèèr, 
dat em draaide gelijk 'nen top. 

SMOUTPLAK, SMOUTPLEK. znw., v. — Olievlek, T., R. 

SMOUTSLAGER, znw., m. — Olieslager, Fr. huüier. 

SMOUTSLAQERIJ, znw., v. — Olieslagerij, slagmeulen, Fr. 
huiierie. 

8MOUT8TOOP, znw., m. — Stoop waar men smout in doet. 

— Verg. Deurtrokkengelgk 'n^smoutstoop, doortrapl, listig, geslepen. 
Dieê kerel is deurtrokken gelijk 'ne smoutstoop. 

SMOUZEN, w., b* en o. — Oneerlgk handelen met meer te doen 
betalen dan men trekken moet, met stoffen van mindere weerde te 
gebruiken aan een werk, om alzoo meer te winnen, enz. Dieön aan- 
nemer heet aan dezen bouw meer as looo frang gesmousd» Den timmerman 
heet aan da' werk de helft gesmousd. De rekening kan zooveul nie' 
bedragen, ik geloof dat ge er onder smoust. 

SMUISTER (uitspr. smdsfjr), znw., v. — Morsebel, vuil, slordig 
wijf, Fr. salope, (K.) 

SMUISTER (uitspr. smöst^r)^ znw., m. — Onreinheid, afval die 
besmeurt. (K.) Doet dieë' smuister van de tafel. 

SMUISTEREN (uitspr. smó'st^r^n), w„ b. en o. — Morsen, 
smeuren, bevlekken (K.) Dieë jongen smuisitert heel zijn klccren vol. 
Smuistcrt zoo nie' mee' oevv eten. 

— Afl. Smnisterèèr^ gesmui&Ur^ bcstnuisieren. 
Kil. Smuysleren, linere^ ungere. 

SMUL. /.nw., in. en niet v. — Z. Wrdb. 

SMUL, SMULKONT, znw., v. — Vrouw die smult. Die Mie 
is 'en eerste smul. 

SMULLEKE^N, znw., o. — Baardbrandeiken, kort aarden pijpje. 
B. (K.) Hij heet aliijd e smuUeken in zgne' mond. 

SMULPARTIE, znw., v. — Smulfeest. 



— II36 — 

SNAAR, ZDW., V. — Z. Wrdb. 

— Spr. Daar is 'en snaar aan los^ hij is niet wel wijs. Z. ook vijs. 

SNAAR, znw., v. — Bij landb. De steel van eene zeisen. (K.) 
*Sch. en T. hebben daar snaat voor. 

SNABBBN, w., o. — Snauwen, bitsig toespreken. Meest gebruikt 
in de sam. tegensnabben en toesnahben. 

Gep. w. Habben en snabben^ z. habben. 

SNABBER en SNEBBBR, znw., m. — Mond, muil. Houd 
oewe' snabber. Hij slaaj^t overal zijne* snebber tuss(ch)en. 
*Sch. geeft snabbel voor Antw., VI, en Zeel. 

SNAB BEREN, SNEBBEREN, w., o. — Snappen, snateren, 
¥x^ babilier^jaser. Da' vrouwvolk kan iet doen van snabberen* 

— Art. Snabberèèr, f^csnabber, 

SNABBERKONT, znw., v. — Babbelzieke vrouw. 

SNADDER en SNEDDER (K mp. snadd9r\ znw., m. — Muil, 
mond. T., K. Hij kan zijne' snadder nie* houwen (niet zwijgen.) Ze is 
op heure* snedder nie* gevallen (zij is goed ter taal), 

— * Volgens Sch. zou het te Antwerpen beteekenen : € dwaling in 
een boek. » Is dèt geene dwaling? 

SNAPPEL, znw., m, — Schertsend voor Mond, (Ook in Brab., 
z. Sch,) Hij viel op zijne* snaffel. Houd oewe* snaflfel toe. 

SNAFFELEN, w., o. — Snuffelen, Yx. fureter, fouilUr, (K.) 

— Icvf) niks te snajfelen hebben^ er niets te zeggen, niets in te 
brengen hcbb«.n. Gij hèt hier niks te snafTelen. 

SNAK, znw., m. — Snik, Fr, sanglot, 

SNAKKEN, w., o. — Snikken, Fr. sangloter. Hij grees dat hij 
snakte. 

— Naar zijnen asem snakken^ moeilijk adem halen. 

SNAPPEN, w., b. — Z. Wrdb. 

— 1' i^. Borrels drinken. *£n borrel snapp>en. Hij heet er vandaag 
vcul gesnapt, want hij is weeral zat, 

SNAPS, znw., m. — Genever, Hgd. Schnaps. (Ook in VI., Brab. 
en Limb., z. Sch.) Ik ben nie' veur de' snaps. Hij hée* van zijn leven 
veul snaps gedronken. 

SNARIQ, bvw. — Gretig, met lust en smaak, (A.) Snarig eten 
(met veel smaak eten). 

— Wakker, vlijtig, ncerstig. (Z, der K.) D. B. £ snarig meiske. 
Snarig werken. 

^SNARRIQ (uitspr, j«ari^), bw. — Beteekcnt, volgens Sch., in 
de Kemp, Aardig, geweldig, woelig. Het ging er snarig in dat huis. 



— II37 - 

SNARS, SNBRS (Kemp. ook sftds), znw., m. —Afval van vleesch. 
Geeft dieë* snars aan den hond. 

SNARSHONDEN, znw., m., mrv, — Scheldnaam, gegeven aan 
de bemanning der vloot, uit een diietal schepen bestaande, die vóór 
Antwerpen lag na de jaren '30. Die bemanning bestond voor een groot 
deel uit gemeen volk. Hun kost was niet veel weerd en werd door 't volk 
snarzehürt/ en de mannen zelf snarshonden geheeten. (A.) 

SNARZELDERIJ, SNERZELDERIJ, znw., v. - Z. snars. 

SNARZELEN, SNERZELEN, w., o. — Knarzelen, knagen. 
Onrqp fruit snarzelt tuss(ch)en de tanden. Dicë jongen zit altijd op iet 
te snerzelen. 

— Afl. Gesnarzelf gesnerzel, 

SNARZEN, SNERZEN, w., o. — Z. snarzelen. 

SNASSBL, znw., m. — Hetzelfde als Snabbel, snadder, 

SNASSEL, znw,, v. — Vrouw die snassclt. 

SNASSELBAARD, znw., m. — Nababbelaar, nasnapper. (N.-W. 
der K.) 

SNASSELEN, w., b. — Veel onrijp fruit eten. (K.) Appelen, 
peren snassclcn. Ook Snatsen, Snetsen, Snaxen en Knijsen. 

— Afl. Snasselcèr ^ gesnnss^/, 

— Snateren, babbelen. (N -W. der K.) Snasselt zoo nie'. 

SNATSEN, ook SNETSEN. w., b. — Veel onrijp fruit eten, 
snasselen. (K.) (Ook in Limb., /• Sch.) Appelen snatsen. Dicë jongen 
snatst den heclen dag. Snetsen verbeeldt het geknars van fruit tusschen 
de tanden. 

— Afl, Snatser^ sneiser, gesnats, gesnets. 

SNAZEN (zuiveren), w., b. — Hi /.elfde als Snaiscn. (K.) Fruit 
snazen. 

— Afl. Snazer^ gfsrtaas, 

SNEBBELEN, SNEBBEREN, w., o. — Smullen, snoepen. 
(Z. der K.) Zij snoept en zij snebbert den heelcn dag. 

SNEBBER, SNEDDER, zow., m. — Z. snabbek en snadder. 

SNEBBEREN, w., o. — Z. snabberen en snebbelen. 

SNEBBIG, bvw. — Bijlend, bits. (K.) Iemand e snebbig antwoord 
geven. Hij sprak mij zoo snebbig aan. 

SNEE, znw., v. — Z. Wrdb. 

— Bij metsers. Vermindeiing van de dikte van eenen muur, van 
eene plint, Fr, retrait^y recoupement. Op ecnen meter hoogte van den 
grond zult ge een snee laten. De sneeën nuiken trapkcns in den muur, 

— Bij 't gemeen volk voor Vrouwelijk schaamdeel. 



Idioticon, 73 




— "38 - 

— levers de snee van weghebben ^ er het fijne, het volmaakte, het 
geheim van kennen, b. v. om iemand te overtuigen, om te praten, zijnen 
stiel wel te doen, enz. 

— Snee geven^ zijn uiterste best doen, katoen geven. Z, KATOEN. 

— M. Op zgne{n) snee zyn^ op zijn beste zijn om te gebruiken, 
sprek. van bier, enz. (K.) R. Het bier is nu zjust op zijne' snee. 

— Eetlust hebben. Ik ben vandaag op mijne' snee nie' (ik kan niet 
eten). As i op zijne' snee is, kan hij gemakkelijk 'en half brood opeten. 

— In zijn vroolijk humeur zijn. Jan was gisteren avend weer op 
zijne' snee : wat heb ik er moeten mee lachen ! 

SNÈÈR, znw., v. — Vrouw die gewoon is op luiden, scherpen 
toon te spreken. (A.) Hoe wijder dat die snèèr van ons afblijft, hoe beter. 

Z. SNEREN. 

SNEEUW, znw., m. en niet v. — Fr. neige, J., T., Kl.-Br., G. 
(Ook in Limb., z. Sch.) 

— Spr. Hij zal nog zwarten) sneeuw zien {vliegen)^ hg zal nog 
veel moeten lijden. 

SNEBUWBALLBKEN, znw., o. — Fig. Borrel klare jenever 
met een klontje broodsuiker. 

SNEEUWEN, w., onp. — Z. Wrdb. 

— Spr. '/ Sneeuwt nog in mijne{n) zaè, ik heb nog veel zilveren 
geld in den zak. 

SNEEUWJAAR, znw., o. — Eenjaar dal er veel sneejw gevallen 
is. Zie eene spreuk daarover onder hooi/aar, 

SNEEUWPLANK, znw., v. — Bij timmerl. Plank die over de 
geheele lengte van het dak, boven de goot, in eene op zijde staande 
houding aan sterke ijzers is vastgemaakt, om de sneeuw die van 't dak 
afvalt, tegen te liouden, Fr. garde-neige. 

SNEE, znw., m. — Snavel, mond. Houd uwe' snyf toe. 

SNEL, znw., v. — Een pot, de maat van ecnen halven liter 
inhoudentic. (Ook in Belg.- en Holl.-Limb., z. Sch.) 

SNEL, bvw. — Gezond, frisch, fleurig, levendig, vlug, wakker. 
Wat e snel kind! Vader is nog snel, ondanks zijnen hoogen oudeidom. 
Da' moederken is nog snel op de been. As ek snel blijf, dan onderneem 
ek te naaste jaar is 'en groote reis. De matigste mens(ch)en zijn ook 
de snelste. 

— In den zin van Rap, Fr. vite, wordt het w. nooit gebruikt, 
evenmin als het werkw. snellen. 

SNELVOBT, znw., m. — Rijwiel, Fr. velocipède^ waarvan het 
de letterlijke vertaling is. (Z.-O. der K.) 

SNEP, znw., V. — - Z. Wrdb. 

— Men onderscheidt drie soorten van sneppen : i** de Boschsnep, 



4» 



'- II39 — 

in 't Fr bécasse; 2* de Watersnep, in 't Fr. bécassine en 3«» de Halfsnep, 
eene soort die kleiner is dan de voorgaande en ook Doover genaamd 
wordt. 

— Verg. Zoo zat als *en snep, 

— Veer in den vorm cener U, waaraan men den emmer hangt 
om te putten. (K.) T., R. 

— Het ijzer van den pikhaak. (K.) 

— * Volgens Sch. zou het te Antw. ook «groote boterham » beteekenen. 

SNEPPETANG, znw., v. — Bij smeden. Soort van tang om 
heet ijzer vast te houden. 

SNEREN, w., o. — Op luiden en scherpen toon spreken. (A.) 
Ze kan zoo sneren. Z. snèér. 

8NERS, SNERZELDERIJ, SNERZELEN, SNERZEN, 

Z. SNARS, SNARZELDERIJ, SNERZELEN. 

SN ETS EN, w , b. — Z. snatsen. 

SNEUK. SNEUKEL. znw.. v. - Vrouw die snuffelt. (K.) 

SNEUKELEN, w., b. en o. — Snoeperijen eten, ter sluiks 
lekkernijen eten, peuzelen, bij kleine stukjes eten. (Ook in VI. en Brab., 
z, Sch.) Da' meisken sneukelt altijd. \Va' ma^ hij altijd sneukeien .^ 
*t Is nie* schoon van zoo zitten te sneukeien. 

— Afl. Sneukelèèr, gesncukel, 

SNEUKELEN cu SNEUKEN, w., o. - Heimelijk zoeken, 
snuffelen. (K.) T., R. Hij komt hier altijd sneuken. Wat zitte daar 
in mijn kas te sneukeien ? 

— Afl. Sneukelêèty sneuker^ gesneukil^ gesneuk, 

SNÈVEL, znw., m, — Mond. (A.) Houd oewe* snèveltoe;ge 
babbelt te veul. 

♦SNEVELEN, w., o. — c Snauwen; toesneveleriy toesnauwen.» 
Sch. geeft dat w. voor de Kemp. 

SNÈVELENBEK, znw., m. — Z. snêvel. 

— Naam dien men geeft aan iemand die voortdurend op hoogen, 
aan matigenden toon, sprekende personen in de rede valt en hun het 
woord afneemt.' 

SNEVEN, w., o. — Varen, ongewoon voorkomen, lastig vallen. 
(K.) *t Zïl 'em sneven dat em nu alle dagen hard moet werken, en 
vrager de' grootcn heer gespeeld hebben ! Dat ek nu zooveul moet missen, 
da* sneeft mij hard. 

Kil. Sneven, deficere^ deè'sse^ f rus ir art, labi, 

SNIBBER, znw., m. — Snipper. 

SNIBBEREN, w., b. en o. — Snipperen. 

SNIJBAK, znw., m. — Houten bak on vier poolen, waar men 
stroo op snijdt* 




— II40 — 

SNIJ(D)BN, w., b. en o. — Fr. couper, 

— Verg. Snij[d)en gelyk V« vlim^ zeer scherp zijn, 

— Daar snij{d)en geen messen meer opt wordt gezeid van iemand 
die door geene middelen tot beternis kan gebracht worden. 

— Ipi zijne{n) vinger gesnt{ii)en hebben, geveest hebben, T. 

— //y ts gesne{d)en en genezen, hij is er kaal van afgekomen. 

— Er van deur snij{d)en, er uit sny{d)en, snel wegloopen, zich 
spoedig verwijderen. Den dief snee er van deur, as cm de gendarmen zag. 

— Wordt gezeid van eenen vlieger, waarvan de draad breekt (A.) 
De vliegerd is gaan snij(d)en. 

— Iemand meer rekenen, meer doen betalen dan behoorlijk is, In 
dieë* winkel snijen ze de menschen. Hij hee* mij eens vastgehad, maar 
laat 'em komen, ik zal 'em snijen. 

— Gesneden worden. Versch brood snijdt moeilijk. Die stof snijdt 
nic'. Dees papier snijdt gemakkelijker as datte, 

SNIJ(D)ER, znw., m, — Bij steenb. Werkman die deplaveien snijdt. 

SNIJKOREN, znw., o. — Rogge die in de lente afgesneden en 
aan 't vee gevoederd wordt. D, B., R. (Ook in Brab,, z. Sch.) 

SNIJLINGEN, znw., ni., mrv. — AI wat door 't snijden afvalt, 
afsnijdsels, snippclingen. Snijlingen van papier, laken, enz. 

SNIJMES, znw,, o. — Bij timmerl., enz. Stalen lemmer, scherp 
van snede, aan beide uiteinden voorzien van cencn houten appel, tiicn 
men in de handen houdt om het mes schaafswijze door het hout te 
steken of te trekken. R. 

SNIJMEULEN, znw., m. — Bij landb. Ilandmolcn, waarin rapen, 
peeën, beeten, enz. in schijven gcsnetlen worden. 

SNIJSALAAD, znw., m. — Soort van salade of latouw, die in 
geene kroppen groeit en fijn gesneden wordt. 

SNIKKEND, bw, — Snikkend heet, stikkend heet. (A,) 

SNIP, znw., v„ meest in 't vrklw. SNIPKE;N. — Dun sueedje. E 
ünipken brood. Geëfi mij e snipke peperkoek. 

— Geen snip, niets. Ge krijjjt geen snip van mij. 

SNIPPELINGBN, znw., m„ mrv. — Snippers. Snippelingen 
van papier. 

SNIPPEN, w., b. — In kleine slukjc-j snijden. (Volgens Kram. 
veroud.) Papier snippen. Peec i snippen. Wij eten te nocnendgesnipte peeën. 

SNIPS;CH), bvw. — Bijtend, snijdend, sprek. van den wind. (K.) 
De wind is nmar snip<i(ch). I>aar waait 'ne snips(ch)e wind. 

SNIP-SNAP-SNORIUM, znw., m. — Naam van zeker kaart- 
spel. T., R., bij M. snipiinapsnorren. 

SNIPSNEEUW, znw., m. — Fijne jachtsneeuw, stofsneeuw. Hfft. 
Er viel *ne fijne snipsnceuw. 

SNIPSNEEUWEN, w., onp. — Jachtsnceuwcn, stofsneeuwen. 



— II41 — 

SNOBBBLBN en SNUBBELEN, w., o. — Gedurig snoepc- 
rijen eten, bij M. snobbeln, Oostfri. snubbeln^ Nederd. snübbeln. Wa* 
SDoebeU dieO jongen allijd ? Snoepen en snoebelen. 

— Afl. Sno^belirr^ gesnoibel. 

SNOEBEN, SNUBBEN, w., o. — Hetzelfde als Snoebelen, 
Fri, snobben. 

SNOJBP, znw., m, — Stuursche menscb. (A.) 'Ne snoef van 'ne* 
vent. Hij ziet er 'ne snoef uit. 

— Iemand met een grooten neus. (A.) 

— Personnage uil den poesjcnellenkelder, Z. dat w. 

— *Sch. kent er de beteekenis Snul, sukkelaar aan toe. 

SNOEP, znw., m. — Mond. Houdt oewe' snoef toe (Kwijg). 

SNOEFEL, znw.,m. — Snuit, Fr. mM^^a». De snoëfel van *nen hond. 

— Fig. Mond, gezicht. Iemand op zijne* snoëfel slagen. 

SNOEFELEN, w., o. — Snuffelen. Wa' komdegij hier snoefden ? 
Den hond snoèfelt overal rond. Daarnaast snuffelen, 

SNOÊFEN en SNUFFEN, w., o. — Snikkend wecnen, snokken, 
Fr. sangloter, (K.) T., bij B, snoffen. Zij zat in 'nen hoek te schreeuwen 
CD te snoéfen. 

— Door den neus snuiven, bij B. snoffen. Snuft zoo nic*. Hij snoeft 
altijd deur zijne' neus. 

— Afl. Snoifer^ snuffer, gesnoif^ gesnuf. 
Kil, Snuffen, nartbus spirare. 

SNOEK, znw., m. — Z, Wrdb. 

— Kig. Spotnaum voor eenen soldaat der linietroepen. 

SNOEKSCH>. bvw. — Barsch, stuur. ¥x, rébarbatif, (A.) Hij 
ziet er zoo snoëks(ch) uit. 'Ne snoëks{ch)e vent. Iemand snoëks(ch) aan< 
spreken. 

SNOENENS.. bw. — Z. onder noen. 

SNOENES, znw., m. — Sul, snul. (Z. der K.) Dieö jongen is 
toch 'ne snoenes, go kunt 'em van alles wijsmaken. 

SNOEP, znw., V. — Vrouw of meisje dat gedurig snoept. 'En 
snoep van e wijf. 

SNOEP, znw., m. — Het snoepen. Veur de' snoep zijn, 

8N0EPBAKKES, znw., o. — Iemand die altijd snoept. 

SNOEPKONT, znw., v. — Z. snoep r. 

SNOER, znw., o. — Lint, z. Wrdb. 

— Verg. Gaany hopen gelijke snoer ^ vlug, gezwind gaan of loopen. 
(K.) 

SNOERIQ, bw. — Vlug, gezwind, rap. (K.) Hij gaal er snoer ig 
over. 



— 1142 - 

SNOBS, znvf., ni. — Domme snul. (K.) 'Ne snoes van 'ne' jongen. 
Hij ziet er 'ne geweldige snoes uit. Dieë snoes weet van toeten of- blazen. 

SNOESTER, znw., v. — Z. sLoeSTER. 

SNOÉSTEREN, w., b. — Z. slocsteren. 

SNOEZELACHTIO, bvw. — Bemorst. Een snoezelachtig kind 
is een kind dal b. v, zijn aangezicht bemorst heeft. (Lier.) 

SNOK, znw.y m. — Snik, Fr. sanglot, 

SNOK, znw„ m. — Z. snük, 

SNOKKEN, w., o. — Z. snükken. 

S NOKKEN, w., o. — Snikkend weenen, Fr. sangloUr. Zij schreede 
da* ze snokte. '£t kind zit daar te snokken. 
Kil, Snoeken, sin^ultare. 
Ook Snakken tn Snoef en. 

SNOL, znw., m. — Snuflfelaar, afspieder. Het is 'ne snol van 
'ne' jongen, Dieë snol komt hier alles afspie(d)en, 

— Slag van duif met korten dikken bek, die wat nederwaarts gebogen 
is. (Ook in 'i L, v. W., z. Sch.) 

— Troetelwoord. Mijne lieve snol. Kom maar hier, mg' snolleken. 

SNOLLEN, w., o. — Spieden, snuffelen, heimelijk zoeken. Wa' 
snolde daar in nic' koffer? Dieë jongen snolt overal in. 

SNOSSEL, znw., m., zonder mrv. — Vodderij, kleinigheid, iets 
zonder weerde. (A.) Da' 's allemaal maar snossel. 

SNOSSEN, w., o. — Z. SMOSSEN. (K.) 

SNOT, znw., m. en niet o. — Fr. morvf, 

— (J. Snotziekte der peerden en vogels. Ons kiekens hemmen 'et snot. 

— Piet Snof, onnoozele sul, zebedeüs. Staau zien gelyk Piet Snot. 

SNOTAAP, znw., m. — Snotjongen, melkmuil. Maakt oe weg, 
snotaap, of ge krijgt 'ne' stamp onder oe' broek. 

SNOTBAKKBS, znw., o. — Z. snotaap. 

SNOTBEES, znw., v. — De bes van den Taxus baccata, D. B, 

SNOTBEEST, znw., v. — Z. snotneus. 

SNOTBEK, znw., m. — Z. snotaap. 

SN 0TB EN GEL, znw., m. — Snotjongen, snotneus. M. Maakt 
oe eweg, snotbengels ! 

S NOTEREN w., o. — Snot loozen. Die valling doe' mij gedurig 
snoteren. Snuiten en snotcren. 

— Afl. Snoterèèr^ gesnotet , 

SNOTJONGEN, znw., m. — Melkmuil, Fr. blanc-bec, 
SNOTKIEKEN, znw., o. — Z. snotbeest. 



— II43 — 

SNOTKOBI, znw., v. — Iemand die veel snotert, Fr. morvgttx, 
morveusc, 

SNOTKOKER, zow., m. — Snotneus, snoljongen. B. Leelijke 
snolkoker ! 

SNOTKOLP, znw., v. — Vrouw die veel snot loost. 
SNOTKOP, znw., m, — Hetzelfde als Snotjongen, snotkokcr. 
SNOTNEUS, znw., m. — Snotjongen, melkbaard. 

SNOTPIET, znw., m. — Snotneus. Kuischt uwe' snotpiet af. 

— Jongen die gewoonlijk eenen snotneus heeft, Fr. morveitx, 

— Melkmuil, Fr. blanc-bec. 

SNOTTER, znw., m. — Snotjongen, snotneus, Fr. blanC'bec. R. 
'Ne kleine snotter. Dieö snotter hée' veul praat. 

SNOTUIL, znw,, v. — Z. snotkieken. 

SNOTVERDEKKEN, tw. — Vloekwoord. 

SNOTVIN K, znw., V. — Z. snotkoei. 

SNUBBELEN, SNUBBEN w., o. — Z. SNoêBELEN, SNOëBEN. 

SNUF, znw,, m. en niet v. — Iet in de(n) snuf hebben^ iets 
vermoeden, in 't oog, in de mot hebben. R., Sch. Ik heb 'et al lang 
in de* snuf, da' ge zuiikt te trouwen. 

— Snuf fiebben op iet^ er begeerte, er lust voor hebben. (K.) 

SNUFFEN, w., o. — Z. snocfen. 

SNUIF, znw., m. en niet v, — Tabak in poeder. T., R., J. 

SNUIFKE(N, ZDW., o, — In 't algemeen Hoeveelheid die men 
nemen kan met twee of drie vingeren, groepje, Fr. //>if<^<f. E snuifke 
poeier. E snuif ke peper. 

*SNUIG, bvw. — < Wakker. Die kleine ziet er snuig uit. Die 
oude mau is nog snuig voor zijne jaren. > 

Sch, geeft dat w. voor Antw. en de Kemp. 

SNUISTER (uitspr, smfstyr), zcw., m. — In 't algemeen Allerlei 
kleine voorwerpen, al wat klein en gering is. Snuister van appelen en 
peren. 

— In 't bijzonder Allerhande klein geld. Ik liet 'en brief ken van 
honderd frang wisselen, en 'k kreeg allemaal snuister terug. 

SNUISTEREN (uitspr, snöshr^n), w., o. — Snuffelen, bij M. 
snuustern^ Oosifri. snüsUrn^ Oldenb. en Munst. schniistern. Hij komt 
hier altijd snuisteren. Ge snuistert overal in. 

— Afl. Snut'sterècrt gesnutster. 

SNUISTERQELD, znw., o. — Z. snuister 2*. 




— 1144 — 

SNUIT, znw., m. en v. — Z. Wrdb. 

— ht in V snuit jen hebben^ iets vermoeden, het in *t oog hebben, 
Z, SNUF. 

, — Kus in de kindertaal, steeds in den verkleinvorm. Kind, geef me 
eens e snuitje. 

SNUITEN, w., o. — Snuffelen, ¥x, fureter^ fonilUr, 

— /. it/j mks te snuiten ïiebbeny er niets te zeggen, niets in te 
brengen hebben. 

— Babbelen, semmelen. Hedde daar nog nie' gedaan mè' snuiten ? 

SNUIVEN, w.. b. — Z. Wrdb. 

— Jtmand iaten snuiven^ hem iets onder den neus wrijven, in bedekte 
termen iets onaangenaams zeggen of verwgtingen doen. Ik heb 'em laten 
snuiven. Daar beet em gesnoven ! 

SN UK, znw., m., te Antw. ook SNOK, znw., m. — Ruk, korte, 
sterke iiek, Fr. saccaJe^ secoii>se. D. B., Hfft. Me' ééne* snuk was de 
koor((l) over. Geeft is 'ne* snok aan 'i kordeel, dat *et pèèrd wa* rapper 
gaat. Het waait mè' snukken. < Hare armen en hare voeten en haar 
hoofd begonnen te waggelen met onwillige snokken, > (CoNSCIENCE* 
Valentgny 51.) 

SNUKKEN, te Antw. ook SNOKKEN, w., b. en o. — Rukken, 
kort en hevig iiekkcn. D. B. Hij srmkte de koor(d) rat in tweeën. Gij 
snokle zoo hard aan de bel, dat ek meinde da' ge ze zoudt afgesnokt 
hebben. Snukt zoo nie* met dieön draad, ge zult 'em breken. 

— Afl. Gesnuk f gesnok. 

SNUKKOOR(D), znw., v. — Bij wevers. Stel koorden die ingericht 
en verbonden zijn om, bij het snukken vaa den wever, de jagers te doen 
spelen en de schietspoel uitschieten. 

SNUL, znw., m. — Sul, eenvoudige mensch zonder doorzicht, Fr. 
bent'tf nigauii,*Nen onnoozele snul. Dicë snul wordt van alleman bedrogen. 

SNULLEMAN, znw., m. — Sul, snul. Dieë' snulleman kunde 
van alles wijsmaken. 

SNULLEMANSWINKEL, znw., m. ~ Z. snulleman. 

SN UREN, w., o. — Snuffelen, heimelijk spieden. (K.) Hij komt 
hier altijd snuren. 'Ne vremde schuiver kwam deur de venster snuren. 
Wa' zit em daar in mij' koffer te snuren ? 

— Afl. Snuurder^ gesnuur, 

SNUTDOÈK, znw., m. — Zakdoek, neusdoek, Fr. mouchoir. 

SNUTSEL, znw., o. — Snuitscl, afgesnoten lemmet,Fr. mouchure. 
Kil. Snutsel van de kersse, fungus candelae, 

— Vuil, slordig wijf. E snutsel van e mcisken. Da' wijf is maar e 
snutsel. 

SN UTTEN, w., b. — Helzelf Ie als het HoU. Snuiten, Fr. moucher, 
Hfft. (Ook in Brab. en VI., z. Sch.) Zijne' neus snutteo. De keersen 
snutten. Hard snutteo. 



- «>45 — 

— Fig, Iemand snutten^ hem te veel doen betalen of anderszins 
in den handel bediie^en. In dieë' winkel kunnen ze *ne' mens(ch) snutten. 
Dieën bedrieger hée* mij veur honderd frang gesnut. 

Kil. Snutten, mungere, 

SNUTTER, znw., m. — Keersensnuiter, Fr, mouchettes. 

SN UUR, ^nw., V. — Snauw, biisig woord, grauw, Fr. brusquerie^ 
parole rude. (K.) Iemand 'eii snuur geven. Ik kreeg 'en snuur van hem. 

SOBBBL, Z. HOBBEL. 

SOBBBRBN, w., o. — Drinken. Hij kan goe' soéberen. 

SOBDA, znw., m. en uiet v. — Soda. 

SOËK, SOÉCH, tw. — Uitroep die veel gebruikt wordt om een 
gevoel van koude uil ie drukken, bij Hfft. soeg^ en bij Sch. soeg^ soechy 
soek, Soek ! wat is 'i koud vandaag ! Soech ! oe* voeten zijn lijk stukken ijs. 

SOEKBL znw., V. — Half zin nelooze vrouw. (Z.-O. der K.) 

SOBKBLÈBR, znw., m. — Halve zmnelooze. (Z.-O. der K.) 

SOBKBL.BN, w., o. — Sukkelen. (Z.-O. der K.) 

SOEKBN, w., b. — Opeten, sprek. van honden. Wordt gemeen- 
lijk maar ui de Geb. wijze gebruikt om eenen hond ie gebieden iets 
op ie eten. Soek 'et! Spits, soek 'et! 

SOEP, m de Kemp. ook SOP en ZOP, znw., v. — Soep, Fr. soupe. 

— Gemaakte soep, soep waarin geen vleesch of beenderen afgekookt 
zijn en die bereid wordt met water, brood en groenten. 

— Fransche ioUp^ soep waar veel brood in gebrokt is. 

— Spr, Zoo veel te pas komen als *en haar in de soept z. HAAR. 

— Met dezelfde solêp overgoten zt/n, aan dezelfde gebreken mank 
gaao. T. 

— Niet veel in de soUp te brokken hebben^ er maar arm voorzitten, 
armoede lijden. 

SOBPACHTIQ, bvw. — Genegen lot soep. *En half telloor is 
genoeg : ik zijn nie' soepachtig. 

SOBPSOLDAAT, SOEPSALDAAT, znw., m. — Spottende 
benaming voor eenen soldaat bij 't voetvolk. 

SOEPIBT, SOPPIET, SUPPIET (klemt, op piei)^ enz., znw., 
m,, meest in 't mrv. gebr, — Zwezerik, kalfszwezel. 

SOBPWBIKBR, znw., m., mrv. — Spotnaam op de inwoners 
van Mol. 

^SOBSBL, znw., m -~ Z. soepiet. 
Sch. geeft dat w. o. a. voor de Kemp. 

SOFA. znw., m. en niet v. — Z. Wrdb. J. 



— II46 — 

SOPRBINBOOR, znw., v. — Bij sneden en timmerl. Soort 
van boor om de bramen van de pasgeboordc gaten af te draaien, om 
de bovenste deelen van ingeboorde gaten in hout of metaal kegelvormig 
te vergrooten, Fr. amorf oir, frai'se, viUhriquin^ mèche en fer de piqut, 

SOPRBINEN» w., b. en o. — Bij smeden. De kanten van een 
stuk ijzer at vijlen of afslijpen, Fr. chanf reiner, 

SOL, znw., m. — Stuk van 10 centiemen (K.) 

SOI'^A8 (klemt, op ^Mj), znw,, o., zonder mrv. — Verzachting, 
troost, vei.ichtiiig in het lijden, Eng. solace. D. B. Solaas krijgen. Die 
medccijn hée' mij veul bolaas gegeven, 

SOLDAAT, ook SALDAAT, znw., m. — Fr, soldat. 

— Soldaatjes zijn vierkante, in l>oter gebakken stukjes brood, die 
men in de erutso p eet. 

— Spr. Iet sci ■ ■ it maken^ o()eten, uitdrinken. Dr. Wij zullen die 
hesp is soldaat maken. Maakt die flesch maar soldaat. 

— In stukken slaan. Hij héél heel den boel soldaat gemaakt. 

— Soldaat zijn^ verlorti:. gebroken, verbrijzeld, naar de maan. Derft 
hij dat doen, dan is hij soldaat. Geeft maar ()Ostuurkens aan de kinderen, 
ze zullen gauw soldaat zijn. 

SOLDATBSJATS, znw., v. — Lichtekooi die veel met soldaten 

loopt. Z. bJA'lS. 

SOLDB, znw., v. — Z. Wrdb. 

— Spr. Iemand op Franscfie solde zetten^ hem geen geld geven. 

SOLDBKBN, z. soudéken. 

SOLFER, bij sommigen SOLFTBR, znw., ra. en niet o. — 
Zwavel, Fr. souffre. R. (Ook m, bij J.) 

SOLFERSTBK, znw., m. — Zwavelstok, Fr. allumette souffrée. 
Hfft. 

-^ */V<r(«) solfer stek in vieren en *en borrel in éc'nen keer uit, 
wordt gezeid van lieden die in kleinigheden scherp, gierig, en in groote 
zaken breed, verkwistend zijn. 

SOLFTBR, z. SOLFER. 

SOLIDBKBcN, SOLDBKB(N (klemt, op dé), znw., o. — Soort 
van rond plat mutsje ot kapje, dat vooral de priesters dragen, Fr. calotte. 
(Ook in Brab., z. Sch.) 

SOLLEKE(N, znw,, o. — Stuk van 5 centiemen. (K.) 

SOLO. Solo gaan. Term in 't whistspel. Verschilt van soloslim. 
Die solo gaat, moet minstens vijf slagen halen. Die soloslim gaat, moet 
al de slagen ophalen. 

SOLOSLIM, znw., m, — In 't whistspel. Eenc hand kaarten, 
zoodat men al de slagen haalt. 

— Soloslim gaan, soloslim spelen^ al de slagen halen. D. B. 



— "47 — 

SOM, bvw. ^ Sommig, Eng. some^ voork. in te som plakken^ te 
som plaatsen, op sommige plaatsen. (N. der K.) Te som plaatsen zijn 
de èèrpel bevrozen. üa* gebruik besla' nog te som plakken. 

SOMMBL (uitspr. soemmfl)^ znw., m. — Groote en hooge aarden 
pot, voorzien van twee ooren. (Lier.) 

SOM MENKS (kiemt, op menk\ bvw. — Sommige. (N. en bier en 
daar m *t W. der K.), bij Hfft. strunken, Sommeoke mens(ch)en. 
Somm«nke kinderen willen nie* leercn. 

SOMMES (in 't Z. en W. so^mm^s), bw. — Soms, somtijds, 
Fr. quelquefois, parfois. (Ook in Brab., z. Sch.) Hij komt sommes is 
naar hier. Zoo iet valt sommes nogal is venr. 

— Bij t-ev.il, gevallig, Fr. par hasard. As ge morgen sommes tijd 
hadi, dan zoude is kunnen komen. 

— Misschien, Fr. peut-étre. Loopt gauw naar den doktoor, want 
't zou sommes te laat kunnen zijn, as me nog langer wachtten. 

SOMMESTE »iii 't Z. en \V. soem^n^st?), bvw. — Sommige. (K.) 
In somnieste dorpen. Sommeste niens(ch)en. 

SOMMIGTE(in 'i Z. en W. soemm?gt?), bvw. — Sommige. D. B.. 
T., K, (Ook in Brab. en N.-Br., z. Scli.) Sommigte huizen. Sommigte 
kinderen. Op sommigte plaatsen. 

SOMTEMETS (in 't Z. en W. soUmt^mets), bw. — Somtijds, 
somwijlen, l^r, parfois. Hflt. (Ook in Brab. en 't Hag., z. Sch.) lu 
October komen der bomtemets nog schoon dagen. 

— Bij geval, par hasard. Kunde mij somtemets geen vijf frang Icenen ? 

— Misschien, Fr. peut-étre. Ge zij* nie' gekomen ? Hadde somtemets 
geenen tijd ? 

SOMTEWIJLEN, bw. — Somtijds, somwijlen, Fr. parfois^ par 
hasard^ peut-étre, (N. der K.) 

SOMTIJ(D)EN, SOMMETIJ(D;EN (in 't Z. en W.so^—, 
soemm9ttf?n)t bw. — Nu en dan, somiijds, Fr. parfois. Hij komt mij 
somtij(d}en is bezuken. 

— Bij geval, Fr. par hasard. Heddegij sommctij(d)en geen goesting 
om dat huis te koopen ? 

— Misschien, wellicht, Fr. peut^tre. As ge nu nie' seffens en gaat, 
dan zoudde sonitij(d)en den trein te laat komen. 

SOMTIJDS, SOMWIJLEN, bw. — Fr. parfois. Z. Wrdb. 

-> Deze bw. wotden uok gebruikt i** in den zin van Bij geval, 

Fr. par hasard, en 2' in den ziu van Wellicht, misschien, Fr, peut-étre. 

SOO (scherpe o), znw., m, — Verkorting van Fransoo, Fr. Franfot's. 

SOORT, znw., v. — Z. Wrdb. 

— Kinderen of bloedverwanten. Doet is open, daar is m'n soort. 

— Gemeen volk. Soort van volk. In die straat daar woont soort. 

— Spr, Soort zoekt soort, zee den duvel, en hq pakte d€(n) schouvh 
veger bij z^'ne^n) nek» 




— II48 — 

soos (scherpe 0), znw., v. — Sulachtie, onnoozel vrouwmensch. 
R., bij D. B. sooize. 'En soos van e wijf. Du' meisken is maar *cn soos. 
Wel gij, onnoozel' soos ! 

— Schertsend voor Vrouw, wederhelft of Lief, vrijster. Hij had 
zijn soos bij. Hij gaat alle Zondagen wandelen mè' zijn soos. 

SOP, znw., o. — Top, hoogste punt van eenen boom, eenen mast, 
enz. De ekster houdt in 't sop van tien boom. De kwajongens hebben 
de soppen uit de boomkens ^^ebroken. De matroos klom in 't sop van 
de* mas» . 

— bal w. is niet verouderd, gelijk V. D. meent, maar van dagelijksch 
gebruik in VI., Rrab., iCemp., Antw. en 't Hasp. (Z, Sch. en R.) 

Kil. Sop des booms, turio. 

SOP, znw., o. — Z. VVrdb. 

— Met 'tzelfde sop overgoten zt/n, Z. SOëP, 

SOPPEN, w., b. — Aftoppen, de soppen uitsnijden. R. Porrei 
sop,)en. 'Et koren soppen. 'En boomken soppen. 

^SOPPEN EN BRAGGELEN, w., o. (?). — « Den drank der 
koeien bereiden. » 

Sch. geeft die uitdrukking vuor Antw. en de Kemp. Z. bragoe- 
LEN. (Aanh.) 

SOPPIET, Z. SOEPIKT. 

SOUPER, znw., m. en niet o, — Avondmaal. J. 

SOUS, ^nw., m. — Hetzelfde als Saus, Fr. sauce. (N. en W. 
der K. en A.) 

SPAAIEN, w., o. — Spitten, Fr. bécher. Hfft. 

SPAAIVOOR, znw., v. — De groei of voor, waar de spitier bij 
't spitten in staat. (K.) 

— In de spaaivoor staan^ aan 't spitten zgn. 

SPAAN, znw., o. en niet v. — Fr. copeau, J. 

— Bij gareelmakers. Elk van de twee platte stukken hout, waarop 
de kussens van het gareel liggen, Fr. attel. 

— Zonder lidw. Geld. Hij hée' spaan. Ik heb gee(n) spaan meer. 

— * Spaan geven^ « rap wegloopen, snel zijn schuit van kant steken. » 
Sch. geeft die uitdrukking voor de Kemp. en Antw. 

*SPAAN, ♦SPEEN, *SPON, znw., o. — « Schutting of hek van 
latten geplaatst aan \ oe^ia van de grachten, enz. door welke de vyvcrs 
aüoopen, ten einde het wegzwemmen der visschen te beletten. > 

Sch. geeft dat w. voor de Kemp. Z, SCHOF. 

SPAANHOVBN, znw., m. — Naam van eenen ingebeelden persoon. 

— Spr. Spaanhoven i's niet thuts, ik heb geen geld. Ik ging geren 
mee naar die feest, maar Spaanhoven is nie' thuis. Vrgik. spaan. 



- II49 — 

SPAANS(CH), bvw. — Fr. espagnoL 

— Spaamichy terf^ Turksche tarwe, maïs. (Ook in Brab., z. Sch.) 

— Spaati${ch) grnun^ ijp, Fr. //", Lat. Taxus baccata^ L. T., R. 

— Spaans(ch)e kwet^ z. KWET. 

— Spaafis(chy- schouw ^ z, SCHOUW, T., R, 

— Spaansche zeep^ harde, witte zeep, Kr, savon de Marseille. 

— Spaan {t,y kraag^ groote, wijd uit^iesptt i 'e, gepiude en langs 
achter omhDo;^ staande kra.ig. zooals de Spanjaards droegen in de XVI* 
en XVII* eeuwen, Fr. col Médicis. 

— Zweren in den hals, bij personen die de venusziekte, Fr syphüis^ 
hebben. (A.) 

— Kig. Aardig, viis, niet te betrouwen, sprek, van pei^unen. Ik 
heb 'et mee' hem geen haar, *l ziet er me zoo 'ne Spaans(ch)en uit. 

SPAARZAMIG, bvw. — Spa.jr/aam. Spaarzamige menschen. Spaar- 
zamig léven. 

SPACHELEN, SPAGGELEN, SPECHKLEN, SPEGGE- 
LEN, w., o. — Herhaaldelijk mei de voelen schuiven, al schuivende 
met de voeten veel gerucht maken, spartelen, sparlelbecnen. Kinderen, ge 
meugt zoo nie' .«spachelen. Hij spachelt altijd met de voeten. Hij viel en hij 
spaggeldcu om op ie geraken. 'Et kind leet op de' grond te spaggeleu. 

— Afl, Spachelt èr^ sresf^achcl^ spaggeleer^ g^^P^gg^l» 

— Fi^:. Sukkelen, veel moeite hebben om iets ie doen, Wa' zullen 
me nog moeten spachelen, eerda' me door ons werk zijn. Ik zal meugen 
spachelen om er nog intijds te zijn, 

— Bij Schöpf, zegt D' D. J., bet. spackeln^ spachcln de handen 
en voeten uitstrekken, als poging om op te staan. 

SPACHT, /liw., V. on niet m. — Hetzelfde als Specht, Fr. pic. 
De spachten houwen in holle boomen. Daar zijn vcrschillige soorten 
van spachten. 

SPACIE, znw., V. — /. SPATIE. 

SPAGGELEN, w,, o. - Z. spachelen, 

SPALK, znw.. v. — Spat. Oe' broek is vol spalken. 

SPALKEN (uitspr. spaU'k^n)^ w., b. en o. — Spatten, Fr. écla- 
bousser^ re'jaülir. Gij spalkt slijk op mijn kleeren. 'Et bloeil spalkte 
tegen de' muur. De regen spalkt legeu de huizen. 

— Afl. Spalker^ gespalk, 

SPAN, znw., v. — Bij timinerl. Een dwarsbalk die, lusschen tuee 
scheergebinlen, aan de gordingen vastgeiimmcrvl i«:. De span is geen 
scheerbalk, maar ligt evenwijdig met den scheerbalk. 

SPANEN, bvw. — Spanen hoed^ strooien of uit fijne houtvezels 
vervaardigde hoed van bijzonderen vorm, met breede zij<icn linten, dien 
de Kempischc' boerinnen over hunne kanten kap droegen. De spanen 
hoeden behooren ook al lot het verleden : hier en daar vindt men echter 
nog ecne oude vrouw, met een spanen hoed getooid. 



— II50 — 

SPANHAAK, SPANRINK. zdw., m.— Bijsmeden. Fiattering, 
waardoor de twee beenen van eene smistang gesloten gehouden worden, 
Fr. serre-'teftailUs, 

SPAN MUTS, znw., v. — Katoenen vrouwenmuts. (K.) Zij draagt 
in de week 'en spanmuts en *» Zondags 'en kap. 

SPANKOOR(D), znw., v. — Bij muMers. Koord die het klein 
baksken ophoudt en door de ringkuip gaat. 

SPAN N AARD, znw., m. — Spanader, tongriem, ¥i, fr^in^fiUt 
de la lattgue, 

— Spr. Van de(n) spannaard gesne{d\en zyn^ wel ter taal zijn. 
D B., T., Sch. « Gy t^'t van de spanader gesneden^ Trientje, » (CoN- 
SC3ENCE. Het Geluk van rijk te zgn, 4.) 

SPANNEN, w., b. en o. — Z. Wrdb. 

— Me{t) iemand spannen, zijne partij kiezen, er mede aanspannen. 
Lodewijk van Nevers spande me{t) Fta:krijk en de Vlamingen spanden 
me(t) Engeland. 

— Term in het knikkerspel. Den duim naar de eene en de vingers 
naar de tegenovergestelde zijde zoo ver mogelijk uitstrekken, om van den 
cenen marbol tot den anderen te reiken. Dr. 

— Bij metsers. Min of meer gebogen zijn, min of meer spanning 
hebben, sprek, van eenen cinier of een gewelf. D. B. Dicën boog spant 
te veul. E welfüel wa' meer doen spannen. 

— Bij srhoen makers. Het overleer aan het hielstuk naaien. 

— Onp, Er levendig, woelig toegaan. T. (Ook in Brab, en VI., z. Sch.) 
Met de kermi^ zal 't er spannen, 't Heet er gisteren avend in *t dorp 
nie' weinig gespannen, 't Spande der in die vergadering (het ging er 
woelig). McL de kiezingen span' 'et er dikwijls. 

SPANNING, znw,, v. — Bij metsers. De hoogte van een gewelf 
of eenen boog, de lengte eener loodlijn, die van 't hoogste van den boog 
neerdaalt te midden van den draa»!, wcike van de eene schalmlaag zou 
gespannen zijn naar de andere, Fr. JUche d'un are. Zie D. B. 

SPANPLANK, znw., v. — Bij wevers. De zwate lat achteraan 
het getouw, die de opgaande zijstukkeu met elkaar verbindt en staande 
houdt. 

SPANRINK, znw., m. — Z. spanhaak. 

SPAR, znw., V. — Bj limnieil. Onbezaagde deunen staak, die op 
de gordingen rust van een dak. 

— De sparren verschillen van de kepers^ die vierkant bezaagd zijn. 
Z. KEPER. 

SPARHAAK, znw., m. — Bij smeden. Hetzelfde als .*^peerhaak 
in de Wrdb., een aambeeld met twee hoornen of spitsaflooj)ende armen, 
Fr. bigorne. 



~ II5I - 

SPARNAGBL, znw„ m. — Bij limmerl, Groote, zware spelnagel, 
waarmede de sparren van een dak aan de gordingen bevesligd worden. 

SPARREN, w., b. — Spreiden, Fr. étendre^ bij Hfft. sperren. 
Hij spar^Icn e wil ammelaken over de tafel. 

Ons Lie(ve)vrouwken van Laken 
Spart e wit laken 
Op land en zand, 
Maar nie(t) op de(n) waterkant. 

(Raadsel op de sneeuw,) 
Kil. Sperren, fendrre^ extendere. 

SPARTELEN, SPERTELEN, w.. o. — Z. Wrdb. 

— Verg. Spartelen geli/k den duvel in e wijwatervat^ Fr. se démener 
comme un diable dans un be'nitier, 

— Spartelen gelijk *en echel in e kommeke zout, 

~ Fig. Veel moeite doen, sukkelen. Die mens(ch)en moeten speitelen 
om bun brood te verdienen. 

SPAT, znw., o. en niet v. — Harde knobbel ol uitwas aan de 
beenen van een peerd, Fr. éparvin. 

SPATIE, SPACIE, znw., v. — Hetzelfde als het l^&i, spatium, 
Fr. cspace^ lusschenruinite. U. B. (Ook in Brab. en Hag., z. Sch.) Schrijft 
wat dichter bijeen, gij laat te veul spatie tiiss(ch)en de regels. 

SP ATS, znw., o. — Geld, splint. Hij hée* veul spats. Ik heb 
gee(n) spats ne meer. 

SPECHELEN, w.. o. — Z. spachelen. 

SPECHT, /nw,, ni. — Magere specht^ magere mcnsch. R. 

SPECULATIE (uit-pr, i>pikkAasie\ znw,, m. zonder mrv. — 
Dunne, droge koekjes, bruiü vjin kleur, uil bloem, suiker en boter gebak- 
ken. D. B. E vierei)deel sjxculilie. Speculatie bakken. 

— Navlenken, beproeving- geest. T. In dieö* jongrn zit veul speculatie, 
hij zal 'et wijd bieiigen, 

— Lil f hebbeiij, behagen. Hij hee' speculatie in vogels en in bloemen. 

SPECULATIEVENT, znw., m. — (irootckoek van si)cculalie 
gebakken, die cenen man verbeeldt 

SPECULATIEWIJF, znw., o. — GrooU- koek van spccu! .tie, 
eene vrouw verbeeldende. 

SPECULÈEREN (uiispr. spikkelér9n)^ w., o. — Nadenken, over- 
peinzen. T. Gij zit altijd op iet te speculecen. Ik ga.in is speculeercn 
hocila' *k t)est da' weik zal doen. 

SPEEK, znw., m. — Speeksel, Fr. salive. 

SPEBKBAKSKE(N, znw., o. — Spuwbakje, houten bakje mtt 
zand gevuld, om er in te speeken. 




— II52 — 

8PEEKEN. w.. o. — Sp«ek»el nitwerpen. D. B. Op de* vloer 
ipttktü. O ij mfj^t ztjO nic' spekken, as '^t smoort. 

— Afl. Spteker^ ^esp^ek. 

8PEEKER. znw., m. — Iemand die \eel speekL 

SPEEKHAMER, znw., m. — Bij wagei.m. Mamerom Je spei-ken 
in d*r wi'.-j'rn lo- ^la^n. 

SPEELBERD, znw.. o. — Het uii»!ekende plankje vooraan den 
inj^an;; v-m *:':i\ duiverij^la^ of dui venkijker, wa:ir de duiven op neerdalen 
en ruül-f. '-'•' zij hinn'?n;jaan, Fr, voiei. T., KI.- Br. Ook valplank. 

SPEELDINGEN, znw., o., zonder mrv. — Speelgoed, Yx^jotuts^ 
foujotix. \), B. Dicëj-fUi^en doe' ze' speéldingen kapot. 'Endoosspeêldingen. 

SPEKLEI, znw., o. — I-oos ei, ledig ei. (Lier.) Z. LOïerdop. 

SPEELGOED, znw., o, — I.ustbuis, buitenverblijf, Fr. matson 
de campagne, (^)ok in Brab, en VI., z. Sch.) Hij heet daar e schoo(n) 
hpeeIgo<;d. . 

SPEELHOFKE'.N, znw., o. — Lublhofje, buitenverblijf. Ik heb 
op den i»uit<;ii <: scho<;n sp''cnK»fken. c Julio stond met de armen oi> 
de borst ji^vouwcn in ccne kun.er van zijns meesters speclhof, > (CoN* 
.S<:iKNr:i:. Simon Turcki^ 3; ) 

SPEELKAR, znw,, v., vrkiw. i>peelkarkc(n. — Licht en fraai 
karrckcM. met een pccnl be!>panncn, om er voor zijn vermaak mede uit 
te rijden. T., R. (Ook in Brab. en VI., z, Sch.) 

SPEELMAN, SPELEMAN, Kemp. SPELMAN.SPELLE- 

MAN. /.iiw., n«., mrv. spe^liif. — Keimi.smuzikant, dorpsmuzikant. 

— /)e f^et'httan zit tio^r op 7 dak^ zegt men van jonggehuwden, 
«lic nn«^r in de wit te!)rood.s weken zijn. R., B. 

— itt'ene(ft) speelman noodig hebben veur iety iets gemakkelijk doen. 
Al dat eten zal ik welopkrijgen, 'k heb daar gcene* .speelman veur noodig. 

— Speelzieke jongen. Onze Kaïel i> maar *nc speelman in de school. 

SPBBLVOGEL, znw., m. — Spc<l/,ieke jongen, Speëlvogels leeren 
nie* in dr sihool. 

^ SPEEN of *SPON, znw., o. — « Schof voor eenen vischkuil 
geplaatst. » 

Sch. geeft die w, voor de Kemp. 

SPEEN (zachter) en SPÈÉN, znw,, o. — Ambcien, Fr. hemor- 
rhoïdes. Men ondrricheidl het inivendig^ het uïtwendt'gcw hei bloeiend 
speen% 

SPEESKONT, znw., v. — Vrouw, die veel speest, 

SPEEZEN, w., b, — Doen spanen, sprtk. \an vocht, bij D. B. 
spaanent sparzrn^ spt-t» zen^ sperztn N.-W. d«r K.) Water speezcn. 
Hij spec.sde 't slijk tegon de* muur. 



— "53 — 

— O. Spatten, sprenkelen, van vocht of dun slijk. Het slijk speesJe 
tegen de' muur. 

— Afl. Speezer^ gespees^ bespeezen. 

SPBGGELEN, w., o. — Z. spachelen. 

SPEITSEN, w., b, en o. — Spatten, spalken, speezen. D. B., 
bij T, spaatscn, spaitsen. *t Water speitstc tegen de' muur. Zijn kleeren 
waren vol slijk gespeitst. 

— Afl. SpeitseTy gespeitSy hespeitsen, 

SPEK, znw., o. — Fr. lard, 

— Spr. Dat is gee{n) spek veur uwen hek^ dat is voor u niet bestemd. 
D. B., R. (Ook in Brab., z. Sch.) 

— Weten waar het spek zit, weten waar 't geld ligt, waar de schal 
verborgen is, 

— Weten waardat 't spek hangt^ weten waar men zijnen buik zal 
vullen, waar men zich te goed kan doen. 

— Het spek en de zwaart zyn van éénen aardy zulke vader, zulke 
zoon. (K.) 

— Het spek in den hondsnest zitken^ iets zoeken waar 't niet ver- 
loren is. 

— Het spek bee t hebben ^ het profijt weghebben. Ook gezeid van eene 
jongedochter, die bedrogen is. 

— De naald in 't spek steken^ eindigen met te werken. (K.) Dr., M. 

— Spint van hout, Fr. aubier. D. B., Kil. (Ook in Brab. en 't Hag., 
z. Sch.) 'Nen boom mè' vcul spek. 

— Spek hebben^ wordt gezeid door de jo^gcu^, wanneer zij met eenen 
wcrptol een stuk van eenen anderen kappen. 

8PEKBRAAI, znw., m. — Stuk spek, in de pan gebakken. (Z.-O. 
der K.) (Ook in Limb., z. Sch.) 

SPEKDIEP, znw.,m. — Scheldwoord. Z. een rijm onder kocKETER. 

SPEKKOEK, znw., m. — Spekp nnckoek. 

SPEKKOP, znw,, m. — Dik, vet huofJ ; iemand die zulk hoofd 
heeft. 

8PEKK0T, znw., o. — Ingemaakte kas, waarin men 't spek bewaart. 

8PEKWÖRM, znw., m. — Made of worm, die het spek of spint 
der boomen doorknaagt. 

SPEKZWAART, znw., v, — Zwoord van 't spek. 

SPEL, znw., o., mrv, spelen en spellen. ^ Z. Wrdb. 

— Speelschheid, speelzucht. Het spel overwint dieö' jongen, In jonge 
honden en katten zit veul spel. 

— Scherts. Ge moet da' nic' serieus opnemer), 't is maar spel. 

— Ruimte, waarin of waartusschen iets gemakkelijk bewegen kan, 
speling, Fr. jeu. D. B. (Ook in Brab., z. Sch.) Die deur heet te veul 
spel (zij sluit niet dicht genoeg). De schieter van da' slot hée' gee(n) spel 
genoeg. As e slot te veul spel heet, dan sluit 'et slecht. 



/déatieoM, 74 



~ 1154 — 

• 

— Mocile, last, onnangci.aamhcden. D. B. De voerman had vcul 
spel inè* ze* fè^rd. De vader hée* spel mè* zijne* zoon. — In dezen 
zin bezigt men ook den (^rtiitief partitief. De meester hée* veul spels 
mè' zijn leeriinj;en. (i-^ zult er nie* weinig spcls mee gaan krijgen, met 
dieën deugeniet, 

— Kermisinii/.ick, d:insmu/iiek. (Ook in Brab. en Linib., z. Sch.) Met 
de kermis is 't hier l)ijk.i:i>t in alle herbergen spel. Spel houwen (dansfeest 
houden). De p:i>to<;r pnëkicn op 't spel met de kermis. 

— Tooneelv'-riooning. 't Spel van Genoveva. 't Spel van 't Lijdeo 
van Ons Pïeer. 

— Het spel ts in gang^ het spel is op de{n) "Uhi^en^ het is er op, 
de wanorde, het geharrewar is aan den gang. D. B., T. Den redeneer 
was pas aan 't spreken, of 't spel was op de* wagen. Hij mag daar 
nie' over spreken a«« ze' wijf er bij is, of 't spel is in gank. 

— Op 't einde V'in */ spel, op het laatste, Fr. au bout du compte. 
Hij maakte veul beslei, en op 't einde van 't spel kost hij nie' betalen. 

— Zaak. Ik zul zien hoedut 'et spel zal adoopcn. 

— Iets zor tleilings. T. Ge zult daar e spel van beleven. Vau dieë' 
jongen zulde nog aardige spellen zien. 't Zal e spel zijn, as eni moet 
soldaat wörreu. 

— Kort spel maken me{t), zonder uitstel afwerken, er spoedig mee 
gedaan maken. D, H. Ze maakten körl spel met de' moordenècr en ze 
hingen 'em staandevocts (»p aan *ncn boom. Kort spel maken ir.ee* *en zaak. 

— Bij kaartsp. Kaarten die kunnen winnen. R, Gij hadt c schoo(n) 
spel : het aas, den boer, <le nel en de pees. 

— In somriiigc sani'iistcllingen heeft spel de wceide van het achter- 
voegsel enj, ernij. Lüciiipcl^ heksespel^ soldaatjesspel, zotspel^ enz. 

SPEL (Kemj). ^pUt)^ znw., v, — Hetzelfde als Speld, dal niet bekend 
is, Fr. epinglc. D. B., K. (0«)k in Brab., z. Sch.) ^Kw kopere* spel. Iet 
vastspetcn mè* spellen, 

— *Nen brief spelU-n, i, HRIEF. 

— Sam. Spcllckoki-r^ spdlekttssen, enz. 

— Spr. Spellen zuken (zooken), wordt gezeid van iemand die met 
het hoofd naar den gtond loopt, 

— Geen spel, niets. Hij krijgt van mij niks meer, geen spel! 

— Geen spel op zijnen htrlen wereld hebben, zeer arm zijn. 

— Ge zoudt hem nit{t) 'en spel doodsteken^ zegt men van iemand 
die maar nauwelijks ziet te leven, die zeer mager en leer is. 

— J/tj zal Jiojr^een spel verleggen oï omleggen, hij is zeer eerlijk, 
hij zal niets wegnemen. 

— hncrs 'en spclvcnr ^petrn^ iets beletten, verhinderen, Z. ook STEK. 
Kil. Spelle, acicnla. 

— Het scherp, naald vorniig blad van denneboomen, ook Vlim 
genaamd. (K.) 

SPELBMAN, znw., ni. — Z. SPEEL^LAN, 

SPELEN, znw ., o. — Ruimte waarin of waartusschen iets gemakke- 
lijk bewegen kan. Z, spel. Die deur hee* gee(D) spelen genoeg. 



~ 1 1 ^ «5 - 

SPELEN, in 'i N. dor Kemp. SPEULEN, w., b. en o. — 
Z. Wrdb. 

— Ruimte hebben om gemakkelijk ergens in of tusschen te bewej;cn. 
D. B. De scl:ieter moet in c slot gemakkelijk kunnen spelen. Z, spel, 

— Bij kaartsp. Deelnemen aan 't spel, in tegensttlling van passen. 
D. B. Ik zal maar spelei\ Paslegij of speelde ? Ik heb (e slechte kaart 
om te spelen. 

— Uithangen, te werk gaan als, zich gedragen als. De* fijne spelen. 
Den doove spelen. De' vah(ch)aard spelen. De' grooten heer spelen. 
Hij speelt den onnooztie. 't Schoo(n) man!/ ken spelen. (Z. manneken). 
De beest sfKjlen, enz. T., R. 

— In ift sptUttf er liefhebber in zijn. R, Hij speelt in de bloemen 
en ik in de vogelen. 

— Wordt gezeid van iemand wiens verstand begint te verdwalen. 
R. Hij speelt 'en bitje. Sedeit de dood van zijn vrouw, is hij beginnen 
te spelen. 

— Veur spelenSy uit speUns of om te spelen^ om te lachen, niet 
ernstig. Vechten uit spelens. 

— Zeker spelen^ het zekerste doen, het zekerste kiezen. 

— Oonije zeker spelen^ z, CX)R1). 

— Spr. J/f(/) zif\n) léven spelen^ zijn leven wagen, zijn leven ver- 
korten. R. 

— Schoo{n) ueer spelen met^ z, SCHOON. 

— */ Schoon manneken spelen, z, MANNEKEN. 

— Iemand verloren spelen^ zich heimelijk van hem verwijderen, 
R. Plij hée' njij op de mer<k)t verloren gespeeld. 

— Me{t)open kaart spelen, rechtdoor, zonder geveinsdheid handelen. R. 

— Van spelen komt kwelen^ het spel ontaardt soms in plagerij en Iwisi. 

— In iemands kaart spelen, vt)lgens zijnen wensch handelen. 

— Me{t) zijne{n) kop speUn, koppig zijn. R. 

— In *t gedacht spelen, door 't hoofd spelen. Die uitdrukking is 
volgens 't Wóordenb. der Neder l. taal \- 'ouderd, doch niet in de prov, 
Anlw., 't Hasp. en Kl.-Br. (z. R.) 

— Schampavie spelen, z. schampavie. 

— Op zyne{n) poot spelen, z. POOT. 

— O^ geene{fi) kloon spelen, z. KLOON. 

— Schapken spelen, z. SCHAP. 

— Op geene{ti) suf spelen, niet gemakkelijk vallen, krachtdadig 
handelen, 

SPBLHERBBRG, znw„ v, — Dansherberg, herberg waar met 
de kermis gespeeld en gedanst wordt. De spelherbergen hebben met de 
kermis de' meesten aantrek. De pastoor heo' gepreekt op de spelherbergen. 

SPELLEKEKEUR, znw., o. — ITen mei>j"S3pel met spelden, dat 
met tweeën gespeeld wordt en bestaat in te raden, of <le twee spelden 
die een der meisjes in de gesloten hand verbergt, al of niet met de 
koppen nevciiscen liggen. Raadt men het, dan wint men eene speld. 



— II56 — 

SPELLEKE(N, znw., o. — Rondreizende tooneeltroep of ander 
rondzwervend huisgezin. (K.) Gade (Jezen avend naar *t spelleken zien ? 

SPELLEKENBONK (in 't W. spalhk?nbo^nk\ znw., o. — Een 
meisjesspel met spelden. ledere medespeelster legt eene speld in eene 
o of ronde, die op eenen steen of dorpel met krijt geteekend is. Elk meisje 
mag daarna driemaal met eenen elastieken bal in de o bonken (z. bonken) 
en, zooveel spelden zij er uitbonkt, zooveel wint zij er. 

SPELLEKBNSMAN, SPELLEKBNSVBNT, znw., m. — 
Iemand die deel uitmaakt van een rondreizenden tooneeltroep of rond* 
zwervend volk. (K.) 

SPELLEKENSWAGEN, znw., m. — D*e wagen van een rond- 
reizend tooneelgezelschap of een londzwervenden kermistroep. (K.) 

SPELLEKEWIP, znw., o. — Een meisjesspel met spelden, waarin 
de geheelc kunst bestaat met den nagel van den duim eenige spelden 
in- en uit een oken of ronde te wippen. Men moet iedere speld in 
eenmaal buiten het oken wippen, wanneer zij er in ligt, en in eenmaal 
binnen het oken, als zij ci builen ligt, om de speld te winnen. 

SPELLEKOP, znw., m. — Kop eener speld. 

— Geene[n) spellekop^ volstrekt niets. D. B. Dat is nog geene' spelle. 
kop wèèrd. Ik heb van hem nog geene* spellekop gekregen. 

SPELLEMAN, SPELMAN, znw., m. — Z. speelman. 

SPELNAQBL, znw., m. — Lange nagel van draad met kleinen 
kop. Er zijn speluagels in alle grootten en dikten. De timmcrliê en 
schrijnwerkers gebruiken spelnagels. 

SPELTERNIEF, bvw. — Splinternieuw, fonkelnieuw, Fr. tout 
battant neuf. 

SPENEN, in sommige streken SPENEN, w., o,, met ry«, — 
Van bloem in vrucht overgaan, Fr. se ftouer, bij D, B. spennen. De 
kerzen beginnen te spenen. De appelen zijn al gespeend. 

Kil. hYiQViQU^ dejïorescere^ flortbus amissis fructus formam primam 
producere, 

* SPERREBEKKEN, w., o. — Z. smalbekken. 

SPERS (ook spas uitgcspr.), znw., v„ mrv. sperzen. — Pers, perzik, 
Fr. pêche, (K.) 

— Vandaar sperzenboom ^ sperzebloemy sperzekjen, sper zesteen ^ enz. 

SPERTELEN, w., o. — Z, spartelen. 

SPERTELEN, w., o. — Sparkelcn, sprankelen. (K.) 'Et vier 
brandt dat 'et spertelt. 

SPERZIB, SPERZE, znw., v. - Asperge. 

SPETEN, znw., b. — Spelden, met spelden vasthechten. T., R., 
Ki.-Br. Speet die spel aan de gordijn. Iemand wat op de mouw speten. 



-- «>57 — 

c Ge zoudt me gelijk geeme wat op de mouw speten /* » (Zetternam, 
Manheer LuchUrvelde^ 67.) 

— Spr, levers *en spel veur speten^ z, SPEL. 

Kil. Speten, affigere acicula, 

SPETFIEL, znw., o. — Z. spitsviel. (Heist-op-den-Berg.) 
SPETSEN, w., b. en o. — Z. speitsen. 
SPEULEN, w., o. — Spelen, Yx.jouer. (N. der K.) 

SPIE, znw,, V. — Dikke snede. T., R. Hij snee* 'em *cn dikke 
spie brood af. *£n spie HoIlands(ch)e kèès. 

"^ Spievormig stuk grond. E spieken grond. Daar leet hier nog *en 
spie, die ek mee' hout zal beplanten. 

SPIEBEURS, SPIEBÖRS, znw., v. ~ Smokkelbeurs, beurs 
waar de man het geld, dal hij buiten de weet zijner vrouw achterhoudt, 
in steekt, als hij van haar geen drinkgeld genoeg krijgen kan. (Z. der K.) 

SPIEBOUT, znw., m. — Z. schèèrbout. 

SPIEËN, w., o. — Spievormig uitloopen. Da' land spiet hier wa'. 

SPIEGEL, znw., m, ~- Groote ruit of glasraam van zeer dik en 
effen glas, Fr. glacé» 'Ne spiegel veur 'en vitrine. 

— Eene ingelijste vlakte die den vierkanten vorm van eeneu spiegel 
heeft, zooals b. v. het paneel van eene deiu*, enz. 

— De spiegel van eene kas sigaren is de bovenste laag. Die sigaren 
zijn gemeenlijk de schoonste en de fijnste. 

SPI EGELBOL, znw., m. — Glazen bol die langs binnen met 
kwik belegd is gelijk een spiegel. Er zijn spiegclbollen in alle grootten. 
De spiegelboUen worden als sieraad aan de zoldering opgehangen. 

SPIEGELDEUR, znw., v. — Paneeldeur, deur met paneelen. 

SPIEGELRUIT, znw., v, — Groote ruit van zeer dik en effen 
glas. 'En huis mei spiegelruiten. De spiegelruiten worden verzekerd tegen 
het breken. 

SPIER, znw., V, — Bij beenhouwers. Een stuk vleesch, liggende 
tusschen het steettstuk en den schenkel. 

SPIER, znw., o. — Halm, pijltje. (Z. der K.) T., R. Hij hée' 
nog geen enkel grijs spier op zijne* kop. E stroospier, e gersspier. 

— Get'{n) spiery volstrekt niels. Hffl., M. Hij krijgt gee(n) spier meer. 
Ik heb gee(n) spier honger. 

SPIEREN, znw., v., mrv. — Wanneer men eene stelling maakt, 
waarvoor men sparren als steunstokken bezigt, dan verbindt men die 
spanen door dwaishouten, die er op gelijke afstanden stevig aan vast- 
gebonden worden. Die dwarshouten, waarop de planken rusten die dienst 
doen als vloer, op welken het werkvolk staat te werken, b. v. aan 
gebouwen, heeten spieren. Het zijn sparren of kepers, stuk gezaagd ter 
lengte van i 1/2 meter. 



- I 158 — 

— A-ïii «Ie kiaien gebruikt men de spieren om te beletten dat de 
schepen, -lie al I lar vastgemeerd li^jg^n, door de golving des waters zouden 
bewegen e.i legen den ka;iimuur stootcn bij het overhellen. De touwen 
waarmele dj sch?pen vai op de kaai vastgebonden zijn, beletten de 
buiten waarlsche helling; de j/>7>r<f«, geplaatst tusschen het schip eo de 
kaai, beletten de binnenwaartsche beweging. 

— In N,-Holl. bet. spier < een lange, dikke spar van glad hout 
met weinig kwasten » (z. boekenoogen, 974) en in Groningen verstaat 
men door spieren c eene soort van dunne balken » (z, molema, 395). 

Z. ook KRAMERS. 

SPIERING, SPIBRINK, ook samengetrokken tot SPIRK, znw., 
m. — Z. Wrdb. 

— Fig. Mager mensch. (Ook in Brab. en VI., z. Sch.) Hij is 'ne 
spiering, 'Ne magere spierink. 

SPIESTBBN, znw., m. — Bij steenb. Een steen die langs den 
cenen kant spievormig eindigt en dient om wclfsels te metsen. 

SPIBTEN, znw., m. — Toegeworpen naam, dien men geeft aan 
cenen schalschen, vroolijken manspersoon. (A.) Ewel, spieten 1 weëtte 
vandaag niks te vertellen ? 

— Dat w. komt uit den poesjenellenkelder. 

SPIJS, znw., v. — Moes van appelen, peren, pruimen, enz., Fr. 
marmelade. Spijs op 't brood smeren. Spijs maken om vlaaien te bakken. 
Appelspijs, pruimcspijs. De druiven lagen in spijs getrapt. 

— liet weeke, verrotte of bevrozcn vicesch van vruchten, knoI> en 
wortelge wassen. De pataten zijn tot spijs bevrozcn. Die rapen zijn zoo 
rot as spijs. 

— De weeke ingewanden van sommige dieren, het wit vleesch of 
bloed van insekten. Krabben en garnatcn zitten van binnen vol spgs. 
Hij trapten op 'en pad, dat de spijs er uit kwam. 

— Beslag, tot pap of brij aangelengd deeg. Spijs om pannekoeken 
te bakken. De spijs is te dun. 

— Zeker mengsel tot het gieten van kanonnen, klokken, druklctters, 

enz. 

— In den algemeenen zin van Voedsel, eetwaar, Fr. mets^ is spys 
bij ons niet bekend. 

SPIJSGRACHT, znw., v. — Hoofdgracht, die de andere grachten 
voedt bij eene bewatering. (K.) 

SPIJT, znw., o. en niet v. — Z. Wrdb. J. (Ook in Brab., z. Sch.) 

— lu plaats van H is spijtige Fr. c'est dommage, zegt men veel 
V is spijt, 't Is spijt da' ge nie* wat eer gekomen zijt, 't Was spgt 
dat ek daar nie' en was. 

SPIJZERHAM, znw., m. — Snede brood met spijs, in plaats van 
met boter lie&ireken. (K.) 

SPIKKBLATIE, znw., v. — Z. speculatie. 



SPIKKELÉERBN, w., o. — Uitspraak van Spcculccrcn, Fr. 

SpéctlUr. Z. SPECULKERKN. 

♦SPIKSPAANDERNIEUW, ^SPIKSPELDERNIEUW, 
bvw. — « Spiinicruieuw. » 

Sch. geeft die \v. voor de stad en de prov. Antw, 

SPIKSPANENHOED, znw., m. — Sp.men hoed. Z. spanen. 

SPIKSPLENTERNIEF, bvw. — Splentern ion w, fonkelnieuw. 

SPIL, znw., V. — Elke groote tak die j^elijk een arm uit den stam 
van den b<x)m steekt en waaraan de takken staan. D. R. (Ook in 't L. v. 
W,, z. Sch.) De spillen van 'nen boom. Eike* spillen. Verkoopinj» van 
kapruin eu spillen. Men onderscheidt de topsptl en de zijs [tillen. Z, ald. 

— Rij mulders. Ieder van de hanlhouten rollekens van de lanteern, 
waar de tanden van het kamwiel tegen komen. 

— De loodstaande trapboom van eenen spiltrap, Fr. noyau^ vïs, 

— Wassen keeisken, dat men al brandende in de hand draagt, ais 
men in eenen lijkdienst ten ofleren gaat. In dezen zin gcbniikt men meest 
het vrklw. spilUken, De koster maakt kèèrsen en spillekcns. In plaats 
van spillekens gebruikt men thans in veel kerken bougie's. 

— Fig. Gierigaard of gierige vrouw (K.) 'En spil van 'ne' vent. 'En 
gierige spil. 

SPILLICHT, znw., o. — Z. .spil, 3". 

SPILTRAP, znw., m. — Wenteltrap waarvan de tieden mrt het 
ecne uiteinde in een te lood staanden stijl (^pil) en met het andere 
uiteinde in de trapboomen of in de muren steken, Fr. fscalu r n noyau 
plein, è vis. 

SPILWORM, znw., m. — Hazelworm, hageslang, Fr. orvcly in 
de wetcnscliap A/i^uis fra^ilh. 

SPILZAKKEN, znw., m., mrv. — Spotnaam der inwoners van 
Hoogstraten. 

SPIN, znw., m. — Rekbare jujube. (A.) 

SPINAZIE, znw,, m. en niet v. — Fr, épinards, T. 

SPI ND, znw., v. — Bewaarplaats der eetwaren, die voor kelder 
dient en een weinig lager ligt dan de andere plaatsen; ook ingemaakte 
kas, dikwijls onder den trap, dienende voor schapraai. 

Do, do, kinneken, 
U Pappeken staat in 't spinfteken,., 

{Aanhef van een wiegelied.) 

— Soort van lage mand. (K.) 

SPINHOER, znw., v. — Spin, spinnekop, Fr. arraijrnife. (K.) 
Kil. Spin-hoeie, arenea^ arcneus. 

SPINNEGEWEEF, SPINNEGEWEBT, znw., o., zonder 
mrv, — Spinncweb, spinrag. (Z. der K.) 



-^ 1160 — 

SPINNEKOP, Zn*»., v. en m. — Spin, Tuarraigff^. 

— Spmn^ko^^tn^ «nc hofbk'^m, in 't Fr. nigelU de l>xm.zi *ïi 
io 't La:. Xiii^^lli damaicena L. gcheeteo. 

SPINNEN, w., b. €n o. — Z. Wrdb. 

— .*»pr. //y' z^z/ het dun moeten ipinnen^ hg zal het sdmp zifxcs^ 

aank;;^:* r. oti toe te koniea. 

— Jj'iar t: mei hem ^eene poezen draad te spinnen, z. ''■ * *~' 

— Geinen lan^t'n draad meer spinnen^ z. DRAAD. 

— Den avond al spioDeode in de baurt gaan overbrec^3. K. 

Z. SFIN.NfNG. 

— Wordt ;;ezeid van bedorven brooi, dat draadjes vormt, waz-e-r 
men het d'KjrbrceKi. 

— Ook %an bier dat dik en olieachtig is, Fr. üler, 'Et bier sf^Ji:. 
<hi\i Lijperen. 

SPINNEWIEL, znw., o. — Fig. Rusteloos kind. Da' spinnevieL 
kan gecn'.-n oogenblik stilzitten. 

SPINNING, znw., v. — Eertijds kwamen de jongedochters eccer 
buurt iD ii'.-i ccii of auder huis bijeen ; zij brachten hun spinnewiel me»ie 
en de avond werd al spinnende, al zingende, al klappende en lachende 
dfX)rgcbrachi, Deze bijeei. komsten, waarop de vrijers der joogedochters 
niet ontbraken, werden ipinningen genaamd. (K.) 

SPIRK (uilspr. sptirr^k), znw., m. — Z. SPIERING. 

SPINT, znw., o. — Wissen korfje, waar men aardappelen in 
schelt. (KJ 

— Wissen korfje, waarin men de wei uit den kaas laat loepen. (K.; T. 

SPIT, znw., o, — De grcp die openblijft tusschen 't gespitte en 
't vaste land, in 't land van AaUt spet, (Z. Sch.) 
Ook Spaalvoor en Stoep. 

SPITS, znw., m. — Soort van hond, zwart van kleur, met spitse, 
rechtopstaande ooren. Hij hëe' 'ne' schoone' spits. 'Ne pekzwartc spits. 

— Naam, waarmede men zulken hond roept. 

SPITS, znw., V, — Z, SPITSROEIEN. 

SPITS BAK, znw., m. — Schcepsterm. Plat schip, dat met kolen 
en erts geladen wc^rdt en naar het Luiksche vaart. De kop is spits en 
het schip plat. Het heeft geene zeilen. 

SPITSELINQ, znw., m. — Puntig stukje hout of ijzeren nageltje 
zonder kop, door de sctiocnmakers gebruikt om de zolen aan de schoenen 
vast te maken. (Z. der K.) T. 

— Elders PEG. 

SPITSEN, w., oiip. — Kr warm toegaan, nevens het twisten 
of veciucii al^ia.in. Moesl 'et oorlog würren, 'et zou er spitsen ! 't 21a!der 
spitsen as 't kermis is ! 't Heet er gisteren avend in die herberg gespitst 
(meo heeft er getwist en gevochten). 



— ii6i — 

SPITSKAR, znw., v. — Hetzelfde te Antw. als in de Kemp. 
Spitsroeieo, Fr. baguettes. Deur de spitskar loopen. 

SPITSROBIBN, znw , V,, mrv, — Deur de spitsroeün moeten, 
In sommige kindeispelen moeten de overwonnelingen door de spitsroeien. 
Dat geschiedt volgender wijze : De deelnemers aan het spel staan, wanneer 
het geëindigd is, op twee rijen met de aangezichten naar elkander gekeerd. 
Die in 't spel overwonnen zijn, moeten driemaal tusscheu die rijen door- 
loopen en terwijl regent het doflcn op hunnen rug. 

SPITSVIEL, SPITSVIL, znw., o. en m. — Kwapoets. een 
jongen die mets gerust laten kan, niet uit kwaadwilligheid, maar uit 
lichtzinnigheid. (K.j Onze Jan is zoo e spiisviel ! *Nc spitsvil van 'ne' jongen. 

SPITSVIELDERIJ, SPITSVILDERIJ, znw., v. — Kwa- 
poetserij. (K.) 

SPLEET, znw., v. — Kier. T., R, De deur stond op *en spleet. 
Zet de venster mee' e splcétjen open. Ik heb 'et gezien deur 'en spleet 
van de deur. 

— Vrouwelijke schamelheid. 

SPLINSTER, znw., v., niet m. — Hetzelfde als Splinter. T., R. 
Daar zit 'en spiinsier in mijn hand. Iet in splinsters vaneenslagen. 

SPLINSTERBN, w., b. en o. — Splinteren. 'Et been was heele- 
maal gespiinsterd. 

SPLISSEN, w., b. en o. — Splitsen. 'En koor(d) splissen. Die 
dra(d)en splissen gemakkelijk. 

SPODDEREN, te Antw. SPODDERÉEREN, w., o. ~ Driftig 
loopen, ijlen, bij D. B. spodderen ^spoeler en ^spotteren, Den haasspodder- 
den over 't land, en den hond spodderde der achter. Hij kwam over de 
straat gespoddereerd. 

— Afl. Spodderèèr^ gespodder, 

SPOECHTER, znw., m. — Spuiter, grappenmaker. (Lier.) *Ne 
vieze spoëchter. 

SPOELDER, znw., m. ^- Bij wevers. De werkman die het garen 
op de spoelen windt . B. 

SPOELPIJP, znw., V. — Rieten pijpje waar men den inslag op 
windt, om dan in de schietspoel gevestigd te worden. D. B. 

SPOELPRIEM, znw., m. ^ Bij wevers. Dun, buigzaam spilleken 
van balein, waar de spoel pijp op dr<iait in de schietspoel, Yx, f user olie, D. B. 

SPOKEN, te Antw. en in 't Z. der K. SPOOKBN, w., o. — 
Z. Wrdb. 

— Op iemand of op iet spoken^ er tegen uitvaren, zijnen wrevel 
luchten. Hg spookt altijd op de' gemeenteraad. Daar zijn mens(ch)en 
die gedurig op de priesters spoken. 

— Onp. Er erg, geweldig toegaan. B. 'Et zalder spoken, as 't kiezing 
is. *t Heet er gisteren gespookt in 't dorp (men heeft getwist en gevochten. 



— 1102 ~ 

SPOL, ook SPOLK, znw,, v. — Afgespleten stukje hout, spalk. 
Hij kapten op den boom, dat de spollen er af vlogen. Daar is *en groote 
spol van mijne' stok. 

SPOLLEN, SPOLKBN, w., o., met zyn. — Splgten, klieven. 
Fr. se fendrCy Hgd. spalten^ Eng» ^o spelt^ Middelhgd. spellen. Dat hout 
spolt gemakkelijk. Die plank is leelijk gespjld. As ge eerst gee(n) nagel- 
gat boort, dan zal 't hout s|^olken. 

— Onp. K\ geweldig toegaan, 'l Zaldcr spollen ! (er zal gezongen, 
gebrast, gevochten worden.) 

SPON, znw., o. — Dc' plank vóór of achter aan het bed, bij Kram. 
sponde, v. 

— Zijschof van eenc kar of eenen wagen. T, De sponnen op de 
kar z?lten. Doet dc sponnen van de' kruiwagen. 

— Schertsend M)or HoDge, puntige halsboord. Hij hée* zijn sponnen 
weer aan . 

''SPON, i. ♦speen. 

SPOOK (te Antw. en in 't Z, der K, met scherpe, en elders met 
zachte o uiigespr.). — Fr. spectre, fanióme^ revenanl, Z. Wrdb, 

— Iemand die bleek en mager of zeer leelijk is. E leelijk spook 
van e manneken. £ mager spook. 

— Ook een schalk en plaagziek kind, Fr. lulïn, D. B. 'En aardig 
spook. E spook van e kind. 

SPOOKEN, w., o. — Spoken. (A. en Z. der K.; 

SPOÓKSEN, w., onp, — Hetzelfde als Spoken, in den zin van 
Er erg, er geweUlig toegaan. (K.) Het héél er gisteren gespookst in 
die herberg, 't Zalder spoöksen as 't kiezing is. 

SPOOR, znw„ V. — De pin van eene spoorlce, die draait in de 
pan, Fr. niufnelon, D. B, 

— Ook de Ice met de spoor, Fr. pivot d équerre. 

SPOOR, znw., o. — Z. Wrdb. 

— Spr. Het spoor overlnopen (klemt, op loepen)^ overdreven vriend- 
schapsbetrekkingen met iemand onderhouden, meer te zijnent verkeercn dan 
wenschelijk is om de vriendschap te bewaren. Hij is goeie vriend met den 
börgemeester, maar 'k vrees dat hij 't spoor zal overloop>en. Hij zal 
daar gauw 'et spoor overloopen hebben. 

— In iemands spoor zijn^ in dcnzelfden toestand als die persoon 
verkeeren. Ik zou nie' geren ui ze* spoor zijn. Da' ge in mij' spoor moest 
zijn, ge teerden uit van verdriet. 

— Van '/ spoor zijn oï op e slecht spoor zijn (geraken)^ zich slecht 
gedragen. As ge zoo van 't spoor blijft loopen, dan zulde nog in 't kot 
geraken. Dieë jongen is op e slecht spoor geraakt, sedert dal em wa' 
geërfd heet. 



- 1103 — 

SPOORLBB, /. iw., V. — Eene lee of hengsel dat met eene pin 
rust eii ciiaait in eene pan, ook eenvoudig Spoor geheeten, Fr. pivot 
d cquerre^ bij D. B. spoorgan<f, spoorUchte, 

SPOORLÈER, ziiw., o. — Bij schoenmakers. I-^der dal men in 
den schoen zei, ais hij van binnen achter aan den hiel is doorgesleten. 

SPOORPAN, znvv., v. — Een stuk ijzer, gewoonlijk vierkant, 
met een pui je oi kuiltje in 't mid ien, waarin de spoor of pin van eene 
spoorleein rust en draait, Fr. crapaiidine^ bij D, B. spoor pot. De spoorpan 
waar de hals van eenen molen in draait, heel in *t Fr. poilicr^ poailUr. 

SPOORVAST, ovw., enkel als gez. — Wor-il gezeid van peerden, 
die zoo goed d»; wegen kennen die zij volgen m )eton, dat zij er niet 
van afwijken. (K ) Spant den bruinen in, diecn is spoorvast. 

— Fig. Spoorvast zijn in ict^ er vast in staan, het grondig verstaan. 
Ik verstaan al wa' van de spraakkunst, maar 'k bender nog nie' spoorvast in. 

SPOORWIJS, bvw., alleen als gez. — Het te volgen spoor kennen» 
de, sprek, van peerdeo. (K.) E veulen spoorwijs maken. Da* peerd is 
nog nie' spoorwijs, 

— Fig. De eerste beginselen kennende. Iemand spoorwijs maken 
(hem leeren hoe hij handelen moet). Dieë jongen is al wa' spoorwijs. 
De ouwers h<«iidelen goed, die hun kinderen al wa' spoor \rijs maken, 
eerda' zij ze naar de school zenden. 

Z. ook TOOM WIJS. 

SPORK (iiilspr. j/J^r-'y^), znw., m, — Zwarte eis, pijlhout, Fr. 
bourdaindy oourgcne^ aunc noir^ in de wetenschap Rham mus f ranguia. 
Kil. Sporck, frangula^ alntis niger. 

SPÖRKBBBES, znw., v. — Bezie die aan het sporkenhout groeit. 

SPÖRKBN, bvw. — Van spörk, Spörke' stokskens. Spörken hout. 

SPÖRRIB, znw., v. en m. — Spurrie, Fr. spergule, 

— Spr. *t Komt uit gelijk spörrie me[t) e miksken (scherts,) 

SPÖRRIEBRAAK, ^nw., v. — Bij landb. Land waar zomerspurrie 
op gestaan heeft, en dat men gedurende den herfst laat braakliggen. 

SPÖRRIBKOBI, znw., v. — Koe die op de spurrie weidt. 

— Verg, Hygen gelijk ^en spörriekoci^ z. HIJGEN. 

SPORRIBLAND, znw., o. — Bij landb. Land waar spurrie op 
gestaan heefi. 

SPÓRRIBPLAK, SPÖRRIBPLEK, znw., v. — Stuk land 
met spurrie bezaaid. 

• • 

SPORZEBEBNEN, znw., o., mrv. — Bennen met binnenwaarts 
geplaatste kuieèu. ^Z. der K.) 

SPÖRZEN (ook spözzjn uiigespr,), w., o. — Driftig of dartel loopen 
(K.), bij r. sparren. Die kinderen doen iet van spörzen. De verkens 



— 1104 — 

spörzen heel den hof overhoop. Waar mag hij nu weer naartoe gespörsd 
zijn ? Hij spörsden overal maar over. Oe kinderen hebben leelijk deur 
't koren gespörsd. 

— Afl. Gespörs. 

SPOSIB, SPOCIB, znw.. v. — Z. POSlE. 

SPOUW, znw., m. — Speeksel, spog, Fr. crachat^ salive. De 
vloer lag vol spouw. Iet natmaken mè* wa* spouw. 
Kil. Spouwe, saliva^ sputum. 

SPOUWEN, w., b, en o. — Hetzelfde als Spuwen, spuigeo, 
Fr. cracker. Z. Wrdb. 

— Overgeven, braken, Fr. vomir^ Eng. to spew. Ik wier* gewaar, 
dat ek moest gaan spouwen. De zieke moest spouwen. 

SPOUWSEL, znw , o, — Braaksel, Fr. matte res vomüs, 

— Fig. Vuil t i <inerig wijf. E spouwsel van e wgf. E vuil spouwsel. 

SPRAAK, znw., v. — Z. Wrdb. 

- Tot de spraak konten^ beginnen te spreken, de spraak terug- 
krijgen, bij D. B. tot sprake komen. Eindelijk kwam de zieke tot zijn spraak. 

— Maar, loopend gerucht. De spraak gaat dat i gaat trouwen. De 
spraak hée' lank gegaan dat em dood was. 

SPRAUW, znw., m. — Z. SPRIK. 

SPRANG, znw., v. — Bij mulders. IJzeren oog, waar de vang 
mee aan den vangbalk vastligt. 

SPRANK, bvw. — Voorkomende in het raadsel : 

Rank hout, 
Sprank hout, 
Ongeboren timmerhout. 

{De wyngaard,) 

SPRANT, znw., v. — Uitspruitsel op den wortel, wortelscheut. 
(K.) (Ook in Z.-Holl., z. OPPR., 84.) Een aar krijgt verscheiden spranten. 
De spranten schieten op den wortel uit. Z. uitspr anten. 

SPRE£(D). Tweede Hoofdvorm van Spreiden. 

SPREEK, znw., m. — 't Is geene spreek (wèêrd)^ *t is de moeite 
niet weerd. 't Is geene spreek, dal em daar geërfd heet. Heddegij veul 
boeken ! Ba ! 't is geene spreek ! Ik weet nie' hoeda' ge daar oewe* 
mond mee kunt verslijler\ 't is emmers geene' spreek wèèrd ? 

SPREEUW, znw., v. en niet m. — Fr, <f tour neau. R., J. 

SPREI, znw., v. — Z. Wrdb. 

— Bij landb. Hoeveelheid, perk veld- of hofvruchten, die uitgedaan 
zijn en op 't veld gespreid liggen. (K.) 'En sprei vlas. 'En sprei beet. 
*En groote sprei ajuin. 

SPRBIKB(N, znw., o, — Buitje regen. E spreiken regen zou deugd 
doen aau de veidvruchten. Z. ook sproeikii(n. 



— 1105 — 

SPRBKELIJK, bvw. — Tc spreken. Sprekelijk zijn, Fr. être 
nccessj'bUy donner aiidience, recevoir. D, B. (Ook in Brab., z. Sch. Door 
V. D. als gewest. vermeKi.) Is Mijnheer sprekelijk ? Hij is altijd sprekelijk, 
as er iemand komt. 

SPREKEN, w., o. en b. — Z. Wrdb. 

— Groeten, goedendag zeggen. B. As ge iemand tegenkomt, kind, 
dan moette altijd spreken. Hij sprak o ie* as ek 'em tegenkwam. 

— Schoon spreken^ z. SCHOON. 

— Borg spreken^ z. BöRG. 

— Gep. w. Spreken noch steken^ volstrekt niet spreken, omdat men 
niet spreken wil en pruilt of monkt. Ik weet nie' wat i in zijne' kop 
heet, hij spreekt of hij steekt. 

— Er van weten te spreken^ iets tot zijn nadeel ondervinden. Dieë 
vent is *nen eerste smous, ik weet er van te spreken. As ge onder mijn 
handen valt, vlegel, dan zuldc'r van weten te spreken ! 

— *k Zal u spreken^ zegt men dreigender wijze tot iemand, om 
te beduiden dat men hem zal straffen of kastijden. 

— Van zich spreken (nadruk op spreken)^ zqn belang doen geldtn, 
met veistand of welgelukken zijne zaak bepleiten. Doe Jef maar iet doen, 
't zal wel lukken, want hij kan van 'em spreken. Ge moet van oe 
spreken, as ge daar komt, of ge zult nooit die plaats nie* krijgen. As 
't veur z'ne' zak is, dan sprckt em van hem zoo goed as den besten avocaat. 

— Iemand te na spreken , hem kwetsen of beleedigen door woorden. 
D. B. Ik wil nie' te na gesproken zijn. Hij wilt me nie' meer bezien, 
omdat ik hem 'ne' keer te na gesproken heb. 

— Te spreken konten^ ter sprake komen. As die zaak moest te 
spreken komen, dan zou ek er mij' gedacht over zeggen* Ik weet nie' 
hoe 't te spreken kwam, maar ze klapten er toch over. As da' van ze' 
léven te spreken komt, zegt dan oe' belang. 

— Tegen zijn hert spreken^ z. HERT. 

— Iet niet kunnen zeggen zonder spreken^ iets niet mogen zeggen. R. 

— Spr. Stout gesproken is half gevochten. 

— Spreken is zilver^ zwygen is goud, 

SPREUK, znw.. v. — Z. Wrdb. 

— Kernig of vreemd, aardig gezegde. Hij doet altijd zoo'n aardige 
spreuken. Da' was 'en goei spreuk van u. Kinderen doen soms vieze >preuken. 

SPRIET, znw., v, — Schaapherdersstaf, (K.) « Op de vooi trede 
van het wagenhutteken zal een herder, met de eene hand aan zijne 
spriet. ^ (CoNSClENCE, Mengelingen^ 16.) 

SPRIET, znw., v. — Naam van zekeren vogel. Welke ? Ik heb 
het w. nooit gehoord dan in 't volgende rijm : 

Te Mei 
Heeft iedere vogel zijn nestjen of een ei, 
Behalve de kwakkel en de spriet^ 
Die timmeren te Mei nog niet. 

— Volgens Sch. is spriet te Turnhout en elders in de Kemp. 
betzelfde als Spreeuw. 



- ii66 — 

SPRIETLEPEL, znw.. m. — De gewone langwerpige eetlepel 
(N.-W. der K.), ciders Tootlepel. 

SP RIETLOOP EN, w., o. — Een eigenaardig volk sspel, vroeger fel 
in zwang, doch simls een aantal jaren afgeschaft, omdat het nooit of zelden 
zonder ongelukken afliep. Geoefende waterratten en goede zwemmers alleen 
konden er deel ann nemen, daar hel minste ongemak, aan het spel ver- 
bonden, gewoonlijk een koud bad in de dok was. 

Het spel had plaats aan boord van een schip, gelegen in de Oude 
dok. De boegspriet van het schip, scherphellend vooruitstekende, werd 
met zeep besmeerd; op het uiteinde werd een bol vastgemaakt met 
gaatjes overdekt, waarin stokjes staken met vlaggetjes voorzien. Nevens 
het schip lag een bootje, met een paar roeiers bemand, gereed om aan- 
stonds hulp te bieden, telkens dat een kamper vnn de boegspriet in het 
water tuimelde. 

De kampers, blootsvoets en slechts met hemd en broek gekleed, 
moesten nu, ieder op zijne beurt, de glibberige baan betreden, en trachten 
tot het uileinde der boegspriet te gei nUcn, om aldaar een der vlaggetjes 
meester te worden, en al zoo eenen ] r.j^ te verdienen. Vooraleer zich op 
de boegspriel te wagen, bevochtigde elke kamper gemeenlijk zijne voeten, 
en bestrooide die dan zorj:jvuldig met zand, om daarmede het gevaar 
van het uitglijden op de ronde zeepbaan te verminderen. De eersten die 
het waagden, — na door het lot aangeduid te zijn, — den voet op de 
boegspriet te zetten, rolden gewoonlijk na eenige stappen gedaan te hebben, 
van den mast in het water. Gelukkig zij die er dan met een nat pak 
van afkwamen. Het gebeurde echter dikwijls dat de kamper uitschoof, 
te peerd of schrijlings op den mast en van daar in de dok viel, en met 
gebroken ribbcü, of gansch bedwelmd uit het water moest gehaald worden. 
Meer dan een verdronk op die wijze. Het spel geraakte dan ook stilaan 
in onbruik on werd eindelijk voor goed van de lijsi der volksvermaken 
geschiapt. (A.) 

SPRIETMOS, znw., ro, en o. — Polytrichum commune enfor- 
mosum Hedw. 

SPRIK, znw., m. — Voorkomende in het rijm : 

Ik heb den hik 

En de* sprtk 

En de* sprauw 

En ik geef *em aan au (u). 

Men zegt ook : 

Hik, sprtk f sprauw, 
'k Geef den hik aan au, 
*l Geef den hik aan 'nen andere(n) man 
Die hem beter verdragen kan. 

— Wat is de betiokenis van de ww. sprtk en sprauw? 



— 1107 — 

SPRINGEN, w., o. — Fr. sauter, Z, Wrdb. 

— Zeelije sprifigen^ z. ZEEL. 

— In de bocht springen^ z, KOCHT, 

— Over dc{fi) pot springen^ z. POT. 

— Springende lèèfdig^ z. LÊKFDlO. 

— Gepaarde w. Springen of ba{d)en^ het eenc of het andere doen, 
kiezen of declen. Ge zult moeten springen of ba(d)cn. 

— Fig. Zich spoeden, neerstige pogingen doen. Ik moest springen 
om den trein nog te hebbeu. Die mcus(ch)eu moeten springen om aan 
huD brood te komen. 

— Spr, Springt omhoog en bijt hem in zijn knie^ weer u (gezeid 
om eenen vechter aan te moedigen). 

SPRINGER, znw., m. — Magere persoon . *Ne magere springer. 

— Modejonkcr, flierefluiter. 

— Vloo. Hij hee* springers. 

^SPRINGLAP, znw., m. — « Schort die de timmerlieden, wagen- 
makers, enz. zich voorbinden, > 

Sch. geeft dit w. voor *t N. der prov. Antw. 

SPRINGSTBEK, znw., m, ~ Bij kleermakers. Steek met de naai- 
machine, die niet gepakt is. 

SPRINGSTEK, znw., m. — Dwarsstok in eene vogelkooi, waar 
de vogel op- en afspringt. 

SPRINGSTOK, znw., m. — Polsstok, een stok dien men gebruikt 
om over giachteo te springen. D. B,, Hfft. 

SP RINKEL, znw., m. en niet v. — Sprenkel, spatje. 

SPRINKELEN, w., b. - Sprenkelen, Eng. to sprinkle. Wijwater 
sprinkelen. Verf sprinkelen tegen 'ue* muur. 

— O., met zijn. Spatten. *Et slijk sprinkelde tegen de' muur. 

— Het spatten der schrijfpen, P'r. cracher. Mijn pen spiinkelt. « Dat 
die pen maar zoo niet sprinkelde! » (CONSCIENCE, De Loteling^ 8.) 

— Afl. Gesprinkel, 

SPRIN KELING, znw., m. — Sprenkel, spatje. Ge het sprinke- 
lingskens ink op mijne' schrijfboek gegoeid. 

SPRINKHAAN, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Kleine, magere mensch. 

— Kaal heertje. 

SPRINKHOUT, znw., o, — Bij wevers. Ieder van de houten 
latten, twee voet lang, die met beide uiteinden vastgebonden zijn aan 
de onderschacht van den weefkam, en in 't midden de koorden ophouden 
die aan de schemels vastliggen. 

SPRINKKOOT, znw., o. — Bij landb. Verstuiking bij hoorn- 
beesten. (K.) Ons koci heget sptinkkoot. 



} 



— ii68 — 

SPROBIKB(N, znw , o. — Buiken regen. (N. der K.) Zoo e 
sproeike rej»en doet deugd aan de veldvruchten. Daar moest e mals(ch) 
sproeikc vallen. Z. ook spreik£(n. 

SPROET, znw., v. — Z. Wrdb. 

— Wordt ook gebruikt als collectief. Sproet heblx*n. Zij heet beur 
gezicht vol sproet, 

SPROBTBAKKBS, znw., o. — Aangezicht vol sproeten; iemand 
die zulk aangezicht heeft. 

SPROK, bvw. - Broos, licht breekbaar, Yr. cassant^ fragiU, Hgd. 
spröde, D. B. Hfft., R., M. (Ook in Brab., Belg.- en Holl.-Limb. Kl.-Br., 
Fricsl., Neders.cn Westf , z. Sch., R. en M, Door V. D. als gewest, opge- 
geven.) Sprok hout. Die ste i.en zijn geweldig sprok. « Het (ros) sloeg de 
molensteenen als een .^pt okken ij^klonip stuk. » (Pr. van Duyse, VaiUrl, 
Poëzie.) 

Kil, Sporck, sprock, f ragt lis, 

— Veranderlijk, sprek. van 't weder, T. E sprok weer. Het weer 
is sprok. 

SPROKKEL (klemt, op kel)^ znw,, m. — Sprokkelmaand, Februari, 
in de rijmspreuk : Al is de Sprokkel nog too fel^ hij hee(^f)t toch zijn 
drij zomersche dagen wel. 

SP ROOK (zachte o\ — Tweeiie hoofdvorm van Spreken, (N.-W. 
der K.) 

SPROT, znw., m., niet v. — Soort van visch. 

— 'Ne .^prot op sterk water, een zeer mager manspersoon. (A.) 

SPRUITEN, in 't Z. SPUITEN, w., b. — Graan in heet water 
laten zwellc", eer men het aan het vee voedert, (K,) Koren spruiten 
veur de veiuens. Gespruit koren. 

SPRUITEN, znw., v., mrv. — Spruitkoolen, Fr. choux de Bruxel- 
Ics, (Ook in Brab. en Limb., z. Sch.)^ 

SPUI, znw., o. en v. — Z. Wi-lb. 

— Het trekt hier gelijk 'en spui, het trekt hier hevig, er is hier 
een geweMi^e luchttocht. 

SPUITEBUIS, znw., v. — Spuit, glazenspuit^ Fr. seringue d 
lover les vitres. 

SPUITEN, w., o. — Spotten, den spotvogel spelen. Hij doe* 
nie' liever as spuiten. As em maar spuiten kan, dan lèèft cm. 

SPUITEN, w., b. — Z. SPRUITEN. 

SPUITER, znw., m. — Spotvogel, kluchtige snaak, guit. 'Ne vieze 
spuiter, 't Is zoo 'iic spuiter ! Keizer Karel was 'neu eerste spuiter. 
Eenige spuiters namen lie* zatlap op en verkleedden 'em. 

SPUITEREN (uiispr. spó'tt^r^n)^ w., o,, met sy«. — Spuiten, 
springen, bortclen. (Lic:.) Het bloed kwam uit de woud gesputterd. De 
kinderen spuiterden uit de school. 



— nóg — 

SPUITBRIJ, znw,, v. — Jokkernij, kortswijl, guiterij, Fr. raiUerie^ 
öadinage, espièglerie. Ge moet da* nie' seiieus opoemen, 't is maar 
spuiterij. Hij héél da' maar gedaan uit spuiterij. 

SPULEN, w., b. en o. — Spoelen, Hgd, ipülen. Hfft., Kil, 

SPULINQ, znw., m., niet v. — Dunne draf uit stokerijen, dienende 
tot veevoeder. 

— Spr. Daar vtul varkens zijn^ is de spuiing dun, z. VERKEN. 

SPULINOBAK, SPULINGSBAK, znw.. m. — Bak meteen 
deksel dien men op eene kar of eenen kruiwagen zet, en waarin men 
spuiing haalt. 

8PULINGB0ER, SPULING8B0ER, znw.. m. -. Een boer 
die veel spuiing aanhaalt. 

SPULINQKAR, SPULINGSKAR, znw., v. - Kar om spuiing 
te vervoeren. 

SPULINGVAT, SPULINGSVAT, znw., o. — Va! i»m spuiing 
te halen of te bewaren. 

STAAI, znw., m. — Z. sta(d)e. 

STAAK. Tweede hoofdvorm van Steken. (N. der K.) 

STAAK, znw., m. - Z. Wrdb. 

— Gep. w. Huis noch staak^ z. HUIS. 

— Fig. Lan^e, stijve persoon. 'Ne staak van e vrouwmcns\ch). 

STAAKIJZER, znw., o. — Bij mulders. IJzer dat in den ronsel 
komt van het kamwiel, en den looper in beweging brengt. 

STAAKKLIMMEN, w., o. — Op eenen ma!>t of stank klimmen, 
een volksspel, ook mastklimmen genaamd, om de prijzen af te halen, 
die aan eenen reep vastgemaakt zijn. De reep is boven den staak bevestigd 
als eene kroon. De staak wordt met zeep besmeerd, om de klimmers 
te doen afrijzen en aldus te beletten dat de prijzen te gemakkelijk af- 
gehaald worden. De deelnemers aan het spel mogen hunne zakken met 
zand vullen, waarmede zij bij 't klimmen, de zeep bestrijken. 

STAAKKLIMMER, znw., m. — Hij die staakklimt. 

STAAL, znw., m. — Tronk, wortelblok van eenen dunnen af- 
gczaagden boom. (K.) Maste' stalen. Eikc' stalen koopen veur biandhout. 
As 'en bos(ch) afgezaagd wordt, dan blijven de stalen nog in de' grond zitten. 

— Bij D. B. bet. staal opgaande stam van plantgewas, Fr. pied, 

STAALBOEK, znw., m. — Een zeker getal verzamelde en boekwijs 
geschikte stalen, *t zij van schilderwerk, teekenwok, weefsels, enz. 

— Fig. Wordt ook gezeid van eenen mantel, een kleed, enz. dat 
fel gelapt is. Heure mantel is gelijk 'ne staalboek. 

8TAALMIJT, znw., v. — Mijt van stalen of uiigerooidc wortel- 
blokken van dunne boomen. (K.) 



/di0ttc»H* 75 



— iiyo — 

STAAN, w., o. — Z. Wrdb. 

— Verg. Daar %taan gel^k iemand die e panneken gebroken he€{f)t^ 
gel^k eene die geen drij tellen en kan^ onnoozel staan zien. 

— Staan geli/k 'en tang op e verken, niet voegen, niet passen. 
Dieë frak staat oe gelijk 'en ting op e verken. 

— Hou(d)en staan, z. HOUDEN. 

— Gep, w. Gaande en staande zijn^ wordt gezeiii van ecnen zieke 
die niet te bed ligt. D. B. 

— Van eenen pastoor, eenen onderpastoor of eenen onderwijzer die 
ergens eene plaats bedient, zegt men dat hij er staat. D. B., R. Waar 
staat oewen heerc.oin tegenwoordig ? Hij bée' vier jaar as orulerpasloor 
gestaan op 'en döipkcn in 't WaaU(ch), en nu staat hij te Brussel. 
Z. ook LIGGEN en zitten. 

— Staan op^ bij openbaren koopdag het laatste bod gedaan hebben 
of laatst gehoogd hebben op iets, maar nog niet als definitieve kooper 
erkend zijn, gelijk dit het geval is bij den inzet of de voorloopige ver- 
kooping van huizen of landen. D. B., K., Hfft. Wie staat er op dat huis ? 
Ik staan op twee koopen, maar ik weet nie' of ek ze zal houwen. 

— Men zegt dat 'en huis^ e land^ enz, op iemand of op iemands 
naam staat, wanneer hij als wettige bezitter daarvan geregistreerd is. 

— ZijneifC) man staan, zooveel doen als een man kan of behoort 
te doen. D. B., T., R. Hij zou zijne' man wel staan, as ze'm moesten 
aandoen. Gij kunt op mij betrouwen, ik staan mijne' man. 

— IVel mc{t) zi/{n) zelven staan^ eenen hoogen dunk van zich zelven 
hebben. T. Ik kan dieë' vent nie' goe' lij(d)cn, omdat hij zoo wel me' 
zij' zelven staat. 

— Veur iemand staan, hem vootstann, er veel van houden. 'Ne 
knecht moet veur zijnen heer staan. Isaac stond meer veur Ezaü as veur 
Jakob. 

— Staan op, op 't punt zijn van. R. Ons koei staat op 't kalven. 
'Et stond op 't regenen as ck vertrok. Jan staat op 't trouwen. 

— Op droog voeicr staan, geen groen voeder krijgen. Ons koeien 
staan op droog voeier. 

— Droosr staan, z. droog. 

— Naar iet staan ^ er naar trachten. D. B. Hij sta' naar de plaats 
van secretaris. 

— Er gestaan hebben, ergens kwalijk van afkomen. K. Hij meenden 
er goe' van af te ko ncn, maar hij heet er leelijk gestaan. 

— Het loeer staat, het is vast weer. Ik geloof nie' dat *et weer 
lank staan zal. 

— Ze staan hebben of het staan lubben, dronken zijn. Jan had ze 
gisteren weer leelijk staan. Gij hadt het verleden Zondag 'en bitje staan. 

— Staan hebben, schuldig zijn. Gij hèt hier nog lien frang staan. 
Hij heet in alle herbergen wa' stann. 

— levers staan, er schuld hebben. Zij staat in diec' winkel nog veur 
twintig frank. 

— levers met de^n) vuile staan, er veel schuld hebbeu. 

— In 't kr^'t staan, z, KRIJT. 



— 117» ~" 

— Op figen beenen staan^ voor eigen rekening werken. Sedert da* 
Jaak op z^n eigen beenen staat, heet em al 'en heel sommcke gespaard. 

— Nie{t) weten waar zijne kop staat, het hoofd verliezen. R. 

— Staan daar den bessem staat, z. BESSEM, 

— Laat staan f z. LATEN. 

— Staan regenen^ sneeuwen^ waaien^ enz., standvastig regenen, 
sneeuwen, waaien, 't Heet den heelen dag staan regenen. Als daar staat 
te sneeuwen, dan blijf ik liever thuis. 

— Staan wordt gezeid van graan, dat op den zolder ligt en waar 
ó& groei \n komt, als het niet tijdig omge/.et wordt. Z. groei. (Aanh.) 

— Het spel staat, zegt men wanneer geen der partijen wint noch 
verliest. T., R, V^ndnar staan Je spe/, spel waarin de partijen gelijk staan. 

— A/et iet staan te hou{d)en, z. HOUDEN. 

— Croed z^'n om te staan, waar er zeven gevochten hebben, laf zijn. R. 

— Wateren, Fr. uriner, (K.) Wacht 'nea oogenblik, ik moet is gaan 
staan. As ek wa' gedronken heb, dan moet ek alle botten staan. 

— Staande werk, werk dat staande venicht wordt. 

— Staande weer, vast weder, Fr. temps fixe, 

— *Ne staande voet, eene maat zoo hoog of zoolang als een voet. 
*Et koren was nog maar 'ne* staande' voet hoog as \i vc» hagelde. Dees 
tafel is 'ne' staande' voet hooger als dedic. 

Kil . Staende voet, pes porrectus ; justa pedis mensttra. 

— Staande licht, raam boven eene deur, waaier. (Z. der K) 

— Het licht van eenen vuurtoren, lichttoren of vuurbaak. (A.) 

— Op staanden oogenblik, op ataan ien voet, oogenblikkelijk. 

— Met de staande kar r^'{d)en, inhalen, enz., met de eene kar 
rijden, terwijl de andere geladen of ontladen wordt. T. 

STAANDER, znw., m. — IJzeren of blikken vat met een deksel, 
waar de winkeliers olie uit gerieven. De staander is leeg, ge moet 'em 
vullen. Oliestaander, petrolstaander, smoutstaander. 

STAANDERS, bw. — Bikkclstand. Men heeft staanders, ruggelen 
en putter en, 

STAAN DEVOETS, bw. — Al staande, zonder neder te zitten. 
Wij zullen in die herberg e glas bier gaan drinken, maar staandevoets. 

STAANSWIL iOM), bw., — Welstaanshalve. Om staanswU ben 
ik verplicht hem 'en bezuuk te brengen. 

STAAT, znw., m. — Goed [slecht, enz.) in staat zijn, in goeden, 
slechten, enz. toestand zijn. B. (Ook in Gron. en Oost-Friesl.) 2^* land 
is goed in staat. Ze' gevee (vee) is maar slecht in st^at. 

— Tot staat komen, tot staat geraken, getrouwd geraken. Da' 
meiske zal nooit niet tot staat geraken, want ze ge.lraagt heur te slecht. 
As dieë jongen eens tot staat komt, dan zal hij wel moeten werken. 

— Zifne{n) staat te buiten gaan, zijne huwclijkspiichten miskennen. 

— Veur alles in staat z^'n, zeer te mistrouwen zijn. 



— IIJ2 — 

STAD, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Spreekt men hier, in *t W. der Kemp., van de stad, dan bedoell 
men daarmede Aniwerpcn. Voor de inwoners rond Lier is het IJet, voor 
die rond Herenthals is het HerenlhaU, en voor die rond Turnhout wonen, 
is het Tuinhout. Naar dstad gaan. Hij weunt in dstaii. 

— Spr. */ Komt beter van *en stad als van 'en dorp^ \ wordt 
beter geëischt van eenen rijken dan van cenen armeren mensch. — Z. ook 
KERK. 

STA(D)B, znw., m. — Iet doen op sta{d)e oi op ztjne(n) sta(d)ef op 
zijn gemak, zonder zich te haasten. T., R., Hfft. (Ook in Biab., z. Sch.) 
Doet da' werk op sta(d)e. As ge op oewe' sta((l)> aangaat, dan kunde 
daar op 'en uur komen. Ziet die brieven is op sta(d)e na. 

Kil. Stade, commoditas. 

STA.D;EN, znw., v, — Meervoud van een onjj'-biuikt enkelv. 
Stade, stede, plek, plaats. (Z.-O. der K.) T., R. (Ook iu Limb.) Ik ben 
wel te vijf stafd)cn geweest om 'ne* knecht, maar ik heb er geene* 
gevonnen. Mei de leste kermis was 't hier te vijftien sta(d)en spel. c Want 
de vier E wangc listen en seinen niet accorderende in alle staden, « (A'^ederl. 
Prozast.) 

STADHUISWOORD, znw., o. — Hoogdravend woord. Hij 
gebruikt altijd sladhuiswoordén, die ik nie' en verstaan. 

— Kram. vert. het door terme de pratique^ mol barbare^ mot latin, 

STADS^CH), bvw. — Hetzelfde als Steedsch, Fr. iirbain, de la 
vilU. Op zij' slads(ch) gekleed gaan. Zij draagt 'en stadi»(ch)c muts. Op 
zij' stads(ch) spreken (den tongval der stad Antwerpen gebruiken.) 

STADSLBUGENÈÈR, znw., m. — Groote, onbeschaamde leuge- 
naar. (A.) 

STADSSCHRIJVERS, znw., m., mrv. — S|x>lnaam der straat- 
keerdei s te Lier. 

STADSVOLK, znw., o. — Stedelingen, in tegenstelling van Buiten- 
lieden. T., R. 

STADSVRIJER, znw., m. — Een jonkman die altijdaan een 
nieuw lief heeft. (A.) 

STAF, znw., m, — Verkorting van Guslaf. 

STAGET. Samentrekking van staat het. Hfft. (Ook in Brab., z, Sch.) 
Hoe staget met die zaak ? 

STAGIE (uilspr. stazie^ stözzc), znw., v, - Verdieping van een 
huis, Fr. t'tagt'. D. B. 'En huis met twee stagics. Hij bewoont 'en kamer 
op de eerste stagic. 'En slagie op 'en huis bouwen. 

— Wordt ook gebruikt in den zin van Ruimte tusschen den vK)cr 
en de zoldering. 'En huis mee' één stagio, Fr. une maison sans etage. 
'En huis met twee stagies, Fr. une maison d une étage. 



- H73 - 

STAKEN) Mr., b. — Van slaken voorzien, sprek. van boonen, *t Is 
tijd om die boonen te staken. Zijn de boonen gestaSkt ? 

STALBAND, znw., m. — Bij landb., enz. Leeren riem om den nek 
van een pcerd, waar de teugel aan vast is, met welken het in den stal 
gebonden staat. 

STALBBEST, znw., v. — Hoorndier dat op stal staat. 

— Fig. Dikke, logge mcnsch. Zijn viouw is *en oprechte sialbeest. 
Hij is zoo dik as 'en stalbeest gewürren. 

STALBOEK, znw., m. — Bij landb. Een boek waar de staldieren 
in opgeschreven siaan, met aanduiding van het tijdstip van het koopcn 
of verkoopen der dieren, van het kalven der koeien, van de weerde 
der beesten, enz. 

STALEN, bvw. — Van staal. Z. Wrdb. 

— Het is *€n staU[n) wet^ eene strenge noodzakelijkheid, eene strenge 
plicht. Het moet veur u 'en siale' wet zijn veur oewen ongelukkige* 
vader te zorgen, 't Is geen stale' wet van op 'nen afgezetten hei ligdag 
mis te hooren. Is 'et 'en stale' wet, dat ekik da' doen moet ? 

* STALEN, w., b. — « Eigenlijk water, koeidrank warm maken 
met er heet staal of ijzer in te houden en verder in 't algemeen warm 
maken . » 

Sch, geeft dat w. voor de Kemp. 

STALGANQ, STALOANK, znw., m. — Bij landb. De ruimte 
tusschen twee staken waar, in den stal, de koeien aan gebonden staan. 

STALLEI, znw., v. — Bij landb. De plaats in eene schuur, waar 
het graan getast wordt. (N. en W. der K) De siallei is van den dorsch- 
vloer afgescheiden door een laag muuiken, dat denweeg genaamd woidt. 

STALLICHT, znw., o. - Dwa;dlicht, h'f./eu foUet. HITt. Hij 
ging loopen van e stallicht. Op de keikhoven en in de moerassen ziet 
men 's avonds slallichljes. « Gij hebt insgelijks achtei het vermaledijd 
stallicktje gcloopen ? » (CoNSClENCE. Eene GekkenwcrelJy 4.) 

— Kil. Stal-hcht, i^ui's fatuuSf ignïs erraticus, 

STALMES, in 't N. STALMIS, znw., o. — Stalmest. (K.) 

♦STALREEP, znw,, m. — Z. stalreipel. 

STALREIPEL, znw., m. — Bij landb. Ieder van de staken in 
eenen koestal, die aan de ben bevestigd zijn, en waar de koeien aan 
gebonden staan (K.)i bij Sch. sialreep (Antw., Kemp.) en bij Dr. reppel, 

STALTEUGEL, znw., m. — Bij landb., enz. Teugel waarmede 
een peerd in den stal gebonden staat. Z. teugel, 

STALWIS, znw., m. — Bij landb. Ketting die aan den kennef 
eener koe vast is, en waarmede zij aan den stalreipel gebonden staat. (K.) 



— 1174 - 

STAM, znw., ra. — Z. Wrdb. 

— Op stam verkoopetif boomen verkoopen terwijl ze nog te wassen 
staan. 

STAM EREN, w., o. — Hetzelfde als Stamelen, begayer^ batbutier. 

— Afl, Stamerèèr, gestamer, 

STAMINÉ, znw,, v. — Herberg, Fr, estaminet, 

— Op staminé gaan, in de herbergen gaan drinken. 

STAMP, znw., m. — Harde stcx)t of schop met den hiel of den 
voeizool, Fr. coup de püd. D. B. Iemand 'ne* stamp onder zijn broek 
geven. Hij kreeg *ne* stamp van e pèèrd. 

— Nen stamp of *nen stamp onder zijn broek kr^'gen^ ergens weg- 
gejaagd worden. 

STAMP, znw., v. — Bij smeden, enz. IJzeren uitgeholden vorm, 
dieueiidc oin samen met den stamper een zekeren vorm te geven aan 
eene metalen plaat, Fr. matri'ce. D. B. 

STAMPEN, w., o. — Stampvoeten, Fr. irépigner, Z. Wrdb. 

— Verg, Stampen gelgk ^nen bezetene, gelijk 'nen razende, 

— Stampen, schoppen geven. Hij doe* nie* as slagen en stampen. 

— Ook b. Meester, Jan stampt mij altijd. Iemand buiten de deur 
stampen. 

— Bij smeden, enz. Door middel van de stamp en den stamper 
een zekeren vorm geven aan eene metalen plaat, Fr. estamper, D, B . 

— Gestampt voly gestampte leugens^ gestampte leugenèèr, z. ge- 
stampt. 

— Gestampt kwaad, zeer kwaad. Ik was zoo gestampt kwaad, 
dat ik ongelukken had kunnen doen. 

— Gestam pten duvel, iemand die zeer kwaad is. Frans is *ne 
gestampten duvel, as em kwaad is. 

STAMPER, znw., m. — Bij smeden, enz. Beweegbaar bovendeel 
der stamp, Fr. mandrin, 

STAN, znw,, m. — Verkorting van Constant. 

STAND, znw., v. — Bij landb. Boterkarn, Fr. baratte. Hffl, (Ook 
in Brab. en Holl,-Limb.) De staod af boteren, '£n volle stand melk. 

STANDAARD, znw,, m. — Bij mulders. De rechtstaande boom 
waar de windmolen op rust, Fr. attaché, (Ook in Brab., z. Sch.) 

STAN OER, znw., m. — Bij voerl. Gedeelte van het gebit eens 
tooms, waar de leunies aan vast zijn. Er zijn echter gebitten zonder 
stangers. 

STANGERVÈÈR, znw., v. — Bij geweermakers. De veer die 
door middel van den trekker de slagveer doet springen. 

STANNAGELTJE(N, znw., o, — Nagellje met halfronden kop. 
(Lier.) 



- II75 -* 

STANT, znw., m. — Constant, 

STAP, znw., ra. — Fr. pas» 

— Op stap gaattf stapvoets gaan, Fr, alUr au pas. 

STAPEL, znw., m. — Pikkel van cenen stoel. Z. Wrdb, 

— Bij wattenmakers. Ieder van de stukken, waarmede de sponnen 
van eenen wagen in de hozen zitten, 

STAPEL, bvw. — Halfgek. (A.) Dieë vent is stapel. YrgWi. stapel- 
geky stapelzot. 

STAPELKRAM, znw., v. — Bij wagenmakers. Ieder van de 
krammen, waar de stapels der sponnen in steken. 

STAR, bw. — Sterlings, stijf, met strakke blikken. Iemand stilr 
bezien. Zijn oogen stonden star in zijne* kop. 

STAR, znw., v. — Z, STER. 

STAR, znw., v. — Z. ster. 

STARLINGS, bw. — Z. sterlings. 

STAROOGEN, w., o. — Z. Wrdb. 

— Verg. Star oogen gelijk *nen uil in de zon, 

STATIE, /.;iw., v. — Hetzelfde als het HoU. Station, spoorhalle, 
Fr, garCy station, 

— Ieder van de veertien verbeeldingen van den kruisweg, Fr. station. 

— STE. Deze uitgang dient om rangschikkende tclw. te vormen 
met <lc grondgetallen ze^^etu acht, negeUy elft twelf^ enz. Zevenste^ negenste^ 
elfste, twelfste. Men zegt tiende en tienste^ dertiende en dertienste^ enz. 
Ook hoort men dezelfste woor dezelfde, In zijne Nederd. Spraekl.^ 3* iiitg., 
1854, zegt Van Beers : « In vroeger tijd kwamen alle telwoorden die 
nu op de eindigen, ook met ste voor. Daerom hebben wij nevens de 
zevende, de negende^ enz., de andere vormen de zevenste^ de negenste, 
enz. hersteld. Deze laetste toch wotden in de gesproken tael van Vlacmsch- 
België uitsluitelijk gehoord : zouden wij diensvolgens, liever dan ze te 
laten varen, hun boven de latere vormen op de niet de voorkeur dienen 
te geven ? » (Blz. 83.) 

STECHELEN, STEGGELEN, w., o. — Tegen iemand of 
tegen iet stechelen, wringen, wrokken, dwars zijn, preutelen. (Z. der K.) 
Hij slecheli tegen iedereen. Zegt heur da' ge wilt, ze steggelt aliijd tegen. 
— Vrglk. het Hgd. j/a^rA^/w, ■ steken, prikkelen. 

— Afl. Stechelèèr, steggelèèr, gestechel, gesteggel. 

— Sch. geeft de vormen staggelen^ steggelen, stachelen, stechelen 
in den zin van Twisten, krakeelen. 

STE(D;IG, STEEG, bvw. — Onwillig, koppig. D. B. »Ne ste(d)ige 
jongen. JXi' zijn stege kinderen. *Nc stegen ezel. Hij is goe* van aard 
maar 'en bitje ste(d)ig. 



— t 176 — 

— Weerstandbiedend, moeilijk om bewerken. Dat hout is danig 
steeg. Stege grond. 

Kil. Stedigh, steegb, pertinax^ obstinatus, 

STEEK, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Wormsteek. Z. maaisteek. 

— G€€nc{n) iteek zien oï ^ene{n)stefk veur zi/'n oogen zien, volstrekt 
niet zien. T., D. 'B. (Ook in Brab., 7.. Sch.) *i Is hier zoo donker, dat 
ek geeue* steek veur mijn oogen zien. Hij zie' geene* steek nemeer. 

— Men zegt ook ^e{n) iteek zien. 

— Bij schoenmakers. Van steek sn^'den^ den boord van den zool 
schuins afsnijden zooals hij dient te z^n. 

STEEK, znw. — Op steek zitten. Bij vogelvangers. In eene hut 
op het veld zitten om trekvogels door middel van netten te vangen. (Ook 
in VI. en Brab., z. Sch.) 

STEEK, znw., m. — Bij blokmakers. Ieder van de verdeelingeo 
of graden van eene blokmaat. 

STEEKBAND, znw., m. — Bg timmerl. In 't algemeen een stuk 
bout dat in eene schuinsche richting tot steun dient in een zwaar timmer- 
werk, Fr. empanon, contrefiche. D. B. De steekbanden in een dak zijn 
de twee schuinsche steunhouten, die op zijde den priemstijl verbinden 
aan den scheerstijl, Fr. aisseliers. 

— Bij mulders. Ieder van de schuinsstaande stijlen die stevigheid 
geven aan de molenzijden en vastzitten van boven aan de daklijst en 
van onder óf aan eenen middelstijl, óf aan eenen hoekstijl óf in de steenl^t. 

STEEKBEUOEL, znw., m. — Stijgbeugel, Fr. étrier. 

STEBKBRBM, znw.,m, — Een stekelig gewas, in de wetenschap 
Uiex europaus genaamd. 

STEEKGOBS, znw., v. — Bij timmerl. Dunne holle beitel of goes, 
die te licht is om er mede te kappen. 

STEEKKLAMP, znw., v. — Bij timmerl. Klamp die op eene 
opgelegde deur, afsluiting, enz. tusscben de bovenste en onderste dwars- 
klamp schuins is aangebracht. 

STEEKMES, znw,, o. — Mes om asperges te steken. 

STBBKNBT, znw., o. — Bij visschers. Lang rond vischnet, dat 
den vorm heeft van eene fuik, Fr. nas se. 

STBBKPAN, znw., v. — Ondersteekbekken voor eenen zieke. 

STBBK8ALAAD, znw., m. — Salade, die jong uitgestoken 
wordt. H. 

STBBKS(CH), bvw. — Steil. Dieén berg gaat hier steëks in de 
hiHïjjlo. 'Nen l>erg, too steéks(ch), da' ge'm nie* kunt beklimmen. 'Ne 
ste$l's(ch)en trap. 



— II77 — 

STEBKSTBEN, znw., m. -> Bij steenb. Z. spiesteeH* 

STEEKTE, znw., v,, mrv. ste}fkte(n)s, — Stekende pijn in de zqde 
of de lenden, Fr. pot'nt de cóté. D. B., Hfft. Bij ontsteking van de 
loDgvIiezen heeft men altijd 'en steëkte of steékte(n)s. Na hevig loopen 
gevoelt men dikwijls eene steëkte in de lenden. 

Kil. Stekte, pungens dolor. Dit w., dat volgens Kram. weinig of niet 
gebruikelijk is, wordt hier veel gebezigd. 

8TEEKTRAP, znw., m. — Hij trapm akers. Trap waarvan de treden 
in 't algeiue«ru ziju opgesloten door twee rechte (gelijk loopende) wangen, 
Fr. escalier droit, 

STEEKVOGEL, znw,, m. — Bij vogelvangers. Lokvogel, dien 
men tusschen de neiien optuiert om andere vogels te vangen. (Ook in 
O.- VI.. z. Sch.) 

STEEL, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Spr. '/ Is stéilije naar *t panneketiy ze zijn van eenderen aard, 
ze gaan beiden aan 't zelfde euvel mank. 

— '/ Is panneken met V strlêltje^ z, PAN. 

— U Is *i bultje met de(n) lang€{n) steel, werk dat lang duurt, waar 
men niet aan vooruitgaat. 

STEELKAP, znw, v. — Bij landb. Kap van den vlegelstaf. 

STEEN, znw., altijd m., ook als collect. stofnaam en als zuivere 
stofnaam, — Fr. pierre^ 

— Spr. Da(t) zal op geene(n) k<ni{d)e(n) steen gevallen zgn, dat 
zal ik onthouden, ik zal er mij over wreken. R. (Ook in Brab. en 
't Hag., z. Sch.) 

— Steenen dik vriezen^ zeer hard vriezen, Fr. geler a pierre f endre„ 

— De steenen tellen, met gebukten hoofde en Iraagzaam gaan. 

— De steenen zyn te koud waar hy over moet gaan, hij wordt 
er uit der mnte bemind en gekoesterd. R. 

— Van zyn hert *ne{n) steen maken, z, HERT. 

— (De) steenen uit de{n) grond klagen, zeer bitter klagen. 

— De steenen vragen geld, alles kost geld, 't is overal en altijd te 
betalen. T., R. (Ook in Brab. en VI., z. Sch.) 

— Daar valt geene steen uit de locht, of '/ is op myne{fi) kop^ 
alle ongelukken treffen mij. 

— Steenen in de{n) wind gooien, nutteloos werk verrichten. 

— Met steentjes gooien, zinspelingen maken om iemand te kwetsen, 
zonder er den schijn van te willen hebben. 

— Er is wit op '/ steentje, er is hoop op profijt. (A.) 

— Op heete steenen gaan, in grooten angst verkeerenof zeer ongeduldig 
z^n. 

— Me{t) Lichtemis valt de sneeuw op *ne{n) warme(n) steen, 

Z. LICHTEMIS. 

— De hooge steen, de hoogkoor der kerk. (K.) 



— II78 — 

— Gewichtseenheid van 8 pond, bij den handel in afgewerkt vlas, 
roetkeersen en vet. 'Ne steen vlas. 'Ne steen vet. Men geeft dien naam 
ook aan de groote ijzeren gewichten. 'Ne steen van twintig kilo. 

Kil. Steen, sex librae^ octo librae. 

— Huis, in eeuige uitdrukkingen. (A.) In zijnen eigen steen woonen. 
Ik heb miJDcn eigen steen gekocht. 

— Wordt eigenaardig als bw. gebruikt, om meer kracht aan de 
rede te geven en de volle klemtoon valt op steen. Ik gaander steen 
naartoe. Hij liet 'et steen vallen. Ge zoudt er steen van in de' grond 
zinken. .'lij blijft daar steen zitten. (K. en Lier.) 

STEEN, znw., o., niet ra. — Graveel, Fr. gravelU, T., R. Hg 
heget steen. Hij is van 't steen gestorven. 

STEENBALK, znw., m. — Bij mulders. Zwaar stuk hout dat 
waterpas op den nok van den standaard ligt en geheel de kuip of romp 
van den molen Cr • gt. D. B. 

STEEN BED, znw., o. — Bij mulders. Zolder waar de molensteenen 
liggen en draaien, Fr. beffroi de tnoulin, D. B. 

STEENBEITEL, znw., m. — Bij timmerl. Stalen beitel zonder 
hecht, dieu de tmimcrman gebruikt om iets uit of af te breken, Fr. 
poinfon. De steenbeitel is geen breekijzer. 

STEENBOK, znw., m. — Onvruchtbare geit, geit waar men geen 
lam in krijgen kan. (K.) 

STEEN BOOR, znw., v. — Bij metsers. Groote stalen dril met 
scherpen of schroefvormigen punt, waarmede men gaten in den muur 
boort voor het plaatsen van bellen, enz,, Fr. tarière. 

STEENDOOD, bvw, — Morsdood, Fr. raide mort, D. B. Hij 
viel steendood. 

Kil. Steen-dood, emortuus, 

STEEN EN BRUG (DE) Naam van een kinderspel. De kinderen 
gaan achtereen op rij staan, en houden malkander ondei de armen vast. 
Twee verwijderen zich een weinig van de anderen en nemen elk eenen 
naam, hetzij van bloemen, vruchten of andere voorwerpen : die naam 
moet aan de andere kinderen onbekend blijven. Dan nemen de twee 
afgezonderde spelers elkander bij de handen en houden die zoo in de 
hoogte, terwijl de andere kinderen roepen : « Is desteene(n)bnig gemaakt ?» 

Daarop antwoorden de twee : ^ 

Nec(n), wij zullen ze maken 
Mc(i) steenen en me(t) staken; 
Al die er lest aankomt, 
Zal ze' léven laten! 

Onder het zingen dezer woorden, moet de geheele rij tusschen beiden 
doorloopen of, beter gezeid, onder de opgeheven armen kruipen, en de 
laatste van al blijfl gevangen. Deze nu moet kiezen tusschen de twee 



— II79 — 

maooen, welke men genomen heeft en zich dan achter den afgezonderden 
speler plaatsen, wiens naam de gevangene gekozen heeft. Zoo gaat het 
vervolgens met al de spelers tot den laatste toe. 

Dan trekt men eene meet op den grond. Langs beide zijden bevindt 
zich eene groep, ieder gevormd in eenen rang; de kinderen houden 
elkander onder de armen vast. 

De twee voorsten van eiken rang zetten nu éénen voet op de lijn, 
geven elkander de hand en trekken zoo hard zij kunnen om een of 
meer spelers over de meet te trekken of te doen lossen in den rang. 
Dat duurt zoolang totdat al de kinderen van de eene rij door de andere 
rij over de meet getrokken zijn. De overwonnelingen moeten ten slotte 
door de « spits. » Z, spits, 

STEEIJFLIER, znw., m. — Steenviolier, muurbloem, Fr. girojUe 
jaune. 

8TEENGELEO, znw., o, — Steenbakkerij. Hij werkt op 't stcen- 
geleg. Te Sinte-Lenaards zijn veul steengeleggen. 

STEENGRUIS, znw., o. — Puin, brokkelingen van steen, kalk, 
vooral van een afgebroken huis, Fr. pierrailles^ dtfcombres^ ruines, Hfft, 
(Ook in O.- VI. en Brab., z. Sch.) 

— De Wrdb, vertalen hei door gravier^ kiezel. 

STEEN HO UT, znw., o. — Lange mutsaard, waar men de steen- 
ovens mee heet of placht te heeten. 

STEEN KAPPER, znw., m. — Steenhouwer. 

STEEN KLAVER, znw., m. — Soort van wilde klaver met witte 
bloemen, Fr. triolet^ in de wetenschap Trifolium repens L. (Ook bij D. B.) 

— Sommigen geven dien naam aan den K.lisklaver, Lat. Trifolium 
minus L. 

STEENKRAM, znw., v. — Groote kram die in den muur gepleis- 
terd wordt. 

STEENKUIP. znw., v. — Bij mulders. Ronde kas of kuip waar 
de looper in draait. 

STEENLA(D)ER, znw., m. — Bij steenb. Werkman die de gebak- 
ken steenen op wagens laadt om ze uit den oven te voeren. 

STEENLIJST, znw., v. — Bij limmerl. Het onderdeel van een 
vensterraam dat op den onderdorpel van de kazijing sluit en het regenwater 
belet langs daar binnen te dringen, Fr. reverseau, 

— Bij mulders. Ieder van de twee balken die van het eene einde 
van den molen naar het andere gaan, en rusten op het uiteinde van den 
steen balk. 

STEEN MAKER, znw., m. — Bij steenb. Werkman die de steenen 
vormt. 

STEEN MAND, znw., v. •— By metsers. Mand waarin men den 
steen verdraagt en oph^scht* D. B. 



— ti8o — 

STEBNPAD, znw., m. — Met bakstcïnen belegde weg nevens 
de huizen. (K.) 

STEENPÈÈR, znw., v, — Soort van harde peer met gekloven 
schil. 

STEENPEK, znw., m. — Aardpek. 
Kil. Steen-peck, pix dura^ concreta^ excocta, 

STEENREEP, znw., m. — Bij mulders. Dikke koord die men 
vastlei^t a. n de molenas van boven, en van onder aan den looper, wanneer 
men de/.en wil optillen en van den ligger afwenden. D. B. 

STEENRINK, znw., ra. — Z. steenkuip. 

STEENROOD, bvw. — Rood als een baksteen, schreeuwend rood. 
Ze heet altijd stee-. 106 k(^usen aan. 

STEEN ROODS EL, znw., o. — Schuurzand van baksteen of 
plaveien. 

STEENS(CH), bvw. — Etn sUensche muur, een muur van éénen 
steen dikte. 

STEENTJESKERMIS. znw., v. — Kermis die te Sint-Job-in- 
*t Goor gevierd wordt. 

STEENTON, znw«, v. — Bij sieenb. Een soort van molen, waar- 
door de klei in tonnen geworpen en daarin door messen wordt gesneden. 

STEENZOLDER, znw,, m. — Bij mulders. De vloer of zolder 
waar de molensicenen op liggen. D, B. 

STEENZWAALM.STEENZWOLM, znw.,m. — Gierzwaluw, 
Fr. martinet notr. Lat, Cypselus apus, 

STEENZWÈÈR, znw., m — Een zweer die niet etteit, maar 
langzaiucruaud vcigaat, Fr. furoncU, D. B., v, 

STÈÈRT (Kemp. ook stjèèl), znw., m. — Het HoU. Staart, Fr. 
queue. M., B. 

— De wolf in de{n) sièèrt, z. WOLF. 

— Xop noch stèêrtf z, KOP. 

— Spr. Zijne{n) stt-èrt intrekken^ benauwd achteruit trekken. T. 

— Hetgeen ergens ii'»g ovei blijft, inz. het laatste bier v.in 't vat of 
hetgeen nadien no^ te betalen valt. Daar is nog e stèèrtje wijn in de 
fles(ch). Er is nog 'ne' stèèrt op 't vat. Het werk is geraamd op tien- 
duzend frang, maar met de stèèrten mee, zal 't wel vijftienduzend kosten. 

— Het stèèttje van de kermis, de laatste kermisdag. 

— Dunne, steertachtige wortel of pee. De pcecn zijn mislukt, 't zijn 
allemaal stèèrten. 



— ii8i — 

— De steert van de ploeg is het stuk hout, dat van onder in den 
ploegkop rust, in 't midden met den ploegbalk vereenigd is en van boven 
dient tot handvatsel voor den ploeger. I). B. 

— De steert van e«*nen windmolen bestaat uit zware lange balken 
die, onder aan den molen vast, schuins door den trap nederdalen tot 
bij den grond, waar zij gesteund worden door de loophouten, D. B. 

STÈÈRTBALK. znw., m, — Bij mulders. Ieder van de twee 
balken die den steert uitmaken en dienen om den molen in den wind 
te trekken. D. B. 

STÈÈRTBEEN, znw., o. — Stuitbeen, heiligbeen, Fr. ossacrum. 
Kil, Sleert-been, os caudae^ sacra spina^ os caccygis, 

STÈÈRTLEE, znw., v. — Bij smeden. Hengsel of lede, bestaande 
uit twee evenlange veren metoogen, waarin de bout doorgaans is vastgemaakt. 

STÈÈRTMAAI, znw., v. — Vuile made met eenen steert, levenvle 
in den vloeibaren drek der gemakputten. 

STÈÈRTPLAAT, znw., v. — Bij landb. IJzeren plaat, die den 
steert der ploeg verbindt aan den ploegkop. 

STEEVAST, bvw. en bw. — Bestendig, vast, sprek. van eenc 
woning, Üicën heer verblijft winter en zomer steevast op ze* kasteel. 
Dat is hier mijn steevaste woning. Hij hée' nog geene* steevaste* woon. 

— Standvastig, Eng. steadfast. B., M. Ik heb steevast *ne* werkman 
in de* zomer. Hij is *ne steevaste kalant van mij. Gij zit steevast in 
die herberg. 'Ne' steevaste* werkman hebben. 

Kil. Stede- vast, fixus loco, assiduus, stahilis, 

STEGGELEN, w., o. — Z. stechelen. 

STEIL, bw. — Strak, sterlings, Fr. fixément^ sprek. van den blik 
der oogcn, bij D. B. staal. Iemand steil bezien. Zijn oogen stonden steil 
in zijne* kop. € De vader bezag haar steil. » (E. Zetternam, Manheer 
Luchtervelde.) 

STEILDOOD. bvw. ~ Morsdood, kiksdood, Fr. raide-mort, (Lier.) 
Hij viel steildood neer. 

STEIN, znw., o. — Soort van grijs, steenhard aardewerk. 'Nen 
boterpot van stein. Stein is veule sterker as gewoon èèrdewerk. 

STEINEN, bvw, — Van stein. 'Nesteine* pot. Steine* bolerpoiien. 

STEINEZEL, znw., m. — Groote dommerik, koppigaard. Wie 
heet er ooit zoo 'ne* steinezel gezien ? 

STEK, znw.. m. — Dun en kort stokje. *Ne stek hout. Raapt 
die stekken bijeen en roeit ze in 't vier. 

— Puntig stokje dal men in den grond steekt om er een richtsnoer 
aan vast te leggen, om ergens door te steken, enz, 

— Roest in vogelkooien, Yt.Juchotr. De vogel zat dood op zijne' stek. 




— Il82 - 

— Afgesneden plant- of boomscheut dien men in den grond steekt 
om eenen nieuwen boom of plant te kweeken, Fr. bouturet in de Wrdb. o. 
(Ook m. bijj.) 

— Solferstok, zwavelstok, Fr, allumette souffr/e, 

— Wandelstok, Fr. canne. (Z.<0. der K.) Waar is mijne stek ? 
'Nen eike' stek. 

— Pijpje gebrande siroop iu een papiertje gewikkeld. De kinderen 
koopen stekken. Veur 'ne* cent stekken. 

— Bg metsers. Een priem dien zij in den muur vestigen om er 
den draad aan te spannen, langs welken zij hunne steenen leggen. 

— Fig. Zeer mager mensch. 'Ne magere stek. *Ne stek van 'ne* vent. 

— Zonder mrv» Dun gekloven brandhout. Hfft. Stek is zoo zwaar 
niet als half hout. Masteboomkens tot stek slagen. De bakkers gebruiken 
stek en half hout. 

— O. De stok van een boek kaarten, de overblijvende kaarten, nadat 
ieder speler de zijne gekregen heeft. (A.) 

— Spr. Voet bij stek hoit^dyn^ z, VOET. 

— levers 'ne\7t) stek veur iteken^ i< ts verhinderen, eenc zaak belem- 
meren. 

— Van zi/n^n) stek z^'n, van zyneift) stek geraken^ niet in zijnen 
gewonen toestand zijn, onpasselijk worden. 

()ok van zyn stekken zijn, 

— IVeer op zijn stekken zijn^ wederom j;cnezen, te been zijn. Als 
*ne mensch zoo*n ziekte doet, dan duur' 'et lank eerda* ge weer op oe' 
stekken zijt. 

— Van z^'ne{n) stek val/en, kwalijk worden, in bezwijming vallen. 
Hij viel van rijnc" stek in de kerk. 

— Ons s/ik^ m. is bij D. B. stek, stekke, v. 

STEKBBBES, zuw., v. — Stekelbezie, Fr. grosetlle e'pinetise, 
G., in de Kemp. Knoesel genaamd. 

STEKELINQEN, znw., v., mrv. - ^iok^u^Yx, potnts doulou- 
reuxt die niet heel pijnlijk zijn en van plaats veranderen ; kleine steekte(n)s. 

Z. STEëKTE. 

STEKEN, w., b. en o. — Z. Wrdb. 

— Verg. Steken gel^k *en naald ^ *en eisen. 

— TiSrf steken, zand steken, zavel steken, enz., turf, zand, zavel 
uitgraven. 

— *Nen balk steken, eenen balk in eenen bouw plaatsen. T. Die€n 
balk is nie' hoog genoeg gesteken. 

— Stekken planten, pt)ten, Fr. botiturer. Aalbezen mengen veur of 
na de' winter gestckeu wörren. Ik heb vijf fuchsia's gesteken, en daar 
zijnder vier van in de' was. 

— Een kinderspel, waarbij met eene speld tu&schen de bladen van 
een boek gestoken wordt, om daartusschen liggende prentjes te winnen. 

— De kaarten steken, onder 't mengen de azen, heeren, enz. bijeen- 
steken, Vx, faire U piitc', D. B. De heeren en de azen zitten allemaal 
b^een, ik geloof da' ge ze gesteken hét. Hij weet de kaarten te steken. 



— ii83 — 

— Iet in i^'ne(n) kop steken^ zich iets inbeelden, aan iets denken. 
Hij heget in zijne* kop gesteken dat hij moet rijk wörren. Hij stak 'et 
in zijne' kop van naar Amerika te vertrekken. 

— levers ttf'd, geld^ moeïtty enz, in steken^ er t^d, geld, moeite aan 
besteden. D, B. 2a] steekt te veul geld in kleeren. Ik steek veul tijd 
in mijn idioticon. Daar steekt veul tijd in zoo e werk. 

— Ergens zfjin) Laiy'n in steken^ z, LATIJN. 

— Iemand in de kleeren steken, hem de kleeien aandoen. Zoogauw 
as ek in 't leger kwam wier' ek in de kleeren «^Cütekcn. Men zegt ook 
iemand in '/ nieuw steken^ hem nieuwe klcedercn aandoen. Hij hée' zijne' 
werkman heclegans(ch) in 't nief gcsieken. Hij stak in 't nief. — Fig. 
Iemand foppen, bedriegen. D. B., R. Ze hebben 'em daar lee'ijU in de 
kleeren gesteken. 

— Iemand 'en vècr steken, z. VÈÈE. 

— Het steken (of de schuld steken) op iemand^ de oorzaak of de 
schuld van iets op iemand schuiven. D. B., R. Ge zijt onjïelukkij^, maar 
ge moet 'et op niemand steken as op oe eigen zelven. As 'em iet miskomt 
hij steek' 'et altijd op mij. Adam stak de schuld op Eva, en Eva stak 
'et op de slang. Waar steektegij het op, dat oe' zaad nie' uit en komt ? 
Ik steek 'et op 'et weer. Hij stak de schuld op mij. 

— E vat steken^ er de kraan in slaan om er beginnen van te tappen. 
(Z« der K.) R., elders Ontsteken. Is 'et vat gesteken ? 'En ton steken. 

— Plaatsen, zetten. R. Hij steekt zijne' winkel vol ellegoed. Ue 
schuur vol graan steken. 'Nen dief in 't kot, in den bak steken. 

— Zifn gedacht nie{t) achter banken of stoelen steken, z. BANK. 

— Het laten steken, sterven. Hij heget gauw laten steken. De zieke 
zal 'et laten steken, is te vreezen. 

— Het steken hebben, hooveerdig zijn, zich trotsch en verwaand 
toonen. Die kaal juffrouw heget nie' weinig steken. 

— Eenige lichamelijke ongesteldheid hebben, vooral op de borst. Hij 
heget leelijk steken op zijnen asem. Ook Zitten. 

— Dronken zijn. Jan had 'et gisteren avend weer leelijk steken, 

— Iet in 't dak steken, z. DAK. 

— Er aan steken of aan 't mes steken, niet meer kunnen genezen, 
zeker zullen sterven. De zieke steekt er aan. 

— Schuilen, zitten. Daar steekt weinig verstand in dieë* jongen. 
Er steekt veul goed in zijne' winkel. Ik heb heel den dag in mijn bed 
gesteken. 

— Het steekt er nie(i) op, het komt er niet op a n. D. B. 'El steekt 
op geene' frang of twee. Wanneer moet tk komen r Komt om twee t.ren 
of wa' later, 't steekt op gee(n) kwartier. 

-~ Er steekt veel in, weinig in, niks in, er is veel, weinig, niets 
aan gelegen. D. B. Er steekt weinig in om ie weten, waar of wanneer 
da' gebeurd is. Daar steekt niks in. Ook Zitten. 

— Nauw steken, nauw komen. M. Zoo iet steekt nie* nauw. Gij 
moet daar seiTens veur zorgen, want 'et steekt nauw. 

— Sprek. van de brandende hitte der zon. D. B. De zon steekt, 
't zal wörren donderen. 



— ii84 — 

— Tegen iemand steken^ cr ecnen wrok tegen hebben , er afkeerig 
van zijn Fr. lui étre antipat ique. D. B., R., Hfft. Hij steekt tegen iedereen, 
't Is al meer as e jaar, dat hij tegen mij steekt. 

— Gep. w. Spreken noch steken^ z. SPREKEN. 

— Ges teken brood ^ z. BROOD, 

— Ges teken neusdoek^ z. N£I'SIX)EK. 

STEKER, znw., m. — Sperwer, Fr. épervier, (K.) 

STEKER, znw., m, — Stekel, Fr. piqttant, D. B. De stekers van 
*nen egel. De schelpen van de wilde kastanies en de zaadhuiskens van 
den doornappel slaan vol stekers. E gewas mè' scherpe stekers. 

— Slag van oorhanger met een en haak in plaats van eeoen ring. 
£ paar gouwe' stekers. 

STEKKEBEENEN, znw., o., mrv. — Spillebeenen, lange duoue 
bceiR'u. Hij dansten op zijn stckkebecnen. 

STEKKENEM, znw., m. — Kleine vlieger, uit één blad gesneden 
en voorzien in de hoogte rn de breedte van slipkens of sneedjes, waardoor 
kruisgewijs twee solferstekken steken. (A) 

STEKKOORiD), znw., v. — Z. hofdraad. 

STEKSKE;N, znw, o. — Lucifer, Fr. allutnette phosphoriqtie^ 
chimique. E slckskcn aansteken. 'Kn dooskc stekskeus. 

STEKSKENSDOOSKE N, STEKSKENSDOOZEKE(N, 
znw., o. — Lucifersdoosje, Fr. botte a alliimettcs. 

STEKSKENSFABRIEK, znw., o. — Fabriek waar men lucifers 
vervaardigt. 

STEKSKENSPOT, znw., m. — Potje in gleizewerk, waar men 
lucifer^ in /et. 

STEL, bvw. — Sicrk, ranzig, oudbakken van smaak, sprek. van 
visch (vloot en rog). (A.) D. B. (Ook in O.-VI. en Kl.-Brab., z.Sch.) Ik 
eet dieën rog nie' : hij is stel. Stel smaken. Stelle visch. 

— Kil, vertaalt stel door vetus^ vetustus^ oud. Het Eng. staU 
heeft dezelfde beteeken is. 

STEL, znw,, m. — Op zijnc(n) stel zijn, zijn zooals het behoort, 
in orde, in behoorlijken toestand zijn, bij B. op stel zijn. Alles is nu 
weer op zijne' stel. Ik ben nog nie' heelemaal op mijne' stel (op streek, 
op dieef). Hij geraakt nooit meer op zijne' stel. 

STELEN, w.. b. - Z. Wrdb. 

— Verg. Stelen gelijk de raven ^ fel stelen. 

— Spr. Gij kunt Jijn gestolen worden^ ik lach u wat uit, ik geef wtl 
den biui van u, (ïij wilt dat ek naar u zou wachten, maar ge kunt fijn 
gest<»lcn wörren. Ik dat doen veur hem ? !.„ Hij kan fijn gestolen wörrcn. 

— Iet gestolen doen, z, GESTOLEN. 



- ii85 - 

— Iet nié^f) gestolen hebben ^ het wel verdiend hebben. T. De ramme- 
liog die em daar kree^, heet em nie' gestolen. 

— Z^'ne{n) naam nte{t) gestolen hebben^ zijnen naam wel verdienen. 
Ze heeten *em den roo(d)en beet, en hij hée* zijne' naam nie* gestolen, 
want zijne neus zie* zoo rood as *nen beet. 

— Die hem tot stelen begelfty moet het hangen getroosten. T. 

— Alleen stelen^ alleen hangen^ met niemand heulen. T. 

— Eens gestolen is altijd dief^ een kwaden naam geraakt men nooit 
meer kwijt. 

STELLEN, w., b. — Z. Wrdb. 

— Uitstaan hebhen. Gij hèt daar niemendalle mee te stellen. Wat 
hadde met dieë' persoon ie stellen ? Mee* iemand veul of weinig te stellen 
hebben. Hij heet in mijn huis niks te stellen (niets te zeggen, te bevelen). 

— Verrichten. Wat hadde daar te stellen ? 

— Toekomen, genoeg hebben. Wij kregen twee boterhammen en 
*en kom koffie, en daarmee kosten me 't stellen. 

— Veel me{t) iemand of me{t) iet te stellen hebben^ er •. cel moeite 
of moeilijkheden mee hebben. Sommige ouwers hebben veul mee hun 
kinderen te stellen. Dieë vader hée* nogal wat te slellcn mè* zijne* zoon. 
Eindelijk is me' werk af, maar ik heb er nogal wa' mcc :e stellen gehad. 

— Het weer begint hem te stellen^ het wordt staande weder. 

— Zyn eigen in iet stellen^ er zich in getroosten. De dood van 
uw vrouw is e groot ongeluk, maar ge moet toch probeeren van oe 
der in te stellen. 

STELLINQQAT, znw., o. — Bij mel>ers. Elk gat, waarin de 
maashouten van ecne stelling rusten. D. B. 

STEM, znw., v. — Fr. votx. 

— Verg. *En stem gelijk 'en bel^ g^^ijl^ '<'" trompet, \if:V\ax\ gelijk 
'en klok, vol, zwaar; gelijk *en orgel^ schoon, machtig; gelgk *ne 
geberste{n) pot, piepend, krijschend. 

STEMMEN, w., b. en o. - Zingen, Fr. chanter. Hier moet 
gestemd wörren, E liêke stemmen. 

— O. Overeenkomen, juist zijn, Hgd. stinifr.etu (A.) Ik vind 750. 
Da' stemt me, want ik heb 850. Hcüdc dat afschrift nagezienPJa, alles 
stemt. 

STEM PER (Kemp. ^tamp»r), znw,, m. — Stempel, Fr. estampille, 
poinfon^ cachet. (Ook in Brab. en Limb., z. Sch.) 

— Merk of zegel met cenen stempel afgedrukt. 

— Zuiger van eene snuitbuis; stooiei van cene klakkehuis; laadstok 
vtn een gew*»rr. Fr. hacftette. Z. ook T, en R. 

STEMPERBO,R;ST£LTJE, znw., o. — Borsteltje om den inkt 
op den tampon of hel kussen rond te sir ijken, vooraleer men begint 
te stempelen. 

STEMPEREN (Kemp.j/<7>w/.»r.^//), w.,b. - SicnijMrk'ii, hr.«rj/ti/«- 
piller^ estamper, cacheter. 



lé$eiieen% 



— ii86 — 

STENQER, znw«, m. — Bg landb. Kleine knechl op eene hoeve, 
die de meiden helpt aan hun werk, met de koeien naar de weide gaat, 
enz. (K. en omstreken van A.) Ook Koeten 

STBNGER, znw., ra. — Het stangetje van eene horlogeketting, 
hetwelk men door een knoopsgat steekt om de ketting vast te leggen. 

STEPSIQ, bvw. — Op het punt van dronken te worden. (A.) 
Ik gaan naar huis, want ik begin zoo stepsig te wörren. 

— Zyde stepsig? ge zijt gek mij zoo iels te vragen of voor te stellen. 

STER, STAR, znw., v. — Fr. étoiU, 

— Met de ster gaan^ tusschen Kersttijd en Driekoningen rondgaan 
met eene papieren ster aan eenen stok en daarbij aan de huizen een lied 
zingen, om giften in te zamelen. 

— Star in de loecht^ uitroep der kinderen, tciwiji zij eenen marbol 
starren. (A.) Z. sterren, starren. 

— Spr. '/ Leste sterreken uit de locht werken ^ laat in den avond, 
ja' tot in den nacht buiten werken. 

— Stervormige berst in eene flesch of een ander glazen vat. T. 

— Gestemde scheur in het ijs. T. 

— De ster van een peerd, z. ouder bles. 

— Sterrebosch, Fr. bosquet en forme d'étoile, 

STER, STAR, znw., v. — Voorhoofd, Hgd. Stirn, en bij uit- 
breiding Hooftl, voork. in : 

— Iet in zif'n ster hebben^ iets in zijn hoofd hebben, sprek. van 
grillen. Hij spreekt nie' meer tegen mij, ik weet nie' wat em in zijn 
star mag hebben. 

— Het tn zyn ster hebben of krijgen^ hooveerdig zijn of worden. 
Hij heget fel in zijn star. Sedert dat hij rijk getrouwd is, heet i *et 
zoodanig in zijn ster gekregen, dat i nie* meer om aan te spreken is. 

— Het veur zijn ster hebben^ dronken zijn. 
Kil. Sterre, sterne, frons, 

STERFHUIS, znw., o. — Z. Wrdb. 

— Spr. '/ Zifn kosten op *t ster/huis, z. KOSTEN. 

STERFPUT, znw,, m. — Overdekte put, waarin 't vuil water 
bijeenloopt en verzinkt. 

Kil. Sterf-put, puteus in quo aqua perit exciccaturque, 

STERK, bvw. — Fr. fort. 

— Verg. Zoo sterk als *nen boom^ ais \u'n reiis^ ais ijzer ^ als e 
pèèrd^ als e meuUnpèèrd^ Zoo sterk als pomp7vater^ zonder kracht of macht. 

— Ransig, Fr. rance, D. B. (Ook in Brab. en Limb., z. Sch.) 
Sterke boter. Sterk smaken. Da* spek begint sterk te smaken. 

— Verg. Zoo sterk als V« raap» Die boter smaakt zoo sterk as *en raap. 

— Met velen. R. In dat huishouwen zijn ze nogal sterk. Hoe sterk 
zydegijlie (met hoevelen zijt gij)? 



— iiSy — 

STERKBÓ(R)8TEL| znw., m.— Bij wevers. Boistel van i)eerds- 
haar, waarmede men het garen sterkt. 

STERKEN, w,, b. — Voorspreken, niet bestrafl'en als 't noodig 
is. Vao diec' kleinen deugeniet zal nooii iet goeds komen : de vader 
bestnift *em wel, maar de moeder stcrki hem altijd. Aan dieë' jongen 
is niks te zeggen, want hij weet dat em ge.«>lerkt wordt, 

STERKEN, w,, b. — Bij wevers. Pappen, de schering met een soort 
van pap bestrijken, om de draden steviger te maken* 

STERKLAT, znw., v. — Bij wevers, Ecne lat die men bij het 
sterken onder tegen de ketting houdt. 

STERKPAP, znw., v. — Bij wevers Soort van dikke bloem- of 
meelpap, waarmede men de ketting overborstelt en versterkt, bij D. B. 
sterksel en bij Kram, sUchtpap geheelen, Fr. cha%. 

— Vrglk. het Eng. starch^ stijfsel. 

STERLINGS, STARLINGS, bw. ~ Stiak, steil, i.i i strakken 
blik, ¥x. fixément, Sch., bij D. B, sterrelinge en shrlhtgs, (Ook bij 
i7*-ceuwsche schrijvers. Z. oud., VI, 571.) Iemand storlings bezien. 
Hij keek sterlings naar mij. 

Kil. Sterrelick, sterrighlick, fixc^ rigide, 

STERREN, STARREN, w. b. — Marbollcn van den grond 
opnemen en er mee paan loopen. (A.) Jan hee* m'n marrebollen gestard. 
Ge^larde marbollcn (gcroofle, gestolen maimfls.) Ook Opstarren en 
Sloeteren. 

STERVEN (uitspr. stdrr^ven^ in *t Z, ook storr»ven\ w., o. — 
Fr. mourir. 

— Verg. Sterven gel^k 'en beesty gelijk *nen hond^ als een godde- 
looze sterveo. 

— Wij zeggen sterven van^ niet sterven aan. Hij is van de tering 
gestorven. Sterven van de pokken, den lyphus, enz. 

STESSEL, /nw., m., niet v. — Uitspraak van Stijfsel, Fr. amidon. 

STESSELBLOEM, znw., v. — Eenc bloem, in de wetenschap 
Cardamine pratensis L. 

STESSELBÖcRjSTEL, znw., m. — Stijfsel borstel, 

STESSELEN, w., b. — Door de stijfselpap trekken, spiek, van 
gewasschen lijnwaad, Fr. empeser. Strijkgoed stesselen. 

— Met stijfsel bestrijken, 'En plakkaat slesselc-n. Het papier stesselen. 

STESSELPOT, znw., m, — Stijfselpot. 

STEUN, znw,, m. — In dc{n) steun van 't werk^ in den tijd 
dat het werk het overvloedigst is. 'l Is nu in de* volle steun van 't pataten 
zetten. Mijne knecht is vertrokken, en zjust in de' volle* steun van 't werk. 

STEUNBALK, znw,, m. — Bij mulders. Balk die op de daklijsten 
ligt en waartegen de ijzerbalk met eene schoor steunt. 



— ii88 — 

8TEVENIST, znw., m. — Aanhanger der schismatieke sekte, die 
aan de echtheid van het Concordaat tusschen Pius VII en Napoleon I 
niet gelooft. Zie D. B. en Sch. Men vindt nog Stevenisten in Brabant, 
vooral te Kester, Halle, Hcrfelinpen, I^erbeek, Pepingen en Bogaarden. 
(Z. Eene GodsJienstsecte in Beljri," oj het zoo^ezegde Stevcnismus^ door 
A. Kknis.) 

8TICHEL, znw., m. — Lage muur van omtrent twee voet hoog. 
De lage kerkhofmuren heetcn stichels. De stichel van de kerk. (K.^ Z. ook 
SCHRANS. 

— Blauwe deksteen, arduinen dekstuk van eenen kaai muur, of arduin 
aan beide kanten eener steenen brug. D. B. 

STIEBEL, bvw. — Z. stiefel. 

STIEPRËGER, STIEFRÈGEN, znw., m. — Stofregen. (K.) 

STIEFRÈGEREN, STIEFRÈGENEN, w., onp. — Stof- 
regenen. (K.) 

STIEL, znw., m. — Bedrijf, broodwinning, ambacht, handwerk, 
Fr. métier ^ gagftC' pain ^ profession, Hfft., bij D, B, styl, Wa* veur 'ne* 
stiel doet hij ? Waarom laaite oewe* jongen geene* stiel doen ? Hij is 
timmerman van stiel. Het beenhouwen is 'ne stiel dieë nog nie* bedorven is. 

— Iemand op stiel doen^ hem een ambacht laten leeren, 

— Op stiel gaan ^ een handwerk leeren. As m*ne zeun 12 jaar is, 
dan gaat em op stiel. 

— Iemand van stiel^ iemand van 't ambacht. Zoo e werk moet 
deur iemand van stiel gedaan wörrcn. Hij is metser van stiel. 

— Van stiel zijn^ kennis van eene zaak, van een werk hebben. 
Ge zie* wel dat em nie* van si iel is. 

— Dat is geene stiei^ dat is geen werk, dat is niet doenbaar. Alle 
dagen vier uren te voet gaan, neen, dat is geene stiel iir de* winter. 

— *Ne{n) stiel van iet maken^ eene gewoonte van iets maken. Hg 
bédelt dagelijks; hij heet er 'ne* stiel van gemaakt. 

— iMnk van stiel zijn^ langzaam vorderen. T. 

— Het Oudfra. stil bcteekende ook e'tat^ pro/ession, 

STIELMAN. znw., m. — Ambachtsman. 

STIEN, znw,, v. — Veikoiting van Christira, Augustina, Justina, 
enz. 

STIENE(N, znw., m, — Verkorting van Augustimis. 

STIENUS, znw,, m, — Verkorting van Augustinus. 

STIEFEL, STIEBEL, STIEPELZAT, in (immige streken 
ouk STIEPER, bvw., enkel als ge/. — Smoordronken. Hij is alle 
Zondagen stiepel. Hij was zoo sticbcl dat hij nie* meer spreken kost. 
Jan drinkt 'em somwijlen zoo stiepcizat, dat *et op niks en trekt. 

STIER, zaw„ m, — Over stier, z. OVEKSTIRR. 



— iiSg - 

STIBRBKBURING, znw., v. — Keuring der siiercn, (ot het 
dekken beslenul, l«"r. expertise ihs taur^aux destines a la saillie. D. B. 

STIBRIG, bvw. — Loopig, loopsch, paanlrifiig, sprek. van koeien. 

STIBT, znw., m. — Hetzelfde als Stuit, Fr. croupion^ (Ook in 
't Mdnl., z. OUD,, VI, 577.) 

— O. Vogelziekte aanden stiet of stuit. Dicö vogel heget (heeft het) 
stiet. 

STIBTBEEN, znw., o, — Stuitbeen. 

STIBVEN, w., o. — Hetzelfdeals Stuiven, '^x. faire de la poussière, 
(K.) (Ook in Brab. en 't Hag„ z. Sch.) *t Slieft hier geweldig. Zieget 
stof is stieven ! Stieft zoo nie'. 

— '/ Zal er stieueUy 't zal er erg toegaan. 

STIJF, bvw. — Z. Wrdb. 

— Verg. Zoo styf als *nen bok^als *en berd^ als 'en peg, als 'en plank, 

— Zijn eigen stijf hou{d)en^ niet toegeven, vooral bij *t verkoopen 
niets afdoen van den gevraagden prijs. T. 

— Stijf van honger^ van kou, van vaak^ enz., grooten honger, 
koude, vaak hebben. T. 

— Stijf zitten van de ar moei ^ van *t geld, van de luizen, van de 
vuiligheid^ enz., zeer arm zijn, veel geld hebben, qwz. T. 

— Er st^f inzitten, rijk zijn, M'n bruur zit er slijf in, en ik lij .irinoei, 

— 'En stijve pint drinken^ de gewoonte hebben van veel te drinken. T. 

— Bw. Zeer, sterk, geweldig. (K.) D. B,, M. Die appelen zijn goed, 
maar ze vallen wa' stijf klein, 't Begint slijf koud te wörren. Da' kost 
stijf dier. Dieë zak weegt stijf zwaar. 

STIJL, znw., m, — Z. Wrdb. 

— De stijlen van eene okkernoot zijn de vier lobben, Fr. les cuisses 
d'une noix, ook beentjes geheeten. 

STIJVERIK, znw., m. — Stijve mensch. R. 

STIK, znw., v. — Soort van schup, dienende om den mest loodrecht 
af te steken, ook Meststik en in 't N, der Kemp. Grèèf genaamd. 

— Scherp en puntig tuig om de gerst te stikken. 

STIKKEN, w., o. — Z. Wrdb. 

— Stikkende heet, geweldig heet, zoo heet dat men stikken zou. 
't Is vandaag stikkenden heet. 

— Iemand laten stikken, iemand verlaten, iemand alleen laten om 
een lastig of moeilijk werk af te maken. In plaats van mij te helpen, 
heet cm mij l.Uen stikken. 

— Bcdei ven doordc vochtigheid, sprek. van boeken, papier, kleederen, 
enz. Al mijn boeken /.ijn gestikt. Da' kleed is geslikt, 't valt in stukken. 
Ook Verstikken. 

STIKKEN, w., b. — De gerst met de stik doorst-ken om er de 
vlimmcn of baarden af te scheiden. 



^ II90 — 

STIKSELIJZBR, znw., o. — Bij schoenmakers. Werktuig in 
den aard van iiet pikijzer, dienende om eenen stiknaad in het leder 
na te bootsen. 

STIKSPAAN. znw., o. — Bij schoenmakers. Getuig, bestaande 
uit twee lange kromme stukken hout, die aan den eenen kant verbonden 
zijn door een stuk leder, en aan den anderen kant als eene tang gebruikt 
worden om het leder te klemmen, dat men spannen of stikken moet. 

STIL, bvw. — Fr, tranquilU. Z. Wrdb. 

— Verg. Zoo stil als e graf^ als e loof^ als *en muts, 

— Zedig, stemmig, ingetogen, in tegenstelling met Wereldsch. D. B., 
HfTt. £ stil meisken (godvruchtig en zedig). Zij is altijd stil gekleed (een- 
voudig, stemmig). Stille mens(ch)en. 

— Kil. Stil, modes tus, 

— Langzaam. HfTt. Ga wa' stilder, ik kan oe nie* volgen. Ik heb 
maar stillekens gegaan. Doe maar stillekens aan voort. 

— In 't geheim, Fr. secrèUment^ a la dérohée, Hfft. Hij is stillekens 
vertrokken. 

— In 't stily in *t geheim. D. B. Hij heet dat in *t stil gedaan om 
mij te verrassen. 

— Iet stil hou{d)€n^ geheim houden, Fr. tenir secret, D, B., R. 
Daar is iet gebeurd da' schrikkelijk is, maar 't wordt stil gehouwen. 
Dat ek oe zeg, hou 'et stil. 

— Redelijk, niet al te best. D. B. 't Is maar stil met de' zieke. 
Hoe gaget mè' zijn zaken ? Stillekens, heel stillekens. Hoe is 't mee' 
u? Stillekens aan. 

STILLEKENS, bw. — Z. stil. 

STING. Tweede hoofdvorm van Staan. (W. en N.-W. der K.) 
(Ook in Z.-HoU., z, oppr., 40.) 

STINKEN, w., o. — Z. Wrdb. 

— V'eig. Stinken gelijk *nen bok, gelyk *en hop^ g^lgk de pest, 
gel^k *en bèèrhuisken, 

— Stinken *en uur boven wind^ geweldig stinken. 

— Stinken van hooveerdy\ zeer trotsch zijn, R. Men zegt ook 
Ay IS zoo hooveerdig dat h^ stinkt, 

— '/ Zal er stinken^ 't zal er erg toegaan, er zal ruzie zijn, R. 

— In iemands oogen stinken, hem zeer hatelijk zijn. R. 

— Iemand uitmaken veur stinkende(n) visch, z. VlsCH. 

♦STINKENDE HALM, znw. (gesl. ?). — «Plat, grauwkleurig 
insekt, eenigszins den goudsmid gelijkende, doch veel kleiner en trager 
te poot. » 

Sch, geeft dit w, voor Brab. en de Kemp, 

STINKER, STINKERD, znw., m. — Smaadnaam dien men 
geeft aan iemand die trouweloos handelt, over wien men te klagen heeft. 
Dieë stinkeid zie' nie' om, Dieë leelijke stinker hée' mij bedrogen. 



— iigi — 

STINKERS, znw., m.. mrv. — Eene hofbloem, ook Afrikanen 
en Fluwceltjcs genaamd, Fr. iagète^ (cillet d' Inde. 

— Soort van groote zwarte mieren, die eenen onaangenamen reuk 
verspreiden. 

STJÈÈT, znw., m. — Kemp. uitspr. van Staart, Fr. queue. Ook 
stèèrt^ stertf stt'êtj staar t^ st/dt^ enz. 

STOÊBER, znw., m. — Opvliegend stof, stuivend zand. (K.) 

— Stofregen. (K.) Daar viel 'nc fijne stoëber. 

STOEBEREN, w., o. — Stuiven, stof maken. (K.) Stoël>ert zoo 
niet! 'Et btoèbert geweldig met dicë* wind. 

— Stofregenen, Hgd, stÖbern(l^,) 't Heet den bcelen dag gestoëberd. 
Regen' 'et ? Neen, 'et stoëbert maar. 

-^ Fig. Er erg, woelig toegaan. (K.) *t Heet er gisteren leelijk 
gestoëberd. 't Zalder stoëberen met de kermis. 

— Afl. Gesto^her. 

STOÊBERRÈGBN, STOEBERRÈQER, znw., m. — Stof- 
regen. (K.) 

STOEF, znw., m. — Reden om te stoëfen. Ik heb kolen ingekregen, 
maar 'i is geene stoef : der zijn nogal veul steenen onder. Is oe' koren 
goe' gelukt? Nee, 't is geene' stoëf wèèrd. Leert oewe jongen nu wa* 
beter? Ja, maar 't kan toch nog geene' stoëf lij(d)en. 't Brood hée' 
geene* stoëf: 't is nie' genoeg gegaan. 

STOEPEN, w., o. — Hetzelfde als Stoffen, zich roemen, bluffen, 
zwelücn, pochen, snoeven, Fr. se vanter^ blaguer^ faire Ie fanfaron. 
Hij doe* nie' as stocfen. Ze hée* weer aan 't stoëfen geweest. 

— Stoëfen op of over^ er op roemen, er mee pralen, grootelijks 
loven en prijzen, Fr. se vantcr de^ se glorifier de. Hij stoëft altijd op 
zijn huizen en zijn rijkdommen. Hij stoèft over zijne' zeun, omdat hij 
zoo goe' leert. De meester stoéften over zijn leerlingen. Probeert die 
pataten is, ik ben zeker da' ge er over zult stoëfen. 

— Gep. w. Stoffen en blazen; stoléfen en kraken; stoffen en stuiten, 

Z. ook STUITEN. 

— Stoëfen en in de broUk schijten is geen kunst (of: kan iedereen.) 

STOEFER, znw., m. — Iemand die stoëft, pocher, 

— Spr, Klagers hebben geen nood en s toef er s geen brood^ z. BROOD. 

— Een wit of gekleurd doekje, dat men in het zakje draagt, hetwelk 
zich in frak of jas, ter hoogte der linkerborst bevindt. (A.) 

STOEFERIJ, znw., v. — Pocherij, snoeverij, Fr. vanterie. Ge 
moet nie' gelouven wal em vertelt : 't is allemaal stoëferij. 

STOEFKONT, STOÊFMQIER, znw., v. — Vrouw i'.ic gewoon 
is te stoëfen. 

» STOEI EREN, w., o. — € Sloften, pochen, met over^lrijvinj; 
spreken. > 

Sch. geeft dal w. voor de Kemp. 



— 1192 — 

STOEL, znw,, m. — Fr, chaise, 

— Spr. Iet onder stotUn noch banken steken^ z. BANK. 

— Wordi gebruikt voor Biechtstoel en Preekstoel. De pastoor hée' 
vandaag ni<i' op zijne' stoel geweest. Den bichlvader was nog nie' in 
zijne* btoel, as ek in de kerk kwam. 

— Van eenen geestelijke die veel volk te biechten heeft, zegt men 
dat hij *nen zw.iren stoel heeft ^ 

— Spr. Ne{n) stoel in den hemel verdiend hebben^ eene goede daad 
verricht hebben. 

— De stoel van een gewas is de klomp aarde aan de wortels. 
T. Ook Doel. 

— in samenstellingen zegt men stoel, niet stoelen. Dus : stoelbindtr, 
stoelgeld^ stoelmaker, stoelmatter^ stoelmerkt, stoclwinkel^ enz. 

STOBLBIES, zuw., v. — Soort van groote bics, dienende om 
stoeien te matten. D. B. 

STOBLBIEZER, zuw., m. — Stoelenmatter, stoelen vlech ter. (A.) 

STOELHUIS, znw., o. — Het vertrek, magazijn of pl.iats, deel 
uitmakende vau de Diji^ebouwen der kerk, waar de stoslcn bewaard worden. 

STOELLUIKER, znw., m. — Een man die zijn brood verdient 
met stoelen te luiken, d. i. metstroo uf biezen te bevlechten. (K.) Z. luiken. 

STOELRIETER, znw., m. — Die rieten zittingen vlecht voor 
stoelen. (A.) 

STOELTJESZETSTER, znw., v. — Ecne vrouw die in de 
kerk de biocleu zei en het s>iueigeld ontvangt. (Ook in I^rab., z. Sch.) 

STOELZUSTER, znw., v. — Een vrouwmensch dat geerne zit. 
(Lier.) Marie /al 'et wel halen. — Oei ! nee, dsdie da's *en stoeizuster. 

STOEP, znw., m. — Het gekasseide of met baksteenen belegde 
gaaiipad nevens de huizen. (O. der K.) 

STOEP, znw., V. — Bij landb. De grep die openblijft tusschen het 
gespitte en het vaste lar.d. (K.) 

— Bij landb. Opening in den tas. A.ls eene kar koren of ander 
graan in de schuur rijdt en nevens den tas komt btaan, dan werpt er 
een met de vork de schoovon op <len tas. De tas verhoogt, naarmate 
de karvracht verlaagt en dat komt zoo ver dat de man, die met de 
gaffel de kar ontlaadt, de hoogte van den tas niet meer zou kunnen 
bereiken, indien men in den tas niet ecne plek o;)eM liut, die niet vol getast 
is; in die opening, in die stoep slaat iein.in 1 die de schooven, gelijk 
ze van de kar afgegeven wotden, aanpakt en naai 't bovenste van den 
tas beweegt. (K.) 

STOFVOD, znw., v, — Doek of vod, die de huismeid gebruikt 
om het stof van do meubels te vegen. 



— II93 — 

STOK, znw., m, — Fr. béton, 

— Spr. Verder willen springen alsda(t) zgne stok lang is, meer 
willea doen dau zijne middelen toelaten. D. B. 

— Daar moesten slokken zif'n die alleen slagen^ de deugnieten 
moesten vanzelf gestraft worden. R. 

— Leunen of steunen op 'ne(n) geöroke(n) slok, betrouwen op iemand 
of op iets dat niet betrouwbaar is. 

STOK, znw., m. — Bij biemans. Een bewoonde korf, dien men 
overwintert of overwinterd heeft. 

STOK, znw., m. — Bij landb. Hoopje van acht of tien samen- 
ge-itelac gioanschoovcn op den akker, Eng. stook, Fr, trézeau, tréseau 
(N.-O- der K.), elders STUIK geheeten. Men zet de schooven in 
stokken, op^lat zij zoudeii drogen. De wind heeft de stokken omver 
gesmeten. Z. ook hok en m^vnorl. 

STOK, znw., o., niet m. — De overblijvende kaarten, nadat iedere 
speler de zijne hüeft, Fr, talon. 

STOKAAS, znw., o., zonder mrv. — Larve van de Groote Water- 
juffer, Fr. ca^itf charrce^ larve de phrygane, D. B., bij Kram. schooraas^ 
oeveraas en haft genaani«i. Het atokaas wordt door de visschers gebiuikt 
om met den hengel te visschen. 

STOKDOOD, bvw. — Morsdood. D. B. Hij viel van den bouw 
en hi) was stok dood. 

STOKDUIF, znw., v. — Wilde duif, boschduif, Fr. pigeon ramier^ 
Lal. Coiumöa palumbus (Z. der K.), elders Oostersche duif genaamd» 

STOKHAVER, znw., v. — Slagen. D. B. Iemand stokhaver geven. 
Stokhaver krijgen. 

STOKROOT, znw,, v. — Bij landb. Eene rij koornhoopen of 
stokken op cjn bed of gewent. (N.-O. der K.) 

STOKVERF, znw., v — Stopverf, Fr. mastic. B., M. 

STOKVIS(CH), znw., m. — Z. Wrdb. 

— Ajgekcutde siokvis{ch), kind dat voor de eerste Communie een 
jaar is uitgesteld of afgekeurd. (A.) 

STOLLESTÉEREN, w., o. — Naar iets vragen, inlichtingen 
vragen uvci uii. K, (Ook in Brab , z. Sch.) Hij kwam stoUesteeren 
om te welen hoeveul dut ek mij' land verkocht heb. Hebben ze bij Boer 
Thijs al 'nen andere' knecht gehuurd ? Ge moest er is naar stoUesteeren. 

— Van 't Fr. solliciter. 

STOM (in 't Z. en W. sto^m)^ bvw. — Z. Wrdb. 

— Stom loopeny in huis gaan en keeren, zonder de personen op 
wie men vergramd is, te willen bezien of aanspreken; niet spreken, den 
goedendag weigeren. 



^ 1194 — 

— Verg. Zoo stom als ^ne vis(ch). 

— Lomp, dom. Zoo stom als *nén ezel, als e kalf^ als e verken^ 
enz, Z. DOM en lomp. 

— Dient om veel scheldwoorden Ie versterken. T., R. Stommen 
aap, stomme beest, stommen duvel, stommen ezel, stom hout, enz. 

STOMMELINGS (in *t Z.en W. sto^mmflings), bw. — Zonder 
spreken. T., R., Kl.-Br. (Ook bij i7«-eeuwsche schrijvers, z. oud., VI, 
6oi.) Hij ging mij stommelings voorby. 

Kil. Stommelick, tacitè, 

STOM MEN AMBACHT, znw., m. — Z. onder ambacht. 

STOMMERIK, znw., m. — Lomperd, dommerik, domoor, botte* 
rik, Fr. rustre^ maladroity ignorant^ imbécile, 

STOMP (in \ Z. en W, sto'imp\ znw., m. — Gestampte aard- 
appels. T., R., bij D. B. stampe. Ze eten daar alle dagen stomp. Ik 
eet j»eene' stomp. 

STOMP (in 't Z. en W. 5tolêmp\ znw., m., niet v. — In 't algemeen 
iets dat afgeknot of afgebroken is. Stompen van boomen. Stompkens 
sigaren. De stomp van 'nen arm. 

— Fig, Korte en dikke persoon. 'Ne stomp van e manneken. 'Ne 
korte stomp. R. 

STOMPEL (uitspr. sto'impft)^ znw., m., meest in 't vrklw. stompel- 
tj'e, — Kort eindeken sigaar. (A.) De stompeltjes bewaren om er snuif 
van te laten maken. Zijn tafel lect aliij J vol toebaksass(ch)en en stompels 
van sigaren. 

STOMP ELEN (in 't Z. en W. stolémp9hn\ w., o. — Stootend 
gaan, gelijK iemand die stompvoeten heeft. Hij stompel t daar zoo aardig 
hennen. 

STOMPEN (in 't Z. en W. stoifmppn), w., b. — Stampen, tot 
moes pletteren. Pataten stompen. Gestompte pataten. 

STOMPEN (in 't Z. en W. stoHmpen), w., b. en o. — Slooten 
met vuist of elleboog. R., Kl.-Brab. 

— In den zin van Vuistslagen geven, dien de Wrdb. er aan toe- 
kennen, gebruiken wij het w. niet. 

STOMPER, znw., m. — Al wat dient om te stompen, stamper. 
'Nen houte' stomper om pataten te stompen. 

— Bij timmerl. Geen timmerman, maar eene hulp die men in groote 
timmermanswinkels aantreft, om de grofste deelen van het hout met den 
voorlooper weg te schaven. Vrglk. afstompen* 

STOMZAT (in 't Z. en W. stoemzat), bvw. — Stomdronken, 
smoordronken, Fr. tvre-mort, (Ook in VI., Brab. en Limb., z. Sch.) 



- ii95 — 

STON en STONQ (in 't W. ook stolêng). Tweede hoofdvorm van 
Staan. Ook Sting en stond, (De vorui stong^ wordt ook in Z.-HoU. 
gebruikt* Z. oppr., 40.; 

STOOP, znw., V. — Wordt algemeen gebruikt voor eene Kachel, 
¥t, paéU^ van welken vorm ook. 

STOOFAPPEL, znw., m. — Appel die te zuur of te hard is om 
rauw geëten te worden en dus gestoofd wordt. 

STOOFBÖ^^R;STEL, znw., m. — Borsiel met korten steel om de 
kachel te doen glanzen. 

STOOFBUIS, znw., v. — Kachelbuis, Fr. tuyau de poêle. 

STOOFHAAK, znw., m. — Kachelpook, Vx.fourgon^ tisonnier, 

STOOPKARMENIJ, znw., v. — Stoof karbonnade. 

STOOPKEUTER, znw., m. — Z. stoofhaak. 

STOOPMAKER, STOOPSMID, znw., m. — Kachelsmid, Fr. 
poêlier. 

STOOPRAUW, znw., m, — Aarden pot, dienende om vleesch 
uf groenten ie stoven. (K.) 

STOOPSCHEEL, znw., o. — Schijf van gegoten ijzer met eene 
gebogene handhaaf, om de opening eener kookkachel te dekken, 

STOOPSBLDER, znw,, m. — Soort van dikke, witte selderg 
die meest gestootd wordt. 

STOOPSMID, znw., m. — Z. stoofmaker. 

STOOK, znw., m. — Al wat dient om in den heer 1 of in de 
stoof te branden, zooals kolen, hout, turf, Fr. chauffagt» Wij hemmen 
geene' stook m(^er. Struiken en stuikblokkcn is goeie stook veur *nen boer. 
Veur stook zorgen tegen de' winter. 

STOOK. Tweede hoofdvorm van Steken. (N.-W. der K.) 

STOOKHOUT, znw., o. — Brandhout. Eiken struoken, masten 
stalen, siuikulokken en ander stookhout. 

STOOKKOT, znw., o. — Plaats waar men stookt als men een 
groot vuur moet aanleggen, b. v. om te wasschen, te bakken, enz. 

STOOL. Tweede hoofdvorm van Stelen. (Ook in Z.-Holi., z. 
OPPR., 39.} 

STOOL (scherpe ó), znw,, m. en niet v. — Fr. étoU. T,, R., J, 

STOOP, znw., m., niet v. — Aarden kruik met een stopsel. 
— £r zijn ook koperen en tinnen stoopen met een scheel, zooals 
de melkstoopen. 



— 1196 — 

— Spr, Iemand op stoopkens trekken^ hem bedriegeD, voor den 
gek houdeo. T. 

— Stoop in den nek^ zegt men als iemand zijnen hoed achterover 
op het hoofd zet, zoodat het voorhoofd ontbloot is. (A.) 

STOORBN» w., b. — Hetzelfde als Storen in de Wrdb. 

STOORT (scherpe ö), znw., m. — Scheepsterm. Helper van den 
kok aan boord, Eng. stewart. (A.) De stoort zorgt voor de officieren 
en den mondvoorraad . 

— Ifot vrouwelijke is stoores^ in *t Eng. stewardess, 

STOOT (scherjje o), znw., m, — Hetzelfde als Stoet, Fr. cortège, 
(K.) I^ngs waar gaat de stoot ? 'Ne schoone stoot. 

STOOT, znw., m. — Tasschenpoos. R. Bij stooten is *t goê weer. 
Hel rè^cui mè' stooten. Hedde nog tandpgn ? Den eenen keer is ze over 
en dan komt ze weer terug : da' ga* zoo mè' zijn stooten. 

STOOT, znw.. m. — Stomp van een hoorndier. R. De geit gaf 
mij 'ne' stoot. De meid krerg 'ne' stoot van de koei. 

STOOTEN, w., o. — De gevulde glazen klinken, Fr. trinquer. 
Kom, laat ons is stooten. Ook Tikken. 

STOOTHAAK, znw., m. — Bij tiramerl. Viervlakkig, rechthoekig 
hout dat loodrecht in de schaafbank gespannen zit. Dat hout is eenige 
duimen langer dan de dikte van het blad der schaafbank en kan langs 
onder met den hamer opwaarts gc^lreven worden, totdat het uitkijkt 
boven de vlakte van 't blad. Tegen den rand van den uitstekenden kop 
des stoothaaks schoort de timmerman het hout dat hij schaven wil, 
Fr. grijfe d'etabli, 

— In de oudere schaafbanken stak, waar nu de sloothaak zit, een 
ijzeren, getande platte haak of kram ; die hiak was eigenlijk de stooihaak. 
De naam is gebleven, de haak wordt niet meer gebruikt en is vervangen 
door het bovengemeld stuk hout, dat nauwkeuriger het stoothout zou 
heeten. 

STOOTLAP, znw., m. — Bij schoenm. Lapje onder den schoonzoo 1 
aan den teen. T., R., bij D. B. stuiklap. Ook Stuikstuk en Teenstuk . 

♦STOOTMUTS, znw,, v. — € Vrouwmensch dat pruilt of zonder 
spreken loopt. » 

Sch. geeft dat w. voor de Kemp. 

STOOTSBL (Kenp. stölsjl)^ xnw., o. — Bij landb. De hoeveelheid 
boter die men bekomt van eens te karnen. R. 

STOOTWAQBN, znw., m. -~ Hand wagen met twee wielen, dien 
men voortsioot of trekt, Fr. pousse-cul. (Ook in Brab., 't Hag. en N.-Br., 
e. Sch. en Hfft.) 

STOP, znw., m., niet v. — Fr. bouchon^ T» 



— "97 — 

8TOPDOEK, znw., ra. — Doek om de schamelheid eencr kraam- 
vrouw te stoppen, na hare bevalliog. 

STOPGAT, znw., o. — Veur stopgat dienen^ dienen voor iets 
dat een ander weigert of verhinderd is te doen. T., R. (Ook in Brab., 
z. Sch.) Hij vraagt mij om bij hem te komen werken, omda' zijne werk- 
man aiek is, maar ik wil nie' veur stopgat dienen. 

STOPMES, znw,, o. — Bij glazemakers. Een mes om de stopverf 
op de voegen van eene ruit in het raamijzer of de rabatten te strijken. D. B. 

— Bij kuipers. Een mes om het lies tusschen de duigen en den 
bodem te steken en alzoo het vat dicht te maken. 

STOPNAALD, znw., v. — Z. Wrdb. 

— Fig. Een mensch die lang en duu U. 

STOPPELEND, znw., o. — Z. end. 

STOPPELKLAVER, znw., m. — Bij landb. Klaver die vroeg 
in 't jaar gezaaid wordt tusschen de haver en na den oogst voortgroeit 
tusschen de stoppelen. 

STOPPELPEEÊN (zachte <r), zn\r., v., mrv. — Bg landb. Peeën 
of wortels, Fr. carottes^ die onder de rogge gezaaid worden en na den 
oogst tusschen de stoppelen voorigroeien, bij D. B. stoppelwortels , 

STOPPELPOOTEN, znw., v., mrv, — Bij landb. Z. stoppel- 
peeën. (Z.-O. der K.) 

STOPPEN, w., b. en o. — Z. Wrdb. 

— Er van stoppen^ kwalijk varen, het bekoopen. Gij hèt nie' willen 
gehoorzamen, kerel ? Wacht maar, ge zult er van stoppen . 

STOPPENTREKKER, znw., m. — Kurkentrekker, Fr. hrc 
bouchofis, (Ook in Brab. en Limb., z. Sch.) 

STOPSAAI, znw., m. — Sajet om kousen te stoppen. 

STOPSEL, znw., o. — Gestopte plaats in eene kous of een ander 
klcedingstuk. Die kousen zijn nie* meer bekwaam om aan te doen, 't is 
*t een stopsel tegen 't ander. 

STOPVEÈREN, znw,, v,, mrv, — De eerste vederen der vogels, 
stoppel veeren. 

STORP en STÖRF. Tweede hoofdvorm van Sterven. Ook stiiryf 
en Starf. 

STORM, bw. -- Volop, hevig, met geweld. (Z. der K.) T., R. 
Hij wilt maar slönn tegen mij vichten. Ze waren storm aan 't kijven. 
Ze drinken siörm, 't Wctkvolk was störni ann 't pikken. 

STORM, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Op storm korten of trekken. Bij mulders. De zeilen bijna gansch 
oproUen. 



— iigS — 

8TÖRMBAND, znw„ ni. — Bn timmerl. Stuk hout dat in schuin- 
schc richting den priomstijl aan hel kruinhout verbindt, Fr. contre^vent, 
D. B. Ook Kruisband. 

— Bij mulders. Breede ijzeren band die rond den standaard gaat 
en langs den eencn kant vastgemaakt is aan den steenbnlk. 

STÖRMBIND, STORMEND, znw.,o. — Bij mulders. De kant 
of wand van eenen molen die naar den wind gekeerd staat, als de molen 
draait, bij P, B. wirtdweegt, 

STORMEN, w., o, en onp. — De stormklok luiden, de brandklok 
kleppen. Hfft. Men stormt, als het ie vers brandt. 'Et brandt in 't dorp, 
ik heb 'et hooren stormen. 

STÖRMKOORD, STORMTOUW, znw., v. — Bij mulders. 
Sterk touw, wanrmede de opgerolde zeilen langs de roeden gebonden zijn. 

STÖRMPLANK, znw., v. — Bij mulders. Plank die bovenop 
de molenroede tegen de borst ligt. De stormplanken worden afgenomen 
als het hevig waait. 

STORT, znw., m. niet v. — Plaats waar men allerlei vuilnis, 
slijk, steengruis, enz. nederstort, Z. Wrdb. 

STORT, znw., v, — Zware, grove stom, (Lier.) De pater prèkt 
goed: hij hóet 'en zwaar' stort. 

STÖRTBIER, znw,. o. — Gestort bier, bier dat in de glazen is 
blijven staan of uit de kraan ergens in aflekt. (Ook in Brab. en VI., 
Z. Sch.) Z. ook KLASBIER. 

STORTKAR, znw., v. — Z. kapkar en stulpkar. Hfft. (Ook 
in VI., Brab. en de beide Limb., z, Sch.) 

STOUT, bvw. — Z. Wrdb. 

— Spr. Stout gesproken is half gevochten. T., Kl.-Br. 

STOUTERIK, znw.,m. — Stout trd, stoute jongen. (Ook in 't Hag., 
Brab. en T.imb., z. Sch.) 

STOUW, zDw.,m. — Drift, kudde hoornvee, verkens, enz. HfH. 
rOok in Brab., z. Sch.) 'Ne stouw ossen. 'Ne stouw verkens. 'Ne groote 
stouw beesten, 

— Van schapen zegt men niet stouw^ maar kooi, 

STOUWEN, w., b. — Drijven, leiden, Fr. mener^ conduire, 
poiisser. Hfft. (Ook in Z.-Holl., z. oppr., 86.) Verkens stouwen. De koeien 
naar de wei stouwen. As ge nie' naar de school wilt gaan, dan zal ek 
er oe is naartoe stouwen mè' 'ne' stok. 

— Stouwen f net. Met verkens naar de merkt stouwen. Den been- 
houwer is hier met twee koei veurbijgestouwd. 

— Fig. Met iemaiKl gaan, verkeeren of vrijen, iemand geleiden. Hij 
stouwt mè' ze' lief naar de kermis. Ik moet altijd met die kinderen stouwen. 



— II99 — 

— Vrijen, vooral met het bijdeiikbeeld van een spoedig huwelijk. 
Ge zij* zoodanig aan 't stouwen : wanneer is 't bruiloft ? 

— Als de duiver voor de duivin loopt, met den kop buigt en rockoet, 
dan zegt men dat hij aan 't stouwen is. 

— Slakken stouwen^ z, SLAK. 

Kil. Stouwen, agere^ tninare^ ducere. 

STOUWER, znw., m. — Iemand die koeien, ossen, vcikens, enz. 
drijft. Een «.tonwer is geen herder of koei wachter. 

STOUWGELD, znw., o. — Scheepsterui. Het loon, de som aan 
de stouwers betaald, om de koopwaren in 't schip Ur bergen, (A.) Z. stouwen 
in de Wrdb. 

STRAAL, znw., v., niet m, — Fr. rayon. T.,R., J. 

STRAAM, znw., v. —Striem, lange streep, link, Yx. raie.meur- 
trissure. (Z. der K.) Ge hèl 'en zwaiic slraam in oe' gezicht. Ze* lijf 
was v(>l stramen van de stok>lagen dieëii em gekregen had. Ook Strèèm. 
Vondel gebruikt ook straem. « O beudel ! wilt u schamen, Dat ghy 
zoo armen guyl (als ick) slaet tlijf vol stramen, » (VONDEL, II, 190 

STRAAT, znw., v. — Fr. rue. 

— Verg. Zoo oud als de straat^ z. OUD. 

— Spr. Van de straat af geraken^ getrouwd geraken, vooral van 
eene jongedochter van reeds gevorderden leeftijd. Mie is toch eindelijk 
de straat afgeraakt. Z. ook MERT. 

— De straat meteUy zwijmelen van dronkenschap. 

— Op straat^ zouvler middelen van bestaan, zonder onderkomen. 
Iemand op straat zetten (hem uit zijne woning zetten, omdat hij de huur 
niet wil belalen). Die mens(ch)en zitten sch(K)n op straat. 

— Op straat brengen^ uitbrengen, ruchtbaar maken. R. Die meid 
brengt alles van 'i huishouwen op straat. 

— E straatje zonder «ind^ fig. eene zaak, een gesprek, enz., waar 
geen einde aankomt. R, Da* werk vordert nie* : *t is e straatje zonder 
eind. As em eens aan *t vertellen geraakt, is *t e straatje zonder eind 
(hij weet van geen uitscheiden). 

STRAATBENGEL, znw., m. — Straatjongen. 

STRAATBÖRiSTEL, znw , v. — Borstel, dienende om de 
straat te keren, door middel van een gestel waaronder de borstel, die 
den vorm heeft van eene groote rol, vastgemaakt is. Het gestel wordt 
voortgetrokken door een peerd. Die borstel heeft •;een haar, maai /.oer 
harde vezels. 

— Ook een borstel voor huishoudelijk gtbruik, hebbende den vorm 
van eenen platten waaier en dienende om het gaanpud vóór het huis te keren. 

STRAATBRAK, znw., m. — Straatlooper, een jongen die gedurig 
op de straat loopt. Z. brak. 

STRAATJESVOLK, znw., o, — Gemeen volk, gepeupel, Fr. 
populace, crapule. 



— I200 — 

STRAATJONG, znw., o., mrv. -^ Kinderen, die gedurig op de 
straat verkeeren. 

STRAATKAPOEN, znw., m. — Straatbengel. 

STRAATLAWEIT, znw., o. — Lawaai op de straat, burengerucht. 
Straatlaweit maken. 

STRAATMADELIEF, znw., \.,\xV\^,straahnadelief ken, straat- 
model i'ti'e ken. — Madelief, Bellis perennis, 

— Fig. Meisje dat veel langs de straat loopt. B. 

STRAATMEST, STRAATMES, znw.. o. — Bij landb.. enz., 
Allerlei vuilnis en keersel van de straten, allerlei afval uit de keukens. 
De lundbouweis gebruiken het* straatmest uit de stedr*n om hunne weiden 
te bemesten. 

STRAATRBMEDIE, znw., v. — Geneesmiddel dat het volk 
gebruikt, en dat niet door den dokter voorgeschreven wordt. T., R. (Ook 
in Brab., z. Sch.) Straatremedies gebruik* n. Hij hée' mij 'en straatremedie 
aan de hand gedaan veur de korts. 

STRAATSTEEN, znw., ra. — Z. Wrdb. 

— Spr. De straatsieenen kussen^ vallen van dronkenschap. 

STRAËANT (klemt, op bant), bvw. — Siruisch, sterk, geweldig. 
'Ne strabante kerel. Dat ging daar strabant. (Ook in Brab., het Hag. 
en O.-Vl., z. Sch.) 

— Brutaal. G., Dr. Strabant zijn. 'Ne staban te kerel. Iemand strabant 
antwoorden, 

STRAF, bvw. — Sterk, kloek, struisch, gespierd. Fr, /ort, robuste, 
(Ook in 't II >g , Brab. en VI., z. Sch.) *Ne straffe kerel. Straffe armen 
en beencn, 'Ne straffen bocim. Die palen zijn nie' sliaf geroêg. 

— Stork, krachtig, sprek. van spijzen en dranken. Straf bier. De 
zieke moet straffe' kost nemen. 

— Bw, Stout, boud, frank. Dat is nogal straf gesproken. 

— Straf verkeeren^ vrijen, terde^j* verkeeren. 

STRAFBANKSKE(N, znw., o. — Bankje waarop in de gerechts- 
hoven een beschuldigde zich moet nederzetten om gehoord en gevonnist 
te worden, Fr. sfllette. Gij zult ook nog wel eens op 't strafbanksken 
moeten zitten. 

STRAFFEN, w., b. — Z. Wrdb. 

— Fig. Verwijzen, afkeuren, sprek. van berd. (A.) Ze hemmen die 
plsftiken moeten straffen. 

— Me^t) iemand of tne(t) iet i^estraft zijn, er door geplaagd, gekwol- 
len worden. Ik ben al drij dagen gestraft met tandpijn. Ze is gestralt 
mè' 'ne' zatte' vent. 

STRAFFIGHEID, STRAFTE, znw., v. — Sterkte, kracht. De 
jeugd is de straiiigheid van 't vlees(ch). Ik heb die plank tegen de deur 
genageld veur de straffe. 



— I20I — 

STRAK, bw. — Hetzelfde als Straks in de Wrdb., later, aanstonds, 
doch dit bw. xiet zoowel op eeoen verleden als op eenen toekomenden 
tijd. B« Ik zal strak is komen. Wanneer zulde 't doen? Strak, as ek 
tijd heb. Hij heet daar strak hier geweest, 't Heet daar strak gedonderd. 

— Bijna, haast. Hfft. Is da' werk strak gedaan ? Oe' kinderen zijn 
strak groot, 't Is strak twee jaar 'ie(d)en dat ek 'em nie' meer gezien heb. 

STRAMIJN (klemt, op mifn\ znw., m. en o. — Licht en door- 
zichtig weefsel van garen, haar of dunnen ijzerdraad, bij Kram. stramien 
en stamt/n, v. Men teekent met wollen draad of teekensaai op stramiJD. 
Fijne ziften zijn van stramijn. 

STRANG, bvw. — Eng, spannend. Oe' kleed is te strang. Dieë 
frak is wa' strang onder de mouwen. 

STRANG, znw., v. — Ruggegraat. T. Iemand overz'n strang gaan. 
Hij kreeg wat over z'n strang mè* *ne' stok. 

STREEK, znw., v. en m. — Fr. contrée, (Ook m. v\ Limb.) 

STREEK, znw., v., niet m. — Treek, slimme trek. T., R., Kl.-Br., J. 

— Veinzerij, voorwendsel, Yx,feinte. Hij gebaatt 'cm ziek, maar 
't zijn allemaal streken. 

— Wordt in 't Z.-O. zonder meervoudsuitgang gebruikt. Hij hee* 
streek. Ze zit mè' streek. 

STREEK (zachte e\ znw., v. — Bij landb. Sirekel, hardhouten 
plankje, waarop de maaier zijne zeisen of pik wet fZ. der K.), in 't N. en 
W. der Kemp. Meel genaamd. T., R. (Ook in Brab., z. Sch.) 

STREEKELEN, STROOKELEN, w., b. — Streelen, zachtjes 
strijken, strookeii. (K.)Die kat is geren gestreekeld. Streekeltden hond eens. 

— Kil. Strekelen, leviter tangere, 

STRÈÈM, znw., v. — Hetzelfde als Striem. (Z. der K.) Hij kreeg 
'en strèèm van de zweep. Ook Straam. 

Kil. Stremc, ^trw ; — vibex, signum vrtberiSy vestigittm verheris 
in carne remanens. 

STREEN (zachte e), znw., v. — Streng, eenige vadems afgedraaid 
garen of sajet, gelijk het door een schuinsloopenden draad is gedeeld, 
Hgd. Strdhne^ Mdnl. strene, B. 'En streen saai. E streentje garen. 

STREEN (zachte <r). znw., v. — Iemand die er traag en onnoozel 
uitziet, maar vol heimelijke streken zit. 'En streen van 'ne' jongen, 't Ziet 
er zoo'n streen uit. 

STREENACHTIG, bvw. — Gelijk een streen. Streenachtig hande- 
len. Hij ziet er zoo streenachtig uit, ik betrouw 'em nie'. 

STREEP, znw., v. — Fr. Hgne. Z. Wrdb. 

— Smalle strook. 'En streep grond. '£n smalle streep land. 

— Haarscheiding, haarscheel. Oc' streep lee' nie' goed. Hij draagt 
z'n streep in 't midden. 



idiêiie^n* 77 



i 



— 1202 — 

— 'En streep bier^ z, STREEP 5®. 

— Spr. ''En streep wegtiehhen^ min of meer ia 't hoofd geraakt zqn,* 
Fr. itre toque', 

— ^En streep aanhebben^ dronken zijn. M. Zie ook SCHREEF. 

— *En streep deur de rekening^ eene misrekening, een tegenslag. 
Da* valt me tegen, dat is 'en leelijke streep deur m*n rekening. 

STREEP (scherpen), znw., m., zonder lidw. — Slagen, Fr. des coups. 
T.y R., KI.- Br. Streep krijgen. Iemand streep geven. 

STREEP (scherpe e)^ znw., m. — Geep, soort van visch, Belona 
vulgaris. (A.) 

STREEP (scherpe e\ znw., m. — Oude dans, die eertijds op de 
viool gespeeld werd. 

STREEP (scherpe e\ znw., v. — Zekere hoeveelheid vocht die men 
in eens werpt. Hij kreeg 'en goei streep water op ze' lijf. Zij goot 'en 
streep waler op m*ne kop. 

— 'En streep bier is zooveel bier, als men met éénen trek derbierpomp 
in zijn glas kiijgt. Geeft mij 'en stieep, 'en streep bier. — Te Antw. zegt 
men streep^ met zachte e, 

— Lap, klets* Iemand 'en streep geven. 

— Bui jegen. Daar is 'en goei streep gevallen. Hij is zonder paraplu 
weg : hij zal 'en goei streep op ze' lijf krijgen. 

— Wind, Fr. pet, 'En streep laten vliegen. 

STREEPAPPEL, znw., m. — Appel, waarvan de schil rood 
en geel gestreept is. 

STREEPEN, w., o. — Slaan, rammelen. Streept er maar is goed 
over : den deugeniet verdien' 'et. Z. afstreepen. 

STREBPEN, w., b. — Stroopen. (K.) 

STREEPER, znw., m. — Strooper. (K.) 

STRÊBPKENSGOED, znw.. o. — Gestreepte stof, Fr. ctoffe 
rayêe. 

STREEPKENSJAK. znw., m. - Jak van gestreepte stof. 
STREÉPKENSKLEED, znw., o. — Kleed van gestreepte stof. 
STREÊPKENSROK. znw., m. -- Rok van streepkensgoed. 

♦STREFFEN, «BESTREPPEN, w., b. — « Bederven. ^ 
Sch. geeft die w. voor de Kemp. en Turnhout. 

STREKLAAQ, znw., v. — Bij metsers. Eene rij steenen die 
volgens hunne lengte, niet dwars in den muur, maar in de richting 
zelve van den muur gemetst zijn, zoodanig dat men geheel de lengte 
van de steenen ziet, als men de oogen op den muur vestigt* D. B. 



— I203 — 

STREKSTBEN, zuw., m. — Bij meiscis. Een steen liie horizon- 
taal gemetst is in den muur, zoodanig dat men hem ziet in zijne lengte, 
Fr, panneresse. Men nieist overhand eene laag strcksteenen en eene laag 
kopsteeoen. 1). B. 

*STRENEN. w , n. — < Langzaam gaan, iranteJen. » — Sch, 
geeft dit w, voor de Kemp, en het Hag. 

STRENG, bvw. — Fr. sévère. Z. Wrdb. 

— Spr. Strenge heeren regeeren meif) iang^ strengheid duurt niet 
lang. 

— Fier, trotsch, hooveerdig. (K.) Hij is er streng op, omda* ze* 
vader börgemeester is. Onze veldwachter was streng, omdat hij zijne* 
sabel aanhad. 

STRENG, znw.,o., meesi in 't mrv. STRENGEN. — Bij landb. 
en veeartsen. Droes, snotziekte der peerden. R. 

STRENG, znw., v. — Z. Wrdb. 

— Spr. In de strengen staan, hard moeten werken, T., R. 

— lemattd in de strengen zetten^ hard doen werken. T,, R. 

— Iemand in de ploeg spannen, eene straf die lui volk voorheen 
toepaste op de mans, die hunne vrouwen mishandelden. Z. PLOEG. 

STRENGEN, w., o. — Strenger worden, sprek. van het weder. 
In November begin* *et weer te strengen. As de ila^en beginnen te lengen 
(in den winter), beginnen de nachten te strengen. 

STRENGENÉEREN, w., w.lrk. — Zich l)ekrimpen, zuiniger 
leven. (A.) Nulai em zooveul nic* meer en wint, zal em zijn eigen moeten 
strengeneeren. Met dezen dieren tijd moeten wij ons strengeneeren. Ik 
strengeneer mij genoeg, maar ik kan toch nie* toekomen. 

— O. Strenger worden, van *t weder gezeid. (A.) De kou strengeneert. 
De nachten zullen strengeneeren. 

STREPEN, bvw. — Gestreept, >prek. van stoffen. R. Strepe* 
goed. *En strc} c' broek. Strepe* hemden. 

STREPPEN. w., 1>. — Z. STRIPPEN. 

*STREVAIL, znw., o. — « I-and waarop alles in 't wild groeit; 
gracht waarop allerlei houi bta«t en die dient om twee velden van 
elkander te scheiden. » 

Sch. geefl dat zonderling w. voor de Kemp. 

STRIBBER, znw., m. — Straatjongen, guit, Fr. gamin, (A.) *Ne 
kleine strieber. Die kleinstriebers zou wen iemand *cn ongeluk doen zonder 
het te weten. 

STRIJfD)EN» w., o. — Kijven, twisten, krakeelen, Fr. quereller^ 
disputer. D. B. Laat ons daar nie' over strij(d)en. Ze strc(d)en ondereen 
om te weten wiedat den eerste zou zijn. Altijd strij(d)en en argueeren. 
Hij kan geweldig strij(d)en. 




— 1204 '^ 

— In de beteekenis van battre^ se baitre, lutter wordt het w. niet 
gebruikt, lenzij in fig. zin, b. v. tegen eene ziekte strif\d\en^ tegen den 
vaak 5trij(dyii^ enz. 

STRIJK, znw,, m. — Hel werk. de daad van te strijken, Fr. 
repassage. Ze was aan heure' strijk. Die vrouw neemt drooge' strijk aan. 
Ik heb bekanst gedaan mè' m'ne' strijk. 

— Goed dat moet gestreken worden. Wij hebben vandaag 'ne'groote* 
strijk. 

8TRIJKBLOK, znw., m. — Bij timmerl. Eene schaaf die van 
maaksel en van dienst is gelijk de reischaaf, doch zoo lang en zoo groot 
niet, Fr, demie-varlope. De strijkblok is veel grooter dan de kortschaaf. 
Men gebruikt den strijkblok om paneelen en planken effen te schaven, 
na er het ruwste van afgenomen te hebben met den voorlooper. D. B. 

STRIJKBOUT, znw., m. — Zwaar stuk ijzer, dat men gloeiend 
in strijkijzers sluit om deze te heeten, Fr, longue^ bloc. 
Ook Strijkklomp. 

STRIJKEN, w., b. — Fr. repasser. Z. VVrdb. 

— O, Gestreken worden. Da' goed strijkt schoon. 

STRIJKENS, STRIJKENDE, bvw. — Stri/kettsvol, strijken- 
de vol. Tot aan den rand vol. De mand is strijkcus vol. Doet de maat 
strokende vol. 

STRIJKER, znw., m, — Vioolboog, Fr, are de violon, 
~ Wetplankje voor zeisens en pikken, ook Meel en Streek genaamd. 
B. 

STRIJKE(R)S(E), znw., v. — Strijkster, Fr. repasseuse. (Z. der K.) 

STRIJKHOUT, znw., o. — Bij timmerl. Kleine balk, liggende 
langs cenen muur, met de uiteinden vastgeankerd aan twee andere muren 
om een klein gebouw samen te houden. 

STRIJKKLOMP, znw., m. — Z, strijkbout. 

STRIJKSARQIE, znw., v. — Sargie, die men over de tafel 
spreidt, als men strijkt. 

8TRIJKSCHAAF, znw., v. — Bij timmerl. Eene schaaf die wal 
kleiner is dan de voorlooper. 

STRIJKVOD, znw„ v. — Bij strijksters. Opeengenaaide lappen, 
waarmede men de strijkijzers vastneemt. 

STRIK, bvw. — Hetzelfde als Strikt, streng, nauw, Fr. stricte, 

— Strik genomen, streng genomen, Fr. d la rigueur, T. 

STRIKIJZER, znw., o, — Breinaald, Fr. aiguille a tricoter, 
(Z.-O. der K.) 

STRIKKEN, w., b. — Breien, Hgd. stricken, Fr. tricoter {Z,'0. 
der K.)> 'J^** I^* (Ook rond Diest en in de beide Lirnb,, z. Sch.) Kousen 
strikken. Die kous is te los gestrokken. 

Kil. Stricken, contexere rett vittam^ etc 



— I205 — 

STRIKRINK, znw., m. — Gouden ring met in 't midden een 
plaatje, in plaats van eenen steen. (K.) 

STRIKWERK, znw., o. — Breiwerk. 

*STRINGEL, znw., o. — Snotziekte der peerden. Sch, geeft dien 
vorm voor de Kemp. Z, STRENG, STRENGEN. 

STRIPPEN, ook STREPPEN, w., b. — Iels tusschen de vingers 
of de nagels trekken, inz. om er de oneffen deelen en steerten van af 
te scheiden, bij D. B. strippen. Vlas strippen. Strip 'et zaad is van de stelen. 

STROBATIE (klemt, op ba\ znw., v., zonder mrv. ~ Ontsteltenis, 
beroering, wanorde, Fr. trouble, désordre^ bij D. B. strabantie. Ik heb 
nog nooit zoo'n strobatie gezien. 

— Hevige windvlaag. (Z. der K.) Daar kwam 'en strobatie, dat ik 
meende dat 't huis omvervloog, 

*STROBBE, znw. (gesi. ?). — « Struik of 't geen er in den grond 
blijft van afgekapte struiken, hochten ofheestergewas. Een hoop uitgeroden 
strobben. » 

Sch. geeft dit w. voor de Kemp. 

STROBBBL, STRUBBEL, znw., m., 8TR0ÈBELINQ, 

STRUBBELING, v., zonder mrv, — Oploop, gedrang, gewoel, ge- 
harrewar, Kr. tumtute, bagarre^ fouU^ bij B. strubbeling. Daar was 
'ne stroêbel van volk op de mert. Ik ben mijnen hoed en mijne' stok 
in de stroêbeling verloren, 't Was 'en heel strubbeling in de straat met 
da' gerij allemaal. Ik wacht om uit de kerk te gaan, totdat de grootste 
strubbel veurbij is. 

8TROEBES, znw., m. — Z. stroes, 

STROEF, znw., v, — Vrouw die te veel doet betalen. (Z. der K.) 

STROEF EN, w., b. — Te veel doen betalen, stroopen. (Z. der K.) 
In sommige winkels kunnen ze 'ne' mensch stroefen. 

STROÉFEN, w., b. — Z. struffen. 

STROELBN, w., o. — Met zacht geruisch vloeien, al kabbelend 
of murmelend loopen. D. B. (K.) De beek stroelt. Wordt ook gezeid van 
het geruisch dal iemand al waterende maakt. 

— Bij Kil. is struylen, strullen, streylen een Saks., Friesch en 
Sicamb. w., dat hij vertaalt door reddere urinam, wateren, pissen. 

STROES, STROESKOP, znw., m. — Stroeve, weinig aantrek- 
kelijke persoon, iemaud die niet spreekt. Dieë jongen ziet er 'ne stroes 
uit. Ik ben nie' geren bij zoo 'ne' stroeskop. 

— Ook Stroêbes. 

STROK. Tweede hoofdvorm van Strikken, breien. (Z.-O. der K.) 

*STROMMELEN, *STRUMMELEN, w., o. — Z.stroome- 
len. 

Sch. geeft die w. voor de Kemp. 



-^ I20Ö -^ 

Stronk (Ui 'l \V. sttoenfc), in 't Z. STRUNK, znw., m. — 
£^11 struik takken die opj^roeien uit den wortelblok van eeneo boom, 
of uit den kop van eenen af;y;ek(if)tten boom, Fr. cepée^ tronchée, bij D. B. 
tronk, 'Nen elze* stronk. Eike' stranken. 

— Afgeknotte boom, Fr. arhre t^téié, tctard. Er zijn elze-, eike-, 
wilge-, olmestronken, enz. De knotwilg is een strunk. Daar houdt *eQ 
mees in 'en holte van 'ne' stronk. 

— De Wrdb. hebben Stronk in den zin van 't Fr. trognon, tronc 
d'arbrej d, i, stam. 

STRONKBLEN (in 'i W. strolSnk^hn), w., o. - Z. strunkelen . 

STRONKELSTEBN, znw., m. — Z. strunkelsteen. 

STRONKEN, w., b. — Z. strunken. 

STRONT, znw., m., niet v. — Z. Wrdb. J. 

— :Stuk stronty een scheldwoord dat groote verachting uitdrukt. 

— Spr, Hoe meer da(t) tfe *n^(n) stront ruurt, hoe hartier dat hy 
stinkt, aan ondeugende menschen is geene eer te halen. T. 

— Afe{t) stront beloond warden, met ondank. 

— */ Is stront van Lamme^ 't zijn vodden. 

— Iemand de{n) stront utt 't gat vragen, hem ailes uitvragen. 

— Iemand deur de{n) stront trekken^ veel kwaad van hem spreken. 

— Veel stront aan sy(n) gat hebben, veel beslag maken, Fr, /ai're 
beaucoup d*embarras. R. 

— Van hond noch stront weten, er niets van weten. R. 

— Smalle stronten schijten^ nauw, bekrompen moeten leven. 

— Hij zal er geen dikke stronten van schijten, hij zal er niet 
veel vootdeel uit trekken. R. 

— Dat is iok peene stront^ dat is iets voornaams. K. Zoo e kleed 
dat is ook geene stront. 

— Van buiten pront en van binnen stront, buiten schoon, maar 
binnen vuil. 

— Wil men, in de lage taal, iets kleineeren, dan zet men er stront 
voor. Strontboer^ strontborgemeester^ strontheer, strontjongen, stront- 
meester, strontpèèrd, strontschool^ enz. T,, K, 

STRONTBEEST, zvw., v. — Mestkever, drekkcver, Fr. bousier, 
n de wetenschap Geotrupes, 

STRO N TB IE, znw., v. — Soort van tweevleugelig insect, Erista" 
iis tenax. Men ^ecft dien naam ook aan ce;i ander insect, dat in 't f^t. 
Elophilus pendulus heet. Ook Hemelbie. 

STRONTBOBR, znw., m. — Landbouwer die naarde stad om 
beer rijdt. 

— Spotnaam der inwoners van Hoboken. 

Spotnaam gegeven aan eenen soldaat van den trein. 

STRONTEN, w., b. — Voor den gek houden. Iemand stronten. 
Hij wilde mij wa' stronten, maar \ lukte niet. 



— iio7 — 

STRONTKARAMEL, STRONTKRAMEL. znw., v. -- 
Karamel die ccnc bruine kleur heeft en gebakken wordt van suiker, 
bloera en vet. Er zijn strontkaramellen en suikerkaramellen. 

STRONTMEÜLDER, znw., m. — Drekkever, mestkever, Geo' 
trupes, {Z, der K.) 

STRONTSTOP, znw., m. —Snotneus, stroutjongen, Fr. blanc- 
beCf polissen, iZ. der K.) Zoo 'ne strontstop maakt al van z'ne' neus 1 

STRONTVENT, znw., m. — Een man op wien men niet kan 
rekenen* \Va' siaut kunde toch maken op zoo' ne' strontven t? 

— Klein ventje, Wa' strontventjen is da*? 

STRONTVLIEQ, znw,, v. — Drekvlieg, eene vlieg, ros van 
kleur, die op drekstoflen aast, in de wetenschap Scatophaga stercorania L . 

STRONTZAT, bvw, — Sraoordronken, Fr, ivre-morU Hij is alle 
Zondagen strontzat. 

STROO, znw., o. — Fr. patlle. 

— Gekapt stroo^ redevoering of opstel dat niet aaneenhangt. 

— Strooken trekken^ Fr, tirer a la courte pailU. Ook Strooken- 
trek doen. 

— Iet (ia{t) van gee{n) stroo t's, iets dat zeer ernstig, heel gemeend 
is, van belang. R. Hij kreeg *en rammeling die van gee(n) stroo was. 

— Spr. Op *t stroo geraken^ op U stroo zitten^ tot armoede ver- 
vallen, in gebrek en ellende verkeeren. 

— Iemand {van *t bed) op V stroo helpen^ hem ten onder brengen, 
Fr, ruiner qttelqu'un. Dieëzeun zal zijn ouwers schoon op *t stroo helpen. 

— Van 't bed op *t stroo geraken of vallen, z. BKD. 

— Dat die stroo hai^ wat nou hij mest maken / zegt men van 
iemand die zeer hooveerdig is. (K.) 

— Daar is niks te branden als stroo en *t is nog nat, er is geen 
voordeel uit te trekken, 

STROOIEN, bvw. — Van stroo. 

— *Ne strooien of *ne strooien man, iemand die in de plaats van 
een ander handelt ; iemand die op eenen koopdag aangesteld is om de 
liefhebbers « op te jagen », bij R. strooman, 

STROOISEL (Kemp, ströss9l), znw., o. — Al wat dient om te 
strooien : bloemen, groen, papieren snippers; bladeren, haksel, stroo, enz., 
dat in de stallen onder *i vee gestrooid wordt, R,, T, 

STROO KELEN, w., b, — Z. streekklen. 

STROOKEN-TREK, znw., o. — Z. onder stroo. 

STROOLAT, znw., v. — Lat op de kepers om het dekstroo te 
dragen, T,, R. 



ê 



— I208 — 

STROOM, znw., m. — Z. Wrdb. 

— Tegen stroom^ in verkeerde richting. Tegen stroom handelen. 
Hij gaat altijd tegen stroom te werk. 

STROOMELEN, STRUÊMELBN, w., o. — Struikelen, 
strunkeien, Kil. strtemeUn, (Z. der K) Ik stioomelden over *ne' steen en 
'k viel. Struëmelt over die houten nie*. 

— Sch. geeft ook de gedaanten strommeUn en strummelen. 

STROOPEN (Kemp, ook struè'pgn en strteêp9n)^ w., b. — Iemand 
te veel doen betalen. In sommige winkels kunnen ze 'nc' mens(cb) stroopen. 
Gaat daar nic' eten, want ge zult er gestroopt wörren. 

STROOPER, znw., m. — Afzetter, iemand die de menschen te 
veel doet belalen, 

STROOPERIJ, znw., v. — Afzet terij, bedriegerij met iemand te 
veel te doen betalen, 

STROOPIJL, znw., m. en o. — Stroobalm, Fr. brin de pailU. 

— Spr. Zoo slap ztjn da(f) ge over e siroopijl zoudt vallen^ zeer 
zwak zijn. 

— Ik heb hem geen stroopyl in de{n) weg geleed^ ik heb hem niets 
misdaan, 

STROOSPIER, znw., o. — Stroohalm, siroopijl. (Z.-O. der K.) 
T., K., M. 

STROOT (scherpe 0), znw,, o, — Stroo, Fr. pailU, (A,) 

STROOT (zachte 0), znw,, v.. niet m. — Hetzelfde als Strot in 
de Wrdb., J'Iiig. throat^ Mdnl. j/rö/^, Fr. gosier. T., OPPR., 86. (Ook 
in Brab., z. Sch.) Hij pakte mij bij mijn stroot. Schreeuwen zooveul 
as de stroot geven kan. 

8TROOWIS(CH). znw., m. — Z, Wrdb. 

— Spr. Op 'ne(n) stroowisch komen aangedreven^ ergens arm 
aanlanden. 

STROP, znw., v., niet m. — Galgekoord, schuifkoord die ergens 
om vastgeirokken wordt. T. 

— Strik, waarmede men wild en vogelen vangt, Fr. collet^ D. B. 
Stroppen zeitcn om hazen te vangen. 

— Spr, ^k Wou dat ik thuis was^ zee de kater ^ en hij zat me\{) 
ztf{n) gat in de strop. 

— De sluitspier van den aars, Fr. sphincter de Panus. D. B. 

— Z. DRAAIHALS. 

— Schalk, guit, kapoen, kwajongen. D. B., T., G», Jong., M, 'En 
strop van *ne' jongen. Hij is *cn eerste strop. 

STROP, bw. — In verlegenheid. Ik zit strop van geld (ben ik 
geldgebrek), Den beenhouwer hce* mij strop gezet niè* gee(n) vlees(ch) 
te brengen. Hij maakte veul praat, maar ik zetten 'em strop (hij koo 
niet meer antwoorden). 



— I209 — 

STR0PDRAQBR8, z. stroppendraoers. 

STROPPBBREN, w., b. — Verminken, Fr. estropter. R. Hg 
is leelijk gestroppeerd. 

STROPPEN, w., b, — Door middel van eene strop of eenen 
strik loehaJen. 'Ne veurschoot stroppen. Z. toestroppen. 

— O. Moeilijk, doorschuiven, nauwelijks ergens door kannen. D, B., 

T. 'Et garen mag nie* stroppen bij *t naaien. Da* garen stropt gedurig. 

El water blijft hier stroppen. Alle vuiligheid stropt hier in de goot. 

'Et stropte daar van 't volk. Daar kwam zooveul volk uit de kerk, dat 

*et in 't portaal bleef stroppen. 

STROPPENDRAOERS, STROPDRAOER8, znw.. m., mrv. 
— Spotnaam der Gentenaars. 

STROSy znw., m, — Geeru^n^ stros geven^ geen antwoord geven, 
uil kwade luim. (A.) Ik sprak 'em vriendelijk aan, maar hij gaf me 
geene' stros. 

STROSSEN, w., b. — Slordig naaien. Z. trossen. 

* STRO TEN, w., o, — « Schreeuwen zooveel de stroot geven kan. » 
Sch. ^eeft dat w. voor Antw. Wij hebben in dien zin Kelen gehoord. 

STRUBBEL, znw., m., STRUBBELINO, v. — Z. STRoéBEL, 

STROeBEUNO. 

STRUEMELEN. W., o. — Z. STROOIIELEN. 

STRUFPEN, STROEPEN, w., b. — Met worden bestraffen, 
iemand berispen die iets laakbaars zegt of doet. (Ook in VI., z. Scb.) 
Dieé jongen moet gestrufl wörren, iedere' keer dat em zoo'n leelgke 
woorden spreekt. De vader strufte zijne' zoon, omdat i vloekte. 

Kil. Straffen, reprehendere. Bij hem bet. struffen wederleggen. 

STRUIP, znw., V. — 2^eer dikke pannekoek van bloem gebakken. 
Men bakt eerst eenen pannekoek en giet er weer beslag op, enx., totdat 
men een zeer dikken koek bekomt. 

— In de Wrdb. bet. het Eierkoek, Fr. ommeUtte, 

— Brechtsche stuiven, spotnaam op de inwoners van Brecht. Zij 
kregen, zegt men, dien naam, omdat zij eertijds het wapenschild van 
Sint-Michiel, hunnen patroon, voor eene koekepan aanzagen. 

STRUIK, znw., m. — Z. Wrdb. Op struik verkoopen^ graan 
verkoopen, terwgl het nog te wassen staat. 

— Staak, linie van een geslacht, 

— Struiken zijn Uitgeroeide wortels en ondereinden van denne- 
boomen, Fr. chicots, souches. Hf)t. Struiken zgn goe' brandhout* Struiken 
klieven. 'En mijt struiken. 

Kil. Struyck, stirps, /rutex, caulis, 

STRUIKBLrOK, znw., m. ^ Z. STUIKRLOK. 



— 12IO — 

STRUIKEN, w„ o., met zyn, — Eenen struik maken, op den 
wortel uitschieten, Fr. buissontur^ talUr, D. B. (Ook io Brab., z. Sch.) 
'Et koren moet oog struiken , anders staget te dun. Ook Uitstniiken 
en Uitspranten. 

. STRUIKMIJT, znw., v. — Mijt van gekloven struiken of aars- 
gaten van lx>omen. (K.) 

STRUIStCH;, bvw. — Kloek, gespierd, sterkgebouwd, Fr. robuste, 
D. B , Hfft. 'Ne struis(ch)e kerel. *En struis(ch)e boeredochter. Hij is 
kloek en s;iuis(ch). Struis(ch) gebouwd zijn, 

— Kloek, onbewogen, niet ontroerd. Ze begosten allemaal te grijzen, 
maar ik hiel' me struis(ch). 

STRUKTIB, znw,, v. — Weder waardigheid, Fr. adversité^ meest 
in 't mrv. gebezigd. T. Die mens(ch)en hebben al veul strukties gehad 
rk heb strukties gehad mè* mij' pèèrd. 

STRUNK, znw., m, — Z. stronk. 

STRUNKBLEN, ook STRONKELEN, w., o. ^ Hetzelfde als 
Struikelen in de VVrdb., Fr. broncher^ trébucher. Hij strunkelden over 
'ne' steen en hij viel. Zijne' voet verzeeren mee* ieverans tegen te stronkelen. 
« Zij strunkelden in de putten» » (David, Vaderl. Hist, I, 257.) 

Kil, Stronckelen, cespitare, 

STRUNKEL8TEEN. STRONKELSTEEN, znw., m. ~ 
Struikelblok, steen des aanstoots. 

STRUNKEN, STRONKEN, w., b, — *Nen boomstrunken, tot 
strunk maken. 

STRUUK, bvw. — Barsch, Fr. rude. Iemand struuk toespreken. 
'Ne struke vent, (Z. der K.) 

8TUBBEL, 7:nw., m. ~ Z. stubbeuno. 

«STUBBELEN, z. *stubberen, 

♦STUBBELEN, w„ o. — c Freq. van Stubben, dat wij ook 
gebruikt hoorden, zegt Sch., voor Dubben, in twijfeling zijn. op iets 
dagen, tegenpreutelen. Watstubbelt gij altijd ? Vanhier stubbeling^ weife- 
ling, gezaag, tegenpreuteling, verschil. Ik wilde de oorzaak van die stubbe- 
ling weten. » 

Sch. geeft het w. voor Brab., Antw. en de Kemp, 

STUBBELEN, w,, o. — Stribbelen, wederstreven, stechelen. 
(Z. der K.) Meest gebr. in de sam. tegenstubbelen. Hij moet altijd stubbelen. 

STUBBELING, znw., v. — Hetzelfde als Stroëbeling, Strubbe- 
ling, verwarring die tusschen opeengepakte menschen ontstaat, Fr. bagarre. 
Ik heb in de stubbeling mijnen hoed verloren. 

— Tegenspoed, weder waardigheid. (A.) In stubbeling zitten, 't Is 
erg as ge in die stubt)eling zijt. 



— I2II • - 

♦STÜBBERKN, ♦STUBBELEN, w.. o. — Sch. geeft die w. 
als Kemp. voor ons Stoëbereo. Z. ald. 

STUQ, bvw. — Stout, frank. £ stug kind. De kinderen wörren 
veul te stug aan den tram* 

— ^Loquela (N' 12, *92, hlfz, 95) geeft het voor Antw. op in den 
zin van Kloek, stniisch van zin en van lijf, gezond. In die beteekenis 
hebben we \ nog niet gehoord, evenmin als 

«STUQQEN, w., o., dal hetzelfde blad voor Antw. geeft in de 
beteekenis van Stug, stevig, sterk, vast doen zijn, steunen. Zet dezen 
paal nog maar bij den muur : dat stugt toch ook al. Elen dikkop (glas 
korten drank) als men schrik heeft, dat stugt altijd, dat maakt u stugger, 
stouter. 

STUIK, znw., m. — Rij landb. Metzelfde als Stok, hoopje samen- 
gestelde schoovcn op den akker, Eng. stook, D. B. *£t graan in stuiken 
zetten. Er staan acht, tien en meer schooven in 'ne' stuik. Z. stok 
en HOK. 

STUIK, znw., m. — Houten of wissen gestel, waarin men de 
kinderen leert loopen. (Z. der K.; 

STUIKBLOK,STUITBLOK (uiispr. stökblok^ stötblok), znw., 
m. --• Wortelblok, hel onderemde van eeneu boom. (Ook in Kl.-Brab.y 
z. Sch.) Stuikblokken klieven veur brandhout. Een boom bestaat uit de 
takken, den stam en den sluikblok. Van de stuitblokken van dikke boomen 
maakt men kapblokken voor de beenhouwers. 

Ook Struikblok. 

STUIKEN, w,, o., mtiMtfn. — Nederslorten, met het hoofd voor- 
over ergens afvallen. D. B., R. Hij stuikten uit den b(X)m en viel morsdood . 
Zie maar toe da' ge in de' put nie* en stuikt. 'Et kind stuikte mè' 
z'ne' kop op de steenen. De metser is van 't dak gestuikt. 

— Met heb jen» Spel. Marbollen of knikkers met de hand in een putje 
stooten. D. B., Sch., bij Jong. stjoeke b^ \1. stuiten. De speler vrint of 
verliest, volgens dat er een even of een oneven getal knikkers in het 
kuiltje ligt. De kinderen stuiken geren. Willen wij is gaan stuiken ? 

Kil. btuycken, ludere nucibtis in scrobem conjectis, 

STUIKEN, w., b. — Bij smeden. Het gedeeltelijk gloeiend gemaak t 
ijzer in de richting zgner lengte hameren of ineendringen, waardoor op 
de verhitte plaats eene verdikking ontstaat. De nagels worden gestuikt, om 
er koppen aan te maken. De' kop aan 'ne' nagel stuiken. Wielbanden 
stuiken. 

STUIKEN, w., b. — Bij landb. In stuiken zetten. Boekwei' 
stuiken, 't Koten stuiken. 

STUIKMACHIEN, znw., o. —Bijsmeden. Werktuig dienende 
om wielbanden te stuiken. 

STUIKSTUK, znw., o. — Bij schoenmakers. Lederen lap op den 
Z00I9 onder de teenen. Ook TeeOBtok. 



i 



— I2I2 — 

STUITBLOK, znw., m. — Z, stuikblok. 

STUITEN, w., o. — Pochen, zich roemen, bluffen, snoeven, 
Fr.se vanter^ blaguer, faire U fanfaron. (K.) Hflfi. (Ook in Limb., z. Sch.) 
Da' wijf kan geweldig stuiten. *t Sta* leelijk van zoo te stuiten. 

— Stuiten op of over^ er op roemen, er mee pralen, grootelijks 
loven en prijzen. Fr, se vanter de^ se glorifier tU, (K.) Hij stuit altijd 
over zijn huizen en zijn landerijen. Ik kan over mijne' knecht nie' 
stuiten, waiii hij is maar lui. De moeder stuitten opheure' zeun, omdat i 
zfM> goed oppast. 

— Cicp. w, Stoifen en stuiten^ z. STOeFEN. 

Kil. Stuyten, jactare^ crepare^ ostentare^ arrogare, — Kram. ver- 
meldt het als gewest. 

STUITER, znw., m. — Pocher, stoffer, Fr. fanfaron^ hlagtieur^ 
(K.) Kil. miles gloriosus. 

— Kwakzalver, Fr. charlatan, (Z. der K.) D« B. As de vruugmis 
uit was, stond er 'ue stuiter op 't dorp. 

STUITINQKRUIS. znw., o. — Bij horlogiemakers. Een soort 
van kruis op de trommel eener zakhorlogie vastges