Skip to main content

Full text of "Soldaten en missionarissen in Congo"

See other formats


Digitized by the Internet Archive 

in 2010 with funding from 

University of Toronto 



http://www.archive.org/details/soldatenenmissioOOgoch 



o ti ••■ 




SOLDATEN EN MISSIONARISSEN 
IN CONGO. 




REEKS Vlbis. 




LEOPOLD IL 

OPPERGEZAGVOERDER VAN DEN ONAFHANKELIJKEN CONGOSTAAT. 



■IfTTTTTTi) iiiiiiixjiiiiiiriiiiiirrriiiriixrirriincrrrTTTrtiiiiTiixrriiiirxiiJiiirriiiriiifiTTiTTr) nrTit 




nnr:mrxrTi 




(t 



I 

vy 




SOLDATEN 



EN 



MISSIONARISSEN 



IN CONGO 

DOOR Br. ALEXIS-M. Go oU^^^ 
Schrijver van: belgisch CONGO met platen opge- 

LUISTERD, FRANSCH CONGO, ALEXIS VRITIIOFF, en van 

andere w^erken over Afrika. 

Naar het franseh door K. VAN VLAENDEREN. 



ill 

I 

I 
I 




Smt^Hugustinus' nrukfecrij, 
DESCLEE, DE BROUWER en a=^ 




EERSTE DEEL. 
Baron Dhanis. De oorlog met de Araben. 

TWEEDE DEEL. 

Kapitein Jacques. Krijgstochten ondernomen tot bestrij. 
dino^ van den slavenhandel. 

DERDE DEEL. 
Alexander Delcommune. Ondekkingsreizen in Katanga. 

VIERDE DEEL. 
De katholieke zendelingen in Congo. 



ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. 



J 3 



/N t88j gaven wij, onder den titel van Belgisch Congo met 
platen opgeluisterd, het geschiedkundig verhaal der stick- 
ting van den onafhankelijken Congostaat doo7' Koning Leo- 
pold II. 

In de vierde ititgave van dat werk, verschenen in i8g2, hidden 
wij onze lezers van de ontdekking van den Congostroom door 
Stanley, in iSYS-iyy tot en met het testament van den Koning, 
of het aanbod van overdracht van den Congostaat door den 
Koning-oppergezagvoerder, eii de 77togelijke aanneming door de 
Belgische Kamers. 

De gebeurtenissen, die, va?t iSgi tot iSg^, in Afrika plaats 
grepen, war en te talrijk en te gewichtig oni, i7i eene vijfde 
uitgave, enkel als aanhangsel in het reeds lijvige boek van de 
algemeene geschiedenis te verschijne7i. 

Het schee7t 07is dtis verkieslijk ee7t afzo7iderlijk werk uit te 
geven, waarin wij de geschiede7iis dezer laatste vierja7'en onder 
de vier volgende oogptmten beschouwen. 

1° Staatkunde en krijgszaken. In dit deal verhalen wij de7i 
oorlog va7i de7i Vrijstaat 7net de ove7'weldigende e7i oproerige 
Araben, oorlog waari7i de 7'oemrijke veldtocht van den bevelheb- 
ber Dha7iis de voo7'naa7nste plaats innee7nt. 

2° Menschlievendheid. Daar deelen wij de gebeurtenissen 
Tnede welke in verband staan Tnet den st7'ijd tot het uitroeien 
van den afschuwelijke7i slavenha72del aa7igevange7t, e7t wel voor- 
namelijk de7t k7'ijgstocht van kapitei7i Jacques. 

3° Nuttigheid, of aard7'ijkskundige 07itdekkingsreis van den 
heer Alexander Delco7n7nM7ie, bevelhebber va7i den tocht 07ider- 
nonien tot bevorde7'ing van den koophandel en de nijverheid in 
Katanga. 



lO VOORWOORD. 



4° Beschaving en godsdienst, of apostolische werke7t in Congo 
onzer Paters missionarissen en liefdezusters van ve^'schillende 
Congregati'en, zooals : Witte Paters, Paters van Scheut, Jezuie- 
ten, Trappisten, Witte Zusters en Zusters van O. L. Vrouw 
van Namen. 

Gelijk men ziet, is dit zverk de natuurlijke voortzetting niet 
alleen van ons Belgisch Congo met platen opgeluisterd, maar 
ook van verschillende andere onzer werken, zooals : De slaven- 
handel, de Afrikaansche barbaarschheid, de Congoleezen, 
Stanley de Afrikaan en Alexis Vrithoff. 

De bijval, welke deze boeken te beurt viel, geeft ons de gegronde 
hoop, dat Soldaten en Missionarissen in Congo i^isgelijks wel- 
kom zal zijn bij het lezend publiek van Belgie, hetwelk het edel- 
moedig werk door Koning Leopold ondernomen onvoorwaarde- 
lijk goedkeurt en het grootste belang stelt in alles wat onze land- 
genooten in Afrika schoons en verhevens verrichten. 

Wij dragen voornatnelijk ons boek op aan de vurige en ver- 
standige jeugd van onze ondei'wijsgestichten. Gelijk in onze vorige 
werken zullen de jonge lieden er navolgenswaardige voorbeelden 
in vinden van burger- en christen deugden, wonder baar geschikt 
07n in de verre landen den roeni van Belgi'e staande te houden, 
van Belgi'e, « dat land zoo klein op de kaart van Europa, maar 
dat zoo groote zaken in Afrika uitvoert. » 

Voor God en Vaderland. 

Kerstfeest iSg^. 

B. Alexis M. G. 




crxm: 




Gcnr nimizixm 



JSoIbaten en ffiisstonartssen 
in Congo, ban 1891 tot 1894. 



riiiTT T TiTiiiiiiiniirTTrT-miiiiirT- 



iLxxxxxmuj 




EERSTE DEEL. 



BARON DHANIS EN DE OORLOG MET DE ARABEN 




EERSTE HOOFDSTUK. 
Voorloopige toestand. Eerste vijandelijkheden. 
ET MAHOMEDANISMUS. — De inval 

der Araben in Afrika dagteekent van voor twaalf 
eeuwen, dat wil zeggen van het tijdstip zelf dat Ma- 
homed zijne dweepzieke horden ter verovering der 
wereld afzond. 

Geheel en al in strijd met den godsdienst van 
Jezus-Christus, die de zelfverloochening en de naastenliefde aanpre- 
dikt, geeft de leer van den Coran den lessen teugel aan 's menschen 
driften, vleit den hoogmoed en de zelfzucht van den sterkste, laat toe 
den overwonneling in slavernij te brengen, hem te behandelen als 
een laag en redeloos dier, hem te benuttigen tot het verschaffen van 
allerhande vermaken, en geeft eindelijk het recht, indien de onge- 
lukkige hinderiijk of nutteloos wordt, hem het leven te benemen. 

Ziedaar de reden waarom de aanhangers van den Islam, op zoo kor- 
ten tijd, erin slaagden de helft van het bekende oude vasteland door 
vuur en zwaard te overweldigen. Thans vindt men Araben, of volke- 
ren die hunne leer en gebruiken aannamen, geheel door Azie, de 
Nederlandsche Oost-Indien eronder begrepen, Turkije en Zuid- 
Rusland ; zij heerschen over twee derden van het Afrikaansche vaste- 
land, en zullen alleen aan hunne overweldigende macht paal en perk 
zien stellen door de vereenigde pogingen der Europeesche mogend- 
heden, die er voortaan belang bij hebben hunne nieuwe bezittingen in 
het Zvvarte land tegen de strooptochten dezer indringers te vrijwaren. 



12 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Aan al deze muzelmansche volkeren,wien dearbeid als vernederend 
en de voldoening der dierlijke driften als eene gewettigde noodzake- 
lijkheid voorkomt, ontbreken dienstboden, slaven van beider kunne, 
en om deze slaven te bemachtigen nen:ien zij hunne toevlucht tot de 
menschenjacht en den slavenhandel met den sleep van gru\velen,welke 
wij in afzonderlijke werken beschreven hebben (^). 

Men weet, volgens de getuigenissen van Livingstone, Cameroon, 
Stanley en vele andere ontdekkingsreizigers en zendelingen, dat voor 
een slaaf, die behouden in Egypte,Turkije, Arable of Perzie aankomt, 
er misschien tien, twintig, of nog meer door moord, brand of uitput- 
ting op de eindelooze tochten der Karavanen omkomen. Onder de 
gevangen genomen mannen.die men als lastdieren bezigt in het dragen 
van het elpenbeen naar de kust, bezwijkt het meerendeel onder dien 
afmattenden arbeid. Wat de vrouvven en kinderen betreft, die men tot 
een vvinstgevenden handel bestemt, hun lot moet daarom niet wensche- 
lijker voorkomen, want vernedering alleen en onteering staan hen te 
wachten. 

Ziedaar de groote reden waarom, overal waar de leer van Mahomed 
volgelingen vindt, verval en ontvolking zich spoedig voordoen. Zelfs 
in Europa, in Azie, in geheel het Turksche keizerrijk en in alle andere 
muzelmansche Staten vermindert de bevolking op onrustbarende wijze, 
en zulks niettegenstaande den invoer van ontelbare slaven. Hoe moet 
het dan niet toegaan in de onmetelijke streken van Midden-Afrika, 
waar de ongelukkige negers, onmachtig om hunne persoonlijke vrij- 
heid te verdedigen, door de verdrukkers zelf gedwongen worden 
hunne zwarte stamgenooten in slavenboeien te helpen klinken ! 

En inderdaad, vele der menschenjagers die men namelijk in Belgisch 
Congo ontmoet, zijngeene Araben, zelfs geene halfbloedigen; het zijn 
voor het meerendeel bijna vvilde negers, weleer gevangen genomen en 
nu gedwongen het onmenschelijk bedrijf hunner meesters te helpen 
uitoefenen. 't Is alzoo dat onder de vijftien duizend slavenjagers, die 
oostelijk Congo afliepen, nauwelijks eenige honderden oorspronkelijke 
Araben uit Zanzibar te vinden waren ; deze waren de opperhoofden, 
de eigenlijke veroveraars, die door hun verstand en wilskracht het 
gemeen der vrijbuiters beheerschten en aanvoerd^n. 

Inval der Araben in Congo. — De inval der Araben uit 

I. De handel in zwarte slaven, de Afrikaansche barbaarschheid en de katholieke 
zendingen, 2 boekd. in-8" van 240 bl. Dessain, Luik. 



EERSTE DEEL. KAPITEIN DHANIS. 1 3 

Zanzibar in het stroomgebied van den Congo dagteekent slechts 
van over een veertigtal jaren. Livingstone was de eerste die, in 1870, 
van hunne tegenwoordigiieid in Xyangwe berichtgaf en hunnealdaar 
gep'eegde wreedheden schandvlekte. Cameroon ontmoette hen daar 
insgelijks, en kon, door hunne ophitsingen van de inboorlingen geene 
booten bekomen, om den tot toen nogonbekenden stroom af te varen ; 
hij zag zich gedwongen in de richting van het Zuid-Westen naar An- 
gola af te trekken. Stanley, op zijnen ontdekkingstocht door Congo, 
stiet, in 1876, op denzelfden hinderpaal. 

En vvaarom dan verzetten zich de Araben van Nyangwe zoo hals- 
starrig tegen den doortocht der Europeesche reizigers die den Congo- 
stroom noordwaarts vrilden volgen ? Zonder twijfel omdat de stroopers 
vreesden de vreemdelingen in Manyema te zien dringen en aan hunne 
gruweldaden paal en perk te zien stellen. 

De dappere Stanley liet zich evenwel aan hunne tegenkanting niet 
storen, en vergezeld van zijnen bondgenoot Tippo-Tip, te dien tijde 
reeds machtig en nog in de voile kracht der jaren, wist hij langs eenen 
omweg door het woud eene geschikte plaats tot de inscheping te vin- 
den.Bij het afvaren van den grooten stroom had Stanley menigvuldige 
aanvallen der inboorlingen afte slaan,diehem en zijne Zanzibarieten, 
in Araabsche kleedij gedost, voor de zoo gevreesde menschenjagers 
aanzagen. Het bleek dus, dat de arme zwarten, van IVIanyema af tot 
aan de Stanley- Falls, van de strooptochten der Zanzibarietsche slaven- 
handelaars reeds te Hjden hadden gehad. 

Hetzelfde jaar, 1876, bracht koning Leopold II het Afrikaansch 
internationaal Genootschap tot stand. Hij riep den ontdekker van den 
Congostroom naar Brussel, en zond hem welhaast naar Congo terug 
met de opdracht er eenige standplaatsen te stichten, en het land, 
dat hij zoo roemrijk ontdekt had, in alle richtingen te doorloopen. 

« Toen Stanley, in de maand December 1883, :» zoo schrijft M. Wau- 
ters, « den Opper- Congo opvaarde, stiet hij, dicht bij de samen- 
vloeiing der Lomami en Congo op eene bende Araben, door Abel- 
ben-Alim, van Nyangwe, aangevoerd, welke reeds tot op kleinen af- 
stand stroomafwaarts van de Falls was vooruitgerukt. Hij besloot den 
overmoed der slavenhandelaars te beteugelen en liet eenen krijgspost 
achter op een eilandje aan het uiteinde van het bevaarbaar deel van 
den stroom. Veertien maanden later, den 26«" Januari 1884, bereikte 
kapitein Van Gele, op zijne beurt,de Falls, en vond er Tippo-Tip in een 
verschanst kamp aan den rechter-oever van den Congo: de twee mede- 
dingers, de Europeaan en de Araab, stonden dus tegenover elkander. 



14 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Aanvankelijk evenwel vverd er een verdrag gesloten ; maar de vrede 
duurde slechts zes maanden : de standplaats der Europeanen, verde- 
di'gd door eene afdeeling neger soldaten, onder bevel van de heeren 
Dubois en Deane, werd den 28^" van Oogstmaand 1886, door de 
benden van Raschid, neef van Tippo-Tip, aangevallen en stormen- 
derhand ingenomen. Aldus werd voor den Vrijstaat de oplossing van 
het Congovraagstuk bepaald opgeworpen. 

Tippo-Tip tot bevelhebber der Falls aangesteld. — 

Den oorlogopenlijk verklaren aan de Araben van Nyangvve,Kassongo 
en Manyema, daaraan viel voor het oogenblik niet te denken, het kon 
immers niet anders of men ware een gewisse nederlaag te gemoet 
gegaan. In dien hachelijken toestand bedachten de beheerders van 
den Congostaat een middel om het gevaar te keeren, hun gezag aan 
de Falls weder op te beuren, en middelerwijl, met het oog op een 
waarschijnlijken, ja, onvermijdelijken oorlog, de bestanddeelen van 
een wel ingericht en geoefend leger te verzamelen. Tippo-Tip, die 
vreemd was gebleven aan den aanval der Falls, gedurende zijne af- 
wezigheid, door zijnen neef Raschid beraamd en geleid, werd te Zan- 
zibar door Stanley in gehoor ontvangen, die welwillend de veront- 
schuldigingen van het Araabsch opperhoofd aannam en hem tot vali 
of bevelhebber der Falls deed benoemen. Tippo-Tip begaf zich on- 
middellijk op weg naar zijnen post, deed de blauwe vlag van den 
Vrijstaat hijschen, en verleende, eenige dagen later, den ly^"^ Juni 
1887, aan de kapiteins Van Gele, Van Kerckhoven en hunne soldaten, 
toegang tot de kleine versterkte plaats. 

Men heeft veel geredetwist over de benoeming van Tippo-Tip tot 
staatsbeambte. Wij moeten toegeven dat de zaak destijds door hare 
zonderlingheid zelf, aanleiding gaf tot de meest uiteenloopende ge- 
voelens, die men in hekelende vormen dagelijks aan het publiek op- 
dischte. Nu echter, moet men bekennen, dat deze benoeming van veel 
doorzicht en behendigheid getuigt, en dat het daaraan te danken is, 
dat de blanken, in die verafgelegen landen, langzamerhand vasten 
voet hebben verkregen, en in staat werden gesteld de vereischte 
strijdmacht op de been te brengen. Men vergete 00k niet dat de toe- 
stand destijds nog verergerd werd door den opstand der Madhisten 
die in de Nijlvallei de eene overwinning na de andere behaalden. 

« De Congostaat nam aanstonds zijne maatregelen met veel over- 
leg en scherpzinnigheid. Ja, het valt niet te ontkennen, indien men 
op zoo korten tijd het gewenschte doel bereiken mocht, is zulks omdat 



EERSTE DEEL. KAPITEIN DHANIS. 1 5 

men te Brussel, van het begin af, den toestand klaar inzag, en dat 
men geen oogenblik de mogelijkheid van een aanstaanden oorlog uit 
het oog verloos. Men besloot onmiddellijk twee verschanste kampen, 
van talrijke kanonnen voorzien en door groote troepenmachten bezet, 
aan de twee uiteinden van het bevaarbare deel van den Congostroom 
aan te leggen, het eene aan den samenloop van Congo en Lomami, 
het andere te Lusambo, aan de Opper-Sankuru, in 't gezicht van de 
Araabsche voorposten. Deze twee legerplaatsen.welke men niettegen- 
staande hare ligging in het binnenland, met het grootste gemak door 
de stoombooten van Stanley-Pool van krijgs-en mondbehoeften kon 
voorzien, zouden den Vrijstaat vvel te stade komen, en de uitgangs- 
punten worden der verschillende krijgstochten, welke men tegen de 
slavenhandelaars ondernemen zou (^). > 

Vijandelijkheden aan de Opper-Ouelle. Bevel- 

hebber Van Kerckhoven. — Vooraleer wij den belangrijken 
tocht van baron Dhanis in Manyema verhalen, meenen wij dat het 
noodig is den lezer op de hoogte te brengen der krijgsverrichtingen 
van den bevelhebber Van Kerckhoven in de streken, welke de Opper- 
Ouelle doorstroomt, en van waar de Araben, die ze in hunne macht 
hadden, naar de Stanley-Falls afzakten. 

Dejonge Van Kerckhoven had op veertienjarigen leeftijd in het 
pauselijk leger dienst genomen.Men mocht hem nog een kind noemen, 
en zijne inlijving bij het korps der zouaven scheen aan zijn jonge 
verbeelding een goede gelegenheid om blijken van zelfopoffering 
te geven en om de gevaren van den oorlog van naderbij te leeren 
kennen en trotseeren. Na zijnen terugkeer in Belgie nam Van Kerck- 
hoven dienst in het Belgische leger, 't Was in 1883, dat hij voor de 
eerste maal naar Afrika vertrok. Eerst werd hij tot bevelhebber van 
Issanghila, in Neder-Congo, aangesteld. Daarna volgde hij Coquilhat 
op in het bevelhebberschap over den belangrijken post in de streek 
der Bangala's opgericht. Gedurende dit eerste verblijf in Congo gaf hij 
ontegensprekelijke blijken van staatsmanskennis, want hij slaagde 
erin met al de opperhoofden der naburige stammen op vriendschap- 
pelijken voet te leven. 

In 1886 kwam hij naar Europa terug, maar vertrok nog op het 

I. A. J. Wauteurs, Congo met platen opgeluisterd^ waaraan wij gedeeltelijk de 
bijzonderheden van dezen krijgstocht ontleend hebben, alsook aan de Courrier de 
BruxelleSf en aan verscheidene andere tijdschriften. 



1 6 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

einde van hetzelfde jaar naar Congo, waar hij het bevelhebberschap 
over de Bangala 's hernam, overal alles inrichtende tot grootere wel- 
vaart van zijn grondgebied en de aanwerving bespoedigende van het 
kleine leger dat Coquilhat begonnen had te vormen. Niet lang 
daarna ondernam hij eenen verkenningstocht naar de Itimbiri, en 
bracht het zoover dat het gezag van den Onafhankeh'jken Staat op 
beide oevers van den Congo, van de Itimbiri af tot aan den samenloop 
der Oubanghi, erkend werd. Toen hij, in 1889, in verlof naar Belgie 
terugkwam werd hij door luitenant Baerts in het bevelhebberschap 
opgevolgd. 

Van Kerckhoven vertrok weder naar Congo, in 1890, als Staatsop- 
ziener. Op dat oogenblik had hij reeds den graad van kapitein- 
bevelhebber bekomen. Men droeg hem de zending op de streek ten 
Noorden van den Vrijstaat van slavenhandelaars te zuiveren. De kapi- 
tein trok vastberaden te velde en had zich welhaast met zoo groote 
snelheid eenen weg gebaand, dat hij reeds, in April 1892, in het land 
der Momboutou's aankwam.Met medehulp der machtige Congoleesche 
opperhoofden Bangassa, Rafai en Semio, drong hij tot in het hart van 
het Arouwimi-Ouelle grondgebied en richtte tal van standplaatsen aan 
de Quelle op, alsmede een grooten krijgspostte Amadis dichtbij deze 
rivier. 

Ongelukkig vernam men op zekeren dag, dat de kapitein gedood 
was in een gevecht met de Araben. Hij was bezig met op hen te 
schieten, toen hij gewaar werd dat er iets haperde aan het Winchester- 
geweer waarvan hij zich bediende. Hij gaf het aan zijnen boy over, 
die.als gebruikelijk, meteenige geladen geweren achter hem stond.De 
kleine dienaar, die dacht dat zijn meester hem zijn wapen overhan- 
digde om het te herladen, terwijl hij een ander begeerde, nam het 
toegereikte geweer, dat nog met verscheidene patronen geladen was, 
maar ging daarbij zoo onbehendig te werk dat een schot afging en de 
kogel den bevelhebber doodelijk trof. Kapitein Van Kerckhoven was 
een der dapperste ofificieren, die hun leven voor het werk van den 
onafhankeh'jken Congostaat veil hadden en zijn naam verdient ver- 
meld te worden naast deze van Hanssens, Vande Velde, Coquilhat, 
Van Gele en van zooveel anderen, die op den Afrikaanschen grond 
bewezen hebben hoeveel zelfopoffering en moed men van den Bel- 
gischen soldaat verwachten mag. 

Bevelhebber Ponthier. — Een der belangrijkste wapen- 
feiten die dezen krijgstocht kenmerkten, was de overwinning die 




Luitenant baron Francis Dhanis, geboren te Londen, 
den II Maart i86z, overwinnaar der Araben. (Zie. bl. i6.) 




Bevelhebber Pieter-Jozef Ponthier, geboren te Marche, 
den 4 Mei 1858, overleden in Congo in 1893. (Zie. bl. 14.) 



Soldaten en missionarissen in Congo 



EERSTE DEEL. — KAPITEIN DHANIS. 1 9 

Dhaenen en Ponthier over de Araben behaalden, dicht bij de Bomo- 
kandi-rivier, waar zij hun kamp hadden opgeslagen. 

De luitenant-bevelhebber Pieter-Jozef Ponthier werd geboren te 
Marche, den 4^^ Mei 1858. Hij was luitenant bij het 13^ linie-regi- 
ment toen hij, den 15^" Maart 1887, voor de eerste maal naar Congo 
vertrok. Gedurende zijn eersten diensttijd in den onafhankelijken 
Staat maakte Ponthier deel van het korps, dat, ten einde de invallen 
der slavenhandelaars te beletten, te Basoko, een verschanst kamp en 
eene vesting aanlegde. Hij richttezelf twee krijgsposten op te Isanghi 
en te Yambinga. 

De Araben zagen met geen goed oog de vesting van Basoko uit 
den grond rijzen, en menigmaal lieten zij hunne ontevredenheid door 
beteekenisvolle betoogingen bh'jken. Eens zelfs kwam Selim, een van 
Tippo-Tip 's luitenants, met eene vloot van prauwen, met meer dan 
twee duizend koppen bemand, den Congostroom afgevaren, maar de 
kloeke bonding van luitenant Ponthier deed hem welhaast tot den 
aftocht besluiten. 

Den 3'" Maart 1890, in Europa terruggekeerd, vertrok Ponthier op- 
nieuw naar Afrika den lO^"^ van Oogstmaand van hetzelfde jaar. Dit- 
maal vergezelde hij als eerste luitenant den bevelhebber Van Kerck- 
hoven, die met den belangrijken krijgstocht aan de Opper-Ouelle 
belast was. 

Ponthier voerde het bevel over de voorhoede. Hij was het die, aan 
de oevers der Bomokandi op eene bende van twee duizend Araben 
stiet en ze versloeg : achttien honderd slaven vielen in de handen der 
overwinnaars en werden op vrije voeten gezet. Deze zegepraal maakte 
een einde aan de invallen der slavenhandelaars aan genen kant van den 
Staat. Moedig zette hij zijnen tocht voort, overal den weg banende 
voor het gros der troepen, tot op het oogenblik, dat eene wonde aan 
den voet, welke hij ontving bij het doorwaden eener rivier wier bed- 
ding met vergiftigde palen was bezet, hem dwong naar Europa terug 
te keeren. 

Later zullen wij hem terugvinden in den veldtocht van Manyema, 
waar hij den bevelhebber Dhanis ter zijde stond en een roemrijken 
dood vond. (bl. 32). 



20 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 




4 ^ TWEEDE HOOFDSTUK. 

Veldtocht van den bevelhebber Dhanis in 

Manyema. 

§ I. — De eerste gevechten. 

?|RANCIS DHANIS zag het levenslicht te Londen, 
den ii^"^ Maart 1862. Zijne ouders, die uit Antwerpen 
11 afkomstig waren, brachten hem naar Belgie terug. Hij 
was onderluitenant bij het regiment grenadiers, toen hij 
voor de eerste maal, den lo^" October 1884, uit Belgie 
naar Congo vertrok. 

Bij zijne aankomst aldaar vergezelde hij den vijfden ontdekkings- 
tocht door het Internationaal Genootschap van Afrika ingericht, welke 
onder bevel van kapitein Becker, op dit tijdstip, van de Oostkust ver- 
trok. Maar nauwelijks was men te Zanzibar aangekomen, of men riep 
de karavaan terug en dankte de mannen af. Dhanis besloot zijne loop- 
baan in Afrika daarom niet te verlaten en trad als beambte in de bu- 
reelen van het middenbestuur van den Onafhankehjken Staat. 

Den 23^^ Maart 1886, scheepte hij zich voor Congo in, en werd aan- 
vankelijk naar het grondgebied van Bangola gezonden, Spoedig echter 
kwam uit Brussel het bevel een verschanst kamp te Basoko aan te 
leggen, en dit was oorzaak, dat Dhanis bij het verkenningskorps inge- 
h'jfd werd. Den 25^'^ October 1888, verliet hij Bangala aan het hoofd 
der voorhoede, en had spoedig gedaan met de grondvesten van het 
kamp te leggen. 

Bij het eindigen van zijnen diensttijJ, kwam hij naar Brussel terug, 
alwaar het middenbestuur hem de zending opdroeg het grondgebied 
van Oostelijk Kwango te bezetten, en het gezag van den Staat in deze 
streek te doen erkennen. Dhanis richt te Popocabaca eenen krijgs- 
post op, gaat op verkenning van de gewesten gelegen in het oostelijk 
stroomgebied van de rivier en neemt er beztt van in naam van koning 
Leopold. Maar nauwelijks had hij dit alles met den besten uitslag 
uitgevoerd toen Paul le Marinel, stichter en bevelhebber van het ver- 
sterkte kamp der Sankuru, naar Europa teruggeroepen werd. Dhanis 
werd aangewezen om hem te vervangen en vertrok aanstonds van 
Popocabaca naar Lusambo. 

Dit greep plaats in de maand Maart 1892. 



EERSTE DEEL. — KAPITEIN DHANIS. 21 

De onderwerping van Tippo-Tip aan den Congostaat, in 1886, had 
voor gevolg gehad, dat het meerendeel der Araabsche opperhoofden 
zich van alle vijandelijkheden onthouden hadden ; alleen hadden zij 
de streek stroomopwaarts de Falls, door een grootere troepenmacht 
bezet. Eenigen nochtans, die zich onafhankelijker wilden toonen dan 
de bevelhebber van den Araabschen post der Falls, ondernamen nieuwe 
strooptochten in de gewesten gelegen aan de oevers der Lomanni en 
Opper-Aruwimi, en verspreidden dood en verwoesting tot aan de 
Quelle. Men had zelfs eene bende menschenjagers aan de bronnender 
Lopori en der Mongalla waargenomen. 

Trouweloosheid der Araben. Moord van Lippens en 

Hodister. — De bezetting der streek door de Araben breidde zich 
dus gestadig uit en de invloed, vvelken de Muzelmansche bevelheb- 
bers der Falls en van Nyangvve op de inlandsche opperhoofden der 
Lualaba en der Opper-Lomami uitoefenden, werd zoo groot, dat de 
laatsten zich weldra leenmannen en bondgenooten der eersten erken- 
den. De Onafhankelijke Staat had nochtans geen enkele vijandeiijke 
daad van hunnentwege te vvreken gehad, en telde overigens in deze 
gewesten geen anderen gezagvoerder dan den bevelhebber van Kas- 
songo, luitenant Lippens en zijnen ambtgenoot, den onder-officier 
Debruyn. Verder op, ten Oosten, aan gene zijde van IVlanyema, kwam 
op dit tijdstip de krijgstocht van kapitein Jacques te Rumbi aan, op 
de oevers van het Tanganika-meer. 

Deze in schijn vredelievende, maar in waarheid zeer gespannen 
toestand, kon niet lang duren. En inderdaad, de eerste botsing tusschen 
de strijdkrachten der twee mededingers die elkander Opper-Congo en 
Manyema betwistten, greep plaats aan de Quelle, den 27^" Qctober 
1891, toen kapitein Ponthier eene bende Araben aan den samenloop 
der Bomokandi en Quelle tegenkwam en versloeg. 

De tweede geschiedde te Mtowa, den g^^ April van hetzelfde jaar 
tusschen de Araben van Rumaliza en de staatstroepen, die te Albert- 
ville, aan de oevers van het Tanganika meer, werden ingesloten. 

De derde was het gevolg van den opstand van het machtig Congo- 
leesch opperhoofd Gongo-Lutete, die zich leenman en bondgenoot 
van Sefu, zoon van Tippo-Tip en sultan van Kassongo, had verklaard. 
Dhanis trok tegen hem op en versloeg hem in twee gevechten, den 
6enen 9en Mei 1892. 

Voortaan mocht men gewichtige gebeurtenissen verwachten ; en 
inderdaad, achtereenvolgens ontving men het treurig nieuws der bloe- 



SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

dige voorvallen van Riba-Riba, van Kibonge en der Lomami : Ho- 
dister en zijne gezellen vallen den 15^° Mei onder de kogels der 
Araben van Nserera ; den 20^" October, wordt Emin vermoord, door 
ophitsing van Munie-Moharra ; eindelijk worden luitenant Lippens, 
gezagvoerder van den Staat te Kassongo.en zijn ambtgenoot,Debruyn 
door Sefu aangehouden en ter dood gebracht (i). 

Ja, het scheelde maar weinig of de leden van den ontdekkingstocht, 
door Alexander Delcommune aangevoerd, werden insgelijks gevangen 
genomen en vermoord. Indien zij, aan den samenloop der Lukuga 
en Congo gekomen, hunne richting naar 't Noorden niet hadden ge- 
wijzigd, om oostwaarts te trekken, is het btjna zeker, dat de opstand 
der Araben, in de maand November 1892, vier andere slachtoffers 
gemaakt zou hebben. 

Van dan af is de oorlog opentlijk verklaard. t' Is waar, aan de Falls, 
geeft Rachid nog blijken van eerbied en onderwerping aan den gezag- 
voerder van den Staat, maar zulks is maar schijn en veinzerij ; overal 
elders, van Kibonge af tot aan Nyangwe en Kassongo, aan de Loma- 
ni en de Lualaba, hebben de Araben de vaan des opstands geheven. 

Inrichting der verdediging. — Gelukkig is er in den toestand 
van den Staat, sedert een zestal jaren, dat wil zeggen, sedert de inne- 
ming van het verschanst kamp aan de Falls (Oogstmaand 1886) 
merkelijke verbetering gekomen. Wat men in dien tusschentijd al 
verricht heeft is ongelooflijk. Het zijn nu geene twee of drie kleine 
afgezonderde krijgsposten meer, verdedigd door eenige officieren zon- 
der troepen, waarmede de Araben voortaan af te rekenen zullen hebben. 

De twee kampen van Basoko en Lusanibo zijn wel bewapend en 
voorzien van mond-en krijgsvoorraad ; Chaltin voert het bevel over 
het eerste, Dhanis over het tweede : in de Falls, staat de bevelhebber 
Tobback aan het hoofd van eene afdeeling soldaten sterk genoeg om 
den eersten aanval van den vijand af te slaan. 

De Staat heeft talrijke, wel gewapende en goed geoefende soldaten 
in zijnen dienst ; ten slotte, varen op den Congostroom gedurig tus- 
schen de twee versterkte kampen, en van de Falls af tot aan Stanley- 
Pool, een gansche vloot stoombooten, toebehoorende aan den Staat 
of aan de Belgische maatschappij van Opper-Congo, en gereed om 
desnoods krijgsvoorraad en versterking in manschappen naar de be- 
dreigde punten te brengen. 

Te Brussel en te Boma zijn de schikkingen voor een beslisseiiden 

\. Zie, bladz. 66 en volg., eenige bijzonderheden aangaande deze nioorderijen. 



EERSTE DEEL. — KAPITEIN DHANIS. 23 

strijd genomen. Sedert den 9^"^ Augustus had M. Wahis, algemeen 
bevelhebber van den Vrijstaat, aan den Heer opziener Five de zen- 
ding toevertrouwd zich met den dienst der krijgsverrichtingen achter 
de slaglinie onledig te houden : het was immers van het grootste be- 
lang, de twee bijzonderste punten der verdediging, Basoko en Lusam- 
bo, door een Snellen en zekeren inlichtingsdienst te verbinden, ten 
einde in staat te zijn de krijgsbewegingen onderling te regelen en des- 
noods spoedig hulp te brengen. 

§ II. — Veldtocht tegen Sefu en Moharra, sultans van Nyangwe 

en Kassongo. 

Het is in het Zuiden dat men het eerst, ten gevolge van den aan- 
tocht van Sefu, sultan van Kassongo tot een trefifen kwam ; deze had 
vernomen dat zijn bondgenoot, Gongo-Lutete, na zijne twee neder- 
lagen, zich aan Dhanis onderworpen had, en wilde nu zijnen afval 
wreken. De bevelhebber van den Staat had overigens nog twee 
machtige opperhoofden der streek, Panio Matumbo en Liiputigu, tot 
zijne partij weten over te halen. Hij was juist in onderhandeling met 
dezen laatste, toen men hem het nieuws aanbracht, dat Sefu, aan het 
hoofd van een aanzienlijke strijdmacht, in aantocht was. Aanstonds 
rangschikt hij al zijne beschikbare troepen, en trekt met luitenant 
Michaux den zoon van Tippo-Tip te gemoet. De Araben werden in 
twee opvolgende gevechten, den 22^" en 23*'^ November, duchtig 
geslagen en gedwongen de rivier over te steken. 

Dhanis zette hen na, en de gevechten volgden zich nu onverpoosd 
op. De luitenants ^(2 Wouters, SckerliHck^n Cassart — de laatste met 
Delcommune van zijnen ontdekkingstocht uit Katanga teruggekeerd 
— sluiten zich bij het expeditiekorps aan.Te Goi-Capoca komt het,den 
30^^ December, nogmaals tot een treffen, en Sefu delft wederom het 
onderspit ; 't was in dat laatste gevecht dat Munie-Moharra, Sefu 's 
bondgenoot, den dood vond. De weg der Lualaba stond nu open. 
Den 21^" Januari i893slaat Dhanis zijn kamp op aan den linker-oever 
van den stroom, in het gezicht van Nyangwe waar al de benden der 
Araben, aangevoerd door Sefu Pembe, zoon van Moharra, en Nserera, 
opperhoofd van Riba-Riba, zich vereenigen. 

Den 25^" Februari beproeven de slavenhandelaars een laatste 
maal om met vereenigde krachten den zegevierenden tocht derstaats- 
troepen tegen te houden en hen te beletten de rivier over te trekken. 
Alles bleek vruchteloos, Nogmaals ondergaan zij een zoo geduchte 



24 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

nederlaag dat Dhanis besloot den Congo over te varen en Nyangvve 
aan te vallen. 



Nyangwe is een groote Stad die zich op den rechter-oever 
van den Lualaba uitstrekt, zoo dat Dhanis gedwongen was den stroom 
over te trekken om ze aan te vallen. 

Daar nu de Lualaba een duizendtal meters breedte heeft en de 
Araben de voorzorghadden genomen alle vaartuigen te bemachtigen, 
ten einde de overvaart der staatstroepen te beletten, zal men gemak- 
kelijk beseffen, dat zij hunne stad onneembaar waanden. 

De slavenhandelaars hadden overigens, ten gevolge van hunne 
gestadige betrekkingen met de Europeanen, grooten voortgang 
gedaan in de kunst der verdediging ; zoo hadden zij talrijke loopgraven 
geopend aan den voet der stadsmuren, op den rechter-oever der 
Lualaba, terwijl zij den linker-oever met tal van scherpschutters 
bezet hadden. 

Alzoo verschanst waren de Araben zoo zeker van hun stuk dat zij 
meer dan eens stoutmoedig genoeg waren om stroomopwaarts van 
Nyangwe, de rivier over te steken, ja zelfs een aanvallende bonding 
aan te nemen. 

Eindelijk waagden zij, op zekeren dag, een algemeenen aanval 
tegen de Europeesche belegeraars. Dhanis rangschikt spoedig zijne 
soldaten in twee afdeelingen, en plaatst aan de achterhoede een aan- 
zienlijk ondersteunings-korps gereed om de staatstroepen bij te sprin- 
gen in geval de Araben de bovenhand zouden krijgen. 

Het gevecht duurde verscheidene uren. Eindelijk werden de slaven- 
handelaars tot den aftocht gedwongen, en trokken in de grootste 
wanorde den stroom over, meer dan honderd vijftig der hunnen 
achterlatende op het slagveld. 

Voortaan durfden zij Nyangwe niet meer verlaten om aanvallend 
op te treden, en werden zoo goed als belegerd in hunne eigene ver- 
schansingen. 

De beschieting. — Hun reeds geschokte overmoed vorliet hen 
geheel en al toen Dhanis Nyangwe begon te beschieten. 

De bevelhebber had luitenant de Wouters d'Oplinter gelast met 
den dienst van het grof geschut. Men kan zich moeilijk, naar het 
schijnt, eene gedachte vormen van de ontroering der Araben en der 
jnboorlingen uit de naburige dorpen, bij het gezicht der boogvormige 



EERSTE DEEL. — KAPITEIN DHANIS. 



25 



lijneo, welke de houwitsergranaten door de lucht beschreven en bij hun 
donderend ontploffen op den grond. 

De slavenhandelaars stelden eerst alles in het werk om de inboor- 
Ungen gerust te stellen en wisten hun te zeggen, dat de houvvitser- 
bommen veel gerucht maakten, maar toch niet veel kwaad konden 
verrichten; welhaast nochtans vond de vrees ook I'ngang tot hun hart 
en hidden zij op met pochen, want waren zij bekend met het geweer- 
vuur, nimmer voorheen hadden zij de uitwerksels van het heden- 
daagsch grof geschut kunnen vvaarnemen. 

In het kamp van Dhanis wist men door eenige inboorh'ngen, dat 
de Araben den moed begonnen te laten zinken. 

« Houdt op, zeiden deze ongelukkigen tot de blanken, met ons te 
beschieten ; gij zult alles vernielen, alles verbranden in de stad. En 
wat nut zal het u aanbrengen ? daar het zeker en vast staat, dat de 
overwinning u blijven zal. » 

De inboorlingen, zelfs degene die het best gezind waren jegens de 
Araben, kwamen voorstellen van vrede en onderwerping doen; 't geen 
wel getuigt dat zij Nyangwe als verloren beschouwden. 

Dhanis nam de gelegenheid waar om aan de inwoners der stad 
zijne voorwaarden te doen kennen en hen over te halen een honderd- 
tal prauwen te leveren om den Lualaba over te varen. 

Deze onderhandelingen hadden plaats gedurende den nacht : eenige 
inboorlingen zwommen bedektelijk den stroom over en vonden op 
den tegenovergestelden oever de afgevaardigden van den bevelhebber, 
die op hen wachtten. 

Eindelijk werd het tijdstip vastgesteld : men kvvam overeen dat de 
inwoners der stad de gevraagde vaartuigen, voor den dageraad van 3^° 
tot 4^° Maart, aan de staatstroepen zouden leveren. 

Laat ons hier terloops aanmerken, dat er meer dan zes weken 
verstreken waren sedert men het beleg van Nyangwe begonnen had. 

De Inneming van Nyangwe. — Op den gestelden dag hiel- 

den de inboorlingen woord, en terwijl de Araben in slaap gedompeld 
lagen, staken zij den Lualaba over en leverden aan de troepen van 
Dhanis meer dan honderd prauwen. 

De mannen van den bevelhebber bestegen aanstonds de vaartuigen, 
trokken in de grootste stilte den Lualaba over, en bevonden zich 
weldra voor de muren van Nyangwe. 

De eerste morgenschemering begon zich aan de oostkimme te 
vertoon^n, 



2 6 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

OnmiddelHjk werpen de troepen van den Staat zich op de ver- 
dedigingswerken van den vijand en laten hem den tijd niet om zich 
rekenschap te geven van hetgeen gebeurt. 

Door het oorverdoovend knallen van het geweervuur vvakker 
geschud, waren de Araben zoodanig door schrik bevangen, dat zij 
hunne wapens wegwierpen en, onder het slaken van luide angstkreten 
en in een ongelooflijke wanorde, de stad uitliepen, zonder zelfs aan 
verdediging te denken, 

De zegepraal was volkomen. Het was nog geen middag toen Dhanis 
reeds zijn hoofdkwartier in de woning zelf van het Araabsch opper- 
hoofd Munie-Moharra gevestigd had. 

Ziehier de namen der Belgische officieren die Dhanis in het uit- 
voeren dezer heerlijke reeks van wapenfeiten ter zijde stonden : 

De luitenant der schutterij ridder de Wouters dOplinter, van wie 
wij reeds hooger gewag maakten ; de kiitenant der ruiterij Michaux ; 
de luitenant van het voetvolk Scherlinck ; de luitenant van het voet- 
volk Duchene ; de onderluitenant Cassart, die van den ontdekkings- 
tocht Bia-Franqui deel had gemaakt ; de onderofficieren Cerckel en 
Pregaldino ; voegen wij hier eindelijk nog den naam bij van den 
Engelschen geneesheer Hinde, die den veldtocht sedert het begin 
medemaakte. 

De inlandsche soldaten gaven alien de grootste blijken van regel- 
tucht en dapperheid, 

Inneming van KaSSOngO. — Middelerwijl was de bevel- 
hebber van den krijgstocht te weten gekomen dat de overblijfsels der 
verslagene Araben zich te Kassongo, op twee dagreizen van Nyangwe, 
verzameld hadden. 

Inderdaad, den loe'^ April .1893, ontving Dhanis, van Bwana-Zige 
en Pioma-Lenga, twee invloedhebbende Araben van Kassongo, voor- 
stellen van onderwerping met belofte zich af te scheiden van Sefu, die 
van zin was den oorlog voort te zetten. 

Dit was enkel een list dien zij uitgevonden hadden om den bevel- 
hebber te verschalken. Dhanis liet zich nochtans niet beet nemen, en 
besloot, den ly^^ April, Kassongo aan te vallen. Hij gebood aan eene 
afdeeling, onder bevel van kapitein Gillain, de Kunda te bewaken en 
den vijand te belelten de rivier over te trekken. 

Gongo-Lutete, de opperhoofden Sanbua en Dengu, bondgenooten 
der Europeanen, aan het hoofd hunner manschappen, trokken eerst 
de rivier over. Den 18^", volgden, op hunne beurt, Dhanis, Scherlinck, 



f 



EERSTE DEEL. — KAPITEIN DHANIS. 27 

de geneesheer Hinde en de onderluitenant Cerckel, met een kanon, 
6 blanke onderofficieren, 300 geregelde soldaten en eenige hulptroepen. 
Mijnheer de Wouters met sergeant Collet en een honderdtal mannen 
bleven achter ter bewaking van Nyangwe. 

Den I2=" April, om half tien 's morgens, komen de twee afdee- 
Hngen Dhanis en Gillain met hunne hulptroepen voor Kassongo aan. 
Kwart na tien uur begint de aanval, 

Kassongo was in goeden staat van verdediging. Binnen de stad 
vvaren de huizen met schietgaten voorzien, en eene reeks van vooruit- 
geschoven verschansingen en loopgraven verdedigden de toegangen 
der plaats. 

De troepen van den Staat, in verschillende kolommen verdeeld, 
bestormen onmiddellijk de stad. Na een hevig geweervuur laten de 
Araben den moed zinken en worden in de grootste wanorde op de 
vlucht gedreven : een groot getal slavenhandelaars vinden den dood 
bij het overzwemmen der Alusokoi-rivier of worden achterhaald door 
de bondgenooten, die een vreeselijke slachting onder hen aanrichten. 

De stad en hare overgroote rijkdoinmen valt dus in de handen der 
overwinnaars, die de dagen van den 22^'^ en 23^'^ besteden aan het 
nazetten der vluchtelingen. De buit is overgroot ; noemen wij terloops : 
3 ton elpenbeen, 35 ossen, 15 ezels, geheele stapels allerhande koop- 
waren, juweelen, 1000 kilog. buskruid, 20 repetitie-geweren, het 
dagboek van Emin-Pacha, talrijke gevangenen, uitgestrekte beplan- 
tingen van rijst, koffie, sorgho, citroen- en oranjeappelboomen. 

Dhanis stelde zich onmiddellijk aan het werk om alles op het ver- 
overde grondgebied te regelen. 

De stad Nyangwe werd uit hare puinen weder opgebouwd en van 
versterkingen voorzien ; de verdedigingswerken van Kassongo werden 
verbeterd en uitgebreid, en alle maatregelen werden genomen om 
zich met Ponthier ten Noorden, en Jacques ten Oosten, in verbinding 
te stellen. 

Uitslag. — Zoo had Dhanis, in minder dan tien maanden, tien 
roemvolle gevechten geleverd ; Munie-Moharra, sultan van Kassongo, 
lag onder de dooden ; Sefu was vijf of zesmaal op de vlucht gesla- 
gen geworden, en meer dan vijf en twintig inlandsche opper- 
hoofden hadden zich aan het gezag van den Staat onderworpen. 

Nu bezette de bevelhebber Nyangwe en Kassongo, de sleutels van 
Manyema, en beschikte over een klein leger van 300 geregelde soldaten 
en =000 bondgenooten, onder het bevel van 10 Europeesche ofificiereD, 



28 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Overigens had men hem uit Lusambo en de Falls versterkingen be- 
loofd, ten einde hem in staat te stellen zijn zegevierenden tocht 
voort te zetten. 

Opstand van Rachid, sultan der Falls. — Terwijl Dhanis 

volop bezig was zijn kamp te Kassongo op duurzame wijze in te 
richten en doorde nederlaag van Sefu en Nserera gelegenheid had om 
de benden zijner inlandsche bondgenooten, die elken dag in getal 
toenamen, in den wapenhandel te oefenen, brak in de Falls de opstand 
van Rachid uit (13^" Mei 1893). Gedurende vijf dagen weerstond 
kapitein Tobback, bijgestaan door zijnen ambtgenoot, den onderluite- 
nant Van Lindt, al de aanvallen van den vali ; hij had nochtans zijne 
schikkingen reeds genomen om, voor het immer aangroeiende getal 
der vijanden af te trekken toen, den 18^", de aankomst van luitenant 
Chaltin, bevelhebber van Basoko, vergezeld van luitenant de Bock en 
den heer J/^//z/«, consul der Vereenigde-Staten, verandering bracht in 
den staat der zaken. 

Men geraakte welhaast slaags, en na een gevecht van verscheidene 
uren was de zegepraal der troepen van den Staat volkomen : 1500 
slavenhandelaars vielen in de handen der overwinnaars, en het gelukte 
alleen aan hun opperhoofd, gevolgd van eenige trouwe aanhangers, 
naar Kibonge te ontsnappen. 

Eenige dagen na deze gelukkige gebeurtenis verscheen kapitein 
Ponthier onverwachts aan de Falls : het opperbestuur van Congo 
had hem naar dezen post gezonden om het gezag van den Staat te 
helpen handhaven ; van daar moest hij zich bij Dhanis voegen, en 
met hem in Manyema aanvallend optreden. 

Ponthier, vergezeld van de luitenants Lothaire en Hanquet, verlaat 
de Falls den 28^" Juni om den vijand na te zetten, dien hij spoedig 
inhaalt, en in zeven verschillende ontmoetingen verslaat, te weten : 
Kevve, Bamanga, Kirundu, Kima-Kima, Soke-Soke, Sua-Nionga, en 
Utia-Motungu. 

Acht duizend krijgsgevangenen, onder welke vijf en twintig opper- 
hoofden, vallen in de macht der troepen van den Staat. 't Is vvaar, 
het gelukte Rachid nogmaals te ontsnappen, maar weinigen tijd 
daarna zou hij toch gedwongen worden zich aan den Staat te onder- 
werpen en zich als krijgsgevangene over te geven. 

De streek der Falls, die der Lomami en van Nyangwe waren nu 
van het Araabsch gespuis gezuiverd, en Ponthier, in overeenstemming 
met de ontvangene bevelen, haastte zich den Congo opwaarts tegaan, 



EERSTE DEEL. — KAPITEIN DHANIS. 29 

Welhaast kwam hij te Nyangwe zonder ongeval aan, en den 25"' ont- 
moette hij Dhanis te Kassongo. 

§ III. — Veldtocht tegen Rumaliza, sultan van Ujiji. 

Rumaliza. — Terwijl Dhanis de gevraagde versterkingen af- 
wachtte omManyemabinnente rukken,had hij.gehjk wij hooger zagen, 
zich onledig gehouden met zijne stelHngen te verzekeren en de hulp- 
troepen aan regeltucht en wapenhandel te gewennen, 

Tegen het einde van Augustus, kreeg hij bericht dat Rumah'za in 
aantocht was, en welhaast zou aankomen. Nu mocht de bevelhebber 
zich geluk wenschen niet lichtzinnig zijnen tocht oostwaarts voortge- 
zet te hebben. 

Het optreden van den sultan van Ujiji was, inderdaad, een hoogst 
gewichtigegebeurtenis. Vertrokken van deoevers van het Tanganika- 
meer, aan het hoofd van 3000 wel gewapende soldaten, had Rumaliza 
hun getal nog zien aangroeien door de verstrooide en verslagene ben- 
den van Sefu, Nserera en Pembe, en daar hij eene streek doortrok, 
die sedert dertig jaren als onbetwist eigendom aan zijne geloofsge- 
nooten toebehoorde, mocht hij in waarheid een geducht tegenstander 
genoemd worden. 

En dit bewees hij, inderdaad, wel te zijn, want niet minder dan drie 
maanden zouden er verloopen, van den 1$^" October 1893 tot den 
14^" Januari 1894, eer het kleine leger van Dhanis, versterkt door de 
afgezonden hulptroepen, na drie reeksen van verschillende bloedige 
gevechten,de eindzege over hetmachtig Araabsch opperhoofd behalen 
zou. 

De eerste reeks dier gevechten werd geleverd op de boorden der 
Lomami, den 15"", 16"", if, 18'" en I9"^' October. Dhanis en Ponthier, 
met de onderbevelhebbers kapitein Doornie, de luitenants Hambursin 
en Lange (uit Lusambo aangekomen), aan het hoofd van 300 geregelde 
soldaten, 6oo bondgenooten en een kanon.waren Rumaliza te gemoet 
getrokken. Zij vonden hem goed verschanst aan den oever der rivier, 
op eenige mijlen afstands van Kassongo. 

Vruchteloos verrichten de troepen van den Staat wonderen van dap- 
perheid om de boma 's der Araben te bemachtjgen : vruchteloos geeft 
Ponthier, als altijd, de grootste blijken van heldenmoed, en waagt 
honderdmaal zijn leven om,zoo mogelijk,de overwinning af te dwingen : 
de zege bleef onbeslist. 

De uitslag van het bloedig gevecht te Ogella, 17" November, 



30 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

alwaar de jonge en dappere luitenant De Heusch, bij het bestormen 
van het vijandelijk paalwerk, den dood vond, was dezelfde ; maar Sefu 
die, nu achttien maanden geleden, de vijandelijkheden tegen den Vrij- 
staat opende, werd onder de dooden geteld. 

Dhanis had een oogenblik de hoop gekoesterd dat Rumaliza, die, na 
deze opvolgende onmoetingen, zich achter de Lulundi-rivier had terug- 
getrokken, den kamp opgeven zou. Hij had zich bedrogen : de Araab 
trad weer aanvallend op en stak op nieuw de rivier over. 

Gelukkig daagden nu, als door eene beschikking des hemels, van 
alle kanten de gevraagde hulpbenden op. 

Ter hulp van Dhanis. — Het volgende verhaal, dat wij aan 
eenen officier der Falls ontleenen, geeft ons belangrijke bijzonder- 
heden nopens den veldtocht ondernomen tegen Rumaliza {^). 

« Den 3i^°October i893,verlieten onze prauwen de Falls, en kwamen 
den 7^" November te Kibonge aan. Xauwelijks hadden wij daar drie 
dagen vertoefd toen een renbode van bevelhebber Dhanis ons op de 
hoogte der gebeurtenissen van Kassongo bracht, en ons tevens hulp 
in manschappen, geschut en krijgsvoorraad vroeg. Dit nieuws werd ons 
medegedeeld op het oogenblik, dat wij ons bereidden om het ontbijt 
te gebruiken. Gij kunt wel denken, dat het ons den eetlust benam. 

€ Onmiddellijk werd er besloten, dat een mijner makkers en ik met 
164 soldaten, 2 kruppkanonnen op liggers en een grooten voorraad 
krijgsbehoeften vertrekken zouden. Men begon zonder dralen de noo- 
dige toebereidselen te maken, en den volgenden dag, 12*" Novem- 
ber, voerde een kleine vloot van elf prauwen onze afdeeling naar de 
bedreigde plaats. 

«Dereiswas lang, en menigvuldige voorvallen vertraagden onze 
vaart. Onder andere werden wij door hevige windbuien overvallen, 
maar wij hidden aan met roeien en, uit vrees van tijd te verliezen, 
vaarden wij voort tegen wind en tij in, zoowel bij dag als bij nacht. 
Onderweg konden wij ons niet dan met de grootste moeite de noo- 
dige roeiers aanschaffen, want de inwoners der omliggende dorpen 
vreesden een aanvallenden terugkeer der Araben en vroegen zich 
angstig af wat van hen geworden zou indien de aangevangen strijd op 
eene nederlaag voor ons moest uitloopen. Na zestien dagen van een 
verwenschte vaart, kwamen wij, den 29"" November, omtrent drie ure 
's morgens, in het gezicht der haven van Gambwe. 

I. Brief van eenen officier uit Afrika (bevelhebber Chaltin) uitgegeven door 
VEioile Beige. 



EERSTE DEEL. — KAPITEIN DHANIS. 31 



« Kassongo ligt op drie groote mijlen afstands der haven van 
Gambw^. Om dezen weg af te leggen heeft men geen ander voertuig 
dan zijne twee beenen.en daar wij, door het waken en de vermoeienis 
uitermate uitgeput waren, leverde dit eenig bezwaar op. Gelukkig 
hadden wij de voorzorg genomen, door eenen bode, Dhanis van onze 
komst te verwittigen, en deze had met het krieken van den dag 
eenen ezel afgezonden op wiens rug wij het grootste deel der reis 
aflegden. 

« Het zou moeih'jk vallen u de vreugde te verbeelden van bevel- 
hebber Dhanis toen hij ons te zien kreeg : met het glas champagne 
in de hand werden wij kameraden. Champagne is hier zeer zeldzaam, 
en het was, geloof ik, de laatste flesch uit den wijnkelder van den 
bevelhebber. 

« De aangebrachte hulp scheen Dhanis niet toereikend om zijne 
aanvallende beweging te hernemen, en hij besloot de aankomst van 
nieuwe hulptroepen af te wachten. Deze kwamen echter maar zeer 
langzaam aan, wat zeer gemakkeh"jk te verstaan is, als men den groo- 
ten afstand tusschen Kassongo en Bangala, Basoko, Lusambo en 
Lualabourg, van waar zij verwacht werden, in acht neemt. 

In aantocht tegen Rumaliza. — De blanken die onder het 
opperbevel van Dhanis, in het begin van December, zich voor Kas- 
songo bevonden, waren de volgende : Giliain, Rom, Aiigustin, dokter 
Van Hinde, de onder-luitenant Van Lindt, de onder-officier Collet, de 
Wouters,Hambiirsin,Doorme, en de onder-luitenant Middagh. 

« Kapitein Colignon, luitenant Francken en de onder-officier Des- 
trail, met patronen voor getrokken geweren uit Lusambo vertrokken, 
sloten zich weldra bij ons aan. 

«Den 24'" en 25'^" December werd iedere afdeeling der blanken zoo 
dicht en zoo gunstig mogeh'jk in de nabijheid der verschansingen of 
boma's van Rumah'za gelegerd. 

« De kapiteins Giliain, Rom, Colignon, Augustin en Van Lindt, aan 
het hoofd van 120 soldaten van den Staat en 154 mannen van Gongo- 
Lutete werden naar het Noord-Westen gezonden ; wat de inboor- 
hngen van Manyema betreft, waar wij ons thans ophielden, dezen 
hadden de partij van Rumaliza gekozen. Na eenen tocht van vier dagen 
kwamen wij eindelijk te Bena-Gouia aan, waar de inwoners, alvorens 
te vluchten, al de hutten in brand gestoken hadden. 

« De kapiteins de Wouters, Hambursin, Doorme, Collet en Destrail 
waren met een Kruppkanon naar het Zuid-Oosten getrokken om 



32 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

post te vatten tegenover een kleine boma, die niet ver van de groote 
boma van Rumaliza gelegen was. 

« De Luitenant Lange, in vereeniging met den heer Van Riet, een 
honderdtal soldaten en een kanon, werden aan de andere zijde van de 
Lulundi-rivier geplaatst. 

« De drie boma's van Rumaliza bevonden zich midden in het woud, 
op kleine opene plaatsen, en waren zeer moeilijk te bereiken. 

« Rumaliza, gelijk men weet, is een blanke Araab, en wordt zeer 
gevreesd in de streek. Hij is het, die kapitein Jacques in Albertville, 
aan het Tanganika-meer, opgesloten hield,en aldus verhinderde zijne 
plannen uit te voeren. Gedurende twee jaren waren de Duitschers der 
Oostkust met hem in oorlog,en alleen het gemis aan mondvoorraad en 
een besmettelijke ziekte, die onder zijne troepen uitbrak, konden 
den menschenjager tot den aftocht dwingen. Toen de Araab vernam, 
dat Kassongo in de macht der Europeanen gevallen was, besloot 
hij met hen den strijd aan te gaan. Aan de overzijde der Lulundi 
kwam het tusschen zijne woeste benden en onze soldaten tot een 
treffen : tweemaal bestormde hij ons kamp, en tweemaal ook werd hij 
met gevoelige verliezen afgeslagen. Ongelukkig hadden wij daar den 
dood van den dapperen bevelhebber Ponthier te betreuren. » 

Dood van den bevelhebber Ponthier. — Deze moedige 

officier was voor de derde maal naar Afrika gekomen. Nauwelijks 
was hij hersteld van de wonden, die hij bij de Bomokandi-rivier had 
opgedaan, of men vertrouwde hem, in Maart 1893, de moeielijke taak 
toe het gezag van den Staat op het grondgebied der Stanley-Falls 
(bl. 15) te herstellen. 

Eerst trok hij naar Kibonge, waar de Araben, na door Tobback 
en Chaltin aan de Falls te zijn afgeslagen, zich hadden vereenigd. Hij 
nam Kibonge in en vervolgde tot in hunne afgelegene schuilhoeken, 
op de oevers der Lowa, het geduchte leger samengeraapt uit de over- 
schotten der verslagene en verstrooide benden van Sefu, Munie-Mo- 
harra en Kibonge. De overwinning welke hij daar over de slavenhan- 
delaars behaalde, vernietigde voor irnmer hunne macht in de streek 
der Neder-Lualaba. 

Ponthier zette nu zijn zegepralenden tocht voort, en legde in 
acht dagen, wat iedereen ongelooflijk zal toeschijnen, als men het 
klimaat in aanmerking neemt, den verbazend langen weg af van 
54 mijlen. 

Het was aan dezen versnelden marsch te danken dat 28 opper* J 



n: h I <i \; I 



L ^ ' si 

V a 3,0 O 5- 







Soldaten en missionarissen in Congo. 



EERSTE DEEL. — KAPITEIN DHANIS. 



hoofden in zijne handen vielen, alsmede ii,ooo geweren en 8,000 ge- 
vangenen. 

Zijn dood was het gevolg van een beklagenswaardig toeval. De 
flinke soldaat werd niet gedood, gelijk men eerst dacht, door een 
Araabschen kogel, maar wel door een onbehendig schot onzer eigene 
soldaten. 

Toen Rumaliza het kamp van Kassongo bestormde, trok Ponthier, 
naar het schijnt, aan het hoofd zijner troepen, eenige meters vooruit, 
den vijand te gemoet. Toen werd hij ongelukkig door het schot van 
eenen onzer eigene soldaten getrofifen. Vandaar het gerucht als zouden 
de soldaten van Ponthier tusschen twee vuren gestaan hebben, dat 
van Rumaliza, en dat van de achterhoede zijner eigene in opstand 
gekomene troepen. De waarheid is alzoo hersteld. 

Het was dus nog eens bewezen, dat de Araben in het vlakke veld 
niet in staat zijn den strijd tegen de blanken vol te houden, en dat 
alhoewel velen onder hen zich bedienen van nieuwerwetsche geweren, 
welke zij van de Duitschers en Engelschen aan de Oostkust koopen, 
de getrokken vvapens ons spoedig de overwinning verzekeren. Om 
eene boma in te nemen is het grof geschut een onmisbaar vereischte. 
't Is daarom dat Dhanis, zijne soldaten niet nutteloos aan gevaar 
willende blootstellen, besloot te wachten tot de gevraagde kanonnen 
en hulptroepen zouden zijn aangekomen. 

Ziedaar de toestand op het oogenblik dat de versterkingen op- 
daagden. 

Een moorddadige verkenningstocht. — « Den 28^" De- 
cember, waagde men den eersten aanval op de boma, waar Rumaliza 
en eenige andere opperhoofden zich verschanst hadden. De bevel- 
hebber Gillain met de luitenants Rom en Augustin verlieten het 
kamp van Bena-Gouia rond 8 uren 's morgens, ten einde de juiste 
ligging der boma op te nemen. Na eenen tocht van anderhalf uur 
door het dichte en moerassige woud waren zij in de nabijheid der ver- 
schansing gekomen, toen plotseling een inboorling, verscholen in de 
kruin van eenen palmboom, op eenen horen blies om het noodsein te 
geven. Onze soldaten drongen niettemin vooruit : na tien minuten 
kwamen zij op een opene plek en zagen, op eenen afstand van 150 
tot 200 meters, een paalwerk waarboven zich eene reeks stokken ver- 
hieven. Het was de geduchte, vijandelijke boma : aan een der stokken 
wapperde de roode en witte Araabsche vlag. Achter het paalwerk 
bleef alles doodstil. 



36 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 



« Onze verspreide scherpschutters vuren herhaalde malen op de 
boma : de Araben blijven het antwoord niet schuldig en zenden een 
reo-en van kogels. Het gevecht duurde een twintigtal minuten toen 
kapitein Gillain den aftocht gebood. Deze schermutseling kostteonze 
afdeeling, honderd en tien man sterk, drie dooden en veertien gekwet- 
sten, een bewijs, dat de oorlog met de Araben eene niet zoo onbe- 
duidende zaak is als sommigen wel vvillen doen gelooven. 

« 's Anderendaags zonden wij eene ronde op verkenning, die ons het 
nieuws aanbracht dat een twintigtal Araben in het gevecht gesneuveld 
waren. 

Beschikbare verdedigingsmiddelen. — « Dhanis be- 

schikte over 700 getrokken geweren en 3 kanonnen : talrijke onont- 
beerh'jke zaken ontbraken hem nochtans, en dwongen hem met de 
grootste omzichtigheid te werk te gaan, wilde hij niet een zekere 
nederlaag te gemoet gaan. O ! waren wij in het bezit geweest van de 
vereischte stoffen, mond- en krijgsvoorraad, hoe spoedig ware alles 
afgedaan geweest ! maar wij waren arm ! Het weinige waarover wij 
konden beschikken als geschenk werd gegeven aan de inlandsche 
opperhoofden en bondgenooten zonder wier medehulp het onmogelijk 
was op de overwinning te rekenen. 

« De boma's van Rumaliza zijn in den uitgeholden bodem stevig 
opgebouwd. Zij hebben den vorm van langwerpige schotels. De eerste 
ringmuur gelijkt aan een cirkelvormige galerij voorzien van schiet- 
gaten waardoor de belegerden hun vuur naar beneden op de aanval- 
lers richten. Daarachter, en beschut door de galerij, verheffen zich de 
hutten van de bewoners der boma. Geheel in het midden is eene 
tweede boma welke tot woonplaats dient aan Rumaliza zelf. 

« In afwachting van den vurig gewenschten dag voor den beslis- 
senden stormloop, hadden wij veel te lijden — hoe onwaarschijnlijk 
het ook moge schijnen — van de koude en de vochtigheid. 's Morgens 
teekende de warmtemeter nauwelijks 15 of 16 graden ; tegen den 
middag klom hij tot 30 of 32, om langzamerhand te dalen naar gelang 
de nacht aankwam. Het regende ook dikwijls, en wij werden nu en 
dan door hevige windbuien onaangenaam overvallen. 

Onvoorziene overwinning. — « Nu wil ik u de bijzonder- 

heden mededeelen der overwinning van 14*^" Januari 1894, waarvan 
de telegraaf u, zonder twijfel, reeds heeft ingelicht. Dien dag waren 
de kapiteins Lothaire en de Wouters, de luitenants Doorme, Rom, 



EERSTE DEEL. — KAPITEIN DHANIS. 37 

Hambursin, Henry en sergeant Collet, aan het hoofd hunner troepen, 
tot op eenen afstand van 500 meters het kamp van Rumaliza gena- 
derd. Men was geenszins van gedachte den aanval te wagen ; iedere 
afdeeling was op verkenning uitgegaan, zonder dat lets was afge- 
sproken. 

€ Kapitein Gillain was den bevelhebber Dhanis naar Bena-Boisse 
tegemoet gegaan ; wat ons aangaat, ons eenig doel bestond in de 
vijandelijke stellingen nog eens in oogenschouw te nemen. Intusschen, 
bevonden wij dat er middel was om de rechtstreeksche verbinding 
tusschen onze verschillende legerplaatsen, die tot hisrtoe nog niet 
bestaan had, te bewerkstelligen. 

« De toevallige vereeniging onzer troepen had plaats, gelijk wij 
reeds zegden, dicht bij de boma van Rumaliza. Wij beschikten over 
een kanon en twaalf houwitsergranaten. 

« De bevelhebber Lothaire deed onvoordacht het voorstel eenige 
houwitserbommen op de vijandelijke stellingen af te zenden. Allen 
stemden oogenblikkelijk toe : men laadde aanstonds de houwitsers en 
het kanon werd op eene gunstige plaats gebracht. Ongelukkig ver- 
misten wij het ijzeren vizier van het kanon : Rom stelde zich aan het 
werk en had welhaast er een uit hout vervaardigd. 

Inneming der boma van Rumaliza. — « Omtrent lo ure 

wordt het eerste schot gelost : de bom slaat door het dak van 
Rumaliza's woning, barst op den grond uiteen, en steekt, door eene 
buitengewone kans, de hut in brand. Het vuur wordt door den 
wind voortgezweept en deelt zich aan de overige hutten mede. 
Middelerwijl voerde bevelhebber Lothaire zijne troepen met den 
stormpas aan, en nu opende zich een geweervuur dat hooren en zien 
verging. 

« In het eerst bleven de Araben het antwoord niet schuldig en 
gaven vuur uit alle beschikbare wapens, maar de schrootbussen die 
het kanon onmiddellijk na de houwitserbom op hen afzond en het 
hevig geweervuur onzer soldaten deden hun spoedig den lust tot ver- 
deren tegenstand vergaan. Daarbij was de boma welhaast in een 
onmetelijken vuuroven herschapen, en zagen de slavenhandelaars, 
wilden zij niet levend verbrand worden, zich gedwongen door eene 
achterdeur het hazenpad tekiezen : wat zij dan ook deden. Dank aan 
de dikke rookkolommen, die uit de boma opstegen en het woud over- 
dekten, gelukte het Rumaliza te ontsnappen. Aanstonds zetteden wij 
den vijand tot op de oevers der Lulundi na, en deden hem gevoelige 



38 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

verliezen ondergaan : het getal der gesneuvelde of verdronken Araben 
beliep ongeveer duizend. 

« Gedurende den brand der boma sprongen tal van buskruidvaten, 
alsmede duizende patronen voor getrokken geweren. 

« De buitenomheining der boma had eene lengte van 200 meters 
bij 120 tot 130 meters breedte, en was bezet geweest door de opper- 
hoofden en hunne beste soldaten, voor het meerendeel met Martiny- 
en express-geweren gewapend : de Hjfwacht van Rumaliza bestond 
uit 66 uitgelezen krijgers. 

Onderwerping van Rachid. — « OnmlddelHjk na de over- 
winning vertrok kapitein Lothaire, met de Wouters en Hambursin, 
om de boma van M'Ze-Kinda in te sluiten en alien toevoer van mond- 
voorraad te beletten. Deze verschansing was gelegen op 2 of 3 kilo- 
meters afstands der boma van Rumalizaen op drie kwartier-uur gaans 
van twee andere kleine vooruitstaande boma's, onder bevel van 
Bwana M'Ze. 

« De bevelhebber Gillain, van zijnen kant, toen hij den uitslag van 
het gevecht tusschen kapitein Lothaire en de Araben vernam, verliet 
Bena-Gou/a om zich te begeven naar Bena-Songo, dicht bij een kleine 
Araabsche verschansing van 100 meters lengte op 50 breedte. 

« De bevelhebber Dhanis had zoowel zijne schikkingen genomen, 
dat de verdedigers der twee hooger genoemde boma's zich in de on- 
mogelijkheid bevonden naar de rivier te gaan om hunnen voorraad 
van versch water te vernieuwen. Ook duurdehet niet lang of hun be- 
velhebber, Bwana M' Ze, trad met ons in onderhandeling. 'sAnderen- 
daags, 16 Januari, kwam hij naar ons kamp, en leverde ons 4S0 ge- 
weren uit, waaronder een tiental getrokkene, en eene menigte bijlen, 
vaten buskruid en doozen slaghoedjes. 

« Eindelijk, viel, den 251^ Januari, de stad Kabambarre, waar de 
overwonnen Rachid zich verscholen had, zonder slag of stoot in de 
handen van Lothaire, de Wouters, Hambursin en Doorme, die Dhanis 
met de vervolging van den vijand belasthad. 't Is daar dat luitenant 
Hambursin de onderwerping ontving van hetberucht Araabsch opper- 
hoofd, die sedert 9 maanden van de eene stad naar de andere voort- 
vluchtig rondzwierf, en, op voorwaarde van lijfsbehoud,zich meteenige 
zijner onderbevelhebbers gevangen gaf. 

« De Araabsche veldtocht was geeindigd : hij had 19 maanden ge- 
duurd, en de uitslag was, datManyemain de macht der troepen van 
den Staat bleef, > 



EERSTE DEEL. KAPITEIN DIIANIS. 



Ondergangvan de slavenhandelaarspartij. — «Watde 

Araabsche opperhoofden betreft »,zoo gaat M.Wauters voort, « die ge- 
poogd hadden aan het gezag van den Staat te wederstaan, die waren 
alien verdwenen of onschadelijk gemaakt: A/2im'e-Mo/iarra, sult^-n va.n 
Nyangwe, en Se/u, sultan van Kassongo, waren beiden ophet slagveld 
gebleven ; Nserera, bevelhebber van Riba-Riba, en Kibonge, opper- 
hoofd van Kirundu, waren bij vonnis van den krijgsraad doodgescho- 
ten \Rachid, sultan der Falls, was krijgsgevangene van Dhanis. 

« De sultan van Ujiji, Rumaliza, alleen, was er in gelukt te ontsnap- 
pen. In de onmogelijkheid gebracht zijne hoofdstadtebereiken, die zich 
op Duitsch grondgebied bevond en waar de straf hem wachtte, zwierf 
hij in de onbekende gewesten van het Noorden rond, en zou weldra, 
door gebrek aan hulpmiddelen, genoodzaakt worden zich op ge- 
nade of ongenade over te geven. Inderdaad vvij vernemen zoo even, 
dat de vluchteling in het Zuiden van hetTanganika-meer aangekomen, 
zich in de handen der Engelschen van Nyassaland overgegeven heeft. 

« De oude Tippo-Tip, de vali der Falls, de vriend van Livingstone, 
van Stanley, van Cameron en Junker.heeft zichmet terwoon teZanzibar 
gevestigd.Droefgeestig en stilzwijgend dwaalt hij langs het zeestrand 
en denkt aan den ondergang der zijnen, gevallen omdat zij nietwilden 
verstaan, dat waar de Europeesche vlag verschijnt de menschenjacht 
ophoudt, de moord verboden wordt en dat de Muzelmansche bar- 
baarschheid voor de broederlijkheid en de christen naastenliefde moet 
plaats maken. » 



< ^ DERDE HOOFDSTUK. 

Krijgsverrichtingen van kapitein Chaltin in 
het binnenland. 

^AN DEN CONGO. — Terwijl de gebeurtenissen 
van Nyangwe en Kassongo in het Zuiden plaats grepen, 
bleven de officieren Chaltin en Tobback niet werkeloos 
en namen hun ambt van opzichters, ten Noorden en 
Noord-Oosten van den Vrijstaat, moedig waar. 
Hooger op (bl. 15) hebben wij van het gevecht aan de Quelle mel- 
ding gemaakt ; hier zullen wij de bijzonderheden der overwinningcn 
van den bevelhebber van het verschanste kamp van Basoko, kapitein 
Chaltin, mededeelen. 




40 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Chaltin had vernomen, dat de Araben der Neder-Lomami en die van 
Riba-Riba insgelijksaan het muiten waren geslagen. Hij besloot met 
snelheid te werk te gaan, en scheepte aanstonds 300 soldaten in op 
een stoomboot die de Lomami opvaarde. Men weet, dat de Lomami 
een groote bevaarbare rivier is, die in dezelfde richting stroomt als 
de Congo, wiens loop door de watervallen der Stanley- Falls belem- 
merd wordt. Chaltin had Bena-Kamba tot aanleggingsplaats be- 
stemd, en schikte van daar Riba-Riba te lande te bereiken (i). 

§ I. — Op weg naar Bena-Kamba en inneming van Tchari. 

Op weg. — Toen de avond van den eersten dag begon te vallen 
hielden wij stil aan den rechter-oever der rivier, dicht bij het dorp 
Liema-Japoka, omte vernachten. De plaats vormde een deel van het 
woud, dat men begonnen heeft te ontginnen : hier en daar ontwaart 
men eenigejonge banaanboomen, manioc- en maisscheuten. De ver- 
kenning der omstreken is spoedig gedaan : de Bangala 'sen Basoko 's 
zetten zich aan het werk, terwijl de andere soldaten de beschuttingen 
voor den nacht in gereedheid brengen, Eindelijk worden de wacht- 
posten geplaatst.Ongeveer 9 uren 's avonds,toen iedereen reeds ter rust 
was, weerklonken eensklaps twee schoten, onmiddellijk gevolgd door 
twee andere. 

Men loopt haastig naar de plaats van waar het knallen voortkomt, 
en vindt eenen schildwacht door twee vergiftigde pijlen aan den hals 
en aan de lies getroflfen. Aanstonds worden de pijlen uit de wonden 
getrokken, het bloed eruit gezogen en alle mogelijke zorgen aan 
den gekwetste besteed — maar alles was vruchteloos, het vergif heeft 
zich in het bloed verspreiden in minder dan vijf minuten is de onge- 
lukkige een lijk. 

Aan de oevers der Lomami bestrijken de negers de punten hunner 
pijlen met een pap, dat op teer gelijkt : Om ze te bereiden stampt 
men, volgens het schijnt, groote mieren in eenen vijzel, en kookt 
zedaarna in palmolie : zoo bekomt men het gevaarlijke mierenzuur. 
Dit vergif welks werking even schrikkelijk als schielijk is, gelijkt op 
de curare der Indien. 

Nauwelijks had de stoomboot zich 's anderendaags in beweging 
gesteld, of men ontwaarde, stroomafwaarts twee prauwen, welker be- 

r. De bijzonderheden van deze roemvolle wapenfeiten zijn ontleend aan ver- 
schillende uittreksels van brieven van bevelhebber Chaltin door de Etoilc Beige 
in het licht gegeven. 



EERSTE DEEL. KAPITEIN DHANIS. 4 1 

manning met alle kracht roeide om ons te ontkomen : het waren onze 
aanvallers van den vorigen nacht. Wij zonden hen eenige kogels na. 

Tegen den middag moesten wij stilhouden om voorraad van brand- 
hout op te doen. Talrijke benden van inboorlingen kwamen onze 
soldaten te gemoet om voorwerpen in natuur te verhandelen tegen 
europeesche koopwaren. 

Het inlandsch opperhoofd Oliphara wees zelfs aan Chaltin, op den 
tegenovergestelden oever der rivier, eenen weg aan, die naar een na- 
burige Araabsche boma geleidde : hij stelde den bevelhebber voor die 
aantevallen, hem belovendeden tocht mede te maken en zelfs in de 
voorhoede met zijne mannen plaats te nemen. Maar Chaltin wees 
zijn voorstel af, en Het hem verstaan, dat het hem niet paste iemand 
als vijand te behandelen, die tot hiertoe geene blijken van vijandige 
gezindheid gegeven had. 

Op de Lomami. — « Den 15=" Maart 1893 », verhaalt ons M. 
Chaltin, « na onze bootjes en lichters door stevig paalwerk omringd 
te hebben, begeven wij ons wederom op weg. Ons korps biedt een 
eigenaardig uitzicht aan. De inwoners van een dorp, gelegen op den 
rechter-oever, dicht bij de kromming weike de Lomami stroomafwaarts 
Yanga maakt, groeten ons op onzen doortocht, en doen ons door geba- 
ren verstaan stil te houden. Wij treden in onderhandeling, en ver- 
nemen dat Yanga sedert vijf maanden verlaten werd door de Araben, 
die zich in het binnenland, stroomafwaarts de Liema gevestigd hebben. 

« Tegen den middag krijgen wij het voormalige Yanga in het oog. 
De inboorlingen hebben waarheid gesproken : de krijgspost is verdwe- 
nen, en alvorens te vertrekken hebben de Araben al hunne woningen 
vernield. «0m 4 uren houden wij stil in een plantaadje van jonge ba- 
naanboomen. Hier et daar bemerkt men eenige ellendige hutten ; het 
dorp bevindt zich op het toppunt van een hooge en steile helling met 
boomen beplant.Met het vallen van den avond wordt ons volk met eene 
wolk van pijlen begroet. 

€ Niet een enkel teeken, dat ons kan aanduiden waar onze aanvallers 
zichverschuilen ! Wij vinden dit spel uitermate vervelend. Onze lank- 
moedigheid maakt onze onzienbare vijanden nog vrijpostiger : ge- 
durende den nacht naderen zij de schildwachten, en eenigen zelfs, 
stoutmoediger dan de anderen beproeven eene met water gevulde 
sloot, die het kamp omringt, te doorwaden. Dit deed de maat over- 
loopen : de schildwachten geven vuur op de negers, kwetsen er eenige 
en drijven de andere op de vlucht. 



42 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

« Omstreeks lo ure 's avonds, kies ik een veertigtal vastberaden 
mannen uit, en beveel hun het dorp te gaan verkennen. Zij kwijten zich 
wonderwel van hunnetaak en brengen mij welhaast inlichtingen die 
mij in staat zullen stellen de oorlogszuchtige plannen der inboorlingen 
te verijdelen. 

Het dorp Yanga. — « Den volgenden dag, vertrek ik, om 
5 ure 's morgens met 150 man naar het dorp. De andere soldaten, onder 
bevel van Dupont en Nahan, worden ter bewaking van de stoomboot 
achter gelaten. De weg, die naar het dorp leidt, doorsnijdt een breede 
sloot vol water en slingert dan in ontelbare bochten, door heesters en 
struiken, door hoogstammig gras en verlaten velden, langs de helling 
van een steilen heuvelomhoog. 

« Na een half uur gaans met versnelden pas, komen vvij te Yanga 
aan. Het dorp levert een heerlijk uitzicht op, is zeer uitgestrekt, en 
moet, naar het schijnt, van voor tal van jaren dagteekenen. Schoone 
en wel onderhoudene lanen van 15 meters bnedte, verdeelen de plaats 
in kwartieren. Al de lanen, ten getalle van 10, snijden elkander recht- 
hoekig en omgeven fraaie banaanbeplantingen. De huizen, die men er 
in groot getal aantreft, zien er zeer lief uit, en zijn stevig in bamboes- 
en meesterlijk dooreengevlochten rottingriet opgebouwd De openin- 
gen tusschen het rottingriet zijn aangevuld met groote samengeperste 
bladeren, en de daken, bestaande uit palmbladeren, rusten op lichte 
doch stevige steunders. Een twintigtal meters scheiden de woningen. 
De verdeeling der binnenvertrekken is zeer regelmatig, en alles 
getuigt er van de grootste orde en netheid. De vloer is van gestampte 
aarde, en hier en daar ontwaart men bedsteden, kassen en ander 
huisraad. 

« De inwoners zijn van geen groote gestalte en beprikken hunne 
huid met geene figuren ; men mag veronderstellen, dat zij volgelingen 
zijn van het fetichismus. Eene bijrivier der Lomami stroomt rond 
het dorp. 

Onvindbare vijanden. — « Sedert vier uren doorloopen 
wij het dorp en de omstreken in alle richtingen onder een waren 
regen van pijlen, en zelden of nooit ontwaren wij de schutters. Het 
is waarlijk vervelend. Verscholen in de heesters of het hooge gras, 
achter de huizen of de stammen der banaanboomen, zenden zij 
gestadig hunne pijlenop ons af en vluchten dan onmiddellijk om eenige 
stappen verder op nieuw te beginnen : men had zich feitelijk in een 



EERSTE DEEL. KAPITEIN DHANIS. 43 

guerillagevecht gewaand. De inboorlingen gaven groote blijken van 
behendigheid en sluwheid en wachtten zich wel ons aan te vallen, 
wanneer wij troepsgevvijze gingen, maar zoohaast zich iemand van het 
gros der soldaten afscheidde was hij zeker tot hun doehvit te dienen. 
Wat nu aangevangen met vijanden van dezesoort? 

i Geen enkel gevecht man tegen man werd geleverd. Natuurlijk 
schoten wij op de zeldzame vijanden die wij te zien kregen, en gelukten 
erin eenige te kwetsen, maar als men de talrijke bevolking van het 
dorp in acht neemt, moeten wij bekennen, dat de uitslag alles behalve 
bevredigend mocht heeten. Ten i ure 's namiddags, waren de soldaten 
uitgeput van vermoeienis, en wijl zij den vorigen nacht weinig 
geslapen hadden deed ik het gevecht staken. 

« Een hulpsoldaat en een man onzer geregelde troepen waren Hcht 
gekwetst, maar dank zij de passende en verstandige verzorging van 
dokter Dupont had men voor geene slechte gevolgen te vreezen. 

« Toen wm'j het dorp verHeten, zagen wij de dreven als een spelde- 
kussen met pijlen doorprikt ; daarbij hadden de inboorlingen hier en 
daar puntige stokken in den grond geplant en die met vergift 
bestreken. 

i Den lyen Maart breken wij, met het krieken van den dag, het 
kamp op, en houden omstreeks 8 uren stil om hout te kappen. Op den 
rechteroever ontwaart men eenen weg die waarschijnlijk de voort- 
zetting is van dien, welken wij sinds verscheidene dagen van op de 
boot den oever zien volgen. Herhaalde ronden gaan op verkenning in 
de omstreken, en eene ervan, die den nacht in het woud had doorge- 
bracht, brengt mij 's anderendaags het nieuws, dat geheele benden 
havelooze mannen, vrouwen en kinderen in het woud ronddwalen : 
deze ongelukkigen, na van alles door de Araben beroofd te zijn, 
zwerven nu rond niet wetende waaruit of waarheen. Men moet het 
bekennen, de Araben verstaan wonderwel de kunst om alles te ver- 
nielen en te bederven: 't is immers van hen dat de inboorlingen hebben 
geleerd de heerlijke elais-palmboomen te vellen om er de kool van te 
bemachtigen. De ongelukkigen hadden geen ander voedsel. 

« Den 20^" Maart, dooden wij eenen olifant, die derivier overzwom. 
Dit laat ons toe 2 kilogr. versch vleesch aan ieder onzer manschappen 
uit te deelen. In de bosschen tusschen Yanga en Bena-Kamba krielt het 
van de olifanten. 

Aankomst te Bena-Kamba. — « Wij komen te Bena- 
Kamba aan in den morgen van den 28^" Maart. Alles is er doodsch en 



44 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

verlaten. Het Bena-Kamba van weleer bestaat nog slechts in 
het geheugen der inboorlingen, en op de plaats welke het besloeg 
vindt men alleen de fraaie planten der keerkringen, die in siervolle en 
onontwarbare slingerkransen alles bekleeden. 

« Het hoogstammig gras, de struiken en heesters hebben alles 
ingenomen. Hier en daar ontvvaart men nog eenige meloen-en 
banaanboomen methunne vruchten beladen, welke nog deoudelanen 
van het dorp afteekenen. Van de gebouwen blijft niets meer recht 
dan eenige half verkoolde staken. 

« Op de plaats waar Bena-Kamba zich verhief is de oever tamelijk 
hoog, en van het toppunt voert eene baan in zachte glooiing naarde 
rivier. Stroomopwaarts de Lomami bevond zich weleer, in de nabijheid 
van den post, een thans verlaten dorp, welk slechts door eene kreek 
ervan gescheiden was. Op den tegenovergestelden oever treft men de 
twee wegen aan, die naar Riba-Riba en Nyangwe leiden. 

« Overal in deze gewesten ontwaart men niets als verwoesting, en 
de aanschouwer wordt onwillekeurig tot droefheid gestemd. Na de 
plundering der handels-kantoren van Bena-Kamba en Lhomo hebben 
de Araben de streek verlaten (Mei 1892) ; sedertdien heeft men hen 
niet wedergezien.Bij heengaan hebben zij al de dorpen aan denrechter- 
oever gelegen plat gebrand, en de geheele streek voor langen tijd tot 
verval en armoede gebracht. 

In aantocht op Tchari. — « Ik moet hier terloops doen op- 
merken, dat tot op eene dagreis perstoomboot van Yanga, de inboor- 
lingen zich enkel verdedigen met de lans ; stroomopwaarts bedienen 
zij zich daarenboven van pijl en boog, maar vuurwapens zijn geheel 
onbekend, en het is enkel van Yanga af, dat zij algemeen in zwang 
zijn. 

« Den 30<=" Maart houden wij stil te Lhomo, en worden er op de 
gulhartigste wijze ontvangen. Ten teeken van vriendschap doe ik met 
het opperhoofd den bloedruil. Deze lieden hebben voile betrouwen in 
ons ; zij zijn nopens de overvvinningen van Dhanis ingelicht en 
berichten ons dat Munie-Moharra is gedood. Wij worden uitgenoo- 
digd een paar dagen onder hen te willen doorbrengen ten einde al de 
opperhoofden der streek tot het houden van feestelijkheden en het uit- 
voeren van krijgsbewegingen samen te roepen. Ik stem bereidwillig toe. 

« De inboorlingen verschaffen ons mondvoorraad, en mijnemannen 
gaan, van hunnen kant, in het bosch op zoek naar broodwortelen 
en andere vruchten. 



EERSTE DEEL. KAPITEIN DIIANIS. 45 

« Terwijl ik in de omstreken op verkenning ben, toont men mij de 
stoffelijke overblijfselen van den ongelukkigen Pierret door de Araben 
vermoord. Ik doe ze in eene kist plaatsen om die later te Basoko met 
de passende plechtigheid aan de aarde toe te vertrouwen, 

« In den loop van den dag hebben de afgesproken feestelijkheden 
voor de opperhoofden plaats : alien bieden mij krijgslieden en wapens 
aan om tegen de Araben te velde te trekken, 

« Op Paaschdag, 2^" April, begeven wij ons op weg, niet langer 
meer willende wachten op de hulptroepen, welke men ons uit Nieuw- 
Antwerpen beloofd heeft. 

^ In het begin leidt de weg door het woud ; dan, omtrent den 
middag, trekken wij door een uitgestrekte grasvlakte : aan onze 
rechter-zijde scheidt een dicht woud ons van de Lomami. Ten 3 ure 
houden wij stil in eene onafhankelijkheid van het dorp Sukus en 
genieten er eene gulhartige ontvangst. 

« s' Anderendaags, 3^" April, hernemen wij onzen tocht ; wij verlaten 
de vlakte en dringen het woud in, waar men nochtans talrijke en uit- 
gestrekte onbeplante plaatsen aantreft : de bleek-groene varenplanten 
schieten er hoog en weelderig op. Overal vindt men de Saphosboomen 
beladen met hunne vruchten, en onze manschappen doen er een 
grooten voorraad van op. 

i Langs de baan rust het oog met weemoed op de verkoolde over- 
blijfselen van talrijke dorpen, eertijds in vollen bloei, en nu gansch 
verlaten : delanden liggen braak en zijn door het onkruid ingenomen; 
ziedaar nog eens het werk der Araben, die in hunne dolle razernij 
alles verwoest hebben. Gedurende tien minuten trekken wij door eene 
breede met water gevulde sloot welke i meter diepte heeft. 

« Wij vorderen onzen weg door onmeetbare grasvlakten, nu en dan 
afgebroken door eenige boomgroepen die weelderig uit den grond 
opschieten, en houden stil in een weinig volkrijk dorp, waar de 
zorgvuldig onderhoudene landerijen en de heerlijke beplantingen 
zich heinde en ver uitstrekken. Men vindt er ma'is, sorgho, gierst, 
zoete pataten, broodwortelen en hennep. Te midden van dit alles 
teekenen eenige nette huisjes hunne kegelvormige strooien daken 
tegen den wolkeloozen blauwen hemel af. De inwoners zijn slaven ; zij 
werken en zwoegen voor hunne mcesters, de Araben ! 

Inneming van het Araabsch kamp van Tchari. — « In 

den namiddag van den 5^" April, komen wij, na een lastigen tocht 
door een moerassigen grond, aan een uitgestrekte vlakte. Men 



46 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

onderscheidt in de verte de huizen en beplantingen van drie dorpen. 
Ik doe stilhouden en zend een veertigtal mannen op verkenning. 

« Gekomen op ongeveer 300 meters afstands der eerste huizen, 
vvorden onze soldaten begroet door het vuur eener bende Tamba's- 
Tamba's, in het hoogstammig gras verscholen. Zij antwoorden, en een 
gevecht vangt aan. In twee minuten waren de Araben uit hunne 
schuilhoeken verjaagd en op de vlucht gedreven, twee der hunnen op 
het slachtveld achterlatende. Onder onze aanvallers was er een die 
eenen helm op het hoofd had (waarschijnlijk dezen van den heer 
Pierret), en een ander die eenen regenscherm openhield om zich tegen 
onze kogels te beschutten ! 

« Wij brengen den nacht door in het open veld ; de gongs of krijgs- 
trommels worden den ganschen nacht door geroerd. 

« Den 6^", breken wij, reeds vroeg in den morgen, het kamp op, en 
daar wij ons in de nabijheid van Tchari bevinden, waar eene talrijke 
bende slavenhandelaars zich ophoudt, richt ik een bijzonderen 
veiligheidsdienst in : wij schrijden voorzichtig en langzaam vooruit ; 
te meer daar de grond moerassig is en onder de voeten wegzinkt. 

« Ten 10 ure, na nogmaals drie kwartier uurs door een slijkachti- 
gen grond voortgestrompeld te hebben, komen wij aan een onmete- 
lijke vlakte: vier Tamba's-Tamba's wachten mij daar af en bieden mij, 
in naam van hunnen meester Lembe-Lembe, bevelhebber van Tchari, 
drie puntachtige elpenbeenen stokjes aan. 

« Zij bidden mij het kamp niet aan te vallen, en verzekeren mij dat 
Lembe-Lembe mij in alles voldoening zal geven. Ik zend hen terug 
en doe aan Lembe boodschappen, dat het mijn wil is rechtstreeks met 
hem te onderhandelen en niet door tusschenkomst van zijne onder- 
hoorigen. 

« Middelerwijl doe ik mijne afdeeling aan den ingang van het dorp 
post vatten. Een honderdtal Araben gaan onmiddellijk op de vlucht. 
Lembe-Lembe zendt mij achtereenvolgens een geheelen troep 
slaven.beladen met geschenken, maar waagt het niet zelf op te komen. 
Dat kon niet blijven duren : ik zend hem mijne eindvoorwaarde en 
sta hem twee uren toe om mij te komen spreken. Toen deze ver- 
streken zijn, geef ik bevel op het dorp aan te rukken. Een algemeene 
schrik bekruipt de bevolking die ijlings de vlucht neemt. Lembe- 
Lembe, van zijnen kant, was sedert geruimen tijd met zijne schatten 
weggevlucht, zoodat de plaats zonder slag of stoot in mijne handen 
valt. 

« Ik schat de gewone bevolking van Tchari op minstens 5000 zielen, 



EERSTE DEEL. KAPITEIN DHANIS. 47 

maar door het vertrek van een groot getal inwoners naar Nyangwe, 
is dit getal nu verminderd. 

i Het Araabsch opperhoofd Lembe-Lembe is, volgens het schijnt, 
tamelijk jong, maar gebrekkelijk : hij kan zich niet bewegen : het zijn 
zijne Nyampara's, die den oorlog voeren in zijne plaats. Hij gehoor- 
zaamt blindelings aan de bevelen van zijnen vader Mopola, die 
Nyangwe bewoont en vveleer de rechterhand was van Munie- 
Moharra. 

« Een der moordenaars van den ongelukkigen Pierret, zekere 
Kassongo, is mij in handen gevallen. Ik heb hem voor eenen krijgs- 
raad gedaagd, laten oordeelen en na vonnis, doen dood schieten. 

« Al de wapens en koopwaren welke de Araben bij de uitplunde- 
ring van Lhomo bemachtigden, werden naar Nyangwe overgevoerd, 
en het schijnt dat Lembe-Lembe maar een klein deel van den buit 
bekwam. 

<L In hun haastige vlucht hebben de Araben een honderdtal lucht- 
geweren achtergelaten, die ik onbruikbaar laat maken. 

« De inboorlingen der streek zijn flinke landbouwers, en bezitten 
groote kudden geiten, schapen, en talrijke hoenders. Zij haten en 
vreezen de Araben, die hun zooveel kwaad berokkenden. 

€ Bijna al de opperhoofden kwamen mij bezoeken en met hunne 
geschenken vereeren. Zij zijn ingelicht nopens de inneming van 
Nyangwe door Dhanis, en den dood van Munie-Moharra; ook houden 
zij het voor zeker, dat het juk waaronder hunne verdrukkers hen zoo- 
lang gebukt deden gaan, voor immer verbroken is, en groeten ons als 
hunne verlossers. 

« Ongeveer den ip^n April deden zich eenige gevallen van pokziekte 
onder mijne manschappen voor. 

<L Tchari werd aan volledige verdelging prijsgegeven ; ik verliet de 
plaats den 12^^ Mei om 8 uren 's morgens, en kwam den 14^", na ver- 
snelde marschen, te Lhomo aan. 

« Dien dag legde de stoomboot Vil/e de Bruxelhs te Lhomo aan ; 
aan boord bevonden zich 125 mannen hulptroepen uit het kamp van 
den Evenaar, onder bevel van lieutenant De ' Bock en sergeant 
Lammens. 

« Op mijnen tocht ben ik vergezeld door den heer Mohun, zaak- 
gelastigde der Vereenigde-Staten en oud-officier in Siaats-zeedienst. 



48 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 



§ II. — Bevelhebber Chaltin in aantocht op Riba-Riba. 

€ Den 22^^ April 1893, verlaten wij Bena-Kamba met bestemming 
voor Riba-Riba. 

« Den 22,^^ ontmoeten wij aan den boord van eene uitgestrekte 
grasvlakte eene bende inboorlingen die ons twee gidsen verschafifen. 
Tot hiertoe hadden wij maar aarzelend voortgeschreden, wijl ik over 
den te volgen weg geene inlichtingen bezat en voor alle richtsnoer 
maar een kompas bezat. 

i. Den 24™ werd de tocht onder een zwaren stortregen voortgezet, 
en wij hadden daarbij nog twee overstroomde ravijnen te doorwaden. 
Om twee uren van den namiddag werden wij tot staan gebracht aan 
den oever van de Willu-rivier, wier gezwollen wateren de geheele 
vallei overdekten. 

« De 25^" April werd besteed aan het bouwen eener tweehonderd 
meters lange brug. In den voormiddag van den 26^° voltooien en 
versterken wij dit werk, en om half elf hernemen wij den tocht. 
Het overzetten der kanonnen en van het ander krijgstuig geschiedt 
met een ongelooflijke traagheid : Wat al voorzorgen nemen wij niet 
om ongevallen te voorkomen ! 

« Ten I ure trekken wij door het Araabsch kamp van Ikamda. Een 
soldaat der voorhoede wordt door een vergiftigden pijl aan de 
rechterslaap getroffen, en blaast weldra den laatsten adem uit : wij 
doen zijnen dood duur betalen. 't Is te Ikamda, volgens men mij zegt, 
dat Hodister en zijne gezellen vermoord werden. 't Is 00k de Araabsche 
bevelhebber van dit kamp, Kissangi-Sangi, die het bevel gaf het han- 
delskantoor van Bena-Kamba te plunderen en plat te branden. Toen 
wij aankwamen vonden wij de plaats door de inwoners verlaten. 

i. Den 25^" en 26^" bestatigen wij twee gevallen van pokziekte 
onder de manschappen. Den 27*^" trekken wij eene brug over, die nog 
langer is dan die welke wij den 27^" gebouwd hebben. Wij houden 
halt om te vernachten, op een groote vlakte, waar eenige inboor- 
lingen van Ikamda mij berichten, dat al de vluchtelingen uit Nyangwe 
eene schuilplaats te Riba-Riba gezocht hebben. Het is dus waar- 
schijnlijk, dat daar talrijke vijandelijke troepen verzameld zijn. Den 
28^" is het getal der pokzieken gestegen tot negen : vele pakdragers 
verklaren zich onpasselijk. 

<L In den loop van den voormiddag trekken wij door Kassiandia, 
een Araabsch dorp door zijne inwoners verlaten. Tegen den middag 



i 




Soldaten en missionarissen in Congo. 



EERSTE DEEL. — KAPITEIN DHANIS. 5 1 

worden verscheidene vuurschoten door de soldaten der voorwacht 
gelost op eenige Araben die in hun haastige vlucht twee geweren 
achterlaten. In den namiddag bevinden wij ons voor een breede en 
diepe watermassa : de brug die er over leidde is door de Araben, die 
in den voormiddag met onze voorwacht in botsing kwamen, gedeelte- 
lijk afgebroken. Wij wagen niettemin den overtocht : tal van pakken 
vallen in het water, zoodat wij ons, pas na drie uren werkens, op den 
anderen oever bevinden. 

Gevecht met de Araben. — in den morgen van den 28en 
komen wij, omtrent half elf, voor een overstroomd hakbosch. 
Vruchteloos beproeven wij den doortocht ; de manschappen voelen 
geenen grond meer en zijn gedwongen te zwemmen. Achter het 
hakbosch stroomt een snelvlietende rivier. Aan het hoofd van een 
dertigtal keursoldaten, begeef ik mij, in de richting van het Noord- 
Oosten, op zoek naar een geschikte plaats om den overtocht te 
beproeven. 

« Ik volg een voetpad aan welks uiteinde wij ons voor de rivier 
bevinden. Verscholen achter het dikke gebladerte der struiken, die 
langs den oever groeien, houden wij ons doodstil en slaan alles nauw- 
keurig gade. Van tijd tot tijd zien wij eenige booten voorbijvaren. 
Het is klaar, dat de gewapende mannen die ze bestijgen de rivier en 
bijrivieren bewaken, 

« Op den overkant der rivier bevindt zich een groote menigte ; 
wel is waar zien wij niemand, maar het oorverdoovend razen en tieren 
kan ons daaromtrent niet den minsten twijfel laten. Na uitdrukkelijk 
aan raijne mannen bevolen te hebben geen gebruik van hunne wapens 
te maken vooraleer aangevallen te zijn, keer ik alleen naar de plaats 
terug waar ik het gros der afdeeling gelaten heb, en zend, in de 
richting van den dwarsweg, luitenant De Bock en eenige soldaten op 
verkenning. Op het oogenblik dat deze ronde op de kleine vlakte, 
aan onze linkerzijde, te voorschijn komt, wordt zij door de aldaar 
geplaatste Araben opgemerkt. 

« Onmiddellijk openen zij het vuur, en het gevecht neemt eenen 
aanvang. Ik beveel aan kapitein Marck, met een dertigtal mannen, in 
stormpas vooruit te Snellen, en van eene plaats, welke ik hem aanwijs, 
een goed onderhouden geweervuur op den vijand te richten. 

« Ik zelf en de heer Mohun vertrekken met het kanon, dat ik in 
batterij doe plaatsen. Wij zijn verplicht onze krijgsbewegingen midden 
in het woud uit te voeren, 't geen ons merkelijk hindert. In het kamp 



52 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

der Araben maakt men een oorverdoovend lawaai, de krijgstrommen 
worden geroerd, de trompetten en horens zenden hunne schetterende 
klanken heinde en ver, en met dit alles mengen zich de kreten van 
gramschap en woede, vervloekingen, bedreigingen en snoevende uit- 
dagingen. 

« De Araben schieten zonder te mikken; hun vuur veroorzaakt ons 
niet de minste schade ; zij verbranden hun buskruid, ziedaar alles. 
Zij bedienen zich nochtans van talrijke getrokkene geweren, die, naar 
ik vermeen, Martiny-Henry-wapens moeten zijn. De kapitein Marck 
en zijne soldaten boren drie bootjes in den grond en dooden de 
bemanning. Eensklaps berst een houwitser-granaat in het kamp der 
Araben uiteen, waarop een woest geschreeuw opstijgt. 

« De luitenant De Bock gebiedt aan zijne mannen de wapens ver- 
scheidene malen en gezamenlijk op de dicht opeengehoopte Araben af 
te vuren, terwijl een dertigtaal onzer soldaten, niet ver vandaar ver- 
wijderd, na een hevig geweervuur, ze op de vlucht drijven. Aan het 
hoofd dezer mannen, snel ik ter ondersteuning van kapitein Marck. 
Aan beide kanten is het vuur zeer hevig, en gedurende een half uur, 
is het een ware kogelregen. 

« Gelukkig schieten de Araben zeer slecht. Al hunne kogels vliegen 
ons fluitend over het hoofd. Wij rfchten onze kruisvuren op hunne 
hoofdstelling en brengen ontsteltenis en verwarring in hunne gele- 
deren. 

« Welhaast beginnen zij te deinzen, en slaan eindelijk geheel en al 
op de vlucht. 

^ Eenklaps wordt alles doodstil aan hunne zijde. Onmogelijk hen 
na te zetten : de rivier, die eene breedte heeft van 75 meters en eene 
diepte van 7 tot 8, is een onoverkomelijke hinderpaal, en wij beschik- 
ken over geen enkel vaartuig. 

« Na al mijne manschappen vereenigd te hebben, volg ik den oever 
der rivier tot op de plaats waar zij het minst breed is. Eenige mannen 
zwemmen over en vinden het Araabsch kamp geheel verlaten. Dit 
kamp, gelegen op vier mijlen afstands van Riba-Riba, dicht bij het 
dorp Jome, stond onder het gezag van Kissangi-Sangi, den moorde- 
naar van Hodister. Kissangi-Sangi is overigens de opperbevelhebber 
van al de krijgsposten, welke men tusschen Bena-Kamba en Riba- 
Riba aantreft. 

« De Araben hebben in hun haastige en wanordelijke vlucht alles 
achtergelaten : kleedingstukken, beddegoed, koperen ketels, mond- 
voorraad, trommen, trompen, kruidhorens, slaghoedjes, enz. Hunne 



EERSTE DEEL. KAPITEIN DHANIS. 53 



dooden en gekwetsten hebben zij nochtans weten mede te voeren, of 
te verbergen, want eenige krijgsgevangenen bekennen, dat de slaven- 
handelaars gevoelige verliezen hebben ondergaan, dat zij bang waren 
voor het kanon en de snelvurende geweren, en dat, in hunne ontstel- 
tenis, zij door het woud weggevlucht zijn in plaats van de gewone baan 
te volgen. En inderdaad, hun schrik schijnt onverklaarbaar als men 
nagaat, dat zij voorzeker niet onbekend waren met de onmogeh'jkheid 
waarin wij ons bevonden om de rivier over te geraken welke hen van 
ens scheidde. 

« De rivier, die ons belet heeft de vluchtelingen te vervolgen, heet 
de Kassiiku en heeft een zeer wildstroomenden loop. Zonder dezen 
hinderpaal waren wij nog denzelfden dag te Riba-Riba op de hielen 
der vluchtelingen aangekomen, en hadden, gelijk het later bleek, eene 
overwinning behaald zooals wij er tot hiertoe nog geene behaald 
hadden. In het woud en in het kamp der Araben vond men overal 
bloedplassen. 

« Gedurende gansch het gevecht,dat een volslagen uur aanhield, had- 
den wij maar een gewonde: een kogel had hem de linkerdij doorboord. 

Overvaart der rivier op een vlot. — « 's Anderendaags,3oe'^, 

zend ik in alle richtingen verkenningsronden uit, ten einde eenige 
vaartuigen te bemachtigen. In den namiddag komen zij alien met 
ledige handen terug. Er blijft ons niets over dan een vlot te bouwen, 
en men zet zich ijverig aan het werk. De pokziekte is eenigszins toege- 
nomen ; de soldaten nochtans verliezen geenen moed en behouden de 
vroolijke stemming der eerste dagen van den tocht. 

« Nauwelijks is het vlot bruikbaar of ik zend luitenant De Bock op 
verkenning in de richting van Riba-Riba. Ik plaats 150 soldaten onder 
zijn bevel, en geefhemals onderbevelhebbers kapitein Marck en ser- 
geantNahan. Ten einde deze afdeeling in staat te stellen zichvlugger 
te bewegen, en hare zwenkingen te vergemakkelijken, beveel ik aan 
de manschappen zonder ander krijgstuig dan hun geweer en hunne 
patroontasch te vertrekken. 

« De overtocht der Kassuku per vlot duurt vier uren. Op ons vaar- 
tuig kunnen slechts vijf soldaten te zamen plaats nemen, en de gewel- 
dige strooming van het water is niet zonder gevaar op te leveren. 
Nadat wij ons alien op den anderen oever vereenigd zagen, ging de 
tocht voort, op zoek naar den vijand. Maar hoe vinden zich onze sol- 
daten niet teleurgesteld : nergens waren de Araben te bemerken, 
overal de volstrektste eenzaamheid. Op eenigen afstand, nochtans, 



54 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

van Riba-Riba, klonken een zestal vuurschoten uit een kreupelbosch ; 
het waren eenige Araben, die ijUngs de vlucht namen een geweer 
achterlatende. 

Inneming van Riba-Riba. — « Omtrent half vier in den 
nanriiddag kregen wij Riba-Riba in het gezicht, en een kwartier uurs 
daarna deden wij onze intrede in de veriaten en gedeeltelijk ver- 
brande stad, Aanstonds wordt de vlag van den Vrijstaat geheschen 
op de nog rookende puinen van het huis, weleer bewoond door het 
opperhoofd Nserera. 

« De schrikjWelken wij den Araben aanjagen,is zoogroot.dat zij zelfs 
de talrijke eilandjes, die zich tegenover Riba-Riba bevinden, veriaten 
hebben.Zij hebben zicli op den rechteroever teruggetrokken en zijn zoo 
zeer voor onzewapens beducht.dat niettegenstaandehunne veel groo- 
tere getalsterkte, zij den strijd niet meer durven aangaan. 

« 't Is te Riba-Riba dat de door Dhanis verslagene en verstrooide 
benden zich vereenigd hadden. Men behoeft niet te vragen of de 
Araben alles medegenomen hadden : mondvoorraad en alles wat eenige 
waarde had, was verdwenen ; wij vonden ook geen enkel vaartuig. 

Onmachtig om het ons gewapenderhand af te winnen, hebben de 
lafaards een ander middel uitgedacht : den hongersnood ; vooraleer 
hunne oude en schoone stad te veriaten hebben zij alles verwoest. In 
hunnevernielingswoede hebben zij zelfs beproefd het op stam staande 
suikerriet te verbranden, Onze soldaten vinden met groote moeite 
eenige schaarsche broodwortelen en wat half verbrand suikerriet om 
hunnen honger te stillen : gelukkig daagden welhaast van alle kanten 
de inboorlingen met allerhande levensmiddelen op. 

« Voor het huis van Nserera bevond zich een paal waaraan twee 
afgekapte rechterhanden vastgenageld waren. 

Waarheen heeft de vijand de wijk genomen ? — 

« De vlucht der Araben noodzaakte mij mijne plannen onmiddellijkte 
wijzigen.en de uit te voeren krijgsverrichtingen vast te stellen. 

« Eerst en vooral : welken weg hebben de vluchtelingen genomen ? 

« Dien welke naar Nyangwe leidt, en waar Dhanis, na de schit- 
terende overwinning, welke hij behaalde, zijne troepen samengetrokken 
heeft .-• Dit was niet waarschijnlijk. 

« Ter zijde vluchten was hun insgelijks onmogelijk, want dan had- 
den zij met de inboorlingen af te rekenen, die kort spel met hen 
gemaakt zouden hebben. 



EERSTE DEEL. KAPITEIN DHANIS. 55 

« Er bleef hun dus maar e^n weg meer open, die der Falls, 't Is dus 
daarheen, datzij zich begeven hebben ; en mijne veronderstellingwordt 
nog waarschijnlijker wanneer men bedenkt, dat de post nog in hunne 
machtis en de Staat er slechts eenen zaakgelastigde met eenige sol- 
daten heeft. 

€ Met de middelen waarover ik beschik, en waaronder mijne twee 
stoombooten als de voornaamste beschouwd moeten worden, zal het 
mij gemakkelijk vallen mijne afdeeling daarheen te vervoeren en een 
tiental dagen eerder dan zij daar aan te komen. Er bleef dus niet te 
aarzelen. 

Op weg naar de Falls. — « Den 6^^ Mei zijn wij terug te 
Bena-Kamba, waar ik de noodige maatregelen neem om den voort- 
gang der pokziekte te beletten. 

« Denzelfden dag, om lo uren, verlaat de geheele afdeeling Bena- 
Kamba, aan boord van de stoomboot Vi//e de Brnxelles. 

« Onze zegevierende tocht op Riba-Riba, en de inneming dezer 
stad zijn zeer gewichtige en voordeelige wapenfeiten voor den Staat 

« Wat waren inderdaad de gevolgen ervan ? 

« Ten eerste, de bevestiging van onze macht, van ons gezag. Wij 
hebben bewezen, dat wij de Dieesters zijn, en dat den dag waarop wij 
het zulien goedvinden de Araben en de inboorlingen aan onzewetten 
te onderwerpen deze niets beter zulien kunnen doen, dan zich inschik- 
kelijk te toonen. 

« Ten tweede, de vermindering, indien niet de algeheele vernieti- 
ging van den invloed, welken de Araben op de inboorlingen in het 
algemeen, en op deze der omstreken van Riba-Riba in het bijzonder 
uitoefenden. 

<i Men heeft, ten derde, bewezen, dat al de sprookjes en verhalen 
welke den moed der Araben ophemelen niets bevatten dan onwaar- 
heid en snoeverij. 

« Ik teeken hier een eigenaardig feit aan, dat klaar bewijst, hoe 
gegrond mijne meening is betreffende de inname van Riba-Riba. De 
inboorlingen van Tende, een dorp gelegen op eene dagreis van Bena- 
Kamba, zijn mij komen vragen eenen krijgspost in hun dorp te ves- 
tigen om hen tegen de Araben te beschermen. 

« Ik reken het mij ten plicht, hier hulde te brengen aan den moed, 
de zelfopoffering en onbaatzuchtigheid van den heer Mohun, consul 
der Vereenigde Staten, dien ik met den dienst van het grof geschut 
belast had, en die mij onwaardeerbare diensten bewees. Zijn gedrag 



56 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

in het vuur was vvonderbaar. Ik herinner nogmaals dat zijne mede- 
werking geheel vrijwillig was. » 

(Chaltin.) 

§ III. — Overwinning der bevelhebbers Chaltin en Tobback 
aan de Stanley-Falls. 

Aan de Falls. — Wij hebben zoo even gezien, dat de Araben, 
na hunne nederlaag te Riba-Riba,de wijk naar de Falls genomen had- 
den, en dat de bevelhebber Chaltin als 't ware een voorgevoel had dat 
zij daarheen getrokken waren. Onmiddellijk trachtte hij de Lomami 
te bereiken, en besteeg met zijne afdeeling de twee stoomschepen, die 
aldaar lagen. 

In twee dagen vaarde hij de rivier af tot aan hare monding, en 
hield stil voor het kamp van Basoko. 

Hij was nog niet aan wal gestapt, toen men hem boodschapte, dat 
de Falls door de Araben bedreigd waren en dat bevelhebber Tobback 
dringend zijne hulp inriep. 's Anderendaags, met het krieken van den 
dag, ging Chaltin wederom scheep, en kwam, na vier dagen, in den 
nacht van den 17^'^ op den iS^i^ Mei, aan het hoofd van al zijne be- 
schikbare manschappen, in het kamp der Falls aan. 

De vijandelijkheden. — Het was reeds den vijfden dag sedert 
de Araben de vijandelijkheden begonnen hadden. Tobback had, ove- 
rigens, sedert een vijftiental dagen opgemerkt, dat zij druk bezig 
waren met loode staven aan stukken te snijden en kogels te gieten ; 
zij hadden hunne vrouwen en kinderen naar het binnenland gezonden 
en alle schikkingen genomen om eenen aanval te wagen. 

Tobback riep deAraabscheopperhoofden bijeen en vroeg hun vlak- 
af, wat zij in hun schild voerden. De Araben verklaarden, dat zij met 
vredelievende gevoelens bezield waren, en beweerden zelfs dat, indien 
zij van top tot teen gewapend waren, dit enkel was om de soep te 
zamen te eten. 

Vreezende dat de bijeenkomst slecht mocht afloopen, en dat de 
Araben er op uit waren hem onverhoeds aan te vallen, vertrok Tobback 
onmiddellijk met al zijne manschappen naar net gedeelte van den 
post hetwelk het best verdedigd was, Hij liet alleenlijk op het eilan- 
dje, dat aan de standplaats der Falls tot voorpost dient, drie of vier 
soldaten achter om de bewegingen van den vijand gade te slaan. 

Van 's anderendaags overweldigen de Araben de Relgische en Hol- 
landsche handelskantoren der omstreken, en den 15^1, openen zij het 



VtT^ ' .'-''■<**'^-» '«f:«5Ai^B^"> 






f"'U 







EERSTE DEEL. KAPITEIN DHANIS. 59 



vuur op een dorp dat in de nabijheid gelegen was en de partij hield 
van den onafhankelijken Congostaat. 

Na aldaar talrijke krijgsgevangenen gemaakt te hebben, keeren zij 
naar de Falls terug en wagen den aanval op dezen krijgspost. Het 
vuur wordt onmiddellijk geopend, en de slavenhandelaars, steunende 
op hunne getalmeerderheid, geven blijken van de grootste stout- 
moedigheid. 

Uit al de omliggende dorpen komen hun gestadighulptroepen toe, 
en 't is Rachid, schoonzoon van Tippo-Tip, die de half wilde krijgers 
aanvoert. 

Maar al hunne pogingen bleven vruchteloos ; de soldaten van den 
Vrijstaat, die dezen dag onder het bevel stonden van sergeant Van 
Lier, sloegen zegevierend den aanval af. 

De Araben lieten 25 der hunnen op het slagveld. 

Aan de zijde der Staatstroepen telde men 4 dooden en 8 gewonden. 
Het gevecht had tot aan het invallen van den nacht geduurd. 

Den i6e^ en I7«" Mei herbeginnen de Araben den aanval met 
verdubbelde woede. Twee tot driemaal gelukken zij erin de plaats 
te veroveren ; eindelijk worden zij tegen den avond door de Staats- 
troepen uit de ingenomen stellingen verjaagd. De toestand was dus 
zeer hachelijk, en men mocht den krijgspost als reddeloos verloren 
beschouwen, toen de afdeeling Chaltin, door kapitein Tobback ver- 
wittigd, gelijk wij hooger zagen, op het oorlogstooneel verschijnt. 

Gedurende den nacht gelukte het Chaltin zijne troepen bij die van 
Tobback aan te sluiten en met den bevelhebber der Falls de noodige 
schikkingen te nemen tot het voortzetten van den krijg. 

De Araben die intusschen bericht van Chaltin's aankomst ontvangen 
hadden, konden hunne vrees niet verbergen ; zij die eenige uren te 
voren met de Staatstroepen den spot dreven, en onder hun vuur 
snoevend en verwaten den Congo overzwommen, beefden nu van 
angst. 

Chaltin en Tobback verdeelen hunne soldaten in twee kolommen : 
de eene wordt gelast den rechteroever te verdedigen, de andere zal 
de vijandelijke stellingen aanvallen. 

Chaltin, aan het hoofd zijner afdeeling, doorwaadt, bij het krieken 
van den dag, den stroom, bereikt welhaast het eilandje waar de 
Araben legeren, en, na een gevecht van twee uren, neemt hun kamp 
in : honderden slavenhandelaars sneuvelen in den strijd, verdrinken 
in den Congo, of vallen in de handen der Staatstroepen. 

's Anderendaags 19™, ging Chaltin op verkenning der omstreken, 



6o SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

en vond overal de Araben op de vlucht ; degene die gebleven waren. 
ongeveer twee duizend, gaven zich krijgsgevangen en brachten hunne 
geweren en krijgsvoorraad aan de voeten der ovenvinnaars. 

Hier eindigt het verhaal dezer roemrijke wapenfeiten. 

In het vorige hoofdstuk hebben wij gezien hoe de verschillende 
afdeelingen der Staatstroepen zich vereenigden cm te zamen de 
Araben uit Manyema te verjagen. 




<#^ VIERDE HOOFDSTUK. 

Terugkeer in Belgie. — Feestelijk onthaal. 

EVOLGEN VAN DEN VELDTOCHT. — 

De beslissende overwinningen, in de omstreken van 
Kabambarre, over Rumaliza behaald, gaven aan de lui- 
tenants Lothaire en de Wouters d'Oplinter gelegenheid 
om de gewesten rond het Tanganika-meer te verkennen 
en aan den Staat te onderwerpen. 

De slavenhandelaars waren uit Manyema verdreven, en men had 
nu maar maatregelen te nemen om hunnen terugkeer te beletten. 

't Was in den loop dezer krijgsverrichtingen dat, te Miketo, op 
12 mijlen afstands van het meer, de troepen van den Staat zich 
aansloten bij die van de Belgische Maatschappij van slavenhandel- 
bestrijding, welke onder het bevel stonden van kommandant Des- 
camps, den opvolger van kapitein Jacques. 

Men kwam overeen dat Descamps Albertvillebezetten zou.alsmede 
Kibanga, die ook Lavigerieville genoemd wordt, en waar eertijds 
eene bloeiende Katholieke zending bestond ; Lothaire, van zijnen kant, 
zou luitenant Lange met een deel zijner soldaten aan den zuidelijken 
oever van het Tanganika-meer achterlaten en zelf den noordelijken 
oever bezetten. 

Om den invloed van den Vrijstaat nog meer uit te breiden en op 
duurzamen grondslag te vestigen, oordeelde men het noodig nieuwe 
standplaatsen te Kabambarre, Nyangwe, Kassongo, Kibonge en aan 
de Stanley-Falls op te richten. 

Onze dappere landgenoot wist den ondernemingsgeest en de 
eigenaardige bekwaamheden van eenige invloedhebbende Araben, die 
zich onderworpen hadden, ten nutte te maken om overal voorspoed 
te doen heerschen, en de opgerichte posten, onder toezicht der 



EERSTE DEEL. KAPITEIN DHANIS. 6 1 

Belgische officieren, als zooveel uitgangspunten van beschaving voor 
de omliggende gewesten te doen dienen. 

Het vertrek. — In Mei 1894 dacht Dhanis den toestand 
genoegzaam geruststellend om hem toe te laten naar Europa 
terug te keeren. Na twee jaren van onafgebroken strijd, na zoo 
talrijke en zoo roemrijke overwinningen scheen het hem geoorloofd 
voor eenigen tijd het oorlogsveld te verlaten. 

Bij het vernemen zijner roemvolle wapenfeiten, verhief hem koning 
Leopold tot den adelstand, en gaf hem den welverdienden maar 
zelden geschonken titel van baron. Baron Dhanis gaf het bevelheb- 
berschap over aan luitenant Lothaire en vertrok naar de Stanley- 
Falls. Op zijnen doortocht hield hij stil in al de krijgsposten en nam 
met de bevelhebbers de noodige schikkingen tot het besturen en 
verdedigen hunner plaatsen. 

Aankomst te Antwerpen. — De Wilhelmina, waarop 
Dhanis zich bevond, feestelijk bevlagd en begeleid door de^w^r<^7/(3^^ 
en de Washington^ kwam, den ii*^" October, om 8 ure 's morgens, 
in het gezicht van Vlissingen.Tegen den middag begroette de boot 
de stad Antwerpen met drie kanonschoten, welke de ontelbare 
menigte die zich op de kaaien verdrong, met luide toejuichingen 
beantwoordde. 

Dhanis stapt aan wal, het muziek heft de Brabanconne aan, iedereen 
ontdekt zich, de toejuichingen hernemen : het tooneel is grootsch en 
roerend. De officier stapt in een rijtuig en wordt onder de eerbewijzen 
zijner stadgenooten naar het huis zijner ouders geleid. 

Dit was nochtans maar het begin van de lange reeks plechtige 
ontvangsten en feestelijkheden, waarmede men baron Dhanis 
vereerde, en waarvan wij enkel de voornaamste hier laten volgen. 

Daags na zijne aankomst werd hij, om 2 ure, luisterlijk onthaald 
op het stadhuis van Antwerpen. Om 3 ure, ontving hij, in de zaal van 
den Kunstenaarskring, uit naam van den Antwerpschen koophandel, 
een prachtigen degen ten geschenke, en het Genootschap van 
Aardrijkskunde overhandigde hem eene prachtige medaille. Tegen 
5 ure stapte hij aan de spoorhalle van Brussel af, waar prins Albrecht 
van Belgie.een groot getal burgerlijke overheden en al de officieren van 
het regiment grenadiers hem afwachtten. Toen hij de spoorhalle ver- 
!iet, bracht hem de ontelbare menigte die de Rogierplaats en de aan- 
palende lanen bedekte eene geestdriftige huldebetooning. 



62 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Den i6^"werd baron Dhanisdoor den Koning in gehoor ontvangen. 

Den 19^" nam hij deel aan de vergadering der Belgische Konink- 
lijke Maatschappij van aardrijkskunde. 

Den 23^" bood hem het Gemeentebestuur van Brussel, in de 
prachtige zalen van het stadhuis een feestmaal aan, waarbij 
2500 genoodigden aanzaten. 

Den 30^" werd hij onthaald op een hartelijk feest, ingericht door 
den Afrikaanschen Kring, eene vereeniging welke voor het grootste 
deel samengesteld is uit officieren en beambten, die in Congo reeds 
verbleven. 

Eindelijk gaf de Maatschappij van koloniale belangen een luister- 
lijk feest te zijner eer, en het was te dier gelegenheid dat Minister 
Beernaert hem zijne warme gelukwenschen toestuurde. 

De Zitting der Koninklijke Maatschappij van 

Aardrijkskunde. — Wij willen een weinig breedvoeriger uitwei- 
den over deze zitting, waaraan wij de eer hadden deel te nemen en 
waar wij met verscheidene personen, die Dhanis op zijne tochten 
vergezelden, mochten kennis maken. Zij had plaats, den 19^° October, 
in de prachtige zaal der maatschappij de Groote Harmonic. De zaal 
was proppensvol.Omstreeks half negen deed prins Albrecht van Belgie, 
in groot uniform en vergezeld van baron Dhanis, zijne intrede in 
de zaal. 

M. Pavoux, voorzitter, opent de zitting met de volgende rede- 
voering : 

« Hoog Edelgeboren Heer, Mevrouvven, Mijne Heeren. 

« De Koninklijke Belgische Maatschappij van Aardrijkskunde 
heeft te wel het groot belang begrepen van het Congoleesch bescha- 
vingswerk van Zijne Majesteit om het zich niet tot eer, ja tot plicht 
te rekenen, den verdedigers van zulk een edele zaak, bij hunnen 
terugkeer in het vaderland, de bewijzen barer dankbaarheid aan te 
bieden. 

« Baron Dhanis, — en het is met nadruk dat ik hem dezen titel 
geef, omdat hij dien door zijne heldendaden in het onderdrukken van 
den slavenhandel erlangd heeft, gelijk v/eleer de dapperen der 
middeleeuwen, ten gevolge van buitengewone wapenfeiten, door de 
leenheeren, op het slagveld, tot ridder geslagen werden, — baron 
Dhanis, zegde ik, de dappere Belgische officier, dien gij daar in de 
gaanderij voor u ziet, is zegevierend in het vaderland teruggekeerd. 



EERSTE DEEL. — KAPITEIN DHANIS. 63 

<i Het geestdriftig onthaal, de warme toejuichingen,die hem zoowel 
te Antwerpen, zijn geboortestad, als te Brussel te beurt vielen, zij n 
hem een klaar bevvijs hoe zijne landgenooten de krachtdadigheid, de 
koelbloedigheid, de standvastigheid en al de andere manneh'jke hoe- 
danigheden, waarvan hij als legeroverste gedurende zijn roemrijken 
veldtocht zooveel blijken gaf, weten hoog te schatten. 

« Op onze beurt — , en hier kwijt ik mij van den aangenamen 
plicht Z. K. H. Prins Albrecht te bedanken, deze plechtigheid, welke 
het leger zoozeer tot eer strekt, met zijne tegenv/oordigheid te hebben 
willen opluisteren, — op onze beurt, zeg ik, heeten wij baron Dhanis 
welkom, en verklaren ons gelukkig en trotsch een zoo roemrijk mede- 
lid sedert tien jaren in de rangen van onze maatschappij te tellen. » 

Hier volgt de lezing van het beknopt verJiaal van den veldtocht tegen 
de Araben, waarvan wij de bijzonderheden breedvoerig hebben me- 
degedeeld. Xa deze ietwat eentonige lezing, herneemt de voorzitter 
het woord, en brengt nogmaals hulde aan baron Dhanis. 

Daarop overhandigt hij aan den held van het feest eene medaille ; 
op de eene zijde leest men : 

« De koninklijke Belgische Maatschappij van Aardrijkskunde aan 
den bevelhebber van den veldtocht tegen de Araben, baron Francis 
Dhanis, Opziener van den onafhankelijken Congostaat. Brussel, 19^^ 
October 1894. » 

En op de keerzijde : « Veldtocht tegen de Araben : Verovering van 
Manyema. Overwinningen op Gongo-Lutete, Sefu, IMuini-Pembe en 
Muini-Moharra. Inneming van Xyangwe en Kassongo. Gevechten 
aan de Luama en de Lulindi. Nederlaag van Rumaliza. Inneming van 
Kabambarre. April 1892-Februari 1894. » 

Loftuigingen van Dhanis aan zijne medewerkers. 

— De bevelhebber Dhanis staat op en onder de grootste aandacht richt 
hij tot zijne toehoorders de volgende aanspraak, waarin hij met 
veel bescheidenheid zijne eigene verdiensten op den achtergrond 
plaatst om die zijner makkers te doen uitschijnen : 

« Hoog Edelgeboren Heer, Alevrouwen, Mijne Heeren, 

« De ontvangst, die mij ten deel valt, zou onmogelijk schitterender 
en roerender kunnen zijn. De woorden ontbreken mij om de betui- 
gingen mijner diepgevoelde erkentenis uit te drukken jegens het uit- 
stekend gezelschap, dat Hoog Edelgeboren Prins xAlbrecht van Belgie 
met zijne tegenwoordigheid heeft willen vereeren. 



64 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 



« Maar ik kan dezegelegenheid niet laten voorbijgaan zonderhulde 
te brengen aan de zelfopoffering en den moed der officieren en onder- 
officieren die onder mijne bevelen, aan den veldtocht in de zuidelijke 
gewesten, van Lusambo af tot aan het Tanganika-meer, deelgenomen 
hebben, en aan wie het grootste deal der eerbewijzen toekomt 
welke mijne landgenooten mij aanbieden. 

« Eerst en vooral legt een droevige plicht mij op de namen te ver- 
melden van hen die hunne verkleefdheid aan het groote beschavings- 
werk van Zijne Majesteit den koning met den dood hebben betaald. 

« Ponthierkomt in de eerste plaats. Ponthier, wiens leeuwenmoed 
geene hinderpalen konden tegenhouden.is te wel gekend opdat het hier 
noodig zij de vvapenfeiten aan te halen, welke hij verrichtte in het 
kamp der Aruwimi en in de voorhoede van de afdeeling door den 
diepbetreurden bevelhebber Van Kerckhoven aangevoerd. Toen de 
oorlog werd verklaard, was Ponthier in Europa. Niettegenstaande hij 
nog niet geheel hersteld was van de gevolgen eener wonde, vertrok 
hij aanstonds naar Afrika, en onderscheidde zich op ongemeene wijze. 
Twee dagen na zijne aankomst aan de Falls, begaf hij zich op weg, 
veroverde Kirundu, en veranderde door ongelooflijk snelle marschen, 
den aftocht der Araben in een wanordelijke vlucht. Eenige dagen 
daarna, sloot hij zich, te Kassongo, bij mij aan, en nam deel aan de 
gevechten van 15^", 16^^, ly^^, iS^n en 19^'^ October. Ongelukkig werd 
hij den 19^" gekwetst en stierf aan de gevolgen zijner wonden. Zijne 
dood was die eens helds ! 

« De koning, zijn aandenken willende vereeuwigen, heeft een besluit 
geteekend waarbij de hoofdstad van het Araabsche grondgebied van 
den Vrijstaat den naam zal dragen van Ponthierville. 

« De tweede, dien ik vermeld, is luitenant de Heusch, die, eenige 
dagen na den dood van Ponthier, zich bij ons kwam aansluiten. Het 
dappere gedrag van dezen jongen officier voorspelde een heerlijke 
loopbaan ; ongelukkig werd hij gedood den 19^'^ November bij den 
stormloop op de vijandelijke stellingen te Ogella. 

« De Wouters (TOplinter. De Vrijstaat verwachtte veel, en nietzon- 
der reden, van dezen uitmuntenden officier, die den veldtocht van het 
begin af had raedegemaakt. Hij had zich bijzonderlijk onderscheiden 
in het gevecht van 9^" Januari, waarin de sultan van Nyangwe, Muini- 
Moharra, den dood vond. Hij onderscheidde zich insgelijks in den 
veldtocht tegen Rumaliza, waar hij eene afdeeling onder zijn persoon- 
lijk bevel aanvoerde. Hij was het die het bevel had over de Staats- 
troepen welke zich met die van de Maatschappij van slavenhandel- 




Soldaten en missionarissen in Congo. 



EERSTE DEEL. KAPITEIN DHANIS. 67 

bestrijding vereenigden. Door vermoeienis uitgeput, kwani hij naar 
Kassongo, met het voornemen naar Europaterug te keeren, toen hij 
daar door de dood werd verrast. 

« Laat ons nog het afsterven van Untenant Duchesne en van sergeant 
Pregnaldino aanstippen ; in gezelschap van Michaux namen zij deel 
aan het gevecht der Lomami. Vielen eindelijk nog als slachtoffers : 
luitenant B'ortzel, van de Koninklijke Zweedsche zeemacht, de jonge 
Merkus, de onderofficieren Destrail en Breiigebnciiis. 

« Ziehier nu de namen mijner voornaamste nog in leven zijnde 
medewerkers : eenigen onder hen bevinden zich tegenwoordig nog in 
Afrika, anderen zijn in Europa teruggekeerd. 

<L Kapitein Gillain kwam zich onder mijne bevelen plaatsen na 
de inneming van Nyangwe : hij onderscheidde zich bijdeinname van 
Kassongo en in den veldtocht tegen Rumah'za. Hij volgde mij op in 
het bevelhebberschap aan de Lualaba. 

« Luitenant Lothaire beantwoordde onmiddellijk den oproep 
welken ik na den dood van Ponthier gedaan had. Hij snelde toe aan 
het hoofd van 200 Bangala's, en het was zijne afdeeling die, aange- 
sloten bij die van de Wouters, de boma van Rumah'za innam. Hij 
voerde het bevel over de afdeeh'ng die Kabambarre veroverde, en 
versloeg of verstrooide de laatste Araabsche benden. Hij volgde mij 
op in het bevelhebberschap over het Araabsche gedeelte van den 
Staat. 

« Michmix, overwinnaar der Lomami, nam deel aan den veldtocht 
tot na de inneming van Nyangwe. 

« Doorme, die zich aan de Kassai, in den veldtocht tegen de Kioko's 
onderscheiden had, verlengde zijnen diensttijd om aan den oorlog 
met de Araben te kunnen deel nemen. Aan het hoofd van eenige in- 
landsche troepen welke hij wist samen te rapen, onderscheidde hij 
zich bij de inneming van Kassongo, was tegenwoordig in al de vol- 
gende gevechten, en keerde niet eerder naar Europa terug dan na de 
inname van Kabambarre, waar de laatste geweerschoten van den 
veldtocht weerklonken. 

« De geneesheer Hinde^ die den graad van kapitein bekwam, onder- 
scheidde zich in verschillende gevechten en gaf menigvuldige blijken 
van zelfopoffering bij het verzorgen der soldaten door pokziekte aan- 
getast. 

« Ik zal niet uitweiden over het dapper gedrag van Cassart en 
Hambiirsin, die zich door zijn onverstoorbare koelbloedigheid gedu- 
rende den geheelen veldtocht tegen Rumaliza deed opmerken. — 



68 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Lange werd gewond in het gevecht van den 15^" October 1893. — 
Kapitein Rom, onderluitenant Van Lint, kapitein Colignon, luitenant 
Augustin, luitenant Fj-ancken bewezen 00k belangrijke diensten. — 
Luitenant Lemery nam de moeilijke taak op zich Nyangwe te ver- 
dedigen, toen deze plaats in groot gevaar verkeerde. — De onder- 
officieren Collet en Van Riel verdienen 00k de grootste loftuigingen. 
— SandrarthoS'ivQ.xd.Q zich in het aanschaffen van mondvoorraad voor 
de troepen. 

<i Ziedaar mijne bijzonderste medewerkers : met zulke mannen was 
de goede uitslag van den veldtocht verzekerd. 

« Ik mag niet eindigen zonder den naam van Coquilhat te vermel- 
den, die mij in Congo tot meester was, en die in een merkwaardig 
bevelschrift, aan ieder van ons gericht, de te volgen gedragsh"jn aan- 
wees om den onrustbarenden vooruitgang der Araben te stuiten. 

« Er valt niet te twijfelen, Mijnheeren, of Manyema staat een veel- 
belovende toekomst te wachten. Een overtuigend bewijs daarvan is 
het groot getal Araben die, tot het uitbaten dezer gewesten, van alle 
kanten daarheen toestroomen. Nu het land gezuiverd is van de roo- 
vers, die het verwoestten, zal de inboorling, onder de bescherming 
van den Staat en onder het bestuur der trouwgeblevene Araben, 
zich vreedzaam op den akkerbouw kunnen toeleggen, zonder voor- 
taan te moeten vreezen zijne velden verwoest en zijne rijkdommen 
ontvreemd te zien. De grond in Manyema is een der vruchtbaarste 
van geheel den Staat : men treft er al de voortbrengselen der keer- 
kringen in overvloed aan. Ja, men mag gerust verzekeren,dat de Euro- 
peanen, die zich aldaar met ter woon zullen vestigen in korten tijd 
tot welvaart en rijkdom geraken zullen. » 

De redevoering van bevelhebber Dhanis, met de aan den soldaat 
eigene rondheid uitgesproken, wordt op daverende toejuichingen 
onthaald. 

Voor het gezelschap te verlaten liet prins Albrecht zich de twee 
Araabsche opperhoofden voorstellen en had, door tusschenkomst van 
baron Dhanis, een lang onderhoud met hen. 



t^ DOODENLIJST. ^ 

Om de lijst der slachtoffers van de Araabsche barbaarschheid te 
volledigen, zullen wij hier eenige gebeurtenissen aanhalen welkev66r 
den krijgstocht van Dhanis plaats grepen, te weten : het rampzalig 



EERSTE DEEL. KAPITEIN DHANIS. 69 

einde van Hodister, van Debruyn en van Lippens, die door de wilden 
vermoord en opgegeten warden, alsook den deed van Emin-Pacha 
die hetzelfde !ot onderging. 

Heldhaftige zelfopoffering van den officier Debruyn. 

— Het volgende verhaal werd ons door eenen ooggetuige medege- 
deeld, te weten den heer Mohun, consul der Vereenigde-Staten, van 
wien reeds boven sprake was. 

De lezer zal zich herinneren hoe de Araben, tijdens den opstand 
der slavenhandelaars, zich van den gezagvoerder van den Vrijstaat te 
Kassongo, den heer Lippens, en van zijnen onderhoorige, Debruyn, 
hadden meester gemaakt. 

« Ik zal u het hartverscheurendste tooneel verhalen, zoo schrijft de 
ooggetuige, welke ik ooit te zien kreeg. Gij weet dat de Araben twee 
blanken gevangen hidden, Lippens en Debruyn, gezagvoerders van 
den Staat te Kassongo. De Araben zonden ons Debruyn ten einde de 
blanken aan te zetten om met 50 onzer mannen de Lomami-rivier 
over te varen en met Sefu in onderhandeling te treden. Wij wisten 
door onze spionnen, dat men ens een valstrik spande en dat men deze 
uitnoodiging deed met het doel zich van ons meester te maken. 

i Debruyn kwarh aan den oever der rivier, welke op deze plaats 
eene breedte van negentig meters heeft, en ving met ons, die op den 
tegenovergestelden oever stonden.een gesprek aan dat minstens een 
halfuur lang duurde. De Belgische officier was sedert 5 maanden om 
zoo te zeggen krijgsgevangene der Araben, en ik kon hem niet verlos- 
sen, daar de bevelen, die ik ontvangen had, mij oplegden den strijd 
niet te beginnen, en alleen, in geval van vijandelijkheden van den 
kant der slavenhandelaars, geweld met geweld te keeren. Scheerlinck 
Hep naar ons kamp om eenen brief aan Lippens te schrijven ; wat 
mij betreft, ik riep tot Debruyn : « Kunt gij zwemmen? » Hij ant- 
woordde mij : « Ja. » Daarop daalde hij den oever af, en gevolgd, 
op een meter afstands, door het Araabsch opperhoofd, begon hij zijne 
voeten in de rivier te wasschen ; 15 meters achter hem bevonden zich 
een veertigtal Araben, en, 400 meters verder, een tweehonderdtal 
andere slavenhandelaars. Ik geef bevel aan een tiental onzer beste 
schutters zich te verschuilen in het hoogstammig riet dat langs den 
oever groeit, en plaats er een tiental andere rondom mij. 

« Toen ik zag, dat mijne bevelen uitgevoerd waren, hernam ik het 
gesprek en riep tot Debruyn. 

« Is er iemand aan uwen kant die fransch verstaat? > Hij antwoordde 



70 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

mij : « Neen. » Dan sprak ik tot de mannen die in het riet verdoken 
zaten : € Kies elk uwen man en mik wel, ik gelast mij met het opper- 
hoofd » ; en ik riep tot Debruyn : « Ik kan u redden, ik heb goede 
schutters in het riet doen post vatten, spring de rivier in en zwem 
over. » Een akeh'g stilzwijgen volgde op deze woorden. Eindelijk, na 
een half minuut.antwoordde hij : « Ik dank u ; neen, ik kan en mag 
Lippens niet verlaten. » 

« En hij ging tot zijne bewakers terug. Wij zonden hem onze laat- 
ste druppels cognac, een stuk geweven stof en eenen brief voor 
Lippens. Verleden nacht hebben wij door eenige krijgsgevangenen 
vernomen, dat zijn hoofd met dat van Lippens tentoongesteld werd 
boven het paalwerk van Kassongo, de verblijfplaats van Typo-Tip en 
van zijnen zoon Sefu, en gelegen opdrie dagreizen van ons kamp. Bo- 
ven hetzelfde paalwerk, plaatsten de Araben ook de hoofden van negen 
andere Europeanen ; onder hen ken ik er drie die mij, toen ik door 
de koorts werd aangetast, met de grootste liefdadigheid verzorgden. 

De dood dezer dapperen werd later ruimschoots gewroken door de 
overwinningen die wij verhaald hebben, 

Luitenant Hodister. — Ziehier een beknopte levensbeschrij- 
ving van dezen ontdekkingsreiziger, in Juni of Juli 1892, door de 
Araben van Nserera vermoord. 

Alhoewel Hodister, in 1847, het levenslicht te Brussel zag, stamde 
hij nochtans, even als kapitein Jacques, van een Luxemburgsche 
familie af Hij diende met onderscheiding in het korps der Pauselijke 
zouaven, en maakte deel van de groep christene soldaten, die zich zoo 
heldhaftig gedroegen in het onderdrukken van den Afrikaanschen 
slavenhandel en aan wier spits kapitein Joubert uitschijnt. 

Vooraleer Midden-Afrika te doorloopen had hij, voortgestuwd door 
zijne zucht naar verre reizen, achtereenvolgens delndien.de Philippij- 
nen, Nieuw-Caledonie, Australie, Nieuw-Ierland en Nieuw-Bretagne 
doorreisd. Vervolgens trad hij in dienst van Spanje. Het was juist 
ten tijde der bekende oneenigheid tusschen deze mogendheid en 
Duitschland, wegens het bezit der Carolinen. Hij was aan boord van 
het schip, dat naar deze eilanden stevende om Spanje's rechten te 
doen eerbiedigen, toen de H. Vader Leo XIII bemiddelend optrad 
en het geschil in der minne bijlegde. Op zijnen terugtocht leed hij 
schipbreuk en redde verscheidene personen het leven. In zijne 
eenvoudigheid beschouwde hij deze moedige daad als iets, dat nau- 
welijks melding verdiende. 



EERSTE DEEL. KAPITEIN UHANIS. 7 I 

Als voortplanter der beschaving beschouwd, behoorde Hodister tot 
de school van Gordon en van Cameroon : hij verafschuwde het bloed- 
vergieten, en uitgenomen de dagen wanneer hij ter jacht ging, reisde 
hij gewoonlijk ongewapend. Wie weet of dit al te groote vertrouwen 
hem niet noodlottig is geweest ! Hij telde vele vrienden in Congo, 
zelfs onder de Araben, wat doet veronderstellen, dat, indien hij ge- 
marteld, gedood en opgegeten werd, zulks geschiedde door toedoen 
van betaalde sluipmoordenaars. 

Hodister wist de gevoelens van zijn levendig geloof in dichterh'jke 
volzinnen uit te drukken. Ziehier wat hij, weinige dagen voor zijn 
laatste vertrek uit Europa,aan eenen zijner brusselsche vrienden zegde: 
4' Gedurende de plechtige stilte der Afrikaansche nachten, wanneer 
duizenden sterren aan het hemelgewelf glanzen, hoor ik als 't ware de 
natuur, die haren Schepper begroet. Ik voel mij dan zoo dichtbij God, 
de schoonheid zijner werken en de menigvuldigheid zijner weldaden 
komen mij dan zoo klaar en zoo tastbaar voor, dat ik een dwaas of een 
trotsch mensch zou verdienen genoemd te worden indien ik dan niet 
zou gelooven en bidden... Nooit, voegde hij er bij, was ik zoo geluk- 
kig te gelooven in God en zijne Kerk te dienen als sedert mijne eerste 
reis in Afrika. » Deze woorden teekenen den man ; zij bewijzen ook 
at, indien het Congoleesche Werk, gelijk alle menschelijke onder- 
nemingen, een baat7.uchtigen kant heeft, het ook voorstanders telt, 
wier gevoelens van evenveel edelmoedigheid als belangloosheid 
getuigen. 

Tezelfdertijd als Hodister werden nog andere vertegenwoordigers 
van handelsmaatschappijen, gedurende den opstand der Araben, ter 
dood gebracht. Melden wij : 

Dok\.ex Jules Magery, geneesheer van den ontdekkingstocht, gebo- 
ren te Dinant, in 1866, en Jan-Baptiste Desmedt, geboren te Gent, 
met Hodister vermoord den 15 Mei 1892. 

Alfred Noblesse, geboren te Brussel in 1869, gedood, den lo*^" Mei, 
te Riba-Riba, waar hij aan het hoofd stond van den handelspost. 

Juliaan Pierret, geboren te Brussel in 1858, vermoord te Lhomo, 
den 176'^ Mei. 

Gaston Jour et, geboren te Brussel in 1869, gedood te Kibonge, den 
10^" Mei. 

Het was ook gedurende dezen ongelukkigen tocht, welke toevaliig, 
tot den opstand der Araben aanleiding gaf, dat de volgende personen 
aan ziekte bezweken : Alfred Mussche, van Gent, Pieter Chaiimont, 
van Luik, en fozef Goedseels, van Mechelen. 



72 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Rampzalig einde van Emin-Pacha. — Men kent de ge- 

schiedenis van dokter Snitzler, den zonderlingen duitschen gelukzoe- 
ker, die na bijna een koninkrijk gesticht te hebben, te Wadelaf, in 
Midden-Afrika, zich gedwongen zag de hulp der blanken in te roepen. 
Stanley verloste Snitzler uit zijn neteligen toestand en bracht hem 
naar Bagamoyo, aan de oostkust (1889). 

In plaats van naar Europa terug te keeren, vertrok limin in 't geheim 
naar de streek der groote meeren, alwaar hij eene bende Nubiers 
samenraapte en het westelijk deel van het Tanganika-meer afliep. 
Hij was op de boorden van den Congostroom aangekomen, niet ver 
van Kibonge, toen hij in de handen viel van eenige Araben, aange- 
voerd door Said, den Untenant van Muini-Mohara. 

Later gelukte het den heer Mohun, consul der Vereenigde-Staten 
de volgende inlichtingen van eenen der moordenaars van Emin in te 
win n en. 

«Mamba en ik, zeide de moordenaar, stonden recht bij den pacha. 
Op een teeken van het opperhoofd Kinena grepen wij hem elk bij 
eenen arm vast en hielden hem op zijnen stoel. Hij draaide zich om 
en vroeg ons wat wij met hem wilden aanvangen. Kinena zei hem 
dan : « Pacha, gij zult sterven. » Toornig riep Emin uit : « Wat heeft 
dit alles te beduiden ? Zegt gij dat uit scherts ? Wie geeft u~de macht 
om iemand ter dood te veroordeelen ? » Kinena antwoordde : 

« Ik veroordeel niet, ik heb het bevel ontvangen van Kibonge, die 
mijn overste is, en ik moet gehoorzamen. » 

« Emin poogde zich uit onze handen te rukken en zijnen revolver 
te grijpen, maar hij gelukte daarin niet. Kinena toonde hem dan den 
brief waarbij Kibonge den moord gebood. Emin las hem en na besta- 
tigd te hebben dat Kinena waarheid sprak, loosde hij een diepen 
zucht en sprak : 

« 't Is wel, gij kunt mij dooden, maar bedenk, dat de blanken 
mijnen dood zullen wreken, en dat eer twee jaren zullen verloopen, in 
deze streken, welke gij thans in uwe macht hebt, niet een Araab 
meer te vinden zijn zal. » Emin toonde geenen schrik ; alleenlijk 
beefde zijne stem een weinig, toen hij van zijn dochterken sprak. 

« Kinena gaf andermaal een teeken. De pacha werd opgenomen 
van zijnen stoel en op den rug op den grond uitgestrekt. leder van 
zijne beenen en armen werd door eenen man vastgehouden : ik hield 
het hoofd vast terwijl Mamba den hals afsneed. Emin bood niet den 
minsten tegenstand. Met een slag van zijn mes scheidde Mamba 
het hoofd half van de romp. Het bloed spatte op ons ; de pacha was 




Kapitein Alphonse Jacques, geboren te Stavelot, 
in 1858, aanvoerder der eerste karavaan tot be- 
strijding van den slavenhandel. (iSgi-g?-) (Zie W. 7S.) 




Luitenant Hodister, geboren te Brussel, in 1847: vermoord 
in Congo in 1892. (Zie bl. 70.) 



EERSTE DEEL. KAPITEIN DHANIS. 



/D 



dood. Mamba sneed nu het hoofd geheel af, en Kinena zond het naar 
Kibonge. Wij lieten het lichaam waar het lag. » 

Men vernam later, dat het lichaam van Emin door Manyema's 
opgegeten ward ; al de Nubiers van zijn gevolgondergingen hetzelfde 
lot. 

Zoo was het droevig einde van den zonderlingen man, die in zijne 
loopbaan dagen van roem en vermaardheid had geteld. 

Zijne papieren en boeken, waaronder men eenen Bijbel en een 
afschrift van den Coran aantrof, alsook een deel zijner verzamelingen 
werden aan Dhanis overhandigd, die ze naar Europa zond. Men mag 
het Emin tot eeuwige schande en oneer aanrekenen de Muzelmansche 
zeden en gebruiken gedurende zijne zwerftochten te hebben aange- 
nomen. 

De moordenaar Said, door Ponthier krijgsgevangen genomen, 
werd gevonnisd en doodgeschoten. 

Na deze schitterende overwinningen door de Belgen op de Araben en hunne 
bondgenooten, de slavenhandeldrijvende negers, behaald, kon men een aan- 
vallenden terugkeer van den vijand verwachten. Deze greep inderdaad plaats 
in 1896, aan de Opper-Ubanghi, waar de afval van een deel der Congoleesche 
zwarte troepen den dood van verscheidene Belgische officieren voor gevolg had. 
De bevelhebber Dhanis was gedwongen naar Congo terug te keeren om de orde 
te herstellen, en luitenant Henry deed de oproerlingen een volkomene nederlaag 
ondergaan. Eenigen tijd daarna trok kapitein Chaltin tot aan de bronnen der 
Quelle vooruit, versloeg de Mahdisten te Redjaf, aan den Nijlstroom, en bezette 
de provincie Lado door Engeland in pacht afgestaan. Ook te Redjaf sloeg kapi- 
tein Hanolet, in 1898, een onverhoedschen aanval der dervichen af, die verschei- 
dene blanken hadden vermoord. 

Nu de Engelschen Karthoum ingenomen hebben, en de Belgen en Franschen 
erin gelukt zijn zich aan den Boven-Nijl te vestigen, mag men eindelijk hopen, 
dat niet alleen deheerschappij van den Mahdi weldra ten einde zal zijn, maar ook 
dat de slavenhandel geheel en al in Midden- Afrika uitgeroeid zal worden. 

Aldus zal het doel bereikt zijn, dat Leopold II zich voor twintig jaren voor- 
stelde. 

(Aanmerking bij de derde id I gave.) 



TWEEDE DEEL. 



KAPITEIN JACQUES EN DEBELGISCHE KRIJGS- 



TOCHTEN TEGEN DE SLAVENH ANDELAARS. 




EERSTE HOOFDSTUK. 
Van Belgie naar Tanganika. 

§ I. — De vier krijgstochten. 
^E AFRIKAANSCHE KRUISVAART. 

.:? — Het was in het jaar 1890, dat de groote Paus 
5: ■ Leo XIII, den primaat van Afrika,den doorluchtigen 
^5:1 kardinaal Lavigerie, aartsbisschop van Algiers en 
'-3^ Karthago, de zending opdroeg een nieuwe kruis- 
vaart in Europa te prediken, tot vrijmaking van de 
millioenen negers, die de Araben in hunne strooptochten als wilde 
dieren najagen, met ongehoorde wreedheid behandelen en als slaven 
wegvoeren cm hen aan wellustige en bedorven meesters te verkoopen. 

De welsprekende en overtuigende stem van den grooten redenaar 
weerklonk eerst te Parijs, vervolgens te Londen en te Brussel ; overal 
deed zij gevoelens ontstaan van medelijden met het ongelukkige lot 
onzer verdrukte breeders, en van verontwaardiging tegen devolgelin- 
gen van Mahomed, de bewerkers van zoo groote onteering der mensch- 
heid. 

In verscheidene landen van Europa kwamen aanstonds Vereenigin- 
gen tot stand met het doel de noodige gelden in te zamelen tot het 
inrichten van krijgstochten ter bestrijding van den slavenhandel ; en 
devvijl de gewesten van het binnenland en oosten van Afrika het 
meest door de menschenjacht geteisterd werden, besloot men eerst 
en vooral daar beschermend op te treden. 

I\Ien vertrouwde aan het kleine Belgie, dat hoogen prijs er op stelde 
zijn aandeel in de kruisvaart te hebben, en dat eigenlijk het eenige 
land was, dat werkdadig optrad, de onmetelijke streken van den 
onafhankelijken Congostaat, gelegen in het hartje van Afrika en 
onlangs gesticht door den oppergezagvoerder koning Leopold II. 

Terwijl de troepen van den Vrijstaat in het westelijk- en midden- 
gedeelte van Congo de orde handhaafden, richtte de Maatschappij 
van slavenhandel-bestrijding, onder toezicht van het Brusselsche 



SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 'J'J 

Comiteit, achtereenvolgens verscheidene krijgstochten in en zond die 
naar het Tanganika-meer. 

Het rechtstreeksche doel was hulp te brengen aan den heldhaftigen 
franschen kapitein Joubert, die zich sedert twaalf jaren, tot verdediger 
der Witte-Paters, op de verwoeste boorden van het Tanganika-meer 
had aangesteld. 

Van 1890 tot 1893 telde men vier Belgische krijgstochten. 

I. De eerste, samengesteld uit den luitenant Hincq en twee vrij- 
wilh'gers, de heeren P. de Kerckhoven en Cainille Ectors, vertrok uit 
Antwerpen, den 17^0 ju^i 1890, en richtte zich naar het Westen. De 
reizigers waren voornemens stroomopwaarts deoevers van den Congo 
en van den Lomami te volgen tot aan Bena-Kamba, om van daar het 
Tanganika-meer te bereiken. Maar de opstand der Araben, waarbij 
Hodister het leven inschoot, dwong hen naar Europa terug te keeren. 

II. De tweede krijgstocht was gelukkiger. Hij vertrok uit Rotter- 
dam, den 29^" April iSpi.onder bevel van kapitein Jacques, vergezeld 
van de Heeren Renier, Docquier, en Vrithoff, en kwam, den 7 Juni, 
te Zanzibar aan. Spoedig had men het Tanganika-meer bereikt alwaar 
het fort Albertville werd opgebouwd. VrithofT, tot luitenant van 
Joubert aangesteld, sneuvelde roemrijk in een gevecht met de Araben. 
Voor meer bijzonderheden leze men het daarover door mij ge- 
schreven werk (i). 

III. De derde vertrok, het volgende jaar, onder geleide van luite- 
nant Long. Onder degenen, die er aan deel namen, telde men twee 
officieren, Duvivier en Deniol, alsook de Heeren Detiege, Moriame 
en Moray. Evenals bij den vorigen tocht ging men scheep te 
Rotterdam, den 3^" April 1892, om langs het Oosten door Zanzibar 
en Tabora, het binnenland te bereiken ; maar de onderneming onder- 
ging groote vertraging door den opstand der Araben tegen de 
Duitschers. 

IV. Eindelijk vertrouwde men het bevel over den vierden krijgstocht 
aan kapitein Descamps en zijne twee onderhoorigen, de Heeren Miot 
en Chargois. Deze laatste tocht welken men den naam van Jmlpveld- 
toclit gaf, werd ingericht op aanvraag van kapitein Jacques, die 
dringend het Comiteit verzocht hem twee kanonnen en krijgsvoorraad 
te zenden. Ditmaal volgde men den Zambezisstroom en het Nyassa- 

I. Alexis Vrithoff, adjoint des capilairies Jacques ei Joubert au Taftganika, in-8° 
van 192 bl. met platen opgeluisterd. Desclee,De Brouwer, Brugge. 



78 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

meer, en.deii 22^" October i893,ontmoette men Jacques te Abercorn, 
aan den zuidelijken oever van het Tanganika-meer. 

Hier moeten wij ook melding maken van den tocht der Heeren 
Delcommune, Diderrich, Briart en Cassart, ondernomen tot het uit- 
breiden van den koophandel. Deze Heeren kwamen toevallig, den 
23^" Augustus 1892, te Albertville aan en leenden hunne medehulp 
bij het innemen van eene Araabsche boma der omstreken. 

§ II. — De krijgstocht van kapitein Jacques. 

Het vertrek. — Daar de krijgstocht van kapitein Jacques de 
voornaamste is der vier, zullen wij, in deze bladzijden, er oiis bijzon- 
der mede bezig houden, en bij gelegenheid de gewichtigste voorvallen 
der twee volgende tochten, die ermede in verband staan, aanstippen. 

De dappere officier, met wien wij de eer hadden kennis te maken, 
en wiens breeders in ons gesticht van Carlsburg ter school gingen, is 
de zoon van den notaris Jacques van Vielsalm (Luxemburg), en 
werd geboren te Stavelot (provincie Luik) den 24^" Februari 1858. 

Zijn oudoom, Theodore Jacques, gestorven dit jaar (1895), was 
afgevaardigde voor het Nationaal Congres van 1830. 

Alphonse Jacques volgde de loopbaan der wapenen en werd in 
1886, als bijgevoegde-kapitein in den Staf aangenomen. 

Reeds had hij.tijdens eene eerste reis, verschillende jaren in Congo 
doorgebracht, toen men hem, in 1891, het bevel over het expeditie- 
korps toevertrouwde (i). Hij vertrok uit Brussel naar Rome, waar 
Zijne Heiligheid Leo XIII hem in bijzonder gehoor ontving. De 
Heilige Vader had een lang gesprek met hem, en al het goede besef- 
fende, dat voor godsdienst en beschaving uit den veldtocht voort- 
spruiten zou, schonk hij zijnen zegen aan de Belgische onderneming, 
aan haren bevelhebber en onderhoorige medehelpers, en zond hen 
eenige geestelijke herinneringsgeschenken. 

Jacques vertrok, den 13^" Mei, naar Napels, waar hij Docquier, 
VrithofT en den onderluitenant Renier, aldaar uit Rotterdam per 
stoomboot aangekomen, aantrof. 

Den 7^" Juni, kwamen onze vier Belgen in goede gezondlieid te 
Zanzibar aan. 

Na hunne karavaan te Bagamoyo gevormd te hebben, trokken zij 
van daar, den 13*^" Juli, het binnenland in. 

I. Deze bijzonderheden zijn ontleend aan het werk Mouvement anttesclavagtste, 
door het Comiteit van het Werk te Brussel uitgegeven. 



TWEEDE DEEL. KAPITEIN JACQUES. 79 

Laten wij het woord aan onzen kapitein, die zelf de reis te lande 
vertellen zal. 

Van Bagamoyo tot Mpoua-Poua. — Mijne karavaan telde 
500 pagazi 's (lastdragers) en 100 askari 's (soldaten), waaronder 60 
Wangwana 's en 40 Ounyamouesi 's. Bij dit getal moet men nog 750 
pagazi 's voegen (mannen, vrouwen en kinderen), de familieleden der 
soldaten, die hunne eigene goederen droegen. Daarenboven trofifen 
wij te Jangue-Jangue een kleine karavaan aan op weg naar Ujiji, 
welke zich bij ons aansloot, 't geen voor gevolg had dat mijne safari, 
toen wij den 7^" Augustus te Mpoua-Poua aankwamen, niet minder 
dan 1600 koppen bedroeg. Niets merkenswaardigs gedurende dit 
eerste deel onzer reis. 

Van Mpoua-Poua tot Tabora. — in al de dorpen, welke 
wij doortrokken toonden de inboorlingen zich zeer inschikkelijk; ove- 
ral vonden wij mondvoorraad in overvioed en aan zeer billijke prijzen, 
en water ontbrak ons nooit. Gedurende onze derdedagreis na Mpoua- 
Poua greep een voorval plaats dat, naar het schijnt, zich niet zelden 
in deze streken voordoet ; gelukkig had het niet al te erge gevolgen : 
in de pori Chounio, gelegen op het Marengu-Mkali-grondgebied , 
werd een mijner pagazi's door eenen lanssteek gedood ; maar de die- 
ven hadden den tijd niet de pakken te bemachtigen en werden door 
onze aankomst verdreven. De acht volgende dagen leverden niets 
merkwaardigs op ; alleenlijk vonden wij overal ontvleesde geraamten 
die getuigenis gaven van de schrikkelijke verwoestingen door eene be- 
smettelijke ziekte in Ougogo onder menschen en dieren aangericht. 
Ik ervoer 00k dat de prijzen der eetwaren gedurig klommen, 't geen 
waarschijniijk toe te schrijven was aan den buitengewoon slechten 
oogst van het jaar. 

Achtereenvolgens legerden wij in de dorpen Mougni, Gallou, San- 
ga, Spala, Djassa, Momadedeen Hindi, wier opperhoofden mij telkens 
eenige kleine geschenken aanbrachten, welke ik hun in geweven stof- 
fen van gelijke waarde terugbetaalde. Nergens vroeg men ons de 
hango (doortochtsrecht). Den ip^'i Augustus, legerden wij aan de 
Polonga-rivier, in eene vlakte dicht bij het dorp Samboubou. 

In Ougogo. Aanval der inboorlingen. — 's Anderen- 

daags besloot ik te legeren te Mackengue, dat op eenen afstand van 
4 mijlen lag. De karavaan trok rustig vooruit, en de pagazi 's stapten 



8o SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

ZOO dicht achtereen als hunne pakken het toelieten. Onze karavaan 
had eene lengte van 5 tot 6 kilometers, 

« De inboorlingen, buiten hunne tembes in groepen verzameld 
zagen ons vol nieuwsgierigheid voorbijtrekken, maar zonder eenige 
vriendschappelijke of vijandelijke gevoelens te laten blijken. Oponge- 
veer 3 kilometers afstands der tembes van Daboulou.dagen eensklaps 
verscheidene benden gewapende mannen op, en terwijl eenige onder 
hen redetwisten, plaatsen zich de andere aan beide zijden der baan 
die wij volgen, op eenige stappen afstands van onze dragers; herhaalde 
malen zelfs gaan zij, dwars door de reien onzer pagazi 's, die zij op 
zijde duwen, de straat over. Zonder zich aan deze vreemdsoortige 
handehvijze te storen,zetten onze lastdragers hunnen weg voort. Nau- 
welijks echter waren wij een driehonderdtal meters deze woelzieke 
gasten voorbijgegaan, toen een onder hen de anderen toeroept : 

« Het is toch eene schande voor ons ze alzoo te laten voorbijtrek- 
ken ! Op deze vvoorden zet de geheele bende zich in beweging en ver- 
volgt ons met haar geschreeuw. Bijnaop hetzelfdeoogenblik verschij- 
nen van achter de tembes van Daboulou, waar zij zich verscholen 
hielden, eenige andere gewapende groepen, en vallen onze karavaan 
aan : de pijlen en werpspiezen snorren in menigte door de lucht. Mid- 
delerwijl hadden de benden die wij eerst voorbijgegaan waren, ons 
achterhaald en wierpen naar ons met hunne spiezen. Twee askari 's 
worden gedood aan mijne zijde, drie andere gevaarlijk gekwetst. 

« Het bleek nu, dat wij met een wel beraamden aanval te doen 
hadden : onze vijanden ten getalle van 600, hadden besloten de kara- 
vaan te vernietigen, Aan teruggaan viel niet te denken, en hulp was 
er niet te verwachten, zoodat wij ons gedwongen zagen, wilden wij ons 
redden en een onherstelbare ramp voorkomen, van onze wapens 
gebruik te maken. 

« De aanval werd dus afgeslagen, en wij vorderden onzen weg tot 
aan Mackengue, waar wij ons kamp opsloegen. 

€ Den volgenden dag rustten wij uit, en den 22^" braken wij het 
kamp op, zonder ons van mondvoorraad te hebben kunnen voorzien. 
Gedurende den geheelen tocht warden wij op een honderdtal stappen 
gevolgd door eenige woestaards uit Mackengue en Daboulou. Terwijl 
wij de tembes van Tiwe voorbijtrokken, vermoordden zij, op eenen 
afstand van omtrent vijftig meters achter ons, vier zieken die zich met 
moeite voortsleepten. Ik had hen door eenige wel gerichte geweerscho- 
ten kunnen beletten deze euveldaad te begaan, maar dit had kwalijk 
opgenomen kunnen worden door de mannen van Tiwe, die nietgeaar- 




KARDINAAL LAVIGERIE, 

primaat van Afrika, voorstander der tochten tot bestrijding van den slavenhandel, 

overleden te Algiers in 1892. (Zie bl. 76.) 



Soldaien en missionarissen in Congo. 



! 



TWEEDE DEEL. — KAPITEIN JACQUES. 83 

zeld zouden hebben met hunne vrienden van Mackengue samen te 
gaan. 't Is overlgens vvat deze laatsten beoogden;zij verlangden mijne 
karavaan te vernietigen gelijk een Araabsch reisgezelschap dat 
onlangs tot den laatsten man vermoord werd. Zij bleven zelfs met dit 
doel, op eenige honderde meters afstands van ons kamp op den loer 
staan. Het gevolg van dit alles was dat mijne mannen dien dag geen 
mondvoorraad konden koopen. 

«'s Anderendaags naderen wij de tembes gelegen aan den voet van 
den Kilima-Tinde : de inwoners van het dorp, opgehitst door onze 
hardnekkige vervolgers der drie vorige dagen, verzetten zich tegen 
onzen doortocht. Zij schieten op ons, en een kogel doorboort het been 
van een mijner mannen. Eenige geweerschoten jagen hen voor het 
oogenblik op de vlucht : maar terwijl wij den berg beklimmen ver- 
nieuwen zij hunnen aanval en dooden eenen achterbh'jver. Eindelijk 
bereiken wij het dorp Kih'ma-Tinde zonder andere verh'ezen te moe- 
ten betreuren. Het opperhoofd van Kilima-Tinde komt mij te gemoet 
en verzekert mij van zijne vredelievende inzichten. Ik neem deze 
goede gesteltenis te baat om een einde te stellen aan die gedurige 
aanvallen welke dagelijks aan den eenen of anderen onweerbaren 
sukkelaar het leven kosten. Op mijne aanvraag doet het opperhoofd 
van Tinde de mannen van Samboulou, Daboulou, Mackengue en 
Tiwe, die den oorlog tegen ons zijn komen aanprediken, door zijne 
onderdanen streng bewaken. 

« Wij trekken zonder ongeval door Gonda-Mkali, vervolgens door 
de heerlijke dorpen van Ounyanyembe, wier inwoners zich zoo rustig, 
vredelievend en inschikkelijk toonen, als die op de grenzen van Ou- 
gogo onrustbarende, woelzieke en vijandelijke gevoelens aan den 
dag legden. » 

Aankomst te Tabora. — Den y^^ September (den 58^^ dag na 
het vertrek uit Bagamoyo), na 48 dagreizen en 10 rustJagen kwam de 
karavaan te Tabora aan, waar men reeds kennis gekregen had van den 
aanval der inhoorlingen van Mackengue. De negers hadden echter, 
naar gewoonte, dit voorval erg overdreven en zich als ooggetuigen 
van onrustbarende gebeurtenissen aangegeven. Dezegeruchten waren 
den kapitein zeer nadeelig en verhinderden grootelijks het aanwerven 
der noodige pagazi 's tot het dragen der pakken. De karavaan moest 
immers te Tabora geheel hervormd woiden, en zoo werd Jacques ge- 
dwougen, van y^^ tot 24^" September, daar te vertoeven. Gelukkig 
ontmoette hij den Duitschen luitenant Sigl, die in de omstreken 



84 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

eenen krijgspost had opgericht en met een kanon en 70 soldaten een 
honderdtal Araben en hunne 25000 Wangwana's en Ounyamvvesi- 
slaven in bedwang hield. 

Maar geven wij het woord weder aan den kapitein, en halen vvij 
uit zijn dagboek eenige uittreksels aan, die betrekking hebben op het 
vervolg der reis. 

Van Tabora naar Karema. — Donderdag 24.^ September. 

« Na afscheid genomen te hebben van den Duitschen officier, die ons 
ten ontbijt had uitgenoodigd, begeven wij ons op weg om het laatste 
deel der reis af te leggen, 

Vrijdag 2$'"'^. — « Vertrek om 7 ure : heerlijke streek, zeer rijk en 
zeer bevolkt ; het groene kleed der velden en der boomen vervrooh'jkt 
overal onze blikken ; walk een verschil met de dorre landen, die wij 
vooraleer Tabora te bereiken doorloopen hebben : de boomen waren 
daar doorgaans van hunne bladeren beroofd en herinnerden ons aan 
den herfst in Belgie. 

Zaterdag 26'^'^. — « Twaalf pagazi's hebben dezen nacht hunne pak- 
ken in den steek gelaten en vijf askari 's zijn ontvlucht ; drie andere 
zijn om reden van onpasselijkheid, achtergebleven. Eenige Gombozi's 
torschen de achtergelaten pakken op de schouders en om 7 ure kun- 
nen wij de reis voortzetten ; vlakke, zandachtige grond, veel brood- 
wortels, mtama, koren, enz. Om half twaalf slaan wij ons kamp op 
te Toutouwo. Omstreeks 2 ure teekende de warmtemeter 42° centi- 
graden. 

Dinsdag ^p^". — « Nauwelijks hebben wij de tembes van Mapoli- 
ma achter den rug, toen men opeens de trommen duchtig roert ; de 
rammelaars en beltrossen worden hevig geschud, de schelle tonen der 
fiuitjes en het geschreeuw uit honderden borsten doorscheuren de 
lucht. Dit oorverdoovend lawaai wordt gemaakt ter eere van eenige 
gelukkige jagers die zegevierend ons komen aankondigen, dat zij 
eenen olifant gedood hebben. 

Donderdag 7^" October. — « Om 5 ure breken wij het kamp op : 
hier en daar ontwaart men eenige boomen te midden van onafzien- 
bare vlakten ; daarop volgen uitgestrekte bosschen. Onderweg ont- 
moetten wij op eene oppervlakte van omtrent 200 hektareO; i ever- 
zwijn, 8 giraffen, 6 antilopen en 2 hazen. 

Zaterdag j^". — « Op onzen weg tusschen het dorp en de mtoni 
Ougalla, waar wij om 10 ure aankwamen, zagen wij meer dan 150 
antilopen van alle soorten, en ten minste evenveel zebra's. Welk 



TWEEDE DEEL. KAPITEIN JACQUES. 85 

een aardsch paradijs voor de jagers ! De leeuwen zijn 00k van dit 
gevoelen, want het schijnt, dat zij hier hun hoofdkwartier hebben op- 
geslagen. 

« Wij behoeven niet lang te zoeken naar eene legerplaats en slaan 
onze tenten op aan de boorden van de mtoni welker glooiing 4 tot 5 
meters bedraagt. Hier en daar ontwaart men poelen van stilstaand 
water, vvaarvan sommige eene diepte hebben van 2 tot 3 meters en 
waarin een menigte rivierpaarden zich komen verlustigen. 

« In een van deze poelen, welke eene oppervlakte heeft van 80 
meters lengte op 20 breedte, schuilen ten minste 20 rivierpaarden 
en 100 krokodilen. Gemakkelijk geplaatst op de boorden der mtoni, 
schieten wij van op eenen afstand van 10 meters naar deze bevveegbare 
mikpunten. Tegen den avond lagen er 5 rivierpaarden en 5 krokodilen 
op den rug. 

^^" October. — « Twee rivierpaarden, die wij gisteren doodelijk 
kwetsten, worden buiten het water verrast door onze pagazi's, die hen 
vervolgen en met lanssteken afmaken. Het getal slachtoffers bedraagt 
dus zeven. Indien men nu aanneemt, dat ieder der gedoode rivier- 
paarden 1500 kil, woog, 't geen voorzeker weinig is, bekomt men 
een totaal van meer dan tien duizend kil. vleesch, waarvan 's avonds 
geen spier meer te vinden was. Hoe vindt gij de magen onzer 
Ounyamwezi 's ? 

<i De maan is heden in haar eerste kwartier ; de inassika (regensei- 
zoen) begint met haar laatste. 's Nachts hebben zich de leeuwen bij 
de hyena's aangesloten om ons een helsch concert te brengen. Deze 
nieuwsoortige zangers werden nochtans op betamelijken afstand ge- 
houden door welonderhoudene vuren en door eene omheining van 
afgehakte boomtakken waarachter wij ons schuil houden. 

Zondag 11^^ October. — « Om 5 ure worden de tenten opgerold, en 
ik geef bevel op weg te gaan, ten einde de bepaalde rustplaats te be- 
reiken, voor de zon al hare kracht verkregen heeft. Maar de pagazi's 
denken daar anders over en brengen alle slag van voorwendsels in 
om den dag in rust te mogen overbrengen. Ik houd stand : ik heb 
besloten dat wij heden nog in de aangeduide/^77 aankomen zouden, 
en daar is het dat wij goed- of kwaadschiks vernachten zullen. 

De mannen zetten een lang gezicht en gaan al morrend en schoor- 
voetend naar hunne pakken, maar opeens gaan zij op de vlucht en 
in een oogwenk zijn er een honderdtal in alle richtingen verdwenen.Ik 
roep aanstonds de hulp in der Askari 's, die de vluchtelingen nazetten 
en welhaast een vijftiental hunner terugbrengen ; de anderen door 



86 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

hunnemakkers wedergeroepen,keeren langzamerhand terug; eindelijk 
na den muiters de verdiende bestraffing toegediend te hebben, bege- 
ven wij ons op weg : maar dit alles heeft ons een kostelijken tijd 
doen verliezen, en het is reeds twee ure vvanneer wij te Simbo aan- 
komen, waar wij een weinig water vinden. Wij hebben een stikkende 
hitte gehad, en de weg voerde door een pori waardegrond met lage 
en doornachtige struiken begroeid was. — Menigvuldige sporen van 
buffels en olifanten. 

Maandag 22«^" October. — Tegen den avond wordt mij een brief 
overhandigd door den aanvoerder eener karavaan. Oordeel over mijne 
ontroering toen ik het zegel breek en onderaan den naam van Jou- 
bert lees. Hij leeft dus nog, en de toestand is ver van wanhopig te 
zijn. 

Vrijdag 16^'^ October. — « Ten 5 ure zijn wij reeds op weg. Onze 
laatste reis zal lang wezen en alles voorspelt een heeten dag. Het 
landschap levert een treurig uitzicht op: eenige schrale gewassen ver- 
toonen zich hier en daar tusschen de keien die den grond bedekken. 
Maar dat is het niet \vat onze aandacht boeit : onze blikken richten 
zich ondervragend naar den gezichteinder ; 't is het Tanganika-meer, 
dat wij zoeken; wie zal het eerst ontdekken ? Eindelijk, kwart voor een 
uur, vertoont zich in de verte een lange blauwe streep als met een zil- 
veren boord omzet; zij wordt begroet met den driedubbelen kreet van 

Hoera Tanganika ! 

<i Tien minuten daarna, aan eene bocht van den weg, vertoont zich 
eensklaps het fort Leopold aan ons oog. Op dit oogenblik kan ik de 
ontroering niet bedwingen, die mij geheel overmeestert, en voor 
mijnen geest doemen de helden op aan wier onverschrokkenheid en 
zelfopoffering wij te danken hebben, dat de blauwe vlag van den 
Vrijstaat te midden dier barbaarsche landen op de geduchte vesting 
wappert. » 

Kapitein JACQUES. 
Karema, 16 October 1891. 



III. Te Baudouinville. Kapitein Joubert. 



De karavaan van kapitein Jacques werd met opene armen door de 
zendelingen of VVitte Paters van Algiers te Karema ontvangen : 
nadat de oostelijke kust van het Tanganika-meer aan Duitschland 
was toegewezen geweest, had Koning Leopold hun dezen post toe- 
vertrouwd. 



TWEEDE DEEL. KAPITEIN JACQUES. Sy 

Dewijl er voor het oogenblik geene vaartuigen voorhanden waren, 
was men gedwongen aldaar acht dagen te vertoeven. TCapitein Jacques 
zond echter onmiddellijk den jongen Alexis Vrithoflf naar Joubert om 
den kapitein, dien hij wist in grooten nood te verkeeren, ter zijde te 
staan. Vrithoff ging scheep met de laatste overvarenden van de kara- 
vaan die, onder bevel van kapitien Stairs, eenige dagen te voren aan 
de kust aangekomen was. 

Toen de vaartuigen, den 30'''^ October, te Karema teruggekeerd 
waren, vertrok de bevelhebber met al zijne manschappen en kwam 
eindelijk te St-Lodewijk van Mirumbi aan, alwaar hij Joubert aantrof 
en de hem door het Comiteit der pauselijke zouaven toevertrouwde 
hulpmiddelen overhandigde. De post van St-Lodewijk werd gesticht 
door Joubert en is gelegen aan den westelijken oever van het meer, 
op tien mijlen afstands van Mpala. Zooals men wel denken kan was de 
ontmoeting der twee officieren zeer hartroerend. 

Ontmoeting van Joubert. — « Laus Deo, schrijft de Belgi- 
sche kapitein, den 4^" November, Laus Deo ! 

« Ik heb dus het doel bereikt en dat nog eerder dan gij verwacht 
hadt. Ik heb kapitein Joubert gezien, en hem in naam van al mijne 
vrienden uit Europa den broederkus gegeven, Dit was een der geluk- 
kigste oogenblikken van mijn leven : en de kapitein hoe gelukkig 
gevoelde hij zich ! Welk een goede en heilige man ! Waarlijk, hij 
verdient de belangstelling welke hij bij ons heeft opgewekt ! Daarbij 
zijn zijne bescheidenheid, en nederigheid ongelooflijk : nooit hoort 
men hem een woord reppen over zich zelven of over zijne roemrijke 
wapenfeiten. 

« Niettegenstaande zijn langverblijf inde keerkringgewesten,druk- 
ken zijne vijftig jaren niet al te zwaar op zijne schouders : t' is waar, 
door het gestadig werken en zorgen gaat hij een weinig gebogen, en 
is het gezicht een weinig verzwakt, maar die kleinigheden worden 
zelfs niet opgemerkt als men het gezonde enkloeke gestel in het alge- 
meen beschouwt. De kapitein is klein, mager en zenuwachtig en 
heeft als hoofdhoedanigheid een buitengewone werkzaamheid. Ik 
stond verbaasd bij al het werk, dat hij, in de bijzonder ongunstige 
voorwaarden, waarin hij zich bevindt (men vergete toch niet, dat de 
Araben hem geen oogenblik rust laten) heeft weten te verrichten. 

« De krijgspost van St-Lodewijk is gelegen op 7° i' zuiderbreedte, 
op eene dagreis van Mpala, twee kilometers van den oever van het 



88 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

meer en drie mijlen van den Mirumbi, wiens blauwachtige kruin 
men gemakkelijk van de kust kan onderscheiden ; van den krijgspost 
evenwel kan men den berg niet ontwaren daar het gezicht door 
eenige hoogstammige boomen belemmerd wordt. 

«De grond is zeer oneffen en men vindt er moeilijk geschikte plaat- 
sen tot het stichten van versterkte dorpen. 

« Kapitetn Joubert moest zich tevreden stellen met eene strook 
lands van 200 meters lengte bij 20 breedte, welke hij benuttigde tot 
het oprichten eener boma, maar ofschoon de hutten zoo weinig mo- 
gelijk plaats besloegen was de boma welhaast te klein om al degenen 
te bevatten, die eene schuilplaats binnen hare muren kwamen zoeken. 
Een tweede kleine vlakte, door eene diepe en steile bergkloof van 
de eerste gescheiden, werd toen verkozen tot het bouwen eener 
andere boma. Daar verschanste Joubert zich met eenige vastberadene 
mannen. Toen ik aankwam was men bezig de kapel te voltooien, 
waar Pater Van Oost, uit de zending van Mpala, van tijd tot tijd het 
H. Sacrificie der Mis opdraagt. 

« Missionaris en soldaat tezelvertijde geeft de kapitein het christen 
onderwijs aan de talrijke kinderen, die hij ofwel gewapenderhand 
aan de slavenhandelaars ontrukken kan, ofwel die hij hun afkoopt 
met de geringe geldmiddelen, waarover hij beschikt. Hij is het die 
hun den catechismus uitlegt, die hun een ambacht leert, die hen op- 
past wanneerzij ziek zijn. En men denke niet dat hij eenen mede- 
helper heeft om hem deze lastige taak te vergemakkelijken ; neen, de 
kapitein verricht alles alleen met een engelachtig geduld en een 
wonderbare zelfopoffering. 

« Ik zal maar eenen trek aanhalen, waarvan ik ooggetuige was. 
Geh'jk ik u reeds deed opmerken, sloeg onze aankomst de plannen 
van Rumaliza den bodem in, en hij moest van zijn beslissenden 
aanval op Joubert's boma afzien, 

« De vijandeh'jke voorposten bevonden zich in een versterkt kamp 
op twee mijlen afstands van St-Lodewijk. Zoodra zij vernamen, dat 
wij aan het Tanganika-meer met hulptroepen en l-:rijgsvoorraad voor 
den kapitein aangekomen waren, maakte hun overmoed plaats voor 
een hevigen schrik en gedurende den nacht trokken zij heimelijk af. 
's Anderendaags vonden de soldaten van Joubert de boma en de nabij- 
gelegene hutten gansch verlaten.Ik bedrieg mij nochtans: de onmen- 
schelijke beulen hadden, in hun haastige vlucht, er niet aan gedacht 
een zeven of achtjarig meisje mede te nemen of geheel af te maken, 
dat zij in een grooten aarden pot (gemeenlijkgebruikt tothet koken 



TWEEDE DEEL. — KAPITEIN JACQUES. 89 

der spijzen) opgesloten hidden. Het kind verkeerde in een onbe- 
schrijflijken staat van verval, en was zoo mager, dat het eerder aan 
een geraamte dan aan een menscheh'jk wezen geleek : men moest het 
helpen om overeind te zitten en het tegen eenen muur plaatsen om 
het evenwicht te kunnen behouden ; wanneer het begeerde te rusten 
of voedsel noodig had, was er iemand noodig om het plat te leggen 
en de spijs toe te dienen : de weinige krachten, welke het ongelukkige 
schaap nog overbleven, uitten zich door zuchten en kermen. Het is 
.de kapitein, die dit kind oppast ; twintigmaal en nog meer staat hij 
's nachts op om het te verzorgen, en gedurende den dag overlaadt hij 
het, eene teedere moeder geh'jk, met liefkoozingen. 

i Het Marungu-grondgebied wordt door de menschenjagers afge- 
loopen, en, om aan de slavernij te ontsnappen waarmede zij gedurig 
bedreigd wordt, heeft de bevolking harewoningen verlaten om onder 
deonmiddellijke bescherming van den kapitein een weinig rust te vin- 
den. Zoo werden in min dan vijftien maanden, zeven nieuwe dorpen 
rond de boma van Joubert opgebouwd, en de bevolking van St-Lode- 
wijk beloopt heden tot zes duizend zielen. 

€ Met zulk een getal ware er middel om iets aan te vangen, indien 
er wapens voorhanden waren ; ongelukkig ontbreken zij. In het vorige 
jaar hadden vele inboorlingen, bij gebrek aan buskruit, besloten zich 
van hunne geweren te ontdoen. De missionarissen kochten ze op en 
overhandigden ze aan Joubert. Maar wat hebben eenige oude en ver- 
sletene wapens te beduiden wanneer het geldt tegen welgewapende 
en talrijke vijanden op te trekken ? 



TWEEDE HOOFDSTUK. 
De Oorlog aan het Tanganika-meer. 

§ I. De verkenning van de Oostkust. 
E TOESTAND DER ARABEN. — Onmiddel- 

lijk na zijne aankomst te Mpala onder het gastvrije dak 
der Witte Paters, gingjacques op verkenning der streken, 
welke hij gelast was te bezetten, ten einde eene geschikte 
plaats tot het bouwen eener sterkte te zoeken. 
Den i^n December begeeft hij zich met 20 scheepslieden en 40 sol- 




90 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

daten aan boord van de missieboot de Yusufu (de Jozef). De eer- 
vvaarde Pater Guilleme vergezelt hem als leidsman en vertolker. 

<i Men zet koers naar hat Noorden. Baaien en kreken bezet met 
blinde klippen, en alleen genaakbaar voor kleine vaartuigen, volgen 
elkander beurtelings op langs de uitgetande kusten, maar een eigen- 
lijke haven treft men nergens aan. 

« Ziehier, hoe op staatkundig gebied, de zaken staan. 

« Na drie dagreizen van Mpala stuit men reeds op de voorposten der 
Wangwana 's. Hunne eerste boma bevindt zich op twee mijlen van 
Rutuku's verblijfplaats. Zij is bezet door Kahengere, en men houdt 
ze voor onneembaar, Kahengere werd reeds door de mannen van 
Joubert aangevallen, maar de Araab slaagde er in ze zegevierend 
terug te drijven. Het bleek, dat de belegeraars zich niet voldoende 
van krijsvoorraad hadden voorzien, en dit was oorzaak dat zij ge 
dwongen werden onverrichter zake af te trekken. Een weinig hoo- 
ger op, daar waar de vlakte van Kataki begint, is een tweede post, 
of beter gezegd, een tweede roovershol, want moord en brandstichting 
zijn er aan de orde van den dag. Dicht bij de Lukuga-rivier treft men 
een Araabschen post aan te Miketo, en een anderen op twee dag- 
reizen westwaarts ; deze staat onder het bevel van MouJiina. 

< Op den anderen oever der Lukuga en der Lugamba, op twee kilo- 
meters afstands van deze laatste rivier, verheft zich de geduchte boma 
waar de Araab Fundi-Bwete het bevel voert. 

« De bezetting dezer boma richt zich, bij onze aankomst, naar het 
strand, en met woeste kreten en gebaren loopen de Araben naar de 
monding der rivier als wilden zij daar eerder aankomen dan onze boot 
en ons tot den strijd uitdagen. 

« Wij waren gekomen, zoo gaat de bevelhebber Jacques voort, niet 
om te vechten, maar om de streek te verkennen ; ik hoop evenwel dat 
het uur van den strijd welhaast zal slaan om aan deze onbeschofte- 
rikken eene vvel verdiende les te geven. 

« Te Mtowa, aan het strand, wachten sedert een twintigtal dagen, 
vier karavanen op vaartuigen, om naar Ujiji te varen. Het zijn Wan- 
gwana 's — acht of tien op zijn hoogst — die voor hunne meesters op 
strooptocht zijn gegaan en hun een honderdtal slaven en tien olifants- 
tanden brengen. De slaven, alien vrouwen en kinderen, zijn niet ge- 
boeid, en te zwak om aan vluchten te denken. 

« Op twee kilometers van het strand, treft men nog een andere 
boma aan ; zij is zeer sterk en staat onder het bevel van een genaam- 
den Ali-Mouende, dien ik voor den wreedsten en onmeedoogendsten 



TWEEDE DEEL. KAPITEIN JACQUES. 9 I 

mensch aanzie op den aardbol. Wij hebben hem bericht gegeven, dat 
wij van zin waren te Mtowa of in de omstreken eenen post op te richten. 
« Ik kan daartoe, gaf hij ten antwoord, mijne toestemming niet geven 
(alsof wij hem die gevraagd hadden !), gij moet u tot Rumaliza wen- 
den, wien de streek toebehoort. » 

« Een woordje om u te zeggen wie die Rumaliza is. De Araben 
(Belutchis, Metis, enz.) dragen alle eenen bijnaam, die hen ken- 
schetst.Rumah"zais de bijnaam van den Araab Mahomed ben Halfan, 
van Ujiji, die met het geld en de hulpmiddelen van Tippo-Tip zijne 
strooptochten inricht. Rumaliza beteekent : die alles verzvoest, die niets 
achter zich laat, verdelgey. 'Etn a.ndtx r\02m\. zich Uturutu: slecht als 
het koperziiur, enz. 

« Al de posten.welke wij hierboven aanhaalden,behooren aan Ruma- 
h'za. Verder op vindt men er nog zeven, die het eigendom zijn van 
Bwana-Soro, ook een Araab uit Ujiji. 

« Ziehier de gevolgtrekkingen van mijnen verkenningstocht : 

a) De kusten van Mpala uitgezonderd, is de geheele streek in de 
macht der slavenhandelaars ; zij zijn er als ingeworteld, en kunnen 
ongehinderd van uit de vijftien rooverskuilen waarin zij nestelen den 
inboorlingen het weinige afpersen, dat zij nog bezitten. Ten andere, 
ophonderd Araben van het binnenland is er niet een, die het zou dur- 
ven wagen zich in Zanzibar te vertoonen, want oogenblikkelijk zou hij 
door de gerechtsdienaars van den Sultan in boeien gestagen worden. 

b) Waarheen ik mij richt overal wacht mij de strijd ; met de wapens 
in de vuist zal ik de gekozene plaats tot het oprichten van eenen post 
moeten veroveren. 

c) Onverschiilig welke streek ik daartoe verkies, de hongersnood 
staat voor de deur. Het jaar 1891 was verschrikkelijk : de gestadige 
beroeringen, waaraan de arme inboorlingen ten prooi waren, hebben 
hen belet zich op den akkerbouw toe te leggen, en bij diiizeiiden ster- 
ven de ongelukkigen den hongerdood. Dit jaar, zal het weder het geval 
zijn, indien ik daarin bij tijds niet voorzie. 

Stichting van Albertville. — In zijn verslag van I2en April 
1892, bericht kapitein Jacques den Congostaat, dat hij, ter eere van 
onzen toekomstigen koning. eenen krijgspost onder den naam van 
Albertville heeft opgericht.De post is gelegen op 6=' zuiderbreedte (ten 
naastebijgerekend),drie uren gaansvan de Lukuga-rivier.Erwasspraak 
van Kibanga en Mtowa, maar de eerste plaats ligt te ver ten Noorden, 
en de tweede heeft geene haven. De boma, gelegen op den top van 



92 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

eenen der heuvels van een kleinen bergketen,die zich,op eenen afstand 
van 600 meters, langs de kusten van het meer verheft en in zachte 
glooiing naar de Lukuga afloopt, bestaat uit een eerste omheining 
van 200 meters in paalwerk, die eene eerste vuurlinie vormt ; aan den 
binnenkant, en twee meters hooger, treft men twee woningen aan 
voor Europeanen, alsook een groote gedekte tembe, tegen brand 
beveiligd, waar een deel der bezetting hare huisvesting heeft, en welke 
00k dient om de goederen te bergen. Daze tembe met de huizen der 
blanken vormt een tweede geheel afgeslotene, rechthoekige omheining 
waarachter men in veih'gheid het vuur op den vijand {richten kan. 

De boomstammen.welk men eertijds bezigde tot het oprichten van 
eene boma, zijn hier door metselwerk vervangen ; de sterkte met hare 
bezetting van 50 mannen, onder bevel van eenen blanke, zal onneem- 
baar zijn. 

Een moeshof in voile opbrengst levert reeds genoegzaam groenten 
op voor het dagelijksch gebruik. De bebouwbare grond is zeer 
uitgestrekt en vruchtbaar, vier hektaren land, welke eertijds met on- 
kruid begroeid waren, zijn tegenwoordig bedekt met mai's, sorgho en 
zoete pataten. 

§ II. Rumaliza. 

Jacques bij Rumaliza. — Toen zijne sterkte voltooid was 
besloot de kapitein zijnen aangenomen gedragsregel tot het einde te 
volgen en alle wezenlijke of schijnbare uitdaging te vermijden ; hij 
begaf zich derhalve naar den geduchtsten zijner vijanden, Rumaliza 
sultan van Ujiji, om met hem in onderhandeling te treden. 

Ziehier een uittreksel van zijnen brief van 10^" Augustus 1892, welke 
ons eene gedachte kan geven van de trouweloosheid en wreedheid der 
opperhoofden der slavenjagers. 

<( Ik werd, zegt de kapitein, meer dan koeltjes ontvangen ; niet als 
een vriend of een vreemdeling, wien men achting verschuldigd is, 
maar als een vijand, wien men den nek wel zou willen afsnijden. 

« Op de voorplaats der tembe, vond ik eene bende gewapende 
kerels wier onheilspellende blikken mij veel te denken gaven. Later 
ben ik op stellige wijze te weet gekomen, dat men eerst besloten had 
mij niet levend van daar te laten heengaan, en dat het maar aan ge- 
heel toevallige omstandigheden te danken is, dat ik er het leven heb 
afgebracht. 

« Toen ik het huis was binnengetreden, sloeg men de dear achter 
mij dicht, en de vier mannen die mijn geleide uitmaakten werden 



TWEEDE DEEL. KAPITEIN JACQUES. 93 

onbeschoft achteruitgedreven en buiten gesloten. Gedurende al den 
tijd dat dei<:/^^(7//rz (onderhandeling) duurde, behielden de met lompen 
gedekte schurken hunne uitdagende houding : eenige trokken hunne 
messen, andere zwaaiden hunne geweren en deden alsof zij hunne 
wapens laden. 

« Het was klaar, dat men dit tooneel had voorbereid om mij schrik 
aan te jagen ; ik deed alsof ik er niets van bemerkte, en verklaarde 
met veel kalmte de reden mijner komst. 

« Ket onderhoud duurde bijna drie uren ; ziehier een beknopt ver- 
slag van het besprokene : 

i Rumaliza is in voile haast ult de omstreken van Muta-Nzigue 
(Edward-meer), vvaar hij op strooptocht was, teruggekomen, omdat 
verscheidene renboden hem achtereenvolgens kwamen waarschuwen, 
dat de blanken der Lukuga zijn land in rep en roer hadden gezet, 
al zijne kinderen vermoord, en de baan op Mtowa afgesneden. Men 
beschuldigde mij heel grootmoedig te Fundi-Bwete tien mannen 
vermoord te hebben, veertig te Kahengere en ik weet niet hoeveel 
te Ali-Mouende. 

« Ik had al de moeite van de wereld om aan deze jegens mij kwa- 
lijk gezinde lieden te doen verstaan, dat niets, volstrekt niets in mijn 
gedrag kon aantoonen, dat ik met vijandelijke gevoelens jegens de 
Araben of hunne standplaatsen bezield was ; en het bewijs daarvan 
was, dat alhoewel de bevelen welke ik ontvangen had mij Mtowa 
schenen aan teduiden als de plaats voor mijnen post, ik mij daar niet 
gevestigd had om eene botsing te vermijden met Ali-Mouende, wiens 
bedreigingen, in geval ik daar wilde bouwen, ik hooger heb aan- 
gehaald. Ik heb alleen drie stroopers met den dood gestraft, omdat zij 
twee weerlooze wachenzies hadden vermoord, en hunne terechtstelling 
was slechts het gevolg van een rechtmatig vonnis. Dezelaatste verkla- 
ring verwektebij eenige Araben eenen spotlach; een zelfs, Nassor ben 
Rhalfan, broeder van Rumaliza, vroeg mij onbeschaamd « of men wel 
den inoord op eehen wacJienzie als eene misdaad beschoinven moest ! » 

Na aldus mijn gedrag verrechtvaardigd te hebben, zei ik aan Ruma- 
liza, dat de leugenachtigeberichten van zijne nyampara's (luitenants) 
hem op een dwaalspoor hadden gebracht. Ten andere, indien ik zoo- 
veel menschen vermoord heb, moeten daar sporen van gebleven zijn ; 
dat Rumaliza of zijne afgevaardigden dus de plaatsen waar deze zoo- 
gezegde moorderijen plaats grepen komen bezoeken. 

Deze laatste bewijsreden was doorslaande, en alien bleven het ant- 
woord schuldig. Toen verklaarde ikmetwelk inzicht ik gekomen was. 



94 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Ik zegde hun dat ik gelast was met het bestuur van het Tanganika- 
grondgebied overeenkomstig de wetten van den Staat. Aan de Falls 
en overal elders leven de Araben in goede verstandhouding met de 
Europeanen ; waarom zou dit hier insgelijks het geval niet zijn ? Ik 
verklaarde dan nogmaals op plechtigen toon, dat mijne bezitneming 
op eene vredelievende wijze geschieden zou en dat ik met niemand 
in oneenigheid wilde leven. Zij ook, i\.raben, antwoordden zij daarop, 
verlangden den vrede met den blanke. Ik twijfel niet, zeide ik dan, of 
uwe bewering is gemeend, maar indien gij de blanken en de dorpen, 
die het vaandel van den Staat dekt, eerbiedigt, kan men hetzelfde niet 
zeggen van uwe nyampara's, over welke ik tot den dag van heden toe 
menigvuldige klachten ontving. Rumaliza bekende dat, inderdaad, 
eenige van zijne luitenants niet gansch onplichtig te pleiten waren, 
maar dat hij daar niet meester van was als hij zou wenschen. Het zij 
hier tusschenbeide gezegd, dat hij het is die hun de middelen tot 
handelen verschaft, en de noodige bevelen geeft. Hij voegde erbij, 
dat hij hen opnieuw tot hunne plichten wilde terugroepen, en dat, 
indien zij niet gehoorzaamden, wij te zamen met vereenigde krachten 
tegen hen zouden oprukken ! 

« Ik was genoodzaakt met dit antwoord genoegen te nemen. 

« Een enkele overweging voor hen, die blijven beweren, dat men 
voile trouw in de beloften der Araben mag stellen : Het was juist op 
den zelfJen dag, dat deze vriendschappelijke schao2iri plaats greep, dat 
de benden, door Rumaliza uit Manyema naar hier geroepen, hare 
heldendaden in onze nabijheid begonnen te verrichten. Indien zij op- 
recht geweest waren, zouden zij mij verwittigd hebben van hetgeen 
mij bij mijne teriigkomst te wachten stond — en tegenover mijne 
vredelievende verklaringen hadden zij de gegeven bevelen kunnen 
herroepen. Of wel, nog eenvoudiger, zij hadden mij van het gebeurde 
kennis kunnen geven en hun spijt uitdrukken van zoo haastig te werk 
gegaan te zijn. Maar de schurken wachtten zich daarvoor wel ; zij 
geloofden zich der overwinning zeker en koesterden de hoop, dat ik 
nooit Albertville zou terugzien. 

§ III. Te Albertville. 

De vijandelijkheden. — Alhoewel hij den wind tegen had, 
deed Jacques, daags na zijn bezoek aan Rumaliza,omtrent den middag, 
het anker lichten ; hij kon niet spoedig genoeg dit ongastvrije en on- 
gezonde oord verlaten. De dreigende bonding der inwoners had hem 
gedwongen zijne manschappen aan de kust te houden, en om alia 



TWEEDE DEEL. — KAPITEIN JACQUES. 95 



aanleiding tot geschil te vermijden verbood hij hun naar de markt 
van Ujiji, van weike hij een allertreurigste tafereel ophangt, te gaan. 

Te Albertville teruggekeerd, moest de kapitein welhaast de trou- 
welooze Araben bevechten, die een weinig te voren de bloeiende zen- 
ding der Witte Paters te Kibanga in asch hadden gelegd. 

Wij zuUen hier de bijzonderheden dier gebeurtenissen niet aanhalen, 
welke onze lezers in ons werk « Alexis V rit/i off yy kunnen aantreffen' 
noch gewag maken van de roemrijke wapenfeiten van den Namen- 
schen jongeling. Het zij ons genoegteherinneren dathij.onmiddellijk 
na zijne aankomst aan het Tanganika-meer, als medehelper naar 
Joubert gezonden werd, en door zijn jeugdige geestdrift en zijn al 
te groot misprijzen van het gevaar medegesleept, roemrijk sneuvelde 
in het gevecht van Mouny. 

Achtereenvolgens en onverwachts vallen de Araben al de dorpen 
aan gelegen rond Albertville, en de ongelukkige zwarten komen bij 
duizenden eene schuilplaats zoeken binnen de muren der boma. 
Eindelijk verschijnt een nieuwe en talrijker bende v66r Mtowa 
en in de omstreken der Lukuga, en maakt een overgroot getal krijgs- 
gevangenen. Dit gespuis werpt verschansingen op in de nabijheid 
van den ouden krijgspost van Mouny en nabij Mtowa, en daagt 
Jacques tot den strijd uit. Maar deze bevindt zich in de onmogelijk- 
heid aanvallend op te treden, en ziet zich gedwongen maatregelen te 
nemen om den nijpenden hongersnood, die aanstaande is, het hoofd 
te bieden. 

Indien de blanken er dus niet in slagen den vijand uit zijne stellin- 
gen te verjagen, zijn zij zijne gevangenen in Albertville. Gelukkig- 
lijk daagde er hulp op : eenige Congoleesche opperhoofden, die de 
partij hielden van den Vrijstaat, en de Belgische karavaan uit Katan- 
ga, aangevoerd door Alexander Delcommune, kwamen ter ontzetting 
van den kapitein. 

Aankomst van Delcommune. — « Eindelijk, zoo schrijft de 

Heer Jacques, ontwaren wij, in den namiddag van den 24" Augustus 
1893, aan den gezichteinder, eenige zeilen ; het is de vurig verlangde 
hulp die nadert. Wie zalonze vreugde beschrijven toen wij welhaast 
kapitein Joubert aan wal zien stappen, vergezeld door den aanvoerder 
van den verkenningstocht in Katanga,den Heer Delcommune.en zijne 
twee onderhoorige gezagvoerders, den ingenieur Diderrich en den ser- 
geant Cass art. 

« De verkenning der oproerige gewesten, welke wij bezetten, 



96 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 



behoorde tot de zending onzer landgenooten, en het was door eene 
beschikking der Goddelijke Voorzieni'gheid, dat zij ons in onzen 
hachelijken toestand aantroffen. Teen Joubert hun kennis gaf van 
het gevaar waarin wij verkeerden, besloten deze edelmoedige en dap- 
pere harten, uit eigen bevveging, onshunne onwaardeerbare medehulp 
te verleenen. 

« Den is*'^, 's avonds, zend ikeenige vaartuigen naarRutukuom de 
200 mannen van Joubert af te halen, die aldaar over land aangekomen 
waren. Den 26*^^ zijn al onze strijdkrachten verzameld. Ik beschik over 
250 soldaten, van vvelke de twee derden met nieuwerwetsche geweren 
gewapend zijn. Mijn plan van aanval wordt vastgesteld, en de 
volgende dag wordt bepaald om het uit te voeren. 

«De heer Delcommune zal met eenige geoefende schutters de sterkte 
bewaken. Kapitein Joubert, ondersteund door den heer Diderrich 
en 150 man, moet het gevecht beginnen, en trachten den vijand naar 
zijnen kant te lokken, terwijl ik zelf met mijne onderhoorigen en 
sergeant Cassart, na de stelling te hebben omgetrokken, op de van 
hare verdedigers ontblootte boma hoop te vallen. 

Belegering der Araabsche boma. Nederlaag. — 

« Met het krieken van den dag was iedereen op zijnen post, en een 
weinig voor 6 ure begon het gevecht. De vijand hield zich voorzichtig 
in de diepe loopgrachten welke hij achter het stevig paalwerk gegra- 
ven had, en waar hij bijna geheel onzichtbaar en voor onze kogels 
vrij, zich verscholen hield. Van alle zijden te gelijk wierpen zich onze 
mannen vastberaden op de moorddadige omheining, maar hunne po- 
gingen bleven vruchteloos. De belegerden waren talrijk en goed voor- 
zien van patronen, kogels en kruid. Twaalf uren lang hidden wij hen 
ingesloten, en toen de avond begon te vallen scheen de kans zich 
voor ons te verklaren ; de Araben hadden inderdaad bijna al hunne 
patronen verschoten en waren minstens even uitgeput van vermoeienis 
als wij. Ongelukkig, op het oogenblik, dat zij eenen uitweg zochten 
om het veld in te vluchten, werd een mijner nyampara's getroffen, en 
dit had voor gevolg, dat mijne soldaten, van welke vele voor deeerste 
maal het vuur zagen, den moed lieten zinken en op de vlucht gingen. 
Bidden en dreigen kon niet helpen, het meerendeel bleef doof aan 
mijne bevelen en trachtte slechts zoo spoedig mogelijk onzen krijgs- 
post te bereiken. 

« Den dapperen Joubert was het nochtans gelukt eenige getrouwe 
mannen bij zich te houden. Van mijnen kant had ik eenige vastbera- 




So'daten en M isslonari&iien in Ccngo 



TWEEDE DEEL. KAPITEIN JACQUES. 99 

dene soldaten rond mij geschaard, maar onze voorraad van patronen 
was uitgepiit, en welhaast zagen wij ons, op onze beurt, gedwongen 
het slagveld te verlaten en, het hart vol droefheid, naar Albertville 
af te trekken. 

« De vijand gaf zich niet onmiddellijk rekenschap van onzen aftocht, 
zoo dat wij ons enkel tegen de kogels van onze eigene mannen had- 
den te vrijwaren die, uitzinnig van schrik en zonder zien hunnelaatste 
patronen verschoten. 

« Al de Europeanen zonder uitzondering gedroegen zich op een 
voorbeeldige wijze, en het doet mij genoegen hier hulde te mogen 
brengen aan den moed, de koelbloedigheid en vastberadenheid 
waarvan zij gedurende het gevecht zoo groote en zoo talrijke 
blijken gegeven hebben. Nooit had ik beter medehelpers kunnen 
wenschen. Tk kan ongelukkig hetzelfde niet verklaren van onze 
askari's. Soldaten van een dag, en juist niet altijd uitblinkende door 
dapperheid, scharen zij zich meestal rond eenen onder hen die het de 
anderen min of meer in stoutmoedigheid afwint : indien nu deze 
laatste gedood of gewond wordt is het de nederlaag voor alien. 
Daarbij mangelt het ons aan sergeanten-onderrichters, en wij 
hebben tot nu toe de gelegenheid niet gehad om onze mannen in den 
wapenhandel te oefenen en hun een weinig van die krijgstucht, van 
dien samenhang, van dat wederzijdsch betrouwen mede te deelen die 
aan eenen veldoverste.hij moge dan ook maar over geringe strijdkrach- 
ten beschikken, kans van slagen geven. 

« De vijand met zijne wapens van allerhande stelsels waaronder 
vele grove zoogezegde olifantsgeweren, had ons gevoelige verliezen 
doen ondergaan. Gelukkig konden wij onze dooden en gekwetsten 
van het slagveld wegvoeren. Gelijk altijd het geval is, waren het onze 
beste mannen, die gedood waren, De verslagenheid was algemeen. 
Het ontbrak onzen mannen aan zelfbetrouwen, en er viel niet 
aan te denken hen den volgenden dag weder ten aanval te voeren. 
Ten andere, het verbruik van patronen was zoo groot geweest, dat, 
onder de voorwaarden van den vorigen dag, ik er niet genoeg meer 
had om gedurende drie uren den strijd vol te houden, en in geval 
van mislukken had ik niets meer om mij in de sterkte te verde- 
digen. 

« De karavaan van luitenant Long, wier aantocht gij meldt, zal 
juist van pas komen, vooral indien zij patronen medebrengt. In alle 
geval ben ik gedwongen mij te bepalen mijne stellingen tebehouden, 
en ik hoop wel daarin te zullen slagen. Ik heb zooveel Wachenzies 



lOO SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 



mogelijk naar Mpala en Marungu gestuurd ; daar, ten minste, zullen 
zij het land een weinig kunnen bebouwen. 

« De hongersnood is hier verschrikkelijk ; mijne vaartuigen zijn ge- 
stadig op weg om leeftocht te halen ; en nauwelijks zijn zij toereikend 
om het bestaan mijner manschappen te verzekeren. De voorraad is 
bijna uitgeput, en het zal moeite kosten om tot aan den eersten oogst, 
in Februari, in het onderhoud van mijn volk te voorzien. Zoolang de 
vijand aan onze deur is, zie ik geene mogeh'jkheid om het land te 
bebouwen. 

Een kanon als 't U belieft. — « Om de Araben te ver- 
jagen bestaat er maar een middel : Jiet kanon. Ik kan niets onder- 
nemen zoolang als gij mij van dit onontbeerlijk vereischte niet voor- 
zien hebt. Het is na rijp overleg en met kennis van zaken, dat ik 
u f^eschut vraag, en ik hoop, dat wij welhaast degevraagde kanonnen 
zullen ontvangen.Wat voor het oogenblik het meest te vreezen is, 't is 
dat de Araben in grooter getal opkomen om, gesteund door hunne 
boma, onzesterkte te belegeren.Albertville eens door de Araben inge- 
nomen, mag men het Urua- en Marungu-grondgebied alsmede alles 
wat aan het Tanganika-meer de partij van den Vrijstaat houdt, als 
onfeilbaar verloren beschouwen. 

« Had ik maar ecu kanon, zooals die van den Staat en sleclits drie 
houwitsergranaten, een unr ivare genoeg om al de werken der Wang- 
zvanas te vernietigen, en nooit zoiiden zij het nog bestaan zich aan deze 
zijde der Lukuga te vertoonen. » 

A. Jacques. 

Eene maand later (den 23^" October 1892) dringt de kapitein nog- 
maals aan opdat men hem een kanon zende. 

« Halve maatregelen nemen en de slavenJiandelaars sparen ware eene 
misdaad, » schrijft hij. 

<i Hier aan het Tanganika-meer zijn wij goed geplaatst om hunne 
heldendaden na te gaan. Hunne benden hebben het Lubemba- 
grondgebied geheel en al verwoest ; het schiereiland Ougouari is 
bijna ontvolkt, en de Witte Paters van Kardinaal Lavigerie worden 
in Kibanga belegerd. Duizenden en duizenden Wangwana 's en VVa- 
roro' s (inboorlingen) zijn vermoord. 

« De Araben hebben een grooten voorraad buskruid in hunne 
boma 's. Zij zijn in staat ons onbepaald in bedwang te houden.Is dan 
het verdrag van Brussel, waarbij de verkoop van krijgsbehoeften aan 
de slavenhandelaars verboden vvordt, een doode letter ? 



TWEEDE DEEL. — KAPITEIN JACQUES. 10 1 

« Op het oogenblik, dat ik u schrijf (half twaalf 'savonds) schijnen 
de vvachten der belegeraars door hunne gebaren ons te willen zeggen: 
« Beproef eens ons uit onze stellingen te verjagen ! Wij hebben meer 
buskruid dan gij. » 

Si vis pacem para belhim. 

€ Een enkel kano7i zou mij in staat stellen aan den oorlcg een einde 
te maken. Ik zou geene drie houwitsergranaten noodJg hebben om al 
de boma's der Araben plat te leggen en in de Lukuga te werpen. In- 
dien gij het mij niet zendt, vrees eene herhaling der betreurenswaar- 
dige feiten aan de Falls. 

« Noem mij nu eene zaag, indien gij wilt, maar ik zal niet ophou- 
den u toe te roepen : 

« Delenda Carthago ! Pelekoni in' zinga ! Zeiid mij kaiionnen ! » 

« Aanvaardt de verzekering mijner geheele toegenegenheid. 

« Kap. Jacques. » 

De Ontroering in Belgie. — Het Belgischevolkkon voor 
zulke dringende en gegronde oproepen niet doofblijven ; ook haastte 
het zich aan zijne kinderen, die in Midden-Afrika in nood verkeerden 
de gevraagde hulp te zenden. 

De Maatschappij van slavenhandel-bestrijding opende eene inschrij-- 
vingslijst, die sveldra met talrijke namen bedekt werd. De koning 
gaf het voorbeeld en teekende in voor 10,000 fr. ; de bisschoppen, de 
senators, de afgevaardigden, de waardigheidsbekleeders van alien 
rang, de vereenigingen, de geestelijke congregaties, de scholen, het 
volk, alien gaven hunnen naam en hun goud. Het gold immers 
200,000 fr. bijeen te brengen voor een vierden krijgstocht, welke 
inderdaad welhaast ingericht werd. 

« Het bevelhebberschap werd aan kapitein Descamps toevertrouwd, 
wien men de Heeren Miot en Chargois als luitenants toevoegde ; be- 
nevens de twee kanonnen, bestemd voor Jacques, vervoerde de kara- 
vaan nog een honderdtal geweren en 20,000 patronen door het Co- 
miteit der pauselijke zouaven aan Joubert geschonken. 

Het reisgezelschap vertrok uit Louden, den /j^n April /^pj, aan 
boord van de Inyoni, stak den Atlantischen Oceaan over, vaarde de 
Kaap de Goede Hoop voorbij, en bereikte eerst na vijf maanden, 
langs den Zambezis-weg, wijl die door Zanzibar door roovers onveilig 
gemaakt werd, de oevers van het Tanganika-meer, 



I02 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 



#C DERDE HOOFDSTUK. 5# 




Over^winningen op de slavenhandelaars. 

§ I. Aankomst van Duvivier. 

;ELIJK wi'j hooger gezien hebben was de karavaan, aan- 
gevoerd door luitenant Long, door gemis van dragers, 
gedwongen geweest te Tabora stil te houden. Luitenant 
Duvivier werd echter, door den bevelhebber Long, met 
mond-en krijgsvoorraad ter hulp van Jacques afge- 
zonden, en slaagde er in zich bij den commandant van Albertville aan 
te sluiten. Deze laatste, die niet werkeloos bleef, zond Rumaliza 
zijne eindvoorwaarden en vroeg hem antwoord voor den 21^" Ja- 
nuari (1893). 

Daarna stak Jacques, na den krijgspost van Albertville aan 
de Heeren Duvivier en Detiege toevertrouvvd te hebben, het Tanga- 
nika-meer over en trok den Heer Long te gemoet, wiens aankomst te 
Karema ieder oogenblik verwacht werd. Eindelijk had de kapitein te 
voorzien in de aanwerving van eenige honderden Rouga's-Rouga's, ten 
einde hem in staat te stellen tegen Rumaliza op te trekken, indien 
hij voor den 21^" Januari geen voldoende antwoord op zijnen brief 
ontvangen had. 

Spoedig kwam hij tot de overtuiging, dat, wilde hij het land van 
zijne schaamtelooze uitbuiters bevrijden, het noodzakelijk was zelf 
eene aanvallende houding aan te nemen. « Acht dagen, schreef hij, 
zullen mij voldoende zijn om 500 vastberadene mannen aan te werven, 
die niets anders wenschen dan de Araben te bevechten, daar zij zelf 
grootelijks van hunne roofzucht te lijden hebben gehad, » 

Onder denindruk dezer aanmoedigende gedachte, begaf de kapitein 
zich op weg naar zijnen post ; onder weg vernam hij het volgende 
blijde nieuws : 

Albertville ontzet. Araben op de vlucht. — Ziehier het 

verhaal der gebeurtenissen zooals zij hebben plaats gehad volgenshet 
verslag van den heer Duvivier die het bevelhebberschap over den 
krijgspost van Albertville, gedurende de afwezigheid van den kapi- 
tein, had overgenomen. 

« Den ie"Januari, met het krieken van den dag, bemerkt men ze- 
kere bewegingrond de vijandelijkeboma, wier verdedigers men sedert 
eenigen tijd bijna niet meerte zien kreeg. Wij wisten door overloopers 



TWEEDE DEEL. — KAPITEIN JACQUES. IO3 

dat de hongersnood zich bij hen nog nijpender deed gevoelen dan bij 
ons. De soldaten van Toka-Toka hadden opentlijk verklaard, dat zij 
hem wilden verlaten, en hij zelf had reeds verscheidene malen aan 
Rumaliza oorlof gevraagd om het beleg op te breken. 

€ Het oogenblik was welh'cht gekomen, en ik hield het er voor, dat 
een uitval het door den hongersnood en onzen taaien weerstand begon- 
nen werk van ontmoediging wel zou voltooien. Diensvolgens zond ik 
eene afdeeling, onder het bevel van den heer Docquier, om de om- 
streken der boma te verkennen. Na de bewaking van Albertville aan 
den heer Detiege toevertrouwd te hebben begaf ik mij zelf weldra op 
weg om de beweging van Docquier te ondersteunen. Middelerwijl was 
deze laatste tot dicht bij de vijandelijke stellingen vooruitgetrokken 
en had een hevig maar kortstondig geweervuur geopend. 

€ De boma was bijna zonder verdedigers, en zij die gebleven waren, 
werden door onzen onverwachten aanval zoodanig met schrik bevan- 
gen, dat zij langs eene zijgdeur heentrokken, terwijl Docquier en zijne 
soldaten langs de tegenovergestelde deur binnendrongen. 

Gedurende den stormloop van Docquier, was ik met mijne onder- 
steuningsafdeeling genaderd ; maar het was niet noodig de mannen 
aan het gevecht te doen deel nemen ; de vijand was op de vlucht, en 
ons klein getal liet ons niet toe hem te vervolgen. Wij waren meester 
van de stelling, en dat was het voornaamste. 

€ Ik liet Docquier in de boma achter, en spoedde mij naar Albert- 
ville terug, om hem de beschikbare manschappen met bijlen en hou- 
weelen te zenden tot het verdelgen van het roovershol, dat ons gedu- 
rende vierlange maanden in de klem had gehouden. 

«Wanneer Docquier, omstreeks drie ure in den namiddag, te Albert- 
ville aankwam, zagen wij, niettegenstaande den fellen regen, de vijan- 
delijke boma van alle kanten in vlammen opgaan ; en zoo vergingen 
in rook de moorddadige plannen der slavenhandelaars, die voor- 
barig den buit onder elkander hadden verdeeld. 

«LuitenantDuviviER. » 

Kapitein Jacques, verheugd over zulke gewichtige gebeurtenis, zond 
het volgende vermaarde telegrafisch bericht, dat slechts zes maanden 
later te Zanzibar en van daar in Europa aankwam, 

« Overwinning ! — De slavenhandelaars in aftocht trekken de 
Lukuga over. — Hebben hunne boma vernield. Zend nochtans grof 
geschut. 

<i Kapitein JACQUES. » 



I04 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Deze blijde tijding maakte een einde aan de ongerustheid waarin' 
de familien van onze dappere landgenooten verkeerden, en voorspelde 
den volkomen ondergang der slavenhandelaars-partij aan de oevers van 
het Tanganika-meer. Zoover evenwel, was men nog niet. 

Waarom Toka-Toka op de vlucht ging. — Den io«" 

Februari zond kapitein Jacques het verslag van den heer Duvivier 
naar Brussel, en voegde er de volgende bijzonderheden bij : 

« Mijne heeren, zooals gij reeds door mijn telegrafisch bericht van 
10^" Januari vernomen hebt, is Albertville ontzet. Het is een gewich- 
tige gebeurtenis die een doodelijken slag aan den Araabschen in- 
vloed in deze gewesten toebrengt. De door Rumaliza opgeruide 
roovers doorliepen sedert vijf maanden onze vlakten en pochten er luid 
op dat zij ons tot den aftocht zouden weten te dwingen. Zij hebben 
alles gedaaan wat mogelijk was om hun doel tebereiken. Naalle slag 
van gruweldaden gepleegd te hebben om de arme Wachenzies schrik 
aan te jagen bezwijken zij zelf, als slachtoffers van hunne eerlooze 
handelwijs. Zij hadden de hoop gekoesterd, dat de inboorlingen 
ons afvallig geworden zouden zijn, om zich vveder in dearmen van 
hunne verdrukkers te werpen; maar de negers hadden de slechte 
behandelingen nog niet vergeten, welke zij onderstaan hadden en 
de kwellingen die zij nog te verduren zouden hebben van die goede 
Araben. Slechts in Europa behouden zekere belanghebbenden daar- 
over hersenschimmen. Zij verkozen een weinig met ons te lijden en 
hebben zich moedig getoond in den weerstand. 

« De Wangwana's hebben gedacht ons door den honger te dwingen: 
met dit oogmerk hadden zij, honderden mijlen in het ronde, alles ver- 
woest ; maar dit kwam hun duur te staan, want aldus hadden zij zich 
alien leeftocht benomen, en daar onze tegenstand langer duurde 
dan zij verwachtten, zagen zij zich gedwongen uit afgelegene 
plaatsen mondvoorraad voor hun talrijke bezetting te doen aan- 
voeren. Te lui om den grond te bebouwen, was dit het eenige 
middel om in hun onderhoud te voorzien, en het was duidelijk dat de 
voorraad welhaast geheel uitgeput zijn zou. Inderdaad, in de maand 
November hadden zij reeds veel van hunne verwatenheid verloren ; 
zij begonnen zich af te vragen of zij niet al te voorbarig het vel 
van den beer hadden verkocht, en velen die de hoop koesterden zich 
met de kleederen onzer bergplaatsen in het nieuw te steken, waren 
gedwongen te erkennen dat zij nog lang in Adams kostuim zouden 
moeten rondloopen, 




Kapitein Descamps, bevelhebber van den 4^" tocht ondernomen 
tot betrijding van den slavenhandel. (Ziebl. 108.) 




Luitenant Long, Overste van den 3'^" tocht ondernomen 
tot bestrijding van den slavenhandel. (Zie bl. 102.) 



TWEEDE DEEL. — KAPITEIN JACQUES. IO7 

« Toka-Toka, de onverwinbare Toka, die, zooals hij luidop 
pochte, de blanken aan de Falls had geslagen, had zi'ch ingebeeld, 
dat het vertoonen alleen van zijn leelijken bruinen kastanjekop 
voldoende zou zijn geweest om ons op de vlucht te drijven. De 
kerel had aan den ouden Rumaliza beloofd dat hij hem al de 
hoofden der blanken van de Lukuga brengen zou. Br ! 't was om er 
van te beven 

Nu hebben, den Heere zij dank, de schurken loon naar werken ont- 
vangen. Hunne gelederen werden voortdurend gedund door den hon- 
gersnood, dien zij zelf hadden veroorzaakt, en na slechts slagen te 
hebben ontvangen, waar zij hoopten te plunderen, kozen zij hethazen- 
pad en lieten een betamelijken afstand tusschen ons en hunne wenig 
achtenswaardige personen. 

« Het zal nog lang duren, hoop ik, eer zij hunne belachelijke snoe- 
verijen op nieuw zullen laten hooren 

Rumaliza in verlegenheid. — « Den 29^^^ Januari brengt de 
bark van Kibanga het antwoord van Rumaliza op mijnen dreigbrief. 

« Op het oogenblik, dat het Araabsch opperhoofd mij deze bood- 
schap zond, wist hij nog niet, dat zijne mannen er zoo slecht af 
gekomen waren : dat kon men gemakkelijk aan den aangeslagen 
toon bemerken, Rumaliza vergeet te zeggen waarom hij de vijan- 
delijkheden begonnen heeft, in plaats van iemand te zenden om in 
onderhandeling te treden. Hij beweert, wat onwaar is, dat hij mij ver- 
wittigd heeft, dat ik oorlog aan de Lukuga moest verwachten, en dat 
het mijn plicht geweest zou zijn naar Ujiji terug te keeren om hem 
over de daden zijnen myampara's in te lichten. 

« Hij, Rumaliza, blijft rustig te huis, zoo gaat hij voort, en voert 
oorlog met niemand (welk lammetje ! ) ; hij heeft mij het land voor 
niets afgestaan en wil zich met mijne zaken niet bemoeien ; ik moet 
zelf maar zien hoe ik er door geraak. 

<i Die arme Rumaliza zijne gelukster was wel getaand en het jaar 
1892 zal wel aangeteekend zijn in zijn leven:het was de eene nederlaag 
na de andere die hij aan te boeken had : hoevele strooptochten zal 
hij niet moeten doen om het geld terug te winnen dat hij in zijne 
ongelukkige veldtochten verloren heeft ! 

Ik geloof dat, indien Mohamed-ben-Rhalfan (Rumaliza) op dit 
oogenblik eenen luchtbol te zijner beschikking had, hij de gelegen- 
heid zou waarnemen om zijnen roem, zijne verwaande aanmatigingen 
en in 't bijzonder de vermaledijdingen van de duizenden arme duivels, 



I08 SOLDATEN EN MTSSIONARISSEN IN CONGO. 



ongelukkig gemaakt, door wat sommige Europeanen Arabische 
beschaving en colonisatie noemen, naar andere streken te ver- 

plaatsen. 

« Kapitein bevelhebber 

« Jacques. » 

§ II. Aankomst van kapitein Descamps. 

Tot overmaat van geluk had men goeds nieuws van de karavaan 
Descamps ontvangen, en weldra zou de gevraagde hulp opdagen. 

Na stroomopwaarts de Chire-rivier en het Nyassa-meer gevolgd 
te hebben, was zij te Muezo aangekomen. Voort ging het nu langs 
de Stephenson-baan naar de zending der Witte Paters van Mambue, 
alwaar men den 17^^ aankwam, en door den Overste der zending, 
den E. P. Van Oost, van Belgischen oorsprong, gulhartig onthaald 
werd. 

Kapitein Descamps was van zin, den iS^i^, den tocht te hernemen, 
maar zijne lastdragers, die in deze streek aangeworven waren, ver- 
nomen hebbende, dat de Rouga's-Rouga's hunne dorpen aangevallen 
hadden, verh'eten hem in menigte. De Eerw. Pater Van Oost slaagde 
er gelukkigh'jk in eenigen te overreden om den kapitein te volgen. 

Vergezeld van den heer Miot verliet Descamps Mambwe en 
gelastte den heer Chargois met de bewaking der achtergelatene 
pakken. 

Kapitein Descamps kv/am, den 22^", te Abercorn aan, en ontmoette 
er kapitein Jacques, die sedert tien dagen op hem wachtte. Den 25^", 
kwam hij op zijne stappen terug om de twee kanonnen, welke te 
Mwambe, onder de bewaking van den heer Chargois, achtergebleven 
waren, te gaan afhalen; hij bereikte Mambwe den 29^". 

Intusschen hield Jacques zich onledig met het overbrengen der 
reeds aangebrachte pakken naar Moliro (op de grenzen van den 
Onafhankeh'jken Staat, aan den westehjken oever van hetTanganika- 
meer), alwaar de Maatschappij van slavenhandel-bestrijding den 
onlangs opgerichten krijgspost aan de heeren Duvivier en Demol had 
toevertrouwd. 

Den 30^" September, verliet kapitein Descamps Mambwe met de 
twee kanonnen, en bereikte Abercorn (Kituta) den 6^" October. Men 
ondervond de grootste moeilijkheden in het vervoeren der stukken 
tusschen Mambwe en Abercorn ; gelukkig waren zij voorzien van 
stevige onderstellen, zoodat men ze, niettegenstaande alias, in goeden 
staat kon overbrengen. 



TWEEDE DEEL. — KAPITEIN JACQUES. lOQ 

Niet een pak geraakte verloren tusschen Maronga en Abercorn, 
't geen buitengewoon mag genoemd worden, en waarvoor de heer 
Descamps en zijne onderhoorigen den grootsten lof verdienen. 

Aankomst der twee kanonnen. — « ik was, zoo schnjft de 

heer Jacques, langs eenen omweg te weten gekomen, dat het Luiksch 
Comiteit der Maatschappij van slavenhandel-bestrijding nnij twee 
kanonnen gezonden had. Ik wachtte de aankomst der karavaan 
aan de kusten van het Tanganika-meer tegen halfjuli, en ik hield 
eene voldoende troepenmacht op de been om onmiddellijk na aan- 
komst, handelend op te treden, want vvij rekenden er op, met onze 
Nordenfeld, den veldtocht, dien de Vrijstaat zoo goed begonnen had, 
wel tot een goed einde te zullen brengen. 

i Den 6^^^ October kwamen de kanonnen te Kituta aan, en in den 
morgen van den 4^^^ November werden zij binnen de verschansingen 
van Albertville gebracht, waar zij op geestdriftige jubelkreten onthaald 
werden. 

« Wij hadden zooveel van de geduchte inzinga en van hunne schrik- 
kelijke uitwerksels verteld, dat zij het voorwerp aller gesprekken 
geworden waren. Men kon niemand ontmoeten of men vroeg aan- 
stonds : « inzinga wapi ? '% — € Welnu, waar zijn nu de kanonnen ? » 
Ook is men van heinde en ver, met zekeren eerbied en vrees de twee 
zwarte zoo sober uitziende stukken staal komen bewonderen, wier 
machtige stem weldra de verlossing onzer zwarte broeders zal bezin- 
gen en een einde maken aan de overheersching der Araben die sedert 
zoo lang den Afrikaanschen grond met hunne wandaden bezoedelen. 

« De kanonnen kcmen dus juist op het oogenblik, dat wij, ingevolge 
de bepalingen onzer overeenkomst, het recht hebben naar het h'eve 
vaderland terug te keeren, waar wij zoo vurig verlangen dierbare 
bloedverwanten en verkleefde vrienden weder te vinden. Maar wees 
daarvan overtuigd, ieder onzer heeft begrepen dat, indien de kinder- 
lijke liefde hare rechten mocht doen gelden, het ons daarom niet 
toegelaten was het plichtbesef uit het oog te verliezen. Evenals ik 
hebben mijne onderhoorigen verstaan dat wij in Belgie niet konden 
terugkomen met eene leegte in onze rijen, zonder den dood van onzen 
medegezel Vrithoff op de Araben, zijne moordenaars, gewroken te 
hebben. Ziedaar waarom wij heden (23^" November) te velde trekken 
en Rumaliza, die de wijk naar Manyema genomen heeft, willen 
nazetten. » 

Ziehier de redens van dezen inval? 



no SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Rumaliza had vernomen dat de Duitschers van zin waren Ujiji te 
bezetten, Aanstonds werpt hij verschansingen op rond de stad; maar 
op zekeren dag komt men hem boodschappen, dat de Duitsche kapi- 
tein Sigl tot op slechts drie dagreizen van de plaats genaderd is. 
Na de Duitsche vlag aan flarden gescheiird te hehben, bestijgt de Araab 
aanstonds eene bark, die men in de haven bezig was te herstellen, en 
bereikt aldus Manyema, 

Eenmaal op het Congoleesch grondgebied aangekomen, rede- 
neerde Rumaliza aldus : « Naav Ujiji kan ik niet ineer terugkeeren 
om reden van de geschenrde vlag; de kiist is viij insgelijks verboden, 
want daar zou me7i viij iiitleg vragen over den doodvan Vrithoff' {ox\7.en 
ongelukkigen landgenoot gedood in het gevecht aan de Lukuga) 
Dus blijft er mij geen ander toevliichtsoord over dan Manyema. Mijn 
beshiit is genomen ; ik wil er de Belgen tot mijn laatsten bloeddriippel 
bestrijden. » 

§ III. De samenkomst der drie karavanen. 
Aankomst van luitenant Long. — Prograiuma. Na gerui- 

men tijd door gemis van dragers te Tabora opgehouden te zijn, kon 
de bevelhebber Long zich met den bevelhebber Jacques en zijnen helper 
Demol vereenigen, tegen 5"^" Januari 1893. 

Gelijk men weet was Duvivier reeds vooruit getrokken. 

Door de vereeniging der drie karavanen : Long, Descamps, en 
Jacques waren de strijdkrachten der blanken nu volledig. 

Alvorens zijne volmacht aan kapitein Descamps over te dragen, 
had bevelhebber Jacques het plan der krijgsverrichtingen ontworpen. 

<L De dagbladen uit Europa hebben mij ingelicht, schrijft hij, over 
de wapenfeiten van mijnen vriend Tobback aan de Falls, over de 
bezetting van Kassongo door Dhanis en den afval van zijnen bond- 
genoot Gongo-Lutete, Om nauwkeuriger inlichtingen in te winnen 
heb ik dertig boden naar Dhanis gezonden ; geen enkel is er in 
geslaagd Kassongo te bereiken, dat slechts op vijftien dagreizen van 
hier gelegen is. 

« Misschien is Dhanis, na het verh'es van zijn voornaamsten bond- 
genoot, door Rumaliza en de verstrooide benden der Falls in het 
nauw gebracht en verkecrt hij in bedenkelijken toestand.Ziedaar meer 
dan voldoende redens om de oorlogsverklaring te wettigen, welke ik 
Rumaliza gezonden heb. 

« Het uit te voeren programma bestond dus in het bezetten der 



TWEEDE DEEL. — KAPITEIN JACQUES. I I I 

gevvesten gelegen ten zuiden der Lukuga en hen voor de invallen der 
slavenhandelaars te vrijwaren. 

« Wij zijn verder gegaan. Wij hebben de Araben tot in de omstre- 
ken van Kibanga teruggedreven, en er blijft ons nog slechts over het 
land te zuiveren van de tegenwoordigheid van den Araabschen bevel- 
voerder Mouhina die, aan de oevers der Lukuga, op drie dagreizen 
van Albertville, eene boma bezet en zijne lieden zoovvel naarOugoma 
als naar Ouroua op strooptocht zendt. 

« Daarna gaan wij Dhanis te gemoet. De kapiteins Descamps en 
Long en de onder-luitenant Docquier zullen mij vergezellen ; de heeren 
Moray, Chargois en Miot zullen Albertville bewaken, terwijl de 
luitenants Renier en Duvivier gelast blijven met het toezicht over 
hunne wederzijdsche posten van Ouroua en Moliro. 

« Sedert ik u geschreven heb, hebben wij onzen tijd in ledigheid 
niet doorgebracht : een post is opgericht te Moliro, ten zuiden van het 
Tanganika-meer, op de grenzen van den Congostaat ; de heer Duvivier 
bijgestaan door den heer Demol heeft er een flinke boma opge- 
bouwd. Een tweede post is in Ouroua, bij Kassanga, door luitenant 
Renier gevestigd, en kreeg voor naam « Clementina's-burg ». Eindelijk 
de versterking Albertville, die ik, om reden mijner tochten in het 
zuiden gedurende drie maanden verlaten moest, heb ik bij mijne 
terugkomst veel fraaier teruggevonden. De heeren Long en Docquier 
hebben opde binnenplaats een schoon huis in baksteen gebouwd, dat 
gedurende tal van jaren ons tegen de guurheden van het weder 
beschutten zal. 

€ Wij hebben ook barken opgetimmerd, die men nu voor den zeil- 
dienst geschikt maakt. » 

Overwinning op Mouhina. Bezetting van Mtowa. 

— Nauwelijks was kapitein Jacques in bezit van zijne kanonnen, of 
hij ondernam eenen veldtocht tegen Mouhina, een van Rumaliza's 
luitenants, die zich achter de wallen van een groote en sterke boma, 
op eenige dagreizen van Albertville, verschanst had. De boma, door 
hare ligging op de baan van Manyema naar Mtowa, bestreek het 
gedeelte van den weg, welke naar het Noorden van het meer leidt, 
en was het eenige steunpunt van den Araab in deze gewesten. Ging 
deze plaats voor de slavenhandelaars verloren, dan was hun aftocht 
zoo goed als afgesneden. 

Dit was dus het beste middel om de pogingen onzer landgenooten 
in Manyema op voldoende wijze in de handte werken. 



112 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Daarenboven verdiende Mouhina een duchtige bestraffing voor 
het deel, dat hij aan de belegering van Albertville genomen had ; 
hij was het, die met zijne benden de omstreken van den krijgspost 
afliep en de Staatstroepen verhinderde leeftocht aan te schaffen. 

Den 6^n Januari, om 8 ure 's morgens, bevonden zich de Belgen 
met een kanon tegenover de vijandelijke stellingen. De Araabsche 
voorposten hadden zich, de vorige dagen, gestadig voor de troepen 
van den Staat teruggetrokken, en hadden zelfs niet eens beproefd 
hun den overtocht der verschillende rivieren te betwisten, De geheele 
strijdmacht was in de boma verzameld. Achter hunne verschansingen 
verdoken, koesterden de Araben de hoop den aanval hunner tegen- 
strev eis gemakkelijk te kunnen afslaan,en verwachtten dat deze.gelijk 
weleer, zich roekeloos op hun moorddadig paalwerk zouden werpen, 
maar door ondervinding geleerd en van geschut voorzien, was Jacques 
besloten, de stelling te nemen, zonder een enkel man te verliezen. 

De Nordenfeld werd op 450 meters van de boma geplaatst, en al 
zijne schoten waren raak. 

Toch hield het de vijand den geheelen dag vol, en slechts om 7 ure 
's avonds drongen de Belgen zegevierend de verschansing binnen. 

Om de belangrijkheid van de plaats, liet men er den heer Chargois 
met het kanon blijvend achter. 

De nederlaag van Mouhina had voor gevolg de inneming van 
Mtowa, waarvan het belang genoegzaam bekend is ; eene bezetting 
werd onmiddellijk daarheen gezonden. 

Wat Rumaliza betreft, men vernam dat hij met het overschot zijner 
verstrooide benden, naar Kibanga, ten Noorden van het Tanganika- 
meer de wijk genomen had ; sedert lang reeds wendde hij pogingen 
aat^ om vasten grond in dat gewest te krijgen. 

Voor het meer te verlaten kreeg men ook tijdingen van den dood 
van een anderen zijner nyampara's, Toka-Toka, die over de boma der 
Araben voor Albertville het bevel voerde ; hij werd gedood door 
onzen landgenoot Pinde, gezagvoerder over het schiereiland Ubwari. 
Na deze roemrijke wapenfeiten besloot de bevelhebber Jacques 
naar het vaderland terug te keeren. Maaralvorens over zijne terugreis 
te spreken, willen wij een weinig ons verhaal onderbreken, en de 
krijgsverrichtingen van zijnen opvolger mededeelen. 

§ IV. Kapitein Descamps. 

Vereeniging der troepen van Descamps en Dhanis. 
— Kapitein Descamps verliet Albertville, zooals hij met kapitein 



TWEEDE DEEL. — KAPITEIN JACQUES. II3 

Jacques overeengekomen was, den 8"" Februari 1893, ^^ op Kabam- 
barre aan te rukken. Het bevel over den post werd toevertrouwd 
aan den heer Mich, bijgestaan door den zwarten dokter Jozef, van de 
zending van Mpala. 

Den 10^", ontmoette hij den luitenant de Wouters, die hem tege- 
moet gekomen was; den 11^", bereikte hij den post van Mouhina ; 
den 12^", verh'et hij deze plaats en zette zijnen weg voort vergezeld 
door luitenant Long en den heer Chargois. Den 19^", kwam de 
karavaan in de boma Sungula aan, alwaar de voorhoede van bevel- 
hebber Dhanis, sedert zes dagen, aangekomen was. De voorhoede 
stond onder het bevel van kapitein Lothaire, bijgestaan door de 
luitenants Hambursin en Henry en eenen onder-officier. Na de 
inneining van Kahambarre hadden eenige Araben eene schuilplaats 
gezocht bij Sungula, maar deze had zich gehaast zijne onderwerping 
aan te bieden voor men een enkel schot had gelost. 

De vereenigde strijdmachten van den 6'/rtrt/(500 geweren) en van de 
Maatschappij van slavenhandel-bestrijding (200 geweren) rukten den 
20^" op Masanze aan : men veronderstelde, dat Rumaliza zich aldaar 
ophield, en men was voornemens eenen post ten Noorden van het 
Tanganika-meer op te richten. 

De aankomst der eerste karavaan tot bestrijding van den slaven- 
handel aan de oevers van het meer, had de Araben ten Zuiden der 
Lukuga tot staan gebracht ; de tegenwoordige bezetting van den 
noordelijken oever moest noodzakeh'jk deze nog verder achteruit- 
drijven. Maar om het land te bezetten en te bevvaren zijn troepen 
noodig. 

Gelukkig zal het kamp voor soldaten-onderricht welke kapitein 
Descamps tot stand heeft gebracht, en welke reeds volop in werking 
is, daarin voorzien. In den loop van het jaar, zullen de krachten der 
Maatschappij in staat zijn een duizendtal wel geoefende soldaten op 
de been te brengen om naar de bedreigde punten te zenden. De 
inboorlingen uit de dorpen gelegen rondom den krijgspost van 
Joubert en het zendelinghuis van Mpala, zullen twee tot drie honderd 
jongelingen leveren, die drie tot vier maanden in het kamp moeten 
overbrengen. Gedurende dezen tijd zullen zij gevoed worden, een 
uniform dragen en een kleine soldij trekken. Eens in den wapen- 
handel geoefend, worden zij naar hunne haardsteden teruggezonden. 
Kapitein Descamps zal op dezelfde manier met de inboorlingen die 
min beschaafd zijn dan de voorgaande te werke gaan ; hij hoopt 
aldus die lieden langzamerhand aan regeltucht te gewennen, hun de 

SQldaten en ijiissionarissen in Congo. % 



114 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

liefde tot den arbeid in te boezemen en hen voor de onderrichtingen 
onzer uitstekende missionarissen vatbaar te maken. 

« De veldtocht van Dhanis, schrijft kapitein Descamps, heeft de 
gelukkigste gevolgen gehad in de streken gelegen rond het Tanganika- 
meer. Indien wij de inboorlingen lieten begaan, zouden zij al de 
vreemdelingen van kant maken : wij verhinderen dat, want wij 
hebben op ons grondgebied tal van lieden uit Ounyamwesis en 
Oufipia die met de Araben niets gemeens hebben, bekwame land- 
bouwers en voorfreffelijke jagers zijn, en aan onze Congoleezen tot 
voorbeeld kunnen dienen. » 

Om in staat te zijn de slavenhandelaars uit den Vrijstaat tehouden 
zijn, volgens kapitein Descamps, drie posten noodig aan het Tanga- 
nika-meer : een ten Noorden, een ten Zuiden, en een in het midden 
Wat den laatsten betreft, de bevelhebber is van meening dat Mtowa 
eene meer geschikte ligging dan Albertville daarvoor aanbiedt ; deze 
laatste plaats werd immers maar verkozen omdat de oprichting van 
eenen post te Mtowa voor de nederlaag der Araben te moeilijk viel. 
Het grootste voordeel, dat Mtowa oplevert is zijne hgging legenover 
het eiland Kavala, waar men later eene haven maken kan. 

De kapitein Descamps beschrijft in geestdriftige woorden de 
streken, welke hij doorloopen heeft alvorens zich bij de Staatstroepen 
te kunnen aansluiten, Ziehier wathij dienaangaande schrijft : «Indien 
de boorden van het Tanganika-meer, van Abercorn tot Albertville, 
buitengewoon eentonig zijn, warden wij ruimschoots daarvoor 
vergoed door den prachtigen aanblik in het binnenland : van Albert- 
ville af loopt de grond in zachte golvingen op en neder ; hier en daar 
nochtans worden de heuvelsdoor eene diepe vallei doorsneden ; nooit 
gingen wij twee mijlen ver zonder een heldere beek aan te treffen. 
De plantengroei is wonderbaar, maar het sombere woud dat Stanley 
beschrijft is het niet. 

« Het is tot heden het schoonste wat ik van Afrika gezien heb, en 
toch, volgens den heer de Wouters,is dit nog niets in vergelijking bij de 
fraaie landschappen rond Kassongo en Kabambarre. Gedurende 
onzen tocht hebben wij duizenden en duizenden Oost-Indische 
palmboomen bemerkt, die gemakkelijk door den guineeschen 
palmboom, dien men wat meer ten Noorden aantreft, kunnen vervan- 
gen worden. » 

Kapitein Descamps, die heeft kunnen bestatigen hoeveel waarde 
de Engelschen aan hunne kolonie van Blantyre, in het Nyassaland, 
hechten, eindigt met te verklaren, dat Belgie, indien het wil, in Congo 



TWEEDE DEEL. — KAPITEIN JACQUES. II5 

eene der schoonste kolonien kan bezittten. Dat het land zich dus 
haaste het edelmoedig aanbod van zijnen koningte aanvaarden ; zulke 
voordeelige gelegenheid zal zich nooit meer aanbieden. 

Ziehier den inhoud van den brief, welken deze officier, den 1 2^" 
Maart 1894, uit Bwana-Solo, ten Noorden van de Uvira, schreef : 

De kapitein geeft bericht, dat hij de laatste boma, door Rumah'za 
aan het Tanganika-meer gebouwd, bereikt heeft zonder ergens ern- 
stigen vvederstand te ontmoeten ; hij verloor maar een enkel man. Hij 
is voornemens noordwaarts te rukken,waar het Araabsch opperhoofd 
een machtigen bondgenoot telt, Kinioni genaamd, die zich op den 
rechteroever der Rusizi-rivier,op twee dagreizen ten Noorden van het 
meer verschanst heeft. 

Volgens de laatste berichten is Rumah'za erin gelukt op Duitschen 
grond te vluchten en het Urundi-grondgebied te bereiken. 

De macht van den Araab is tegenwoordig geheel en al geknakt in 
deze gevvesten, en men mag gerust verzekeren, dat voortaan niet een 
van zijne nyampara 's het zal bestaan zich aan den westelijken oever 
te vestigen. 

De bevelhebber is van gevoelen dat, in afwachting, dat de stoom- 
boot opgebouwd zij welke kardinaal Lavigerie zoo dringend eischte^ 
twee stalen lichterschepen, van het model welke men op den Opper- 
Congostroom gebruikt, volstrekt noodzakelijk zijn om het gezag van 
den Vrijstaat over het Tanganika-meer te handhaven. 

Het verkeer tusschen Albertville en Kabambarre is verzekerd door 
drie posten gesticht tusschen deze twee plaatsen : te Kalonda, te Lamdo 
en te Mouhina ; de eerste, in de nabijheid van Kabambarre, werd op- 
gericht door den Staat ; de twee andere door de vertegenwoordigers 
der Maatschappij van slavenhandel-bestrijding. 

Behalve menigvuldige geweren en een groote voorraad buskruit, 
heeft kapitein Descamps nog talrijke koeien en ezels alsook een prach- 
tig merriepaard, gewoonlijk door Rumaliza bereden, aan de Araben 
ontnomen,en heeft dat laatste aan Baron Dhanis gezonden, die op het 
punt stond naar het vaderland terug te keeren. 

Bij het vertrek van den post waren alle Europeanen in goede 
gezondheid (i). 

I. Men vernam echter weldra, door een telegraphisch bericht van den heer 
Demol, dagteekenend van den 20''" October 1S94, den dood van luitenant Duvivier 
verdronken in het Moero-meer : een rivierpaard verwondde hem en had de boot 
doen kantelen, waarin hij zich bevond. Deze dappere officier had reeds vijf jaren 
in Afrika doorgebracht. 



Il6 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 




#^ VIERDE HOOFDSTUK. 

Terugkeer in Belgie. 

.^ I. — Het afscheid van kapitein Jacques. 

A drie jaren van onverpoosd werken, bekroond door den 
schitterendsten uitslag, hadden kapitein Jacques en zijne 
onderhoorigen, Docquier en Renier, wier gezondheid te 
wenschen overliet, wel recht te denken aan den terugkeer 
naar het vaderland. Daarbij Hep de verbindtenis, welke 
hij met de zanzibaritsche soldaten aangegaan had, ten einde, en het 
gold nu de vraag hoe hen naar Zanzibar terug te brengen. De 
kapitein liet dus het opperbevel over aan zijnen opvolger, kapitein 
Descamps, die met dit inzicht naar Afrika gekomen was, en toen in 
het Noorden en Westen van den Vrijstaat, het veld hield. 

Den 5^" Februari, nam Jacques afscheid van de bezetting van 
Albertville, welken post hij, drie jaren geleden, gesticht had, en die hem 
zoo nauw aan het hart lag, 

Het feest te Mpala. — Van daar vertrok hij naar Mpala, 
waar de Witte Paters hem een groot feest aanboden, zooals wij uit 
het volgende uittreksel van het Dagblad van Mpala vernemen 
(6 Februari 1894). 

« Al de leden der eerste karavaan tot bestrijding van den slaven- 
handel, vergaderd te Mpala, zijn in de Hoogmis tegenwoordig, alsmede 
de heer Malay, die om gezondheidsreden naar Europa terugkeert. 
Na een korte onderrichting aan onze christenen over het doel der 
eerste karavaan tegen de slavernij, die op het punt staat naar Europa 
terug te keeren, bedankt de E. P. Guilleme, in onzen naam en in naam 
van alle Christenen, den bevelhebber Jacques en zijne onderhoorigen 
voor de uitstekende diensten, welke zij, in deze gewesten, aande zaak 
der beschaving bewezen hebben. 

« Hij roept over hen en hunne familien de mildste zegeningen in, 
in afwachting van den dag dat, na elkander op den Afrikaanschen 
grond gekend en bemind te hebben, wij ons in het hemelsche 
vaderland mogen omhelzen. 

« Onze Broeders, geholpen door den heer Docquier, hadden de eet- 
zaal fraai opgeschikt. De Belgische en Congoleesche vlaggen met witte 
kruisen bekroond en met rood laken omhangen, leveren een heerlijk 
uitzicht op. Kapitein Jacques is bij zijn binnentreden geheel verrast, 



TWEEDE DEEL. KAPITEIN JACQUES. I 17 

en kan met moeite, bij het zien der vaderlandsche zinnebeelden, zijne 
ontroering bedwingen. 

« Intusschen heeft Breeder Stanislas de weeskinderen van het 
gesticht vereenigd, eenige oude wapens en wat buskruit uitgedeeld, 
en, na eene driedubbele losbranding van gevveervuur, komen alien 
met de trommels voorop, den heer Jacques hulde brengen. 

« Maturino, een christen catechismus-uitlegger,vergezeld door twee 
jonge meisjes, die elk eenen bloemtuil dragen, leest inde Swahilische 
taal de volgende redevoering : 

« Mijnheer Kaputi (Jacques), wij de kinderen van Tanganika en 
van de Paters, wij begeeren, eer gij naar Europa terugkeert, u onzen 
dank te betuigen, voor al het goede.dat gij aan ons volk hebt gedaan, 

« Sedert langen tijd waren wij aan de slechte behandelingen van 
onze vijanden, de Wangwana's, blootgesteld ; zij verwoestten onze 
landen, verbrandden onze dorpen, brachtten onze vaders en moeders, 
onze broeders en zusters, in slavernij en voerden ze naar verre streken 
om ze daar gelijk redelooze dieren te verkoopen. 

« En nu, dank zij u en uwe medegezellen, [zien wij de macht der 
WangAvana's gestadig afnemen ; gij hebt ze ver van hier verdreven,en 
het is ons vergund in ons land te verblijven en rustig onze akkers te 
bebouwen. 

« Dat de almachtige God u met zijne beste zegeningen overlade, 
dat hij u de kracht verleene om gezond en welvarend in uw Europa 
(Mpoutou) terug te keeren, en moogt gij uw gansche familie in gezond- 
heid wedervinden ! » 

« De heer Jacques, door de ontroering overmeesterd, kon zijne tra- 
nen niet langer bedwingen ; met gesmoorde stem sprak hij eenige 
woorden van dankzegging uit en drukte alien hartelijk de hand. 

« De Broeders hadden al hunne kennis in de kookkunst bijeenge- 
bracht om een der omstandigheid waardig feestmaal te bereiden. 

« De heildronken — 'tis het dessert der hedendaagsche feestmalen 
— werden niet vergeten. 

« Na nogmaals den heer Jacques voor de aan de zending bewezene 
diensten bedankt te hebben, ontving de E. P. Guilleme het volgende 
antwoord : 

« Alvorens afscheid van u te nemen zij het mij toegelaten nog- 
maals mijne gevoelens van eerbied en c.chting voor de Congregatie 
der Witte Paters, en inzonderheid voor de zendelingen, hare vertegen- 
woordigers aan het Tanganika-meer, uit te drukken. Als opperhoofd 
van dit grondgebied, heb ik met bewondering den vooruitgang in de 



Il8 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

beschaving bestatigd, dien gij onder de zwarte onderdanen van 
Z. M. Leopold II hebt teweeggebracht. Door uwe medewerking aan 
de zedelijke opbeuring van daze arme bevolkingen, door uw voor- 
beeld en uw onverdroten pogingen zijt gij erin geslaagd haar den 
eerbied voor de overheid en de liefde tot den arbeid, die onontbeer- 
lijke bestanddeelen van alle vvelverstane kolonizatie, in te boezemen. 

€ Altijd zullen wij met degrootste belangstelling de ondernemingen 
volgen welken de missionarissen van den Opper-Congo zullen be- 
hartigen. 

« Dat de goede God hun de noodige gezondheid verleene om hun- 
nen weldoenden invloed over geheel Midden-Afrika uit te breiden. 

<< De spreuk, door het wapenschild dat ik daar voor mij zinnebeeldig 
zie voorgesteld, moeten wij in onze harten prenten, en het is mijn 
vurige wensch, dat zij eenmaal verwezentlijk worde. 

« Het zou 't schoonste wezen, wat God ons bij het sluiten deze 
eeuw ons geven kon. 

« Orn drie ure in den namiddag stapten onze landgenooten aan 
boord der Luftika^ en na een laatsten afscheidsgroet, kregen zij het 
ruime sop, terwijl onze weeskinderen aan den oever van het meer het 
buskruid doen spreken om hunne gevoelens van dankbaarheid uit te 
drukken. De heer Jacques beantwoordde herhaalde malen dezelaatste 
vaarwelschoten. ;» « G. De Beerst, 

Zendeling te Mpala, » 

De terugkeer langs den Zambezis'stroom. — Terwijl 

de Zanzibarieten, onder bevel van hunne nyampara's, ten Oosten 
langs Tabora en Bagamoyo, naar de kust trokken, verkozen de heeren 
Jacques, Renier, Docquier en Molay de min vermoeiende en veiligere 
door hen nog niet doorloopene baan ten Zuiden, langs den Stephen- 
son weg, het Nyassa-meer, de Chire en den Zambezis. 

De reizigers vervorderden tamelijk snel hunnen weg tot aan Chinde, 
aan de oostkust. Den 5"" Februari uit Albertville vertrokken, kwamen 
zij ongeveer twee maanden daarnaaan de monding van den Zambezis. 
De duitsche postboot voor Zanzibar had vier en twintig uren vroeger 
Chinde verlaten, zoodat onze landgenooten gedwongen waren acht 
dagen aldaar te vertoeven, alsook drie en twintig andere te Ouilimane. 
Eindelijk gingen zij scheep voor Zanzibar, ahvaar men den 6*"" Mei 
aankwam. 

Jacques vertrok den lo*^" Mei naar Bagamoyo, waar zijne soldaten, 
die langs Tabora de kust bereikt hadden, sedert zeven weken onge- 



TWEEDE DEEL. — KAPITEIN JACQUES. II9 

duldig op hem wachtten. De bevelhebber was gelukkignog eens zijne 
beminde askari's weder te zien, die drie jaren lang zijn lief en leed 
hadden gedeeld, wier gehechtheid zich nimmer had verloochend, en 
die zoo moedig de Araben van het Tanganika-meer hadden bevochten 
Den 26^" Mei, stapten de Europeanen eindelijk aan boord van de 
fransche pakketboot Ava om de reis naar het vaderland te onderne- 
men. De overvaart der Roode Zee was voorspoedig, en den 20^" Juni 
staple men te Marseille aan wal. De luitenant Renier, die ziekelijk 
was, zag zich gedwongen in deze stad stil te houden, en werd door de 
paters der Afrikaansche missien opgenomen. De heeren Jacques en 
Docquier zagen zich, huns ondanks, gedwongen om hem te verlaten, 
en hunnen weg naar het vaderland voort te zetten. 

§ II. Feestelijk onthaal in Belgie. 

De held van Afrika had reeds te Parijshet geluk zijne achtenswaar- 
dige ouders aan zijn hart te mogen drukken : de heer Diderrich, zijn 
stadgenoot en wapenbroeder, was hem daar insgelijks te gemoet ge- 
komen. 

Men kan zich gemakkelijk de ontroering verbeelden van den heer 
Jacques en zijne echtgenoote, toen zij hun kind terugzagen en konden 
bestatigen dat, niettegenstaande de harde oogenblikken in Afrika 
doorleefd, hij een bloeiende gezondheid genoot. Het was niet zonder 
ongerustheid, dat zij hem hadden zien heengaan. Tijdens zijn eerste 
verblijf in Congo, had hij aan het klimaat wederstaan, maar zou hij 
aan de kogels der slavenhandelaars ontsnappen ? Nooit nochtans had- 
den zij den moed laten zinken, nooit hadden zij aan zijn behoud ge- 
wanhoopt, en dit betrouwen kon zelfs niet door de onrustbarendste 
tijdingen (gelukkig valsch ofschoon waarschijnlijk) worden geschokt. 
Zaterdag den 23^" vertrok men naar Belgie. 

In Belgie. — Aan de grenzen werd Jacques door graaf Hippo- 
lite d'Ursel, afgevaardigde van het Comiteit der IMaatschappij van 
slavenhandel-bestrijding, verwelkomd. 

Te Bergen, aan de statie, werd de Afrikaansche held, door den heer 
Raoul du Sart de Bouland, gouverneur van Henegouwen, en door de 
militaire overheden begroet. 

Te Brussel. — In de Zuidstatie, versierd met de Belgische en 
Congoleesche vlaggen, verdrongen zich meer dan 2000 personen, onder 



120 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

welke Mgr Jacobs, de Heer Beernaert, eerste minister, en tal van 
gewezene officiers uit Afrika, om den Wreker der Negers toe te jui- 
chen. 

Bij zijne aankomst weergalmde een enkele kreet : Leve Jacques! 
Aan het uiteinde der spoorhalle hief het rauziek van het 2^ guiden- 
regiment de Brabangonne aan, 

Jacques verschijnt met zijn strooien hoed in dehand, en met tevre- 
den en vroolijk gelaat. Gezwind springt hij uit den wagen, gevolgd 
door Docquier en de familie der twee helden. 

Dan grijpt een aandoenlijk tooneel plaats ; Jacques omhelst den 
bevelhebber Storms en den Eerw. Heer Detierre, terwijl een paar tra- 
nen langs zijne wangen biggelen. 

Docquier omhelst teederHjk zijnen broederen zijne zuster. De oude 
vader van Jacques, zijne oude moeder weenen bij het hooren der 
geestdriftige toejuichingen, waarmede men hun kind vereert 

Een kleine neger, die de heer Ectors uit Congo heeft medegebracht, 
biedt den kapitein eenen bloemtuil aan ; op de linten leest men het 
opschrift : € Aan den kapitein Jacques, de verloste slaven. Leopold 
Kassongo. » 

De kleine neger stuurt hem in kiswahili de volgende vvoorden toe : 
« Bouana Zomani mimi na rafiki touinoa. loti anadjoua we na pega 
ouagwana mouezi koumi nialalou sassa oiiagwana ioti nakorifa. loti ana 
pendoc ives ana. h 

Ziehier de vertaling : 

« Meester, eertijds was ik slaaf. Men weet dat gij de Araben gedu- 
rende 30 maanloopen bevochten hebt. Maar nu zijn ze alien dood, en 
wij zijn vrij. » 

Verwanten en vrienden omringen den dapperen stichtervan Albert- 
ville. Met groote moeite banen zich de reizigers eenen weg door de 
dik opeengepakte menigte en treden in de eerezaal. 

In naam der Maatschappij van slavenhandel-bestrijding wenscht 
Mgr Jacobs Jacques en Docquier geluk, herinnert in korte woorden 
hunne roemrijke wapenfeiten, en eindigt met de woorden van 
Cesar : 

« De dapperste onder de dapperen zijn de Belgen. » 
Jacques, diep ontroerd, bedankt. Mgr Jacobs herneemt : « Gij zult 
zien hoe de Belgen en de koning hunne groote mannen weten te ee- 
ren. » 

Maar het treffendste, waarlijk aangrijpende oogenblik was toen de 
ontelbare menigte, die zich voor de spoorhalle en in de aanpalende 




Kaart van Oostelijk Congo. Manyema en het Tanganikameer, hoofdtooneel van den 
oorlog met de Araben. 



TWEEDE DEEL, KAPITEIN JACQUES. 1 23 

straten verdrong, den kapitein te zi'en kreeg. Alle lianden wuifden hem 
tegen en de kreet van « Leve Jacques » steeg op uit duizenden bor- 
sten. De kapitein had graag den gang der paarden wat verhaast om 
aan al deze eerbewijzen te ontkomen, maar de menigte liet het gespan 
maar traagzaam door, en poogde zelfs het rijtuig geheel tot staan te 
brengen. De vrouwen overdekten heel het rijtuig met bloemen en rui- 
kers : een brave oude vrouw uit de volksklas riep uit : « Die ten min- 
ste heeft iets gedaan ! » 

Te Vielsalm. — 's Anderendaags, 24e„ Juni, vverd Jacques door 
zijne stadgenooten met onbeschrijfelijke geestdrift te Vielsalm ont- 
vangen. De straten rond het statiegebouw krioelden van volk, want 
de inwoners der omliggende dorpen hebben voor het oogenblik den 
veldarbeid gestaakt om bij het onthaal van den kapitein tegenwoor- 
dig te zijn. Binnen de spoorhalle hebben, benevens de verwanten van 
Jacques, tal van personen plaats genomen : onder hen bemerkt men 
de leden van het Brusselsch Comiteit tot bestrijding van den slaven- 
handel, den heer Orban de Xivry, gouverneur der provincie, den sena- 
tor de Xivry, den generaal de Maziere, den heer Alexander Delcom- 
mune, onlangs uit Afrika teruggekeerd, enz. 

Zoodra de held aankomt stijgen er van alle kanten vreugdekreten 
en toejuichingen op, alle de handen worden toegestoken, en de ver- 
wanten die bij zijn onthaal te Brussel niet tegenwoordig waren, en 
hem nu voor de eerste maal sedert drie jaren wederzien,dringen voor- 
uit en houden hem aan de deur van het rijtuig op. 

Jacques is genoodzaakt te bidden hem doortocht te willen verleenen. 
Maar nauwelijks is hij uitgestapt of iedereen vliegt hem aan den hals, 
de grooten drukken hem in hunne armen, de kleinen staan op hunne 
teenen om hem de wang aan te bieden. Er komt geen einde aan deze 
aandoenlijke tooneelen. 

Buiten, te midden de straat, staan de leden van den gemeenteraad 
onder eenen zegeboog geschaard, om onze Afrikaansche helden te 
verwelkomen en hun gedenkpenningen aan te bieden. 

De E. H. deken van Vielsalm herinnert dat de Kerk haar dee! 
neemt in den voor-en tegenspoed harer kinderen ; dat het zwaard 
menigmaal aan het kruis in zijn beschavingswerk den weg gebaand 
heeft. « Gij hebt, zegt onder ander de redenaar, vooraleer naar Congo 
te vertrekken een bijzonderen zegen van den H. Vader ontvangen. 
Die zegen heeft u geluk aangebracht ; hij heeft u aan ontelbare en 
geduchte gevaren doen ontkomen. In naam van dien God, die u zoo 



124 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

zichtbaar beschermde, en u behouden in ons midden terugbracht, 
groet ik in u den stadgenoot en bied u in aller naam de gevoelens van 
bevvondering aan diewij voor den held van Albertville en Tanganika 
koesteren. » 

De kapitein Jacques kan zijne tranen niet verbergen : hij bedankt 
zijne stadgenooten voor de hulp die zij hem in de dagen van tegen- 
spoed verleenden, brengt hulde aan den grooten Paus Leo XIII, en 
vraagt aan zijne toehoorders een driedubbel hoera ter eere van kapi- 
tein Joubert en Pater Guilleme en van de luitenants Long en Des- 
camps uit te brengen. 

In een woord, Jacques is deheld van den dag, en de Ardennenbe- 
woners zijn met recht overtuigd, dat geheel Belgie belang stelt in de 
feesten van Vielsalm. 

Het is biUijk nochtans hierbij te voegen, dat tegelijk met den naam 
van Jacques die van den ingenieur Diderrich, den moedigen reisgezel 
van Delcommune, nu en dan vermeld wordt. 

Even als Jacques is Norbert Diderrich geboortig van Vielsalm- 
Hij werd opgevoed in het huis van zijnen oom en voogd, den heer 
Bernard Denys, eenen der beste verdedigers der katholieke zaak. 

Na te zamen hunne jongelingsjaren te Vielsalm doorgebracht te 
hebben, ontmoetten Jacques en Diderrich elkander weder in het 
geheimvol zvvarte werelddeel, waar de banden hunner vriendschap 
weder werden aangeknoopt. Melden wij met betrekking daarop een 
aandoenlijk tooneel, dat plaats greep op het oogenblik dat de veree- 
nigde troepen van Joubert en Delcommune op het punt waren eenen 
stormloop tegen de Araabsche stellingen te vvagen. 

Jacques en Diderrich bevonden zich in de voorhoede. Het gevaar 
was groot. Op het oogenblik, dat men den aanval op een met vijanden 
bezet paalwerk beginnen zou, zei Jacques tot Diderrich : 

— Wij zijn beiden van Vielsalm ; laat mij voorgaan, indien ik sneu- 
vel, zult gij mijn laatste vaarwel aan de mijnen overbrengen. 

— Neen, neen, sprak Diderrich, strijden wij te zamen. Ik keer zon- 
der u naar Vielsalm niet terug. 

De twee vrienden rukten te zamen vooruit, en brachten het hunne 
bij in het behalen van de zege. Beide kwamen opvolgentlijk metroem 
overladen naar het vaderland terug. 

Houden wij hierbij stil. 

Ten andere, wilden wij al de plechtige onthalen beschrijven welke 
onze helden een weinig overal te beurt vielen, de plaats zou ons ont- 
breken. Vermelden wij nochtans de zitting die den 4'" Juli door de 



TWEEDE DEEL, — KAriTEIN JACQUES. 1 25 

Maatschappij van slavenhandel-bestrijding, in het paleis der Akade- 
mies gehouden werd, en waaraan aantal van voorname personen uit 
geheel het land deelnamen. 

Stippen wij 00k aan dat, op 30^" Juni, de bevelhebber Jacques in 
bijzonder gehoor door den Koning ontvangen werd, die hem het 

kruis der Leopoldsorde overhandlgde. 

Wat bijzonder de feestelijkheden kenmerkte welke overal ter eere 
van onze Afrikaansche helden, Jacques, Renier en Docquier, bij hunne 
aankomst in het vaderland gevierd werden is de buitengewone volks- 
gunst die daarbij uitstraalde. Jammer nochtans dat er iemand aan 
het feest ontbrak, te weten de goede Alexis VrithofT, gesneuveld op 
het eereveld. 

Sedert lang reeds vergezelde de algemeene deelneming der Belgen 
den tocht van kapitein Jacques. Het was hier op aarde de grootste 
belooning die men hem geven kon, in afwachting van die welke de 
Opperheer heeft weggelegd voor hen die zich barmhartig toonen 
jegens hunne ongelukkige medebroeders. 

AANMERKIXG DER DERDE UITGAVE. 

De ingeboren drift tot werkzaamheid van den moedigen kapitein Jacques noopte 
hem weldra de rust in het vaderland vaarwel te zeggen. Ook vertrok hij in 1895 
naar Congo om er een derden diensttijd te doen. 

De Koning- oppergebieder droeg hem het bevel en de inrichting op van het 
nieuwe rechtsgebied van het meer Leopold 11, en gaf hem den titel van algemee- 
nen Commissaris. Alles viel nog te verordenen in deze gewesten, die ter nauwer- 
nood door eenige zeldzame ontdekkingsreizigers doorloopen waren. Jacques voor- 
zag in alles,nam de volksstammen welke de omstreken van het meer bewonen onder 
zijne bescherming, en dwong hunne vijanden, de wilde menscheneters, zich aan 
het gezag van den Staat te onderwerpen. Dan trok hij de Opper-Lukenie tot aan 
hare bronnen op, en kwam, na de voleinding van zijnen diensttijd, naar Belgie terug, 
waar hij als belooning van zijne uitstekende diensten, ridder van den Congolee- 
schen Leeuw en van de Orde der Kroon benoemd werd. 




Alexander Delcommune, geboren te Namenin 1855, aanvoerder van den verkenningstocht 

in Katanga. 



District du BAS-CO N GO 




Neder Congo, de steden en de spoorbaan. 




DERDE DEEL. 




ALEXANDER DELCOMMUNE EN DE VERKEN- 

NINGEN IN KATANGA TOT BEVORDERING 

VAN DEN KOOPHANDEL. 




EERSTE HOOFDSTUK. 
De vier handelslochten. 

|ATANGA, de meest zuidelijke provincie van Congo, 
waar de Lualaba en Luapala, of Opper-Congo, door- 
stroomen, was door koning Leopold aande Belgische 
handelsmaatschappijen afgestaan, die voornemens 
l^ waren vooral de delfstofhoudende gronden uit te 
^^^gg??rr^,c5a:3 baten. 

Deze maatschappijen zonden onmiddellijk naar de te onderzoeken 
streek vier karavanen, die opvolgentlijk en bijna gelijktijdig uit ver- 
schillige punten vertrokken, 

Eene karavaan, onder bevel van Paul Le Maritiel, geboren in 
Amerika, uit Belgische ouders, vertrok reeds in December 1890 uit 
Lusambo. Zij telde 400 man en bereikte Bunkeia, de hoofdstad van 
koning Msiri, iS^" April 1881. (Wij spraken over dezen verkennings- 
tocht in ons werk Congo Beige.) Bij zijne terugreis naar Europa liet 
Le Marinel zijnen medeaangestelde, Legat, als afgevaardigde bij 
Msiri achter. 

De vier tochten hadden voor aanvoerders, den heer Delcommune, 
kapiteins Bia en Stairs, en den luitenant Hodister. 

10 De karavaan Hodister, waarover wij reeds in bijzonder- 
heden traden, ging den Lomami-stroom op toen zij zich door de 
snoode Araben liet verschalken ; Hodister en verscheidene van 
zijne reisgezellen : Magery, Desmedt, Noblesse werden vermoord in 
Mei 1892. 

Om hunnen dood te wreken en om nog grootere rampen te voor- 
komen, begon de Onafhankelijke Staat den veldtocht welkedoor den 
moed en de schranderheid van bevelhebber Dhanis met zulk een 
heerlijken uitslag bekroond werd. 

2° De Engelsche kapitein Stairs, de reisgezel van Stanley, de 
beklimmer van den Ruwenzori-berg, verliet Londen den 18^1 Mei 



128 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

1891 ; hij nam den weg langs Zanzibar en het Tanganika-meer, en 
kwam den 14^" December te Bunkeia aan, Daar ontviel hem zijn 
reisgezel, de Belgische kapitein Bodson, die in een gevecht den dwin- 
geland Msiri gedood had. Door hongersnood en ziekte tot den terug- 
tocht gedwongen, koos Stairs den weg langs den Zambezis-stroom. 
Op 8^'^ Juni 1892 bereikte hij de monding van denstroom.en stierf 
van vermoeienis en uitputting te Chinde. Zijne twee medeaangestel- 
den, de markies de Bonchamps en dokter Moloney, leidden de kara- 
vaan naar Zanzibar terug, en kwamen op het einde van Juli, in 
Belgie aan. 

3° De derdekaravaan, aangevoerd door kapitein Bia, van Luik, was 
samengesteld uit den \mten3.nt Fra?icguz, van Brussel, den luitenant 
Dei'scheid, den aardkenner Cornet, beiden van La Louviere, en den 
geneesheer Amerlinck, van Gent. Zij vertrok even als de voorgaande 
uit Antwepen, den iS^" Mei 1891. Na den Congostroom gevolgd te 
hebben.trokken de reizigers,in November,door Lusambo; zij bereikten 
Bunkeia den 30^" Januari 1892, en drongen, op Engelschen grond, 
tot Tchitambo door; waar de beroemde ontdekkingsreiziger Living- 
stone, in 1873, het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had. 

Bia stierf aan de koorts te Ntenke, den 30^'^ Augustus 1892, en Het 
luitenant Francqui als opvolger na. Deze bereikte, in September van 
hetzelfde jaar, de bronnen der Lualaba, kwam, in Januari 1893, ^^ 
Lusambo, en den 16^" April, tezelfdertijde als de karavaan Delcom- 
mune, te Brussel aan. 

40 Eindigen wij met de karavaan Delcommune, die echter in de 
volgorde der dagteekening van het vertrek, de eerste is. 

Onder hare leden telde men den heer Delconi7nnne, geboren te 
Namen in 1855, den oudsten der Belgische ontdekkingsreizigers in 
Congo, waar hij sedert 1873, verscheidene posten met onderscheiding 
bekleedde. 

— Den ingenieur DiderricJi, van Vielsalm (Luxemburg) ; den ge- 
neesheer Briart, van Chapelle-lez-Herlaimont (Henegouwen) ; den 
sergeant-majoor Florent Cassart, van Warsage (Luik). 

Namen nog deel aan den tocht : de zweedsche officier Carl Hakans- 
son, die den 20^" Augustus op weg naar Kinkondia, vermoord werd ; 
de heeren de Roest en Proche, die aan den Lomami gekomen, op het 
einde van hetzelfde jaar, door ziekte gedwongen werden terug te 
keeren. 

De karavaan, die, in Juli 1890, uit Belgie vertrokken was, richttezich 
naar den post van Stanley-Pool, en bereikte Bena-Kamba, op den 



TWEEDE DEEL. — DE ONTDEKKINGSTOCHT DELCOMMUNE. 1 29 



Lomami, in Januari 1891, Te Bunkeia aangekomen, drong men voor- 
uit tot aan de bronnen der Lualaba, welke men voornemens was in 
27 uit boomstammen vervaardigde booten af te varen ; de hongers- 
nood maakte echter talrijke slachtoffers onder de reizigers, en dwong 
hen, na alle slag van ontberingen geleden te hebben, naar Bunkeia 
terug te keeren. Uit deze laatste plaats toog Delcommune ter ont- 
dekking van het Kassali-meer, stak de Luapala over (die men als den 
voornaamsten arm van den Congo beschouwen mag), en bereikteein- 
delijk het Tanganika-meer, juist bij tijds om kapitein Jacques, door 
de Araben in Albertville ingesloten, bij te springen. Van daar ver- 
trok hij door de vallei der Lukuga naar Lusambo, en vervolgens naar 
Europa, ahvaar hij den 16"" April 1893 aankwam. 

In de onmogelijkheid, waarin wij ons bevinden om hier al de bij- 
zonderheden dezer verschillige tochten mede te deelen, kiezen wij 
uitsluitelijk den laatsten, welks uitslag bijzonder gewichtig was. Ten 
andere, meer dan eens kruisten zich de te volgen wegen der karava- 
nen Delcommune, Stairs en Bia in Katanga, en bleef Bunkeia voor 
alle als het middenpunt. Alhoewel de heer Delcommune een zeer 
belangrijk verslag van zijne reis in het licht gaf, zal men ons oorloven 
de voorkeur te geven aan dat van den ingenieur Diderrich, dien wij 
de eer hebben onder onze vrienden te tellen. Dit reisverhaal tot nu 
toe nog niet uitgegeven, werd voorgedragen in eene zitting der aard- 
rijkskundige Maatschappij van Brussel. 



< ^ TWEEDE HOOrDSTUK. ^ 
De reistocht Delcommune. 

Voordracht gehouden door den heer ingenieur Diderrich in de 
zittingzaal der Aardrijkskundige Maatschappij van BrusseL 

§ 1, Van Antwerpen naar Leopoldville. 

^IJNHEEREN, laat mij u eerst de beweegredenen doen 
kennen, die den ontdekkingstocht in Katanga voor gevolg 
hadden. Van het tijdstip af, dat de uitgestrekte gewesten 
van Midden-Afrika, welke men Belgisch Congo noemt, 
als onafhankelijke Staat erkend waren, had zich de aan- 

dacht der ontdekkingsreizigers op de bevaarbare deelen van het 

stroomgebied van den grooten stroom gevestigd. 

Soldaten en MJssionarissen in Congo o 




130 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Reeds was men den Congo tot aan de Stanley-Falls opgevaren; de 
loop der Aruwimi, der Ubangi, der Uelle, der Kassai, der Sankuru 
was nauwkeurig opgenomen.De scheepvaart vergemakkelijkte immers 
al deze ontdekkingen ; maar het uiterst zuidelijk gedeelte van den 
nieuwen Staat, juist ter oorzake van den afstand en van het gemis aan 
rechtstreeksche gemeenschap te water, was geheel ter zijde gelaten. 
De onoverkombare hinderpalen welke een tocht daarheen scheen op 
te leveren was zonder twijfel de eenige reden, die de ontdekkings- 
reizigers terughield, want de inlichtingen, die men over deze gewesten 
had ingewonnen, waren wel in staat om hunnen ijver gaande te maken. 

Cameron, die de eerste Midden-Afrika in deze richting doorreisde, 
had zeer opmerkenswaardige bijzonderheden met betrekking op land- 
en bergbouw over Katanga medegedeeld. Die reiziger was, wel is waar, 
niet zelf in de streek geweest, maar hij had zijne inlichtingen uit den 
mond der inboorlingen van Manyema vernomen. 

De Engelsche missionaris Arnol, daarna de Portugeesche ontdek- 
kingsreizigers Capello en Ivens, doorliepen Katanga, en zonder in 
bijzonderheden te treden, lieten zij zich in zeer gunstige bewoordingen 
over de streek uit. 

De BelgiscJie UTaatschappiJ ter bevordering van koophandel e7i Jiijver- 
heid ill Congo, die hare navorschingen in het stroomgebied van den 
Lomami tot aan den onlangs opgerichten krijgspost van Bena-Kamba 
had uitgebreid, besloot eindelijk zich van de toekomst in Katanga door 
eenen ontdekkingstochtte verzekeren. De Heer Delcommune werd 
tot aanvoerder benoemd, en ik had de eer, als ingenieur-aardkenner 
hem toegevoegd te worden. 

Op zee. — Ik ging scheep te Vlissingen, den 3 Juli 1890, aan 
boord van de Duitsche boot AdolpJie Woernian. De overvaart was kort, 
25 dagen, en, uitgenomen in de Golf van Gascogne, was de zee zeer 
kalm. Uit vrees van tegengehouden te worden als verdacht van be- 
smetting, zetten wij onzen weg voort en legden maar tweemaal aan : 
eens te Gorea, in Senegal, en eens te Libreville, in Gabon of Fransch 
Congo. 

Gorea is maar een vervallen stadje, treurig en vuil. Dit laat u ver- 
staan, dat ik het eenigszins ontgoocheld over de schoonheid der keer- 
kringlandschappen verliet ; Libreville, integendeel, prijkt in voile 
pracht tusschen zijne onafzienbare reien palm- en cocosboomen. De 
tuinen van het Katholieke missie-huis leveren een fraai uitzicht op ; 
zonder overdrijving mag ik verzekeren, dat het een der aangenaamste 



TWEEDE DEEL. — DE ONTDEKKINGSTOCHT DELCOMMUNE. I31 

wandelplaatsen is, welke ik ooit aantrof. Libreville is de hoofdstad 
van Fransch Congo. De vvoningen der verschillendebestieren zijn uit 
hout of ijzer opgebouwd en van breede en opene veranda's voorzien. 
Volgens gewoonte brachten wij een bezoek aan het oudste lid der 
Afrikaansche kolonisten : Zijne Hoogwaardigheid Mgr Webelle, die 
sedert meer dan veertig jaren in Gabon gevestigd is. Het gulhartior 
onthaal, en de aartsvaderlijke gastvrijheid, welke wij onder het dak 
van dezen eerbiedwaardigen ouderling genoten, vergoedden ons ruiin- 
schoots voor de vermoeienis welke de lange tocht naar zijne woning 
ons had veroorzaakt. 

Eenige dagen later vaarde de boot in de wateren van den Congo, 
en, den 28^"^ jfet zij voor Banana het anker vallen. 

Banana is de grootste inschepingshave van den Congostaat. 
Gezien van uit de voile zee, gelijkt de stad met hare witte handels- 
kantoren aan eene vlucht meeuwen, die zich, aan het uiteinde van 
lange reeksen cocosboomen, op het strand hebben nedergezet. Gelegen 
aan de monding van den stroom is Banana ontwijfelbaar de gezond- 
ste plaats van den Staat ; men geniet er al de voordeelen, die de 
nabijheid van den Oceaan kan opleveren ; het is dan 00k te Banana, 
dat men komt verblijven na te sterke aanvallen van koorts oi hema- 
Uirie. 

Slechts eenige uren scheiden Banana van Boma. Dit gedeelte 
van den Congostroom is met eilanden bezaaid, met weelderigen 
plantengroei overdekt. Hier en daar verhinderen uitgestrekte zandban- 
ken, waarvan eenige zichtbaar zijn, andere zich laten raden, den gang 
der stoombooten, en vergen groote voorzichtigheid in het besturen 
Ook hebben wij een loods aan boord, en het vaartuig glijdt traag- 
zaam door den doolhof der eilanden, als wilde het ons den tijd gunnen 
om op ons gemak dit fraaie landschap te bewonderen. 

Wij zijn te Boma, de hoofdstad. Wat mij betreft, men heeft mij 
voor huisvesting een fraaie en gemakkelijke kamer aangewezen in 
het hotel, dat de Maatschappij der Algemeene Pakhuizen op eenige 
honderden meters van den Congo heeft opgebouwd. Van het balcon 
ontwaar ik, zoover mijne oogen dragen kunnen, den stroom; recht voor 
mij verheft zich het groote eiland Lacomba als een tuin boven den 
vloed. Aan den oever : een ijzeren pier tot het lossen der stoombooten, 
pakhuizen met koopwaren opgepropt, handelskantoren onder de 
cocosboomen half weggedoken of neergehurkt tegen de stammen 
der reusachtige baobabs wier ontbladerde takken zich scherp op den 
blauwen bemel afteekenen. Hier en daar eenige vlaggen,die fladderen 



132 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

in den wind. In de verte hoort men kreten, gezang, tromgeroffel, nu 
en dan zelfs het gefluit van een stoomwagen, want zooals het een fat- 
soenlijk hedendaagsch gasthof betaamt, heeft dat waar ik ben afge- 
stapt zijn stoomtram, die driemaal daags de klienten op het uur der 
maaltijden aanbrengt. 

Men zou zich aan den oever van den Oceaan wanen, en het kost 
fmoeite om zich voor te stellen, dat men er meer dan honderd kilo- 
meters van verwijderd is : daar voor zich heeft men geen stroom, maar 
wel een kalme, wijde zee, zoo onmetelijk schijnt de vloed : ja, ik 
beken, dat het gezicht alleen van den Congo mij veel duidelijker be- 
grippen over zijne uitgestrektheid gaf dan de berekening, dat er eike 
seconde 50,000 kubieke meters water door zijne bedding stroomt. 
Van al de standplaatsen, die de blanken in Congo gesticht hebben is 
Boma zonder twijfel de voornaamste. Daar is de zetel van het Gouver- 
nement en van de verschillende besturen. De stad bestaat uit twee 
afzonderlijke deelen : het hooge Boma en het Boma aan het strand ; 
het eerste deel is ingenomen door de bureelen en de woningen der 
beambten; aan het strand zijn de handelskantoren, het hotel en de 
algemeene pakhuizen. Boma heeft een ijzeren kerk, die in de Bel- 
gische werkhuizen van Aiseau vervaardigd is, een missiehuis, kazernen 
gasthuizen. De gezondheidstoestand is op verre na niet zoo goed als 
te Banana. 

In afwachting der aankomst van de leden der expeditie, verbleef ik 
eene maand te Boma, en deed in de naburige streek aardkundige 
onderzoekingen, die de aardkenner Dupont reeds had bewerkstelligd. 
De voornaamste bestanddeelen der aardlagen dezer streek, zijn het 
graniet en een kristalijn schilfersteen. Intusschen bezocht ik het buiten- 
gemeen vruchtbare eiland Mateba waar men de ossen kweekt welke 
tot voedsel der blanken van Boma en Matadi bestemd zijn. Eene 
paardenfokkerij, welke men er heeft aangelegd, belooft goede uitslagen, 
en de bewerking der palmolie heeft in korten tijd een groote uitbrei- 
ding genomen, 

Te Matadi. — Ik verliet Boma in den morgen van den 30^" Sep- 
tember, aan boord van de « Koningin der Belgen », Vier uren later 
kwamen wij te Matadi aan, en al de leden der karavaan voor Katanga 
waren daar vereenigd. 

Aanvankelijk telde onze karavaan onder hare leden, behalve den 
bevelhebber Delcommune, den kapitein Hackansson, officier van het 
zweedsche leger, den luitenant Alexander de Soustchoff, van het 



TWEEDE DEEL. DE ONTDEKKINGSTOCHT DELCOMMUNE. 1 33 

Russi'sche leger, gewezen generaal-adjudant van generaal Skobeleff" 
gedurende den Turksch-russischen oorlog ; den geneesheer Briart, den 
Franschen natuurkundige Protch, eindelijk den baron de Roest. Hon- 
derd vijftig Haoussa's-soldaten, aan de kust aangeworven, en gewapend 
met chassepot-geweren, maakten met onze dienstboden ons geleide uit. 

De aankomst onzer karavaan vermeerderde nog de bedrijvigheid 
en de drukte, welke de aanleg van den ijzerenweg te Matadi tewceg 
brengt. Men was volop aan het werk; overal ontwaarde men rookende 
schouwen, werven, stapels spoorstaven, dwarsstukken, timmervverk, 
tonnen en kisten, waartusschen de bouwkundigen en opzichters voort- 
stapten, en gansche scharen van zwarte werklieden zich bewogen. 

De tocht van Matadi naar Leopoldville is niet van de gemakke- 
lijkste, en de overtocht van den Palabala staat bij de reizigers zeer on- 
gunstig aangeboekt. Het gevaar is echter meer aan de onervarenheid 
en de onbekendheid der in deze streak te volgen gezondheidsregels 
dan aan de wezenlijke bezwaren toe te wijten. 

Het land heeft bijna hetuitzicht van eene woestijn, want sedert de 
bestraffing der muitelingen door den Staat, hebben de inboorlingen 
de wijk naar het binnenland genomen,en zijn de dorpen langs debaan 
gelegen gansch verlaten. Hier en daar ontwaart men eenige prachtige 
vergezichten, want de grond is zeer bergachtig, maar de eentonigheid 
der tinten wordt ten laatste uitermate vervelend. Altijd dezelfde roode 
aarde, dezelfde zware rotsbonken, hetzelfde drooge hoogstammige 
gras, waardoor de laatste heidebranden zich breede, zwarte wegen 
hebben gebaand, en in het verschiet dezelfde geelkleurige, kale bergen : 
dit alles stemt den reiziger tot treurigheid. Slechts bij het naderen 
eener rivier verandert het landschap plotselings : hier krijgt alles 
nieuw leven, en de natuur spreidt hare rijkdommen zoo kwistig ten 
toon dat men het bewonderen maar niet beschrijven kan. 

Geheel verschillend nochtans is het voorkomen der streek gedurende 
het regenseizoen, want men vergete niet, dat onze reis in het drooge 
jaargetijde plaats greep, wanneer alle wasdom door gebrek aan voch- 
tigheid schijnt op te houden. 

De grond van deze streek is een mengsel van klei en zand, zoodat 
bij de minste regen het verkeer zeer moeilijk valt. De grootste hitte, 
welke ik gedurende onze reis waarnam, was ^6^ in de schaduw. 

Gedurende onzen toch haddden wij maar weinig betrekkingen met 
de inboorlingen der streek, en het was alleen op de marktplaatsen, 
die wij langs de baan ontmoetten, en waar wij in ruil van zakdoeken, 
paarlen of koperdraad ons mondvoorraad aanschaften,dat wij er eenige 



134 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

te zien kregen, Niets is vrooHjker en levendiger dan deze markten op 
de wegen der karavanen. Daar heeft men eene der beste gelegenheden 
om het karakter van den neger te leeren kennen. In het algemeen 
hebben de verkoopers en verkoopsters zoo ruime begrippen van de 
waarde hune koopwaren, dat hunne opprijsstelHng aan diefstal grenst, 
daarbij liegen zij onbeschaamd, schreeuwen en roepen en maken een 
lawaai dat hooren en zien erbij vergaat. De koopers gaan de markt 
rond, houden stil voor de biezen matten, waarop de koopwaren liggen 
uitgestaldjlachen dat ze schokken ofschelden gelijk verwoeden. Intus- 
schen houden eenige muzikanten zich onledig met op hunne trom- 
mels of gongs te slaan, en dit alles maakt voor den vreemdeling 
een zoo zonderlingen warboel uit, dathij willens of onvvillens tot lachen 
geneigd is. 

Leopoldville aan de Stanley-Poel.— Den 23en September 

bereikten wij Leopoldville, Hier was onze eerste rustplaats, en zeker 
voor korten tijd, de lange reis die voor ons lag in aanmerking geno- 
men. Wij namen onzen intrek in het handelskantoor van Kinshassa, 
dat nauwelijks een uur gaans van Leopoldville verwijderd ligt. Wij 
verbleven daarbijna eene maand en genoten gedurende gansch dezen 
tijd dehartelijkegastvrijheid van den heer Camille Delcommune, den 
broeder van onzen aanvoerder. Intusschen waren onze pakken aan- 
gekomen en hielden wij ons onledig met het aanschaffen der noodige 
voorwerpen tot het voortzetten der reis. Kinshassa verheft zich aan 
den boord van den Poel : zoo noemt men, om de groote breedte van 
den vloed, weike meer dan vijf kilometers bsdraagt, het gedeelte van 
den stroom dat gelegen is tegenover Leopoldville ; naar het Oosten, 
wordt hij zelf nog breeder. 

De Fransche post van Brazaville bevindt zich op den Noordelijken 
oever van den Poel ; aan den Zuidelijken oever verheft zich Leopold- 
ville. 

Wij hadden tot dusver het deel van den weg afgelegd, waar de 
Congo, door zijne menigvuldige watervallen, niet bevaarbaaris, en 
waar men, om dezelfde reden, eenen spoorweg aan het bouwen is. 

§ II. Van Leopoldville naar de Stanley-Falls. 

Van den Poel af tot aan de Stanley-Falls wordt de stroom, over 
eene verbazende lengte van 1500 kilometers, weder bevaarbaar. Nu 
alle onze toebereidselen geeindigd waren, was het oogenblikgekomen 



TWEEDE DEEL. DE ONTDEKKINGSTOCHT DELCOMMUNE. 1 35 



om aan boord te gaan der kleine stoomschepen, die op den 
Opper-Congo dienst doen en de reis aan te vangen naar Bena-Kamba, 
gelegen aan het bevaarbaar uiteinde van den Lomami, Maar reeds 
ontbreekt een onzer tochtgenooten, de luitenant Soustchoff, die na de 
bestijging van den Palabala op zijne stappen is teruggekeerd. Bij 
onze aankomstte Leopoldville, vernam ik met droefheid het afster- 
ven van mijnen vriend den E. P. Bracq, die ons eenige dagreizen 
vooruit was, en aan de gevolgen van eenen zonnesteek bezweek. Een 
ander reisgezel vverd ons in den persoon van den dapperen Cassart 
toegevoegd. 

Geheel iiet reisgezelschap verliet Kinshassa den 1 7«" October aan boord 
der twee stoomers « Stad Brussell> en « Florida ». De « Stad Briisseh, 
die over een grooter stoomvermogen beschikt, was weldra de « Flori- 
da » vooruit. Delcommune, de luitenant Cassart en ik waren van het 
getal reizigers, die zij aan boord had. Verscheidene officieren van den 
Staat vergezelden ons ; zij begaven zich naar hunne wederzijdsche 
posten aan den Opper-Congo. 

De oevers van den Congo in het middengedeelte van zijnen loop, 
dat wil zeggen van Leopoldville af tot aan de Stanley-Falls, hebben het 
uitzicht van onmetelijke vlakten met wouden bedekt, zoo schoon en 
zooindrukwekkend, dat het moeilijk te beschrijven is. 

Nu en dan breekt het woud plotseling af en ontwaart men uit- 
gestrekte weiden met hoogstammig gras begroeid, waartusschen 
gansche kudden buffels, door de schelle tonen der stoomfluit of 
doorde geweerschoten onzer mannen opgeschrikt, in dolle vaart been 
en weer rennen. Somtijds 00k verheft zich de grond in zachte glooi- 
ingen en vormt eene reeks kleine heuvels, ; naar mijn gevoelen 
zijn die van Msouta de hoogste en toch schat ik ze niet boven de 200 
meters. Aan de mondingder Kassai", treft men er 00k eenige aan, en 
op €€n ervan is het katholieke missiehuis van Berghe Sinte-Maria 
gebouwd. Wij genoten de gulhartigste gastvrijheid onder het dak 
der missionarissen;het eenvoudig noenmaal dat men ons opdiende, 
ging met degrootste vroolijkheid gepaard. De gebouwen zijn van vrij 
ruw maaksel, maar de akkers leveren een heerlijk gezicht op. 

Debovenlaag der aan de oevers van den Congo gelegene gronden 
bestaat meestal uit een mengsel van klei en zand, dat door de zuur- 
stoffen van de ijzererts een roode tint verkregen heeft. De mest- 
bevattende aardlaag iszeer diep, wat den grond uitermate vruchtbaar 
maakt en aan de gewassen een ongemeene groeikracht mededeelt; 

Wij bereikten LukolilatWQtmdkd.rdi om zijnen tabak, die waarlijk lek- 



136 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONfJO. 

ker is. Wij haasten ons een goeden voorraad er van op te doen, 
wantde tocht zal lang zijn. Twee dagen later kwamen wij \.e Evenaar 
aan, waar de bevelhebbers Coquilhat en Van Gele, in het begin van 
den oorlog, zich roemrijk onderscheidden. 

Den 30^'! October, ontscheepten wij te Bangala, een der fraaiste 
standplaatsen van den Staat.De gebouwen zijn van rooden baksteen en 
debouwmeesterheeft er iets van den gothiischen bouwtrant weten aante 
geven, wat goed uitkomt bij de omstaandehoogstammige palmboomen. 
Hier insgelijks leveren de maniocvelden en banaanboom-plantaadjes 
een prachtig uitzicht op ; overal ontvvaart men kudden schapen en 
geiten. Luitenant Baert, bevelhebber van den post, onthaalde ons zeer 
guliiartig. Bangala heeft 00k een zeer uitgestrekt en goed onder- 
houden Katholiek missiehuis. De E. P. Cambier, overste der zending, 
had de vriendelijkheid mij ten onbijt uit te noodigen. Ziehier wat ter 
tafel kwam : gebraden geitevleesch, eieren, bananen, en koffie met 
melk : voeg daarbij een hartelijke vroolijkheid, die den sm.aak der 
eenvoudige maar wel bereide spijzen nog verhoogde. 

Gelukkig bevonden wij ons te Bangala op Allerzielendag en konden 
wij mis hooren. IMijne verbeelding bracht mij naar het vaderland terug, 
en ik zag onze goede Ardennenbewoners op het kerkhof in het ge- 
bed. Hoe gaarne was ik van hun getal geweest, en had ik dien grond 
betreden die zooveel duurbare panden bewaart. Vreemd genoeg, de 
gedachte van mijne verwijdering was mij tot nu toe nog nimmer te 
binnen gekomen ; op dien dag voelde ik ze zeer. 

Den pen November komen wij te Boumba aan, eenen post door 
kapitein Jacques gesticht tijdens zijn eerste verblijf in Afrika. Het 
scheen mij dat ik in een bekend land was, zoo levendig was het 
aandenken aan dezen vriend. Het kleine huisje met zijn strooien 
dak, dat hij bewoonde, ziet er zeer lief uit. Gezeten in de schaduwder 
veranda,zei ik bij mij zelven : hier was hij, terwijl men in het vaderland 
zooveel aan hem dacht en zoo ongeduldig zijne tijdingen verwachtte. 
Plotselingvielen mijne blikken op eene kast, welker deur, gemaakt 
van het deksel eener kist, in groote letters dit opschrift droeg : Luite- 
nant Jacques. Ziedaar, dacht ik, de laatste gedachtenis van eenen 
vriend op den \\^^ mijner lange reis.Weinig vermoedde ik toen dat wij, 
twee jaren later, elkander zouden wedervinden, niet in het vaderland, 
maar aan het Tanganika-meer, waar wij, als werkers voor dezelfde 
zaak, de slavenhandelaars zouden bevechten. Maar laten wij ons 
verhaal niet vooruit loopen. 
Dertien dagen na ons vertrek uit Bangala bereikten wij Basoko, 




Afrika. — De haven van Leopoldville aan den Stanley-Pool. 




De markt van Kassango, op den weg naar Leopoldville. 



I37-J38 



TWEEDE DEEL. — DE ONTDEKKINGSTOCIIT DELCOMMUNE. 1 39 



het beruchte versterkte kamp der Arouwimi. De post bestaat uit 
een groep huizen omringd door een paahverk en opgeworpene aard- 
wallen. INIen treedt binnen langs wipdeuren, en een tiental meters 
hooge wachttoren bestrijkt den stroom, Ook daar werden wij geest- 
driftig onthaald. 

Den 14^^ November, troffen wij eindelijk den eersten Araabschen 
post aan. Hij is gelegen te Isangi, aan de monding van den Lomami. 
Isangi is een tamelijk groot dorp, dat nog uitgestrekter zijn zou, in- 
dien een groot deel der inwoners hun leven niet doorbrachten op het 
water. Aleest alle zijn visschers en hebben voor alle woonst eene prauw, 
waarover twee of drie matten gespannen zijn, derwijze dat zij een rond 
of puntig dak vormen. Is er ievers aan land onraad, dan steken de 
prauwen onmiddellijk van kant en zoeken elders eene schuilplaats. 

Van verre gezien onderscheidt zich de Araabsche post in niets van 
dien van den Staat, en ware het niet, dat de lange witte kleederen en de 
tulbandender menschenjagers zich tegen den grijsachtigenachtergrond 
der huizen afteekenen zou men in den waan verkeeren dat men blanken 
voorhanden heeft. Isangi heeft een mahomedaanschen tempel, die 
weinig van de andere huizen verschilt, alleenlijk is de ingangpoort in 
Moorschen bouwtrant, en ontwaart men voor het gebouw eenen paal, 
waarop een doodshoofd, half in 't rood en half in 't wit geverfd, de 
voorbijgangers grijnzend tegenblikt. Binnen de moskee is alles een- 
voudig en zonder versiering ; de witte muren zijn geheel naakt, behalve 
de zijde die naar het Oosten is gekeerd ; daar heeft men eenig loof- 
werk met roode randlijstjes aangebracht : op den grond liggen reine 
biezen matten : niemand mag daar geschoeid binnentreden. Ziedaar de 
geheele versiering van het bedehuis der leerlingen van den Profeet. 

Aan de Stanley- Falls. De Araben. — Toen wij te Isangi 

waren aangekomen, moesten wij eigenlijk den Congo verlaten om 
den Lomami op te varen, maar om eenige voor ons noodzakelijke 
inlichtingen te verkrijgen waren wij gedwongen tot aan de Falls 
onzen weg voort te zetten. 

De zaakgelastigde van den Staat, de heer Lherman, ontving ons 
met veel gulhartigheid. 

Nauwelijks vv-aren wij aangekomen of eenige Araabsche afgevaar- 
digden kwamen ons aan boord begroeten. Natal van diepe buigingen 
en welkomst-wenschen, waarbij de aan de Araben eigenaardige 
glimlach een groote rol speelde, gaf de afvaardiging ons bericht 
dat Tippo-Tip naar Zanzibar vertrokken was, en zijn plaatsvervanger, 



I40 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Raschid, naar Kassongo, ten einde aldaar in het huwelijk te treden. 
Daarop namen de Araben afscheid van ons en keerden naar den 
tegenovergestelden oever terug. 

Wij staken op onze beurt den stroom over en brachten een tegenbe- 
zoek. Wij werden ontvangen in een^barzah van Tippo-Tip, een soort 
van veranda wier uitspringende daken tegen het midden gebouw leunen. 
Men bood ons zitbankjes aan terwijlde Araben blootsvoets op hunne 
matten nederhurkten. Eenige opperhoofden dragenschoenen.of liever 
hooge houten zolen, zeer wel gelijkend op die der Japaneezen. Het 
gezelschap leverde werkelijk de schoonste verzameling tijpen op die 
een schilder had kunnen wenschen ; in hunne witte lompen gehuld 
zien zij er waarlijk prachtig uit, en de beweegbaarheid en verscheiden- 
heid hunner gelaatsuitdrukkingen is der moeite waard om nategaan: 
eenigen zetten een argeloos en onschuldig gezicht, terwijl anderen met 
trotschen oogslag in het ronde bHkken ; sommigen houden de oogen 
neergeslagen en laten hunne amberen halssnoeren door de vingeren 
glijden ; men zou gezworen hebben, dat zij den zin van het een of 
ander geheimvolle vers van den Coran op het zand trachtten te door- 
gronden ; anderen nog zien ons vrijmoedig aan in afwachting, dat de 
tolk de beteekenis onzer woorden heeft overgebracht. 

De woning van Tippo-Tip en het Araabsch kamp bevinden zich 
aan den linkeroever van den stroom in de nabijheid der Falls ; op 
deze plaats stort zich de Congo van eene hoogte van vijftot zes 
meters naar onder, en bruischend rollen zijne schuimende golven over 
de roode rotsbonken heen. Wat echter de bewondering der vreemde- 
lingen het meest gaande maakt, is de stoutmoedigheid der inboorlin- 
gen, die op deze bijna ongenaakbare plaatsen hunne netten ter visch- 
vangst gaan spannen. 

§ III. Van de Stanley-Falls tot het Kassali-meer. 

Wij verlieten de Falls om naar Isangi terug te keeren, en werden 
ditmaal door den bevelhebber van den post, een jong en inschikkelijk 
Araab, Ben-Abibu genaamd, hoffelijk op eene theepartij uitgenoodigd. 
Wij lieten een draaiorgel dat wij voor het een of ander Congoleesch 
opperhoofd medevoerden, naar onzen gastheer brengen en de barzah 
der Araben hoorde ongetwijfeld voor den eersten keer d^n koning van 
T/iule en My Queen. 

Vaart op den Lomami. — Wij vertrokken, den 2oen, uit 
Isanghi overladen met de geschenken van Ben-Abibu, en stoomden 



TWEEDE DEEL. DE ONTDEKKINGSTOCHT DELCOMMUNE. I4I 

den Lomami op. Na elf dagen kregen wij Beiia-Kamba in het gezicht. 
De Lomami volgt dezelfde richting als de bovenloop van den Congo, 
maar is geheel vrij van watervallen, en bevaarbaar. Aan beide oevers 
verhefTen zich eeuwenoude bosschen, zoodat wij zes dagen lang niets 
anders dan het woud, de lucht en het water te zien kregen. Hoe schoon 
en grootsch is het plantenrijk aan den Lomami ! Uit de uitgebreide 
groene geweefsels welke de sHngerplanten overal uitspannen, verhefifen 
zich in bonte mengeh'ng de kroonen der sandel- acacia- en pahn- 
boomen. Voeg daarbij het h'ef gekweel der voglenscharen, het zacht 
gegons der ontelbare insekten, de aangename geur van bloemen en 
planten, het helder zonnelicht, en gij zult u een zwak denkbeeld 
kunnen vormen van het prachtig tafereel dat zich voor de verwonderde 
bHkken ontrolt. 

Nu en dan jagen wij eenige reuzen-reigers op, die met groot 
gedruisch op hunne breede wieken heenvliegen, of wel, 't is eene vlucht 
gekuifde witte watervogels, die rakelings langs het water scheren. Eens 
zagen wij twee olifanten, die de rivier overzwommen : waar het water 
niet zeer diep is, houden zij den loggen kop boven, integendeel,waar zij 
geen grond meer voelen ontwaart men nog enkel het uiteinde van 
hunne tromp. 

Wij troffen maar weinig dorpen aan ; toch vindt men zeer groote 
stroomafwaarts, en eenige zelfs waren zoo uitgebreid dat hunne 
huizen zich mijlen ver aan weerzijden van den oever uitstrekten. 

Wij verbleven te Bena-Kamba tot 25enjanuari 1891. De oorzaak 
daarvan was de trage gang van de tweede stoomboot, de Florida^ aan 
wier boord het tweede korps van den tocht zich bevond. Toen, den 
29^" Januari 1891, deze kleine boot het anker lichtte om af te varen 
werd voortaan alle gemeenschap met Europa afgebroken, en eerst 
twee jaren later zou zij hersteld worden. 

Daar wij voornemens waren den Lomami op te varen, hadden wij 
ons te Isanghi eenige groote inlandsche prauwen aangeschaft om 
onze mannen en onze pakken te vervoeren. Wij waren insgelijks 
van een stalen lichterschip voorzien, welks verschillige stukken men 
uiteennemen kon, een zooals Stanley op zijnen reistocht in Midden- 
Afrika had medegenomen. De Florida had ons aan de eerste snel- 
strooming van den Lomami verlaten, en nu ving voor ons een 
der bezwaarlijkste deelen der reis aan : door het snelvlietende water 
tegengehouden, kwamen onze prauwen maar langzaam vooruit, en er 
verliepen drie voile maanden alvorens wij te Gongo-Lutete, God 
weet ten prijze van welke krachtinspanning, aankwamen, 



142 SOLDATEN EN MISSION ARISSEN IN CONGO. 

Te Gongo zagen wij van de scheepvaart af en zetten onzen weg te 
lande voort. Onze karavaan was nu vermeerderd met 200 lastdragers, 
die Liiteteen Raschid verschaft hadden.De plaatswaarwij heen trokken 
heet LfOUpOUngon, en is gelegen op meer dan een breedtegraad 
ten Noord-Westen van Gongo. De streek, welke wij doorliepen 
was bijna gansch verlaten. De grond, wel is waar, is vruchtbaar en, 
uitgenomen eenigebergvlakten die tot den landbouw ongeschikt zijn, 
overvloedigdoor groote rivieren besproeid ; het klimaat laat insgelijks 
niets te wenschen ; maar ook daar hebben de slavenhandelaars hunne 
verwoestingen aangericht:de weg is bezaaid met in puin gelegdedorpen. 
Het is treurig die levenlooze landschappen te aanschouwen, te denken 
dat de bevolking, die weleer de lange rijen van die nu half verbrande 
en door slingerplanten ingenomene hutten bewoonde, thans vermoord 
is of als slaven weggevoerd werd ! 

Na eenige dagreizen door deze hartaangrijpende eenzaamheid 
bereiken wij Loupoungou. 

Loupoungou ook was in de macht der Araben ; de bevelhebber der 
plaats is, wel is waar, geboortig uit de streek, maar hij was de leen- 
man van Gongo, en dit was genoeg om de gruweldaden van zijnen 
meester na te volgen, ja zelfs te overtrefifen. Loupoungo moet, wat het 
getal der inwoners betreft, voor Gongo niet onderdoen ; het is wellicht 
zelfs grooter. Ongelukkig zijn de inboorlingen gelijk in deze laatste 
plaats, menscheneters.Er valt niet veel opmerkenswaardig in het leven 
van deze ondereen krielende bevolking aan te stippen : de velden zijn 
wel bebouwd,en de ijzernijverheid wordt op breede schaal uitgeoefend; 
de inrichting hunner hoogovens in zeer merkwaardig. Na 100 nieuwe 
lastdragers in dienst genomen te hebben, verlieten wij de plaats den 
tienden dag na onze aankomst. 

Op eenige dagreizen van Loupoungou bevindt zich het dorp Monau- 
Goo-o, waar wij stilhielden om nog andere lastdragers aan te werven. 
Wissmann was hier in 18S1 doorgetrokken. Te Monau-Gogo namen 
wij eenige gidsen in dienst, om ons naar Kilamba te geleiden, alwaar 
de beroemde ondekkingsreiziger Cameron eenigen tijd verbleef. Kas- 
songo, het opperhoofd van Kilemba, heeft zich aan het juk der Araben 
weten te onttrekken ; zijne Staten zijn zeer bevolkt en met recht kan 
hij voor een der machtigste hoofden van Ouroua doorgaan. In de 
streek gelegen tusschcn Loupoungou en Kilemba treft men talrijke en 
bedrijvige volksstammen aan : wij trokken door dorpen, bestaande uit 
een enkele straat van meer dan anderhalf uur lengte. De inboorlin- 
gen, die ons zeer vreedzaam toeschenen en met wie wij op den vrede^ 



TWEEDE DEEL. — DE ONTDEKKINGSTOCIIT DELCOMMUNE. 1 43 

lievendsten voet omgingen, leggen zich uitsluitend op den landbouw 
toe. Hun voornaamste voedsel is de broodwortel, die, somtijds met 
hevig vergift bevattende planten gemengd, niet altijd onschadelijk is, 
Acht onzer lastdragers stierven aldus aan vcrgiftiging. 

Wij kwamen te Kilemba aan in het begin der maand Juli. De koning 
Kassongo, die al zijne pracht en al zijne milddadigheid ten toon 
had gespreid om ons wel te ontvangen, was de Kassongo niet meer, 
dien Cameron gekend had, maar zijn zoon, die hem had opgevolgd. 
Wij verbleven een vijftiental dagen te Kilemba en waren getuigen der 
meest zonderlinge en meest ongelooflijke gebruiken welke den neger- 
vorsten zeer aan het hart schijnen te h'ggen. 

Ik laat hier eenige der barbaarsche strafifen volgen die de koning 
gewoonlijk toepast. Een inboorling heeft gestolen : men zal hem de 
hand afkappen ; de twee handen indien de diefstal gewichtig is. Een 
ongehikkige wordt betrapt terwijl hij een gesprek van den koning 
afluistert, een zijner ooren wordt afgesneden. Een arme drommel 
heeft, in een gevecht uit vrees voor de vijandelijke pijlen, te spoedig 
het hazenpad gekozen, men kapt hem eenen voet af, en zoo voort: zulks 
verklaart den ellendigen toestand waartoe zooveel inboorlingen ge- 
bracht zijn.Niets is meer gewoon in Kilemba dan lieden teontmoeten 
met eene hand, eenen voet, een oog, een oor, of met afgesneden lippen. 
En niettegenstaande deze verminkingen wordt Kassongo door zijne 
onderdanen bemind.en gaat bij alien door voor een verstandig koning. 
De zeden van deze volksstammen verschillen zoodanig van de onze, 
dat men ze moet gezien hebben om het te kunnen gelooven. 

Aanval der inboorlingen. De slavenhandelaars. — 

Daar Kilemba, voor wat de mijnbouw betreft, veel belang oplevert, had 
men mij gelast den aard van den grond te bepalen.Ik begaf mij dus op 
weg om de omstreken te onderzoeken, terwijl de karavaan stil hield. 
Luitenant Hackansson met een twintigtal soldaten diende mij tot ge- 
leide. Op drie dagreizen van Kilemba werden wij plotseling door eene 
bende inboorlingen aangevallen, die ons gedurende geheel den nacht 
van den 27 Juli ingesloten hielden; niet voor de dag begon aan te bre- 
ken gelukte het ons hen terug te drijven.Hoe wij het met 22 man tegen 
zulk een talrijke bende hebben kunnen volhouden heb ik nimmer kun- 
nen begrijpen; zonder een zienlijke bescherming van den hemel waren 
wij gewis alien verloren. Onze soldaten, die de vergiftige pijlen zeer 
duchten, waren als door den schrik verlamd.Onze aanvallers, aan beide 
kanten van den hollen weg,waardoor wij voorttrokken,in het struikge- 



144 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

was verscholen, schoten ons hunne pijlen naar de beenen : twee onzer 
mannen werden aldusgekwetst.Gelukkig had ik een stuk helsche steen 
bij mij, 't geen mij toeliet de wonden bij tijds uit te branden en hen 
van een bijnazekeren dood te redden. 

Dit eerste gevecht gaf aanleiding tot een algemeenen oorlog. Het 
bleek, dat onze vijanden tot de onderdanen van Kassongo's breeder 
behoorden, en dewijl de twee Congoleesche opperhoofden elkander 
vijandig gezind waren, beschouwde de eerste den aanval als eene eed- 
breuk. Intusschen was ik gedwongen kost wat kcst met mijne aardon- 
derzoekingen voort te gaan, zoodat de heer Delcommune mij een 
geleidevanSosoldaten gaf; dokter Briardkwam zich ook bij ons voegen. 
Deels vechtende, deels onderzoekende geraakten wij voor Bohia, ver- 
bh'jfplaats van Cimbo, den breeder van Kassongo. Door een onver- 
klaarbaren samenloop van omstandigheden werden wij genoodzaakt 
de plaats aan te vallen. Wij dachten met eenige honderden inboorh'n- 
gen te doen te hebben, maar het hevig geweervuur van de belegerden 
leerde ons weldra dat onze tegenstrevers ons niet behoefden te 
vreezen. 

Na vier uren vechtens behielden wij de overhand: onze Haoussa's 
namen de boma in en zetten het dorp in laaie vlam. Daarmede was de 
veldtocht geeindigd en trokken wij naar Kilemba af, want het gemis 
van krijgsvoorraad h'et ons niet toe aldaar langer te vertoeven. In het 
gevecht voor Bohia sneuvelden vier onzer mannen, en de geneesheer 
Briart werd door eenen kogel aan den elleboog en door eenen pijl aan 
de knie gekwetst : gelukkig waren de wonden niet erg. Kassongo zette 
voor eigene rekening den oorlog voort, maar wie de bovenhand behield 
ben ik niet te weten gekomen. 

De weerstand, welke men ons voor Bohia geboden had, verwonderde 
ons grooteh'jks, dit was immers de manier niet waarop de inboorlingen 
gewoon zijn te strijden. Wij vernamen naderhand, dat wij met de 
vereenigde benden van drie portugeesche slavenhandelaars, mestiezen 
uit Bih^, te doen hadden gehad; onze vijanden beschikten over onge- 
veer 300 geweren. De voornaamste der slavenhandelaars, Saquito, 
was in het gevecht gesneuveld, en onze overwinning had aan 400 zijner 
slaven de gelegenheid gegeven om te ontsnappen, 

Mijne navorschingen waren geeindigd, en wij verlieten Kilemba 
den 20^" van Oogstmaand. De tocht ging nu naar de Lualaba, welke 
wij voornemens waren in de nabijheid van het door Camerom ontdekte 
Kassali-meer over te steken. 

Na eene reis van zeven dagen bereikten wij het meer ; uitgenomen 



DERDE DEEL. DE ONTDEKKINGSTOCIIT DELCOMMUNE. 1 45 

de twee laatste dagen hadden wij nergens eenig dorp ontmoet. Mijn 
boy, die gedurende den tocht op zoek naar mijnen bond \vas gegaan, 
werd door de inboorlingen gevat en uitgestroopt : zij ontnamen hem 
zijne kleederen, mijn draaipistool en mijne patroontasch. Ilet gelukte 
evenwel den jongen zijne banden te verbreken en op den loop te gaan; 
ongelukkig bekwam hij daarbij eenen lanssteek aan de hand. Dit h"et 
ons zien metwelke gevoelens de bevolking ten onzen opzichte bezield 
was. De slavenhandel werd aldaar gedreven ; vandaar de vijandschap 
der inboorh'ngen. 

Het KaSSali-meer gelijkt op een moerassige uitbreiding der 
I lalaba ; op den linker-oever verheffen zich hooge kwartsachtige 
rotsen aan welker voet het dorp Kihondia is gebouwd. Het meer is 
omtrent 15 kilometers breed, maar zijne lengte is veel aanzienh'jker. 
Het landschap heeft een treurig uitzicht, het water van het meer is 
zwartachtig, de vlakte naakt, en op de omh'ggende bergen ontwaart 
men weinig of geene bosschen. Wij vertoefden een dag te Kihondia, 
den tijd dien ik noodig had om den aard der rotsen te onderzoeken, 
aan welke wij den naam hebben gegeven van onzen ongelukkigen 
vriend Hackansson. Den 30^" begaven wij ons daarheen op weg. De 
stroom is betrekkelijk smal. 

De tocht was dien dag uitermate vermoeiend ; opvolgentlijk trokken 
wij door drie zoo volkrijke dorpen dat gedurende al mijne tochten in 
Afrika ik nergens zooveel inwoners op zoo kleine uitgestrektheid 
gronds vereenigd gevonden heb. Een protestantsche missionaris uit 
Kihondia verstrekte ons tot gids. 

§ IV. — Van het Kassali-meer tot de bergpassen van Nzilo. 
Moord van luitenant Hackansson. — De hitte was 

stikkend, en onze lastdragers stapten met moeite vooruit ; het was 
7 ure 's avonds toen ik in het kamp aankwam. Het was pikdonker. 
Cassart kwam na 8 ure aan. Wij bleven op Hackansson wachten, die 
de achterhoede aanvoerde, tot omtrent 9 ure. Het wachten moe, waren 
wij op het punt het avondmaal te gebruiken, toen de boy van den lui- 
tenant kwam aangeloopen en weenend uitriep : <i Mijn meester is ver 
moord J>, Dit schrikbarend nieuws vervulde ons alle vier met ontstel- 
tenis : stilzwijgend bezagen wij elkander en konden aan het verhaal 
van den knaap geen geloof hechten. Ongelukkig was de tijding maar 
al te waar : onze vriend en veertien onzer Haoussa's-soldaten waren 
onder de lanssteken der wilden bezweken. 

Sold^ten en Missionarissen in Congo. jp 



146 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 



Het verlies van dezen ongelukkigen tochtgenoot baarde mij onge- 
looflijk veel hartzeer. Hackansson was de edelmoedigheid en de eer- 
lijkheid zelf : op zijn rijpen leeftijd had hij de geestdrift van zijne 
twintig jaren behouden. 

Hackansson was protestant, maar zijne godsdienstige gevoelens 
waren wel geschikt cm zelfs aan katholieken veel stof tot nadenken te 
geven. Tot bewijs daarvan laat ik dit paar woorden volgen welke ik 
uit zijnen mond vernam : « Ja, Diderrich, uit geheel mijn hart offerde 
ik mijn leven aan God op, indien mijn dood de christene beschaving 
van deze ongelukkige bevolkingen een enkelen stap vooruit kon doen 
"•aan. » En een ander maal : « Wat mij betreft, ik zie Christus overal, 
en in al mijn doen en laten werp ik mij voor Hem op de knieen. » 
Hoe dikwijls heb ik hem 's avonds eenige verzen uit den bijbel luidop 
hooren lezen ! 

Hackansson was een man dien men niet nalaten kon te achten. Hij 
stierf op zes en dertigjarigen leeftijd, gedurende zijn tweeden dienst- 
tijd in Afrika, waar hij vroeger het ambt van commissaris in de om- 
schrijving van Banana uitgeoefend had. Luitenant bij het zweedsche 
leger dacht hij bij zijnen terugkeer in Europa tot den graad van ka- 
pitein verheven te worden. De benoeming kwam inderdaad, maar 
ongelukkig te laat. 

Den dag na den aanslag op onzen diepbetreurden vriend, richtten 
wij ons naar de Lualaba, die op eenige mijlen van het kamp stroomde. 
Aan wraak viel niet te denken : onze vijanden waren te talrijk, en 
onze zending Hep gevaar te mislukken ; wij werden evenwel gedvvongen 
ons te verdedigen tegen de inboorlingen, die ons den overtocht der 
rivier poogden te betwisten : aan onze zijde leden wij geene verliezen ; 
de vijand daarentegen telde onder zijne dooden een opperhoofd van 
Kihondia. Later vernamen wij, dat men het lijk van Hackansson in 
het Kassali-meer geworpen had. De wateren der Lualaba, die het 
ontzielde lichaam van Hackansson in hunnen schoot ontvangen had- 
den, zouden eenmaal,door een toeval of door een rechtvaardig oordeel 
Gods op hunne kabbelende golven de lijken der grootste vijanden 
der christene beschaving, der barbaarsche Araben, voortstuwen. Het 
aandenken van onzen vriend zal in Afrika niet verloren gaan : op 
aanvraag van zijnen overste, den Heer Delcommune, heeft de Aard- 
rijkskundige Maatschappij den naam van Hackansson gegeven aan 
het rotsgebergte, waarvan hooger spraak was, Ik neem degelegenheid 
waar om deze maatschappij daarvoor mijn diepgevoelden dank te 
betuigen. 



DERDE DEEL. — DE ONTDFKKIXGSTOCIIT DELCOMMUNE. 1 47 



Op weg naar het Zuiden. — Wij verlieten de Lualaba den 
3^" September en bereikten langs de kusten van het Kassali-meer de 
stad Kayoumbe, gekeiid op de kaart onder den naam van Klieria. 
Men onthaalde ons zeer wel, maar bij onze afreis werden wij nogmaals 
aangevallen. Het gevecht was van korten duur : de vijand ging op de 
vlucht zijne dooden achterlatende. Een onzer mannen kreeg een kogel 
in het been. 

's Anderendaags beginnen wij de bestijging der wilde en woeste 
Kibala-gebergten : het is eene rei hoogvlakten van 1000 tot 1800 me- 
ters boven den waterspiegel der zee verheven, door diepe passen van 
elkander gescheiden, en door talrijke ravijnen doorsneden. 

De baan, welke naar Bunkeia voerde, hoofdstad van den beruchten 
koni'ng Msiri, liep bijna evenwijdig met de Liifira. De tocht was zeer 
vermoeiend ; sommige dagen stegen wij 800 meters hoog om er on- 
middelh'jk 500 af te daien. De moeih'jkheden van den weg waren 
nochtans het eenig bezwaar niet waarmede wij te kampen hadden ; 
wij hadden daarbij nog gebrek van mondvoorraad : ook geleken wij 
veeleer op baanstroopers dan op eerlijke lieden. 

Bunkeia, de hoofdstad van Msiri. — Bunkeia, waarnaar 
wij zoo vurig verlangd hadden, kregen wij in het begin der maand 
October in 't gezicht ; de karavaan van Paul Le Marinel was echter 
daar reeds voor ons geweest, en had te Lofoi, in de nabijheid, eenen 
post opgericht. Daags na onze aankomst, bracht de bevelhebber van 
dezen post, luitenant Legat, ons een bezoek. Volgens hij ons verklaarde 
had de burgeroorlog, welke in de streek woedde, een weinig gerust- 
stellenden toestand veroorzaakt en de wreedheden van koning Msiri 
hadden een groot deel der bevolking van hem afkeerig gemaakt. 
Katanga was in vollen burgerkrijg, en de hatelijke dwingeland had 
wel gewild, dat wij tot het beteugelen der muitelingen waren gesneld. 
Op ons herhaald aandringen bekwamen wij eindelijk eenige gidsen 
om ons naar Katanga te geleiden en verlieten Bunkeia, den 22^" Oc- 
tober, diep verontwaardigd en vol afschuw voor den onmenschelijken 
dwingeland. De bijzonderheden van alles wat van nabij of van verre 
met deze barbaarsche majesteit in verband staat, zijn buitenmate 
terugstootend. 

De post van Lofoi is gelegen op twee groote dagreizen van 
Bunkeia ; daarheen begaven wij ons om eenigen tijd uit te rusten, 



148 SOLDATEN EN MISRIONARISSEN IN CONGO. 

want onze mannen, nog meer dan Avij, hadden er groote behoefte aan. 
De luitenant Legat, sedert meer dan tien jaren in Afrika gevestigd, 
en zijn ambtgenoot, de heer Verdich, onthaalden ons voortreffelijk. 
Terwijl het reisgezelschap op den post vertoefde, vertrok ik met 
Cassart en 40 soUaten om den grond der Nzilo-bergen te gaan on- 
derzoeken. Ik had gedacht, dat vvij niet beter konden doen om de 
bestemde plaats te bereiken dan de Lofoi-rivier op te varen, welke, 
naar mij scheen, op een aanzienlijke lengte door de bergketen 
stroomt. Dit moest ons duur te staan komen. Na vijf dagen varans 
geraakten wij plotseling in eenen pas, nauwelijks 50 meters breed, 
en aan alle zijden met 200 meters hooge steile rotswanden bezet. De 
rivier stortte zich met donderend geraas van deze ontzettende hoogte 
naar onder en kwam bruisend door den engen gang aanrollen. 

Geen Uitweg. — Wij bevonden ons dus v66r een onoverko- 
melijken hinderpaal en hadden niets beter te doen dan terug te 
keeren. Op het oogenbHk echter dat wij ons bereidden om rechtsom- 
keer te maken, werden wij van den top der rotswanden door twee 
inboorlingen opgemerkt, die begonnen rotsklompen los te maken en 
naar onder op ons te werpen. De pas was zoo nauw.dat wij geen ander 
redmiddel zagen dan ons zoo dicht mogelijk bij den wand te houden. 
De steenbrokken en rotsklompen plompten onafgebroken rondom ons 
in het water en deden het in dikke stralen op ons spatten. Ik dacht 
een oogenblik, dat ons zou overkomen wat Roland te Roncevaux 
gebeurd was. Onder deze hagelbui van steenen vaarden wij meer dan 
een kilometer achteruit, en ontkwamen eindelijk, God zij gedankt, 
aan het gevaar zonder dat iemand van het reisgezelschap getrofifen 
werd. 

Den lo^'^ November verlieten wij den post van Lofoi om den weg 
naar Katanga in te slaan. De burgeroorlog had in de streek schrikke- 
lijke verwoestingen aangericht en de hongersnood was den hachelijken 
toestand nog komen verergeren, Katanga is een heerlijk en vrucht- 
baar gewest, maar ten gevolge der tegenwoordige omstandigheden, 
onbebouwd. Voor den oorlog werden tal van inwoners in de mijiien 
gebezigd ; nu echter lijdt de mijnbouw evenveel als de landbouw. Den 
28^" November bereikten wij Ntenke, waar wij ons gelukkig van 
levensmiddelen konden voorzien ; dat was ons aller behoud. Men ver- 
bleef te Ntenke den tijd om mij toe te laten naar de mijnen van Ka- 
labi te gaan en terug te keeren, en den 10^" December vertrokken wij 
in de richting van het Westen recht naar de Lualaba, want bevelheb- 



DERDE DEEL. — DE ONTDEKl-CINGSTOCHT DELCOMMUNE. 149 



ber Delcommune was van plan de rivier tot aan Nyangwe af te 
varen. De tocht van Ntenke naar de Lualaba staat onder de nood- 
lottigste voor ons reisgezelschap geboekt. Gedurende 9 voile dagen 
ontmoetten wij geen enkel dorp, verscheidene van onze mannen 
stierven van gebrek, en wij alien leden verschrikkelijk. 

AanboUW van booten. — Wij bereikten de Lualaba ter 
hoogte van Ntenke bij het kleine dorp van Missima ; daar verbleven 
wij twee en een halve maand. den noodigen tijd tot den aanbouw 
der vereischte vaartuigeii om de rivier af te varen. Wij timmerden 
27 kleine booten op, en een grootere, met dek en kiel, welke alleen 
50 man vervoeren kon. Deze laatste boot werd bijzonder gebouwd 
met het oog op den krijgsvoorraad, dien wij in de snelstroomingen 
vreesden te verliezen, 

Om dit vaartuig op te timmeren waren planken, kromhouten, en 
nagels noodig,en dewijl wij over zeer gebrekkig gereedschap.als dissels, 
zagen, hamers en bijlen, beschikten, kostte het ons vrij wat moeite om 
iets gesch'kts aaneen te brengen. Wij maakten nagels van al de ijzeren 
voorwerpen, welke ons onder de handen vielen : ketens, armbanden, 
hakmessen, ja de handvatsels van onze koffers, alles werd gebruikt. 
Daarbij hadden wij geen enkelen man van 't vak onder ons, en waren 
gedwongen alles zelf te vervaardigen. 

Intusschen waren de levensmiddeien bijna onvindbaar geworden, 
en werden wij verplicht, die op verre afstanden te gaan zoeken. Ik 
heb van onze mannen gezien dat zij een dooden hond opgraafden en 
hem verslonden ; andere aten het zaad van den wonderboom : wat 
ons betreft, gedurende deze twee en een halve maand, die ons eene 
eeuw toeschenen, bestond ons voedsel uit maisaren en boonen, en nog 
werden zij met karige hand uitgedeeld. Kortom, ten gevolge van 
den hongersnood en het wegloopen onzer soldaten was onze karavaan 
op 200 man gedaald, het derde van hare oorspronkelijke sterkte. 

Den 27^1 Februari 1792 lieten wij onze vaartuigen te water met de 
vaste hoop dat wij aan het einde onzer wederwaardigheden gekomen 
waren. Daar was niets van, de eene snelstrooming volgde onverpoosd 
de andere op, zoodat ik driemaal op het punt stond van te verdrinken , 
gedurende deze oogenblikken heb ik de dood van zeer nabij gezien 
en tegenwoordig nog, wanneer ik daaraan denk, kan ik niet laten 
mijne dankbetuigingen te sturen tot den Almachtige, die mij behou- 
den heeft. 



150 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

De Nzilo-bergpassen. Verschrikkelijke toestand. — 

Den 19"" April bsvonden wij ons plotseling zonder het mitist er 
aan te denken voor den Nzilo-pas, een engen gang, aan beide zijden 
door soms 300 meters hooge rotswanden ingesloten, welke op eene 
lengte van 70 kilometers een geheele bergketen doorsnijdt. Oordeel 
over onze verbazing toen wij zagen dat de ontzaggelijke watermassa 
der Lualaba bruisend door deze nauwe opening voortrolde, om wat 
verder, gelijk aan de Stanley-Falls, van rots op rots 500 meters naar 
beneden te vallen. 

Nu was het met de scheepvaart gedaan, want wij konden onmoge- 
lijk op onze booten dien maalstroom doorvaren. Stanley had het waag- 
stuk aan de watervallen van den Beneden-Congo beproefd, maar de 
uitslag was ver geweest van aan zijne verwachting te beantwoorden. 

Wij zagen ons derhalve genoodzaakt de vaartuigen tien kilometers 
ver het binnenland in te slepen. Dit was een ware reuzenarbeid, 
want de weg voerde over hooge bergen en door diepe dalen, met 
breede bergvloeden en uitgestrekte moerassen. Wij hadden een 
maand noodig om met onze 28 booten 16 kilometers vooruit te 
komen. Zestien kilometers... en wij hadden er nog 't zestig voor ons ! 

Toen wij eindelijk het moeilijkste deel der reis afgelegd hadden, 
werden wij op nieuw bedreigd door den hongersnood, den vreeselij- 
ken hongersnood, om te komen : geen enkel dorp was er in het om- 
liggende te ontwaren, het dichtst bijgelegen bevond zich op eenen 
afstand van 10 mijlen in het binnenland. Nergens, eenig wild, niets ! 

Drie vierden der reizigers waren tot alien arbeid onbekwaam, zoo- 
dat het totaal der weerbare mannen, dienstboden, koks en ziekenop- 
passers daarin begrepen, 52 beliep. 

Het wegloopen onder de manschappen herbegon : onze Haoussa's- 
soldaten verdwenen de eene na de andere met wapens en bagaadje, 
en niet een kwam terug. Zij werden liever gevangen genomen, verkocht, 
vermoord en opgegeten dan nog langer de folteringen van den hon- 
ger te lijden. Zonder eene klacht te uiten, zonder eenig verwijt te 
doen, vertrokken zij 's nachts, en men zag ze niet meer terug. Ik 
voelde mijne mannen mij ontglippen, zag dat onze zending met vol- 
komen mislukking bedreigd werd, en ik kon niets doen om het gevaar 
af tewenden : ijselijke toestand ! 

Willens ofonwillens wij waren dus gedwongen den arbeid te staken 
en den weg naar Bunkeia weder in te slaan. 



DERDE DEEL. DE ONTDEKKINGSTOCHT DEI.COMMUNE. 15T 

§ V. Van Bunkeia naar het Tanganika-meer. 

Terugkeer naar het Oosten. — Te Bunkeia (8 Juni). De 

inboorlingen gaven ons bericht van den doortocht dcr karavaanS/^z;.s-, 
van den dood van Msiri, en van dien van den dapperen Belgischen 
kapitein Bodson. De vlag van den Vrijstaat wapperde op den top van 
den Nkuru-berg aan wiens voet het huis van Msiri, tijdens onzeeerste 
aankomst gebouwd was. Wij bereikten weldra den post van Lofoi, 
waar onze uitgeputtte mannen behoorlijk konden uitrusten. Wat mij 
betreft, ik werd gelast onze keuken van wild te voorzien en ging dage- 
lijks terjacht. De zebra 's zijn zeer talrijk in deze streken, want niet 
zelden zag ik troepen van 300 tot 500 van deze dieren. Hunne vangst 
is zeer gemakkelijk : betrouwend op hun groot getal laten zij zich 
gemakkelijk naderen. 

Het was te Lofoi:, dat ik de aankomst van Jacques aan het Tanga- 
nika-meer vernam. Stairs had die tijding aangebracht. 

Houra Tanganika ! — in het begin der maand Juli begaven 
wij ons op weg naar het Tanganika-meer. Na de Koundiloungou- 
bergketen in geheel hare lengte gevolgd te hebben, staken wij, waar 
de Luapula het Moero-meer verlaat, dezen over, trokken door de 
bergachtige Marungu-streek, en bereikten eindeh'jk, den 18^1^ van 
Oogstmaand 1892, het groote meer. 

De nacht begon het landschap met zijne schaduwen te omhullen 
toen wij voor de eerste maal den heerh'jken waterspiegel te zien 
kregen en op onze beurt roepen mochten : Houra Tanganika ! Wij 
bevonden ons 700 meters boven het meer, op den rand van een 
onmeteh"jke hoogvlakte, die plotselings eindigt en wier helling zich in 
het dichte geboomte verliest. Het meer was zeer kalm, en te nauwer- 
nood kon men aan den gezichteinder de plaats bepalen waar zijne 
wateren met de lucht in dezelfde purperachtige tint versmolten. 

Ten Oosten verhief de Rumbi statig zijne kruin in de wolken; deze 
alleenstaande massa kwam ons volgeheimen verpletterende grootsch- 
heid voor.Achter ons, zoover het oog dragen kon, ontwaarde men het 
Marungu-gebergte. Wij wisten, dat wij ons in de nabijheid van eenen 
Staatspost en van een missiehuis bevonden, maar dat was alles : niet 
^en van onze mannen kon ons nader inlichten. 

Ontmoeting van kapitein Joubert. — Wie kan onze ver- 

bazing beschrijven toen om 8 ure onze schildwachten een grooten 



152 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

drommel van een neger aanbrachten met het geweer aan den schouder- 
riem en dragende in de eene hand eenen brief en in de andere eene 
mand. Het was een bode door kapitein Joubert naar ons afgezonden. 
Hij had, zoo schreef hij, onze klaroenen in de verte gehoord, en het 
speethem dat hij ons niet te gemoet had kunnen komen ; de Araben 
hielden immers kapitein Jacques aan de Lukuga ingesloten, en hij 
was volop aan het werk om hem ter hulp te Snellen. Pater Herbaut en 
Pater Roelens wenschten ons insgelijks hartelijk welkom. 

Onderaan den brief was een naschrift waarbij men ons verzocht het 
geschenk, dat de soldaat in zijne mand droeg, te willen aanvaarden. 
Gij zoudt nooit kunnen raden wat de mand inhield : het was brood ! 
Ja, brood, dat wij sedert twee en een half jaar niet meer geproefd 
hadden. Ik voor mij geloof niet ooit smakelijkere spijs genuttigd te 
hebben dan het brood van Joubert, en voorzeker zal ik het mij lang 
geheugen. 

's Anderendags sloegen wij ons kamp op aan deze gastvrije oevers 
waar wij drie vrienden vonden. Maar wie was dan wel die kapitein Jou- 
bert die in zoo hooge mate onze nieuwsgierigheid had gaande gemaakt? 
'tis een Bretagner van het ware ras : klein, mager, gespierd, zwarte 
levendige oogen met eene uitdrukking vol goedheid, zeer zachte stem, 
eenvoudig in zijne ontvangst en hartelijk boven alles. Hij bewoont met 
zijne vrouw, een christene negerin, en zijn dochterken, een groot huis 
gebouwd uit in de zon gebakken steen. In minder dan 66n uur heerschte 
tusschenons dehartelijkste vertrouwelijkheid : men gevoelde zich als 
instinctmatig t'huis; en ik was de eenige niet, die deze gewaarwording 
ondervond; zelfs de duiven en de kiekens, die vrijen ingangin het huis 
hadden schenen met tegenzin voor mij de plaats te ruimen. 

Joubert had een zeer afvvisselende loopbaan gehad. Als pauselijk 
zouaaf neemt hij deel aan al de gevechten tijdens de overweldiging 
der kerkelijke Staten door Italic en bekomt den graad van kapitein. 
Later vindt men hem aan de zijde van Charette op het slagveld van 
Patay strijdende tegen de vijanden zijns vaderlands. Na de afdanking 
van zijn korps treedt hij in dienst van Mgr Lavigerie, verblijft eenigen 
tijd te Algiers,vertrekt naar Zanzibar en van daar naar het Tanganika- 
meer om zich aan de vrijmaking der slaven toe te wijden. Leven vol 
opoffering en zelfverioochening, zonder eenig eigenbelang. Betrouw- 
vol op den dag van morgen, voorbeeld van moed en dapperheid, God 
boven alles stellende, een christen der eerste tijden, ziedaar onze 
gastheer. 




Kapitein Joubert ontmoet den bevelhebber Jacques en zijne gezellen 
Renier, Docquier en VrithofF aan hat Tanganika-meer. 

(Deze ontmoeting wordt verhaald in het tweede deel.) 



DERDE DEEL. DE ONTDEKKINGSTOCIIT DELCOMMUNK. I 55 

Ter hulp van kapitein Jacques. — Zoodra de hecr Dei- 
commune den hachelijken toestand van bevelhebber Jacques te 
Albertville vernomen had, besloot hij, met kapitein Joubert te 
zijner hulp te Snellen, en natuurlijk rekenden Avij het alien tot plicht 
den tocht mede te maken. Joubert, Delcommune, Cassart en ik, met 
een twintigtal soldaten, bestegen den 22^" van Oogstmaand een groote 
inlandsche prauw die zeil kon voeren. Het meer was kalm, geen 
windje blies in het zeil, en wij waren gedvvongen den geheelen dag te 
roeien. Langzaam kwamen wij vooruit en vaarden den oeverlangsop 
eenige mijlen afstands van de hooge granietbergen,die zich langs een 
groot gedeelte der kusten verheffen. Het tooneel was grootsch en 
indrukwekkend : boven ons de zacht blauwe hemel, onder ons het 
doorschijnend groenachtig water, ten Oosten, het onmetelijke verge- 
zicht eener volstrekt kalme zee, ten Westen, de hooge Marungu-en 
Tanganika bergtoppen.De twee reuzen verheffen zich bijnaloodrecht en 
teekenenhunne grilligeschaduwbeelden tegen den heme! af. DeRumbi, 
nog half verdoken in de morgennevelen, vertoont zich achter ons in 
het verschiet, en aan zijne voeten onderscheidt men den post van 
Joubert, St-Lodewijk van Rumbi. Met zijne roode van schietgaten 
voorziene muren en zijne hoektorens heeft de sterkte het uitzicht van 
een cud verlaten kasteel. 

Het was nacht toen wij te Mpala aankwamen. Van dezen post, 
dien kapitein Storms in 1889 had opgebouwd, bleef slechts een stuk 
muur meer recht ; tegenwoordig heeft de bekwame architect Pater 
Guilleme een fraai missiehuis in rooden baksteen op de plaats opge- 
richt. Deze Pater Guilleme is een van de eigenaardigste en inne- 
mendste figuren, die wij op onze reizen hebben ontmoet. Zijn aan- 
denken is ons levendig bijgebleven en wekt nog bij ieder van ons 
gevoelens van achting en genegenheid op: achting ter wille der nuttige 
werken, welke hij heeft uitgevoerd, want onder opzicht van koloni- 
zatie rekent men dezen post onder de bloeiendste van den Staat ; 
genegenheid voor het gulhartig onthaal welke ons in het missiehuis te 
beurt viel ; want hij ook is Bretagner en beoefent op voortreffelijke 
manier de hoofddeugd zijner landgenooten, de gastvrijheid. 

De nacht van den 235" Augustus was pikdonker, en onze boot door 
den fellen Westerwind voortgestuwd, gleed snel als een pijl over het 
water, Weldra ontwaarden wij aan de kust in de richting van Albert- 
ville groote laaiende vuren : waren het de wachtvuren der Araben, 
of die der voorposten van Jacques ? Toen wij wat nader gekomen 
waren, vernamen wij duidelijk het geschreeuw, dat van den oever 



156 SOLDATEN EN MISSlONARISSEN IN CONGO. 

opging. Een oogenblik werden wij beangstigd ; descheepslieden lieten 
het zeil neer, iedereen aan boord zweeg, en de prauw bleef stil liggen. 
Wat zouden wij aanvangen ? Plotseling riep eene stem, welke trillend 
over het water scheen te loopen : <<; Hier langs ! » Het was Jacques ! 
Het stilzwijgen werd verbroken, en de geestdriftige kreet van: Kapiiti! 
(bijnaam van Jacques onder de inboorlingen) steeg uit aller borst op. 
Deze stem, die zich had laten hooren, had mij ongelooflijk diep 
getroffen. Men meet eerst rondgedoold en geleden hebben geh'jk wij op 
onzen tocht in Katanga om de gevoelens te begrijpen welke de stem 
van een onzichtbaren vriend die u roept, opwekt. 

Jacques en ik, beiden geboortig van Vielsalm.en sedert onze prilste 
jeugd door de banden der vriendschap verbonden, vonden onsdus op 
den Afrikaanschen grond, duizenden uren van het vaderland, terug. 
Men kan gemakkelijker beseflfen dan beschrijven met welke ontroering 
wij ons in elkanders armen wierpen. 

Weldra nochtans dacht men aan den toestand : het gold immers de 
Araabsche boma in te nemen, waar de Araab Toka-Toka het bevel 
voerde en Jacques in Albertville opgesloten hield. 

De stormloop op de vijandelijke verschansing werd op den volgen- 
den dag, 26^" Augustus, vastgesteld. Toen bij het krieken van den 
dag, de vereenigde troepen van Joubert en Jacques, rond de 400 man, 
het fort uittrokken,stond op aller aangezicht moed en vastberadenheid 
te lezen ; men stuurde zich de laatste aanbevelingen en afscheids- 
groeten toe ; het tooneel had iets roerends. 

Twaalf uren lang belegerden wij den vijand in zijne stellingen, 
blootgesteld aan de zengende zonnestralen welke ons een stikkenden 
dorst veroorzaakten. Het bleek echter, dat de belegerden er nog meer 
van te lijden hadden dan wij, want tegen den avond maakien zij 
toebereidsels om de plaats te ruimen. Ongelukkig bracht de dood 
van een onzer nyampara's eensklaps schrik en ontsteltenis onder onze 
mannen, die op de vlucht sloegen. Vermanen, dreigen of smeeken 
kon niet helpen, en men was gedwongen naar Albertville af te trekken. 
Onze verliezen waren aanzienlijk: twintig onzer mannen waren gedood, 
en men had duizenden en duizenden patronen verschoten. De vijand 
had evenwel meer geleden dan wij, en de les welke wij hem hadden 
gegeven, was wel geschikt om hem voortaan omzichtiger te maken. 
Helaas ! had Jacques maar over een kanon beschikt, de uitslag zou 
geheel verschillend zijn geweest, en hij had een jaar vroeger de Araben 
tot onmacht gebracht. 

Cassart en ik verbleven te Albertville tot den lo^'i September, ons 



DERDE DEEL. DE ONTDEKKINGSTOCIIT DELCOMMUNE. I 57 

aandeel nemende aan den arbeid der bewoners van den post. Terwijl 
Jacques en Cassart de niuren van de sterkte optrokken, slaagde ik 
erin eenen kalkoven aan te legmen, die mij in staat stelde uit de tal- 
rijke schelpen.welke men op den oever van het meer vindt, zeer goeden 
kalk te branden. 

§ IV. — Het Tanganika-meer. 

0ns reisgezelschap verbleef bijna twee maanden aan de oevers van 
het Tanganika-meer. Dit gaf mij gelegenheid om de streak gelegen 
tusschen St-Lode\vijk van Rumbi en de Lukuga te doorloopen en 
mijne navorschingen op aardkundig gebied voort te zetten, Het meer 
gelijkt aan een diepe kuip door hooge bergen ingesloten, en is twaalf 
maal langer dan breed. De grootste lengte bedraagt 630 kilometers ; 
de breedte verschilt van 16 tot 90 kilometers. De oevers verhefifen zich 
tot 2130 meters boven den waterspiegel ; dat is de hoogte van den 
Soumbourousa, welke zich bevindt aan de noorderlijke punt van het 
meer. Deze hoogte breekt plotseling af bij kaap Tembvve, gelegen 
tusschen Albertville en Mpala, 't geen het afloopen der wateren van 
de kom door het kanaal der Lukuga mogelijk maakt ; de mond van 
het kanaal ligt 800 meters boven de oppervlakte der zee. 

De kom van het Tanganika-meer wordt gevoed door het water van 
meer dan honderd rivieren, waarvan de Malagarazi, ten Noorden van 
Udjiji, de Lofu, ten Noorden van het meer, en de Lufuko, die de 
gronden van Mpala besproeit, de voornaamste zijn. 

De gemiddelde diepte (wanneer men de middellijn van het meer 
volgt) is 200 tot 300 meters, De heer Giraud geeft 647 meters aan 
als de grootste diepte welke hij voor Karema gevonden heeft. Een 
deel van deze kolossale watermassa stroomt weg door het kanaal der 
Lukuga, wanneer het water een zeker peil bereikt ; een ander deel 
verdampt, en dit deel moet zeer aanzienlijk zijn, als men bedenkt dat 
de oppervlakte van het meer die van Belgie met 31,450 vierkante 
kilometers overtreft. 

Zijn naam. — Daar het Tanganika-meer door den toevoer van 
zoet water gevoed wordt heeft het zijnen aard en hoedanigheid. Het 
woord Tanganika beteekent in de taal der inboorlingen « plaats der 
mengeling » ; wij kregen het bewijs daarvan aan de samenvloeiing 
der twee voornaamste armen van den Congo, de Lualaba en de Lua- 
pala : de Balouba's noemden deze samenvloeiing Tanganika-Lualaba. 
De naam Tanganika, welken Burton en Speke aan het meer gaven 



158 SOLDATEN EN MISSTONARISSEN IN CONGO. 

toen zij het, de eersten, den 15 Februari 1858, ontdekten, was dus 
enkel een algemeene naam welken men op alle meren in deze streek 
van Midden Afrika kan toepassen. Ik voeghierbij, dat Tanganika de 
eenige benaming is, welke ik door de inboorlingen heb hooren ge- 
bruiken; die aan de oevers van het meer wonen, weten er geen andere 
op te geven. Burton en Speke hadden dus niet te kiezen. De Araben 
van Udjiji.dle in het begin van hunne overheersching den naam van 
« Udjiji-zee » aan het meer hadden gegeven, hebben zelf ten slotte 
dien van Tanganika aangenomen. 

Het gewone uitzicht van het meer is dat van een kalme blauw- 
groenachtige zee, waarin zich de zacht blauvve hemel weerkaatst. Nu 
en dan steekt een frisch windje op en doet lange rimpels over den 
gladden waterspiegel loopen. Maar het Tanganika-meer heeft 00k 
ziine oogenblikken van gramschap : wanneer de stormwind woedt is 
het een verbolgen zee, wier hooge en korte golven zich met geweld 
op de kustrotsen komen breken en door hunnen plotseh'ngen terugtocht 
de sterkste vaartuigen der inboorlingen in eenen oogwenk tot spaan- 
ders kunnen slaan. 

Een groot getal onzer soldaten en verscheidene blanken werden 
gedurende de reis van St-Lodewijk naar Albertville door zeeziekte 
aangedaan. De vaartuigen, waarvan zich inboorlingen en blanken be- 
dienen om het meer over te steken, zijn groote prauwen van eenen 
middenmast voorzien, aan vviens top een ijzeren band door middel 
van twee katroUen het hijschen van een groot vierhoekig zeil toelaat. 
Is er geen wind dan is men gedwongen met de roeiriemen vooruit te 
komen. Men vindt het noodige hout tot den opbouw der prauwen in 
de bosschen, welke de oevers bedekken, en men zal zich een denkbeeld 
kunnen maken van de reusachtige afmetingen der boomen, welke 
men daartoe gebruikt, wanneer men weet dat twee prauwen voldoende 
waren om geheel ons gezelschap, 125 man sterk, en onze pakken te 
vervoeren. 

Het karakter der volksstammen die aan den oever wonen, is zacht 
en rustlieveiid ; nochtans wat bij hen zeer in het oog valt, is een zeker 
wantrouwen zelfs ten opzichte van hunne beste vrienden : zonder 
tvvijfel moet men de oorzaak daarvan in hunne langdurige dienst- 
baarheid zoeken. De bevolkingen met wie het ons gegeven werd om 
te gaan, waren zeer arbeidzaam en verstandig : zij muntten uit in het 
korfvlechten en het vervaardigen van aardewerk, en zelfs zijn de sme- 
den van Marungu de bekwaamste welke ik in Afrika ontmoet heb, 
Pe l^ndbouw en inzonderheid de vischvangst zijn de hoofdbezighedQn 



DERDE DEEL. DE ONTDEKKINGSTOCIIT DELCOMMUNE. I 59 

der inwoners, want het meer is zeer vischrijk, en de landen in de na- 
bijheid van de kusten zijn gewoonlijk vruchtbaar. De inboorlingen 
voeden zich met manioc, zoete pataten, aardnoten en mais, en trekken 
eene olie van zeer goede hoedanigheid uit het sesam- en eleusinzaad. 
De rijstbouvv is zeer aanzienlijk en werd hun door de Araben geleerd: 
rijst is een van hunne hoofdvoedsels. Onze Europeesche voortbrengsels 
beginnen insgelijks door hen gekend en gebruikt te worden.De gronden 
rond het meer komen voort van de ontbondene granietrotsen, van 
opgeloste pegmatiet, en kalkbevattende stoffen. De grond is bijgevolg 
buitengewoon geschikt tot den verbouw van onze graangewassen, en 
om daarvan overtuigd te zijn, behoeft men slechts de uitgestrekte 
koren- en aardappelvelden rond Mpala gezien te hebben. 

De Missie der Witte Paters te Kibanga, en meer ten Noorden, die 
van Mpala, tellen onder de zeldzame Europeesche inrichtingen in 
Midden-Afrika, welke door landbouw en veeteelt in hun onderhoud 
kunnen voorzien. De uitslagen der Witte Paters aan het Tanganika- 
meer zijn onder dit opzicht zeer merkwaardig, en hun ondernemings- 
geest en werkdadigheid verdienen den grootsten lof. 

De inboorlingen bereiden door middel van mais et sorgho een 
gegisten drank, welken zij poiunbe noemen, en welke bij lieden, die 
gelijk wij, sedert langen tijd geen bier gedronken hebben, daarvoor 
bijna kan doorgaan. 

Masenze brengt een uitmuntenden, zwartkleurigen, zwaren tabak 
op : al de kustbewoners, die voor groote rookers en snuivers bekend 
staan, stellen hem op hoogen prijs. 

Op zekeren dag vonden wij eenige braambeziestruiken met bessen 
beladen, maar niettegenstaande het voorbeeld, dat ik hun gaf, wilde 
niet een van de mannen,die mij vergezelden van deze vrucht proeven 
onder voorwendsel dat zij vergif bevatten. 

Het klimaat rond het Tanganika-meer is in het algemeen zeer 
gezond : 't is het gevoelen van al degenen, die er eenigen tijd ver- 
toefden ; eenige weinig uitgestrekte plaatsen, ten Noorden, laten 
nochtans onder dat opzicht iets te wenschen over, maar men moet de 
oorzaak daarvan toeschrijven aan de nabijheid der moerassen.De hooge 
I'ggiOo dezer gewesten en de steeds heerschende winden dragen voor- 
namelijk bij om dezen uitmuntenden gezondheidstoestand te onder- 
houden : Niet een van ons reisgezelschap werd gedurende ons drie- 
maandelijksch verblijf aan het meer door koorts aangetast ; kapitein 
Jacques en de missionarissen lijden er bijna nimmer aan. 

Een natuurverschijnsel welke zich zelden of nooit in den Vrijstaat, 



l60 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

voordoet en alleen in de omstreken van het Tanganika-meer werd 
waargenomen, zijn de aardbevingen. 

Major Cambier, tijdens zijn verblijf te Karema, was een der eersten 
om deze aardschokken op te merken. Ziehier wat hij den 24^" Sep- 
tember 1879 daarover schreef: 

« Voor het oogenblik heb ik niets merkwaardigs aan te stippen, 
tenzij dat vvij, tegen den middag van 306" Augustus, te Simla eene 
aardbeving gevoeld hebben. De schokken waren niet hevig, hidden 
bijna een half uur aan en werden voorafgegaan door een geraas, 
welke men bij dat van een voortroUenden zvvaar geladen wagen kon 
vergelijken. 

« De inboorlingen met wie ik op dat oogenblik in gesprek was, 
lieten niet de minste verwondering of schrik blijken. Zij zegden mij, 
dat het de ziel was van eenen sinds lang overleden sultan, die onder 
de aarde voorbijging, en dat zijn doortocht den aanstaanden dood van 
een voornamen persoon voorspelde. Zij voegden daarbij dat dit 
natuurverschijnsel zich ieder jaar hernieuwde. » 

Plaatsgebrek noodzaakt ons het reeds verkorte verslag van den 
Heer Diderrich's reis in Katanga hier te eindigen. 

Ten slotte zullen wij in 't kort de terugkomst in Belgie der reisge- 
zelschappen Delcommune en Bia-Francqui verhalen. 



DERDE HOOFDSTUK. 
Terugkomst in Belgie. 

§ I. — Van het Tanganika-meer naar Brusseh 

EN 6^" October 1892, verlieten de heeren Delcommune, 
Diderrich, Briart en Cassart den post van Mpala om de 
terugreis naar Europa door de vallei der Lukuga aan te 
vangen. Volgens den heer Diderrich is deze rivier 
bepaald het afleidingskanaal der overtollige wateren van 
het groote meer, zooals het Cameron, in 1874, erkend had. Niet zelden 
nochtans gebeurthet, dat de drempel der stortplaats aan de monding 
der rivier verzand geraakt en de afvloeiing van het water belet. De 
karavaan volgde den loop der Lukuga op geheel hare lengte tot aan 
desamenvloeiing der Luapula. 
Van daar ging zij den stroom op tot aan Ankoro, aan de samen- 




DERDE DEEL. DE ONTDEKKINGSTOCIIT DELCOMMUNE. l6r 



vioeiing der Luapula en Lualaba, en verzekerde zich, dat de eerste 
dezer stroomen de eigenlijke Congo is, welks bronnen zich op Engelsch 
grondgebied bevinden en Tchambezi genoemd worden. 

De tocht ging dan voort in de richting van het Westen, door de 
onmetelijke vlakten gelegen tusschen de Lualaba en den Lomami, 
welken laatsten stroom men ter hoogte van de monding der Lukussi 
overstak, cm den 19*^" November te Gongo-Lutete aan te komen.Daar 
vernam men van den bevelhebber van den post, den heer Duchesne, 
de tijding der schitterende wapenfeiten van Dhanis, maar ook,helaas! 
die van hctrampzah'g einde der leden van de karavaan Hodister. 

Van Gongo-Lutete trek men naar Lusambo, alwaar de lieeren 
Francqui, Cornet en Derscheid der karavaan Bia zichbij ons kwamen 
aansluiten, om samen de reis voott te zetten. 

De stoomboc t Princessc Clevientine bracht de beide reisgezel- 
schappen naar Leopoldville terug, en men ondernam, maar in veel 
bh'jder stemming dan de eerste maal, den gewonen tocht der kara- 
vanen. Den 14"" Maart 1S93 ging men eindelijk scheep te Boma, en 
kwam den 19^" April daarop volgende te Lissabon aan. 

De ontdekkingsreis van Delcommune had twee jaar en negcn 
maanden geduurd, die van Bia-Fr?.ncqui een jaar en elfmaanden. 

,^ II. — Wetenschappelijke uitslagen der beide 
ontdekkingstochten. 

Zonder in aanmeiking te nemen, dat de ontdekkingsreis van 
Delcommune merkwaardige uitslagen voor den landbouw en de 
nijverheid opleverde.was zij voornamelijk belangrijk voorde aardrijks- 
kunde. 

Twee rivieren, de Luapula en de Lualaba, hadden zich beurtelings 
de eer toegekend gezien voor den eigenlijken Congostroom in zijnen 
aanvang door te gaan. Delcommune had nu bepaald het vraagstuk 
opgelost : de Luapula, welke de Bangwelo-en Moero-meren door- 
stroomt, moet als de bovenloop van den Congo worden beschouwd. 

Volgens luitenant Francqui, die naden dood van zijnen overste, het 
bevel over de karavaan Bia in handen nam, en zich op een boven alien 
lof verheven manier van zijne taak kweet, bevinden zich de bronnen 
van den Cogostroom buiten den Vrijstaat, op engelschen grond, dewijl 
zij dezelfde zijn als deze der Tchambezi-rivier, welke zich in het 
Bangwelo-meer ontlast. 

Een andere belangrijke en misschien betreurenswaardige besta- 

SJolilaten en AJissionarissen ir. Congo. i? 



l62 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

tiging, is dat de groote inlandsche zseen, als de Moero en Bangwelo- 
meren merkelijk opdroogen en in omvang verminderen. 

Het Tanganika-meer zelf zou bijna ledig loopen, indien de opening 
waardoor de wateren van het meer zich in de Lukuga ontlasten door 
het wegruimen van het zand grooter werd ; de groote diepte nochtans 
(600 meters) belet de volledige uitputting van de groote inlandsche 
zee. 

Ziehier nog eenige onuitgegevene inHchtingen, welke men aan de 
twee ontdekkingstochten te danken heeft. Het Landji-meer, op al de 
kaarten aangeduid als de wateren vande Tanganika-zeeontvangende, 
bestaat niet, en moet, door twee naast elkander loopende wateruitbrei- 
dingen der Lualaba vervangen worden. De bronnen der Lualaba, 
gelegen op 25 kilometers afstands van die der Lufila, en door luite- 
nant Francqui ontdekt, bevinden zich op een uitgestrekte bergvlakte, 
welke de scheidslijn uitmaakt tusschen het stroomgebied van den 
Congo en dat van den Zamtezis. 

Men voege hierbij de bepaling van meer dan tachtig aardrijkskun- 
dige liggingen en van meer dan duizend hoogten in Katanga, dermate 
dat men van deze streek eene volledige kaart opmaken kan. 

Gedurende hunnen tocht hadden de heeren Bia en Francqui de 
gelegenheid een huldebetoon te brengen aan de gedachtenis van 
Livingstone en aldus den wensch te vervuUen welken het Royal 
geographical society van Londen sedert lang reeds te kennen gegeven 
had. Gekomen aan de grenzen van den Vrijstaat, begaven zij zich 
op Engelsch grondgebied naar het dorp waar de groote ontdek- 
kingsreiziger gestorven was, ten Zuiden van het meer Bangwelo, en 
hechtten aan eenen boom, geplant te midden der negerhutten, een 
bronzen plaat met het volgende opschrift; 



DAVID LIVINGSTONE 

DIED HERE (STIERF IIIER) l^n MEI 1873. 



Uit een staatkundig oogpunt beschouwd, waren de ontdekkings- 
reizen insgelijks zeer voordeelig. De gewesten gelegen tusschen het 
]\Ioero-meer, de Luapula-rivier en het Bangwelo-meer, van den eenen 
leant, en den 24^" lengtegraad tot aan de uiterste grenzen van het 
stroomgebied des Zambezi's, van den anderen kant, werden aan den 
Congostaat onderworpen. 




KAPITEIN JOUBERT, 

Bevelhebber der troepen tot het bestrijden van den slaveuhandel 
te Baudouinville vereenigd. (Zie bl. 151.) 



163-16^. 



DERDE DEEL. DE ONTDEKKINGSTOCIIT DELCOMMUNE. 1 65 

Ziedaar een zeer belangiijke uitslag, want men mag niet vergeten, 
dat Engeland op deze streken aanspraak maakte. De staalkundige 
uitslag weegt derhalve tegen den wetenschappelijken op, en onze 
onverschrokken reizigers verdienden wel feestelijk in het vadcrland 
onthaald te vvorden. 

Plechtig onthaal der leden van den ontdekkingstocht 

van Katanga. — Het onthaal derontdekkingsreizigers had plaats 
in het paleis der Akademies, en was zeer plechtig. Het feest werd 
door de tegenwoordigheid van Z. M. den koning, Leopold, en den heer 
Van Eetvelde, minister van den Congostaat, opgeluisterd. 

De groote zaal van het paleis was proppensvol met een uitgelezen 
gezelschap. Aan den rechterkant : de familien der reizigers ; aan den 
linkerkant : talrijke staatsmannen, senatoren, afgevaardigden, leden 
van den opperbestuurraad van den Vrijstaat, officieren en damen. 

In de galerij van het diplomatische korps bevonden zich Z. E. 
Mgr Nava di Bontife, apostolisch Nuncius, de gevolmachtigde 
ministers van Duitschland, Nederland en Portugal. In de loge der 
ministers bemerkte men den heer Beernaert, kabinetsoverste, de 
heeren ministers de Burlet, Pontus, de Merode alsmede den heer 
Woeste, minister van Staat. 

De heer Urban opent de zitting en noodigt de heeren Delcominune 
en Francqui mX. aan zijne zijde plaats te komen nemen. De gelukkige 
gezellen van deze moedige ontdekkers, die na hunnen arbeid gedeeld 
te hebben heden met hen de eer zullen deelen, zijn \\i\iQm.ntDerscheid, 
dokter Briart, de heer Cornet, doctor in natuurlijke wetenschappen, 
de ingenieur DiderricJi en dokter Avierlinck. 

De heer Urban bedankt de ontdekkingsreizigers en stuurt hen zijne 
gelukwenschen toe voor de groote diensten, welke zij aan de Maat- 
schappij van Katanga, aan den Congostaat en aan de beschavings- 
zaak in Afrika bewezen hebben. 

In naam van den heer Delcommune, verhaalt de heer Diderrich, in 
groote trekken, den tocht in Katanga. 

De heer Francqui geeft op zijne beurt een kort verslag van zijnen 
tocht en der bekomene uitslagen. 

De heer Leclercq, voorzitter der Aardrijkskundige maatschappij, 
doet in gepaste en roerende woorden de diensten uitschijnen welke de 
ontdekkingsreizigers aan de wetenschap en de beschaving hebben 
bewezen. Met recht mogen zij onder de grootste Afrikaansche ont- 
dekkingsreizigers dezer eeuw gerangschikt worden. 



1 66 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Na deze levendig toegejuichte redevoeringen brengt major Thys, 
ordonnans-officier van den koning, ter kennis, dat de inrichtingscom- 
missie der feesten gedenkpenningen heeft doen slaan, om de herinne- 
ring aan dezen lieugelijken dag te vereeuwigen. 

Ziehier in welke orde zij uitgedeeld worden : 

Gojiden gedenkpenning 2L'ax\ luitenant Paul Le Marinel, bevelhebber 
in Congo, ontvangen in zijnen naam door zijnen broeder kapitein Joo- 
ris Le Marinel; en aan den heer Alexander Delcommune bevelvoerder 
over den tocht. 

Zilveren gedenkpemiingen aan de familien der in Congo overledene 
kapiteins Bia en Stairs. 

GedenkpenniHgin verguld zilver aan luitenant Francqui ; 

Zilveren gedenkpenningen aan luitenant Derscheid ; aan kapitein 
Descamps, weder naar Afrika vertrokken om het bevel te nemen 
over de karavaan, welke men ter ontzetting van kapitein Jacques in- 
richt : aan de familien van luitenant Hackanson en kapitein Bodson, 
beiden in Afrika overleden ; aan luitenant Legat en aan sergeant 
Verdich, tegenwoordig nog in den Congostaat ; aan markies de Bon- 
champs, die tot herstelling zijner geschokte gezondheid in het Zuiden 
verblijft ; aan den ingenieur Diderrich ; aan den geneesheer Briart ; 
aan Baron de Roest ; aan den dokter Amerlinck ; aan den heer Cor- 
net in gezelschap van Delcommune en Francqui uit Congo terugge- 
keerd ; aan sergeant Cassart, tegenwoordig nog in dienst van den Vrij- 
staat. 

De aanwezig zijnde ontdekkingsreizigers treden, op het afroe- 
pen van hunnen naam, onder de daverende toejuichingen van het 
gezelschap vooruit, en richtten zich naar de koninklijke loge. Zijne 
Majesteit ovcrhandigt aan ieder hunner den gedenkpenning, die voor 
hem bestemd is, drukt hem hartelijk de hand, wenscht hem in warme 
bewoordingen geluk en geeft het teeken tot algemeene toejuichingen. 

De heer Alexander Delcommune ontvangt te zelver tijde als den 
gedenkpenning het kruis van Ridder der Leopoldsorde. 

Een treffend voorval deed zich voor bij het afroepen van den naam 
van sergeant Verdich : de familie van dezen dapperen onderofficier 
was vertegenwoordigd door zijnen oom, een ouden landman in kiel 
gekleed, die stralend van vreugde op den koning toetrad en met v/ien 
Zijne Majesteit zich gedurende eenige minuten vertrouwelijk onder- 

hield. 

.1; .1 . 

.J. .;. 



DERDE DEEL. DE ONTDEKKINGSTOCHT DELCOMMUNE. 1 67 



i; III. De ingenieur Diderrich en de kleine Kalala, 
De heer Norbert Diderrich, geboren te Vielsalm, in 1867, is 

een leerling van de kostschool van Carlsburg,bestuurd door de Breeders 
der Christelijke scholen. Van 1880 tot 1885 volgde hij in dit geslicht 
de beroepsklassen tegelijk met twee broeders van kapitein Jacques, 
en ging vervolgens naar de hoogeschool van Leuven, waar hij liet 
diploma van civiei-en mijningenieur bekwam. In het gesticht van 
Carlsburg als leeraar in aardkunde aan de landbouwafdeeling terugge- 
keerd, vertrok hij.in 1890, met den heer Delcommune naar Afrika, en 
werd gelast met het onderzoek van de aardlagen der doorloopene ge- 
westen. Aan de oevers van het Tanganika-meer gekomen, had hij het 
geluk zijnen stadgenoot, kapitein Jacques, te ontmoeten en hem een 
helpende hand in het bestrijden der Araben toe te steken. Ziehier de 
schoone loftuiging, welke Jacques aan Diderrich bracht : « Norbert, 
sc\ix\]{\.\\\], Jieeft Jtioedig aan vnjne zijde gestreden^en ik ben geliikkig 
Inid te kunnen verkondigen : hij is een dappere. » 

In 1894 werd de heer Diderrich door den Vrijstaat tot bestuurder 
van de nijverheid en den landbouw in Congo aangesteld. Men droeg 
hem vervolgens de zending op de Congoleesche tentoonstelling van 
Antwerpen in te richten, waar het publiek een negerdorp te zien kreeg 
en zich aldus van de gewone levenswijs en gebruiken der Bangala's, 
Basoko's en andere stammen een gedacht maken kon. 

Bij die gelegenheid hadden wij het genoegen de kennismaking met 
den heer Diderrich te hernieuwen. Hij had de welwillendheid ons zij- 
nen jongen boy toe te vertrouwen, den kleinen neger Kalala, dien hij 
uit Congo had medegebracht en over wien wij den lezer eenige bijzon- 
derheden willen mededeelen. 

Deze knaap, alTvomstig uit Katanga, had zijne ouders in een roof- 
tocht der Araben zien vermoorden en werd eerst door de karavaan 
Bia-Francqui, vervolgens door die van Delcommune opgenomen. De 
heer Diderrich, die van dit laatste reisgezelschap deelmaakte, wist zoo 
zeer de genegenheid van den kleinen Kalala te winnen, dat deze 
voor het overige der reis van Katanga tot Tanganika, zich niet meer 
van zijnen persoon verwijderde. Aan het Tanganika-meer leerde de 
kleine wees de kapiteins Joubert en Jacques kennen en koesterde voor- 
taan voor hen de grootste achting. 

De kleine Congolees, die alhoewel slechts negen of tien jaren oud, 
reeds groot en kloek was,vergezelde de karavaan op haren terugtocht, 



1 68 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

cn legde te voet de 400 mijlen af, welke het Tanganika-meer van 
Boma aan de Westkust scheiden. Toen deheer Diderrich iiaar Europa 
vertrok, vertrouwde hij zijn jongen beschermeling aan den lieer 
Van den Plass, die hem verleden jaar naar Belgie overbracht. Kalala 
verbleef gedurende de wintermaanden te Vielsalm bij de familie van 
kapitein Jacques en bij de vrienden van den heer Diderrich. 

Deze, ten einde aan den jongen Congolees de vveldaad eener chris- 
tene opvoeding te bezorgen en voornamelijk om hem tot het H. Doop- 
sel voor te bereiden vertrouwde hem aan de zorgen van de broeders 
van Carlsburg. Onnoodig te zeggen dat het negertje door alien met 
blijken van genegenheid ontvangen werd : de breeder Bestuurder, de 
leeraren en de leerlingen waren gelukkig van nabij dit Congoleesche ras 
te leeren kennen dat aan de Belgen zooveel belangstelling inboezemt. 
De jonge Kalala behocrde, 't is waar, tot den volksstam der Bou- 
louba's, bekend om zijne belrekkelijke schoonheid, en is reeds op elf- 
jarigen ouderdora even groot en sterk als de andere leeilingen van 14 
en 15 jaar. Daarbij waren zijn karakter, zijne inschikkelijkheid en de 
fatsoenlijke manieren, welke liij door den omgang met de blanken 
had aangenomen, wel geschikt om liem den lieveling van alien te 
maken. !Maar de arme knaap was nog een lieiden,en hij was ons vooral 
toevertrouwJ geweest om van hem een Christen te maken. Na twee 
maanden van een bijzonder onderriclit, werd hij bekwaam bevonden 
om het doopsel te ontvangen. 

Te dien einde geleidden wij hem, den 12 Juli 1894, naar Gent, waar 
Mgr Antonius Stillemans het peterschap van den nieuwen Christen 
aanvaard had. De dienstdoende priester was de heer Deken van 
St-Baafbkerk, de meter mevrouw de gravin Georgina d'Ursel. Waren 
00k tegenwoordig : graaf Hippolyte d'Ursel, algemeen-commissaris 
der tentoonstelling van Antwerpen, en de heer Norbert Diderrich. 

Die samenloop van omstandigheden vetklaartde namen welke men 
den herboren Kalala gaf en luiden : 

A ntonius-Hippolytiis-Jooris- Norbertus- Maria. 

Kalala, dat in de balouba-taal « eekhorentje » beteekent, zal liij 
aU familienaam behouden. 

De knaap kwam daarna voor cenigen tijd naar het gesticht van 
Carlbburg terug, waar hij, dank zijne opmerkelijke geestvermogens, 
snelle vorderingen maakte in de godsdienstleer, het lezen en het 
schrijven. 

Den 4*"" October, deed hij zijn eerste communie in de kapel van het 
gcslicht, in tegenwoordigheid van al de leerlingen die van de vacantie 




De jonge Antonius-Maria Kalala, 

door den Heer Diderrich uit Congo medegebracht en in Belgie gedoopt. 

(Zie bl. i63.) 



169-170. 



DERDE DEEL. DE ONTDEKKINGSTOCHT DELCOMMUNE. l/I 

waren teruggekeerd. Nu was het oogenblik der scheiding gekomen : 
de heer Diderrich die reeds naar Congo was weergekeerd, eischte 
Kalala terug, en deze verliet Carlsburg met zekeren weerzin die 
nochtans door zijn vurig verlangen om zijn vaderland terug te zien 
gematigd werd. 

Den 5^" October geleidden wij hem naar Namen, waar Mgr Decrol- 
liere, verheugd om zijne goede gesteltenissen, hem het H. Vormsel 
toediende. 

Eindeh'jk den volgenden dag vertrouwden wij hem te Antwerpen 
aan boord van de Coouiassie, in tegenwoordigheid van kapitein Jac- 
ques, aan de zorgen van den heer Jules Cottin die naar Boma vertrok. 

Eenigen tijd daarna vernamen wij door een brief van Kalala, dat 
liij behouden aan het missiehuis der Zusters Missionarissen van Ma- 
tadi aangekomeii was, en de heer Cottin verzekerde ons van het goed 
gedrag van den jongen Christen, die, zoo schreef hij, « cen ware apos- 
tel » voor zijne heidensche stamgenooten zijn zal. 




K/^^ 



VIERDE DEEL. 



DE KATHOLIEKE BELGISCHE ZENDINGEN 




EERSTE HOOFDSTUK. 



De Witte Paters aan het Tanganika-meer. 




ET BESCHAVINGSWERK VAN 



CONGO was echter onvolledig, want benevens de 
krachtdadige bescherming der wapenen en de be- 
drijvigheid van koophandel en nijverheid onlbrak 
nog de invloed van den christen godsdienst, die 
zonder het aardsche te vervvaarloozen, de zielen tot 
het bovennatuurh'jk leven verheft. 

Zoodra de kolonizatie van het land begonnen was, bekwam koning 
Leopold van paus Leo XIII en van de Belgische bisschoppen een 
duurzaam geestelijk bestuur : het land werd verdeeld in apostolische 
zendingen welke bij voorkeur aan Belgische nnissionarissen van beider 
kunne, ordesgeestelijken, wereldlijke priesters, bijgestaan door zusters 
van verschillende congregatien, toevertrouwd werden. 

In een ander werk (^) hebben wij het begin van deze inrichting 
verhaald : hier zullen wij ons tevreden stellen met in 't kort den tegen- 
woordigen toestand der Belgische zendingen aan te geven. 

Hetonmetelijk grondgebied van Belgisch Congo, tachtig maal meer 
uitgestrekt dan Belgie zelf, is verdeeld in drie apostolische Vicariaten, 
te weten : 

1° Het eigenlijk gezegde APOSTOLISCHE ViCARIAAT VAN BEL- 
GISCH Congo, toevertrouwd aan de missionarissen van het Onbevlekt 
Hart van ATaj'ia, gevestigd te Scheut, bij Brussel. Deze missionarissen, 
wereldlijke priesters, worden geholpen, in de hospitalen en de wees- 
huizen, door de Zusters van liefde, zoogezegde Witte Zusters, uit het 
bisdom Gent. De Paters Trappisten verblijven te Coquilhatville. 

Aanvankelijk was dit Vicariaat het eenige voor geheel den Vrijstaat; 



I. Belgisch Congo met plateti opgelui'sterd, door Alexis G. M., bl. 187. 



174 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

naderhand heeft men er twee gedeelten van geschei'den om de vol- 
gende zendingen te stichten. 

2° Het Vicariaat van Westelijk Tanganika, toevertrouwd aan 
de Societeit der missionarissen van Algiers, of IVitie Paters, door 
kardinaal Lavigen'e gesticht IMissieJiuizen : Kibanga, Mpala, St-Lo- 
dewijk van Mirumbi, Baudouinville, 

30 De Apostolische Prefektuur van Kwango, in het Zuid- 
Westen van den Staat, aan de Paters der Societeit van Jezus der 
Belgische provincie toevertrouwd. Daze Paters worden geholpen door 
de Zusters van Onse Lieve Vrotizu, uit Namen. Missiehuis : Kimuenza. 

40 Bij deze evangeliepredikers moet men nog de wereldlijke pries- 
ters uit het bisdom Gent voegen, die te Boma, Matadi, enz. het ambt 
van pastoor of aalmoezenier vervullen. 

Zending van Westelijk Tanganika. 

Indien wij met de Paters van Algiers beginnen, is het omdat zij de 
eerste zendelingen in Congo waren. Zij vestigden zich aan het Tanga- 
nika-meer in Januari 1879, — Een tweede karavaan kwam weldra 
aldaar aan. Zij had voor geleide eenige Belgische en Hollandsche 
gewezen pauselijke zouaven aangevoerd door den sergeant Van Oost, 
die den 27 Januari 1880 te Tabora overleed. Het volgende jaar, 
i88r, werden te Roumoungue, in Ouroundi, de sergeant d'Hoop en 
de Paters Deniaud en Augier, op aanzetting der slavenhandelaars 
vermoord : de barbaren hadden in deze vrienden der arme negers 
hunne gezvvoren tegenstrevers geraden. 

Van Ujiji, waar zij zich aanvankelijk gevestigd hadden, vertrokken 
de Witte Paters, in 1885, naar Kareina door koning Leopold te hun- 
ner beschikking gesteld. 

Behalve deze zending, gelegen aan den oostelijken of Duitschen 
oever van het Tanganika-meer, hebben de zonen van Kardinaal La- 
vigerie, aan den westelijken of Belgischen oever, nog de volgende 
missien : Kibanga (Lavigerieville), ten Noord-Westen, Mpala, St-Lo- 
dewijk van Alinunbi en Baiidojii)iville. 

De eerste Paters waren voor het meerendeel van Franschen oor- 
sprong, en met dankbaarheid en bewondering moet men de namen 
der Paters Moinet en Guilleme melden, zoovvel als dien van hunnen 
in alles voorzienden overste der veiligheidspolitie, den dapperen Bre- 
tonschen kapitein Joubert. 

Tengevolge eener overeenkomst tusschen koning Leopold en kar- 



VIERDE DEEL. DE KATIIOLIEKE ZENDINGEN. I 75 

dinaal Lavigerie, zijn thans al de Witte Paters, die men naar Congo 
stuurt, van Belgischen oorsprong. Noemen wij de FF. Mar(/?(es, Apos- 
tolischen prefekt ; Roelens, Herrebaut, Engels, de Beerst, bijgestaan 
door de Breeders Amandiis, Stephanas, Stanislaus, Franciscus en 
Arcadius, vertrokken in 1891, bijna op hetzelfde tijdstip als de kara- 
vaan van Jacques. 

In 1894 vertrokken insgelijks naar Afrika de PP. Van Acker, Vander 
Baer en Van Thiel. 

Joubert zelf heeft hot burgerrecht in Congo verkregen, en de koning 
heeft hem het ambt van kapitein der veih'gheidspolitie aan het Tan- 
ganika-meer toevertrouwd. 

Laat ons 00k den neger geneesheer Jozef aanstippen, weleer aan 
het Tanganika-meer vrijgekocht, die na 9 jaren studie en na het vh'jtig 
bijwonen der lessen in de geneeskunde aan de faculteit van Malta, als 
geneesheer in zijn vaderland terugkvvam om de Paters missionarissen 
ter zijde te staan en aan zijne ongelukkige landgenooten de hulp 
zijner kunst en zijner liefdadigheid te verleenen. 

Maar helaas ! 00k daar heeft de dood hare verwoestingen onder de 
missionarissen aangericht. Monseigneur Charbonnier, Mgr Bidoux, 
beide van Franschen oorsprong, en de twee Belgische Paters Vander 
Straeten en Vyncke, zijn reeds eenige jaren dood. In 1892 had men 
het afsterven te betreuren van den jongen Pater Prefekt Marques, die 
zulk een vleiend getuigenis van Alexis Vrithoff aflegde. Hij werd als 
Apostolisch Vicaris door Pater, thans Monseigneur, Roelens opgevolgd. 

De nieuwe bisschop, een zoon uit onze Vlaanderen, is geboren te 
Ardoye, en studeerde achtereenvolgens op het college van Thielt en 
op het klein-seminarie van Rouselare. 

In 1880, in het missiehuis der Witte Paters van Algiers getreden, 
werd hij te Woluwe-St-Lambrecht Procurator benoemd, daarna leeraar 
aan het groot seminarie van het missiehuis te Karthago, en eindelijk 
leeraar van geloofsleer te Ste-Anna van Jerusalem. Van daar vertrok 
hij, in 1891, met vijf andere landgenooten naar de Belgische zending 
van den Opper-Congo. In 1892, werd hem het ambt van Apostolisch 
Provicaris toevertrouwd, welk eerst, gedurende negen jaren, door den 
tegenwoordigen Overste van het missiehuis van Mechelen, den Z. E. 
P. Coulbois, en daarna door den diepbetreurden P. Marques was 
bekleed. 

Gaarne gaven wij het woord aan deze christen beschavers door 
hunne boeiende brieven mede te deelen, voornamelijk de volkenkun- 
dige studie van P. Vander Straeten, maar wijl het verhaal derslaven- 



1/6 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

handelbestrijdende tochteti ons reeds menigmaal de gelegenheiJ gaf 
over de gewesten van het Tanganika-meer uit te weiden, willen vvij 
ons hier beperken tot eeni'ge aanteekeningen die betrekking hebben 
op de PP. Vyncke en Vander Straeten, beiden gevallen als slachtofifers 
van hunnen apostelijver. 

Vater Afuafus Vyncke behoorde tot het ras waarvan de H. Franciscus 
Xaverius sprak, toen hij van uit het verre Indie aan zijne Oversten in 
Europa schreef : « Zendt mij Belgen ». Hij bezat de manneh'jke en 
krachtvolle hoedanigheden van het Vlaamsche karakter gepaard met 
de vrooh'jkheid van een gezond en kloek gestel. 

Hij werd geboren, den lO'" Februari 1850, te Zedelghem, een dorp 
in de omstreken van Brugge, en ontving zijne eerste indrukken te 
midden der godsdienstige overleveringen van het oude Katholieke 
Vlaanderen. 

Nog geen negentien jaren oud, nam hij dienst bij de pauselijke 
zouaven, was in den slag van Mentana, en kwam, in 1869, naar 
het klein-seminarie van Rouselaeie terug om zijne studien voort te 
zetten. Den 10'" Juni 1S76 tot priester gewijd, werd hij als onder- 
pastoor te Dudzeele geplaatst, welke parochie hij in vier jaren geheel 
herschiep. Maar zulks kon zijnen ijver niet voldoen, 

Begeerig om aan het heil der arme negers, heidenen en slaven, te 
werken, vertrok hij, in 1881, naar Algiers, om zich in het missiehuis 
van Onze Vrouw van Afrika, tot het harde missionarisleven voor te 
bereiden. Kardinaal Lavigerie bestemde hem voor de zending van 
Kibanga, aan de kusten van het Tanganika-meer, en zond hem daar- 
heen in de maand April 1883. Deze post werd het uitgangspunt van 
zijnen apostolischen arbeid ; evenwel, na de bekeering der inboorlingen 
uit de omstreken tot het christen geloof, koos hij een voordeeligere 
plaats om een nieuwen post onder den naam van Lavigerieville te 
stichten. Toen werd Pater Vyncke tot overste der zending benoemd, 
en had het geluk een zijner oude makkers bij de pauselijke zouaven, 
den kapitein Joubert, te ontmoeten. 

Een harde slag zou, helaas 1 den ijverigen missionaris pijnlijk 
komen treffen : op zekeren nacht werden al de christen dorpen aan 
het Tanganika-meer door de slavenhandelaars overrompeld, uitge- 
plunderd en platgebrand, en de bewoners vermoord of als slaven weg- 
gevoerd : Kibanga alleen, in staat van verdediging gesteld, bleef ge- 
spaard. 

Na deze harde beproeving werd Pater Vyncke waardig bevbnden 
de eeuwige belooning te gaan ontvangen. Het klimaat had vveldra 



VIERDE DEEL. — DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 1 77 

zijne laatste krachten uitgeput, en op het einde van 1888 gaf hij 
gelaten zijne ziel aan zijnen Schepper terug. 

Pater Vander Straeten. — De stichtende bijzonderheden 
welke hieronder volgen zijn ontleend aan eenen brief van den E. P. 
Guilleme aan den heer Overste van het seminarie te Woluwe St-Lam- 
brecht. 

Onze-Vrouw van Alpala, 22^^^ Juni 1891. 

Mijnheer de Overste, 

« Bij deze vervul ik den droevigen plicht u het afsterven te melden 
van den geliefden zoon, dien gij aan de Societeit der missionarissen 
van Algiers geschonken hebt. God heeft, op 20^^ Jiini 1891, den 
beminden en eerwaardigen Pater Camillus Vander Straeten tot zich 
geroepen te Mpala, waar hij sedert vele jaren, als waar en toegewijd 
soldaat van Christus, aan de Christelijke beschaving van Afrika 
werkzaam was. Hij is bezweken aan een laatsten aanval van de 
schrikkelijke bloed-galkoorts,welke in de vorige jaren reeds zijn ijzeren 
gestel zoo hevig geschokt had. 

« Te midden zijner pijnen bleef de goede Pater vol zachtmoe- 
digheid en gelatenheid ; nooit hoorde men eene klacht aan zijne 
lippen ontsnappen ; de oogen op zijn kruisbeeld gevestigd herhaalde 
hij gestadig : Alijn God, heb medelijden met mij ; Onze Lieve Vrouw 
van Afrika, kom mij ter hulp. 

« Onder de laatste aanbevelingen welke hij mij toevertrouwde, 
na de Sacramenten der stervenden ontvangen te hebben, komt mij 
de volgende te binnen : « Zeg aan mijnen goeden vader, en aan 
mijne zusters dat ik hen in den hemel zal afwachten, waar de goede 
God, zooals ik hoop, geheel de familie zal vereenigen.)) 

« Eindelijk was het scheidingsuur geslagen : hij was bereid, en 
zonder doodstrijd, onder het aanroepen der machtige bescherming 
van Onze Lieve Vrouw van xAfrika, sliep hij zacht in de vrede des 
Heeren in. 

« Hij was waarlijk schoon, uitgestrekt op zijn sterfbed en omgeven 
van de plechtige kalmte van den dood, en meer dan een der tegen- 
woordige missionarissen zei bij zich zelf : « Ik 00k zou willen sterven 
gelijk hij ». 

« Meer dan 2000 personen geleidden de stofifelijke overblijfsels 
van den Pater naar zijne laatste rustplaats ; vier jonge christenen, 
zijne zonen in het geloof, hadden de gunst afgevraagd de lijkkist 

Soldaten en Missionarissen in Congo. 12 



178 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

te mogen dragen van hem, dien ze altijd hunnen vader zullen 
noemen. De tranen en snikken der geloovigen die, ontroerd, den 
lijkstoet volgden, getuigden genoeg welke ruime plaats hij in het 
hart dezer onlangs nog in de duisternissen der afgoderij gezetene 
bevolkingen had ingenomen : men gevoelde dat alien een beminden 
vader, een vertrouwbaren geleider beweenden. Zulke bewijzen van 
genegenheid strekken onze missionarissen tot eer, en zijn de schoonste 
lofrede voor den zendeling die ze verdiend heeft. 

« Wij koesteren de zoete hoop, dat hij in den hemel de talrijke 
engeltjes heeft teruggevonden, die hij vooruit gezonden heeft. In 
afwachting der glorierijke verrijzenis, rust Pater Vander Straeten 
op het kerkhof van het missiehuis, op eenige meters afstands van 
de boorden van het Tanganika-meer, waar zijn graf op eene bij- 
zondere manier vereerd wordt. Dat hij in vrede ruste : 't is de op- 
rechte en vurige wensch van al degenen, die hem kenden en de 
laatste troost voor hen aan wier vriendschap hij ontnomen werd. 

« Wat kan ik nog van uwen geliefden zoon zeggen, dat gij niet 
vveet ? Gij kent zijne teedere godsvrucht, zijnen vurigen ijver, zijne 
grenzenlooze verkleefdheid, zijne kinderlijke liefde tot de H. Maagd 
Maria, te wier eere hij vaak novenen hield en Missen opdroeg voor 
den goeden uitslag van zijne predikingen aan de wilden. Het was 
op eenen zaterdag, gelijk hij het altijd verlangd had, dat hij het 
tijdelijke voor het eeuwige verwisselde. Zijne andere deugden hoef 
ik niet te noemen : zijne goedheid, zijne eeuvoudigheid en zacht- 
moedigheid waren spreekwoordelijk. 

« Voor zijne medemissionarissen was hij meer dan een vriend, 
hij was een broeder : en daarbij hoe bescheiden, hoe regelmatig in 
zijne leefwijze ! hoe stipt in het nakomen van zijne priesterlijke 
plichten en van de geringste zijner godsvruchtoefeningen : in een 
woord, hij was een priester-missionaris naar het Hart van Jezus. 
Zijne dagen waren vervuld, hij had den goeden strijd gestreden. 

€ Gelijk gij weet, was hij eerst in de missien van Karema en Ki- 
randa werkzaam geweest. Vervolgens benoemd tot den post van 
Mpala, zag hij een ruimer veld voor zijnen apostelijver geopend, en 
strooide gedurende vele jaren bij voile handen hetzaad der zaligheid 
met eene vlijt die zich noch door vermoeienissen, noch door opoffe- 
ringen liet afschrikken. 

« Gelast met de evangelieprediking in twee volkrijke posten, Pater 
Vander Straeten kweet zich van zijne taak met eenen ijver welke 
alien tot stichting strekte. Eene maand voor zijnen dood nog, had hij 



VIERDE DEEL. DE KATIIOLIEKE ZENDINGEN. 1 79 



zich voornamelijk er op toegelegd de schrikkelijke verwoestingen der 
pokziekte onder de inboorlingen te keer te gaan,en om de besmetting 
van geheele dorpen te voorkomen, had hij aan al de kinderen de koe- 
pokken ingeent : de uitslag was verbazend, honderden personen 
werden, dank zijne liefdadige zorgen, van de besmetting en misschien 
van den dood bevrijd. 

« De kerkelijke gezangen en de luister van den eeredienst waren 
insgelijks het bijzondere voorwerp van zijne bezorgdheid : aan zijn 
talent mocht men het dankwijten, dat het gezang met kunst en smaak 
in onze arme kerk werd uitgevoerd. Talrijke koorknapen, door zijne 
zorgen in deugd en vroomheid opgeleid, brachten niet weinig bij om 
door hunne ingetogene houding aan den voet van het altaar de plech- 
tigheden op te luisteren en den geloovigen eerbied in te boezemen. 

« Ik eindig hier, waarde Heer, deze weinige regelen aan de gedach- 
tenis van den trouwen vriend, die mij als een broeder was, gewijd, 
want de pen ontvalt mijne hand en de tranen benevelen mij het gezicht 
wanneer ik dezen beminden medebroeder herdenk, die het aanminnige 
van ons gemeenschappelijk leven uitmaakte en die voortaan bij onze 
talrijke werken ontbreken zal. — N. GuiLLEMfi, priester-missionaris. 

Wat vooral hier dient opgemerkt te worden, is het onzeggelijk 
goede, dat door de liefde en de zelfopoffering der missionarissen in 
zoo weinig tijds onder deze onlangs nog geheel wilde volksstammen 
werd gesticht ; 't is 00k nog de verkleefdheid, de eerbied welke de 
zwarlen betoonen tegenover hen, die zij hunne vaders noemen ; 't is 
eindelijk de zegen van een zachten en heiligen dood geschonken aan 
hen, die hun leven voor Gods meerdere glorie hebben opgeofferd. 



TWEEDE HOOFDSTUK. ^ 

De Paters-missionarissen van Scheut in 

Congo (0- 
E ALGEMEENE TOESTAND. —Deze Con- 

gregatie,door Pater Verbist gesticht om zendelingen voor 
deBelgische missien vanMongolie voor te bereiden.heeft, 
in Mei 1888, de verplichting aangegaan, aan het Aposto- 
lisch Vicariaat van Belgisch Congo de noodige missiona- 
rissen te verschaffen. Het missiehuis is gevestigd te Scheut bij Brussel. 

I. De brieven, welke in dit hoofdstuk voorkomen zijn in het algemeen ontleend 
aan het belangwekkend tijdschrift Revue des Missions en Chine et au Congo, door 
de Congregatie van Scheut te Brussel uitgegeven. 




l8o SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Den 25^" van Oogstmaand van hetzelfde jaar vertrokken reeds naar 
Congo vier priesters uit het bisdom van Doornik, de heeren Gueluy, 
Overste, Huberlant, Cambier en de Backer. Eerst vestigden zij zich te 
Kwamouth, daarna stichtten zij, in de maand December, aan den 
rechteroever der Kassai, het missiehuis van Berghe-Ste-Maria, dat 
thans 350 personen (voor het meerendeel kinderen) telt. De zending 
wordt tegenwoordig bestuurd door P. Van Ronsl6, die na den dood van 
P. Huberlant, gewezen Apostolisch Provicaris, Overste in Congo be- 
noemd werd. Een afzonderh'jke bijgelegene woning is betrokken door 
vijf Zusters van liefde van Jezus en Maria. 

De zending- van Bangala (Nieuw-Antwerpen) werd gesticht in de 
maand October 1889. Daar werd, bij koninklijk besluit van Leopold II, 
gedagteekend 12^'^Juli 1890, de eerste kolonie voor inlandsche kin- 
deren tot stand gebracht. De kolonie telt tegenwoordig rond de 500 
kostgangers. In deze landbouw- en beroepskolonien worden alle kin- 
deren aangenomen en opgevoed, welke men aan de slavernij kan 
ontrukken, alsmede de ouderloozen en verlatenen. 

Een tweede kinderkolonie is gevestigd te Soma. 

De zendingen van Moanda en van Nejulao, gelegen in de nabijheid 
van Banana aan den oever der zee, en welke insgelijks door de Con- 
gregatie van Scheut bestuurd worden, tellen te zamen een honderdtal 
geloofsleerlingen. 

Sint-Jozef van Liialaboiirg werd, den 8 December 1891, door 
P. Cambier opgericht ; de zending telt thans 1000 geloofsleerlingen, 
die omtrent de 300gezinnen uitmaken. Zestig hektaren land werden 
ontgonnen en herschapen in een lief dorp met straten en openbare 
plaats, werkhuizen voor timmerlieden, schoenmakers, korfvlechters, 
wevers, ijzergieters en smeden. Vijf Zusters van liefJe geven het on- 
derwijs in landbouw en naaldwerk. 

Op zes dagreizen ten Oosten van Lualabourg, bevindt zich het 
missiehuis van Kalala Kafuniba, door Pater Cambier, in Juli 1893, 
opgericht. Het missiehuis had, na een tijdverloop van drie maanden, 
350 inboorlingen in zijne nabijheid vereenigd. Halfweg tusschen Lua- 
labourg en Kalala-Kafumba, in de nabijheid van Kiendela, hebben de 
Paters van Scheut eene andere zending ontworpen. Alles is tegen- 
woordig in gereedheid, en men verwacht nog slechts de aankomst der 
drie Paters en twee Broeders, die laatstleden in September naar Congo 
scheep gingen. 

Eindelijk, op elf dagreizen van Lualabourg, en op vier mijlen ten 
Zuiden van Lusambo, werd een ander missiehuis, dat insgelijks de 



VIERDE DEEL. — DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. l8l 

komst van Paters uit Scheut verwacht, door Pater Cambier opgebouwd. 
De noodige gelden tot het oprichten van dezen post, in inlandsche 
taal Moteba geheeten, werden door het verkoopen van gebruikte post- 
zegels bijeengebracht. Nu twee jaar geleden.ondernam de Overste der 
Congregatie van Scheut, de E, P. Van Aertselaer, in gezelschap van 
den gekenden Thibetaanschen ontdekkingsreiziger, P. De Deken, 
eenen tocht in Congo om zich van den algemeenen toestand 
rekenschap te geven. Zij gingen tot Bangala en Lualabourg door, en 
legden zonder ongeval de terugreis af. 

Maar reeds telt de Congregatie meer dan ^en slachtoffer van den 
^■^os,\.€[\']\&x •.^Q\\G:zxtn Bracq.De Backer, Garmyn stierven in Congo, 
en de heer Huberlant te Scheut, in 1892. 

Andere strijders namen echter hunne plaats in, want het is in de 
beproeving, dat de werken van God hun levenssap putten. Tegen- 
woordig bevinden zich achttien Paters en verscheidene Broeders in 
Afrika ; de missionarissen van Scheut worden niet alleen bijgestaan, 
door de Zusters van h'efde, over welke wij in het derde hoofdstuk 
eenige bijzonderheden zullen mededeelen, maar hebben nog de onlangs 
gestichte leekebroeders voor medehelpers. De vakkennis der Broeders 
in het timmeren en het hovenieren komt zeer wel te pas in de nieuwe 
zendingen, voornameh'jk bij het opbouwen der missiehuizen en het 
aanleeren van een ambacht aan de kinderen van den post. 

In weerwil van hunne nederige bedieningen is het aan de leeke- 
broeders, dat men, voor het grootste deel, de hervorming en de stof- 
felijke welvaart der verschilh'ge posten te danken heeft : aan hen valt 
de taak te beurt den eersten grondslag tot de bekeering der wilden te 
leggen, de krachten der missionarissen te sparen en de inboorh'ngen 
van de streken, die in de nabijheid onzer nederzettingen h"ggen, lang- 
zamerhand den landbouw aan te leeren. Men ziet dat hunne rol zeer 
gewichtig en verdienstvol is. 

Na het voorafgaande korte overzicht, geven wij de pen over aan 
de missionarissen zelf, die ons zullen verhalen wat zij gezien en 
gedaan hebben op den Afrikaanschen grond, tot eere Gods en heil 
der zielen. 



Te Matadi. — Brief van P. Huberlant. — Zondag den 25'" Ja- 
nuari 1 891, had ik mij naar Matadi begeven,en ik nam de zoo bekwaam 
geleide werken van den ijzerenweg in oogenschouw. Ik ontmoet eene 
groep negers. 



1 82 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

— Bojisoir, Pen. 

— Goeden avond, vrienden ; zoo, gij spreekt fransch ? 

— Ja, Pater. 

— Van waar zijt gij dan ? 

— Uit Senegaal, Pater. 

— En wat doet gij hier ? 

— Wij werken aan de spoorbaan. — Ik ben smid, zegt de een, — 
ik, timmerman, zegt de andere, — en ik, bureelschrijver, zegt een derde, 
terwijl hij de borst vooruitsteekt. 

— En zijt gij hier tevreden ? 

— Ja, Pater ; iets nochtans ontbreekt ons ; een Pater om mis te 
lezen. Wanneer een man van ons ziek is, geen middel om tebiechten! 
Vier onzer makkers zijn reeds zonder de H. Sacramenten gestorven. 

Men zal mijne ontroering begrijpen bij het hooren dezer woorden. 
Onze arme zwarten waren afkomstig uit Senegaal en door de Fransche 
missionarissen tot het Kathoh'ek geloof bekeerd. Zij waren naar Ma- 
tadi een winstgevend werk komen zoeken. 

— En zijn er nog zieken onder u ? 

— Ja, Pater, er zijn er nog twee. 

— Komt, dan gaan wij hen bezoeken. 

— O wat zullen zij blijde zijn! 

En voortstappende langs de prachtige woningen der ingenieurs en 
ploegbazen, richten wij ons naar het kamp dezer brave christenen. 
Weldra gaan wij het kwartier der Itah'aansche werklieden voorbij. 

— Die ook zijn christenen, — doet mij de bureelschrijver opmerken. 
Het was overbodig mij dat te zeggen, want de beleefde groeten en de 
welwillende glimlach welk op menig gelaat blonk, getuigden dit ge- 
noegzaam. 

EindeHjk komen wij aan de woning welke onze Senegalezen zich 
hebben opgericht : 't is een soort van lange hal aan wier beide zijden 
eene reeks van nette en goed opgeschikte bedden staan. Die bedden 
zijn een wonder, als men bedenkt, dat ze aan negers toebehooren. 
Overal zie ik aan de beschotten kruisbeelden, godsdienstige prenten en 
paternosters opgehangen.Opde meest in 't oog vallende plaats verheft 
zich een altaar, — ja, een altaar aan de H. Maagd Maria toegewijd. 

En de bureelschrijver — die, men kan het hem wel aanzien.zich zijner 
waarde bewust is — laat aanstonds volgen : « Hier zeggen wij dage- 
lijks, 's morgens en 's avonds, onze gebeden in het gemeen. » Mijne 
zwarte gezellen voegen daarop de daad bij de woorden, werpen zich 
op de knieen en bidden een Wees gegroet. 



VIERDE DEEL. — DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 1 83 

En ik, ik zong met het hart alleluia^ en ik was geneigd, die goede 
negers, mijne geloofsgenooten, om den hals te vliegen en hun den 
broederkus te geven. 

— Waar zijn de twee zieken ? 

— Daar ginds, Pater. 

Bij den eersten oogslag begreep ik, dat deze werklieden verloren 
waren, indien zij niet teruggestuurd werden naar hun geboorteland. 
Naderhand heb ik vernomen, dat hun dit laatste redmiddel toegestaan 
werd. 

Te Boma bevinden zich insgelijks een groot getal gedoopte negers, 
herkomstig uit Senegaal en Gabon ; maar meest alien hebben min of 
meer de lessen van geloofs- en zedeleer hunner meesters vergeten, 
eenigen zelfs lieten vrouw en kinderen in den steek, en leidden hier 
een wanordelijk leven. Het zal vrij wat moeite kosten om deze ver- 
doolde schapen tot den schaapstal terug te brengen, en ik zou aan den 
goeden uitslag wanhopen, indien ik niet wist dat hunne bekeering 
niet mijn werk, maar dit van God is. 

Toen ik den eersten zondag na mijne aankomst de H. Mis las, was 
er niet ^en christen neger tegenwoordig. Vandaag, drie weken later, 
had ik het geluk er veertien te tellen, en een onder hen naderde tot 
de H. Tafel. Ziedaar een klaar en duidelijk bewijs van de onmiddel- 
bare werking der genade op het hart dezer arme zwarten, want tot nu 
toe was het mij onmogelijk geweest met hen in betrekking te komen. 

€ Wat de middelen betreft welke ik persoonlijk zou kunnen aan- 
wenden om deze bekeerlingen in hunne goede gesteltenissen te be- 
houden, ik ken er nog geen, en al evenmin om hurtne ongelukkige 
gezellen te helpen aan hunne wanordelijkheden te onttrekken. Ik 
bedrieg mij, ik heb een middel, en ik ken te goad de kracht ervan om 
het niet te gebruiken : het gebed. » 

Doodenlijst : Overlijden van den heer Huberlant. — 

Waarom moeten wij het aangename verhaal, dat boven staat onmid- 
dellijk door het doodsbericht van zijnen opsteller doen volgen ? 

Zonder twijfel beschikt de Heer het aldus om te spoediger de edel- 
moedigheid van zijne dienaars te kunnen beloonen en hen in staat te 
stellen, van uit den Hemel, voor hunne hier op aarde begonnen werken 
bloei en duurzaamheid te bekomen. 

Dit was het geval voor P. Huberlant, Apostolisch Provicaris van 
Belgisch Congo. 

De heer Ferdinandus Huberlant zag het levenslicht te Marchienne- 



184 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

au Pont, den 18^° December 1852. Hij deed zijne studien in het college 
van Edinghen, dat zoo vruchtbaar in geestelijke en apostolische roe- 
pingen was,dat al de leden der eerste karavaan van Belgische missiona- 
rissen voor Congo bestemd, onder zijne studenten genomen werden. 

De heer Huberlant leidde een rustig en gelukkig leven in het lieve 
Waalsche stadje Binche, waar hij als onderpastoor was geplaatst, toen 
men het bericht kreeg dat de Belgische bisschoppen het vaderlands- 
lievende ontwerp hadden opgevat, te Leuven een seminarie in te 
richten voor de missionarissen.die zich voor de Congoleesche zendingen 
begeerden voor te bereiden. Na rijp overleg en door zijnen apostel- 
ijver genoopt, aarzelde de heer Huberlant geenen oogenblik om zijne 
plaats op te geven : hij was de eerste, die zich, in December 1886, aan 
het seminarie aanbood, en rond hem kwam zich de eerste kern scharen 
van de missionarissen die, in 1888, in onze Congregatie aangenomen 
werden. 

Pater Huberlant maakte deel van de eerste groep zendelingen, 
die in Belgisch Congo aankwam, en werkte onverpoosd.van Augustus 
1888 tot in dezelfde maand van 1892, aan de bekeering der inboor- 
lingen en aan de stichting van menigvuldige werken. Daar ter plaatse 
werd het ons bijzonderlijk gegeven zijne talrijke hoedanigheden te 
leeren kennen en hoogschatten : zijn diepe godsvrucht, zijn vol- 
maakte gehoorzaamheid, zijn onvermoeibaren ijver, zijn onwankel- 
bare zielskracht, zijn onverstoorbare opgeruimdheid, zijn stichtende 
ootmoedigheid. In onze eerste gemeente van Berghe-Ste-Agatha was 
hij tegelijk kapelmeester, provisor en huisbeheerder. De menigvuldige 
en lastige werkzaamheden, welke hem deze laatste bediening aanbracht 
en welke hij zich uit liefde voor zijne medebroeders oplegde, 
hadden de negerdienstboden van het huis zoodanig getroffen dat zij 
het eens waren om hem Kwamimi <i overste der mondbehoeften » te 
heeten.een naamwelken hij overigens gewillig aannam en gebruikeiijk 
Het worden. 

Toen de eerste slaaf te Berghe-Ste-Mariadoor ons werd vrijgekocht, 
was het Pater Huberlant die hem zijne ketenen verbrak en hem tot 
vader strekte. Hoe menigmaal hebben wij niet zijn geduld bewonderd 
ten opzichte van dezen stuggen leerling dien zijn gewezen meester, 
in weerwil van boeien en zweepslagen, noch leiden noch temmen Icon! 
Het was zijn geliefde Ekoro. 

De oversten van P. Huberlant hadden hem,zonder zijne raadgeving 
(want zijne nederigheid had te menigvuldige tegenwerpingen vooruit- 
gebracht), te Rome tot Apostolisch Provicaris voorgedragen. Hij werd 




■ismommtM. 



i :i 




VIERDE DEEL. DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 1 87 

benoemd bij pauselijke breve van 130^ Februari 1891. Hij vestigde 
zich te Boma, hoofdzetel van het bestuur en middelpunt van een nieuw 
arbeidsveld, kort geleden door de Fransche Paters der Congregatie 
van den H. Geest verlaten, 

Laat ons in 't kort de werken opsommen, welke de Apostolische 
Vicaris in een anderhalf jaar voltooide. 

Te Boma richtte hij het missiehuis in, dat de Staat te zijner be- 
schikking had gesteld ; hij deed eene geschikte verbh'jfplaats voor de 
Zusters ziekenverpleegsters naast het kleine gasthuis van het Ant- 
werpsch Comiteit van het Afrikaansche Roode Kruis, in gereedheid 
brengen ; met de medehulp van den Staat richtte hij eene school-kolonie 
in, welke tegenwoordig 114 kinderen telt. — Te Moanda, aan de kust, 
bouvvde hij het eerste missiehuis der Zusters-missionarissen, eene 
kapel, een sanatorium en eene meisjesschool. — Te Nemlao, dicht bij 
Banana, vestigde hij een andere groep Zusters, belast met de op- 
voeding van 65 door den Staat vrijgekochte meisjes. — Te Matadi 
vertrouwde hij den parochiedienst aan den apostelijver van eenige 
Gentsche priesters, en droeg de Zusters de zorg op van het oppassen 
der zieken in het gasthuis door de spoorwegmaatschappij te Kinkanda- 
St-Antonius opgericht. 

Zijne menigvuldige werken, zijne onverpoosde reizen en de talrijke 
zorgen welke het algemeen bestuur van het Vicariaat medebracht, 
hadden weldra zijne gezondheid geschokt. Hij begreep echter niet, 
dat zijn toestand zoo gevaarlijk was, en het gezag alleen van den 
Algemeenen Overste, te dien tijde op toezichtrondreis, was in staat 
cm hem te doen besluiten naar Europa terug te keeren om zijne 
krachten te herstellen... 

Gelaten en geheel overgegeven aan den wil van God zag Pater 
Huberlant den dood langzaam naderen. Eindelijk, op Vrijdag 
24®" Maart, feest van het Medelijden der Allerheiligste Maagd, daags 
voor Maria Boodschap, blies hij den laatsten adem uit. 

De koning deed aan de Congregatie eenen brief van rouwbeklag 
toekomen en Het zich bij de lijkplechtigheden vertegenwoordigen. De 
begrafenis had plaats te Berchem-Ste-Agatha. 

Daar wachten de stoffelijke overblijfsels van den eersten Aposto- 
lischen Provicaris van Belgisch Congo de glorierijke verrijzenis af. 

A. GUELUY. 
.1. .1^ 



1 88 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 



§ n 

Doopsel en dood van het groote opperhoofd 

Ebeke. — Brief van den Eeriv. Pater de Wilde. 

Berghe-Ste-Maria, \2^^ October 1891. 
Mijnheer de Overste, 

i Ik had zooeven het geluk eene belangri'jke vangst te doen. 

Ziehier de zaak : 

Voor eenige dagen kreeg ik het bezoek van het opperhoofd Ngobila. 

— Goeden dag, Pater. 

— Goeden dag, Ngobila. Wat nieuws, beste man ? Is iemand ziek 
bij u ? 

— Bij ons, neen. Maar Ebeke, het groote opperhoofd, is erg ziek. 

— Welzoo ! onze vriend Ebeke, de vader van onzen kleinen Ba- 
zinga ? En vvaar zoo ? Ten zijnent? 

— Neen ; hij bevindt zich te Gantchou, ginds aan den anderen 
oever van den Congo, op Fransch grondgebied. 

— Dus, vader Ngobila, indien ik, morgen, per prauw onzen vriend 
Ebeke ga bezoeken, kan ik voor den nacht niet thuis terug zijn ? want, 
geh'jk gij weet, is u\v Congo tameh'jk breed. 

— Neen, Pater, voor zonnenondergang kunt gij terug zijn. 

— In dit geval, beste Ngobila, bid ik u mij eene prauw en eenige 
roeiers voor morgen aan te schafifen ; ik zal u rijkelijk voor uwe moeite 
beloonen, — een breede, genoeglijke glimlach vertoont zich op het 
gelaat van het opperhoofd — en wil Ebeke onverwijld gaan doopen. 

Om zoo te kunnen spreken, rekende ik erop.dat Ebdke, menigmaal 
reeds over godsdienstzaken had hooren handelen en over het bestaan 
van God, de uitersten van den mensch en de noodzakelijkheid van het 
doopsel om den heme! te kunnen binnentreden, genoegzaam ingelicht 
was. 

Ik vertrek dus 's anderendaags, zeer vroeg in den morgen, steek 
den stroom over, kom tegen den middag te Gantchou aan, en vraag 
waar de zieke zich bevindt. De inboorlingen, Batakeles voor het 
meerendeel, bezien mij geheel onthutst en schijnen elkander af te 
vragen : Wat wil die blanke hebben ? Eindelijk antwoordt men mij 
dat Ebdk6 zich in het dorp niet bevindt. 



VIERDE DEEL. DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 1 89 

— Welhoe ! Ik weet zeker, dat hij hier is ; met u heb ik geene 
zaken, maar Ebek^, wiens dorp dicht bij het onze gelegen is, was 
altijd onze vriend, en ik ben gekomen om hem te zien en te helpen. 

Ten laatste wijst men mij, op een tiental stappen van daar, eene 
negerhut. Ik treed binnen en ontwaar den ongelukkigen Ebeke op 
eene mat uitgestrekt, mager als een geraamte, uitgeput en elk oogen- 
blik op het punt den laatsten adem uit te blazen. Ik roep hem bij 
zijnen naam. De ongelukkige, buiten staat om een woord uit te brengen, 
beziet mij met zijne bijna gebroken oogen waarin voor een oogenblik 
een flauwe vreugdestraal flikkert, Om te beginnen spreek ik hem van 
zijn dorp, van ons missiehuis, van onze oude vriendschap ; dan 
onderhoud ik hem over godsdienstige zaken, over de noodzakelijkheid 
van het doopsel, over het berouw, enz. 

De zieke luistert met geloken oogen, en niets toonde aan dat hij 
mij hoorde of begreep. Ik aarzelde dus om het doopsel toe te dienen, 
want zelfs in stervensnood bh'jft het vel van eenen neger zwart, en ik 
heb te weinig geneeskundige kennissen om naar de ziekteteekens over 
iemands min of meer gevaarlijken staat een oordeel te vellen. Ik 
ondervraag dus de inboorh'ngen, die mij antwoorden dat : Ebeke 
voorzeker zeer ziek is, maar dat hij niet zal sterven, wijl hij nog eet, 
drinkt en rookt. 

Ik wilde weten hoe iemand die beter van die zaken op de hoogte 
was er over dacht, en deed mij naar het opperhoofd van het dorp 
leiden om zijne meening te vernemen. Men geleidde mij naar het 
koninklijk verblijf; maar, o bittere teleurstelling ! nauweUjks ben ik 
binnengetreden of men laat mij zeggen, dat het opperhoofd afwezig 
is en dat ik maar moet heengaan. De spotlach welken ik op het gelaat 
van sommige der omstanders en het knipoogen bij andere bespeur 
doen mij genoeg verstaan dat men mij voor den gek wil houden. Maar 
wat kan ik er aan doen ? Weldra echter werd de toestand nog beden- 
kelijker, want ik hoor deze woorden uit een groep inboorlingen opgaan: 
« Ziedaar een blanke gansch alleen in ons dorp ; gezellen, laten wij 
hem binden !» — « Niet al te gauw, » haastte ik mij te antwoorden. 
« Weten de lieden van Gantchou of ik mijn klein geweer (draaipistool) 
niet bij mij heb? En daarbij, durft iemand onder u mij aanraken, zult 
gij dan met de groote geweren en kanonnen van Boula-Matari geene 
kennis maken ? » 

Men liet mij doorgaan, en ik ging aan den oever van den stroom 
met mijne roeiers eenig voedsel gebruiken. Onder hen bevond zich 
een zekere Nlando, reeds tamelijk gevorderd in de christeh'jke geloofs- 



190 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

leer. Na den maaltijd, zeg ik tot dezen neger : « Nlando, gij weet wat 
het doopsel is ; kom met mij, en zeg mij op uw geweten af wat gij 
van den toestand van den zieke denkt!» 

« Pater, sprak Nlando, toen wij bij Ebeke gekomen waren, wanneer 
iemand bij ons dermate vermagerd is, dat hij bijna de oogen niet 
meer kan openen, zeggen wij dat hij zal sterven. » 

Deze openhartige verklaring nam al mijne angstvalligheid weg. Ik 
zet mij dus aan de zijde van den stervende, vernieuw mijne opwek- 
kingen, bied hem het H. Doopsel aan, laat hem verstaan dat de hemel 
of de hel, van het te nemen besluit afhangt, en vraag hem eindelijk 
door eenen handdruk zijne toestemming te laten kennen. De onge- 
lukkige antwoordt door eene nauwelijks voelbare samentrekking der 
vingers en voornamelijk door een diepen en vreugdevollen blik. 
Aanstonds laat ik het water der wedergeboorte over zijn voorhoofd 
vloeien en spreek de sacramenteele vvoorden uit. De heiden Ebeke 
was de christen Jozef-Maria, erfgenaam van het rijk der hemelen 
geworden. 

Ik eindigde met eenige woorden van aanmoediging, en wij bestegen 
opnieuw onze prauwen. Het was ongeveer twee ure in den namiddag,en 
de zon schoot hare stralen met de zengende kracht welke zij in Congo 
bezit. Maar ik dacht bij mij zelf, dat het eeuwige heil eener ziel wel 
eenige druppelen zweet waard was. Eensklaps houden mijne mannen, 
die zich dapper tegen den stroom inwerkten, op met roeien. 

— Wat drijft toch daar ginds op het water ? 

— Een rivierpaard ? 

— Neen !... Ja !... Maar neen, zegt eindelijk een roeier, 't is het lijk 
van eenen mensch. — In weerwil van den afstand, kwam een verpes- 
tende reuk weldra de waarheid van dit gezegde bevestigen. 

— 't Is een zwarte, zegde daarop een andere roeier, waarschijnlijk 
het slachtoffer van het een of andere opperhoofd. 

Ziedaar tooneelen welke men alleen in Congo of aan de oevers van 
den Gangus aantreft. 

Om 5 ure 's avonds bereikten wij Berghe, waar ik twee dagen later 
den dood van Jozef-Maria vernam. 

Den eenen of anderen keer zal ik mij naar Gantchou begeven, om 
het teeken der verlossing op het graf van dezen uitverkorene te 
planten. 

J. De Wilde, apost. mission. 

. 1 . 



VIERDE DEEL. — DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. IQI 

III 

De school-kolonie van Nieuw-Antwerpen. — Brief 

van Pater de Wilde, Missionaris aldaar. 

Nieuw-Antwerpen^ y September 1893. 
Eerwaarde vriend, 

De missionarissen komen naar Congo om de wilden te leeren ; maar 
bij het kwijten dezer taak leeren zij zelf eene menigte dingen, waarvan 
men zelfs geen denkbeeld heeft. 

Laat mij toe, om er u van te overtuigen, in uw bijzijn, eenige leer- 
lingen uit de school-kolonie, genomen uit de ontelbare volksstammen 
van den onmetelijken Congostaat, te ondervragen. 

— Opgepast, kinderen, wanneer een mensch sterft, sterft hij geheel 
en gansch ? 

— In onze dorpen, antwoordt een knaap, bekreunt zich niemand 
daarom. — Bij ons, zegt een ander, wanneer een opperhoofd sterft, 
doodt men verscheidene van zijne slaven, opdat de geest van het 
opperhoofd zich niet alleen bevinde. 

— En waar zegt men dat de geest heengaat ? 

— In de bosschen. Daar hoort men hem 's morgens en 's avonds 
roepen hoii, hoii, of wel de voorbijgangers bij hunnen naam noemen ; 
die verschrikken dan en vluchten weg. 

— Maar er bestaan nog andere geesten dan die der overledenen; er 
is nog de grootste der geesten, God. Weet men bij u dat er een God is? 

— Ja, wij heeten hem Nzami, Nzacoviba, Fidie^ ofwel Hanza en 
andere namen nog. 

— En waar woont, volgens uwe ouders, die God } 

— Hoog, zeer ver. 

— Vreest men hem ; zegt men dat hij kwaadaardig is ? 

— Neen, men zegt niets. 

— En de duivels dan ; kennen uwe landgenooten de duivels? 

— Ja, en ook de toovenaars aan wie men denzelfden naam geeft. 

— Hoe is hun naam ? 

— Moloki (Moloch ?) Ndoki, enz. 

— En wanneer men iemand zegt, dat hij een duivel, een toovenaar 
is, is hij dan tevreden ? 

— Integendeel hij maakt zich kwaad. 



192 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

— Dus bemint men de duivels en de toovenaars niet ? 

— Neen, zij zijn boos. 

— Boos, wat doen zij dan ? 

— Zij dooden vele menschen en doen veel kwaad. 

— Walk kwaad ? 

— Bij voorbeeld, zij werpen een lot over iemand, en hij blijft stem 
zoolang als het hun behaagt. 

— Nu van wat anders gesproken, kinderen ! Voor gij hier kwaamt 
kendet gij noch den goeden God, noch zijne geboden. Maar wanneer 
gij iets misdreeft, gaven uwe ouders u geene vermaning ? 

— Somtijds, ja, en dan zei mijn vader : « Indien gij dat nog doet, zult 
gij ziek worden. » Nu en dan kreeg ik een pak slagen, en vader dreigde 
mij aan de krokodillen te geven. 

— Van krokodillen gesproken ; zegt men niet bij u,dat als iemand 
door eenen krokodil verslonden wordt, het dier enkel daarbij gehoor- 
zaamt aan het bevel van den vijand des gedooden ? 

— Ja, omdat er menschen zijn die den krokodil hunnen wil zoo 
goed weten op te dringen, dat indien hij het bevel ontvangt eenen 
mensch te dooden, hij nooit nalaat dat te doen. 

— En zegt men niets anders nopens dat dier? 

— Wei ja, men zegt 00k, dat een krokodil en een rivierpaard dikwijls 
eene overeenkomst treffen : het rivierpaard neemt de verbintenis eenen 
mensch te dooden, dien de krokodil mag opeten, en omgekeerd laat 
de krokodil het rivierpaard zich rustig verzadigen aan de waterge- 
wassen van den stroom. 

— Wei ! ik beken, dat uwe ouders schoone vertelsels kennen. Maar 
laat ons eens zien ! ik heb u eertijds verhaald, dat al de menschen, 
uitgenomen Noe en zijn gezin, in de wateren van den zondvloed ver- 
dronken ; vertelt men niets daarover bij u ? 

— Neen, niets, 

— Geheel zeker ? 

— Wacht eens ! ja, men vertelt dat, zekeren dag, onze voorouders 
naar de maan wilden klimmen ; zij hoopten eene ontzaggelijke menigte 
palen opeen, en begonnen opwaarts te stijgen (Babel?). 

— Geraakten zij tot aan de maan ? 

— Neen, de hoop staken viel ineen, en vele menschen werden 
gedood. 

— En bestaan er bij u lieden, die kunnen lezen en schrijven of iets 
dergelijks om deze verhalen over te leveren ? 

— Neen, Pater, bij ons vervangt men het geschrift door insnijdingen 



-61 




Soldaten en Missionarissen in Congo. 



VIERDE DEEL. — DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 1 95 

in het vel, en de eeni'ge letter welke men schrijft wanneer men ons 
de ooren doorboort, is de letter O, 't geen wel vvat pijn veroorzaakt ! 

— En waarom heeft men u de ooren doorboord? waarom die groote 
opening, waardoor ik gemakkelijk twee vingers steken kan ? 

— Om te toonen dat wij slaven waren. 

— En waren uwe meesters boos ? 

— Niet al te zeer, gewoonlijk mochten wij eten en slapen met hen ; 
somwijlen nochtans had de meester honger, en dan moesten wij 
vluchten. 

— Waarom dan vluchten ? 

Op deze vraag antwoorden onze leerlingen, onverschillig tot welke 
streek van Congo zij behooren, met een luiden lach en toonen daarbij 
hunne ivoorwitte drijhoekJg afgevijlde tanden, een duidelijk bewijs, 
dat de menscheneterij algemeen is, zelfs daar waar delevensmiddelen 
in overvloed voor handen zijn. 

— En in welke bijzondere gevallen eten de meesters hunne slaven 
op ? 

— Wanneer een opperhoofd sterft. Somwijlen ook zegt een meester 
tot zijnen slaaf : « Ga u wasschen en een bad nemen. » 

— Zich wasschen ? 

— Wel ja ! En wanneer de slaaf netjes gewasschen is, snijdt de 
meester hem het hoofd af en laat hem koken. Maar indien de slaaf 
een weinig verstand heeft, gaat hij, in plaats van zich te wasschen, 
zich in het hoogstammig gras verduiken Somtijds ook zegt de meester 
tot zijnen slaaf: « Ga en snijd eenige wischjes.»En wanneer de wisch- 
jes gesneden zijn, zegt de meester : « Breng nu wat drooge bladeren 
bij.» Indien de slaaf geen domkop is, vlucht hij dan weg. 

— En waarom ? 

— Omdat de meester met de wischjes eenen rooster maakt. Hij 
doodt dan den slaaf en braadt hem op den rooster door middel der 
drooge bladeren. 

— Maar hoe hongerigde meester ook zij.tochkan hij eenen mensch 
niet alleenopeten! 

— Zeker niet, maar hij noodigt zijne vrienden en verwanten tot 
het feestmaal uit, en deze bewijzen hem bij gelegenheid den zelfden 
dienst. 

— En noemt gij deze wreede meesters niet tatas^ vaders ? 

— Zoo noemt men hen. 

— O ! kinderen, verdient hij wel den naam van vader, de mensch, 
die zijne kinderen opeet? Nu, gij weet het, in den hemel hebt gij 



196 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

een goeden Vader, die uvv geluk hier op aarde en in den hemel 
verlangt, eenen Vader die nooit doofvoor uwe gebeden blijft, wanneer 
gij hem zegt : « Onze Vader die in de hemelen zijt. » Maarbestaan er 
lieden die nog wreeder zijn dan uwe meesters ? 

— Oh ! ja, de Araben. Deze dooden dan zelfs wanneer zij geenen 
honger hebben. Zij komen in groot getal op, en maken gebruik van 
den nacht om de dorpen te omsingelen. Zij hebben geweren ; wij 
hebben er geen. Met het krieken van den dagbegiiinen zij te schieten, 
dat het kraakt, te roepen en te tieren, dat het vervaarlijk is. ledereen 
tracht dan te ontkomen en zich in het struikgewas te verbergen. Zij, 
van hunnen kant, zoeken ons op, en wanneer wij niet goed verborgen 
blijven, leggen zij de hand op ons. 

— Hoe zoo ? 

— Zij roepen : <L Gij daar, in die struik, sta op of ik schiet. '^ 
Zij zien ons nochtans niet, maar indien wij opstaan zien zij ons. 

— En dan dooden zij u ? 

— Niet altijd ; zij die jong, kloek en welgemaakt zijn, worden niet 
gedood, maar men bindt ze met ketens, en men dwingt zehunne roo- 
vers, die snel,zeer snel loopen, te volgen. Die niet meer kunnen volgen 
worden met kolfslagen afgemaakt, of wel met lansen doorstoken, 
en de geheel jongen steekt men een puntigen stok door gansch het 
lichaam. 

— En gij biedt nimmer wederstand aan de Araben ? 

— Ja, wel, wanneer wij in groot getal zijn, en dan dooden wij ze 
onbarmhartig, en de andere vluchten weg, maar er komen altijd 
nieuwe. 

Nu vreezen de Araben de blanke soldaten ; en u, Pater, heeft de 
goede God hierheen gezonden om ons te voeden en te onderwijzen. 
Ah ! nu zijn wij gelukkig, en wij zullen altijd, altijd goed zijn voor u 
en voor den goeden God ! 

Arme kinderen ! arme zwarten ! 

Ongelukkig Congo ! waarom heeft men geen duizenden levens toe 
te wijden aan het lenigen van zulke rampen ? 

J. De Wilde, apost. miss. 

IV. 
Reis van Matadi naar Lusambo. — Brief van den Al- 

gemeenen Overste der Belgische zendingen aan zijnen broeder den 



VIERDE DEEL. — DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 1 97 

kanunnik Van Aertselaer, bestierder van het St-Lodewijks-gesticht 
te Brussel ('). 

Lusambo, 10 februari i8gj. — Beminde BROEDER, 

In 36 dagen heeft de Stanley ons van Berghe naar Lusambo over- 
gebracht. Op het oogenblik van te ontschepen knelde mij de Afri- 
kaansche koorts vervaarlijk de slapen.Ondanks mijnen hevigen afkeer 
van alle artsenijen moest ik gedurig kinine innemen. De koorts was 
echter weldra geweken, en ik had mijne opgeruimdheid en den goeden 
eetlust, welke u bekend is, teruggevonden, 

Het is oprecht der moeite waard om de Kassai- en Sankuru rivie- 
ren eens af te varen. De eerste heeft, van Berghe af tot aan Louebo, 
een gemiddelde breedte van 1000, de tweede van 800 meters. Wat 
veel bijbrengt om den aanblik van deze prachtige waterloopen te 
verfraaien, zijn de ontelbare eilandjes, welke zich overal boven den 
waterspiegel verheffen en als zoovele ruikers al de rijkdommen van 
het plantenrijk der keerkringen ten toon spreiden. 

Denk nochtans niet, dat eene reis geh'jk de onze niets dan dichtef- 
lijke schoonheden oplevert. Men vertrekt met zonnenopgang om 
ongeveer twee of drie uur in den namiddag bij een houtrijke plaats 
stil te houden. De sjouwerlieden gaan dan aan wal om brandhout voor 
het stoomwerktuig te kappen en moeten werken tot middernacht om 
voldoende brandstof voor eene reis van tien uren bijeen te bren- 
gen. 

Dit late vertrekken 's morgens, dit vroege aanleggen 's avonds, de 
trage gang van de boot, welke omzichtig door de zandbanken haren 
weg baant, de moerassen waar men het anker werpt, en wier uitvva- 
semingen de koorts geven, de ontelbare zwermen moestieken en 
hare rasgenooten, in dat alles kan de minst klaagzieke reiziger zeer 
weinig vermaak vinden. 

Gclukkig heeft men nu en dan wat afleiding : nu zijn het eenige 
argelooze en speelzieke rivierpaarden, die op een eilandje dartelen 
en welke men op geweerschoten onthaalt ; dan weder krokodilleri, 
wouwen, bovenmatig groote eenden, boomen waarvan men geen ge- 
dacht heeft, dorpen wier schilderachtige hutten half verdoken liggen 
in het groen,snelleprauwen,die bij het aanleggen naar de bootkomen 
varen, en wier bemanning mondvoorraad en wapenen ten verkoop 
aanbiedt : kortom, men heeft weinig tijd om zich te vervelen. 

I. Missien in Congo, Juli 1893. 



IqS SOLDATEN en MISSIONARISSEN in CONGO. 



En de warmte? zult gij zeggen. Gedurende eenige dagen heeft de 
warmtemeter van 34 tot 38° aangewezen. Doorgaans nochtans vvaaide 
er een tamelijk frisch windje, zoodat het 's morgens en 's avonds, met 
22 graden, koud was en wij gedwongen vvaren warme kleederen aan 
te trekken. 

Eene der grootste wederwaardigheden van onze reis was de pok- 
ziekte, welke aan boord uitbrak en met zulke hevigheid woedde, dat, 
drie dagen voor onze aankomst te Lusambo, 25 op de 50 negers 
onzer bemanning aan land werden gezet. Onze eeste stuurman, een 
stevig gebouwde Hollander, werd insgelijks door de besmetting aan- 
getast, en men was genoodzaakt, om een ongeluk te voorkomen, den 
ijlhoofdigen zieke in eene kajuit op te sluiten. Tot overmaat van 
tegenspoed werd onze machinist door eenen aanval van galkoorts tot 
het verrichten van zijnen arbeid onbekwaam gemaakt, en ik weet 
waarlijk niet hoe wij hier zouden hebben kunnen geraken indien wij 
den Heer Gillain, bevelhebber van Lusambo, aan boord niet hadden 
gehad : gelukkig was de bevelhebber een van die mannen, welke voor 
de moeielijke toestanden schijnen gemaakt te zijn. Gedurende den 
dag verving hij den machinist, 's avonds tot laat in den nacht moe- 
digde hij de houthakkers bij hunnen arbeid aan, en deed zoowel en 
zooveel, dat wij zonder ongeval en behouden ter bestemming aan- 
kwamen. 

Gedurende de reis troffen wij vier handelskantoren of standplaat- 
sen der Naamlooze Belgische Maatschappij aan : te Kwamouth, in 
't gezicht van Berghe; te Bena-Bendi, aan de monding der Sankuru; 
te Bena-Louboudi, aan den linker-oever dezer rivier en op halfweg 
tusschen Bena-Bendi en Lusambo; en eindelijk te Bena-Gongo, op 
drie mijlen van Lusambo. 

Bena-Louboudi heeft eenen Amerikaan der Vereenigde-Staten voor 
bestuurder. Als ondernemend en bezonnen man gelijk al zijne land- 
genooten, heeft hij eenige lieden uit Nicaragua en Jamaica medege- 
bracht om hem in zijne plantaadjes en het inzamelen van het caout- 
chouc te helpen. In enkele maanden heeft de Yankee eene reeks 
gemakvolle gebouwen opgericht, en een uitgestrekt terrein ontgonnen. 
Op mijne vraag of hij tevreden was over de opbrengst van caoutchouc, 
antwoordde hij : « Wei zeker; tot nu toe heb ik den Braziliaanschen 
caoutchouc-boom niet gevonden, die 30 tot 35 kilos dezer stof, per 
boomstam oplevert, maar al de slingerplanten van het bosch bevatten 
het in groote hoeveelheid, en gij weet of de slingerplanten in onze 
streken gevonden worden ! » 



VIERDE DEEL. — DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 1 99 

Daar de Amerikaan het land in alle richtingen doorloopen had, 
vroeg ik hem wat hij van Congo dacht. 

€ It is a splendid country, antwoordde hij zijne lange armen ten 
hemel verheffende, and a rich country too ('). » 

Wij waren op het punt van onzen Yankee afscheid te nemen, toen 
wij een groote prauw in het oog kregen, waarop de vlag van den 
Staat wapperde, en welke in snelle vaart op ons afkvvam. Daar wij 
niet wisten wat ons te wachten stond, waren wij eerst ongerust, maar 
onze onrust veranderde weldra in een onuitsprekeh'jke vreugde toen 
wij in de aankomenden.de overlevende leden der tochten Bia en 
Delcommune herkenden: tochten zoo roemrijk alsooit werden gedaan, 
vooral de laatste, tochten die onder alle opzichten kunnen wedijveren 
met alles wat men van den ontdekkingsreiziger Stanley verhaalt. 

Deze heeren brengen ons belangrijke tijdingen aan. Kapitein 
Jacques bezet, in weerwil van het gemis van kanonnen, een onneem- 
bare stelling : de toestand van Joubert is daarentegen zeer bedenke- 
lijk. De Araben werden aan de oevers der Lomami door bevelhebber 
Dhanis en detroepen van Lusambo volkomen verslagen. Eenduizend- 
tal slavenhandelaars werden in het gevecht gedood, duizend andere 
kwamen in de rivier om, en zes honderd gevangenen met evenveel 
geweren vielen in de handen der dappere verdedigers van den Staat. 

Deze Heeren hebben geene scherpe woorden genoeg om de on- 
menschelijke wreedheden der Araben en hunner handlangers te 
schandvlekken. Men moet, kost wat kost, deze monsters verpletteren, 
anders is het met den Staat gedaan : ziedaar het algemeen oordeel. 

Ik wil u nu eenige bijzonderheden over Lusambo mededeelen. De 
stichting van dezen post klimt nauwelijks tot drie jaren op, maar zijne 
jaarboeken zullen eenmaal den roem uitmaken der dapperen die hem 
tot stand brachten. Ik zeg dat zonder het minste voorbehoud : alles 
hier dwingt mijne bewondering af voor de moedige officieren die in 
het tijdverloop van drie jaren dit reuzenwerk hebben tot stand ge- 
bracht. Men oordeele ! 

Den I2en Februari 1890 kwam de Gouverneur Janssens, ik weet niet 
aan boord van welke stoomboot, voor Lusambo aan. Hij ontscheepte 
den is^n om de Staatsvlag op den oever van den stroom te planten, 
en vertrok, den 14^", na het volgend bericht naar Brussel gezonden te 
hebben : « Lusambo is gesticht. » En wat grootsprekerij mocht schij- 
nen was toch de eenvoudige waarheid ; de heer Janssens kende 
degenen, aan wie hij de hoede der vlag had toevertrouwd. 

J. Het is een prachtig land, en een rijk land 00k, 



200 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Deze wapperde op den zoom van een woud, dat van den eenen kant 
doorde Louamba-rivier, en langs de andere zijden door eene reeks 
heuvelen wordt ingesloten. Verscheidene officieren, onder dewelke de 
heer Legat zich bevond, vestigden zich aanstonds aan den oever, 
andere, namelijk de heeren Le Marinel, Gillain, enz., begaven zich 
naar Lualabourg om werklieden aan te werven. 

Dat was het nederige beginsel van Lusambo. Maar welke veran- 
dering sedertdien! Het woud en de kreupelbosschen zijn verdwenen. 
Alleen heeft men de palmen en ceders laten staan. Het struikgewas 
heeft plaats gemaakt voor prachtige banaan-, melven- en maracouja- 
plantaadjes, voor heerlijke manioc-, rijst-, suikerriet-, geerst- en sor- 
ghovelden. Men heeft kloeke en gezonde woningen in gestampte aarde 
voor 1500 inboorlingen (soldaten, vrijgekochte slaven, en krijgsgevan- 
genen) opgebouwd. Deze woningen omringen een uitgestrekt oefenings- 
veld, terwijl de huizen der Europeanen zich bevalh'g verheffen aan den 
oever van den stroom. Voeg daarbij ruime bergplaatsen voor alia 
slach van waren, en eene batterij van vier kanonnen welke den post 
beheerscht en verdedigt, en beken, dat de kleine Belgen hunnen tijd 
niet verspild hebben. 

Om de belangrijkheid van deze werken te begrijpen moet men 
bedenken dat, rekening houdende met de ingeborene traagheid en 
vadsigheid der inboorlingen, de blanken niet alleen een gestadige 
waakzaamheid uit te oefenen hadden, maar gedwongen waren, voor 
het afbakenen der straten.het opbouwen, het ontginnen en beplanten, 
zelf dapper de handen uit de mouwen te steken. Wat al moeite en 
arbeid heeft het niet gekost om in het onderhoud van zulk een tal- 
rijke verzameling personen te voorzien : zij alleen kunnen dit verstaan, 
die in Afrika eenigen tijd verbleven hebben. 

De uitslag zal echter nog verbazender voorkomen, indien men de 
omstandigheden nagaat waarin de stichting van Lusambo plaats had. 
Deze post was niet alleen bestemd om tot bezettingstad te dienen, 
maar zou, naar het plan der stichters, het uitgangspunt worden der 
krijgsverrichtingen welke noodig waren om de invallende Araben tot 
staan te brengen. Op het oogenblik der stichting zelf strekten zij 
hunne bloedige tochten naar deze zijde uit en maakten zij aanstalten 
om de Bassongo's aan te vallen. De aankomst der Belgen dwong hen 
gelukkig tot den aftocht. 

Kort daarna gelukte het hun het machtige inlandsch opperhoofd 
Gongo-Lutete van den Staat afvallig te maken.De Congolees werd door 
de Araben gelast de geheele streek tot aan de Kwango en de Lunda te 




De EE. PP. Jezuieten Bovy en de Hert, de Zusters van O. L. V. van Namen en de Breeders, 
van Houtte, de Sadeleer, Coppens en Henncy. (Zie bladz. 214 ) 




B.' de Sadeleer. — B. Lombary. — B. Geuct. 
P. Dumont. — P. Van Hencxthcven. — P. Liagre. — P. De Meulemeester. 
Eerste Eelgische Jezuieten in Congo. 



VIERDE DEEL. — DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 203 

verwoesten.en kwam.aan het hoofd van 7000 strijders.tot op vier dagrei- 
zen van Lusambo. Hij had de verwaandhei-d van daar aan bevelhebber 
Descamps geschenken te zenden, hem tevens verwittigende, dat hij van 
plan was Lualabourg aan te vallen. Descamps had slechts een twee- 
honderdtal in der haast geoefende soldaten te zijner beschikking; hij 
meende nochtans in staat te zijn den menschenjager den weg te vesper- 
ren. Hij rukt hem te gemoet en verbiedt hem verder te gaan. Gongo 
gewaardigde zich niet eens te antvvoorden. Descamps valt hem aan, 
doodt een groot getal zijner mannen endrijft de andere op de vlucht. 
Het Congoleescheopperhoofd doet een nieuwe poging, maar wordt zco 
duchtig door bevelhebber Dhanis geklopt dat hij zich gedwongen ziet 
de Araben in den steek te laten en zich aan den Staat te onderwerpen. 

Wat later zagen Le Marinel en Gillain zich genoodzaakt eenen 
verkenningstocht tot aan Bena-Kamba te ondernemen; de eerstge- 
noemde dezer officieren wist door een verbazend Snellen tocht de 
Engelschen vooruit te zijn en Katanga in naam van den Vrijstaat te 
bezetten, Meer dan eens moest men in het vervolg tevelde te trekken 
cm het een of ander oproerig opperhoofd der omstreken tot de onder- 
danigheid terug te brengen; en toch hebben die herhaaldeveldtochten, 
deze onverpoosde opschuddingen niet verhinderd dat Lusambo ont- 
stond, grooter werd en zich ontwikkelde tot wat het nu is. En daarom, 
herhaal ik, dat de mannen, die den moed en de wilskracht hebben 
gehad cm dit reuzenwerk te voltooien, zich hoogst verdienstelijk voor 
de beschaving en het vaderland hebben gemaakt. 

De nieuwstijdingen, welke wij vernemen zijn uitmuntend. Bij het 
ontschepen zien wij 600 krijgsgevangenen aan den oever geschaard ; 
600 andere zullen weldra aankomen, want de eerste nederlaag der 
Araben werd door twee andere opgevolgd. Wat meer is, men verzekert 
dat Mounie-Mohara (de moordenaar van Hodister) gedood is, dat 
Sefu, de zoon van Tippo-Tip, gekwetst werd en op de vlucht ging, en 
dat Dhanis Nyangwe belegert. 

Het is Rachid, de zoon van Tippo-Tip, die tot deze laatste vijande- 
Hjkheden aanleiding gaf. Gelijk gij weet, had de Koning hem tot 
bevelhebber aan de Falls aangesteld. Vertoornd omdat Gongo-Lutete 
de partij der Araben verlaten had, besloot Sefu zich te wreken, en 
trek den Lomami over, welke als scheidsgrens van den Staat doorde 
Araben aangenomen was. 

Dhanis en zijne mannen wachtten hem op den anderen oever af en 
gaven aan de slavenjagers eene les, waarvan zij eene heilzame her- 
innering zullen bewaren, 



204 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Van Lusambo gaan wij door Luebo naar Lualabourg. Het laatste 
deel onzer reis bestaat in eenen tocht van acht dagen. Na 
den heldhaftigen P. Cambier gezien, getroost en aangemoedigd te 
hebben, hoe zullen wij terugkeeren ? Ik weet het niet. Zullen wij te 
geschikter uureene stoomboot van den Staat aantreffen, of de terug- 
reis naar Berghe in prauwen afleggen ? Chi lo sa (^) ? In Congo moet 
men altijd met het onvoorziene rekening houden. 

/pen Maart. Wij vertrokken uit Lusambo den 1 2^^^ der loopende 
maand, en zullen morgen te Luebo aankomen. Acht dagen daarna 
schikken wij, over land, Lualabourg te bereiken. Naar de ingewonnen 
inlichtingen schijnt het dat, indien wij voor den 15^" April te Luebo 
terug zijn, wij er den stoomer Florida zullen aantreffen, welk ons naar 
Berghe zal terugbrengen. 

Tien dagen rusttijd op dezen post, eene maand om naar de Bangala's 
te gaan en terug te keeren, eene maand om Banana te bereiken, zoo 
zal het wel het einde van Juli worden, en indien alles voor den wind 
gaat, zijn wij met September in Europa terug. 

20^^ Maart. Van in den vroegen morgen varen wij op de Louloua, 
en ik bestatig, dat sedert mijne aankomst in Congo, ik nog geene 
enkele rivier gezien heb, welke minder breed is dan de Schelde voor 
Antwerpen. Ik moet evenwel erbij voegen, dat de loop der Kassaf, 
Sankuru en Louloua op vele plaatsen door zandbanken belemmerd is, 
wat de scheepsvaart zeer hinderlijk, zoo niet gevaarlijk maakt. 

Op dit oogenblik danst onze boot zoodanig, dat het mij onmoge- 
lijk valt nog iets leesbaar te schrijven. Bijgevolg heb ik de ear u te 
groeten,terwijl ikmij voor later voorbehoud ubreedvoeriger te schrijven. 

Gansch de uwe in O. L. H. en M. O. 

Hiero7iynms Van Aertselaer. 

I, Wie weet het ? 



VIERDE DEEL. — DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 20; 




DERDE HOOFDSTUK. 
De Belgische Zusters van liefde in Congo. 

;ERSTE VERTREK. — in een onderhoud welk 
wij, in 1SS7, de eer hadden te hebben met Z. M. Leo- 
pold II, maakte ons de Koning zijn voornemen bekend 
eenige Belgische religieuzen naar Congo te zenden, om 
er de kinderen van beider kunne op te voeden, en zich 
aan het oppassen der zieken in degasthuizen te wijden.Op zijne aan- 
vraag werd te dien einde, te Ouatrecht, in het bisdom Gent, een novi- 
ciaat gesticht. Dit noviciaat maakte deel van de Congregatie der 
Zusters van liefde van Jezjis en Maria, weleer gesticht door den kanun- 
nik Triest, zaliger gedachtenis. 

Het eerste vertrek van reh'gieuzen voor Congo had plaats den 30 
November 1891. 

De plechtige afscheidsmis werd gezongen in de hoofdkerk van 
St-Bavo, welke voor die gelegenheid met de Belgische, pauselijke en 
Congoleesche kleuren versierd was, Zes duizend personen woonden 
de plechtigheid bij, die gevierd werd op eene verhooging met altaar. 

Om half elf, terwiji de machtige tonen van het orgel door de beu- 
ken weergalmden, deden tien der Zusters, door den pedel voorgegaan 
en gevolgd door den bisschop en het kapittel, hare intrede. Stil en 
ingetogen traden zij door de dubbele rij standaarden, vooruit, en 
namen plaats vooraan in het koor. 

Achter hen schaarde zich het kapittel der kanunniken. Kanunnik 
Debbaudt, pastoor van St-Baafskerk, droeg het H. Misofferop. 

Na het Evangelie, besteeg Mgr Stillemans den kansel, en hield 
naar aanleiding van den tekst van het boek Tobias : angelus Domini 
comitetur vobiscum ('), eene Vlaamsche toespraak. Hij herinnerde dat 
ten alien tijde, Vlaanderen aan de spits stond waar het gold, blijken 
van zelfopoffering en naastenliefde te geven. 

Na de mis greep de gebruikelijke plechtigheid bij het afscheid der 
zendelingen voor verre landen plaats. De tien Zusters knielen neder op 
de trappen van de verhooging. 

Mgr Stillemans, met, aan de eene zijde, den H. kanunnik Roelands, 
algemeenen overste der Orde.en, aan de andere.de algemeene klooster- 

I. De engel des Heeren zal u vergezellen. 



2o6 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

voogdes, overhandigt aan elk van haar het zendelingskruis. De eer- 
biedwaardige bisschop leest de gebeden van het Pontificale^ en de 
leerlingen van hetgroot seminarie heffen eenen gelegenheidszang aan. 

Eindelijk plaatst Mgr op het hoofd van iedere Zuster eene kroon 
van witte bloemen, zinnebeeld der zuiverheid.en van groene bladeren, 
zinnebeeld des levens. 

Nadat de aanwezigen den bisschoppelijken zegen ontvangen 
hadden trok de stoet naar de Sacristij, terwijl de laatste tonen van 
het afscheidsHed onder de gewelven der kathedraal weerklonken. 

De inscheping der tien Zusters en van den Eerw. heer Buysser, die 
haar als aalmoezenier en bestierder vergezelde, geschiedde te Ant- 
werpen aan boord der Ella Woennan. De kapitein stond bereidwilh'g 
aan de Zusters zijn eigen salon af, waar zij zonder stoornis zich aan 
het gebed konden wijden en het H. Sacrificie der mis bijvvonen, 

De geestdrift aan de kaaien van Antwerpen, op het oogenblik van 
het vertrek, was onbeschrijflijk. Duizenden en duizenden vrienden 
hadden het zich tot plicht gerekend den afscheidsgroet aan de goede 
Zusters te komen brengen en haar een voorspoedige reis te wenschen : 
alien bevvonderden haren heldenmoed, en de soldaten, voornamelijk 
zij, die in Congo eenigen tijd verbleven hadden, waren de eersten cm 
haren lof te verkondigen. 

Na te Vlissingen, te Lissabon en op de Canarische eilanden aan- 
gelegd te hebben, kwam de Ella Woerman, in het begin van 1892, te 
Banana aan. 

Drie jaren later. — Thans hebben onze Congoleesche Zusters 
een klooster, het moederhuis, te Moanda, aan de kust van den 
Oceaan, op twee mijlen afstands van Banana ;een ander klooster te 
Boma ; een derde te Kikanda, waar de spoorbaanmaatschappij de 
gebouwen opeigene kosten heeft opgericht ; en eindelijk een vierde 
te Lualabourg, in het binnenland. 

De zwarten zoowel als de blanken dragen de « Witte Zusters » 
eene hartelijke genegenheid toe ; wanneer ziekte of andere ramp- 
spoeden hen komen bezoeken, kennen alien den weg naar hare 
woning om er hulp en onderstand te vinden. De Paters van Scheut 
hebben, te Nemlao, bij Banana, de school, weleer gehouden door de 
Fransche Paters van den H. Geest, overgenomen. Aanvankelijk werd 
het bestuur der school voor jonge knapen aan de Zusters toevertrouwd, 
en zij hebben de zending geheel en al in orde gebracht. 



VIERDE DEEL. — DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 207 



Te Moanda heeft men een aanzienlijk gesticht voor meisjes opge- 
richt, en de Congostaat heeft er reeds talrijke vrijgekochte of door 
de inboorlingen afgestane kinderen geplaatst. Een veertigtal andere 
meisjes zijn in Belgie in verscheidene kostscholen opgebracht en ge- 
nieten dezelfde opvoeding als de Belgische kinderen. De uitslag van 
deze, misschien wat voorbarige proefneming, wordt met veel belang- 
stelling afgevvacht. 

De missionarissen en de Zusters hebben voor doel, later, hunne 
wederzijdsche huwbare kostgangers door den echt te vereenigen en 
aldus uitsluitend Christene dorpen tot stand te brengen. 

Daar de Europeesche kleederen voor het klimaat van Congo te 
warm zijn, hebben de religieuzen een andere kleederdracht aange- 
nomen : rok en jak zijn gemaakt van lichte witte stof ; daarbij het 
romeinsche kraagje en eenen sluier, die wanneer zij uitgaan, door een 
kurken met alfaovertrokkenhelmvervangenwordt;ook dragenzijsoms 
een zvvartkleurigen katoenen rok. Op dit oogenblik beloopt haar getal 
tot twintig. AUe staan onder het gezag van eene overste, die den naam 
van « Moeder Vicarisse > draagt. Zij passen de zieken in de gast- 
huizen op, waar zij onschatbare diensten bewijzen, zij geven ook het 
onderwijs aan de kleine kinderen van beide geslacht. Door zich aan 
de opvoeding der kinderen te wijden oefenen zij in de verhevenste be- 
teekenis van het woord de menschlievendheid uit. Door, onder de zen- 
gende stralen der Afrikaansche zon, de lastige en afkeerwekkende 
taak van den ziekendienst waar te nemen,verrichten zij een even moe- 
dig als verdienstvol werk.waarvoor men haar niet genoeg kan prijzen 
en bewonderen. 

De hieronderstaande brieven, welke men met genoegen zal lezen, 
bewijzen, dat onze goede Congoleesche Zusters zich met hart en ziel 
op hare zending toeleggen. Men zal er ook eene menigte kleine bij- 
zonderheden uit het dagelijksch leven der inboorlingen aan- 
trefifen, welke men te vergeefs zelfs in de brieven der PP. missionaris- 
sen zou pogen te vinden, De vrouw, zij het soms maar door aan- 
neming, is een geborene huismoeder, en in deze hoedanigheid weet 
zij in het innerlijke der dingen door te dringen, die voor den man ver- 
borgen blijven ('). 

I. De hier aangehaalde brieven der liefdezusters zijn getrokken uit het tijdschrift 
Revue des Missions au Congo, uitgegeven door de Congregatie van Scheut. 



208 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

L 

Weeshuis van Nemlao, bij Banana. 

Brief van Zuster A nialia aan hare medezusters van Gent. 

Nemlao, 22^" November 1892. 

Wederzijdsche genegenheid tusschen de Zusters 

en hare leerlingen. — Hoe gelukkig zijn zlj niet de negerin- 
netjes van ons weeshuis, weleer onttrokken aan de onteerendste slaver- 
nij (eene zelfs was op het punt vandoorhaar vader gedood en opgege- 
ten te worden), en thans verzorgd door de blanke mama's als Euro- 
peesche kleintjes ! 

En welke vreugde voor ons het getal onzer kweekelingen dagelijks 
te zien aangroeien ! — Wij ontvangen zoo even het bericht, dat een 
tweede karavaan van weeskinderen op weg is, Welk geluk voor ons, 
ons leven te mogen besteden om van deze ongelukkige schepseltjes 
goede en vurige christenen te maken ! 

Zonder de belooning des hemels in aanmerking te nemen, zouden 
onze arbeid en zorgen door de onbeperkte genegenheid onzer kinde- 
ren^ruim betaald zijn. Niet langgeleden werden er vier aangeduid om 
hare opvoeding in Belgie te gaan volledigen. De uitverkorenen, zich 
als veroordeelden beschouwende, jammerden op hartbrekende manier 
en riepen gestadig : € Neen, neen, goede Zusters niet verlaten ! en dan, 
in Belgie, koud, koud ! wij sterven ! » En zij klampten zich aan mijne 
kleederen vast. Ik slaagde erin deze luidruchtige uitbarsting van 
droefheid door het schenken van eenige glazen parelsnoeren eenigs- 
zins te bedaren, en kon met veel beloften en schoone woorden tot aan 
de boot geraken welke haar moest heenvoeren. Maar daar bestormde 
men mij op nieuw met vragen, en wel met betrekking over eene zaak 
welke voor een negerkind de hoofdzaak is, namelijk het voedsel. 

— Moeder, is er veel manioc en mais in Europa? 

— Ja, mijne kinderen, en nog veel andere goede dingen. 

— Wel, maar negerinnetjes de warme zon beminnen, van koude 
sterven ! 

— Weest niet bevreesd ; ik zal naar Europa schrijven dat men u 
dekens geve en een groot vuur make. Ziehier intusschen warme 
kleederen om u gedurende de reis te dekken. — Deze woorden ver- 
minderden de bezorgdheid ; men veegde nog eenige traantjes weg en 
besteeg gelaten de boot. 



VIERDE DEEL. DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 209 

Eenige bijzonderheden nu over de bezigheden en kleeding onzer 
kinderen. In weervvil van de schrikkelijke hitte der zon dekken zij 
zich nooit het hoofd, wel integendeel hebben zij zorg zich onderling, 
door middel van glasscherven het haar af te scheren, hier en daar enkel 
eenige vlechtjes latende, welke zij naar de regels der Afrikaansche 
behaagzucht weten te schikken. Bedden kent men niet ; ieder meisje 
wikkelt zich, bij het invallen van den nacht, in eene deken gelijk een 
zijdeworm in zijn tonnetje, strekt zich op den grond uit en is weldra 
naar het land der droomen vertrokken, waar de engeltjes voor hunne 
gasten ketels rijst koken groot als een huis. 

Het geloofsonderwijs neemt een goed deel van den morgen in, en 
verscheidene van onze leerh'ngen hebben reeds genoegzamen vooruit- 
gang daarin gemaakt om,met het aanstaande kerstfeest.tot het doopsel 
toegelaten te worden. De namiddag wordt doorgaans aan het aan- 
leeren van handwerk besteed. De luiheid is de lieveh'ngszonde van het 
zwarte ras, en om den werklust onzer kleine wilden aan te prikkelen, 
was, in den aanvang wel een weinig strengheid noodig ; tegenwoordig 
is een enkel woord voldoende om van haar alles blijmoedig gedaan 
te krijgen. 

Wanneer deze brief u zal toekomen,zult gij volop aan het nieuwjaar 
vieren zijn, en om u tegen de koude te vrijwaren u genoeglijk aan een 
knappend vuurtje zitten warmen. Hier kennen wij geen nieuwjaar, 
vermits de negers den tijd slechts bij de maanloopen rekenen en er 
geen winter bestaat : de plantengroei is hier zooeven bloeiend en 
krachtig in Januari als in Mei. De natuur is nooit in rouw gehuld. 
Ik voeg daarbij, dat de gemoedsstemming der inwonersvan het wees- 
huis te Nemlao bij het lachend tafereel van een immer met groen en 
bloemen bekleed landschap nimmer afsteekt : nergens, zelfs in onze 
kloosters in Belgie, heb ik zulk eenen vrede, zulk een onverstoorbaar 
geluk zien heerschen. God is goed voor zijne kinderen, 

Verscheidene VOOrvallen. — Ten andere, nu en dan komt 
een klein voorval de eentonigheid van het gewone leven, zij het dan 
00k nog zoo gelukkig, afbreken. Zoo gebeurde het voor eenige dagen, 
dat eene bende apen in onzen hof gedrongen was om, zelfs in bijzin 
van onzen dienstbode, zich aan de schoonste vruchten te vergasten. 
Verontwaardigd over zooveel stoutheid loopt hij naar binnen om een 
geweer te halen. Maar nauwelijks kwam hij met zijn wapen af of een 
schildwacht, in dekruin van een hoogen boom geplaatst,gaf het nood- 
sein : kek. kek, kek ! In een, twee, drie stoof de bende uiteen en vjQg, en 
scheen door hare luchtige sprongen den armen hovenier te willen uit- 

Soldaten en Missionarissen in Congo 14 



2IO SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

lachen ! Zooveel onbeschaamdheid kon niet ongestraft blijven. De 
man legde zich in hinderlaag en gelukte erin eenen der stroopers 
met een welgemikt schot naar beneden te doen tuimelen : zijn vleesch 
als hazepeper bereid scheen ons alien smakelijker toe dan dat van 
den besten haas. 

Zekeren nacht, dat ik, met eene lantaren in de hand.mijne gewone 
ronde deed, bevond ik mij eensklaps tegenover een dier, dat zeer veel 
op eenen hond geleek en welks groote flikkerende oogen mij eerst 
vrees aanjoegen. Ik behoefde nochtans niet bang te zijn, het was 
slechts eene antilope. 

De Voorzienigheid beschermt ons zienlijk, want tot heden werd 
nog niemand in de zending door een wild dier of door een der noch- 
tans talrijke slangen gebeten of gedood. Tegenwoordig zijn wij 
in het regenseizoen, en geen dag gaat voorbij zonder onweder. Onze 
kinderen zijn er zoodanig aan gewoon dat zij nooit beter slapen dan 
wanneer de donder met zijn vervaarlijk gerommel de lucht boven 
hunne hoofden vervult. Wanneer de regen in stroomen nederplast, 
vragen zij de toelating om buiten te gaan en hebben geen grooter 
vermaak dan dit goedkoope stortbad op het lijf te krijgen. 

Des zondags is onze kapel proppensvol. Door nieuwsgierigheid 
aangedreven, komen talrijke inboorlingen uit de omstreken, onder 
wie de koning en zijn zoon, het H. Sacrificie der mis bijwonen. Deze 
lieden zijn.. overigens, zeer verheugd over ons verblijf in hun midden 
om de zorgen, welke zij van ons in hunne ziekten ontvangen, De art- 
senijkundige wetenschappen van Zuster Albania komen ons daarbij 
wel te pas, en wij tellen onder onze klienten al de personen van het 
hof. 

Dank zij deze betrekkingen hopen wij, wel eens er toe te geraken 
andere dingen dan pleisters en braakmiddelen uit te deelen. Het 
lichaam genezen, ik weet het, is een werk van barmhartigheid ; maar 
zielen redden, ziedaar wat de engelen zal verheugen, den duivel van 
woede doen schuimbekken, en aan de Zusterkens van Nemlao een 
goeden reispas voor den hemel verwerven. 

Zuster Amalia, 
Overste van het klooster van Nemlao. 



VIERDE DEEL. DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 211 

II. 

Hoe de Zusterkens van het weeshuis van Nemlao 
hare dagen doorbrengen. 

Brief van Zuster Maria Godelieve aan de algemeene Overste der 
Zusters van liefde. 

Nemlao, Q^n Juni 1893. 
Beminde en Eerwaarde Overste. 

Misschien beklaagt gij u, dat onze nieuwstijdJngen zoo zeldzaam 
zijn ; de reden daarvan is, dat de arbeid te Nemlao niet ontbreekt I 
Om er u van te overtuigen, wil ik u het gewone gebruik van onzen 
tijd omstandig mededeelen. 

Eene zuster en ik nemen onze rust in het vertrek, dat aan onze 
kinderen tot schoolkamer en slaapzaal dient. Aan den eenen kant 
staan onze bedden en vier schoolbanken ; aan den anderen kant zijn 
de matten uitgespreid, waarop onze veertig negerinnetjes 's nachts 
liggen te ronken. 

Wij verlaten het bed om 5 ure, en besteden een uur aan het gebed 
en de overweging ; dan vvekken wij onze slaapsters, die ter plaats 
knielen om gezamenlijk het morgengebed te verrichten. Dit gedaan 
zijnde neemt elk zijn katoenen deken op en draagt haar buiten 
om te luchten ; men rolt de slaapmatten zorgvuldig op, men hangt 
een ander stukstof om de lenden en stilzvvijgend gaat men processie- 
wijs naar de kapel. 

Het H. Misoffer begint om 6^. De kinderen knielen op den plan- 
ken vloer neer en bewaren al den tijd zulke stichtende houding dat 
het een pleizier is zulks te zien ; aan de consecratie buigen zij het 
hoofd tot op den grond om met meer vurigheid voor hare weldoeners 
te bidden. 

Dan neemt men het ontbijt in de eetzaal, waar elk zich op de 
breede lat nederzet, welke tot bank dient. Men zegt het gebed op, 
neemt hetdeksel vanden grooten met gekookte rijst gevulden ketel.en 
de aandeelen worden door middel van de vork van oudvader Adam 
uitgedeeld en ontvangen ; en nu gaan de tanden en de kaaksbeenen, 
en het gebabbel ook, hun gang. 

Ik neem de gelegenheid waar om zelf eenige mondvollen rijst, een 
weinig brood, wat chikwangue en koffie te gaan nemen. Daarna leid ik 



212 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

mijne schoolkinderen naar de bron om het noodige water voor de 
keuken te putten, en vervolgens naar het bosch om brandhout aan te 
schafifen. Eer wij echter daarheen vertrekken, nemen wij de voorzorg 
ons van eenige dikke knuppels te voorzien en ons aan de HH.engelen 
aan te bevelen. 

Want de slangen zijn talrijk in het kreupelhout; gelukkig breekt 
men ze als glas door eenen stokslag, en tot hiertoe hebben wij nog 
geene ongevallen te betreuren gehad. Van de andere dieren hebben 
wij niets te vreezen ; de wilde katten en jakhalzen zijn wel niet zeld- 
zaam, maar zij komen slechts's nachts uit hunne schuilhoeken, en dan 
hebben wij wat anders te doen dan hunne wandelingen te storen. 

Bij de terugkomst uit het bosch, algemeene wassching in een groot 
zinken bekken bij de bron. Om lo^ ure begint de morgenschool : 
men leert er lezen, schrijven en rekenen in de drie gebruikelijke talen 
onzer kleinen : het fiota, het bangala en het bayanzi. Deze verschei- 
denheid van gewestspraken baart ons wel soms groote moeilijkheden, 
maar dewijl wij missionarissen zijn, mogen wij op de verlichting van 
den H. Geest rekenen, en gebeurt het al eens dat wij, bij het overzetten 
van de eene taal in de andere, een woord verkeerd uitspreken, dan zijn 
onze kleine wipneusjes onmiddellijk daar om ons al lachende onzen 
misslag te doen opmerken. 

De les in de christelijke leering wordt 's namiddags gegeven. 

't Is voornamelijk in dit vak, dat onze kinderen ons stof tot vol- 
komene tevredenheid geven. Toen zij laatst vernamen dat lazva^ hare 
gewezene medeleerlinge in Europa het doopsel ontvangen had, was 
het eene uitbarsting van verwondering en heilige afgunst. — Welhoe, 
zegde men, lazva, die ons meer dan een kieken ontstolen heeft, is nu 
gedoopt ! Is zij dus deugdzamer en wijzer dan wij? Gij hadt ons noch- 
tans gezegd, Zuster, dat zoohaast wij onze gebeden en catechismus 
konden opzeggen, wij het doopsel ontvangen zouden. Welnu! reeds 
kennen wij het Onze Vader, het Wees gegroet, het Ik geloof in God 
den Vader en nog veel andere lange, lange gebeden, daarbij nog 
zeven groote lessen van het catechismusboek, en wij worden niet 
gedoopt, en laiua die is wel gedoopt! Waarom dan, Zuster? 

Maar komen wij tot onze dagtaak terug. Men middagmaalt rond 
iiy2 ure, en onze kinderen slaan de erwten en den gezouten visch 
derwijze binnen, dat men gemakkelijk kan zien dat zij tot het ras 
behooren voor hetwelk de maag vullen de bijzonderste en gewichtigste 
bezigheid van het leven uitmaakt. Men wascht daarna de tafelborden 
en de lepels, welke de heer Gouverneur ons laatst ten geschenke gaf 



VIERDE DEEL. DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 213 

en men gaat spelen en babbelen tot twee uur onder een reusachtigen 
baobab, wiens stam veertig meters omvang heeft. 

Verledene week pakte ik, gedurende den speeltijd, eene kist speel- 
goed uit, welke men uit Europa voor mijne negerinnetjes opgezonden 
had: er waren twee houten paarden, een ezel, idem, drie poppen, drie 
kartonnen hanen, enz. Een inwonervan Australie, die de tentoonstel- 
ling van Chicago bezoekt, kon niet meer verstomd staan dan onze 
meisjes. Eerst was het eene stilzwijgende verbazing, daarop volgden 
een geroep, en gelach, en geween, en gedans, waaraan geen einde 
kwam, en toen 's anderendaags de prins de Croy ons een bezoek bracht, 
kwam ieder kind, overtuigd dat de Europeaan nooit iets dergelijks te 
zien kreeg, met zijn speelgoed naar hem geloopen om het hem te 
laten bewonderen. 

Het ging er nog erger op toe, toen ik laatsten maandag van Moeder 
Elisa eene verzameling prenten met voorstellingen uit het Oud en 
Nieuw Testament ontving. Men hing aanstonds de prenten aan de 
muren van het schoolvertrek op en men gaf lucht aan de algemeene 
verbazing en ontroering door de koddigste gebaren en eene reeks 
vragen de eene al lachwekkender dan de andere. — Kwamen zij uit 
den hemel die schoone inoekandas? 

Het zij in het vooorbijgaan, gezegd, dat de lieve kleinen ons over 
den godsdienst dikwijls vragen stellen, welke ons in verlegenheid 
brengen. 

— Is God wit of zwart ? 

— Zijn er in den hemel evenals in Congo slangen en zandvlooien 
ofwel is het als in Europa waar die leelijke beesten niet bestaan ? 

— Zijn de zwarten en de blanken in denzelfden hemel ? 

— Wie geeft aan de zielen in het voorgeborgte der hel te eten, 
dewijl men daar noch God, noch Maria, noch de heiligen noch de 
engelen aantreft ? 

En deze vraagstukken worden eerst in het lang en het breed gedu- 
rende den speeltijd besproken, eer men de oplossing ervan komt 
vragen. 

Na een tweeden schooltijd van 2 tot 4 uren trekt men naar het 
veld tot omtrent 6 ure om zich met landbouw onledig te houden. 
Inlandsche liederen of christene lofzangen helpen onze wiedsters om 
op maatslag zich van de kleine hak te bedienen, waarmede zij den 
grond omwerken. Van 6 tot 6^ ure gaat men met kruiken, die op het 
hoofd gedragen worden, naar de bron om het noodige water tot het 
begieten der planten te putten. 



2 14 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Kort daarna valt plotseli'ng de avond in, en daar de nachten in 
Congo tamelijk koud zijn, vereenigt men zich rond het vuur cm 
gezamenlijk het rozenhoedje te bidden. Dat de groote ketel met rijst, 
welke in het midden van den kring kookt, niet eenige verstrooidheden 
veroorzaakt, zou ik niet durven verzekeren, maar wanneer de rijst eens 
is binnengespeeld, herstelt men de misslagen door een vurig avondge- 
bed, en men begeeft zich ter rust. 

Gij ziet het, beminde Overste, er is niets treurigs in de levenswijs 
der religieuzen van Nemlao : stillekens aan, maar zeker, leggen hare 
kweekelingen haar heidensch hulsel af om de christene beschaving 
aan te nemen. Om dat te bewerken, brengen wij onzen goeden wil 
aan en hopen op God voor het overige. 

Zuster Maria-Godelieve. 



M: VIERDE HOOFDSTUK. ># 




De Paters Jezu'ieten en de Zusters van Onze 
Lieve Yrouw, in Kwango. 

L 
E MISSIEN VAN KWANGO. — Op de uit- 

drukkelijke aanvraag van den Vrijstaat, en op de stellige 
uitnoodiging van Z. H. den Pans Leo XIII, hebben de 
Paters JezuTeten der Belgische provincie aanvaard aan 
het bekeeringswerk der volksstammen van Congo deel te nemen. 

« Gaat, kinderen, heeft Leo XIII gezegd, zich tot de Belgische 
Jezuieten richtende, gaat, en doet Onzen Heer Jezus-Christus door 
de volkeren van Congo kennen en beminnen; gaat en hernieuwt aan 
de oevers der Kwango wat gij met Gods gratie op de boorden van 
den Gangus verricht. » 

Een besluit van de Romeinsche Congregatie der Propaganda, gedag- 
teekend van 8^" April 1892, bepaalt de grenzen der zending van 
Kwango. Deze missie, bestaande uit een gedeelte van het apostolisch 
Vikariaat van Congo, dat aanvankelijk aan de Paters van Scheut 
toevertrouwd was, draagt den naam van de groote rivier Kwango, welke 
de grens uitmaakt tusschen den Vrijstaat en het Portugeesch grond- 
gebied; ten Oosten strekt zij zich uit tot aan de Kassai, en reikt ten 



VIERDE DEEL. — DE KATIIOLIEKE ZENDINGEN. 215 



Noorden aan het rechtsgebied van Stanley-Poel. Hare uitgestrektheid 
is vijf maal grooter dan die van Belgie. 

Den 6en Maart 1892, gingen zeven zonen van den H. Ignatius, te 
Antwerpen, voor Congo scheep: het waren de Eerw. PP. Vati Hencxt- 
hoven, Overste, Dwnont, Liagre en Demeulemeester, met de leekebroe- 
ders Lombary, Gillet en de Sadeleer. 

Volgens gewoonte werd de plechtigheid van het afscheid, den dag 
voor het vertrek, met veel luister in de kapel van het O. L. V. College 
gevierd, en eene menigte van minstens 10,000 personen geleidde de 
missionarissen tot aan de inschepingsplaats. 

Eene maand daarna, kwamen de zendelingen in goede gezondheid 
te Matadi aan, en na eenige dagen aan het bezoeken van de gestichten 
der PP. van den H. Geest besteed te hebben, sloegen zij den v^eg in 
naar hunne zending. 

De Onafhankelijke Staat had hun eene woning te Kibangu, aan 
den rechter-oever der Djili, eene bijrivier van den Pool, opgericht ; 
maar de plaats bleek zeer ongezond te zijn, en de E. P. Van Hencxt- 
hoven verkoos, na eene verkenningsreis in het Zuiden der zending 
tot verblijfplaats eene heerlijke bergvlakte, gelegen te midden van een 
uitgestrekt dorp, Kimuenza genaamd. Het houten huis van Kibangu 
werd door Broeder de Sadeleer uiteengenomen en naar Kimuenza 
overgebracht en opgebouwd. 1 

Nu begon men, met de medehulp van eenige arbeiders en van 
de 85 kinderen, door den Staat aan de missionarissen toevertrouwd, 
de streek te ontginnen en te beplanten, De Zusters van Onze Lieve 
Vrouvv kwamen zich weldra in de nabijheid van het missiehuis vestigen. 

De E. P. Van Hencxthoven kondigde, den lo'^'^ November 1893, 
zijn vertrek naar het dorp Mukisantu aan, en Het zijn voornemen ken- 
nen,op de plaats waar de ontworpene spoorbaan de Inkisi-rivier door- 
snijdt, eene nieuwe kolonie-school op te richten. Reeds heeft het 
opperhoofd van het dorp hem zijnen zoon toevertrouwd. 

Ongelukkig duurde het niet lang of men had het afsterven van 
eenige Paters te betreuren. Het eerste slachtoffer van het moorddadig 
klimaat was de geleerde aardkundige P. Dumont, zoon van Andreas 
Dumont, den bekenden vervaardiger der aardkundige kaart van 
Belgie. Deze Pater had voornamelijk voor zending den grond in Congo, 
wetenschappelijk te onderzoeken : 00k is zijn dood een dubbel verlies 
voor de wetenschap en voor den godsdienst. 



2l6 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

De Zusters van O. L. Vrouw. — De Congregatie derZus- 
ters van O. L. Vrouw, wier moederhuis te Namen gevestigd is, heeft, 
denken wij, met de orde der Jezuieten eenige verwantschap, en hare 
regels, onder opzicht van zendelingschap, zijn met denzelfden geest 
bezield. Ook was het natuurlijk, deze twee Instellingen hand in hand 
in de Congoleesche missien te zien optreden, waar de Zusters van 
O. L. Vrouw, door het houden van scholen voor negermeisjes dezelfde 
diensten zouden bewijzen als de liefdezusters van Gent in de zen- 
dingen afhankelijk van het seminarie van Scheut. 

Den 3^1^ Juni 1894, greep in de kapel van het moederhuis de plech- 
tigheid van het afscheid der zeven eerste « Congoleesche Zusters » 
plaats. Waren tegenwoordig Mgr Decrolliere, gelukkig en trotsch om 
de eer welke er voor zijn bisdom uit voortsproot, en tal van hoogambte- 
naars, onder welke wij den heer Van Eetvelde, minister van den 
Congostaat, en den Heer Gouvemeur vermelden. 

De E. P. Verest hield eene bezielde toespraak, waarin hij de vader- 
landslievende en godsdienstige zijde van het werk van Congo deed 
uitschijnen. Daarna hief men, naar gewoonte, het afscheidslied aan, 
drie verrukkelijke coupletten opgesteld door drie der Zusters missio- 
narissen, die geheel hare apostel-ziel erin hebben overgebracht. Het 
lied werd meesterlijk door eene met heerlijke stem begaafde religieuze 
voorgezongen, en de vier laatste verzen door de Zusters van het koor 
met kunst en gevoel herhaald. De ontroering was algemeen, en menig 
omstander welden de tranen in de oogen. 

Het oogenblik om den bisschoppelijken zegen te ontvangen is voor 
de Zusters-missionarissen gekomen : de zeven religieuzen verlaten 
hare plaats en komen nederknielen in het koor. Z. H. Mgr de bisschop, 
den mijter op het hoofd en den herderstaf in de hand, keert zich tot 
de vergadering, drukt in roerende bewoordingen, die uit een waarlijk 
bisschoppelijk en vaderlijk hart voortkomen, den eerbied uit, die de 
verhevenheid der zending eischt waartoe deze moedige vrouwen ge- 
roepen zijn. 

Den 6^^ Juni 1894, trad het gezelschap der zeven Zusters van 
O. L. Vrouw te Antwerpen aan boord der Edzvard Bohlen, waar wij 
het geluk hadden haar te groeten en een voorspoedige reis te 
wenschen. 

Ziehier de namen der Zusters: Zuster Ignatia, Overste; Zusters 
Alberta, Alphonsia, Theophania, Maria, Teresa, en Rosa-Jozef. 

Tezelfder tijd vertrokken de E. P. De Hert, en een ander Pater 
Jezuiet, twee Paters van Scheut en zes congoleesche Zusters van 




Gezicht der grot te Kikanda. 




Liefdezusters van Gent op weg naar de bron om water te putten en naar het woud om brand- 

hout te halen. 



VIERDE DEEL. — DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 219 

Gent. Belgie zond dus den zelfden dag zeventien missionarissen naar 
zijne Afrikaansche kolonie. 

De reis. — De bijzonderheden der reis werden breedvoerig en 
luimig door verscheidene Zusters verhaald en verschenen in het Gods- 
dienstig Weekblad van Namen. De plaats ontbreekt ens cm ze hier 
mede te deelen. 

Na een voorspoedigen overtocht van 22 dagen, van Antvverpen 
tot Banana, vaarde de Edward Bohleti, den 29^'^ Juni, den Congo- 
stroom binnen. 's Anderendaags strandde de boot, ten gevolge van 
den lagen waterstand.op eene zandbank, maar het ongeval had geene 
erge gevolgen, en welhaast kwam men te Boma en vervolgens te 
Matadi aan, waar de zendelingen door den Eerw. Heer D'Hooghe, 
pastoor van Matadi, gulhartig ontvangen werden. Reeds op 23^" Juh', 
vergezeld van 60 lastdragers en geleiders, vertrokken de missionarissen 
in verschillende karavanen uit dezelaatstestad, en bereikten eindelijk, 
den 11^^ Augustus, langs den weg van Luvituku, de kolonie van 
Kimuenza, sedert twee en een half jaar reeds door de PP. Jezuieten 
bewoond. 

« Ziehier eenige bijzonderheden ontleend aan eenen brief van P. de 
Hert, die de karavaan der religieuzen eenige dagreizen vooruit was. 

« Wat mij betreft, ik had op donderdag 2^'^ Augustus, met het 
krieken van den dag Luvituku verlaten en kon dagelijks, dank zij 
mijne sterke gezondheid, mijne vijf mijlen zonder veel ongemak te 
voet afleggen. Den 10^1^ Augustus, bereikte ik Kimuenza, waar de 
goede Pater Liagre en de andere medebroeders mij met de levendigste 
betooningen van blijdschap en tevredenheid ontvingen, toen zij ver- 
namen, dat ik door de Zusters van O. L. Vrouw en door den moedigen 
Broeder de Sadeleer werd gevolgd. Wat al dingen hadden wij elkan- 
der niet te vertellen van het vaderland, van de broeders en vrienden, 
die wij er hadden achtergelaten, van den toestand der kolonie en van 
onze ontwerpen voor de toekomst ! 

« Hoe zal ik ons geluk beschrijven toen dezen morgen, omtrent 9 ure, 
een zwarte boodschapper mij een briefje van Broeder de Sadeleer 
aanbracht, die mij zijne aankomst en die der Zusters van O. L. Vrouw 
voor heden nog aankondigde. De voorloopige verblijfplaats der reli- 
gieuzen was in gereedheid, en wij waren verheugd bij de gedachte 
haar het arme klooster te kunnen doen betrekken, waar zij geroepen 
zijn om niet alleen aan de haar toevertrouwde negermeisjes, maar aan 



2 20 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

de gansche vrouwelijke bevolking van Kimuenza en omstreken zoo- 
veel en zoo groote diensten te bewijzen. 

« Een weinig na middag werd de karavaan der Zusters op de baan 
van N'Tarapa in de verte opgemerkt. Pater Liagre had op den berg- 
top van Kimuenza eenen schildwacht geplaatst, en hem gelast door 
een geweerschot de aankomst der reizigsters aan te kondigen. Het 
afgesproken teeken was nauwelijks gegeven of Pater Liagre en ik be- 
gaven ons op weg om de karavaan der Zusters te gemoet te gaan ; 
onnoodig te zeggen, dat wij gevolgd werden door de kinderen onzer 
kolonie en door al de inwoners van het dorp die zeer benieuwd waren 
voor de eerste maal in hun leven blanke vrouwen te zien. Wij leiden 
de Zusters als in triomf naar de kapel, waar zij zich voor het H. Sakra- 
ment nederwerpen en God bedanken voor de voorspoedige reis. 
Daarna doorloopen wij de verschillende vertrekken der woning en 
brengen de vermoeide reizigsters naar het missiehuis, waar een klein 
feestmaal was toebereid om hare krachten te herstellen. 

i Omtrent twee ure komt het opperhoofd van Kimuenza en zijn gezin 
een eerste bezoek brengen aan de heldhaftige dienaressen van God en 
van de arme zwarten. Na deze officieele samenkomst, geleiden wij 
eindelijk de religieuzen naar hare woning terug en bevelen ze vurig 
der vaderh'jke Voorzienigheid van den Almachtige aan. 

« De Zusters waren ons toegekomen, zooals ik ze gedurende geheel 
de reis gezien had, moedig en opgeruimd. Niet eene van haar was door 
de koorts aangetast geweest of had van eenige andere ongesteldheid 
te lijden gehad. De Heer heeft ze op dezen langen en afmattenden 
tocht zichtbaar beschermd, en zonder twijfel zal Hij voortgaan met ze 
te zegenen en te ondersteunen in de lastige zending, welke zij tot 
zijne grootere verheerlijking en tot het zielenheil der Congoleezen 
ondernomen hebben. 

« Na God bedankt te hebben voor de menigvuldige weldaden, 
waarmede hij ons gedurende deze laatste weken overladen heeft, 
moeten wij onze weldoeners van Belgie dankzeggen voor de gebeden 
en edelmoedige aalmoezen, waarmede zij ons ter hulp kwamen. 

Fr. De Hert, S. J. 



•I. 
"•I*" 



VIERDE DEEL. DE KATIIOLIEKE ZENDINGEN. 22 1 

11. 

De kolonie van Sinte-Maria van Kimuenza. 

Brief van den E. P. Van Hencxthoven, S. J. 

296" September 1893. 
Eerwaarde Pater Provinciaal, 

Gode zij dank, ik heb u niets dan goede tijdingen van onze missio- 
narissen van Kwango mede te deelen; zij genieten alle eene uitmun- 
tende gezondheid,en betrachten met vurigen ijver hunne apostolische 
werken. Onze voornaamste bczigheden bestaan voor het oogenblik en 
eerst en vooral, in het aanleeren der Congoleesche talen, vvier kennis 
ons volstrekt noodzakelijk is om met vrucht het onderwijs te geven 
en de bekeering der inboorlingen te ondernemen ; daarna, ten einde 
ons tegen hongersnood te vrijvvaren, in het ontginnen en beplanten 
der omliggende landen. 

De goede Breeder de Sadeleer, aan wien ik het beheer der land- 
bouwzaken toevertrouwd heb, houdt het toezicht over onze jonge 
leerlingen en vrijgekochte zwarten, die hem moeten helpen om onzen 
toekomenden oogst in het regenseizoen te doen gelukken. Hij heeft 
met het zaaien en het planten eenen aanvang gemaakt, en denkt, dat 
wij binnen drie of vier maanden (December-Januari) reeds wat berg- 
rijst en mai's zullen kunnen opdoen; een weinig later hopen wij onzen 
voorraad aardnoten-olie in te zamelen; eindelijk, na zes maanden, 
oogsten wij onze eerste zoete pataten in. Ik verheug er mij bij voorbaat 
over, niet zoozeer voor ons zelven als voor cnze zwarte kinderen. 
Deze arme kleinen zijn tegenwoordig gedwongen zich uitsluitend te 
voeden met manioc-brood. Wij trachten nu en dan eenebanaan, eene 
handvol mais of een stukje visch er bij te voegen, maar het is toch 
zoo weinig. Velen nochtans dienen een versterkenden voedingsregel 
te volgen want meestendeels komen zij tot ons in een zeer gevorder- 
den staat van bloedarmoede of lijdend aan den bestendigen rooden 
loop. Ook heerscht er eene groote sterfte onder hen. Gedurende deze 
Septembermaand hebben wij reeds vier van onze negertjes verloren; 
drie hunner konden gelukkigerwijze gedoopt worden. Laat ons hopen, 
dat deze eerstelingen van onze kolonie de belangen hunner ongeluk- 
kige stamgenooten in den hemel bij onzen Heer Jesus-Christus 
krachtdadig zullen voorstaan. 



222 SOLDATEN EN MISSION ARISSEN IN CONGO. 

Onze voorraad van Europeesche ingelegde eetwaren is sedert lang 
uitgeput; vleesch en visch zijn voor het oogenblik, zeer zeldzaam in 
onze omstreken en worden aan betrekkelijk hooge prijzen verkocht. 
Zonder de dienstvaardigheid van kapitein Richard, overste van het 
onderrichtingskamp van Kinchassa, zouden wij geheel en al van 
Europeesche gewassen beroofd zijn, maar deze uitmuntende landbouvv- 
kundige heeft de goedheid ons wekelijks twee tot drie karrevrachten 
vruchten en groenten uit zijne hovingen te zenden, waarvoor wij hem 
de grootste dankbaarheid verschuldigd zijn. In weerwil nochtans van 
dezen toevoer verkeeren wij in een bekrompen toestand, die metter- 
tijd veranderen zal. 

Wij hebben eene weide aangelegd voor het aankweeken van hoorn- 
vee, welke later, aan ons en onze kinderen vleesch in overvloed zal 
verschafifen : eene uitgestrekte vallei, welke zich op een twintigtal 
minuten van ons huis bevindt en waar talrijke kudden kunnen grazen, 
kwam ons daarbij wel van pas. Deze week zijn wij begonnen aldaar een 
hoenderhok, stallingen en een wachthuisje te bouwen voor den toe- 
ziener dien de heer Commissaris ons beloofd heeft te zenden, en die 
in het veefokken zeer bedreven schijnt te zijn. Dit alles zal ons ta- 
melijk zware geldelijke opofferingen kosten, maar zij schijnen mij 
volstrekt noodzakelijk toe voor de toekomst, voor het onderhoud en 
voor het onderricht onzer kweekelingen. Ten andere, deze uitgaven, 
met overleg en vooruitzicht gedaan, zullen eens, met Gods zegen, een 
winstgevend kapitaal vormen, dat de kolonie van Kimuenza in staat 
zal stellen niet alleen in haar eigen onderhoud te voorzien, maar zelfs 
de toekomstige missiehuizen ter hulp te komen. Het zal het werk van 
eenige jaren zijn, want wij moeten langzaam en zeker te werk gaan : 
chiva piano va sano {}). 

Bij deze gelegenheid bid ik u de missionarlssen, die in den loop 
van het aanstaande jaar zullen vertrekken, te verzoeken eenige huis- 
dieren uit Europa, van de Canarische eilanden of van elders te vvillen 
medebrengen ; die zouden ons hier hoogst nuttig zijn. Een koppel 
ezels, bij voorbeeld, zou ons grootediensten bewijzen in het bebouwen 
van onze akkers en in het dragen en vervoeren van onze voortbreng- 
selen ; idem een koppel kortharige wachthonden zouden voortreffelijk 
op onze boerderij de rol van , Cerberus vervullen ; duiven, konijnen 
eenden, kalkoenen en ander pluimgedierte zouden insgelijks onze 
hoeve kunnen komen bevolken. In alle geval, men kan het eens be- 

j. Die langzaam gaat, gaat zeker. 



VIERDE DEEL. DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 223 

proeven,en indien de uitslag aan de verwachtingen beantwoordt, zai 
het ons tot groot voordeel strekken en de voedingder inboorlingen er 
veel bij winnen, want gelijk gij weet, Eerw. Pater, is die voeding, in den 
tegenwoordigen staat van onbeschaafdheid.waarin Congo zich bevindt, 
zeer ellendig en gebrekkig. Later zal men ons zeer dankbaar zijn, 
indien wij erin slagen eenige diersoorten uit andere landen in te 
voeren en alhier inheemsch te maken. Indien er in Midden-Afrika meer 
vleesch voorhanden was, zouden de inboorlingen minder geneigd zijn 
zich met menschenvleesch te voeden, en met Gods hulp zou deze af- 
schuwelijke gewoonte langzamerhand uit onze schoone kolonie ver- 
dwijnen. 

V66reen paar dagen hadden wij de eer eenen onzer landgenooten 
aan onze tafel te hebben ; ongelukkig moest hij met onzen alledaag- 
schen kost tevreden zijn; het was de heer Charmanne, algemeen 
bestuurder van den ijzeren weg van Matadi en Leopoldville, die de 
omstreken van Kimuenza doorreisde om voor goed de Hjn aftebake- 
nen,voor welke men tot hiertoe slechts de voorloopige werkzaamheden 
had uit gevoerd. Deze oude vriend van onzen diepbetreurden Pater 
Dumont had de goedheid eenigen tijd in ons gezelschap door te 
brengen, en het deed ons leed hem niet beter te kunnen oritvangen. 

Deze uitmuntende en moedige ingenieur heeft ons verzekerd, dat 
men tegenwoordig de voltooiing der lijn zeer bespoedigt. Wanneer 
deze eens voleindigd zijn zal, hopen wij regelmatig iedere week onze 
brieven uit Belgie te ontvangen, en wij, van onzen kant, zullen in staat 
zijn u meer van onze tijdingen op te zenden. 

In die hoop, Eerwaarde Pater, biedt de gemeente van Ste-Maria 
van Kimuenza u hare hartelijke en eerbiedige groetenissen aan en be- 
veelt zich in uwe gebeden. 

Em. Van Hencxthoven, S. J. 



— fCM— 



224 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

IIL 

Wij ontleenen nog aan het Bulletin mensuel des missions beiges de la 
congregation de Jesus, eenen brief van Pater Ed. Liagre, die zeer be- 
langrijke bijzonderheden bevat. 

Ste Maria van Kimuenza, bij Leopoldville, 

4*='^ October 1893. 
Eerwaarde Pater Provinciaal, 

De gebouwen. — Onzekolonie voor jonge negers gaat stille- 
kens haren gang ; wij gewennen ons van dag tot dag meer en meer 
aan onze bedieningen, welke in Afrika om dulzend en meer rede- 
nen, zeer van die in Europa verschillen. Maar gelijk de H. Paulus 
« omnibus omnia factus » moet men zich alles voor alien maken. 

Onze gebouwen, of beter, onze herbouwingen — want zooals ik 
u geschreven heb, richten wij hier te Kimuenza ons te Kibangu uiteen- 
genomen houten huis weder op — gaan zoo spoedig niet vooruit als 
wij het wel wenschen zouden. De schuld daaraan ligt aan de inboor- 
lingen van Mpala en Mayala. De negers dezer twee naburige dorpen 
hadden, evenals die van Kimuenza, zich verbonden tot het leveren, in 
een tijdsverloop van twaalf dagen, van 600 bundels dekriet of stroo 
aan 5 mitakos den bundel, op boete van 5 mitakos voor ieder niet op 
tijd geleverden bundel. Niettegenstaande deze onaangenaamheden is 
een gedeelte van ons missiehuis onder dak, en ik bewoon er eene ka- 
mer waar ik droog ben; de kapel is insgelijks onder dak. Alhoewel wij 
de bouwstoffen die van Kibangu overgebracht zijn benuttigd hebben, 
zijn nochtans eenige veranderingen gedaan aan de schikking van 
ons gebouw. In plaats van den hoefijzervorm te behouden, hebben wij 
nu een rechthoek van 20 meters lengte op 8 meters breedte. Eene 
verandah, met uitsprong van 1,50 meter omgeeft de vier zijden van 
het gebouw, derwijze dat de zonnestralen onze kamers niet kunnen 
bereiken. 

Het hnis is gebouwd op houten palen, maar wijl de grond van het 
Noord-Westen naar het Zuid-Oosten in glooiing afloopt, en de pijiers 
welke het gebouw aan den kant van de eetzaal ondersteunen zich 1,40 
boven den grond verheffen, was men genoodzaakt, wilde men de pi- 
laren die de kapel ondersteunen, niet geheel en al bedelven, aan deze 
zijde de aarde weg te ruimen ; zoodoende hebben wij een houten 




r^ ... 



Soldaten en Missionarissen in Congo. 



VIERDE DEEL. DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 22 7 

bevloering kunnen leggen en hebben wij niet meer, zooals te Kibangu, 
Zand voor grondvloer. 

De afschutsels der kamers binnenshuis bestaan niet meer gelijk 
weleer uit planken, — deze zijn gebruikt moeten worden voor de be- 
vloering, — maar enkel uit matten aan staanders vastgenageld ; en 
waarHjk,zulks is nog zoo slecht niet ; in afwachting dat wij ons planken 
aanschafifen kunnen om ze te vervangen, hebben wij daarover niet te 
klagen. Deze matten-beschotten gaan niet hooger dan tot aan het 
begin van het dak, zoodanig dat al de vertrekken van boven in ver- 
binding zijn, en de lucht boven onze hoofden vrij rondstroomt. Onze 
kamers hebben geene zoldering en van den vloer kunnen wij het tim- 
merwerk van het dak bewonderen zonder gedwongen te zijn naar den 
zolder te klimmen, die overigens niet meer bestaat als de eerste ver- 
dieping en de daaropvolgende. 

Elk der zes kamers heeft eene opening, een vierkanten meter 
groot, vvaardoor men het licht ontvangt en welke men sluit door mid- 
del van twee kleine blinden. Misschien zal ons toekomstig missiehuis 
wel van vensters voorzien zijn, want zooals het nu is heeft het stof 
vrijen ingang in onze vertrekken ; zoo nauw zien wij evenwel niet. 

De kapel heeft drie vensters, de eetzaal drie vensters en twee deuren. 

Wanneer het huis zal voltrokken zijn, zal P. de Meulemeester er 
eene lichtteekening van nemen, en ik zal zorg dragen u eene proef op 
te sturen. 

Van de eetzaal uit, of Hever van de verandah uit, welke er voor staat, 
zal men een heerlijk uitzicht hebben op de vallei der Lukaya, eene 
kleine bijrivier der Djili. 

Die vallei was dezen morgen in een dikken mist gehuld en had het 
voorkomen van een onmetelijk meer boven welks waterspiegel zich 
hier en daar eenige eilandjes vertoonden. Deze eilandjes waren de 
kroonen van de boomen, welke zich op de toppen der omliggende 
heuvelen verheffen. Het was een prachtig schouwspel. 

De bewoners. — Onze kolonie van Ste-Maria van Kimuenza 
telt tegenwoordig ii8 inwoners, te weten : iSblanken, 17 vrijgemaakte 
zwarten, 12 bangala's, 2 neger-timmerlieden van de kust, 2inlandsche 
soldaten met hunne vrouwen en de 85 kinderen ons door den Staat 
toevertrouwd. 

Dit laatste getal is echter door het wegloopen van vier pas aange- 
komen kinderen, zondag omtrent den avond, tot op 81 gedaald. 
Dit wegloopen van kinderen en van volwassen personen uit onze ko- 



228 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

lonie is, evenmin als te Kinchassa en Leopoldville, geene zeldzame 
gebeurtenis. Het verlangen naar een wild leven en de ingeboren trek 
naar niets doen zijn de voornaamste drijfveeren dier ontvluchtingen. 
Dikwijis worden de kinderen door de inwoners der omstreken naar 
het missiehuis teruggebracht : somwijlen ook worden zij op sommige 
dorpen gevat om bij de eerste gelegenheid verkocht te worden ; vallen 
zij in de handen van menscheneters, dan worden zij gemest en men 
speelt ze maar binnen ; indien de koopers geen menscheneters zijn, 
worden zij als huisslaven gebezigd ; in dit geval werken zij voor hunne 
meesters en staan hun de helft af van hetgeen zij winnen. Deze sla- 
vernij is tamelijk zacht en zeer verschillend van den ellendigen toe- 
stand der ongelukkigen die door de Araben der kust gevangen geno- 
men worden. 

In onze omstreken zijn er uitermate veel huisslaven, zoodanigzelfs 
dat zekere opperhoofden van vlekken en gehuchten plichten van 
dienstbaarheid jegens andere opperhoofden te vervullen hebben. Kor- 
tom mannen van vrijen stand zijn in de dorpen van ons rechtsgebied 
zeer zeldzaam. 

De lieden van ons dorp, de mannen zoowel als de vrouwen, dragen 
alien hetzelfde haartooisel. Zij scheren zich geheel het hoofd kaal, en 
laten enkel eene vlecht op het bovengedeelte van den schedel, welke 
zij meesterlijk in een bosje opschikken. 

Behalve het stuk stof rond de lenden, dragen de mannen nog een 
wijden mantel, welken ik niet beter kan vergelijken dan met de 
romeinsche toga ; zij hangen zich dit overkleed om de schouders 
gelijk de Ouden, en wel met eene deftigheid, welke de senatoren van 
Rome niet zou misstaan hebben. De personen van aanzien laten zelfs 
het onderdeel tusschen de beenen heen op den grond slepen. Gelijk 
gij ziet zal de Europeesche sleep in Afrika niet moeten ingevoerd 
worden, wanneer dit werelddeel eens tot de beschaving zal gekomen 
zijn. 

Tot nu toe hebben wij geene stortregens gehad, eerst na eene 
maand zullen zij beginnen te vallen. De zon schiet loodrecht hare 
stralen op ons hoofd, zoodat wij 's middags geene schaduw hebben. Ik 
verneem door de dagbladen, dat gij in Belgie een zeer heeten zomer 
hebt gehad: ongetwijfeld viel de hitte u lastiger dan aan ons. Leve de 
witte kleederen; 't is waar, zij zijn spoedig vuil, maar koel en licht. 

Nu zal ik u zeggen hoe het staat met de lessen, die ik in de kunst 
van huishouden moet geven. Huishoudelijke scholen zouden hier wel 
noodig zijn, De vrouwen van Kimuenza wasschen het linnen zeer 



VIERDE DEEL. — DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 2 29 

slecht en gebruiken daarbij ongelooflijk veel zeep, zoodat ik gedwon- 
gen was het wasschen naar de in Belgie gebruikelijke manier aan 
eenige van onze kinderen aan te leeren : den dag voor de wasch het 
linnen in de week zetten, inzeepen, koken en wasschen. Onze kleine 
zwarten beginnen er zich goed aan te verstaan; maar nu zal ik hun 
ook het strijken nnoeten leeren. Dat doet u genoegzaam verstaan, dat 
ik geene gelegenheid heb om Demosthenes, Cicero of Bossuet uit te 
leggen. Ik heb eveneens aan mijne jongens eenige lessen moeten 
geven in het maken van saus, in het stoven en bereiden van eenige 
alledaagsche spijzen : daar evenwel mijne kennissen in de kookkunst 
zeer beperkt zijn, heb ik het onderricht in dit vak aan Broeder Gillet 
toevertrouwd, die voor een meester kok mag doorgaan. 

De kapel. — Verleden Zondag, i^n October, hebben wij voorde 
eerste maal het geluk gehad het Allerhoogwaardigste in onze kapel 
te bewaren ; maar het was maar voor een dag, en dat zal zoo blijven 
zoolang de kapel niet onder dak is. De E. P. Overste heeft te dezer 
gelegenheid onzen kruisweg gewijd, en 's namiddags zongen wij ons 
eerste plechtige lof : ongelukkig hadden wij geen wierookvat, daar de 
kist waarin het zich bevindt, nog niet aangekomen is. Ik heb eene 
humerale vervaardigd uit eenige ellen americani^ eene witte stof, 
welke de zwarten, waarschijnlijk uit voorliefde voor kleurverschil, in 
groote hoeveelheid koopen. 

Nog een woord over onze kapel. Aan den ingang van het koor heb 
ik gordijnen in roode stof met teekeningen gehangen : slingersnoeren, 
uit dezelfde stof vervaardigd, hangen tusschen de gordijnen. De hou- 
ten beschotten zijn verborgen onder eenige roode beddedekens en 
onderaan bekleed met eene streep van de hooger vermelde gordijnstof. 
De stof heeft wel door het water een weinig van hare frischheid ver- 
loren, maar voor Congo is het nog zoo kwaad niet. 

Heden nog moet ik aan Mgr Augouard, te Brazzaville, schrijven,en 
de dag spoedt ten einde. Ik haast mij dus, E. P. Provinciaal, u vaarwel 
te zeggen en u in naam van al de leden der gemeente van Kimuenza 
de uitdrukking onzer gevoelens van eerbied en liefde aan te bieden. 

Ed. Liagre, S. J. 



230 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 




VIJFDE HOOFDSTUK. 



De Belgische Trappislen in Congo. 

|AAR het voorbeeld van zijnen grootvader Lodewijk Filips, 
die, niettegenstaande alle hinderpalen, de abdij van 
Staoueli, in Algiers, stichtte, en indachtig dat het de 
zonen van den H. Bernardus waren, die de schoonste en 
rijkste gewesten van het tegenwoordig beschaafde Europa aan 
de germaansche barbaarschheid onttrokken, vatte Koning Leopold 
het edelmoedig voornemen op deze landbouwende monniken in de 
bosschen en wildernissen van Afrika te vestigen. 

De monniken van Westmalle hebben die zware en glorierijke zen- 
ding aanvaard. De E. P. Jozef, een bekwaam landboinvkundige (door 
Z. E. den Kardinaal Goossens tot de waardigheid van abt verheven), 
een ander Pater en twee Breeders van het klooster van Westmalle 
gingen den 6^" April 1894 te Antwerpen scheep. De Paters zijn niet 
onbewust van hetgeen hen in de brandende streken van het zwarte 
vasteland te wachten staat : alles zal daar voor hen nieuw zijn : de 
grond, de luchtgesteldheid, denatuur, het plantenrijk, de vruchten, de 
verschillende voortbrengselen, de taal en de zeden der inboorlingen. 
Met den zegen des Heeren en de edelmoedige medewerking van 
alien, die het groote werk van Koning Leopold genegen zijn, ver- 
hopen zij nochtans, in het rechtsgebied van den Evenaar, dicht bij 
Coquilhatville, de kolonie van Bamania tot stand te brengen en voor 
de omliggende gewesten een dier uitgangspunten te scheppen van 
beschaving, van zedelijk en stoffelijk welzijn, welker weldoende invloed 
zich verre zal doen gevoelen. De Paters kunnen reeds hun voordeel 
trekken uit de landbouwkundige proeven, met zoogoeden uitslag door 
de staatsbeambten en onze andere landgenooten ondernomen. 

Aldus zullen zij de schoone en talrijke kudden hoornvee, op het 
eiland Mateba gewonnen, kunnen bezichtigen; zij zullen, te Kinchassa, 
in de nabijheid van den Poel,de prachtige koffijplantaadjes en andere 
kweekerijen van europeesche of inlandsche gewassen, door den bevei- 
hebber Richard aangelegd, bewonderen; in het voorbijgaan zullen 
zij niet nalaten een bezoek te brengen aan de landbouwkolonie van 
Kimuenza aan de PP. Jezuieten toevertrouwd. 



VIERDE DEEL. — DE KATHOLIEKE ZENDINGEN. 23 1 

De verwachtingen. — De reeds bevredfgende uitslagen, de 
snelle vooruitgang te midden der Afrikaansche barbaarschheid geven 
ons de gegronde hoop, dat 00k daar de PP. Trappisten alle hinder- 
palen zullen te boven komen, die zij in hun tegelijk maatschappelijk 
en godsdienstig werk zullen ontmoeten. 

Met Gods zegen, welke, wij twijfelen er niet aan, hun rijkelijk zal 
geschonken worden, zullen zich, binnen eenfge jaren rond de nieuwe 
Congoleesche abdij van N' Tampa, die eene modelhoeve geworden is 
en tot een ander S^aouelz o( 3farta/ii/l aangegroeld, talrijke christen 
dorpen van Wamboutous en Batekes komen scharen. Het voorbeeld 
der PP. Trappisten zal misschien eenige Belgische landverhuizers 
aanzetten om zich als kolonisten in hunne nabijheid te vestigen en 
hun voordeel uit de opgedane ondervinding der monniken tetrekken. 
Eens dat de Paters de inboorlingen den akkerbouwaangeleerd zullen 
hebben, is het niet onmogelijk, dat, naar het voorbeeld der oude 
planters der Antillen, eenige moedige en ervarene Belgische geldbe- 
zitters, naar Congo zullen oversteken om aldaar plantaadjes aan 
te leggen, welke weldra in bloei en rijkdom zullen kunnen wedijveren 
met die der PP. Trappisten, wier wijze van bebouwen en belang- 
looze raadgevingen zij zullen hebben gevolgd. 

In alle geval, — en dit is, volgens de opmerking van eenen staats- 
man, een der gewichtigste punten welke men, bij de stichtingen van 
kloostergemeenten onder de wilde en afgodische volken, uit het oog 
niet mag verliezen — zal de tegenwoordigheid van deze heldhaftige 
monniken, die aan alien het voorbeeld der verhevenste en moeilijkste 
deugden geven, de blanken, die geroepen zijn om deze gewesten te 
bestieren en uit te baten, aan het gevaar doen ontsnappen van, gelijk 
weleer de oude bezitters der Afrikaansche kolonieen, de voorschriften 
der zedelijkheid, der rechtvaardigheid en der naastenliefde uit het 
oog te verliezen. « Eene nieuwe maatschappij, zegt de H. de Corcelle, 
vraagt, Indian het mogelijk is, eene strengere zedeleer dan die der 
oude uit wier schoot zij haren oorsprong nam, voornamelijk indien 
zij met lager staande volkeren in aanrakingkomt ; want zeer dikwijls, 
in plaats van deze tot zich te verheffen, daalt zij zelf tot hunnen ver- 
laagden toestand. » 

De verderfelijke gevolgen van deze betrekkingen met gezonken 
rassen hebben ten alien tijde de aandacht van de geschiedschrijvers 
der overzeesche tochten en koloniale stichtingen getroffen. Hoe dik- 
wijls heeft het geloof der kruisvaarders zelf niet schipbreuk geleden ? 



232 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 

Te dikwijls zag men hen de gebruiken der oostersche volken aanne- 
men, ja zelfs soms de gemakkelijke leerstelsels van den Koran 
volgen. En de Portugeezen, in Congo en in de Indieen, hoe vaak 
gaven zij niet aan deinboorlingen de betreurenswaardigste voorbeel- 
den, en verloochenden door hun gedrag het geloof, welkzij uitwendig 
schenen te beh'jden en voor te staan ? 

Om dit ongeluk van onze groote Afrikaansche kolonie af teweren, 
en te voorkomen dat onze Belgen eens aan de wilde Congoleezen 
geh'jk worden, is een der voornaamste middelen zonder twijfel de 
christen zedeleer door blanken en zwarten te doen eerbiedigen, en 
daartoe zal men geraken door het stichten van talrijke en vurige 
kloostergemeenten, door het oprichten van groote akkerbouwende 
abdijen, wier inwoners niet alleenlijk den onvruchtbaren grond zullen 
bebouwen, maar tevens zorg dragen om de kolonisten vruchten van 
zaligheid te doen voortbrengen. Gelijk de H. F. de Corcelle aan den 
H. Villemain, minister van openbaar onderwijs, schreef, « moet men 
aannemen dat de in 't oog vallende voorbeelden van boetvaardig en 
gestreng leven, van onbaatzuchtigheid en naastenh'efde, door de 
landbouwende gemeenten gegeven, eindigen zullen met de gemoede- 
ren der Araben te trefifen en een heilzamen invloed op de Euro- 
peanen zelf uit te oefenen. Ook toen de Fransche afgevaardigde den 
maarschalk Bugeaud dringend verzocht de Trappisten te Staoueli 
te vestigen, zegde hij hem: « Ik bid u, haast u dit druppeltje van 
heiligheid in het Afrikaansche hoi toe te laten ». 

(Precis historiques.) 

En dit dient gezegd van al de koloniale gestichten welke men te- 
genwoordig in het binnenland van Afrika aantreft. 

Indien de Engelsche kolonieen doorgaans in bloeienden toestand 
verkeeren, is het omdat men er den godsdienst in eer houdt. Nergens 
genieten de Katholieke zendelingen meer vrijheid, meer achting en 
welwillendheid, nergens oefenen zij meer invloed uit dan in de Brit- 
sche bezittingen. Dit moeten wij tot de eer der Engelschen getuigen, 
en ons behoort het hun voorbeeld na te volgen. 



— f€M— 



Kort overzicht van den tegenwoordigen toestand 
der Katholieke zendingen. 



Het werk der katholieke zendingen van den onafhankelijken Con- 
gostaat, gesticht te Leuven den 19^" November 1887, met de hooge 
goedkeuring der Belgische en Congoleesche bisschoppen, onder het 
eervoorzitterschap van Mgr den Rector Magnificus der hoogeschool, 
heeft onlangs het eerste nummer van zijn Maandelijksch Bulletijn 
uitgegeven. 

Ziehier met de dagteekening der stichting de h"jst der katholieke 
Belgische zendingen, welke zich aan het bekeeringswerk van Congo 
toewijden. 

1° De Congregatie van Scheiit. Aan haar is het Apostolisch Vica- 
riaat van den Congostaat bij Apostolische breve van den ii^n I\Iei 
1888 toevertrouwd. 

2° De Zendingen der Witte Paters, wier aankomst in Congo van 
1880 dagteekent (Apostolisch Vicariaat van Opper-Congo). 

30 Het werk van Matadi, gesticht door de Gentsche geestelijkheid, en 
welk voor de eerste maal in November-December 1891 eenige pries- 
ters en religieuzen naar Afrika zond (parochien van Boma en Matadi, 
tegenwoordig bestuurd, de eerste door de PP. van Scheut, de tweede 
door de Redemptoristen). 

40 De Z ending der PP. Trappisten, gesticht in 1893, te Bamania, in 
de nabijheid van Coquilhatville, onder den evenaar. 

50 Die der PP. fesuieten, in 1893 tot stand gebracht (Vicariaat van 
westelijk Kwango). 

6° Die der priesters van het Hart van fesus, van Clairefontaine 
(Aarien) opgericht in 1897; missiehuis aan de Stanley-Falls. 

70 De Zending der PreJHonstratcnser-Paters, van Tongerloo, gesticht 
in 1898 (Apostolische-prefektuur van Quelle). 

De Paters missionarissen hebben voor medehelpers de Broeders 
hunner Orden, alsook de Zusters van verschillende Congregatien, 
welke voornamelijk met den ziekendienst der hospitalen en het on- 
derwijs in de kinderscholen van beider geslachten gelast zijn. Aldus 
heeft men : 

8° De Zusters van Liefde, van Gent, zoogezegde Witte Zusters, 
medehelpsters der PP. van Scheut. 



234 SOLDATEN EN MISSIONARISSEN IN CONGO. 



9° De Zusters van O. L. Vrouvv, van Namen, medehelpsters der 
PP. Jezuieten. 

10° De Zusters Franciscanen, van Mechelen, medehelpsters der 
PP. van Scheut. 

11° De Zusters missionarissen, van Berlaer (Lier), medehelpsters 
der Premonstratenser-Paters. 

Eindelijk I2° De Witte Zusters, medehelpsters der Witte Paters. 

In 't geheel zijn er tegenwoordig in Congo meer dan 150 katholieke 
Belgische zendelingen (Paters, Broeders en Zusters), bewonende 25 
missiehuizen, met 2.000 leerlingen en bestierende meer dan 20.000 ne- 
gers (gedoopten of geloofsleerlingen). 

Deze uitslag is schoon voor een begin ; ongelukkig ontbreken de 
vverklieden, en het doet leed te moeten bestatigen dat de Protestant- 
sche missionarissen van Engeland, Amerika en Zweden de Belgische 
zendelingen in getal overtreffen. 

Bidden wij dan den Heer van den oogst, bidden wij de H. Maagd 
Maria, patrones van den onafhankelijken Congostaat talrijke en vurige 
vverklieden te verwekken om hetblijde nieuws in het zwarte vasteland 
aan te kondigen. 





le DEEL. 

Baron Dhanis en de oorlog met de Araben. 



Bladz. 



Hoofdstuk I. Voorloopige toestand. HetMahomedanismus. 

Hoofdstuk II. Veldtocht in Manyema 

Moord van Lippens en Hodister, 21. — Veldtocht tegen Sefu en 
Moharra 23. — Inneming van Nyangwe en Kassongo, 25. — 
Ru maliza, 29. — Rumaliza verslagen, yj. — Onderwerping van 
Rachid, 38. 

Hoofdstuk III. Kapitein Chaltin in het binnenland. 

Op de Lomami, 60. — Te Bena Kemba, 43. — Inneming van het 
Araabsche kamp van Tchari, 45. — Gevecht en inneming van 
Riba-Riba, 54. — Zegepraal aan de Stanley-Falls, 56. 

Hoofdstuk IV. Terugkomst in Belgie. 

Gevolgen van den veldtocht, 41. — Feestelijk onthaal te Antwer- 
pen en te Brussel, 61. — Doodenlijst : Ponthier, de Wouters 
d'Oplinter, 64. — Debruyn, 69. — luitenant Hodister, 70. — 
Emin-Pacha, 72. 

He DEEL. 

Kapitein Jacques en de Belgische krijgstochten tegen de 
slavenhandelaars. 
Hoofdstuk I. Van Belgie naar Tanganika 

De vier krijgstochten onder het bevel van luitenant Hincq, kapitein 
Jacques, luitenant Long, en kapitein Descamps, 77. — Vertrek van 
kapitein Jacques, 78. — Te Bagamoyo, 78. — Te Tabora, 83. — 
Te Karema, 84 — Ontmoeting van kapitein Joubert, 87. 

Hoofdstuk II. De Oorlog aan het Tanganika-meer. 

Opbouwing van Albertville, 91. — Jacques bij Rumaliza, 92. — 
Aankomst van Delcommune, 95. — Belegering der Araabsche 
boma ; mislukking, 96. — Een kanon als 't u belief t, 100. 

Hoofdstuk III. Overwinning op de slavenhandelaars. ... 

Aankomst van Duvivier en inneming der Araabsche boma, 102. — 
Toka-Toka op de vlucht, 104. — Aankomst van kapitein Descamps 
en der twee kanonnen, 109. — Aankomst van luitenant Long, 
no. — Overwinning op Mouhina, in. — De karavanen Descamps 
en Dhanis vereenigen zich, 112. 



39 



60 



76 



89 



102 



236 INHOUD. 

Bladz. 

Hoofdstuk IV. Terugkomsi in Belgie 116 

Het afscheid van kapitein Jacques te Mpala, 116. — Terugkeer 
langs den Zambezis, Zanzibar, Suez en Parijs, 118. — Feestelijke 
ontvangst teBrussel en te Vielsalm, 119. 

Ille DEEL. 

Alexander Delcommune en de verkenningstochten in Katanga 
tot bevordering van den koophandel. 

Hoofdstuk I. De vier handelstochten 127 

Aanvoerders : De HH. Alexander Delcommune, luitenant Ho- 
dister, kapitein Stairs, kapitein Bia. 

Hoofdstuk II. Ontdekkingstocht Delcommune 129 

Van Antwerpen naar Leopoldville, 129. — Aan de Stanley-Falls, 
139. — Aan het Kassali-meer, 145. — Bunkeia, hoofdstad van 
Msiri, 147. — De bergpassen van Nzilo, hachelijke toestand, 150. 
— Houra Tanganika! 151. — Kapitein Joubert, 151. — Ter 
hulp van kapitein Jacques, 155. — Het Tanganika-meer, 157. 

Hoofdstuk III. Terugkomst in Belgie 160 

Van het Tanganika-meer naar Brussel, 160. — Wetenschappelijke 
uitslagen, 161. — Plechtige ontvangst te Brussel, 165. — De inge- 
nieur Diderrich en de kleine Kalala, 167. 

IVe DEEL. 

De Katholieke belgische zendingen in Congo. 

Hoofdstuk I. De Witte Paters aan het Tanganika-meer. 173 

Overlijden van de PP. Vincke en Vanderstraeten, 176. 

Hoofdstuk II. De Paters Zendelingen van Scheut in 

Congo 179 

Brief van P. Huberland, zijn dood, 183. — Doopsel van Ebeke, 
188. — De school-kolonie van Xieuw-Antwerpen, 191. — Reis van 
Matadi naar Lusambo, 196. 

Hoofdstuk III. De Liefdezusters in Congo 205 

Eerste vertrek, 205. — Brieven van Zuster Amalia, 208, en van 
Zuster Maria-Godelieve, 211. 

Hoofdstuk lY.De Paters Jezui'eten en de Zusters van O. L. 

Vrouw in K^wango 214 

De reis, 219. — De kolonie van Sinte-Maria van Kimuenza, 221. — 
Brief van Pater Liagre, 224. 

Hoofdstuk V. De Paters Trappisten in Congo 230 



.1. 



<#^ BLADWIJZER PER PLATEN. ^ 

Bladz. 

Leopold 11, Oppergezagvoerder van den onafhankelijken Congostaat. 6 

Luitenant baron Francis Dhanis, geboren te Londen, den n Maart 1862, 
de ©verwinnaar der Araben. 17 

Bevelhebber Pieter Jozef Ponthier, geboren te Marche, den 4^" Mei 1858, 
overleden in Congo, in 1893 17 

Algemeene kaart van Congo en van midden Afrika 33 

Een krijgspost in Congo. Inlandsche troepen onder het bevel van Belgische 
officieren 49 

Inlandsche opperhoofden tot eene bijeenkomst uitgenoodigd 57 

Doorwading eener rivier in Congo 65 

Kapitein Alphonse Jacques, geboren te Stavelot, in 1858, aanvoerder 
der eerste karavaan tot bestrijding van den slavenhandel 73 

Luitenant Hodister, geboren te Brussel in 1847, vermoord in Congo 
in 1892 73 

Kardinaal Lavigerie, primaat van Afrika, voorstander der tochten tot 
bestrijding van den slavenhandel, overleden te Algiers in 1892. 81 

Zanguebar. — Gezicht op Bagamoyo, naar eene teekening van den E. P. 
Le Roy 97 

Kapitein Descamps, bevelhebber van den 4^" tocht ondernomen tot 
bestrijding van den slavenhandel 105 

Luitenant Long, overste van den 3^" tocht ondernomen tot bestrijding 
van den slavenhandel 105 

Kaart van Oostelijk Congo. Manyema en het Tanganika-meer, hoofd- 
tooneel van den oorlog met de Araben 121 

Alexander Delcommune, geboren te Namen in 1855, aanvoerder van 

den verkenningstocht in Katanga 126 

Neder-Congo, de steden en de spoorbaan 126 

Afrika. — De haven van Leopoldville aan den Stanley-Poel 137 

De markt van Kassango, op den weg naar Leopoldville 137 

Kapitein Joubert ontmoet den bevelhebber Jacques en zijne gezellen 
Renier, Docquier en Vrithoff, aan het Tanganika-meer 153 

Kapitein Joubert, bevelhebber der troepen tot het bestrijden van den 
slavenhandel te Baudouinville vereenigd 163 



238 feLADWIjZER DER PLATEN. 

Bladz. 
De jonge Antonius-Maria Kalala, door den H. Diderrich uit Congo 
medegebracht en in Belgie gedoopt 169 

Coquilhatville na eene lichtteekening 185 

Nghila, opperhoofd van Kimuenza, en zijn gezin, naar eene lichttee- 
kening 193 

De EE. PP. Jezuieten Bovy, en de Hert, de Zusters van O. L.Vrouw 
van Namen en de Breeders Van Houtte, de Sadeleer, Coppens en 
Henricy 201 

B. De Sadeleer. — B. Lombary. — B. Gellet. — B. Dumont. — 
P. Van Hencxthoven. — P. Liagre. — P. De Meulemeester. Eerste 
Belgische Jezuieten in Congo 201 

Gezicht der grot te Kikanda 217 

Liefdezusters van Gent op weg naar de bron om water te putten en 
naar het woud om brandhout te halen 217 

Het Tanganikameer 225 




Drukkerij Descl^e, De Brouwer en Comp. 



BlliDlNQ ;:i:T. JAN 2 11974 



PLEASE DO NOT REMOVE 
CARDS OR SLIPS FROM THIS POCKET 

UNIVERSITY OF TORONTO LIBRARY 



DT Gochet, Alexis Karie 

655 Soldaten en missionarissen 

G6319 in Congo